The Four Tops

Geplaatst in Artiesten

Soms is muziekmaken heel eenvoudig. Je bent met vier, je zingt graag, je komt samen op een feestje, je treedt daar op voor de fun, je maakt een afspraak voor ‘s anderendaags, je oefent wat, voelt dat het klikt en besluit snel een groepje op te richten. Dat is zowat het verhaal hoe Levi Stubbs, Abdul Fakir, Renaldo Benson en Lawrence Payton in 1954 in Detroit begonnen. Een groepsnaam was ook snel gevonden: The Four Aims.

Schoolfeestjes, fuiven, ze zongen zowat overal even graag en klonken met de dag beter. Via een agentschap slaagden ze er na een tijdje in op te treden als backinggroep van in die tijd zeer gerenommeerde artiesten als Brook Benton, Billy Eckstine en Della Reese. Omdat er in die jaren 50 in Amerika een bekende groep rondliep die zich The Ames Brothers noemde en om een babylonische spraakverwarring te vermijden, werden The Four Aims na stil en wijs beraad The Four Tops. Omdat ze zo graag een plaatje wilden opnemen, klopten ze aan bij Chess Records en mochten iets later staan glunderen met hun eerste single, maar dat verhaal was van erg korte duur, want in 1960 tekenen zij een contract bij Columbia Records waar ze met producer John Hammond Ain’t that love opnemen. Ook dit avontuur blijft tot één single beperkt. Twee jaar later treden ze samen met Billy Eckstine op en sluiten daar een deal met het jazzy gekleurde Riverside-label voor wie ze Pennies from heaven opnemen. Dat singletje werd op applaus onthaald, maar vond geen respons bij de radiostations tot ze op zekere dag Berry Gordy Jr. tegen het lijf lopen die net zijn Motown-label had opgericht. Berry ziet meteen wat in de jongens, maar heeft nog niet de juiste song op het oog en laat hen dan maar de backings zingen bij The Supremes. In 1964 verandert het tij wanneer de Motowntandem Holland, Dozier, Holland voor de dag komt met Baby I need your lovin’. Het blijkt de juiste keuze, want het wordt een zomerhit voor The Four Tops. Ask the lonely wordt de daaropvolgende wat gospelgetinte song die vooral de fijnproevers doet aanvoelen dat het met deze groep wel eens de goede kant uit kan gaan. Dat bewijs wordt geleverd met hun vierde single I can’t help myself (sugar pie honey bunch). Twee weken na mekaar prijken The Four Tops op de eerste plaats van de Amerikaanse Top Honderd. Kritiek krijgen ze te slikken wanneer ze meteen nadien op de proppen komen met It’s the same old song, volgens puristen een blauwdruk van wat Holland, Dozier en Holland tot dan toe gefabriceerd hadden. Het leek iets té zeer op bandwerk, maar wat wil je van een liedje dat ‘s donderdags wordt opgenomen, ‘s zaterdags op de radio te horen is en ‘s maandags al in de winkel ligt. Al bij al toch goed voor een topvijfnotering.

Dan wordt het even wat zwalpen met singles als Ain’t that love, Something about you, Shake me wake me en het samen met Stevie Wonder geschreven Loving you is sweeter than ever vooraleer er weer pal midden in de hitroos wordt geschoten met wat vrij snel zou uitgroeien tot een regelrechte Motownklassieker Reach out I’ll be there, de 3de september 1966 een Amerikaanse nummer één.

De rauwe stem van Levi Stubbs bewijst hier hoe een nummer één moet klinken. Amerikaanse soul op zijn best! Intussen hadden The Four Tops er dankzij de inzet van Beatles-manager Brian Epstein een succesvolle tournee in Engeland op zitten, dus hoeft het ons niet te verwonderen dat ze ook daar een nummer één scoorden. In het totaal zouden er in Engeland van The Four Tops 29 singles worden uitgebracht waarvan er 25 in de hitlijsten zouden geraken. Samen met The Beach Boys zouden ze de enige Amerikaanse band zijn die dat lukte.

Berry Gordy had het keurig uitgetekend: The Supremes zouden lichte stuff brengen, The Temptations gemakkelijk in het gehoorliggende popsoul en The Four Tops ruwere, rockende songs. Standing in the shadows of love was zo’n kanjer op de hielen gezeten door Bernadette, beide goed voor een top tien notering. 7 rooms of gloom is een dijk van een nummer, maar niet meteen vertaald in een hoge score, want er had méér in gezeten dan een 14de positie in de Top Honderd. De groep voelde dat ze het roer moesten omgooien toen de single I’ll turn to stone in 1967 niet hoger dan de 76ste plaats geraakte. Berry Gordy Jr. wou intussen zijn paradepaardjes een soort Las Vegas-elan aanmeten. Zijn onderdanen moesten en zouden liedjes uit het Amerikaanse songbook opnemen. The Supremes, Marvin Gaye, The Tempations, ja zelfs The Four Tops moesten in smoking liedjes staan kwelen waar hun fans totaal geen boodschap aan hadden. Dat zadelde The Four Tops met draken op zoals de elpee “The Four Tops on Broadway” en liedjes als Climb every mountain en If I had a hammer.

Toen in 1967 Eddie Holland, Lamont Dozier en Brian Holland de Motownstal hadden verlaten om een eigen bedrijf op te richten, moesten The Four Tops wel uitkijken naar andere songwriters. Bij gebrek aan nieuwe songs, besloten ze dan maar te coveren zoals in 1966 Walk away Renée van Left Banke en If I were a carpenter van Bobby Darin. Telkens goed voor een toptwintignotering. In 1970 besloot Berry Gordy Jr. ,steeds op zoek naar een nieuwe invalshoek en naar een verkoopbaar concept, The Supremes op één album te koppelen aan The Four Tops voor het album “The Magnificent Seven” met daaruit als succesvolle singlekeuze River deep, mountain high, terug te vinden in de charts van dat najaar op plaats 14. Twee jaar later is het Motown-avontuur afgelopen. De platenstal verhuist naar Los Angeles, maar niet alle paarden willen mee. The Four Tops zoeken een onderkomen bij platenfirma Dunhill en zie de wonderen waren de wereld niet uit, want die overstap werd gelijk bekroond met twee vette hits: in 1972 met Keeper of the castle en het jaar nadien met Ain’t no woman, respectievelijk goed voor een tiende en vierde plaats. Ze hadden voor dat platenlabel gekozen omdat ze nogal kickten op het schrijverstalent van Dennis Lambert en Brian Potter die ook al knappe songs voor onder meer Glen Campbell hadden gesmeed.

Omdat stilstaan en stilzitten aan The Four Tops niet was besteed, verhuizen ze in 1976 naar het grotere en meer belangrijke ABC -label. Dit levert hun geen hoogvliegers op al onthouden we toch singles zoals Seven lonely nights en Catfish. Leuk wordt het en meer easy listening als ze in 1981 een korte deal sluiten met het Casablance-label. Ze worden dan collega’s van Donna Summer. Een single als When she was my girl is en blijft er eentje om in te kaderen. Het vreemde is dat op datzelfde label The Four Tops in de Top Dertig in België een hit zouden scoren met een liedje waarmee ze in de States niet eens aan de bak kwamen en wel met Don’t walk away, de 27ste februari 1982 goed voor een zesde plaats.

In 1983 nodigt Berry Gordy Jr. hen uit voor de viering van 25 jaar Motown. Naast een opmerkelijk optreden in die show houden ze er een nieuwe platendeal aan over met als rustige hitnotering de single I just can’t walk away, maar méér dan een 71ste plaats in de Top Honderd zit er niet in. Dan maar doorschuiven naar het Arista-label voor wat hun laatste hit zou worden. In Amerika is dat Indestructible dat door NBC TV gebruikt wordt als tune voor de uitzendingen in 1988 van de Olympische Zomerspelen. Op datzelfde label scoren ze in Europa een méér dan behoorlijke hit met het dansante Loco in Acapulco, in de Belgische Top Dertig van 1989 goed voor een 13de plaats. In Nederland zat er een elfde plaats in en in Engeland zelfs een zevende.

Van dan af is er voor The Four Tops de rek uit en kan het alleen maar bergaf gaan. Toch krijgen ze in 1990 een ereplaats toegewezen in de “Rock and Roll Hall of Fame” en negen jaar later in “The Vocal Hall of Fame”. Intussen is wel in 1997 Lawrence Payton aan een hartaanval overleden. Zijn plaats werd ingenomen door Theo Peoples. Drie jaar later wordt bij Levi Stubbs kanker vastgesteld. In zijn plaats komt Ronnie McNair. De 17de oktober 2008 overlijdt Levi op 72-jarige leeftijd. Drie jaar eerder was ook Renaldo Benson overleden. Hij werd vervangen door zijn zoon Lawrence- Roquel.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet