The Jarmels

Geplaatst in Artiesten

The Jarmels is een groep die nooit de aandacht kreeg die ze heeft verdiend. Misschien wel omdat ze tijdens hun korte bestaan slechts zes singles hebben uitgebracht, maar die zijn dan wel stuk voor stuk onverslijtbaar , zowel hun A- als hun B-kant.

De Amerikaanse platenfirma Laurie Records bracht op het Rust-label nogal wat blanke doowopgroepen uit met uitzondering van The Jarmels, vijf zwarte zangers uit Richmond, Virginia : Nathaniel Ruff  geb. 1939), Ray Smith (geb. 1941), Paul Burnett (geb. 1942), Earl Christian (geb. 1940) en Tom Eldridge (geb. 1941).The Jarmels (hun naam leenden ze van een straatnaam in Harlem) brachten een geslaagde samensmelting van blanke en zwarte doowop, nogal beïnvloed door The Drifters. Slechts hier en daar pikten ze in op de zwarte ‘streetcorner sound’ o.a. te horen op hun single  Gee oh gosh.

Het was Jim Gribble , manager van onder meer The Mystics en The Passions , die er in 1961 in slaagde voor The Jarmels bij Laurie Records een contract te versieren en hun eerste single voor dit label werd in New York een behoorlijke hit  Little lonely one , een nummer van Irvin Levine (hij zou iets later nogal wat successen schrijven voor Tony Orlando and Dawn). De opvolger A little bit of soap was van de hand van Bert Berns (zou nadien de manager worden van Neil Diamond en Van Morrison)  en die single zou ook de grootste hit voor hen worden met een 12de plaats in de hitlijsten van de zomer van 1961. Voor de opvolger werd uit een ander vaatje getapt, ook al bleef de zanglijn zo goed als dezelfde. Er werd geopteerd voor een oud nummer van Jerome Kern The way you look tonight, de tweede grootste hit voor The Jarmels. Hiermee zat 1961 erop en meteen ook hun hoogtijdagen, want met de daaropvolgende singles bleef het succes uit hun buurt, hoe goed hun producer Gene Schwartz ook zijn best deed om nog eens in de Top honderd te geraken.

De allerlaatste single die ze opnamen wordt door hun fans als hun mooiste beschouwd Come on girl (1963). Twee opnamen bleven op de plank liggen:  Why am I a fool from you en  You don’t believe a word I say,  intussen leverbaar op hun greatest hits cd uitgebracht op het Ace-label. Na 1963 bleven de heren nog actief in het concertcircuit en werd de groep qua bezetting regelmatig aangepast. Zo zong Major Harris een tijdje mee. Major zou van 1971 tot 1974 bij The Delfonics worden ingelijfd. Vanaf 1975 ging hij solo met hits als Love won’t let me wait (1975) en Jealousy (1976).

A little bit of soap deed het nadien nog goed dankzij enkele covers, onder meer die van The Exciters (1966) en Showaddywaddy (1978)

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet