Ferre Grignard

Geplaatst in Artiesten

Fernand Karel Louisa Grignard werd vrijdag de dertiende maart 1939 in het Moederhuis aan de Vinkenstraat in Antwerpen geboren! Zijn vader was Fernand Ghislain Joseph Grignard, gehuwd met Maria Helena Joanna Jansen. Na de Tweede Wereldoorlog bouwden zijn ouders een huis in de Letterkundestraat te Wilrijk. Hier zal Ferre het grootste gedeelte van zijn jeugdjaren slijten. Ferre had een broer Roger, die de eenentwintigste augustus 1931 was geboren, acht jaar ouder dus. Vader Fernand, die Nand werd genoemd, was bediende bij de Nederlandse scheepvaartfirma “Ruys & Co”. Zijn vader was daar op zijn beurt trouwens ook al in dienst. Pa was een strenge man, niet makkelijk vatbaar voor andermans ideeën, iets té rechtlijnig. Hij was vrij negatief ingesteld: een goed schoolrapport bijvoorbeeld werd vaak nog op kritisch commentaar onthaald. Moeder was een eenvoudig volksmens die dat compenseerde met goedheid en zachtheid, een vrouw met een hart van goud die haar twee kinderen sterk aan zich bond. Thuis hing er haast altijd muziek in de lucht omdat de radio frequent aanstond. Roger is thuis de slimme, die na het atheneum hogere studies zal aanvatten en ook afronden. Hij gaat handelswetenschappen studeren en zal voor de rest van zijn leven in de bankwereld terechtkomen en daar carrière maken. Meteen na de Tweede Wereldoorlog gaat Ferre naar de Stedelijke Jongensschool op het Kiel. Hij gaat, net als zijn broer, naar de scouts, waar hij tijdens heel wat scoutsmeetings en kampen niet alleen voortreffelijk theater speelt, maar ook graag muziek maakt. Dat samen naar de scouts gaan, vormde een hechte band tussen beide broers. Roger over zijn broer Ferre: “Als kind was hij geen goede leerling op school. Hij had verstand genoeg, maar totaal geen belangstelling voor de leerstof. Zijn schriften stonden vol met tekeningen, daar ging zijn aandacht naar uit, naar het creatieve. Niemand in de familie wist waar die belangstelling of dat talent vandaan kwam. Mijn broer had een zeer zonnig karakter. Het dolce far niente lag hem erg goed. Dat maakte hem blijgezind en opgewekt. Op de lager school was dat geen probleem. Nadien trok Ferre, begin jaren vijftig, naar het atheneum te Berchem. Het eerste jaar moest hij al trissen. Ik liet onze ouders weten dat het misschien goed zou zijn, mocht Ferre naar de Academie voor Schone Kunsten trekken, maar dat zag ons vader niet zo zitten. De academie was volgens hem de springplank naar leegloperij enzovoort. Het werd uiteindelijk het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten in de Cadixstraat in Antwerpen. Ferre specialiseerde zich in boekillustraties en behaalde zijn diploma met onderscheiding. Hier leerde hij etsen, tekenen, schilderen enzovoort. Dat hij gestudeerd zou hebben aan de Academie voor Schone Kunsten, is dus een fabel van je zuiverste gehalte. Hij was wel bevriend met de toenmalige directeur, met wie hij al eens een babbeltje sloeg en een pint ging drinken. Vandaar misschien die verwarring.” Tijdens zijn schooljaren richt Ferre naar aanleiding van een schoolfeestje een groepje op. Een wasbord, een theekist, een gitaar en een mondharmonica. Pure skiffle dus, die iets later in blues overglijdt. Zij nemen zelfs aan een liedjeswedstrijd deel, die ze ook winnen, en daarmee is de aanzet voor zijn latere zangcarrière al deels een feit. Roger herinnert zich nog: “In zijn klas zaten er enkele kornuiten die hun mosterd bij de Engelse skiffle van Lonnie Donegan waren gaan halen. Op een goedkope en vrij eenvoudige manier werd er muziek gemaakt. Met enkele akkoorden geraakte je toen al heel ver. Het viel nog in de smaak bij de medeleerlingen ook en zo is dat almaar verder uitgegroeid tot het fenomeen Ferre Grignard.”

Na zijn studies gaat Ferre naar het leger om er zijn dienstplicht te volbrengen. Hij komt terecht in Lombardsijde (Nieuwpoort) bij het luchtafweergeschut. Veel geoefend als militair heeft hij daar niet, want hij mocht onder meer de muren van de officiersmess decoreren met zijn kunsten. Nadien kwam hij bij enkele grafische firma’s terecht, maar dat liep niet van een leien dakje, want in de schaduw en voetsporen van bazen lopen, was niet Ferres sterkste kant. De verstandhouding tussen Ferre en zijn vader wordt daardoor almaar slechter. Die conflicten leiden ertoe dat Ferre het ouderlijk huis in stilte verlaat en alleen gaat wonen.

Dat op zijn eigen poten staan, was geen riante periode. De Ferre gaat in een steegje in de buurt van de Paardenmarkt wonen en vestigt zich daar als kunstschilder. Hij leert er het pleintje de Stadswaag kennen. In de jaren zestig ontdekten kunstenaars deze buurt en werd de Stadswaag zodoende een hip uitgaanscentrum met jazzcafés en experimenteel theater. Het plein met zijn gezellige cafés werd in 1998 trouwens heraangelegd. De contouren van de oude Stadswaag kan je nog duidelijk in het plaveisel zien. De Ferre gaat daar hier en daar op gezette tijden als gitarist en blueszanger optreden. Hij komt op zekere dag in de “Gard Sivik” terecht. Hier krioelt het van de studenten van de academie, maar ook van de nabijgelegen Sint-Ignatius Handelshogeschool. Voor hem een gedroomd publiek. Omdat de Ferre niet uitsluitend van zijn kunstwerken kan leven, begint hij in de “Gard Sivik” als barman. Broer Roger vult aan: “In de Gard Sivik werden er nogal eens jamsessions tussen de muzikanten op het getouw gezet. De bekende, in Berchem geboren jazzmuzicus Jack Sells, die onder anderen samen met Dizzy Gillespie en Lester Young speelde, liet zich daar graag zien en horen, samen met de toenmalige uitbater van de Gard Sivik, Mike Zinzen, zelf een voortreffelijk altsaxofonist. Ook muzikanten van het orkest van Francis Bay liepen daar geregeld binnen. De Ferre kwam hier op zijn beurt in het bluescircuit terecht en is dan dat genre beginnen te zingen en spelen.” Hier leert hij onder meer Wannes Van de Velde kennen, die zich nog het volgende herinnert: “Na mijn legerdienst heb ik een tijdje grafiek gevolgd aan het Hoger Instituut van de Academie, maar ik begon toen stilletjes uit te kijken naar andere dingen. Ik speelde altsaxofoon in de Gard Sivik, bebop. Maar toen ik het gevoel kreeg dat ik stond te imiteren, dat de muziek niet uit mij kwam, ben ik ermee gestopt. Daar heb ik Ferre leren kennen. We speelden regelmatig samen. Liedjes van Leadbelly: Black girl, black girl, don’t you lie to me en Stagger Lee, Freight Train, songs van Woody Guthrie. En blues natuurlijk.Wij kenden dat allemaal, we luisterden naar die platen. En Ferre, die kon dat nog zingen ook. Ik niet, Ferre wel. Hij had in die tijd zo’n hot gitaar, zo’n Franse Cutaway. Het kan ook een Selmer geweest zijn. Soms mocht ik erop spelen. Ik zong toen eigenlijk nog niet, ik speelde flamencogitaar.”

In hun boek “Wit-lof from Belgium” van Gust De Coster en Geert De Bruycker komt de Ferre in zijn typische je-m’en-fousstijl op pagina 64 daarover zelf aan het woord. “Ik speel al twintig jaar gitaar en zing er wat bij. Buiten katten, vogels en een hond, spaar ik voor één giraf, daar ik een tuin heb, waar reeds drie eenden resideren. Ik kreeg een aanbod om te spelen in Griekenland, maar heb het afgewezen daar ik niet van fascisten hou. Ben beginnen te spelen van mijn vijftien jaar, had eindelijk een gitaar gekregen, speelde in parochiehuizen en voor de communisten. Later werd ik barkeeper in café Gard Sivik in Antwerpen en speelde met baas Johan plus vele anderen. Daar is Fingertips gestart met wasbord te spelen. Later in café De Muze is George “Toot” Smits mee gaan spelen. Met Pasen zullen we gezamenlijk eieren rapen in het Antwerps Stadspark, iedereen is welkom. Ik hou van Charlie Parker, Big Bill Broonzy, Brassens en nog 842 anderen. En ook van een stevige borrel!

In 1964 opent in Antwerpen dus het theatercafé “De Muze” zijn deuren. Dit wordt de place to be voor alternatief Antwerpen. Zijn aanstaande vrouw, kunstschilderes Krie De Vylder, zus van een vriend van de Ferre, leert hij hier kennen. Krie heet eigenlijk Christiana. Zij werd de negentiende april 1944 als Christiana Isabella Petrus Maria De Vylder te Sint-Niklaas geboren als dochter van Alfons De Vylder en Elisabeth Aelbrecht. Zij liep als kind altijd rond met kersrode kaakjes en daarom noemde haar familie haar Kriekje, maar toen ze groter werd, vond ze dat niet meer zo leuk en dus werd het Krie. In de Kuipersstraat in Antwerpen deelde haar broer samen met Ferre een atelier. Daar ontmoette ze hem in de maand januari 1960 voor het eerst. “Neen, het was absoluut geen liefde op het eerste gezicht, integendeel“, weet Krie zich nog goed te herinneren. “Hij trok me wel erg aan. Hij was een heel speciale man. Maar ik hield de boot af, ik was nog veel te jong, nog geen zestien. Maar ik moet blijkbaar de moeite waard zijn geweest, want hij bleef geduldig wachten. Ik vond zijn gezelschap best leuk. Wij schoten goed op met elkaar, vooral omdat wij goed met elkaar konden praten. Dat maakte ook dat we elkaar vaak opzochten. Vooral onze gezamenlijke belangstelling voor kunst bond ons ergens aan elkaar. Stilaan werden we vrienden. Ik had hem graag omdat hij een zachte man was, lief en ook een beetje verlegen. Al die elementen hebben ervoor gezorgd dat we na twee jaar een koppeltje werden. De achttiende september 1962 zijn we dan getrouwd in Antwerpen.” Maar het werd geen sprookjeshuwelijk, integendeel. Ferre was toen nog niet bekend en om de touwtjes aan elkaar te knopen nam hij qua werk aan wat zich aanbood. Krie weet nog heel goed dat ze vaak verhuisden: “We woonden in de Minderbroedersstraat, op het Hendrik Conscienceplein, langs de Sint-Katelijnevest, op Kipdorp, in Belsele en Sint-Niklaas.”

De eerste maart 1963 wordt hun zoon Ferdinand geboren, die meteen als Ferre wordt aangesproken. “Ferre was dolblij en fier met zijn zoon. In het moederhuis schreef hij voor hem de song The Zoo. Hij was een zachte, lieve vader die goed kon spelen met zijn zoon. Als Ferre soms weende of lastig was, speelde mijn man op zijn gitaar en kwam alles weer goed“, aldus Krie.

Walter Masselis, de baas en oprichter van “De Muze” (samen met Tone Pauwels), die toen nog aan de academie in Antwerpen studeerde, speelt een belangrijke rol in de carrière van Ferre. Hij stichtte ook in Kortrijk heel wat cafés, zoals ”De Vagant”, waar er vaak optredens waren. In 1962 opende hij samen met kleinkunstzanger Antoon De Candt artiestenkroeg “‘t Krotekot” in Kortrijk. Hij was eind jaren zestig de medestichter van “Bar Choque” op de Vlasmarkt in Kortrijk en de toenmalige rebelse kroeg “De Shakespeare” in de Jan Persijnstraat. Zijn cafés waren bruine kroegen met muziek op plaat en een lange toog. Walter overleed de eenentwintigste januari 2015. Paul Van Mossevelde omschrijft “De Muze” als volgt: “Een pseudoartiestenkroeg die als een kameleon de modetrends leek te volgen (weliswaar met een zekere voorkeur voor provo- en flowerpowerperiodes) fungeerde een tijdje in Antwerpen als het magische centrum.” Hij voegt eraan toe: “Hier werd Ferre Grignard een soort hogepriester. Hij werd voor de jeugd het idool die voordien bij Dylan, Donovan en het hele kraam hun heiligmaking zochten. Rond ’67, ’68 was hij in Nederland een bewierookte gast en ook Frankrijk en Duitsland waren gelukkig de omvangrijke en baardige verschijning voor een optreden te kunnen lijmen. Daarenboven klonk de Ferre zo negroïde-Amerikaans dat er de meest wilde gissingen werden gedaan over de toekomst van zijn zangcarrière.”

In “De Muze” werd aan jong talent de kans geboden zich wat in de kijker te spelen en te zingen: Jan De Wilde, Wannes Van de Velde en Ferre Grignard. Ferre begon hier eveneens als barman, maar door zijn almaar groeiende succes bij het aanwezige publiek gaat hij vaker optreden, elke donderdag, samen met George Smits op gitaar en mondharmonica en Miel De Somer op wasbord. Daarover Walter in een gesprek met Humo, de eenentwintigste oktober 2013: “Toen ik juist De Muze had opgericht, is Ferre Grignard bij mij begonnen als barman. Tappen, daar was hij niet slecht in, maar ik wist dat hij nog beter gitaar kon spelen en zingen. Zodoende heb ik hem een keer een akoestisch optreden laten geven op een donderdagavond, zeg maar bij wijze van experiment. Daar kwam zo veel volk op af dat ik hem heb gezegd dat hij iedere donderdagavond mocht optreden – ik zou dan wel in zijn plaats achter de toog gaan staan. En zo gezegd, zo gedaan. Aanvankelijk speelde hij nog op z’n eentje – ik had een micro en geluidsversterking gekocht, dus het hele café kon hem horen – maar algauw had hij een heel groepje rond zich verzameld, met een extra gitaar, een bas en een wasbord. Na een tijdje ben ik op het idee gekomen om van Ferres populairste nummertje Ring, ring, I’ve got to sing een singletje te maken. We zijn het dan gaan opnemen in een Antwerpse club waar ze een bandopnemer hadden staan, en daarna hebben we het laten persen op vijfhonderd exemplaren, die we voor een klein bedrag aan de klanten verkochten. In een mum van tijd waren die de deur uit.” Gelukkig is die originele opname met onder meer gitarist George “Toot” Smits bewaard gebleven. Over George even het volgende dat we van Wikipedia meepikken: in de jaren zestig was hij een lid van de band van Ferre Grignard. Smits was ook actief als acteur in enkele films en maakte deel uit van de Antwerpse undergroundkunstscene (bijvoorbeeld het “Ercola collectief”, hij maakte ook deel uit van de Fred Bervoetsband en was medewerker van Panamarenko). Naast zijn muzikale carrière was hij actief als schilder, striptekenaar en als experimentele muzikant met zijn eigen radioprogramma voor Radio Centraal. Dit radioprogramma, uitgezonden in de nacht, gaf Smits de motivatie om zich steeds meer te richten op het maken van muziek, met behulp van instrumenten en effecten die hij zelf had ontworpen, maar ook geleidelijk nieuwe elektronische hulpmiddelen. Bij de radio-omroep werkte hij onder het pseudoniem Captain Zbolk.

In 1965 staat Ferre Grignard op de affiche van “Jazz Bilzen”. Daarover lezen we in het boek “Jazz Bilzen, tijd voor muziek” van Koenraad Nijssen, dat in 2009 verscheen: “Aan de overzijde van het Kanaal zetten The Beatles alle meisjesharten in vuur en vlam. Maar in Bilzen valt de keuze op jazz: licht rebelse muziek die zowel bij de jeugd als bij ouderen populair is. Op zondag 5 september willen de organisatoren (bestuursleden van het plaatselijke Davidsfonds) een amateurfestival op kwalitatief hoog niveau brengen met tussen de hobbygroepjes enkele professionele acts. Ondanks het mindere weer komen toch honderden betalende bezoekers opdagen. Onder hen ook een horde beatniks die voor de obscure Ferre Grignard supporteren. Hij blijkt de revelatie van het festival. Voor de toegangsprijs van vijftig frank krijgt het publiek in Bilzen zestien bands te zien met als top of the bill Champion Jack Dupree.”

Een jaar later siert Ferre opnieuw de affiche en lezen we daarover in hetzelfde boek: “De sixties swingen volop en in de hitlijsten is het al beatmuziek dat de klok slaat. De nieuwste supersterren heten Bob Dylan, Nancy Sinatra en The Beach Boys. Maar in Bilzen zweren ze bij deftige jazz. Na het succes van de eerste editie wordt het festival uitgebouwd tot een driedaagse: op vrijdagavond een formidabele showavond met Vlaamse tieneridolen, op zaterdag jazz voor de jeugd en op zondag Jazz Bilzen, dat vooral op een bezadigd publiek van dertigers, veertigers mikt. Op de affiche internationale sterren als Carmell Jones en Yusef Lateef en vaderlandse helden als Roland en Ferre Grignard. Die laatste heeft evenwel een geweldige offday en wordt naderhand in de pers afgemaakt.”

Intussen heeft Ferre een jointje leren blowen. De inmiddels overleden Nederlandse protestzanger Armand weet daar nog het volgende over te vertellen: “Ik moest in 1966 met de Ferre in Turnhout optreden. Dat was de eerste keer dat ik met softdrugs kennismaakte. Ik ontmoette toen namelijk de tekstschrijver van Ferre, Jef Hermans, en die haalt op een bepaald moment een joint boven. Hij had voordien in Congo verbleven en had daar leren blowen. Wat velen niet weten, is dat Antwerpen eerder een centrum was van de blowscene dan Amsterdam. Pas nadien heeft het zich naar ginder verplaatst.” Dat jaar organiseert Ferres manager Louis De Vries het “Internationale Folk & Blues Festival” in de “Arena” te Deurne. Op de affiche topnamen als Memphis Slim, Julie Felix, Esther & Abi Ofarim, Antoine en uit ons land Les Dollars, Wannes Van de Velde, Hugo Raspoet en natuurlijk de Ferre himself.

Voor Grignard komt iets later de kip met de gouden eieren langs in de persoon van Hans Kusters, toenmalig talentscout bij het Philips-label, die meteen de hitpotentie van Ring, ring, I’ve got to sing onderkent. Hierover zei Hans in een interview met journalist Manu Adriaens: “Niemand in het toenmalige stijve milieu van de platenjongens wilde iets te maken hebben met die ongeschoren, ongewassen, jenever drinkende, verboden sigaretten rokende, slechtgeklede kunstenaar die op blote voeten in hun Brusselse kantoren zijn contract kwam tekenen. Maar ik ben een Zuid-Hollander, ik hield zowel van carnavalsmuziek als van dixieland, wat dan weer verwant is met skiffle. En Grignard speelde blues met een skifflebezetting. Toen ik hem voor de eerste keer hoorde, wist ik dat ik een halfgod had ontmoet.” Een platendeal met Philips was snel gesloten en er werd een gloednieuwe versie van Ring, ring, I’ve got to sing ingeblikt. Naast Ferre zaten toen in de studio: George Smits op gitaar en mondharmonica, Emilius Fingertips op wasbord en Johan Koopmans op contrabas. Hans gaf later in een gesprek met ons toe dat toen hij het nummer voor de eerste keer hoorde, hij niet doorhad dat het liedje zo commercieel was. Wel viel hem van in het begin de poëtische tekst op, geschreven in een voor die tijd behoorlijk Engels, dat erg neigde naar slang-Amerikaans.

Tijdens het gala van de “Eregalerij” werd Ring, ring, I’ve got to sing op vrijdag de negende november 2007 in het “Casino van Knokke” postuum gelauwerd. De jury schreef in haar rapport: “Ring, ring, I’ve got to sing klinkt als ‘n typische jaren 60-protestsong die door iedereen kan worden meegezongen. Die ook een enorm breed publiek aanspreekt door een goede tekst die heerlijk doorleefd door Ferre Grignard vertolkt wordt. Het liedje kan op gelijk welk podium gebracht worden en is een perfecte weerspiegeling van de jaren zestig. Het nummer gaat over het racisme dat nog altijd heerste bij de Afro-Amerikaanse bevolking ten tijde van de oorlogen in Korea en Vietnam. De Ferre schetst in zijn songs op zijn manier een beeld van de maatschappij hoe die er in zijn tijd uitzag, wat er allemaal om hem heen gebeurde. Hij goot die in simpele pop- en bluessongs.” Die avond werd ook een award uitgereikt aan Kris De Bruyne voor zijn chanson Amsterdam en kreeg Hans Kusters, toeval of niet, diezelfde avond de trofee “Onvergetelijk”. De Kreuners keerden naar huis met een ereplaats voor “Een Leven Vol Muziek”.

De dertigste april 1966 staat Ring, ring, I’ve got to sing op de tiende plaats genoteerd in de Top Dertig. In Frankrijk covert Claude François, in een productie van Les Reed, het nummer. Hij schrijft samen met Vline Buggy de Franse tekst C’est moi… c’est moi.

De veertiende juli 1966 schrijft Humo de volgende bijdrage over het fenomeen Ferre Grignard tijdens hun interview met hem: “Hij hangt als een, met zeewier overwoekerde, vogelverschrikker over een tafel en heft, ten groet, lauw een handje. De populaire zwarte dophoed is verdwenen en zijn ziekenfondsbrilletje is vervangen door een semimondain loerijzer met lichtgekleurde glazen. Of zijn hemd nog even vuil is als vroeger, valt niet zo makkelijk te ontdekken omdat het nu met wilde pop-blommen is uitgevoerd en het licht in De Muze niet is om over te gillen – waar niemand zich overigens aan schijnt te storen. Je kunt even goed in donker je pilsje uitslurpen als in vol daglicht. “Da’s hier geen kroeg”, opent Ferre bedachtzaam zijn mond, waarbij hij tevens onthult dat een ingrijpen van een onverschrokken tandarts niet geheel overbodig zou zijn, “da’s een slaaphol.” Hierna is het weer even stil. Behalve dan een bloederig gekreun uit een venijnig gekleurde jukebox en de vraag “Wat willen jullie drinken?”, van een juf-met-een-schortje-voor. “La’ maar”, wuift Ferre en graait driftig naar duiten in zijn achterzak. Dan aarzelt hij even en zegt: “Betaal toch maar. Ik ben vergeten om naar de bank te gaan en heb geen stuiver bij me.”

Na de hit met Ring, ring, I’ve got to sing neemt Grignard een langspeelplaat op. Daarover vertelt hijzelf: “Ik zing over het feit dat de mensheid bezig is zichzelf uit te moorden en elkaar het licht in de ogen niet gunt. Dat ieder ras altijd een ander ras zoekt om kapot te trappen. Dat ze liever oorlog maken dan er nog eens rustig over na te denken. Dat ik kots op onze medemens. Er staan een paar traditionals op. Diggin’ my potatoes, Drunken sailor, een rock-’n-rollnummer Maureen, da’s een nummer van mij, en nog zo wat. Een reeks nummers speel ik zelf. Andere maak ik met een viool erbij. Voor de opnamen hebben we er ook een drummer bij, nou ja, zo’n beetje van alles. Ook een liedje met een fanfare, als ze dat kunnen. Ik weet nog niet in welk nummer, maar dat zie ik wel. Ik wil ook proberen een nummer op te nemen met een kerkorgel, maar ik weet niet of ze me de kerk binnenlaten.”

Op die eerste elpee dus de traditional Drunken sailor en ook dat nummer slaat als single aan en geraakt op het einde van 1966 tot op de zestiende plaats in de Top Dertig. Drunken sailor gaat terug op een oud Engels zeelied. Het was het enige lied dat de matrozen van The Royal Navy mochten zingen tijdens hun lange boottochten. Het is eigenlijk een typische worksong die de crew zong wanneer op grote schepen de zeilen werden gehesen. De melodie werd ontleend aan de oude Ierse dansmelodie Oro, you are welcome home, in 1824 in gedrukte vorm verschenen. De tekst dateert van veel vroeger. Het lied werd intussen vaak bewerkt en gecoverd door onder meer James Last, The Swingle Singers en Pete Seeger. In 1980 scoort de Nederlandse groep Babe, in een productie van Peter Koelewijn, hiermee een hit en een jaar later de Duitse groep Dschinghis Khan, geproduceerd door Ralph Siegel. In 2006 is het de beurt aan Sanne, die het als Dronken zeeman op haar album ” Cowboy’s sweetheart” zet. Een jaar eerder gebruikte Toyota het in een van zijn Amerikaanse commercials.

Over die eerste langspeler lezen we in de pers: “De muzikale begeleiding die Ferre krijgt, maakt veel goed zoals op We want war. Het nummer vat de tijd perfect samen met de overheersing van de Amerikanen in de oorlog rond Vietnam. Maar daarnaast is het ook een nummer om de mensen wakker te schudden om niet zomaar weer in dezelfde val als in 1940-1945 te trappen. Het was een tijd waarvan hij de verhalen zeker gehoord zal hebben omdat zijn ouders die periode intens hadden meegemaakt. En daarom dat het nummer ook die unieke kracht met zich meedraagt. A worried man is een traditional die onder meer door Woody Guthrie en The Carter Family op plaat is gezet. De tweede kant van de plaat begint met het legendarische Hash Bamboo Shuffle 1702. My crucified Jesus mag tot een van de hoogtepunten van het album gerekend worden door het prachtige muzikale arrangement. Maar de tekst moet er ook niet voor onderdoen omdat Ferre daar klinkt als een echte troubadour. Hij vertelt weer een verhaal waarin hij een deel van zijn leven vergelijkt met de manier waarop Jezus zijn tocht ondernam naar Calvarie, waar hij gekruisigd werd.”

In een artikel dat Niels Klerkx in de lente van 2009 publiceerde onder de titel “Er kwamen andere tijden, protestmuziek in Vlaanderen”, lezen we over Ferres toenmalige impact: “Vreemde eend in de bijt was Ferre Grignard, die in het Engels zong. Voor zijn doorbraak in 1966 was hij in Antwerpen al een lokale bekendheid door zijn optredens in zijn stamcafé De Muze. Met Ring, ring, I’ve got to sing scoorde hij plotsklaps een enorme hit. Ook hier kreeg de USA weer een veeg uit de pan, dit keer met een verwijzing naar de discriminatie van de zwarten: “They call me a hound dog, they call me a swine. It’s all because of my color, for their war though I’m fine.” In We want war gaat Ferres machtige stem door merg en been als hij keelt: “We want to hold a gun and shoot.” Geheel in overeenstemming met zijn imago als langharige beatnik, leed Grignard het leven van een bohemien.” Zijn toenmalige manager Louis De Vries voegt daaraan toe: “Ten onrechte werd Ferre weleens als een provoartiest aangeduid. Ferre was nooit politiek of sociaal geëngageerd, maar maakte wel furore in de periode van de provohappenings in Antwerpen en vele sympathisanten zoals de kunstenaars Fred Bervoets of Panamarenko waren zijn vrienden. Bovendien trad hij veel in De Muze op en zat hij er dagelijks zijn pintje of witteke te drinken, zodat de link voor de hand lag. Zijn kleding en uiterlijk gaven natuurlijk ook aanleiding om dat te denken. Anderzijds was er niets fake aan Ferre. Hij zei en deed wat hij wou en kleedde zich ook naar eigen goeddunken. De enige echte happening in volle provoperiode waaraan wij ooit hebben meegedaan, was een commerciële stunt van het platenlabel Phonogram in Amsterdam, waarvan Ferre niet op voorhand op de hoogte was en dat, zoals vooraf verhoopt, de voorpagina van De Telegraaf haalde. Een mooi, maar lang verhaal. Voor de rest beperkte zijn engagement zich tot gratis optredens voor benefiets zoals het Pop for Medicaments, dat ik ten voordele van de Humanitaire Werkgroep X (anti-Vietnamoorlog en medicijnenactie) organiseerde.”

Met die lange haren en zijn rebelse houding was de Ferre een exponent van zijn tijd geworden. Zijn hippie-uiterlijk zorgt ervoor dat hij ook in het buitenland inslaat als een bom met als kroon op het werk niet alleen veel geld, maar ook een optreden in de Parijse “Olympia”. Daarover Walter Masselis in een babbel met Humo: “Dat was een optreden dat ik nooit zal vergeten: eigenlijk speelde Ferre daar het voorprogramma van de grote Franse ster Antoine (een soort Franse blauwdruk van Bob Dylan), maar daar was niks van te merken. Ferre had veel meer succes dan Antoine.” Grignard moet toen toch een beetje trots zijn geweest? Vrienden weten van wel, innerlijk toch, maar hij liet dat nooit blijken. Dat beaamt ook zijn broer Roger: “Er was altijd zo’n zweem van onverschilligheid tegenover dat succes bij hem aanwezig en hij wou die indruk van onverschilligheid naar de buitenwereld in stand houden.” Ferres vader bekeek dat vanop afstand. Er was weinig affectie tussen hen beiden. “Het was niet het succes dat ons vader beoogde“, aldus Roger. “Voor ons vader was succes hebben omhoogklimmen op de sociale ladder. Dat leven van mijn broer, gekoppeld aan tijdelijk succes, zag hij niet zo zitten. Maar ons moeder compenseerde dat rijkelijk. Zij was erg opgezet met het succes van haar zoon. Zij hield dan ook nauwgezet alles bij wat over hem te lezen viel en over hem gepubliceerd werd.”

Vlak na zijn optreden in de Parijse “Olympia” klaagt Grignard het Franse popidool Johnny Hallyday aan omdat die een bewerking had gemaakt van zijn hit My crucified Jesus. Die cover zelf kon hem niet zo veel schelen, maar wel dat Hallyday er een tekst op had geschreven die volgens de Ferre beledigend was tegenover de hippies in het algemeen en Grignard in het bijzonder.

Om de Ferre sterallures aan te meten, stond in zijn curriculum, opgesteld door zijn platenfirma, dat Ferre Grignard aan de Academie voor Schone Kunsten afstudeerde en dat hij in Amerika zijn muzikale inspiratie wat was gaan aanscherpen. Zijn broer Roger weet maar al te goed dat van dat alles niets waar was: “Ferre is nooit ofte nimmer in Amerika geweest. Hij had zelfs een duivelse schrik van vliegen!” Los van de vele mythes die er rond zijn figuur ontstaan zijn, staat het wel als een paal boven water dat Grignard van de dertigste september tot de tweede oktober 1966 optrad in de legendarische “Star-Club” in Hamburg, waar The Beatles vanaf augustus 1960 tot en met eind 1962 nog furore maakten. In diezelfde stad deelde Grignard in 1967 het podium met Jimi Hendrix.

In 1968 treedt Ferre Grignard op in café “De Mok”. Daarover vertelt Wannes Van de Velde jaren later het volgende: “Het is winter en 1968. Ik had vandaag de lessen aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten moeten bijwonen, maar ik weet allang dat ik weinig talent heb: mijn naakten lijden aan onderhuidse zwellingen, mijn Griekse koppen vertonen mongoloïde trekken. Ik heb een hele dag gespijbeld en mijn tijd in café De Mok gespendeerd. Het is avond en op de kachel wordt ons eten opgewarmd: worstenbrood in aluminiumfolie. Ferre Grignard is er ook, en Milleke “Fingertips” en George “Toot” Smits en “Elektrieken” Eddy en nog een handvol muzikanten. Een halfuur geleden hadden ze moeten aantreden in Ieper, maar Ieper is ver. Na twaalf wittekes-cola is het zelfs van de landkaart verdwenen. Het is koud en in De Mok ronkt de kachel en een witteke kost er maar twaalf frank en money is only money en hier kunnen ze toch ook spelen. Ferre zingt Captain’s disaster, godzijdank zonder de lp-violen die hem later zullen worden aangepraat door een hitparadeproducer met een strijkstok tussen zijn benen. Ik tokkel zachtjes mee op mijn banjo.”

Ferres carrière schoot als een raket de hoogte in, maar het ging voor hem veel te snel. Van de ene op de andere dag was hij een rijke jongen geworden die op een bepaald moment in het geboortehuis van Peter Benoit ging wonen en zich daar omringde met een twintigtal kameraden met wie hij schilderde en vooral feestjes bouwde en zich letterlijk lazarus dronk. Dat rijkelijk bestaan vloekte evenwel met zijn zwerversziel. Hij wilde “echt leven”! Hij wilde de nonchalante zanger blijven waarvoor men hem aanzag en adoreerde. Hij maakte van zijn inkomsten een behoorlijk zootje. Hij hield er geen boekhouding op na, hij weigerde systematisch zijn belastingen te betalen, wat verzandde in een ruzie met Vadertje Staat, die na een tijdje al zijn inkomsten uit royalty’s ging blokkeren. Hij kreeg het in de loop van de jaren zeventig ook aan de stok met zijn platenfirma Philips. Het was zijn toenmalige manager Louis De Vries die Grignard verpatste aan de grote Franse firma Barclay. Walter Masselis: “Ferres optreden in de Olympia was zo’n groot succes dat een week later de beroemde Franse producer en platenbaas Eddie Barclay ineens in De Muze stond om Ferre het hof te komen maken. Drie dagen heeft hij hem met allerlei beloftes het hoofd op hol gebracht. Hij zou van hem de vedette van Parijs maken en wat al niet meer. Uiteindelijk had hij beet. Ferre heeft aan een cafétafel in De Muze zijn contract met Barclay getekend. Het domste wat hij ooit gedaan heeft, want er is toen een juridische strijd tussen Barclay en Philips begonnen die drie jaar heeft geduurd, met als uitkomst dat beide partijen Ferre hebben laten vallen. Volgens mij is dat de doodsteek geweest voor zijn carrière. Ineens kon hij geen nieuwe plaat meer uitbrengen en had hij geen steun meer van een platenfirma. Tot overmaat van ramp werd zijn inboedel in beslag genomen wegens achterstallige belastingen.”

Zijn troubles met platenfirma Philips is een periode waarin Ferre tot overmaat van ramp geen nieuwe songs mag inblikken en er ook geen platen meer worden uitgebracht. In 1969 lanceert Barclay nog snel de elpee “Captain Disaster”. Releases moesten toen vooral geld opbrengen, het moest sowieso commercieel klinken. Op dit album horen we een andere Grignard dan we tot dan toe gewoon waren. In Tell me now zijn er zelfs strijkers binnengeslopen. Zijn stem wordt vervormd. Ferre durft zelfs hier en daar te experimenteren. De productie is in handen van Ricky Stein en de arrangementen worden geschreven door Jean-Claude Petit, bekend van zijn producties voor onder meer Claude François en Alain Chamfort. Captain Disaster wordt op single uitgebracht met op de B-kant Tell me now. We lezen daarover: “Een opmerkelijk weetje is dat Ricky Stein de plaat “Captain Disaster” producete en dat hij nadien de manager van Fela Kuti zou worden. Het album deed niet echt veel en nadien zou Ferre nog meer problemen hebben.”

Met zijn broer Roger houdt Ferre sporadisch contact. Hij springt af en toe wel eens binnen. “Onze werelden lagen ver uit elkaar. Hij vond de sfeer en het milieu waarin ik mij bewoog erg bourgeois. Ook het huis dat ik betrok en het interieur lagen hem niet. Té oubollig. Niet dat we in de clinch lagen daarover, maar hij moest dat toch even kwijt“, aldus Roger. Dan waren er ook nog zijn zuster en zijn moeder die veel voor Ferre deden, vaak voor hem in de bres sprongen. “Toen hij nog niet succesvol was, woonde hij op diverse plaatsen. Ik heb eens geprobeerd die locaties te inventariseren, maar dat is hopeloos. Meestal vloog hij de straat op omdat hij de huur niet betaalde. Mijn moeder en mijn tante gingen daar dan poetsen om het wat leefbaar te maken. Zij zorgden er ook voor dat de koelkast gevuld bleef, dat er eten op tafel stond. De enige die echter probeerde begrip op te brengen voor datgene waar hij mee bezig was, ben ik blijkbaar geweest“, vult Roger met volle overtuiging aan.

Het huwelijk met Ferre was intussen voor Krie geen makkie. “Met de komst van zijn succes ging hij almaar meer drinken en doken er almaar meer vrouwen in zijn leven op. Dat zorgde voor veel spanning tussen ons. Wij besloten in 1969 uit elkaar te gaan. Er was ook vaak geldgebrek waardoor ons huwelijk niet meer leefbaar was.” Die scheiding valt de Ferre zwaar. Zijn vriend Wannes Van de Velde zei daarover: “Ferre was getrouwd met Krie de Vylder, een bloem van een vrouw uit Sint-Niklaas, een van de lieftalligste vrouwen die ik ooit heb gekend. Bon, samen hebben Krie en Ferre een zoon, ook een Ferre. Op zekere dag, en tamelijk overnight, gaan die twee uit elkaar. Toen heb ik Ferre zien veranderen, toen heb ik die barst zien ontstaan, een stilte, een zwijgzaamheid, een diepte. Toen heeft hij gerevolteerd tegen zijn eigen ongeluk. Hout barst als het uitdroogt, als het niet meer plooibaar is. Ferre heeft toen een emotionele barst opgelopen. Er was iets gebeurd waar hij niet mee in het reine raakte, iets wat niet kon worden overbrugd. Toen heeft hij gezegd: “Niet meer met mij, ik leef mezelf op, ik leef tomeloos, ik leef zoals ik wil en de rest kan de pot op.” Oké, we maken allemaal zulke dingen mee, wij met vrouwen en vrouwen met ons. Het punt is: hoe reageer je in je machteloosheid? Hoe reageer je op de leegte van dat moment? Ferre heeft dat, denk ik, op zijn manier gedaan. Hij heeft er creativiteit uit geput en die in zijn liederen gestopt. De Ferre van voor zijn huwelijk en die van daarna zijn twee verschillende personen.” Ferre verdiende aardig wat geld, maar kon het niet beheren. De mensen die zijn optredens planden, waren soms de wanhoop nabij omdat hij al eens niet kwam opdagen of omdat hij te aangeschoten was en van die optredens niet veel terechtbracht.

Omdat Ferre zijn zoon na zijn echtscheiding wil blijven zien, wordt er naar een oplossing gezocht. “Na onze scheiding spraken wij om de veertien dagen af bij de grootouders Grignard in Antwerpen. Daar kon Ferre dan zijn zoon ontmoeten. Dat lukte vrij aardig op de momenten dat Ferre nuchter was. Of hij zag zijn zoon tijdens familiefeestjes en vakantieperiodes“, aldus zijn ex Krie. Volgens haar was Ferre niet meer dezelfde als toen ze hem in het begin kende: “Hij veranderde door de drank in een wat afwezige, norse, onverschillige en, volgens zijn vriend Wannes van de Velde, weemoedige man.” Ferre gaat tussendoor ook wel eens met zijn zoon naar de bioscoop en naar de zoo. Die zoon zal later uitblinken als student. Aan de universiteit van Brussel behaalt hij zijn diploma geneeskunde en wordt nadien radioloog, verbonden aan het ziekenhuis te Zottegem. Die vindt het echter moeilijk om over zijn pa te praten omdat de vragen omtrent hem niet altijd fijne herinneringen oproepen en die vragen soms te cru gesteld worden. Intussen telt Ferre Grignard drie kleinkinderen: Amber, Florian Ferre en Aenea. Zij is de meest creatieve van het drietal en droomt ervan in de voetsporen van haar opa te treden. Zij volgt toneel aan het “Ringtheater” te Hamme en nam in 2015 deel aan “De Sterrenstudio”, georganiseerd door Studio 100. In dit programma kunnen would-be podiumbeesten, nachtegalen en danstalenten zich helemaal uitleven op het podium.

Terug naar toen. Grignard sluit in 1972 een nieuwe platendeal, deze keer met Disques Motors, het label van de Franse producer Francis Dreyfus. Hij brengt de elpee “Ferre Grignard” uit. Ferre laat zich voor deze plaat nogal inspireren door Bob Dylan. In het totaal neemt hij acht songs op, waaronder Diggin’ my potatoes (toen al bekend in de versies van Leadbelly en Lonnie Donegan), Cool it baby, Be my guest Lord, She’s back en The Muze. Hij schrijft deze nummers samen met Michel Overkom en Jozef Hermans. Het is duidelijk te horen dat zijn roots toch in de traditionals en de blues liggen. In de studio wordt hij begeleid door onder anderen Derroll Adams op banjo, gitarist Slim Pezin, drummer François Auger en pianist Koen De Bruyne, broer van Kris De Bruyne. In de pers lezen we dat Ferre was geëvolueerd naar een stapje hoger door zijn nummers meer vorm mee te geven en hij was ook veel beter ingespeeld op zijn medemuzikanten, die hier een uitstekende set bij elkaar spelen.

In 1978 zoekt Hugo Spencer contact met Ferre om nog eens een plaat op te nemen. Intussen stond de Ferre terug daar waar hij begonnen was. Hij zat weer stevig aan de drank. Hij gaat opnieuw heel bescheiden wonen. Gelukkig zijn er nog zijn moeder en een tante die hem bevoorraden en zorgen dat hij toch wat geld heeft om rond te komen. Hij geraakt opnieuw in zijn oude biotoop, “De Muze”, verzeild. Hij gaat op het voorstel van Spencer in, wat in de maand april resulteert in de release van het album “I warned you!” Oorspronkelijk heette die plaat “On my dying bed”, maar dat vond de platenfirma niet commercieel klinken. Deze plaat is een soort statement, al zag Ferre het zelf niet zo. Wat te denken van songs als On my dying bed en Orphan Blues. In een productie van Hugo Spencer, die ook de bas bespeelt, wordt de elpee opgenomen in “Studio Soundpush” in Blaricum. We horen ook drummer Luk Kuypers, gitarist Trevor Pape, William Down op mandoline en George Smits op harmonica. Die plaat is ook geen hoogvlieger qua verkoop. Daarover vertelt Bob Leonard, medewerker van Ferres manager, Louis De Vries, het volgende: “Die tegenslagen waren niet zo abnormaal. Dat lag aan de Ferre zelf. Hij lapte nogal graag alle regels aan zijn laars, zeker die van de muziekbusiness. Dat succes in 1966 is ook zo snel gekomen. Hij genoot er met volle teugen van. Hij ging in een mooi herenhuis wonen, het geboortehuis van Peter Benoit, waar hij musiceerde en schilderde, maar vooral feestte met een pak vrienden die daar bij hem inwoonden. Het kwam voor dat hij met een optreden tien- à vijftienduizend frank verdiende en dat hij een paar dagen later honderd frank kwam lenen om brood te kopen. Hij scheurde ook systematisch alle belastingbrieven stuk, zodat na een tijd alle royalty’s automatisch naar de fiscus gingen. Het was één grote knoeiboel!” Hans Kusters is er nog altijd van overtuigd dat die breuk met Philips Ferres carrière definitief de mist in heeft geholpen. Krie bleef al die tijd met haar ex contact houden. Ook zij weet nog goed dat hij in de knoei zat met de belastingen: “Hij had in geen drie jaar nog belastingen betaald. Zowat alles wat hij bezat en verdiende, werd aangeslagen. Dat gebeurde vooral via Sabam, zijn auteursrechten werden via die weg door de belastingen geïnd. Wat trouwens nog steeds zo is. Hij kon alleen maar overleven dankzij de steun van zijn ouders en zijn broer Roger, die wat orde probeerde te brengen in zijn paperassen, voor zover dat tenminste nog lukte.” In 1979 werd de inboedel van Ferre Grignard openbaar verkocht.

Begin jaren tachtig wordt Grignard ziek, erg ziek! In het ziekenhuis stellen de dokters keelkanker vast. “Dat hij ongeneeslijk ziek was, heeft hij mezelf verteld“, aldus Krie De Vylder. “Hij heeft het wel niet meteen aan zijn ouders verteld, hij hoopte nog op herstel en wou hen op die manier sparen. Hij bleef in zijn binnenste nog enige hoop koesteren. We hebben elkaar in die periode veel gezien en we hebben veel gepraat. In de mate van het mogelijke heb ik ervoor gezorgd dat hij onze zoon zo veel mogelijk kon ontmoeten.” Zijn broer herinnert zich nog dat Ferre in het ziekenhuis tekeningen is beginnen te maken in Oost-Indische inkt. Die werden tentoongesteld in Galerij “De Zwarte Panter” van zijn vriend Adriaan Raemdonck.

Via het OCMW van Antwerpen geraakt Ferre Grignard aan een appartementje waar hij de laatste weken van zijn leven kan slijten. Hij overlijdt de achtste augustus 1982, op 43-jarige leeftijd, in het Universitair Ziekenhuis van Edegem. Hij rust op het Kleine Erepark R van het Schoonselhof in Antwerpen. In Gazet van Antwerpen lezen we: “Zaterdagmorgen kwamen familie en vele vrienden uit de beginjaren bijeen bij het graf van Grignard op het Schoonselhof. Nadien woonden ze het hommageprogramma in Galerij De Zwarte Panter bij. Broer Roger was er, zijn eerste vrouw Krie, zijn zoon en zijn boezemvriend Fred Bervoets. Ook aanwezig waren de Muze-stichter Walter Masselis, Ferres eerste manager Bob Leonard en Hans Kusters, die hem een contract bij Philips bezorgde. Over de hommage waren sommige intimi wat teleurgesteld, want noch Rick de Leeuw & Jan Hautekiet, noch Ariadne Van Den Brande & Jokke Schreurs durfden het aan om een nummer van Ferre Grignard te zingen. Ze hielden het op tijdgenoten als Bob Dylan en Leonard Cohen. Uit eerbied. “Als singer-songwriter was Grignard een pionier in België”, verzekert Jokke Schreurs.”

In 1998 neemt Roland Van Campenhout voor zijn album “Waltz” een cover op van Ferres Hash Bamboo Shuffle. “Ferre Grignard is een hele grote, en ik vind het uiterst jammer dat ik hem nooit aan het werk heb kunnen zien, wegens helemaal voor mijn tijd. Gelukkig is er zijn muziek nog, alhoewel die ook slechts uiterst spaarzaam op cd is uitgebracht. De releasepolitiek van de platenmaatschappijen laat soms te wensen over, en als je dan ziet wat voor brol er wel allemaal uitgebracht wordt met veel toeters en bellen, doet het pijn om vast te stellen dat een oorspronkelijk talent als Ferre Grignard maar heel mondjesmaat meer in de cd-bakken te bespeuren valt.”

In 2001 wordt van de tweede februari tot de vijftiende april in het Provinciaal Centrum “Arenberg” de retrospectieve tentoonstelling “Ferre Grignard, zanger-schilder” georganiseerd. Talrijke persoonlijke documenten, zeldzame platenhoezen, foto’s, etsen, een vijftigtal tekeningen en schilderijen belichten minder bekende aspecten van deze legendarische figuur. Pronkstuk is zijn gitaar! In De Standaard lezen we daarover: “De expositie over de Antwerpse zanger-schilder Ferre Grignard blijft niet hangen bij een handvol relikwieën in strikte zin (zijn gitaar, zijn hoed, een haarlok), maar ontkracht de mythes. Het maakt het verhaal des te aangrijpender. De opening van de tentoonstelling ging met gepaste schroom gepaard. De expositie wordt door de provinciale overheid georganiseerd. Laten we eerlijk zijn: toen Grignard nog onder ons was en zijn inboedel op deurwaardersbevel werd geveild, hadden overheden weinig interesse voor zijn neergang. “Het is een beetje opgevat als een relikwieënexpositie”, zegt samensteller Adriaan Raemdonck, na enige aarzeling. Ook dat is niet zonder gevaar: relikwieën hebben iets sacraals, maar zijn ook dode materie. De expositie is voor Raemdonck maar een vingeroefening, een uitnodiging tot meer. Er hoort een catalogus bij, een piepklein boekje. Naar Ferre is een asteroïde genoemd, ontzettend klein: diameter 12,3 km, vanop aarde volstrekt onzichtbaar.” Adriaan voegt hier in Gazet van Antwerpen aan toe: “Ferre is begonnen en geëindigd als beeldend kunstenaar. Adembenemend zijn de luchtkathedralen die hij vlak voor zijn dood realiseerde. Daarop neemt hij afscheid van zijn ziekte en vliegt hij weg naar de eeuwigheid. In zijn expressief oeuvre is ook veel zelfspot. Maar hij had ook oog voor het mystieke. Dat Fred Bervoets hem vaak heeft geportretteerd, was niet enkel te danken aan hun vriendschap, maar ook aan zijn ‘typisch kunstenaarshoofd’. De lange haren, het ronde brilletje en de wazige drankoogjes konden op een monumentale manier worden uitvergroot.”

Dat Grignard in Vlaanderen zijn sporen heeft verdiend en nagelaten, staat buiten kijf. Vooral een aantal groepen uit de Antwerpse pop- en rockscene geven toe dat ze door Ferre Grignard zijn beïnvloed met voorop dEUS en Zita Swoon. In 2002 schrijven Wigbert Van Lierde en Bart Plouvier het boek “Captain Disaster” over het wel en wee van de Ferre. Het Ferre Grignardplantsoen in de buurt van de Zwaantjesstraat wordt naar hem genoemd en zelfs de bescheiden asteroïde YP5 draagt zijn naam. Voeg daar nog de Eregalerijonderscheiding voor zijn bekendste song Ring, ring, I’ve got to sing aan toe en je hebt het concrete bewijs dat we de Ferre nog lang niet vergeten zijn. Wigbert gaat dat jaar on the road met zijn tour “Yellow You, Yellow Me”, genoemd naar de gelijknamige meezinghit van Ferre uit 1967. Het wordt een hommage aan de Ferre middels zijn bekende en minder bekende songs.

In het CC “Sint-Andries” in Antwerpen liep van de eerste tot en met de negenentwintigste april 2011 een expositie over het leven en werk van Ferre Grignard: kunstenaar, muzikant en vooral ook dwarsligger, zoals zij hem afficheerden. “De culturele en maatschappelijke omwentelingen die in de jaren zestig plaatsgrepen, waren de setting voor zijn merkwaardige leven.” De oogst van zijn talenten werd tentoongesteld in beelden afkomstig uit herinneringen van vrienden en collecties van verzamelaars.

Maandag de eenentwintigste oktober 2013 zond Canvas in de reeks “Belpop”, in een regie van Tom Theunis en een productie van Griet Boulat, een portret uit van de Ferre. Daarmee werd de zesde reeks afgesloten. In het persbericht staat: “Ferre Grignard was altijd authentiek, een fenomeen van zijn tijd, de uitvinder van de antiprotestsong, met het potentieel om wereldberoemd te worden, als hij niet het slachtoffer van zijn eigen keuzes was geworden. Belpop tekent de verhalen op, maar zoekt ook naar de waarheid. Bepaalde mythes over Ferre zijn immers door hemzelf in gang gezet, want tijdens interviews fantaseerde hij erop los. Deze documentaire werd ingekleurd met getuigenissen van onder anderen zijn broer Roger Grignard, zijn echtgenote Krie De Vylder, de uitbater van “De Muze” Walter Masselis, manager Louis De Vries, gitaristen Bov Poncelet en William Deckers en kunstschilder Fred Bervoets.

In 2014 verscheen bij Universal de langverwachte verzamelbox “Ferre Grignard Integraal”, met daarin, naast zijn vier albums, de cd “Lost Tracks” met daarop onder meer liveversies van songs als Drunken sailor, Alabama Sound en Ring, ring, I’ve got to sing. In de laatste aflevering van het zesde seizoen “Belpop” focuste Canvas op maandag de eenentwintigste oktober 2013 de uitzending op de zingende barman Ferre Grignard. “Hij werd een ster tegen wil en dank!”

Donderdag de twaalfde februari 2015 was de muziek van Ferre Grignard voor het eerst in jaren weer te horen in “De Muze”. De groep The Hash Bamboo Shuffle bracht die dag moderne versies van Grignards klassiekers op het podium van het Antwerpse café “De Muze”. The Hash Bamboo Shuffle, een band bestaande uit muzikanten van wie de vaders Ferre Grignard nog goed gekend hebben, bracht iets eerder een plaat uit waarop nummers als Ring, ring I’ve got to sing, Drunken sailor en We want war een eigentijdse versie kregen.

En wat met de nabestaanden van Ferre Grignard? Krie De Vylder, die intussen met pensioen is, maar anno 2016 nog bijklust in enkele musea in Sint-Niklaas, praat nog met veel warmte over hem. “Ik denk nog vaak met veel weemoed aan die mooie en gelukkige momenten die we samen hebben doorgebracht. Natuurlijk is er onze zoon, op wie ik erg trots ben, en de drie kleinkinderen. Onze zoon houdt de gedachte aan zijn vader in stilte levendig. Hij heeft zowat alles wat zijn vader heeft geschreven en opgenomen in zijn bezit. Hij praat daar ook vaak over met zijn kinderen, die zich intussen de muziek van opa eigen hebben gemaakt.” Zijn broer Roger: “Ik denk dat mijn broer, menselijk gezien, in de eerste plaats een eerlijk en rechtschapen man was. Niet alleen tegenover zichzelf, maar ook tegenover anderen. Daarnaast leefde hij in zijn eigen wereld en hield de mensen graag voor de gek. Het liefst nam hij met de journalisten een loopje door hen tijdens interviews diverse feiten op de mouw te spelden. Hij flirtte graag met de waarheid. HIj hielp met diezelfde graagte mee de mythe in stand te houden.”

35 jaar na het overlijden van Ferre Grignard vernemen we via de media op woensdag 24 januari 2017 dat “De Muze” definitief de deuren sluit. De zaak zal failliet worden verklaard. De Muze” was méér dan vijftig jaar een vaste waarde aan de Melkmarkt in Antwerpen. Financieel ging het “De Muze” al een tijdje niet voor de wind. Wat er verder met het café zal gebeuren, is nog onduidelijk.

Hoe blij zou Ferre geweest zijn, mocht hij dit nog hebben kunnen meemaken. De 23ste maart 2017 lezen we in “Gazet van Antwerpen” dat barman Joris Vyt het café heeft overgenomen en de zaak heeft opgefrist zonder wat aan de autenthieke sfeer te veranderen. “De Muze hoort bij Antwerpen. De afgelopen maanden was er een donker gat op de Melkmarkt. Blij dat die periode nu voorbij is”, aldus een trouwe en opgetogen klant. Op donderdag 23 maart gingen omstreeks zeven uur de deuren voor het grote publiek weer open.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet