Philippe Robrecht

Geplaatst in Artiesten

In zijn boek “Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz” omschrijft Manu Adriaens duidelijk de bedoeling van Philippe Robrecht. “Bart Van den Bossche, Philippe Robrecht en Bart Herman traden dan wel af en toe op in ‘Tien om te Zien’, maar timmerden toch vooral aan een carrière op lange termijn.” Tegen deze achtergrond horen wij het verhaal van Philippe dan ook te vertellen. Of hij in zijn opzet geslaagd is, zal de komende alinea’s blijken.

Philippe werd de tweede januari 1966 als Philippe Robberecht in Zele geboren als jongste kind in een gezin van drie. Hij heeft nog twee oudere zussen. Philippe komt niet uit een muzikaal gezin. Vader, gediplomeerd ingenieur, had het druk met zijn beroep als verzekeringsmakelaar. “Ik kom niet, zoals sommigen, uit een muzikaal nest. Pa speelde tijdens zijn jeugdjaren in de plaatselijke harmonie, maar had verder geen muzikale ambities. Thuis werd er ook niet over muziek of zo gepraat. De radio stond wel aan en af en toe werd er al eens een plaat gekocht. Maar ik had geen fanatieke oudere zussen die me hun idolen of zo hebben leren kennen of hun favoriete liedjes. Ik hoor vaak van mijn collega’s dat ze van thuis uit via een oudere broer of zus veel over muziek hebben opgestoken. Maar in mijn geval was dat niet zo. Ik herinner me wel dat ik thuis regelmatig op de pick-up het nummer In the Summertime van Mungo Jerry hoorde. Mijn moeder had dat op een zondag ergens gekocht. Maar als ik er nu op terugkijk, was de aankoop van vinyl beperkt tot mondjesmaat“, aldus Philippe Robrecht.

Philippe liep school in Zele. “Ik ben daar gebleven tot mijn ouders naar Lokeren zijn verhuisd. Mijn zussen woonden toen al niet meer bij ons in. Ik was dus het enige kind dat meeverhuisde en heb daar in Lokeren dan ook alles meegemaakt. Dat was mijn biotoop. Ik liep daar school, ik had daar mijn vrienden, ik speelde daar in de buurt voetbal enzovoort.” In Lokeren komt Philippe voor zijn hogere middelbare studies terecht in de afdeling Latijn-wetenschappen aan het Sint-Lodewijkscollege. “Ik moet zeggen dat het op het vlak van studeren meeviel. Zeker tot en met de lagere graad zette ik me erg in, ik werkte er hard voor. Dat had als gevolg dat ik daar in de hogere graad wat voordeel uit kon puren, ik hoefde nooit te panikeren wat mijn punten betrof. Geen herexamens of zo, ik heb die weg zonder veel hindernissen kunnen afleggen.

Na mijn middelbare studies was de eerste reflex die ik had mij met muziek bezighouden. In die tijd waren newwavegroepen drukdoende. Die muzikanten hadden hun eigen studio’s, waren van opleiding vaak ingenieur en dat zag ik ook wel zitten. Industrieel ingenieur worden was mijn eerste doel. Maar binnen enkele maanden had ik door dat die cijfers en die cursussen niet mijn ding waren. Eigenlijk had ik dat al moeten weten na mijn opleiding Latijn-wetenschappen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik toen op mijn zeventiende qua studiekeuze een naïeve keuze heb gemaakt. Ik ben even gaan zitten, heb diep nagedacht en ben toen een algemene pedagogische opleiding gaan volgen, met name die van onderwijzer. Ik heb mijn diploma vlot behaald en ben dadelijk in het bijzonder onderwijs beland. Niet toevallig, maar ik heb daar bewust voor gekozen. Vooral kinderen met gedragsmoeilijkheden en in het bijzonder autistische kinderen houden me sindsdien jaar en dag bezig. Die kinderen voorthelpen, daar haal ik mijn allergrootste voldoening uit.” Niettegenstaande zijn zangcarrière is Philippe deze roeping al die tijd trouw gebleven. “Ik ben erg blij dat ik, ondanks mijn zangcarrière, binnen dat domein van het onderwijs mijn draai heb gevonden, dat ik daar een groot deel van m’n ei kwijt kan. En dat ik me vooral op dat terrein heb kunnen bekwamen. Ik ben immers niet het soort leraar dat kickt op een hoog klasgemiddelde. Ik voel me eerder gelukkig wanneer ik leerlingen met problemen over de schreef kan trekken en achteraf kan zeggen dat ik mijn steentje daartoe heb bijgedragen. Die begeleiding is meebepalend voor de verdere toekomst van die jonge mensen en voor mij persoonlijk een voedingsbodem voor mijn graad van voldoening.

De basis voor zijn zangcarrière werd al op zijn twaalfde gelegd en zeker twee jaar later, toen hij zijn eerste gitaar kocht en zijn eerste eigen liedjes tokkelde. Maar de juiste piste om door te stoten naar het conservatorium om daar een degelijke muzikale opleiding te genieten, ontbrak compleet. Achteraf heeft Philippe daar geen spijt van, want hij houdt nog steeds zielsveel van de combinatie van het lesgeven en muziek maken, naast zijn dagelijks bestaan met zijn gezin en zijn job. “Ik heb ooit mensen volledig zien gaan voor die muziek, een bewuste keuze weliswaar, maar zij moesten krampachtige stunts uithalen om toch maar te overleven. Ik ben blij met de keuze die ik toen gemaakt heb. Op een ontspannen manier met mijn gezin omgaan. Af en toe op reis gaan en op een geheel vrijblijvende manier muziek spelen.”

Op jonge leeftijd speelt hij bij de groep Selfservice. “Met hen speelden we stokoude sixtiescovers. De roots van zovele muzikanten. Bijna simultaan begonnen we met het groepje Guilt. Totaal andere koek, want hier speelden wij uitsluitend eigen werk en waren we fier dat wij in het voorprogramma van onder anderen Johan Verminnen en 2 Belgen mochten optreden. De affiches waarop onze naam als zestienjarigen prijkt, koester ik nog steeds. Zo traden we tweemaal op tijdens de ‘Lokerse Feesten’.” De groep valt wat later uiteen omdat enkele leden willen voortstuderen. Dus gaat Philippe op eigen houtje verder. “Een deel van de leden ging niet voor het volle pond voor de muziek. Bij mij was dat wel het geval. Zij gingen bijvoorbeeld andere oorden opzoeken en voortstuderen. Ik ging me meer bezighouden met het inblikken van liedjes, me interesseren voor de technische kant van dat inblikken enzovoort.” Philippe begint thuis op zijn achttiende aan het uitbouwen van een geluidsstudio waar hij naast microfoons en mengpanelen ook een synthesizer installeert en op die manier tijdens zijn opleiding van onderwijzer toch kan blijven liedjes schrijven en musiceren. Hij gaat ook stilaan met zijn gitaar optreden. Dan zingt hij eigen interpretaties en bewerkingen van bekende songs van Tom Waits, Sting, Nick Cave en Billy Joel. Songs geschreven door echte singer-songwriters. “Ik nam die liedjes en probeerde daar een eigen touch aan te geven. Ik kneedde ze een beetje naar mijn eigen goesting. Waar het enigszins kon, ging ik mezelf ook aan de piano begeleiden. Ik liet me daarbij inspireren door pianist-zanger Norbert Detaeye (trad vaak op met The Jeggpap New Orleans Jazz Band), al zal de gitaar door de jaren heen almaar meer mijn voorkeur wegdragen.

Philippe trekt van huis weg en gaat in een piepklein huisje aan de Durme, een zijrivier van de Schelde, in Lokeren wonen. Hij woont daar alleen met om zich heen het gezelschap van enkele schapen, een bokje, een hond en een stel kakelende kippen.

Dat huisje werkte zeer inspirerend. Philippe wil dolgraag een plaat opnemen en merkt aan de hand van zijn demo’s dat hij in 1991 genoeg materiaal heeft voor een ganse cd. De plaatselijke visboer heeft weet van Philippes plannen en tipt op zekere dag manager Roland Beirnaert, die meteen in hem gelooft en hem motiveert met zijn liedjes naar buiten te treden. Met zijn digitale cassette stappen zij naar BMG/RCA en die happen toe. Zij beloven Philippe een budget van anderhalf miljoen oude Belgische frank, een budget waar tegenwoordig een beginnend artiest alleen maar van kan dromen. Er wordt in 1992 beslist in de “Galaxy Studio” in Mol op te nemen, onder het toeziend oog van Wilfried Van Baelen. Als eerste single wordt gekozen voor Aan de overkant. “Ik schreef dat in mijn huisje aan de Durme. Piepklein, vijf meter bij vier. Twee verdiepingen, niet hoger. Ik had een hond in m’n buurt en buiten schaapjes, geiten, een bok, wat kippen en een kalkoen. De rode draad in het nummer is dat het gras aan de overkant altijd groener is. Ik was zo creatief dat ik meteen een hele rist liedjes kon voorleggen, gelijk goed voor een volledig album.” Philippe laat zich tijdens de opnamen begeleiden door zijn eigen groep: drummer Dany De Coninck, bassist Patrick Bonne, gitarist Stef Huybrechts, saxofonist en extra toetsenist Dirk De Schoenmaker en toetsenist Frank Tomme. Producer Wilfried Van Baelen vindt dat zij voor een vijftal nummers zeker violen moeten inzetten. Niet alleen Magie, maar de ganse cd klinkt erg à la Alan Parsons zoals die in die tijd samen met zijn Alan Parsons Project klonk. Philippe wil die sfeer zo dicht mogelijk benaderen en met het budget waarover hij beschikt, moet dat wel lukken. Zonder blikken of blozen trekken zij naar Londen om daar samen met The London Symphony Orchestra de strijkerspartijen op te nemen. “Er waren een aantal nummers die dat aankonden, die extra ruggensteun. Die verdroegen dat ze door die orkestrale begeleiding breder gingen klinken. Die knipoog richting Alan Parsons was daar zeker op zijn plaats en werd ook door Wilfried goed aangevoeld. Joris Van den Hauwe heeft toen schitterend werk geleverd. De vioolpartijen prachtig uitgeschreven zodat het orkest de partituur gewoon moest inspelen. Sommigen trokken niet eens hun jas uit bij manier van spreken. Die klus daar in Londen was snel en vakkundig geklaard.” Als extra muzikanten wordt voor de opname van het album “Magie” ook een beroep gedaan op onder meer trompettist Jef Coolen, trombonist Leo Nuyts en percussionist Chris Lembrechts. Omdat Philippe niet meteen gedoodverfd wil worden als een Vlaamse hitleverancier, schrijft hij bewust het nummer Zonder jou, dat als tweede single wordt gereleaset, maar zonder enige respons in de Vlaamse Top Tien. “Ik wou een nummer met ballen zoals dat heet. Ik meen nog goed te weten dat ik dat op mijn gitaar componeerde. Het la- en het re-akkoord speelden qua basis een grote rol toen ik het nummer schreef. Ook de frasering daarrond maakte dat ik snel doorhad welke kant ik met die song uit moest. Ik voelde meteen aan de ik geen diepgravende tekst hoorde te schrijven, minder diep dan toch dan sommige andere op die plaat. Ik zat toen wel al met de angst fout geprofileerd te worden. Ik wilde niet doorgaan voor een soort doordeweekse Vlaamse zanger. Ik wou me etaleren als iemand die samen met zijn ploeg authentiek werk afleverde. Toewerken naar een album, dat ook zo inblikken en dat dan ook live gaan spelen.”

Robrecht schrijft een streepje Vlaamse muziekgeschiedenis door in 1993 de titelsong van zijn album Magie op single uit te brengen. Deze song draagt niet de meisjesnaam zoals sommigen onterecht denken, maar gaat over de betovering, de magie waarin je verkeert wanneer je verliefd op iemand bent. “Ik schreef dat in mijn voormalig kolenhok waar ik intussen een studiootje op poten had gezet, gezeten aan mijn Rhodes-piano. De beat, het steeds terugkerende ritme, de akkoorden die door elkaar lopen, had ik van in het begin al in mijn hoofd en het krijgt in de song zelf overduidelijk de bovenhand. Ik wist van meet af aan ook dat de bridge en het refrein extra power nodig hadden en dat de drums een vooraanstaande rol zouden spelen.” De dertiende maart 1993 staat Philippe met dit nummer op drie in de Vlaamse Top Tien, de vierentwintigste april op achttien in de Top 30. Hij heeft daarmee de nodige verwachtingen ingelost en ook zijn eigen toekomst wat voorspeld. Ook “Tien om te Zien” ontdekt hem en gunt hem een derde plaats in hun wekelijkse erelijst. Als klap op de vuurpijl krijgt hij dat jaar de trofee van beste solodebuut tijdens Radio 2 “Zomerhit”. De programmamakers hebben intussen Magie gretig gedraaid en hun oor laten vallen op Vurige tongen, waarmee Philippe de twaalfde juni 1993 op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien belandt. In de Top 30 is het nummer goed voor plek zestien. “Ik merkte in het dagelijkse leven dat er om me heen veel werd gepraat, ook in mijn schoolomgeving. Zodra iemand de rug had gekeerd, werd er over hem of haar gepraat, niet altijd in de positieve zin.

Waar hij voor gevreesd had, gebeurt. Hij wordt voor een hitleverancier aangezien en dat is nou net datgene wat hij niet nastreeft. “Toen mij her en der die eer te beurt viel van prijzen in ontvangst te mogen nemen, ging ik angstvallig waken over mijn muzikale toekomst. Hoe raar dat ook mag klinken. Daarin was ik anders dan de doorsneerest. Sommigen noemen dat koppig zijn, maar ik bestempel dat liever als vastberaden. Mijn manier van verwerken is altijd hetzelfde gebleven, is nooit veranderd. Ik was toen een soort hype die in diverse situaties belandde. Zo’n Radio 2-trofee stemde me wel blij, ik was op dat moment ook fier en heb die prijs ook veilig opgeborgen, maar ik bleef zeker niet stilstaan. Ze moesten me wel niet vragen voor handtekeningensessies, een fanclub oprichten. Dat was niet mijn kopje thee.” Van het album “Magie” gaan er achttienduizend exemplaren over de toonbank.

Samen met zijn liveband, waar hij ontzettend trots op is, gaat hij in het najaar van 1993 op tournee tijdens “De Magische Theatertour”. “Dat was voor ons vanaf nul beginnen. We moesten het metier al spelend leren. Het is niet omdat je door een hit op een bepaald moment als een soort monument wordt bekeken, dat het live spelen je zomaar vlot afgaat. Ik had toen al voor ogen dat ik een 100% livecarrière wou opbouwen.” Zijn groep was zo hecht en zo goed op elkaar ingespeeld dat ze de sound van het album erg goed konden benaderen. “Dat was van in het begin ons opzet. Live moesten we kunnen neerzetten en waarmaken wat op ons album te horen was. Ik zeg het met de nodige trots: we hebben dat dan ook nadien altijd kunnen waarmaken.” In 1993 trad Philippe zo’n vijftig keer op voor televisie. Hij slaagt er tevens in de goegemeente diets te maken dat hij dus geen doordeweekse Vlaamse zanger is. Opdracht geslaagd! Samen met zijn groep werkte hij, net zoals The Beatles en The Rolling Stones dat deden, naar een album toe, onderweg songs schrijvend om die dan op het gepaste moment in de studio in te blikken. Daar kon Philippe intens van genieten. “Dat populair zijn in die tijd ging, zoals ik daarnet al aangaf, zo goed als aan mij voorbij. Maar die onvergetelijke momenten zoals daar in Londen bijvoorbeeld of het inzingen nadien in de studio, van die momenten kan ik nu nog nagenieten. Het feit alleen al samen te werken met op-en-top beroepsmuzikanten of mensen die het vak door en door kenden, daar kon ik best van genieten. Daar deed een mens het voor.”

Robrecht meet zich nadien snel een heel eigen imago aan en blijft bewust uit de schijnwerpers van de gemakkelijke populariteit. “Ik wou verder evolueren als muzikant, vertolker, zanger. Ik wist toen al dat ik stap voor stap verder zou evolueren. Verder richting anders klinkende songs, anders klinkende albums. Ik ging niet zomaar de dagen, maanden en jaren nadien Magie en Vurige tongen als een soort bandwerk etaleren. Ze kwamen aan bod als het moment daar was, als het binnen dat optreden paste. In die beginperiode toen ze in de hitlijsten stonden uiteraard vaker dan nadien.”

In 1994 is er het album “Hoopvol”, dat met de nodige centen ook deze keer in de “Galaxy Studio” in Mol wordt opgenomen met opnieuw aan het roer Wilfried Van Baelen. “Ik moet eerlijk bekennen dat er, na het succes van het album ‘Magie’, van BMG niet al te veel druk was dat succes te herhalen, of ik heb dat toch niet zo gevoeld. ‘Hoopvol’ was geen verzameling van een aantal liedjes, maar eerder een conceptalbum, over een wereldstad, een clochard, over Columbus die de indianen uitroeide, over oorlog en vrede. Dus dagelijkse thema’s met veel minder klemtoon op de liefde. Ik vond dit een sterk album, wat anderen er ook van mogen denken. Wat ik achteraf eerlijk moet bekennen, is dat het succes van een album grotendeels afhangt van het succes van die ene broodnodige hitsingle. Ik was zo naïef te denken dat ik een volwaardig albumartiest kon zijn. Zovele jaren later denk ik dat dat nog altijd kan, maar niet in Vlaanderen. Persoonlijk vind ik nochtans dat het nummer Hoopvol iets bijzonders met zich meedraagt, terwijl mensen me vertelden dat ze het een prachtig album vonden, behalve dan het nummer Hoopvol. Zo zie je maar. Ook het nummer Kijk me niet aan koester ik nog altijd. Ik passeerde in Brussel op een brug in de buurt van het Klein Kasteeltje een zwarte man in een veel te grote sjofele jas. Die blik in zijn ogen en het me een beetje schuldig voelen naar die hulpeloze man toe, heeft de inhoud van dat lied bepaald.”

Naast de vaste groep spelen op het album “Hoopvol” onder anderen hoboïst Joris Van den Hauwe, hoornisten Rik Vercruysse en Katrien Vintioen en tubaspeler Franky De Leersnijder mee. Als single wordt er gekozen voor Fatsoen, waarin Philippe zijn terughoudendheid verwoordt wanneer hij op school zijn oog op een meisje laat vallen en haar niet meteen durft aan te spreken omdat zijn fatsoen in de weg zit. De zesentwintigste maart staat het nummer op drie in de Vlaamse Top Tien en de zestiende april op plek 40 in de Top 30.

In de loop van 1994 zit zijn samenwerking met zijn manager Roland Beirnaert erop. Intussen heeft Philippe ingezien dat hij het niet kan waarmaken uitsluitend een albumartiest te zijn. Vlaanderen is daar blijkbaar te klein voor. Er hoort op tijd en stond een hitsingle te worden afgeleverd om talk of the town te blijven en gevraagd te worden hier en daar op te treden in enkele radio- en tv-progamma’s. Op zoek naar hitsingles worden de nummers ‘k Heb nu geen zin en Ben je vergeten op single uitgebracht. Maar echt scoren doen ze niet. Ook de single Oorlog en vrede blijkt snel een slag in het water te zijn.

Na twee albums weigert Philippe nog verder te werken met BMG/RCA. De directie is niet geïnteresseerd in wat Philippe live on stage brengt, zeker niet het repertoire dat hij daar wil neerzetten, en dus haakt Philippe af. “Ik weet nog dat de directie geen oren had naar mijn liveprestaties. Dat liet hen siberisch. Dat deed voor mij meteen de deur dicht en ik zag er het nut dan ook niet van in dat gesprek langer te rekken dan nodig.” Meteen klopt Koen Van Bockstal bij hem aan de deur, toenmalig verantwoordelijke bij MCA. “Ik werd bij hun firma de eerste Nederlandstalige artiest. Die beloofde ons eerst zes albums, dan twee en uiteindelijk… niets meer. De directie in Londen staat niet achter zijn voorstel. Hij mocht het contract niet tekenen en was plots niet meer geïnteresseerd in Vlaams talent. Pas op, ik stond daar toen met de opnamen voor ons volgende album ‘Vertrouwen’, waar we al druk mee bezig waren en waar BMG een njet voor had gegeven, en dan dat avontuur met MCA. Het prijskaartje bedroeg toen ook al meer dan een miljoen frank. We zaten al in zo’n vergevorderd stadium dat we niet op onze stappen konden terugkeren.

Philippe trok voor zijn album “Vertrouwen” niet naar de “Galaxy Studio”, maar naar “Studio Crescendo” in Genk met als hoofdtechnicus Pino Guarraci, een blinde Italiaanse pianist. Pino kan er prat op gaan platenproducties te hebben afgeleverd voor Voice Male en Jo Lemaire. Philippe vult aan: “Wij hadden die studio eerder toevallig leren kennen. We kregen van de VRT een opdracht die we snel moesten klaren en zij hadden die studio in Genk geboekt. Zodoende leerden wij Pino kennen. Die samenwerking klikte en smaakte meteen naar nog.” De productie zelf houdt Philippe deze keer echter in eigen hand. Hij krijgt tijdens de opnamen steun van de muzikanten Patrick Mortier, Ronny en Robert Mosuse, Dany Caen en Patrick Riguelle. Met die opnamebanden onder de arm trekt Philippe, ondanks die eerdere tegenslagen, vol goede moed naar de platenfirma’s Polydor en EMI, maar hij houdt halt bij Dureco omdat hij valt voor het warme onthaal en begrip van de toenmalige manager Arthur Praet. “Ik ging bij mijn keuze echt voor de man in kwestie, niet zozeer voor de platenfirma. Hij was een warme, zeer gedreven en muzikale man. Die keuze beklaag ik me nog steeds niet en onze contacten zijn na al die jaren nog altijd even hartelijk.”

Philippe moet wel snel vaststellen dat de promotie die BMG/RCA voor hem voerde niet meer herhaald zal worden. “Het viel me toen op dat we geen hits meer scoorden. De radio draaide ons wel, maar er werd geen intense promo meer gevoerd zoals ten tijde van BMG. Dat raderwerk viel wel stil“, aldus Philippe, die kwaliteit wil blijven afleveren. Radiomakers waren en zijn het er nog altijd over eens dat je zijn platen zonder blikken of blozen kunt programmeren. Hoor m’n lied is in 1995 de eerste single die het daglicht mag zien. Maar zoals wij al eerder vermeldden, geraakt geen enkele single van hem nog in de Vlaamse Top Tien, al rouwt Philippe daar niet om. Airplay krijgt hij nog steeds genoeg. Met Zeg het maar wordt nog eens geprobeerd de singlemarkt in te palmen, maar het blijft bij een vergeefse poging. Hij krijgt in 1995 tijdens een huldeconcert, vijf jaar na het overlijden van Wim De Craene, in Wetteren de “Wim De Craene-Prijs” overhandigd. Hij gaat ook weer op stap, deze keer met zijn theatervoorstelling “Op Visite”. Van 1996 tot en met 1997 gaat hij de boer op met zijn show “De stoet van verlangens” met de steun van de Nederlandse groep De Dopegezinde Gemeente, Vera Coomans en Guido Belcanto.

Met het oog op een nieuw album gaat hij zijn nieuwe liedjes eerst uittesten tijdens zijn tournee “Storm”, die uitmondt in het gelijknamige album dat in de maand mei 1997 in de winkels ligt. Philippe trekt voor de opname naar de Dureco-studio in het Nederlandse Weert. Hij wordt daar omringd door een twaalftal muzikanten. De productie is deze keer in handen van Gert-Jan Blom en het wordt verdeeld op het Dureco-label, op aanraden van zijn toenmalige kapitein van de ploeg Arthur Praet. “Dat was“, volgens Philippe, “nu net het leuke aan die samenwerking met Arthur. Die man ontlastte me van veel. Hij koos de medewerkers, gaf ook tips qua muzikanten en dat werkte positief. Hij was een soort coach voor mij. Bij het album ‘Storm’ gingen we dan ook een heel andere kant uit dan bij het album ‘Magie’. In plaats van in een hypermoderne studio te gaan opnemen, trokken we voor een veel kortere periode intens naar een wat oudere, maar meer authentieke. We werkten daar met oudere microfoons. We namen in amper vijf dagen tijd een volledige cd op. Oké, de Dureco-studio in Weert had een degelijke reputatie opgebouwd. We werkten daar met de juiste drive, we voelden alles en elkaar perfect aan. Het voordeel was dat we toen al met de tournee ‘Storm’ on the road waren. We speelden zo’n achttien voorstellingen na elkaar en daardoor hadden de liedjes zich al meester van ons gemaakt toen we in de studio aankwamen. En dat hoor je. Niet voor niets noem ik in het bijbehorende boekje bij de cd Arthur Praet de kapitein met naast hem Gert-Jan als gids.” Twaalf nieuwe liedjes sieren deze cd met muzikale steun van onder meer Gert Meert, Peter Buytaert, Gert-Jan Blom, Marcel Cuypers, Menno Daams en Sjoerd Dijkhuizen. De livesfeer en het professionele samenspel krijgen dus de bovenhand. Alles zat al een tijdje lekker in de vingers, want voorafgaand aan de opnamen vonden er achttien voorstellingen plaats. De muzikanten speelden zo goed als alles uit hun blote hoofd en die directheid hoor je ook op de plaat. Philippe klinkt donker, maar schrijft en zingt wél de liedjes die hem na aan het hart liggen, waarvan het schitterende Storm, dat een van zijn mooiste songs ooit blijft, en Bas bij R.E.M. op single verschijnen. Storm schoot Philippe op een nacht in zijn bed plots door het hoofd. Het was zo’n schitterende inval dat hij niet anders kon dan opstaan en het nummer in één ruk neerschrijven. “Het probleem met mensen die schrijven is dat ze ‘s nachts hun hersens niet on hold kunnen zetten. Je wordt plots wakker met turbulentie in je hoofd. Bij Storm overkwam me dat ook. Ik ben naar beneden gegaan en schreef bijna smekend: ‘Verlos me van de storm, ik hou het niet meer uit, laat de zee bedaren, ik zit vast in de kajuit.’” Opvallend op dat album zijn ook de integere ballads De onschuld, Feest en Donker.Donker is een soort nummer dat je schrijft wanneer je emotioneel kwetsbaarder bent dan anders. Ik kijk in dit liedje vooruit op mijn eigen liefdesleven, mijn eigen emotionele wereld. Ik kijk even vooruit om dan een flashback in te lassen. Het is een soort reis die ik maak waarin mijn eigen gevoelens centraal staan. Dat maakt het intenser… ‘We maken weinig tijd voor romantiek, die drempel hebben wij niet overschreden, al hielden we van wijn en klassiek, we hebben nooit aan de haard gezeten. We hebben beiden veel te hard gewerkt, de jaren zijn daardoor voorbijgevlogen. Ik heb van ouder worden niets gemerkt, we hebben onze leeftijd niet gelogen.’”

Wanneer het Koninklijk Ballet van Vlaanderen in 1998, twintig jaar na het overlijden van Jacques Brel, uitpakt met het theaterstuk “Brel Blues”, wordt Philippe een van hun uithangborden, samen met Jo Lemaire. In dit stuk van de hand van Elliot Tiber en André Ernotte duiken er negentien Brelchansons op. Het levert Philippe in de pers onnodige kritiek op. “Een weg bewandelen die niet meteen de zijne is”, wordt bijvoorbeeld in De Morgen een beetje laatdunkend becommentarieerd. Philippe wuift dit weg: “Ik leg dat naast me neer. In Nederland, waar men de cast niet eens kende, speelden we voor bomvolle zalen. We kregen staande ovaties. Ik ga me dan zeker niet storen aan een journalist die niet kan verdragen dat… Kijk, ik wil mijn zin hieromtrent niet eens afmaken.”

Datzelfde jaar gaat Robrecht in op een uitnodiging van NCRV Radio om samen met het Metropool Orkest vorm te geven aan een Brelproject waaraan ook Liesbeth List meedoet en met wie Philippe een duet mag zingen. Omdat Robrecht almaar vaker met Frank Boeijen wordt vergeleken, van wie Philippe vooral in de jaren tachtig een fan was, beslist platenfirma BMG/Ariola in 1998 in de reeks “Face to Face” Frank op één album te koppelen aan Philippe. Het wordt een overzicht van hun tot dan toe grootste hits en het album wordt een lekker meegenomen succes. Frank bracht al jaren in de Lage Landen een genre dat niet druk gebezigd werd en Philippe vond dat er ook in Vlaanderen ruimte was voor Nederlandstalige poprock. Clouseau liet hier en daar nog wat ruimte onbenut en hij probeerde dat op zijn manier in te vullen. “Frank is een respectabele artiest, een man die me boeide omdat we iemand van zijn allooi hier bij ons in Vlaanderen niet hadden. Hij was voor mij een soort schoolvoorbeeld. Ik begreep niet goed waarom er in ons land niet iemand was opgestaan die in die richting was geëvolueerd. Tot een duet met ons beiden is het niet gekomen, maar we werden wel ongevraagd door de platenfirma gekoppeld op dat album ‘Face to Face’. Het bewijst nog maar eens hoe de commerciële geest van die heren in elkaar zit en hoe een soort faire afspraak onbesproken en onbenut werd gelaten.”

Samen met Jo Lemaire is Robrecht in 1999 te horen tijdens enkele Piaf-voorstellingen in de AB. Datzelfde jaar is er zijn vijfde cd “Dwarsligger”, hem qua titel op het lijf geschreven. En kijk, Robrecht is opnieuw onderdak gaan zoeken bij platenfirma BMG. “Het waren de jongens van Kommil Foo, Raf en Mich Walschaerts, die me erop wezen dat de nieuwe baas bij BMG in stilte een fan van me was. Bleek die man ook nog in mijn buurt te wonen. Die man hield zich wat op afstand, gezien mijn eerdere minzame relatie met zijn firma. Ik ben dan maar op hem afgestapt. We komen tot een akkoord, maar wat blijkt? Na een maand verlaat die man het pand en kom ik bij wat mindere goden terecht.” Philippe trekt in de maand juni van dat jaar nog maar eens naar de “Crescendo Studio” in Genk met Pino Guarraci aan de knoppen en staat zelf in voor de productie, waarvoor hij een beroep doet op de muzikanten Peter Buytaert, Nico Manssens, Marc De Boeck en Koen Hellemond. De arrangementen worden uitgewerkt door Michelino Bisceglia. Als bonustracks staat Philippe erop liveversies neer te zetten van Emma, Storm, Fatsoen en Magie, ook een beetje op vraag van het Davidsfonds, dat dit album in zijn catalogus wil opnemen. De titelsong belandt als enige keuze op single. Enigszins hitgevoelig is het nummer Laatste lied. Geen toevallige keuze qua titel, want dit wordt wel degelijk het laatste liedje dat hij als Philippe Robrecht zal schrijven. Met de nodige energie en decibels gaat hij er nog eens stevig tegenaan in Begin van ‘t einde en Neem me mee, al gaat onze persoonlijke voorkeur uit naar het jazzy getinte Onderweg. Er volgt haast voor de hand liggend de theatershow “Dwarsligger”. Vanaf oktober 1999 tot en met de maand mei 2000 gaat Philippe samen met Vera Coomans de baan op in de productie “Gezongen romans”. Tijdens de zomer laat hij duidelijk horen, zoals hij dus met Laatste lied aangaf, dat hij als Philippe Robrecht geen zin meer heeft om zijn eigen songs te brengen. Hij gaat zich verbergen achter een rist nevenprojecten. Zo is hij in 2001 te horen in de theatershow “Ode”, een hommage aan verdwenen stemmen, waaraan ook Wigbert, dirk Blanchart, Kathleen Vandenhoudt, Sabien Tiels, William Reven en Tony Gyselinck meewerken. In zijn eigen studio houdt hij zich bezig met producties voor de groepen Triolone, met daarin zijn muzikale vrienden Peter Verhelst, Steven Van Looy en Nico Manssens, Hydra en Oeda. Hij richt uit lieverlee, gezien zijn avontuur met diverse platenfirma’s in het verleden, ook zijn eigen label op, Jamala (genoemd naar zijn dochters Janne, Marie en Lauranse). “Ik wist dat ik met die keuze mijn eigen koers te varen, de slagkracht en impact van die grote platenfirma’s moest missen, maar ik had er dat voor over. Ik wou niet meer meedoen aan die beslissingen en soms betweterij van die platenbonzen. Bij de media kende ik intussen mensen genoeg bij wie ik mijn producties zelf kon gaan afgeven. En we zien dan wel wat het wordt“, aldus een vastberaden Philippe Robrecht. Hij neemt in zijn “Robert Universal Studio” in Zele, waarnaar hij al een tijdje geleden is teruggekeerd, zijn album “Robrecht” op. Er wordt nog maar eens met klem gevraagd hem niet meer als Philippe Robrecht aan te kondigen; die persoon behoort voor hem tot een ver verleden. “Ik had het gevoel dat er in mijn carrière een breekpunt was aangebroken. Bewust staat er op het album ‘Dwarsligger’ de song Laatste lied. Ik wou de frustraties van me afschrijven dat de kansen via de media op dat moment zeer mager waren. Je werkt samen met een team anderhalf jaar aan een project waarvan je denkt dat de luisteraar er wat aan zal hebben. En dan ben ik achteraf boos dat je niet eens een echte kans krijgt om het aan je publiek voor te stellen. Niet eens de melding dat er een nieuw album van mij op de markt is… ‘Dit is m’n laatste lied, me bekeren doe je niet. Ik keer terug naar wie ik ben geweest. Dit is m’n laatste lied, me beklagen doe ik niet, de nieuwe helden staan voor je klaar.’” Robrecht laat zich wél nog omringen door zijn ouwe getrouwen: Nico Manssens, Steven Van Looy, Peter Buytaert en Bert Van Laethem. Als gasten treden ook Dirk De Caluwé op dwarsfluit en Leen Plaetinck als zangeres op, met wie hij het nummer Zonde der dans schrijft, dat tevens op single wordt uitgebracht. Voor de rest tekent hij voor al de songs, behalve het nummer Dagboek, dat hij samen met dirk Blanchart heeft geschreven. Het is een nogal folkgetint album waarbij opvalt dat de radio vooral het nummer Vogelvrij oppikt. Philippe zingt hier dan wel op dit album in het Nederlands, maar wat weinigen weten is dat hij eigenlijk pure folkrock wou brengen en dan nog wel in het Engels gezongen. Hij had trouwens een gans album in zijn hoofd zitten, uitgeschreven in die taal. Het nummer Vleugels bijvoorbeeld op het album “Robrecht” schreef hij eigenlijk onder de titel Wings, maar op weg met die liedjes naar een uitgever beseft Philippe maar al te goed dat hij dit niet moet doen. Die uitgever beaamt trouwens meteen wat Philippe al had vermoed. Hij blijft voortaan zijn moedertaal trouw. Een kleine noot bij het liedje Vleugels. Philippe schreef de basis daarvoor op een vroege ochtend in een houten hotel op een rustige plaats in Frankrijk en werkte het nadien verder uit tijdens een reis naar Senegal samen met Radio 2.

Om bij dit alles het theater niet uit het oog te verliezen, gaat Robrecht deze keer in zijn eentje op stap met als enig gezelschap zijn gitaar tijdens de voorstelling “Ankers”. Hij brengt de muzikale ankerpunten uit zijn carrière in een haast naakte versie. Het wordt een mix van eigen songs, aangevuld met vocale hoogtepunten van Wim De Craene, Louis Neefs en Zjef Vanuytsel, overgoten met Engelstalig werk van Elton John, David Bowie, Randy Newman en U2. Hij brengt al die songs puur en onversneden.

Op het einde van die tournee last hij in 2004 een rustpauze in, een zes maanden durende sabbat waarin hij wat bijtankt, ook een hoop spanning loslaat. “Het kwam niet mijn strot uit, maar fysiek en mentaal zat ik er even door. Ik wou loskomen van alles, loslaten zoals dat heet. Geen burn-out of zo, want schrijven lukte me nog vrij goed. Ik had ook nog een aantal nevenprojectjes lopen, had heel wat optredens afgewerkt. Een mens moet af en toe op adem komen en naar adem happen en dit was zo’n moment. Ik zat en zit nooit stil. Er kwam ook nog eens mijn eigen studio bij. Het was even op. Ik wou tijd vrijmaken om te sporten, te ontspannen met vrienden en dierbaren. Weekends werden plots echte weekends. Ik kwam tot het besef wat heropladen is en dat op zich deed veel deugd. Je moet dat niet uitstellen en dan zes maanden de riem afleggen. Je moet dat voortaan in je agenda inlassen.”

Intussen had Philippe samen met zijn kompaan De Wiene de groep Ballathum opgericht, waarin zij hun gezamenlijke liefde voor de Ierse muziek etaleren. Aanvullend worden zij op fiddle bijgestaan door Jo Temmermans. Ierse traditionals worden met veel verve en animo aan de man gebracht. De voorbije jaren was Philippe regelmatig naar Ierland afgereisd om daar het nodige materiaal op te snorren, songs van The Pogues, Christy Moore, The Dubliners en zovele anderen. Zij ontwijken de ambiance niet en zwepen hun publiek op om vooral mee te zingen en als het kan mee te stampen. Het livebeest Robrecht komt eindelijk aan zijn trekken. Na een tijdje en een dosis succes wordt de groepsnaam verlengd tot Ballathum XL. Omdat hij ook tuk is op bekende uptempo songs, ontleend aan de popmuziek, start Philippe met de groep The Roberta’s. Zij brengen hits van ZZ Top, The Police, Simple Minds, R.E.M., David Bowie, Talking Heads enzovoort. De klemtoon wordt niet zozeer op een onberispelijke uitvoering gelegd dan wel op geweldige sfeer. Muzikanten van dienst zijn, naast Philippe Robrecht, Peter Buytaert en Nico Manssens, die zichzelf de markt in prijzen als een groep die oude favorieten brengt, maar dan in een gebalde versie. Niet voor niets staan in hun agenda’s optredens vermeld tijdens “Marktrock” in Leuven, “Maanrock” in Mechelen, de “Gentse Feesten” en de “Fonnefeesten” in Lokeren.

Omdat optreden voor een publiek het liefste is wat Philippe doet, verschijnt er als een soort visitekaartje van zijn livekunde in 2005 het album “Robrecht live”, opgenomen de zeventiende juli op het Sint-Baafsplein tijdens de “Gentse Feesten” met liveversies van liedjes als Magie, Dwarsligger, Storm, Eva, Anne- Marie en het haast onafscheidelijke Vurige tongen. Op dit album krijgen wij een overzicht van de songs die hij tussen 1992 en 2002 over zes cd’s had verspreid. Qua begeleiding krijgt hij daarbij de steun van toetsenist Pino Guarraci, met wie hij intussen een nauwe band heeft gesmeed. “Het opzet op ‘Robrecht live’ was ramen en deuren nog eens openzetten en een bundeling brengen van wat we tot dan toe bijeen hadden gesprokkeld. Laten we eens genieten en profiteren van de energie die we de voorbije jaren geleverd hebben. Uiteindelijk werd dat een heel dankbaar initiatief. Ik voelde toen aan dat we naar de toekomst toe daar een groot stuk van gaan behouden om live te spelen. De herkenbare en meest geliefde nummers gaan we blijven behouden als ankerpunten tijdens onze concerten. Aanvullen natuurlijk met nieuw werk, want we blijven schrijven en renoveren. Hoe dat precies in zijn werk moet gaan, is voor mij nog een open vraag. Wordt het meer banjo en gitaar of halen we er in de breedste zin van het woord een toetsenist bij? Er mag me iemand daarin bijstaan in die beslissing, die me een beetje raad geeft, maar de eindbeslissing daaromtrent neem ik toch liever zelf.”

In 2007 zien wij Robrecht op Eén opduiken in het populaire “Zo is er maar één”, waar hij zijn versie mag brengen van de Bots-hit Zeven dagen lang, hem als het ware op zijn folklijf geschreven. Datzelfde jaar zien wij hem op het podium van “Houden Van” in het Antwerpse Sportpaleis, deze keer met nog maar eens een muzikale zijsprong van hem, De Purperen Heidenen, bestaande uit Philippe op bas, De Wiene op gitaar en Picqueur op klarinet en accordeon, alle drie al spelend en zingend in volkse, tijdloze en meeslepende liedjes én met de nodige dosis humor. Omdat het goedlachse graag voorrang krijgt, hapt Robrecht gretig toe wanneer acteur Mathias Sercu hem vraagt voor zijn theatershow “Staf Steegmans & De Ideale Omstandigheden”. Mathias, alias Staf Steegmans, kruipt in de huid van onder anderen Claude François en Ramses Shaffy om op een afwisselende manier hulde te brengen aan de disco, het levenslied enzovoort. De band, onder leiding van Bart Picqueur, brengt vertolkingen van Du, Save the last dance for me, I will survive en veel meer van dat, met optredens door onder meer Lieven Debrauwer, Jits Van Belle, Maaike Cafmeyer en Tom Van der Schueren. Diezelfde Mathias nodigt Philippe ook uit om mee te werken aan “Mathias Sercu en de Grote Meneren”, waarmee zij van 2009 tot 2011 op tournee gaan. Er wordt hulde gebracht aan popiconen zoals Elvis Presley, Bob Dylan, Elvis Costello, Roy Orbison en Michael Jackson met de muzikale en vocale steun van onder anderen Bart Picqueur, Peter Buytaert, Bjorn Verschoore en Philippe Robrecht zelf. Veel plezier beleeft hij ook aan zijn show “Robrecht & Fie”. Zanger Fie trad al eerder regelmatig op bij The Roberta’s en omdat het publiek zo tuk is op zijn stem, besluit Robrecht samen met hem en zijn Gibsongitaar de zalen in te trekken en dompelt het publiek onder in een bad van songs van Coldplay, The Kooks, Kings of Leon en Snow Patrol, stevig en zeer eigenzinnig gebracht en verpakt.

Omdat het onderwijs hem enorm na aan het hart ligt, biedt hij speciaal voor het lager en secundair onderwijs de educatieve show “Van Ukelele tot Contrabas” aan, waarin hij op een zeer aantrekkelijke en begrijpelijke manier de leerlingen laat kennismaken met de meest gebruikelijke snaarinstrumenten.

De eerste maart 2012 verrast Robrecht ons met zijn achtste album. Hij was intussen in alle rust liedjes blijven schrijven, in hoofdzaak tijdens zijn zomervakanties aan het water in zijn geliefde Ierland. Hij bundelt elf liedjes samen op de cd “Eiland”, een album waarvan je de teksten haast kunt lezen als een roman. Die liedjes kwamen haast organisch, impulsief tot stand, geschreven zoals ze in hem opborrelden, eerlijk geschreven. Zij vormen één verhaal, zijn erg autobiografisch, vertellen het zoeken naar, het dromen van, maar tevens het vasthouden aan. Het album wordt ook in Ierland ingeblikt samen met Gavin Ralston, die we nog kennen van zijn samenwerking met The Dubliners en The Waterboys. Ierland ligt Robrecht na aan het hart. Op zijn eiland daar komt hij tot rust. In een lokale pub van een van zijn Ierse vrienden treedt hij regelmatig op, gewoon akoestisch, en dan valt het hem op hoe het aanwezige publiek meteen aandachtig luistert. Je hebt er niet eens een p.a. voor nodig. Die liefde voor de Ierse muziek draagt Robrecht al sinds zijn jeugd met zich mee, die zit haast in hem verankerd. Ook de traagheid van het leven ginder ligt hem wel. Op het album “Eiland” leeft Robrecht zich uit in songs als Parels, Oude liefde, Sporen, Ver van hier en Gaan we door. In muziekuitgever Hans Kusters vindt hij een man die als één blok achter zijn project staat. Hij was het die Robrecht aanspoorde een soort snoepje, een ear candy, aan het album toe te voegen. Dat werd het nummer Ocean, een Engelstalige versie van zijn meest bekende song Magie, hier gezongen door Luke Murray. Als single wordt gekozen voor het nummer dat de lading van de cd volledig dekt, Maakt het wat uit. Er volgt een concertreeks in duo met Peter Buytaert. Het worden stuk voor stuk optredens die bol staan van gitaren en klankkleuren. Gestart wordt in maart 2012.

Om zijn vijftigste verjaardag extra in de verf te zetten, plant Robrecht in het voorjaar van 2016 een rist exclusieve concerten onder de noemer “Gold”. Hij brengt daarin al zijn favoriete songs: The Beatles, Pink Floyd, zijn geliefde singer-songwriters, solo met gitaren en piano. Robrecht belooft ons een bijzonder persoonlijk, maar gevarieerd programma voor een luisterend publiek dat weet wat genieten is.

“Robrecht & Fie” is zo’n grote meevaller dat de concertagenda tot in het late najaar van 2016 voor een groot deel met dit project ingevuld staat. Vanaf februari 2017 staan er een rist kleine concerten gepland, klein qua bezetting, onder de noemer “Als Philippe Robrecht”. Hij treedt deze keer op omringd door zijn gitaren en begeleid door een piano. Robrecht mikt op een zittend, luisterend publiek. De set duurt zo’n 75 minuten en bevat tal van zijn liedjes in een bewerking van het moment, met de blik van vandaag op liedjes uit verschillende tijden. Daardoor komt het verhaal nog sterker tot uiting en klinkt zijn stem breekbaarder dan ooit. Philippe haalt al de liedjes die hem dierbaar zijn uit de kast: Onder de sterren en de maan, Vurige tongen, Anne-Marie, Oude liefde, Magie...

Midden 2017 verrast Philippe Robrecht zijn fans en zelfs zijn naaste omgeving door zich voortaan in Ierland te gaan vestigen. Zijn verhaal in Vlaanderen lijkt daarmee uitverteld, of toch voor een tijdje. Op onze vraag of hijzelf nog iets daaraan wil toevoegen, mailde hij ons het volgende: “Vrienden van de muziek, vrienden van het Nederlandstalige lied. ‘Wat heb ik een tijd gehad’, zing ik in Grafschrift, uit mijn meest recente album ‘Eiland’, opgenomen in Ierland. En dat is volmondig hoe ik terugkijk op alles wat ik heb mogen doen, namelijk muziek maken in de meest ruime betekenis, hongerig aftastend wat allemaal kan, geen uitdaging te veel. Ik heb me bijzonder vrij gevoeld en gedragen binnen het speelveld. Ik vond niet dat bepaalde dingen ‘moesten’, ik vond vooral dat alles kon en dat mijn ‘drive & goesting’ de richting moesten bepalen. Voor sommigen paste ik niet in het plaatje dat zij in hun hoofd hadden… Dat leek me eerder hun probleem. Dat er andere manieren zijn om via muziek, zeker met mijn start, populariteit en omzet te genereren, hoef je me niet vertellen, dat is vanzelfsprekend. Even vanzelfsprekend was het voor mij om geen rol te spelen die vreemd aan me was. Ik was ‘te nemen of te laten’. Authenticiteit was en blijft heilig voor me, tegenover de muziek, jezelf, muzikanten, technici, de media en andere betrokkenen. Neen, dit is geen afscheid, wel een bladzijde om in zekere zin… Wij zetten de stap naar Ierland omdat ik mijn hoofd wil vrijmaken voor meer muziek, alweer in de breedste zin van het woord: schrijven, opnemen, optreden. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Ik heb er vooral veel goesting in, zeker in een omgeving die meer dan inspireert. Spreek me gerust aan wanneer iemand originele muziek of liedjes zoekt. Spreek me gerust aan wanneer iemand zijn liedjes wil opnemen op het schoonste eiland van de Ierse westkust, Inishbofin. Mijn R & C STUDIO (Relax & Create) is er, met een compleet nieuwe opname-set-up, helemaal klaar voor.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet