The Crests

Geplaatst in Artiesten

Weinig vocale groepen uit de jaren vijftig klinken dertig jaar na datum nog na in ons muzikaal geheugen. Dat lukt echter The Crests en leadzanger Johnny Maestro wel! Hun hitsingles Sixteen candles, The angels listened in en Step by step zijn nog dagdagelijkse nostalgische kost in menig platenprogramma.

The Crests begonnen als een zwart gekleurd kwartet in 1955 toen ze nog waren ingeschreven aan de P.S. 1960 Junior High School in Manhattan. Met ‘ze’ bedoelen we: Patricia Vandross, Harold Torres, Talmadge Gough en J.T. Carter. De groep wisselde voortdurend van naam, maar bleef wel trouw aan zijn grote voorbeelden: The Cadillacs, The Harptones en The Teenagers. In Manhattan was je in die dagen al een vreemde eend in de vocale bijt als je als blanke zanger rhythm-and-blues wou zingen, laat staan als je het in je hoofd durfde te halen je aan te sluiten bij een zwarte groep. Johnny Mastroangelo, kortweg Mister Maestro voor zijn vrienden, vond dat een doodgewoon iets en sloot zich in 1956, na een korte ontmoeting in  het Henry Street Settlement House, aan bij The Crests.

Streetcornergroepen hoorde je in die dagen op haast elke straathoek, als er maar een gebouw in de buurt was met voldoende nagalm tussen de muren. Maar dé gedroomde plaats om met veel echo je a-capellahoogstandjes te oefenen, was nog altijd de subway. Op zo’n zangerige dag in 1957, toen The Crests druk aan het oefenen waren in the Brooklyn Bridge Station, werden ze onderbroken door de echtgenote van orkestleider Al Browne. The Crests aarzelden geen seconde om contact met hem op te nemen, vooral omdat ze wisten dat Al Browne regelmatig een van hun favoriete groepen begeleidde, The Heartbeats. Browne was nogal goed bevriend met de eigenaars van Joyce Records, een piepklein platenfirmaatje in Brooklyn, maar toch goed genoeg voor hun eerste singleopname en wel in de maand mei 1957, met aan de ene kant My Juanita en aan de andere kant Sweetest one, dat tot op de 87ste plaats van de nationale Top Honderd wist te geraken.

Na nog één single op het Joyce Records-label, nl. No one to love/Wish she was mine, waagden The Crests op aanraden van zanger-arrangeur Billy Dawn Smith hun kans bij muziekuitgever George Paxton die de jongens op zijn beurt een kans bood bij zijn net opgerichte platenfirma Coed Records. Intussen was de 15-jarige Patricia Vandross wegens haar minderjarigheid beleefd de laan uit gestuurd en waren The Crests opnieuw een kwartet. In die samenstelling namen ze dadelijk een eerste single op voor Coed Records, maar Pretty little angel moest het met enkel wat plaatselijke belangstelling stellen. De opvolger daarentegen, de doowop-klassieker Sixteen Candles zou dé klap op de vuurpijl worden, zeker toen Dick Clark een deel van de auteursrechten op zijn naam schreef en de plaat dagelijks in de kijker bracht in zijn razend populaire “American Bandstand”. In een mum van tijd prijkte de single op twee boven in de Amerikaanse hitlijsten.

De hitsingle Sixteen Candles werd vooral een succes dankzij het opvallende stemgeluid van Johnny Maestro, die daarmee ook alle aandacht naar zich toe trok en voortaan ook de trekpleister van de groep zou worden. Met Maestro als handelsmerk werd geopteerd voor het nummer Six nights a week als opvolger, maar de single bleef haperen op 28 van Billboard’s Hot One Hundred. The angels listened in, geschreven door de reeds eerder genoemde Billie Dawn Smith, deed het zes plaatsen beter en is tot op de dag van vandaag nog steeds een van hun meest gedraaide opnamen.

Coed, de platenfirma van The Crests, zou in het totaal elf singles van hen uitbrengen met Johnny Maestro als leadzanger en voorts één E.P. en twee langspeelplaten, waarvan de elpee ”The Crests sing the biggies” de meest populaire is gebleven. De single Step by step zal de laatste grote hit voor The Crests worden, terug te vinden op 14 in de maand april van 1960.

Tegen 1960 wilden de bazen van Coed Records Johnny Maestro steeds meer op het voorplan en zagen hem liever solo optreden. We krijgen dan ook plots singles te horen waar The Crests aan het werk zijn zonder leadzang van Johnny Maestro, o.a. Little miracle/Baby I gotta know met deze keer J.T. Carter in de vocale spots en James Ancrum als invaller.

Er zou in de loop van de jaren zestig zelfs heel wat heen en weer gelopen worden van de ene rechtbank naar de andere i.v.m. het al dan niet legale gebruik van de naam The Crests, maar echte brokken zouden de heren niet meer maken in de hitlijsten, behalve nog een schuchtere poging met de single Guilty, in 1963 uitgebracht op het Selma-label van Morty Craft. Tussen de opnamesessies van Step by step en Trouble in paradise door werd begin 1960 de eerste Johnny Maestro-soloplaat uitgebracht, alhoewel hij moest wachten tot de singles Mr. Happiness en vooral Model Girl vooraleer hij nog eens in de buurt mocht komen van de top 20.

In 1962 keerde Johnny Maestro Coed Records de rug toe en belandde via Cameo Parkway, Scepter, United Artists en nog een paar andere platenfirma’s aan bij de groep The Del Satins (backingvocalisten op de soloplaten van Dion Di Mucci). April 1968 ontmoette Johnny Maestro The Rhythm Method, een orkest onder leiding van saxofonist Tom Sullivan, en samen met The Del Satins richtte Maestro The Brooklyn Bridge op. Ze maakten hun debuut in de befaamde “Cheetah Club” in New York, een stevige ritmesectie en een stel blazers als backing-up voor Johnny Maestro. Ze werden de eerste, echte jazz-rockformatie, vóór Chicago en Blood, Sweat and Tears. Neil Bogart nam hen onder zijn productionele vleugels en zorgde ervoor dat ze bij Buddah Records drie meevallers konden uitbrengen: The worst that could happen, Welcome me love en Blessed in the rain. Deze successingles brachten behoorlijk wat optredens met zich mee: The Ed Sullivan Show, The Hollywood Palace, het Yankee Stadium enz… Ook in de jaren tachtig hield The Brooklyn Bridge stand: Johnny Maestro, Fred Ferrara, Les Cauchi, Jimmy Rosica, Lou Agiesta, Richie Bono, Jimmy Sarle, Marty D’Amico en Eddie Liscandro.

Voor sommigen is Johnny Maestro de leadzanger van The Brooklyn Bridge, voor de meesten blijft hij echter het boegbeeld van The Crests,een van de betere stemmen uit de hoogtijdagen van de doo-wop. De voorbije jaren toerden er twee Crests-formaties door de Verenigde Staten heen: de Johnny Maestro-versie en die van voormalig Crests-lid J.T. Carter. Dat The Crests zelf hun succesverhaal qua platenverkoop niet tot in de jaren zeventig hebben kunnen voortzetten, heeft meer te maken met de opkomst van de beatgroepen dan met hun individueel talent. Hun geluid was en blijft nog altijd even uniek klinken als in de golden sixties.

Regisseur Joh Huges leende de titel van hun grootste hit voor zijn film Sixteen candles. The Stray Cats zouden voor de soundtrack een nieuwe versie van het liedje opnemen.

In 1993 overleed Patrica Vandross aan de gevolgen van diabetes. Ook Hal Torres is  intussen overleden. De 24ste maart 2010 stierf op zeventigjarige leeftijd Johnny Maestro in zijn huis in Cape Coral Florida. Het jaar nadien verscheen de cd “From the vault:  the Coed Records lost master tapes volume 1″.

In 2000 werden The Crests opgenomen in The United in Group Harmony Association Hall of Fame en vier jaar later in The Vocal Group Hall of Fame.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet