The Four Aces

Geplaatst in Artiesten

Vier was in de jaren vijftig een magisch getal. Niet om op de lotto te spelen of zo, maar om in een groepsnaam verweven te worden, want vier stond voor een stevige en degelijke formatie: The Four Freshmen, The Four Coins, The Four Fellows, The Four Lovers, The Four Preps, The Brothers Four. Er was één voorwaarde, je moest met zijn vieren zijn en als je naast zingen ook nog een instrument kon bespelen, was dat graag meegenomen.

Nog zo’n bekend viertal, zo’n bekend kwartet uit de jaren vijftig, waren The Four Aces, een wat je mag noemen hitfabriek uit die tijd. Tussen 1951 en 1956 scoorden ze zomaar liefst twintig hits. Al Alberts en Dave Mahoney die samen hun legerdienst hadden gedaan bij de marine kwamen in 1946 samen om het plan uit te werken een zanggroep op te richten, want zingen was hun grote liefde. Dankzij Marty Caruso die in Chester, Pennsylvania een platenzaak uitbaatte en die op de hoogte van hun plannen was, komen ze in contact met Louis Silvestri en Rosario Vaccaro. Op het einde van de jaren veertig beginnen ze regelmatig op te treden in “The Old Mill Inn”. Zoals ik in de eerste alinea reeds opmerkte, was het meegenomen als je naast zingen ook nog een instrument kon bespelen. Dat konden The Four Aces: leadzanger Al tokkelde op de piano, tenor Dave speelde sax, bariton Rosario “Sod” Vaccaro trompet en bas Louis op de drums. In de buurt van Chess woonden twee kerels die samen liedjes schreven George Hoven en Chester Shull en die The Four Aces It’s no sin aan de hand deden. Ze beloofden het in hun repertoire op te nemen en toen het succes zo overweldigend bleek, hadden ze er wel zin in het op plaat te zetten. Maar ze hadden geld nodig. Gelukkig kwam dit Larry Pleet en Melvin Korn ter ore die hun in een gulle bui 500 dollar toestaken, maar dat bleek nog niet voldoende tot Al zijn verloofde Stella bereid vond het geld dat ze voor hun huwelijk aan de kant hadden gelegd aan die 500 dollar toe te voegen.  Met dat geld huren ze een paar studio-uren in de Reco-Arts Studio in Philadelphia en brengen op hun eigen Victoria-label met medewerking van Dan Miller die een eigen perserij runt enkele weken later It’s no sin uit. The Four Aces hadden een gouden troef in handen. George Hoven die de song geschreven had, was de trotse vader van een knappe dochter Vera op wie een zekere Jimmy Lynn tot over zijn oren verliefd was. Jim was dj bij het WVCH radiostation en draaide de plaat zo goed als grijs. De 15de september 1954 staat It’s no sin op vier in Billboard’s Hot One Hundred. Het kon niet uitblijven of de major platenmaatschappijen zouden komen aankloppen om hun een contract aan te bieden. Het is Bob Brenner van Decca Records die hun een mooie deal voorlegt en hun op die manier de kans geeft op dit grote label meteen een van hun bekendste hits te scoren. De 23ste oktober 1951 staan ze in de studio om daar Tell me why op te nemen met als B-kant A garden in the rain, dat hun twee maanden later een dubbele hitnotering oplevert.

In 1941 had Xavier Cugat met zijn dansorkest een dikke hit gescoord met Perfidia. Dat wordt de volgende singlekeuze voor The Four Aces, goed voor een toptiennotering. Intussen was Decca Records op zoek gegaan naar een goede manager en die vonden ze in de persoon van Herb Kessler die het vak van manager geleerd had bij de succesvolle Three Suns geleerd had. Herb vindt dat The Four Aces er op het podium maar stijfjes bij stonden en huurt choreograaf Jon Gregory in om hen wat sier bij te brengen. Jon had eerder sterren als Erroll Flynn en Tyrone Power getraind. Stilzitten deden The Four Aces niet. In 1952 alleen al duiken acht singles van hen op in de Amerikaanse charts met als bekendste Should I en Heart and soul, al onthouden wij graag hun versie van La Rosita uit datzelfde jaar. Samen met The Ames Brothers vormden The Four Aces zowat de meest populaire zanggroep in die vroege jaren vijftig. 1953 moet qua hits ook al niet onderdoen. Onthouden we vooral: Stranger in paradise uit de Broadwaymusical “Kismet” en The gang that sang Heart of my heart, een liedje dat al in 1926 werd uitgegeven.

The Four Aces waren voor Decca de kip met de gouden eieren geworden, alleen, ze hadden nog geen nummer één gescoord. Daar kwam verandering in toen ze in 1954 beslisten de titelsong van de film Three coins in the fountain op te nemen. Ook Frank Sinatra had het net ingeblikt. The Voice geraakte ermee op vier, maar The Four Aces gingen met de eer en de gouden status lopen. Three coins in the fountain zou ook de alleereerste hit voor hen in Engeland worden, goed voor een vijfde plaats in de Top Veertig. Ook de opvolger, een bewerking van Mister Sandman waarin ze begeleid worden door het orkest van Jack Pleis, deed het daar erg goed. Een topdriehit zit erin wanneer de heren van Decca Records  besluiten Melody of love als single te releasen. Het wordt een van de meest gedraaide en verkochte platen van 1955. Melody of love was nochtans een liedje dat dateerde van 1903, maar speciaal voor hen had Tom Glazer er een tekst bij geschreven en het was ook deze keer bingo! Diegenen die dachten dat The Four Aces het daarmee gehad hadden en hoopten dat hun impact op de hitlijsten wat zou afnemen, waren eraan voor de moeite, want hun volgende Love is a many splendoured thing, de titelsong uit de gelijknamige film met in de hoofdrollen William Holden en Jennifer Jones, stond binnen de kortste keren op één in de Amerikanse charts. We noteren de 27ste augustus 1955. Deze compositie van Sammy Fain en Paul Francis Webster zou zes weken op één blijven schitteren. In de herfst van dat jaar bereikte de single de tweede plaats in de Britse Top Veertig.

Het lag dus voor de hand dat ze de plas zouden oversteken. Ze kregen snel de Engelsen op de knieën en konden nog jaren nadien blijven rekenen op een schare trouwe fans. Ook waren ze erg geliefd in Canada waar ze regelmatig in “The Gatineau Club” in Ottawa opdoken waar ze keer na keer werden aangeklampt door een jongen die zijn liedjes aan hen wou opdringen, maar ze weigerden. Die jongen bleek achteraf Paul Anka te zijn. Jaren later, toeval of niet, zou Paul Anka met het geld dat hij aan zijn eerste hits had overgehouden de uitgeversmaatschappij van The Four Aces overkopen. Nu was het Pauls beurt om hen keurig uit te betalen. Tegen 1956 had rock-’n-roll de hitlijsten in zijn greep. Toch zouden The Four Aces nog met negen singles in die lijsten aanwezig zijn. Vergeten we daarin vooral I only know I love you en  You can’t run away from it, niet. In een poging wat méér uptempo en hipper te klinken, komen ze op de markt met Bahama Mama en You’re mine. Hilarisch werd het toen ze in 1958 het nummer Rock and roll rhapsody op single uitbrachten en als klap op de vuurpijl optraden in de rockfilm “The Big Beat”. Maar de jeugd keek de andere kant uit. Je kon van hen toch niet verwachten dat ze de lievelingen van pa en ma in de armen sloten.

Leadzanger Al Alberts, die na het inzingen in 1958 van Roses of Rio al nattigheid voelde, besluit de groep te verlaten om aan een solocarrière te beginnen. Dat had hij beter niet gedaan, want dat uitstapje loopt met een sisser af. The Four Aces blijven niet bij de pakken zitten en na een auditie nemen ze Freddie Diodatti in dienst met wie ze een bewerking opnemen van het bekende Warsaw Concerto van Richard Addinsell dat die in 1942 speciaal had geschreven voor de film “Dangerous Moonlight”. De versie van The Four Aces klom echter niet hoger dan de 63ste plaats. Het is wel zo dat ze met deze single hun grootste hit in Australië zouden scoren en dat het een to twintighit in Engeland werd. De laatste keer dat ze in de top honderd mogen plaatsnemen, is de 2de maart 1959 met No other arms, no other lips dat ze nog samen met het hondstrouwe orkest van Jack Pleis hadden opgenomen.

Toch zouden The Four Aces met veel bijval in de sixties blijven optreden,  ook al verlieten Dave en Sod de groep en werden ze vervangen door Joe Giglio en Tony Alesi. In 1976 hield Lou het voor bekeken en werd zijn plaats ingenomen door Jimmy Kapourellias. Tegen die tijd hadden de originele leden zich opnieuw gegroepeerd, maar dat leidde tot strubbelingen wat het gebruik van de groepsnaam betreft. Om dat op te lossen, trad het oorspronkelijk kwartet voortaan op als Al Alberts and The Four Aces en de nieuwe bezetting als The Four Aces. Al Alberts en zijn groep zouden blijven optreden van 1976 tot 1987 en namen in die periode ook nog een album op. Nadien ging Al zich bezighouden met kinderprogramma’s voor de tv-zenders WFIL en WPVI in Philadelphia. David werd verzekeringsagent en Sod ging voor de belastingen in zijn thuishaven Chester in Pennsylvania werken.

In 2001 werden The Four Aces opgenomen in The Vocal Group Hall of Fame.

De 27ste november 2009 overleed op 87-jarige leeftijd Al Alberts.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet