Ricky Nelson

Geplaatst in Artiesten

De vierde augustus 1958 introduceerde het inmiddels bekende Amerikaanse muziekblad Billboard voor de eerste maal zijn top honderd en de single die helemaal bovenaan stond, was  Poor little fool van Ricky Nelson.

Vier jaar na zijn geboorte (8 mei 1940) begonnen zijn ouders met hun radioshow “The adventures of Ozzie and Harriet”. Acht jaar later, want het zou een show van lange adem worden, kwamen Ricky en zijn broer David  de gelederen versterken en vanaf oktober 1952 werd de radioshow een televisiegebeuren dat pas veertien jaar later, in september 1966, zou worden opgedoekt. Net als zijn idool Elvis Presley wilde Ricky, en dat vooral op aandringen van zijn toenmalig lief, een muzikale held worden. Met behulp van zijn vader Ozzie en gitarist Barney Kessel werd een opname versierd voor het Verve-label. Ricky’s voorkeur ging uit naar een cover van Fats Domino’s  I’m walking, al zou het de B-kant worden die bij het brede publiek in de smaak viel A teenager in romance. Mei 1957 stond het nummer op de tweede plaats van Billboard’s Top Honderd.

Fats Domino’s platenfirma Imperial had snel door dat Ricky een grote ster kon worden en slaagde erin hem in hun platenstal te lokken. Ricky Nelson maakt hier zijn debuut met Carl Perkins’ Be bop baby, ‘n single die gelijk doorstoot naar de top vijf. Ook de opvolger Waitin’ in school deed het beregoed. Maar Ricky wou meer. HIj wou vaker live gaan optreden met een eigen band en dus werd er gezocht naar goede muzikanten die ze vonden in: gitarist James Burton, bassist James Kirkland, pianist Gene Garf en drummer Richie Frost. Een fantastische combinatie die je goed op dreef hoort in het nummer Shirley Lee. Het liefje van concurrent-collega Eddie Cochran, Sharon Sheeley, schreef graag rockende songs en op zekere dag kreeg Ricky van haar  Poor little fool in handen. Daarnet kon je al lezen dat dit Nelson een nummer één zou opleveren, zijn allereerste.

In tegenstelling tot de wat ruige Elvis Presley, eerder een rasechte hillbilly, was Ricky een cleane jongen met een clean imago, een soort boy next door, dé gedroomde schoonzoon. Hij was de zoon van welgestelde ouders. Toch had hij een voorkeur voor pure rockabilly, al had hij snel door de romantische, dromerige ballads niet aan de kant te laten. Als je zijn repertoire overloopt, dan zal je merken dat het qua releases een voortdurende wisselwerking was tussen trage en snelle nummers. Zo’n zeemzoete ballad werd Baker Knights  Lonesome town, een succes in het najaar van 1958.

Omdat Ricky Nelson niet alleen behoorlijk kon zingen, maar er vooral knap uitzag, werd hem een rol aangeboden in de film “Rio Bravo” aan de zijde van niemand minder dan John Wayne en Dean Martin in een regie van Howard Hawks. Een goede promotie voor Nelsons carrière zo bleek, want datzelfde jaar, 1959, stond Ricky vier keer in de Top Honderd genoteerd: It’s late, Just a little too much, Never be anyone else but you en Sweeter than you. Het jaar daarop zien we hem opnieuw op het witte doek, deze keer in de verfilming van “The wackiest ship in the army”, deze keer samen met Jack Lemmon. Het was wél wachten tot de zomer van 1961 om muzikaal nog eens te scoren en dat deed Ricky met een nummer van Jerry Fuller Travelin’ man.  Jerry had het geschreven met de bedoeling dat Sam Cooke het zou opnemen, maar die bleek er uiteindelijk niet in geïnteresseerd te zijn zodat het wat later bij Ricky terechtkwam. Nochtans zou de B-kant dé Nelsonklassieker bij uitstek worden  Hello Mary Lou, geschreven door niemand minder dan Gene Pitney. Omdat we van details houden toch even dit: Hello Mary Lou bleef haperen op de negende plaats in de top tien terwijl Travelin’ man een regelrechte nummer 1 werd.

Op de dag dat hij 21 werd, de 8ste mei 1961, besloot Ricky zijn maturiteit wat op te krikken en werd hij van dan af Rick genoemd. De elpee “Rick is 21″ moest daar een zichtbaar en hoorbaar bewijs van zijn. Het jaar nadien schrijft Ricky drie grote hits op zijn palmares: Your world, Teenage idol en It’s up to you. Zijn laatste drie op het Imperial-label, want in de loop van de maand februari 1963 ondertekent hij een miljoenencontract bij Decca Records en dat voor een periode van twintig jaar (noot: dat contract zou in maart 1974 vernietigd worden). Die megadeal wordt beklemtoond met de release van You don’t love me anymore, een titel die scherp in contrast staat met zijn huwelijk met Kristin, de dochter van de toenmalige Amerikaanse voetbalster Tom Harmon. Nog eens een monsterhit scoort Rick iets later met de Latijns-Amerikaans getinte versie van Glenn Millers Fools rush in, zowel een hit in Engeland als in Amerika. Na zijn optreden in de film “Love and kisses”  en onder druk van de Britse beatinvasie, gooit Nelson het muzikale roer helemaal om. Hij stapt richting country. De elpee “Bright lights and country music” is daar een eerste getuige van. Hij richt ook een nieuwe band op samen met Allen Kemp,Tom Brumley, Randy Meisner en Pat Shanahan, The Stone Canyon Band met wie hij in 1972 goud haalt met de single Garden party. Zijn eerste miljoenenhit sinds 1961. Ook al nam hij schitterende platen op als Palace Guard en  Windfall, toch zal Rick Nelson nadien niet meer in de hitlijsten opduiken.

En dan geraakt Rick het noorden wat kwijt. Hij belandt in een echtscheiding, sluit snel een nieuwe platendeal, deze keer met Epic, wat geen goede gok blijkt te zijn, en belandt in 1981 bij Capitol Records die in februari van dat jaar in een productie van Jack Nitzsche  de elpee “Playing to win” uitbrengt. Om enigszins in de running te blijven, springt Rick op de nostalgische trein en gaat optreden samen met Fats Domino, Bobby Vee, Bo Diddley en Del Shannon. In Helen Blair vindt Rick Nelson zijn nieuwe geliefde, maar lang zal dat sprookje niet duren, want samen met zijn begeleidingsband en geluidstechnicus Clark Russell komt Rick Nelson de eenendertigste december 1985 in een gecharterde DC-3 op tragische wijze om het leven. Zijn vliegtuig stort die avond neer in het plaatsje DeKalb. Een te hoge dosis cocaïne zou aan de basis van dit ongeval hebben gelegen.

In 1992 verscheen bij Hyperion de biografie “Teenage Idol, Travelin’ Man – the complete biography of Rick Nelson” geschreven door Philip Bashe.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet