Johnny White

Geplaatst in Artiesten

Een van de meest populaire televisieprogramma’s in de jaren zestig was de liedjeswedstrijd “Canzonissima”. U kon er donder op zeggen dat wanneer de uitzending begon er hoogstens nog een hond of kat op straat liep en zelfs die bleven na een tijdje gezellig binnen. Grote bezieler achter dit gebeuren was producer Bob Boon die niet alleen het orkest van Francis Bay bij de VRT een grote kans had gegeven, maar eveneens het groot festivalorkest van Fernand Terby. “Canzonissima” was een kijkcijferkanon omdat het een leuke en een bijwijlen bitse strijd liet zien tussen diverse artiesten, vaak opgeklopt in de media. Er was niet alleen een vakjury, maar daarnaast ook een publieks- en een persjury. Die tegen mekaar uitspelen was een geniale vondst. De winnaar van de voorrondes had dit voordeel dat hij of zij de volgende aflevering met het winnend liedje mocht terugkeren. Na drie keer kwam het nummer automatisch in de finale terecht en het liedje dat die finale won, werd naar het Eurovisiesongfestival van dat jaar gezonden om daar de Belgische driekleur te verdedigen. Johnny White viel nooit die eer te beurt al nam hij zowel in 1966 , 1968 als in 1971 deel aan “Canzonissima”, maar dat verhaal is voor zo meteen, we stappen eerst indiscreet de verloskamer binnen.

Van bij zijn geboorte, de dertiende juni 1946 in Scherpenheuvel, moet Johnny Wittevrouw in de gaten hebben gehad dat je met zo’n naam geen hoge ogen gooit in de showbizz. Maar daar maakte zich toen nog niemand druk om.  Papa, geboren in Scherpenheuvel, kwam aan de bak als mecanicien en was behoorlijk muzikaal onderlegd. Net zoals zijn echtenote, geboren in het Limburgse Schulen, speelde hij graag accordeon. Zij hadden beiden muziek gestudeerd, konden vlot noten lezen en mama zong daarbij ook nog graag. Muziek klonk er de ganse dag in huis, want de radio stond steevast op Radio 2 afgestemd. Er werden ook regelmatig platen gekocht. In 1958 verhuist de familie Wittevrouw naar Brussel waar zijn ouders een frituur-restaurant gaan uitbaten. Zij staan erop dat hun zoon perfect tweetalig is en sturen hem naar een Franstalige school. Intussen blijft Johnny thuis meezingen met de platen van de Engelse crooners Tom Jones en Engelbert Humperdinck en daarnaast Shirley Bassey, Gilbert Bécaud en Charles Aznavour.

Johnny gaat eerst naar de technische school in Schaarbeek afdeling automechanica, maar hij komt niet zo goed overeen met één van de leraren daar en houdt het vrij snel voor bekeken. Begin jaren zestig stapt Johnny over naar de kappersschool in Vilvoorde waar in 1962 talent wordt geronseld om deel te nemen aan een plaatselijke crochetwedstrijd voor scholen.  Dat hoeven zij  de zestienjarige Johnny geen twee keer te vragen. Zijn medestudenten weten intussen dat hij een aardig nootje kan zingen en stimuleren hem om sowieso mee te doen. Pas wanneer Johnny in de halve finale belandt, durft hij het aan zijn ouders te vertellen. Johnny stoot in 1963 door naar de finale en wint met zijn versie van La Novia (Het Huwelijk), geschreven door de Chileense zanger Joaquin Prieto. Het zou in Engeland als The Wedding in de versie van Julie Rogers een dikke hit worden. Gesterkt door die overwinning weet Johnny, die intussen het diploma van dames- en herenkapper op zak heeft,  dat hij geen barbier wil worden, maar wél zanger. Die overwinning bezorgt hem een platendeal en hij gaat zich voor  een tijdje nestelen onder de vleugels van Jules Nijs die voordien nog had samengewerkt met Rocco Granata. Hij trekt met Nijs naar de platenstudio om daar Serenade in Portugal op te nemen voor diens eigen platenlabel “Show Records”.  Johnny is sprakeloos als hij daar aankomt en ziet dat er een orkest klaarzit van tachtig muzikanten. Het nummer is gearrangeerd door niemand minder dan de Spaanse orkestleider Waldo de Los Rios. Er volgen nadien nog een viertal singletjes waaronder J’ai lu, Ik droom van jou en Wunderbar, maar het zijn geen hoogvliegers, integendeel. Er komt in 1965 een einde aan die samenwerking met Jules Nijs en Johnny komt in contact met Achilles Palmans van het platenlabel Decca die hem toevertrouwt aan hun succesvolle producer Al Van Dam.

Er wordt bij Decca  in 1965 voorzichtig van wal gestoken met het liedje Pimpinella. Er gaan iets méér dan duizend singletjes van de deur uit. Johnny ziet het wel zitten bij Decca. Hij laat ook van zich horen tijdens het Heizelfestival ’65 én in het populaire tv-programma “Echo”. Als tweede single bij Decca covert hij een  nummer waarmee Caterina Caselli in Italië furore had gemaakt tijdens het “San Remofestival” Nessuno mi puo guidicare, in die taal ook gecoverd door Gene Pitney, door Johnny vertaald als Veroordeel me niet met op de B-kant Ik kijk maar alleen naar jou. Dat wordt veel gedraaid door Mike Verdrengh tijdens het “Soldaten Halfuurtje”. Johnny zit op dat moment in het leger om zijn dienstplicht te vervullen. Hij volgt op dat moment ook muziekschool om daar wat notenleer en vooral dictie onder de knie te krijgen.

Met het oog op een eventuele deelname aan het “Eurovisiesongfestival” neemt Johnny in 1967 deel aan “Canzonissima”. Tien kandidaten worden geselecteerd: Kalinka, Anneke Soetaert, Rita Deneve, Marva, Chris Wijnen, Hugo Dellas, Jimmy Frey, Louis Neefs, Ronny Temmer en Johnny White. Johnny zingt daar onder andere de nummers Hey Hey Meisje dat iets later op single verschijnt en Als mijn liefde dat het B-kantje wordt, maar bereikt niet de finale. Die wordt gewonnen door Louis Neefs met Ik heb zorgen geschreven door Phil van Cauwenbergh en Paul Quintens. Louis zal in Wenen de zevende plaats bereiken. Dat jaar wint Sandie Shaw de twaalfde editie van het Eurovisiesongfestival met Puppet On A String.

Op dat moment werkt Johnny nauw samen met manager René Ingelberts die ook de belangen van zangeres Tonia regelt. Johnny aarzelt niet zijn eigen orkest The Wings op te richten. Na singles als Als ik nou ‘ns rijk was en Heel m’n leven, bedankt Johnny, René voor bewezen diensten en gaat een trapje hogerop samenwerken met Robert Bylois, oprichter van het “Benelux Theater” en dé manager achter Salvatore Adamo en Robert Cogoi. In Vlaanderen werkt Bylois op dat moment ook samen met Ann Christy. Op zekere dag krijgt White het nummer Weisse Perlen in handen, geschreven door Peter Laine, alias Marcel Peeters, en Ke Riema. Decca gaat niet meteen akkoord met die Duitstalige keuze. Maar Johnny dringt aan en trekt naar de studio samen met het orkest van Peter Laine. Dankzij een tv-optreden van Johnny in het raam van het “Radio – en Televisiesalon” in Antwerpen waarbij hij begeleid wordt door het orkest van Francis Bay en daar onder andere het nummer Weisse Perlen zingt, is er meteen na die uitzending vraag naar dat nummer. Voor de B-kant wordt gekozen voor het liedje Man muss zum Tanzen gehen. Johnny is de koning te rijk wanneer hij de tweeëntwintigste november 1969 ziet dat zijn single tot op de twaalfde plaats in de Top Dertig is geraakt.

De concertorganisatoren ontdekken in Johnny White stilaan een echte performer, een rasechte zanger die ook een graag geziene gast wordt bij diverse internationale liedjesfestivals zoals in 1969 tijdens het “Festival International de la chanson Française” waar hij de prijs van het publiek in de wacht sleept. Van het “Festival in Palma de Mallorca” keert hij dat jaar terug met de persprijs op zak én de single Flamme bleue, geschreven door Al Van Dam en Jan Theys met op de B-kant Tu, ne t’en vas pas. Onvergetelijk voor hem wordt zijn deelname in 1969 aan de in de tijd razend populaire “Europese Beker voor Zangvoordracht” in het Casino van Knokke. Anton Peeters is dat jaar coach van de  Belgische ploeg met daarin naast Johnny White, Samantha, Herman Elegast, Josiane Janvier en Ronny Temmer. België eindigt derde en Herman Elegast krijgt de prijs van de Minister van Nederlandse Cultuur voor het beste Nederlandstalige lied. Eindoverwinnaar wordt het Spaanse team  met in hun rangen onder andere de in die tijd bekende zanger Peret (hit Borrequito).

Johnny, die vlot tweetalig is, wordt door de RTBF gevraagd om in 1970 deel te nemen aan “Chansons Euro 70″, de Waalse tegenhanger van “Canzonissima”. De RTBF is dat jaar aan zet om een landgenoot naar het “Eurovisiesongfestival” te sturen. Uiteindelijk wint Jean Vallée met Viens l’oublier. Hij zal de eenentwintigste maart van dat jaar in Amsterdam achtste eindigen. Eindoverwinnaar wordt Ierland die Dana hebben afgevaardigd met All Kinds Of Everything. Niet alleen Johnny White nam deel aan die Waalse preselectie, maar ook Ann Christy die even vlot met de Franse taal kan omspringen. Johnny houdt er een prachtige  single aan over, het door A.  Hoppe en Peter Laine geschreven Quand on est amoureux door Decca op vijfenveertig toeren uitgebracht met op de ommekant Formidable. Met bescheiden trots geeft Johnny pas jaren later toe dat hij onder meer met dat nummer op één heeft gestaan in de Canadese hitlijsten. Opscheppen mocht in die tijd niet, daar lustte de Vlaamse pers geen pap van en zijn manager Robert Bylois vond dat toen ook maar beter zo.

In 1971 staat Johnny met veel verve te zingen tijdens het “Festival van Mexico”. Dat jaar is het de beurt aan de VRT om een geschikte kandidaat naar het Eurovisiesongfestival af te vaardigen. Gezocht naar het geschikte liedje wordt er via het tv-programma “Canzonissima” met deze keer negen deelnemers waaronder Kalinka, Johann Stollz, Ann Christy, Micha Marah, Mary Porcelijn, Joe Harris, Kate’s Kennl, Ron Davis, Nicole en Hugo en Johnny White. Johnny zingt onder meer Je maakt me stapelgek, Te mooi om waar te zijn en Verloren hart, verloren droom. Nicole en Hugo gaan echter met de overwinning lopen en zouden de derde april naar Dublin trekken in Ierland was het niet dat zij wegens ziekte verstek moeten laten gaan. Hun plaats wordt ingenomen door Lily Castel en Jacques Raymond die met Goedemorgen, morgen, een nummer van Philippe van Cauwenbergh en Paul Quintens, op de veertiende plaats eindigen. Monaco gaat met de overwinning lopen dankzij Séverine en Un banc, un arbre, une rue.

Johnny White eindigde in deze editie van “Canzonissima” op de derde plaats met Verloren hart, verloren droom. Peter Laine schreef het op tekst van Ke Riema in zijn villa in ‘s -Gravenwezel, speciaal met het oog op Johnny’s  deelname. Nadat Verloren hart, verloren droom maandenlang in competitie bleef tijdens “Canzonissima”, kan het niet uitblijven of het liedje wordt op single uitgebracht. 115.000 exemplaren gaan ervan over de toonbank. Vreemd genoeg heeft Johnny daar nooit een gouden plaat voor gekregen, ook niet voor Weisse Perlen en Quand on est amoureux.  Decca zag daar het nut niet van in en wilde vooral bij de belastingen geen slapende honden wakker maken, aldus Johnny White. Verloren hart, verloren droom ligt Johnny zo  na aan het hart dat hij het jaren later  van diverse nieuwe versies zal voorzien! In 2003 wordt Verloren hart, verloren droom voor eeuwig opgenomen in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam en dat tijdens een gala georganiseerd in het Concertgebouw van Brugge.

De fanclub van Johnny White telt ten tijde van het succes van Verloren hart, verloren droom vijfduizend leden. Zijn band wordt op dat moment gerekend tot één van de beste in ons land met, naast drie achtergrondzangeressen, in de voorste gelederen trompettist Jef Coolen en Luc Smets van de voormalige The Pebbles.  Zij treden zowel op in Vlaanderen als in Wallonië. Decca staat er in die jaren op dat Johnny in de beste studio’s opneemt met de beste orkesten. Hij trekt daarvoor ofwel naar de studio’s in Londen of in Parijs. Er worden door Decca kosten noch moeite gespaard. Robert Bylois blijft Johnny ook programmeren tijdens grote concerten in binnen- en buitenland: Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland liggen vlot binnen handbereik. Het geluk lacht hem helemaal toe wanneer hij in die periode op tournee mag samen met Gilbert Bécaud en Shirley Bassey. Hij is op bezoek in Parijs om daar voor “Europe Nr. 1″ een twaalftal liedjes live in te blikken als hij in de kleedkamers zijn groot idool Gilbert Bécaud tegen het lijf loopt. Na wat heen en weer gepraat en tot de vaststelling komen dat zij met dezelfde geluidsinstallatie werken, besluiten zij samen op tournee te gaan met de geluidsinstallatie van Johnny, maar wel ieder met zijn eigen geluidstechnicus. Johnny mag optreden in het eerste deel van het concert, het voorprogramma, en als aardigheidje tijdens het optreden van Bécaud met hem in duet  L’important c’est la rose zingen. Shirley Bassey leert hij van dichtbij kennen tijdens het “Festival van Mexico” waaraan ook Ray Conniff en Malcolm Roberts deelnemen. Hij voelt zich dadelijk thuis in deze internationale entourage.

Na het immense succes met Verloren hart, verloren droom blijft Johnny  meteen nadien opduiken in de Vlaamse Top Tien met achtereenvolgens: Morgen is morgen, De allermooiste dag en Goodbye of tot weerziens. In al deze liedjes blijft hij componist Peter Laine méér dan trouw. In de maand juni van 1973 wordt Johnny in Scherpenheuvel op het hoogste schavotje gezet om zijn tienjarige carrière te vieren. In het midden van de jaren zeventig merkt Johnny maar al te goed dat de live-optredens aan belangstelling inboeten. Er wordt almaar vaker geopteerd voor playback of soundmix. Hij houdt daar niet van en besluit zijn geld te investeren in enkele nightclubs: de “Dallas” in Brussel, “The Victory” in Mechelen en “De Cactus” in Antwerpen. Hier kan hij naar hartelust live optreden met orkestjes die hijzelf samenstelt. In de “Dallas” treedt hij haast elke dag op met een band van negen muzikanten en dat lokt veel volk. Johnny had eerder al de smaak te pakken gekregen door samen met Ann Christy en Hugo Dellas in enkele bekende Brusselse clubs op te treden en omdat die sfeer en dat nachtleven hem wel aanstond, besloot hij zelf de stap naar die nightclubs te wagen. Johnny leert hier een totaal ander publiek kennen, mensen met geld, bazen van grote bedrijven die hem uitnodigen om tijdens hun privéfeesten op te treden. Johnny werkt in die periode vaak met Roemeense orkesten omdat die degelijk en vooral goedkoop zijn. Johnny heeft intussen een repertoire opgebouwd van zo maar liefst zeven talen en daar scoort hij in dat milieu erg goed mee.

Na jaren voor Decca platen te hebben opgenomen, stapt White in 1972 over naar het CBS label om daar liedjes in te blikken zoals Deze dag, gekoppeld aan Duizenden nachten, Monsieur le vagabond, Als een dwaas, Kom terug en Ik zie een traan. In 1978 komt hij terecht bij het Omega label, een sublabel van Decca, en covert voor hen Je pense à toi van Eric Charden. Ik denk aan jou geraakt in de Vlaamse Top Tien tot op de derde plaats en mogen we daarom rekenen tot één van zijn bekendste successen.   Omdat in die periode disco hoogtij viert, neemt hij in een productie van Al Van Dam het discogetinte Les millions d’Arlequins op.

Het “Eurovisiesongfestival” laat Johnny niet los. In 1981 organiseert de VRT “Eurosong” waarvoor zesendertig kandidaten worden geselecteerd waaronder Della Bosiers, Jef Elbers, Jo Vally, Gene  Summer, Stella, Cindy, Nancy Dee, Mark Manuel enz.. Ook Johnny mag zijn kans wagen en doet dat met Op dat kamertje, maar Johnny raakt met dat liedje kant noch wal. Het is Emly Starr die met Samson, geschreven door Kick Dandy en Penny Els, met de overwinning gaat lopen en naar Dublin trekt om daar de vierde april onze Belgische kleuren te verdedigen. Zij eindigt tijdens die zesentwintigste editie van het Eurovisiesongfestival op de dertiende plaats. De overwinning gaat naar Groot-Brittannië en Bucks Fizz met Making Your Mind Up.

In 1982 brengt CBS de elpee “Johnny White 1962-1982″ uit met daarop veertien bekende nummers van hem waaronder Quand on est amoureux, Verloren hart verloren droom, Ma poupée, Weisse Perlen en Alle wegen leiden naar Rome. In 2007 zet Sony/BMG hiervan een cd-versie in de markt, maar opgelet, want er staan ook liedjes op die hij in de jaren nadien heeft ingeblikt. Het valt ons trouwens op dat er qua datering van Johnny’s  repertoire niet altijd nauwkeurig te werk is gegaan en dat Johnny – dat merkten wij tijdens ons interview – het na al die jaren ook niet meer zo precies weet te dateren.

Na een tijd doet Johnny zijn drie nightclubs van de hand. Maar “De Cactus” geraakt niet vlot van de grond. De nieuwe baas neemt in de loop van de maand april 1987 contact op met Johnny met de vraag of hij geen twee weken live wil komen zingen om de boel terug op gang te krijgen én de oude klanten opnieuw te lokken. De dertiende april, een zondag,  staat Johnny tussen het publiek te zingen wanneer op een bepaald moment een man plots zonder enige aanleiding een wapen op hem richt en hem in de buik schiet. Achteraf blijkt deze man een rijke 74-jarige diamantair uit het Antwerpse te zijn die in een depressie verkeert. Enkele maanden voordien was zijn drieëntwintigjarige dochter verongelukt. Deze affaire wordt in de pers op een nogal onfrisse manier uitgebreid geëtaleerd en berokkent Johnny’s carrière heel wat schade. Er werd onder andere geblokletterd dat het een afrekening betrof binnen het milieu. Johnny geraakt na die aanslag in een coma en moet nadien maanden revalideren. Een jaar later overlijdt zijn moeder. Dit gebeuren had haar diep getroffen, temeer omdat Johnny op dat moment bij haar inwoonde.

In 1989 loopt Johnny White, Hans Kusters tegen het lijf. Hans is eigenaar van muziekuitgeverij HKM (Hans Kusters Music). Zij kenden mekaar al van in de jaren zeventig. Op zekere dag stapte toen W. Couwenberghe bij Hans binnen met een door hemzelf geschreven liedje Nu geen tranen. Hans speelt dat op zijn beurt door aan platenproducer Jean Huysmans die op dat moment bezig is met nummers op te nemen samen met Johnny White in opdracht van zijn toenmalige platenfirma CBS. Aan Michel Detry wordt gevraagd er een Franse tekst bij te schrijven Toi qui reviens. Nu geen tranen belandt niet alleen op single, maar staat ook op de elpee “Johnny White ’72″ samen met liedjes als Maar waarom, Geen geweld en Maar jij ging heen. Dus méér dan vijftien jaar later komen Hans en Johnny mekaar opnieuw tegen. Johnny woont op dat moment op een appartement in Brussel. Hans liep al een tijdje rond met de idee een Vlaamse André Hazes te lanceren en hij vindt Johnny daarvoor de geknipte zanger. Als eerste single brengen zij het nummer Jij weet wat liefde is van de heren Toto en Serpière op de markt. Johnny had dat al een tijdje achter de hand gehouden, maar er nog geen geschikte platenfirma voor gevonden. Hans brengt het nummer uit op zijn HKM label. De zestiende december 1989 staat Johnny ermee in de Vlaamse Top Tien en klimt daar naar de achtste plaats. Ook VTM, dat net is opgestart, toont interesse.  Als tweede single wordt gekozen voor het nummer Je eerste liefde geschreven door Theo Scheveneels en Jean Bural. Tot zijn groot ongenoegen moet Hans Kusters vaststellen dat de jaren en platen die volgen van de media geen steun krijgen, ook al gelooft hij sterk in het zangtalent van Johnny White. Johnny zat natuurlijk met een zware erfenis: hij was in de loop van de jaren tachtig qua management niet goed begeleid. Dat had zijn  sporen nagelaten en ook privé liep het voor Johnny niet van een leien dakje. Toch weet hij opnieuw van zich te laten horen met een drietal singles die het in het eerste deel van de jaren negentig niet onaardig doen: Merci Chérie van Udo Jürgens en Méditeranée geschreven door Sergio Popovski en Djorje Novkovic. Naar aanleiding van Johnny’s dertigste verjaardag als artiest brengt HKM in 1996 de verzamelaar “30 jaar Johnny White” op de markt. Dat hadden zij vijf jaar eerder ook al gedaan met het album “25 jaar Johnny White”. Qua nieuwe nummers dringt Hans tijdens hun samenwerking niets op aan Johnny. Hij mag zelf kiezen uit het ruime aanbod dat in zijn uitgeverij voor handen ligt. Intussen had Hans, Fred Bekky aangetrokken als producer. Er wordt niet alleen gecoverd zoals Is this the way to Amarillo van Tony Christie, Het schrijverke van Will Ferdy, This is the moment dat Garry Hagger als Het mooiste moment al had ingeblikt, maar er worden ook nieuwe composities ingeblikt zoals het door Johnny samen met Fred geschreven Once In a Million. In 2001 is er op het HKM label het uitgebrachte album “Blijf je bij mij” naar de gelijknamige Vlaamse klassieker van Roger Baeten die door Johnny opnieuw wordt ingezongen samen met een medley van de grootste hits van zijn idool Gilbert Bécaud. Datzelfde jaar is er ook het album “Dromen” dat Johnny opneemt in Studio Dello in Arendonk. Johnny krijgt daarbij de muzikale steun van trompettist Jef Coolen, arrangeur Walter De Loose en de zangeressen Ingrid Servaes en Marjan Berger. Dertien nieuwe liedjes geschreven door Walter De Loose op teksten van Claudia Nieuwenhuizen, Jean Bural en Mary Boduin. Hij neemt ook Zeven dagen, zeven nachten op geschreven door Jacques Raymond samen met zijn echtgenote Ingriani.  Intussen runt Johnny sinds 1988 tijdens de weekends met veel succes zijn club “De Oude Hoeve” langs de Mannenberg in Scherpenheuvel. Deze zaak is niet alleen een discotheek, maar tevens een taverne en restaurant. Hij was met veel plezier terug naar zijn geboorteplaats gekeerd. Die locatie zal iets later ook bekend worden als “The Johnny White Club”. Hier treedt niet alleen Johnny live op, maar geeft hij vooral jong talent maar al te graag een kans.

Omdat hij ondanks zijn vele pogingen en vele releases niet het verhoopte succes bereikt, beslist Hans Kusters in 2005 de samenwerking met Johnny White af te ronden. Enkele maanden eerder startte Kusters op zijn HKM label de cd-reeks “Diamond Collection” met daarin verzamelalbums van Marijn Devalck, Hans De Booij, Ingeborg, Marcel De Groot, Walter De Buck, Filet D’Anvers en ook Johnny White. Op het album van Johnny in het totaal zestien liedjes die reeds eerder op cd waren te verkrijgen.

Fysiek gaat het niet zo goed met White. Hij voert een ongelijke strijd met  obesitas gekoppeld aan diabetes. Hij had eerder al diverse keren geprobeerd van zijn zwaarlijvigheid af te geraken, maar dat eiste zijn tol. Vier jaar eerder was hij op korte tijd zevenendertig kilo afgeslankt, een drastische poging die we nauwgezet konden volgen in de VT4-docusoap “De weegschaal”. Dat was ook de periode dat hij samen met Jean Walter en Jacques Raymond optrad als het trio “De Gouden Tenoren” waarin hij de plaats van Bob Benny had ingenomen. Ook het nachtleven begint almaar meer sporen na te laten. Vanaf 2006 wordt Johnny door de artsen werkonbekwaam verklaard en krijgt hij uitkeringen uitbetaald door het ziekenfonds. Dit houdt in dat hij niets extra’s mag bijverdienen. Maar Johnny blijft zingen. De elfde juni 2006 viert hij feest, want hij staat dan vijfenveertig jaar op de planken. Hij viert dat in bistro “De Jongste Telg” in Boechout. Hij deelt die avond het podium met Liliane Saint-Pierre, Garry Hagger, Ricky Fleming, Samantha en Johan Stollz. Ook Will Ferdy en Tony Servi passeren die avond de revue. Er is ook de release van zijn  nieuwste album “Heel m’n leven” in eigen beheer uitgebracht op zijn J. White Records, verdeeld door Reli Records. Ook deze keer levert Walter De Loose een rist liedjes met daarnaast zijn versie van La Quête van Jacques Brel en I Wish You Love van Charles Trenet. Het gerecht houdt Johnny al die tijd nauwgezet in het oog en gaat zich na een tijdje met zijn bijverdiensten bemoeien. Begin 2011 spreekt een rechter het vonnis uit. Sinds 2006 heeft Johnny namelijk méér dan 132 keer opgetreden en heeft die nevenactiviteiten niet, zoals dat verplicht is,  aan de adviserende geneesheer van het RIZIV gemeld. Johnny had intussen al 41.297,13 euro van het RIZIV opgestreken plus  die extra’s van zijn optredens. Ook al beweert Johnny in de rechtszaal dat hij zich de voorbije jaren van geen kwaad bewust was, toch veegt de rechter die argumenten van tafel en wordt Johnny veroordeeld tot zes maanden gevangenis die hij, gezien dit een minimumstraf is, niet hoeft uit te zitten. Wel een zware dobber voor hem is dat hij niet alleen die 41.297,13 euro moet terugbetalen, maar daarbovenop ook nog eens 27.500 euro boete. Het was trouwens niet de eerste keer dat Johnny in aanraking kwam met het gerecht. Nadat hij in de maand april 2008 nog op de affiche had gestaan van het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt samen met onder anderen Eddy Wally, Jo Vally, Christoff, Bart Van den Bossche en John Terra, valt in de maand juni het parket bij hem binnen in zijn discotheek, “The Johnny White Club” in Scherpenheuvel, op dat moment uitgebaat door een 37-jarige Roemeense vriend samen met diens vriendin en haar zus.  De speurders van de Federale Gerechtelijke Politie treffen boven de dancing van Johnny White vierhonderd cannabisplanten aan, daar gekweekt door de man aan wie Johnny zijn discotheek annex  woonruimte op dat moment verhuurt. Johnny woont op het ogenblik van de feiten  boven de taverne, pal naast de discotheek. Hij ontkent echter elke betrokkenheid en wordt later door de onderzoeksrechter in deze zaak vrijgesproken.

In de maand september van 2013 verschijnt van Johnny eindelijk nog eens een nieuw album “Nieuwe Dromen” dat hij opneemt in de studio van Freddy Danau in Herne samen met muzikant en producer Henri Spider. Vrij snel worden daaruit twee singletjes gereleaset die door de fans méér dan gewaardeerd worden: Waarom en Morgen wordt alles anders. De concertagenda van Johnny geraakt weer goed gevuld en met volle moed stapt hij 2014 binnen, maar lang zal hij er niet van kunnen genieten. Maandag de dertiende januari wordt Johnny in de namiddag geveld door een hartaanval. Hij wordt meteen opgenomen in het ziekenhuis van Aalst voor een kijk-operatie, maar overlijdt tijdens  het onderzoek. Geen hulp kan meer baten. Johnny is zevenenzestig jaar geworden. Zaterdag de achttiende januari 2014 wordt hij in de basiliek “Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel” begraven. Ruim elfhonderd aanwezigen brengen hem een laatste groet waaronder Margriet Hermans, Luc Appermont, John Terra, Nicole en Hugo, Liliane Saint-Pierre en Jimmy Frey. Normaal moest de week nadien zijn nieuwste single Vlei je zachtjes in mijn armen worden uitgebracht, maar zijn platenfirma D & V beslist meteen na het vernemen van zijn overlijden de release uit te stellen tot een latere datum om dan het nummer uit te brengen als een laatste eerbetoon aan één van de beste crooners die Vlaanderen ooit gekend heeft.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet