The Hollies

Geplaatst in Artiesten

De geschiedenis van The Hollies begint in 1962 wanneer in Manchester twee popgroepen samensmelten: The Deltas en The Dolphins. Nadat Liverpool zich had ontpopt als bakermat van de merseybeat, lieten iets later andere Britse steden van zich horen. Manchester was daar één van. Het waren Allan Clarke en Graham Nash die het op zekere dag voor bekeken hielden bij The Deltas en samen met Tony Hicks, Eric Haydock en Bobby Elliott van The Dolphins, The Hollies oprichtten. Hun debuut in deze bezetting maakten ze nog datzelfde jaar, in 1962 dus, in “The Oasis Club” in Manchester. Een jaar later hadden ze hun eerste platencontract op zak nadat ze een deal hadden gesloten met Parlophone, hetzelfde label als dat waarvoor The Beatles opnamen.

Het was de gewoonte in die dagen dat je nogal wat kopieerde van de Amerikaanse markt. The Hollies kozen voor een hit van The Coasters Ain’t that just like me. Ook de tweede single zou een cover van hen worden ‘Searchin”. En omdat driemaal scheepsrecht is, werd ook voor de derde single voor een reeds bestaande hit gekozen, ‘Stay’ van Maurice Williams and The Zodiacs. Die single klom op het einde van 1963 naar de 8ste plaats in de Britse top veertig. Pas goed raak schoten ze in de maand februari van 1964 met Just one look. We kunnen dan ook spreken van hun doorbraakhit, 13 weken lang in de Britse top veertig met een tweede plaats als hoogste notering. Allan Clarke en Graham Nash deden hun uiterste best haast engelachtige zangpartijen neer te zetten die qua trefzekerheid die van The Everly Brothers evenaarden, soms zelfs overstegen. Die perfectie zou jaren later de doodsteek worden voor The Hollies. Het gaf, hoe afwisselend ze ook waren qua repertoirekeuze, hun songs iets gelijkluidends mee, ze klonken té af, té perfect. Hun eerste gouden plak mochten ze aan de muur hangen toen ze I’m alive van Clint Ballard opnamen. Clint had net Wayne Fontana and The Mindbenders aan de hit  The game of love geholpen. In de lente van 1965 stonden The Hollies voor de eerste maal op 1 in de Britse charts en traden ze live op op Amerikaanse bodem. Pogingen om zelfgeschreven songs aan te reiken, waren er wel, maar die werden wijselijk naar de B-kanten van hun singles geschoven. De grote jongens mochten de A-kantjes invullen zoals toen in 1965 Graham Gouldman  Look through any window voor hen schreef.  Met het daarop volgende  If I needed someone geraakten ze niet verder dan de top 20, maar I can’t let go was weer een voltreffer vanjewelste, een tweede stek in de Top 40.

Veel concurrenten kenden The Hollies in de swinging sixties niet, behalve dan The Beatles. In 1966 verlaat Eric Haydock de groep en richt zijn eigen band op Haydock’s Rockhouse en wordt bij The Hollies vervangen door Bernie Calvert. Het verandert niets aan hun geluid. En de hits blijven komen. Na I can’t let go is het weer de nagel op de kop met Bus stop, eveneens een compositie van Graham Gouldman. Het is even verrast opkijken als ze op de proppen komen met qua geluid anders klinkende Stop, stop, stop, een top 3-hit in 1966, tevens de allereerste compositie van de heren Clarke, Nash en Hicks. Misschien was het toeval of niet, maar nadien zijn het de dames die de titels van de hits mogen kleuren en opfleuren:  Carrie Ann, Dear Eloise, Jennifer Eccles … Wanneer ze beslissen om een ganse elpee met Dylan-songs te vullen, vindt Graham Nash het welletjes en besluit te groep te verlaten. Hij was het , net als John Lennon en George Harrison, grondig beu, dat hun liveoptredens continu werden verstoord door schreeuwende tieners. Hij voelde The Hollies aan als een keurslijf, een té strakspannend maatpak waarin het moeilijk bewegen was. Hij wilde méér zelf songs schrijven met een persoonlijke boodschap. Die mooie stemmetjes hoefden voor hem niet zo en daardoor geraakte hij verbaal slaags met hun producer Ron Richards. Hij trekt naar Los Angeles om daar met voormalig lid van Buffalo Springfield gitarist Stephen Stills en ex-Byrd-lid David Crosby de superformatie Crosby, Stills and Nash op te richten. Hij was het reizen zat en wou gewoon thuis rustig songs gaan schrijven, wat hij dan ook deed.

Binnen The Hollies werd Nash vervangen door gitarist-zanger Terry Sylvester die een tijdlang bij The Swinging Blue Jeans had opgetreden, om precies te zijn van 1966 tot en met 1968. Hij mocht meteen meezingen tijdens de opnamen van de volgende Hollies-hit Sorry, Suzanne, een top 3-hit voor hen in 1969. Nash had de groep verlaten en dus moesten ze weer beroep doen op schrijvers buiten de band. De opvolger werd He ain’t heavy, he’s my brother waarop als pianist van dienst Elton John nog te horen is. Die hoor je ook aan het werk op hun hit I can’t tell the bottom from the top. Dit was een echte meevaller, want met deze single stonden The Hollies in het voorjaar van 1970 in zomaar liefst 12 hitlijsten van verschillende landen genoteerd. Die reeks wordt vakkundig voortgezet met Gasoline Alley Bred en  Hey Willy. Ook voorman Allan Clarke begon het op zijn heupen te krijgen en komt net als Graham Nash in aanvaring met producer Ron Richards wat de keuze van songmateriaal betreft. Hij gooit de handdoek in de ring en laat in de maand december van 1971 de groep achter zich. Met open armen wordt de Zweedse zanger Mikael Rickfors in de groep ontvangen en is te horen op de elpee “The baby”. Toch beslist EMI nog een single te releasen uit het drie jaar eerder uitgebrachte album “Distant Light”, het door Creedence Clearwater beïnvloede  Long Cool Woman in a Black Dress, met Allan Clarke nog als leadzanger. Een formidabele zet, want het nummer wordt een top 2-hit in de States en een nummer 1 in Australië. Raar  maar waar, in de nazomer van 1973 houdt Rickfors het voor bekeken en stapt Allan Clarke terug in de groep met meteen een kersverse hit ‘ The day that Curly Billy shot down crazy Sam McGee’. In Engeland komen de jongens nog eens echt aan de bak in de loop van de maand februari 1974 met ‘ The air that I breathe’. Een top 2-hit en tevens hun laatste grote succes, want van dan af wordt het stevig doorzwemmen om het hoofd boven water te houden. De single Soldiers’ song geraakt niet hoger dan een 58ste plaats in 1980. Op het moment dat iedereen hen wil afschrijven, laten ze opnieuw van zich horen met een naar het voorbeeld van het succes van Stars on 45-compilatie van hun grootste hits onder de titel  Holliedaze.

De BBC vraagt beleefd aan Graham Nash en Tony Hicks of ze voor de promotie zo vriendelijk wilden zijn om zich eenmalig bij de groep aan te sluiten, wat ook gebeurt. Dit leidde ook tot een soort reünie-album ” What goes around…” in juli 1983 uitgebracht op het WEA Records-label. Uit dat album werd een cover gelicht van de Supremes-hit Stop in the name of love, goed voor een nipte notering in de Britse Top 40.

Toen The Hollies in de zomer van 1988 te horen waren in de tv-commercial van het biermerk Miller Lite Lager met He ain’t heavy,  werd die song opnieuw op single uitgebracht en werd het gelijk tot ieders verbazing een nummer 1. Intussen was Ray Stiles,die tot dan bij de groep Mud had gespeeld, de gelederen komen versterken. In 1995 werd hun een belangrijke onderscheiding overhandigd, The Ivor Novello Award voor hun uitzonderlijke prestaties en bijdragen aan de Engelse muziek.  In 2009 brachten The Hollies in hun huidige bezetting met daarin nog de originele leden Tony Hicks en Bobby Elliott de cd  ”Then, now, always” uit met voorop de leadstem van Peter Howarth. Het jaar daarop, in de maand maart van 2010, werden The Hollies opgenomen in de befaamde “Rock and Roll Hall of Fame”. Tijdens die ceremonie zingen  The Hollies  nog eens in hun oude bezetting, 47 jaar na hun eerste optreden en met  Allan Clarke, Graham Nash, Terry Sylvester, Eric Haydock en Bernie Calvert, met volle overgave hun hits van toen: Bus Stop, Carrie Anne en  Long Cool Woman in a Black Dress, voor die gelegenheid met Steven Van Zandt op gitaar.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet