Ray Conniff: een gouden sound!

Geplaatst in Artiesten

Tegenwoordig zijn ze zo goed als onvindbaar, ook niet meer betaalbaar trouwens, die grote orkesten van toen. Nochtans, méér dan vijftig jaar geleden konden ze hun geluk niet op en wij het onze ook niet. Ik beweer niet dat op elke hoek van de straat of op elk dorpsplein een orkest zat te spelen, maar het scheelde niet veel. Kortom, orkesten zat in die tijd. Mantovani  kende zijn hoogtijdagen, net als de bands van Bert Kaempfert, Werner Müller, Paul Mauriat, Franck Pourcel, Edmundo Ros, Perez Prado, Francis Bay, Malando, Roberto Delgado, James Last en ga zo maar door. Je had een grotere kans op slagen wanneer je een meteen herkenbaar geluid uit je hoed kon toveren zoals Percy Faith en Manuel and the Music of The Mountains. Glenn Miller had dat in de jaren veertig al door, net zoals jaren later Billy Vaughn en niet te vergeten Ray Conniff die er als geen ander in slaagde met zijn muzikanten dé gouden sound op plaat vast te leggen!

Ray werd de 6de november 1916 in het stadje Attleboro in de staat Massachusetts geboren. Zijn vader, John Lawrence, was een enorme muziekliefhebber die zelf trombone speelde in een lokaal dansorkest The Jewelry City Band. Mama, Maude Angela Connigg, speelde een aardig stukje piano. Het kon dan ook niet uitblijven of zoonlief zou zich snel met muziek gaan bezighouden. Van zijn vader leert hij de trombone bespelen. Noten lezen en zelf wat liedjes schrijven, leert hij helemaal in zijn eentje aan de hand van een paar boeken die hij via zijn vader op de kop had kunnen tikken. Tijdens zijn middelbare studies richt hij samen met enkele vrienden een eigen orkestje op en componeert ook al een aantal songs voor de band. Na zijn studies gaat hij aan de slag als arrangeur en muzikant bij The Musical Skippers, een orkest uit Boston onder leiding van Dan Murphy. Midden de jaren dertig trekt hij naar New York om daar aan de befaamde Juilliard School of Music onder het toeziend oog van Tom Timothy en Sol Kaplan muziek te gaan studeren. Anderhalf jaar lang treedt hij tussendoor op in een aantal New Yorkse clubs om in 1937 aan zijn eerste betaalde job te beginnen en wel als arrangeur voor Bunny Berigan. Vervolgens werkt hij een jaar of twee voor de in die tijd vermaarde band van Bob Crosby. In 1940 sluit hij zich aan bij het orkest van Artie Shaw die in die jaren met zijn bigband veel succes oogstte. Shaw had snel door dat Ray erg goed kon arrangeren en daarin zou Ray zich almaar meer specialiseren. Vervolgens komt hij terecht bij de band van Glen Gray. Net zoals veel van zijn landgenoten moet ook Conniff onder de wapens en komt terecht bij The Armed Forces Radio Services in Hollywood, California. Tijdens zijn legerdienst gaat hij spelen bij het enorm populaire orkest van Harry James. In die tijd is Ray een fervent jazzliefhebber die niet zo gelukkig is met de opkomst van de bebop, een muziekstijl die James en zijn collega’s almaar liever gaan spelen. Conniff haakt af en het scheelt niet veel of hij keert de muziekwereld definitief de rug toe.

Dan volgen zowat de donkerste jaren in zijn leven. Hij geraakt zonder werk. Het woord armoede komt aardig dicht in de buurt. Intussen is Ray al voor de tweede maal getrouwd en moet zorgen dat zijn kroost te eten krijgt. Om aan de kost te komen, speelt hij ‘s avonds trombone bij een jazzorkest in Reseda, een voorstadje in Los Angeles. Hij leert intussen aan de hand van de cursus “Learn how to conduct”, postvattend voor de spiegel, hoe je een orkest moet dirigeren en in de hand houden. Hij koopt elke week Billboard Magazine en ontleedt nauwkeurig de hitlijsten om zich zodoende een idee te vormen van wat de mensen zoal graag horen. Hij leert almaar beter aanvoelen wat de doorsnee muziekliefhebber wil en dat klinkt helemaal anders dan hij tot dan toe in zijn jazzmilieu had opgestoken.

Conniff besluit op zekere dag een aantal platenfirma’s te bezoeken en met hen van mening te wisselen over hoe hij het voortaan ziet zitten om als arrangeur aan de bak en uit de hoek te komen. Hij neemt de vijftiende januari van dat jaar vier songs op samen met The Rockin’ Rhyhtm Boys, onder meer Beanie Boy Boogie en Super Chief. Hij is zelf de producer van die eerste songs die op het Brunswick-label worden verdeeld over twee singles, maar zonder brokken te maken. Gelukkig voor hem wordt hij opgepikt door de toenmalige a & r man (artist and repertoire man) van Columbia Records Mitch Miller die in hem de perfecte arrangeur ziet. Ray, die zich intussen de artiestennaam Conniff had aangemeten, gebaseerd op de familienaam van zijn moeder Connigg, had wel al door dat muziekminnend Amerika de bigband grondig moe was en toe was aan een nieuwe stijl. Hij krijgt de smaak van de commerciële muziek te pakken, daarin geruggensteund door Mitch Miller die hem koppelt aan een rist succesvolle artiesten zoals Rosemary Clooney, Marty Robbins, Frankie Laine, Johnny Mathis, Guy Mitchell en Johnnie Ray. Connif kan en mag in de studio beschikken over de beste muzikanten en kan samen met hen stilaan sleutelen aan een eigen sound. De eerste sporen daarvan horen we terug op zijn eerste hit die hij in 1955 scoort samen met Don Cherry Band of Gold. In het kielzog daarvan duiken meerdere hits op zoals Yes tonight Josephine en Just walkin’ in the rain met Johnnie Ray, Chances are en It’s not for me to say met Johnny Mathis, A white sport coat met Marty Robbins, Moonlight gambler met Frankie Laine enz…

Daarnet stipte ik al aan dat Conniff intussen over een geweldig goed orkest mocht beschikken. Hij sleutelt almaar vaker aan wat zijn unieke sound zou worden. Die bestond erin de klarinetten, trompetten en saxofoons aan te vullen met vrouwenstemmen en de trombones en de lage saxofoons met mannenstemmen. Hij mag van Columbia Records en als beloning voor de vele hits die hij hun had geleverd in 1957 zijn eerste elpee opnemen samen met zijn orkest onder de naam Ray Conniff and his Orchestra. Dat eerste album wordt “‘s Wonderful”, een regelrechte hit. Twintig maanden lang zal dat album in de album top honderd genoteerd blijven en Conniff krijgt van Cash Box daarvoor een award als the most promising up-and-coming band leader van dat jaar. Het jaar nadien sleept hij dezelfde award in de wacht en herhaalt die stunt ook in 1959.

Datzelfde jaar, in ’59 dus, neemt hij een elpee op samen met The Ray Conniff Singers, 12 vrouwen- en 13 mannenstemmen, te horen op de elpee “It’s the talk of the town”. Ook deze formule levert hem goud op. Ray kwam op die idee toen hij samen met Mitch Miller platen opnam. Miller was vooral bekend geworden door zijn sing-a-long elpees, bekende liedjes die je makkelijk kan meezingen. Daarvoor gebruikte Miller een groot orkest en een klein studiokoor. De combinatie tussen de instrumenten van het orkest en de zangstemmen van het koor bleken een uniek geluid op te leveren. Ray Conniff vertaalde die formule in een rist conceptelpees, themaplaten als je dat liever hoort, zoals “Concert in rhythm”, “Hollywood in rhythm” en “Broadway in rhythm”, stuk voor stuk met goud bekroond.

In de swinging sixties waren Ray Conniff and his Orchestra very hot. Hij gaf tal van concerten. Als eerste slaagde hij erin zijn publiek in de zaal te laten genieten van een subliem stereo-effect. Daarvoor had hij een speciaal stereosysteem uitgedokterd waarmee hij zijn publiek kon verwennen en het koor en orkest laten klinken alsof ze in de live in de studio zaten, alsof je thuis in je luie zetel naar hun platen aan het luisteren was.

Tussen 1957 en 1968 staat Ray Conniff zomaar liefst 28 keer in de album top veertig. In 1969 duikt hij de Britse hitlijsten binnen met het album “His orchestra, his chorus, his singers, his sound” met daarop aansluitend een succesvolle tournee in Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland. Vijf jaar later blikt hij in Rusland het album ”Ray Conniff in Moscow” in. Met de jaren was hij almaar populairder geworden in Latijns-Amerika dankzij conceptelpees als “Exclusivamente Latino”, “Latinissimo” en ”Amor Amor”. Vooral de jaren 80 en 90 leveren hem daar veel bijval op. Hij wordt er geëerd als een soort popidool, ook al is Ray dan al de zeventig gepasseerd. Samen met zijn koor had hij in 1966 zijn grootste hit gescoord in Billboard’s Hot One Hundred en wel met het nummer Somewhere my love uit de film “Doctor Zhivago”. De gelijknamige single zal hem een Grammy Award opleveren. En het bleef niet bij dat ene succesvolle album, want even succesvol worden de elpees “Ray Conniff’s Hawaiian album”, ”Bridge over troubled water” en zijn diverse kerstelpees.

De eerste jaren van zijn carrière nam Ray Conniff altijd in New York op, maar vanaf 1962 tot op het einde van zijn leven vinden we hem steeds terug in Los Angeles. Zijn bedoeling was per jaar drie albums op de markt te brengen: twee instrumentale en één gezongen album, al kregen die laatste almaar meer de bovenhand. Conniff zou in het totaal méér dan 70 miljoen platen verkopen en bleef albums opnemen tot aan zijn dood de 12de oktober 2002. Hij overlijdt in Escondido en ligt begraven op The Westwood Village Memorial Park Cemetery in Los Angeles. Op zijn graf staat een notenbalk met daarop de eerste vier noten van zijn grootste hit Somewhere my love. Conniff liet zijn derde vrouw Vera Schmidheiny, zijn dochter Tamara, zijn zoon Jimmy en drie kleinkinderen achter. Conniff was eerder al een eerste keer gehuwd met Emily Jo Ann Imhof en vervolgens met Ann Marie Engberg. Uit dat eerste huwelijk had hij twee kinderen: James Lawrence en Jo Ann Patricia.

Conniff bleef zomaar liefst 65 jaar actief in de muziekwereld met in het totaal méér dan honderd albums op zijn actief. Hij sleepte tien gouden en twee platina albums in de wacht. In de maand september van 2001 verzorgt Ray nog een uitverkochte tournee in Brazilië alvorens enkele maanden later zijn 85ste verjaardag te vieren. Tijdens het huwelijk van Liza Minnelli met David Gest speelt hij nog Somewhere my love. Kort nadien krijgt hij een hartaanval, herstelt vrij snel, smeedt plannen voor een nieuwe tournee, maar overlijdt de 12de oktober 2002 toch vrij onverwacht. Twee jaar later verschijnt de dubbel-cd “The Essential Ray Conniff”. Intussen zijn ook voor de verzamelaars de cd’s The Singles Collection volume one, two en three beschikbaar met daarop behoorlijk wat uniek materiaal.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet