The Everly Brothers

Geplaatst in Artiesten

Mochten The Everly Brothers nooit geboren zijn, de popmuziek zou heel anders geklonken hebben. Zowel The Beatles en The Beach Boys als Simon & Garfunkel en The Bee Gees zouden niet geweten hebben hoe zij moesten zingen. Dat laatste klinkt wat overdreven, maar toch. Don en Phil Everly kunnen straks hun hoofd voor eeuwig neerleggen in de overtuiging dat zij heel wat hebben bijgedragen aan het geluid van de popmuziek van de twintigste eeuw.

Don werd de eerste februari 1937 in Brownie, Kentucky geboren als zoon van een mijnwerker, Ike Everly en diens vrouw Margaret. De familie Everly verhuist meteen na de geboorte van Don van Kentucky naar Chicago waar zij in de Italiaanse wijk in Adams Street gaan wonen en waar de negentiende januari 1939 Phil wordt geboren. Ike heeft  niet vergeten zijn countryroots met zich mee te nemen. Hij komt in windy city aan de kost als muzikant in honkytonkclubs. Ike schakelt snel over van de akoestische op de elektrische gitaar. Hij treedt samen met zijn broers Charlie en Leonard op. Zij vallen vooral op door hun closeharmonymanier van zingen. Don herinnert zich nog dat zijn pa niet alleen dol was op country, maar ook dol  op de zwarte muziek die zij gingen beluisteren in Maxwell Street waar de zwarte blueszangers optraden. Pa leert zijn zonen niet alleen behoorlijk gitaar spelen, maar ook zingen. Een van de eerste liedjes die zij leren is Paper Doll dat in het begin van de jaren veertig een hit was voor The Mills Brothers. In 1944 krijgt pa Everly een job aangeboden als radiopresentator bij de zender KASL in Iowa. De familie verhuist nog maar eens. Zijn broers blijven achter in Chicago. Pa vindt het een goed idee zijn twee zonen, Don acht en Phil zes, in zijn radioshow te laten optreden. In de show worden zij voorgesteld als Little Donnie en Baby Boy Phil. Van hun vader leren zij dus hun eerste akkoorden en liedjes die zij later verzamelen op hun elpee “Songs our daddy taught us”.  Ook hun moeder Margaret treedt mee op tijdens hun radioshow. Tegen 1950 is die show bekend als “The Everly Family Show”. Twee jaar later, in 1952, krijgen zij een radioshow bij WIKY in Indiana aangeboden. Maar die radiostations krijgen stilaan door dat het goedkoper is iemand plaatjes te laten draaien dan artiesten te engageren die hun muziek live spelen. Dus het wordt moeilijker om aan werk te geraken. In september 1953 belanden zij bij WROL in Tennessee en krijgen daar per week voor hun programma 90 dollar aangeboden (voor de ganse familie). Een van hun eerste fans is de bekende countrygitarist en producer Chet Atkins die hen vaak gaat opzoeken wanneer zij in Nashville optreden. Intussen hebben Don en Phil hun zangstijl verfijnd, gebaseerd op die van het populaire countryduo The Delmore Brothers (Alton en Rabon Delmore) die in 1949 een grote countryhit hadden gescoord met Blues Stay Away From Me. Het valt Chet Atkins op dat Don en Phil keurig Engels zingen en perfect de juiste toon kunnen aanhouden. Atkins stelt hen voor aan muziekuitgever Wesley Rose van de bekende en machtige uitgeverij Acuff-Rose die meteen onder de indruk is, niet alleen van hun stemmen, maar ook van het feit dat beide broers liedjes kunnen schrijven. Hij speelt het door Don geschreven Thou Shalt Not Steal door aan Kitty Wells die er een hit mee scoort. Zij krijgen dankzij Rose ook de kans om voor het Columbia-label een plaatje op te nemen Keep a’ lovin’ me, door Don en Phil geschreven, maar dat nummer raakt kant noch wal. In die tijd waren op datzelfde label trouwens The Louvin Brothers populair en de bazen van Columbia twijfelden of er wel behoefte was aan een tweede duo. Na die flop wil Columbia zo snel mogelijk van de jongens verlost worden. Hun contract wordt ontbonden.

Wesley Rose versiert voor the boys in 1957 een platencontract bij Cadence Records, de nog jonge firma van Archie Bleyer. Hij stelt voor Bye Bye Love  van Boudleaux en Felice Bryant op te nemen dat eerder al door zo’n twintig artiesten was geweigerd, waaronder Elvis Presley. De 20ste mei 1957 staan The Everly’s op de tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Het is diezelfde Presley die hen met zijn Teddy Bear van de eerste plaats houdt. De 11de mei van dat jaar wordt een van hun jongensdromen waar: zij mogen optreden tijdens “The Grand Ole Opry” in het “Ryman Auditorium” in Nashville. Meteen is, na het succes met Bye Bye Love, de toon gezet voor een gouden formule: de liedjes van Felice en Boudleaux Bryant, de opvallende gitaarakkoorden van Don en de harmonieën van Phil. De 30ste september 1957 geraken zij tot op één met Wake Up Little Suzie.

Phil weet nog goed dat zij wat gestresseerd waren om een goede opvolger voor Bye Bye Love te vinden. Zij hadden zeker zo’n tweehonderd liedjes beluisterd die Felice en Boudleaux hadden geschreven tot zij Wake Up Little Suzie te horen kregen. Het was geen eenvoudig liedje om aan te leren noch te zingen. Tijdens de eerste opnamesessie met Archie Bleyer hadden zij aan veertien pogingen niet genoeg. De dag nadien gaan zij het zonder hem opnieuw proberen en deze keer lukte het tijdens de vierde take. De dertigste juni 1957 staat Wake Up Little Suzie helemaal boven aan de Amerikaanse charts. Zij doen dat in de maand april van 1958 over met All I Have To Do Is Dream alweer een compositie van Felice en Boudleaux. Dat een liefdesrelatie een stuk sterker wordt wanneer beide partners dezelfde interesse delen, staat zo goed als een paal boven water, maar zo sterk als die van Felice en Boudleaux Bryant zal in de muziekwereld wel een uitzondering zijn en blijven. Felice, geboren 7 augustus 1925 in Milwaukee, en Boudleaux, geboren 13 februari 1920 in Shellman, waren  vooraleer ze elkaar leerden kennen al een poos met muziek bezig. Boudleaux wou een volleerd concertviolist worden en trad  regelmatig op bij het symfonieorkest van Atlanta, terwijl Felice aan de bak probeerde te komen als zangeres. Het waren nochtans voor hen beiden geen hoogtijdagen. Felice moest proberen rond te komen als liftbediende in het Sherwood Hotel in Milwaukee. Het was hier dat  ze Boudleaux ontmoette toen die op een avond in het hotel samen met een jazzcombo optrad. September 1945 treden Felice en Boudleaux in het huwelijk en houden zich van dan af haast onophoudelijk met componeren bezig. Boudleaux schrijft de melodietjes en Felice verzint de tekst. Zo leveren ze hits aan onder meer Eddy Arnold en Joe Smith, maar hun grote doorbraak komt er wanneer ze Don en Phil Everly in Nashville ontmoeten. De mooiste song die ze voor The Everly Brothers schrijven, is en blijft ongetwijfeld de popklassieker  All I have to do is dream. Felice en Boudleaux knutselden dit in precies een kwartier tijd in mekaar.  Het liedje is in deze zin een evergreen dat het in om het even welke versie nooit aan kracht en kwaliteit heeft verloren. Richard Chamberlain zette in 1963 een aantrekkelijke versie op plaat waarbij het duet van Glen Campbell en Bobbie Gentry uit 1970 zeker niet hoeft onder te doen .

Drie maanden na het succes met All I Have To Do Is Dream in de zomer van 1958 staan The Everly Brothers opnieuw op één, deze keer met Bird Dog. Met deze song wou Boudleaux eens iets anders uitproberen, het moest uniek klinken. Don zag dat liedje niet zitten, maar zij hadden geen andere keuze, want er moest dringend een nieuwe single worden uitgebracht. In het boek “The Everly Brothers: walk right back” zei Felice daarover het volgende: ” I was trying to get an idea for something really novel and unique for the boys, and I remember that my father had an expression that he used when he saw somebody that was just a little bit pleasantly off. You know, a sort of a character. He would say ‘he’s a bird’ and I thought, let’s see, he’s a bird… he’s a bird… and then it hit me, that the antithesis of that would be ‘ he’s a dog’. He’s a no-good. And then the two things fell together – he’s a bird dog – and that was it.” In 1958 was er op de Amerikaanse tv een spotje dat reclame maakte voor Nestle, de Nestle Puppet Dog Farfel. Archie Bleyer wou een acteur inhuren om Dog Farfel te imiteren tijdens de opname van Bird dog, maar  Don en Phil konden hem dat uit zijn hoofd praten. De 28ste juli 1958 trekken Don en Phil naar de studio om de song in te blikken. Vijftien takes zijn er nodig om de juiste versie op band te zetten. Na de opname hebben The Everly’s niet veel zin om het nummer op single uit te brengen, maar Felice en Boudleaux kunnen hen toch overtuigen. De vierde augustus wordt Bird dog op 45 toeren uitgebracht. De 15de september staat zij op de tweede plaats in de Amerikaanse Top Honderd te blaffen, maar ondanks dat lawaai geraken zij niet hoger dan de tweede plaats, want Domenico Modugno staat op één Volare te kwelen, een van de weinige Europese hits die in Amerika op één zouden geraken. En nadat Modugno het voor bekeken hield, werden Don en Phil voorbijgestoken door een ijzersterke Tommy Edwards met It’s all in the game. Bird Dog zal ook nog op de tweede plaats in de Engelse Top Veertig belanden nadat ze daar net voordien op één hadden gestaan met All I have to do is dream. In het najaar van de Expo schieten Don en Phil met Bird Dog in de Belgische Top Dertig naar de achtste plaats. Op de Amerikaanse singleversie van Bird Dog staat op de B-kant het niet onaardige Devoted To You dat ook een hit zal worden. Don en Phil zijn dol op dit liedje dat als een soort Engels madrigaal klinkt en speciaal voor hen door Felice en Boudleaux werd geschreven “omdat het liedje zo mooi bij hun stemmen past”.  Dat nummer wordt nog steeds door kenners beschouwd als een schoolvoorbeeld van closeharmony singing voor twee stemmen. Don neemt ook hier zoals op de meeste songs de lage stem voor zijn rekening, Phil de hoge. Voor dat nummer zit er een tiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd in.

De daaropvolgende single Problems wordt net als Bird Dog met een tweede plaats beloond. Don is enorm blij wanneer zij in 1959 het door hemzelf geschreven (‘Til) I Kissed You op single uitbrengen. Don schreef het liedje op het vliegtuig toen zij terugvlogen van een optreden in Australië. Hij was daar verliefd geworden op een Frans meisje, Liliane, en hij vreesde dat hij haar nooit meer zou terugzien. Er zit voor deze single in de zomer van dat jaar een vierde plaats in. Een laatste toptienhit scoren zij bij Cadence Records met hun cover van  Let It Be Me (een vertaling van Je t’appartiens van Gilbert Bécaud die dat in 1955 op plaat zette op tekst van Pierre Delanoë. Mann Curtis zou de Engelse tekst schrijven). Don had dit liedje ontdekt op een van de vele elpees die hij van gitarist Chet Atkins gekocht had. The Everly’s vliegen speciaal over naar New York waar zij het nummer begeleid door een stel strijkers opnemen, al was hun platenfirma niet zo zeker van het succes. Toch scoren zij in 1960 een toptienhit met deze prachtige ballad. Maar stilaan kwamen er barsten in hun relatie met Cadence Records. Don en Phil worden onderbetaald en zij mogen zelf niet creatief voor de dag komen. Archie Bleyer was ook bang dat The Everly Brothers maar een tijdje zouden scoren en dat hij beter nu ze nog hot zijn hen lucratiever van de hand kan doen.  In 1960 verkoopt hij beide heren aan de nog jonge platenmaatschappij Warner Brothers die hun een contract van 1 miljoen dollar aanbiedt, een deal die hun de garantie biedt om de komende tien jaar op muzikale rozen te zitten! Don en Phil staan gelijk onder een enorme druk. Zij weten niet of rock -’n- roll als genre nog lang zal standhouden. Zij hadden er net enkele concerten op zitten en eenmaal terug thuis in Nashville worden zij met het feit geconfronteerd dat Warner Brothers op een dikke hit zit te wachten.  Zij hebben voor hun nieuwe plaat al een liedje of tien ingeblikt, maar zij voelen dat er geen echte topper bij zit.  Phil woont op dat moment bij zijn ouders wanneer hij op zekere dag een telefoontje van Don krijgt die hem uitnodigt om bij hem thuis een liedje verder af te werken waar hij aan bezig is. Don had zich laten inspireren door een commercial van Philip Morris die muzikaal gebaseerd was op een marsthema uit de ”Grand Canyon Suite” van Ferde Grofé. Phil helpt wat met de lyrics die deels gebaseerd zijn op verhaaltjes die hun vader Ike hun vroeger vertelde en een paar dagen later is Cathy’s Clown kant-en-klaar. De 23ste mei 1960 staat de single op de eerste plaats van de Amerikaanse Top Honderd en zal daar vijf weken na mekaar onaangeroerd blijven staan tot Connie Francis het welletjes vindt en met Everybody’s Somebody’s Fool die eerste plaats komt opeisen. Van Cathy’s Clown zullen er acht miljoen exemplaren verkocht worden. Ook internationaal doet de single het megagoed. In Engeland blijven Don en Phil negen weken na mekaar op één staan in de Top Veertig. In Nederland zijn het The Blue Diamonds die met hun coverversie een stevige hit te pakken hebben. In Duitsland wordt het bewerkt en van een Duitse tekst voorzien door Ralph Siegel.

Het spreekt voor zich dat de bazen van Warner Brothers in de wolken zijn met die internationale score. Hun vorige platenfirma Cadence Records profiteert van dit succes door een nummer uit te brengen dat zij nog op de plank hebben liggen When will I be loved, gekoppeld aan Be bop-a-lula, goed voor een achtste plaats in de Top Honderd. And the hits they keep on comin’. Er zit een zevende plaats in voor het nummer So Sad. Nadien blijkt het iets minder te vlotten met Lucille en Like Strangers, maar de zesde februari 1961 staan zij weer in de Amerikaanse Top Tien te glitteren en te schitteren met Walk Right Back geschreven door Sonny Curtis van The Crickets. Hij zong het voor de eerste keer voor aan Don op diens appartement in Hollywood. Meteen nadien scoren The Everly’s opnieuw, deze keer met de semismartlap Ebony Eyes geschreven door John D. Loudermilk.  De dertigste januari 1961 klimt de single naar de achtste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. In 1934 had Bing Crosby goud gescoord met Temptation, een lied geschreven door Nacio Herb Brown en Arthur Freed voor de musical “Going Hollywood”.  The Everly’s levert hun cover van die klassieker hun  zevenentwintig jaar later een zevenentwintigste plaats in de Amerikaanse Top Honderd op. De single wordt in Engeland tot hun eigen verbazing tijdens de zomer van 1961 een regelrechte nummer één. Hun manager Wesley Rose kantte zich enorm tegen de release van die single, zo erg zelfs dat Don besluit hun manager de laan uit te sturen.  Rose pikt het ook al een tijdje niet dat zijn jongens bij andere uitgeverijen gaan aankloppen op zoek naar nieuwe songs en vooral stevige hits. Hij zorgt er op zijn beurt als een soort revanche voor dat  Don en Phil geen toegang meer kregen tot de beste songwriters, want die huizen allen bij Acuff-Rose, ook de Bryants die hun hits van het eerste uur hadden geschreven. Ettelijke jaren na mekaar zullen Don en Phil geen toegang meer krijgen tot nieuw materiaal van de belangrijkste songwriters van dat moment. Zij coveren na het ontslag van Wesley Rose als hun manager nog wat voort en komen in het najaar van 1961 op de proppen met een bewerking van de Ethel Waters-hit Don’t Blame Me, in 1933 geschreven door Jimmy McHugh en Dorothy Fields. In november 1961  verdwijnen the boys even uit de belangstelling, want zij moeten tot een eind van 1962 onder de wapens. Zij worden ingelijfd bij The United States Marine Corps. Het is weer bingo wanneer Don en Phil in 1962 Crying in The Rain opnemen, geschreven door het gelegenheidsduo Howard Greenfield en Carole King. Er zit deze keer voor beide broers een zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred in. In 1990 zal de Noorse groep A-Ha dit nummer eveneens succesvol op plaat zetten. Enkele maanden later wordt er weer gescoord en wel met That’s Old Fashioned geschreven door Bernie Baum, Bill Giant en Florence Kaye, meteen ook hun allerlaatste hit in de Amerikaanse Top Tien. Tijdens een Europese tournee in 1962 in Europa wordt Don het slachtoffer van een overdosis slaappillen, dat wordt althans beweerd. Phil moet in zijn eentje de rest van die tour afwerken. In de maand oktober van 1963 staan zij in Londen te schitteren in een rockende show samen met Little Richard, Bo Diddley en met als openingsact The Rolling Stones op de affiche. Van de drieëntwintig singles die The Everly’s tussen 1963 en 1970 uitbrengen, bereiken er slechts drie de Top Honderd: The Ferris Wheel, Gone Gone Gone en Bowling Green. Vergeten we ook niet de geslaagde versie van The Price of Love  te vernoemen waarmee zij ons in 1965 verrasten. Het nummer werd door Don en Phil geschreven en zou in Engeland tot op de tweede plaats van de Britse Top Veertig belanden. Later zal het door onder meer Status Quo, Bryan Ferry en Depeche Mode gecoverd worden.  Intussen had Don in 1961 een eigen platenfirma opgericht Calliope en ondergebracht bij Warner Brothers. Met de steun van zijn vader Ike en onder de schuilnaam Adrian Kimberly brengt hij The Graduation Song…Pomp and Circumstance uit, die bekende compositie van de Engelse componist Edward Elgar, opgenomen met een groot orkest, en hij belandt met deze instrumental  de 26ste juni 1961 op de vierendertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Don en Phil hebben onderweg ook acteerlessen gevolgd in de hoop het als acteurs in Hollywood waar te maken, maar na enkele screentests die behoorlijk tegenvielen, bergen zij die idee weer snel op.

Niet alleen hun singles, maar ook hun elpees die zij na 1961 uitbrengen, geraken niet in de albumcharts behalve “Beat & Soul” dat in 1965 wordt gereleaset en tot op de 141ste plaats geraakt. Wat wél opvalt is dat de beide broers in Engeland en in Canada enorm populair blijven. Om dat te verzilveren brengen zij in Engeland in 1966 het album “Two Yanks in England” uit dat zij volledig in Engeland opnemen. Acht liedjes op dat album worden geschreven door Tony Hicks, Graham Nash en Allan Clarke van The Hollies. In 1967 neemt Cliff Richard It’s All Over van Don Everly op en scoort er in Engeland een hit mee. In Amerika wordt het een succes in de versie van The Casinos. The Everly Brothers zelf keren almaar vaker terug naar de wortels van hun muzikale opvoeding, met name de country, wat duidelijk hoorbaar is op hun in 1968 uitgebrachte elpee “Roots”. Op het einde van de jaren zeventig komt er dan ook een einde aan hun contract met Warner Brothers. In 1970 brengt Don zonder veel bijval een eerste soloalbum uit. Datzelfde jaar biedt ABC -TV hun de kans tijdens de zomer hun eigen “Everly Brothers Show” op tv te presenteren met daarin als gasten onder meer Marty Robbins, Neil Diamond, B.J. Thomas en Ike and Tina Turner.  Het jaar nadien tekenen zij een platendeal met RCA Records voor wie zij twee albums opnemen. Die deal wordt geen succes en in 1973 wordt hun contract ontbonden.

Legendarisch wordt hun optreden de veertiende juli 1973 in Knott’s Berry Farm, het eerste themapark in de Verenigde Staten.  Don is die dag nog maar eens straalbezopen. Hij is ook verslaafd geraakt aan het medicijn Ritalin, een product dat de aanmaak van de neurotransmitter dopamine in je hersenen doet toenemen, een oppepper, een product dat je aandacht verscherpt. Wanneer Phil er dan toch in slaagt zijn broer na een paar vergeefse pogingen het podium op te sleuren, kan hij het tijdens het zingen niet meer aanzien. Onder het waakzaam oog van enkele familieleden, vrienden en Warren Zevon, smijt Phil zijn gitaar in stukken en stormt ziedend het podium af. Don moet de show in zijn eentje afwerken en geeft toe dat The Everly’s tien jaar eerder, in 1963 dus, al de geest hadden gegeven. In 1976 brengt Paul McCartney nochtans hulde aan The Everly Brothers in zijn hit Let’em in.

Tien jaar lang zouden The Everly’s met mekaar geen woord meer wisselen. Don neemt enkele platen op waarmee hij in Engeland behoorlijk aan de bak komt. In 1970 is er het album “Don Everly”, in 1974  ”Sunset Towers” en in 1976 “Brother Jukebox” dat hij in Nashville opneemt samen met producer Wesley Rose.  Phil legt zich vooral toe op songwriting, onder meer Don’t Say You Don’t Love Me No More, Every Which Way But Loose, One Too Many Women In Your Life en Any Which Way You Can. In 1983 zal Phil in Engeland aardig scoren met zijn album “Phil Everly” dat hij in Engeland opneemt samen met onder anderen Mark Knopfler. Er staat zelfs een duet op met Cliff Richard Louise. Inpikkend op dat succes wordt er gewerkt aan een reünieconcert met The Everly’s. De 22ste september 1983 is het zover en staan Don en Phil op de planken van “The Royal Albert Hall” in Londen. Van dit concert worden zowel een video als een dubbele elpee opgenomen.

Zij zien het weer samen zitten en trekken na tien jaar als duo nog eens de opnamestudio in met als eindresultaat het album “EB 84″ geproduceerd door Dave Edmunds en met daarop een nummer speciaal voor hen geschreven door Paul McCartney On The Wings of a Nightingale waarop Paul ook een van de gitaarpartijen voor zijn rekening neemt. In Amerika zit er een bescheiden vijftigste plaats in de hitlijsten in, maar in Engeland wordt hun prestatie beloond met een eenenveertigste plaats en in onze Top Dertig zit er zelfs een twaalfde plaats voor beide heren in. Het hoogst scoren The Everly Brothers in de Nederlandse Top Veertig waar zij op de vierde plaats halt houden. Twee jaar later brengen zij het album “Born Yesterday” op de markt. Ook deze keer is Dave Edmunds producer van dienst en coveren zij onder andere Arms of Mary van Sutherland Brothers And Quiver, Why Worry van Dire Straits en You Send Me van Sam Cooke. Tijdens hun liveoptredens worden The Everly’s regelmatig begeleid door Edan Everly, zoon van Don. Uit 1989 dateert hun album “Some Hearts” dat zij zelf produceren in samenwerking met Larrie Londin. Zij coveren hierop Don’t Worry Baby van The Beach Boys die ook de backings voor dit nummer verzorgen en die hen in alle toonaarden de jaren voordien de hemel in hadden geprezen en toegegeven dat zij bij hen onder meer de vocale mosterd vandaan hebben. Voor het merendeel leveren Don en Phil zelf de liedjes die op dit album belanden zoals Three Bands Of Steel, Can’t Get Over It en Angel Of Darkness.

In 1994 neemt Phil in duet met Cliff Richard een nieuwe versie op van All I Have To Do Is Dream dat in de Engelse charts een toptwintighit wordt. Vince Gill nodigt Phil in 2006 uit voor zijn album “These Days” waarop zij beiden de song Sweet Little Corrina zingen. Om ook wat in hun privésfeer te vertoeven, Phil Everly heeft twee kinderen Christopher, een singer-songwriter, en Jason, eveneens een singer-songwriter. Samen met Jason leidt Phil het productiebedrijf “Everly Music Company”, fabrikanten van snaren voor gitaren en basgitaren. Jason nam een tijd geleden als eresaluut aan Buddy Holly samen met zijn vader het duet Rave On op. Phil woont in Maury County in de buurt van Nashville in een prachtige mansion uit 1846. Het huis telt acht kamers. Door de jaren heen heeft hij de huizen rondom ook gekocht en afgebroken zodat hij een immens uitzicht om zich heen heeft. Phil is vooral trots op zijn muziekkamer die hij helemaal heeft ingericht met daarin een grote vleugelpiano en vier speciaal voor hem ontworpen akoestische gitaren. Wanneer zijn vrienden uit de muziekbusiness langskomen doet hij niets liever dan musiceren en liedjes schrijven. Sonny Curtis komt graag langs samen met Bobby Tomberlin en Duane Eddy. Het merendeel van zijn liedjes schrijft Phil aan de piano en dan durft hij nog wel eens mee te zingen. Af en toe springt Don, die ook in de buurt van Nashville woont, eens binnen, maar van een reünie is er helemaal geen sprake meer. Zij hebben zich definitief uit de muziekwereld teruggetrokken. Don Everly heeft een zoon Edan die net als zijn vader zingt en liedjes schrijft met twee albums op zijn actief “Songs from Bikini Atoll” (2010) met daarop een triootje dat hij samen met Don en Phil zingt, met name  I’m Free. Hij nam eerder het album “For The Insanity Of It All” op met daarop het samen met Phil en Don gezongen nummer I Took It Up. (2006)   Edan is eigenaar van The Starwood Studio en treedt vaak als gitarist, op onder meer van 2006 tot 2012 tijdens de tournees van Frankie Avalon en Fabian.  Don heeft nog drie andere kinderen: Venetia, Stacey en Erin. Deze laatste is actrice en was ooit getrouwd met Axl Rose van Guns N’ Roses.

In Billboard’s Hot One Hundfred waren The Everly Brothers de voorbije decennia goed voor zesendertig hits. In 1986 waren zij een van de eersten die werden opgenomen in “The Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland. Elf jaar later werden zij onderscheiden met een “Grammy Lifetime Achievement Award”. In 2001 werden zij in “The Country Music Hall of Fame” in Nashville opgenomen en drie jaar later in “The Vocal Group Hall of Fame”. Zij hebben een ster op de befaamde “Hollywood Walk Of Fame” en in de lijst van meest invloedrijke artiesten van de voorbije eeuw, samengesteld door het tijdschrift Rolling Stone,  prijken zij op de drieëndertigste plaats. Wanneer Simon & Garfunkel in 2003 op tournee gaan nemen zij The Everly Brothers mee die ergens midden in de show opduiken tot jolijt van hun vele fans. Zij zingen trouwens ook mee in de titelsong van Simons album “Graceland”.

De derde januari 2014 overleed Phil Everly op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van een chronische longaandoening.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet