Will Ferdy

Geplaatst in Artiesten

Tijdens de allereerste editie van “De Eregalerij” in het Casino van Knokke in 2000 werd Will Ferdy genomineerd voor zijn liedje Christine. Een jaar later mocht hij tijdens het tweede gala een “Ereplaats voor een leven vol muziek” aan zijn palmares toevoegen. Nog eens drie jaar later, in 2004, werd Christine definitief toegevoegd aan de Eregalerij van Vlaamse klassiekers. Dat palmares is gevuld met een hele rist liedjes die voor het merendeel op plaat en/of cd zijn bewaard. In de loop van zijn carrière nam Will drieënveertig 78-toerenplaten op, zeventig singles, achtenveertig elpees, zevenendertig cd’s én zijn een groot deel van zijn bekendste liedjes op zo’n vijfenvijftig compilatie-albums terug te vinden. Ferdy heeft dus een rijk gevulde, vaak eigenaardige, carrière achter de rug. Hij heeft niet de reputatie een hitmaker te zijn. Zijn liedjes braken pas jaren later door, maar dan werden het ook blijvers, doorbloeiers, echte Vlaamse evergreens. Van Christine en Het Schrijverke werden intussen immers méér dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht. In zijn boek “Ik hou van jou” omschrijft Manu Adriaens, Will Ferdy als een menselijke combinatie van vakmanschap, integriteit en moed.

 

Will werd de negende maart 1927 als Werner Ferdinande in Gent geboren, hetzelfde jaar als Jo Leemans! Hij had nog een zus die zeven jaar ouder was dan hij. Voor hem was nog een zusje geboren, maar die overleed op driejarige leeftijd. Geen wonder dat toen Werner werd geboren hij door zijn moeder van ‘s morgens tot ‘s avonds werd bepamperd en vertroeteld uit angst dat hem toch maar iets zou overkomen. Werner zong reeds als kind. Hij had een mooie sopraanstem en het was vooral zijn vader die hem in dat zingen aanmoedigde. Tino Rossi en Joseph Schmidt waren zijn voorbeelden en idolen. Wanneer hij in de bioscoop de  film “Ein Stern fällt vom Himmel” met Joseph Schmidt in de hoofdrol ziet,  gaat hij meteen nadien thuis de titelsong nazingen  in een soort Duits waarvan Goethe stevig de wenkbrauwen zou fronsen. Will herinnert zich nog goed hoe hij haast elke dag aan de radio gekluisterd zat om toch maar niks te missen van een recital van de Italiaanse tenor Beniamino Gigli, live uitgezonden vanuit de opera in Gent.  Maar dat zingen hield hem toen niet echt bezig, hij koesterde nog geen plannen daaromtrent.  Hij kampte trouwens met enorme plankenkoorts. Hij was té bedeesd om voor een publiek op te treden. Pa was tekenaar bij het Ministerie van Openbare Werken en had graag gezien dat zijn zoon in zijn kielzog zou meevaren. Dat interesseerde hem helemaal niet. Eigenlijk wou hij liever missionaris worden, hij had op film van hun avontuurlijk bestaan al iets mogen voorproeven. Hij komt aan de kost als klerk bij de firma “Vynckier & Co” aan de Nieuwe Vaart in Gent, producent van bakelieten kastjes en dito toebehoren voor elektriciteitsinstallaties. Tijdens één van hun personeelsfeestjes mag Werner optreden en het is één van de bedienden, madame Irène, die vindt dat hij de voornaam Werner maar moet inruilen tegen Will, dat klinkt beter. Ferdinande vindt zij ook maar niets en dat wordt Ferry. Will Ferry was daarmee geboren. Hij is negentien wanneer hij het “Will Ferry Gezelschap” opricht. Hun eerste voorstelling dateert van de maand oktober 1945 wanneer zij op de planken staan met “Schlagerparade 1945″. Het gezelschap bestaat op dat moment uit: Will Ferry, Reddy Clems en Lil Larant, muzikaal begeleid door het orkest van Bob James. Toen waren het nog geen revues, maar eerder cabaretprogramma’s die er gebracht werden. Na een poosje blijft alleen Ferry over, maar weet het gezelschap in stand te houden door op zoek te gaan naar nieuw talent. Er wordt qua bezetting vlot gewisseld. Passeren, naast Will,  onder meer de revue: Danny Norton, hoofdanimator en regisseur van het gezelschap, Frank Corry, Jean Laurel en Wim Bakker,  de humoristen van de groep, en Jackie Wilking, de conferencier en zanger van fijnzinnige levensliedjes. De oudste van de groep telt niet méér dan tweeëntwintig lentes. Zij brengen naar Nederlands voorbeeld avondvullende revues. In het ledenblad “Katholiek Jonge Wacht” van de dertiende januari 1946 lezen wij dat Will Ferry met een nieuwe voorstelling uitpakt “Morgen gaat het beter” begeleid door het orkest Optimist en met Herman Roger, Marc Timor en Leo Lamon, om maar aan te geven dat ook nieuw talent in die revues een kans kreeg.

Die voorstellingen bestonden voor het merendeel uit eigen werk, wat dan ook hun grootste verdienste in die tijd was. Zij stonden erop dat het dialect aan de kant werd geschoven en dat er  ”beschaafd Nederlands ” werd gesproken. In 1947 neemt Will voor een tijdje afscheid omdat hij onder de wapens moet. Hij had eerder al een paar keer opgetreden in het militair hospitaal van Gent waar een aanwezige kolonel beloofde ervoor te zorgen dat Will tijdens zijn legerdienst bij de Welfare terechtkomt, de culturele ontspanningstroepen van het Belgische leger, waar hij de smaak van het zingen pas echt te pakken krijgt en besluit van zingen zijn beroep te maken. Binnen de Welfare treedt hij vaak in Duitsland op voor de daar verblijvende Belgische militairen en hun families. Hij wordt tijdens zijn optredens begeleid door orkesten bestaande uit muzikanten die op dat moment ook hun dienstplicht volbrengen, onder andere Walter Vandersmissen. Het repertoire van Will bestaat hoofdzakelijk uit liedjes van Charles Trenet en Luis Mariano. Bij de Welfare leert hij eveneens pianist Roland Thyssen kennen met wie hij uren aan een stuk liedjes instudeert en met wie hij zijn zangtechniek perfectioneert.   In 1948 zwaait Will af en keert naar het theater terug met “Schlagerparade 1948″. Op het programmablaadje van toen lezen wij “Het Ferry Gezelschap stelt voor: “Schlagerprade 1948″, een avond met ons! Een kleinkunstrevue in vierentwintig taferelen met medewerking van de grote vedette van het lied Will Ferry, aan de vleugel begeleid door Roland Thyssen en het amusementsorkest Joe Stepman. Voorts Danny Norton, Jane Andrea, Frank Corry, Jean Laurel, Wim Bakker en Jackie Wilking”.

Voor zo’n avond betaalde je toen vijf frank, het programmaboekje inbegrepen. Will gaat ook gedurende drie maanden aan de slag als presentator-zanger in de Antwerpse “Ancienne Belgique”. Hij mag daar bekende artiesten aankondigen zoals: Rina Ketty, Line Renaud, André Claveau, Lucienne Boyer én niet te vergeten onze eigen La Esterella die daar zo’n beetje kind aan huis is.  De “Ancienne Belgique” is voor Will een echte leerschool. Hij leert hier de showbizz ook achter de schermen kennen. Will treedt dus onder de naam Will Ferry op, maar om verwarring met de Nederlandse auteur Ferry te vermijden, noemt hij zich voortaan Will Ferdy. Hij heeft intussen muziekuitgever Jacques Klüger een bezoekje gebracht die hem in contact brengt met de Franssprekende Emile Deltour, op dat moment artistiek directeur bij het platenlabel Decca. Na een proefopname wordt beslist dat Will het liedje Nacht over Java van de Nederlandse componist Jack Bess op een 78- toerenplaat mag uitbrengen met op de B-kant het door hemzelf geschreven Filomeentje. Als producer gaat hij van dan af nauw samenwerken met Achilles Palmans. Will gaat ook live optreden als solozanger. Mama gaat altijd mee om onder andere zijn programmaboekjes te verkopen. Papa houdt zich voorlopig nog op de achtergrond. Hij heeft namelijk schrik dat zijn zoon door het publiek niet aanvaard zal worden en hij wil dat niet meemaken.  Pas jaren later, wanneer Will een echte vedette is geworden, komt pa af en toe eens langs tijdens een optreden. Hij gaat zelfs na een tijdje de fanmail van Will beantwoorden. Wat die angst betreft: het heeft jaren geduurd vooraleer Will zich op de bühne thuis zal voelen. Hij vreesde al van het begin af dat het publiek hem niet goed zou vinden, zijn liedjes niet zou lusten. Wegens die angst staat hij vaak verkrampt op het podium wat zijn charisma dan weer niet ten goede komt.

Met de regelmaat van een klok blijft Will op het einde van de jaren veertig platen uitbrengen. De liedjes an sich zijn geen hoogvliegers, maar het publiek reageert behoorlijk enthousiast. Bij de oude molen, ‘tMeisje van de buren, Zend hen nog eens een briefje, Moesjemamie moedertje zoet en Voorbij worden graag beluisterd. In 1951 krijgt Will Ferdy van zijn producer Achilles Palmans een plaat voorgeschoteld Steppin’ out, gespeeld door Lenny Dee op hammondorgel en geschreven door Billy Starr, met de vraag er een tekst bij te verzinnen, want in de balzalen is dat nummer in de instrumentale versie al een echte hit.  Via uitgever Jacques Klüger komen zij iets later te weten dat Jan Verbraeken er intussen ook een tekst voor geschreven heeft. Er wordt beslist dat zij beiden hun versie op plaat zetten. Voor Verbraeken wordt het een niemendalletje, voor Will Ferdy zijn eerste grote hit. Hij maakt van Steppin’ Out de meezinger Zie-de ge me gère. Het nummer wordt zo’n succes dat hij er meteen een gelijknamige show aan vastkoppelt waarmee hij de boer op gaat. Rijk is Will van die hit niet geworden, want hij kreeg geen royalties uitbetaald. Hij kreeg voor de opname een vergoeding van 500 Belgische franken en daarmee was de kous af en achteraf wat auteursrechten. In die tijd ging Will vaak op tournee met een nagenoeg vast gezelschap: het duo Berry met daarin Jenny en Roger Bracke, het danskoppel Harry en Lauretta, de komiek Theo Daese en orkestleider en pianist Emiel Verwilst.  Met zijn plaatjes blijft hij voorlopig het voorzichtige en voorspelbare pad bewandelen, liedjes zoals: Matroosje, Madeleintje, Jalouzie, Rozen zo rood, De meisjes van hier, Lady of Spain, M’n schatteke, Carolientje enz… allemaal op achtenzeventig toeren uitgebracht. Daarmee weet hij zich in de eerste helft van de jaren vijftig te omringen met een stevige en trouwe aanhang, al blijft hijzelf dwepen met het Franse chanson. Zijn voorkeur gaat uit naar een zanger als Charles Trenet. Die bracht pittige liedjes mét inhoud. In zijn  stoutste dromen wil Ferdy de Vlaamse Trenet worden. Maar na een tijdje gaat hij toch op zoek naar een eigenheid en zorgt ervoor dat Will Ferdy almaar meer herkenbaar wordt.

In 1953 heeft Will Ferdy de typetjes Peterke en Pépé gecreëerd, die iets later worden opgevolgd door Peterke en Pol. Die typetjes die hij met de nodige stemwisselingen brengt, vergen veel van zijn stembanden en hij ziet zich jaren later genoodzaakt ze in de kast op te bergen. Dat Peterke was eerder toevallig ontstaan toen hij op zekere dag in Bazel-Waas moest optreden, daarbij begeleid door pianist Emiel Verwilst. Op een bepaald moment zingt Will het door hemzelf geschreven Suzy is Française en geraakt op het einde van het liedje compleet zijn tekst kwijt. Om zich uit die nare situatie te redden, brabbelt hij een paar stopwoordjes na mekaar, daarbij denkend aan een nummertje van zijn  collega Suzy Marleen die op haar repertoire een nummer had staan waarin zij een fabel vertelt met de stem van een klein meisje. Zonder erbij na te denken, begint Will met de stem van een kleine jongen wat nonsens uit te slaan en merkt dat het publiek daar enthousiast op reageert. Vanaf dat moment was Peterke geboren.

In 1954 neemt hij in een weldoordachte poging het ernstiger nummer Het regent in de straten op. Hij wil méér voor het betere lied gaan. Hij moet echter die stijl om succes te blijven scoren blijven combineren met zijn schlagertjes. Het publiek geraakt daardoor het noorden kwijt en haakt deels af.  In 1955 breekt hij bescheiden door in Nederland wanneer hij in de shows van Wim  Sonneveld mag opduiken. Sonneveld treedt in het Kurhaus in Scheveningen op. In het eerste deel mag Will de planken en het applaus delen aan de zijde van Conny Stuart, Joop Doderer en de Amerikaanse zanger Freddy Hamilton. Hij had daarvoor al samen met Wim opgetreden in het theater “DeLaMar” in Amsterdam. Dat theater had Wim in 1952 nieuw leven ingeblazen. Het zou later bekend worden omdat Sonneveld en Wim Kan hier hun nieuwjaarsconferences brachten.

Op platengebied is de periode 1954-1960 niet echt vermeldenswaard. Wimpels in de masten, Een soldaat, Land aan de Noordzee, De schoonste liefde enz… leveren niet één keer een hit op. In 1957 is er op het Philips label in een laatste poging om te scoren nog de single Calypso Italiano, een vertaling van een liedje van Lou Monte door Erik Franssen en Van Aleda. Will komt financieel gelukkig aan de bak door zijn optredens voor VRT- radio in cabaretprogramma’s als “Kop en staart” en “Weg met de zorgen”.

Na een tijdje weigert Will qua plaatopnamen halsstarrig nog langer alledaagse, hitgevoelige liedjes uit te brengen, dus zet zijn platenfirma hem op non-actief. Tussen 1957 en 1960 zijn er in zijn discografie dan ook geen opnamen terug te vinden. In 1960 is Ferdy helemaal terug van een aantal jaartjes weggeweest. Op het Champ label brengt hij in 1960 de eepee (een single met vier tracks) “Liedjes uit Will Ferdy’s One Man Show ’60″ uit met daarop Appelhistorie, Geld Geld Geld, De duivel en Het Schrijverke. Will Ferdy wil koste wat het kost het gedicht “Het Schrijverke” van Guido Gezelle op muziek zetten en op plaat uitbrengen, maar geen enkele firma heeft er oren naar. Op dit label worden in die tijd ook de singletjes van Rocco Granata uitgebracht met wie hij hier nader kennismaakt. Rocco duikt trouwens zo meteen nog in dit verhaal op. Met het oog op het Eurovisiesongfestival zoekt de VRT in 1963 een geschikt nummer voor deelname aan dit intussen immens populaire liedjesfestival.  Er wordt geselecteerd uit negen voorronden met telkens twaalf kandidaten. Deelnemers zijn onder andere Bob Benny, Enny Denita, Freddy Sunder, Jean Walter, Jo Leemans en Will Ferdy. Zes kandidaten betwisten de finale: derde wordt Rina Pia met Er speelt een orgel, tweede Lize Marke met Luister naar de wind en eerste Jacques Raymond met Waarom. Will Ferdy viel onderweg vrij snel uit de boot. In Londen eindigt Jacques Raymond de drieëntwintigste maart 1963 op de tiende plaats. Denemarken wint met het nummer Dansevise gebracht door Grethe en Jörgen Ingmann.

In 1964 vertaalt Will Le moribond van Jacques Brel en neemt het op in een productie van Eric Smets op het Delta Label, in de maand maart van 1961 opgericht door de Nederlander Hans Kellerman. Op dit label worden ook de liedjes van onder meer Marc Aryan en Alberto Cortez verdeeld. Vaarwel Emiel wordt vaak door de programmasamenstellers gedraaid, maar geraakt niet in de Vlaamse Top Tien. Intussen had Rocco Granata, om precies te zijn de achttiende augustus 1962, zijn eigen muziekuitgeverij opgericht “Granata Music Edition” en in 1964 zijn eigen platenlabel “Cardinal Records” opgericht. Op dit label zullen Louis Neefs, Miel Cools, Marva, De Elegasten en veel later Sarah Bettens hun liedjes uitbrengen. Rocco tikt ook Will Ferdy op de schouders met de vraag of hij niet bij zijn platenstal wil komen. In 1965 brengt Ferdy op dat label De stervende opnieuw uit, gekoppeld aan drie nieuwe liedjes: De molens van het Vlaamse land, ‘t Was in Ieper of in Veurne en Van Brugge naar Damme. Een deel van die liedjes werd  samen met het orkest van Francis Bay opgenomen.

De golden sixties worden voor Will Ferdy letterlijk zijn gouden jaren  met als gouden uitschieter Christine, van de eerste tot de laatste letter en noot een waargebeurd verhaal. Een liedje dat eigenlijk over zijn homofiele relatie ging, maar je outen kon en mocht in die tijd niet. Will schreef het liedje toen hij zijn vriend na een jarenlange relatie weer terugzag. De tekst is letterlijk een weergave van zoals de situatie zich toen tijdens die ontmoeting voordeed. De naamkeuze is louter toevallig en het bleek achteraf een goede gok te zijn, want waar Will ook optreedt, dat liedje blijft aan hem kleven, het is een vaste waarde geworden in zijn repertoire. Ook dit liedje produceerde Will samen met Eric Smets. Jaren later verschijnt pas de definitieve versie van Christine op cd onder de titel Mijn vriend. Zo had het al die jaren in het hoofd van Will rondgespookt en zo was het in eerste instantie ook bedoeld. Het was voor hem een hele bevrijding toen hij dit in deze versie aan zijn fans en de rest van Vlaanderen kon laten horen. In 2000 verschijnt er op zijn eigen label WFP Records een cd met daarop zes verschillende versies van Christine: de officiële versie, die in het Engels, het Frans, het Duits, het Gents en de parodie Christine Nu, alle in een arrangement van Bert Müller.

Na Christine pakt Will in 1966 op het Cardinal label uit met het lied Belijdenis dat hij samen met Al Rimont had geschreven. Dat liedje was al vijf jaar eerder op het Olympia Label op de eepee “Poëtische liedjes” verschenen met daarnaast ook de nummers: Zusterke Begijn, Avond in de haven en Die avond en die roze. In 1966 wordt de driejaarlijkse prijs “De Grote Prijs Will Ferdy” voor het eerst op het getouw gezet. Achter deze competitie scharen zich De Gazet van Antwerpen en Cardinal Records. Veertig kandidaten traden toen op in acht steden. Per stad werd dadelijk één winnaar aangeduid die bekroond werd met een zilveren medaille en gelijk doorstootte naar de halve finale. Vijf geselecteerde kandidaten betwistten uiteindelijk de overwinning in een boeiende finale. Uitgangspunt van deze prijs was een zoektocht naar degelijk Nederlandstalig talent. De eerste editie wordt door Ronny Davis gewonnen. De laatste editie had in 1988 plaats met de jaren tussendoor als bekende winnaars: Frank Dingenen, Jan Puimège en Raf en Mich Walschaerts, beter bekend als Kommil Foo.

Zelf heeft Will nooit om prijzen verlegen gezeten. In 1967 ontvangt hij met trots “De Eugeen De Ridderprijs” van Sabam voor zijn totale oeuvre. In 1968 neemt hij samen met het orkest van Francis Bay de elpee “Ferdy ‘ 68″ op met in het totaal dertien liedjes met als uitschieter zijn versie en aangepaste tekst van Het Vlakke Land van Jacques Brel. Ook de nummers Ik verlang naar jou en Liever lief zijn uit dat album zullen snel nadien op single worden uitgebracht. In 1970 brengt platenfirma Arcade het album “De beste van Will Ferdy” op de markt. Omdat de Nederlandse taal hem na aan het hart ligt en hij zich ontzettend inzet om de Nederlandse taal de plaats te geven die haar toekomt, neemt Will in 1971 een ganse elpee op met uitsluitend composities van zijn vechtende evenknie, wat betreft de Vlaamse kwestie zullen wij het maar even noemen, Armand Preud’homme. Het album heet dan ook toepasselijk “Will Ferdy zingt Armand Preud’homme”. Twaalf bekende liedjes van deze Limburgse componist met als single Mijn heerlijk Kempenland. Op deze plaat, die door Rocco Granata zelf geproduceerd wordt, krijgt hij de steun van het orkest van Francis Bay en de Bob Boon Singers.

De vierde december 1970 praat Will in het programma “Inspraak” op VRT-televisie ongedwongen en openhartig over zijn homoseksualiteit die hij al die jaren voordien angstvallig had verzwegen. De gevolgen van die outing zijn niet te overzien. Vele organisaties laten hem vallen. Het aantal optredens daalt zienderogen. Zijn platenverkoop heeft er niet echt onder te lijden, vooral omdat de nationale omroep hem blijft programmeren. Zijn toenmalige vriend kan de belangstelling in de media echter niet aan en verbreekt uit angst hun relatie. Ferdy belandt in een zware depressie. Die depressie blijft maanden aanslepen, maar Will blijft optreden en tussendoor de liedjes humor verkopen. Dit blijkt achteraf de beste therapie om er bovenop te geraken. Naast het podium ziet hij het echter niet meer zitten. Een dokter raadt hem aan een behandeling met injecties te beginnen. Die kuur werkt wonderwel, al heeft Ferdy nooit geweten wat hem precies werd toegediend. Na een tijdje voelt hij zich supergelukkig ook al was er op dat moment geen nieuwe liefde in zijn leven. Het is alsof hij naar het leven kijkt door een roze bril. In de slipstream daarvan brengt hij in 1972  op het Philips label het album “Ik ben van ver teruggekomen” uit, twaalf liedjes die hij samen met jazzmuzikant Eddie Defacq schrijft. Er wordt opgenomen met het combo van Roland Thyssen en producer Jean Darlier.  Twee jaar later is er de elpee “Ferdy ’74″ met daarop de single Kom dans met mij en een vertaling van La jalousie van Henri Salvador. Datzelfde jaar is er de verzamelaar “Ferdy zingt Jacques Brel… en Ferdy”, een selectie van vertalingen van Brel en door hemzelf geschreven chansons. Van dit album worden er méér dan vijfentwintigduizend exemplaren omgezet, goed voor goud!

In 1975 neemt hij in het Casino van Middelkerke deel aan “De Gouden Sirene” (voor het eerst georganiseerd in 1969), op het getouw gezet om het Belgische lied een extra duw in de rug te geven en vooral de auteurs en uitvoerders aan te moedigen. Dat jaar wint Vivi met Klatergoud geschreven door Gerd Frank en Raymond Resmann, krijgt Jacques Raymond “de prijs van het publiek” toegewezen en wint Will Ferdy “de persprijs”. In de marge vermelden we dat deze reeks ook in Wallonië georganiseerd werd, in 1973 door Will gewonnen met het liedje Ainsi soit-il waarvoor hij de “Sirène d’Or” kreeg uitgereikt evenals de interpretatie-wisselbeker “Challenge Michel Toussaint du Ministre de l’Education Nationale”. In 1976 brengt hij in een productie van Al Van Dam op het Herba label de elpee “Peterke-mijn fiets en vele andere fratsen” uit. Datzelfde jaar is er ook het album “Will Ferdy recital ’76″ met daarop ook de stem van Yvette Ravell en is er de plaat “Mijn concerto voor jou- Brugse Reien”. In het totaal twaalf liedjes in een productie van Jean Darlier met op dat album de Franse versie van La mer van Charles Trenet. In 1978 zet hij zijn dertigjarige carrière in de vinylen bloemen met de elpee “30 jaar Will Ferdy – Omdat daar niemand wacht” met daarop naast de titelsong Omdat ik niet verlang, Birdy en L’abbaye des dunes.  

Will is blij verrast wanneer hij in 1980 van Radio 2 Omroep West-Vlaanderen de kans krijgt om het programma “Zilverdraden tussen goud” te presenteren. Drie jaar later glundert hij opnieuw wanneer hij van het Ministerie van Nederlandse Cultuur de “Medaille Pro Musica ” (hij vierde dat jaar zijn 35-jarig zangjubileum) in ontvangst mag nemen  en geridderd wordt in de kroonorde. Op platengebied is er de release van het album “Meegaan met je tijd” en “Mijn liedjes volume 1″, een overzicht van zijn bekendste liedjes opgenomen tussen 1948 en 1983. Met het door hemzelf geschreven Ik hou van jou, je t’aime tant, ich liebe dich scoort Will Ferdy in het najaar van 1984 na al die jaren nog eens een dikke radiohit. De vijftiende december van dat jaar staat hij met dat nummer op één in de Vlaamse Top Tien. De tweeëntwintigste juni van het daaropvolgende jaar vinden wij hem in diezelfde hitlijst op de zevende plaats terug met Een wals van duizend tellen. Wie een beetje thuis is in het repertoire van Jacques Brel vermoedt meteen dat dit een vertaling is van diens La Valse à mille temps. Het jaar nadien zal hij nog twee keer in diezelfde Top Tien opduiken en wel met Zo af en toe en Dag winter, telkens goed voor een zevende plaats. Nadien lijkt het alsof die hitlijsten hem niet meer lusten. Dan is het qua hitnoteringen over and out.

Méér over zijn leven en zijn carrière  komen we in 1987 aan de weet  in zijn autobiografie ” Zo ben ik nu eenmaal”. Twee jaar later verschijnt het vervolg “De waarheid”. In de zomer van 1990 brengt het Hebra Label de cd “Will Ferdy gisteren, vandaag en morgen” uit. Achttien liedjes die een bondig overzicht geven van het repertoire dat Will de voorbije jaren bij mekaar heeft gezongen. In 1991  is er het derde deel van zijn levensverhaal “De moeilijke jaren”. De erkenning voor zijn talent  blijft aanhouden, want in 1993  ontvangt hij van Sabam het “Fuga-beeldje” voor zijn grote inzet voor het betere Vlaamse lied. Datzelfde jaar wordt hij de tiende december gevierd voor zijn vijfenveertigjarige carrière. Om dat talent extra in de verf te zetten, pakt BMG in 1995 in de reeks “De Atomische Jaren” uit met “De eerste successen van Will Ferdy”, een overzicht van de hits die Will in de jaren vijftig scoorde met onder meer Het regent in de straten, Abadaba, Mijn schatteke, Istanbul en Zie- de ge  me gère. Duidelijk hoorbaar  een andere Will dan wij intussen gewoon waren geworden. Gepusht door het succes van deze verzamelaar en om hem in een juist daglicht te stellen, is er het jaar nadien de verzamelaar “De grootste toppers van Will Ferdy” met: Het schrijverke, Christine, Het Vlakke Land, De stervende en Belijdenis. In zijn voorwoord schrijft Luc Arys bij deze plaat  ”Terwijl Will Ferdy zijn carrière met succes blijft uitbouwen, zijn wij bijzonder verheugd deze verzameling van uiterst waardevolle liedjes uit de voorbije jaren te kunnen aanbieden. De meeste ervan verschenen nog niet eerder op cd”. En de fans zijn er blij mee. Die zijn ook blij wanneer zij in 1994 Will bij Radio 2 horen opduiken in de rol van Mielke in de succesvolle radioreeks “‘t Koekoeksnest”.

In 1996 gaat Will even door de knieën. Een hartoperatie blijkt nodig om hem opnieuw kaarsrecht te krijgen. Het mag cynisch klinken, maar dat jaar is er het album “Ik ben er ook nog!”, achttien liedjes gearrangeerd door Paul Vermeulen en Chris Peeters en uitgebracht op zijn eigen label WFP Records. Een jaar later viert hij in de Antwerpse “Arenbergschouwburg” op de zesentwintigste november zijn zeventigste verjaardag in het gezelschap van een pak zingende collega’s. Hij staat dan ook uitgerekend vijftig jaar op de planken en krijgt daarvoor van Sabam een eremetaal. Omdat er zoveel vraag naar is, brengt platenfirma Silver Star in 2002 de albums “Will Ferdy, de pionier van het Vlaamse lied volumes 1 en 2″ uit. Omdat Will Tura en andere goden regelmatig in Vorst Nationaal optreden, ziet Will Ferdy dat ook wel zitten wanneer hij in 2004 tijdens het nieuwjaarsconcert van de Vlaamse Federatie van Socialistische Gepensioneerden mag optreden. Van die gelegenheid maken een aantal collega’s gebruik om hem nog maar eens te eren.

Will weet van geen ophouden. Zo is er in het vroege voorjaar van 2005 de cd “Ik dacht ik heb mijn tijd gehad”, opgenomen in de DK recording studio van Rudy De Keyser. Producer van dienst is zoals zo vaak Eric Smets. Wij maken kennis met zijn nieuwe vaste begeleider, de in 1980 in Gent geboren toetsenist Jürgen De Smet. Samen met Jürgen schrijft hij voor dit album een aantal nieuwe liedjes: Ik vraag metelkens af, Deze melodie en Beetje bij beetje. Hij vertaalt ook de evergreen Les feuilles mortes en You needed me dat ooit een hit was voor de Canadese zangeres Anne Murray. Een jaar later is er het album “Will Ferdy & Jürgen De Smet, En de jaren gingen voorbij”. Op de binnenhoes lezen wij:   ”De vraag wordt mij vaak gesteld of ik er nog lang mee doorga. En dan antwoord ik dat ik het zal doen zolang ik het goed doe. Ik heb voorbeelden genoeg om mij aan op te trekken: Charles Trenet, Toon Hermans, Charles Aznavour, Frank Sinatra…”.

Zijn verjaardag vormt vaak een kapstok om er een nieuwe plaat aan op te hangen. Zo was er in 2002 toen hij vijfenzeventig werd het album “In wel en wee” met als extraatje een opnieuw opgenomen versie van zijn eerste grote hit Zie-de ge me  gère, deze keer in een quickstep-arrangement van Bert Müller, én het Engelstalige April Showers.  Met een roze strikje eromheen mag Will het in de zomer van 2006 meemaken dat hij uit handen van Robert Long de titel van “Mister Gay” overhandigd krijgt. Die prijs werd in het leven geroepen door het Nederlandse maandblad “Gay Krant”. Reeds eerder waren Paul de Leeuw en Jos Brink tot “Mister Gay” uitgeroepen. In 2007 wordt Ferdy tachtig en viert dat met het album “Will Ferdy 80, een leven vol muziek”. Twintig tracks met als hekkensluiters de sketches Peterke ga eens op die stoel staan en Flup de facteur. Het jaar nadien glimlachen wij even nostalgisch wanneer wij Will aan de zijde van Jo Leemans zien opduiken in het Eén-programma “Zo is er maar Eén” met hun versie van “Het kleine café aan de haven” van Vader Abraham. De tiende oktober staat  hij op de planken van de Bourlaschouwburg als feestvarken tijdens het galaconcert  ”60 jaar Will Ferdy”.  Er is dan ook het album “Voor elk moment – 21 gouden liedjes uit zijn zestigjarige loopbaan”, een compilatie met daarop zijn  mooiste liedjes waarop hij terecht trots mag zijn.

In 2013 besluit Will Ferdy om tegen de zomer van 2014 een definitief punt achter zijn carrière te zetten. Hij zal dan zevenentachtig zijn. Hij wil in schoonheid afronden en doet dat met de theatertournee “Nu en Toen”, daarin begeleid door toetsenist Jürgen De Smet. De negende maart 2013 brengt hij nog het album “Nu en toen” uit met daarop nieuwe liedjes als Liefde heeft duizend namen en Die vriendschap van jou.

Eind december 2014 brengt Pact-Producties in “De Bathyscaaf” in Aalst de toneelproductie “Ferdy” naar een idee van Danny Cobbaut over de moeilijke jaren 60-70 in de carrière van Will. Vier acteurs belichten telkens een facet uit die periode, gebaseerd op het gelijknamig autobiografisch boek van Will. De zestien geplande voorstellingen waren in een mum van tijd uitverkocht.

De vijftiende januari 2015 heeft in het “Centrum voor Beeldexpressie ” de première plaats van de kortfilm “Embras” van regisseur Ward De Waele met aan de zijde van Will, Dirk Lajoie, Griet Debacker, Jet Vergaert en Lily Castel.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet