Rocco Granata

Geplaatst in Artiesten

Rocco (afgeleid van de naam Rochus) Granata is een rasechte Italiaan, geboren de 16de augustus 1938 in Figline Vegliaturo, een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Hij gaat nog wel eens terug naar dat dorp, waar hij ‘s nachts in zijn eentje gaat wandelen en herinneringen ophalen, want overdag lukt dat niet, dan wil iedereen dat hij een kopje koffie komt drinken of een hapje komt meeëten. In dat dorp woonde een kunstsmid die drie smederijen had en een dochter en die werd verliefd op één van de kunstsmeden die daar werkte, papa Granata. Hun gezin werd met één dochter en één zoon gezegend.

Die zoon werd streng opgevoed. Zijn ouders duldden niet dat hij op straat rondslenterde met zijn vrienden en stuurden hem daarom naar zijn peter die kleermaker was. Hij leerde daar knoopsgaten maken en knopen aannaaien. Maar dat boeide hem niet zo, hij was liever met muziek bezig. Rocco was zeven jaar toen hij van de dirigent van de plaatselijke fanfare muziekles kreeg, zijn moeder betaalde dat. Maar lang heeft hij het daar niet uitgehouden, want hij was een snelle leerling. Genieten van een optreden door de plaatselijke fanfare was voor Rocco je van hét. Als ze in het café wat gingen uitblazen, mocht hij even hun instrumenten vasthouden en betasten. Hij herinnert zich nog hoe in zijn dorp op zekere dag zich mevrouw Maria-Christina als eerste een radio aanschafte, meteen na de oorlog was dat, in 1945. Aan het einde van de jaren veertig trokken heel wat Italiaanse mannen naar het buitenland omdat ze gehoord hadden dat ze daar meer geld konden verdienen. Sommigen verhuisden naar Venezuela en Brazilië, anderen naar Canada en Argentinië en een hele rist gingen zich in Belgio vestigen.Toen Rocco zijn lagere school bijna had afgerond, hij was toen 9 jaar, besloot zijn vader in ons land te komen werken omdat hij hier veel meer geld kon verdienen dan in Italië.  Drie keer zo veel. Papa Granata had het plan opgevat om in ons land ‘n jaar keihard te werken en met dat geld in hun Italiaans dorp zelf een smederij te installeren. Maar dat ene jaar, werden er twee en toen werd de eenzaamheid hem te groot en besloot vader de ganse familie te laten overkomen. Rocco ging daar toen niet mee akkoord en was een tijd boos op zijn vader. Hij uitte dat pas veel later in het liedje ‘Paisellu miu’. Vooral het gemis van zijn vader speelde hem parten. En plots lagen er tickets op tafel en vroeg papa Granata of de ganse familie niet voor goed naar ons land kwam afzakken.  Hij vond het erg dat hij zijn vrienden ginder moest achterlaten, in een vreemde wereld terechtkwam waar hij niet eens de taal verstond. De familie Granata ging in de Kwikstaartstraat in Waterschei wonen. Hier werden ze spaghettivreters genoemd, maar het woord racisme moest toen nog worden uitgevonden. Je pastte je aan en Rocco ging in zijn gemeente naar de lagere school. Het eerste Nederlandse woord dat hij daar  leerde was voetballen, iets dat hij graag deed. In de kerk van Waterschei werd hij misdienaar waardoor hij door de leraren graag gezien was. Een brave jongen dus! Wat verderop, in Genk, gaat Rocco muziekles volgen. Vreemd  was dat papa zijn zoon een accordeon kocht, maar er op stond dat zijn zoon nooit muzikant zou worden, professioneel toch niet .

Tot zijn vijftiende liep Rocco school, plots wou hij niet voortstuderen. Zijn vader stond er op dat zijn zoon geen  mijnwerker zou worden. Vespa’s waren toen in de mode, daar had Rocco wel wat mee. Op zekere dag stopte hij aan ‘n garage in de buurt van het Casino van Beringen en daar mocht hij meteen als leerjongen aan de slag. Leuk voor hem was dat de eigenaar dol was op muziek. Hij was een Joegoslaaf die in zijn vrije tijd ook muziek speelde, al zag hij met tegenzin dat Rocco voor, na en ook tijdens zijn werk iets te vaak met muziek bezig was. Drie jaar hield hij het vol in die garage. Zijn leercontract was afgelopen en de maat was méér dan vol. Dat constant met muziek bezig zijn  kon niet meer door de beugel vond de baas. En die beugel vulde zich stilaan met geld, ook al verdiende Rocco in die garage amper 19 frank per uur. Niet om te verbrassen, maar zoals dat toen de gewoonte was, om thuis keurig aan pa af te geven die dadelijk bij de bank een rekening voor Rocco opende. Vooral muziek spelen links en rechts in diverse cafés deed zijn spaarrekening aangroeien. Dat bracht in die tijd per avond zo’n 250 frank op. Pa kwam  wel eens luisteren, maar zeggen of het goed of slecht was, kwam niet over zijn lippen. Om live muziek te maken, had je een beroepskaart nodig en die werd Rocco als allochtoon geweigerd. Op risico van betrapt te worden bleef hij toch stijfkoppig voortspelen. Pas wanneer hij zijn eerste hit scoort, krijgt hij die beroepskaart. Voor Rocco was die weigering iets dat hem tot de dag van vandaag hoog zit, dat zij als buitenlanders minderwaardig werden behandeld.

Op zekere dag kwam een Duitse muzikant uit de buurt, Horst Schröder, Rocco vragen of hij niet wou meespelen in hun quartet. Hij moest op zijn accordeon hun toenmalige zangeres begeleiden  in, hou je vast,  operette liederen uit  Im weissen Rössl. Naast Rocco speelde nog een Vlaamse jongen uit de buurt en een Hongaar op bas.  Het was ook hier dat hij beetje bij beetje zijn eerste liedjes begon te schrijven, thuis bij mama aan een kleine tafel met als grote droom ooit een bekend operacomponist te worden. Zijn allereerste belangrijke stap in de muziekwereld zette hij toen  hij zich inschreef voor het liedjesfestival ‘La rondinella d’oro’ (De gouden zwaluw)   in Luik waar hij het door hem zelf geschreven ‘E  primavera’ zong. Rocco eindigde wel op een gedeelde eerste plaats samen   met een lokale zanger die koste wat het kost in de prijzen moest vallen. Die avond speelde Rocco voor een uitgelaten publiek al de basis van wat enkele dagen  later Marina zou worden. Toen ook bood zich iemand aan, die veel geld op tafel wilde leggen om dat liedje in zijn uitgeverij te krijgen, maar Rocco weigerde.

De inspiratie voor ‘Marina’ kreeg Rocco toen hij met zijn orkest in een café speelde in Molenstede, in de buurt van Diest, waar de kusjesdans vaak op het menu stond. Hij liep niet zo hoog op met die gewoonte, het kwam zelfs zijn strot uit. Op zekere avond was het weer prijs. Het publiek bleef maar aandringen. In samenspraak met zijn drummer zette Rocco een liedje in dat meer op een improvisatie leek dan op wat anders. De maat was 2/4, daar kon je ook op stappen  net als op zo’n doordeweekse kusjesdans. Alleen moest hij nu nog maar een tekst verzinnen. Tegen de muur van dat café hing een poster van het sigarettenmerk Marina en daarmee was de titel van een wereldhit in wording geboren. Let wel dat het nog behelpen was, want Marina zou tekstueel pas later in de studio tijdens de opname in de juiste vorm worden gegoten. ‘Marina’ droeg Rocco dus niet op aan zijn eerste lief, want die heette Wilma, hij was toen nog maar zeventien en ook niet aan het eerste meisje dat hij zoende, want die was van Winterslag en heette Elza. Maar voor een vaste relatie had Rocco toen nog geen tijd. Rocco’s liedjes genoten veel bijval tijdens zijn optredens. De mensen vroegen almaar vaker of hij die liedjes niet op plaat kon zetten. Gelukkig had Rocco net een contract voor drie maanden getekend bij Jules Nijs, een verdeler van jukeboxen en uitbater van dancing ‘De Witte Molen’  in Aarschot, die via zijn firma een opname kon versieren in de Decca studio’s in Jette met Achiel Palmans als producer. In twee uur tijd werden samen met het International Quartet twee nummers ingeblikt: ‘Manuela’ en ‘Marina’. De opname van ‘Marina’ verliep heel chaotisch, want Rocco had zijn tekst niet klaar. Tijdens de opname vulde hij al naargelang de woorden aan, tot groot ongenoegen van de producer die dit puur tijdverlies vond. Een studio kostte toen 900 frank per uur. Maar wonder boven wonder waren twee uur later, beide songs ingeblikt. ‘Manuela’ zou de a-kant worden. Al snel werd duidelijk dat het publiek voor het b-kantje koos en werd ‘Marina’ als hit gepromoot. In het begin moest Rocco zelf met zijn single gaan leuren, van café tot café. Aanvankelijk werden er driehonderd exemplaren geperst, maar die geraakten snel uitverkocht. Rocco klopte bij  diverse cafés  aan om ‘Marina’ in de jukebox  te krijgen en die manier van promoten loonde uiteindelijk. ‘Marina ‘ werd een groot succes en door de familie Van Hooghte in hun uitgeverij ondergebracht. Rocco moest wel een deel van de uitgave aan hen afstaan, iets dat hij nog altijd de grootste fout vindt die hij ooit begaan heeft, maar je kon toen niet anders. Hij was blij als een kind toen hij zijn naam op de platenhoes zag staan. In het begin van de jaren zeventig wordt Jos Van Hooghte ziek, zijn uitgeverij komt in de aanbieding en zo kan Rocco de uitgaverechten van Marina terug kopen.

In de zomer van 1959 stond ‘Marina’ in ons land op nummer 1. Intussen had ook de Nederlandse zanger Willy Alberti het nummer opgenomen en was het via een piloot van KLM tot in Amerika geraakt waar het op de markt komt. In de maand november van 1959 staat Alberti in de Amerikaanse hitlijsten op een 42ste plaats. Dat originele singletje is inmiddels 12 euro waard. Dankzij Jos Van Hooghte die ook een uitgeverij in Amerika had, kon ook de singleversie van Rocco in de States worden gereleaset op het in die tijd bekende Laurie label en  zo bereikte hij in de maand november 1959 de 12de plaats in de Cash Box top 100 en de 31ste plaats in Billboard’s hot one hundred. Rocco’s singleversie kan je momenteel in Amerika voor zo’n 14 dollar op de kop tikken, tenminste als je de oorspronkelijke versie op het Laurie label nr 3041 vindt. In diverse landen kreeg  ‘Marina’ nadien  het label evergreen opgekleefd. In zijn memoires over president John Fitzgerald Kennedy schrijft de kok van het Witte Huis dat de president ‘Marina’ regelmatig floot als hij goed geluimd was en in de biografie van wielrenner Fausto Coppi lezen we dat op de dag dat hij werd begraven over de Italiaanse radio de ganse dag treurmuziek te beluisteren was én Coppi’s lievelingsliedje ‘Marina’. Ook tijdens de allereerste editie van de Eregalerij ging het wereldsucces van ‘Marina’ niet aan het oog van de jury voorbij en werd deze evergreen voor goed vereeuwigd tijdens de allereerste editie van De Eregalerij, een organisatie van Radio 2 en Sabam, op vrijdag de 10de november 2000 in het Casino van Knokke. Rocco  stond glunderend op het podium samen met nog twee andere grote kleppers uit de Vlaamse muziekwereld. Will Tura die die avond  in de prijzen viel met ‘Eenzaam zonder jou’ en Toots Thielemans met ‘Bluesette’. Diezelfde avond kregen Bobbejaan Schoepen en La Esterella een ereplaats voor ‘een leven vol muziek’.

Snel na zijn succes in de States kreeg Rocco een miljoenencontract aangeboden om  voor ondermeer Alan Freed te gaan werken. Zo mocht hij in de befaamde Carnegie Hall in New York op het podium staan met Connie Francis in het voorprogramma en zat hij in de show van Tab Hunter en Tommy Sands. Maar de managers hadden nogal wat problemen met Granata als zanger. Die jongen moest dringend een keurig pak en een act worden aangemeten. Hij moest een snelcursus Engels volgen en een stoomcursus podiumtechniek. Hij verdween in een smoking, leerde statig het podium op lopen, keurig het applaus in ontvangst nemen, al even keurig buigen enz…, maar dat en al die contractuele verplichtingen voelde Rocco als een keurslijf aan. Ed Sullivan beloofde hem als hij voor kerstmis in de top drie zou belanden hij een plaats kreeg in zijn razend populaire tv-show, maar zo ver geraakte hij niet en kreeg hij ook niet de 5.000 dollar die Sullivan hem beloofd had. En dus keerde Rocco maar al te graag naar Vlaanderen terug.

Hier was het hek helemaal van de dam. Rocco mocht per optreden met zijn quartet 25.000 frank incasseren. De eerste storting van Sabam kwam binnen, goed voor 2 miljoen frank, een fenomenaal bedrag in die tijd, dat papa Granata meteen op Rocco’s rekening stortte.Bij die terugkeer wacht hem thuis een aantrekkelijk contract uit Duitsland. Daar werden in 1960 van ‘Marina’ alleen al 1.050.264 exemplaren van Rocco’s versie verkocht en nog eens een half miljoen van de versie van Will Brandes. In 1960 wordt er een Marina-film opgenomen met naast Rocco bekende sterren als Rex Gildo, Silvio Francesco en de operettester Renate Holm. Deze film werd de start van een hele rist successen bij onze oosterburen met ondermeer liedjes als: ‘Du schwarzer Zigeuner’, ‘Melancholie’ (gebaseerd op het Wiegenlied van Johannes Brahms)  en ‘Tango d’amore’. Uitschieter werd ‘Buona notte bambino’, een top 3 hit in 1963. Oorspronkelijk had Rocco dit nummertje in het Italiaans geschreven, maar de Duitse versie werd een grote meevaller, niet alleen in Duitsland, maar ook bij ons in Vlaanderen en in Nederland.

Vergeten we niet dat na het succes van ‘Marina’ er uiteraard  snel nog een aantal singles in het Italiaans worden uitgebracht zoals: ‘Oh oh Rosi’, ‘Julia’ en ‘Carolina dai’. Met dat laatste staat hij in 1961 later op het podium van het vermaarde San Remo liedjesfestival waar Rocco als finalist op de achtste plaats eindigt. Winnaar werd ‘Al di la’ gezongen door  Luciano Tajoli. Twee jaar later is Rocco al dat rondreizen méér dan zat. Ook het samenwerken met platenbazen en zo zint hem niet meer. Hij verdraagt geen baas boven hem. Hij start een eigen muziekuitgeverij  Granata music én een eigen platenfirma Cardinal records omdat hij zag dat er in ons land veel artiesten rondliepen zonder een vast platencontract en hij zelf ook niet echt iemand vond die in zijn muziek geïnteresseerd was. Op een bepaald moment heeft hij 40 mensen in dienst. Ondanks het feit dat hij een Italiaan is die niet perfect onze taal sprak, richtte hij zich vrij snel op het betere Vlaamse lied met in zijn platenstal artiesten als De Elegasten, Will Ferdy, Marva voor wie hij de meeste hits schreef.

Op zekere dag wordt hij getipt door platenhandel Govaerts in Hasselt dat er in hun stad een geweldige kleinkunstzanger rondloopt, maar een die aan geen platencontract kan geraken. In een kleine studio in Hasselt worden 15  liedjes ingeblikt en de eerste kleinkunstelpee van Miel Cools met ondermeer Boer Bavo wordt een schot in de roos. Goed bevriend wordt Rocco met Louis Neefs voor wie hij liedjes gaat schrijven ondermeer ‘Wat een leven’. Op een bepaald moment adviseerde Louis, Rocco een impressariaat op te richten waar hun eigen artiesten konden geboekt worden. Op zekere dag krijgen ze een tip van de vader van Jean Blaute, die in Zottegem een platenwinkel uitbaat, dat hij een jonge gast kent die talent zat heeft. Die jongen blijkt Marijn de Valck  te zijn. Op dat moment was Adamo erg populair en Marijn wou het in het frans proberen. Rocco gaat akkoord en verzint de artiestennaam Marino Falco. Hij scoort met liedjes als ‘Je n’ai plus mon papa’, ‘ Ma première cigarette’ en ‘Laisse-moi seul’. En dan is er het succes en de samenwerking van en met Marva. In 1967 nam ze deel aan Canzonissima met ‘Een eiland in groen en blauw’, een liedje van Rocco op tekst van Phil van Cauwenbergh, genomineerd in 2000 in de Eregalerij net als  ‘Het liedje van de zee’, ook een melodie van Rocco, maar deze keer op tekst van Will Ferdy.

Bij Cardinal records scoren voorts de Elegasten met ‘Wat heb je vandaag op school geleerd’, Kris de Bruyne met ‘Klein klein kleuterke’, Leen Persijn met ‘Sinds ik jou ken’ en Jacques Raymond die als Ray Mondo het internationaal probeert waar te maken met een song als  ‘You’re so sympatico’. In de marge mogen we niet vergeten te vermelden dat het Rocco is die veel later, we zijn dan al in 1991 aanbeland, het talent onderkent van Sarah Bettens die hij als eerste een kans gunt, die ze ook met beide handen aangrijpt. Rocco heeft haar mee gelanceerd. Nog dagelijks krijgt hij vele demo’s toegestuurd, maar vriendelijk wijst hij ze alle van de hand. Echt talent is dun gezaaid, zo weet hij als geen ander en investeren in talent doe je niet zo maar.

De 15de augustus 1965 gaat Rocco optreden tijdens een privé feestje bij een gegoede familie waar de dochter des huizes als gastvrouw mag aantreden. Dat knap meisje blijkt de dochter  van een geneesheer te zijn die in Leuven Germaanse talen studeert. Hij weet nog dat hij op het domein van haar vader optrad tijdens een feest georganiseerd door de plaatselijke fanfare. Rocco was meteen verliefd op die knappe gastvrouw, maar er kwam pas een vervolg aan die love story als hij haar een jaar later in Leuven ontmoet. Samen met haar vriendin zijn ze toen iets gaan drinken. Opnieuw ging er een jaar voorbij, tot ze hem op zekere dag belt met de vraag ‘of hij al getrouwd is en of hij niet eens langs wil komen’. De 17de oktober 1968 trouwen ze. Rocco was toen net 30 geworden. Twee jaar later wordt hun zoon geboren en nadien zijn dochter Jessica (zij was ooit betrokken bij de Switel brand in Antwerpen). Ze heeft psychologie gestudeerd en  werkt sinds een tijdje op het kantoor van haar vader. Intussen is Rocco al 5 keer opa.

Maar terug naar de carrière van Rocco. Ondanks zijn  internationale  successen was hij ons land niet vergeten. Hij had inmiddels door dat hij met Nederlandstalige liedjes beter op de Vlaamse markt kon inspelen. In 1961 had hij al bijval gescoord met zijn versie van het ‘Noordzeestrand’, een oude hit van Jan Verbraeken, maar begin jaren zeventig kreeg hij, nadat zijn succes in Duitsland begon te tanen, pas echt de Vlaamse smaak te pakken. In die tijd was hij de Nederlandse tekstschrijver Maris Mac Phail tegen het lijf gelopen met wie hij drie hits op rij schrijft. Eerst is er zoals steeds de melodie en dan de tekst: ‘Lieve Heer hebt medelij’, ‘Jessica’ geschreven in 1972, het jaar dat zijn dochter Jessica wordt geboren en vervolgens ‘Zomersproetjes’. Het zijn niet stuk voor stuk liedjes waar Rocco nu nog echt fier over is, ook niet over de meeste liedjes die die periode vooraf gingen, maar hij moest nu eenmaal commercieel blijven en dat viel hem soms wat zwaar, want zijn hart lag toen al bij het chanson en de jazz.

Na die Vlaamse successen wil Rocco opnieuw internationaal gaan wat hem uitstekend lukt met de elpee ‘Twenty fantastic Italians songs’. Rocco was back on the road. Ook de instrumentale elpee ‘Paradiso’ wordt een meevaller en bewijst dat Rocco het vooral van de kracht van zijn eenvoudige melodieën moet hebben, liedjes die je dadelijk  raken, ook die zonder woorden. Precies dertig jaar na zijn eerste wereldsucces met ‘Marina’  scoort Rocco in 1989 opnieuw een nummer 1 met dezelfde song, maar dan in een new beat versie. Hij klopt daarvoor aan bij zijn buurman Serge Ramaekers de man achter het Europees succes van The Confetti’s. Het was nog steeds dezelfde zanger die je hoorde, dezelfde accordeon, maar het ritme was heel eigentijds en opnieuw goed voor een wereldhit. Van Duitsland en Oostenrijk, over Mexico, Chili en Argentinië tot in Italië toe waar de single 9 weken lang op nummer 1 genoteerd staat. Dit succes spoort Rocco aan de cd ‘That’s amore’ in te blikken, een album dat zowel in Brazilië als in Rusland verkrijgbaar is.

In 1998 krijgt Rocco behoorlijk wat media-aandacht voor zijn speciale kerstshow waarmee hij in de Ancienne Belgique op de planken staat. In maart 2000 mag Rocco een Zamu Lifetime Achievement Award in ontvangst nemen voor zijn hele carrière, een eer die hij deelt met ondermeer Toots Thielemans, Adamo, Arno en Bobbejaan Schoepen. Die carrière heeft hem door de jaren heen geen windeieren gelegd, maar daarover zwijgt Rocco het liefst in alle talen. Alleen Ludwig Verduyn slaagde er in 2003 voor zijn boek ‘Show bizz in Vlaanderen’ in een tipje van de financiële sluier op te lichten. In de top 20 van rijkste artiesten, met Piet Roelen op kop,  staat Rocco op de 17de plaats met een geschat vermogen van 1,329 miljoen euro dankzij Cardinal Records en Granata Music Editions. Hij realiseerde volgens Verduyn ook belangrijke investeringen in vastgoed onder meer via de vennootschappen Granimmo en Tomychri. De centjes had hij al die jaren goed belegd net zoals papa hem dat van in het begin had geleerd. Zuinig zijn, want je weet maar nooit!

Intussen zijn we in 2005 aanbeland. Rocco heeft zo’n jaar of twee gewerkt aan wat zijn 68ste album moet worden ‘Paisellu miu’, een cd die hij altijd al had willen opnemen.  Hij gaat samenwerken met die andere Italiaan Michele Bisceglia,  volgens Rocco een van de beste arrangeurs in ons land, een genie en een muzikant in hart en nieren. Een zaligheid om mee te arrangeren en te musiceren. Met 42 muzikanten trekt Rocco naar Studio Crescendo van zijn Italiaanse vriend Pino Guaracci. De circel is rond. Hier zitten drie zonen van Italiaanse mijnwerkers gezellig samen hun ding te doen. Dat inspireert!  Er wordt ook beroep gedaan op enkele solisten die al lang hun sporen hebben verdiend: Custodio Castelo, Jo Lemaire en Toots Thielemans. Over het prijskaartje dat daaraan vasthangt, wil Rocco nog altijd niet praten. Op dit album presenteert Rocco zich als een doorgewinterd chansonnier die zingt zoals hij gebekt is, in het dialect van zijn geboortestreek Calabrië.

Niet zo voor de hand liggend vindt Rocco dat hij de laatste jaren almaar vaker met zijn succes geconfronteerd wordt. Hij weet immers maar al te goed dat het vroeger anders was, alsof hij buiten de schijnwerpers optrad. Zijn prestaties werden vaak doodgezwegen. Maar hij  is geen man die verbitterd achterom kijkt. ‘Misschien is het dat wel wat me jong houdt’, zegt hij. Optreden doet hij wel nog graag, heel graag. Zo gaat hij weer op  tournee door Vlaanderen met een programma waarin hij Braziliaanse ritmes wil combineren met zijn oude hits. ‘Zolang er niet te veel versterkers aan te pas komen, als het maar eerlijk kan, zachtjes. Niet alleen de begeleiding moet zacht zijn, ik moet mijn liedjes bijna kunnen fluisteren’, want een chanteur à voix is Granata nooit geweest, ook al wordt elke Italiaan zo’n beetje als een belcanto zanger in de wieg gelegd.  Dat wil de legende toch.

‘Ik kan niet zo tegen luide muziek vertelde Rocco ons. Op kousenvoeten wil ik wel nog musiceren, nog zo lang mogelijk, want ik heb plannen zat’. Rocco heeft als zanger altijd zwart willen klinken. Ooit zei Toots Thielemans van hem dat hij de Italiaanse blues in zich heeft en dat flateerde Rocco. Jazz is momenteel een genre dat zijn voorkeur wegdraagt. ‘Ik hecht me nochtans te zeer aan de tradionele opbouw van een lied: een intro, een couplet, een refrein, een middenstuk en dan afronden. Maar improviseren  kan ik wel, al zal ik nooit een echte jazzman wezen’. Maar zingt hij niet in Buona notte bambino ‘Alles was man will, kan man nicht haben’.

Alhoewel, er ging nog een wens van hem in vervulling, namelijk  de release van het album ‘Ricominciamo’, voor velen hét ultieme Granata album. Hier klinkt Rocco zoals hij echt is, minder commercieel dan vroeger. Dit album klinkt relaxed omdat Rocco niets meer hoeft te bewijzen, hij kan eindelijk zijn ding doen met die mensen om hem heen die na aan z’n muzikantenhart liggen. Of hij nu weer de baan op wil om dit album aan te prijzen? Liever niet, want daar heeft hij een broertje dood aan: aan promotie voeren,  naar recepties gaan. Soms wil Rocco niemand zien. Hij is ook geen terrasjesmens. Hij houdt eigenlijk liever van de eenzaamheid. Lintjes en andere onderscheidingen hoeft hij ook niet. Aan hem is geen adellijke titel besteed: ridders en baronnen zijn een ander soort mensen dan hij.  ‘Als de mensen mijn muziek maar graag horen, ben ik méér dan tevreden’.

Maar laat ons eerlijk wezen, de award die Rocco in het Casino van Oostende kreeg voor een leven vol muziek heeft hij méér dan verdiend.  Misschien een beetje laat als we eerlijk durven zijn. ‘Misschien’, zo mijmert hij, ‘ ben ik altijd een té populaire jongen geweest. Ik heb altijd en voor iedereen tijd willen maken, want we zijn toch maar gewone mensen!’  In een interview met de Standaard zei hij onlangs wat die bekendheid  betreft: ‘Er is maar één grote artiest. We noemen hem God, Boeddha of Allah, maar eigenlijk kennen we hem niet’.

Gelukkig gaat regisseur Stijn Coninx dit binnenkort allemaal goed maken, want hij is volop bezig met de voorbereidingen voor een film over het leven van Rocco Granata, een migrant die er als geen ander in geslaagd is van zijn leven een sprookje te maken. Tegen 2010 zouden de opnamen van start moeten gaan. Dat de film ‘Marina’ zal gaan heten, ligt voor de hand, tenzij jij  een betere titel kan verzinnen!

De  16de augustus 2008 werd Rocco 70. Of hij zich oud voelt? In zijn hoofd wel. Hij kan al lang niet meer alles doen wat hij wil. Hij zou nog willen leren schilderen, nog beter leren jazz spelen,  beter worden dan hij in het golf spelen is, want dat kan hij naar het schijnt als een echte pro. Op zijn graf wil hij geschreven zien  ‘Ik heb niet alles kunnen doen wat ik wou’, maar stop hem dan niet eerst in een kist, want sinds hij in een lift heeft vastgezeten, heeft hij last van claustrofobie. Dolgraag zou hij  nog professor etymologie willen worden omdat de oorsprong van woorden hem zo fascineert. Dieper ingaan op het leven, dat boeit hem ook erg, iets meepikken van de levensfilosofie van de jezuiëten, al zou hij in scherp contrast daarmee willen dat hij niet meer hoefde te denken, dan zijn hersenen hem, al was het maar voor even, met rust lieten. Maar wel met mooie gedachten als herinnering zoals aan dat moment waarop hij zijn eerste plaat in ontvangst mocht nemen en zijn naam op het etiket zag staan, de ontmoeting met zijn vrouw, zijn zoontje en dochter zien geboren worden. Extra mooie momenten scoort Rocco in 2011 wanneer hij samen met Buscemi het album “Rocco con Buscemi” lanceert met daarop de hit O Sarracino. Twee jaar later lijkt het alsof Rocco vleugels heeft gekregen en alsof hij zijn tiende hitadem heeft gevonden. Er is het album “Argentinië” dat hij samen met de Argentijnse straatzanger die hij in Brussel heeft leren kennen, Enrique Noviello, uitbrengt. Het album drijft op pure la murga muziek, een stijl die in Argentinië hoogtij viert. Speciaal voor dit album werd samengewerkt met het bekendste orkest in dit genre Los Autenticos Decadentes. Dit album levert Rocco de zomerhit El Murguero op. En als klap op de vuurpijl is er in 2013 de release van de film “Marina” van de hand van regisseur Stijn Coninx met in de rol van Marina, Evelien Bosmans en in de rol van Rocco, Matteo Simoni. De film is geen biopic, maar het levensverhaal van Rocco vormt voor Stijn wel de basis voor een film over een generatieconflict en migratie.

We gunnen Rocco Granata zijn succes en zijn vele liefdes. Zijn liefde voor Verdi en Puccini, voor treinen en stations, voor Italiaanse koffie, zijn liefde voor de schilders van de Latemse school, voor kamille thee, voor Francis Ford Coppola, voor Portugal en Lissabon in het bijzonder, voor Italiaanse auto’s, basilicum, pasta en rode wijn en vooral zijn liefde voor …rust en stilte!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet