Richard Anthony

Geplaatst in Artiesten

Vraag me niet waarom, maar als ik aan mijn oudste zus Chris denk, denk ik meteen aan Franse chansons. Dat ligt misschien  voor de hand omdat vrouwen en het Franse chanson een closere band hebben dan wij mannen. Het was vooral in de jaren zestig dat thuis door mijn oudste zus Franse singletjes op de draaitafel belandden. Voorop sowieso Salvatore Adamo. Dat stond buiten kijf. Maar die verstond Nederlands en kon zich in onze moedertaal uitdrukken. Dus dat was nog iemand van bij ons. Daarnaast vonden ook echte Franse artiesten hun weg naar onze pick-up: Françoise Hardy, Johnny Hallyday, Hervé Vilard, Enrico Macias, Hugues Aufray, Christophe én niet te vergeten Richard Anthony. Ik zie dat singletje nog voor me. Het was een Belgische persing, want in Frankrijk werden geen singletjes met twee songs geperst. Daar had de EP, ook wel extended play genoemd, de bovenhand gekregen, een 45-toerenplaatje met vier nummers. Twee liedjes dus op die ene single van mijn zus: Donne moi ma chance en op de B-kant Après toi. Ik heb vooral die B-kant gedraaid, bleek nadien een vertaling te zijn van The Next Time van Cliff Richard. En dat deden de Fransen graag in die tijd, buitenlandse hits naar hun Franse hand en tong zetten. Met voorop Richard Anthony, de kampioen in het vertalen van wereldhits. Hij veroverde er niet alleen Frankrijk mee, maar ook een groot deel van de rest van Europa en Canada.

De dertiende januari 1938 werd Richard Anthony als Ricardo Btesh in Caïro geboren, de hoofdstad van Egypte, een stad met méér dan acht miljoen inwoners. De stad ligt aan de oostelijke oever van de Nijl, in het noorden van Egypte. Papa was een Syrische textielhandelaar die voor zijn firma vaak naar het buitenland moest. Mama was de dochter van de Britse ambassadeur Samuel Shashoua Bey in Irak. Politieke onlusten in Egypte dwingen zijn ouders te verhuizen. Zij wijken uit naar Engeland waar Richard op zijn negende aan het prestigieuze “Whittingehame College” in Brighton gaat studeren. Hier zingt hij mee in het koor en ontdekt daar dat hij een niet onaardige stem heeft. In 1949 wijkt het gezin uit naar Argentinië, want daar woont familie van papa Btesh. Met de boot “The Andes” reizen zij in de zomer van dat jaar af naar Zuid-Amerika. Hier gaat Richard in Buenos Aires enkele jaren naar het “Collegio Ward”. Geen wonder dat die jongen op vrij jeugdige leeftijd al aardig wat talen spreekt. In 1951 verhuizen zijn ouders nog maar eens een keer, deze keer gaan zij in Parijs wonen. Hij schrijft zich in aan het Lycée Janson-de-Sailly, een school waar de rijkeluiskinderen naartoe worden gestuurd, gelegen in het zestiende arrondissement in Parijs. Hij rondt hier zijn middelbare studies af en probeert na lang aandringen van zijn vader de eerste kandidatuur rechten. Op zijn zestiende geraakt Richard, die door zijn ouders Dicky wordt genoemd, enorm onder de indruk van de sopraansaxofoon en wordt een grote fan van Sidney Bechet die hij in de Parijse jazzclubs aan het werk kan zien. Zijn ouders moeten in 1956 nog eens verhuizen, deze keer richting Milaan. Richard weigert mee te gaan en gaat samenwonen met zijn liefje Michelle die ook zijn eerste vrouw wordt. Zij krijgen drie kinderen: Nathalie, Jérôme en Johanne. Omdat er brood op de plank moet komen besluit hij vertegenwoordiger te worden in koelkasten bij de firma Frigeco. Zijn  vrouw wil financieel niet afhankelijk van hem zijn en gaat in Parijs in de boetiek van Jacques Esterel werken. Richard is nog maar negentien wanneer hij als saxofonist terechtkomt in diverse jazzclubs, onder meer in de “Vieux Colombier”, eigendom van Claude Wolff die later de man van Petula Clark zal worden. Richard gaat er prat op dat hij zes talen spreekt en is weg van Angelsaksische muziek. Hij is niet zo dol op de rock-’n'-roll die op dat moment hoogtij viert, maar eerder weg van zangers als The Platters en Paul Anka. Richard   is door het dolle heen wanneer hij zich een kleine bandopnemer kan aanschaffen. Hij neemt op dit toestel in 1957 zijn eerste liedje op, Tell me that you love me, een cover van een hit van Paul Anka. Via een uitvlucht- hij vertelt dat hij een vriend heeft die een demobandje heeft opgenomen, maar te verlegen is om het zelf voor te stellen- slaagt hij erin monsieur Jacques Poisson te ontmoeten, platenbaas bij Pathé. Hij begrijpt dat Richard als tiener dol is op rock -’n- roll, maar hij weet ook dat de Fransen chauvinistisch genoeg zijn om die Engelstalige hits liever in hun eigen taal te horen zingen. Er wordt dus vertaald. Ook zocht elk Europees land trouwens een soort blauwdruk van de rockende Elvis Presley. In Engeland is dat Cliff Richard, in Italië Adriano Celentano en in Frankrijk Richard Anthony. Vergeten we niet dat er op dat moment nog niet echt sprake is van Johnny Hallyday. Richard covert vooral blanke Amerikanen. Als eerste plaatje Paul Anka’s You are my destiny dat in zijn versie Tu m’étais destinée wordt. Hij neemt ook een versie op van Buddy Holly’s Peggy Sue. In Frankrijk is het de gewoonte vier liedjes op één single uit te brengen, de zogeheten eepeetjes. Hij koppelt die twee liedjes aan Betty Baby en Suzie Darling. Op de hoes staat vooraan Rock’n Richard. Zijn platenfirma EMI wil hem absoluut als de eerste Franse rocker lanceren. Gelukkig staat op de achterkant zijn volledige naam Richard Anthony.

Het blijft zoeken naar de geschikte song. De derde gok wordt de goede. Richard zingt in 1959 Nouvelle Vague, een vertaling van Three Cool Cats van Leiber en Stoller, een hit in Amerika voor The Coasters. Hij kiest als producer Christian Chevallier die heel wat jazzplaten heeft ingeblikt. Die kiest op zijn  beurt voor gerenommeerde jazzmuzikanten zoals Christian Garros, Maurice Vander, de vaste pianist van Claude Nougaro, én het zanggroepje van Ward Swingle dat iets later wereldbekend zal worden als The Swingle Singers.  Richard koppelt Nouvelle Vague op eepee aan de nummers Personalités (Personality van Lloyd Price), J’ai rêvé (Dream Lover van Bobby Darin) en Pauvre Jenny (Poor Jenny van The Everly Brothers). Onder druk van Pathé neemt Richard geen ruwe rock -’n- rollcovers op. Zijn platenfirma is bang dat de Franse fans dan zullen afhaken. Hij wil wel wat anders en durft het aan de spiritual Jericho in te blikken samen met een liedje van zijn orkestleider Christian Chevallier en Claude Nougaro Au fond de mon coeur. De fans vinden het maar niets. Hij is bij dezen dus gewaarschuwd. Pas met zijn zesde plaatje geraakt hij weer in de hitlijsten. Hij covert Itsy Bitsy Teenie Weenie van Brian Hyland. De clip die bij dat liedje hoort, wordt opgenomen door de Franse regisseur Claude Lelouch (bekend van de films “Un homme et une femme” en “Vivre pour vivre”). Ook Johnny Hallyday en Dalida nemen er een versie van op, maar die van Richard wordt het meest gedraaid en gekocht. Zijn platenfirma Pathé krijgt almaar meer tegenstand te verduren van de nog jonge firma Barclay opgericht door de muziekfanaat en playboy Eddie Barclay. Om zich in de kijker te zingen, neemt Richard op het einde van 1960 zijn eerste langspeler op. Hiermee meet hij zich de status van vedette aan. Twee maanden later wordt in Frankrijk het eerste rockfestival georganiseerd en wel in het “Palais des Sports” in Parijs met op de affiche Frankie Jordan, Johnny Hallyday en Les Chaussettes Noires. Het blijkt een schot in de roos, met in de maand juni snel een vervolg met nu face à face Johnny Hallyday, Eddy Mitchell en Richard Anthony. Dat festival wordt een groot succes, maar Richard krijgt almaar meer concurrentie te verduren. Binnen zijn eigen platenstal wordt Dick Rivers en zijn begeleidingsgroep Les Chats Sauvages gelanceerd. Qua hits blijft het succes voor Richard wat uit die op het einde van de zomer van 1961 een paar weken vakantie neemt. Wanneer hij terugkeert, merkt hij dat er vanuit Amerika een nieuwe dansrage is overgewaaid, de twist. Chubby Checker heeft er een grote hit mee te pakken. Het kan niet uitblijven of er moet een Franse versie van gelanceerd worden. Johnny Hallyday is hem voor. Richard probeert het succes nog wat aan zijn kant te krijgen door een Engelstalige versie in te blikken, maar tevergeefs. Hij moet ook heel wat kritiek slikken. Hij wordt in de Franse pers al smalend Le Tino Rossi du rock ‘n’roll genoemd en Le père tranquille du twist.  Voor de Franse pers is het een uitgemaakte zaak. Johnny Hallyday is de Franse blauwdruk van Elvis en niet Anthony.

Op zijn derde elpee, uitgebracht in de zomer van 1963, gaat hij op zoek naar een nieuwe invalshoek. In een soort wanhoopspoging komt hij op de proppen met een vertaling van de instrumentale jazzhit Take Five van The Dave Brubeck Quartet Ne boude pas. Hij heeft intussen ook gemerkt dat Hugues Aufray een vertaling heeft gemaakt van 500 miles away from home, een Amerikaanse folksong bewerkt door Bobby Bare. Die versie van Aufray zet in Frankrijk niets in beweging, maar die van Richard Anthony, die er een soort croonersversie van maakt, veroorzaakt een ware tsunami. Richard kende dat liedje nog vanuit zijn kindertijd toen zijn Engelstalige moeder dat vaak zong. Hij had het al een paar keer voorgesteld om op te nemen, maar zijn platenbazen weigeren. Zo’n rustig nummer zal zijn imago als rocker schaden. Uiteindelijk gaan zij toch akkoord. Zijn platenfirma gelooft echter niet zo in de kracht van J’entends siffler le train en kiest J’irai twister le blues als A-kant. Maar zij krijgen ongelijk. J’entends siffler le train raast in sneltreinvaart naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten. Hierbij denkt Richard terug aan de tijd dat hij in Argentinië elke dag de trein moest nemen om tijdig op school te geraken. Zij woonden namelijk dertig kilometer buiten Buenos Aires. Het nummer werd in 1961 al opgenomen door The Journeymen met in die groep onder meer Scott McKenzie en John Phillips. Het jaar daarop zal het in Amerika gecoverd worden door The New Christy Minstrels en Peter, Paul and Mary. Op de eepeerelease vinden we voorts vertalingen van Lover Please en Crying in the rain. In de zomer van 1963 wordt J’entends siffler le train bij ons bekroond met een derde plaats in de Belgische hitlijsten. In Nederland gaat dat nummer aan de top veertig voorbij, maar hij scoort daar wel enkele maanden later met de opvolger Donne moi ma chance, een vertaling van Too late to worry van Babs Tino. Maar ik moet even terug, want hij neemt eerst nog een beetje ondoordacht een vertaling op van de Braziliaanse hit Desafinado van Antonio Carlos Jobim dat hij vertaalt als Faits pour s’aimer. Een stijl die hem niet zo ligt. Ook Sacha Distel en Petula Clark zetten er hun tanden in.

Met zijn achttiende eepee scoort hij wél sterk, met daarop onder meer het daarnet al genoemde Donne moi ma chance. Hij neemt daarvan ook een Italiaanse versie op die het daar beregoed doet. Zijn platenfirma wil bliksemsnel inpikken op zijn succes en lanceert meteen een vierde langspeler. Die plaat staat bol van de singlehits. Er is een vertaling van Cheat Cheat van Johnny Cymbal dat in het Frans een hit wordt als Tchin Tchin. It’s my party van Lesley Gore klinkt in de taal van Molière C’est ma fête en Then he kissed me van The Crystals wordt Et je m’en vais. Zijn Italiaanse versie Cin Cin wordt een boem in Italië. Hij zal achtentwintig weken lang met dat nummer in de Italiaanse hitlijsten opduiken. Die Italiaanse versie zal het ook in het najaar van 1964 een lange tijd volhouden in de Duitse hitparade. Qua concerten staan er zo’n driehonderd optredens op de teller. Hoe hij het klaarspeelt weet niemand, maar hij slaagt er ook nog in zijn brevet als piloot te behalen en mag met zijn eigen toestel vliegen.

Intussen wordt de concurrentie almaar groter. Claude François heeft zich bij de rij hitmakers aangesloten samen met Sheila en Sylvie Vartan. Ook Françoise Hardy behoort tot de elite van Franse hitzangers. Met haar staat hij de 7de november 1963 voor de tweede maal op de planken van de Parijse “Olympia”. De maand nadien wandelt hij de Britse hitlijsten binnen met Walking alone en zal daar vijf weken koninklijk resideren, want zo voelt hij zich. Met het geld dat binnenstroomt kan hij zich een privéjet permitteren en een villa in Saint-Tropez en Marbella. Hij pompt zijn geld in een hotel op Jamaica en koopt en passant ook nog een huis in de vallei van de Chevreuse, een chalet in Crans en een rist motoren, auto’s en een plezierjacht. Wanneer The Beatles bij de start van 1964 de “Olympia” vereren met een optreden mag Anthony samen met hen op de foto en vist Johnny Hallyday wat die eer betreft achter het net.

Op die opmars van Franse vedetten lijkt geen rem te staan. Anthony moet in de hitlijsten voortaan opboksen tegen nieuwkomers zoals: Frank Alamo, Les Surfs, France Gall en Michèle Torr. Zijn volgende langspeler, die in 1964 wordt gereleaset, staat ook deze keer vol geslaagde covers. Een perfecte keuze wordt zijn vertaling I only want to be with you van Dusty Springfield. A présent tu peux t’en aller klimt torenhoog in de Franse hitlijsten. In Engeland laten Gerry and The Pacemakers stevig van zich horen met onder meer de musicalklassieker You’ll never walk alone. Anthony zingt in zijn thuisland Rien que toi pijlsnel naar de gouden status. Swinging on a star, een hit in Amerika voor Big Dee Irwin en Little Eva, wordt A toi de choisir en Boys Cry van Eden Kane Les garçons pleurent. In onze Belgische charts laat Anthony luid genoeg van zich horen met achtereenvolgens telkens een stevige notering voor C’est ma fête, Chin Chin, A présent tu peux t’en aller, Rien que toi en A toi de choisir. In Nederland houden ze hun lippen stijf op mekaar en wordt er niet meer meegezongen.

Wanneer in de zomer van 1964 de Franse hitlijsten worden ingepalmd door achtereenvolgens Gigliola Cinquetti met Non ho l’età en Bobby Solo met Una lacrima sul viso, twijfelt Anthony niet lang om ook eens wat te gaan snuffelen in de Italiaanse muzikale schatkist. Daar ontdekt hij Il mio mondo van Umberto Bindi en maakt er Ce monde van. Iets eerder, in de maand april, had Richard Anthony nog eens in de Britse top veertig gescoord en wel met If I loved you uit de musical “Carousel” van Richard Rodgers en Oscar Hammerstein. Voortbordurend op zijn succesformule blijft Anthony samen met zijn platenfirma grasduinen in het aanbod internationale hits. Zo neemt hij What’s new Pussycat van Tom Jones op en Jamais je ne vivrai sans toi, zijn succesvolle vertaling van de monsterhit You don’t have to say you love, me van Dusty Springfield. Via de Parijse tekstschrijver Fernand Bonifay leert Anthony Je me suis souvent demandé kennen. Fernand heeft dat liedje geleend bij Bobbejaan Schoepen die het had opgenomen onder de titel Ik heb me dikwijls afgevraagd. ichard zou het nummer ook als A veces me pregunto yo opnemen en in die Spaanse versie werd het een grote hit in Argentinië. In de marge vermelden we dat in 2008 Bobbejaan Schoepen Ik heb me dikwijls afgevraagd als duet samen met Axelle Red op cd uitbrengt.

Anthony had net zoals zovelen zijn typische gewoonten. Het is misschien leuk die tussendoor eens te overlopen. Zo wou hij nooit ontbijten. Hij zou die schade tijdens de dag wel inhalen door overvloedig te schransen. Hij had wel meerdere vreemde gewoonten. Zo stond hij erop dat zijn orkestleider zijn haar knipte. Het liefst van al liep hij op blote voeten rond. Wanneer hij teksten voor zijn liedjes schreef, deed hij dat bij voorkeur ‘s nachts. Hij was een trouwe lezer van Paris Match en ging er prat op dat hij sinds het eerste nummer alle edities in huis had. Hij was dol op Belgische frieten. In verband daarmee vermeld ik nu al, vooruitlopend op ons verhaal, dat hij op het einde van de jaren negentig in “Studio Musiclab” in Brussel met gitarist  Kevin Mulligan, bassist Pino Marchese, trompettist Patrick Mortier en de zangeressen Sonia Pelgrims, Mieke Aerts en Dany Caen een rist van zijn oude hits opnieuw heeft ingezongen. Hij had een broertje dood aan het kijken naar zichzelf tijdens een televisieoptreden. Hij vindt zichzelf geen aantrekkelijke man en lelijk op welke foto dan ook. Toch neemt hij zelf graag foto’s van anderen met zijn onafscheidelijke Polaroid. Tijdens zijn hoogtijdagen ging hij graag op stap en deed niets liever dan in de nightclubs die hij bezocht de aanwezigen de nieuwste modedansjes aanleren die hij in Londen had opgepikt. Wanneer hij moest optreden, deed hij dat pas met een gerust hart wanneer hij vooraf met zijn orkest een uur had kunnen repeteren. Hij deed niets liever dan voor zijn optreden op de drums te roffelen om zich op die manier wat af te reageren. Voor zijn orkestleden was niets te veel. Hij stond erop dat ze piekfijn waren uitgedost en op de beste instrumenten speelden. Hij had er trouwens het geld voor. Tijdens zijn hoogtijdagen was hij steenrijk. Hij dacht toen vaak terug aan de tijd dat hij zijn job als vertegenwoordiger had opgegeven en een ganse week niets anders te eten had dan spaghetti. Hij weet nog goed dat toen hij zijn eerste centen verdiende hij zich meteen een karabijn kocht, een jongensdroom die hij sinds lang koesterde. Toen hij multimiljonair werd, had hij succes bij de vrouwen genoeg. Hij hield van het spel van verleiden en was vooral tuk op blondines met blauwe ogen. Hij schoor zich tweemaal per dag en dat uitsluitend elektrisch. Hij was een twijfelaar en nam ruim de tijd vooraleer hij iets nieuws kocht. Toch stond hij erop dat, toen hij het zich kon permitteren, in zijn huis een studio werd gebouwd met alles erop en eraan zodat hij niet telkens zijn huis hoefde te verlaten, wilde hij een demoversie inblikken. Hij kocht ook een serie instrumenten waaronder een hammondorgel, een saxofoon, een drumset en een reeks gitaren.

Oké. Dat als verstrooiing tussendoor, maar nu voort met ons verhaal. Richard Anthony kreeg tijdens de jaren zestig bij EMI een stevige vinger in de pap en mocht regelmatig op hun kosten afreizen naar hun opnamestudio in Londen, met name naar de “Abbey Road Studio’s”. Daar neemt hij in 1965 het album “A Londres” op met daarop uitsluitend Engelstalige songs: The girl from Ipanema, Crying in the rain, You’ve lost that lovin’ feelin’, Autumn leaves, Love letters in the sand enz… Een nummer dat zo’n beetje uitspringt boven de rest is All my life en dat verdient wat extra uitleg om maar aan te geven hoe Richard in die tijd te werk ging. In 1967 levert hij namelijk zijn grootste hit af Aranjuez mon amour oftewel All my life. Méér dan tien miljoen exemplaren zouden er wereldwijd van verkocht worden. Twee jaar eerder verbleef Richard Anthony, zoals zo vaak dus, op uitnodiging van zijn platenfirma EMI, in een suite in het Londense “Hilton Hotel”. In zijn Londense suite ontving hij veel van zijn persoonlijke vrienden. Hij was vaak uithuizig, wat zijn relaties  niet in de hand werkte. Soms had hij ook last van eenzaamheid. Dan trok hij zijn jas aan en ging wat kuieren langs de Thames. Op zekere avond passeert hij de “Royal Albert Hall” en hoort de mensen enthousiast praten over het bijgewoonde concert. Dat doet hem nog maar eens beseffen dat hij zich eigenlijk alleen maar bezighoudt met commerciële niemendalletjes die geen eeuwig leven beschoren is. Hij komt al wandelend op de idee een van zijn klassieke lievelingsmelodieën, het andante uit het Concierto de Aranjuez van Rodrigo, op zijn manier te bewerken. Terug in zijn hotel, het is dan vier uur ‘s ochtends, belt hij zijn arrangeur Tony Osborne en legt meteen zijn idee op tafel. Die waarschuwt Richard dat hij eerst toelating nodig heeft van de componist Joaquin Rodrigo voordat hij het nummer mag bewerken en er een Franse tekst op laat schrijven. EMI besluit een versie op te nemen en daarmee naar Rodrigo te stappen. Anthony krijgt vijfendertig strijkers van The London Philharmonic tot zijn beschikking, maar een goede gitarist vinden is wat anders. Via een vriend kunnen ze een zeventienjarige gitarist uit Manchester overhalen om naar Londen af te zakken en daar de akoestische solopartij voor zijn rekening te nemen. De opname met deze piepjonge gitarist valt zo mee dat hij spontaan een staande ovatie krijgt van de opnametechnici en het voltallige orkest. EMI laat Anthony weten dat deze productie een pak geld gaat kosten en vraagt hem of hij wel zeker is van zijn idee. Met een list loodst hij tekstschrijver Guy Bontempelli naar zijn buitengoed in Chevreuse, hem in de waan latend daar een gezellig weekend  door te brengen, niet wetend dat Anthony hem zo lang opgesloten zal houden tot hij met een geschikte tekst voor zijn concerto op de proppen komt. Wat iedereen vreest, lukt toch. Met dit materiaal en zijn demoversie onder de arm vliegt Anthony naar de blinde componist in Madrid. Op een oude platendraaier beluisteren hij en Rodrigo deze opname terwijl hij er de tekst bij zingt en de meester is zo onder de indruk dat hij niet lang hoeft na te denken om Anthony toelating te geven deze versie op vinyl uit te brengen. Internationaal wordt Aranjuez mon amour een enorme hit met vooral veel bijval in Zuid-Amerika. In Frankrijk echter zijn de reacties minder enthousiast,  daarom dat EMI France op de keerzijde van de plaat het opgewekte Les mains dans les poches zet,  dat veel meer airplay krijgt.

Tot zover deze gedetailleerde uitleg bij een van zijn meest gewaardeerde platen. 1966 is in Amerika zowat het jaar van The Mamas and The Papas en dat is Richard niet ontgaan. Hij covert twee van hun grootste hits. Monday Monday wordt Lundi Lundi en California Dreaming, La terre promise. Die nummers schitteren ook op zijn volgende elpee met daarnaast een geslaagde versie van de hit Sunny van Bobby Hebb. Twee jaar eerder had Richard bij ons in Vlaanderen voor de laatste keer gescoord. Dat was met Ce monde. Nadien zou hij in onze hitlijsten nooit meer opduiken, ook niet meer in de Nederlandse noch Engelse top veertig waarmee zijn lied, internationaal gezien, was uitgezongen. In Frankrijk probeert hij het in 1967 met een vertaling van Let’s go to San Francisco van The Flower Pot Men. Dat wordt Il faut croire aux étoiles. In 1970 begint hij aan zijn laatste jaar samenwerking met EMI waarvoor hij sinds 1958 onafgebroken platen heeft ingeblikt. Hij rondt die samenwerking af met de hits L’an 2005, een bewerking van In the year 2525 van Zager and Evans, en met behoorlijke tubes zoals Na na hé hé espoir en L’arche de Noé. In Spanje gaat het hem wél voor de wind. Hij koopt er niet alleen een kasteel, maar scoort daar enorm met Señora la dueña dat we in onze contreien kennen als Lady d’Arbanville van Cat Stevens. De Franse versie is voor rekening van Dalida. Velen beschouwen zijn vertaling van Lily the Pink van de Engelse groep Scaffold als een duidelijk teken dat hij zijn greep op de Franse hitlijsten compleet verliest ook al scoort hij nog sterk met Le Sirop Typhon. Het wordt een nummer één in de Franse hitlijsten van de maand mei 1969 wanneer hij David-Alexandre Winter voorafgaat die op twee staat met Oh Lady Mary.

Dan breken de jaren zeventig aan. Richard slaat de EMI-deur achter zich dicht en wil herbronnen, een tweede hitadem vinden. Hij gaat songs opnemen voor onder meer platenfirma Trema. Privé zit het hem nogal tegen en passeren er nogal wat vrouwen de revue. In 1970 scheidt hij van Michelle en gaat samenwonen met Josiane. Hij trekt zich met haar terug in hun villa in Saint-Paul-de- Vence. Hij brengt een tijdlang alleen maar singles op de markt onder andere Maggy May, een vertaling van de gelijknamige hit van Rod Stewart. Hij scoort nog eens een echte hit en dat in 1974 met Amoureux de ma femme dat in 1966 tijdens het San Remo festival in de versie van Caterina Caselli als Nessuno mi puo giudicare hoog scoorde. In de maand oktober van dat jaar staat hij met dat nummer op de derde plaats, voorafgegaan door Claude François met Le téléphone pleure en Serge Lama met Je suis malade. In de maand januari van het jaar daarop brengt hij nogmaals een bezoek aan de Franse hitlijsten deze keer met Station Service, een Franse aanpak van de Turtles-hit She’d rather be with me, die er acht jaar eerder internationaal mee scoorden.

Waarom precies weet ik niet, maar ik ben toen in die tijd nogal wat singles van hem gaan verzamelen, al waren dat niet meteen zijn grootste successen. Zo draai ik af en toe nog eens zijn vertaling van All by myself van Eric Carmen dat hij in 1976 opnam als Je n’ai que toi, een nummer dat, zeker productioneel, geslaagd mag worden genoemd. Het jaar daarop brengt hij het wat speelse Chansons de 10 sous op de markt, evenals zijn vertaalde versie van Abrazame van Julio Iglesias, Embrasse moi. Na jaren alleen maar singles te hebben gereleaset is er in 1977 nog eens een album. “Non Stop” is de titel, uitgebracht op het Atlantic-label en opgenomen in de “Island Studio” in Londen met arrangementen van onder meer Jean-Claude Petit waarvan ik alleen vooral de nummers J’irai, Embrasse moi en Que ma vie soit faite d’amour heb onthouden. Opvallend is dat Anthony na al die jaren nog goed bij stem is. Hij geeft achteraf wel toe dat hij geen feeling had op dat moment met het discogenre dat dan hoogtij viert. Een jaar later keert hij Frankrijk de rug toe en gaat met zijn nieuwe liefde Sabine in Los Angeles wonen. Hij wil zich daar vooral als producer profileren. Hier neemt hij onder andere Indian Summer op, een bewerking van L’été Indien van Joe Dassin. Dat avontuur mislukt.  Hij keert vier jaar later naar Frankrijk terug en wordt daar door de politie opgewacht. De Franse staat aast op een pak achterstallige belastingen. Anthony mag het jaar daarop drie dagen in de gevangenis gaan logeren, maar kan het snel op een akkoord gooien met de fiscus.

Hij sluit, los daarvan, opnieuw een platendeal met EMI. Op dat moment is het een hype, in de slipstream van Stars on 45, medleys op de markt te brengen. Ze besluiten in 1982 een livemedley van zijn grootste hits te releasen onder de titel 12 tubes. Hij neemt ook Minuit op, zijn versie van Memory uit de musical Cats. In de vaste overtuiging dat hij nog kan rekenen op een grote schare fans en dat er nog geld te verdienen valt met zijn oude hits, besluit EMI een verzamelbox uit te brengen van 10 cd’s met in het totaal driehonderd nummers van hem. Tot ieders verbazing is die box na een paar maanden goud! In 1998 is er zijn autobiografie “Il faut croire aux étoiles”. Hij staat dat jaar veertig jaar op de planken en viert dat met een groots optreden in “Le Zénith” in Parijs. Het kost nochtans moeite hem terug op het podium te hijsen, want hij lijdt aan obesitas en is té beschaamd om zich nog aan zijn publiek te vertonen.

Vanaf 2006 gaat Richard Anthony vier jaar lang op tournee met de show “Age tendre et tête de bois”. Hij treedt daar op samen met onder anderen: Alain Delorme, Patrick Juvet, Sheila en Hervé Vilard. Er is een matineevoorstelling en een soiree, telkens goed voor vijfduizend dolenthousiaste fans die uit volle borst meezingen. Zij stellen wel vast dat hij zich bijna niet meer kan bewegen, regelmatig op een barkruk moet gaan zitten tijdens het zingen en moeite heeft met zijn ademhaling, dus ook met zijn stem. Hij begint aan een streng dieet en slaagt erin vijftig kilo te vermageren. In 2009 stellen de dokters darmkanker vast. Hij herstelt traag. Hij probeert tijdens dat herstel de tijd te doden door zijn tweede autobiografie te schrijven “Quand on choisit la liberté”. Hij schrijft zo veel mogelijk van zich af. Het wordt een regelrechte bestseller. Hij duikt ook almaar vaker op tijdens televisieprogramma’s en lijkt als herboren. De drieëntwintigste november 2011 wordt hij door de toenmalige minister van Cultuur Frédéric Mitterrand onderscheiden met de medaille “L’Ordre des Arts et des Lettres”. De twaalfde februari 2012 treedt hij op in een tot de nok gevulde “Olympia”.

De Franse pers wou altijd weten of hij met Johnny Hallyday op goede voet leefde. Hij antwoordde daar een paar jaar geleden nog op: “Il n’y a jamais eu de guerre entre lui et moi, ni avec qui que ce soit d’autre, d’ailleurs. C’était un coup monté par les maisons de disques et par la presse pour faire de la publicité, en faisant parler et ça marchait. Nous, on était bras dessus, bras dessous, avec un but commun: défendre notre musique. J’allais voir Johnny sur scène. J’essayais de lui piquer des trucs en spectacle, mais c’était difficile. Il est tellement exceptionnel. Timide et sauvage comme je suis, je n’ai jamais été une bête sur scène. Je suis plus à l’aise en studio que sur scène. Ce qui m’a sauvé les années passées c’est les tubes que les gens chantaient avec moi. “

In het totaal is Richard Anthony viermaal getrouwd en heeft negen kinderen. Hij stond eenentwintig keer op de eerste plaats in de Franse hitlijsten en is daarmee tussen zijn Franse collega’s de absolute recordhouder. In het totaal nam hij zo’n zeshonderd liedjes op en verkocht méér dan zestig miljoen platen. Het meest spijt heeft hij dat hij op de top van zijn carrière méér dan driehonderd dagen per jaar uithuizig was en zijn kinderen daardoor te weinig heeft gezien. Het heeft ook zijn relaties zwaar belast. Schrik van de dood heeft hij niet, al gelooft hij niet in een hiernamaals, want hij heeft een hekel aan alles wat ook maar enigszins met religie te maken heeft. Het geld heeft hij al die jaren rijkelijk laten rollen. Negen kinderen onderhouden kost aardig wat euro’s. Hij hield van mooie auto’s, had zijn privévliegtuig, bezat dure villa’s in Grimaud, Crans, Gassin, Saint Paul-de-Vence, Marbella, Los Angeles enz… Tot aan zijn dood woonde hij de laatste jaren  in een bescheiden woning langs de avenue de Vallauris in Cannes. Hij is méér dan tevreden met het leven dat hij heeft geleid en met de vele successen die hij heeft gescoord. Hij heeft altijd met de beste muzikanten kunnen werken, de beste orkesten in de beste studio’s. Meestal in Londen. Hij geeft wel toe dat hij niet als zanger in de wieg is gelegd. Hij kikt niet zo op het in de schijnwerpers staan. Dat heeft hem best moeite gekost al die jaren. Liever zocht hij de intimiteit van de studio op. Hij leeft ook liever in de schaduw van het succes. Hij voelt zich geen echte ster, hij wil op die manier zeker niet vergeleken worden met Johnny Hallyday. Zijn hoogtijdagen begonnen in 1962 met J’entends siffler le train en werden in 1967 afgerond toen hij nog eens groots uitpakte in de hitlijsten met Aranjuez mon amour. Trots is hij dat hij de enige Franse artiest is die ook vaak in het buitenland heeft gescoord. Zo stond hij op nummer één in de hitlijsten in Portugal, Zwitserland, België, Argentinië, Chili, Iran, Duitsland en Italië. Hij heeft platen opgenomen in het Frans, Arabisch, Italiaans, Spaans, Engels en het Duits. Hij heeft er vrede mee dat hij in de Franse muziekwereld vaak wordt aangeduid als “le père tranquille du rock”.

Richard Anthony overlijdt na een lange strijd rond tien uur ‘s avonds op zondag de negentiende april 2015 in Pégomas (Alpes -Maritimes) op 77-jarige leeftijd, omringd door zijn geliefden, aan kanker. In 2010 was bij hem al darmkanker vastgesteld.  Hij werd de vierentwintigste april in intieme kring in Cabris begraven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet