Wannes Van de Velde

Geplaatst in Artiesten


Wannes Van de Velde was mijn god“, zo vertelde Kris De Bruyne aan Manu Adriaens toen die hem ging interviewen voor zijn boek ‘De complete kleinkunstgeschiedenis’. “Wannes is zo goed dat ik niet eens meer hoor dat hij in zijn  dialect zingt. Ik heb dan ook als een soort eresaluut aan mijn ontdekker (Wannes zat in de jury toen Kris furore maakte op het skiffle festival van Hove) het lied  Wannes Van de Velde blues geschreven. Ik heb lang geaarzeld om het nummer op te nemen en ik heb hem eerst een versie laten horen, want stel je voor dat hij het niet lustte. Wannes heeft van de slag twee jenevers gedronken en een sigaartje gerookt. Een groter compliment kun je van hem nauwelijks krijgen”.

 

Wannes  werd de negenentwintigste april 1937 als Willy Cecile Johannes Van de Velde in Antwerpen geboren en groeide daar op in de Zirkstraat in het Schipperskwartier, dicht bij de haven, in een echte volksbuurt. De familie woonde boven een Spaanse winkel “Le comptoir de Valence”, een huis dat nog altijd bestaat en tegenwoordig “El Valenciano” heet. Zijn vader Jaak was een graag gehoord zanger  en ook zijn grootvader was een bekende bard in de cafés in de buurt. Van hen leerde Wannes zijn eerste liedjes: gewone straatliedjes over alledaagse dingen, makkelijke melodietjes die je meteen kon meezingen.

Maar Wannes wou kunstenaar worden, schilder. Op zijn vijftiende trekt hij naar de academie voor plastische kunsten. Tussendoor leert hij klassieke gitaar bij Ilse Laforce en nadien flamencogitaar bij Sabas Gomez y Marin, een Andalusiër die in Antwerpen was gestrand. Begin jaren zestig komt Wannes bij het dans- en zangensemble van Nino de Flandes terecht waar hij de rol van flamencogitarist op zich neemt.

Iets later stapt Willy, want van Wannes is dan eigenlijk nog geen sprake, het podium op als saxofonist,  speelt jazz in de kroegen in de buurt van de Antwerpse Stadswaag en ruilt dat instrument nadien almaar vaker in voor de flamencogitaar. Op dat moment is er ook een ware folkrevival aan de gang en is het zanger Ewan MacColl die hem inspireert meer in die richting te stappen. Iets  later horen we hem volksliedjes staan zingen  in een kelder in de Antwerpse Wolstraat daarbij begeleid door violist Flor Hermans.

Ik ben beginnen zingen uit onmacht” zo schrijft Wannes in zijn boek ‘De klank van de stad’. “Men leek te hebben gezworen dat alles wat aan het vroegere Antwerpen herinnerde voorgoed moest verdwijnen om plaats te ruimen voor een vage vooruitgangsgedachte. Ik heb me de teloorgang van mijn ‘oude kant’ erg aangetrokken, was erdoor aangeslagen, heb er nachten van wakker gelegen. Maar wat had ik, een schilderke van niks, tegen domheid in te brengen? Niemendalle! Of toch… Bestond er geen traditie van spotliederen? Waren in een niet eens zo ver verleden de plaatselijke liedjeszangers niet de spreekbuis van de machtelozen? Ik besloot in het spoor te treden van de triviale dichters van weleer. Ik ging op zoek naar mensen (muzikanten) die me op mijn nieuwe reis wilden vergezellen. Ik wilde eerst en vooral een accordeonist vinden, want ik wilde niet vervallen in het cliché van de chansonnier-met-gitaar. Ik vond Bernard Van Lent. In diezelfde periode leerde ik op een luie zomernamiddag in café Pannenhuis, Walter Heynen kennen, student dwarsfluit, harmonie en contrapunt aan het conservatorium. Hij was meteen gewonnen voor de idee het zieltogende volkslied nieuw leven in te blazen. En in het licht van de zomerzon werd het eerste eindje gesponnen van een draad die nog steeds verder loopt.

Wannes’ eerste liedjes ontstaan uit liefde voor zijn stad. Hij hoopt met zijn teksten een kleine invloed te kunnen hebben op de vernielzucht door de domheid van machtsgeile potentaten, hij hoopt met zijn liedjes hun vernielzucht wat te kunnen milderen. In 1966 brengt Wannes en zijn groep hun eerste elpee op de markt  “Wannes Van de Velde”. Op dat moment komt hij nog aan de kost als etalagist in een groot warenhuis. Van die elpee worden vierduizend exemplaren verkocht wat hem de moed geeft zijn job op te geven en voltijds zanger te worden.  Zijn liedjes worden een mengeling van nostalgie en verbouwereerdheid. Antwerpen is niet meer wat het was. Wannes wijkt uit naar de rand van de stad en kiest vervolgens voor een zwerversbestaan. Hij is intussen een veelgevraagd artiest geworden, zowel door de media als door diverse theatergezelschappen waarvoor hij schrijft. Hij wil echter leven zonder die drukte, zonder telefoon, zonder agenda. Zelfs een huisnummer hindert hem.

Vanaf 1973 wordt het erg stil rond Wannes. Vier jaar later is hij er terug met de elpee  “Ne zanger is een groep” met daarop liedjes als  Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten, Mijn mansarde en het intussen tot een klassieker uitgegroeide Ik wil deze nacht in de straten verdwalen. Hij schreef dat liedje in 1974 voor de film “Home sweet home” van regisseur Benoît Lamy, een driesterrenfilm over een bejaardentehuis waar de bewoners in opstand komen tegen de betuttelende manier waarop met hen wordt omgesprongen. Zij zetten het op een lopen en belanden in een café waar de jukebox het walsje Ik wil deze nacht speelt. De melodie werd door Walter Heynen gecomponeerd en Wannes schreef de tweetalige tekst. Dit liedje werd niet voor niets genomineerd tijdens het “Gala van De Eregalerij” dat de tweeëntwintigste november 2001 plaatshad in het “Casino van Knokke”.

Wannes zal voor heel wat producties de muziek schrijven. Samen met een collectief jonge acteurs, de Internationale Nieuwe Scène en de Italiaanse regisseur Arturo Corso creëert hij de voorstelling ‘Mistero Buffo’ (een samensmelting van monologen van Dario Fo en door Wannes bewerkte Italiaanse volksliederen). Hij werkt ook mee aan diverse VRT-producties als “Het chanson” (1987), “Canto Flamenco” (1987)  en “Vive le Geus” (1988) en  schrijft de muziek voor de film “De Witte” van Robbe De Hert. Daarnaast was hij ook lesgever aan “Studio Herman Teirlinck”, vertaalde Richard The Third van William Shakespeare in het Antwerps dialect en werkte intens mee aan de “IJslandsuite” (1984) van Dree Peremans  en “Het zwarte goud” (1987),  over het mijnwerkersleven.

Stilaan kon Wannes rekenen op algemene erkenning, wat niet voor de hand liggend was toen hij in de jaren zestig begon, want de intelligentsia uit die tijd waardeerden niet dat hij in het Antwerps dialect zong. Intussen was zijn pionierswerk door iedereen algemeen aanvaard. Op artistiek vlak steeg hij boven de meeste collega’s uit. Hij beschouwde zijn vak als een ernstige bezigheid, hij zong met een haast academische ernst die hij op het podium nooit verloor. Als hij in het Antwerps zong , klonk het nooit hilarisch, het was haast een voordracht in zijn eigen streektaal. In 1984 kreeg hij de eerste persprijs van de Toeristische Federatie van Brabant voor zijn column “Mooie dag te…” verschenen in Knack waarvoor hij regelmatig schreef. Hij kreeg vijf jaar later de “Szukalski Award”, in 1993 de prijs “Gilbert Van Geert”, in 1994 de “Sabam Prijs” en het jaar nadien de “Zamu Award”. Wannes genoot van deze eer die hem te beurt viel, maar hij bleef naarstig doorwerken en liedjes opnemen, gebundeld op diverse elpees en cd’s: “In de natuur wou ik gaan leven” (1978),  “Stadsgedachten” (1982), “Tussen de lichten” (1986) , “De zwarte rivier” (1990), “Café met rooi’ gordijnen” (1993) en “Kleuren van steden” (1995). In 1992 neemt Wannes samen met Hans de Booije De lichtjes van de Schelde op, een liedje van zijn collega Bobbejaan Schoepen waarmee hij zelfs in de hitlijsten geraakt. Drie jaar later verliest hij zijn trouwe kompaan Walter Heynen. Het jaar daarop trekt Wannes op tournee met een jazzkwartet en blikt in 1999 een uniek album in met Roland Van Campenhout .

Wannes wordt ziek. De dokters stellen in 2000 leukemie vast. Hij  moet noodgedwongen het podium achter zich laten, maar levert het jaar nadien de bundel “Flamencoschetsen” af waarin hij vertelt over zijn grote liefde voor dit muziekgenre. In 2005 voelt Wannes zich zo goed als genezen en start met zijn groep bestaande uit gitarist Jan Wellens, violiste Gilberte Van den Plas, violist Stefan Wellens en contrabassist Ben Faes de tournee “In de maat van de seizoenen” waarvan  in 2006 de gelijknamige  cd verschijnt met liedjes als Havenstad, In de lege dagen en Hier is em terug. Voor dat album schreef Paul Rans als hoestekst: “Wannes weet de oude meesters beter te appreciëren dan gelijk wie, misschien omdat hij zelf een hedendaagse meester in zijn vak is. Elk lied is een pareltje dat moet gehoord worden, maar dat net zo goed mag gelezen worden. Wannes laat zich kennen als heel poëtisch en gevoelig . Een muzikale Don Quichot zoals hij ironisch over zichzelf zingt. Hij kijkt naar de wereld en naar het leven en ziet niet alleen ellende en verzuring waartegen hij terecht fulmineert. Hij ontwaart ook de poëzie in dagelijkse dingen, landschappen, stadsgezichten tafereeltjes. Wannes herinnert er ons aan dat we beter moeten kijken, verder moeten denken en intenser moeten leven. Maar hij preekt niet, hij zingt zijn liedjes en ze zijn heerlijk om naar te luisteren”.

Wannes behoorde tot een generatie die nog volledig in het dialect werd opgevoed. Nederlands sprak hij alleen op school. Hij wilde in zijn liedjes niet per se het dialect verdedigen, maar hij zong in de taal waarvan hij elke nuance en grammaticale finesse beheerste. Het dialect was zijn gesproken taal! De wijk “Klein-Antwerpen” waar Wannes woonde, heeft een naar hem genoemde reus. Op de hoek van de Breughelstraat met de Lange Leemstraat ligt het door hem bezongen “Café Breughel”. Sommigen beschouwden hem ad vitam als de stadsdichter van Antwerpen. Het staat buiten kijf dat hij als geen ander menig acteur en kleinkunstenaar in Vlaanderen en Nederland blijvend heeft geïnspireerd.

Wannes overleed de tiende november 2008.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet