Zjef Vanuytsel

Geplaatst in Artiesten

Zjef Vanuytsel behoort volgens velen tot de belangrijkste liedjesschrijvers van de voorbije decennia. Zijn debuutplaat ‘De Zotte Morgen’ uit 1970 was een stijlbreuk met het toenmalige Nederlandstalige kleinkunst/troubadour-genre en zette zich resoluut af tegen de toenmalige schlager- en balmuziek. De Zotte Morgen kan misschien wel beschouwd worden als de eerste echte volwassen chansonplaat in Vlaanderen en is zeker een mijlpaal binnen de Nederlandstalige muziek. Enigszins in contrast daarmee citeren we, en plaats deze uitspraak binnen de tijdssfeer van toen, namelijk 1974, Pol Van Mossevelde in zijn boek “Met toeters en bellen”: “Zjef Vanuytsel is iemand die geleidelijk aan wist te reveleren in het spoor van Boudewijn de Groot met eigen teksten. Teksten die even vlinderend en romantisch zijn als datgene wat de troubadours voor hem op het podium brachten. Hij wist dat echter te verbergen door het jargon van de nieuwe generatie te hanteren. Daarbij viel vooral het timbre van zijn stem  en de melodische uitwerking van zijn liedjes op.”

Zjef Vanuytsel werd de zesde juli 1945 in Mol geboren onder het sterrenteken Kreeft: een fijngevoelig iemand, wat introvert, erg kunstzinnig, iemand die zijn gevoelens opkropt om ze nadien in een haast ongecontroleerde bui de vrije loop te gunnen. Hij moest thuis de aandacht delen met zijn zeven jaar jongere zus. Vader werkte in een fabriek in Kwaadmechelen en moeder was zelfstandige vroedvrouw die er thuis ook nog een winkel in babykleding en accessoires opna hield. Zjefs vader hield zich in zijn vrije tijd bezig met het organiseren van bonte avonden. Hij schreef sketches en liedjes die hij voorzichtig met de anderen meezong, want aan zangtalent ontbrak het hem compleet. Enkele leden van de plaatselijke fanfare begeleidden hen. Om de vier à vijf maanden werd er in het dorp zo’n bonte avond georganiseerd en zat Zjef op de eerste rij. Vader schreef grappige verhaaltjes en presenteerde die ook. Langs moeders zijde werd er vooral door de tantes duchtig op los gezongen. Thuis stond de radio dan wel aan, maar het duurde tot Zjef zo’n jaar of veertien was vooraleer hij aandacht aan de muziek ging besteden. In het lager onderwijs mocht hij wel regelmatig vooraan in de klas een liedje voorzingen dat hij van zijn vader had geleerd. Van de gitarist van de groep die de bonte avonden begeleidde,  leerde Zjef zijn eerste akkoorden.

Al snel bleek op school dat Zjef een slimme jongen was, iemand die gemakkelijk studeerde. Zjef had al als kind snel de amusementsmicrobe te pakken, want in de lagere school in Meerhout (in de buurt van Mol) moest hij regelmatig voor de klas zijn medeleerlingen amuseren. Hij herinnert zich nog hoe hij tijdens zijn lagereschoolopleiding op de treden voor de klas volksliedjes mocht zingen die hij van pa had geleerd. Na de lagere school wordt Zjef intern op de middelbare school in Hoogstraten, waar hij de afdeling Latijn-Grieks gaat volgen. In zijn streek werd er naarstig naar goede leerlingen gezocht die daar met open armen werden ontvangen. Dat internaat bleek voor hem, achteraf gezien, een ware zegen! Zjef werd daar verplicht te studeren, hij kon niet anders. In Hoogstraten lag het niveau hoog. Meegenomen was echter dat je er op creatief vlak je ding kwijt kon: schilderen, musiceren, sporten. Zjef kon in zijn jonge jaren een niet onaardig partijtje voetballen, een bezigheid die hij aan de kant schoof toen hij met toneelspelen begon en boeken lezen. Over die periode zegt hijzelf: “Het was zeker niet mijn gelukkigste tijd, alleen al door het spartaanse regime van het instituut, maar mee mogen werken aan de jaarlijkse theatervoorstellingen, waar we onder andere stukken van Tolstoj opvoerden, was een grote eer, de ultieme wens van veel stuidemakkers. Je voelde je behoorlijk uitverkoren.”

Tijdens zijn middelbare studies schreef Zjef zijn eerste liedjes. Meestal Nederlandstalige teksten op bestaande Engelse hits. The Beatles boeiden hem en qua kleinkunst vooral Jaap Fischer. Wanneer hij op zekere dag Jacques Brel op televisie ziet, staat hij als aan de grond genageld. De thema’s, de teksten, de passie waarmee Brel zingt, grijpen Zjef meteen naar de keel. Veel later zegt hij over Brel: “Voor mij hoort hij bij de allergrootsten. Ik was zo graag met hem eens een nachtje doorgezakt om zijn kijk op de dingen te horen. Ik heb wel de eer gehad hem eenmaal te ontmoeten, hoewel hij toen al niet meer zong. Het was ter gelegenheid van een benefietavond voor de toenmalige, bijna  failliete “Ancienne Belgique”. Ik herinner het me nog goed: voor mij op de eerste rij zat prinses Paola, omringd door haar hofhouding, achter mij een symfonieorkest en ik daartussen in de schijnwerpers, met alleen maar mijn gitaar en met een minimum aan monitoring. Knikkende knieën, klamme handen en zenuwen die door je keel gierden. Ik heb na afloop met Brel enkele blikken en woorden van verstandhouding gewisseld, als reactie op het overdreven protocollair gedoe op het einde van de voorstelling.”

Na zijn middelbare studies trekt Vanuytsel naar het Sint–Lucasinstituut in Brussel om daar architectuur te gaan studeren. In de jaren zestig een licht rebels broeinest waarnaar heel wat creatieve geesten hun weg vinden. Zjef was altijd al met tekenen bezig, zo gewoon vrij uit de pols. Het PMS kon uit de proef ruimtelijk inzicht afleiden dat hij talent had om architect te worden en omdat Zjef toch niets anders voor ogen had, ging hij met dat voorstel meteen akkoord. Tijdens die studiejaren geraakt hij verknocht aan de muziek van de jonge Bob Dylan en de Angelsakische hits van het moment. Liedjes schrijven was voor Zjef niet zo gemakkelijk, want je had in die tijd qua voorbeelden niet veel helden in het Nederlandstalige gebied rondlopen. Aanvankelijk houdt hij het bij een bluesgetint repertoire waarmee hij schoorvoetend optreedt en durft almaar vaker eigen liedjes te zingen. Het stond voor Zjef wel van in het begin vast dat hij in het Nederlands zou zingen. In een interview met “De Morgen” in de zomer van 2007 zegt hij reflecterend daarover: “Ik vond dat vanzelfsprekend. Wij waren de kinderen van de laatste generatie die men nog had proberen te verfransen en wij zochten naar onze eigen identiteit. Maar zelf ben ik nooit een flamingant geweest en ik had ook niet het gevoel dat het Frans me werd opgedrongen. In Hoogstraten, waar ik op de humaniora zat, was taal een prioriteit. Daar stond men erop dat er Algemeen Nederlands zou gesproken worden en werd ons de liefde voor literatuur bijgebracht. Ook de Franse literatuur. Ik vind het nog steeds een prachtige taal. Bovendien, in Frankrijk eren ze hun chansonniers. Dat ligt hier toch wel anders.”

Vanaf het midden van de jaren zestig, nog voordat hij zijn eerste plaat had opgenomen, kan Zjef al rekenen op zijn eerste schare fans. Radio 1-producer Jan Geysen heeft hem daarbij meer dan zomaar een handje geholpen. Radio 1 was van plan enkele opnamen van nieuw talent dat ze hadden ingeblikt op een compilatie-elpee uit te brengen, maar platenfirma Philips vond het beschikbaar oeuvre van Zjef Vanuytsel zo goed dat ze een ganse elpee met hem wilden opnemen. In 1968 krijgt Zjef van hen een contract aangeboden. Ze kijken rustig de kat uit de boom, zo wil Zjef het toch, want hij wil de juiste songs op die plaat zetten en een deel daarvan moet nog geschreven worden. Zjef is een perfectionist en laat dat meteen voelen. Hij laat zich niet de les lezen door de directie, van welke platenfirma dan ook. Zij wachten twee jaar en vinden dan de tijd rijp om een eerste elpee op te nemen waarvoor Frans Ieven, later algemeen directeur VRT-radio, de voor die tijd opvallende arrangementen  schrijft. Producer van dienst is Roland Verlooven en technicus Paul Leponce.  Zjef zat net midden in de examenperiode en moest ook nog zijn eindwerk afronden. Dat werd non-stop alles op alles zetten. Meteen na dat examen en vlak voor zijn eindproject klaar moest zijn, wordt tijd geruimd om het album op te nemen. Dat eindwerk wordt koudweg drie weken aan de kant geschoven. In de studio kunnen ze beschikken over een viersporenbandopnemer, met alle beperkingen van dien, maar die zorgt ervoor dat er niet te veel snoepjes voor het oor aan de opnamen worden toegevoegd en dat alles eerlijk en direct klinkt, wat de liedjes van Zjef ten goede komt. Twaalf liedjes worden ingeblikt met voorop als earcatchers De Zotte Morgen en Houten Kop. Die liedjes wisselden pas van plaats nadat Roland op de idee kwam die nummers in elkaar te laten overvloeien als betrof het een conceptelpee. De Zotte Morgen schreef Zjef deels op de trein van Brussel naar Mol. Na zijn middelbare studies op internaat kon hij in Brussel lekker uitbreken, kwam hij in een ongelooflijke sfeer van zich vrij voelen terecht. Op stap gaan met je vrienden en zuipen tot in de vroege uurtjes, terwijl in de buurt van het Noordstation de eerste reizigers arriveren en zich oplossen in de drukte van toeterende auto’s en overvolle trams. Dat maakte op hem, een jongen geboren in de stille Kempen, een enorme indruk, die hij koste wat het kost in een tekst moest gieten. Voor zijn vrouw, die hij in Brussel had leren kennen waar zij de afdeling binnenhuisarchitectuur volgde en met wie hij in 1969 trouwt, schreef Zjef het beklijvende Ik weet wel m’n lief en al even opvallend op die eerste elpee is de song Hop Marlène, een lied  dat in een tangoritme was geschreven, maar uiteindelijk in een soort hot–club-de-France- stijl werd opgenomen, en het kritische High Society, op aanraden van Frans Ieven en Roland Verlooven.

Het album “De Zotte Morgen” gaat meer dan honderdduizend keer over de toonbank, goed voor platina dus. Zjef is op dat moment nog maar vijfentwintig. Het spreekt voor zich dat hem dat niet koud laat. De optredens rijgen zich aan mekaar. Om zijn architectendiploma te gelde te maken, vindt Zjef niet het geschikte moment en bergt het dan maar op voor later. Zijn ouders fronsen hun wenkbrauwen, maar het overweldigende succes van hun zoon compenseert hun ontgoocheling meteen. Hij profiteert van het feit dat aan het begin van de jaren zeventig de jeugdclubs en de culturele centra als paddenstoelen uit de grond schieten. Van de ene uithoek in Vlaanderen naar de andere reizen, is wekelijkse kost. Hij palmt zijn publiek in met zijn wat hese stem en zijn bijna in parlandovorm gebrachte melodieën. Wel merkt hij in het begin dat hij wat moet uitkijken met zijn teksten in een nog relatief  conservatief Vlaanderen. De chansongeneratie was jong en rebels en de brave dorpspastoor of onderwijzer had het daar niet altijd even makkelijk mee. Een organisatie als het Davidsfonds weerde hem zo nu en dan. In heel wat artikels uit die tijd en ook in ons interview voor Radio 2 zei Zjef daarover: “Ik trad tot midden de jaren zeventig op in kleinere theaterzalen en in jeugdclubs. Die werden door vrijbuiters uitgebaat en door de plaatselijke notabelen als oorden van verderf beschouwd. Ik speelde toen wel twintig keer per maand en na het optreden mengde ik me tussen het publiek. Dat hoorde erbij. Aan de toog werden dan breedvoerige discussies gehouden en die liepen meer dan eens uit. Ik was in die dagen een nachtuil zonder echt goed met drank overweg te kunnen. Ik hou immers van het leven, het is toch meer dan werken alleen.” Zjef was op dat moment een rijzende ster aan het Vlaamse kleinkunstfirmament, al hield hij niet zo van die term. Die spande te zeer als een keurslijf om hem heen. Nog steeds houdt hij er niet van een rist Nederlandstalige liedjes onder één noemer te plaatsen. Aan het begin van die boeiende jaren zeventig had je in Vlaanderen het aanstormende talent Johan Verminnen die de kop boven water stak. Samen met hem, Jan De Wilde, Raymond Van het Groenewoud en Kris De Bruyne voelde Zjef een band. Zij waren allen op zoek naar een nieuwe klankkleur in het Nederlands. Dat linkte hen aan elkaar. Zij voelden de behoefte om liedjes te maken met meer inhoud, met andere invalshoeken dan je door de bank hoorde. Volgens Zjef was Vlaanderen nog een braakliggend land, waar de muzikale voorgeschiedenis niet verder reikte dan Cor Vander Goten en Miel Cools. Dat waren tot dan toe hun Vlaamse schoolvoorbeelden. Het was aan de nieuwe lichting om een eigen richting te zoeken. Soms liep die zoektocht met een sisser af en sloegen ze een andere richting in, al liet Zjef in menig interview graag optekenen dat ze er toen in geslaagd zijn de polsslag van de tijd te vatten. In het programma “Tijdgenoten” van de vijfentwintigste juli 2004 zei Johan bij Radio 1 over Zjef welgemeend het volgende: “Net voor ik begon, was Zjef al een ster. Hij zong op de eerste avonden waar ik ging kijken naar zangers. Kort daarna ben ikzelf begonnen en ik vind nog altijd dat de eerste plaat “De Zotte Morgen” een mijlpaal is in de wereld van het Nederlandstalige lied. Zjef had enorm veel succes. We kunnen ons echt niet meer voorstellen hoeveel. Hij was samen met Boudewijn de Groot de meest succesvolle singer-songwriter in ons land.”

Net toen het succes van zijn eerste elpee de kop opstak, moest Zjef naar het leger. Een periode waar hij niet zo gelukkig op terugkijkt. Gelukkig had hij een commandant die van muziek hield. Eenmaal die periode achter de rug, kon hij zich voor het volle pond met zijn zangcarrière bezighouden en aan een rist live-optredens beginnen, want zijn agenda puilde letterlijk uit. Zjefs prijzenkast raakt rijkelijk gevuld, onder meer in 1970 met de “Erasmusprijs” en het jaar nadien met de “Grote Prijs van de Belgische Variété-critici”. Ook Nederland reageert op het succes van De zotte morgen. Zjef gaat daar in enkele kleinere clubs optreden, maar bij gebrek aan een manager moet hij de klus alleen klaren en dat is van het goede iets te veel. Op uitnodiging van Willem Duys treedt hij op in diens populaire tv-show “Voor de vuist”. Daar blijft zijn buitenlandse poging niet bij. Enkele liedjes worden in het Duits vertaald door Thomas Woitkewitsch, die zijn kunnen al bewezen had door Herman van Veen van Duitse teksten te voorzien. “Eind jaren zeventig hadden we contact met Thomas gekregen. We geloofden echt in een doorbraak in Duitsland. Maar zoiets moet je een paar jaar geduldig voorbereiden. Dat is toen niet gebeurd. De ambitie was ontoereikend en ik twijfelde aan mijn zangcarrière.” Wel werd Zjefs Ik weet wel m’n lief in het Duits vertaald, maar het Duitse succes werd niet wat hij ervan verwacht had.

Misschien zijn we het uit het oog en het oor verloren, maar samen met het orkest Il Novecento onder leiding van Robert Groslot blikt Hans de Booij in 1992 voor zijn cd “Vlaamse Helden” een cover in van De zotte morgen. Zotte Morgen heet de cover die Dirk Blanchart in 1998 opneemt voor zijn album  ”Schietstoel”. Hij wordt in dit nummer begeleid door drummer César Janssens, basgitarist Vincent Pierins en gitarist Fritz Sundermann. Een jaar eerder had Dirk Denoyelle voor zijn album “De kleinkunstwereld van Dirk Denoyelle” samen met Zjef een bewerking geschreven van De zotte Morgen met als titel De Zoo van Morgan. Het nummer De massa wordt op single uitgebracht en staat de dertiende januari 1973 op acht in de Vlaamse Top Tien. Vijf jaar later vinden we dit nummer pas terug op de elpee “De stilte van het land”.  Zjef heeft een paar jaar gewacht, om precies te zijn tot in 1973, om uit te pakken met zijn tweede album “Er is geen weg terug”, in een productie deze keer van Frans Ieven. Hij krijgt in de studio de muzikale ruggensteun van onder anderen Firmin Timmermans, Jean Blaute, Philippe Malfait, Roger Van Hanverbeke en Frans Ieven, die de basgitaar en het orgel voor zijn rekening neemt. De opname klinkt professioneler, het studentikoze is wat verdwenen en heeft plaats geruimd voor akoestisch gitaarwerk en het toetsenwerk van Jean Blaute. Ieven staat er tijdens de opnamen op dat elke song een natuurlijke klank krijgt. Het klinkt achteraf alsof er live werd gespeeld. De kritiek is echter verdeeld. Wanneer in 2007 zijn verzamelbox verschijnt, schrijft Zjef in het bijbehorende boekje daarover: “Ik wou in de eerste plaats niet in herhaling vallen. We waren jong en we beschikten over beperkte middelen. Ons doel was boeiende liedjes in het Nederlands te maken. We waren geen gladde jongens die het gat in de markt hadden gevonden. We begeleidden onszelf op de gitaar omdat we de nummers ook zo schreven. Het was vanzelfsprekend, handig en vooral betaalbaar, en je vond indertijd niet op een-twee-drie losse studiomuzikanten zoals nu. En als je nu, zoveel jaren later, luistert naar het beste dat toen de opnamestudio’s verliet, is dat nog altijd niet niks.” Op “Er is geen weg terug” serveert Zjef twaalf liedjes met naast de titelsong onder andere Zal je dan nog voor me zorgen, Toch is ze zo lief, De idioot van de vrede, Langs de spiegels van de tijd en Omstreeks middernacht. Het is opnieuw een sfeerplaat, maar er klinkt wat meer weemoed tussen de groeven. De liedjes zijn intiemer, minder toegankelijk, en twijfel en onzekerheid zijn in de teksten geslopen. Het succes is nog groot, goed voor een gouden exemplaar, maar steekt toch wat af tegen de monsterverkoop van zijn eerste plaat. Ook al moet hij er een tijdje op wachten, het is wel leuk wanneer Zjef zijn eerste auteursrechten int. In ons interview vertelt hij daarover geamuseerd dat hij er niets beter op vond dan toen met enkele vrienden eens lekker uit te gaan eten en een paar gitaren te kopen. In 1973 staat Zjef voor de eerste maal op de affiche van “Nekka”. Hij deelt de zevende oktober het podium van het “Sportpaleis” in Antwerpen met onder anderen Armand, De Elegasten, Ivan Heylen en Willem Vermandere.

Zjef treedt op dat moment nog steeds alleen op met gitaar. Hij vindt dat zelf ook betaalbaar en mee de reden dat hij in die tijd veel gevraagd werd. Hij heeft ook de gewoonte na elk optreden te blijven doorzakken. In 1974 schrijft hij de titelsong voor de film “Salut en de kost” van regisseur Patrick Lebon met in de hoofdrollen onder anderen Joris Collet, Romain Deconinck en Hanny Vree.  Het jaar nadien gaat Zjef opnieuw optreden. Niet meer solo enkel met gitaar, maar omringd door een aantal muzikanten. Vanuytsel wil een ander gelijk en muzikaal gezien meer mogelijkheden. Zijn keuze valt op de toetsenisten Tars Lootens en Marc Malyster, bassist Eric De Wolf en drummer Jean-Luc Van Lommel. Zijn optredens worden duurder. Hun p.a. moet ook worden uitgebreid. Er moeten afspraken worden gemaakt, de agenda’s op elkaar afgestemd, kortom, er moet georganiseerd worden. Alles wordt professioneler en dus ook complexer.

In 1976 is er op het Philips-label de elpee “De zanger” in een productie van Jean Blaute, opgenomen in de “Morgan Studio” in Brussel. De sound is meteen anders. Bekende jongens leveren hun medewerking: Oscar Denayer, Kevin Mulligan, Koen De Bruyne, Tars Lootens en Jean Blaute, om er een paar te noemen. Koen, Jean en Tars schrijven de arrangementen voor de tien liedjes die Zjef heeft geschreven. De programmamakers kiezen nogal snel voor de nummers De stad gaat slapen, Brussel ik hou van jou en Soms wanneer jij er niet bent. Tijdens ons interview vertelt Zjef: “We werden een beetje overmand door de overvloed aan middelen die we in de studio ter beschikking kregen. In die zin ademt de elpee ook de tijdsgeest van de late jaren zeventig. Spijt heb ik niet. Het was zoeken, experimenteren. Vallen en opstaan ook. Als ik nu naar die plaat luister, hoor je een overdosering. Een nummer als De stad gaat slapen zou ik meteen opnieuw willen opnemen, maar dan veel soberder.” Ondanks zijn vermoeidheid blijft Zjef optreden en omringt zich gaandeweg met muzikanten als gitarist Eric Melaerts, pianist Dirk Joris, Koen Leeman, André Appeldoorn, bassist Marc Van Puyenbroeck, gitarist Eric Geirnaert, Joeri Spies en drummer Tony Gyselinck. Er zijn dan ook weinig Vlaamse muzikanten uit die periode die niet met Zjef hebben gespeeld.

 

Voor het album “De Stilte van het Land” dat in 1978 verschijnt, wordt opnieuw de hulp ingeroepen van producer Roland Verlooven. Die titel sluit mooi aan op de verhuis van Zjef. Het gezin Vanuytsel is intussen uitgebreid met een zoon en vervolgens een dochter. Zij verlaten Brussel en gaan in Neerijse wonen, een dorpje in de provincie Vlaams-Brabant, een deelgemeente van de gemeente Huldenberg, iets meer dan vijftienhonderd inwoners groot. Zjef heeft hier een vierkantshoeve gekocht die hij volledig restaureert. Hij houdt er van de heuvels en de riviertjes de Dijle en de IJse. Hier geniet Zjef met volle teugen van de stilte, de stilte van het land. Hij brengt op dit album vooral een hommage aan zijn nieuwe biotoop. Op de radio horen we vaak Tussen Antwerpen en Rotterdam en Laat alleen mijn goede vrienden over de revue passeren. Het nummer De massa, gekoppeld aan Ga in het klooster, wordt op single uitgebracht en staat de dertiende januari op acht in de Vlaamse Top Tien.

Intussen heeft Zjef er tien jaar in het vak op zitten en het begint door te wegen. Het succes van de beginjaren taant, de kinderen worden groot en de stress voor het optreden blijft hem parten spelen. Zjef herinnert zich nog goed dat de kritiek  er niet malser op geworden is en hij heeft voortdurend de indruk dat hij zich moet blijven bewijzen, maar dat heeft meer met zijn overgevoeligheid dan met de realiteit te maken. Zjef krijgt, net als zijn  in het Nederlands zingende collega’s, wel meer en meer te kampen met de steeds groeiende aandacht voor Engelstalige muziek. Bij ons is het de beurt aan Vlaamse in het Engels zingende groepen als The Machines, Scooter, The Bet enz. die met de aandacht en de eer gaan lopen. Toch stelt Zjef met plezier vast dat tijdens zijn concerten her en der jongeren opduiken en zijn liedjes absoluut kunnen smaken. Zijn groep bestaat op dat moment uit toetsenist Dirk Joris, bassist Jan Hulsens, drummer Jan Cuyvers en gitarist Chris Peeters.

Zjef trakteert ons in 1983 op de elpee “Tederheid” in een productie van Herwig Duchateau, drummer bij de popgroep Scooter en iets later producer van The Bet, Schmutz, Won Ton Ton en The Machines. De liedjes op dit album zijn erg autobiografisch zoals in Mijn twee kindertjes, Mijn beste vriendin, Schuldig en het prachtige Winter. Zjef heeft intussen zijn architectenkantoor opgestart en probeert dat zo goed en zo kwaad als het kan te combineren met zijn carrière als zanger. Maar lang houdt hij dat niet vol en besluit in het midden van de jaren tachtig zijn zangcarrière de rug toe te keren. Voor Zjef, die altijd op zijn onafhankelijkheid heeft gestaan, eerder een logische keuze. De zanger aast immers niet meer zo op het succes en het applaus, waarvan hij trouwens zijn deel wel heeft gehad. Vlaanderen blijkt op de keper beschouwd ook wat klein en Zjef heeft het ondertussen allemaal wel gezien. Zijn architectendiploma laat hem bovendien toe het roer drastisch om te gooien.

In 1986 is er de single Voetbal in een productie van Luc Verschueren, die toen op de zondagavond van 17.00 u. tot 19.00 u. het populaire Radio 2-programma  “Sportkaffee” presenteerde. Over die productie wil Luc het volgende kwijt: “Vanuytsel is altijd een geweldige voetbalfan geweest en nog liever was hijzelf Rode Duivel geweest. Hij heeft ook lang gevoetbald, gezellig onder vrienden, en het merkwaardige was dat Zjef achteraf aan de cafétoog die match verbaal nog minstens twee keer kon herspelen. Van naaldje tot draadje. Met passes en al. De meester-tacticus, tot we er moe van werden. Hij niet! Bij zo’n match onder vrienden is dan tussen hem en mij het idee gerijpt om een single over voetbal uit te brengen. Hij had een liedje over voetbal, een vlot deuntje, en dan hebben we er een paar, toen actuele, uitspraken van Rik De Saedeleer aan toegevoegd. Met goedkeuring van de VRT. Ik denk overigens dat de VRT op vraag van Jos Ghysen, toenmalig productieleider van Radio 2 omroep Limburg, die plaat gesponsord heeft. De plaat is overigens veel gedraaid op radio, zowel door de programmamakers van Radio 1 als van Radio 2, maar een echte hit is het nooit geworden. Maar Zjef was tevreden. Voetbal ligt hem na aan het hart. Hij kreeg er opnieuw een pak aandacht door.”

Na meer dan vijftien jaar zingen en toeren, stort Zjef zich op de architectuur en start hij zijn eigen bureau. Eerst privéwoningen, later maakt hij de overgang naar publieke gebouwen waar hij er vaak in slaagt een mooi evenwicht te vinden tussen restauratie en nieuwbouw. Zjef ontwerpt hier en daar ook dure huizen voor rijke jongens, ook al had hij zich in het liedje High society kritisch over hen uitgelaten. In een interview met “Humo”, daterend van de tweeëntwintigste april 2009, zegt hij daarover: “Ik ben geboren en getogen in de Kempen en mijn ouders waren van eenvoudige komaf. In de naoorlogse periode was er nog een duidelijke scheiding tussen mijn milieu en de hogere kringen. Ik ging bijvoorbeeld naar school in het kleinseminarie van Hoogstraten, terwijl de kinderen van de elite naar de jezuïeten in Turnhout trokken. Nochtans was het studieniveau en de strenge katholieke opvoeding in beide scholen gelijk. Later boden mijn ouders mij de unieke kans architectuur te studeren. Ook toen ontdekte ik een zeker cynisme bij de meer bemiddelden tegenover de minder rijken. Vandaar dat nummer.” Je hoort dat huizen voor rijke jongens ontwerpen dus met een korreltje zout te nemen, want een modale woning bouwen voor de modale man blijft voor Vanuytsel zeker zo’n  grote uitdaging.

Zjef heeft zich, ondanks zijn naam, in de wereld van de architectuur moeten bewijzen. Hij begon schoorvoetend met kleine verbouwingen. Geleidelijk aan begon hij villa’s te ontwerpen om zo te evolueren richting het ontwerpen van openbare gebouwen. Dit is echt zijn dada, hier kon hij een groot deel van zichzelf kwijt. Trots is hij terecht op het gemeenschapscentrum “De Markten” dat hij in Brussel ontwierp, alsook het “Nero-café” in Hoeilaart en de gemeentehuizen in Drogenbos, Bertem, Lubbeek en Huldenberg. Hij is ook de scheppende ziel achter de administratieve centra in Steenokkerzeel en Hoegaarden. De zanger en de architect vallen op het einde van zijn architectuurcarrière trouwens samen wanneer hij het cultureel centrum in Scherpenheuvel “Den Egger” mag ontwerpen. Het wordt een van de betere concertzalen in Vlaanderen waar architectuur, muziek en functionaliteit mekaar zullen vinden. Bij zijn comeback op de Vlaamse podia zal Zjef er zijn première geven. Welke artiest in Vlaanderen kan dit zeggen: “spelen in een zaal die ik zelf ontworpen hebt”.  Zjef zag al die tijd een soort gelijkenis tussen het ontwerpen van gebouwen en het schrijven van liedjes omdat voor hem het creatieve proces zo’n beetje identiek is. Telkens wordt er vertrokken van een wit blad. In verband met dat huizen ontwerpen, nog deze leuke anekdote. In 1979 is Willy Sommers druk bezig met de opname van zijn elpee “Zing een liedje in je moedertaal”. Hierop staat onder andere zijn hit De nacht was lang.  Willy was in die tijd de kritiek op de kwaliteit van zijn Nederlandstalige teksten grondig beu. Hij werkte toen nauw samen met producer Roland Verlooven en die vond het geen slecht idee qua tekst eens te rade te gaan bij Zjef Vanuytsel waarvoor Roland onder meer de elpees “De Zotte Morgen” en “De Stilte van het land” had geproduceerd. Zjef schreef speciaal voor Willy de tekst bij het liedje Mijn beste vriend waarmee Willy de vierentwintigste februari 1979 op twee in de Vlaamse Top Tien stond. Toen Willy in 1985 een eigen huis wilde bouwen, stapte hij zonder lang na te denken naar architect Vanuytsel, die met veel plezier de villa van Willy heeft ontworpen.

Eind jaren tachtig en tijdens de jaren negentig lijkt het er nog op dat Zjef definitief zijn gitaar aan de wilgen heeft gehangen. Hoe hard organisatoren ook blijven aandringen, Zjef weigert halsstarrig  om ook maar ergens in Vlaanderen op te treden. Voor journalisten en programmakers blijft het een uitdaging hem te strikken voor een interview. Zjef geniet van zijn leven in de stilte en de schaduw van zijn vroegere succes. Hij is gelukkig wanneer hij met de familie of kennissen kan gaan stappen en een partijtje zaalvoetbal met zijn kameraden mag spelen. Hij probeert ook de knepen van het vliegvissen onder de knie te krijgen.  Forel en vlagzalm genieten daarbij de voorkeur. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zeker het artiestenbloed. Hij gaat optreden met zijn muzikanten van weleer, aangevuld met Marc De Boeck op sax en accordeon en Jan Hautekiet op klavier. Hij droomt van een comeback, van nieuwe liedjes schrijven en opnemen. De respons van het publiek en de aandacht is hartverwarmend, en langzaam maar zeker krijgt het muziekvirus hem weer te pakken. Aan de media vertelt Zjef: “Toen ik een punt achter mijn zangcarrière zette, had ik me wel voorgenomen ooit nog eens iets met muziek te doen en blijkbaar is het nu zover. Het is de bedoeling dat ik binnenkort een cd opneem met nieuw werk en dat ik daarna ga toeren.”

Universal besluit in 2007 zijn vijf elpees op cd uit te brengen, een heuse verzamelbox. Als extraatje is er bij de box de dvd “Live op de BRT” met unieke versies van onder meer De zotte morgen, De stilte van het land en Ik ben niet klein te krijgen. Daarnaast ook een viertal interviewfragmenten en een aantal fragmenten uit het programma “Mijn grote liefde heet muziek”. In het bijbehorende boekje schrijft Zjef: “Ik dank iedereen die aan dit project meewerkte. Bij het bekijken van de foto’s, die door mijn zoon zorgvuldig werden geïnventariseerd en waarvan ik het bestaan soms niet meer vermoedde, kwamen bijzondere herinneringen in mij op. Ik dank ook in het bijzonder alle muzikanten, producers en technici waarmee ik ooit mocht samenwerken, het talrijke en warme publiek waarvoor ik ooit mocht optreden en alle interessante en boeiende mannen en vrouwen die ik dankzij mijn liedjes leerde kennen.”

De  25ste augustus 2007 staat er een uitgebreide babbel met Zjef en journalist Bart Steenhaut in “De Morgen”. Zjef heeft er weer zin in en is druk bezig met de opnamen van een nieuwe plaat. Op de vraag of zijn comeback te maken heeft met het besef dat hij met zijn platen destijds mensen ontroerd heeft, antwoord hij: “Nee, want toen ik stopte, had ik het voornemen om vroeg of laat weer wat nummers te schrijven, maar uiteindelijk heeft de architectuur me zodanig opgeslorpt dat ik al blij was af en toe eens wat vakantie te kunnen nemen. Dat werk heeft de muziek haast helemaal uit mijn leven geduwd.” Over het destijds stoppen met zingen, wil hij in datzelfde interview nog kwijt: “Ik had het gevoel dat ik met mijn laatste plaat net een weg was ingeslagen die nog veel mogelijkheden had. Maar tegelijk voelde ik de aandacht van het grote publiek verslappen en merkt ik dat de media niet meer meewilden. En was er het besef dat ik niet tot mijn vijftigste moest wachten als ik nog als architect wilde uitpakken. Mocht ik in Frankrijk of Duitsland hebben gewoond, met al de mogelijkheden die zo’n groot land te bieden heeft, dan had ik waarschijnlijk gewoon wat woningen ontworpen voor mijn vrienden. Maar ik had heel snel door dat ik het in Vlaanderen nooit een leven lang als muzikant zou uitzingen.”

Eind in 2007 ligt er eindelijk nog eens nieuw songmateriaal in de winkel dankzij het album “Ouwe makkers”. Zoals steeds zingt Zjef liedjes over de dingen des levens. Warme liedjes, gebracht en geschreven met heel veel enthousiasme. Liedjes als: Als je zomaar weg zou gaan, Stil in de Kempen, Het evenwicht, Lief en leed en Gevoelige jongen. Het album bereikt de vijftiende december in de Ultratop 200 de achtendertigste plaats. Zjef brengt zijn nieuwe cd ook live tijdens zijn tour de chant, begeleid door een nieuwe band van acht uitstekende muzikanten waaronder enkele strijkers. Er volgen succesvolle, uitverkochte tournees langsheen concertzalen over het hele Vlaamse land maar ook op de podia van Dranouter en de Gentse Feesten.

Maandag de tiende november 2008 wordt in het “Casino Kursaal van Oostende” De zotte morgen toegevoegd aan de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam. Zjef voelt zich vereerd. Hij vertelde ons iets eerder dat hij ooit hoopt in de anonimiteit te kunnen voortleven, maar zijn liedjes gunt hij alle aandacht die zij verdienen. Diezelfde avond wordt ook The way to your heart van Soulsister gelauwerd en krijgt Rocco Granata een “ereplaats voor een leven vol muziek”. Datzelfde jaar wordt Zjef Vanuytsel zwaar ziek. Hijzelf spreekt niet graag over die zwarte periode in zijn leven. Die weegt zwaar op hem en zijn gezin.

De vijfentwintigste april 2009  is Zjef de centrale gast tijdens “Nekka” in het “Sportpaleis” van Antwerpen. Artiesten zoals Boudewijn de Groot, Jan De Wilde, Thé Lau en Sarah Bettens serveren een onvergetelijk  muzikaal festijn. “De Gazet van Antwerpen” noemt deze editie twee dagen later zelfs een vijfsterrenaffiche en heeft een verbaal applaus over voor het optreden van Zjef samen Yevgueni. Journalist Peter Briers schrijft in datzelfde artikel: “Onbevangen en vrij van allures, pretentieloos en met negen echo’s uit zijn zangcarrière, bewees de troubadour dat zijn comeback geen meesterlijke marketingzet is, maar een zaak van nationaal belang.” “De Standaard” van maandag de zevenentwintigste april geeft toe dat de stem van Vanuytsel zijn grootste troef is en blijft. Met graagte blijven ze in hun artikel even stilstaan bij het lied Als je zo maar weg zou gaan dat Zjef samen met Sarah Bettens zong en bij het moment dat hij Jan de Wilde op het podium riep om samen Ouwe makkers te zingen.

In 2011 treedt hij op in de “Stadsschouwburg” van Leuven tijdens een benefietconcert ten voordele van kankeronderzoek. “Omdat ik tijdens mijn behandeling heel wat respect heb gekregen voor de mensen die mij verzorgden. Zij blijven de hele tijd in de schaduw, maar verrichten bergen werk. Het lijkt mij maar logisch dat ik iets voor hen terugdoe. Het is dankzij hen dat ik weer op de planken sta“, vertelt hij de eenentwintigste april aan een reporter van “Het Nieuwsblad”. In de maand juli van dat jaar staat hij op het podium van het folk, rock en kleinkunstfestival “Na Fir Bolg” in Vorselaar, samen met onder anderen Eva Deroovere, Hannelore Bedert en Gorki.

Begin 2013 laat Zjef weten dat hij opnieuw een jaar lang afwezig zal zijn op de Vlaamse podia door een operatie. Dat houdt ook in dat hij zijn  geplande optreden op negentien april tijdens de twintigste editie van “Nekka Nacht” moet afgelasten. De jonge Niels Boutsen van Stoomboot brengt die avond echter een ingetogen en originele versie van De Zotte Morgen als eerbetoon aan Zjef. Samen met zangeres Micheline Van Hautem, bekend van haar Brelinterpretaties, gaat Vanuytsel op tournee met de voorstelling “Lief en Leed”. De aftrap wordt gegeven begin februari 2014 met een try-out in “De Roma” te Borgerhout. Zjef laat zich bijstaan door een zeskoppige band, bestaande uit Alain Van Zeveren, Jan Hulsens, Jan Cuyvers, Frank Tomme, Rik Aerts en Wiet Van de Leest. Ook al heeft Zjefs stem wat aan kracht ingeboet, het publiek geniet als vanouds met volle teugen en, ondanks het gebrek aan media-aandacht, wordt ook de rest van de tournee een uitverkocht succes. De zesde december 2014 verschijnen op het Universal-label Zjefs zes albums plus de bonus-dvd met VRT-materiaal in de verzamelbox “Integraal”.

Op de vraag of Vanuytsel ons met zijn oeuvre iets wil nalaten, antwoordt hij: “Helemaal niet. Mijn  enige bedoeling is mooie liedjes schrijven, liedjes die recht uit mijn hart komen. Ik beschouw mezelf als een singer-songwriter die in woorden weergeeft wat er in hem omgaat. Een lied als Ik weet wel m’n lief sproot voort uit de kersverse relatie met mijn geliefde. Ik was toen tweeëntwintig, maar ik probeerde zoveel mogelijk de gangbare clichés van toen te vermijden. Hoe meer je vanuit je eigen ik schrijft, hoe meer mensen je kan raken. Het is wel zo dat je nooit van vooraf weet bij welke mensen je liedjes terecht zullen komen!”

Citeren we als slot nog even een gevoelige Zjef Vanuytsel in zijn gesprek met “De Morgen” (2007) dat verscheen onder de hoofding “Vooruitkijken is stilaan terugblikken geworden” en waarin hij zegt: “Ik heb het leven lief! Als muzikant heb ik altijd een vrij bestaan gehad. Toen ik architect werd, heb ik me serieus aan de werkuren en de deadlines moeten aanpassen. Het heeft me moeite gekost om in een stramien te leren leven. Als er nu nog een aantal mooie jaren in het verschiet liggen, kan ik niet anders dan tevreden zijn!”

Na een jarenlange strijd tegen kanker overleed Zjef Vanuytsel op woensdag 30 december 2015 in het U.Z.Gasthuisberg te Leuven.Zijn overlijden lokte veel reacties uit. Ik zal hem vooral herinneren als muzikant van zijn grandioze debuutalbum “De zotte morgen”. Hij heeft dat nooit meer overtroffen, maar hij is zijn eigen weg gegaan. Hij is architect geworden, ik beeldhouwer“, aldus Willem Vermandere. Jan De Wilde stond in het begin van zijn carrière dikwijls op dezelfde affiche als Vanuytsel. “We hadden eind de jaren 60 nog geen groot repertoire en organisatoren boekten meer dan een artiest om een avond te vullen. Zo stonden we dikwijls samen op het podium“, aldus De Wilde.De Wilde en Vanuytsel raakten bevriend en gingen samen met vakantie. “Jef Vanuytsel maakte romantische muziek met mooie metaforen. Hij bezong onder meer het goede leven. Hij was zelf een “goede lever”, die onmogelijk goed afscheid kon nemen. Ik ben opgelucht dat zijn lijden voorbij is“, besluit De Wilde. “Een van de grote kleinkunstzangers uit mijn jeugd is gestorven“, zegt Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz. Vlaams minister-president Geert Bourgeois deelt op Twitter zijn “herinnering aan veel zotte morgens”, terwijl vicepremier Kris Peeters afscheid neemt van een “kleinkunsticoon”. Voor de Vlaamse minister van Cultuur Sven Gatz was Jef Vanuytsel een van de grote namen uit de Vlaamse kleinkunstwereld van de jaren zeventig. “In 1970 debuteerde hij met “De zotte morgen”. In de canon van onze kleinkunst verdient die klassieker een absolute ereplaats“, meent Gatz. Hij plaatst Zjef Vanuytsel op gelijke hoogte met zangers als Johan Verminnen of Raymond van het Groenewoud.

Zaterdag 9 januari 2016 werd afscheid genomen van Zjef Vanuytsel in gemeenschapszaal “De Eegger” in Scherpenheuvel, een gebouw door Zjef ontworpen. Honderden vrienden, symphatisanten en familieleden namen ingetogen afscheid van hem. Zijn collega’s waren erg gul in hun afscheidswoorden. “Zjef hoort samen met Jan De Wilde bij de mensen die mij goesting hebben gegeven om ook op te treden. Het zijn mijn oervaders van wie ik het vak heb geleerd“, aldus Urbanus. Johan Verminnen vond dat Vanuytsel, samen met Wannes Vandevelde, Walter De Buck, Wim Decraene en Luc Devos heeft plaatsgenomen in die enige echte eregalerij. Jan Cuyvers, die Vanuytsel begeleidde als drummer, herinnerde zich dat Vanuytsel zich niet graag als een kleinkunstenaar bestempeld zag: “In het Frans noemen ze dit genre chanson zei hij dan altijd. Hij heeft in Vlaanderen alleszins de kleinkunst opengetrokken tot het luisterlied“, aldus Cuyvers, die het onvergetelijk vond dat Vanuytsel tijdens zijn laatste optreden in Heusden-Zolder op 1 maart 2015 zijn muzikanten voor het bisnummer voor het eerst allemaal een hand gaf. De uitvaartplechtigheid eindigde met een langdurig applaus voor Lucy, de weduwe van Vanuytsel, die méér dan vijftig jaar aan zijn zijde stond.

De vierde februari 2016 werd Zjef Vanuytsel in het Kursaal van Oostende  postuum opgenomen in “De Eregalerij” voor een Leven vol Muziek. Zijn dochter Barbara was aanwezig tijdens de live show. Dirk Blanchaert bracht een eigen versie van “De Zotte Morgen” en Micheline Van Hautem zong “Ik weet wel mijn lief”, in duet met een virtuele Vanuytsel. Die versie verschijnt de twintigste februari op single op het Silvox-label en staat binnen de kortste keren in de Vlaamse Top 50.

Radio 1 organiseerde in de maand oktober van 2016 samen met het Nederlandse Radio 5 en de Taalunie “De Lage Landenlijst”. Deze gemeenschappelijke muzieklijst met de beste nummers uit Vlaanderen en Nederland is een primeur in de radiogeschiedenis. Sinds maandag 3 oktober konden luisteraars uit Vlaanderen en Nederland hun stem uitbrengen op een suggestielijst van 100 nummers. Op zaterdag 15 oktober presenteerde Jan Hautekiet samen met Hans Schiffers van Radio 5  van 9.00 u. tot 18.00 u. de radiouitzending  vanuit Baarle-Nassau, pal op de grens van Vlaanderen en Nederland.  De luisteraars van Radio 1 en de Nederlandse zender NPO Radio 5 verkozen “Pastorale” van Ramses Shaffy en Liesbeth List tot het mooiste nummer van “De Lage Landen”. “De zotte morgen” van Zjef Vanuytsel belandde op de zevende plaats.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet