Tom Jones

Geplaatst in Artiesten

Je zal maar op een vroege leeftijd de zogeheten liefde van je leven tegen het lijf lopen, op je zeventiende al gehuwd zijn en moeten zorg dragen voor een kind. Thomas Jones Woodward weet er alles over. Hij liep in Treforest, Pontypridd in het zuiden van Wales als een soort Teddy Boy, een vroege punker, over straat. De maatschappij had hij weinig te bieden, als een soort nozem bracht hij zijn jeugdjaren door. Muziek maken en achter de meiden aan zitten was het enige dat hem bezighield.  Hij werd de zevende juni 1940 geboren als zoon van een mijnwerker en een moeder die de godganse dag voor haar gezin instond. Veel viel er thuis niet te rapen, alleen de liefde voor muziek kreeg hij van huis uit mee. Elke Welshman wordt trouwens als zanger geboren, wordt weleens gezegd. Het zingen zit hun als het ware in het bloed.

Zingen, dat deed Tom dus graag. Niet alleen in het kerkkoor, maar ook in het schoolkoor van The Treforest Secondary Modern School. Studeren was niet zijn meest geliefde bezigheid. Dus lang hield hij het daar niet vol. Op zijn zestiende trouwde hij en moest er brood op de plank komen. Dat lukte door links en rechts wat te klussen. Van metser tot verkoper van stofzuigers. Het maakte niet veel uit, als het maar geld opbracht. Na zijn uren zong hij in een aantal pubs in Pontypridd en bij een aantal lokale groepjes. Hij was nog geen 23 toen hij al wat succes genoot als Tommy Scott. Zingen voor hardwerkende lotgenoten dat maakte zijn doelpubliek uit. Zijn repertoire bestond uit rock-’n-roll, soul en de hits van zijn tijd, de vroege jaren zestig dus. Omdat hij vaak over het lawaai van de pubgasten heen moest zingen, ze proberen te overstijgen, kweekte Tom zich een luide stem aan. Om nog meer aandacht te trekken, ging hij net als zijn idool Elvis dat deed, opvallend met de heupen wiegen. Wanneer in 1963 The Beatles opduiken en beatgroepen de plak gaan zwaaien, trommelt hij een paar muzikanten op en richt zijn eigen band op The Senators.

Op zekere dag hoort manager, producer Gordon Mills, Tommy Scott aan het werk. Gordon kent als geen ander het klappen van de muzikale zweep, want hijzelf speelde ooit in de groep Morton Fraser’s Harmonica Gang en iets later bij The Viscounts die bescheiden hits scoorden met Shortnin’ bread en een cover van Who put the bomb? van Barry Mann. Tommy Scott en Gordon Mills geraken aan de praat en Gordon weet Tommy over te halen naar Londen af te zakken en daar in de studio van producer Joe Meek ( bekend van onder meer de hit Telstar met The Tornadoes) samen met zijn groep The Senators enkele songs op te nemen, maar zonder succes. Geen enkele platenfirma is in hem geïnteresseerd. Hij had niet de juiste looks voor die tijd. Beatgroepen waren in en piepjonge gasten. Tommy was toen al 24 en niet meteen moeders mooiste. Iedereen hoorde wel dat hij kon zingen, maar niemand wou hem een platencontract aanbieden. Maar beide heren houden vol. Gordon Mills slaagt er op zekere dag in een platencontract te versieren bij Decca Records en Tommy mag zijn eerste plaat opnemen Chills and Fever, een nummer geschreven door Gordon Mills. Gordon was intussen op zoek gegaan naar een geschikte naam voor Tommy Scott en dat werd Tom Jones naar de gelijknamige roman van Henry Fielding en in 1963 succesvol verfilmd door regisseur Tony Richardson.

Die eerste single Chills and Fever wordt een bescheiden hit voor Tom Jones. Hij komt daarnaast aan de kost door voor Mills, die een eigen muziekuitgeverij heeft, te gaan werken en door demo’s op te nemen van liedjes die Mills componeert. De tweede single, opnieuw een song van Gordon Mills, wordt een voltreffer. Met It’s not unusual bereikt Tom de 11de februari 1965 de eerste plaats in de Britse top veertig. Mills had It’s not unusual niet alleen geschreven, maar met de hulp van Les Reed die iets later samen met Barry Mason een rist hits aan mekaar zou rijgen. Ze hadden It’s not unusual geschreven met de bedoeling het aan een zangeres door te spelen en voor het gemak hadden ze Tom Jones de demo laten inzingen, maar het resultaat is zo goed, dat ze besluiten het als Toms tweede single te releasen. Jones had een nummer één gescoord zonder noemenswaardige promotie of positieve pers. Niemand kende hem. Hij zou nog alles moeten bewijzen. En dat deed hij.

Wat volgde zou een foute inschatting worden vanjewelste. Het publiek, vooral jongeren, hadden It’s not unsual gekocht omdat ze het een geweldige song vonden, niet omdat ze Jones leuk vonden. Het was het liedje dat het hem deed, niet de zanger. Mills wou Jones katapulteren als een zanger met een geweldige stem, een crooner van de bovenste plank. Hij kiest daarom als opvolger voor de ballad Once upon a time. Tot overmaat van ramp wil Joe Meek, voor wie Jones enkele jaren eerder een paar songs had ingeblikt, mee profiteren van het succes van Jones en brengt Little Lonely One op de markt. Jan met de pet weet niet wat hij hoort en geraakt even de kluts en het noorden kwijt.

Een van zijn betere song, vocaal gezien dan toch, brengt Tom Jones in de zomer van 1965 op de markt, een cover van With these hands van Billy Eckstine. Er zit deze keer voor hem een dertiende plaats in de Britse Top 40 in. De titelsong van de film “What’s new Pussycat” (1965), geregisseerd door Clive Donner, van de hand van Burt Bacharach klimt op het einde van de zomer naar de elfde plaats. Hij mag iets later de titelsong zingen voor de nieuwe James Bond-film “Thunderball”, maar verder dan de 35ste plaats in de Britse charts geraakt hij niet. Mills krabt zich stevig in de haren en begint te twijfelen, want ook de singles Not responsible en vooral This and That scoren niet bijster goed.

Mills kan dan niet anders dan Jones herprofileren. De jeugd lust Jones niet. Het zijn hun ouders en vooral hun moeders die Jones in hun armen sluiten en na aan hun hart drukken. Mills meet Jones een ander imago aan. Jones kruipt in een smoking, laat zijn bakkenbaarden groeien, kort zijn haardos in en zakt met af naar het cabaretcircuit. Jones mag hier heel even op adem komen en genieten van zijn méér macho zijn en vooral zijn sexy look. In de pers toont hij zich de hondstrouwe echtgenoot die elke dag met zijn vrouw en zijn moeder telefoneert, die zijn vader om raad vraagt en in de douche liedjes zingt als My mother’s eyes. Het oudere publiek hapt graag toe. Dit is hun boy next door. Dit is dezelfde truc die Colonel Tom Parker toepaste toen hij Elvis Presley na diens legerdienst in 1960 opnieuw moest lanceren. Geen rockende Elvis werd dat, maar een Presley die braafjes liedjes croonde als It’s now or never en Surrender. Covers van gladgeschoren evergreens uit de Napolitaanse schatkist.  Zelfs Helmut Lotti paste met zijn manager Piet Roelen deze truc in de jaren negentig toe. Zijn “Goes Classics” werden het zoveelste bewijs dat een dergelijke formule op tijd en stond kan blijven werken.

Gordon Mills wreef zich in de handen. Alleen was het hard en naarstig zoeken naar de geschikte songs. Waarom eens niet afzakken naar Nashville en daar zijn oor te luisteren leggen. Country had, vooral na de opkomst van de Nashville sound, beweze dat steengoede ballads een breed publiek aanspreken. In 1965 hadden zowel Porter Wagoner als Bobby Bare gigantisch gescoord in de Amerikaanse charts met een song iets eerder op plaat gezet door Johnny Darrell en geschreven door Claude ‘Curly’ Putman Jr. Green Green Grass of Home. De 10de november 1966 staat Tom Jones met zijn versie helemaal bovenaan de Britse Top 40. Dit smaakt naar nog. Als opvolger wordt opnieuw gekozen voor een countryballad Detroit City, goed voor een achtste plaats in de Britse hitlijsten. In 1963 had Bobby Bare al goud gescoord met deze song van Danny Dill en Mel Tillis.

Op het podium liet Jones zich almaar meer van zijn beste kant zien en horen. Vrouwen vielen in katzwijm voor de man die hun nochtans bedacht met uitspraken als: “I think a woman’s job is to serve her man. A woman may like to think she’s equal, but she’s not!” Hoe méér hij hun op dergelijke uitspraken trakteerde, hoe meer slipjes zij naar zijn hoofd slingerden en hoe voller de concertzalen geraakten. Tussen het voorjaar van 1967 en de winter van 1969 verwende Jones zijn fans met de ene hit na de andere. Dit waren zijn hoogtijdagen met toptienhits als: Funny familiar forgotten feelings, I’ll never fall in love again, I’m coming home, Delilah, Help yourself, A minute of your time,  Love me tonight en Without love.

Delilah werd een van Jones’ grootste en meest gecoverde hits. Geschreven door het populaire duo Les Reed en Barry Mason. Reed was ooit muzikant geweest in The John Barry Seven die te horen zijn in de tune van de James Bond-films en hij als pianist op vele hits van het Britse tieneridool Adam Faith. Samen met Geoff Stephens vormde hij aan het begin van de jaren zestig een lucratief schrijversduo met hits als Tell me when voor The Applejacks en Here it comes again voor The Fortunes. In het midden van de jaren zestig gaat hij samenwerken met Barry Mason, goed voor vijf Ivor Novello Awards. Zij hadden een liedje geschreven met de bedoeling het door P.J. Proby te laten inblikken, maar Tom Jones ging met de eer en de glorie lopen. Het was hij die een onsterfelijke versie van Delilah neerzette. Barry en Les zouden daarnaast Engelbert Humperdinck aan The Last Waltz helpen en Petula Clark aan I‘ve got my eyes on you.  Het was Les Reed die in 1970 een hit scoorde met Man of Action dat vier jaar lang als thema werd gebruikt door Radio North Sea International.

Terug naar het verhaal van Tom Jones die ook stilaan Amerika wist in te palmen. Hij had daar al twee toptienhits gescoord met It’s not unusual en What’ s new Pussycat. Delilah had daar een vijftiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred weten in te palmen en met de single Love me tonight zat er een dertiende plaats in. In Engeland zat er voor diezelfde single net een toptienhit in. Met I’ll never fall in love again, gebaseerd op de melodie Wanderin’ van Sammy Kaye, noteerde Tom Jones in de Verenigde Staten een zesde plaats in de popcharts wat hij met Without love en een vijfde plaats qua succes nog eens overdeed. Qua concerten werd de U.S.A. van dan af een gegeerde afzetmarkt. Las Vegas zou zijn doelwit worden. Hij had al eerder het publiek in “The Copacabana” in New York aan zijn voeten gekregen. Het kostte hem dus geen moeite dat in Las Vegas in “The Flamingo” en “Caesar’s Palace” nog eens over te doen. Frank Sinatra gaf aan de pers ruiterlijk toe dat hij een van Toms grootste fans was. Elvis Presley beaamde dat Tom Jones de aanleiding was om in 1968 zijn grootse comeback op het getouw te zetten. Zes maanden per jaar zou Tom Jones in Amerika resideren om zijn fans de kans te gunnen van zijn optredens te genieten én, niet te vergeten, het grootste deel van zijn fortuin te verzamelen. In 1969 werd hem door ABC  Network een eigen televisieshow in de States aangeboden. De shows werden deels in Londen, deels in Los Angeles opgenomen met als gasten onder meer: Stevie Wonder, Aretha Franklin, The Who, Jerry Lee Lewis, Paul Anka, Ray Charles, Lou Rawls en ga zo maar een tijdje door. Tegen het einde van 1970 had Jones wereldwijd méér dan dertig miljoen platen verkocht. Datzelfde jaar kon Jones twee hits op zijn actief schrijven: Daughter of darkness en I who have nothing.

Het was Paul Anka die Tom Jones een van zijn songs aanbood She’s a lady. In Amerika werd het in 1971 een grotere hit dan in Engeland, met op de B-kant My way, een song die Paul Anka van Claude François had geleend, die het als Comme d’habitude had opgenomen en waarop Anka een Engelse tekst schreef. She’s a lady schoof in de Britse hitlijsten door naar de dertiende plaats, in Amerika zat er zelfs een tweede plaats in, meteen Jones’ grootste hit in Amerika met vlak daarachter in dalende volgorde zijn singles What’s new Pussycat, Without love, I’ll never fall in love again en It’s not unusual.

In Nederland behaalde Tom Jones met She’s a lady de 13de plaats in de Nederlandse Top 40. Daar dook Jones voor de eerste maal op in 1965 met It’s not unusual, al zat er toen slechts een 33ste plaats in. Dikke hits scoorde hij wel met: Green green grass of home, een nummer één bij onze noorderburen, alsook met Delilah, goed voor een tweede plaats in de Top 40 en Help yourself dat bleef halt houden op de zevende stek. Ook in ons land zat er voor Green green grass of home een eerste plaats in en dat zou niet zijn enige nummer één worden, want ook voor I’m coming home, Delilah en Help yourself zat er de hoogste notering in. Een tweede plaats in de Belgische Top 30 werd bereikt met de singles A minute of your time en Love me tonightVanaf 1971 verdwijnt Tom Jones uit het zicht van de Amerikaanse charts, maar niet in zijn thuisland. Zo zit er bijvoorbeeld voor de single Till verrassend een tweede plaats in en een zesde voor The Young New Mexican Puppeteer. De seventies leveren nog bescheiden hits op met Letter to Lucille en Something ’bout you baby I like.

In 1987 biedt platenfirma CBS Tom Jones de rol aan in de musical ”Matador”. De musical geraakt moeilijk van start omdat geldschieters het laten afweten. Toch wordt er aan deze musical een conceptalbum opgehangen dat Jones de hit A Boy From Nowhere oplevert. De single geraakt in de maand april van 1987 tot op de tweede plaats van de Britse Top 40. Pas vier jaar later, de 16de april 1991, zou de musical ”Matador” van Mike Leander en Edward Seago en gebaseerd op het leven van de legendarische Spaanse stierenvechter El Cordobes, voor de eerste maal worden opgevoerd in het “Queen’s Theatre” in Londen. Deze onverwachte hit bezorgt Tom Jones zijn tweede hitadem. Hij krijgt er een nieuwe schare fans bij. Ondermeer J.J.Jeczalik en Anne Dudley, beter bekend als de popgroep Art of Noise, die Tom Jones vragen of hij geen cover wil inzingen van Kiss van Prince. Prince had dat nummer in 1985 doorgespeeld aan de groep Mazarati die het voor hun debuutelpee opnamen. Wanneer Prince die versie als eerste te horen krijgt, is hij zo enthousiast dat hij het nummer terugvraagt. Hij behoudt hun basisbegeleiding en zet het nummer in 1986 op zijn album “Parade” en scoort er zelf een van zijn grootste hits mee. De versie van Tom Jones en The Art of Noise schiet in 1988 naar de vijfde plaats van de Britse Top 40. In de Belgische Top 30 behaalt Jones met Kiss een vijfde plaats net als in de Nederlandse Top 40.

Jones verblijft al die tijd ofwel in zijn huis in Zuid-Wales of in Bel Air in California. Ook zijn moeder en zijn zus verblijven op dat moment permanent in Los Angeles. In 1986 is zijn manager Gordon Mills overleden en heeft zijn zoon Mark Woodward die taak overgenomen. Samen met zijn vrouw Donna heeft hij er voor gezorgd dat Tom de trotse opa is van twee kleinkinderen Alexander John en Emma Violet.

De jaren negentig kabbelen rustig voort. In 1991 neemt Jones samen met zijn vriend Van Morrison als producer en leveranciers van vier songs het album “Carrying a torch”op. Het jaar nadien is hij te zien in de prestigieuze tv-reeks “The Right Time” van ITV Network aan de zijde van collega’s zoals The Chieftains, Joe Cocker, David Gilmore en Bob Geldof. Het jaar nadien ziet hij zichzelf opduiken in de animatiereeks The Simpsons.Tom Jones valt qua singles nog op met songs als Couldn’t say goodbye en vooral All you need is love en  If I only knew.

In 1996 wordt Tom Jones nog eens uitgenodigd voor een optreden tijdens “The Royal Variety Show” in Londen en is te zien aan de zijde van Jack Nicholson en Danny DeVito in de film “Mars Attacks”. Het jaar daarop horen we hem You can leave your hat on van Randy Newman zingen in de soundtrack van de film “The Full Monty”. Op die soundtrack hoor je ook bijdragen van onder meer Donna Summer, Wilson Pickett en Sister Sledge. De 25ste september 1999 staat hij na jaren nog eens op vijf in de Britse charts, deze keer met het door Talking Heads  geschreven en door hen al eerder opgenomen Burning down the house. Het nummer in de versie van Tom Jones is te horen op zijn album “Reload” met daarop vijftien covers en twee nieuwe nummers en goed voor een wereldwijde verkoop van méér dan zes miljoen exemplaren. In Engeland alleen al levert hem die verkoop vijf keer platina op.  Tom Jones blikte Burning down the house in samen met de Zweedse popgroep The Cardigans die iets eerder hun bekendste hit hadden gescoord met My favourite game.

Het album “Reload” zou Jones nog twee echte hits opleveren: Mama told me not to come dat hij opnam samen met  Stereophonics en de megahit Sex Bomb dat hij inblikte samen met producer Mousse T.die het samen met Errol Rennalls had geschreven. Sex Bomb is goed voor een derde plaats in de Britse Top 40, de 20ste mei 2000. In Nederland is Sex Bomb oké voor een tiende plaats in de Top 40 en in ons land een elfde.

Op uitnodiging van de toenmalige president Bill Clinton had Tom Jones enkele maanden eerder opgetreden tijdens The Millennium Celebrations in Washington. In Engeland treedt hij in de nasleep van zijn hit Sex Bomb vijf keer op in de “Wembley Arena” en verzorgt zeven concerten in “The Cardiff International Arena”. Voor de Disneyfilm ”Perfect World” neemt Tom het nummer The Emperor’s New Groove op geschreven door Sting en Dave Hartley. Met trots presenteert Jones in 2004 de verzamelbox “The Definitive Collection” met op vier cd’s een overzicht van zijn fenomenale loopbaan. Het jaar daarop viert hij zijn 65ste verjaardag en zijn veertig jarige loopbaan met een druk bijgewoond concert in het plaatsje Pontypridd in Wales, zijn vroegere thuishaven. Het is de Britse koningin niet ontgaan dat Tom Jones een van haar meest populaire onderdanen is zij en slaat hem de 29ste maart 2006 op Buckingham Palace tot ridder. Voortaan mag hij aangesproken worden als Sir Thomas Woodward, alias Sir Tom Jones. Het jaar nadien viert hij samen met zijn vrouw hun 50ste huwelijksverjaardag. Prins William en prins Harry nodigen hem uit om op de 24ste juni op te treden tijdens ”Concert for Diana” om daar een van haar lievelingsliedjes Kiss te zingen.

Jones zet 2008 in met het vieren van veertig jaar optreden in Las Vegas. The Strip daar is voor hem geen onbekende meer. Tijdens The 40th Annual Songwriters Hall of Fame feestelijkheden ontvangt hij een speciale award voor zijn niet-aflatende ijver in de bloemen te zetten. De 26ste juli 2010 brengt Tom Jones zijn eerste gospelalbum ooit op de markt “Praise & Blame”, goed voor de gouden status in Engeland.

In mei 2012 wordt de opvolger gelanceerd, het album “Spirit in the room” op het Island-label in een productie van Ethan Johns opgenomen in “The Real World Studio” in Bath met daarop onder meer een cover van Bad as me van Tom Waits en Hit or miss van Odetta.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet