Will Tura

Geplaatst in Artiesten

Méér dan veertig jaar is Will Tura de koning van de Vlaamse showbizz. Het is een eretitel waar hij zich een beetje onwennig bij voelt, als zou hij zich vorstelijke allures moeten aanmeten. Maar er mag ridder Arthur Blanckaert op zijn naamkaartje staan en hij heeft zijn eigen wapenschild. In een gesprek met Wilfried Hendrickx voor Humo vertelde Will in 2012 dat hij de duurte van zijn carrière niet toeschrijft aan zijn talent waaraan hij nog altijd twijfelt, maar aan zijn beroepsernst en aan zijn noeste werklust. “Taai volhouden is een soort West-Vlaams arbeidsethos”.

 

 

 

Will Tura werd de tweede augustus 1940 in Veurne geboren als vierde van vijf kinderen. Niemand kon toen vermoeden dat hij het grootste fenomeen van de Vlaamse muziekwereld zou worden. Als Will naar zijn vader had geluisterd, was hij toneel- of filmacteur geworden. Zijn papa, die overdag schrijnwerker was (hij werkte als grensarbeider in Frankrijk), speelde in het amateurtoneel en werd de Humphrey Bogart van Veurne genoemd. Zijn droom was niet dat Will een gevierd zanger zou worden, maar wel dat hij ooit zou te zien zijn op het witte doek. Het had dan ook niet veel gescheeld of in 1959 zou Will te zien zijn geweest in de Frans-Belgische film ‘Gejaagd door de nacht’. Maar halverwege de opnamen kregen de regisseur en de producer ruzie en ging het hele project de mist in.

Will koesterde één grote droom: zanger worden. Zijn vader vond dat geen ernstige stiel, maar moeder geloofde wel in het talent van haar zoon. Op school was Will geen held, maar hij werd wel gewaardeerd wanneer hij op zijn accordeon het koor begeleidde. Voor die accordeon hadden zijn ouders een tijdje haast het brood uit hun mond moeten sparen, maar ze wisten toen al dat Arthur door muziek bezeten was. Op jonge leeftijd stapt hij naar de muziekschool. Dat slorpt hem helemaal op, dat bezig zijn met noten én liedjes schrijven. Mama Blanckaert had zo graag dat Will in het orkest van Francis Bay zou terechtkomen. In 1951 staat Will op de affiche van “Cinema Eldorado” in Veurne in de revue van Walter Richard. Het is Walter die  de artiestennaam Will Tura bedenkt en ontdekt dat Will aardig kan jodelen en dat was in die tijd een attractie apart. Iets later leert Will, Harry Cogge kennen, een West-Vlaams accordeonleraar en leider van het orkest ‘De Nachtvlinders’. Die geeft Will accordeonles en zodoende krijgt hij een plaats in het orkest! De Nachtvlinders spelen graag jazzy en bluesy muziek en dat ligt Will wel. Na een tijdje kan hij zo goed accordeon spelen dat hij links en rechts prijzen wegkaapt. Hij was toen een jaar of vijftien. Het waren de jaren dat in Vlaanderen sterren als Jean Walter, La Esterella, Bob Benny en Bobbejaan Schoepen het voor het zingen hadden.

Will weet nog zeer goed dat toen Bobbejaan in Veurne optrad, hij de jonge Tura in de gaten kreeg, hem op het podium uitnodigde, hem een cowboyhoed opzette en hem liet meejodelen. In 1953 komt Will als zanger-gitarist in Freddy’s Dansorkest terecht. Tijdens een crochetwedstrijd van “Radio Kortrijk” wordt Will, die intussen les volgt aan de conservatoria van Gent en Oostende, ontdekt door Jo Deensen. Will gaat almaar méér zijn eigen weg en passeert nog even de orkesten van André Coucke en Marcel Sterckx vooraleer hij in 1957 muziekuitgever Jacques Klüger ontmoet. Hij had intussen ook piano leren spelen én gitaar. Wanneer hij maar enigszins de tijd heeft, schrijft hij liedjes. Het wordt snel duidelijk dat dat zijn dada zal worden, songs schrijven. Hij had aan het conservatorium de voorbije drie jaar aardig wat bijgeleerd: hij kan vlot noten lezen en improviseert graag. Wanneer hij nu op zijn oeuvre terugblikt, stelt hij vast dat ruim tachtig procent van zijn repertoire uit eigen songs bestaat.

Het kon niet lang uitblijven of Will zou zijn eerste plaatje opnemen Bye bye love, een cover van een nummer 1-hit van The Everly Brothers. Het was in die begindagen echt zoeken naar de juiste Turaformule. Dat ging stap voor stap dankzij singles als Amapola, Oh paardenstaart en Blauwe Kimono om uiteindelijk te resulteren in dé Turahit bij uitstek Eenzaam zonder jou, een liedje dat hij geschreven had tijdens een zomervakantie op een caféterras in Zuid-Frankrijk  met als werktitel I feel so lonely en met  een toenmalig vriendinnetje in zijn  achterhoofd. Hij had welgeteld zes bierviltjes nodig om de eerste flarden van het nummer onder een zomerse zon neer te krabbelen. Achteraf schreef  Ke Riema er een tekst op.  Na vijf jaar lang de ene single na de andere te hebben gereleaset, had Will in 1962 eindelijk zijn eerste nummer één te pakken. Geduld oefenen en blijven volhouden, loonde. Plots werden Wills dromen ook werkelijkheid. Hij ging zich door dat succes almaar meer als een professional gedragen, hij begon de ernst van zijn vak in te zien.

Will was met Eenzaam zonder jou niet aan zijn proefstuk, want eerder had hij al liedjes geschreven, een instrumentaal nummer zoals Tender passion dat  door Willy Albimoor op piano werd opgenomen en later nog op de succesvolle cd “Janu plays Will Tura volume 1″ als Nooit laat ik je gaan werd gezet, en het nummertje A lonesome heart dat door trompettist Theo Mertens op plaat werd uitgebracht. Will had snel door dat hij na dat succes met Eenzaam zonder jou snel een opvolger moest klaarhebben. Tijd om met zijn imago bezig te zijn had hij niet. Op plaat had hij een hit met een slow, maar op het podium rockte hij net zo stevig als Johnny Hallyday en Cliff Richard. Toen Jacques Klüger in 1962 overleed, moest Will voortwerken met diens zoon Jean, een jongeman die amper twee en een half jaar ouder was dan Will. De vaderfiguur viel weg, maar er kwamen nieuwe, frisse ideeën in de plaats. Jean voelde ook aan dat ze snel met een nieuwe hit op de proppen moesten komen. De opvolger van Eenzaam zonder jou, Ik wacht op jou,  houdt halt op een tweede plaats in de hitlijsten, maar Je liegt staat in 1963 binnen de kortste keren op nummer één. Will vindt de tijd ook rijp om met een eigen orkest te starten, het Tura Sextet, later de Tura Band. Het zou paginarovend zijn, mochten we dieper ingaan op de jarenzestighits van Will. Daarom een kort overzicht van zijn allergrootste: Draai dan 797204 (1964), Als de zomer weer voorbij zal zijn (1964), Heimwee naar huis (1966), Arrivederci Maria (1966), El Bandido (1966), Mijn winterroosje (1967), Viva el amor (1968), Angelina  (1968), Het kan niet zijn, (1969) , Hetgeen je niet krijgen kan (1969) en Liefdeverdriet (1969).  De laatste vijf  bereikten elk de eerste plaats. Steeds was er eerst de muziek en pas dan  de tekst. Vaak schreef Will na een optreden enkele flarden van de melodie die hem op dat moment te binnen schoten op een stukje papier of zong het in op cassette. Nadien werkte hij het thuis verder uit aan de piano. Soms schoot hem een idee te binnen wanneer hij in de auto op weg was terug naar huis. Nog voor het slapengaan noteerde hij dan de basismelodie snel op papier of stopte hij onderweg en speelde langs de graskant of op de pechstrook enkele fragmenten ervan op de gitaar. Wanneer hij op vakantie was had hij altijd een studiegitaartje bij de hand. Zo schreef hij ooit in een of ander Spaans vakantieoord Arrivederci Maria.

Op het einde van de jaren zestig voelt Will dat hij leeg is, zijn batterij is plat. Een bezoek aan de dokter leert hem dat hij hoogdringend aan rust toe is. Een vakantie op Palma de Mallorca helpt hem er weer bovenop. Hij voelde het al eerder aankomen. Hij was bij het minste opgejaagd, snel geprikkeld. Fysiek kon hij niet meer, maar zijn mentale sterkte dreef hem voort. Gelukkig voelt hij zich na twee weken als herboren en kan de rode draad weer oppikken en nieuwe liedjes schrijven samen met Nelly Byl. Will had namelijk sinds  zijn eerste hit samen met zijn producer het schrijverstalent van Nelly ontdekt. Zij was het die in 1963 het countryliedje Lonesome 7-7203 vertaalde als Draai dan 797204. Het zou het begin worden van een lange en vruchtbare samenwerking. In de jaren zestig schreef  ze vooral vertalingen van Engelstalige liedjes waarvan Jacques Klüger de rechten had gekocht en zo leerde ze almaar beter teksten schrijven. Nelly werkte  in die periode ook voor Marva, Jimmy Frey, Ann Christy en Rita Deneve. Het vreemde wat haar samenwerking met Will betreft, is dat ze elkaars deur nooit hebben platgelopen. Zij werkten heel vaak met cassetjes.  Het liefst schreef Nelly romantische teksten. Ze had dan ook liever gehad dat Will wat meer over zichzelf had verteld, dat zou voor haar gemakkelijker zijn geweest, dat zou haar iets meer inspiratie hebben gegeven. Zijn vrouw Jenny geeft haar daarin gelijk: “Will is zeer introvert“, zegt ze, “Hij leeft heel vaak in zijn eigen wereldje, maar daar heb ik me intussen al lang aan aangepast!”.

Niet alleen muzikaal gaat het Will in de jaren zeventig  voor de wind. De vierde juli 1971 ontvangt de inmiddels naar Brabant uitgeweken zanger de titel van ereburger van zijn geboortestad Veurne. Privé zit het hem ook mee, want tijdens een privéfeestje van zijn producer Jean Klüger in 1971 leert hij Jenny Swinnen kennen. Datzelfde jaar scoort hij weer een nummer 1, deze keer met Zonneschijn om het jaar daarop opnieuw stevig uit te halen met de single Aan mijn darling. Twee jaar later, de eenentwintigste maart 1973,  trouwt hij met Jenny. Een dag later heeft in de privékapel van “‘t Goudkasteeltje” te Buizingen de kerkelijke plechtigheid plaats. Als geste naar zijn fans toe neemt hij het nummer Verboden dromen op en die belonen hem op hun beurt met een tweede plaats in de top dertig. De jaren zeventig kabbelen rustig voort met vocale uitschieters zoals: Als je vanavond niet kan slapen, Doña Carmela en Goodbye Elvis, een single die hij opneemt naar aanleiding van het overlijden van een van zijn grootste idolen Elvis Presley. In heel wat interviews had Will intussen duidelijk laten horen  dat hij ook dweepte met het talent van Frank Sinatra en wellicht zijn grootste voorbeeld op muzikaal gebied Nat King Cole.

Het aanreiken van liedjes gebeurde altijd in samenspraak met Jean Klüger. Will reikte meestal de melancholische songs aan, Jean meer de up-tempo songs. Will is snel ontroerd, erg kwetsbaar ook. Wanneer hij schrijft, is het vaak in mineur. Romantiek en melancholie liggen bij hem dicht bij mekaar zoals bijvoorbeeld in het liedje Linda, voor hem persoonlijk nog altijd een van zijn favorieten, zeker tekstueel.  “Doch nee dit is de waarheid niet, maar je hebt nog zo’n verdriet dat ik jou onmogelijk zeggen kan waar ik gisteren Linda zag en hoe stralend mooi ze was in de armen van een andere man. Linda denkt aan jou niet meer!”

In 1975 gaat voor Will alweer een droom in vervulling. Hij treedt als eerste Vlaamse zanger op in Vorst-Nationaal. Dat jaar, de eenentwintigste november, wordt zijn dochter Sandy geboren (16 oktober 1974 was haar broer David al geboren). Omdat Will Tura altijd oog en oor heeft gehad voor nieuw talent organiseert hij samen met BRT 2 West-Vlaanderen in 1975 de zangwedstrijd “Tura’s talententocht”. Voor zijn sociale inzet als zanger ontvangt Will vier jaar  later de Dag Hammerskjöldprijs.

In een interview met TV-Express quoteerde Will zijn prestaties tijdens die jaren zeventig met een zes op tien. Eén puntje méér dan de jaren zestig omdat hij intussen de nieuwe studiotechnieken beter onder de knie had gekregen. Hij mocht ook vaker in Londen opnemen en werd daar overweldigd door de enorme vooruitgang die er op dat terrein werd geboekt! Hij sluit de jaren zeventig af met onvervalste Turahits zoals:  Huisje in Montmartre, In mijn caravan en het intussen haast onsterfelijk geworden Zij gelooft in mij.

Gelukkig bleven ook de fans in Tura geloven, want in de loop van de jaren tachtig ging het almaar bergaf met de Vlaamse zangers, ze geraakten in een diep dal verzeild. Het bleef wachten tot het einde van de jaren tachtig en tot de komst van VTM en een programma als ‘Tien om te zien’ om uit dat slop te geraken. Will bleef echter overeind door zijn vele liveoptredens met als hoogtepunten in 1985 Marktrock in Leuven en zijn erg gesmaakte concerten in Vorst–Nationaal. Will probeert ook de muzikale trends van die tijd juist in te schatten. Hij gaat op zoek naar een eigentijdse sound die al meteen in 1980 te horen is op een van de grootste hits uit zijn carrière Hopeloos waarmee hij haast onverwacht tot op de tiende plaats van de Nederlandse top veertig geraakt. Een ereplaats is voorzien voor de synthesizer. Een hit scoren bij onze noorderburen was hem voordien alleen maar gelukt met Eenzaam zonder jou (hoogste notering drieëntwintigste plaats in de maand juni 1963) en Draai dan 797204  (hoogste notering een tiende plaats in de maand mei 1964). Hopeloos schrijft Will samen met Nelly Byl. Jean Klüger neemt de productie in handen en zorgt voor een stevige backing onder meer geleverd door de gitaristen David Briggs, Fred Newell en Paul Worley. Uit Parijs laat Klüger toetsenist Wally Badarou overkomen om Tura op synthesizer te begeleiden. Badarou werkte samen met onder andere Level 42, Joe Cocker en Herbie Hancock, dus een krak op zijn terrein. Het jaar daarop presteert Will iets dat nog geen enkele Vlaming hem tot dan toe had voorgedaan. Hij treedt acht avonden na elkaar op in een compleet uitverkochte ‘Passage 44’, een Franstalig bastion in hartje Brussel. Hij laat zich op het podium bijstaan door het “Toppop Ballet” van Penney de Jager en tijdens twee liedjes wordt hij zelfs begeleid door een klassiek strijkkwartet. Bij dat alles dacht hij vaak aan zijn lichtend voorbeeld Gilbert Bécaud. Hij had hem ooit live meegemaakt in de Olympia in Parijs en sinds die dag was Bécaud voor hem dé norm. Het vakmanschap heeft hij een beetje van hem afgekeken. De dynamiek die Gilbert in zijn optredens stak, de afwisseling qua songkeuze en genres zouden Will blijvend inspireren. Dat Bécaud zich daarbij zelf aan de piano begeleidde, was voor Will een punt van herkenning, hij voelde zich op dergelijke details nauw met hem verbonden.

In de loop van de jaren tachtig scoort Will Tura tweeëndertig hits. Ook nu weer een greep uit dat hitaanbod: Het leven is als toneel (1981), De Rode Duivels gaan naar Spanje (1982), Vergeet Barbara  (1984),  Geef me liefde (1989) en Mooi  het leven is mooi (1989), een liedje dat hij zittend  in zijn rolstoel moet opnemen, want hij heeft enkele maanden voordien een ernstig ongeval gehad. Dat liedje wordt, dankzij de komst van Tien om Te Zien, een van zijn grootste hits in die jaren tachtig. Volgens kenners blijft echter Ik mis je zo (1984) uit die periode nog altijd een van zijn mooiste nummers.

Wills artistiek quoteringscijfer voor die jaren tachtig is  een acht op tien  omdat hij zijn songs veel interessanter vindt vanaf het moment dat  Steve Willaert  er  als arrangeur wordt bijgehaald. Steve gaf Wills composities een méér Amerikaans getinte muzikale touch. Zijn nummers klinken van dan af meer up-to-date! In diverse interviews laat Will aanvoelen dat hij niet meer terug wil naar het niveau van Winterroosje en Mannen van de nacht hoezeer die liedjes hem ook na aan het hart blijven liggen. Een blijvende waarde, ook tijdens die jaren tachtig, is zijn vaste producer Jean Klüger. Jean blijft  een prachtkerel om mee samen te werken: vriendelijk, aangenaam in de omgang, heel muzikaal, kritisch positief ingesteld. Hij weet maar al te goed hoe Will zich haast uitsluitend door groot talent tijdens die moeilijke jaren tachtig overeind heeft gehouden. Wanneer Will vijfentwintig jaar op de planken staat, trakteert hij de fans op de elpee “25 jaar Tura” en gunt zichzelf een opname in het mekka van de countrymuziek Nashville, een uitstapje dat hij in 1984 nog eens herhaalt, om daar samen met The Jordanaires en de voormalige muzikanten van Elvis Presley, Scotty Moore en D.J. Fontana, het album “Tura zingt Elvis Presley” in te blikken.

Niet alleen op muzikaal, maar vooral op persoonlijk vlak, moet Will tijdens die jaren tachtig méér dan eens op de tanden bijten. Hij verliest niet alleen zijn vader, maar ook zijn broer Jean-Marie en zijn trouwe vriend Digno Garcia sterven. Als een soort afscheidscadeau schrijft Will nog voor Digno tijdens diens ziekteperiode het prachtige La luna de Asuncion (Asuncion is de hoofdstad van Paraguay – Digno was voordien lid van het trio Los Paraguayos), een liedje dat Digno ondanks zijn ziekte, koste wat het kost zelf nog op plaat wil uitbrengen en dat Will zelf tien jaar later goud zal  opleveren. In 1994 staat Will inderdaad met Hemelsblauw maar liefst twaalf weken aan de top. Vier jaar eerder had gans Vlaanderen er al voor gezorgd dat zijn vijftigste verjaardag niet onopgemerkt zou voorbijgaan! Tijdens een groots opgezet Radio 2-feest in Blankenberge wordt hij geurig  in de bloemen gezet en brengen heel wat Vlaamse rockers hulde aan hem op de cd “Turalura”, wat enkele van zijn hitparadecollega’s nog eens overdoen op het album16 voor Tura”. Will pakt ook uit met het méér dan geslaagd te noemen project “Tura in Symfonie”, live opgenomen in Vorst Nationaal samen met het BRTN Filharmonisch orkest en groot gemengd koor onder leiding van Fernand Terby. Opmerkelijk blijft ook de vocale aanwezigheid van Tura tijdens de uitvaart van koning Boudewijn in 1993 waar hij Hoop doet leven en  Ik mis je zo vertolkt! Naast al die triomfen wordt hij persoonlijk geconfronteerd met het overlijden van de zoon van zijn zus, zijn schoonvader, zijn moeder (1995)  én zijn broer Staf (1998). Gelukkig is er zijn muziek die hem over dit leed heen helpt. And the hits they keep on comin’: Met rock ‘n roll in mijn hart (1991), de West-Vlaamse rap Moa ven toh! (1992), het al eerder genoemde Hemelsblauw, La Melodia (1995) en het aan zijn broer Staf opgedragen  Alleen gaan (1998).

In 2002 verrast hij voor- en tegenstanders met het album “De mooiste droom”. Voor deze cd die zowat zijn duurste productie ooit zal worden en die hij in Londen in de Abbey Road studio’s gaat opnemen samen met de wereldvermaarde London Philharmonic orchestra onder leiding van Dirk De Caluwé, schrijft hij eigenhandig twaalf songs op teksten van onder meer Jan Savenberg, Bart Peeters en Dirk Blancke. Een volgende droom die hij realiseert is een gospel – cd met daaraan gekoppeld een gospeltournee die zijn hoogtepunt vindt in de “Tura Gospel Special” op zondag 14 december 2003 in het Sportpaleis van Antwerpen waar Will geflankeerd werd door  topmuzikanten als Steve Willaert, Kevin Mulligan, Jody’s Singers, een gospelkoor en enkele speciale gasten.

En Will wil van geen ophouden weten. “Ik zal altijd graag blijven zingen. Zolang de mensen ervan genieten, blijf ik doorgaan. Tot het moment dat ik voel dat ik live niet meer mee kan. Dan zal ik rustig nog wat liedjes blijven opnemen en me vooral als componist profileren. En voorts sta ik klaar voor de nabije toekomst. Ik blijf bezig met de sound van het moment, probeer zo goed mogelijk met de technische evolutie in de studio’s mee te gaan, maar vooral probeer ik mijn publiek trouw te blijven, want zonder hen was ik nooit de Will Tura geworden”,  zoals die de tiende november 2003 in het “Concertgebouw” van Brugge tijdens het Gala van de Eregalerij door al die fijne collega’s in de muzikale bloemen werd gezet! Twee jaar later viert Will zijn 65ste verjaardag met onder andere de cd “Viva Tura”. In 2007 zet hij met twee symfonische concerten, opgeluisterd door het Vlaams Radio Orkest, in Vorst Nationaal zijn vijftigjarige carrière in de kijker. Met het album “Dank U Vlaanderen” wil Tura de fans bedanken met een aantal nieuwe nummers, aangevuld met diverse verrassende covers. Al even verrassend is het album “Onvergetelijk” dat hij in 2009 in het Hilton Hotel in Brussel aan de pers voorstelde. Zijn firma liet ons toen weten dat het zijn 138ste album is, rijkelijk gevuld met covers van zijn grote idolen Nat King Cole, Dean Martin en Frank Sinatra in zowel de originele als Nederlandstalige versie. Songs van hemzelf hadden eerder al een internationale uitstraling gekregen. Ooit was er zelfs sprake van dat Aretha Franklin It takes a lot of love zou opnemen. Jammer voor Will wou haar producer een eigen tekst aan het liedje toevoegen terwijl dat al op naam van de Britse schrijver Jill King stond. En dus ging dat verhaal niet door. Maar geen getreur, want bekende sterren zoals Betty Curtis en Caterina Valente, Malcolm Roberts én zelfs The Four Aces hadden eerder al liedjes van hem ingeblikt.  Van één ding heeft Will spijt, dat hij de kans die de Britse producer Norman Newell hem ooit bood om in Londen te komen wonen en daar aan zijn carrière te schaven, fout heeft ingeschat. Will wou boter bij de vis en dat kon Newell hem niet garanderen, ook al werkte hij met sterren als Shirley Bassey. Die zekerheid zat er niet in en die had Will zo graag gehoord, want Vlaanderen was zijn werkterrein. Will heeft nooit willen gokken, ook toen niet!

In 2008 worden 100 hits van Tura verzameld in de cd-boxWill Tura 100 hits”. Wanneer Will twee jaar later zeventig kaarsjes mag uitblazen, wordt dat rijkelijk gevierd en in de bloemen gezet met voorop zijn biografie geschreven door zijn dochter Sandy. De VRT wijdt aan hem een aflevering in de reeks Belpop en het weekblad Humo komt op de proppen met de cd “Turalura 2″ met daarop een reeks covers door hedendaagse artiesten. Er wordt muzikaal van jetje gegeven door Customs, Arno, Mauro, The Van Jets en Daan die zich door Triggerfinger laat begeleiden tijdens zijn versie van de Turaklassieker Ik lieg dat hij een jaar of tien eerder op een rommelmarkt had gevonden in de originele singleversie. De donkere ziel die achter  de tekst schuilt, sprak Daan wel aan. Will kende hij al een tijdje omdat hij een joggende Tura regelmatig  tegenkwam terwijl Daan al wandelend in datzelfde bos nadacht over een of andere nieuwe song. De veertiende maart 2011 brengt Free Souffriau haar album “Gewoon Free” op de markt. Het merendeel van de liedjes wordt door haar man Miguel Wiels samen met Alain Vande Putte geschreven. Speciaal voor haar schrijft Will Tura samen met Bart Peeters het liedje Symfonie dat deze cd mag sieren. Steve Willaert tekent voor het arrangement.

In een productie van Steve Willaert brengt Will in 2012 het album “Ik ben een zanger” op de markt met daarop uitsluitend composities van hemzelf op tekst van Dennis Peirs. Het meest in het oog en het oor springend is het nummer Vrede waarop Tura zich laat begeleiden door Triggerfinger. Will is eerlijk genoeg om aan de pers te vertellen dat het zijn ego streelt dat deze jongens met hem wilden samenwerken. Het zet meteen de toon van dit nieuwe album. Tura slaat een andere weg in, weg van het commerciële, hij omarmt een jongere generatie met wie hij close gaat samenwerken. De titelsong is meteen de eerste single waarin Will zijn dankbaarheid wil uiten voor al die jaren dat hij van zijn publiek een zanger mocht zijn. Beluister het zeker niet als een afscheidslied, want daar is hij volgens zijn eigen zeggen nog niet aan toe. Voor het eerst neemt hij een echte videoclip op in een regie van Hans Pannecoucke. Will besluit om voortaan zijn concerten met dit lied af te sluiten.  Vervolgens is er als tweede singlekeuze Zeg nooit waarmee Tura tot op de zesde plaats van de Top Tien geraakt, waarin Will laat horen dat hij in het leven blijft geloven. Het is een lied dat een positieve boodschap uitstraalt.  Nadien volgt nog de single  In de schaduw van de maan. Will schreef dit samen met Bart Herman en dan kan het niet anders dan dat dit een countrysong is geworden, een genre dat beide heren erg na aan het hart ligt. Het is een nummer dat Will graag zingt omdat het vlot klinkt. Dat hij hier een daar aan Bruce Springsteen dacht toen hij het opnam, mogen wij nu wel weten. En dan is er ook nog de single Winter, maar die blijft uit de buurt van de Vlaamse hitlijsten. Winter is een liedje met een opvallende tekst “Wanneer ik terugkijk op mijn leven, de tijd heeft nooit een dag op mij gewacht. Er is zo veel wat mij is bijgebleven, ik herinner mij nog elke dag”.

Will geeft toe dat het als een soort afscheidslied klinkt, al is het daar, net zoals hij in het liedje Ik ben een zanger laat horen, nog te vroeg voor. Het is een lied op tekst van Peter van Noort en muziek van Frank Verkooyen. Het is het soort liedjes dat Will momenteel het liefst zingt, hij voelt dat de mensen hem zo het liefst horen. Hij mag wat filosoferen. Hij heeft trouwens een pak van die herinneringen maar al te graag gebundeld in het kijkboekWill Tura Een Leven in Beeld”, een fotoalbum samengesteld door Will Tura en dochter Sandy Blanckaert en uitgegeven bij uitgeverij Lido. Die foto’s vertellen het verhaal van een man die zijn leven lang aan de muziek heeft gewijd: méér dan tienduizend optredens staan op zijn actief, soms tot achtentwintig optredens per maand mét orkest. Want zo hoorde het. De fans hoor je in de watten te leggen. Bij Tura krijgen ze altijd waar voor hun geld. Na een optreden keren de mensen tevreden naar huis terug, dat is voor hem altijd het uitgangspunt geweest en gebleven. Zijn moeder heeft hem immers altijd voorgehouden dat je van hard labeur niet dood zal gaan. Dat Will een deel van zijn rijkdom aan zijn fans te danken heeft, vergeet hij nooit. Hij weet dat hij goed geboerd heeft. Hij is altijd zorgzaam met zijn geld omgesprongen. Werken hoeft hij al lang niet meer, hij kan op beide oren slapen, maar zijn drang om muziek te blijven maken en die muziek met zijn publiek te delen, zal voor hem een stimulans zijn om er nog jaren mee door te gaan. Toen Wilfried Hendrickx hem als slot van hun interview in Humo vroeg hoe Will zijn leven zou quoteren, antwoordde hij: “Met een acht. Is dat hovaardig? Ik denk het niet. Ik voel me boven alles dankbaar voor het leven dat ik heb mogen leiden. Zéér dankbaar. Ja, doe mij maar een acht!”. Is er dan niets dat hij mist? Misschien wel, want lazen we de veertiende juli 2012 in De Morgen niet: “Mocht het vandaag stoppen, dan zou ik toch wel iets missen. Ik dank de hemel en het publiek. Ik heb alles gedaan en alles mogen doen: behalve een film maken.” Maar hij weet ook wel dat, zoals de Fransen dat zo lyrisch kunnen zeggen, “on ne peut pas être et avoir été”. Tura zou vandaag niet zijn wie hij is, mocht hij vroeger anders geleefd hebben of zijn leven een ander verloop hebben gekend.

December 2012 is er de single Alleen gaan, een vertaling van Comme d’habitude van Claude François dat Will al eens eerder had opgenomen, maar dat hij nu aflevert in duet met Andrei Lugovski, die net als hij onderdak heeft gevonden bij platenfirma Universal en zich daar goed thuis voelt. In de zomer van 2013 lanceert Will de single Een vrouw zoals jij, een song die hij schrijft samen met Frank Verkooyen en Peter van Noort en zoals steeds geproduceerd en gearrangeerd door zijn vaste rechterhand Steve Willaert. Will was op zoek om tijdens zijn concerten een eigentijds dansnummer te kunnen brengen. Hij schreef dat met in zijn achterhoofd de discohit Alexandrie, Alexandra van Claude François, een van zijn grote idolen. In februari 2014 is er de single Waar je ook maar bent die Will schrijft in samenwerking met Ingrid Mank die wij kennen van nummers van Clouseau, Sandrine en Natalia én in samenwerking met Bob Neuwirth die wij mogen linken aan Stan Van Samang en Eva De Roovere. Will schrijft duidelijk liedjes daarbij geholpen door een jongere garde.  Zat nummertjes heeft hij ingeblikt met het oog op een goede score in de hitlijsten, hij wil nu een beetje koppig zijn eigen ding doen. Waar je ook maar bent klinkt anders dan de rest, veel meer punch, een ander tempo met een open doekje voor gitarist Kevin Mulligan die er de nodige drive aan geeft.

De vierentwintigste april 2014 verschijnt het dubbelalbum “Liefde”, Tura’s mooiste liedjes over de liefde. Op de hoes die bij het album hoort, schrijft Will het volgende: “Terwijl het compileren van een “Tura’s grootste hits” cd nooit moeilijk is (in de Top Duizend van Radio 2 staan liefst tweeëntwintig van mijn liedjes!) en een rock’n'roll plaat, country album, gospel cd of  ”de mooiste slows” ook niet, was de selectie voor deze cd moeilijk. Ik moest het bij veertig liedjes over liefde houden: niet zo gemakkelijk wanneer er méér dan honderd bestaan. Ik heb na uren zitten tobben, besloten om er de belangrijkste uit te selecteren: Eenzaam zonder jou of Ik mis je zo moeten erbij, maar ook enkele minder bekende pareltjes hebben hun weg gevonden naar deze dubbele cd!” Quando mi amor is er zo een, geschreven door Kevin Mulligan en Evert Verhees op tekst van Frank Dingenen, en Lief, na zoveel jaar dat Will schreef op een tekst van Ernst van Altena.

De vijfde december 2014 overleed koningin Fabiola. Zij werd de twaalfde december in de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in Brussel begraven. Op het einde van de plechtigheid zong Will als afscheid een aangepaste versie van Hoop doet leven. De zevende augustus 1993 had Will Tura tijdens de begrafenis van koning Boudewijn dat lied al eens gezongen. Op vraag van het hof en volgens de laatste wens van Fabiola ging Will graag een tweede keer op dit verzoek in. Daarover zei hij aan de Vlaamse pers: “Ik denk dat ze mij gevraagd hebben vanwege de link tussen Fabiola en Boudewijn. Twintig jaar geleden heb ik Ik mis je zo voor Boudewijn gezongen en Hoop doet leven voor koningin Fabiola. Zij wilde toen iets hoopgevends horen.” De media meldden diezelfde avond nog dat koning Filip tijdens het beluisteren van Hoop doet leven duidelijk een traan wegpinkte.

23 december 2014 mag Will het jaar feestrijk afronden tijdens de uitreiking  in het “Waasland Shopping Center” in Sint-Niklaas door Dirk Van der Auwera, marketingdirecteur bij Universal, van een platina award voor de verkoop van méér dan twintigduizend exemplaren van het album “Back to Back”, Tura gekoppeld aan Christoff, dat zijn platenfirma begin november in de markt had gezet naar aanleiding van de dubbelconcerten op zondag 1 maart 2015 in het “Ethias Theater” in Hasselt en op zaterdag 27 juni 2015 in het “Casino Kursaal” van Oostende. In een mum van tijd waren die concerten uitverkocht. Vandaar dat tijdens de uitreiking van de award, Tura met trots kon meedelen dat er een extra editie komt van “Will Tura en Christoff in Concert” en wel op 19 juni in het  ”Casino Kursaal” van Oostende.

David Vandyck droomde er allang van een album in te blikken met daarop uitsluitend nummers van zijn idool Will Tura. In het voorjaar van 2015 stuurt David het bericht de wereld in dat hij met trots het album “David Vandyck zingt Will Tura” zal releasen met daarop uitsluitend bewerkingen van de hits van de maestro zelf. Samen met Dennis Peirs heeft Will zelfs een nieuw nummer voor deze gelegenheid geschreven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet