Guido Belcanto

Geplaatst in Artiesten

Reeds drie decennia lang vaart deze eigenzinnige zanger zijn eigen koers, wars van alle modes en trends, stroomopwaarts en zonder compromissen. Deze consequente houding heeft hem een uniek oeuvre opgeleverd dat staat als een huis en vermaak en troost biedt aan een almaar breder wordende massa fans. Gedurende zijn hele carrière heeft men gepoogd Belcanto in een vakje te stoppen. Tevergeefs. “Ik ben niet de plezantste thuis. Ik ben serieus, beschouw het leven als een geschenk van het noodlot. We worden erin gegooid, met als enige zekerheid dat wij eraan moeten. Schrijven – literatuur, poëzie of songs – heeft tot doel dat doemgevoel te bezweren. Je gaat het gevecht aan, en dat lucht op. Ik denk dat dat is wat me drijft. Op zich heeft het leven geen zin, je moet het zin geven. En ik doe dat door liedjes te schrijven.”

In zijn welkomstwoord op zijn verzamel-cd “Liefde, lust en leed” schrijft Guido Belcanto dat het nooit zijn intentie is geweest zanger te worden. “Ik heb het gevoel”, zo schrijft hij, “dat ik altijd een zanger ben geweest en dat al vanaf mijn geboorte.” Die had de drieëntwintigste mei 1953 plaats. Guido August Constancia Versmissen, want dat is zijn echte naam, werd in Turnhout in een gezin van vijf kinderen geboren. Zijn ouders, August Versmissen en Maria Vanhaute, baten in die tijd in de buurt van de kerk van Wortel het café “In de verzekering tegen de dorst” uit, waar Guido niets liever doet dan naar de plaatjes op de jukebox luisteren. Aan hun café is ook een winkeltje verbonden waar je tabak, wasproducten, snoepgoed, aardappelen enz. kunt kopen. Zijn vader solliciteert een tijdje later bij het bedrijf “Brepols”, dat speelkaarten produceert, en klimt daar op tot personeelschef. Van zijn moeder erft Guido zijn muzikaliteit, maar ook zijn liefde voor de romans van Guy de Maupassant. Mama was daar dol op. Voor zijn middelbare studies gaat Guido naar het Sint-Jozefcollege bij de paters jezuïeten. Zijn moeder vindt dat Guido een slimme jongen is en stuurt hem naar de Latijn-Griekse humaniora. Hier leert hij met talen omgaan, de juiste woorden gebruiken. Maar Guido is allesbehalve een briljante leerling. Hij geraakt met de hakken over de sloot. Hij ontdekt hier wel twee van zijn grootste talenten: voetballen en zingen. Hij belandt als sopraan in het schoolkoor, onder leiding van pater Renaat Dumont. Voor die man is het koor niet alleen zijn passie, maar ook een prestigezaak. Er moet dus juist en goed gezongen worden. Guido behoort onmiddellijk bij de voorzangers, een elitegroepje van vijf binnen het koor én een enorme boost voor zijn zelfbeeld. “Je zou me kunnen vragen hoe ik erop gekomen ben om zanger te worden. Ik ben daar niet op gekomen, het heeft zo moeten zijn. Ik heb het gevoel dat ik altijd een zanger ben geweest en dat vanaf mijn geboorte. Er is geen enkele periode in mijn leven geweest dat ik niet heb gezongen. Reeds in mijn prilste kindertijd werd ik te pas en te onpas op een feesttafel of een cafétoog gehesen om een liedje te zingen. Ik maakte furore in het kerkkoor en het zangkoor van het jezuïetencollege, alwaar ik als een Wienersängerknaapje de hoge solopartijen zong.”

Omdat hij zich een buitenbeentje voelt, kiest hij in het voetbalteam voor het doel als favoriete speelplek. Als doelman moet je immers een beetje opvallen, een beetje gek zijn. Zijn schooltijd is voor hem de beste weg naar de anarchie. Hij is maar wat blij wanneer hij op zijn achttiende de school mag verlaten. Hij wil niet meer voortstuderen, weet niet wat aan te vangen met zijn leven. Guido wil daarnaast ook zingen, zo vaak en zo veel mogelijk.

Hij neemt deel aan diverse zangwedstrijden, waar hij een in het oor springende vertolking geeft van Le Moribond van Jacques Brel. “Mijn succesnummer daar was De stervende (vertaling van Le Moribond)van Brel. Blijkbaar was ik toen al gevoelig voor de dramatische aspecten van het leven. Daarnaast dweepte ik ook met de Franse zanger Renaud en Bob Dylan. Wat mij zo aantrok in die twee was dat zij geen geschoolde zangers waren, zij hadden alles op eigen houtje geleerd, net zoals de Amerikaanse blueszangers.” Guido is een jaar of vijftien wanneer hij zich zijn eerste instrument aanschaft, een Hohner-mondharmonica. Zijn repertoire beperkt zich tot het spelen van Op de purp’ren heide en When the saints go marchin’ in. Twee jaar later maakt hij zich het gitaarspel eigen. Hij koopt de elpee “Let’s Work Together” van blueszanger Wilbert Harrison en door mee te spelen met die plaat leert Guido als autodidact aardig op de snaren tokkelen. “Toen ik zestien was en twee gitaargrepen onder de knie had, begon ik mijn eerste liedjes te schrijven. Een goede gitaarspeler ben ik nooit geworden, maar het schrijven van liedjes heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Ik had iets ontdekt waar ik talent voor had en het werd onmiddellijk een passie, een verslaving.” Samen met zijn broer Dirk, die drie jaar jonger is dan hij en wél gitaarles heeft gevolgd, vormt Belcanto een countryduo waarbij de songs van Hank Williams de leidraad worden. Iets later ontmoeten zij Ivo Staes uit Wortel en met hem richten zij het trio Riverboat Shuffle op, waarin zij hun voorliefde voor de muziek van Chuck Berry maar al te graag etaleren in jeugdclubs en cafés in het Turnhoutse. Guido voelt dan al de drang om zijn eigen liedjes te gaan schrijven. Een van zijn eerste songs heet Paperless Toiletblues.Hoe onnozel de titel ook mag klinken, het sterkt hem in de overtuiging dat hij gemakkelijk schrijft en dat voor hem inspiratie voor het grijpen ligt.

De plannen om met een café te beginnen, bergt Guido snel op en hij gaat aan de slag in de fabriek bij zijn vader. Zijn moeder is daar niet blij mee en weet hem aan te sporen opnieuw te gaan studeren. Zij heeft gehoord dat van de zesentwintig jongens die in de klas van Guido afstudeerden er achttien voor de afdeling geneeskunde hebben gekozen en haar lieve zoon voor een ambitieloos bestaan. Na lang aandringen gaat hij in op haar verzoek, nadat zij hem beloofd heeft dat hij eerst een maand op vakantie mag in Londen, waar Guido, zo vertelt hij later, voor het eerst kennismaakt met de hoeren. In de straten van Soho geraakt hij gefascineerd door deze dames van lichte zeden. Hij leert daar ook de homoliefde kennen door zijn ontmoeting met Bernard Neville, een beroemde modeontwerper in die tijd. Een leerrijke ervaring, maar niet zijn ding. Hij begint zich wel vragen te stellen omtrent zijn seksuele identiteit. In Londen woont hij op Wembley een concert bij van Bo Diddley, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Chuck Berry, niet voor niets zijn grote helden. Na zijn ongelooflijk avontuur in Londen trekt Guido zoals beloofd naar de universiteit van Gent, maar hij houdt dat daar maar een maand vol, keert naar huis terug en vindt een job in een tuinbouwbedrijf in Beerse, een tiental kilometer van Turnhout vandaan. Na een goed jaar ontdekt hij dat dit niet zijn biotoop is, hij voelt zich geen arbeider, dat milieu ligt hem niet. Hij gaat met volle moed opvoedkunde niveau A1 studeren aan de “Schola Para Medicorum” in de Nerviërsstraat in Antwerpen. Hier leert Guido ook het uitgaansleven kennen, onder andere “De Muze” trekt hem aan en het café “De Groene Michel” op de Grote Markt, “Het Pannenhuis” en “De Kroeg” op het Conscienceplein. Ook de alternatieve cafés in de havenbuurt spreken hem duidelijk aan én niet te vergeten de rosse buurt in het Schipperskwartier, voor hem het sodom en gomorra.

Ondanks al dat aantrekkelijks en die dagelijkse verleidingen behaalt Guido toch zijn diploma van gegradueerde in de orthopedagogie. Hij heeft meteen een job te pakken als opvoeder in het jongenstehuis “Ivo Cornelis” in Weelde-Statie, een stevige steenworp van Turnhout verwijderd. Dat opvoeden houdt hij maar een paar maanden vol, want zijn roeping om zanger te worden is te sterk. Hij betreurt het ook dat hij zijn geliefde stad Antwerpen nogal snel de rug heeft toegekeerd. Maar eerst moet hij onder de wapens. Guido speelt zijn twijfelachtige seksuele geaardheid uit, wat niet lukt, en wordt goedgekeurd. Dan zich maar als gewetensbezwaarde laten registreren. Hij belandt de daaropvolgende twintig maanden in de Belgische Mediatheek in Antwerpen, een uitleendienst voor muziekplaten. Twee vliegen in één klap: hij mag zich met zijn hobby bezighouden en hij mag naar zijn geliefde Antwerpen terugkeren. Guido voelt zich hier de koning te rijk. Voor duizend frank per maand huurt hij een appartementje op de hoek van de Provinciestraat en de Plantin en Moretuslei. Hij is op dat moment nog vrijgezel en pas tweeëntwintig jaar.

Hij komt in 1975 al zingend en musicerend stevig aan zijn trekken in het inmiddels door hemzelf opgerichte groepje Speedy King and His Feetwarmers. Het orkestje is zes man sterk met voorop zijn jongere broer Dirk. Omdat de meeste leden in Herentals wonen, wordt dat ook hun oefen- en thuisbasis. Zij voelen zich vooral in het café- en jeugdclubcircuit erg in hun sas. Rock-’n-roll uit de fifties maakt hun repertoire uit. Zij krijgen succes en Guido verliest stilaan zijn schroom tegenover de meisjes. Hij begint hun aandacht te smaken. Een hoogtepunt in hun vierjarig bestaan is het feit dat zij in 1978 de finale bereiken van “Humo’s Rock Rally” in de “Beursschouwburg” in Brussel. Zij nemen ook een elpee op, “Breaking Up The House”, en nemen vijfhonderd persingen mee naar huis. Als Guido er nu naar luistert, schaamt hij zich diep. De plaat klinkt ruw en onaf. Hij compenseert die ontevredenheid met een aantrekkelijk lief, de 24-jarige Annemarie. Hij gaat bij haar inwonen. Hij is vooral geraakt door haar intelligentie. Zij neemt hem mee op reis naar New York en Parijs. Met haar komt zijn seksleven op gang. Zijn echte geaardheid houdt hij angstvallig voor zich. Na vier jaar is Annemarie hun relatie beu en zet er een punt achter. Het duurt even voor Guido zich kan herpakken. De muziek wordt weerom zijn grootste troost.

Samen met zijn broer Dirk, met Jakke de Zeeman, Ludo Janssens en Bob Campenaerts, een ontzettend goede drummer, richt hij The Gigolo’s op. Vanwaar die naamkeuze? Hij wil vrouwen vooral dienen, als een soort gigolo. Muzikaal zweren zij bij rockabilly zoals die door de in die tijd furore makende Stray Cats wordt neergezet. Mocht je je enig idee willen vormen hoe dat geklonken moet hebben, luister dan eens naar Guido’s latere versie van That’s All Right Mama. Zij delen het podium met onder meer The Kids, De Kreuners, The Scooters en TC Matic. Drie jaar zal dat verhaal duren. Intussen houdt Guido een cafeetje annex feestzaaltje “De 1000 Appeltjes” open in de buurt van de Paardenmarkt. Na een jaar geeft hij er de brui aan. Hij heeft geen zin om de rest van zijn leven naar het gelal van inhoudloze zuipers te luisteren. Hij is dan zevenentwintig en wil een nieuwe richting inslaan. Hij besluit voor het volle pond zanger te worden, niet meer met Engelstalige liedjes, maar in zijn eigen moedertaal met een voorliefde voor het levenslied en de smartlap. Samen met accordeonist Jakke gaat hij, met een oude Vauxhall als vervoermiddel en gespoten in de kleuren van voetbalclub Antwerp, de baan op. “Na tien jaar spelen in rock-’n-roll- en dansorkesten raapte ik al mijn moed bijeen en begon een carrière als straatzanger samen met de Antwerpse volksheld Jakke de Zeeman. Wij vormden een duo met accordeon, gitaar en zang en brachten een repertoire van smartlappen dat varieerde van Edith Piaf, Bobby Prins, de Zangeres Zonder Naam en liedjes van mezelf.” In Antwerpen wordt in “Den Hopsack” de zangwedstrijd “De Eerste Nacht van de Smartlap” georganiseerd. Hij en Jakke zijn de winnaars. Zij voelen zich als de apostelen van het levenslied. Zij moeten wél doorbijten, want niet iedereen lust hun stijl. Nu eens worden ze op applaus onthaald, dan weer zit er niet méér in dan wat boegeroep. Hij tilt echter het genre van het levenslied van het begin af aan op een hoger niveau door er zijn ziel in te leggen en door met het genre ernstig om te springen. “Wij schuimden het Vlaamse land af en traden onaangekondigd op in cafés, restaurants, bars, op barbecues en in bordelen. Het was een helfdhaftige en avontuurlijke periode. Wij werden bejubeld en bespot, op handen gedragen en weggehoond. We waren koning en tegelijkertijd clochard. We lagen in de goot, maar speelden de sterren van de hemel.”

Stilaan ontdekt Guido ook dat hij met zijn stem en liedjes mensen weet te raken en besluit fulltime met zijn job bezig te zijn. “In die turbulente periode kwam ik tot de vaststelling dat ik mensen tot tranen kon bewegen met mijn zangstem. Pas toen, en niet eerder, viel mijn frank dat ik in aanmerking kwam voor een professionele zangcarrière. Toen heb ik een stem gehoord die zei: ‘Guido Belcanto, uit de geur van pisbakken, bier en parfum, uit de nevelen van deze doorzopen oorden zult gij opstijgen en tevoorschijn treden als de nieuwe vaandeldrager van het levenslied. Gij zijt de uitverkorene die de verloren gegane traditie van de smartlap in ere zal herstellen. Gij zult het genre van de definitieve ondergang redden. Ga mijn zoon en verkondig uw boodschap tot het bittere einde!” Guido beschouwt zijn vak van dan af als een ware roeping. Hij zingt dan wel liedjes in de stijl van Johnny Hoes en aanverwanten, maar tekstueel staan zijn songs veel sterker. Hij zingt ook over totaal andere thema’s: zelfmoord, prostitutie, sadomasochisme, travestie. Het publiek moet er wel aan wennen. Dit is een stijl tot dan toe ongehoord. Dat hij een Belcanto-formule zou hebben bedacht, vindt Guido nog altijd een onterechte opmerking. Het kwam allemaal als vanzelf, niet vooraf uitgedokterd. Steeds vaker wordt hij in het bruinekroegencircuit in Antwerpen uitgenodigd. Hij gaat op zoek naar een geschikte band om hem te begeleiden. Hij klopt aan bij accordeonist Ludo Tips en gitarist Richard Dielen. Ludo Dockx wordt na enig zoekwerk zijn bassist. Zij moeten ook een naam hebben. “Het Orkest Mijner Dromen” lijkt Guido meer dan geschikt. Hij noemt zich voortaan Guido Belcanto. Guido klinkt vrij behoorlijk Italiaans, Belcanto is snel verzonnen.

Omdat hij enorm geboeid is door het theater en enige vorm van glitter en glamour hem niet vreemd is, pakt hij in 1985 uit met een eigen theatershow “Guido Belcanto en het Orkest Zijner Dromen”, naar zijn zeggen een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid. Zijn eerste optreden lanceert hij in het “Theater Paljas” in de buurt Zurenborg op de grens tussen Berchem en Borgerhout, nabij de Dageraadplaats, goed voor vijftig zitplaatsen. “Het werd een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid. Het was een instantsucces. Ik kreeg direct aandacht in de pers en werd gevraagd voor radio-interviews en tv-optredens. Bijna van de ene dag op de andere werd ik bekend als een curiosum in de Vlaamse showbizz. Het was iets nieuws dat ik bracht, men kon mij met niemand vergelijken. Dat was mijn grote kracht en tegelijk mijn handicap. De platenmaatschappijen waren op de hoogte van mijn bestaan, maar durfden het risico niet aan om deze vreemde eend een contract aan te bieden. In die tijd lag het Nederlandstalige lied ook niet zo goed in de markt. We spreken hier immers over het pre-VTM-tijdperk.

Belcanto plant tijdens de maand april van 1985 zes optredens, verspreid over twee weekends. In het publiek herkent hij mensen van de VRT zoals Nora Nys, Fred Claes, Kurt Van Eeghem, Walter Zinzen en Jan Geysen. Zij bestempelen hem snel als een fenomeen. Tot zijn eigen verbazing wordt hij gevraagd om op te treden tijdens “Marktrock” op de Oude Markt in Leuven. Guido had nochtans zijn imago niet mee. “Ik paste niet in het plaatje van ideale schoonzoon, een imago waar Vlaamse zangers destijds hardnekkig naar streefden. Als ongeschoold muzikant roeide ik met de riemen die ik op dat moment voorhanden had. Vrolijk fluitend trok ik mij van dit alles niets aan en deed naarstig voort. Met een nul aan scholing kwam ik als straatzanger terecht op de keurig geboende planken van theaters en cultuurhuizen in Vlaanderen en Nederland.”

En dan gaat Guido pas echt de baan op. Het buitenland wenkt. “Met het muziekcircus Boulevard of Broken Dreams ging ik op tournee en trad op in Parijs en Hamburg. Ik werd geïnterviewd voor “Playboy” en “Penthouse”. Kortom, ik was beroemd en ik had nog niet eens een plaatje opgenomen. Het bezorgde me niet de geringste frustratie. Ik wist dat mijn tijd nog moest komen. Bovendien beschouwde ik het zangerschap nog altijd als een taak en niet als een carrière.” Dat eerste plaatje komt er, maar pas vier jaar later.

Belcanto is al vijfendertig wanneer hij in 1989 zijn eerste platendeal weet te versieren en dat wordt het album “Op zoek naar romantiek”. In eigen beheer had Guido die liedjes al veel eerder opgenomen, maar platenfirma EMI is zo vriendelijk die opnamen over te kopen en officieel in de markt te zetten. “De toenmalige directeur van platengigant EMI wilde de opnames, die ik in eigen beheer had gemaakt, overkopen en officieel uitbrengen. Een zeer aimabel gebaar. De plaat werd een groot succes en mijn naam was definitief gevestigd.” Titels als Rode lampen en Kom mee naar boven laten niets aan de verbeelding over. Een radiohit wordt Op het zeildoek van de botsauto’s, intussen uitgegroeid tot een Vlaamse klassieker. In dit liedje denkt Belcanto terug aan de tijd dat op het “Robsonplein” in Turnhout de jaarlijkse kermis neerstreek. Vooral de muziek die ze daar draaiden, liet bij hem sporen na. Liedjes van Roy Orbison, Adamo, Françoise Hardy, Tom Jones. De grootste muzikale sensaties uit die jaren zestig blijven voor hem echter The Beatles en The Rolling Stones, een keerpunt in de populaire muziek. Nog altijd vindt hij dat die plaatjes uit zijn jeugd de top zijn, dat de muziek nadien nooit meer hetzelfde niveau heeft bereikt en dat het sindsdien met de populaire muziek steeds verder bergaf is gegaan.

Liedjes over gebroken harten voeren op Guido’s eerste album van meet af aan de boventoon. Door Lou Deprijck (bekend als producer van de hit Ça plane pour moi en van de groepen Two Man Sound en The Hollywood Bananas) wordt hij in 1989 gevraagd om deel te nemen aan de “Baccara Beker” in het “Casino van Middelkerke” als lid van de Brabantse ploeg. Hij vormt een team samen met Boogie Boy en Kathleen Vandenhoudt, die zowel de personality- als de persprijs in ontvangst mag nemen, maar de Brabantse ploeg valt wel buiten de prijzen. Eindwinnaar wordt de Limburgse ploeg met Ignace, Erik Goossens en Ann De Winne.

Belcanto heeft intussen een sterke relatie aangeknoopt met Ottilia. Na een tijdje blijkt zij zwanger te zijn van hem. De derde oktober 1991 brengt zij hun zoon Tobias ter wereld. Drie jaar later, de vijfentwintigste augustus, wordt zijn tweede zoon Floris geboren. Iets later belandt hij in een zware depressie. Hervallen is een betere woordkeuze, want het was hem al eerder overkomen. Het is zijn zus Hilde die de ernst van de zaak onderkent en hem in het ziekenhuis van Turnhout laat opnemen. Die depressie zal vier jaar lang zijn leven domineren. In de zomer van 1997 kruipt Guido stilaan uit een diep dal en wordt het leven voor hem draaglijker. Hij geeft toe dat hij tot dan toe in zijn leven de hoogste toppen heeft bereikt, maar ook door de diepste dalen heeft gelopen.

Een jaar later koppelt zijn platenfirma EMI hem aan het productietalent van Henny Vrienten, ex-Doe Maar-fenomeen. “De platenfirma had een producer aangezocht: de fameuze Henny Vrienten. Hij woonde in Amsterdam en de plaat zou worden opgenomen in een studio buiten de stad. Hij nam zijn job zeer serieus. Hij ging daarbij niet over één nacht ijs. Hij was een paar keer naar concerten van mij komen kijken en was niet bijster onder de indruk van mijn muzikanten. Misschien was zijn oordeel juist voor wat de plaatopnamen betrof, maar ik vond die gasten méér dan goed genoeg om mee op te treden. Henny vond mijn songs uitstekend en mijn stem ook, maar volgens hem verdiende ik een beter orkest. Ik dacht erover na en we kwamen tot een minnelijke schikking. Ik aanvaardde het om met zijn muzikanten te werken (zijn orkest The Magnificent Seven), maar de mijne moesten op minstens twee songs vertegenwoordigd zijn. Ik bezocht Henny dikwijls bij hem thuis. In zijn werkkamer discussieerden wij dan over de plaat die we zouden maken. Hij stelde zich op als een strenge, goedmenende leraar“, aldus Guido in zijn boek “Geheime Bekentenissen”, dat in 2009 bij uitgeverij Lampedaire verscheen. De ploeg trekt in 1990 naar “Studio Zeezicht” te Spaarnwoude in Nederland, maar het eindresultaat blijft voor Guido tot op de dag van vandaag een gemiste kans. “Plastic rozen verwelken niet” wordt de titel van zijn nieuwe productie: “Ik stuur jou plastic rozen als symbool van mijn verdriet. Zo zal je altijd aan me denken als je deze rozen ziet. O neen, je hoeft ze geen water te geven. Het is niet nodig dat je ze giet, net zoals mijn liefde voor jou. Plastic rozen verwelken niet.” Dit album levert dertien liedjes op, waaronder Vlammetjes het erg goed doet op de radio, een cover trouwens van een nummer van de Nederlandse zangeres Helga. “Vlammetjes heb ik helaas niet zelf geschreven“, zegt Guido enigszins ontgoocheld. “Henny vond dat er nog iets ontbrak aan het album en hij liet mij een plaatje horen uit de jaren zestig waar hij dol op was, Vlammetjes. Ik vond de tekst nogal braaf in vergelijking met mijn eigen werk, maar kom. Het werd grijsgedraaid op de radio en de mensen wilden het altijd horen als ik optrad. Ik zong het een tijdje, maar ik vond dat ik er niet hetzelfde gevoel in wist te leggen als in mijn eigen songs.” Uiteindelijk houdt Guido aan dit album een kater over. Die ontevredenheid verwoordt Guido als volgt: “Met die plaat was ik niet onverdeeld gelukkig. Ze verkocht niet slecht en ze werd veel op de radio gespeeld, maar ik vond ze té glad klinken. Ze miste iets essentieels: mijn ziel stak er te weinig in. Ik wou het over een andere boeg gooien. Ik wilde mijn artistieke zuiverheid herwinnen. Het mocht niet op een commercieel product lijken, het moest een kunstwerk worden.”

Qua arrangementen had Guido voor “Plastic rozen verwelken niet” samengewerkt met Dick van der Harst en die samenwerking was wél een meevaller, zo’n goeie zelfs dat Dick niet alleen de arrangementen, maar ook de productie voor zijn rekening neemt voor het volgende album “Plaisir d’amour”, dat in 1992 in de winkel ligt. “We kwamen overeen om een puur akoestische plaat te maken. De plaat moest klinken als een klassieke symfonie. Ze zou twaalf liedjes bevatten die aan elkaar zouden worden gesmeed door muzikale passages die in verschillende variaties zouden terugkeren. Zo zou het lijken op één grote brok muziek, een soort conceptplaat. Het idee was gewaagd, bij mijn weten nog nooit gedaan door een Vlaamse zanger. Ik wou een plaat maken die je kon beluisteren zoals je een roman leest: als een afgerond geheel.” Er wordt deze keer in België opgenomen, in de “DK Studio” te Destelbergen. Opvallend is dat de plaat begint met een instrumentaal nummer, de ouverture Dansvloer van de duivel. Belcanto laat zich erg plechtig begeleiden door “L’orchestre d’amour”, met daarin onder anderen Hans Hemerijck, Bernard Van Lent, Jan Cleymans, Hub Mathijsen en Femke Sonnen. Muziek en teksten worden ook deze keer door Guido afgeleverd en nu is hij wel tevreden. Vijftien lappen, smart of niet, in het totaal. Slechts één liedje verschijnt op single, Evelyne, waarmee de platenfirma voor de toekomst wil aangeven dat zij Belcanto niet als een singleartiest zullen profileren. De theaters, zowel in België als in Nederland, zien hem almaar liever langskomen. Vooral zijn unieke aanpak charmeert de organisatoren én het publiek. Belcanto is en klinkt uniek! Eén liedje doet bij sommigen de kaken kleuren, Libido en lege portemonnee, maar daarover verderop iets meer. “Toen de plaat uitkwam, gaven we drie memorabele concerten om het te vieren: in de “Ancienne Belgique” te Brussel, het “Casinotheater” in Den Bosch en op het folkfestival te Dranouter. In Brussel hadden we het decor van de platenhoes opgesteld, waarin mijn fans mochten plaatsnemen voor een foto. Het was een vreemde ervaring om begeleid te worden door zo’n groot orkest. Het had Las Vegas-allures. Het gaf me het gevoel dat ik de top had bereikt. Met deze show overbrugde ik de kloof tussen de volkse smartlap en de Zangeres Zonder Naam.”

In “Studio Impuls” te Herent neemt Guido van de eerste tot en met de vijftiende september van 1993 het album “Zeerover zonder boot” op. Als producer doet hij deze keer een beroep op Patrick Riguelle, die er een rist gastmuzikanten bij haalt zoals Jean Blaute en Dirk Versmissen, Guido’s broer. Uiteraard speelt Guido’s eigen band mee, op dat moment bestaande uit accordeonist Ludo Tips, saxofonist Jan Cleymans (vader van Jelle en Clara), gitarist Lieven De Maesschalck en drummer Philip De Jager. Vaak gedraaid worden de liedjes Verleden tijd en De schipbreukeling, die ook als single hun weg naar het publiek vinden. “Hier lig ik op mijn vlot, uitgeteerd en uitgespuwd, de allerlaatste zondaar, de laatste schlemiel. Ik crepeer, ik ga dood, God ontferm u om mijn ziel. Schenk mij uw genade, mijn lot is in uw hand. Vergeef mij m’n daden, breng me weer aan land.” Na deze plaat wordt het wat stiller rond Guido Belcanto, ook al blijft hij optreden.

Met een knipoog naar Balzac is er pas drie jaar later het album “La Comédie Humaine”, nog steeds uitgebracht op het EMI-label. Er wordt opgenomen in de oude drukkerij Jac. Lamoen in Berchem tijdens de maand mei 1996. Deze keer neemt Guido de productie zelf in handen zodat hij het roer wat beter in de hand kan houden. In een devote bui schrijft hij Nader tot u mijn God en mag voor de rest van het album de passie weer hoogtij vieren zoals in Noche de la pasion en Mr. William, die door EMI ook op cd-single worden uitgebracht. Belcanto is daarmee aan zijn vijfde album toe. Tijdens een interview vertelt hij ons dat hij dit als zijn meest pessimistische plaat beschouwt. Deze liedjes stralen weinig optimisme uit.

Zijn begeleidingsgroep “Het Orkest Zijner Dromen” wordt opgedoekt en Guido gaat zich vanaf 1998 omringen met een nieuwe band die hij “De Libido’s” noemt met als bezetting: gitarist-pianist Lieven De Maesschalck, accordeonist-organist Danny Heylen, bassist Dominique Osier, saxofonist Walter Baeken en drummer Benny Dom. Zij besluiten meteen tijdens die zomer van 1998 een album in te blikken, “Man van lichte zeden”, in een productie van Rudi Genbrugge. “Hier ligt een man van lichte zeden, geboren voor ‘t genot. Hij leefde voor de liefde, hij kende geen gebod. Niet één dag in zijn leven ging zonder lust voorbij, hij was een man van lichte zeden, de grootste van zijn tijd.” De opname heeft deze keer in de “GR Statements Studio” in Antwerpen plaats. Het publiek kiest vrij snel als uitschieter voor het nummer Puntschoenen & een zonnebril gekoppeld aan Zou je van mij houden. Met Fleur Pyretz zingt hij Liefde, adoratie en genot, een liedje dat hij ook aan haar opdraagt. Intussen weten wij dat hij als hypergevoelig mens vatbaar is voor depressies, waarmee hij in 1993 al hevig strijd had moeten leveren. Hij schreef die ervaring toen trouwens van zich af in het album ‘La comédie humaine’. “Alles bij elkaar heeft mijn depressie vier jaar aangesleept. De eerste tekenen van beterschap werden zichtbaar in de zomer van 1997. Ik was als een dode die langzaam opstaat uit zijn graf. De pillen begonnen eindelijk te werken. Het leven werd weer een beetje draaglijk. Ik durfde weer onder de mensen te komen. Het leven kreeg opnieuw een beetje kleur. Ik kon weer genieten van een mooi liedje“, zo schrijft Guido in zijn boek “Geheime Bekentenissen”.

In 1998 brengt uitgeverij Houtekiet onder de titel “Gina Divina” zijn liedjesteksten chronologisch gebundeld in boekvorm uit. “In dit boek staan zowat alle liedjesteksten die ik de voorgaande vijftien jaar had geschreven. Uitgeverij Houtekiet had me gevraagd om deze in chronologische volgorde te bundelen. Ze hadden al zulke boeken op de markt gebracht van Wannes, Raymond en Bram Vermeulen. Ik beschouwde het als een eer. Het was een bewijs van respect voor mijn talent als tekstschrijver. Op de cover van het boek poseer ik naakt in een erg vrouwelijke pose. Op de binnenkant van de voor- en achterflap staan foto’s van Gina in sexy kleren en in een uitdagende houding. Deze foto’s waren niet braaf, ze logen er niet om. Het was mijn eerste outing als travestiet.” Gina Divina is de naam die hij aan zijn vrouwelijke alter ego geeft. Hiermee out hij zich definitief als travestiet. “Dat heb ik voor het eerst in het openbaar verteld in “De Zevende Dag” naar aanleiding van het verschijnen van “Man van lichte zeden”. Ik had mijn geaardheid vooraf wel eerst aan mijn moeder geuit. Dat was enorm belangrijk voor mij, want ik wou niet dat ze het via de pers te weten zou komen. Mijn moeder, die me toch al als het zwarte schaap van de familie beschouwde, kon niet anders dan dit erbij nemen. Ik had de indruk dat ze er niet overdreven zwaar aan tilde, zolang het maar niet algemeen bekend werd. Dus voor dat optreden in “De Zevende Dag” zat ik toch nog een poosje in dubio. Ik mocht in dat programma iets live komen zingen. Ik zat in de schminkstoel en twijfelde nog tot het allerlaatste moment of ik er wel over zou praten. Maar het was sterker dan mezelf. Ik zat in de studio met Chantal Pattyn aan tafel en het kwam eruit. Misschien goed dat het een vrouw was met wie ik dat gesprek voerde. Dat gevoel een vrouw te willen zijn, begon in mijn vroege puberteit. Je weet absoluut niet wat er met je gebeurt. Ik had die niet te bedwingen drang de kleren van mijn zussen aan te trekken. Dat was voor mij heel verwarrend. Ik liep toen rond met veel schuldgevoelens. Het was me vooral te doen om de seksuele prikkels, een soort fetisjisme. Tal van travestieten zullen dat bevestigen. Opgelet, verwar dit vooral niet met transseksualiteit. In mijn geval heeft dat er niets mee te maken. Ik ben dol op vrouwen, zo dol dat ik er soms zelf een wil zijn. Dat is de kern van travestie. Af en toe de illusie hebben dat je tot het andere geslacht behoort.” Guido voelt zich door die outing bevrijd en verschijnt nadien almaar vaker in het openbaar in vrouwenkleren. Samen met Bram Vermeulen trekt hij in de herfst van dat jaar door Vlaanderen en brengt in een twaaltal zalen het programma “Literair Café”, waarin zij beiden hun liedjesteksten in de spots zetten. “Bram wilde een tournee maken langs kleine zalen en cafés, maar hij wou niet alleen op stap gaan. Via het management heeft hij dan aan mij gevraagd of ik dat zag zitten. Uiteraard stond me dat aan. En toen hebben we afgesproken dat we om de beurt het voorprogramma zouden spelen. Op het einde speelden wij soms iets samen. Wat meteen opviel, was het verschil in sfeer. Ons repertoire lag ver uit mekaar. Het viel ook op dat er bij mij altijd meer ambiance was, er werd meer gelachen. Dat stond in schril contrast met de ernst die er van Bram en diens repertoire uitstraalde.”

In 1999 brengt Guido een éénmalige sensationele act: hij voert  Gina Divina ten tonele. Een gigantisch succes maar hij wilde het bewust bij die ene keer laten.  ”Voor mij was het enorm bevrijdend dat ik er nu eindelijk over kon zingen. Vanaf het moment dat ik mij geout had, ben ik er ook songs over gaan schrijven en heb ik mijn alter ego op het podium geïntroduceerd. Ik vond dat fenomeen zo fascinerend dat ik dat aan mijn publiek wou laten zien. Zo kregen ze een betere kijk op het bizarre dat travestie is. Ik wou er op die manier meer begrip voor creëren, het bespreekbaar en begrijpelijk maken. Het meest ultieme travestielied dat ik geschreven heb is O Heer, dat ik in 2001 op mijn album “Tâche de beauté” heb gezet.”

In 2000 wordt Guido door zijn platenfirma EMI verzameld op het album “Liefde, lust en leed”. “Het is een selectie van vijf platen die ik voor hen heb ingeblikt en waarvan het creatieproces zich uitstrekt over tien jaar. Ik kon kiezen uit 75 liedjes, ik had l’embarras du choix. Die tien jaar was een decennium van liefde, lust en leed, maar waarvan elke minuut de moeite waard was om mee te maken. Deze plaat is een aandenken aan een mooie, welbestede tijd van mijn leven en ik dank de vele mensen die in mij hebben geloofd en mij hebben geholpen om dit alles te realiseren.” Belcanto etaleert zijn kunnen in zestien liedjes met als bonustracks Sommige mensen en That’s allright mama.

In het theater pakt hij steeds vaker uit met erotische liedjes en verhalen. Zijn tournee heet niet voor niets “Verhalen van Liefde, Lust en Genot”, een muzikale reistocht door zijn fantasiewereld. “Dat kwam spontaan in me op, dat idee. Het was zeker geen trucje van mijn kant om volk te lokken, want zo zit ik niet in mekaar. Ik ben nu eenmaal veel bezig met seksualiteit en erotiek. Voor mij is dat een hoofdelement van het leven, van het mijne zeker, en dat thema duikt altijd in mijn liedjes op, is latent aanwezig. Zo heb ik een song geschreven over masturberen, Libido en lege portemonnee, die je terugvindt op het album “Plaisir d’amour”. Een fragment daaruit: “Ik kan het naakt, halfnaakt of met kleren, met of zonder foto, met of zonder muziek. Men zou mij kunnen diplomeren als expert in de zelferotiek. Ik kan mij goed aan mezelf vergrijpen, er is maar één ding dat eraan schort. Ik kan mezelf helaas niet… ik kom vijf centimeter tekort.”

Opnieuw met de oude drukkerij Jac. Lamoen (broer van de legendarische Antwerpse volkszanger Frans Lamoen) als decor wordt tijdens de maand november van 2001 het album “Tâche de beauté” opgenomen. Hier wil Guido zelf het volgende aan toevoegen: “Deze titel heeft een dubbele betekenis. Enerzijds is de vertaling van het Franse woord tâche, taak. De plaat was dus een taak van schoonheid die ik mezelf wou opleggen. Anderzijds betekent het ook schoonheidsvlek, een verwijzing naar mijn vrouwelijke natuur.” Er komen ook koperblazers aan te pas en de stem van Tine Embrechts en Nele Bauwens als ruggensteun. Guido gaat zelf achter de knoppen en de mengtafel zitten. EMI heeft hij als platenfirma intussen vriendelijk en beleefd de groeten gestuurd. Hij brengt zijn nieuwe album op het Culture Records-label uit. “Dat was een nieuwe, kleinschalige platenfirma die erg in mij was geïnteresseerd. Voor deze mensen heb ik met plezier dit album opgenomen.” Op deze plaat een aantal liedjes die hoogtepunten in zijn repertoire zijn: Ik ben niet vrouwonvriendelijk,O Heer en het op de radio vaak gedraaide O wat een mooie dag: “Ik ging weer naar huis, zette de teevee aan. Ik zag het W.T.C. in vlammen opgaan: huilende mensen, mensen in shock, paniek in Washington en New York. Ik deed de teevee uit en mijn pyjama aan. Ik kroop in bed, ik wou slapen gaan. Vlak voor ik mijn ogen sloot, dacht ik: hoera, ik ging vandaag niet dood.” Waarom die song door de radio zo gretig werd opgepikt? “Ik denk omdat het een erg sterk liedje is en inspeelde op de actualiteit, het instorten van de WTC-Towers. Ook de opname is voor mij geslaagd, klinkt helder, kon eigenlijk niet beter“, aldus Belcanto. Al even opvallend het liedje Heer. ”In dit nummer ben ik erin geslaagd om het proces van travestie in begrijpelijke woorden te vatten. Het klinkt als volgt: “O Heer, misschien hoor jij niet mijn gebeden door de regen die valt, op het dak van mijn kasteel. Misschien ben je doof, Heer, en dat is de reden dat ik weer naar de fles greep. Ik dronk weer te veel, want ik moet voor mezelve een vrouw fantaseren, want jij, jij O Heer, jij stuurt er mij geen. En daarom hul ik mijzelf in vrouwenkleren, want als jij mij niet helpt, Heer, dan maak ik er één.”

Vanaf april tot juni 2001 schittert hij als Rocky in “De Rocky Horror Show” op het getouw gezet door het NTG. Regisseur van dienst is Stany Crets. Naast Guido staan ook Maaike Cafmeyer en Koen Van Impe op de planken van de KNS in Gent.

“Koning & clochard” is de titel van de cd die in 2004 verschijnt. “Het is het verhaal van de grandioze tijd die ik beleefde als straatzanger in het begin van de jaren tachtig. Samen met mijn maat, de legendarische Jakke de Zeeman, legde ik toen de basis voor mijn latere zangcarrière. Clochard staat voor de straatzanger die ik ben geweest. Toen had ik de spirit van een clochard. Intussen heb ik het gebracht tot gevierde chansonnier met daaraan gekoppeld de titel koning van het Vlaamse levenslied. En dat leidde spontaan tot de combinatie koning & clochard.” Dit album werd van de veertiende tot de eenentwintigste juni in studio “Rataplan” te Borgerhout opgenomen door Peter Bulkens. Sommigen fronsen de wenkbrauwen als ze Guido op deze plaat Ook Jezus ging naar de hoeren horen zingen. “Ik schreef dit als protest tegen de inkrimping van de rosse buurt in Antwerpen in de maand maart 2002. Dit in het kader van de actie “Bordello”. Er is ook het duet Lili Marleen, dat Guido samen met Jo Leemans inzong naar aanleiding van het tv-programma “Luc” en dat ze toen live brachten voor VTM. Belcanto trekt nadien ook weer naar het theater. Met zijn nieuwe programma “Koning & clochard” neemt hij het publiek mee op een muzikale zwerftocht door zijn verleden. De apostel van de smartlap is nog steeds op zoek naar de ultieme romantiek. Tegelijk verschijnt er ook een gelijknamig boek met markante passages uit zijn leven.

Guido merkte almaar vaker dat zijn vader trots op hem was. “Ja, pa was fier, maar hij zei dat niet met zoveel woorden. Hij kwam vaak naar mijn concerten. Hij vond het verbazingwekkend dat het succes zo lang bleef duren. Eerlijk gezegd, toen mijn eerste plaat uitkwam, dacht ik dat mijn leven geslaagd was en ik gerust kon sterven. Ik had iets gemaakt dat ik kon nalaten voor het nageslacht. Zelf vind ik het heel straf dat het nog altijd doorgaat. Telkens als ik een liedje heb geschreven en een nieuwe plaat heb ingeblikt, heb ik zoiets van: oei, hoe moet het nu verder? De angst het te blijven kunnen. Ik blijf me na elke nieuwe productie verbazen dat het me weer gelukt is.”

Een soort overzicht van wat hij bij platenfirma EMI de voorbije jaren heeft opgenomen, wordt de zeventiende april 2006 op de cd “Chansons vécues” aangeboden, waarop onder andere de al eerder aangehaalde versie van That’s All RightMama, waarmee Elvis zich in het begin van zijn carrière in de aandacht zong en waarin Belcanto zijn liefde voor de rockabilly laat horen. Hij laat zich ook verleiden tot het zingen van twee chansons in het Frans: Tant qu’il chante en Le petit d’en dessous de chez moi(Mustafa).

In 2008 vindt Guido onderdak bij een nieuwe platenfirma, Evil Penguin Records uit Mechelen. Samen met de producers Nicolas Rombouts en Steven Maes knutselt Guido een opvallend album in mekaar. Dat krijgt de titel “Ik zou mijn hart willen weggeven” mee. Er wordt opgenomen in de “Motor Music Studio” te Koningshooikt. Veel gedraaid op de radio en een cd-single waard is het opvallende Waarom altijd dat katholieke denken?. Hij covert Half a Boy, Half a Man,een bekende song van Nick Lowe, en maakt er Half een man en half een vrouw van, of hoe een zelfportret kan klinken. Zijn platenfirma is zo trots op deze plaat dat zij het aan de pers slijten als “le nouveau Belcanto est arrivé”. Zij presenteren hem als “de koning van het Vlaamse levenslied, de chroniqueur van de gebroken harten, de volkszanger, de variétéartiest pur sang én de zwervende romanticus”. Guido voelt zich de complete rock-’n-rollchansonnier. Weg met het imago van deels man, deels vrouw. Hij wil compleet overkomen: gerijpt als mens en rijk aan ervaring. Vol trots stelt hij vast dat zijn publiek verjongt. De jonge meute heeft hem ontdekt. In Nederland noemen zij hem graag “de Serge Gainsbourg van het buurtcafé”. Belcanto mag dan wel 57 zijn, hij beleeft de tijd van zijn leven. In de pers lezen wij dat onze noorderburen hem zien als een muzikale kruising tussen Herman Brusselmans en Johnny Cash, waarmee we maar al te graag “de Volkskrant” deels citeren, of ook nog “de Vlaamse kruising tussen André Hazes en Ramses Shaffy”.

Bij uitgeverij Lampedaire verschijnt het reeds eerder vermelde boek “Geheime Bekentenissen”. Guido schrijft: “Als ik nu terugblik op de donkerste periode uit mijn leven, verbaast het me niet dat ik zo diep kon vallen. Hoe hoger je vliegt, hoe lager je valt. Méér dan twintig jaar had ik erop los geleefd. Ik vond het normaal dat ik elke dag mijn zin kon doen. Ik leefde te snel en te gulzig. Ik was alleen maar op zoek naar opwinding en genot en ik raasde maar door.” Zijn boek draagt Guido op aan alle vrouwen die hij intiem heeft gekend, in het bijzonder aan zijn alter ego Gina Divina, vrouw aller vrouwen.

Wanneer Guido in 2010 herdenkt dat hij al 25 jaar optreedt, schrijft hij op zijn website het volgende: “Gedurende een kwarteeuw ben ik mijn gelofte trouw gebleven. Koppig ging ik mijn eigen weg, stroomopwaarts roeiend tegen alle modes en trends in. Ik beleefde momenten van grandioze euforie en vreselijke vertwijfeling. Er waren momenten dat ik dacht dat het op was, dat ik maar beter het bijltje erbij kon neerleggen. Om het met de woorden van Jacques Brel te zeggen: ‘j’ai eu du mal d’être moi’. Maar als ik nu terugblik op de weg die ik heb afgelegd en de enorme hoeveelheid liefde die ik heb geoogst, vervult mijn hart zich met grote fierheid. Zonder uw liefde, beminde fans, zou er van Guido Belcanto allang geen sprake meer zijn. Jullie houden mij aan de gang. Ik weet dat ik bij elk optreden veel liefde uitdeel, maar wat ik daarvoor terugkrijg is overrompelend en vaak niet te bevatten. Zoals bij het concert in de “Ancienne Belgique”. Die avond was de bekroning van een 25 jaar durende liefdesrelatie. Jullie geven me het gevoel een echte volksheld te zijn, en een held wil ik blijven. Ik stel daarom voor om er nog eens een kwarteeuw bij te doen. Liefde en oneindige dank, vrede en voorspoed zij met u allen!

De eenentwintigste oktober 2011 verschijnt zijn album “Een man als ik”De hoesfoto spreekt boekdelen. Weg met het verwijfde! Hier staat een man keurig in het pak én met das. Guido laat zich muzikaal omringen door zijn opgefriste band met daarin: Geert Hellings, Nicolas Rombouts, Lieven De Maesschalck en Bert Huysentruyt. An Pierlé wordt bereid gevonden vocaal met hem te duelleren in het nummer Toverdrank. Het is een cover van Summerwine van Lee Hazlewood en Nancy Sinatra. De single staat de derde december op 9 in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Voor de productie van het album wordt Jo Francken ingehuurd, die voordien zijn sporen al had verdiend door zijn samenwerking met Bart Peeters, Buurman, Milow en Admiral Freebee. Kenners hoeven niet lang te luisteren om dit album de hemel in te prijzen als “het beste Belcanto- product ooit”. Belcanto is zo trots als een pauw wanneer zijn platenfirma hem vertelt dat de cd ook in Nederland wordt uitgebracht. In “Het Laatste Nieuws” lezen wij over deze release: “In zijn vroege werk zong Belcanto al onverbloemd over seks en ging hij tekeer tegen zijn katholieke opvoeding, tot verdriet van zijn moeder. “Het was voor haar alsof de duivel bezit van me had genomen”, aldus Belcanto. Toch heeft een groot deel van die opvoeding zijn plek gevonden in het huidige denkraam van de chansonnier. Belcanto gelooft dat muziekmaken zijn lotsbestemming is. Hij spreekt in dat kader zelfs van een religieus gevoel. Bij hem thuis heeft dat gevoel gestalte gekregen in de vorm van talloze Christusbeelden, die net zo goed een idee geven van Belcanto’s karakter als de met mos begroeide auto naast het huis en de her en der opduikende schilderijen van vrouwelijk naakt. “Ik heb veel medeleven in mij, ik trek me het lot van de onfortuinlijke mensen aan”, zegt hij. “Een kunstenaar moet net als Jezus Christus zijn leven geven voor zijn roeping. Ik heb een roeping, hè. Dit is geen business, geen carrière. Dit is een manier van leven. Al in mijn periode als kroegzanger voelde ik mij een soort verlosser.”

In het “Het Belang van Limburg” lezen we over die productie: “Geen Gina Divina dus op “Een man als ik”, maar Belcanto van zijn mannelijkste en meest muzikale kant. Die titel is niet lukraak gekozen, geeft de zanger toe. De vrouwenkleren draagt Guido niet meer. “Ik weet niet of dat verband houdt met die gelukkige fase in mijn leven,” dixit Belcanto. “Ik kan gewoon zeggen dat het aanvoelt als een bevrijding. En dat ik nooit gedacht had dat ik zou stoppen met het dragen van vrouwenkleren. Ik ben een vent, hé.” Een vent die nu ook in Holland hip is, zowaar. Belcanto werd er gespot op het showcasefestival “Eurosonic”, tussen veel jonger geweld. Belcanto krijgt als vreemde eend in de bijt onderdak bij het Nederlandse platenlabel Top Notch, tehuis voor onder meer De Jeugd van Tegenwoordig. Volgend jaar verschijnt Belcanto’s tiende plaat ook in Nederland en zal hij te zien zijn op Nederlandse podia. Voor het zover is, onderneemt Belcanto als volleerd troubadour een tournee langsVlaamse zalen.” De vijfde november 2011 noteren we het album “Een man als ik” op de vijftiende plaats in de Ultratop 200.

“De koning van de melancholie”, zoals journalist Bart Steenhaut hem in “De Morgen” noemde, pakt in 2013 uit met de derde editie van de theatershow “Balzaal der gebroken harten”. Die had hij ons eerder al in de theaters voorgeschoteld, met name in 2008 en 2010. “Op 5 januari 2008 ging tijdens die eerste editie een kinderdroom in vervulling in de “Roma” te Borgerhout, die weergaloos schitterende zaal vol vergane glorie waar ik dertig jaar eerder nog The Everly Brothers had zien spelen. Daar werd dus die vijfde januari het startschot gegeven van de tournee “Balzaal der gebroken harten”, een wervelend muziekspektakel met een gigantisch Decap-orgel in de hoofdrol. Ik had voor deze show een groep samengesteld met artiesten waar ik echt van hou en met wie ik mij enigszins verwant voel: conferencier Vitalski, zangeres en accordeoniste Lady Angelina en pianist Martin Jansen. Een hele uitzending van “De Laatste Show” stond in het teken van het Decap-orgel, dat verrezen leek uit het graf. Met ons vieren deden we in de zalen de sfeer herleven die ik als kind in de jaren vijftig had leren kennen in de grote danszalen die ons land toen rijk was. Wij slaagden glansrijk in ons opzet.” In 2013 pakt Guido nog grootser uit dan tijdens zijn eerste shows. Hij wordt deze keer geflankeerd door pianist, accordeonist, componist Martinus Wolf, gitarist Lieven De Maesschalck en actrice Tine Embrechts, die zich in deze productie ontpopt als een fantastische zangeres en geweldige danseres, die zich niet alleen amuseert met de liedjes van Guido zelf, maar ook sfeer brengt met enkele cabaretliederen en nightclubstandards. Daarover vertelde Guido deze keer aan de pers: “Wat Stradivarius voor de vioolbouw betekent, betekent Decap voor de bouw van de mechanische orgels. Als kind van de jaren vijftig en zestig heb ik het geluk gehad de glorieperiode van het Decap-orgel nog lijfelijk mee te kunnen maken. Dat was in hoofdzaak te danken aan mijn grootvader Charles Versmissen, een regelrechte bon vivant, die mij, zijn eerste kleinzoon, meenam op zijn uitstapjes naar roemruchte danszalen als “De 14 Billekens”, “De Salamander” en “De Willem Tell”. In deze tempels van volksvermaak hoorde ik voor het eerst de fabuleuze muziek die deze orgels produceerden. Het sloeg me met verstomming. Als het Decap-orgel in werking trad, gebeurde er een mirakel. Door simpelweg een muntstuk in de gleuf te steken, begon een volledig orkest te spelen zonder dat er een muzikant in de buurt was: pure magie!” In 2014 brengt Guido het album “Balzaal der gebroken harten” uit op Evil Penguin Records, inclusief de dvd “Guido Belcanto en het magische Decap-orgel” met daarop als oorsnoepjes voor wie het graag lust de instrumentale nummers Prélude romantique en Ik zou je mijn hart willen geven. Tine mag, slower dan slow, Het einde van de wereld zingen, een cover van de klassieker The end of the world van Skeeter Davis. De derde maart 2014 staat “Balzaal der gebroken harten” op de tweeëntwintigste plaats in de Ultratop 200. Op dat album zingen Belcanto en Tine trouwens enkele opvallende duetten zoals De wilde rooseen vertaling van Where the wild roses grow van Nick Cave en Kylie Minogue, dat zonder veel bijval op single verschijnt, en Surabaya Johnny.

Tussendoor even aanhalen dat Guido graag boeken leest. Hij is er dol op. Thuis slingeren ze zowat overal rond. Maar hij heeft zelf ook een paar boeken geschreven zoals “Man van lichte zeden” en “Geheime bekentenissen”. Zijn persoonlijke top drie in stijgende lijn: “Vrouwen” van Charles Bukowski, “Het lijden van de jonge Werther” van Johann Wolfgang von Goethe en “Het portret van Dorian Gray” van Oscar Wilde.

2014 wordt geen gemakkelijk jaar voor Guido. “Humo” mag, na enige aarzeling van zijn kant, daarover een artikel publiceren: “Ver weggestoken in de Kempense bossen leeft Guido Versmissen alleen met zijn talent, zijn demonen, zijn obsessies en zijn alter ego, Guido Belcanto. De fijnbesnaarde zanger heeft altijd al een snik in zijn stem gehad. Zijn liedjes ontroeren en troosten. Tremolo en het mineurakkoord zijn zijn wapens. “En mijn sexappeal”, zal Belcanto zich haastend hieraan toevoegen. De zanger heeft net zijn vader ten grave gedragen en dat zorgt voor een weemoedige, mijmerende stemming. Het huisje is vochtig, het licht gedempt, het water komt uit de handpomp, de koffie is beresterk. De zelfgekozen ballingschap valt de zanger zwaar. ”Vaders overlijden was een zeer aangrijpende gebeurtenis, het is toch wel een keerpunt in een mannenleven. Hij was de godfather van de hele Versmissen-clan. En nu word ík dat als oudste zoon. Als je vader sterft, valt je toetssteen weg“, aldus Guido.

Begin 2015 is er op het Evil Penguin-label het album “Cavalier seul” met daarop in het totaal tien nieuwe songs in een productie van Jo Francken, opgenomen in “Studio Caporal” en “Studio Dam”. Er wordt gemusiceerd door onder meer drummer Maarten Moesen, bassist Nicolas Rombouts, gitaristen Geert Hellings, Filip Wauters en Lieven De Maesschalck, toetsenist Thomas De Prins en violist Andries Boonen. Guido levert een behoorlijke brok eigen liedjes, maar gaat voor Iemand met wie je vreemd ging aankloppen bij Stefaan Fernande en Frank Vander linden en covert Omdat ik van je hou van Raymond van het Groenewoud. Bart Peeters vertaalt voor hem Marilou van Juan Formell y Los Van Van en Guido op zijn beurt schrijft een Nederlandse tekst bij  , dat we kennen in de versie van Tom Waits. De eenentwintigste februari piekt het album op 9 in de Ultratop 200. Het publiek en de media reageren heel spontaan op Geef meliefde, dat Guido samen met Jan De Smet, Kris De Bruyne en Stijn Meuris zingt. Het belandt de zevende februari op 4 in de Vlaamse Top 50 bij Radio 2 en de veertiende maart op 11 in de Radio 2 Top 30. Vrijdag de zevenentwintigste februari 2015 staat hij met de theaterproductie “Cavalier Seul” op het podium van de “Ancienne Belgique” in Brussel. Het wordt een optreden wars van modetrends en zonder compromissen. Belcanto wordt in de media officieel bestempeld als de populairste Vlaamse “volkszanger” én zo hoort hij het graag!

Begin december 2015 noteren we Guido op 14 in de Vlaamse Top 50 samen met Marco Z oftewel Marco Zanetton, die niet alleen Autobanden in de slipstream schreef, maar tevens tekende voor de productie. Iets voordien had hij nog Ik ga stoppen met te doen alsof op single gezet, een vertaling door hemzelf van I’m going to stop pretending that I didn’tbreak your heart van Eels.

De vijfentwintigste juni 2016 is het zover: de eerste enige echte Guido Belcanto-fandag. De fans krijgen die dag een speciaal polsbandje dat hen toegang geeft tot alle activiteiten en ook voor het avondoptreden met de voltallige GUIDO-band en de mysterieuze gastzangeres. Ook zullen zij een dansje kunnen plaatsen met het mooie Decap-orgel als muzikale begeleider. In een apart tentje worden archiefbeelden van Belcanto gedraaid.

Vanaf de zestiende september 2016 wordt de rijke erfenis van Bobbejaan geëtaleerd in de theaterproductie “Ode aan Bobbejaan”.Daarin ook minder bekende pareltjes. Bobbejaans muzikale erfenis wordt op het podium neergezet door Guido Belcantosamen met Jan De Smet, die voor een deel opgroeiden met Schoepens muzikale nalatenschap. Bobbejaan en zijn vrouw Josée hebben jarenlang dat podium gedeeld, wat soms resulteerde in gevoelige duetten en hilarische sketches.Barbara Dex maakt deze nooit geziene vocale combinatie dan ook helemaal compleet en zorgt ongetwijfeld mee voor de legendarische countrysnik die sommige van Bobbejaans liederen zo onweerstaanbaar maakt. Ondersteund door onder meer toetsenist Dominique Vantomme, bassist Sjang Coenen, drummer Karel De Backer en gitaristen Fritz Sundermann en Firmin Michiels, starten zij met deze productie in de theaterzaal van “Bobbejaanland”, om nadien Bobbejaans repertoire in de bekendste Vlaamse schouwburgen opnieuw te laten klinken. Guido houdt een groot deel van zijn agenda tot in 2017 speciaal vrij om met “Ode aan Bobbejaan” on the road te gaan. “Ik heb voor dit programma vooral gekozen voor de gevoelige liedjes“, vertelt Guido. “Ik wil de ernstige kant van Bobbejaan wat belichten.”

Vrijdag de 22ste september 2017 ligt de nieuwe single Johnny vergeet me niet van Guido in de rekken. Hij krijgt daarbij de vocale steun van Naomi Sijmans. Belcanto covert moeiteloos de golden oldie Johnny remember me die de Britse zanger Johnny Leyton in 1961 opnam en die in 1983 in Nederland al eens werd vertaald door Johnny Spencer. Eeerlijk is eerlijk, Guido heeft zijn versie helemaal op die van Spencer geënt. Daarnaast is er die dag ook zijn nieuwe studioalbum, zijn dertiende al, “Liefde & Devotie”, twee woorden die op volmaakte wijze vertellen hoe Belcanto zijn muzikale roeping belijdt en die hun ware betekenis onthult in de liedjes die hij voor dit album schreef. “Ik heb er samen met mijn band het voorbije jaar naarstig aan gewerkt. Tekstueel schenk ik veel aandacht aan mensen die anders zijn,  mensen met bijvoorbeeld een eenzaam en gebroken hart, mensen die net de andere kant opkeken toen het geluk voorbijkwam. Iemand moet deze mensen een stem geven en ik wil die iemand zijn.” In de pers lezen we dat “Liefde en Devotie” geen herhaling is van wat geweest is, maar wel een briljante voortzetting van een oeuvre dat uniek is in het Vlaamse chanson. Niemand komt in dezen in zijn buurt. Op zijn nieuwe plaat zoekt Guido vocale steun bij Kimberley Claeys, Nathalie Delcroix en Naomi Sijmons in liedjes als Ik weet niet waar mijn meisje isHenry Lee en Uniek specimen van de menselijke soort. Met “Liefde & Devotie” trekt Guido Belcanto ook naar het theater. De 25ste en 26ste september 2017 heeft een try-out plaats in “Het Vierde Oor” te Olen.

Of Guido er nog mee in zit dat ze hem de koning van de smartlap noemen? In 2002 zei hij hierover reeds aan “Het Nieuwsblad”: “Ik heb daarmee leren leven, ik heb moeten leren dat smartlap geen scheldwoord is. Bovendien denk ik, hoop ik, dat mijn liederen méér zijn dan een smartlap. Het zijn geen over-sentimentele liedjes. Mijn liedjes zijn meer geworteld in een dagelijkse realiteit. Ze hebben ook veel te maken met mijn eigen angsten, complexen, verlangens. Ik vind ze eerder chansons dan levensliederen. Anderzijds, als ze zeggen dat ik de koning van de smartlap ben, dan kan ik daar niet kwaad om zijn. Wie anders dan ik zou het zijn? Het is een genre dat ik van de ondergang wil redden. Toen ik in 1985 met dat repertoire begon, was er niemand die zich over het genre ontfermde. André Hazes, de Zangeres Zonder Naam, dat zijn figuren die ik belangrijk vind, iconen van het genre. Maar na hen, wie komt er na hen? Guido Belcanto!Dat zullen ze waarschijnlijk pas beseffen als ik er niet meer ben.”

Of Belcanto al eens heeft nagedacht over wat er met zijn muzikale erfenis na zijn dood moet gebeuren? “Ik wil dat de royalty’s van mijn muziek bij mijn kinderen terechtkomen. Dat zou wel eens een serieus bedrag kunnen zijn en ik zou niet graag hebben dat er geld verdwijnt in de zakken van managers en platenbazen. Tevens wil ik dat mijn persoonlijke bezittingen zoals kleren, boeken en platen onder mijn kinderen, geliefden, vrienden en familie verdeeld worden. Er mag ook een veiling van mijn persoonlijke bezittingen op het getouw worden gezet, waar dan al mijn fans terechtkunnen. De opbrengst hiervan moet dan naar een goed doel gaan. Naar de dierenbescherming of de daklozenwerking.”

Om voorlopig af te ronden wil Guido dit nog kwijt:”Er is hier in België een dame van middelbare leeftijd die een Belcanto-kamer heeft ingericht. Een soort kapel eigenlijk, waar de muren van top tot teen met foto’s van mij zijn behangen. Daar zet ik geen voet binnen. Voor bepaalde mensen ben ik echt de messias. De reden van hun bestaan is houden van Guido Belcanto. En dat vind ik schrikaanjagend. Maar goed, men zaait wat men oogst. Wie op een podium gaat staan, zegt eigenlijk: hou van mij.”En dat doen zijn fans in overvloed.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet