Ral Donner

Geplaatst in Artiesten

Niemand zal het vreemd vinden dat de naam Ral Donner je weinig of niets meer zegt. Toch was deze zanger, die ooit Elvis Presleys stem imiteerde in de film “This is Elvis”, tussen 1961 en 1962 precies viermaal terug te vinden in de Amerikaanse top 40. Het was diezelfde Elvis Presley die in 1956 de weg wist vrij te maken voor honderden Amerikaanse rockers en ze zouden stuk voor stuk, of ze het nu wilden of niet, met the King vergeleken worden. Ral Donner gaf zonder veel omhaal toe dat hij verzot was op de stijl van Presley en hij deed dan ook alle moeite van de wereld om zo veel mogelijk op Elvis te lijken: dezelfde nummers, dezelfde componisten en dezelfde zangstijl!

Ral Donner werd de 10de februari 1943 in Chicago geboren. Zingen leerde hij in het plaatselijk kerkkoor en tijdens zijn middelbare schoolopleiding richtte hij zijn eerste groep op, The Rockin’ Five. Vóór zijn achttiende slaagde hij er reeds in op te treden in het befaamde New Yorkse “Apolo Theatre” en Alan Freeds “Big Beat” televisieshow. Tegen 1959 was Ral Donner aan zijn tweede groep toe, The Gents. Samen met hen nam hij Good Golly Miss Molly op en voorts nog twee soloplaten voor het Scottie Records-label in Memphis: That’s all right with me en Tell me why, maar zonder ook maar één greintje succes. Met Elvis Presley als voorbeeld, nam hij wat later een demo-cover op van diens Girl of my best friend, een opname die snel ter ore kwam van Prewitt Rose en Jan Hutchins. Je moet wel gek zijn om in Amerika officieel een Elvis-cover uit te brengen, maar RCA, Elvis’ platenfirma, getroostte zich niet de minste moeite dit nummer op single uit te brengen en Ral Donner aarzelde dan ook niet langer om naar de opnamestudio te trekken. Hij rekruteert eind 1960 twee leden van de groep The Tornados (niet te verwarren met hun Britse naamgenoten), aangevuld met een bassist, en trekt met hen de baan op als The Starfires. In de lente van 1960 worden in de “Gloria Fox Studio’s” in Miami vier nummers opgenomen waarvan er twee door Jan Hutchins naar New York worden meegenomen en uitgebracht op George Goldners Gone Records-label. Girl of my best friend, reeds in 1960 verschenen op Presleys elpee “Elvis is Back”, wordt in 1961 voor Ral Donner een Amerikaanse toptwintighit. Een groot geluk voor Ral Donner was dat zijn producer George Goldner een jarenlange ervaring achter de rug had en ook wist hoe je voor een goeie opvolger moest zorgen. To love werd te licht bevonden en George besloot dan maar een nieuwe opnamesessie te organiseren in Florida, met als resultaat het nummer So close to heaven en You don’t know what you’ve got, in de zomer van 1962 een topvierhit voor Ral en meteen ook zijn grootste.

Omdat je het ijzer moet smeden als het heet is, wachtte George Goldner dan ook niet te lang om producer/zanger Steve Alaimo onder de arm te nemen (Steve zou in ’62 zelf een hit scoren met Every Day I have to cry) en samen met Artie Ripp en Ral een elpee op te nemen met daarop 14 nummers, gereleased in de herfst van 1961 en gelijktijdig ook zijn nieuwste single Please, don’t go. Deze werd de derde opeenvolgende hit voor Ral Donner, al kantelde de plaat nipt naar de goede kant van de top 40, want verder dan een 39ste plaats kwam de single niet. Het noorden een beetje kwijt, werd in allerijl een nieuwe sessie op het getouw gezet met deze keer zeven songs als eindresultaat. Na wat wikken en wegen werd geopteerd voor She’s everything als opvolger en met 18 als hoogste notering.

What a sad way to love someone zou de eerste single worden waarop Ral niet als Elvis Presley klonk, maar ook de eerste single waarmee hij letterlijk buiten de prijzen viel. Later zou Elvis aan Ral persoonlijk toegeven dat hij uitgerekend die plaat Rals beste opname vond. De New Yorkse sessie leverde ook het nummer Half heaven, half heartache op, een jaar eerder opgenomen dan Gene Pïtney, die er nadien wél een hit mee had, maar om de een of andere onverklaarbare reden door Gone Records nooit uitgebracht.

In 1962 bedankt Donner, Gone Records voor de moeite en ging platen opnemen voor Reprise (1962-1963), Fontana (1964-1965) en het Red Bird-label (1966) en voorts voor nog een paar kleinere firma’s tot eind jaren zeventig.

Tot aan zijn dood op 6 april 1984 zou Ral zich blijven inspannen om zijn Elvis-imago kwijt te geraken en toch zou het steeds zijn gelijkenis met Elvis zijn die hem telkens opnieuw in de kijker plaatste. In 1981 werd hij gevraagd de stem van Presley te imiteren in de film “This is Elvis”. En al bij al zou je zonder veel overdrijven kunnen zeggen dat haast alle platen die Ral Donner opnam, een eerbetuiging waren aan zijn grootste idool, the King.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet