Salvatore Adamo

Geplaatst in Artiesten

Persoonlijk heb ik in de loop van mijn carrière bij de VRT het voorrecht gehad Salvatore Adamo een aantal keer te mogen ontmoeten en te interviewen. Hij kwam altijd over als een gereserveerd en aimabel man. Door de jaren heen heb ik ook een aantal gesigneerde foto’s van hem verzameld waaronder een ingekaderde 40 X 40 die hij me gaf toen zijn album Adamo d’amour, ses plus grands succès op de markt kwam. Adamo is ook de man die me dadelijk aan mijn inmiddels overleden zus Chris doet denken. Die dweepte als geen ander met hem, samen met mijn moeder. Dankzij hen leerde ik zijn liedjes zoals Sans toi, ma mie, Quand les roses en Amour perdu kennen. Over hem heb ik door de jaren heen verhalen verzameld en ik ben zijn carrière kort op de voet blijven volgen.

In ons land wordt Adamo beschouwd als een monument in de wereld van het chanson. Hij kan er prat op gaan dat hij al zijn successen zelf heeft geschreven, zowel de muziek als de tekst. Niet voor niets noemde Jacques Brel hem ‘de tuinman van de liefde‘, een eretitel volgens Salvatore. Niet dat hij nood heeft aan eretitels, want daarvoor is hij een veel te bescheiden en timide man.

De eerste november 1943 werd Salvatore in Comiso in Sicilië geboren. Een jaar eerder, op de vijfde november, was papa Antonino Adamo gehuwd met Concetta Girlando. De Tweede Wereldoorlog heeft in deze Mussolini-gezinde uithoek van Italië duidelijk zijn sporen nagelaten. Het leven is er hard. De eerste november wordt dus de kleine Adamo geboren, maar omdat de gemeentebeambte waarschijnlijk te veel respect heeft voor de eerste november, Allerheiligen dus, noteert hij als geboortedatum 31 oktober. Zo staat het nog steeds op Salvatore’s Italiaanse identiteitspapieren genoteerd. Zijn voornaam erft hij van zijn grootvader, een mandenmaker, bijgenaamd Turi. Papa Antonino komt aan de kost als delver van irrigatieputten én als metselaar. Maar hij verdient niet genoeg om zijn gezin te onderhouden. Hij wil zijn geluk hogerop gaan zoeken, in het noorden. De broer van zijn vrouw,Raffaele, tevens boezemvriend van Antonino, was zijn geluk al in Argentinië gaan zoeken. Intussen was de Belgische regering bezig met het onderhandelen met zowel de Marokkaanse, de Spaanse als de Italiaanse regering om arbeidskrachten naar ons land te sturen. Die onderhandelingen worden na een tijdje opgedoekt, behalve die met de Italiaanse regering. Ze sturen werklieden naar de fabrieken van Boël in La Louvière, de hoogovens in Clabecq en de steenkoolmijnen in de Borinage. Tijdens een overeenkomst tussen België en Italië de 23ste juni 1946 werd overeengekomen dat vijftigduizend Italiaanse arbeiders hun heil in ons land mochten komen zoeken. Antonino’s besluit staat vast: hij gaat zijn toekomst in België verzilveren. Hij reist in zijn eentje naar ons land en keert terug naar Italië met het blijde neuws dat hij werk heeft gevonden. Ze belanden hier in een kleine wijk in Ghlin die Petit Paris wordt genoemd. Begin 1948 verhuizen ze naar de Cité de la Croix -Verte in Jemappes. Papa komt aan de kost als mijnwerker. De familie Adamo weet zich snel en goed aan te passen aan onze samenleving. Papa zal door een rugletsel niet lang in de mijn blijven werken en gaat aan de slag in een buizenfabriek gelegen aan de Avenue du Général Foch in Jemappes. Omdat papa nu minder verdient en de huurprijzen almaar verhoogd worden, zullen ze vaak verhuizen om het hoofd boven water te kunnen houden. Papa speelt regelmatig op de lotto en wint op zekere dag 51.000 frank, een in die tijd riant bedrag. Ze verhuizen naar de Avenue Wilson in Jemappes waar ze op huisnummer 51 gaan wonen. Maar dat feest duurt niet lang, want het geld geraakt snel op. In 1952 verhuizen ze naar een flatgebouw. Drie jaar later zakken ze met hun hebben en houden af naar de Rue de la Régence, want het gezin bestaat intussen uit zeven kinderen. Dat wordt uitgebreid met Delizia, Giuseppe, Eva, Salvina, Giovanna en Titina die in 1960 als laatste telg wordt geboren. Voor zijn zus Delizia zal Salvatore later een aantal liedjes schrijven die ze op plaat zet: Prends le chien (1966), Qui te retient (1974),  Aime-moi ( 1974) en Alors le bel été (1975).

Salvatore is zeven wanneer hij in de maand september van 1950 een hersenvliesontsteking krijgt. Hij zal dertien maanden lang in het Sint-Rafaëlziekenhuis in Leuven verblijven. Zijn vader zit vaak bij hem op zijn ziekbed en vertelt honderduit over hun familieverleden. Vijf jaar later debuteert Salvatore als cadet-rechtsbuiten bij de voetbalploeg Union Jemappienne. Op dat moment wil hij maar één ding, profvoetballer worden. Zanger worden daarentegen staat in zijn dagboek niet genoteerd. Wat niet belet dat hij tijdens familiefeesten laat horen dat hij over een opvallende stem beschikt. Toen al hield hij méér van het Franse chanson dan van de bekende Italiaanse klassiekers. L’amour est un bouquet de violettes van Luis Mariano blijkt een van zijn favoriete nummers te zijn én de chansons van Georges Brassens. Van zijn grootvader Giuseppe krijgt Salvatore een gitaar cadeau en in 1958 schrijft hij zijn eerste liedje Si j’osais. Intussen zit Salvatore op de banken van het Collège Saint-Ferdinand. Hij volgt hier de moderne afdeling.  Het is de periode dat hij ook zijn eerste gedichten schrijft. De vierde middelbare volgt Salvatore aan het college in Bergen, maar hij leeft hier in onmin met de leraar Frans en stapt over naar het atheneum. Liedjes schrijven en zingen krijgt stilaan de bovenhand. Papa staat erop dat zijn zoon voortstudeert. Salvatore schrijft zich in aan het hoger kunstonderwijs in Saint-Luc te Doornik. In die tijd koopt hij zijn eerste plaatjes. Hij is vaak te vinden in de platenwinkel van het echtpaar Donfut in de Rue Général Leman. Monsieur Aimable Donfut speelt accordeon in zijn eigen orkest, zijn vrouw bespeelt de piano. Hij richt ook zijn eigen muziekschooltje op. Daar volgt Salvatore notenleer. Donfut overtuigt Salvatore zijn liedjes in te schrijven bij Sabam. Bij zijn schoolmakker Marcel Godaert thuis blikt Adamo zijn eerste liedjes in, want Marcel beschikt over degelijke opnameapparatuur. Salvatore leert ook gitaar spelen: aan een aantal akkoorden heeft hij genoeg om zijn teksten van muziek te voorzien. Met de demobandjes die hij bij Marcel en Aimable heeft opgenomen, trekt hij regelmatig naar Radio Hainaut en Radio Liège.

De eerste februari 1960 wint Salvatore zijn eerste radiowedstrijd georganiseerd door Radio Luxembourg en gesponsord door L’Oréal. Die overwinning bezorgt hem de negende april 1961 een deelname aan de finale in de Parijse voorstad Saint-Ouen. Salvatore zingt ook hier Si j’osais. De jury, met daarin onder anderen de bekende Franse orkestleider Franck Pourcel, beslist dat Adamo de overwinning toekomt. Hij krijgt als prijs tienduizend oude Franse frank en koopt daarmee voor zijn vader een Opel Olympia. Bij platenfirma Philips zijn ze inmiddels naarstig op zoek naar een antwoord op Rocco Granata. Qua hese stem hoeft Salvatore niet onder te doen. Het is producer Lammy van den Hout die contact zoekt en hem voorstelt een eerste plaatje in Brussel in te blikken. De vijfde mei 1961 staat Salvatore achter de studiomicrofoon in Brussel, maar inpikkend op het succes van Granata zingt hij een Italiaans liedje Perché met op de B-kant Se pensi a me. Er gaan iets méér dan vijfhonderd singles over de Waalse toonbank. Al was hij in het begin er geen voorstander van dat zijn zoon fulltime zanger zou worden, plots toont papa Adamo zich de grootste fan van zijn zoon. Hij stimuleert hem waar hij maar kan. Tijdens zijn eerste concerten zingt Salvatore bijna uitsluitend Italiaanse liedjes. In zijn vrije tijd geeft hij al sinds een jaar gitaarles aan zijn vriendinnetje Nicole Durand met wie hij later in het huwelijk zal treden. Bij Nicole thuis vindt hij de rust die hij nodig heeft om in alle stilte liedjes te kunnen schrijven.

Die Italiaanse opname bij Philips wordt geen groot succes. Meneer Aimable, die zich almaar meer over Adamo gaat ontfermen, zoekt contact met platenfirma Polydor die gretig toehapt. Ze houden vol dat Salvatore in het Italiaans moet blijven zingen. Cara bambina is daar een eerste getuige van. Op zoek naar de juiste aanpak wordt de daaropvolgende single in het Engels gezongen Poor fool met als B-kant Why do you come so late? Ook deze pogingen worden geen succes. Aan Nico Gomez, de bekende vader van Raymond van het Groenewoud, wordt gevraagd de arrangementen te schrijven voor het liedje Si j’osais. Het wordt zijn vierde single met op de keerzijde Laurence. Maar intussen is het publiek het liedje al vergeten en slaat het niet meer aan. Salvatore richt dan maar al zijn aandacht op zijn studies die hij in de maand september van dat jaar begonnen is aan Saint-Luc in Doornik. Aimable heeft intussen een deal kunnen sluiten met Gramophone/EMI. September 1962 ligt er ten huize van Adamo een kersvers platencontract in de bus. Omdat rock-’n-roll dan nog in is, besluiten ze En blue-jeans et blouson d’cuir op te nemen. Als B-kant wordt gekozen voor Laissons dire. De zeventiende oktober is de single in de winkel te vinden, maar blijft zonder veel respons. De kritiek is wél lovend, wat Gramophone aanspoort ermee door te gaan op voorwaarde dat van het volgende nummer tweeduizend exemplaren worden verkocht. Wat tegen hun zin nemen ze Sans toi, ma mie op samen met Fais-toi croque-mort. Salvatore had Sans toi, ma mie geschreven met in zijn achterhoofd de begeleiding van zweverige violen en een koortje. Maar daar kwam niks van in huis. De arrangementen die Aimable had uitgeschreven, worden tactloos aan de kant geschoven. Tijdens de opnamesessie zijn een gitarist, een drummer en een pianist aanwezig. Gitarist van dienst is niemand minder dan Freddy Sunder. In het vroege voorjaar van 1963 ligt de single in de winkel en wordt een regelrecht succes. In een mum van tijd worden er honderdduizend exemplaren van verkocht. Niet alleen in Wallonië, maar ook in Vlaanderen wordt het liedje een groot succes. Op dat moment verblijft Adamo als student op een kot in de Rue de l’Ecorcherie in Doornik. Hij is daar goed bevriend geraakt met zijn schoolgenoot Jacques Mercier met wie hij zijn liefde voor de muziek met veel vreugde kan en mag delen. Jacques is diegene die vaak zijn mening mag zeggen wanneer Salvatore hem weer een nieuw liedje laat horen. Hij weet nog goed dat Adamo het moeilijk had met zijn stem, hij kon die moeilijk aanvaarden, hij vond dat die niet aantrekkelijk genoeg klonk. Het blijkt ook almaar moeilijker te zijn voor Salvatore, die intussen aan zijn tweede jaar was begonnen, zijn studies met zijn carrière te combineren. Hij kan niet anders dan af en toe te spijbelen. Hij werkt op dat moment samen met zijn eerste impresario René Requier uit Durbuy. Dat duurt niet lang, want op advies van zijn platenfirma gaat hij vanaf 1963 met Robert Bylois in zee, een rasechte Vlaming die hem vlot aan optredens in Vlaanderen helpt. Salvatore spreekt een beetje Nederlands en dat is leuk meegenomen tijdens interviews met de diverse media. De Vlamingen beschouwen Salvatore al vlug als iemand van ons, hij verstaat ons en spreekt onze taal. Hij treedt ook graag live op en start een eigen orkest Les Delfinis met daarin Giuseppe Calisto, Carmelo Agresti, Jean-Francis Vandriessche en Achille Maréchal.

Bij EMI weten ze niet goed welk chanson te kiezen als opvolger van Sans toi, ma mie. De knoop wordt doorgehakt: N’est-ce pas merveilleux, Crier ton nom en Amour perdu worden in de markt gezet. Die liedjes van toen zijn nog erg dansant te noemen. Slows dragen daarbij zijn voorkeur weg. In de maand mei van 1963 staat Amour perdu bij ons op tien. Een absolute nummer één wordt N’est-ce pas merveilleux in de zomer van dat jaar. Met het oog op de winter wordt in het kielzog daarvan Tombe la neige uitgebracht. Eerder dat jaar trad hij op in de “Ancienne Belgique” in Brussel en mag tijdens het voorprogramma van Cliff Richard and The Shadows zijn talent etaleren in de Parijse “Olympia”. Niet alleen in Wallonië wordt Tombe la neige een bliksemsnelle nummer één, maar ook bij ons. Die single is nog maar net koud of Vous permettez monsieur? wordt ovenwarm geserveerd. Opnieuw een ijzersterke nummer één, zo zal blijken. En Nederland? Daar belandt Sans toi, ma mie op vijf in de top veertig. N’est-ce pas merveilleux wordt geen hoogvlieger, maar met Vous permettez monsieur? scoort Salvatore in de maand februari 1964 zijn eerste en enige nummer één bij onze noorderburen. Nog zo’n hoogvlieger wordt  Quand les roses,, opnieuw een nummer één zowel in Wallonië als in Nederland. In Frankrijk van hetzelfde muzikale laken een broek. De Fransen adoreren hem. Met Vous permettez monsieur? komt hij daar voor de eerste maal in contact met de hitparade. La nuit wordt er in het voorjaar van 1965 een nummer één. Tijdens de zomer van dat Franse jaar staat hij op één te glunderen met Mes mains sur tes hanches. In België doet hij het intussen uitstekend met singles zoals Si jamais, Dolce Paola en Les filles du bord de mer dat veel later succesvol gecoverd zal worden door Arno Hintjens.

Frankrijk is meteen in de ban van het nummer Une mèche de cheveux dat bij ons wordt beloond met een vierde plaats in de hitlijsten net zoals zijn voorgaande hit J’aime die eind 1965 onze BRT-programma’s mag kleuren. De twaalfde januari van dat jaar heeft Adamo, deze keer in zijn eentje, opnieuw staan schitteren op het podium van de “Olympia”. Toen werd afgesproken dat hij tijdens de ganse maand september daar zou optreden. Het succes was overdonderend.

In het land van de rijzende zon zal hij een fenomenale ontvangst krijgen. Zijn Japanse fans zullen trouwens voor de rest van zijn carrière een aparte plaats in zijn hart innemen. De Japanse vertaling van Tombe la neige, Yuki Ga Furu wordt door hen als hun tweede volkslied beschouwd. Hij zal met de singleversie tweeënzeventig weken na mekaar in de Japanse hitlijsten genoteerd blijven. Qua internationale populariteit staat Tombe la neige op gelijke hoogte met Et maintenant van Gilbert Bécaud en Comme d’habitude van Claude François. In het totaal zal Tombe la neige door de jaren heen méér dan vijfhonderdvijftig keer gecoverd worden. Het kan niet uitblijven of hij gaat in meerdere talen zingen: Engels, Duits, Italiaans, Spaans en zelfs in het Nederlands en het Portugees.

Adamo valt op in het tijdperk van de yé-yé, zoals de sixties in Frankrijk ook wel eens worden genoemd. Hij moet daar opboksen tegen sterren zoals: Johnny Hallyday, Sylvie Vartan, Richard Anthony, Françoise Hardy, Hervé Vilard en ga zo maar door. Hij combineert op een unieke manier zijn eigentijdse teksten en zijn jonge imago met de wat ouderwetse arrangementen van Oscar Saintal die ervoor zorgen dat niet alleen jongeren, maar ook ouderen van zijn muziek genieten. Internationaal deelt hij de affiche met tal van bekende artiesten zoals tijdens “De Gouden Roos van Montreux” waar hij The Rolling Stones ontmoet. De zestiende januari 1964 zit hij tijdens een interview in dezelfde radiostudio als The Beatles en vertaalt rechtstreeks hun Engelse antwoorden in het Frans. Drie jaar later zal hij The Beatles opnieuw ontmoeten, deze keer in de “Abbey Road Studio’s” waar hij Pauvre Verlaine mag opnemen samen met een groot orkest. The Beatles leggen daar op dat moment de laatste hand aan All You Need Is Love.

De zevende augustus 1966 verneemt Salvatore het trieste nieuws dat zijn vader is overleden. Hij gaat zich meer en meer over zijn familie ontfermen en zorgt dat niemand van hen ook maar iets tekortkomt. Hij wordt als voogd aangesteld. Hij stuurt zijn broers en zussen naar het internaat en zorgt thuis voor een gouvernante. Het lijkt alsof zijn leven van dan af aan een heel andere wending neemt. Zijn liedjes worden ernstiger. De arrangementen worden vanaf nu geschreven door Alain Goraguer die tot dan toe had gewerkt voor onder meer Boris Vian en Serge Gainsbourg. Hij voelt erg goed het melodieuze aan dat Adamo in zijn chansons stopt. Tegen de achtergrond van de Zesdaagse Oorlog, die van de vijfde tot en met de tiende juni 1967 tussen Israël aan de ene kant en de Arabische staten Egypte, Jordanië en Syrië werd uitgevochten, schrijft Salvatore Adamo een van zijn grootste klassiekers, het vredeslied Inch Allah dat in Frankrijk maandenlang in de hitlijsten genoteerd zal blijven staan. Op zijn terugreis van Beiroet waar hij had opgetreden, brengt hij een bezoek aan Jeruzalem en krijgt daar de idee Inch Allah te schrijven. Met dit nummer bewijst hij in één klap dat hij méér aankan dan alleen maar rustige, romantische liedjes schrijven. In ons land zit er eind januari 1967 voor Inch Allah een vierde plaats in. In Nederland slaat de single niet aan.

Iets later zal Adamo in onze hitlijsten nog eens stevig scoren en wel met Une larme aux nuages, goed voor een vierde plaats in de top dertig. Van dan af lijkt hij zijn greep op onze hitlijsten stilaan te verliezen. In Frankrijk duiken er chansons van hem op die bij ons zelfs niet gedraaid worden, nummers zoals L’amour te ressemble, J’ai tant de rêves dans mes bagages, Le ruisseau de mon enfance en F…comme femme. Met Pauvre Verlaine wijkt hij wat af van zijn voorgaande chansons. The Moody Blues zullen iets later de song Melancholy Man uitbrengen. Wie goed luistert, hoort de gelijkenis, maar Adamo spant geen proces aan. Het is een lied in mineur al huwt hij iets later dat jaar met zijn grote liefde Nicole met wie hij intussen een zoon heeft, Anthony. Al die jaren heeft hij zo veel mogelijk zijn geliefde voor zijn fans verborgen gehouden. Zijn vrouw heeft trouwens tijdens zijn carrière nooit een vooraanstaande rol willen spelen. Ze heeft zich altijd in zijn schaduw opgehouden.

Adamo is in 1968 wereldwijd samen met The Beatles voor EMI hun bestverkopende artiest. Hij is bekend tot in Chili, Argentinië en Uruguay. Hij is echter doodop. Om wat bij te tanken besluit hij van mei tot en met juni van dat jaar naar Los Angeles te trekken om zijn zinnen op wat anders te zetten. Eerder dat jaar was hij tijdens de Midem-platenbeurs in Cannes nog uitgeroepen tot bestverkopende artiest in Frankrijk en de rest van Europa. In de States volgt Adamo een cursus harmonie en leert een rist nieuwe akkoorden die hij meteen in zijn liedjes verwerkt. Eenmaal terug thuis richt hij zijn eigen uitgeverij op A.A. en besluit niet meer met arrangeurs samen te werken, maar zijn eigen arrangementen te schrijven. Een eerste keer is dat te horen op zijn hit Petit bonheur die hem in het najaar van 1969 en na zijn succes met A demain sur la lune opnieuw een grote hit in Frankrijk bezorgt.

In 1970 koopt Adamo in Rueil-Malmaison” het huis Les Rochers om het gereis tussen de lichtstad en Jemappes niet meer te hoeven overbruggen. Hier zorgt hij ook voor de opvoeding van zijn zussen die hij naar hier heeft laten overkomen. Intussen hebben Franck Fiévez en Jérôme Munafo zich bij zijn orkest aangesloten ter vervanging van Jean-Francis Vandriessche en Gilles Maréchal.

Na Petit bonheur is het wachten tot het begin van 1972 wanneer Salvatore nog eens in de Franse hitparade opduikt, deze keer met J’avais oublié que les roses sont roses. Het gekke is dat hij op dat moment moet opboksen tegen het succes dat Gilbert Montagné scoort met The Fool. Adamo was aan hem voorgesteld door Bernard Saint-Paul die voor zijn uitgeversmaatschappij werkte. Gilbert had toen reeds als Lord Thomas enkele plaatjes opgenomen. Niemand heeft oor naar diens compositie The Fool, maar Adamo ziet er wel wat in en wil het zelfs producen en in zijn uitgeverij onderbrengen. Met CBS wordt een deal gesloten het nummer te distribueren.

Qua Adamosingles heeft er geen aardverschuiving plaats. Crazy Lue en On est deux kabbelen in 1973 rustig zonder enige deining te veroorzaken. Hij maakt gebruik van die situatie om almaar vaker in het buitenland te gaan optreden, onder meer in Rusland en de Oostbloklanden. Datzelfde jaar verrast hij zijn publiek met de langspeler “A ceux qui rêvent encore”. Hij klinkt anders: hij wil weg van de hitstructuur, de liedjes worden langer en zijn iets minder simpel opgebouwd. Hij wil vooral zijn eigen zin doordrijven, klinken zoals hij altijd al had willen klinken, veel minder commercieel. Niet iedereen gaat daarmee akkoord. Zijn platenfirma kijkt bedenkelijk, alsook zijn collega’s. Charles Aznavour heeft nooit goed begrepen waarom Adamo van zijn muzikale weg afweek. Hij had volgens zijn bekende patroon moeten blijven liedjes schrijven, aldus Aznavour die daar wél trouw aan is gebleven wat zijn chansons betreft. Maar bij Salvatore wil er dat niet in. De Franse radio en tv beginnen hem stilaan links te laten liggen. Een nummer dat het in 1975 enigszins goed doet en bij ons een soort radiohit wordt, is C’est ma vie, inmiddels een heuse Adamoklassieker. Het is de laatste keer dat hij nog met zoveel overtuiging een hit zal scoren. Veel minder qua impact is immers het daaropvolgende nummer J’ai trouvé un été. Ook Si j’étais dat in de maand april van 1977 in de Franse hitparade opduikt, wordt niet zijn leukste troetelkind. Zijn zingende collega’s grimlachen. Ze hebben jaren moeten verdragen dat hij de Franse hitparade domineerde, nu geraakt hij zijn greep daarop kwijt. Sommigen genieten. Dat kwetst hem, want hij deinsde er nooit voor terug in zijn voorprogramma jonger talent een kans te gunnen, denken we maar aan Joe Dassin en Julien Clerc. Om tot rust te komen en af te kicken had hij iets eerder een villa in het piepkleine dorpje La Roquette-sur-Siagne gekocht, gelegen in de buurt van Cannes. 1978 wordt voor Adamo qua platenverkoop en scoren van hits een soort sabbatperiode. Maar daarbuiten blijft hij veel optreden in de rest van de wereld.

In een poging zijn carrière een nieuwe push te bezorgen, zegt hij EMI vaarwel en tekent een platencontract bij CBS. Voor hen neemt hij tussen 1976 en 1979 drie albums op: “Voyage jusqu’à toi”, “Et on chantait” en “Les chansons d’où je viens”. CBS weet hem ervan te overtuigen zijn grote hits van toen opnieuw te arrangeren en opnieuw in te zingen. Achteraf zou hij heel veel spijt hebben van deze beslissing. Na vijf jaar afwezigheid is in de maand mei van 1977 de “Olympia” nog eens aan de beurt waarvan de concertregistratie bij CBS op elpee verschijnt. Na dit CBS-avontuur vinden we hem bij de platenfirma van Eddie Barclay. Uit eigen zak betaalt Adamo de opname van het album ”Pauvre liberté”. Hij eist volledige artistieke vrijheid. Maar ook hier vindt hij zijn draai niet en belandt iets later bij platenfirma Carrère. Het album “Puzzle” gaat aan de meeste oren voorbij. Salvatore draagt op dat moment een jarenoud geheim met zich mee dat hij angstvallig bedekt heeft willen houden. Hij houdt er namelijk een geheime relatie op na. Hij heeft een verhouding met de Duitse mannequin en actrice Annette Dahl die de elfde november 1979 bevalt van hun dochter Amélie. Pas vijfentwintig jaar later zal Salvatore daar in de pers over uitweiden. “Le Soir Magazine” besteedt ruim vier pagina’s aan deze story.

De zevende november 1980 wordt zijn zoon Benjamin geboren; alsof Nicole en hij daarmee hun huwelijk willen bezegelen en alsof Nicole daarmee Annette gepast van antwoord wil dienen. Of dat een zalvende werking op zijn huwelijk heeft gehad, daar hebben we het raden naar. Vier jaar later moet Adamo inzien dat hij gas moet terugnemen. De 27ste mei 1984 wordt hij geveld door een hartinfarct.  Een tekort aan rust is de hoofdoorzaak, iets waar hij sindsdien wel rekening mee houdt, dat hij vooral van een voldoende nachtrust geniet. Maar voor een workaholic is en blijft dat een moeilijke opgave. Hij beslist na zijn infarct voort te werken zonder zijn vaste manager Charley Marouani. Voortaan moet hij de klus in zijn eentje klaren. Hij maakt méér tijd voor zijn vrienden en ontspant zich door te schilderen. Een van zijn grootste fans Maryse Tessonneau publiceert in 1985 zijn biografie ”Adamo, l’autre face”. Dertig jaar lang heeft ze hem op de voet gevolgd en kan een nauwgezet portret schilderen van Adamo, de artiest. Het boek wordt slechts in een kleine oplage verdeeld. Twee jaar later wordt zijn album ”Avec des si” gereleaset. Er is wel airplay, maar echt verkopen doet het album niet, net zomin als de opvolger ”Sur la route des étoiles” in 1989. Drie jaar later is er de cd “Rêveur de fond”. Nog altijd geen verrijzenis, maar wel een aanloop naar betere tijden. Die breken aan wanneer hij in 1993 ambassadeur wordt van Unicef. In het raam daarvan neemt hij twee jaar later samen met Maurane een duet op. Het publiek reageert positief en waardeert de liefdadigheidsinzet van Adamo. Het jaar nadien treedt hij opnieuw op in de “Olympia” om daar in 1995 zijn vijfendertigjarige carrière in de bloemen te zetten. De organisatoren merken dat Adamo nog altijd aanslaat bij het Franse publiek en de grotere concerten stromen binnen. Maar zijn platen verkopen nog altijd niet vlot, ook niet het nummer La vie comme elle passe dat hij in dat jaar samen met Toots Thielemans inblikt. Adamo slaagt er wel in de uitgavenrechten op zijn eerste en grootste hits opnieuw in zijn bezit te krijgen. Tot dan toe waren die in handen van Aimable Donfut. Hij sluit een nieuwe platendeal met EMI die meteen een dubbele verzamelaar uitbrengen van zijn grootste hits “Adamo d’amour” met daarop als collector’s item het nooit eerder uitgegeven Je t’aimais.

EMI België gaat samen met Adamo rond de tafel zitten en besluit zijn imago op te poetsen, zijn platen wat moderner te laten klinken zonder daarbij zijn achterban geweld aan te doen. In 1998 tekent hij een nieuw contract bij EMI France. “Regards” wordt zijn eerste album voor hen na een afwezigheid van tweeëntwintig jaar. Maar Adamo is niet gelukkig. Hij zit opgescheept met producer Jean-Paul Dréau, zelf een singer-songwriter, aan hem opgedrongen door zijn platenfirma, maar hun samenwerking wringt langs alle kanten. Het uiteindelijke resultaat klinkt in de oren van Adamo en zijn entourage als een muzikale knoeiboel. Voor de Belgische release schrijft Jan Leyers een Nederlandstalige tekst bij het liedje Laissez rêver les enfants, Laat onze kinderen dromen. Van het album worden in ons land amper achtduizend exemplaren verkocht. Dat staat in schril contrast met het bericht dat hem ter ore komt dat hij tot dan toe wereldwijd méér dan negentig miljoen platen heeft verkocht. Dat overtuigt hem om zijn liveoptredens bij te schaven en zijn begeleidingsgroep nieuw leven in te blazen. Hij gaat nog maar eens wereldwijd concerteren. Dankzij een Canadese reclamespot van een zuivelfederatie staat hij in de zomer van 2000 in Canada op nummer één met C’est ma vie.  Tijdens de zomer het jaar nadien wordt hij door koning Albert II geridderd, een eretitel waar zijn vader Antonino vooral trots op zou zijn geweest. In 2002 wordt hij Officier de l’Ordre de la Couronne. Dat jaar wordt zijn roman “Le souvenir du bonheur est encore du bonheur” uitgegeven. Nog maar eens ongerust over het eindresultaat besluit Adamo alweer van platenfirma te wisselen en komt opnieuw terecht bij Polydor die hem de vrijheid geven een akoestisch album in te blikken, hier en daar aangevuld met wat blazers en een accordeon.

Dit resulteert in 2003 in de cd ”Zanzibar”, een verademing na het vorige resultaat. Artistiek wordt hij bijgestaan door Firmin Michiels die hem veel raad geeft. Het album wordt geproducet door Lionel Groshény. Vaak te horen over de radio is het nummer J’te lâche plus. Hij sukkelt weer met zijn gezondheid.In de maand mei van 2004 gaat hij opnieuw door de knieën, deze keer wordt hij geveld door een hersenbloeding. Hij moet een vol jaar volledige rust respecteren. Omdat hij zijn buitenechtelijke dochter Amélie erg mist, spreekt hij met zijn vrouw af dat zij hem voortaan thuis in Ukkel mag komen opzoeken. Aan de Franse pers vertelde ze: “Je suis née en Allemagne, mais ma mère est venue s’installer en France. Je voyais régulièrement mon père, j’ai très vite été mise au courant de sa situation, de son autre famille. Tout cela m’a toujours paru normal. Le plus compliqué était d’avoir un père chanteur, célèbre. Je n’osais pas en parler, je le dis depuis peu. Pendant des années, je n’ai même jamais envisagé de chanter. Je tournais autour, j’ai pris des cours de théâtre, je disais que je voulais devenir metteur en scène ou productrice. J’ai même travaillé dans l’édition à Londres. Je me cachais la vérité. Il a fallu l’insistance de mes amies pour que je passe le cap et que j’aille chanter en duo avec mon père.” Dat heeft hem bij zijn herstel enorm geholpen. Zij gaan sindsdien zo vaak de kans zich voordoet op vakantie met de ganse familie in Adamo’s buitengoed in Frankrijk.

En zoals het een goede wijn betaamt, wordt hij qua producties met de jaren beter. In 2007 is er als bewijs het album “La part de l’ange” met in de studio achter de knoppen Alain Cluzeau en Nicolas Duport en met als uitschieter het inmiddels grijsgedraaide Ce George dat Salvatore in duet zingt met Olivia Ruiz. Ook graag gehoord en gedraaid is het nummer Au café du temps perdu. Adamo lijkt weer zijn muzikale draai te hebben gevonden. Ook de fans lusten hem opnieuw al duikt hij daarom niet meteen in de hitlijsten op. Omdat zowat iedere muzikant ermee voor de dag komt, overweegt hij zijn bekendste liedjes in een nieuw jasje te stoppen. Hij legt een keurige lijst aan met wie hij zijn grootste successen opnieuw wil inzingen en biedt ons in 2008 het resultaat daarvan aan op de cd “Le bal des gens bien” met daarop onder andere: Vous permettez monsieur? dat hij zingt samen met Bénabar, Tombe la neige met Laurent Voulzy, Au café du temps perdu met Thomas Dutronc en C’est ma vie met Isabelle Boulay.

In 2010 ontvangt hij Le Grand Prix International de Poésie Francophone voor zijn gehele oeuvre. In het kielzog daarvan verschijnt zijn tweeëntwintigste studioalbum “De toi à moi” in een productie van Dominique Blanc-Francard met in het totaal veertien nieuwe chansons waaronder ook deze keer duetten met onder meer Christophe, Oxmo Puccino, Chantal Lauby en als verrassing samen met zijn dochter Amélie T’aimer quelque part.  Hij sluit 2012 met de release van het album “La grande roue”.

Begin 2012 is er de release in Vlaanderen van het album “Luc Steeno zingt Adamo”. Salvatore brengt op zijn beurt als hommage de tiende november 2014 de cd “Adamo chante Bécaud” op de markt met daarop vijftien liedjes van zijn idool, van Et maintenant tot en met Mes mains.

De 5de februari 2016 brengt Adamo een nieuw album op de markt “L’amour n’ a jamais tort” in een productie van de Vlaming Jo Francken. Hij werkt ook samen met arrangeur Andrew Powell, bekend van zijn samenwerking met Kate Bush en Alan Parsons. Op deze cd zingt Salvatore het duet De père à fille samen met Joyce Jonathan. De 8ste en 9de april van dat jaar treedt hij op in de Parijse “Olympia”.

 

tekst en release: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet