Miel Cools

Geplaatst in Artiesten

Woensdag de elfde juli 2012 ontving Miel Cools tijdens het Feest van de Vlaamse Gemeenschap in de Academiezaal te Sint-Truiden het Gulden Spoor voor Culturele Uitstraling. Tijdens haar verwelkoming zei voorzitster An De Moor onder meer het volgende: “Heel wat van zijn liedjes blijven de tand van de jaren weergaloos weerstaan: zeemzoeterig, traditionalistisch, vrijblijvend. Miel Cools heeft zich nooit veel gelegen gelaten aan dergelijke kritiek. Met modetrends heeft hij nooit meegelopen. Hij bleef zweren bij de puurheid van het luisterlied en de soberheid van de muzikale omlijsting zonder toeters en bellen. Als er één predicaat op zijn muziek van toepassing is, dan is het misschien wel: tijdloos en universeel. Zijn generatiegenoten hebben het veel minder lang uitgezongen dan hijzelf. Velen die na hem kwamen, verdwenen vóór hem alweer van de scène. We mogen van Cools met recht en reden zeggen dat hij als geen ander een opmerkelijk spoor getrokken heeft door het Nederlandstalige lied van de voorbije jaren. Als hij al niet de uitvinder is van de kleinkunst in Vlaanderen dan is hij toch zeker een van de meest prominente “founding fathers” ervan. Daarom past eigenlijk maar één woord bij het Gulden Spoor voor Culturele Uitstraling dat wij vandaag toekennen aan Miel Cools en dat is over-over-oververdiend.”

Miel werd de vijftiende april 1935 in Herk-de-Stad geboren. Het gezin telt vier kinderen: zussen Angele en Mirese en broer Danny. De eerste noten tokkelde hij op een geleende gitaar. In Herk-de-Stad bolg Miel lageronderwijs in de Sint-Martinusschool. In 1952 verhuist de familie Cools naar Hasselt. Papa werkte daar bij de “Interelectra”. Zij gaan in de Isabellastraat wonen, vlak tegenover de zeer muzikale familie Nicolai. Hun zoon had een gitaar, maar speelde daar niet vaak op. Telkens als Miel daar op bezoek was, haalde hij de gitaar uit een verloren hoek in de living vandaan en speelde erop. Het akkoordenboekje van Bob Davidse, Nonkel Bob, hielp hem daarbij een aardig handje. Miel zong de liedjes na, die zijn vader op feesten en bruiloften zong. Miel studeerde toen aan het Sint-Jozefscollege in Hasselt en zijn ouders vonden dat die studies voorgingen op gitaar leren spelen. Op een bepaald moment krijgt Miel van zijn ouders dan toch zijn eigen  gitaar en richt samen met zijn buurjongen Marcel Nicolai en Raymond Roosen die de bas bespeelt en wiens vader in Hasselt een platenwinkel uitbaat, in 1952 het trio The Samoa Hawaiians op, naar het voorbeeld van de bekende Nederlandse groep The Kilima Hawaiians. Marcel had zijn eigen Hawaiiaanse gitaar gebouwd en speelde daarnaast ook viool. De groep werd snel uitgebreid met Henri Lenaerts op ukelele en André Dylst op gitaar. De heren traden op in het wit en tooiden zich met kleurrijke guirlandes. Na de pauze hesen ze zich in een cowboyoutfit en werd er country-and-western gezongen. Zowel voor als na de pauze liet Miel horen dat hij toen al een aardig nootje kon zingen. Bij de toenmalige Radio 2, Radio Limburg, krijgen ze van producer Pol Cabus meermaals de kans om live voor de radio op te treden tijdens hun populaire bonte-avonden. Robert Bylois, die zich later over de carrière van Adamo zou ontfermen, nam hen zelfs mee naar Rijsel in Frankrijk voor de opname van een tv-programma dat in het Nederlands werd uitgezonden “Het hof van Vlaanderen”.

Op zijn negentiende schrijft Miel voor de laatstejaarsstudenten op tekst van Roger Hendriks de operette ” De misbakken student”. Die wordt in Hasselt in cinema “Plaza” opgevoerd. Bij de familie Nicolai had Miel al die tijd kennis kunnen maken met muziek in de breedste zin van het woord, ook klassieke muziek. Hij had meteen door dat als hij verder wilde gaan, hij muziek- en zangles moest gaan volgen. In de “Stedelijke Academie” te Hasselt komt Miel terecht op de afdeling klassieke zang. Hij droomde er zelfs van als bariton een gevierd operazanger te worden. Bij de bekende bas Maurice De Groot ging Miel zelfs een tijdje in Luik extra zangles volgen. Van hem leerde hij de kneepjes van het klassieke zangvak. Om een lang verhaal kort te maken, werd het voor Miel duidelijk dat hij vooral wou zingen, welk genre dan ook. Hij jodelde zelfs. Zo won hij met het liedje Alaska de allereerste crochetwedstrijd die Radio Limburg op het getouw had gezet. Miel trad in de jaren vijftig ook op als crooner bij het in die tijd gewaardeerde dansorkest van Charlie De Jong uit Leopoldsburg, een liedje als I’m in the mood for love.

Na zijn middelbare studies gaat Miel in 1954 achttien maanden onder de wapens. Via zijn vader wordt hij nadien bediende bij “Interelectra” (het latere Infrax) in Hasselt. Hij bleef hier een jaar of zes, tot ongeveer 1961, actief. Voor zijn klassiek repertoire was Miel in die tijd naarstig op zoek naar een pianist. Hij vond die in het buurmeisje Jenny Nysten. De familie Cools was intussen verhuisd naar de Melkvoetstraat in Hasselt. Zij woonde zo goed als om de hoek. Jenny studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. Zij behaalde daar de eerste prijs notenleer en volgde eveneens piano. Voor zij haar eindexamen moet afleggen, besluit zij ermee op te houden en voor de rest van haar leven met Miel verder te stappen. Zij verloven zich in 1957. Jenny draagt nog altijd haar verlovingsring. De zestiende mei 1959 trouwen zij. In navolging van het in die tijd populaire Deens-Nederlandse zangduo Nina & Frederik gaan Jenny en Miel vanaf 1957 optreden als zingend koppel en scoren daarmee aardig wat succes. Toen kwamen klassiekers als Listen to the Ocean, Come back Liza en Jamaica Farewell. De drieëntwintigste december 1958 stortte mergelberg Roosburg in Zichen-Zussen-Bolder in. Daarbij vielen in de champignonkwekerij achttien doden. Ten voordele van de families van die slachtoffers werd in de Brusselse “Folies Bergère” een Limburgse revue georganiseerd. In het totaal zullen Miel en zijn vrouw in de maanden januari en februari 1959 daar negentig keer optreden. Hier leerde Miel de Nederlandse producer Jaap Streefkerk kennen die in ons land aan het hoofd stond van platenfirma Philips. Hij had rond die periode ook kennisgemaakt met de Limburgse componist Armand Preud’homme. Op dat moment vierde bij Philips, Bob Benny hoogtij en, achteraf gezien, voelde Miel dat hij snel op een zijspoor werd gezet. Streefkerk zorgde er wel voor dat Miel een ep’tje mocht uitbrengen “Miel en Vier Meisjes” met daarop liedjes waarvoor Armand Preud’homme de muziek had geschreven: Anne Marieke, Dag Josefien, Vergeet me niet Karolien en Roosmarijntje. Miel nam deze marsliedjes meteen na zijn legerdienst op samen met het orkest van Frank Engelen en het Salamander Koor. De respons op deze eerste vinylen poging was echter niet erg groot.

Op de Nederlandse radio hoorde Miel bij het begin van de jaren zestig politiek getinte liedjes, gezongen door onder meer Jules de Corte. Dat sprak hem wel aan. Iets later komt hij journalist Jaak Dreesen van “De Bond”, het blad van de Grote en Jonge Gezinnen tegen. Miel trad regelmatig op voor de Bond en Jaak attendeerde Miel regelmatig op een genre dat in die periode opgang maakte, de kleinkunst. Voordien had Miel tijdens zijn collegetijd al Jacques Brel leren kennen en Georges Brassens. Vooral die laatste sprak hem qua stijl erg aan. Miel ontdekte plots dat je in teksten erg persoonlijke dingen kwijt kon. Jaak Dreesen schrijft voor hem de tekst voor Geef me de tijd dat in 1962 op een ep verschijnt die Miel samen met Henk van Montfoort opneemt voor het Fama-label. Miel zet ook Badliedje op die plaat, waarvan de tekst geschreven is door Gaston Durnez. Datzelfde jaar is er een tweede ep samen met Henk van Montfoort met daarop De kleine krokus en ‘n Hijtje en ‘n Zijtje, beide op tekst van Louis Verbeeck. Miel was er zich meteen van bewust dat dit een genre is dat niet voor de massa geschreven wordt. Dit zijn liedjes met meer inhoud dan de doorsneeschlager.

Jenny bleef intussen thuis. De eerste baby kondigde zich aan. Het duo Miel- Jenny behoorde tot het verleden. De tijd was in 1959 rijp voor Miel solo. Hij sleutelde dag na dag aan zijn repertoire dat op een bepaald moment nog bestond uit een evergreen als Granada, een jodelliedje, Ik zou wel eens willen weten van Jules de Corte en schoorvoetend zijn eigen nummers. In het eerste deel zong Miel kleinkunst, in het tweede meer de liedjes bedoeld om te entertainen. Voor het doorsneepubliek klonk kleinkunst toen nog als poëzie op muziek gezet. Dat genre had iets eerder een duw in de rug gekregen dankzij het evenement “Kleinkunsteiland”, opgericht door Bob Wezenbeek, omdat hij kleinkunst van dat eiland tot bij het grote publiek wilde brengen. In de universiteitsaula van Leuven had de achtste december 1961 de eerste editie plaats waaraan niet alleen Miel Cools en Louis Verbeeck deelnamen, maar ook Kor Van der Goten, Will Ferdy en Jef Burm. Dit muzikaal gebeuren zal tot in 1966 standhouden.  Stilaan werd kleinkunst voor vol aangezien en aanvaard. Die opkomst viel samen met de aanloop naar “Leuven Vlaams”, de strijd voor de taalkundige splitsing van de Katholieke Universiteit Leuven die in 1968 zijn hoogtepunt kende. Er was natuurlijk ook de aandacht van de pers voor het betere lied, in het Nederlands gezongen.

Vrij snel merkten die pers en ook een aantal van zijn collega’s op dat Cools meer een zanger was, een vertolker van de teksten van anderen, want Miel schreef die teksten nooit zelf. Zijn belcanto-uithalen hier en daar werden niet zo gewaardeerd. Un chanteur à voix was niet zo gewenst in dat kleinkunstmilieu, een beetje not done. Miel kreeg vooral kritiek van journalisten als Johan Anthierens en Piet Piryns die in een column voor “Humo” schreef “Alleen al bij het horen van de naam Miel Cools krijg ik een fysieke walging!” Tijdens ons interview kan Miel er nu wel om lachen, maar toen niet, vooral omdat hij voor Piet, die de bezieler en oprichter was van de cabaretgroep “Rommelpot”, vaak gratis had opgetreden. Het voelde aan als een verbaal mes in de rug. Wel geeft Miel in onze babbel toe dat hij in het begin wat behaagziek was, het publiek maar al te graag aan zijn kant kreeg, niet tegen de schenen wou schoppen. Succes sprak hem wel aan. Dat Miel vooral zijn aandacht toespitste op de melodie had alles en nog wat te maken methet feit dat hij in die jaren muziek schreef op teksten van anderen. Dat melodieuze zat er nu eenmaal in, gevoed ook door zijn klassieke zangopleiding.

In 1963 verschijnt er op het Fama-label de ep “Ik dans op een koord”, vier liedjes op tekst van Filip Van Bogaert. Filip zal de jaren Miel teksten blijven aanreiken. Een jaar later is er op het Eufoda-label de langspeler “10 suyverlycke minneliedekens”, tien liedjes die hij brengt samen met Frida Goethals: Schoon lief, Och Elsje, Te Haarlem in den Houte, Daar was laatst een meisje loos

Filosoferen deed Cools graag, vaak met zijn tekstleveranciers onder wie dichter en tekstschrijver Bert Broes. Met hem praatte Miel vaan over de eeuwige liefde, hypocrisie. In het begin was de tekst er altijd eerst en dan begon Miel de melodie te kneden. Met Bert schreef Cools een van zijn klassiekers Boer Bavo waarvoor hij zich baseerde op de stijl van de chansons van Georges Brassens. Intussen was Rocco Granata begonnen met een eigen platenlabel, Cardinal Records. Hij had een speciaal oor voor kleinkunsttalent van bij ons: De Elegasten, Will Ferdy én Miel Cools. In 1965 is er het album ” Miel Cools” met in het totaal twaalf liedjes met als uitschieters De vlinder en Boer Bavo. Dat laatste verscheen eveneens op single, gekoppeld aan Vredesduif. Nadien verhuist Miel naar platenfirma Vogue. Hier verschijnt in 1968 de langspeler ” Miel Cools”, een verzamelaar eigenlijk  met veertien liedjes waaronder De troubadours, Mandarina, De soldaat, De nar en Mirabella.

Een jaar later is er de elpee “Liedjes voor twintig eeuwen” deze keer op het Philips-label in een productie van Rob Touber. Miel mag zich uitleven in twaalf liedjes, onder meer Voor mijn zoon, Kermis met Breughel, De vrienden, Dodenmaal en De zeven zwanen. De zeven zwanen, (staan symbool voor de idealisten in deze wereld) schreef Miel op een tekst van Bert Broes, waarbij Miel de idee kreeg de melodie te schrijven in een wat middeleeuwse dansante stijl. Je kan het net zo goed op een luit spelen. Samen met de Christelijke Mutualiteiten trok Miel met zijn vier kinderen (Annemie, Veerle, Inge en Bert) en zijn echtgenote tijdens de zomervakanties naar Zwitserland. Als compensatie trad hij daar dan vaak op. Zij huisden daar op een appartementje waar Miel op het toilet met een tekst van Bert Broes in zijn hand de melodie schreef voor Er was een tijd. Miel was al een tijdje geïnspireerd, maar het deuntje kwam pas daar op die Zwitserse wc-pot tot stand.  Door de jaren heen is de basismelodie dezelfde gebleven, maar is Miel het qua begeleiding toch ietsje anders gaan spelen, ook trager en lager.  Dit is zo’n schoolvoorbeeld van een liedje dat door de jaren heen een andere gestalte kreeg, dat rijpte naarmate de tijd verstreek en Miel het almaar vaker ging zingen. Tijdens zijn concerten kroop Miel ook helemaal weg in dit liedje en sloot hij tijdens het zingen ook vaker de ogen. Na al die jaren werd het een liedje dat op zichzelf staat. Voor het publiek was dit de echte Miel Cools, de spirituele man. Daarom niet gelovig, maar wel op de kracht van de kosmos gericht.

In 1967 richt Miel samen met Bert Broes een eigen platenmaatschappij op, Kalliope. Hij geloofde rotsvast in de toekomst van de kleinkunst en trok jong talent aan als De Vaganten, Luk Saffloer en Wim De Craene. Op dat label brengt Saffloer een gelijknamige elpee uit met daarop liedjes als De regenmaker, Eva, Vandaag of morgen en De zee. Hij stond ook aan de wieg van het blad “Troubadour”. Het maandblad was een initiatief van Miel Cools, Louis Verbeeck, Jaak Dreesen, Herman Hens en Bert Broes. Het eerste nummer verscheen in januari 1968. De opzet was een maandblad voor de kleinkunstenaars van deze eeuw: de cabaretiers, de folksingers, de chansonniers, de cartoonisten, de schuinschrijvers, uitgegeven in zwart-wit, met bruin als steunkleur en qua vorm geïnspireerd op het folkblad “Sing Out!” Met Jaak Dreesen vormde Paul Poelmans de eindredactie: “We werkten met kleinkunst- en folkliefhebbers en journalisten van eigen bodem, maar we trokken ook buitenlandse correspondenten aan: Gerard O’Grady in Dublin, Jan Paul Bresser, Ernst van Altena en Toon van Severen in Nederland, Martin Degenhardt in Duitsland… Redactioneel zat het goed. Maar aan advertenties geraakten we niet. Die werden eigenlijk ook niet actief geronseld. Het aantal abonnees steeg onvoldoende, ik schat die vrijwel onveranderlijk op een 800-tal. Troubadour bleef de schulden opstapelen en die werden gedelgd met het geld van de oprichters“. In juli 1971 verscheen de laatste “Troubadour”. Het was een dubbelnummer, met een extra bijlage die helemaal aan het toenmalige “Humorfestival” van Heist was gewijd. Die bijlage zat behoorlijk vol met advertenties. “Alleen jammer dat we die pas in het laatste nummer te pakken kregen“, merkten Poelmans en Cools op. Miel geeft tijdens ons interview toe dat het te hoog gegrepen was, te weinig gericht op de massa. Hij vond dat ze er te veel energie en tijd in staken: fraaie illustraties, mooie tekeningen, teksten geschreven door correspondenten uit Engeland, Frankrijk en Amerika.

Op een bepaald moment vertelt Miel in ons interview dat de grootste fout die hij onderweg gemaakt heeft, was toen hij besliste de parochiezalen vaarwel te zeggen en alleen nog te gaan optreden in culturele centra. Die schoten op het einde van de jaren zestig en aan het begin van de jaren zeventig in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond. Elke gemeente had haar eigen centrum. Miel dacht dat daar in de schouwburgen talent van eigen bodem aan bod zou komen, maar keek zeer verrast op toen talent en grote theaterproducties uit het buitenland vaak voorrang genoten. Hij had de indruk dat talent van bij ons beperkt zou blijven tot de parochiezaal en stapte over naar het cultureel centrum. Cools kreeg vanwege de theaterdirecties te horen dat hij daar niet thuishoorde. Hij bracht geen decor met zich mee, had geen lichtshow, hij voerde toch niet echt iets op. Het was toch maar gewoon zingen in een sobere setting wat hij deed.

Bert Broes stimuleert Miel zijn liedjes ook een kans te gunnen bij onze oosterburen en vertaalt voor hem Die sieben Schwäne, Bauer Bavo enz… Miel kwam terecht bij uitgeverij Damokles Verlag in Hamburg. Een van hun medewerkers, Heinz Riedl, zou Miel begeleiden en coachen. Zes maanden lang trad Miel daar op voor een enthousiast publiek. Hij genoot daar veel respect: een Vlaming die auf Deutsch singt. Hij trad ooit op in Bremen en toen zat in zijn voorprogramma de later bekend geworden Reinhard Mey. Heinz krijgt keelkanker en sterf een halfjaar later. Miel was zijn  ruggensteun kwijt en keert terug naar Vlaanderen. Hier voelt hij duidelijk aan dat er een soort metaalmoeheid was opgetreden. Hij was op Vlaanderen uitgekeken en Vlaanderen op hem en dat voelde Miel sterk aan. Tijdens het “Humorfestival van Heist” ontmoet hij Henk Noy, de pr-verantwoordelijke van de Schouwburg van Eindhoven. Die man zat met de handen in het haar, want Liesbeth List zou het herfstseizoen openen, maar had intussen afgehaakt. Of Miel de honneurs niet wil waarnemen?  Dat optreden is een succes en er wordt gelijk een Nederlands vervolg aan gebreid. Het jaar dat volgt mag Miel méér dan honderd optredens in Nederland in zijn agenda noteren. Henk is intussen Miels impresario geworden. Vervolgens tekent Miel een contract bij het impresariaat “Lumen” in Hiulversum. Tien jaar na mekaar zal Miel tweederde van zijd tijd bij onze noorderburen optreden. Hun accent maakt hij zich zelfs eigen. Hij gaat tussendoor samenwerken met tekstschrijvers als Ed Leeflang, Willem Wilmink en Ernst van Altena. Zo is er in 1971 op zijn eigen Kalliope-label, dat hij intussen had opgericht, het album “Miel Cools zingt Ernst van Altena” met daarop liedjes als Tepelbinkie, Vader, Een nieuw hooglied en Het groot gelijk. Een jaar later brengt hij het album “Nachten dat de spin niet spint” uit. Miel laat zich begeleiden door percussionist Johnny Engels, cellist Guido Schiffer, basgitarist Jacques Schols en klavecinist Jan Theelen, die tevens de productie in handen neemt. Op dit album prijken liedjes als De duiven, Het land der blinden, Uilenspiegel, Janna Janokke en De ballade van de vrouwenjager.

In 1979 is Cools zo goed als back in town en gaat Vlaanderen massaal door de knieën voor zijn klassieker Houden van: houden van, houden van, ‘t is vaak niet bijzonder, ‘t is vaak niet zo’n wonder, maar geen mens die zonder kan. Houden van, houden van, ‘t is weinig poëtisch, ‘t is weinig profetisch, maar geen mens die zonder kan.” Houden van schreef Miel op een tekst van Jaak Dreesen. De invalshoek is dat mensen niet alleen kunnen leven, we hebben elkaar nodig, zeker in de liefde. In dit lied valt op dat Miel het heeft over de kleine dingen die het leven vaak mooi maken. Toen Miel de melodie klaar had, wist hij meteen dat het liedje zou aanslaan: het ligt gemakkelijk in het gehoor en is gemakkelijk om mee te zingen. Miel zong het voor de eerste keer live in het Cultureel Centrum van ‘s-Gravenvoeren en hij voelde meteen de vonk die oversloeg tussen hem en het publiek. Een meezinger was geboren! Miel zette het op plaat in een productie van Jan Theelen. Het was Jos Ghysen, een persoonlijke vriend van Miel, die het in zijn programma “Te Bed of Niet Te Bed” zo goed als grijs ging draaien. De band met Vlaanderen was hersteld en de heimatliebe kon weer openbloeien. Voor Radio 2 omroep Limburg maakt hij in 1979 het programma ” Er trilt een snaar”. Op het Philips-label (er bestaat ook een versie op het Kalliope-label) is er dat jaar de langspeler “Houden van”, met naast deze Coolsklassieker nummers als Twee koningskinderen, Antibiotica, De muzikanten, Milady en Het treintje.

Ook al heeft Miel de wind in de zeilen, toch gaf hij in die tijd eerlijk toe dat de Vlaamse pers hem onheus had behandeld en dat die pijn maar moeilijk overging, ondanks dat hernieuwd succes. Hij voelde zich vooral moreel kapotgemaakt. Hij blijft troost vinden in een tekst die Ernst van Altena hem in 1971 had aangereikt voor het lied Het grootste gelijkWant het grootste gelijk is een bodemloos water. Het grootste gelijk is een brekende kruik. Het grootste gelijk is een kermende kater. Jouw grootste gelijk is een mes in jouw buik“. In dit lied zingt Miel die kwetsuur van zich af. Het zingen was zijn manier om te herstellen, te genezen.

In die tijd blijft hij afwisselend in Vlaanderen en Nederland optreden, in alle eenvoud: hij, zijn gitaar, zijn kruk en zijn verhalen. Zijn repertoire mogen we op dat moment omschrijven als poëtisch, ondeugend, vrolijk, weemoedig, en net zoals bij een van zijn idolen Toon Hermans, niet kwetsend. De wereld een geweten schoppen, is nooit zijn bedoeling geweest.

Op het Philips-label is er in 1983 het album “Morgen”, met daarop het erg gewaardeerde en vaak gedraaide De vrienden van vroeger, Wiegeliedje, Herfstlied voor een dode vriend, Een kamer in Holland en Blauwe regen.

Naast het zingen, en vooral na het zingen, genoot Miel volop van een glas wijn. Hij legt het eenvoudig uit: “Ik trad vaak op in parochiezalen en na die optredens trok meneer pastoor met graagte een fles wijn open en genoten we nog wat na!” Dat genieten werd almaar meer een passie. Toen zijn Nederlandse impresario Jaap Koopman er in 1985 mee ophield, kreeg Miel almaar meer ruimte om zijn agenda anders in te vullen. De kleinkunst had intussen ook aan populariteit ingeboet. Alleen maar zingen in Vlaanderen en ervan leven, bleek iets te mager, iets te dun.  Miel begint in de Kapelhofstraat in Sint-Lambrechts-Herk een eigen wijnzaak, een bodega. En dat wordt hard werken. Wanneer de optredens weer frequenter worden, laat Miel zijn wijnzaak over aan zijn zoon Bert die de kennis van zijn vader benut om wijnhandel “De Wingerd” uit te bouwen tot een gewaardeerde zaak met de intentie twee generaties wijnkennis door te geven en op die manier probeert hij de wijnliefhebber naar de juiste wijnkeuze te begeleiden.

Zijn liefde voor zijn geboortegrond bezingt Miel in Herk-de-Stad, een lied dat in 1986 aanbelandt op het album “Met gemengde gevoelens” waarvan we vooral onthouden Marieke, Ga nu slapen, Het ideale paar en Idioot? Zijn platenlabel Philips vindt dat jaar ook geschikt om Miel Cools te verzamelen op de cd/lp “Van Marieke en Boer Bavo”, twintig bekende nummers, waarvan ongeveer de helft liveversies. Het Eufoda-label wil ook een graantje meepikken van het hernieuwd succes en lanceert datzelfde jaar de plaat ” Er was een tijd” met daarop Boer Bavo, De vrienden, De troubadours, De nar... Dit album zal in 2004 opnieuw worden uitgebracht. In 1990 wordt een haast eeuwige vriendschap bezegeld. Miel had de voorbije decennia vaak opgetreden met Louis Verbeeck. Het album “Lodewijk de Beduimelde, Miel Cools zingt Louis Verbeeck” lag een beetje voor de hand. Vanuit de coulissen, want ze traden vaak samen op, had Miel Louis goed in de gaten gehouden en naar zijn liedjes geluisterd, want dat deed Louis ook, zij het op zijn geheel eigen manier, zingen. Het was Raf Deckers die de teksten van Louis vakkundig van muziek voorzag. In zijn achterhoofd bedacht Miel toen al hoe die liedjes zouden klinken, mocht hij ze eens zingen. Voordien had Miel al aardig wat teksten van Louis op muziek gezet en ingeblikt. Nu wou hij op dit album zijn stem lenen aan echte Verbeeck-liedjes, die door zijn aanpak een beetje vercoolst worden. In het bijbehorende boekje bij de cd lezen we: “Dit is het leuke van liedjes, dat ze voor interpretatie vatbaar zijn, dat elke zanger of acteur er zijn eigen kleur aan kan geven. Tegelijk is het waarschijnlijk niet onaardig dat op die manier die liedjes bewaard blijven.” De plaat werd in klankstudio “Steurbaut” in Gent ingeblikt. De liedjes werden gearrangeerd door Robert Groslot die ook de artistieke leiding voor zijn rekening nam.

Haast onverwacht is er in 1999 de cd “Niet Bang Zijn”, veertien fonkelnieuwe songs. Zijn algemene boodschap luidt: durf te leven! Aan journalist Raymond de Condé vertelt Miel in “Het Belang van Limburg”: “Ik heb die titel gekozen omdat we in een tijd leven die voor veel mensen bangelijk is. We leven in een enorme welvaartsmaatschappij, maar van de andere kant worden we eenzamer en eenzamer. De wet van de liefde is moeten wijken voor de wet van de cijfers, we leven ook meer en meer naast mekaar door, veel mensen hebben een onzeker gevoel, ze fluiten in het donker van de schrik. Rond die thema’s heb ik een aantal liedjes gemaakt”. Zingen in de studio is voor hem nog altijd een vreemde ervaring. “Op zulke momenten heb ik echt last van faalangst. Het gevoel dat je geen foutje mag maken, maakt mij zenuwachtig. Ik heb mensen nodig die voor mij zitten en luisteren.” Dat is ook de reden waarom zijn platen altijd bijzaak zijn geweest. Het was vooral in de zaal dat het gebeurde. Dit keer besteedde Cools veel aandacht aan de muzikale aankleding. Het album wordt opgenomen in Studio Crescendo te Genk Pino Guarraci is de technicus en producer van dienst. Michel Pieters neemt de arrangementen voor zijn rekening. Miel krijgt muzikale bijstand van onder meer Karel Ooms, Lieven Venken, Kurt Theunissen, Chen John-Li en Hsiao Ya-Hsing. De cd wordt verdeeld door Davidsfonds/Eufoda. Een uitschieter op het album is Mijn zoon, een weemoedig liedje waarin Miel niet zonder schuldgevoel vaststelt dat hij een betere vader had kunnen zijn. Aan diezelfde zoon had hij intussen zijn wijnzaak “De Wingerd” overgelaten. In ons interview zei Miel over zijn cd “Niet bang zijn”: “De feiten van vroeger waarover ik schrijf, blijven dezelfde, maar ik bekijk ze anders. Mijn denkproces is echter door de jaren heen geëvolueerd. Het ligt daardoor een beetje voor de hand dat ik altijd over hetzelfde zing, want er is niets anders. Mensen worden nu eenmaal geboren, groeien op, worden verliefd, huwen, krijgen kinderen, sterven. Verliefdheid maakt plaats voor liefde, een soort gewenning aan elkaar, elkaar verdragen binnen een relatie, daar komt het vaak op neer.”

Op de vraag welke zijn lievelingsliedjes uit zijn totale oeuvre zijn, antwoordt Miel ietwat ontwijkend, omdat het antwoord afhangt van de mood waarin hij op dat moment verkeert. Al geeft hij toe dat hij een song als De duiven altijd even graag zingt, een nummer waarin hij toegeeft dat wij mensen halfgoden nodig hebben, vandaar dat we zo graag standbeelden oprichten. Duiven poepen daarop en that’s it. Wij moeten mensen kunnen idoleren, zo zitten we nu eenmaal in mekaar. Zijn afkeer voor dergelijke verafgoding heeft Miel in dit liedje kunnen uiten.  Dit liedje zit heel diep in hem verankerd, geeft hij ruiterlijk toe. “Ze paren op de Willems, de duiven van het land, op schouders van de Willems en op hun rechterhand. Ze vrijen op de oren van Bonapartes hoofd alsof hij geen miljoenen van hun jongen had beroofd, op Franco en op Bismarck- eens dik met bloed bespat -nu liefelijk blank gescheten.” Ook het liedje Twee koningskinderen ligt hem na aan het hart. Twee tieners die voor de eerste keer willen vrijen en het lukt niet en dan beginnen te huilen. “Het waren twee koningskinderen, haar borsten die kwamen maar pas en hij nerveus van z’n liefde, want zag hij haar moest ie een plas. Ze kusten elkaar in de parkjes, een waagstuk was ieder gebaar, dan keken ze weer in de schemer, met herfstbladeren in hun haar.” Miel houdt van meerdere liedjes, net zoals hij van meerdere mensen houdt en van meerdere wijnen kan genieten. Ons tot een bepaalde keuze beperken, kan erg determinerend zijn. We moeten leren houden van alles en iedereen. Dat behoort een beetje tot Miels filosofie. We kunnen elkaar dan wel de huid vol schelden of iemand een etter vinden, maar uiteindelijk moeten we naastenliefde tonen, een soort barmhartigheid, een soort alles overstijgende liefde, vooral naar mensen toe. Vandaar zijn afkeer voor oorlog voeren, elke vorm van gesprek vermijden. Het tekort aan goodwill om geschillen op een andere manier op te lossen dan door te vechten met elkaar. Hij werd op deze mening vaak afgerekend en omschreven als Cools de naïeveling, maar die houding vindt Miel nou net een pluspunt, want door naïviteit sterven immers geen mensen.

Een tijd later wordt Miel op een ochtend, na een drukke kerstperiode, in zijn bed getroffen door een hartinfarct. Na zacht aandringen van zijn zoon laat Miel zich in het ziekenhuis opnemen. Op een bepaald moment glijdt hij daar, liggend op een bed, helemaal weg. Op een zeer serene manier vertelt hij ons tijdens ons gesprek over dat moment, over zijn bijna-doodervaring, die hij zonder schroom met ons wil delen: “Doodgaan doet geen pijn, de dood an sich bestaat niet, je glijdt gewoon over in een andere vorm van bewustzijn, je stijgt naar een ander niveau. Het begrip tijd valt weg, alles wat aan dat moment voorafging in het leven vat je in één blik“. Ook al is Miel een man die nooit om woorden verlegen zit om toestanden en gevoelens te omschrijven, deze ervaring was voor hem te geweldig om ze in woorden te gieten. Voor Miel niet meteen een religieuze ervaring, hij durft het zelfs een biologisch proces te noemen, een natuurlijk iets? Hij zegt zelfs met klem: “Ik twijfel er niet meer aan, ik ben er honderd procent zeker van dat die andere bewustzijnservaring bestaat. Er is leven na de dood! Als je sterft neem je je geest mee, de rest laat je achter.” En plots sprak de dokter van dienst hem aan en wist Miel dat hij een hartinfarct had overleefd en op de intensivecareafdeling was aanbeland.

Miel was tijdens zijn carrière af en toe een beetje een globetrotter, reizen zat hem in het bloed. Voor de Nederlandse regering ging hij een maand naar Indonesië, trad in opdracht van de Belgische regering op in Noord-Amerika en tweemaal in Congo. Voor “Vlamingen in de Wereld” reisde hij tweemaal naar Zuiid-Amerika en Canada en zong hij tweemaal in Zuid-Afrika.

De tiende oktober 2004 wordt in het “Cultureel Centrum” van Hasselt Miel in de bloemen gezet omdat hij inmiddels al ruim vijftig jaar op de planken staat. In dat centrum schitterde Cools jaren voordien door zijn medewerking aan de Hasseltse revues. Met “Doa ziet wir kèrremes ènne loch” in september 1978 namen hij, Jos Ghysen en Louis Verbeeck de draad van de Hasseltse revueschrijver Jules Klock weer op. Goed voor zestienduizend toeschouwers oftewel twintig opvoeringen. Twee jaar later was het opnieuw raak met “Rappl.eer dzj’oech nog?” Na de derde revue “n Stad bè ‘n chapeau-buse” ter gelegenheid van zevenhonderdvijftig jaar Stad Hasselt in 1982, vonden tekstschrijver Ghysen, liedjestekstschrijver Verbeeck en componist Cools het welletjes.

De eenentwintigste mei 2007 brengt Miel Cools op het Plansjee-label zijn laatste album uit “D’er was toch nog iets” dat hij inblikt samen met een hele rist bekende muzikanten zoals Ivan Smeulders, Jokke Schreurs, Katelijne Onsla, Paul Bessemans, Sylvie Baggara en Werner Lauscher. Samen met accordeonist Ivan Smeulders en gitarist Jokke Schreurs trekt Miel op tournee en brengt, naast zijn evergreens, nieuwe liedjes als De andere vrouwen, Het bankje in ‘t groen, Saint-Emilion, Omdat ik van je hou en Heerom Pieter.  Hijzelf schrijft in het bijbehorende boekje: “Tijdens de rit naar huis, na een optreden, achter twee koplampen, vraag ik me af hoe het allemaal begonnen is. Waarom is het in mijn leven zo gelopen? Ik had toch ook iets anders kunnen doen. Een regelmatig leven zonder risico. Om vijf uur afgewerkt en om zeven uur televisiekijken met een glaasje bier of wijn. Maar nee, ik moest in de spots gaan staan om aan de mensen te vertellen hoe mooi het kan zijn en hoe fel het kan tegenvallen. Wie ben ik om dat te verkondigen? Maar ik ben er niet rouwig om, integendeel! Het moest zo zijn, het lag op mijn weg en het bloed kruipt… je weet wel.”

Wanneer Miel tweeënzeventig is geworden, vindt hij het stilaan welletjes. Hij wil het wat rustiger aan doen, vooral op doktersadvies. Nog enkele keren per maand wil hij nog wel optreden. Door een onoplettendheid valt hij in 2008 tijdens een vakantie in Duitsland van de trap en belandt in een diepe coma. Zes weken later ontwaakt hij, maar stelt vast dat optreden er niet meer in zit. “Het is gedaan” zegt hijzelf. Cools heeft er dan net een carrière van vijfenvijftig jaar op zitten.

Zondag de achtentwintigste augustus 2011 presenteerde Miel, omringd door tal van zijn vrienden en kennissen, met de nodige trots zijn boek “Miel Cools, mijn mooiste liedjes, zoals ik ze zong met mijn gitaar”. Miel selecteerde voor dit liedboek zijn mooiste liedjes, eenenveertig in het totaal. Hierbij natuurlijk klassiekers als Boer Bavo, De soldaat, De troubadours en Houden van, liedjes die reeds tot ons collectief geheugen behoren, maar ook minder bekende en gekende pareltjes op knappe teksten van Ed Leeflang, Jaak Dreesen, Walter Evenepoel, Bert Broes, Mieke Melgers, Ernst van Altena, Louis Verbeeck en van hemzelf. Opdat anderen zijn liedjes zouden kunnen spelen, schreef hij al de partituren en liedteksten op zoals hij ze zelf speelde met zijn gitaar. Hij deed dit met de hand, een monnikenwerk waaraan hij maanden met veel enthousiasme gewerkt heeft. Het boek is dus veel meer dan een handig liedboek. Het is een heel persoonlijk en bijzonder document geworden. Dat boek was de aanleiding voor een aantal artiesten om liedjes hieruit te kiezen en een hommage te brengen tijdens de boekvoorstelling. Het concert genoot zoveel bijval dat men besloot om hiermee door te gaan. Miel kon omwille van gezondheidsredenen helaas zelf geen gitaar meer spelen. Maar voor deze voorstelling was hij bereid gevonden om bij elk lied zijn verhaal te doen. Hij en zijn publiek mochten niet alleen genieten van zijn liedjes, maar ook van het talent van  Amaryllis Temmerman, Berlaen, Rosbos en De Vaganten die elk optraden in hun geheel eigen stijl.

 

De eerste juni 2013 sterft Miel op 78-jarige leeftijd aan de gevolgen van een slepende ziekte. Hij wordt de achtste juni in de Sint-Quintinuskathedraal in Hasselt begraven. De plechtigheid werd op verzoek van de familie door collega-zangeres Sabien Tiels opgeluisterd. “Met het overlijden van Miel Cools heeft Vlaanderen een van de boegbeelden van de Vlaamse kleinkunst verloren“, zei minister van Cultuur Joke Schauvliege (CD&V) in een reactie. “Het hoogtepunt van Cool’s succes lag in de jaren zestig en zeventig. Zijn liedjes Boer Bavo, Er was een tijd, De Soldaat, Houden van en De troubadours zijn onvervalste pareltjes“, aldus Schauvliege.” “Het is in die voetsporen van de ware troubadour dat Miel Cools zich een weg baande door de geschiedenis van het Vlaamse chanson. Meestal solo, met zijn klassieke gitaar, rondtrekkend als een bard, zonder pretentie en ademend op klank.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet