Willem Vermandere

Geplaatst in Artiesten

In vroegere interviews vertelde Johan Verminnen altijd: ‘Ik studeer voor Willem Vermandere’. Hij meent dat vandaag nog altijd omdat de no-nonsensemanier waarop Willem zijn carrière aanpakt, wars van alle trends, nog altijd tot een voorbeeld dient. Verpakking haalt het tegenwoordig te veel op inhoud, maar Johan weet dat Willem daar weinig last van heeft. Voor hem is Vermandere een einzelgänger die elke dag zijn ding doet.”De media zullen ons misschien snel vergeten”, weet Johan. “Misschien zijn  we maar voetnoten in de muziekgeschiedenis. Maar noten zijn voor ons al ruim voldoende!”

 

Willem Vermandere werd de negende februari 1940 in Lauwe geboren, een oorlogskind dus. Dat zou hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Vandaar zijn ode aan de duizenden gesneuvelde soldaten tijdens de grote oorlog in  de Westhoek. Thuis was de keuken het terrein van moeder, pa wroette graag met zijn handen. Hij was wagenmaker, een harde stiel. En toch had die man een romantische ziel! Hij bracht Willem zowel de liefde voor de beitel en de schaafbank als voor de muziek bij. Vader speelde graag klarinet en onder impuls van pa ging Willem in de dorpsharmonie Sint-Cecilia meespelen! Hier kwam de werkman zich na zijn uren ernstig met muziek bezighouden. Op amusementsmuziek werd toen nog neergekeken. Klassiekers als ‘De Egmont Ouverture’ van Ludwig van Beethoven en ‘Finlandia’ van Jean Sibelius kregen voorrang.

Bij de paters in Waregem, een kweekvijver voor nieuwe roepingen, volgde Willem de Grieks-Latijnse afdeling. Het viel snel op dat hij creatief was. Hij tekende graag, vooral zijn karikaturen van het lerarenteam deden het goed bij zijn klasgenoten. Willem had toen ook al iets met hout. Dat materiaal fascineerde hem. Toen Walter De Buck en Wannes Van de Velde al druk in de weer waren met optredens in jazzkroegen en zo, ging Willem binnen in het obligatenklooster. Hij wou God een plaats geven in zijn leven, maar die God zag geen discipel in hem. Hij was dan wel een pater in wording, maar wel eentje  die graag boeken van Henry Miller las en ‘Zuster Cecilia’ van Gerard Walschap, liever dan de Bijbel, en graag liedjes schreef. Dat bracht hem op andere ideeën dan de vereiste religieuze. Zijn studies konden de pot op. Willem had stilaan de weg naar zichzelf gevonden. De gitaar, de beitel, het potlood: dat waren de dingen die hem in de kern van zijn ziel raakten. Er ging een heel nieuwe wereld voor hem open. Hij stapt uit het klooster en gaat als een soort verlengstuk van die plots afgebroken roeping, godsdienstwetenschappen in Gent studeren.

Van nature is Willem altijd een geboren verteller geweest en na zijn studies voor regent voelt hij zich geroepen om kinderen wat aan te leren. Hij wordt leraar in Nieuwpoort. Hier ontpopt hij zich stilaan als liedjesschrijver en zanger en maakt kennis met de Westhoek – verzen van Djoös Uytendaele. Dat klikt meteen en Willem maakt er liedjes van.  Met zijn gitaar en die liedjes gaat Willem links en rechts optreden tijdens avonden georganiseerd door de plaatselijke Chiro en de KSA. De vraag naar optredens wordt almaar groter.

In 1968 wint Willem Vermandere de talentenjacht van het Heistse Humorfestival en van dan af gaat het snel, heel snel, zonder dat hij er echt op voorbereid was. Het is zijn vriend- schrijnwerker Roger Rossey, zijn toenmalige tekstleverancier, die hem inschrijft. Willem trekt naar Radio 2 in Kortrijk voor de preselecties, wordt geselecteerd en wint de finale met Bruloft van Kanna en My mensch’n van te lande. In ’t begin klinkt Vermandere zo’n beetje als Wannes Van de Velde. Het was dan ook moeilijk hem in het juiste vakje te stoppen. Was hij nu een kleinkunstenaar of een volkszanger? In 1969 mag Willem trots uitpakken met een eerste elpee “Liedjes van de Westhoek”. Het was voor hem  niet eens zo moeilijk aan een platencontract te geraken. Fons Van Dam van Decca toonde meteen interesse, schreef enkele arrangementen en de rest ging als vanzelf.

Aanvankelijk klonken Willems liedjes nogal heimat gekleurd, streekgericht en in de streektaal gezongen. Maar ondanks die liedjes, bleef hij een geboren verteller, een mythische verteller. Vanaf 1970 gaat Willem zijn eigen teksten schrijven zoals we horen op het album “Willem Vermandere”. Liedjes als Fredo en Marcello, Margriete van Piere Maertens enz… Aan de basis van zijn liedjes liggen figuren die ook echt hebben bestaan. Klein ventje gaat over Georges van het bejaardentehuis in Elverdinge, De historie van Steentje over de Vlaamse pater Roger Vandersteen die opperhoofd werd bij de Canadese Cree-Indianen. Zijn chansons etaleren ook vaker een soort toogfilosofie. Qua hoogtepunten uit die periode zijn Piere de Beeste en  Blanche en zijn peird nog altijd echte uitschieters.

Het valt op dat Willems muziek vol vreemde elementen zit: iets Jiddisch, iets Hongaars, iets zigeunerachtigs. Hij is, ook niet op zijn platen of cd’s, de man van synthesizers en elektrische gitaren. Hij zweert bij de accordeon, de akoestische gitaar, de saxofoon, de fluit, de mandoline en vooral de klarinet. Die klarinet is er pas na de derde elpee gekomen als  een verlengstuk van zijn stem. Niet alleen blijven de littekens van de twee wereldoorlogen in de liedjes van Vermandere doorklinken, ook zijn herhaaldelijk ongenoegen over het almaar toenemend extremisme valt op. Een chanson als Bange blankeman pleit voor meer verdraagzaamheid tegenover de gekleurde medemens. ‘Als de kinderen van moeder eerde, op charango en met gamelan, ze zingen en roepen aan ons deure: doe open, bange blankeman’.

Het optreden, het podium, dat is Willems maîtresse, de mooiste van allemaal. Van Jules de Corte leerde hij dat “het enige dat je op een podium moet doen, is zeggen aan de mensen wie je bent. Zeggen waar je blij mee bent, waarom je verdrietig of kwaad bent, zeggen aan de mensen waar je vandaan komt, wie je vader was en wie je moeder. Dan wordt het niet meer gewoon optreden, dan wordt elk concert ‘ergens ’s avonds naar toe gaan”. De mensen zuurstof geven is op dat moment de boodschap. Zingen is voor Willem  in contact treden met zijn publiek. Op het podium kent Willem  zijn beperkingen, hier weet hij precies tot hoever hij mag gaan! ‘Dat is mijn biotoop’, zegt Willem, ‘hier ben ik heer en meester. Hier weet ik precies wat ik kan. Hier werk ik met bescheiden middelen, wetend dat je met één goed verhaal een zaal van duizend toehoorders aan je kan binden’.

In de hem zo eigen stijl schreef Vermandere de voorbije decennia liedjes die intussen echte Vlaamse klassiekers zijn geworden. Liedjes als Kasteel van schelpjes en zand en het haast onafscheidelijke Loat mie moar lopen (1981). De inspiratie voor dit lied had hij maar op te rapen. Op zekere dag trok hij naar Wallonië om daar arduin aan te kopen. Hij vertrekt rond een uur of elf via Wetteren en Geraardsbergen zo naar beneden. Rond de middag stopt hij langs de autosnelweg aan een baancafé en wordt daar aangesproken door een aantal jonge mensen, computerspecialisten, die op weg zijn naar een vergadering in Brussel en die Willem benijden omdat hij zo’n vrij leven kan leiden daar in de Westhoek. De dingen doen die zij zo graag zouden doen: werken in de tuin, liedjes zingen… “‘k moest heel mijn jong leven studeren en ‘k wierd computerspecialist. ‘k Kost het zodanig programmeren totda’k van toeten noch blazen ni meer wist”.

Ook al is Willem een geboren verteller, een man die geen blad voor de mond neemt, toch kan hij die mond soms goed gesnoerd houden en geeft hij op een instrumentale cd toe dat woorden hem al eens tekort kunnen schieten zoals in 2002 op het album “Omzwervingen, liedjes zonder woorden”. Op deze cd mogen zijn twee vaste kompanen fluitist en klarinettist Freddy Desmedt en gitarist Pol Depoorter de aandacht voor zich opeisen. Bij Willem is het schrijven van liedjes een kwestie van ‘a tune a day’. Het begint bij pure improvisatie en dan zit hij met zoveel ideeën opgescheept dat hij die niet allemaal in woorden kan vatten. Dan krijgen de instrumenten het (voor)recht om te spreken. Hoe vreemd het misschien mag klinken, maar al de recente albums van Willem Vermandere halen moeiteloos de hitlijsten. Gouden platen hoef je bij hem thuis niet te zoeken, die hebben zijn twee zonen en twee dochters  intussen ingepalmd. Willem duikt al enkele weken na de release van een cd de album top twintig binnen alsof het niets is.

De laatste jaren heeft Vermandere een geestverwant gevonden in zijn Waalse evenknie Jules Beaucarne wat resulteerde in een aantal aantrekkelijke liedjes en voorstellingen. Herman van Veen dweept ook al een hele tijd met onze Vlaamse bard en voelt zich niet te beroerd om enkele van Willems liedjes in zijn theaterproducties op te nemen zoals Voor Marie Louise dat we ook horen op het album  “Solozeiler” van Johan Verminnen. Hij zingt dit liedje in duet met Willem: Johan in het Frans, Willem in zijn eigen taal. Samen treden ze regelmatig op, ook in Nederland. Zo blokletterde een Nederlandse krant kortelings: “Twee zingende vogels, gebekt in dezelfde Vlaamse tuin”. Ook al gebruikt Willem bij onze noorderburen zijn oer-West-Vlaamse-woordenschat toch komen de Nederlanders hem achteraf zeggen: “Wat gebruik je toch mooie woorden!” Als geen ander weet Willem zijn liedjes op zijn publiek te projecteren en het is dat wat ze zo verstaanbaar maakt. Voor iedereen!

Bij al dat zingen mogen we niet uit het oog verliezen dat Willem zich ook als beeldhouwer heeft geprofileerd: begonnen met hout, maar daarnaast veel bezig met steen.

Wanneer we van Willem in Steenkerke afscheid nemen en  vragen of hij na al die jaren als artiest geëvolueerd is, antwoordt hij, na even diep te hebben nagedacht: “Neem eens mijn verzamel-cd “Van Blanche tot Blankeman” uit 2007 bij de hand en luister eens aandachtig naar al die teksten. Teksten over het romantische dorpsleven en mijn echte stellingname: dat ik opensta voor het nieuwe leven. En vergeet vooral niet tussen de regels te lezen en te luisteren. Met die titel, met dat album heb ik ongeveer alles gezegd”.

Wanneer Willem in 2010 zeventig wordt brengt hij het album  ”Alles gaat over” uit. In het totaal vijftien gezongen liedjes en het instrumentaaltje Fluîtje-perluîtje. Hij heeft speciaal voor dit album een nieuwe versie opgenomen van zijn klassieker Voor Marie-Louise. Op dit album neemt hij in enkele liedjes afscheid van een goede vriend, een broer én een kleinzoon. Ook al klinken de liedjes van Willem simpel, qua inhoud blijven ze ons raken. In Arme Jezus komt nog maar eens het thema religie aan bod. In het voorjaar van 2010 klimt Willem met deze cd naar de zesde plaats in de album Top Vijftig. Een degelijke notering zit er in 2012 in voor de cd “De zanger & De Muzikant”. Een overzicht van zijn grootste gezongen hits én zijn instrumentale nummers. Ook dit album wordt op het Universal label uitgebracht, net als de opvolger “Den Overkant & de Meditaties” dat in 2014 in de winkels ligt. Het album valt zo goed in de smaak dat het eenentwintig weken na mekaar in de hitlijsten genoteerd blijft. In de Gazet van Antwerpen lezen we hierover: “Op De Overkant is de muziek ondergeschikt aan Willems verhalen, waarin het bekende mededogen met de minder fortuinlijke medemens opnieuw figureert. Met opvallend veel humor kijkt Vermandere naar de wereld en zichzelf: hoe wij ons voorbereiden op de zondvloed, hoe onze botten beginnen te kraken, hoe hij in de naburige Dreamland-vestiging vergeefs op zoek gaat naar het speelgoed van zijn jeugd. De Meditaties zijn instrumentale mijmeringen op de klarinet: mooie improvisaties als woordeloze gebeden, poortwachters naar een nacht vol melancholie.”

Wanneer Willem in 2015 vijfenzeventig wordt, maakt zijn vriend journalist Manu Adriaens een selectie uit de vele brieven die Willem de voorbije vijfentwintig jaar schreef aan vrienden en kennissen die hij niet vaak ziet. Om zijn gedachten op een rijtje te zetten en contact met hen te houden zijn die brieven voor hem ontzettend belangrijk en een nuttig tijdverdrijf tussen de optredens en het beeldhouwen door. “Volle Dagen” verscheen bij uitgeverij Lannoo.

Willem Vermandere is en blijft een bijzonder mens: een filosoof, een begenadigd zanger, een verteller, een beeldhouwer, een schilder. Ze leven in perfecte harmonie met mekaar. Al wat hij niet onder woorden gebracht krijgt, kan hij kwijt in zijn beelden en schilderijen en ook andersom. Hij voelt zich nauw verwant met de dichter Pablo Neruda die in de film “Il Postino” aan zijn vriend de postbode zegt: “Poëzie is eigendom van de dichter, poëzie is eigendom van de mensen die ze nodig hebben”. “Dat is de taak”, zegt Willem, “voor alle bedienaars van het woord: het mensdom troosten in dit tranendal. Mensen helpen als ze het zelf niet meer zien zitten. Wij kunstenaars moeten durven mensen een geweten te schoppen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet