Bobbejaan Schoepen

Geplaatst in Artiesten

Bobbejaan werd de zestiende mei 1926 als Modest Schoepen in Boom geboren. Zijn vader was smid en kampte al vrij vroeg met gezondheidsproblemen. Modest is twaalf wanneer hij de stiel van pa leert en zelf aan de blaasbalg gaat staan. Modest zong graag, ook tijdens het werk. Moeder Schoepen was een goedlachse vrouw, altijd in voor een vleugje humor. Zij steunt haar zoon wanneer die muziek wil gaan studeren, vooral zangles. Hij heeft een warme baritonstem en gaat in de leer bij operazanger Achiel Van Beveren. Hij tokkelt ook graag op de gitaar. De knepen van dat vak leert hij bij Frans De Groodt. Samen met zijn zus Lis vormt hij vanaf 1939 een duo en trekt met haar van café tot café. Zij zingen niet alleen, maar voeren ook sketches op. Lis kon erg mooi zingen, was een klassiek geschoolde zangeres. Vanaf 1943 gaat Bobbejaan gitaar studeren bij Frans De Groodt en zang bij Louis De Laet. Datzelfde jaar maakt hij zijn debuut in de Ancienne Belgique. Hij zingt daar met veel lef Mama, ik wil ne man hè, een Duitse man dat wil ik niet, want Schweinefleisch dat lust ik niet. Meteen nadien wordt Modest opgepakt. Hij wordt naar de gevangenis afgevoerd en na wat heen en weer gepraat dan toch vrijgelaten. Hij wordt door de Duitsers opgeëist om in Duitsland te gaan werken. Modest gaat daar zingen voor de Vlaamse arbeiders die daar in werkkampen waren ondergebracht. Hij wordt daarvoor in 1944 drie maanden in de gevangenis van Mechelen opgesloten, bestempeld als ne zwarte, omdat hij zogezegd met de vijand had meegeheuld, maar de Engelse bevrijders laten hem gaan. Iets later stapt Modest naar het N.I.R. (de latere VRT) om daar mee te doen aan een auditie, anders kan en mag hij niet op de radio komen. Hij slaagt, maar die auditie wordt wegens de oorlogsjaren iets later tenietgedaan. Drie jaar later doet hij opnieuw mee en slaagt ook deze keer met glans. In 1945 gaat hij pas echt optreden. De ellende van de Tweede Wereldoorlog probeert iedereen zo snel mogelijk te vergeten. Samen met zijn dorpsgenoot Kees Brug richt hij het duo Two Boys and Two Guitars op. Op zoek naar een geschikte artiestennaam wordt Modest Bobbejaan, geleend van het Afrikaanse liedje Bobbejaan klim die berg. Een bobbejaantje staat in het Afrikaans voor een baviaantje, een aapje. Van in het begin kiest Bobbejaan voor opgewekte liedjes. Hij wil geen hoogdravende, diepzinnige teksten zingen. Er was de voorbije jaren al genoeg ellende gepasseerd. Naast zingen kan hij ook goed fluiten, kunstfluiten zoals dat met een dure naam wordt omschreven. Hij en Toots Thielemans waren daar echte kleppers in. Wat weinigen weten is dat Toots in 1951 deel uitmaakte van het orkest van Bobbejaan. Toots nam daarin de rol van gitarist voor zijn rekening. Toen al spoorde Bobbejaan hem aan zijn kansen in Amerika te wagen. Zijn repertoire, dat uit heel wat Engelse en Amerikaanse liedjes bestond, en zijn gefluit gaven Bobbejaan in de ogen van de Amerikaanse soldaten voor wie hij in Duitsland optrad, het imago van een cowboy. Het was muziekuitgever Jean Klüger die hem naar Duitsland stuurde om daar de Amerikaanse soldaten in Nürnberg, Frankfurt en Berlijn te gaan entertainen. Jean zou zich de jaren nadien ook over de carrière van Bobbejaan gaan ontfermen. Hij vindt wel dat hij in het Nederlands moet gaan zingen. In 1948 begint Bobbejaan zijn eerste plaatjes op te nemen voor het Deccalabel. Als geen ander gaat hij voor eenvoud in zijn liedjes, die mogen volks klinken, daar hebben de mensen recht op.

Op 78 toeren verschijnt De trappers van Alaska, gekoppeld aan Ik wil zo graag gaan trouwen. Het publiek reageert enthousiast, ook op het liedje Maar… die kat komt weer en vooral op de plaat De jodelende fluiter, die het niet alleen bij ons, maar ook bij ons noorderburen erg goed doet. Op plaat wordt het gekoppeld aan Koetje boe, ook al zo’n Bobbejaanklassieker te noemen. Hij gaat in Nederland optreden in de in die tijd populaire “Bonte Dinsdagavondtrein” van de AVRO samen met sterren zoals Toon Hermans, Rudi Carrell en Willy Alberti. Voor de radio welteverstaan. Door dat succes in Nederland belandt Bobbejaan ook in Indonesië om daar de troepen te entertainen. In die sfeer van jodelende cowboy schrijft hij Geef mij maar de prairie en brengt dat nummer in 1948 eveneens op 78 toeren uit. Bobbejaan heeft qua plaatopnamen de smaak goed te pakken en weet precies wat zijn fans willen horen. In 1949 neemt hij Zeg waarom heeft de kok?, Want dat geeft moed en Je danst in Tirol op. Het zijn geen liedjes die bol staan van de hoogstaande lyriek en hij ontpopt zich tekstueel ook niet als een echte poëet, maar Bobbejaan weet waar hij voor gaat en staat. Jan met de pet lust die liedjes wel. Zeker wanneer hij in de loop van dat jaar een van zijn bekendste nummers ‘k Zie zo gère m’n duivekot uitbrengt, geschreven door de Rotterdamse componist Anton Beuving, die onder meer voor Max van Praag en Eddy Christiani schreef, en Gerd Zonnenberg.

In 1950 duikt Bobbejaan op in de film “Ah! ‘t Is zo fijn in België te leven” van regisseur Jacques Loar, een ironische komedie over ons land waarin Bobbejaan ook de titelsong zingt. Dat jaar brengt hij een zevental liedjes op 78 toeren uit: Si si si señorita, Hop scotch polka, Nooit van die velde, Music music music, Oh mijn liefste!, De zaligheidspolka en Sigaren en kauwgom. Bij mijn weten zijn dat achteraf geen echte hoogvliegers gebleven. We moeten wat dat betreft wachten tot hij in 1952 samen met Anton Beuving De lichtjes van de Schelde schrijft. Tijdens de begrafenis van Bobbejaan, de eenendertigste mei 2010, zou het de beurt aan Daan zijn om een akoestische versie neer te zetten van De lichtjes van de Schelde. Toen Bobbejaan in Meise woonde, kwam Anton Beuving daar regelmatig langs. Op zekere dag had hij de tekst van De lichtjes van de Schelde bij zich. Bobbejaan neemt meteen zijn gitaar bij de hand en tokkelt ter plaatse de melodie als ging het vanzelf. In nog geen vijf minuten tijd is de melodie verzonnen en enkele maanden nadien trekt hij naar de Decca Studio’s om het daar op aandringen van Jean Klüger in te zingen.

Ook in het buitenland wordt Bobbejaan als attractie top of the bill. Zo vinden wij hem terug op concertpodia in Denemarken, IJsland, Oostenrijk, Jakarta… Hij deelt vaak het podium met bekende sterren uit die tijd: Caterina Valente, Josephine Baker, Gilbert Bécaud… Dankzij Jacques Klüger, die ook in New York net een uitgeverij begonnen was, kan hij in 1953 op concertreis naar Amerika. Een verhaal apart, want hij wordt daar in Nashville, het mekka van de country, verkocht als de jodelende fluiter. Hij mag optreden tijdens de bekende “Grand Ole Opry” aan de zijde van Roy Acuff en Red Foley. Dat jaar ontmoet hij Toots opnieuw, deze keer in New York. Die speelt op dat moment in de groep van de befaamde blinde jazzpianist George Shearing. In 1954 is Bobbejaan op tournee in Duitsland, IJsland en Denemarken en rondt dat jaar af met een felgesmaakte concertreeks in de Folies Bergère in Brussel.

Wanneer Bobbejaan in 1955 in de Ancienne Belgique op het podium staat, is het de eer aan de vijfentwintigjarige, nog haast onbekende Jacques Brel om in zijn voorprogramma te zingen. Zijn platen verkopen zo goed dat hij dat jaar de “Grote Prijs van de Vlaamse Grammofoonplaat” ontvangt. In 1957 staat Bobbejaan in New York in de bekende tv-show van Ed Sullivan. Hij mag ook een plaat opnemen onder leiding van producer Steven Sholes voor RCA Records. Samen met de bekende Jordanaires als backing neemt hij een handvol liedjes op. In de kantine ontmoet hij Elvis Presley, al is Bobbejaan zich er dan niet van bewust hoe bekend The King op dat moment in Amerika wel is. Sholes biedt Bobbejaan de kans om als Bobby John drie maanden lang in de States te verblijven en promotie te voeren voor zijn langspeelplaat. Maar Bobbejaan wil de carrière die hij in de Benelux en daarbuiten heeft opgebouwd, niet laten verwateren. Trouwens, Jean Klüger stuurt Bobbejaan een telegram met de melding dat hij dringend naar huis moet terugkeren, want er staat een belangrijk liedjesfestival in Frankfurt op het getouw, met name de tweede editie van het Eurovisiesongfestival. Bij aankomst thuis liggen er drie liedjes op hem te wachten die in aanmerking komen. De uiteindelijke keuze valt op Straatdeuntje, geschreven door Harry Frekin op een tekst van Eric Franssen, waarmee Bobbejaan op de achtste plaats eindigt. Er nemen tien landen deel die derde maart in Frankfurt am Main. Nederland gaat met de overwinning lopen. Corry Brokken krijgt eenendertig punten voor haar vertolking van Net als toen. Een jaar later staat Bob tot zijn eigen verrassing op de affiche van “The Royal Variety Show”, een jaarlijks evenement op het getouw gezet ter ere van de Queen van Engeland. Daar verneemt hij in de coulissen dat in Australië Slim Dusty een grote hit scoort met A pub with no beer. Bij zijn thuiskomst laat hij dat aan Klüger horen, die er een hit in ziet zitten. Als Café zonder bier zet Bobbejaan het op plaat en het wordt in Vlaanderen een grote hit. Hij neemt ook een Duitse versie op, Ich steh’ an der Bar und ich habe kein Geld. Die versie wordt niet alleen in Duitsland een ongelofelijke hit, waar het nummer dertig weken in de hitlijsten genoteerd blijft, maar eveneens een regelrechte nummer één in Oostenrijk.

En hier bij ons? Hij blijft liedjes op plaat vereeuwigen. In 1957 scoort hij in de Vlaamse Top Tien met zijn versie van Ik sta op wacht, geschreven door Andreas De Raaff en Stan Haag en in Nederland oorspronkelijk een hit voor Joop de Knegt. Er zit ook een behoorlijke hit in voor zijn vertaling van de Duitse hit Der lachende Vagabund van Fred Bertelmann, De lachende vagebond, een hit voor Bobbejaan in de maand maart van 1958. We onthouden ook uit 1959 zijn vertaling van Tom Dooley van The Kingston Trio.

Schoepen had altijd al een zwak gehad voor het circus. Hij vat in 1959 het plan op om met een circus, paarden en vele attracties rond te reizen, waarbij hijzelf als zingende cowboy de trekpleister vormt. Bobbejaan zal met zijn eigen circus rondreizen van 1958 tot en met 1961. Op die manier kan Bobbejaan meer op eigen benen staan en is hij minder afhankelijk van vaak moeilijke zaaleigenaars. Hij vaart liever zijn eigen koers. Hij neemt aanvankelijk het circus van de familie Tondeur over en krijgt de vrije hand als organisator van de shows. Bobbejaan is trots dat hij via de Amerikaanse stuntman Casey Tibbs het paard van Zorro, Midnight, op de kop kan tikken. Dat wordt zijn pronkstuk tijdens die circusjaren. Tijdens zijn optredens lanceert hij ook nieuwe liedjes zoals het door Jean Rolle, Ke Riema en Willy Albimoor geschreven Een hutje op de heide, dat na zijn release een stevige nummer één wordt in de Vlaamse Top Tien van de maand februari 1960. Als een jongen van twaalf herinner ik me uit die tijd ook nog een singletje dat mijn moeder vaak draaide : Ik ben boos op de maan, geschreven als Two faced moon door Clifford Adams en Howard Barnes en vertaald door Ke Riema.

Tussen twee shows door bedenkt Bobbejaan in zijn caravan tal van nieuwe liedjes. Zo schrijft hij op zekere dag Ik heb eerbied voor jouw grijze haren. Vanuit zijn caravan, zo vertelde Bob mij vele jaren later, zag hij oudere mensen met golvende grijze haren passeren die zijn circusoptreden kwamen bijwonen. Speciaal voor hen schreef hij dit liedje en hij zingt het ook speciaal voor hen live tijdens zijn circusoptredens. Hun reacties doet hem niet lang twijfelen om het meteen op plaat te zetten. En kijk, bij de start van 1961 staat hij drie maanden na elkaar met dat nummer op één in de Vlaamse Top Tien. Twee jaar later wordt het in Nederland opgepikt door Gert Timmerman, die in de zomer van 1963 met zijn versie tot op de tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig geraakt. Hij zal zomaar liefst negen maanden na elkaar in die hitlijst standhouden. Gert verkoopt er in het totaal driehonderdvijftigduizend exemplaren van. Een meervoudige platina plaat wordt hem iets later door niemand minder dan Louis Armstrong overhandigd. In Duitsland verschijnen er een aantal coverversies van onder anderen Heino, Camillo Felgen en James Last. Caterina Valente neemt in 1961 een Italiaanse cover op van zijn liedje In de schaduw van de mijn, dat als Amici miei in Italië een behoorlijk succes wordt voor haar.

De achttiende mei 1961 treedt Bobbejaan – hij is dan vijfendertig, zij negenentwintig – in het huwelijk met de voormalige operazangeres en fotomodel Josephina Jongen, die hij vijf jaar eerder had leren kennen. Zij is de oudste uit een gezin van achttien kinderen. Als kind zong zij al in het operakoor van Aken. Zij en Bobbejaan zullen samen vijf kinderen krijgen: Robert, Myriam, Jacky, Peggy en Tom. Tom zal later het management van zijn vader in handen nemen.

In 1959 had Bobbejaan zijn gedachten gezet op een groot stuk grond in Lichtaart-Kasterlee. Na het nodige overleg gaat hij over tot de aankoop van het Abroek, dertig hectaren moerassige grond. Hij bouwt er een theater met een capaciteit van meer dan duizend toeschouwers en legt er een strand van 2,2 kilometer aan. Het is muziekuitgever Klüger die de naam Bobbejaanland verzint. De eenendertigste december 1961 wordt Bobbejaanland officieel geopend. Samen met zijn vrouw Josée gaat hij het park runnen. Hij zal daar ook regelmatig met haar optreden, duetten zingend. Getuige van deze samenzang is de elpee “Wij horen bij elkaar”. Op dat album staat onder meer een cover van There’s a hole in my bucket van Harry Belafonte. Tal van bekende artiesten passeren in zijn theater de revue: Will Ferdy, Louis Neefs, Leo Martin, Jan Theys, Will Tura, Rex Gildo, Michael Holm en Liliane Saint-Pierre. Vriend aan huis zijn ook de orkesten van Lou Roman, Bobby Setter en Claude Rabitsky. Attracties koopt Bobbejaan in Amerika aan, waar hij regelmatig met zijn vrouw Josée naartoe trekt om daar ook de nodige ideeën op te doen. Van de bekende kostuumontwerper Nudie Cohn, die in Amerika de kleding voor onder meer Johnny Cash en Elvis Presley ontwierp, koopt hij twee witte Pontiac Bonnevilles die Cohn met countryattributen had opgetooid, zoals opvallende stierenhorens op de motorkap. In Duitsland blikt Schoepen in 1960 en 1961 nog twee films in: “O sole mio” en “Davon träumen alle Mädchen”. In Vlaanderen verschijnt het jaar nadien de prent “De Ordonnans”, waarin Bobbejaan te zien is naast Yvonne Lex, Nand Buyl, Denise De Weerdt en Tony Bell.

Qua internationaal succes kunnen we zeker niet voorbijgaan aan het liedje Ik heb mij dikwijls afgevraagd, dat hij samen met Jan Berghmans schreef en dat hij op plaat zette samen met het orkest van Etienne Verschueren. Dat werd bij ons geen groot succes. Hij neemt daar ook een Franse versie van op, op tekst van de Franse schrijver Fernand Bonifay. Dat plaatje komt in handen van de in die tijd razend populaire Franse zanger Richard Anthony, die het in 1965 op single uitbrengt als Je me suis souvent demandé en er in Frankrijk een dikke hit mee scoort, wat natuurlijk lekker aantikt op de bankrekening van Bobbejaan qua auteursrechten. Hij zal dat jaren later op zijn album “Bobbejaan” als duet samen met Axelle Red zingen, voor die gelegenheid geproducet door Dominique Vantomme. Op datzelfde album, nu we het er toch over hebben, vinden wij ook de song Ik geloof in zijn nieuwe versie terug, een liedje dat Bobbejaan in 1967 speciaal voor Jimmy Frey had geschreven op tekst van Louis Baret en dat Jimmy dat jaar tijdens een editie van “Canzonissima” zingt en dat de start betekent van Jimmy’s carrière in Vlaanderen.

Vanaf 1975 schuift de muzikale carrière van Bobbejaan naar het achterplan. Hij bouwt zijn Bobbejaanland uit tot een gerenommeerd attractiepark. Zijn shows gaat hij ook almaar meer afstemmen op een internationaal publiek, dat intussen de weg naar zijn domein heeft gevonden. Het is hard werken, zestien uur per dag. Aan zijn optredens houdt Bobbejaan steeds minder een fijn gevoel over. Het lijkt op bandwerk, zijn creativiteit lijdt eronder. In 1978 ontvangt Bobbejaan van platenfirma Telstar een platina plaat voor de succesvolle verkoop van de verzamelaar “Dertig jaar Vlaamse hits”. Op een bepaald moment zijn er in Bobbejaanland vierhonderd mensen in dienst. Dat allemaal in goede banen leiden, kost veel aandacht en geduld. In 1986 moet Bobbejaan naar het ziekenhuis, een zware hartoperatie volgt. Dertien jaar later wordt bij hem darmkanker vastgesteld. Een normaal mens zou een overnemer zoeken, maar de familie Schoepen beslist in 2003 twaalf miljoen euro in het pretpark te investeren. Dat geld wordt besteed aan de aankoop van de reusachtige attracties “Sledge Hammer” en “Typhoon”. Dat levert in de ranking van beste attractieparken in Europa Bobbejaanland een tweede plaats op, vlak na Disneyland. Maar het kan niet uitblijven. Na zeer doordacht overleg wordt in 2004 beslist het park te verkopen aan de Spaans-Amerikaanse pretparkengroep “Parques Reunidos”. Bobbejaan, de artistiek verantwoordelijke van het domein, zijn vrouw Josée, de zakelijke ruggengraat, en haar zus Louise, de boekhoudster, moeten een stap terugzetten, al blijven Bobbejaan en zijn vrouw op het domein wonen.

Zoon Tom Schoepen besluit het in 1966 opgerichte platenlabel Bobbejaan Records in 2006 nieuw leven in te blazen. Er worden plannen gesmeed voor nieuwe albums. De dertiende februari 2007 mag Bobbejaan tijdens de uitreiking van de Zamu Awards in de Brusselse Ancienne Belgique een lifetime achievement award in ontvangst nemen voor zijn pionierschap in de Belgische muziekgeschiedenis. De negentiende mei 2008 verschijnt het album “Bobbejaan” met daarop opnieuw ingezongen versies van een twaalftal Bobbejaanhits met als gastvocalisten Geike Arnaert van Hooverphonic, Daan, Nathalie Delcroix van Laïs en Axelle Red. Als aanloop naar de opname van dit album treedt Bobbejaan op tijdens een editie van het literaire festival Saint-Amour. Om Bobbejaan niet te zeer te vermoeien, werd besloten de stemopnamen voor zijn album in zijn woonkamer in te blikken. Het is hier dat bij de release van zijn cd Phara de Aguirre hem komt interviewen voor Canvas. Eén nummer krijgt veel aandacht: de slotstrook Verankerd, waarin Bob zijn strijd tegen de kanker en het ouder worden bezingt. Tot zijn verbazing verneemt Bobbejaan dat hij in de maand juli van 2008 in Amerika als eerste Europeaan wordt opgenomen in de Whistlers Hall of Fame voor zijn verdiensten als kunstfluiter. In 2009 wordt hij naar hartenlust gelauwerd: de zesde juli ontvangt hij het ereteken van Officier in de Kroonorde en de tweede oktober wordt hij de eerste ereburger van zijn geboortestad Boom. Om dat jaar feestelijk af te ronden, verschijnt in december de driedelige cd “The World of Bobbejaan Songbook”. Op de eerste cd een rist Engelstalige en Franstalige versies van bekende en minder bekende nummers van hem, op het tweede album zijn bekende werk en op de derde cd een muzikale reis met Bob rond de wereld, liedjes met een folky inslag. Voor verzamelaars en fans is en blijft dit album het neusje van de zalm. Zoveel hij kan probeert Bobbejaan van al die aandacht te genieten en vooral na te genieten.

De zestiende mei 2010 viert Bobbejaan van op zijn ziekbed zijn vijfentachtigste verjaardag. Hij was sinds de vorige maand opnieuw in het ziekenhuis opgenomen. Hij geraakte er zelfs in coma, maar kwam toch weer bij bewustzijn. Tom filmt met goedkeuring van pa ook deze intieme momenten met het oog op een documentaire die hij over zijn vader wil maken. Na het verjaardagsfeest blijven hij en ma nog even na. Wanneer zij de kamer verlaat, zegt hij: “Ons ma is de beste, ge kunt geen betere vinden.” Dit moeten zowat zijn laatste woorden geweest zijn. Wanneer Josée de dag nadien om kwart voor elf zijn kamer wil betreden, vertelt de dokter haar dat hij net aan een hartstilstand is overleden. Heel even lijkt het voor de familie Schoepen alsof de wereld stilstaat. Een cowboy is net gestorven! Tijdens zijn uitvaart wordt de clip met het liedje Verankerd getoond. Er volgt een minutenlange staande ovatie op. Sowieso moet hij ervan genoten hebben.

De dertiende september 2013 overlijdt Josée Schoepen, zijn levenslange toeverlaat, na een slepende ziekte, op eenentachtigjarige leeftijd.

Tijdens het Filmfestival van Gent wordt tijdens de maand oktober 2015 in première de documentaire “Bobbejaan” vertoond. In “De Morgen” lezen we: “Hoewel Bobbejaan het portret brengt van een artistieke duvelstoejager en succesvolle zakenman, blijven de amateurbeelden van zijn laatste dagen het meest nazinderen. Je ziet een trotse man, die in de laatste rechte lijn naar zijn Schepper nog een prachtplaat uit zijn mouw wil schudden. Maar hij beseft tegelijk dat hij niet langer kan revolteren tegen zijn sterfelijkheid. Langzaam dooft hij voor je ogen uit. Hoewel die premisse erg delicaat klinkt, voelt deze documentaire nooit voyeuristisch aan. Wel zo liefdevol intiem dat het soms pijn doet. Een uur lang stap je de wereld van Bobbejaan binnen, voornamelijk gezien door de ogen van zijn zoon Tom. Terwijl vader aan het sterfbed gekluisterd ligt, registreert Tom diens laatste gedachten, camera in de aanslag. Regisseur Benny Vandendriessche – die ook de laatste clip van Bobbejaan inblikte – husselt die intieme gezinsmomenten met oude beeldfragmenten uit Schoepens geheugen. En dat zijn er veel. Of zoals de zanger, kunstfluiter en jodelende oprichter van Bobbejaanland ergens zegt: “Ik heb meer verleden dan toekomst.” Er schemert geen pijn door in zijn stem, hooguit berusting in eigen lot.

De 27ste mei 2016 ligt er een nieuw album van Bobbejaan Schoepen in de winkel  “Duivels in de hel, home and fields recordings”. De titel is afgeleid uit een tekst die hij zelf schreef. Dit muzikaal oeuvre van de artiest stamt uit de periode 1966-1979 en werd pas in 2006 ontdekt. Recent geloofde niemand nog dat achter de façade van het pretpark , de artiest Bobbejaan in stilte nog nieuwe opnames maakte, dat hij nog erg creatief was. Een deel van het album is de laatste jaren uitgebreid met topmuzikanten uit New York. Zij doken als het ware terug in de tijd en werden muzikaal één met de klank en stem van Bobbejaan Schoepen. De uiteindelijke realisatie van dit album nam tien jaar in beslag. Het album herbergt achttien nummers waarvan de grote meerderheid tot voor kort nog titelloos was. “Duivels in de hel” is een uniek album geworden in een productie van Tom Schoepen en Mark Plati, uitgebracht op hun eigen label Bobbejaan Records, met prachtige songs als Een koude wind waait, Er rest me niets, Blue boy, Monsieur le vagabond, Ik geloof en het aanstekelijke walsje What a wonderful day.

Vanaf de maand september 2016 wordt de rijke erfenis van Bobbejaan geëtaleerd in de theaterproductie “Ode aan Bobbejaan”. Daarin niet alleen gekende, maar ook minder bekende pareltjes. Zijn muzikale erfenis wordt op het podium neergezet door Guido Belcanto en Jan De Smet die voor een deel opgroeiden met Bobbejaans muzikale nalatenschap. Bobbejaan en zijn vrouw José hebben jarenlang dat podium gedeeld, wat soms resulteerde in gevoelige duetten en hilarische sketches.  Barbara Dex maakt deze nooit geziene vocale combinatie dan ook helemaal compleet en zorgt ongetwijfeld  mee voor de legendarische countrysnik die sommige van Bobbejaans liederen zo onweerstaanbaar maken. Ondersteund door onder meer toetsenist Dominique Vantomme, bassist Sjang Coenen, drummer Karel De Backer en gitaristen Fritz Sundermann en Firmin Michiels, starten zij met deze productie in de theaterzaal van “Bobbejaanland”, om nadien Bobbejaans repertoire in de bekendste Vlaamse schouwburgen opnieuw te laten klinken.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet