Françoise Hardy

Geplaatst in Artiesten

Doodjammer vind ik het dat wanneer je in Vlaanderen de naam Françoise Hardy uitspreekt haast iedereen meteen Tous les garçons et les filles begint te zingen, niet wetende dat die mevrouw honderden liedjes op plaat heeft gezet waarvan er een rist méér dan de moeite waard van het onthouden en behouden zijn. Ik keek verbaasd op toen ik merkte dat ik haar eerste plaatjes nog in mijn singlecollectie heb zitten. Die was ik eerlijk gezegd wat uit het oog en vooral uit het oor verloren, want intussen hebben haar cd’s mijn platenkast ingepalmd en dat zijn er na al die jaren wel wat. Niet dat ik intussen alles van haar heb verzameld, want zo’n fan ben ik nu ook weer niet, maar ik heb toch aardig gelijke tred kunnen houden met haar belangrijkste releases.

Wanneer ik door Parijs wandel, dan hou ik in mijn achterhoofd dat Françoise Hardy daar in het 9de arrondissement werd geboren. Je moet er zeker al eens gepasseerd zijn, want hier ligt onder meer Boulevard Haussmann, de Parijse Opéra, het Palais Garnier en Galeries Lafayette. Françoise, die hier de 17de januari 1944 werd geboren, bewaart geen goede herinneringen aan haar jeugd. Haar vader liet haar samen met haar zus Michèle vrij snel alleen achter bij hun moeder. Pa kwam financieel maar mondjesmaat over de brug, een zware last voor zijn ex om de touwtjes aan mekaar te knopen. Nochtans had vader wel wat centen, want hij bezat een tijdlang een kantoorboekhandel in de rue Saint-Lazare. Tijdens de middag togen zij en haar zus daar regelmatig naartoe.  Maar de man was hertrouwd en koos de kant van zijn kersverse echtgenote. Françoises grootouders langs moederszijde die in Aulnay- sous-Bois woonden, waren ook al geen grote steun voor Françoise. Haar grootmoeder had wel altijd iets aan te merken. Françoise kroop al in elkaar als ze nog maar wist dat grand-mère langskwam. Omdat mama Hardy de handen vol had, vond ze het beter dat Françoise naar het internaat zou gaan in de rue La Bruyère op nummer 42 in handen van de zusters van de Drie-eenheid waar de schuchtere Françoise nog meer in zichzelf gekeerd zou gaan leven. François liep gebukt onder de situatie bij haar thuis, het feit dat haar vader het kostschoolgeld met maanden vertraging betaalde en dat ze minder mooi gekleed was dan haar medeleerlingen. Ze compenseerde dat gebrek aan zelfvertrouwen door hard te studeren en op te vallen als een plichtsbewuste leerling. Ze zag er slank en rank uit zodat ze, al wou ze het niet, een opvallende figuur werd. Waar en wanneer het maar kon, luisterde ze naar de radio, naar de nieuwste Franse chansons van onder meer Charles Trenet en naar de nieuwste rage ‘de rock’n'roll’. Tijdens de vakanties werd ze regelmatig naar Duitsland gestuurd om daar de taal te bemachtigen. Dat op advies van een zekere monsieur Gilbert, een vriend van haar moeder, die vond dat de kinderen die moeilijke taal onder de knie moesten krijgen. Zo logeerden ze meermaals bij de Oostenrijkse mevrouw Hedwig Welser, alias tante Hedi. Vanuit La Gare de l’Est reisden ze met de Oriënt-Express naar Innsbruck. Hier vulde Françoise haar vrije uren met zingen en liedjes schrijven. In 1961 beëindigt ze haar middelbare studies en wanneer ze haar baccalaureaat behaalt, waardoor ze haar hogere studies kan aanvatten, krijgt ze van haar vader een gitaar cadeau. Via een snelcursus leert ze enkele basisakkoorden en kan zodoende zich al snel  op de gitaar begeleiden. Ze gaat dikwijls naar een platenwinkel in de rue de la Chaussée-d’Antin waar ze  de nieuwste importsingletjes beluistert. Af en toe koopt ze er een met het geld dat ze verdient door Duitse bijles te geven aan een buurjongen van veertien. Françoise dweept op dat moment in haar jeugd met Eddie Cochran, Neil Sedaka, Brenda Lee, Cliff Richard en The Everly Brothers. Ze wil beter leren zingen en schrijft zich in aan het ”Petit Conservatoire de Mireille”, gelegen aan de avenue du Recteur-Poincaré, eigendom van de nationale radio. Les werd daar gegeven door de zangeres Mireille.  Maar mama Hardy wil dat Françoise ook voortstudeert. Ze schrijft zich in aan de Sorbonne in Parijs om daar de richting politieke wetenschappen te volgen. Ze heeft voldoende tijd over om liedjes te schrijven. Het liefst van al trekt ze zich thuis terug in de keuken waar haar stem tegen de tegels weergalmt en dat vindt ze heerlijk. Al snel blijkt haar studiekeuze de verkeerde. Ze gaat dan maar literatuur studeren.

Op zekere dag leest ze in Les Potins de la commère, een rubriek in France-Soir, een annonce waarin platenfirma Pathé Marconi  aankondigt dat ze op zoek zijn naar nieuw en jong zangtalent. Françoise schrijft zich meteen in, laat een behoorlijke indruk na, maar hoort verder niets meer van die auditie. Ze trekt dan maar haar stoute schoenen aan en klopt aan bij firma Vogue die onder meer Johnny Hallyday onder contract heeft. Françoise is niet meteen wat ze zoeken, want ze willen eigenlijk een vrouwelijke evenknie van Hallyday, maar haar stem blijft hangen én haar liedjes. Op kosten van Vogue gaat ze notenleer volgen en in het late najaar van 1961, de 14de november om precies te zijn, tekent ze haar eerste contract. Ze is nog maar zeventien. De zesde februari 1962 duikt Françoise op in het bekende tv-programma “En attendant leur carrosse” van de ORTF. Twee maanden later mag ze haar eerste plaatje opnemen. Je weet dat in Frankrijk in die tijd vier in plaats van twee liedjes op een single stonden, de zogeheten eepees (extended play). Een van die eerste chansons is Oh oh Chéri en het door haar zelf geschreven Tous les garçons et les filles. Dat liedje komt deejay Daniël Filipacchi ter ore die het meteen oppikt in zijn bekende uitzending “Salut les Copains”, een trendsettend programma bij Europe Numéro Un, in die jaren zestig ook druk beluisterd in Vlaanderen. Tous les garçons et les filles klimt meteen naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zo mag ze aansluiten bij de eerste lichting yé – yé – zangers waaronder Richard Anthony, Johnny Hallyday en Sheila. Na drie maanden zijn er van de single vijfhonderdduizend exemplaren verkocht. Dat levert haar in Paris Match de cover op én de titel ‘Nouvelle Idole de la Chanson’. In Nederland bereikt eerst het nummer L’amour s’en va de Top Veertig, maar geraakt niet hoger dan de twintigste plaats. Met Tous les garçons et les filles bereikt Hardy bij onze noorderburen de derde plaats. Bij ons zit er slechts een elfde plaats in de hitlijsten in. Maar het is niet gemakkelijk voor Françoise, die nogal schuchter van aard is, zich in dat popmilieu te bewegen. Gelukkig voor haar ontmoet ze tijdens een fotoshoot voor het blad “Salut les Copains” fotograaf Jean-Marie Périer die zo’n beetje haar mentor wordt. Hij meet haar een nieuwe look aan en het is gelijk bingo. Ze worden mekaars liefje. Blijkt iets later dat Françoise ook bekoorlijk en behoorlijk kan acteren. Ze krijgt een rol in “Château en Suède” van regisseur Roger Vadim, die iets voordien Brigitte Bardot had gelanceerd.

Een gok of niet, de 23ste maart 1963 gaat Françoise in Londen de kleuren van Monaco verdedigen tijdens het 8ste Eurovisiesongfestival dat wordt gewonnen door Denemarken en het duo Grethe en Jorgen Ingmann met Dansevise. Françoise eindigt ex aequo met Alain Barrière op de vijfde plaats. Ze zingt die avond L’amour s’en va. Ze sluit dat jaar af met een optreden in de Parijse Olympia in het voorprogramma van Richard Anthony. Voor haar eerste elpee, een soort hitcompilatie, ontvangt ze de Prix de l’Académie Charles-Cros, een erg gewaardeerde onderscheiding in Frankrijk, én de Trophée de la Télévision Française. In 1964 duikt ze tweemaal op in de Franse hitlijsten en dat met J’aurais voulu en Jaloux. Hardy wordt zo’n beetje het uithangbord van een aantal belangrijke jonge Franse couturiers die maar al te graag zien dat ze hun ontwerpen draagt: Paco Rabanne, Yves Saint- Laurent en André Courrèges. Die laatste ontwerpt haar outfit voor haar tournee die ze in 1965 aansnijdt aan de zijde van Hugues Aufray. Ze scoort dat jaar driemaal in de Franse hitparades: Mon amie la rose, Son amour s’est endormi en L’amitié.Je houdt het misschien voor onmogelijk, maar ook in Engeland scoort La Hardy zij het met vertalingen van haar Franse successen: However much ( Et même) en All Over The World ( Dans le monde entier). Met het eerste nummer geraakt ze tot op de eenendertigste plaats in de top veertig en met het tweede tot op de zestiende. Maar daarmee is voor haar de Britse kous qua hitnoteringen gebreid, al moet ik vermelden dat ze een rolletje krijgt toebedeeld in de film “What’s new Pussycat” van Clive Donner en een optreden in de “Savoy” in Londen. Ze staat de 26ste december zelfs in “The Piccadilly Show” te schitteren. Twee maanden eerder deed ze dat ook aan de zijde van Les Compagnons de la Chanson in de Parijse “Olympia”.

In haar liedjes voert de melancholie de bovenhand samen met thema’s zoals angst, twijfel en onzekerheid. Met die chansons verovert ze eveneens Japan en de rest van Europa. Zo start ze 1966 met haar deelname aan het “San Remo liedjesfestival” met Parla me di te en een tournee in Duitsland. In de maand februari van 1966 scoort ze in Frankrijk een van haar grootste hits dat ook bij ons een succes wordt La maison où j’ai grandi. Dat liedje had ze opgepikt tijdens dat festival in San Remo waar het in de originele versie werd gezongen door Adriano Celentano als Il ragazzo della via Gluck. Ze rondt 1966 in de Franse hitlijsten af met Rendez-vous d’automne, toepasselijker kan haast niet. Haar relatie met fotograaf Jean-Marie Périer krijgt harde klappen te verduren. Haar overdrukke agenda is daar de oorzaak van. In 1967 splitten ze, maar lang hoeft Françoise zich niet eenzaam te voelen, want iets later ligt ze al tot over haar oren verliefd te wezen in de armen van Jacques Dutronc, een van Frankrijks nieuwste sekssymbolen. Dutronc werkt bij platenfirma Vogue als productieasssistent en als schrijver. Nadat hij een paar demo’s heeft ingezongen voor een aantal artiesten, vindt de directie dat hij ze maar beter zelf op plaat kan zetten. Als eersteling wordt in 1966 Et moi, et moiet moi geboren. Binnen de kortste keren in Frankrijk een ongelooflijke hit met meteen daarachteraan de hitsingles Les play-boys, Les cactus, Mini Mini Mini en in 1968 de klassieker Il est cinq heures Paris s’éveille. Dutronc zal zich nadien ontpoppen als een rasechte filmacteur. Hun relatie kent door de jaren heen veel ups-and-downs, maar wordt gezegend met zoon Thomas Dutronc die intussen een aardige zangcarrière heeft weten uit te bouwen. Pas in 1984 zullen Françoise en Jacques met elkaar in het huwelijk treden.

Niet dat ze toen ze mekaar leerden kennen veel bij mekaar konden zijn, want ze beleefden beiden hun hoogtijdagen. Françoise brengt begin 1967 haar elpee “Ma jeunesse fout l’camp” op de markt en vertrekt meteen nadien op tournee ondermeer langs een rij Britse universiteiten: Brighton, Cambridge, Southampton, Durham en Birmingham. Vervolgens staat er een toer in Zuid-Afrika op het programma met optredens in Le Cap, Johannesburg, Prétoria enz… Een jaar later heeft ze er schoon genoeg van en besluit voorlopig een punt te zetten achter haar liveoptredens. Ze treedt de 22ste april nog op in Kinshasa en geeft nadien een soort afscheidsconcert in de Londense Savoy en gaat zich ernstig bezinnen, zeker nu de glansperiode van de yé-yé-generatie definitief achter de rug ligt. Ze wil zich voor het volle pond op haar nieuwe repertoire storten. In 1968 verrast ze ons met het album Comment te dire adieu? waarvoor de titelsong werd geschreven door niemand minder dan Serge Gainsbourg. Het wordt een van haar bekendste chansons. Intussen had ze een eigen platenfirma opgericht “Asparagus Production”. Vogue zal voor de verdeling van haar platen blijven zorgen, maar het loopt met een sisser af. Discussies met haar platenfirma blijven niet uit. Haar firma gaat op de fles. Maar Françoise blijft niet bij de pakken zitten. Ze meet zich een nieuw imago aan, want ze wenst niet langer het uithangbord van de Franse couturiers te blijven. Ze keert terug naar de eenvoud en legt in haar liedjes almaar méér haar gevoelige natuur bloot. Ze richt een nieuwe firma op Hypopotam en breekt definitief met Vogue. De verdeling van haar platen zal de komende jaren verzorgd worden door Sonopresse, een dochteronderneming van uitgeverij Hachette. Françoise krijgt een behoorlijk voorschot op de opnames die wel haar eigendom blijven.

In 1971 gaat ze samenwerken met de Braziliaanse muzikante Tuca. Ze is weg van de Braziliaanse ‘couleur locale’ die in haar liedjes klinkt. Tuca komt een maandlang naar de rue Saint-Louis-en-l’Isle om daar samen met Françoise de liedjes in te studeren alvorens ze op te nemen. Die plaat wordt ingeblikt met Tuca op gitaar en Guy Pedersen op contrabas. Om wat uit te blazen, trekt Françoise samen met Tuca naar Corsica waar ze de arrangementen en begeleiding verder uitwerken. Terug in Parijs besluiten ze een paar strijkpartijen aan de opnames toe te voegen. Het is dirigent Raymond Donnez die de partituren uitschrijft.  Met liedjes zoals Même sous la pluie, Chanson d’O en La Question levert Hardy het betere werk af. De pers prijst haar de hemel in, de massa haakt echter af en heeft aan deze chansons geen boodschap. Ze is er niet rouwig om en blij dat de harde kern van haar fans haar eindelijk waardeert voor wie ze is. Ze gaat nog eens een Engelstalige plaat opnemen If You Listen en houdt daarmee het contact met haar Britse fans brandend.

1973 betekent voor Françoise nog maar eens een nieuwe platenfirma, deze keer WEA (Warner Brothers). Ze leert componist Michel Berger kennen met wie ze gaat samenwerken. Samen met hem schrijft ze Message personnel, een persoonlijke boodschap aan het adres van haar geliefde Jacques. Berger laat haar op zekere dag zijn compositie Je suis moi horen. Ze besluiten dat ook op te nemen. Berger had echter beloofd de tekst aan te passen, maar in de studio achteraf blijkt daar niets van in huis te zijn gekomen. Hun samenwerking vlot dan ook niet. Berger was net aan zijn relatie met France Gall begonnen die nog maar pas liefje af was van Julien Clerc. Berger was zowat de enige op dat moment die begreep welke muzikale kant France uit wou. Berger, die zelf een stevige carrière als chansonnier heeft uitgebouwd, wil wel een stapje opzijzetten voor Gall. Zo’n zijstap zou Clerc voor Gall nooit wagen. De samenwerking tussen Hardy en Berger verloopt met horten en storen, maar levert dat jaar dan toch het album “Message personnel” op waarvan de titelsong een mijlpaal in haar oeuvre zal blijven. Qua live optredens moeten de fans nog altijd op hun honger blijven zitten. Françoise heeft haar zinnen op iets totaal anders gezet. Sedert haar achttiende is ze immers bezeten door astrologie. Ze gaat samenwerken met astroloog Jean-Pierre Nicola aan diens tijdschrift en programma’s. Françoise is er rotsvast van overtuigd dat een mens als individu daadwerkelijk de wereld kan veranderen. Ze gaat iets later ook samenwerken met astrologe Anne-Marie Simon voor haar radioprogramma “Entre les lignes, entre les signes”.

Met het album ”Star” boort Françoise in 1977 een nieuw publiek aan met daarop liedjes aangereikt door onder meer Serge Gainsbourg en William Scheller. Ze zingt op een andere manier en weet zo een jonger publiek aan te trekken. Omdat ze het druk heeft met de opvoeding van haar zoon en geen tijd meer heeft om zelf liedjes te schrijven laat ze zich bevoorraden door de tandem Gabriel Yared en Michel Jonasz die voor een meer funky en jazzy stijl kiezen wat je kan horen in het liedje J’écoute de la musique saoûle. Tot mijn favorieten behoort haar album “A suivre…” uit 1981 met daarop als uitschieters Tamalou en vooral Villégiature. Na een tijdje neemt ze haar schrijverspen opnieuw bij de hand en verwent ons met onder meer Moi vouloir toi een tekst op muziek van Louis Chédid.  Het jaar daarop is er het album ”Quelqu’un qui s’en va” waarop chansons van onder anderen Michel Fugain en Alain  Souchon te horen zijn.

En dan ‘comme un coup de tonnerre éclatant dans un ciel serein’ trekt ze in 1988 voor de laatste keer naar de opnamestudio. Ze is het beu! Ze heeft er schoon genoeg van. Ze is net vierenveertig. Ze wil nog een laatste keer het beste van zichzelf geven en blikt twaalf door haar, qua teksten, zelf geschreven chansons in voor het album “Décalages”. De muziek wordt geleverd door kanjers zoals William Scheller en Etienne Daho. Ze had Daho in 1982 ontmoet in de studio’s van Radio Monte-Carlo. Ze was toen al een fan van hem en ze zouden vrienden voor het leven blijven. Uitschieter op het album is Partir quand même geschreven door Jacques Dutronc. Binnen enkele weken wordt de plaat met goud overladen. Iets later loopt haar platencontract af. Françoise voelt zich zo vrij als een vogel en gaat chansons voor haar collega’s schrijven: Patrick Juvet, Jean-Pierre Mader, Viktor Lazlo en Julien Clerc en Guesch Patti. Voor Radio RFM gaat ze vervolgens vijf jaar lang een programma maken met als thema astrologie. Ik weet niet of het toen al in de sterren te lezen stond, maar haar relatie met Jacques Dutronc is er een van vele ups-and-downs. Hij is vaak slechtgezind, ook al omdat hij weinig momenten van rust in zijn agenda kan inlassen. Het is Serge Lama die haar tijdens een etentje in het restaurant van hotel “George V” in Parijs vertelt dat Jacques maar al te goed weet dat Françoise zijn reddende engel is, dat hij er zonder haar allang niet meer was geweest. Hij is erg destructief van aard, hij kan zich soms te pletter drinken en wild tekeergaan. Les extrêmes se touchent is in het geval Dutronc- Hardy méér dan de waarheid.

Op kousenvoeten maakt Françoise in 1993 een voorzichtige comeback wanneer ze samen met Alain Lubrano te horen is in het duet Si ça fait mal. De opbrengst gaat naar een actie voor aidsonderzoek op het getouw gezet door Etienne Daho. Defintief neemt Françoise Hardy de rode draad weer op wanneer ze in 1995 een platendeal afsluit met Virgin. Een jaar later is er het album “Le Danger”. Vanuit Engeland krijgt ze de vraag of ze wil meezingen op het nieuwe album van Malcolm McLaren en pleegt ze een duet met Blur To the End. Om te bewijzen dat ze geen oude tante is, gaat ze haar licht opsteken bij de popgroepen Portishead en Garbage om op die manier haar eigen geluid en stijl wat aan te passen.

Met luid applaus wordt in de lente van 2000 haar album ”Clair-obscur” door de pers onthaald. Retro is op dat moment in. Bryan Ferry blikt oude songs in, Rod Stewart doet het op zijn beurt evenals George Michael. Ik, die steeds op zoek ben naar liedjes uit The American Songbook, was aangenaam verrast door haar bewerking van de evergreen I’ll Be Seeing You. Ze wil dit in een duet gieten en gaat tot eenieders verbazing aankloppen bij Iggy Pop die dan ook nog yes zegt. Al even oud is het Franse chanson Puisque vous partez en voyage. Ze is zo’n beetje door het dolle heen wanneer Jacques Dutronc akkoord gaat dit samen met haar op cd te zetten. Eveneens een bewerking is haar versie van So Sad dat we al eerder kenden in de versie van The Everly Brothers. Ze voelt zich goed in de schaduw van haar succes. Ze besluit samen met Jacques Dutronc te verhuizen richting 14de arrondissement dat we beter kennen als de wijk Montparnasse. Ze bewonen elk hun eigen etage, een soort living apart together. Jacques respecteert het feit dat zijn vrouw graag teruggetrokken leeft en haar private stek nodig heeft.  Op die manier kan ook ieder zijn eigen gangetje gaan!

Françoise vindt het leuk wanneer collega’s haar vragen met hen mee te zingen op hun diverse cd’s. Zo is ze onder meer te horen op het album “Chambre avec vue” van Henri Salvador en “Chère amie” van Marc Lavoine. Met het oog op de eindejaarsdagen trekt ze in de maand september van 2004 naar de opnamestudio’s en in november van dat jaar ligt ”Tant de belles choses” in de rekken. Tuk als ze is op vers schrijversbloed, gaat Françoise ook deze keer aankloppen bij jonge componisten en komt zodoende terecht bij Benjamin Biolay , Jacno en de Ierse schrijver Perry Blake. Haar zoon Thomas mag vier liedjes leveren en tokkelt op een aantal tracks zelfs eigenhandig op de gitaar. Haar relatie met Jacques Dutronc is niet van de poes. De ene keer klinkt hij manisch, dan depressief. Hij vertelt haar tijdens hun etentjes uit over zijn nieuwe veroveringen. Geen wonder dat hun relatie almaar vriendschappelijker wordt. Maar Dutronc weigert van haar te scheiden. Ze zijn onlosmakelijk verbonden, vindt hij. “Ni avec toi, ni sans toi”, de gelijknamige titel trouwens van regisseur Alain Maline, is en blijft zijn leuze.

De dertigste november 2006 krijgt Hardy van de Académie française La Grande Médaille de la Chanson Française. In het kielzog daarvan lanceert ze het duettenalbum ”Parenthèses” met daarop een brede keuze aan samenzang: Maurane, Alain Souchon en Julio Iglesias. Het Franse publiek hapt gulzig toe. Méér dan tweehonderdduizend exemplaren gaan ervan over de toonbank, goed voor platina. Ze moeten haar extra pushen, maar in het najaar van 2008 ligt eindelijk haar autobiografie in de winkel. Uitgeverij Robert Laffont brengt het boek Le Désespoir des singes… et autres bagatelles op de markt. Zij zegt zelf hierover: ” Je me suis évertuée à restituer la vérité avec autant d’exactitude et de sensibilité que possible. J’espère seulement avoit été impudique…avec pudeur“. Het boek wordt een regelrechte bestseller. Een jaar later brengt uitgeverij Nijgh & Van Ditmar het boek in Nederland en Vlaanderen uit als Françoise Hardy, een roemrijk vrouwenleven. Intussen gaat ze naarstig op zoek naar nieuwe liedjes en verzamelt die op het album “La Pluie sans parapluie” dat in 2009 op de markt komt. Ik fronste toch even de wenkbrauwen toen ik haar producersteam bekeek: Peter Von Poehl, een jonge Zweedse songwriter, Khalil Chahine, zat vroeger in de band van Jacques Dutronc, Edith Fambuena, een gerenommeerde Franse producer, en Bénédicte Schmitt. Persoonlijk ben ik niet zo weg van deze productie al leunt een chanson als  Champ d’ honneur sterk aan bij haar betere werk uit de jaren zeventig.

In de herfst van 2012 verschijnt haar debuutroman “L’Amour fou”, over een grote liefde, met daaraan gekoppeld een gelijknamige cd. En het zal zeker, als het van haar afhangt tenminste, niet bij die ene roman blijven. Dat jaar verschijnt ook een nieuw album ” L’amour fou” met daarop tien nieuwe liedjes.

In de zomer van 2015 laat Françoise Hardy aan de media weten dat zij definitief een punt zet achter haar carrière. Zij laat weten dat zij sinds 2004 lijdt aan lymfeklierkanker. In de lente van 2015 moet zij tengevolge een zware val en diverse breuken  opgenomen worden in het ziekenhuis. Op een bepaald moment vrezen de artsen zelfs voor haar leven, maar ze heeft hard gevochten en onderging intussen ook een zware chemokuur. Zij zet dus na vijftig jaar een punt achter haar muzikale loopbaan. Aan de Franse krant Le Figaro vertelde ze: “J’ai l’impression d’avoir donné ce que je pouvais donner de mieux. Faire des textes de chansons, c’est comme si on avait un petit filon en soi, et j’ai toujours su qu’un jour ce filon serait épuisé. Une autre raison, c’est qu’à partir du moment où je ne fais pas de scène (elle a abandonné les concerts en 1968), on ne peut savoir ce que je fais que s’il y a une programmation radio et télé. Or, il y a de moins en moins d’émissions où je suis susceptible de passer. C’est complètement démotivant de faire un album quand on sait que personne ne va l’entendre», regrette celle qui a publié 27 albums en 50 ans de carrière, de Tous les garçons et les filles (1962) à L’amour fou (2012).”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet