Guido Belcanto

Geplaatst in Artiesten

In zijn welkomstwoord op zijn verzamel cd ”Liefde, Lust en Leed schrijft Guido Belcanto dat het nooit zijn intentie is geweest zanger te worden. “Ik heb het gevoel”, zo schrijft hij,” dat ik altijd een zanger ben geweest en dat al vanaf mijn geboorte”. Die vond de 23ste mei 1953 plaats. Guido  August Constancia Versmissen, want dat is zijn echte naam, werd in Turnhout in een gezin van vijf kinderen geboren. Zijn ouders, August Versmissen en Maria Vanhaute, baten in de buurt van de kerk van Wortel het  café ” In de verzekering tegen de dorst” uit, waar Guido niets liever doet dan naar de plaatjes op de jukebox luisteren. Aan hun café is ook een winkeltje verbonden waar je tabak, wasproducten, soepgoed, aardappelen enz… kan kopen. Zijn vader soliceert een tijdje later bij het bedrijf Brepols dat speelkaarten produceert en klimt daar op tot personeelschef. Van zijn moeder erft Guido zijn muzikaliteit, maar ook zijn liefde voor de romans van Guy de Maupassant. Mama was daar dol op. Voor zijn middelbare studies gaat Guido naar het Sint-Jozefscollege bij de paters jezuïeten. Zijn moeder vindt dat Guido een slimme jongen is en stuurt hem naar de Latijn-Griekse humaniora. Hier leert hij met taal omgaan, de juiste woorden gebruiken. Maar Guido is allesbehalve een briljante leerling. Hij geraakt met de hakken net over de sloot. Hier ontdekt hij wel twee van zijn grootste talenten: voetballen en zingen. Hij belandt als sopraan in het schoolkoor onder leiding van pater Renaat Dumont. Voor die man is het koor niet alleen zijn passie, maar ook een prestigezaak. Er moet dus juist en goed gezongen worden. Guido behoort onmiddellijk bij de voorzangers, een elite groepje van vijf binnen het koor én een enorme boost voor zijn zelfbeeld. Omdat hij zich een buitenbeetje voelt, kiest hij in het voetbalteam voor het doel als favoriete speelplek. Als doelman moet je immers een beetje opvallen, een beetje gek zijn. Hier voelt hij zich buitengewoon goed op zijn plaats. Zijn schooltijd is voor hem de beste weg naar de anarchie. Hij is maar wat blij als hij op zijn achttiende de school mag verlaten. Hij wil niet meer voortstuderen, integendeel, hij wil een café beginnen. Guido wil ook zingen, zo vaak en zoveel mogelijk. Hij neemt deel aan diverse zangwedstrijden waar hij een in het oor springende vertolking geeft van Le Moribond van Jacques Brel. Daarnaast dweept hij ook met de Franse zanger Renaud en Bob Dylan. Wat hem zo aantrekt in die twee is dat zij geen geschoolde zangers zijn, zij hebben veel op eigen houtje geleerd net zoals die Amerikaanse blueszangers. Guido is een jaar of vijftien wanneer hij zich zijn eerste instrument aanschaft, een Hohner mondharmonica. Zijn repertoire beperkt zich tot het spelen van Op de purp’ren heide en When the saints go marchin’ in. Twee jaar later maakt hij zich het gitaarspel eigen. Hij koopt de elpee “Let’s work together” van blueszanger Wilbert Harrison en door mee te spelen met die plaat leert Guido als autodidact aardig op de snaren tokkelen. Samen met zijn broer Dirk die drie jaar jonger is dan hij en wél gitaarles heeft gevolgd, vormt hij een countryduo waarbij Hank Williams de leidraad wordt. Iets later ontmoeten zij Ivo Staes uit Wortel en met hem richten zij het trio “Riverboat Shuffle” op waarin zij hun voorliefde voor de muziek van Chuck Berry maar al te graag etaleren in jeugdclubs en cafés in het Turnhoutse. Guido voelt dan al de drang om zelf liedjes te gaan schrijven. Eén van zijn eerste songs heet Paperless Toiletblues. Hoe onnozel de titel ook mag klinken, het sterkt hem in de overtuiging dat hij gemakkelijk schrijft en dat voor hem inspiratie voor het grijpen ligt.

De plannen om met een café te beginnen, bergt Guido snel op en hij gaat aan de slag in de fabriek bij zijn vader. Zijn moeder is daar niet blij mee en weet hem aan te sporen opnieuw te gaan studeren. Zij heeft gehoord dat van de zesentwintig jongens die in de klas van Guido afstudeerden er achttien voor de afdeling geneeskunde hebben gekozen en haar zoon voor een ambitieloos bestaan. Na lang aandringen gaat hij in op haar verzoek, nadat zij hem beloofd heeft dat hij eerst een maand op vakantie mag in Londen waar Guido, zo vertelt hij later, voor het eerst kennismaakt met de hoeren. In de straten van Soho geraakt hij gefascineerd door deze dames van lichte zeden.  Hij leert daar ook de homoliefde kennen door zijn ontmoeting met een zekere Bernard. Toen al wist Guido dat hij zich van binnen eerder als een vrouw voelt, zich graag als een vrouw kleedt, maar hij durft dat aan niemand te vertellen. In Londen woont hij op Wembley een concert bij van  Bo Diddley, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Chuck Berry, niet voor niets zijn grote helden. Na zijn ongelooflijk avontuur in Londen trekt Guido zoals beloofd naar de Universiteit van Gent, maar hij houdt dat daar maar een maand vol, keert naar huis terug en vindt een job in een tuinbouwbedrijf in Beerse, een tiental kilometer van Turnhout vandaan. Na een goed jaar ontdekt hij dat dit niet zijn biotoop is, hij voelt zich geen arbeider, dat milieu ligt hem niet. Hij gaat met volle moed opvoedkunde niveau A 1 studeren aan de Schola Paramedicorum in de Nerviërsstraat in Antwerpen. Hier leert Guido ook het uitgaansleven kennen onder andere “De Muze” trekt hem aan en het café “De Groene Michel” op de Grote Markt, “Het Pannenhuis” en “De Kroeg” op het Conscienceplein.  Ook de alternatieve cafés in de havenbuurt spreken hem duidelijk aan én niet te vergeten de rosse buurt in het Schipperskwartier, voor hem het Sodom en Gomorra. Ondanks al dat fraais en die dagelijkse verleidingen, behaalt Guido toch zijn diploma van gegradueerde in de orthopedagogie. Hij heeft meteen een job te pakken als opvoeder in het jongenstehuis Ivo Cornelis in Weelde Statie, een stevige steenworp van Turnhout verwijderd. Dat opvoeden houdt hij maar een paar maanden vol, want zijn roeping om zanger te worden is té sterk. Hij betreurt het ook dat hij zijn geliefde stad Antwerpen te snel de rug heeft toegekeerd. Maar eerst moet hij onder de wapens. Hij speelt zijn twijfelachtige seksuele geaardheid uit, wat niet lukt en wordt dus goedgekeurd. Dan zich maar als gewetensbezwaarde laten registreren. Hij belandt de daarop volgende twintig maanden in de Belgische Mediateek in Antwerpen, een uitleen discotheek. Twee vliegen in één klap: hij mag zich met zijn hobby bezighouden en hij mag terug naar zijn geliefd Antwerpen keren. Guido voelt zich hier de koning te rijk. Voor duizend frank per maand huurt hij een appartementje op de hoek van de Provinciestraat en de Plantin en Moretuslei. Hij is op dat moment nog vrijgezel en pas tweeëntwintig jaar.

Guido komt in 1975 al zingend en musicerend stevig aan zijn trekken in het inmiddels door hemzelf opgericht groepje  Speedy King and His Feetwarmers. Het orkestje is zes man sterk met voorop zijn jongere broer Dirk. Omdat de meeste leden in Herentals wonen, wordt dat ook hun oefen- en thuisbasis. Zij voelen zich vooral in het café- en jeugdclubcircuit erg in hun sas.  Rock ‘n’ roll uit de fifties maakt hun repertoire uit.  Zij krijgen succes en Guido verliest stilaan zijn schroom die hij tegenover de meisjes had. Hij begint hun aandacht graag te lusten. Een hoogtepunt in hun vierjarig bestaan is het feit dat zij in 1978 de finale behalen van “Humo’s Rock Rally” in de Beursschouwburg in Brussel. Zij nemen ook een elpee op “Breaking up the house” en nemen vijfhonderd persingen mee naar huis. Als Guido er nu naar luistert schaamt hij zich diep. De plaat klinkt ruw en onaf. Hij compenseert die ontevredenheid met een aantrekkelijk lief, de 24-jarige Annemarie. Hij gaat bij haar inwonen. Hij is vooral geraakt door haar intelligentie. Zij neemt hem mee op reis naar New York en Parijs.  Met haar komt zijn seksleven ook op gang. Zijn echte geaardheid houdt hij angstvallig voor zich. Na vier jaar is Annemarie hun relatie beu en zet er een punt achter. Het duurt even voor Guido zich kan herpakken. De muziek wordt weerom zijn grootste troost.

Samen met zijn broer Dirk, met Jakke de Zeeman, Ludo Janssens en Bob Campenaerts, een ontzettend goede drummer, richt hij The Gigolo’s op. Vanwaar die naamkeuze? Hij wil vrouwen vooral dienen, als een soort gigolo. Muzikaal zweren zij vooral bij rockabilly zoals  die door de in die tijd furore makende Stray Cats werd neergezet. Mocht je je enig idee willen vormen hoe dat moet geklonken hebben, luister dan eens naar Guido’s latere versie van That’s All Right Mama. Zij delen het podium met onder meer The Kids, De Kreuners, Scooter en TC Matic. Drie jaar zal dat verhaal duren. Intussen houdt Guido een cafeetje annex feestzaaltje “De 1000 Appeltjes” open in de buurt van de Paardenmarkt. Na een jaar geeft hij er de brui aan. Hij heeft geen zin om de rest van zijn leven naar het gelal van inhoudloze zuipers te luisteren.  Hij is dan zevenentwintig en wil een nieuwe richting uit. Guido heeft ook ontdekt dat hij zich het best in vrouwenkleren thuis voelt en het als travestiet moeilijk heeft om ongedwongen met vrouwen om te gaan. Hij besluit voor het volle pond zanger te worden, niet meer met Engelse liedjes, maar in zijn eigen moerstaal met een voorliefde voor het levenslied en de smartlap. Samen met accordeonist Jakke de Zeeman gaat hij met een oude Vauxhall als vervoermiddel de baan op, gepakt en gezakt met een repertoire dat varieert van Edith Piaf, Bobby Prins, de Zangeres Zonder Naam en liedjes van hemzelf. In Antwerpen wordt in “Den Hopsack” de zangwedstrijd “De Eerste Nacht van de Smartlap” georganiseerd. Hij en Jakke zijn de uiteindelijke winnaars. Zij voelen zich als de apostelen van het levenslied. Zij moeten wel doorbijten, want niet iedereen lust hun stijl. Nu eens worden ze op applaus onthaald, dan eens zit er niet meer in dan wat boegeroep. Hij tilt echter het genre van het levenslied van het begin af aan op een hoger niveau door er zijn ziel in te leggen en door met het genre ernstig om te springen. Stilaan ontdekt hij ook dat hij met zijn stem en liedjes mensen weet te beroeren en besluit fulltime met zijn job bezig te zijn.  Het is dan ook dat hij een goddelijke stem vanuit de hemel hoort zeggen:” Guido Belcanto, uit de geur van pisbakken, bier en parfum, uit de nevelen van deze doorzopen oorden zult gij opstijgen en tevoorschijn treden als de nieuwe vaandeldrager van het levenslied! Gij zijt de uitverkorene die de verloren gegane traditie van de smartlap zult herstellen. Gij zult het genre van de definitieve ondergang redden. Ga mijn zoon en verkondig uw boodschap tot het bittere einde”. Guido beschouwt zijn vak van dan af als een ware roeping.  Hij zingt dan wel liedjes in de stijl van Johnny Hoes en aanverwanten, maar tekstueel staan zijn liedjes veel sterker. Hij zingt ook over totaal andere thema’s: zelfmoord, prostitutie, sadomasochisme, travestie.  Het publiek moet er wel aan wennen. Dit is een stijl tot dan toe ongehoord. Dat hij een Belcantoformule zou hebben bedacht, vindt Guido nog altijd een onterechte opmerking. Het kwam allemaal vanzelf, niet vooraf uitgedokterd. Steeds vaker wordt hij in het bruinekroegencircuit in Antwerpen uitgenodigd. Hij gaat op zoek naar een geschikte band om hem te begeleiden. Hij klopt aan bij accordeonist Ludo Tips en gitarist Richard Dielen. Ludo Dockx wordt na enig zoekwerk zijn bassist. Zij moeten ook een naam hebben. “Het Orkest Mijner Dromen” lijkt Guido méér dan geschikt.  Hij noemt zich voortaan Guido Belcanto. Guido klinkt vrij behoorlijk Italiaans, Belcanto is dan ook snel verzonnen.

Omdat hij enorm geboeid is door het theater en enige vorm van glitter en glamour hem niet vreemd is, pakt hij in 1985 uit met een eigen theatershow “Guido Belcanto en het Orkest Zijner Dromen, een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid”. Zijn eerste optreden lanceert hij in het “Theater Paljas” in de buurt Zurenborg op de grens tussen Berchem en Borgerhout nabij de Dageraadplaats, goed voor vijftig zitplaatsen. Hij plant tijdens de maand april van 1985 zes optredens verspreid over twee weekends. In het publiek herkent hij mensen van de VRT zoals Nora Nys, Fred Claes, Kurt Van Eeghem, Walter Zinzen en Jan Geysen. Zij bestempelen hem snel als een fenomeen. Hij wordt in de media neergezet als een rariteit, een zonderling, een curiosum. Tot zijn eigen verbazing wordt hij gevraagd om op te treden tijdens “Marktrock” op de Oude Markt in Leuven. Ook de platenfirma’s ontdekken hem snel, maar durven hem geen contract aan te bieden, want het Vlaamse lied scheert op dat moment geen hoge toppen. De VTM-jaren zijn nog niet aangebroken. Hij heeft ook zijn imago niet mee. Als ongeschoold muzikant roeit Guido met de riemen die hij op dat moment voorhanden heeft en legt een pak kritiek naast zich neer.

Belcanto is al vijfendertig wanneer hij in 1989 zijn eerste platendeal weet te versieren en dat wordt het album “Op Zoek Naar Romantiek”. In eigen beheer had Guido die liedjes al veel eerder opgenomen, maar zijn platenfirma EMI is zo vriendelijk die opnamen over te kopen en officieel in de markt te zetten. Titels als Rode Lampen en Kom mee naar boven laten niets aan de verbeelding over. Een radiohit wordt het nummer Op het zeildoek van de botsauto’s, intussen uitgegroeid tot een Vlaamse klassieker. In dit liedje denkt hij terug aan de tijd dat op het Robsonplein in Turnhout de jaarlijkse kermis neerstreek. Vooral de muziek die ze daar draaiden, liet bij hem sporen na. Liedjes van Roy Orbison, Adamo, Françoise Hardy, Tom Jones. De grootste muzikale sensatie uit die jaren zestig blijven voor hem echter The Beatles en The Rolling Stones, een keerpunt in de populaire muziek. Nog altijd vindt hij dat die plaatjes uit zijn jeugd de top zijn, dat de muziek nadien nooit meer hetzelfde niveau heeft bereikt en dat het sindsdien met de populaire muziek steeds verder bergaf is gegaan.

Liedjes over gebroken harten voeren op Guido’s eerste album van meet af aan de boventoon. Door Lou Deprijck (bekend als producer van de hit Ca plane pour moi en van de groepen Two Man Sound en The Hollywood Bananas) wordt hij in 1989 gevraagd om deel te nemen aan de Baccara Beker in het “Casino van Middelkerke” als lid van de Brabantse ploeg. Hij vormt een team samen met Boogie Boy en Kathleen Vandenhoudt die zowel de personality- als de persprijs in ontvangst mag nemen, maar de Brabantse ploeg valt echter buiten de prijzen. Eindwinnaar wordt de Limburgse ploeg met Ignace, Erik Goossens en Ann De Winne.

Belcanto heeft intussen een sterke relatie aangeknoopt met Ottilia. Na een tijdje blijkt zij zwanger te zijn van hem. De derde oktober 1991 brengt zij hun zoon Tobias ter wereld. Drie jaar later, de 25ste augustus, wordt zijn tweede zoon Floris geboren. Iets later belandt hij in een zware depressie. Hervallen is een betere woordkeuze, want het was hem al eerder overkomen. Het is zijn zus Hilde die de ernst van de zaak onderkent en hem in het ziekenhuis van Turnhout laat opnemen.  Die depressie zal vier jaar lang zijn leven domineren. In de zomer van 1997 kruipt Guido stilaan uit een diep dal en wordt het leven draaglijker. Hij geeft toe dat hij tot dan toe in zijn leven de hoogste toppen heeft bereikt, maar ook door de diepste dalen heeft gelopen.

Een jaar later koppelt zijn platenfirma EMI hem aan het productietalent van Henny Vrienten, ex-Doe-Maar-fenomeen. Zij trekken naar Studio Zeezicht te Spaarnwoude in Nederland, maar dat blijft voor Guido tot op de dag van vandaag een miskleun. ”Plastic Rozen Verwelken Niet” levert dertien liedjes op waaronder Vlammetjes het erg goed doet, maar Guido houdt er een kater aan over. This is not his cup of tea. Qua arrangementen heeft hij voor dat album samengewerkt met Dick Van der Harst en dat was wél een meevaller, zo’n goeie zelfs dat Dick niet alleen de arrangementen, maar ook de productie voor zijn rekening neemt voor het volgende album “Plaisir d’amour” dat in 1992 in de winkel ligt. Er wordt deze keer in België opgenomen, in de DK Studio in Destelbergen. Muziek en teksten worden ook deze keer door Guido afgeleverd en nu is hij wel tevreden. Slechts één liedje verschijnt op single Evelyne waarmee de platenfirma aangeeft dat zij Belcanto niet als een single-artiest willen profileren. De theaters, zowel in België als in Nederland, zien hem almaar liever langskomen. Vooral zijn unieke aanpak charmeert de organisatoren én het publiek. Belcanto is en klinkt uniek!

In Studio Impuls neemt Guido van de eerste tot en met de vijftiende september van 1993 het album “Zeerover zonder boot” op. Als producer doet hij deze keer een beroep op Patrick Riguelle die er een rist gastmuzikanten bij haalt zoals Jean Blaute en Dirk Versmissen. Uiteraard speelt Guido’s eigen band mee op dat moment bestaande uit accordeonist Ludo Tips, saxofonist Jan Cleymans (vader van  Jelle en Clara), gitarist Lieven Demaesschalck en drummer Filip Dejaeger. Vaak gedraaid worden de liedjes Verleden Tijd en De Schipbreukeling die ook als single hun weg naar het publiek vinden.  Na deze plaat wordt het wat stiller rond Guido Belcanto, ook al blijft hij optreden. Met een knipoog naar Dante is er pas drie jaar later het album “La Comédie Humaine”, nog steeds uitgebracht op het EMI Label. Er wordt opgenomen in de oude drukkerij Jac Lamoen in Berchem tijdens de maand mei 1996. Deze keer neemt Guido de productie zelf in handen zodat hij het roer wat beter in de hand kan houden. In een devote bui schrijft hij Nader tot u mijn God en mag voor de rest van het album de passie weer hoogtij vieren zoals in Noche de la pasion en Mr.William dat door EMI ook op cd-single wordt uitgebracht. Belcanto is daarmee aan zijn vijfde album toe. Tijdens een interview vertelt hij ons dat hij dit als zijn meest pessimistische plaat beschouwt. Deze liedjes stralen weinig optimisme uit.

Zijn begeleidingsgroep “Het Orkest Zijner Dromen” wordt opgedoekt en Guido gaat zich vanaf 1998 omringen met een nieuwe band die hij “De Libido’s” noemt met als bezetting: gitarist, pianist Lieven Demaesschalck, accordeonist, organist Danny Heylen, bassist Dominique Osier, saxofonist Walter Baeken en drummer Benny Dom. Zij besluiten meteen een album in te blikken “Man van Lichte Zeden” in een productie van Rudi Gentbrugge. De opname heeft deze keer in de GR Statements Studio in Antwerpen plaats. Het publiek kiest vrij snel als uitschieter voor het nummer Puntschoenen & een Zonnebril gekoppeld aan Zou je van mij houden. Intussen weten wij dat hij als hypergevoelig mens vatbaar is voor depressies waarmee hij in 1993 al hevig strijd had moeten leveren. Hij schreef die ervaring toen trouwens van zich af in het liedje Mr. William, zijn bewerking van Monsieur William van Léo Ferré. In 1998 brengt uitgeverij Houtekiet onder de titel “Gina Divina” zijn liedjesteksten chronologisch gebundeld in boekvorm uit. Belcanto beschouwt het als een eer en een respect voor zijn schrijverstalent. Hij poseert ongegeneerd in een vrij suggestieve vrouwelijke pose op de cover van het boek.  Gina Divina is de naam die hij aan zijn vrouwelijke alter ego geeft. Hiermee out hij zich definitief als travestiet. In Vlaanderen praat hij daar ongegeneerd over wanneer hij op de radio te gast is bij Chantal Pattyn die hem er in alle rust over laat spreken. Hij durft zich eindelijk te outen. Guido voelt zich daardoor bevrijd en  verschijnt nadien almaar vaker in het openbaar in vrouwenkleren. Samen met Bram Vermeulen trekt hij in de herfst van dat jaar door Vlaanderen en brengt in een twaalftal zalen het programma “Literair Café” waarin zij beiden hun liedjesteksten in de spots zetten.

In het theater pakt hij steeds vaker uit met erotische liedjes en verhalen. Zijn tournee heet niet voor niets “Verhalen van Liefde, Lust en Genot”, een muzikale reistocht doorheen zijn fantasiewereld. Opnieuw met de oude drukkerij Jac Lamoen (broer van de legendarische Antwerpse volkszanger Frans Lamoen) als decor wordt tijdens de maand november van 2001 het album ”Tache de beauté” opgenomen. Er komen ook koperblazers aan te pas en de stem van Tine Embrechts als ruggensteun. Guido gaat zelf achter de knoppen en de mengtafel zitten. EMI heeft hij als platenfirma intussen vriendelijk en beleefd de groeten gestuurd. Hij brengt zijn nieuw album op het Culture Label uit. Vanaf april tot juni van dat jaar schittert hij als Rocky in “De Rocky Horror Show” op het getouw gezet door het NTG. Regisseur van dienst is Stany Crets. Naast Guido staan ook Maaike Cafmeyer en Koen Van Impe op de planken van de KNS in Gent.

“Koning en Clochard” is niet alleen de nieuwe titel van de cd die in 2004 verschijnt, maar ook de titel van een boek met daarin columns van zijn hand. Een soort overzicht van wat hij bij platenfirma EMI de voorbije jaren heeft opgenomen wordt in 2006 op de cd “Chansons Vécues” aangeboden waarop onder andere de al eerder aangehaalde versie van That’s All Right Mama waarmee Elvis zich in het begin van zijn carrière in de aandacht zong en waarin Belcanto zijn liefde voor de rockabilly laat horen.

Vanaf 2008 gaat Guido op pad met een gloednieuwe show “Balzaal der gebroken harten”. Hierin zingt hij liedjes, daarbij begeleid door een keus Decap-Orgel, goed voor een extra dosis nostalgie en sentiment. Hij vindt ook onderdak bij een nieuwe platenfirma Evil Penguin Records uit Mechelen.  Samen met de producers Nicolas Rombouts en Steven Maes knutselt Guido een opvallend album in mekaar. Dat krijgt de gulle titel Ik zou mijn hart willen weggeven. Er wordt opgenomen in de Motor Music Studio in Koningshooikt. Veel gedraaid op de radio en een cd-single waard, is het opvallende Waarom altijd dat katholieke denken?. Hij covert Half a Boy, Half a Man, een bekende song van Nick Lowe en maakt er Half een man en Half een vrouw van of hoe een zelfportret kan klinken. Zijn platenfirma is zo trots op deze plaat dat zij het aan de pers slijten als ” le nouveau Belcanto est arrivé”. Zij presenteren hem als “De koning van het Vlaamse levenslied, de chroniqueur van de gebroken harten, de volkszanger, de variété-artiest pur sang én de zwervende romanticus”. Guido voelt zich de complete rock ‘n’ roll chansonnier. Weg met het imago van deels man, deels vrouw. Hij wil compleet overkomen: gerijpt als mens en rijk aan ervaring. Vol trots stelt hij vast dat zijn publiek verjongt. De jonge garde heeft hem ontdekt. In Nederland noemen zij hem graag “de Serge Gainsbourg van het buurtcafé”. Belcanto is dan wel 57, hij beleeft de tijd van zijn leven. In de pers lezen wij dat onze noorderburen hem zien als een muzikale kruising tussen Herman Brusselmans en Johnny Cash, waarmee we maar al te graag De Volkskrant deels citeren, of ook nog ” de Vlaamse kruising tussen André Hazes en Ramses Shaffy”. De 21ste oktober 2011 verschijnt zijn album “Een man als ik”. De hoesfoto spreekt boekdelen. Weg met het verwijfde! Hier staat een man keurig in pak én met das. Guido laat zich muzikaal omringen door zijn opgefriste band met daarin: Geert Hellings, Nicolas Rombouts, Lieven De Maesschalk en Bert Huysentruyt. An Pierlé wordt bereid gevonden vocaal met hem te duelleren in het nummer Toverdrank. Voor de productie wordt Jo Francken ingehuurd die voordien al zijn sporen had verdiend door zijn samenwerking met Bart Peeters, Buurman, Milow en Admiral Freebee. Kenners hoeven niet lang te luisteren om dit album de hemel in te prijzen als “het beste Belcanto product ooit”. Belcanto is zo trots als een pauw wanneer zijn platenfirma hem vertelt dat de cd ook in Nederland wordt uitgebracht.

 

De koning van de melancholie, zoals journalist Bart Steenhaut hem in de Morgen noemde, pakt in 2013 uit met de derde editie van ” Balzaal der gebroken harten”. Die had hij ons eerder al in de theaters voorgeschoteld met name in 2008 en 2010. Deze keer pakt Guido grootser uit dan voordien met op het podium als adembenemende ruggensteun een heus Decapdraaiorgel. Voorts wordt hij geflankeerd door pianist/accordeonist/componist Martinus Wolf, gitarist Lieven Demaesschalk en actrice Tine Embrechts die zich in deze productie ontpopt als een fantastische zangeres en geweldige danseres, die zich niet alleen amuseert met de liedjes van Guido zelf, maar ook sfeer brengt met enkele cabaretliederen en nighclubstandards. Belcanto en Tine zingen trouwens enkele opvallende duetten zoals De wilde roos en Surabaya Johnny en die ook te beluisteren zijn op het album “Balzaal der gebroken harten”. In 2014 brengt Guido het gelijknamig album uit op Evil Penguin Records inclusief de dvd “Guido Belcanto en het magische Decaporgel” met daarop als oorsnoepjes voor wie het graag lust de instumentale nummers Prélude romantique en Ik zou je mijn hart willen geven. Tine mag, slower dan slow, een cover zingen, Het einde van de wereld, een vertaling van de hit The end of the world van Skeeter Davis.

 

Begin 2015 is er het album “Cavalier seul” met daarop in het totaal tien nieuwe songs in een productie van Jo Francken, opgenomen in Studio Caporal en Studio Dam. Er wordt gemusiceerd door onder meer drummer Maarten Moesen, bassist Nicolas Rombouts, gitaristen Geert Hellings, Filip Wauters en Lieven De Maesschalck, toetsenist Thomas De Prins en violist Andries Boonen. Guido levert een behoorlijke brok eigen liedjes, maar gaat voor Iemand met wie je vreemd ging aankloppen bij Stefaan Fernande en Frank Vanderlinden en covert Omdat ik van je hou van Raymond Van het Groenewoud. Bart Peeters vertaalt voor hem Marilou van Los Van Van en Guido op zijn beurt schrijft een Nederlandse tekst bij Adios Lounge dat we kennen in de versie van Tom Waits. Het publiek en de media reageren heel spontaan op Geef me liefde dat Guido samen met Jan de Smet, Kris De Bruyne en Stijn Meuris zingt. Het duikt zelfs op in de Vlaamse Top 50 bij Radio 2. Vrijdag 27 februari staat hij met het gelijknamig concert op het podium van de “Ancienne Belgique” in Brussel. Het wordt een optreden wars van modetrends, stroomopwaarts en zonder compromissen. Belcanto, intussen 62, wordt intussen in de media officieel bestempeld als de populairste Vlaamse “volkszanger” én zo hoort hij het graag!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet