Rocco Granata

Geplaatst in Artiesten

“Dertig jaar geleden wou ik stoppen met m’n carrière”, dat vertelde Rocco Granata in september nog aan de verzamelde pers naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag. “Persconferenties geven, promotie voeren, optreden, ik ben het zo beu als koude pap, maar ergens doe ik het nog zo graag!” En als klap op de vuurpijl stelde hij ook nog eens zijn nieuwste cd “Ricominciamo” voor. 2008 is voor Rocco een waar feestjaar. Hij is niet alleen zeventig geworden, maar zijn onafscheidelijke Marina viert haar vijftigste verjaardag en hij is veertig jaar met zijn Rosie getrouwd.

Rocco, afgeleid van de naam Rochus, Granata is een rasechte Italiaan, geboren de zestiende augustus 1938 in Figline Vegliaturo, een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Hij gaat nog wel eens terug naar dat dorp, waar hij dan ‘s nachts in zijn eentje gaat wandelen en herinneringen ophalen, want overdag lukt dat niet, dan wil iedereen dat hij een kopje koffie komt drinken of een hapje mee-eten. In dat dorp woonde een kunstsmid die drie smederijen had en een dochter, en die werd verliefd op een van de kunstsmeden die daar werkte, papa Granata. Hun gezin werd met één dochter en één zoon gezegend. Die zoon Rocco werd streng opgevoed. Zijn ouders duldden niet dat hij op straat rondslenterde met zijn vrienden en stuurden hem daarom naar zijn peter, die kleermaker was. Hij leerde daar knoopsgaten maken en knopen aannaaien. Maar dat boeide hem niet, hij was liever met muziek bezig. Rocco is zeven jaar wanneer hij van de dirigent van de plaatselijke fanfare muziekles krijgt, zijn moeder betaalt dat. Maar lang houdt hij het daar niet uit, want hij is een snelle leerling. Genieten van een optreden door de plaatselijke fanfare is voor Rocco op dat moment jé van hét. Als ze na een concert in het café wat gaan uitblazen, mag hij hun instrumenten vasthouden en betasten. Hij herinnert zich nog hoe in zijn dorp zich op zekere dag mevrouw Maria Cristina als eerste een radio aanschafte, meteen na de oorlog was dat, in 1945. Bij haar thuis muziek meepikken was het liefste wat Rocco deed. Aan het einde van de jaren veertig trekken heel wat Italiaanse mannen naar het buitenland omdat ze gehoord hebben dat ze daar meer geld kunnen verdienen dan in hun thuisland. Sommigen verhuizen naar Venezuela en Brazilië, anderen naar Canada en Argentinië en een hele rist gaan zich in Belgio vestigen. Als Rocco zijn lagere school bijna heeft afgerond, hij is dan negen, besluit zijn vader in ons land te komen werken omdat hij hier veel meer kan verdienen. Drie keer zoveel. Papa Granata had het plan opgevat om in ons land een jaar keihard te werken en met dat geld in hun Italiaans dorp zelf een smederij op te starten. Maar dat ene jaar worden er twee, de eenzaamheid wordt te groot en vader besluit de hele familie te laten overkomen. Rocco ging er niet mee akkoord dat papa naar België trok. Hij blijft een tijdlang behoorlijk boos op zijn vader. Hij uit dat pas veel later in het liedje Paisellu miu. Vooral het gemis van zijn vader speelt hem parten. En plots liggen er tickets op tafel en vraagt papa Granata of de hele familie niet voorgoed naar ons land komt afzakken. Rocco vindt het erg dat hij zijn vrienden ginder moet achterlaten en in een vreemde wereld terechtkomt waar hij niet eens de taal verstaat. De familie Granata gaat in de Kwikstaartstraat in Waterschei wonen. Hier worden ze spaghettivreters genoemd, het woord racisme moet nog worden uitgevonden. Ze passen zich aan en Rocco gaat in zijn gemeente naar de lagere school. Het eerste Nederlandse woord dat hij daar leert, was voetballen, iets wat hij graag doet. In de kerk van Waterschei wordt hij misdienaar, waardoor hij door de leraren graag gezien is. Een brave jongen dus! Wat verderop, in Genk, volgt Rocco muziekles. Opvallend is dat papa zijn zoon een accordeon koopt, maar hij staat erop dat zijn zoon nooit muzikant wordt, professioneel toch niet.

Tot zijn vijftiende loopt Rocco school, plots wil hij niet meer voortstuderen. Papa wil niet dat zijn zoon mijnwerker wordt. Vespa’s zijn op dat moment erg in de mode, daar voelt Rocco wel een band mee. Op zekere dag stopt hij aan een garage in de buurt van het Casino van Beringen en daar mag hij meteen als leerjongen aan de slag. Het is meegenomen dat de eigenaar dol is op muziek. Hij is een Joegoslaaf die in zijn vrije tijd ook muziek speelt, al ziet hij met tegenzin dat Rocco voor, na en ook tijdens zijn werk iets té vaak met muziek bezig is. Drie jaar houdt Rocco het vol in die garage. Zijn leercontract is dan afgelopen en de maat voor de baas meer dan vol. Dat constant met muziek bezig zijn, kan niet meer door de beugel. En die beugel vult zich stilaan met geld, ook al verdient Rocco in die garage amper negentien frank per uur. Geen geld om te verbrassen, maar zoals dat toen de gewoonte was, om thuis keurig aan pa af te geven, die gelijk bij de bank een rekening voor Rocco opent. Vooral links en rechts in diverse cafés muziek spelen doet zijn spaarrekening aangroeien. Dat bracht in die tijd zo’n 250 frank per avond op. Pa komt wel eens luisteren, maar zeggen of het goed of slecht klinkt, geraakt niet over zijn lippen. Om live muziek te maken, had je een beroepskaart nodig en die werd Rocco als allochtoon geweigerd. Op risico van betrapt te worden, blijft hij toch stijfkoppig voortspelen. Pas wanneer hij zijn eerste hit scoort, krijgt hij die beroepskaart. Voor Rocco is die eerste weigering iets wat hem tot de dag van vandaag hoog zit, dat hij als buitenlander minderwaardig werd behandeld.

Op zekere dag komt een Duitse muzikant uit de buurt, Horst Schröder, Rocco vragen of hij niet in zijn kwartet wil meespelen. Hij moet op zijn accordeon hun toenmalige zangeres begeleiden in, hou je vast, operetteliederen uit “Im weissen Rössl”. Naast Rocco speelt nog een Vlaamse jongen uit de buurt en een Hongaar op bas. Het is het moment dat hij beetje bij beetje zijn eerste liedjes begint te schrijven: thuis bij mama aan een kleine tafel met als grote droom ooit een bekend operacomponist te worden. Zijn eerste belangrijke stap in de muziekwereld zet hij als hij zich inschrijft voor het liedjesfestival “La Rondinella d’Oro” (De Gouden Zwaluw) in Luik, waar hij het door hem zelfgeschreven È primavera zingt. Rocco eindigt op een gedeelde eerste plaats samen met een lokale zanger die koste wat het kost in de prijzen moest vallen. Die avond speelt Rocco voor een uitgelaten publiek al de basis van wat enkele dagen later Marina zal worden. Toen al bood zich iemand aan die veel geld op tafel wilde leggen om dat liedje in zijn uitgeverij te krijgen, maar Rocco weigert. De inspiratie voor Marina kreeg Rocco toen hij met zijn orkest in een café in Molenstede in de buurt van Diest speelde, waar de kusjesdans vaak op het menu stond. Hij liep niet zo hoog op met die gewoonte, het kwam hem zelfs de strot uit. Op zekere avond is het weer prijs. Het publiek blijft maar aandringen. In samenspraak met zijn drummer zet Rocco een liedje in dat meer op een improvisatie lijkt dan op wat anders. De maat is 2/4, daar kun je immers ook op stappen, net als op zo’n doordeweekse kusjesdans. Alleen moet hij nu nog een tekst verzinnen. Tegen de muur van dat café hangt een poster van het sigarettenmerk “Marina” en daarmee is de titel van een wereldhit in wording geboren. Let wel dat het vooral nog behelpen is, want Marina zal tekstueel pas later in de studio tijdens de opname van het nummer in de juiste vorm worden gegoten.

Marina droeg Rocco dus niet op aan zijn eerste lief, want die heette Wilma, hij was toen nog maar zeventien. Ook niet aan het eerste meisje dat hij zoende, want die was van Winterslag en heette Elza. Maar voor een vaste relatie had Rocco toen nog geen tijd. Rocco’s liedjes genieten veel bijval tijdens zijn optredens. De mensen vragen almaar vaker of die liedjes niet op plaat staan. Gelukkig heeft Rocco net een contract voor drie maanden getekend bij Jules Nijs, verdeler van jukeboxen en uitbater van dancing De Witte Molen in Aarschot, die via zijn firma een opname kan versieren in de Decca Studio’s in Jette met Achilles Palmans als producer. In twee uur tijd worden samen met het International Quartet twee nummers ingeblikt: Manuela en Marina. De opname van Marina verloopt heel chaotisch, want Rocco heeft zijn tekst nog niet klaar. Tijdens de opname vult hij gaandeweg woorden aan, tot groot ongenoegen van de producer, die dit puur tijdverlies vindt. Een studio kostte toen negenhonderd frank per uur. Maar wonder boven wonder zijn twee uur later beide songs ingeblikt. Manuela wordt de A-kant, maar al snel is duidelijk dat het publiek voor het B-kantje kiest en wordt Marina als hit gepromoot. In het begin moet Rocco zelf met zijn single van café tot café gaan leuren. Er worden driehonderd exemplaren geperst, maar die zijn snel uitverkocht. Rocco klopt bij diverse cafés aan om Marina in de jukebox te krijgen en die manier van promoten loont uiteindelijk. Marina wordt een groot succes en door de familie Van Hooghte in hun uitgeverij ondergebracht. Rocco moet wel een deel van de uitgave aan hen afstaan, iets wat hij nog altijd de grootste fout vindt die hij ooit begaan heeft, maar je kon toen niet anders. Maar in het begin van de jaren zeventig wordt Jos Van Hooghte ziek, zijn uitgeverij komt in de aanbieding en zo kan Rocco de uitgavenrechten van Marina terugkopen.

In de zomer van 1959 staat Marina in ons land op één. Intussen had ook de Nederlandse zanger Willy Alberti het nummer opgenomen en was het via een piloot van KLM tot in Amerika geraakt, waar het in zijn versie op de markt komt. In de maand november van 1959 staat Alberti in de Amerikaanse hitlijsten op de tweeënveertigste plaats. Dat originele singletje is inmiddels twaalf euro waard. Dankzij Jos Van Hooghte, die ook een uitgeverij in Amerika bezit, kan ook de singleversie van Rocco in de States worden gereleaset op het in die tijd bekende Laurielabel en zo bereikt hij in de maand november 1959 de twaalfde plaats in de Cash Box Top 100 en de eenendertigste in Billboard’s Hot One Hundred. Rocco’s singleversie kun je momenteel in Amerika voor zo’n veertien dollar op de kop tikken, tenminste als je de oorspronkelijke versie op het Laurielabel nr. 3041 vindt. In diverse landen krijgt Marina nadien het label evergreen opgekleefd. In zijn memoires over president John Fitzgerald Kennedy schrijft de kok van het Witte Huis dat de president Marina regelmatig floot als hij goedgeluimd was en in de biografie van wielrenner Fausto Coppi lezen we dat op de dag dat hij werd begraven, over de Italiaanse radio de hele dag treurmuziek te beluisteren was én Coppi’s lievelingsliedje Marina.

Ook tijdens de allereerste editie van “De Eregalerij”, een organisatie van Radio 2 en Sabam, gaat het wereldsucces van Marina niet aan het oor van de jury voorbij en wordt deze evergreen voorgoed vereeuwigd, op vrijdag de tiende november 2000 in het Casino van Knokke. Rocco staat die avond glunderend op het podium samen met nog twee andere grote kleppers uit de Vlaamse muziekwereld. Will Tura, die die avond in de prijzen valt met Eenzaam zonder jou, en Toots Thielemans met Bluesette. Diezelfde avond kregen Bobbejaan Schoepen en La Esterella een ereplaats voor “een leven vol muziek”.

Snel na zijn succes in de States kreeg Rocco een miljoenencontract aangeboden om voor onder meer Alan Freed te gaan werken. Zo mag hij in de befaamde Carnegie Hall in New York op het podium staan met Connie Francis in het voorprogramma en zit hij in de show van Tab Hunter en Tommy Sands. Maar de managers hebben nogal wat problemen met de artiest Granata. Die jongen moet dringend een keurig pak en een glamoureuze act worden aangemeten. Hij moet een snelcursus Engels volgen en een stoomcursus podiumtechniek. Hij verdwijnt in een smokingpak, leert statig het podium op lopen, keurig het applaus in ontvangst nemen, al even keurig buigen…, maar dat en al die contractuele verplichtingen voelt Rocco als een keurslijf aan. Ed Sullivan belooft hem dat als hij voor Kerstmis in de top drie belandt, hij een plaats krijgt in zijn razend populaire tv-show, maar zo ver geraakt hij niet en dus krijgt hij ook niet de vijfduizend dollar die Sullivan hem beloofd had. En dus keert Rocco maar al te graag naar Vlaanderen terug.

Hier is het hek helemaal van de dam. Rocco incasseert per optreden met zijn kwartet vijfentwintigduizend frank. De eerste storting van Sabam komt binnen, goed voor twee miljoen frank, een fenomenaal bedrag in die tijd, dat papa Granata meteen op Rocco’s bankrekening stort. Bij zijn terugkeer wacht hem ook een aantrekkelijk contract uit Duitsland. Daar worden in 1960 van Marina alleen al 1.050.264 exemplaren van Rocco’s versie verkocht en nog eens een half miljoen van de Duitse versie van Will Brandes. In 1960 wordt er een Marinafilm opgenomen met naast Rocco bekende sterren zoals Rex Gildo, Silvio Francesco en de operettester Renate Holm. Deze film wordt de start van een hele rist successen bij onze oosterburen met onder meer liedjes als Du schwarzer Zigeuner, Melancholie (gebaseerd op het Wiegenlied van Johannes Brahms) en Tango d’amore. Uitschieter is Buona notte bambino, een top 3-hit in 1963. Oorspronkelijk heeft Rocco dit nummertje in het Italiaans geschreven, maar de Duitse versie wordt een grote meevaller, niet alleen in Duitsland, maar ook bij ons in Vlaanderen en in Nederland.

Vergeten we niet dat na het succes van Marina er uiteraard snel nog een aantal singles in het Italiaans worden uitgebracht zoals Oh oh Rosi, Julia en Carolina, dai. Met dat laatste staat hij in 1961 op het podium van het vermaarde liedjesfestival van San Remo, waar Rocco als finalist op de achtste plaats eindigt. Winnaar is Al di là, gezongen door Luciano Tajoli. Twee jaar later is Rocco al dat rondreizen meer dan zat. Ook het samenwerken met platenbazen en zo zint hem niet meer. Hij verdraagt geen baas boven hem. Hij start een eigen muziekuitgeverij “Granata Music” én een eigen platenfirma “Cardinal Records” omdat hij zag dat er in ons land veel artiesten rondliepen zonder een vast platencontract en hijzelf ook niet echt iemand vond die in zijn muziek geïnteresseerd was. Op een bepaald moment heeft hij veertig mensen in dienst. Ondanks het feit dat hij een Italiaan is die niet perfect onze taal spreekt, richt hij zich vrij snel op het betere Vlaamse lied met in zijn platenstal artiesten als De Elegasten, Will Ferdy en Marva, voor wie hij de meeste hits schrijft. Op zekere dag wordt hij getipt door platenhandelaar Govaerts in Hasselt dat er in hun stad een geweldige kleinkunstzanger rondloopt, maar een die aan geen platencontract kan geraken. In een kleine studio in Hasselt worden vijftien liedjes ingeblikt en de eerste kleinkunstelpee van Miel Cools met onder meer Boer Bavo wordt een schot in de roos. Goed bevriend wordt Rocco met Louis Neefs, voor wie hij liedjes gaat schrijven, onder meer Wat een leven. Op een bepaald moment adviseert Louis Rocco een impresariaat op te richten waar hun eigen artiesten geboekt kunnen worden. In 1965 starten ze met SBO, Show Business Office. Twee jaar later blijken ze geen licentie te hebben voor een dergelijke opdracht en wordt die firma ontbonden. In 1965 krijgen ze een tip van de vader van Jean Blaute, die in Zottegem een platenwinkel uitbaat, dat hij een jonge gast kent die talent zat heeft. Die jongen blijkt Marijn Devalck te zijn. Op dat moment is Adamo erg populair en Marijn wil het in het Frans proberen. Rocco gaat akkoord en verzint de artiestennaam Marino Falco. Hij scoort met liedjes als Je n’ai plus mon papa, Ma première cigarette en Laisse-moi seul. En dan is er het succes en de samenwerking met Marva. In 1967 neemt ze deel aan “Canzonissima” met Een eiland in groen en blauw, een liedje van Rocco op tekst van Phil Van Cauwenbergh, genomineerd in 2000 in “De Eregalerij”, net als Het liedje van de zee, ook een melodie van Rocco, deze keer op tekst van Will Ferdy. Bij Cardinal Records scoren voorts De Elegasten met Wat heb je vandaag op school geleerd, Kris De Bruyne met Klein klein kleuterke, Leen Persijn met Sinds ik jou ken en Jacques Raymond, die als Ray Mondo het internationaal probeert waar te maken met een song als Youre so sympatico. In de marge mogen we niet vergeten te vermelden dat het Rocco is die veel later, we zijn dan al in 1991 aanbeland, het talent onderkent van Sarah Bettens, die hij als eerste een kans gunt, die ze ook met beide handen aangrijpt. Rocco heeft haar mee gelanceerd. Nog dagelijks krijgt hij vele demo’s toegestuurd, maar vriendelijk wijst hij ze alle van de hand. Echt talent is dun gezaaid, zo weet hij als geen ander, en investeren in talent doe je niet zomaar.

De vijftiende augustus 1965 treedt Rocco tijdens een privéfeestje bij een gegoede familie op waar de dochter des huizes als gastvrouw mag aantreden. Dat knap meisje blijkt de dochter van een geneesheer te zijn die in Leuven Germaanse talen studeert. Rocco is meteen verliefd, maar er komt pas een vervolg aan die lovestory wanneer hij haar een jaar later in Leuven opnieuw ontmoet. Samen met haar vriendin zijn ze toen iets gaan drinken. Opnieuw gaat er een jaar voorbij tot ze hem op zekere dag belt met de vraag of hij al getrouwd is en of hij niet eens langs wil komen. De zeventiende oktober 1968 trouwen ze. Rocco is net dertig geworden. Twee jaar later wordt hun zoon geboren en nadien zijn dochter Jessica (zij was ooit betrokken bij de Switelbrand in Antwerpen). Zij zou psychologie studeren en op het kantoor van haar vader gaan werken.

Maar terug naar de carrière van Rocco. Ondanks zijn internationale successen is hij ons land niet vergeten. Hij heeft inmiddels door dat hij met Nederlandstalige liedjes beter op de Vlaamse markt kon inspelen. In 1961 had hij al bijval gescoord met zijn versie van Het Noordzeestrand, een oude hit van Jan Verbraeken, maar begin jaren zeventig heeft hij, nadat zijn succes in Duitsland was gaan tanen, pas écht de Vlaamse smaak te pakken. De negentiende september 1970 horen we Rocco in de Vlaamse Top Tien op één met het door hemzelf geschreven Sarah, waarmee hij enkele weken later op drie staat in de BRT Top Dertig. In die tijd was hij de Nederlandse tekstschrijver Marius Johannes McPhail tegen het lijf gelopen, met wie hij drie hits op rij schrijft. Eerst is er zoals steeds de melodie en dan de tekst: Lieve Heer heb medelij, Jessica, opgedragen aan  zijn dochter en vervolgens Zomersproetjes. Jessica staat de twaalfde februari 1972 op drie geparkeerd in de BRT Top Dertig. De maand voordien, de achttiende december 1971, staat Granata met dit liedje op één in de Vlaamse Top Tien. Zomersproetjes staat begin december in de Top Dertig 1972 op zeven, de drieëntwintigste september al op één in de Vlaamse Top Tien. Voor Lieve Heer heb medelij is er de zestiende juni 1973  een zestiende plaats weggelegd in de BRT Top Dertig en de maand voordien een derde in de Vlaamse Top Tien. Het zijn niet stuk voor stuk liedjes waar Rocco nu nog echt fier over is, ook niet over de meeste liedjes die die periode voorafgingen, maar hij moest nu eenmaal commercieel blijven en dat viel hem soms wat zwaar, want zijn hart lag toen al bij het chanson en de jazz. Na die Vlaamse successen wil Rocco opnieuw internationaal gaan, wat hem uitstekend lukt met de elpee “Twenty fantastic Italian songs”. Rocco is back on the road. Ook de instrumentale elpee “Paradiso” wordt een meevaller en bewijst dat Rocco het vooral van de kracht van zijn eenvoudige melodieën moet hebben, liedjes die je dadelijk raken, ook die zonder woorden.

Precies dertig jaar na zijn eerste wereldsucces met Marina scoort Rocco in 1989 opnieuw een nummer één met dezelfde song, maar dan in een newbeatversie. Hij klopt daarvoor aan bij zijn buurman Serge Ramaekers, de man achter het Europese succes van Confetti’s. Het is nog steeds dezelfde zanger die je hoort, dezelfde accordeon, maar het ritme is aangepast en opnieuw goed voor een wereldhit. Om te beginnen in ons land. De vierentwintigste juni staat Rocco op één in de BRT Top Dertig. Van Duitsland en Oostenrijk, over Mexico, Chili en Argentinië tot in Italië toe, waar de single negen weken lang op één genoteerd staat. Dit succes spoort Rocco aan de cd “That’s amore” in te blikken, een album dat zowel in Brazilië als in Rusland verkrijgbaar is.

In 1998 krijgt Rocco behoorlijk wat media-aandacht voor zijn speciale kerstshow waarmee hij in de Ancienne Belgique op de planken staat. In maart 2000 mag Rocco een Zamu Lifetime Achievement Award in ontvangst nemen voor zijn hele carrière, een eer die hij deelt met onder meer Toots Thielemans, Adamo, Arno en Bobbejaan Schoepen. Die carrière heeft hem door de jaren heen geen windeieren gelegd, maar daarover zwijgt Rocco het liefst in alle talen. Alleen Ludwig Verduyn slaagt er in 2003 in zijn boek “Showbizz in Vlaanderen” in om een tipje van de financiële sluier op te lichten. In de top 20 van rijkste artiesten, met Piet Roelen op kop, staat Rocco op de zeventiende plaats met een geschat vermogen van 1,329 miljoen euro dankzij Cardinal Records en Granata Music Editions. Hij heeft volgens Verduyn ook belangrijke investeringen in vastgoed, onder meer via de vennootschappen Granimmo en Tomychri. Zijn geld heeft hij al die jaren goed belegd, net zoals papa hem dat van in het begin had geleerd. Zuinig zijn, want je weet maar nooit!

Intussen zijn we in 2005 aanbeland. Rocco heeft zo’n jaar of twee aan zijn achtenzestigste album “Paisellu miu” gesleuteld, een cd die hij altijd al had willen opnemen. Hij werkt samen met die andere Italiaan Michel Bisceglia, volgens Rocco een van de beste arrangeurs in ons land, een genie en een muzikant in hart en nieren. Een zaligheid om mee te musiceren. Met tweeënveertig muzikanten trekt Rocco naar Studio Crescendo van zijn Italiaanse vriend Pino Guarraci. De cirkel is rond. Hier zitten drie zonen van Italiaanse mijnwerkers gezellig samen hun ding te doen. Dat inspireert! Er wordt ook een beroep gedaan op enkele solisten die al lang hun sporen hebben verdiend: Custódio Castelo, Jo Lemaire en Toots Thielemans. Over het prijskaartje dat daaraan vasthangt, wil Rocco niets loslaten. Op dit album presenteert Rocco zich als een doorgewinterd chansonnier die zingt zoals hij gebekt is, in het dialect van zijn geboortestreek Calabrië.

Niet zo voor de hand liggend vindt Rocco dat hij de laatste jaren almaar vaker met zijn succes geconfronteerd wordt. Hij weet immers maar al te goed dat het vroeger anders was, alsof hij buiten de schijnwerpers stond. Zijn prestaties werden vaak doodgezwegen. Maar hij is geen man die verbitterd achteromkijkt. “Misschien is het dat wel wat me jong houdt”, zegt hij. Optreden doet hij nog graag, heel graag. Zo gaat hij weer op tournee door Vlaanderen met een programma waarin hij Braziliaanse ritmes combineert met zijn oude hits. “Zolang er niet te veel versterkers aan te pas komen, als het maar eerlijk kan, zachtjes. Niet alleen de begeleiding moet zacht zijn, ik moet mijn liedjes bijna kunnen fluisteren”, want een chanteur à voix is Granata nooit geweest, ook al is elke Italiaan zo’n beetje als een belcantozanger in de wieg gelegd.

“Ik kan niet zo tegen luide muziek”, vertelde Rocco ons. “Op kousenvoeten wil ik wel nog musiceren, nog zo lang mogelijk, want ik heb plannen zat.” Rocco heeft als zanger altijd zwart willen klinken. Ooit zei Toots Thielemans van hem dat hij de Italiaanse blues in zich heeft en dat flatteerde Rocco. Jazz is momenteel een genre dat zijn voorkeur wegdraagt. “Ik hecht me nochtans te zeer aan de traditionele opbouw van een lied: een intro, een couplet, een refrein, een middenstuk en dan afronden. Maar improviseren kan ik wel, al zal ik nooit een echte jazzman wezen.” Maar zingt hij zelf niet in Buona notte bambino “Alles was man will, kann man nicht haben”. Alhoewel, in 2008 ging nog een wens van hem in vervulling, namelijk de release van het album “Ricominciamo”, voor velen hét ultieme Granata-album. Hier klinkt Rocco zoals hij echt is, minder commercieel dan vroeger. Dit album klinkt relaxed omdat Rocco niets meer hoeft te bewijzen, hij kan eindelijk zijn ding doen met die mensen om hem heen die na aan z’n muzikantenhart liggen. Of hij nu weer de baan op wil om dit album aan te prijzen? Liever niet, want daar heeft hij een broertje dood aan: aan promotie voeren, naar recepties gaan. Soms wil Rocco niemand zien. Hij is ook geen terrasjesmens. Hij houdt liever van de eenzaamheid. Lintjes en andere onderscheidingen hoeft hij ook niet. Aan hem is geen adellijke titel besteed: ridders en baronnen zijn een ander soort mensen dan hij. “Als de mensen mijn muziek maar graag horen, ben ik méér dan tevreden.”

Maar laten we eerlijk wezen, de award die Rocco in het Casino van Oostende kreeg voor “een leven vol muziek” heeft hij meer dan verdiend. Misschien een beetje laat, als we eerlijk mogen zijn. Misschien, zo mijmert hij, ben ik altijd een té populaire jongen geweest. Ik heb altijd en voor iedereen tijd willen maken, want we zijn toch maar gewone mensen! In een interview met De Standaard zei hij wat die bekendheid betreft: Er is maar één grote artiest. We noemen hem God, Boeddha of Allah, maar eigenlijk kennen we hem niet.

De zestiende augustus 2008 werd Rocco zeventig. Of hij zich oud voelt? In zijn hoofd wel. Hij kan al lang niet meer alles doen wat hij wil. Hij zou nog willen leren schilderen, nog beter jazz leren spelen, beter worden dan hij in het golf spelen is, want dat kan hij naar het schijnt als een echte pro. Op zijn graf wil hij geschreven zien: Ik heb niet alles kunnen doen wat ik wou, maar stop hem dan niet eerst in een kist, want sinds hij in een lift heeft vastgezeten, heeft hij last van claustrofobie. Dolgraag zou hij nog professor etymologie willen worden omdat de oorsprong van woorden hem zo fascineert. Dieper ingaan op het leven, dat boeit hem ook erg, iets meepikken van de levensfilosofie van de jezuïeten, al zou hij in scherp contrast daarmee willen dat hij niet meer hoefde te denken, dat zijn hersenen hem, al was het maar voor even, met rust lieten. Maar wel met mooie gedachten als herinnering zoals aan dat moment waarop hij zijn eerste plaat in ontvangst mocht nemen en zijn naam op het etiket zag staan, de ontmoeting met zijn vrouw, zijn zoontje en dochter geboren zien worden.

In 2010 ondergaat Rocco in het Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis in Aalst een hartoperatie nadat artsen bij hem enkele lekkende hartkleppen hebben ontdekt. Hij herstelt volledig en trakteert zichzelf op het album “Rocco con Buscemi” met daarop eigenzinnige versies van La vita è bella, Oh oh Rosie en Mambo Italiano. Buscemi is het pseudoniem van de Belgische dj Dirk Swartenbroekx die in diverse stijlen, zoals lounge, house, jazz, afrobeat en drum-’n-bass, knappe albums aflevert. “Rocco con Buscemi” wordt voor Rocco zelf een soort muzikale kers op de taart. Het liedje O Sarracino uit dit album wordt zelfs een hit. In de Radio 2 Top Dertig vinden we het de zesde augustus 2011 terug op de vijfde plaats. Hij verneemt van regisseur Stijn Coninx dat hij volop bezig is met de voorbereidingen van een film waarvoor het leven van Rocco Granata de basis vormt, het verhaal van een migrant die er als geen ander in geslaagd is van zijn leven een sprookje te maken. Het wordt daarnaast ook een universeel verhaal over wat mensen allemaal doen om respect, liefde en warmte te vinden. Voor deze verfilming werd in 2008 al scenariosteun toegezegd door het Vlaams Audiovisueel Fonds. Vier jaar later gingen de opnamen van start. Een deel van de film wordt in Calabrië opgenomen en daarnaast ook scènes in Beringen en op enkele andere locaties in Limburg. De rol van Rocco wordt vertolkt door Matteo Simoni en die van Rocco’s vriendinnetje door Evelien Bosmans. Daarnaast zien wij ook Luigi Lo Cascio, Donatella Finocchiaro, Chris Van den Durpel en Warre Borgmans. De muziek is van de hand van Michel Bisceglia. Stijn Coninx schreef het scenario samen met Rik D’hiet. Op het filmfestival van Montréal gaat “Marina”, in een productie van Peter Bouckaert en Eyeworks in coproductie met de gebroeders Dardenne en het Italiaanse Orisa, de tweeëntwintigste augustus 2013 in première, waar “Marina” is geselecteerd als onderdeel van het prestigieuze “World Greats”-programma in officiële selectie. Twee maanden later is de film in de Belgische bioscopen te zien.

Tijdens de opname van “Rocco con Buscemi” leert Rocco Enrique Noviello kennen, een Argentijnse straatmuzikant die hij eerder in de straten van Antwerpen had horen spelen. Enrique was in 2002 al vanuit Argentinië in Antwerpen neergestreken en had de groep El Juntacadáveres opgericht, waarmee hij in het Antwerpse de triphoptango had gelanceerd. Enrique is daarnaast ook erg goed onderlegd in la murga, een zeer populaire muziekstijl in Argentinië en Uruguay, vaak gehoord tijdens het carnaval. Samen met Noviello neemt Rocco in 2013 het album “Argentina” op, een mix van Italiaanse liedjes gekruid met suave nu-bossanovamuziek. Tijdens de opnamen van het album “Argentina” kreeg Rocco de muzikale steun van Los Auténticos Decadentes, de bekendste murgaband in Argentinië. Het nummer El Murguero uit dit album wordt een onverwachte radiohit.

In 2014 wordt vanaf de eerste augustus in de Genkse Vennestraat 197 “Rocc-O-rama” ingericht, een pop-upexpo over Rocco Granata. Die tentoonstelling heeft plaats in de voormalige discobar waar Rocco zijn eerste vijfentwintig singletjes verkocht. Er staat onder meer een oude jukebox, een creatieve tijdslijn van Rocco’s leven in een schitterend decor waar de bezoeker met een levensgrote afbeelding van Rocco op de foto kan. Vrijdag de veertiende november 2014 geeft Rocco in C-Mine Cultuurcentrum in Genk de aftrap van zijn definitieve afscheidstournee. Een laatste keer zal hij de Vlaamse concertzalen in vuur en vlam zetten. Hij zal daarvoor uit zijn onmetelijk oeuvre zijn bekendste liedjes kiezen, aangevuld met pakkende beelden die naar zijn geliefde geboortestreek verwijzen. Hij zal tevens fragmenten brengen uit zijn album “Rocco con Buscemi”. Hij wordt tijdens deze tournee begeleid door een orkest onder leiding van Michel Bisceglia.

Voor de rest van zijn verhaal gunnen wij Rocco Granata nog veel succes en tijd voor zijn vele liefdes: zijn liefde voor Verdi en Puccini, voor treinen en stations, voor Italiaanse koffie, zijn liefde voor de schilders van de Latemse school, voor kamillethee, voor Francis Ford Coppola, voor Portugal en Lissabon in het bijzonder, voor Italiaanse auto’s, basilicum, pasta en rode wijn en vooral zijn liefde voor … rust en stilte!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Bri