Fats Domino

Geplaatst in Artiesten

Het had letterlijk maar een vinger gescheeld of Fats Domino was nooit muzikant geworden. Een ongeval in een matrassenfabriek in New Orleans kostte hem op een nagellengte na bijna een van zijn fortuinlijke vingers waarmee hij later wereldbekend zou worden. Wonder boven wonder waren de pianolessen van zijn schoonbroer, dixielandmusicus Harrison Verrett, niet voor niets geweest. Fats Domino zou vrij snel bekend worden in zijn geboorteplaats New Orleans.

Antoine Domino werd 2de zesentwintigste februari 1928 geboren in een gezin van negen kinderen. Vanuit Vacherie, Louisiana, was zijn vader uitgeweken naar New Orleans waar Antoine opgroeide in de Ninth Ward-buurt te midden van honky tonk bars, jukeboxen en parade bands. Hij en zijn neef Harrison Verrett waren voortdurend door de piano in geestdrift gebracht. Een schoolvriend van Domino, de later bekend geworden Lee Dorsey, vertelde dat Antoine nooit tijd had om na school met zijn vrienden op straat te spelen. De piano kreeg steeds voorrang. Het was Ms Celestin die hem les gaf en hij was nog geen tien jaar toen hij al optrad in de clubs in de Franse wijk van New Orleans. Dat hield Antoine vol tot hij 21 werd. In 1946 kwam hij terecht bij de band van Billy Diamond in de Hideaway Club in Desire Street. Billy was diegene die Antoine de bijnaam Fats meegaf en zo zou het voor de rest van zijn carrière ook blijven. Het was dankzij orkestleider Dave Bartholomew dat hij een vaste stek zou krijgen bij platenfirma Imperial Records. Bartholomew werd 24 december 1920 in Edgard, Louisiana geboren en verhuisde later naar The Crescent City. Als teenager kreeg hij les van trompettist Peter Davis, ooit nog leraar van Louis Armstrong. Hij trad op in bekende dixielandorkesten als die van Papa Celestin en Toots Johnson. In de 196 AGF Band van het Amerikaanse leger leerde hij componeren en muziek arrangeren. Na zijn legerdienst vormde Dave zijn eigen band en kwam behoorlijk aan de kost in clubs als “The Robin Hood” en “The Dew Drop Inn”. Hij begon in 1947 met zijn eerste plaatopnamen voor het De Luxe-label, waaronder het bekende Country boy. De band die Bartholomew eind jaren veertig had klaargestoomd, bepaalde voor het merendeel ook de Domino-sound (o.a. gitarist Ernest McLean, saxofonisten Clarence Hall en Alvin Tyler en drummer Earl Palmer).

Platenbaas Lew Chudd van Imperial Records was meteen in de ban van Fats Domino en Dave Bartholomew. Dave hielp Domino de New Orleans favoriet Junker’s Blues wat op te poetsen en december 1949 nam Fats Domino zijn eerste plaat op in Cosimo Matassa’s “J & M Studio”.

In de rhythm-and-blueslijsten van die tijd prijkte The Fat Man binnen de kortste keren op zes. Het was de opmerkelijke drumbeat van Earl Palmer die de plaat zo’n opwindend ritme meegaf en zonder dat hij het eigenlijk besefte, droeg Fats Domino zijn eerste steentje bij tot de popularisering van de rock-’n-roll. Door het succes van de plaat was de vraag naar Fats immens. Hij trok de baan op met het orkest en hij riep de hulp in van zijn schoonbroer Harrison Verrett om voor hem een vaste begeleidingsgroep samen te stellen. Intussen schaafde Domino zijn pianostijl nog wat bij door bijna onafgebroken te luisteren naar plaatopnamen van pianisten als Pete Johnson, Albert Ammons en Little Willie Littlefield.

 

 

Na drie geflopte opnamen pakte Fats in oktober 1950 uit met Every night about this time, maar moest tot december 1951 wachten om met Rockin’ Chair nog eens in de rhythm-and-bluestoptien te geraken. Met het in april 1952 uitgebrachte Goin’ Home had hij zijn tweede gouden plaat binnen, wat hij in juni 1953 nog eens overdeed met Goin’ To The River. In Cleveland draait in die tijd deejay Alan Freed van W.J.W. Domino’s platen letterlijk grijs en zorgt ervoor dat Fats in de maand januari 1952 in de “Top 10 Rhythm and Blues Show” staat, samen met The Clovers, Joe Turner en The Moonglows. Ain’t That a Shame wordt Domino’s eerste single die ook de popcharts haalt en dat in de maand juni van 1955 (nummer 10). De plaat wordt een miljoenenhit, maar wordt toch qua populariteit geklopt door Pat Boones coverversie, die ermee doorstoot naar plaats twee. In Billboard’s deejay poll staat Fats Domino dat jaar bovenaan als meest favoriete rhythm-and-bluesartiest. Zijn eerste elpee die inslaat is het album “Fats Domino – rock and rollin’” gewaardeerd met een achttiende plaats in de elpee Top 100.

Terwijl zijn producer Dave Bartholomew zijn platen zoveel mogelijk een commerciële tint meegeeft om ze toch maar in de populaire hitlijsten te krijgen, probeert Fats zo dicht mogelijk in de buurt van zijn rhythm-and-blueswortels te blijven, wat niet altijd even gemakkelijk lukt. Het gevaar bestond er immers in de link met de zwarte muziek te verliezen en dat wou Domino koste wat het kost vermijden. Een prima huwelijk tussen rock-’n-roll en rhythm-and-blues werd voor de eerste keer gesloten op de singel I’m in love again, een geslaagde samenwerking tussen Domino en Bartholomew. Het nummer was niet stuk te krijgen, ook niet door de coverversie van de in die tijd razend bekende Fontaine Sisters. Ook de B-kant werd vaak gedraaid, een bewerking van de standard My Blue Heaven.

In primeur zingt Fats Domino op 18 november 1956 in “The Ed Sullivan Show” zijn versie van de evergreen Blueberry Hill, een kaskraker tegen het einde van dat jaar. Ook Hollywood had hem goed bevonden voor een filmrol in “Shake Rattle and Roll”. Een nummer dat Fats Domino zingt in de Jayne Mansfield-film “The girl can’t help it” werd als opvolger gekozen voor Blue Monday, vóór de Tweede Wereldoorlog al een hit voor de band van Guy Lombardo. De plaat blijft zomaar liefst acht weken boven in de Top 100. Gelijktijdig begint The Fat Man een tournee met o.a. Chuck Berry en Clyde McPhatter in “The greatest show of 1957″. Er wordt ook goed gescoord met de elpee “This is Fats Domino” en dat dank zij de hits Blueberry Hill en Blue Monday.

Dave Bartholomew wist niet van ophouden. De ene hit was nog maar net warm geserveerd of net voor het afkoelen, werd de volgende al hapklaar opgediend, I’m walkin’. Ook Ricky Nelson maakte er een succesvolle versie van en Lew Chudd, manager van Domino’s firma, was daarvan zo onder de indruk dat hij Ricky gelijk een contract bij Imperial aanbood.

De twaalfde november 1957 ging er in Hollywood opnieuw een film met Domino in première, “Jamboree”, en een maand later zingt hij in de film “The Big Beat”. Het wordt wachten tot januari 1959 vooraleer er nog eens goud wordt gescoord en dat met Whole lotta lovin’. In Engeland, waar de plaat zwaar gepromoot wordt, krijgt de single net zoveel respons als zijn vroegere Blueberry Hill.

Dave Bartholomew en Fats Domino hadden zich zo intens met hun muzikale formule beziggehouden en er zich zo op blind gestaard, dat ze de geleidelijke afwisseling van hitparadewacht niet in de gaten hadden gehouden en stilaan hun greep op de platenindustrie begonnen te verliezen. Tegen het eind van de jaren vijftig was de belangstelling voor de wat ruige rockplaten aanzienlijk geslonken. Hun plaats werd ingepalmd door jonge, blanke rockers die meer bezig waren met hun uiterlijk dan met de inhoud van hun platen. Ze vonden een uitstekend supporter in Dick Clark en diens American Bandstand-stijl. De enige toegeving die Bartholomew en Domino wilden doen, was een rockende A-kant koppelen aan een slowende B-kant of omgekeerd. I want to walk you home uit 1959 is zo’n voorbeeld, net als Walkin’ to New Orleans, de met violen gelardeerde single, die dromerig tot op zes zweeft en ook Domino’s laatste miljoenenhit wordt. December 1960 levert hij nochtans nog een van zijn rasechte klassiekers af, het traag rockende My Girl Josephine. De komst van de stereo vult Domino in met meer strijkers en blazers, maar vanaf 1961 worden zijn bezoekjes aan de opnamestudio zo goed als gehalveerd. Hij voelt zich wat uitgerangeerd. De hittrein loopt niet meer gesmeerd. Lew Chudd ziet zijn firma Imperial Records hopeloos wegzinken en verkoopt in de lente van 1963 zijn stal aan Liberty/United, terwijl Fats Domino overstapt naar ABC Paramount. Toch had hij het voorbije jaar nog enkele knappe songs opgenomen voor Imperial waaronder Let The Four Winds Blow en Hank Williams’ Jambalaya. In vergelijking met de hitsingles van Chubby Checker en Dee Dee Sharp klinken de singels van Domino wel degelijk passé en moeten zijn Nashville-opnamen, in opdracht van Liberty, hem een nieuwe richting in sturen. There Goes My Heart Again is zo’n poging, maar pas met Red Sails in The Sunset (uit de elpee “Here comes Fats Domino”) komt de Top 40 nog eens in zicht. Voor de rest blijft het slagen leveren met de losse pols en het resultaat is er ook naar, noch Who cares en Lazy Lady, noch Heartbreak Hill brengen hem op voorsprong. In 1965 sluit Fats Domino voor twee jaar een contract af bij Mercury Records met als hoorbaar gevolg ondermeer de live-elpee “Fats Domino ’65″ en “Southland USA”.

In maart 1967 treedt Fats Domino voor de eerste maal op in Engeland: in “The Saville Theatre” op Shaftesbury Avenue in Londen, een concert georganiseerd door Beatles-manager Brian Epstein, met in het voorprogramma The Bee Gees en Gerry and the Pacemakers. Zijn groep bestond uit onder meer bassist James Davis, saxofonist Walter Kimble, trompettist Wallace Davenport en drummer Clarence Brown. De concerttiming was echter niet zo perfect. Domino hadnog niet zijn legendarische status bereikt en Epstein kreeg de zaal dan ook nooit tot de nok gevuld. In Amerika en Canada liep het voor Domino wel van een leien dak. Zijn optredens kregen steeds meer de allures van een Las Vegas-show.

In een ultieme poging zich ook nog eens op het platenfront te manifesteren, sluit Domino in september 1968 een deal met Reprise Records en krijgt Richard Perry als producer toegewezen. Die huurt o.a. drummer Earl Palmer nog eens in en saxofonist King Curtis en het Paul McCartney-nummer Lady Madonna is enkele dagen later realiteit. Nog zo’n Beatle-poging Lovely Rita draait echter anders uit dan verhoopt en ook de elpee “Fats Is Back” lost de verwachtingen niet in. Komt er nog bij dat Reprise Records er het productieve noorden bij verliest en een totaal andere kant uitvaart met Neil Young en Tiny Tim als bemanning. Alsof dit nog niet genoeg is, worden Fats’ muzikanten Clarence Fort en Buddy Hagans zwaargewond in een auto-ongeval en schiet bassist Jimmy Davis er zelfs het leven bij in. Domino besluit zijn optredens terug te schroeven tot bijna nihil en mikt alleen nog op optredens in Las Vegas. Zijn gigantische jaarlijkse bedragen aan auteursrechten houden hem echter luxueus overeind.

Tegen 1973 had Fats Domino een nieuwe band in mekaar gebokst en nam hij met hen een live elpee op tijdens het fameuze “Montreux Festival” in Zwitserland (verschenen op Atlantic). De film “Let The Good Times Roll” brengt hem terug in de belangstelling. Ook met Dave Bartholomew wordt er opnieuw samengewerkt en in 1978 zit Domino in “Marshall Sehorns Studio” in New Orleans. De elpee krijgt de vreemde titel “Sleepin’ On The Job” mee en wordt verdeeld door het Zweedse platenmerk Sonet. De concerten lonken weer en voortaan worden het zijn “Oldies but goodies shows” die voorop zullen staan. Clint Eastwood krijgt Domino zover een cowboyhoed op zijn rockend hoofd te zetten en Whiskey Heaven te zingen in diens film “Any Which Way You Can”, voor sommige Fats Domino-fans een countrymisstap van formaat. Toch was dit het bewijs dat Domino door vele sterren werd bewonderd, ook door die collega’s die het in andere domeinen ver hadden geschopt.

In de loop van de jaren 80 houdt The Fat Man het qua optredens buiten zijn geboorteplek New Orleans voor bekeken. Hij houdt niet van het afmattende rondreizen, het vreemde eten op zijn bord, trouwens hij kan goed leven van zijn inkosten aan auteursrechten. Hij is graag bij zijn familie in Lower Ninth Ward in New Orleans, een buurt waar de gewone man woont en waar hij ook verbleef toen in augustus 2005 de storm Katrina voorbijraasde. Omdat zijn vrouw Rosemary niet meer zo goed ter been is, besloot hij niet te evacueren. Zijn buurt kreeg het zwaar te verduren door wateroverlast. Op 1 september laat Al Embry, zijn manager, weten dat hij van Fats niets meer gehoord heeft. CNN stuurt daarop het bericht de wereld in dat de familie Domino gered werd door een helikopter van The Coast Guard en naar Baton Rouge werd gebracht, waar ze door hun kleindochter werden opgepikt. Ze konden daar voor een paar dagen op haar appartement verblijven. Aan The Washington Post meldde Fats nadien dat hij in de storm alles verloren had. Pas tegen de tweede januari 2006 konden de werken aan hun huis aangevat worden. Intussen verbleven de Domino’s in Harvey, Louisiana.

 

Fats had ooit van president Clinton The National Medal of Arts gekregen, die was in de storm verloren gegaan. Hij kreeg er een nieuwe uit handen van president Bush junior, alsook een aantal gouden platen die hij was kwijtgespeeld. Die werden hem overhandigd door mensen van de RIAA en Imperial Records. Om het fonds te steunen ten voordele van de slachtoffers van de storm, Tipitina’s Foundation, brengt hij in het voorjaar van 2006 het album ‘”Alive and kickin’ ” uit. Het muziekblad OffBeat biedt hem een  Lifetime Achievement Award aan als eerbetoon aan zijn ganse carrière. In de maand september van 2007 krijgt hij een ereplaats in “The Louisiana Hall of Fame” én in “The Delta Music Museum Hall of Fame” in Ferriday. En alsof dat nog niet volstond, krijgt hij vier maanden later een ereplek in “The Hit Parade Hall of Fame”.

In de maand mei van 2009 treedt Fats op tijdens een concert ten voordele van de heropbouw van enkele scholen en speelplaatsen in New Orleans.

Fats Domino overleed de 24ste oktober 2017 op 89-jarige leeftijd te Harvey.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet