The Swinging Blue Jeans

Geplaatst in Artiesten

Niemand zal me tegenspreken als we schrijven dat The Beatles tijdens de hoogtijdagen van de merseybeat de populairste waren van allemaal, ook al beten Gerry and the Pacemakers, The Searchers, Billy J Kramer and the Dakotas en The Swinging Blue Jeans stevig van zich af. Die laatste had in het Liverpoolse circuit als beatgroep een aardige reputatie weten op te bouwen. Ook The Swinging Blue Jeans trokken net als The Beatles naar Hamburg om daar het klappen van de zweep onder de knie te krijgen. Ray Ennis van The Swinging Blue Jeans weet nog goed dat hij met een paar vrienden de allereerste Liverpoolse band was die in “The Cavern”speelde, lang voor The Beatles. “The Cavern” was rond 1957 nog een echte jazzclub en Ray had ervoor gezorgd, na lang aandringen bij de baas, dat ze op zondagavond, ruim een half uur tussende jazzbands door, wat skiffle mochten spelen, want dat genre was in die tijd heel erg in trek. Dat groepje dat een wat gesofisticeerde vorm van skiffle neerzette, bestond toen uit zes muzikanten. Maar stilaan moest de skiffle, ook in “The Cavern”, plaatsruimen voor de rock-’n'-roll!

The Swinging Blue Jeans was eigenlijk een samensmelting van twee Liverpoolse groepen die respectievelijk de eerste en de tweede prijs hadden weggekaapt tijdens een talentenjacht in het “Empire Theatre” in Liverpool. Aan de ene kant had je The Bluegenes die de eerste plaats wegkaapten en aan de andere kant The Ralph Ellis Skiffle Group. Traden ook nog op The Quarrymen, die later The Beatles zouden worden, maar die raakten tijdens die wedstrijd kant noch wal. Uit de samensmelting van die twee groepen richtten in de lente van 1958 Ray Ennis, Ralph Ellis, Les Braid en Norman Kuhlke een nieuwe versie van The Bluegenes op. “The Cavern” werd zowat hun vaste stek om op te treden. Normaal was die club een plaats  waar geen bier gedronken mocht worden, er was alleen maar achteraan in de zaal een koffiebar,  gesloten op maandag, dinsdag en woensdag en daar wou Ray Ennis wat aan veranderen. Hij wou proberen wat publiek te trekken op een avond dat normaal gesproken niemand in Liverpool op stap ging. Een uitdaging dus.  Hij kon het fiksen met het management van “The Cavern” dat ze op dinsdagavond een programma in mekaar mochten steken “The Bluegenes Guest Night” waarop ze hun musicerende vrienden uitnodigden zoals The Searchers, Billy J. Kramer, Gerry Marsden enz… In de maand maart 1961 voegen ze The Beatles, die net terug waren van hun muzikale uitstap naar Hamburg, aan hun gastenlijst toe. We mogen niet vergeten dat The Bluegenes, voor ze aan die rocktoestanden in “The Caver” begonnen en zoals ik in de eerste alinea al aanhaalde, ook hadden opgetreden in Hamburg waar ze voor een maand lang een contract hadden versierd in “The Star Club”. Hier was van skiffle geen sprake, hier moest er gerockt worden en zo schaafden zij op hun manier aan wat we iets later de merseysound zullen gaan noemen.

Na hun avontuur in “The Cavern” verhuizen The Bluegenes naar “The Mardi Gras” en vervolgens “The Downbeat Club” om daar top of the bill te worden. Om hun groepsnaam wat vlotter te laten klinken, noemden ze zich na een tijdje The Swinging Blue Jeans. Vrij snel brengen ze op het EMI label hun eerste single uit It’s too late now, een nummer van Ray Ennis, acht maanden nadat The Beatles iedereen hadden verbaasd en ingepalmd met Love me do en Please, please me.

It’s too late now van The Swinging Blue Jeasn bleef haperen op de dertigste plaats in de Britse Top Veertig en de opvolger  Do you know, eveneens een compositie van Ray Ennis, geraakte niet eens via de achterpoort naar binnen. Vanaf de maand december 1963 kon je hen elke week een kwartier lang beluisteren in de radioshow “Swingtime’” van Radio Luxemburg gesponsord door een fabrikant van blue jeans. Toch moesten ze nog een jaartje wachten op de definitieve doorbraak van de merseybeat vooraleer ze echte hits zouden scoren. Dat lukte vrij goed nadat Jim Ireland hun manager was geworden. Die had hen inmiddels in leren jasjes en heuse blue jeans uitgedost en speelde hun tegelijkertijd een nummer door dat hij kende van de Amerikaanse singe -songwriter Chan Romero The Hippy Hippy Shake. Als een raket schoten ze rechtdoor naar de tweede plaats van de Britse top veertig. In de States was de single goed voor een 24ste plek in de top honderd. Als opvolger werd opnieuw voor een cover gekozen, want ze hadden geleerd dat hun eigen songs niet aansloegen. Die cover werd de rockklassieker Good Golly Miss Molly van Richard Penniman, alias  Little Richard. Geen slimme keuze, want de originele versie van Little Richard was al als een klassieker bestempeld en daar hou je beter je handen van af. In Engeland was er nog een 11de plaats voor hen weggelegd, maar in Amerika moesten the boys met een 43ste stek genoegen  nemen.

Net als het merendeel van hun collega’s gingen The Swinging Blue Jeans qua repertoire hun inspiratie zoeken bij  Amerikaanse songs, maar daar waar The Rolling Stones  en The Animals, om er lukraak een paar te noemen, aan die covers nog een persoonlijke touch gaven, maakten The Swinging Blue Jeans er iets te aalgladde versies van. In  de maand april van 1964 gingen ze met een paar van hun idolen, Chuck Berry en Carl Perkins, op tournee. Ik schrijf het niet graag, maar ik moet toch noteren dat ze tijdens die optredens regelmatig werden uitgefloten.

Er moest dringend voor een nieuwe single gezorgd worden en weer viel hun keuze op een bestaande song. Deze keer een hit van Betty Everett You’re no good. Geheel onverwacht werd dit nummer in Engeland een topdriehit in de zomer van 1964. In oktober volgde de elpee “Blue Jeans a – swingin’ ” . De singlekeuze daaruit  It isn’t there bleek een foute gok. Niemand reageerde echt op die plaat en vrij snel geraakten The Swinging Blue Jeans in het vergeetboek. Hun stijl was ook veranderd. Van merseybeat waren ze geëvolueerd tot een rhythm-and-bluesgroep en daar hielden de fans niet zo van. Voor hen geen nummers als  Crazy ’bout my baby en Make me know you’re mine ook al kwamen die op vinyl terecht. Omdat verrassingen altijd onverwachts gebeuren, stonden ze na een afwezigheid van achttien maanden in de Britse hitlijsten plots op de 31ste plaats met een cover van Dionne Warwicks Don’t make me over, een sterke song overigens van de hand van Burt Bacharach en Hal David.

Omdat ze het schip stilaan voelden zinken, verlieten Ray Ellis en Les Braid de groep en werden vervangen door twee leden van The Escorts, Terry Sylvester en Mike Gregory. Een poging om Don’t go out into the rain van Herman’s Hermits te coveren, ging compleet de mist in. In een laatste stuiptrekking brengt EMI in juni 1967 nog de single  What have they done to Hazel?  uit, maar wanneer die release zonder respons blijft, houdt Terry Sylvester het na zes maanden voor bekeken en sluit zich maar al te graag bij The Hollies aan. The Swinging Blue Jeans besluiten dan maar wijselijk er een punt achter te zetten. Niet voor lang, want vijf jaar later richt Ray Ennis in een nieuwe bezetting The Swinging Blue Jeans op en trekt met die formatie door de States in “The British Invasion Show” samen met zijn collega’s The Searchers en Gerry and the Pacemakers. Er worden tevens opnieuw platen opgenomen en uitgebracht op het onafhankelijke Dart label, onder meer de elpee “Brand new and faded” met daarop onder andere een herwerkte versie van The hippy, hippy shake, maar het blijkt de zoveelste slag in het water te zijn.

Ray Ennis en Les Braid bleven toeren als The Swinging Blue Jeans. In 2005 overlijdt Les Braid. De 30ste mei 2010  gaf Ray Ennis als enig origineel lid van The Swinging Blue Jeans zijn laatste optreden in Liverpool. Na een carrière van 50 jaar trok hij zich nadien terug om van zijn pensioen te genieten.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet