Willy Sommers

Willy Sommers mogen we toch wel rekenen bij de bekendste zangers die Vlaanderen heeft voortgebracht. Hij was het die aan het begin van de jaren zeventig in de Vlaamse hitlijsten de strijd durfde aan te gaan met Will Tura en Jimmy Frey.

De negende augustus 1952 wordt Willy De Gieter in Ukkel geboren, vijftien maanden na de geboorte van zijn zus Viviane. De familie woont op dat moment in Sint-Martens-Lennik. Papa, Frans De Gieter, is handelaar in tweedehandsauto’s. Mama, Margriet Vandersmissen, zorgt thuis voor het gezin. “De zondagvoormiddag mocht ik mee naar de garage naar de auto’s gaan kijken en af en toe mocht ik ook eens achter het stuur plaatsnemen. Vandaar dat ik ook een enorme autofanaat ben geworden en gebleven.” Thuis wordt er graag naar muziek geluisterd, maar zeker zo graag muziek gemaakt en vooral gezongen. “Mijn vader zong in een koor, dus thuis hing er altijd muziek in de lucht. Thuis werd er ook echt over muziek gepraat samen met mijn vader en mijn opa. Wanneer mijn grootvader ging optreden, was dat gratis. Na een aantal liedjes te hebben gespeeld, gingen ze in de tent rond met een muts en zo werd er geld opgehaald. Ze waren dus afhankelijk van de vrijgevigheid van het publiek. Je kan zeggen dat hij een semiprofessionele muzikant was. Daarnaast baatte hij een café uit waar de jukebox een centrale plaats innam. Ik deed niets liever dan daar naar de nieuwste hits te gaan luisteren.” Pa is lid van een zangkoor dat niet alleen de kerkdiensten verzorgt, maar ook vaak concerten geeft. Willy is maar wat trots wanneer hij zijn vader met kerst tijdens de middernachtmis met zijn prachtige tenorstem het Ave Maria hoort zingen. Nu nog krijgt hij kippenvel als hij daaraan terugdenkt. Willy houdt nog altijd vol dat hij zijn stem aan die van zijn vader te danken heeft. Hij was voor hem een beetje een zingend schoolvoorbeeld. “Bij ons thuis stond de radio vaak aan en ook al hadden we een oude pick-up, platen werden er niet meteen gekocht. We keken elk jaar met z’n allen uit naar het Eurovisiesongfestival. Ik weet nog goed dat ik als eerste plaatje Non ho l’età kocht, waarmee Gigliola Cinquetti in 1964 dat festival voor Italië won. Mama ging speciaal in Brussel naar een platenwinkel om het daar voor mij te kopen.” Van zijn vader heeft Willy ook zijn zakelijk instinct geërfd. In het gezin Sommers was de verantwoordelijkheid mooi verdeeld. Papa was een zachtaardige man met een hart van goud die voor de broodwinning zorgde. Op het thuisfront was mama de baas.

Telkens als de kermis hun dorp aandeed, kwam de hele familie De Gieter samen, werden er taarten gebakken, een varken geslacht en werd het feest afgerond met een stevige zangbeurt. Willy zong toen graag mee met de hits van The Beatles en The Rolling Stones, want hij heeft het niet zo voor soloartiesten, hij is meer tuk op de hits van de popgroepen uit de sixties. Na een tijdje verhuizen zijn ouders van Sint-Martens-Lennik naar Vlezenbeek (daar zijn zijn ouders de rest van hun leven blijven wonen), waar Willy het eerste studiejaar volgt. “Ik was zo fier als een De Gieter, want ik behaalde daar 99% en was meteen de primus van de klas. Op mijn achtste zijn we verhuisd en zo kwam ik als scholier terecht in het Sint-Niklaasinstituut in Anderlecht. Die overstap was moeilijk, want ik moest al mijn schoolvriendjes achterlaten, plus al de jongens die ik in mijn dorp had leren kennen. In Vlezenbeek zal ik trouwens tot aan mijn drieëndertigste verjaardag bij mijn ouders blijven wonen.” Willy volgt na de lagere school de afdeling Latijn-Wetenschappen om de laatste twee jaar naar het Sint-Thomasinstituut in Brussel te trekken om daar aan de normaalschool het diploma van onderwijzer te behalen. Ook hier profileert hij zich als een goede student. Hij sluit daarop aan met de opleiding regentaat Nederlands-Engels-Duits, maar hij rondt die opleiding niet af omdat hij dan al zijn eerste hit heeft gescoord.

Maar keren we even enkele jaren terug in de tijd. Op zijn twaalfde krijgt Willy van zijn opa een gitaar en twee jaar later gaat hij naar de muziekacademie van Anderlecht om daar saxofoon, piano en notenleer te studeren. Hij zal voor de rest van zijn leven dol blijven op het warme geluid van de sax. Piano wil hij koste wat het kost onder de knie krijgen omdat hij liedjes wil componeren. Hij houdt die muzikale opleiding drie jaar vol, maar gaat vanaf zijn vijftiende met een paar voetbalvrienden, die ook wel van een nootje muziek spelen houden, wekelijks oefenen in de garage van zijn vader, wat iets later uitmondt in de covergroep The Sons of Abraham. De naam klinkt wat religieus en dat klinkt niet eens overdreven, want Willy ging in die tijd elke zondag naar de mis, was zelfs een tijdje misdienaar én was aangesloten bij de KLJ, de Katholieke Landelijke Jeugd. Tijdens de feesten die die vereniging organiseerde, traden The Sons of Abraham regelmatig op. Het was een degelijke covergroep, erg geliefd in de streek rond Brussel samen met The Yeats en The Criminals, de begeleidingsgroep van Paul Severs. Paul hierover: “Willy Sommers is een streekgenoot en had net als ik een orkest. Ik weet nog goed dat hij mee de backing vocals zong op mijn hit Ik ben verliefd op jou. Later zag ik hem voor het eerst in de “Tele Top Tien”, toen nog een maandelijks BRT-tv-programma, gepresenteerd door Mike Verdrengh. Meteen had ik door dat Willy een grote mijnheer ging worden in de showbizz. Wanneer Willy moest optreden, was het altijd zijn vader die hem met de auto begeleidde. Hij reed Willy overal naartoe. Een beeld dat ik nooit zal vergeten. Nu nog, na zoveel jaren, staan we heel vaak samen op de planken en met veel plezier, want Willy is en blijft een sympathieke kerel. Wij waren, zijn en blijven streekgenoten en vrienden.

Op zekere dag moet de zanger van The Yeats, Luk Vankessel, voor een jaar onder de wapens. Aan Willy wordt gevraagd of hij zijn plaats niet wil innemen. “De man die mij vroeg om vervanging te komen doen bij The Yeats in de plaats van Luk was Jean Cornelis. Hij fungeerde als manager ven The Yeats en komt nog steeds in de mate van het mogelijke naar mijn optredens. Hij is nu achteraan in de tachtig en is nog altijd in de ban van mijn optredens. Als hij komt kijken, straalt hij en ik kondig hem dan altijd aan als mijn allereerste ontdekker! Dan pinkt hij weleens een traantje weg. Mooi toch.” Er wordt met The Sons Of Abraham overlegd en die gunnen Willy die stap hogerop wel. Maar na een jaar heeft Luk andere plannen en beslist Willy dan maar bij The Yeats te blijven. Luk vormt samen met Jean-Marie Aerts en Stoy Stoffelen de groep Split tot hij in 1978 besluit solo te gaan en hits scoort met Mia en Hotel Paradiso. Bij The Yeats moet Willy zijn stijl wat aanpassen, want het gaat er bij hen ruiger aan toe met voorop het repertoire van The Rolling Stones en The Kinks. Hij kon toen niet vermoeden dat iets later platenproducer Roland Verlooven, een man die tot dan zijn sporen vooral in de kleinkunst had verdiend, een grote rol in zijn leven zou gaan spelen. Roland maakte in de jaren zestig deel uit van de groep The Ropes met toen als leadzanger Roel Van Bambost. In 1966 nemen ze het singletje Its it true op. Het was Roel die Roland artiesten als Bob Dylan en Lou Reed leerde kennen en hem de liefde voor de kleinkunst bijbracht. Begin jaren zeventig is Roland op zoek naar een nieuwe uitdaging en gaat op verzoek van de bazen van zijn platenfirma Vogue uitkijken naar een nieuwe Vlaamse zanger, maar dan in het schlagergenre. De vierentwintigste december 1970 is het zover. The Yeats treden op in zaal “Harmonie” in Halle in het voorprogramma van The Pebbles, die op dat moment in de Benelux op één staan met Seven horses in the sky. Roland woonde in die tijd in Halle en kwam eens poolshoogte nemen. Roland liet na hun optreden meteen blijken dat hij alleen in Willy geïnteresseerd was en met hem uitsluitend Nederlandstalige liedjes wilde opnemen. “Ik wist precies waar ik naar zocht. Ik had tot dan toe veel kleinkunst ingeblikt. En toen kwam Paul Severs en mijn platenfirma had graag iemand in een genre dat we maar Vlaamse populaire muziek zullen noemen. In Halle zag ik Willy aan het werk met zijn orkest. Het was vooral zijn stem die me opviel. Die klonk apart. En hij zag er vooral goed uit. Met hem wilde ik wel iets proberen“, aldus Roland. “Het heeft me wel bloed, zweet en tranen gekost om Willy te overtuigen in het Nederlands te zingen.” Willy zong tot dan toe immers uitsluitend in het Engels. Hij moet koste wat het kost op vraag van Roland een demobandje inzingen om de mensen van de platenfirma te overtuigen en dat wordt een cover van een liedje van Jimmy Frey en Simon says van de 1910 Fruitgum Company. Willy trekt naar de studio en zingt die twee liedjes in, maar zonder veel overtuiging, want hij geloofde niet zo in zichzelf als Vlaamse zanger. De platenfirma gaat na het beluisteren van die twee liedjes meteen akkoord, want die heeft dadelijk door dat Willy ook een knappe jongen is, veel aantrekkelijker dan zijn concurrent-collega’s Paul Severs en Salim Seghers. Die ontmoeting met Roland was voor Willy allesbepalend. “Hij zag me optreden op 24 december 1970 met mijn band The Yeats. Hij is de man die op dat moment heel mijn leven heeft veranderd. Ik studeerde nog voor regent. Er kwam snel een eerste single. Roland werd vrij vlug mijn alles, zeker in het begin van mijn carrière. Hij was mijn producer, auteur, componist, hij was mijn begeleider bij mijn buitenlandse tv-optredens, mijn arrangeur, met andere woorden: hij was mijn muzikale vader geworden!

In maart 1971 neemt Willy dus zijn eerste plaatje op, Het is weer morgen, een vertaling van een Spaans liedje van Juan Pardo op tekst van Hugo Raspoet, die toen als kleinkunstenaar een degelijke reputatie genoot, zodat Willy ook op Radio 1 te horen was. Alvorens zijn eerste single uit te brengen, zit Willy samen met Roland Verlooven en de verantwoordelijke van Vogue, Roger Meylemans. “We waren die dag dringend op zoek naar een artiestennaam“, volgens Willy. Het stond als een paal boven water dat we mijn voornaam Willy zouden bewaren. We keken door het raam van het kantoor van Roger langs de Barthélémylaan in Brussel en zagen aan de overkant langs de oever van het kanaal een bedrijf dat Sommer heet, een firma gespecialiseerd in decoratieartikelen. Omdat ik in de zomer geboren ben, lag het voor de hand dat Sommer Sommers werd. Ik ging meteen akkoord, vooral omdat het ook Vlaams in de oren klinkt.Het is weer morgen staat de tiende april 1971 op de negende plaats in de Vlaamse Top Tien. Vijfduizend exemplaren vinden een koper, meestal familieleden, vroege fans en vrienden. Juist in die periode was Erik Van Neygen druk in de weer met de groep Pendulum en kende Willy behoorlijk goed. “We kregen onze opleiding voor leraar secundair onderwijs in dezelfde school, maar waren in de eerste plaats allebei gebeten door de muziekmicrobe. Willy nam zijn eerste plaatje op en ik speelde bij Pendulum. Ik trad vooral op tijdens kleinkunstavonden en Willy liet de meisjesharten vanaf het begin sneller slaan met zijn romantische liedjes. Hij had meteen een enorme fanclub. En hoe beter ik hem nadien leerde kennen, hoe meer ik begreep waarom die fans van het eerste uur hem altijd trouw zijn gebleven. Altijd een glimlach, altijd een hartelijk woord, ook voor zijn collega’s. Willy is voor mij Vlaanderens nummer één.

Vogue is ontgoocheld door de verkoopcijfers van Willy’s eerste single, maar toch wordt er beslist om in de zomer een nieuwe plaat uit te brengen. Voor de opvolger wordt als A-kant, om de radiozenders gunstig te stemmen, gekozen voor het uptempo Gina, dans met mij. Maar er moet nog een B-kant worden geschreven. “Ik kon de slaap niet vatten“, weet Roland Verlooven nog. “Het moet een uur of twee ‘s nachts geweest zijn en ik ben opgestaan. De tekst van het refrein had ik snel. Ik heb dan in mijn hoofd de melodie geschreven, want ik kon niet op de piano spelen omdat mijn vrouw en kinderen sliepen. Die melodie zat trouwens al een tijdje in mijn hoofd. ‘s Anderendaags heb ik de coupletten geschreven. Ik weet in de verste verte niet meer hoe ik op de idee van zeven anjers, zeven rozen kwam. Ik schreef het wel bewust met Willy in mijn achterhoofd.” Roland voelt tijdens de opname in een piepkleine studio in Brussel meteen dat ze een hit te pakken hebben: “Dat liedje heeft een verhaal, je kan het volgen van het begin tot het einde. Iedereen begrijpt waarover Willy zingt. De melodie kwam haast als vanzelf, want trucs om een hit te schrijven, bestaan niet, hoelang je ook in het vak zit. Anders kan je hits aan de lopende band schrijven. Wat me wel meteen opviel, is dat dat lied vanaf het eerste moment aan Willy bleef kleven alsof het bij hem hoorde. Alleen besefte Willy het op het moment zelf niet. Hij gaf zich daar totaal geen rekenschap van, al moet ik eerlijk bekennen dat ik het als componist en producer ook niet deed. In de studio voelde ik wel dat alles samenviel: het orkest, het arrangement, het inzingen, de tekst, de melodie. Het werkte. Het was alsof die vijf elementen mekaar raakten. Als er eentje tussenuit valt, gaat je liedje de mist in en wordt het geen succes.” Willy zingt het nummer live in met een vijftiental muzikanten om hem heen. Die hit komt er zonder hulp van de radio, maar wel dankzij de vele Vlaamse jukeboxen. In heel wat van die Vlaamse cafés werd in die tijd immers beslist welke singles de Vlaamse hitlijsten zouden halen en dat werd die zomer Zeven anjers, zeven rozen. Sommers staat in de zomer van 1971 op nummer twee in de Vlaamse Top Tien, de zesde november op elf in de Top Dertig. De single gaat in Vlaanderen méér dan honderdduizendmaal over de toonbank. Enkele weken voordien stond in die Vlaamse Top Tien Will Tura nog op één met Aan mijn darling. Sommers zou van danaf voor Tura een geduchte concurrent worden.

1971 was ook het jaar dat in Vlaanderen Salim Seghers doorbrak met Verlaat me nooit. Hij deelt met Willy heel wat herinneringen uit die tijd. “Nog voor we bekend waren, kende ik Willy al, onder meer van een uitzending op de BRT-tv “Binnen en Buiten”. Dat was in 1969. We hadden totaal geen camera-ervaring. De regisseur had zijn handen vol om ons optreden in goede banen te leiden. Eenmaal doorgebroken met onze eerste plaatjes voelden we beiden dat we goed in de markt lagen bij de meisjes. Wij waren jong en zagen hen graag. Het was wel zo dat wanneer we een liefje hadden, de fans dat niet mochten weten. Dus op zulke momenten liefst geen pers, noch fotografen in onze buurt. Willy en ik deelden ook een passie voor het voetbal. In die periode speelden we in een team bestaande uit elf zingende bekenden, onder wie Willy, John Horton, Jimmy Frey en ikzelf. Velen zijn intussen vergeten dat Willy en ik een tijdje dezelfde producer deelden, want met Roland Verlooven heb ik in het totaal zes singles ingeblikt.”

Willy trekt met zijn hit Zeven anjers, zeven rozen naar het “Midem Festival” in Cannes en wordt daar gevraagd om het nummer in het Spaans op te nemen. Dat verliep volgens Verlooven als volgt: “Het was een urgente vraag vanuit Spanje. Dat productieteam bleek achteraf uit een paar Zuid-Amerikaanse halve gangsters te bestaan die in Barcelona een kantoor hadden en die buitenlandse producties zochten voor hun Ekipo-label. Jimmy Frey had in Spanje dankzij hen grote sier gemaakt met de Spaanse versie van Rozen voor Sandra, Rosas a Sandra. Een van die producers had Zeven anjers, zeven rozen gehoord en ons dus de vraag gesteld of hij daar geen Spaanse vertaling van mocht maken. Het werd een Spaanse topper, maar we zijn er financieel niet veel beter van geworden. Er werd ginder geknoeid met de aangifte van het aantal verkochte platen. In die tijd had je in Europa maar een aantal landen waarmee je qua auteursrechten keurig kon samenwerken: Duitsland, België, Frankrijk, Engeland en de Scandinavische landen.” Willy pakte dat Spaanse verhaal nochtans ernstig en professioneel aan: “Ik ben dat nummer in Madrid gaan opnemen. Binnen de kortste keren stond ik daar met Siete rosas, siete besos boven aan de hitlijsten. Ik weet nog goed dat op de tweede plaats Elton John genoteerd stond en op de derde Julio Iglesias. Daar speelden zich dezelfde taferelen af als in Vlaanderen. Ik was daar een echte ster die ook zo behandeld werd. Me laten rondrijden in een limousine bijvoorbeeld. Ik ging in die periode eenmaal per maand voor een week naar ginder om daar promotie te voeren, zowel voor radio als televisie. Terwijl ik daar in Spanje druk bezig was, kreeg ik een telefoontje uit Frankrijk met de vraag of ik een Franse versie wou inzingen. Maar Roland bekeek mijn overdrukke agenda en hield wijselijk de boot af. Op vraag van Roland speelden ze het dan door aan een van de Franse artiesten op het Vogue-label en zo kwam het bij Crazy Horse terecht.” Crazy Horse had in Frankrijk al eerder een hit gescoord met J’ai tant besoin de toi, een vertaling van de Paul Severshit Ik ben verliefd op jou. Zeven anjers, zeven rozen klinkt in hun versie Une fleur… rien qu’une rose op tekst van Edouard Rombeau, goed voor meer dan één miljoen vierhonderdduizend verkochte exemplaren. Sommers vindt het nog altijd jammer dat hij op die Franse vraag niet is kunnen ingaan, want hij had bij onze zuiderburen meerdere hits kunnen scoren. Er verschijnt ook een Duitse versie, Sieben Küsse, sieben Rosen, op tekst van Carl J. Schäuble en uitgebracht op het Bellaphon-label. “Wij hebben van die Duitse versie zo’n honderdduizend exemplaren verkocht, wat lang niet slecht is. Nadien heb ik nog een aantal singles in het Duits opgenomen, maar Duitsland was bij lange niet zo’n succesverhaal als in Spanje“, aldus Willy. Op Wikipedia vinden we in verband met Zeven anjers, zeven rozen nog extra info: in 2005 werd een remix van het nummer opgenomen met Daan en Seppe, twee animatiefiguren van Jeroom. Er werd ook een videoclip bij deze nieuwe opname gemaakt waarbij Daan en Seppe volledig stoned naar Zeven anjers, zeven rozen luisteren en het lied geweldig vinden. Na dat succes met Siete rosas, siete besos zal Willy nog een viertal singles in het Spaans opnemen, waaronder in 1973 Tania, gekoppeld aan Encontré el amor (de Spaanse versie van Je kus zegt vaarwel), maar hij zit ginder bij een té kleine platenfirma en er kan niet voldoende promotie worden gevoerd. Dus deze historia espagñola was snel uitverteld.

Willy wordt in Vlaanderen snel tot de status van tieneridool verheven: “Dat hield in“, aldus Willy, “dat mijn leven compleet overhoop werd gegooid. Ik was tot dan een anonieme student, een dorpsjongen, heel sociaal geëngageerd. Ik was aangesloten bij de jeugdbeweging, ik speelde toneel, ik speelde mee in de fanfare, had een eigen band, ik voetbalde intens. Ineens verlies je dat allemaal omdat je volledig wordt opgeslorpt door je carrière. Ook je vriendenkring moet je loslaten, wat een zware dobber was, zeker in het begin. Je offert vooral je weekends op, je sociale contacten verwateren alsook je nauwe band met je familie. Er kwam een duidelijke scheiding tussen wat er vroeger was en je leven als artiest. In het begin had ik, ondanks mijn succes, daar toch wel wat spijt over. Ik heb daarnaast ook mijn tweede jaar regentaat moeten afbreken omdat ik niet alleen in Vlaanderen, maar op dat moment ook volop in Spanje bezig was. Mijn lerares Duits had begrip voor het feit dat ik op de maandagochtend slaperig naar de les kwam. Ik mocht van haar op de laatste rij wat gaan uitrusten. Ik heb daar toen met mijn ouders over gepraat en beslist een jaar uitsluitend aan mijn carrière te besteden, maar toen bleek die zo’n vaart te hebben genomen dat ik nadien nooit meer naar school ben teruggekeerd.”

Toch nog even aanstippen dat wanneer Willy als concurrent-collega in dat Vlaamse muzieklandschap opduikt, het Jimmy Frey is die als een van de eersten alert reageert: “Toen ik Rozen voor Sandra uitbracht, dachten Roland Kluger en ikzelf reeds aan een opvolger en wij vonden niet direct wat we wensten. Totdat ik op een dag tegen Roland zei dat als er ooit een Vlaamse zanger met de fysiek van een David Cassidy met een nummer als Rozen voor Sandra uitkomt, het prijs zal zijn, en het was Willy die iets later Zeven anjers, zeven rozen lanceerde. Ik had er meteen een collega en een serieuze concurrent bij, een heus meisjesidool. In die periode zijn we samen enkele malen uit geweest in het Brusselse en in Brugge en ik had al zeer snel door dat ook hij een liefhebber van het vrouwelijk schoon was. Voorts voeg ik er graag aan toe dat Willy door zijn “zijn en laten” en in ‘t bijzonder door zijn vriendelijkheid een geliefde Vlaamse zanger is geworden die een fantastische carrière heeft uitgebouwd.

Intussen had Willy na dat snelle succes met Zeven anjers, zeven rozen een fanclub opgestart. Hij kreeg daarbij de steun van zijn klasgenoten Pat Vermeersch en Filip Boven, de oprichters van zijn fanclub, die hij had leren kennen tijdens zijn regentaatsopleiding. Zij gingen leentjebuur spelen bij een idool van Willy, Cliff Richard, om te zien hoe die dat in Engeland aanpakte. “Wij besloten snel“, zo zegt Willy, “om de drie maanden een fanblad uit te brengen met daarin een rist foto’s, primeurtjes en weetjes en vooral mijn gedetailleerde agenda met optredens door heel Vlaanderen.” Links en rechts wordt Willy aan de mouw getrokken om zich in te schrijven voor de liedjeswedstrijd Eurosong met het oog op een eventuele deelname aan het Eurovisiesongfestival. “Roland Verlooven raadde me aan daar niet op in te gaan. Hij wist dat als ik daar een slecht resultaat zou behalen, men mij daar nadien op zou afrekenen. Ik heb al die jaren zijn wijze raad gevolgd. Ook toen men mij jaren later vroeg of ik geen deel wilde uitmaken van een ploeg om deel te nemen aan de in die tijd populaire Baccarabeker. En ik heb van die beslissing nog altijd geen spijt. Ik had dat trouwens niet nodig. Mijn carrière liep als een trein en ik ging dat succes zeker niet in de waagschaal leggen.

Voor Willy konden de jaren zeventig dus niet stuk. Dat waren voor hem zijn hoogtijdagen. Zijn singles verkochten prima en hij concerteerde aan de lopende band. Hij bouwde een voortreffelijke livereputatie op. Uit die jaren herinnert collega Frank Galan zich nog: “Toen ik dertien jaar was (1973), trad Willy op in een feestzaal rechtover de zaak van mijn ouders in Lede. Willy was toen eenentwintig. Als meisjesidool zette hij het hele dorp op zijn kop. Ik kon vanuit mijn zolderkamer het succes van Willy nauwgezet volgen. De bloemenwinkels deden gouden zaken met de verkoop van ontelbare ruikers anjers, gecombineerd met rozen. Vele meisjes droomden er op dat moment zelfs van met Willy te trouwen. Zijn lange haren à la Donny Osmond, die in die tijd internationaal de ene hit na de andere scoorde, waren zeer populair en deden Willy’s populariteit enorm stijgen. Ondertussen ken ik hem persoonlijk al zo’n vijfendertig jaar en merk ik dat het jonge publiek van toen nog steeds Willy volgt richting diverse podia, zij het nu als ouders en grootouders. Hij blijft een échte vaste waarde in de Vlaamse muziekwereld, mede door zijn sympathie en wilskracht. “Als een leeuw in een kooi” staat Willy nog altijd op het podium zoals destijds. Je moet het maar doen!

In Vlaanderen wordt Willy dé nummer één! Niemand had dit gigantische succes verwacht, hijzelf het minst van iedereen, hij was er trouwens totaal niet op voorbereid. Omdat Willy zo vaak optreedt, wordt er snel beslist een orkest op te richten en dat wordt de professionele band De Sommerstip, samengesteld met muzikanten uit degelijke andere orkesten, zeven man sterk. Het kostte een aardige cent om Sommers voor een avondje te boeken, wat niet belette dat zijn agenda nokvol zat. Tot vijfentwintig keer per maand optreden was vaste prik. Het werd wel een moeilijke opdracht voor zijn productieteam om dat immense succes van Zeven anjers, zeven rozen te evenaren en om daar vooral een vervolgverhaal aan te breien. Er wordt ook vrij snel beslist op het Vogue-label in 1972 een langspeelplaat uit te brengen: “Met Sympathie”. Twaalf liedjes, waarvan het merendeel door Roland geschreven, waaronder onder andere Puur als goud, Bij ieder afscheid, Zeven anjers, zeven rozen, Rock ‘n’ roll band en Het is weer morgen. Willy wordt in de studio begeleid door het orkest van Harry Frékin. Zijn repertoire wordt plots met twaalf liedjes uitgebreid, wat erg handig is tijdens zijn liveoptredens, die voor de rest met Engelstalig repertoire worden aangevuld, onder meer liedjes van The Beatles en The Bee Gees. Als single wordt dus getipt op Sympathie is geen liefde, opnieuw geschreven door Armath, schuilnaam voor Roland Verlooven. “Voor mij begon na het succes met Zeven anjers, zeven rozen de miserie om voor Willy een succesvolle opvolger te schrijven. Zo’n wit muzikaal konijn uit je hoed halen, bezorgt je vele slapeloze nachten. ‘s Nachts ijsberen, rondwandelen, piekeren, hier en daar al vloekend. Vele flarden tekst noteren die je iets later in de prullenmand kiepert. Momenten dat je denkt: had ik maar een ander vak gekozen. Maar plots schiet je iets te binnen als sympathie is geen liefde. En dan ben je weer vertrokken.” De twaalfde december 1971 staat Willy met die single op één in de Vlaamse Top Tien. De zesentwintigste februari 1972 vinden we hem op de vierde plaats in de Top Dertig terug. Sommers geraakt ook helemaal boven in die Vlaamse hitlijst met de daaropvolgende single Weet je nog die slow, waarmee hij de tweeëntwintigste april 1972 op één in de Vlaamse Top Tien staat. De achtste juli noteren we een tweede plaats in de Top Dertig. Datzelfde jaar nemen De Strangers er een aangepaste versie van op, Wette nog die flaa. De drieëntwintigste september staat Willy opnieuw op één in de Vlaamse Top Tien, deze keer met Een kleine foto. In de Top Dertig klimt hij ermee naar de zesde plaats. De twintigste november 1972 krijgt Willy van zijn platenfirma een gouden plaat voor de verkoop van vijfhonderdduizend singles in nog geen twee jaar tijd.

In 1973 verschijnt op het Vogue-label het album “Willy Sommers”. Willy op de hoesfoto met zijn akoestische gitaar op de schouders en gewapend met twaalf liedjes: Een kleine foto, Hij is je vader, De laatste keer, Tijger, Jenny enz. De productie is ook deze keer in handen van Roland Verlooven, die opnieuw een beroep doet op het orkest van Harry Frékin. Voor Sommers zijn die jaren zeventig één groot feest. Zijn succes groeit gestaag. Hij heeft een fanclub van twaalfduizend leden, het geld stroomt rijkelijk binnen, want de hits blijven komen. De vierentwintigste februari 1973 staat Willy in de Vlaamse Top Tien op één met Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Zijn impact op de Top Dertig wordt almaar groter. Met deze single klimt hij de vierentwintigste maart naar de vierde plaats. De negende juni zit er een tweede plaats in de Top Tien in met de slow Mooi als rode rozen. Dat liedje is ook de titelsong van zijn nieuwe elpee met daarop nummers als Huisje, Ik ben een Vlaamse jongen, Moeder en Denk aan mij. Verlooven weet precies welke liedjes hij in de mond van Willy moet leggen en past zijn teksten daar ook naar aan. In de herfst van dat jaar staat Willy de twintigste oktober op één in de Vlaamse Top Tien met Intiem rendez-vous, in de Top Dertig iets later goed voor een vijfde stek. Willy schittert dat jaar in Frankrijk achter de camera’s van “Cadet Rousselle”, het programma van Guy Lux, met zijn single Premier amour, maar de reacties zijn niet denderend. De derde maart 1974 scoort hij nog maar eens een nummer één in de Vlaamse Top Tien met Bruiloftsklokken, waarvoor Roland Verlooven een rumbaritme gebruikt. Dat nummer staat ook op zijn langspeler “Willy”, in het totaal goed voor twaalf nieuwe liedjes. Twee daarvan zijn van de hand van Willy zelf, zowel tekst als muziek: Eens bedrogen en Niemand. Op dat album het nooit op single uitgebrachte Ik blijf vannacht bij jou en laat nu net dat liedje het lievelingsliedje zijn dat Roland in al die jaren die nog zullen volgen met Willy heeft ingeblikt. “Het is een van de betere liedjes die ik voor Willy heb geschreven en het is een van de liedjes die hem het beste lagen en die hij ook op een knappe manier heeft gezongen.”

De zevende juli 1974 zet Willy de zomer in met zijn nummer één Blijf nog een uurtje bij mij, wat hij qua succes en hitnotering de tiende november herhaalt met Dans met mij tot morgenvroeg, in de Top Dertig de eenentwintigste december goed voor een zesde plaats. Dans met mij tot morgenvroeg is intussen uitgegroeid tot een regelrechte Sommersklassieker. Die twee hits staan eveneens op zijn elpee “Dans met mij”, waarvoor hij zelf in de pen klimt met als eindresultaat het nummer Wil je mijn meisje zijn? In 1975 staat Willy op de affiche van het Duitse Schlagerfestival en neemt daarvoor speciaal het nummer Tanz mit mir bis Morgen früh op, gekoppeld aan Playboy, enkele jaren later terug te vinden op het album “Willy Sommers Internationaal”. Datzelfde jaar vinden we hem terug tijdens het “Vlaams Hitgala” in Oostende, waar hij Een lied voor alle eenzame meisjes zingt, op single de zesentwintigste juli goed voor een tweede plaats. In de Top Dertig moeten we hem al op een zeventiende stek gaan zoeken. Aan het succes van Willy Sommers lijkt in de Vlaamse Top Tien geen einde te komen. De zesde maart 1976 prijkt hij op één met Zeg me wanneer, de tiende juli met Holiday, in de Top Dertig staat hij daarmee de achtste augustus op de zestiende plaats, en de achttiende december van dat jaar staat hij in de Vlaamse Top Tien op één met het door Roland samen met Liv Uytterhoeven geschreven Ik ga maar weer.

Zijn fans worden ook elk jaar getrakteerd op twee elpees. In 1974 is er “Dans met mij”, ook nu weer in een productie van Roland Verlooven samen met technicus Francis Dewell. Verlooven reikt liedjes aan als Doe de groeten aan Jenny, Twist en rock en ‘t Heeft geen zin. Speciaal voor dit album schrijft Willy het liedje Wil je mijn meisje zijn? Dat jaar is er ook de langspeler “Willy”. Deze keer wordt er opgenomen in de ICP Studio in Brussel en de Synsound Studio met een rist bekende muzikanten: op drums Frans De Witte, op accordeon Jean Blaute, op bas Yvan De Souter, op gitaar Burt Blanca en Kevin Mulligan en op synthesizer Dan Lacksman. Roland gaat voor een groot deel van de teksten samenwerken met Dennis Peirs, alias Jo De Clercq, alias Jo met de Banjo. Op het album staat onder meer het duetje Twee vrienden, dat Willy inzingt samen met het zangeresje Jessy. In 1975 is er de elpee “Alleen”. Eenzaamheid troef op dit album: Ben je vanavond ook alleen, Ga niet van me heen, Een lied voor eenzame meisjes en Willy wil weer weg.

Omdat Willy tuk is op mode en als zelfstandige zijn geld goed wil beleggen, opent hij in 1976 een eigen boetiek. Diegenen die Willy als zanger een niet lang leven hadden toegedicht, krijgen steeds vaker ongelijk. De negende juli 1977 staat hij op twee in de Vlaamse Top Tien met Elke slow zal ik met je dansen. De negenentwintigste april 1978 vinden we Willy in diezelfde hitlijst terug met Als Lucy begint te swingen en de negende september 1978 op één met Marena. Iets later stapt Willy over van platenfirma Vogue naar Philips, maar hij zorgt er wel voor dat hij zijn vaste producer Roland Verlooven mag meenemen.

In de hitlijsten en qua singleverkoop merken beiden dat er wat sleet komt op de Vlaamse muziek. De belangstelling ebt wat weg. De Belgische popgroepen laten almaar meer van zich horen en als het kan in het Engels. De Vlaamse muziek wordt naar het tweede plan verdrongen. Toch beloont de Radio 2-luisteraar Willy in 1979 met de “Zomerhittrofee” voor de single De nacht wordt lang, in de Vlaamse Top Tien de dertigste juni goed voor een eerste plaats. Daarin staat Willy de achtste december opnieuw op één, deze keer met Ze doen het. Beide zijn ook te horen op de langspeler “Zing een liedje in je moedertaal”. In verband daarmee volgende anekdote. In 1979 is Willy Sommers druk bezig met de opname van deze elpee. Hij was in die tijd de kritiek op de kwaliteit van zijn Nederlandstalige teksten grondig beu. Roland Verlooven vindt het geen slecht idee qua tekst eens te rade te gaan bij Zjef Vanuytsel, voor wie Roland onder meer de elpees “De Zotte Morgen” en “De Stilte van het Land” had geproduceerd. Zjef schrijft speciaal voor Willy de tekst bij het liedje Mijn beste vriend, waarmee Willy de vierentwintigste februari 1979 op twee aanbelandt in de Vlaamse Top Tien. Wanneer Willy in 1985 een eigen huis wil bouwen, stapt hij zonder lang na te denken naar architect Vanuytsel, die met veel plezier de villa van Willy heeft ontworpen.

In 1980 is er de elpee “Habanero”. De titelsong is van de hand van Kurt Feltz, die dit ooit schreef als Spiel noch einmal für mich, Habanero, in Duitsland op het Polydor-label in 1958 al een grote hit voor Caterina Valente. Naast dat nummer op die plaat songs als Viva Chicago, Toen je wegging en Breng haar rozen. Op single is dit laatste de zestiende augustus goed voor een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Iets voordien had Willy daar al op twee gestaan met Kom met me mee. Willy scoort in 1981 met Naar de zee, geschreven door Roland samen met Dennis Peirs, de dertigste mei 1981 goed voor een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien én goed voor een “Zomerhittrofee” bij Radio 2. In 1979 is er als aardigheid het album “Willy Sommers Internationaal” met daarop liedjes die hij in onder meer het Spaans en het Frans zingt, waaronder Siete rosas, siete besos, Encontré el amor, Tania en La photo que j’ai de toi.

Er wordt even met de idee gespeeld om bij de start van de jaren tachtig en inpikkend op de toen allesoverheersende Angelsaksische trend Willy in het Engels te laten zingen, maar dat ziet zijn producer Roland Verlooven niet zitten. “Neen, want door zoveel in het Nederlands te zingen, was zijn Engelse uitspraak erop achteruitgegaan, ook al had hij een talenopleiding genoten. We hebben wel een tijdje met de idee geflirt. Er werden zelfs twee Engelse teksten voor Willy geschreven, met name voor Zeven anjers, zeven rozen en Sympathie is geen liefde. Maar in mijn oren klonk Willy’s stem en accent zo vreemd dat we de idee hebben laten varen. We hebben dan de producties maar wat eigentijdser laten klinken. Tura had intussen wijselijk besloten zijn begeleiding wat te moderniseren, ook in de opnamestudio (denk maar aan een song als Hopeloos) en ook Sommers past zich aan. Hij gooit het imago van tieneridool van zich af en gaat zijn producties steviger aanpakken. Omdat rozen voor Willy blijkbaar belangrijk zijn, zingt hij Breng haar rozen, in de Vlaamse Top Tien de zestiende augustus 1980 goed voor een eerste plaats, opgenomen in zijn vertrouwde stijl met veel strijkers en romantiek, een melodie van Armath op tekst van Jo De Clercq. Diezelfde jongens leveren Willy de zesentwintigste juni 1982 nog eens een nummer één, waarmee ze inpikken op het succes van de tv-reeks “Dallas”. Willy staat binnen de kortste keren aan de top van de Vlaamse hitlijsten met het countrygetinte Dallas (da’s ook niet alles). Zij schrijven voor Willy ook de song Tranen in de regen, de zevenentwintigste november van dat jaar goed voor een tweede stek in de Vlaamse Top Tien. Die single is ook de titelsong van zijn nieuwste album, waarvoor Willy naar de studio trekt met gerenommeerde muzikanten als Evert Verhees, Marc Malyster, Michel Verlooven, Yvan De Souter en Jef Coolen. Voortgaand op de titels is het een vrij egocentrisch album geworden: Ik ben het noorden kwijt, Ik kan je niet vergeten en Ik hou een beetje van jou.

 

De dertigste april 1983 staat Willy nog maar eens boven aan de Vlaamse Top Tien en dat met De weg naar je hart. Een jaar later heeft Radio 2 weer een “Zomerhittrofee” voor Willy in petto, deze keer voor de single Ik ben verliefd op haar, waarmee hij het jaar voordien nog op drie had gestaan in de Vlaamse Top Tien. Roland had nog eens zin om een echte slow te schrijven, het betere tegelwerk dus. Meer power zit er in het nummer Vlaanderen de Leeuw, dat Willy op het einde van 1984 op single uitbrengt. Een nummer dat intussen thuishoort in de galerij van Vlaamse klassiekers. Verlooven herinnert zich nog levendig dat zij bewust op zoek waren naar een liedje waarmee ze zouden opvallen tussen de andere platen. Een beetje gedurfd, maar het nummer sloeg aan. “Dit liedje dateert uit de periode dat Dennis, Jo De Clercq dus, vaak bij mij aan huis kwam om samen met mij ideeën uit te wisselen en ter plaatse aan wat teksten te sleutelen. 11 juli stond voor de deur en we hadden zin om ons met dat thema wat te amuseren, in eerste instantie parodiërend bedoeld. Denkend aan die viering an sich met al die Vlaamse vlaggen en zingende symphatisanten. Het nummer mocht wat pompeus klinken.” De tweeëntwintigste december 1984 prijkt de single op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 1985 komt Willy op de proppen met het album “Een nieuwe liefde”, een nieuw geluid waarbij hij muzikaal wordt geruggensteund door muzikanten als Bert Candries, Dan Lacksman, Eric Melaerts en Frans De Witte. Uit dat album komt de nummereenhit Twee vrienden, dat hij samen met het zangeresje Jessy opneemt. Willy blijft erg dicht bij zijn vertrouwde stijl en van die hernieuwde aanpak die we in Vlaanderen de Leeuw te horen kregen, is eigenlijk niet meer veel te merken. In 1986 staat Sommers vijftien jaar op de planken, wat gevierd wordt met vier groots aangepakte concerten, recitals eigenlijk, en een show op televisie. De twaalfde september 1987 prijkt hij nog eens helemaal boven aan de Vlaamse Top Tien en dat met het door Roland geschreven Jij en ik. Willy houdt blijkbaar van een vocaal duel, want hij neemt dat jaar het duet Zet er je tanden in samen met krachtpatser John Massis. Een leuk tussendoortje, zullen we maar zeggen. In 1988 scoort Willy nog een aantal keren, onder meer met De laatste nacht en Een slow als in de sixties. Qua hits voegt Willy er aan het begin van nog eentje aan toe die niet vlug vergeten zal worden, Het water is veel te diep, alweer van de hand van Roland Verlooven. De vierde februari 1989  pronkt hij er in de Vlaamse Top Tien mee op twee. Willy moet het in die hitlijst opnieuw afleggen tegen Will Tura die daarin op één prijkt met Mooi, ‘t leven is mooi. Willy en Tura zijn, ondanks dat muzikaal geduelleer, door de jaren heen met elkaar met veel wederzijds respect blijven omgaan. Tussendoor zat er zelfs regelmatig een etentje in om wat bij te praten. “Willy is in mijn ogen nog altijd een enthousiaste en een geweldige collega, die net als ik, professionaliteit steeds hoog in zijn vaandel is blijven dragen. Ik denk dat we beiden altijd evenveel respect hebben gehad, zowel voor het vak dat we beoefenen als voor ons publiek. Ooit zouden we samen een nummer gaan schrijven. Willy de tekst op een compositie van mij. Helaas hebben we dit project wegens tijdsgebrek nooit kunnen uitwerken. Maar wat niet is, kan nog altijd komen! Willy, jij kent mijn nummer…797204!

Willy heeft in 1989 belangrijk nieuws te melden. VTM gaat de eerste februari van dat jaar van start en Willy had in de loop van de maand september van 1988 van Mike Verdrengh, die samen met Guido Depraetere die zender had opgestart, een telefoontje gekregen met de vraag of hij het niet ziet zitten een muziekprogramma te presenteren. Dat moet Willy even laten bezinken, want hij voelt zich niet meteen geroepen om zomaar voor de camera’s te gaan presenteren, laat staan een liedjesprogramma met daarin de bestverkochte Vlaamse singles. Het programma in kwestie wordt “Tien om te Zien”. Willy is maar bang dat hij dan niet meer in die top tien zal voorkomen, want hij kan toch moeilijk zijn eigen hits gaan aankondigen. Daar wordt, nadat Willy had toegezegd, meteen een mouw aan gepast, want Willy mag het programma presenteren samen met Bea Van der Maat, in een vroeger leven zangeres van de popgroep Won Ton Ton. Dat contrast is meteen een schot in de roos en Willy blijkt zijn tweede hitadem te hebben gevonden. Zijn platenverkoop stijgt immens. Daar waar hij door de band nog zo’n drieduizend singletjes van een nieuw nummer verkocht, wordt nu vlot de kaap van vijfentwintigduizend gepasseerd. En niet alleen Willy vaart er wel bij, ook de rest van zijn Vlaamse collega’s. Het kan niet uitblijven of nieuw talent zal op de kar springen en die worden zijn naaste rivalen. Denken we maar aan zangers zoals Jo Vally, Luc Steeno, Bart Kaëll, Helmut Lotti en Clouseau. Helmut nam toen zijn eerste Nederlandstalige singles op, waarmee hij erg goed scoorde, en hij ontmoette Willy vaak tijdens de opnamen van “Tien om te Zien”. “Ik heb altijd gevonden dat Willy een spannende, wat fragiele, melodieuze, aangename en poppy stem heeft. Daardoor klinkt hij veel moderner dan veel collegas uit die wereld van het Vlaamse lied, bovendien heeft hij zowel ambianceschlagers als mooie popnummers gezongen. En zijn optredens blijven een feest voor zijn fans, wat knap is na zoveel jaren carrière. Daarnaast vind ik hem ook een goede presentator.

Door de komst van “Tien om te Zien” scoort Willy gigantisch met zijn single Als een leeuw in een kooi, geschreven door de zoon van Roland, Michel Verlooven, samen met Dennis Peirs. Zelfs in de popgerichte Top Dertig klimt Sommers de vijfde augustus 1989 naar de achtste plaats met als naaste belagers Jason Donovan, Gerard Joling, Confetti’s, Gloria Estefan en Prince. Hij brengt ook het album “Verliefd” op de markt, een soort verzamelalbum waar goed op gereageerd wordt. “Tien om te Zien” wordt zowel in 1989 als in 1990 bekroond met een “Gouden Oog”. Willy mag delen in de feestvreugde. Wanneer in 1990 het album “16 voor Tura” verschijnt, is de eer aan Willy om zijn versie van Alleen op de wereld neer te zetten. In 1990 is er ook het album “Hou van mij”, sowieso nog altijd in een productie van Roland Verlooven, opgenomen in Studio Impuls te Herent. Muzikanten van dienst zijn onder anderen Kris Peeters, Eric Melaerts, Alain Van Zeveren en Willy Van De Walle. Met elf nieuwe nummers weet Willy zijn fans te plezieren, waaronder het opvallende, door de tandem vader en zoon Verlooven geschreven Mooie vrouwen lopen nooit in de schaduw, waarmee hij de zevende juli op vijf belandt in de Vlaamse Top Tien, en de singles Hou van mij en Ik hou van jou zoals je bent. Dany Caen, Kris Wauters, Alain Tant en Yvan Brunetti kwelen lustig de achtergrondkoortjes. Het jaar nadien staat hij twintig jaar op de planken, wat gevierd wordt met een concerttournee en het album “Sommers 20″. Uitgeverij Taptoe uit Eeklo geeft het huldeboek “20 jaar Willy Sommers” uit.

Een jaar later wordt er ook aan nieuwe nummers gedacht en is er de cd “Hartenbreker”. Roland Verlooven is nog steeds de producer van dienst. Ook Eric Melaerts, Bert Candries en Alain Van Zeveren blijven voor de instrumentale steun zorgen. Zijn toenmalige liefje Viviane Audenaert mag de styling voor haar rekening nemen. Er wordt opnieuw opgenomen in Studio Impuls in Herent. Alle nummers worden door Roland geschreven met uitzondering van Alleen op de wereld, dat van de hand van Will Tura en Nelly Byl is. Het nummer Mijn hart is groter daaruit wordt op single uitgebracht, maar houdt halt op de zesde plaats in de Top Tien. Intussen heeft Wendy Van Wanten luidruchtig van zich laten horen in de hitlijsten. Voor Willy een gelegenheid om zijn talent aan het hare te koppelen en dat wordt het door Roland geschreven Kijk eens diep in mijn ogen, de eenendertigste augustus 1991 beloond met een vierde plaats in de Top Tien.

Nog steeds onder de Philipsvlag en de veilige vleugels van Roland Verlooven is er in 1993 de cd “Nooit meer alleen”. Peter Bulkens en Alan Ward zijn de technici van dienst. Zijn manager Pat Vermeersch houdt rustig een oogje in het zeil wanneer Willy deze keer dertien liedjes inblikt. Gouden hits levert deze cd niet op, al doen de singles Ergens is er iemand en Een liedje op de radio het in de Vlaamse hitlijsten meer dan behoorlijk. Omdat conceptalbums, cd’s opgehangen aan een bepaalde kapstok, almaar belangrijker worden, gaat Willy samen met Roland op zoek naar een aantrekkelijk thema en dat wordt in 1993 het album “Parfum d’amour”. Roland is, het verhaal moet correct blijven, een maand naar Spanje getrokken om nummers te schrijven, maar hij komt terug zonder. Hij geeft aan Willy eerlijk toe dat de inspiratie op is. Hij had net een bypasshartoperatie achter de rug en had besloten het rustiger aan te gaan doen. Roland voelde ook aan dat de Vlaamse schlager in een neerwaartse spiraal was terechtgekomen. Dan maar op zoek gaan naar mooie bestaande liedjes en omdat Willy een zwak heeft voor Franse chansons, is de keuze snel gemaakt. Zij selecteren twaalf liedjes uit de muzikale Franse schatkist, die ze laten arrangeren door Luc Smets. Opgenomen wordt er in Studio Impuls te Herent met Peter Bulkens aan de knoppen. Roland Verlooven blijft producer van dienst. Er wordt bij Jan De Vuyst en Johan Verminnen aangeklopt om de vertalingen te leveren. Zo covert Willy onder meer Fais-moi une place van Julien Clerc, Je viens pas te parler d’amour van Daniel Guichard en Emmène-moi danser ce soir van Michèle Torr. Het valt meteen op dat Willy niet gelijk voor de bekendste Franse liedjes is gegaan, dus niet voor een vertaling van bijvoorbeeld Comme j’ai toujours envie d’aimer, Aline, Ma vie... Die makkelijke klus laat hij liever aan anderen over. Barbara, vertaling van Babacar van France Gall, en De eerste stap, zeker zo bekend als Le premier pas van Claude-Michel Schönberg, worden als single gekozen, maar echte hoogvliegers in de hitlijsten zijn het niet. Het album zelf wordt wél goed onthaald en betekent een rijke afwisseling tussen de andere Sommersplaten door. In de zomer van 1994 brengt Willy Laat je leiden… verleiden op de markt, een vertaling van Les valses de Vienne van François Feldman. De verleidster van dienst is Isabelle A, drieëntwintig jaar jonger dan Willy. Het is pure liefde, zo vertelt Sommers in de media, die hen maar al te graag op de hielen zitten. Willy en Isabelle gaan samenwonen om hun liefde een kans te gunnen, maar de zesde november 1997 laten zij aan de pers weten dat hun relatie erop zit.

Wat misschien niet nodig was geweest, was het voortborduren op het patroon van “Parfum d’amour”. In het kielzog van die plaat verschijnt in 1995 “Profumo d’amore”. Never change a winning horse, werd er gedacht. Producer Roland Verlooven zit aan de knoppen en Luc Smets arrangeert. Onder meer collega Yvan Brunetti is in het achtergrondkoortje te horen. Ook deze keer zijn qua vertalers Jan De Vuyst en Johan Verminnen van de partij, aangevuld met Roland Verlooven en Dennis Peirs. Italiaanse hits zoals Roberta, Tu soltanto tu, Tornerò, Azzurro en Solo noi passeren de revue. Buona notte bambino, waarmee Rocco Granata in 1963 nog een nummer één scoorde in Nederland en Duitsland, staat ook op dit album. Voor deze versie van Willy wil Rocco hem trouwens persoonlijk bij dezen nog een pluim geven.

Roland Verlooven merkt meer en meer dat hij echt is leeggeschreven. De inspiratie blijft zoek. Hij en Willy hadden door de jaren heen zo’n hechte band gesmeed dat de idee elkaar los te laten, een haast ondenkbaar voorstel is. Toch bijt Roland door en maant Willy aan op zoek te gaan naar zowel een nieuwe producer als een nieuwe platenfirma. Roland helpt hem daarbij en stelt hem voor aan John Terra. Verlooven besluit in Spanje te gaan wonen. Voor hem is die periode met Willy voorbij, ook de muziekbusiness keert hij van dan af zo goed als de rug toe. “Voor mijn part“, voegt Roland er nog aan toe, “hadden we uit die vijfentwintig jaar samenwerking eruit gehaald wat erin zat. Al blijft ik het jammer vinden dat Willy nooit geprobeerd heeft meer zelf liedjes te schrijven. Zijn kracht is dan weer dat hij zich tot dat typisch Vlaamse genre beperkt heeft, met zijn typische stemgeluid. Zijn absoluut talent is en blijft zijn persoonlijke marketing: zijn werklust, de warmte waarmee hij met zijn fans blijft omgaan, recht vanuit zijn hart. Het geduld om na elk optreden na te blijven om zijn fans tegemoet te komen en zich met hen te onderhouden, dat heb ik altijd in hem enorm bewonderd.

Die scheiding van Roland Verlooven valt Willy zwaar. Om in schoonheid af te ronden, is er in 1996 nog het album “Willy Sommers 1996″, waarvoor Roland nog alle teksten en muziek levert. Als een soort dankjewel neemt Willy een nieuwe versie op van Zeven anjers, zeven rozen, deze keer geproducet door Yannick Fonderie. Opvallend in het achtergrondkoortje Kris Wauters van Clouseau. Het mag subjectief zijn opgemerkt, maar op de hoes prijkt een wat bezorgd kijkende Sommers. Dit afscheid van Roland in schoonheid wordt extra in de bloemen gezet met de verzamelaar “Willy Sommers 25 jaar: een selectie van achttien hits”, een overzicht vanaf 1971 tot en met 1995, vanaf de hit Zeven anjers, zeven rozen tot en met Voor een vrouw zoals jij. “Ik herinner me nog“, vertelt Willy daarover, “dat ik buiten op mijn terras ben gaan zitten met voor me al mijn singles op de grond uitgespreid en daaruit heb ik vijfentwintig plaatjes gekozen die me na aan het hart liggen.” Vooraan, in het bijbehorende boekje, is de toenmalige manager van Willy aan het woord, Pat Vermeersch. “Ik ben de tel kwijt. Is dit nu de vijfentwintigste of dertigste elpee of cd? Ik weet het echt niet meer. Fans zullen dit wel beter bijhouden. Eén zaak weet ik zeker: keiharde fans heeft Willy! Zo’n vijfentwintig jaar geleden stond ik aan de wieg van die fanclub, die in die beginjaren zo’n twaalfduizend leden telde. Willy had net een plaatje opgenomen onder de vaderlijke hoede van Roland Verlooven. Een kwarteeuw later – zijn zilveren jubileum – staan we beiden nog steeds aan de zijde van Willy, zonder veel op papier te zetten. Een woord is een woord.”

En dan is Willy na zijn jarenlange samenwerking met Roland Verlooven klaar voor een nieuw verhaal. Tot dan toe had hij nooit met een manager samengewerkt, ook niet met een boekingskantoor. Dus Willy op zoek naar zo’n geschikt iemand. Hij gaat eerst aankloppen bij de grote jongens van toen. Dat was voorzichtig aftasten. Tot hij in de zomer van 1996 Ilia Beyers ontmoet en met hem een afspraak maakt. Ilia kende het klappen van de zweep, want zijn vader Guy had in die tijd een erg bekend theaterbureau, Benelux. Daar waar de onderlegde managers tijdens hun aftastende gesprekken met Willy afspraken in de duurste en meest gerenomeerde restaurants, geraakte Ilia als beginneling niet verder dan een bistro om de hoek waar tijdens het nuttigen van een croque monsieur een deal werd gesloten. Een afspraak bezegeld door een handdruk en die twintig jaar later nog altijd geldt. Er werd geen contract opgesteld, noch ondertekend, wel werden er degelijke financiële afspraken gemaakt. “Onze samenwerking“, aldus Ilia, “berust voor het volle pond op wederzijds respect. Willy koos mij omdat ik, vergeleken met die andere heren, nog jong was, heel enthousiast en er nog mijn schouders wilde onderzetten. En dat is na al die jaren zo gebleven.” Meteen na hun akkoord, gaat Ilia op zoek naar een geschikte platenmaatschappij en komt terecht bij Play That Beat, die onder anderen Mama’s Jasje en Get Ready hebben grootgemaakt, en die erg blij zijn met Willy in zee te mogen gaan. Er wordt opgenomen in Studio The Groove samen met technici Peter Bulkens en Mon ‘S Jegers, die voor een moderner geluid moeten zorgen. De productie komt dus in handen van John Terra terecht en als arrangeurs worden Pino Marchese en Wim Claes aangetrokken. Er wordt naarstig gewerkt aan het nieuwe album “Op reis naar jou”. Terra doet een beroep op muzikanten als Kevin Mulligan, Jo Cassiers, Eric Melaerts en Marc Cortens. Vocaal laat Willy zich in de achtergrond bijstaan door John Terra, Mieke Aerts, Harriette Willems en Dany Caen. Leveranciers van het nodige songmateriaal zijn John Terra, Daniel Ditmar, Susy Baels, Ellert Driessen en Piet Triest. En kijk, die samenwerking heeft effect. De single Met mijn ogen dicht doet het erg goed in de diverse hitlijsten, zowel bij de VRT als bij VTM. Ook Er is geen reden uit die cd doet het op single beregoed. In die periode heeft John Terra Willy van nabij leren kennen. “Een artiest moet charisma hebben, een uniek herkenbaar stemgeluid, een vriend zijn voor de fans, iemand waar iedereen graag mee werkt omdat hij nooit problemen maakt en zoekt, iemand die leeft voor zijn vak en dus geen enkele inspanning uit de weg gaat, in zichzelf gelooft, blijft doorzetten, ook als het tegenzit. “Een toffe gozer”, zou Johan Boskamp zeggen, met andere woorden, de juiste mentale ingesteldheid hebben om in dit moeilijke vak alle kansen te grijpen om te slagen. In mijn samenwerking met Willy ontdekte ik al die kwaliteiten in mindere of meerdere mate, maar wat ik vandaag constateer is dat hij de voorbije decennia een carrière heeft neergezet om u tegen te zeggen. Het is weinigen gegund en sommige “gegunden” hebben niet kunnen waarmaken wat hij heeft verwezenlijkt.”

In 1998 ontmoet Willy de liefde van zijn leven, Cindy De Meyer. Zij gaan samenwonen. Aan het jarenlange wekelijkse succes van “Tien om te Zien” komt er in augustus 1999 een einde. Willy presenteert dan de 554ste aflevering. Het programma keert het jaar nadien terug, maar dan uitsluitend tijdens de zomermaanden, acht afleveringen lang. Willy zal “Tien om te Zien” blijven presenteren tot en met 2004. Nadien wordt hij vrij bruusk bedankt voor bewezen diensten (hij vermoedt dat hij te oud was volgens de directie) en blijft Anne De Baetzelier tot in 2008 presenteren. In 2009 wordt het programma definitief afgevoerd. Dat platenverhaal met Play That Beat duurt niet lang. Voor het volgende album belandt Willy in 2000 bij platenfirma Label Vie, onder aanvoering van Bert Burm. Die koppelt hem aan producer Francis Goya oftewel Francis Weyer, bekend van zijn wereldhit Nostalgia. Veertien liedjes worden uitgebracht op het album “Alleen de liefde overwint”. Er wordt opnieuw gekozen voor vertalingen van bekende Franse chansons van onder anderen Patrick Bruel, Pascal Danel, Salvatore Adamo, Michel Sardou en Didier Barbelivien. Vertaler van dienst is Bart Herman. Ralph Benatar mag de arrangementen verzorgen. Kleine Karlien, vertaling van de hit Charly van Santabarbara, en Mooie vrouwen, geschreven door Francis Weyer, Ralph Benatar en Willy zelf, worden uit die cd als singles gekozen, maar in de hitlijsten zonder resultaat. Vlaanderen reageert behoorlijk bescheiden.

2002 wordt voor Willy een opmerkelijk jaar. Gertrude Vereecken, beter bekend in Vlaanderen als zangeres Truus, vertelt in een interview dat zij ooit een intieme relatie met Willy heeft gehad en dat zij daar dochter Annemie aan heeft overgehouden. Al die tijd heeft zij dit verzwegen, maar haar dochter heeft recht op een eerlijk bestaan en wil niet langer verdoken blijven. Dat jaar mogen Willy en Cindy eveneens de geboorte van hun dochter Luna vieren. Willy krijgt de eenentwintigste november een ereplaats toegewezen voor zijn nummer Zeven anjers, zeven rozen in “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam en deelt op het podium die eer met de componist en producer van dat nummer Roland Verlooven. In de context daarvan even vermelden dat Roland zelf de vijfde februari 2015 in het “Kursaal” van Oostende samen met Dani Klein en Roland Van Campenhout een award zal ontvangen voor “een leven vol muziek”. Op platengebied wil Willy in de nabije toekomst betere resultaten scoren. Geen wonder dat hij op zoek gaat naar een nieuwe platenfirma. Sommers komt op aanraden van Piet Roelen bij Universal terecht, waar intussen Helmut Lotti met zijn “Goes Classics” diverse malen platina heeft binnengerijfd. Roelen lanceert in 2003 de idee om het zangtalent van Willy te koppelen aan dat van Luc Steeno en Lisa del Bo, die op dat moment ook in de artiestenstal van Piet Roelen huizen. Dat wordt het album “De mooiste duetten en méér”, waarmee ze de zesde september 2003 op de drieëntwintigste plaats in de Ultratop Album 200 genoteerd staan. Er wordt nog maar eens voor covers geopteerd, waaronder Let it be me, Sing C’est la vie, L’Avventura, True love en Something stupid. Als er vertaald moet worden, neemt Peter Koelewijn die taak wel voor zijn rekening, alsook de productie. De bekende Hans Hollestelle gaat arrangeren. Een aardigheidje: de backing vocals bij Island in the stream zijn voor rekening van Helmut Lotti. “Het werd een behoorlijk succes op plaat, maar vooral in de zalen“, is wat Lisa del Bo zich nog perfect kan herinneren. Tot 2011 traden we echt wel héél vaak samen op. Dat was een onvergetelijk mooie tijd waarin we samen veel gelachen, gezongen en vooral genoten hebben van onze gezamenlijke optredens. Het repertoire werd nogal eens omgegooid, maar één liedje stond altijd op de setlist, namelijk Cinderella Rockefella van Esther en Abi Ofarim. Waarom? Omdat Luc mij bij de laatste noot van deze song steevast omverduwde en Willy mij dan moest opvangen. En elke keer dacht ik: “als dat toch eens mislukt, dan…” Ondertussen weet ik dat niemand mij ooit nog met zoveel kunde en liefde heeft kunnen opvangen. Willy is een schat. Onze vriendschap is sindsdien niet meer stuk te krijgen en is blijven bestaan. We hebben dan ook een stukje geschiedenis samen. Wanneer we Luc Steeno in verband met dit album polsen, moet hij glimlachen. Wij namen dat album in Nederland op, dat was gemakkelijker voor Peter Koelewijn. Om tijdens de opnamen, die toch enkele dagen in beslag namen, niet heen en weer te hoeven reizen, bleven we overnachten in een plaatselijk hotel. Dan konden we beter uitrusten en er de dag nadien weer lekker tegenaan gaan. Willy kon de slaap niet goed vatten en dus gaf ik hem een onschuldig slaappilletje. Maar blijkbaar is Willy een gevoelige jongen wat medicijnen betreft, want de dagen nadien bleef hij met een suffe kop rondlopen, maar was hij achteraf wel uitgerust en hebben we tijdens onze vele optredens die zich in de nasleep van dat album aandienden dikke pret beleefd.

Een mens zou er zeeziek van worden, maar in 2005 duikt Willy op bij platenfirma Magic, verdeeld door EMI. Luc Vander Schelden van Magic stelt Willy voor het album “Willy Sommers op verzoek, 34 jaar carrière – 34 grote hits!” uit te brengen. Voor de fans een leuke verzamelaar om de hits, keurig verdeeld over twee cd’s, in de kast te hebben. “Die compilatie heb ik ook zelf samengesteld“, vertelt Willy. “Ik ben bij Luc op zijn kantoor gaan zitten met m’n doos met al de singles die ik in die periode had opgenomen en aan de hand daarvan hebben Luc en ik een selectie gemaakt. Inspraak in wat ik doe is voor mij altijd erg belangrijk geweest, dus ook in dezen.”

In 2006 prijkt Willy op de affiche van het eerste Schlagerfestival door VTM in de “Ethias Arena” in Hasselt georganiseerd. Willy staat daar op het podium aan de zijde van Vader Abraham, Jimmy Frey en Eddy Wally. Ook tijdens de edities in 2009, 2010 en 2012 zal Willy van de partij zijn. “Dat festival is voor alle mensen een ontspanningsavond. Het is één groot meezingfeest, dus je hoort daar je grootste hits te zingen. De bedoeling is dat iedereen uit de bol gaat. Daar hoort sowieso altijd Als een leeuw in een kooi bij, Laat de zon in je hart en Zeven anjers, zeven rozen. Dat festival, dat intussen veel navolgers heeft in Vlaanderen, is en blijft de moeder van alle schlagerfestivals. Dat festival heeft echt meegeholpen aan de revival van dat genre.” De vierde mei wordt Willy voor de derde keer vader en wel van zijn zoon Luka. “Op muzikaal gebied heb ik echter meer affiniteit met m’n dochter Luna, want die is door muziek bezeten, veel meer dan Luka. Luna heeft al haar diploma muziekleer op zak en speelt voor haar leeftijd en opleiding intussen voortreffelijk blokfluit. Luka heeft van mij het sportieve geërfd. Hij speelt graag voetbal en verdienstelijk in derde provinciale bij de thuisploeg van Lennik, op wandelafstand van waar wij wonen zodat ik het nog wat onder controle kan houden.” Sommers wordt in 2006 ook uitgenodigd voor de editie van “Houden Van, Griffelrock” in het Antwerpse “Sportpaleis”. Datzelfde jaar viert Sommers zijn 35-jarige carrière in het “Kursaal” van Oostende met een groots en uniek concert.

Al die jaren, want over haar hebben we het nog niet gehad, stond zijn zus Viviane aan de zijde van broer Willy: “Zij heeft nooit muzikale plannen gehad. Zij is kinderverzorgster van opleiding, maar heeft heel haar leven in de verkoop gestaan: verkoopster in verschillende boetieks, gerante bij Benetton, gerante bij schoenen Torfs enz. Toen zij achtenvijftig werd, is zij vervroegd met pensioen gegaan. Haar man Rudolf is bassist in mijn orkest. Mijn zus heeft altijd een beetje in mijn schaduw gestaan, want iedereen had het uiteraard steeds over mij. Zij had daar geen enkele moeite mee. Wij hebben trouwens nog altijd een fantastische band. Ook voor de opvang van onze kinderen staat zij, indien nodig, altijd paraat.”

De tiende maart 2007 zal Sommers niet snel vergeten, want hij ontvangt op het stadhuis van Aarschot de “Golden Lifetime Achievement Award”. Luc Vander Schelden van platenfirma Magic gaat aankloppen bij Patrick Hamilton met de vraag of hij geen nieuw album voor Sommers wil produceren. Willy heeft ook een goede raadgever gevonden in de persoon van zijn manager Ilia Beyers. Het album “Ik denk aan jou” slaat deze keer iets meer de richting van de schlager in. Het wordt uitgebracht op Magic-label, verdeeld door EMI. De productie is in handen van Patrick Hamilton, uitvoerend producer is Luc Vander Schelden. Willy wordt begeleid door onder anderen Herman Cambré op drums, Vincent Pierins op bas, Eric Melaerts op gitaar en Serge Plume op trompet. Er wordt opgenomen in The Globe Recording Studios te Loppem. Bart Herman schrijft mee alsook Dennis Peirs, Pierre Kartner, zelfs Willy waagt zijn kansen in het nummer Ik blijf vanavond bij jou. Het album krijgt een nogal schlagergetinte touch mee. “Als bij toeval kozen we meer voor de schlager“, weet Willy nog goed. Ik nam er de tijd voor, het was niet echt urgent. Op een bepaald moment krijg ik een telefoontje van Raymond Felix, lange tijd de man achter een groep als Sha-Na, een man met een goede feeling voor wat de mensen graag horen. Iedere keer als ik hem tijdens “Tien om te Zien” zag, zei hij me dat hij wel iets voor mij in petto had, maar laat hem dat verhaal maar zelf vertellen.” Dus bellen we snel Raymond op. “In de maand februari van het jaar 2006 had ik een afspraak in ” De Kaasboerin” te Postel met Rik Wijnants, de patron, en Willy die daar net had opgetreden. Willy vraagt of ik geen liedje voor hem in mijn schuif heb liggen. Thuisgekomen begin ik op aanraden van mijn vrouw Myriam wat in mijn kast met cassetten en demo’s uit de jaren tachtig en negentig te rommelen en stoot op Laat de zon in je hart, dat ik in 1993 had geschreven, maar enkel de refreinen, de bridge en een lalalatekst. Ik belde meteen naar Jack Verburgt of ik in zijn studio in Bergen op Zoom mocht langskomen om een demo in te blikken. Ter plaatse werkten we het arrangement uit en werd de tekst afgerond. Iets later nodig ik Willy uit voor een etentje in restaurant “Brasseur” van Dirk Paternoster in Zwijndrecht en gaan we samen in de auto op de parking naar de primaire demo luisteren. Dirk hoorde er meteen een hit in, maar Willy twijfelde. Hij twijfelde of dit wel de geschikte schlager voor hem was, hij vond dit vrij plat, te zeer een schlager op zijn Hollands. Vooral de toenmalige producer van Willy, Patrick Hamilton, was na het horen van die demo in de wolken, alsook de manager van Willy, Ilia Beyers, was voor het nummer te vinden, en de rest is Sommersgeschiedenis. Radiomaker en fervent liefhebber van de Vlaamse muziek Michel Follet wil aan dat verhaal nog dit toevoegen. “Willy had halfweg de jaren 2000 zijn vertrouwde platenhuis Philips (Universal) omgeruild voor Magic, de platenfirma waar ik op dat moment veel compilatie-cd’s maakte en enkele artiesten begeleidde. Ik was heel blij met de komst van Willy, omdat het verleden me had geleerd dat Willy niet alleen een fijne mens was, maar ook dat hij altijd voor honderd procent voor zijn zaak ging als hij erin geloofde. Hij had de laatste jaren iets te weinig vrolijke liedjes opgenomen en Luc Vander Schelden, mijn platenbaas, en ikzelf vonden dat Willy een soort opgewektheid in zijn stemtimbre had, die tot dan te weinig werd benut. We planden de release van Laat de zon in je hart net voor de zomer van 2006 en waren allemaal heel bij met het resultaat. Eerlijk is eerlijk: we waren zelfs wat teleurgesteld toen de single bleef haperen op nummer twee in de Vlaamse Top Tien en net aan de rand van de Top Tien van de Ultratop 40 rechtsomkeer maakte. Laat de zon in je hart werd het nieuwe lijflied van Willy, er kwam een Nederlandse cover van (wat zelden met een Vlaams nummer gebeurt) en Willy kon sindsdien het podium niet af vooraleer hij het minstens één keer gezongen had. Dat is tot op vandaag nog zo. En ik merk: jong en oud kent dit liedje en wordt er goedgezind van. Iets wat niet zo evident is, want vooraleer een jonge generatie nu een op-en-top Vlaamse meezinger tussen de oren heeft, moet er een klein wonder gebeuren. Willy weet dan ook als geen ander hoe hij liedjes van anderen naar zijn hand moet zetten en geloofwaardig kan brengen, zowel op plaat als in de zalen. En dat waardeert zijn publiek. Laat de zon in je hart wordt als voorloper van zijn nieuwe album “Ik denk aan jou” gereleaset en bezorgt Willy de tweeëntwintigste juni 2006 dus een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien.

Almaar op zoek naar nieuwe inspiratiebronnen en vooral een dynamische ploeg komt Willy op het einde van 2009 bij platenfirma ARS terecht, bekend voor de strijd die ze levert om de Vlaamse muziek die plaats te geven die zij verdient. Willy voelt zich hier dadelijk thuis. Gepland staat het album “Vogelvrij”. Er wordt opgenomen in de Sterman & Cook Studio in Eeklo onder aanvoering van producer Phil Sterman, die ook voor de arrangementen zorgt, en een rist nieuwe liedjes, geschreven door Patrick Renier, David Vervoort, Phil Sterman en Willy Sommers, en er wordt ook gecoverd. Les lacs du Connemara van Michel Sardou wordt de titelsong Vogelvrij, waarmee Willy de twintigste maart 2012 op de eerste plaats staat in de Vlaamse Top Tien, en in diezelfde stijl is er iets later Een wonder van een vrouw, origineel op plaat gezet door Linda de Suza als Une fille de tous les pays. Sommers en zijn team zijn in de wolken, want hij heeft de formule gevonden: een goede melodie, een ietwat betere tekst dan de Vlaamse doorsnee én een stevige productie. In het bijbehorende boekje schrijft Willy: “Ik heb het zo vaak gezegd: ik heb werkelijk de job van mijn leven. Mijn leven is muziek en muziek is mijn leven. En dat gevoel, dat intens geluk wil ik met jullie delen. Daarom ben ik trots en fier dat ik na zovele jaren nog altijd kan rekenen op mensen die in mij geloven en dat maakt me zo gelukkig. Deze woorden komen uit het diepste van mijn hart.” De muzikale toverformule rendeert en wordt vertaald in een drukke concertagenda.

Omdat verzamelaars het altijd goed blijven doen, brengt Sommers in 2011 de box “40 jaar hits” uit, een dubbelalbum met daarop zijn bekendste songs. Op tekst van Jo De Clercq is er in 2012 de single Dromen van verre stranden, een bewerking van Una paloma blanca van The George Baker Selection, in de Radio 2 Vlaamse Top Tien goed voor een eerste plaats, en iets later van de hand van David Vervoort Ik moet aan je denken. Het schlagergehalte wordt sterk opgetrokken, de meezingers en de polonaises zijn nooit ver uit de buurt. Een echte knaller wordt in 2013 Achter de wolken schijnt altijd de zon, geschreven door Phil Sterman. Met trots ziet Willy dat nummer naar de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien stijgen. Die single siert ook de nieuwe cd “Pluk de dag” met daarop als aardigheidje het liedje Geef me de vijf, dat Bart Herman speciaal geschreven heeft als een duet voor Willy en zijn dochter Luna. “Wat een mooi moment voor deze papa!” reageert Willy achteraf. Als zomersingle lanceert hij het liedje Que sera sera van de hand van Patrick Renier, ooit gangmaker van de carrière en de hits van Belle Perez. De single houdt in de Radio 2 Vlaamse Top Tien in de maand juli van 2013 halt op de zesde plaats. Bijbehorend bij dit gloednieuwe album schrijft Willy het volgende: “We hebben lang gezocht naar goede songs en zijn uiteindelijk tot een consensus gekomen. Streng in de keuze van de nummers, omdat we jullie het allerbeste willen presenteren, en nu vooral ook zeer gelukkig met wat we bereikt hebben.” Willy voelt zich binnen dit team duidelijk in zijn sas.

In 2014 beslissen Willy en zijn manager Ilia Beyers dat het misschien leuk zou zijn, als zijn agenda het tenminste toelaat, in de toekomst samen te gaan optreden met De Romeo’s, op dat moment zowat de populairste groep in Vlaanderen. De tweeëntwintigste februari 2014 staan zij samen op één in de Radio 2 Vlaamse Top Vijftig met Jij bent zo mooi, geschreven door Willy en De Romeo’s samen met Paul Vermeulen. De zevende mei, Willy is op dat moment met zijn fans op reis in Djerba, Tunesië, verneemt hij dat zijn vader Frans op 85-jarige leeftijd is overleden. Papa leed aan een zware vorm van dementie en werd al die tijd thuis door zijn vrouw Margriet met de beste zorgen omringd. De veertiende mei heeft ‘s ochtends in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Vlezenbeek, waar zijn ouders woonden, de plechtige uitvaart plaats. De zesentwintigste mei 2014 brengt Willy op het ARS-label de solosingle Stapelgek uit, geschreven door Bart Herman en Kobus Visagie, en mikt met deze meezinger op het nakende zomerseizoen. Uptempo en veel ritme moeten aan het nummer een zonnige touch geven. In Djerba gaat Willy een aangepaste videoclip inblikken. Zowel in Blankenberge als in Nieuwpoort presenteert Willy al parodiërend op maandag de elfde en woensdag de twintigste augustus 2014 naar aanleiding van 25 jaar VTM “Tien om Tegen de Sterren op te Zien”, waar hij schittert samen met een goed op dreef zijnde Nathalie Meskens.

Sommers vindt dat het stilaan tijd wordt dat hij een andere draai aan zijn repertoire geeft en gaat zich de komende maanden wat bezinnen. Hij pakt de zeventiende maart 2015 uit met de single Liefste, een vertaling door Willy van de Amerikaanse hit uit 1972 I’d love you to want me van Lobo. Het is de rode loper naar zijn nieuwste album waar hij druk mee bezig is en waarop hij een rist liedjes laat horen waar hij in de jaren zeventig tuk op was. Aan de fans vraagt Willy voor deze gelegenheid of zij in hun plakboeken op zoek willen gaan naar foto’s samen met hem uit de seventies. Hij maakt daaruit een keuze en zij krijgen een speciale plaats in het artwork van zijn nieuwste cd én maken kans op een etentje in jarenzeventigstijl samen met hun idool. Als opvolger voor de stevige radiohit Liefste kiest Willy als zomersingle voor een Nederlandse bewerking van Arms of Mary van Sutherland Brothers & Quiver, een wereldhit in 1974. Tekstschrijver Cliff Vrancken laat hem in Sandy mijmeren over een jeugdliefde in het zomerse Oostende van weleer. De zevenentwintigste juni staat Willy op veertien in de Vlaamse Top Vijftig. Willy zingt Sandy tijdens de allereerste aflevering van “Van Gils & Gasten” op Eén, op maandag de eenendertigste augustus.

Woensdag de vierentwintigste juni 2015 wordt in het gezelschap van Will Tura tijdens een persconferentie in Blankenberge de cd “Vlaanderen zingt Tura” voorgesteld. Willy zingt daar live zijn versie van Arrivederci Maria, dat op dit album staat. Eén viert dat jaar de Vlaamse feestdag met een live muziekshow vanuit Antwerpen! Op zaterdag de elfde juli vat Geena Lisa post op de Grote Markt in Antwerpen voor een feestelijke show in samenwerking met vzw Vlaanderen Feest! Die wordt rechtstreeks uitgezonden op Eén met een heleboel artiesten die uitsluitend Nederlandstalige liedjes brengen. Een extra feestelijke toets komt er van onder anderen Willy Sommers, Bart Kaëll, De Romeo’s en Garry Hagger. Zij zingen samen het officiële Vlaanderen Feest!-lied 2015 Omdat ik Vlaming ben. De single is als download verkrijgbaar op iTunes vanaf maandag de negenentwintigste juni 2015.

Vanaf het najaar 2014 toert Willy Sommers langs diverse culturele centra met zijn tournee “Het erfgoed van Willy Sommers 1971-1981″. Met een kwartet topmuzikanten keert hij live terug naar de tijd toen het allemaal begon en brengt hij zijn eigen klassiekers. De tournee doet Willy met nostalgie en heimwee terugdenken aan de jaren zeventig en de start van zijn carrière. Het inspireert hem tot het studioalbum “Gisteren wordt vandaag”, dat donderdag de zeventiende september 2015 aan de pers wordt voorgesteld. Op het album staan onder meer California, een vertaling van It never rains in Southern California van Albert Hammond, Liefdesverdriet doet zo’n pijn, Beter laat dan nooit oftewel Working my way back to you van The Spinners, die het op hun beurt pikten van The Four Seasons, en Zo’n vrouw, dat Dr Hook de hitlijsten inzong als When you’re in love with a beautiful woman. In zijn persmap laat Willy ons weten: “In 1971 is mijn grote avontuur begonnen. Met dit album keer ik een beetje terug naar de jaren zeventig. “Gisteren wordt vandaag” is een album vol liedjes die voor mij toch een speciale betekenis hebben. Ik heb mogen kiezen uit een eindeloos aanbod toffe songs, die geïnspireerd zijn door de jaren zeventig, en heb er twaalf topnummers uit gekozen! Wat een zalig gevoel heb ik hierbij! Ik ben vandaag nog oneindig dankbaar voor de kansen die mij na al die jaren nog worden gegeven. De platenfirma, het management, mijn familie, mijn muzikanten, mijn techniekers, mijn vrienden en iedereen die mijn carrière op een of andere manier heeft ondersteund: heel erg bedankt voor alle inspanningen en het onvoorwaardelijke geloof in mij! En natuurlijk niet te vergeten, mijn trouwe publiek. Al die jaren staan jullie als één blok achter mij. Muziek heeft een heel belangrijke plaats in mijn leven en ik ben dankbaar om een van de mooiste beroepen ter wereld te mogen uitoefenen. Elke dag opnieuw smijt ik mij volledig om het beste in mezelf boven te halen. Met liedjes mensen gelukkig maken en een glimlach op hun gezicht toveren, dat is toch geweldig? Alleen daarom al doe ik dit vak zo graag!” Als nieuwe single uit dit album lanceert Willy de achttiende september M’n hele wereld betoverd, een hit om bij weg te dromen, zoals destijds werd gedaan bij het origineel van Exile Kiss you all over, een groep uit Kentucky, die daarmee de dertigste september 1978 op één stond in Billboard’s Hot One Hundred en dat vier weken na mekaar.

Om de muzikale smaak van Willy te kennen, vraagt Radio 2 of zij niet eens in zijn platenkast mogen duiken op zoek naar zijn favoriete nummers en het blijkt dat Willy’s smaak behoorlijk breed klinkt. We pikken er een paar uit. Bij de familie De Gieter was, zoals u eerder al kon lezen, het Eurovisiesongfestival een must. Willy herinnert zich nog goed Non ho l’età van Gigliola Cinquetti, waarmee zij in 1964 voor Italië de negende editie won, die toen plaatsvond in Kopenhagen. Thuis stond altijd muziek op en Willy weet nog heel goed dat de favoriete zangeres van zijn vader Dalida was en papa kon maar nooit genoeg krijgen van een van haar grootste hits Gigi l’amoroso. Zijn moeder daarentegen was in haar jonge jaren een grote fan van Ray Franky. Zo vaak ze maar kon, ging ze van zijn optredens genieten. Voor Willy waren The Beatles in het begin van de jaren zestig een ware ontdekking. Hij heeft thuis dan ook een hele verzameling Beatlesplaten. Hij kent trouwens een hele rist van hun teksten uit het hoofd. Willy speelde als tiener graag gitaar en een van de eerste liedjes die hij kon tokkelen was The House of the Rising Sun van The Animals, in de jaren zestig en ook nu nog een klassieker van formaat. Hij speelde dat nummer voor het eerst op de gitaar van zijn grootvader. Tijdens zijn middelbare studies stond Willy op het podium met zijn coverband, hij was toen zestien. Een van de eerste nummers die hij met zijn band zong, was Baby come back van The Equals, een Europese hit in 1968. In die tijd luisterde Willy ook graag naar Franse liedjes, onder meer naar de hitjes van Sylvie Vartan, ooit getrouwd met de Franse rocker Johnny Hallyday. Willy trok zelfs naar een van haar optredens in Vorst Nationaal! Willy is niet alleen fan van The Beatles, maar ook, en dat is vreemd voor een Beatlesfan, van The Rolling Stones. Toen hij nog deel uitmaakte van de coverband The Yeats wist hij hun repertoire perfect te coveren. Het nummer Satisfaction zingt hij trouwens nog altijd, zeker tot ieders verbazing als hij een verrassingsoptreden geeft. Het meest legendarische concert dat hij ooit zag, is en blijft het soloconcert van Elton John in “Flanders Expo”. Elton John componeert, arrangeert, en is daardoor alleen al voor Willy een supertalent! Sommers heeft ook altijd een cd van Elton John in de wagen. Als hij dan van een concert naar huis terugrijdt, mag den Elton vollen bak. De vrouw in het leven van Willy is en blijft Cindy. Zij groeide op in Laken en zag hem voor het eerst op televisie op haar twaalfde, ze werd meteen fan. Uiteraard kiest Cindy voor de liedjes van Willy, maar als ze op een feestje zijn en Robbie Williams zingt Feel, dan zie je ze meteen samen op de dansvloer. Cindy en haar mama luisterden altijd naar Claude François. Willy had een bijzonder goeie band met zijn schoonmoeder en denkt met veel warmte aan haar terug als hij het nummer Comme d’habitude hoort of uit zijn platencollectie haalt. Radio 2 heeft trouwens in de maand mei van 2011 een leuk cadeau voor Willy in petto. Zij wisten maar al te goed dat Willy sportief is aangelegd en dat hij al zo’n jaar of vijfentwintig een fervent tennisser is en zo’n zestal uren per week tennist. David Van Ooteghem van Radio 2 zorgde ervoor dat Willy mocht spelen tegen niemand minder dan een van onze beste speelsters Yanina Wickmayer, die op dat moment deelnam aan het WTA-toernooi Brussel Open. Yanina had dat een paar weken voordien beloofd in Davids programma “Muziekcafé”. Zij maakt die dag met graagte wat tijd vrij om Willy dit buitenkansje te gunnen en leert hem wat tennisknepen van het vak. Daarna speelden ze drie spelletjes, die Yanina zoals verwacht won. Na afloop van hun tennisles kreeg Willy nog een racket cadeau. Trouwens, in de maand april 2015 speelde Willy een potje tennis tegen Chef Raoul de Koning van restaurant “Ostend Queen”. Na de wedstrijd was er een spaghettiavond voor zo’n tweehonderdvijftig sympathisanten ten voordele van de wielerploeg van Agua del Mar voor de “1000 kilometer van KOTK”.

Sport ligt Willy erg na aan het hart. Zo is hij goed bevriend met wielrenner Tom Boonen en met Anderlechtspeler Olivier Deschacht. Willy uit zich ook als fan van Beerschot Wilrijk. Het oeuvre van de charmezanger is goed bekend op het Kiel. Zijn grote hit Laat de zon in je hart wordt er al jaren luidkeels gezongen, ook als er verloren wordt

Sinds de zevende oktober 2015 heeft Willy Sommers een ster op de Walk of Fame in Plopsaland De Panne. Er was heel wat belangstelling voor de onthulling van de ster. Niet verwonderlijk, want waar Sommers gaat of staat, volgen zijn fans hem zo veel mogelijk. Willy is blij dat hij tussen namen als Will Tura, Wendy Van Wanten, Josje Huisman, Karen Damen en Jan Smit ligt. De Walk of Fame kan je vlak bij het “Plopsa Theater” vinden in Plopsaland De Panne. “Ik ben zeer trots“, reageerde Sommers. “Deze ster is een bekroning op mijn werk en langdurige carrière, want volgend jaar sta ik vijfenveertig jaar op de planken.” Voor Wim Wauters, parkmanager van Plopsaland De Panne, was het de tiende steronthulling die hij feestelijk mocht inleiden. “Het is telkens opnieuw een eer om dit te mogen doen. Met zijn uitgebreide repertoire is Willy Sommers niet meer weg te denken uit de Vlaamse muziekgeschiedenis. Vele van zijn hits zijn intussen klassiekers geworden. Hij mocht hier dus zeker niet ontbreken.” Aansluitend trad Willy Sommers op in het “Plopsa Theater” tijdens de sterrenparade van de “Ment TV Vlaamse Top 10″. Ook De Romeo’s, Niels Destadsbader, John Terra, Lisa del Bo en Maartje Van Neygen waren van de partij.

De twaalfde december 2015 is er, als een soort eindejaarscadeau voor de fans, de nieuwe single Een mooie toekomst, een vertaling door Pierre Cour en Cliff Vrancken van de Roger Whittakerklassieker New world in the morning. Vrijdag de zesentwintigste februari 2016 lanceert Willy zijn nieuwe single Liefdesverdriet doet zo’n pijn, een nummer uit zijn succesvolle album “Gisteren wordt vandaag”, een cover van Love really hurts without you van Billy Ocean. Willy staat intussen vijfenveertig jaar op de planken en viert dat de twaalfde en dertiende augustus 2016 in het “Casino” van Blankenberge met een spectaculair concert. Wegens het overdonderende succes verlengt hij ook zijn theatertournee “Het erfgoed van Willy Sommers: 1971-1981″. Aan ophouden denkt Willy nog lang niet, integendeel. Zijn vrouw zorgt ervoor dat hij topfit blijft om op te treden. “Mijn manager en mijn fans vragen mij soms bezorgd of het niet te veel wordt. Af en toe ben ik aan het einde van de week moe, maar ik treed gewoon heel graag op, dus blijf ik nog wel een tijdje doorgaan. Ik kan moeilijk neen zeggen. Zolang er interesse is van het publiek en de platenfirma, blijf ik muziek maken en optreden. Ik heb geluk dat mijn vrouw voor het huishouden zorgt en me laat rusten. Zonder haar steun zou dat niet lukken. En voor de rest verzorg ik me goed. Ik sport zoveel als ik kan en verzorg mijn uiterlijk. Ik gebruik een nacht- en een dagcrème. Mijn moeder heeft, ondanks haar hoge leeftijd, nog geen rimpels. Mijn vader zaliger had er ook geen en mijn oudere zus ziet er amper vijftig uit. Het zit dus blijkbaar in de genen.

Willy is in de Vlaamse muziekwereld een graag geziene gast. Een rondvraag bij zijn collega’s leert ons over hem het volgende. Willy Sommers is de makkelijkste artiest om teksten voor te schrijven. Als je vraagt waarover het liedje moet gaan, antwoordt hij steevast: zon, zee en strand! Zelfs al zou ik voor hem een song schrijven over zijn auto die perte totale is, dan nog zingt hij het, mede door zijn mimiek en performance, alsof het over zon, zee en strand ging. Immer vrolijk, die Willy. Topkerel“, aldus vriend en songleverancier Bart Herman. Iemand met wie Willy vaak het podium heeft gedeeld, is Liliane Saint-Pierre: “Zijn artiestennaam Sommers doet hem alle eer aan, want als ik één iemand zou aanduiden in de categorie sympathiekste kerel, staat Willy bij mij op de eerste plaats. Hij heeft een warme, innemende persoonlijkheid, waar de jaren nauwelijks vat op hebben. Zowel persoonlijk als muzikaal tot in de puntjes voorbereid en steeds met een eeuwige glimlach. Elke ontmoeting met hem is dan ook een blije ontmoeting, die ik altijd zal blijven koesteren. Margriet Hermans is al jaren vol lof over Willy: “Heel in het begin van mijn carrière in 1986 heb ik Willy voor de eerste keer ontmoet in Antwerpen. Die dag opende hij een splinternieuwe koffieshop in de Vlaaikensgang in Antwerpen. Marc Dex had me aangespoord om mee te gaan en ik had er helemaal geen spijt van. Ik kende Willy niet persoonlijk, maar ik maakte diezelfde dag kennis met een heel sympathieke en warmhartige jongeman. Ik weet niet of de koffieshop voor Willy een weloverwogen keuze was, maar ik weet wel dat het niet lang heeft geduurd, want door de komst van VTM en zijn megahit Het water is veel te diep kreeg de carrière van Willy opnieuw een serieuze boost en is nooit meer gestopt. Nog steeds is het altijd een plezier om Willy en zijn vrouw te ontmoeten bij optredens of andere gelegenheden. Deze Vlaamse zanger heeft humor, talent en is superprofessioneel. Wat een geweldige collega!” Ook collega Marc Dex draagt Willy een zeer warm hart toe: “Het is niet iedereen gegeven: vijfenveertig jaar op de planken is het bewijs dat Willy de juiste weg heeft gekozen. Heel hard werken met professionele inzet voor zijn publiek. Dicht bij de mensen blijven staan en hen graag zien, is ook iets wat Willy kenmerkt en hem zeer sympathiek maakt. Een hele toffe collega met steeds een vriendelijke goeiendag, zeer attent en eerlijk . Het geeft een fijn gevoel hem telkens te ontmoeten.” Een goede vriend van Willy is Marc Hallez, programmadirecteur van Ment TV: “Onze vriendschap heeft twee aanknopingspunten. Uiteraard is er de muziek. Willy is een van de graag geziene artiesten tijdens de opnames van “De Vlaamse Top Tien” en vele interviews. Het is altijd een hartelijk weerzien. Willy is en blijft op-en-top professioneel en combineert dit met een royaal overgoten saus warme menselijkheid. De mens op het podium, de uitstraling, de tijd voor de fans, aanvoelen wat werkt in een zaal en uiteraard zijn muziek in het algemeen. Het is een totaalplaatje dat klopt zonder dat het door marketeers in kaart is gezet. Het vertrekt gewoon vanuit Willy zelf. Het tweede aanknopingspunt is het eiland Kreta. Wij zijn beiden verliefd op dezelfde plek. Elounda, een oud vissersdorp even weg van Agios Nikolaos, met uitzicht op Spinalonga, een eiland waar melaatsen naartoe werden gebracht, vaak om de laatste weken of jaren van hun leven te slijten, ver weg van anderen, familie, vrienden. Op een van de flanken die uitziet op de baai en op het melaatseneiland, ligt “Elounda Residence”, uitgebaat door Yiannis Kardoulakis. Halverwege staat een Grieks-orthodox kerkje, eigenlijk meer een kapelletje. Die plek heeft iets. Willy liet er zijn dochter Luna dopen onder goedkeurend toezicht van haar Griekse peter Yiannis.” Koen Crucke, die intussen zelf vijftig jaar op de planken staat, voelt zich alleen al door die lengte van jaren met Willy verbonden: “Wat ik nooit zal vergeten zijn de talloze optredens tijdens de “Tien om te Zien”-periode van VTM. Er waren niet alleen de tv-shows waar wij elkaar tegenkwamen. Er was ook het Vlaamse land waar in alle steden, dorpen, gehuchten en vaak weiden of zelfs het erf van een boerderij een vedetteparade op het getouw werd gezet om de sliert Vlaamse zangers en zangeressen te laten passeren met hun hit van het moment. Ik heb maar kort in dit (overigens plezierige en vaak hilarische) circus meegedraaid, maar er is één beeld dat mij tot op vandaag bijgebleven is: Willy Sommers en zijn fans. De man heeft waarschijnlijk een engelengeduld als het over zijn publiek gaat. Een vriendelijk woord voor elke puber die zijn loge bestormde, een handtekening voor elke dame die hem stiekem een knipoogje kwam geven, een vriendelijk woord voor al wie een babbeltje met hem wou maken. Bij dergelijke gelegenheden was zo goed als iedereen al minuten onderweg naar de volgende afspraak, Willy niet. Hij bleef tot de laatste fan verdwenen was met een fotokaart waarop een persoonlijke boodschap neergepend was. Of met een souvenir, een glimlach of een tevreden gevoel. Ik heb er tot op vandaag nog altijd een heel grote bewondering voor.” Natuurlijk mogen Nicole & Hugo ook niet in dit rijtje ontbreken: “Zo’n carrière voor een Vlaamse zanger is niet voor iedereen weggelegd. We zijn in dezelfde periode begonnen, en kijk, na vijfenveertig jaar staat hij nog steeds aan de top. Er zullen er niet meer zoveel zijn die het hem nadoen. We hebben Willy altijd een heel sympathieke man gevonden die klaarstond en nog steeds -staat voor zijn fans. We wensen hem nog heel vele mooie succesvolle jaren toe.” Bart Kaëll en Sommers delen een gouden raad met elkaar: “Het feit dat Willy ook vandaag nog altijd dat jeugdig enthousiasme uitstraalt, heeft misschien iets te maken met een gouden tip die ik hem ooit gaf. Toen Willy mij toevertrouwde dat hij in een dipje zat, vertelde ik hem hoe ik mijn dag begon. Elke ochtend doe ik namelijk een halve citroen in een warm glas water en ik kan de hele wereld aan. En kijk, dat bewijst Willy vandaag nog elke dag. Hij bruist van de levenslust. Een fijne collega overigens die leeft voor zijn vak! Onze Vlaamse nachtegaal Dana Winner kruipt voor Willy zelfs in haar haast poëtische pen. “Toen ze me vertelden dat hij al vijfenveertig jaar op de planken staat, ben ik meteen het op internet gaan checken of dat wel klopt. Want wat ziet hij er nog geweldig goed uit. Naast een mooie zangcarrière heeft hij blijkbaar ook het geheim om jong te blijven. Maar hij is dus al vijfenveertig jaar bezig in de muziekindustrie, een branche die voor de prachtigste momenten kan zorgen, maar die soms ook heel hard kan zijn. Chapeau! Omdat hij het al zo lang volhoudt en dat hij altijd is blijven doorgaan. Dat alleen al verdient respect en bewondering van iedereen. Dat hij ons bovendien een aantal klassiekers geschonken heeft zoals Zeven anjers, zeven rozen, Sympathie is geen liefde, Het water is veel te diep, Laat de zon in je hart en dan vergeet ik er nog een heel aantal, maakt zijn verhaal nog indrukwekkender. Als mijn geheugen me niet in de steek laat, heb ik hem vele jaren geleden in de show van Paul de Leeuw op de Nederlandse tv “Als een leeuw in een kooi” zien zingen. Wat was ik toen trots op hem, want een artiest van bij ons die in die tijd bij de grote Paul de Leeuw in Holland mocht langskomen, zag je niet vaak. Als presentator van “Tien om te Zien” bewaar ik ook de beste herinneringen aan Willy.

Heeft Willy nog wensen na zoveel jaren van succes? “Ik ben fier over al de liedjes die ik tot nu toe heb opgenomen. Er werd mij nooit iets opgedrongen door Roland of door de platenfirma. Ik heb altijd mijn eigen keuzes mogen maken en in samenspraak met mijn team werden de platen uitgebracht. Ik zing nog altijd met veel plezier Zeven anjers, zeven rozen. In de toekomst denk ik toch weer eigen materiaal uit te brengen en geen covers. Het is natuurlijk niet evident om goede songs te vinden. Er wordt mij vaak van alles en nog wat aangeboden, maar daar is jammer genoeg weinig bruikbaar materiaal bij. Wel zou ik eens een duet willen zingen met Nathalie Meskens. Ik vind dat een geweldige madam! Zij kan zingen, acteren, zij heeft humor én … zij is nog mooi ook!” Misschien staan zij volgend jaar al samen op het podium, want vrijdag de vierentwintigste, zaterdag de vijfentwintigste en zondag de zesentwintigste april 2017 zal Willy Sommers weerom schitteren tijdens het Schlagerfestival in de “Ethias Arena” van Hasselt en dat aan de zijde van onder meer Sasha & Davy, The Lynn Sisters en Jo Vally.

De 22ste mei 2016 stelt Willy, met het oog op de nakende zomer, zijn nieuwste single Jij bent een engel voor. In een productie van Edwin Van Hoevelaak schreef Willy zelf de Nederlandstalige tekst bij Du bist ein Engel dat twee jaar eerder in Duitsland door Roland Kaiser op plaat werd gezet. Willy’s versie wordt meteen door Radio 2 opgepikt.

Vrijdag de 19de augustus 2016 bereikt Willy het heuglijke nieuws dat hij voor de eerste maal in zijn carrière bovenaan de Ultratop album 200 staat.Het erfgoed van Willy Sommers” komt die  dag op één binnen in zowel de Vlaamse als de Belgische Ultratop Album Charts. Een unicum voor een van Vlaanderens populairste artiesten, die net dit jaar exact 45 jaar op de planken staat. Willy is meteen ook de eerste Vlaamse artiest waarmee Universal Music Belgium en Top Act Music het concept van een soundbook in de markt zetten, een rijk geïllustreerd boek dat tevens twee cd’s bevat.  Het eerste schijfje bevat tal van klassiekers van Willy uit de jaren 1971-1981 (de erfgoedperiode) en op cd twee staan zijn grootste hits uit de periode daarna tot op heden verzameld. “Ik ben ontzettend blij en fier” laat Willy in een eerste reactie weten. “Na 45 jaar in het vak is mijn ambitie nog even groot als in mijn begindagen en dit fantastische resultaat stimuleert mij alleen maar om nog jaren met dezelfde ‘drive’ door te gaan.” Auteur van het soundbook is voormalig Radio 2-producer Marc Brillouet. De 11de februari 2017 lanceert Willy zijn nieuwste single Geen probleem. Een cover van Kein Problem van Roland Kaiser, geschreven door Matthew Tasa en Udo Brinkmann en vertaald door Bart Herman.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

K3

Aan alles komt een einde. Ook aan sprookjes, al vertel je die zelf. De media stonden er de achttiende maart 2015  bol en vol van: “na jaren van speculatie houdt K3 ermee op! “. “Het Laatste Nieuws” trok hiermee als eerste de berichtgeving omtrent het stoppen van K3 op gang. “K3 stopt” blokletterden zij. In allerijl werd de pers in het hoofdkwartier van “Studio 100″ in Schelle uitgenodigd om het nieuws juist te kaderen. Al huppelend kwamen de dames de zaal binnen, maar dat eindigde aan het einde van de bekendmaking in tranen. Voorzichtig werd aan de man gebracht dat K3 niet stopt, maar de fakkel zal doorgeven, dat ze niet te oud of te rebels zijn en dat het niets met wantoestanden en ruzies binnen het trio te maken heeft. “Wij willen gewoon op ons hoogtepunt stoppen. Na lange en intense gesprekken, hebben we dat samen met de directie beslist.” In de wandelgangen deed nochtans het gerucht de ronde als zou de Nederlandse Josje het beu zijn om uitsluitend voor kinderen te zingen en weigerde naar verluidt om een langdurig engagement aan te gaan. “Het doet me veel pijn dat te horen. Ik ben het bewijs dat dromen kunnen uitkomen. Daarom doen we een oproep aan alle meisjes die in onze voetsporen willen treden“, reageerde de blonde prompt, waarmee de link naar het volgende hoofdstuk meteen gelegd was. Uit de persmap onthouden we: “Net als bij de vorige vacature, gaat Studio 100 via een televisieshow op zoek naar opvolging. “K3 zoekt K3″ zal vanaf het najaar op de commerciële zenders VTM en het Nederlandse SBS6 te zien zijn. Het wordt wellicht een zoektocht naar opnieuw een blonde, een bruine en een rosse. Maar het belangrijkste is dat de meisjes een klik hebben waaruit magie ontstaat!” Karen vertelt dit met tranen in de ogen, terwijl Kristel dit, begeleid door haar zakdoek, beaamt en Josje koeltjes van op afstand toekijkt.

Twee maanden later lezen we op de website van VTM: “Karen, Kristel en Josje zullen zich in hun zoektocht naar hun drie opvolgsters laten bijstaan door een publieksjury. Daarin zullen kinderen, moeders, vaders en grootouders zetelen. Iedereen die dus mee wil beslissen welke meisjes de nieuwe K3 zullen vormen, kan zich kandidaat stellen“. Gert Verhulst haast zich om daar onmiddellijk aan toe te voegen: “In de eerste plaats is de leeftijd niet onbelangrijk. De vervangsters moeten jonger zijn dan Karen, Kristel en Josje. Ook het uiterlijk zal doorslaggevend zijn bij de selectie. We eisen geen perfecte looks, maar de meisjes moeten iets hebben. De haarkleur van de meisjes moet wel hetzelfde als bij de huidige bezetting blijven. De combinatie van blond, bruin en rood haar is een must. In geval van een andere haarkleur zullen de uiteindelijke K3′tjes dus vaak naar de kapper moeten gaan”. Tot de eenendertigste mei konden eventuele kandidaten zich inschrijven via de website van VTM.

Maar liefst 6081 vrouwen wilden lid van de nieuwe K3 worden. Dat bevestigt Studio 100 met graagte aan VTM NIEUWS: “De inschrijvingen voor “K3 zoekt K3″ liepen de dertigste april om middernacht af. Met méér dan zesduizend inschrijvingen kan er gesproken worden van een groot succes. De minimumleeftijd is achttien jaar, al was het niet meteen duidelijk of er valsspelers tussen zitten die eigenlijk jonger zijn. Een maximumleeftijd was er niet en dat was ook te zien, want de  oudste kandidate is vijfenzestig jaar. Uit de 6081 inschrijvingen zal nu eerst een grote selectie gemaakt worden. De uitgekozen kandidaten krijgen dan een eerste auditie“.

De vierde september 2015 gaat de eerste aflevering van “K3 zoekt K3″ op antenne en lezen we in de Vlaamse pers: “Eerst was het aan een honderdkoppige publieksjury van kinderen, mama’s, papa’s en grootouders om een eerste selectie te maken. Wie hun hartjes wisten te veroveren, mochten hun auditie voortzetten voor de ogen van de vakjuryleden Karen, Kristel, Josje en Gert Verhulst. Presentatoren Niels Destadsbader en Gerard Joling zorgden, waar wenselijk, voor de nodige opkikkerende en troostende woorden. Kristel en Studio 100-baas Gert hadden op voorhand al aangekondigd de strengen te zijn. Met een lach, dankzij de geflopte audities, een traan door de emoties die af en toe opliepen en hier en daar een kwinkslag van Gert, werd het een show die jong en oud kon bekoren.” VTM was intussen een kijkcijferkanon rijker! Drie dagen voor de start van deze succesolle tv-show schrijft “Het Laatste Nieuws”: “Zeventien jaar reisde de trein van K3 vrolijk toeterend door Vlaanderen en Nederland. Miljoenen platen en nog meer tickets voor shows, films en musicals verkochten ze: Karen, Kristel, Kathleen en, in een later stadium, Josje. Van meisjes in roze rokjes evolueerden ze naar dertigers en veertigers met een overvolle bankrekening. Nu de aflossing van de wacht nakend is, blikken alle hoofdrolspelers terug op het onwaarschijnlijke succesverhaal.”

K3 bestond bij de start uit Kristel Verbeke, Kathleen Aerts en Karen Damen. Hadden de drie dames dan geen muzikaal verleden? Toch wel. We beginnen bij de oudste van de groep, Karen Damen. Zij werd de achtentwintigste oktober 1974 in Wilrijk geboren. Zij studeerde moderne talen tijdens haar middelbareschoolopleiding. Nadien waagt ze haar kansen aan het “Herman Teirlinck Instituut”, maar slaagt niet.  Zij stopt die liefde voor het theater niet weg en gaat een tijdlang optreden bij “Het Mechels Miniatuurtheater”. Zij maakt ook een tijdje deel uit van “De Familie Backeljau” en komt aan de kost in de horeca.  In de loop van haar carrière ontdekt ze dat ze erg goed overweg kan met het medium televisie. Zij duikt op in diverse programma’s: als jurylid in “Belgium’s got talent”, in het panel “Scheire en de schepping”, in 2014 als vaste weekgast in “Café Corsari”, in het voorjaar van 2015 op Vijf in een uitdagene rol in “Perfect?”, eveneens in 2015, maar dan op Vier, als panellid in “Het zijn net mensen” met als spelleider Gert Verhulst en samen met Gilles De Coster in “Karen & De Coster”. Hier en daar dook ze in de roddelpers op door haar relaties met Studio 100-baas Gert Verhulst en met gitarist Christian Olde Wolbers van Fear Factory. Zij woont tegenwoordig samen met drummer Antony Van der Wee van de groep The Ditch.

Kristel Verbeke werd de tiende december 1975 in Hamme geboren in een gezin van vier kinderen. Haar jeugdjaren verliepen niet vlekkeloos. Zij vertelde daar trouwens de zeventiende juni 2015 openlijk over in het Radio 1-programma “Groep van 10″. Kristel zet zich met veel liefde in voor kinderrechten. Haar ouders scheidden toen zij dertien was. Zij heeft hard gestudeerd om haar diploma te behalen. Zij stond in het begin als lerares een tijdje voor de klas, maar ze wou iets anders en kwam terecht als bediende bij een bank in Laarne. Haar muzikale ambities kon ze botvieren in een funkgroepje en in een project rond Ann Christy, samen met Kathleen Vandenhoudt, Pascale Michiels, Andrea Croonenberghs en Robert Mosuse. Zij gaat een tijdje in het achtergrondkoortje van Niels William zingen, de man die iets later met het project K3 van start zal gaan. De zevende juni 2003 trouwt Kristel met de bekende zanger en tv-presentator Gene Thomas. Zij hebben samen twee dochters.

Kathleen Aerts werd de achttiende juni 1978 in Geel geboren. Zij trekt naar de normaalschool afdeling talen en wiskunde en studeert af als onderwijzeres. Zingen doet ze dolgraag. Van 1992 tot 1995 zingt zij bij het groepje Wonderful Game. In 1995 neemt ze deel aan de “VTM Soundmixshow” en wordt derde met het nummer Grow a baby van de Belgische groep Pop in Wonderland. Een jaar later zingt ze From a distance van Bette Midler tijdens de “Ontdek de Ster Show” van VTM. In 1997 doet ze nog eens mee aan de “VTM Soundmixshow”, deze keer met Chirpy chirpy cheep cheep van Middle of the Road en belandt in de halve finale. Zij zingt zich stevig in de kijker wanneer zij in de musical “Sneeuwwitje” van Studio 100, Sanne vervangt omdat die het met de regie op een bepaald moment oneens is. In de nasleep daarvan neemt zij als Cath in 1998 het soloplaatje My love won’t let you down op, een cover van Nathalie Sorce. Na tien jaar K3 zal Kathleen de drieëntwintigste maart 2009 beslissen ermee te stoppen. Zij wordt vervangen door de Nederlandse zangeres Josje Huisman. Vanaf vijf juni 2009 treedt Kathleen op als solozangeres en scoort hits met singles als Zumba Yade en Feest voor kinderen. In de loop van de maand september 2015 komt zij in het nieuws wanneer ze naar aanleiding van de “Werelddag Dementie” bij uitgeverij Lannoo haar boek “Voor altijd mijn mama”, het verhaal over haar jongdementerende moeder, uitbrengt.

In een interview in “Humo” legden de drie terugblikkende dames in 2004 een deel van hun prille K3-ziel bloot. Karen vertelde dat ze in zowat elk restaurant en café in Antwerpen heeft gewerkt: “Op het einde was ik in de karaokebar op de Grote Markt beland. En toen was er ineens K3. Zal dit me ooit vervelen? Nee. We staan met beide voeten op de grond. De dag dat ik mij anders begin te gedragen, mogen ze me vastbinden. Voor mij geen kreeft of kaviaar. We nemen altijd onze boterhammen mee naar een optreden.” Kathleen vertelde: “Ik zat nog op school toen we met K3 begonnen. Ik had nog nooit gewerkt, behalve tijdens de vakantie een paar dagen in een worstenfabriek. Girlpower was voor mij té straf. Ik heb geen power, ik ben een slappeling, ik zeg bijna altijd ja. In het begin van K3 was ik heel verdrietig als er weer iets stoms over mij werd gepubliceerd, nu alleen nog geïrriteerd en boos.” En Kristel wou het volgende nog kwijt: “Op het podium hebben we aan een paar woorden genoeg om eens goed te lachen. Terwijl we volop aan het zingen zijn over kabouters, geven we elkaar tips zo van: knappe man, derde rij links. Als ik met rust gelaten wil worden, ga ik apart zitten. Maar verder betrekken we elkaar bij alles, we hebben geen geheimen voor elkaar. Maar het blijft wel tussen ons. De boekjes staan vol over onze muziek en onze nieuwe shows en de laatste tijd vol gissingen over ons privéleven. Alleen al de onzin die daarover geschreven is!”

Josje Huisman, die vanaf 2009 Kathleen verving, werd de zestiende februari 1986 in het Nederlandse Heusden geboren. Haar vader is predikant. Josje groeit op in Steenwijkerwold en verhuist  op haar veertiende naar Meppel. Op haar tweeëntwintigste studeert zij af aan de “Dansacademie Lucia Marthas” in Groningen. Zij gaat in Amsterdam een jaar lang een musicalopleiding volgen. Via het programma “K2 zoekt K3″, uitgezonden door de Nederlandse en Vlaamse televisie, wordt Josje de derde oktober 2009 geselecteerd om Kathleen in K3 te vervangen. Zij gaat van dan af in Antwerpen in de buurt van “Studio 100″ wonen. In 2012 haalt ze de pers wanneer zij een relatie aanknoopt met haar baas Gert Verhulst, vervolgens met Johnny de Mol en vanaf eind 2013 tot en begin 2015 met acteur Kevin Janssens.

De man achter K3, die tevens het concept bedacht, is Niels William, de twintigste november 1974 als William Vaesen te Bree geboren. Hij studeerde aan de muziekhumaniora “Kindsheid Jesu” te Hasselt en vervolgens aan de “Showbizzschool” in Oostende waar hij Frank Dingenen leerde kennen. Samen namen ze in 1991 de hit Dat goed gevoel op. Tijdens “Zomerhit” van Radio 2 ging hij twee keer met een prijs lopen: in 1992 als beste debutant met Blijf bij mij en in 1995 met de prijs van de beste Nederlandstalige productie voor Zie ze doen. Ongeveer tien jaar kwam Niels bij Radio 2 aan de bak als presentator van onder meer “Golfbreker” en “De Zondagsclub”. In het achtergrondkoortje van Niels zat, zoals we al eerder aanhaalden, onder anderen Kristel Verbeke. Niels wou aanvankelijk een groep oprichten in de stijl van The Spice Girls die met hun songs en vooral hun girlpower wereldwijd de ene hit na de andere scoorden. Niels wou er een Vlaamse versie van maken. Hij kende ook Karen Damen en een zekere Kelly Cobbaut. In een soort aanloopfase was er in eerste instantie het trio Mascara, maar omdat de voornamen van de dames met een k begonnen, werden ze plagend en speels K3 genoemd. Als singletje coveren ze Alles heeft een ritme van de Nederlandse meidengroep Frizzle Sizzle. In Nederland, want dit deel van het verhaal mogen we ook niet uit het oog verliezen, had je sinds 1995 het drietal Linda, Roos & Jessica met daarin Katja Schuurman, Guusje Nederhorst en Babette van Veen. Een groep, opgericht puur voor de fun, door producers Fluitsma en Van Tijn, maar wonder boven wonder kwam hun eerste single Ademnood op één terecht in de Nederlandse Top Veertig. Zo’n groepje in Vlaanderen zag Niels wel zitten.  Na de passage van Kelly, die musical in Nederland gaat studeren, is het de beurt aan Deborah Ostrega  om Kelly’s plaats in te vullen, maar zij bedenkt zich en zo gaat de beurt over naar Kathleen Aerts om haar entree te maken. En zie, de echte  K3 is geboren. De audities hadden vooraf plaatsgehad in de “Top Studio” in Gent. De aandacht ging daarbij vooral uit naar het zingen. Het huppelen en springen is er pas later bij gekomen. In de jury zat toen onder meer Miguel Wiels, die al een tijdje met Niels Wiliam samenwerkte. Onder andere met het project Boysband dat Niels midden de jaren negentig had opgericht samen met Wim De Kerpel, Bjorn Rosier, Jeffry De Roeck en Jo Veraghtert. Een duidelijk plan hoe het voor K3 allemaal moest klinken, was er nog niet, maar de drie dames hadden in elk geval zin om er een muzikale lap op te geven. Zij kiezen een nummer dat kant-en-klaar op hen ligt te wachten, Wat ik wil :  ”Kijk ik in de spiegel dan zie ik daar een meisje staan, dat van alles wil beleven, dat zo graag weg wil gaan. Het is zonneklaar, ik wil een nieuw avontuur beleven, maak al mijn dromen waar. Wat ik wil, wat ik wil, wat ik wil, is een kick die mij vanbinnen raakt, wie neemt mij mee ver van hier, wie maakt mij stapelgek en helemaal dronken enz.” Deze eerste single, geschreven door Marc Paelinck, Ronald Buerssens en Dennis Peirs, flopt.

In 1999 neemt K3 deel aan “Eurosong” met het oog op het “Eurovisiesongfestival”. Bart Brusseleers van platenfirma BMG had bij Miguel een demobandje gehoord met daarop Heyah Mama en hij vond dat K3 daarmee aan “Eurosong” moet deelnemen. Een professioneel selectiecomité kiest uit bijna tweehonderd ingezonden tapes, eenentwintig nummers, verdeeld over drie selectieronden. K3 belandt met Heyah Mama in de derde ronde met daarin onder meer Yves Segers, Martine Foubert, Alana Dante, Nadia, Ricky Fleming en Dominic. Het vernietigende commentaar van jurylid Marcel Vanthilt zorgt ervoor dat K3 met Heyah Mama op de vijfde plaats belandt. Volgens de heer Vanthilt was hun liedje eerder geschikt om geëtaleerd te worden in de afdeling fijne vleeswaren: “echt wel k** met peren, muziek voor achtjarigen en baby’tjes“. Aan de uiteindelijke finale nemen onder anderen Petra, Medusa, Wendy Fierce en Alana Dante deel en er wordt gewonnen door Vanessa Chinitor, die de negenentwintigste mei in Jeruzalem op de dertiende plaats eindigt met het door Wim Claes en Emma Philippa geschreven Like the wind. De overwinning gaat dat jaar naar Zweden en Charlotte Nilsson met Take me to your heaven.

Niels William en K3 lachen in hun vuist wanneer ze merken dat Heyah mama een hit in wording is. Na een behoorlijke klim staan ze de vierentwintigste april 1999 op één in de Vlaamse Top Tien. Het nummer werd geschreven door Miguel Wiels, Peter Gillis en Alain Vande Putte. Die heren kenden het klappen van de zweep al, want zij schreven voordien hits voor Isabelle A en The Dinky Toys. Zij zijn maar wat blij wanneer ze vernemen dat hun nummer de negentiende juni zelfs tot op twee is geraakt in de VRT Top Dertig. Een tijd later mag K3 edelmetaal in ontvangst nemen: driemaal goud en méér dan dertig weken genoteerd in de Vlaamse Top Tien. Door Radio 2 krijgen ze de trofee “Zomerhit 1999″ overhandigd. Dit toch wel onverwachte succes doet, voortgaand op de reacties, K3 en Niels Willam inzien dat ze niet alleen een zeer jong publiek, maar ook hun ouders en grootouders aanspreken. Vrij snel wordt beslist de girlpower op te doeken en over te stappen naar liedjes voor de heel jonge fans. Een bewijs dat K3 geen uitgekiend concept is.  Meteen wees het succes uit in welke richting ze verder moesten. Het viel op dat vooral de kids meezongen en tijdens optredens op de voorste rijen gingen postvatten. Aan “Humo” vertelde Niels in 2004: “Ik wou een Vlaamse Spice Girls lanceren: sympathiek, energiek, babetoestanden. Er is geen marketingonderzoek aan voorafgegaan: het publiek heeft ons algauw in die richting van entertainment voor kinderen gestuurd. Het feit dat we elkaar al een tijdje kenden, was wel een groot voordeel, want de switch van sexy naar kinderlijk zagen de meiden aanvankelijk niet zitten. Maar de pikorde stond vast: ik was de baas. En de regels waren simpel: hard werken en niet zagen. Van girlpower werd probleemloos overgeschakeld naar kidpower. “Oké het was een zakelijk risico en ik heb sterk onder het vuur van non-believers gelegen, maar ik ben blijven roepen: ” Wij worden zo top als Kabouter Plop“, aldus Miguel Wiels. Heyah mama schreef hij bij hem thuis in een kleine kamer, zijn muziekkot zoals hij dat graag noemt. Buiten was het erg warm, Miguel zocht binnen graag de koelte op en had zin in het schrijven van een reggaegetint liedje. Miguel had het begin van de tekst al geschreven, maar kon niet meteen iets verzinnen bij het refrein. Hij zong dan maar: “heyah Mama di heyo hé héhéhé”. Alain Vande Putte zou de tekst wel verder afwerken, maar had na twee weken nog niets gevonden en er werd besloten die eerste tekstuele vondst van Miguel te gebruiken. Peter Gillis houdt zich van in het begin bezig met het opfrissen van de liedjes, de arrangementen, de opnamen en de mixing. Peter doet dat samen met Miguel, die beiden, door de bank toch, de productie voor hun rekening nemen. Per jaar schrijven zij zo’n dertig liedjes om er uiteindelijk voor het nieuwe album een twaalftal over te houden. Zij leggen de lat behoorlijk hoog. Zij willen K3 muzikaal een zo breed mogelijk profiel geven en liedjes aanbieden waarin de dames zich goed voelen. Zij maken hun productieteam vooraf dan ook duidelijk waarover ze willen zingen, welke thema’s hun aanspreken. Jaren later zullen ze eerlijk toegeven dat ze bij de start hebben toegehapt toen ze de liedjes hoorden. Het was die blije sfeer die hun aansprak, iets later is de rest er als pluspunt bij gekomen.

Aan Miguel, Alain en Peter wordt door Niels William gevraagd zo snel mogelijk voor een opvolger te zorgen en dat is Yeke yeke. Het team besliste van in het begin geen typische kinderliedjes te schrijven, maar poppy deuntjes voor kids. Qua inspiratie ging Miguel voor deze song te rade bij Mory Kanté die in 1987 een nummer één had gescoord met Yéké Yéké. Miguel pikte dit liedje op een nacht op de radio op toen hij terug naar huis reed, na een tv-opname voor “De Notenclub”. Hij was op zoek naar een liedje met daarin een brabbeltaaltje verweven. Het verhaaltje zelf pikte hij van Save your kisses for me van de Engelse groep Brotherhood of Man, waarin het uiteindelijk draait om de liefde voor een kind (zij wonnen daarmee in 1976 het Eurovisiesongfestival). De vierde september 1991 wordt er met Yeke yeke gepiekt in de Vlaamse Top Tien. De achttiende september noteren we een vierde plaats in de VRT Top Dertig. Het succes van deze single overtuigde de drie dames dat Niels goed gegokt had met die overschakeling naar muziek voor kinderen. K3 wordt van dan af een fulltime kindergroep.  Dan volgt I Love You Baby, opnieuw een nummer één in de Vlaamse Top Tien, maar het belandt slcehts op een elfde plaats in de VRT Top Dertig. De zesde oktober 1999 brengt K3 hun eerste album uit, “Parels”, op het Capetown-label en verdeeld door BMG-Ariola. De zevenentwintigste november staat K3 ermee op de tweede plaats in de Ultratop Album 200. Het album is een bestseller. December 1999 ligt hun eerste stripavontuur “K3 X 2″ in de winkel.

Van bij het begin wordt er achter de schermen een vierde K3 opgevoerd in de persoon van Axana Ceulemans. Die had haar sporen al jaren eerder verdiend als actief lid van de succesvolle groep Def Dames Dope. Samen met Barbara De Jonge, Ingrid Gerits en Edith Verlinden scoorde zij tussen 1992 en 1996 een opvallende rist hits. In 1993 kaapten zij nog de “Radio 2 Zomerhit” weg met Ain’t Nothing To It. In Axana’s bio lezen we: “Ik stopte na zes intense jaren met Def Dames Dope. Ik werd ouder, had een vaste relatie, had van de wereld geproefd en verlangde naar een rustiger leven. Bovendien werd ik geopereerd voor baarmoederhalskanker en wilde een nieuwe weg inslaan. Ik ging terug werken als directiesecretaresse bij een firma in het Antwerpse. Maar vooral het dansen kon ik niet loslaten. Zingen en dansen leerde ik door anderen het te zien doen, in discotheken en op tv. Achter de schermen bleef ik choreografisch advies aan muziekgroepjes geven. Tot manager Niels William mij op een bepaald moment aansprak met de vraag of ik een dansje voor K3 wilde bedenken.  Het werd de dansante aftrap van een fantastische samenwerking”.

Omdat het succes zo snel aangroeit en Niels William soms moeite heeft om bij te benen, gaat hij met zijn zakelijk instinct op zoek naar een partner die kan instaan voor merchandising en dergelijke. Hij kan meteen een degelijk profiel van de groep voorleggen, de kant die zij uit willen. Hij vindt een prima partner in  ”Studio 100″. Gert Verhulst en Hans Bourlon zijn meteen te vinden voor een samenwerking. Hun volgende hit Alle kleuren wordt dan ook uitgebracht op het eigen platenlabel van Studio 100. Miguel had zin in een universeel liedje over verdraagzaamheid. De tekst mocht niet te belegen zijn en toen kwam Alain op de idee om te zingen over “alle kleuren van de regenboog, van Afrika tot in Amerika…”. De eerste juni 2000 pronken de drie dames ermee op één in de Vlaamse Top Tien. De zestiende augustus staan ze op twee in de VRT Top Dertig en hangt er een platina exemplaar aan de muur. Bij Radio 2 weer goed voor de trofee “Zomerhit 2000″ én de prijs van het publiek. Hun wordt ook gevraagd of ze dat jaar het Gordellied voor hun rekening willen nemen. In september 2000 stellen ze in “Bellewaerde” hun album “Alle kleuren” voor, met op de teller veertigduizend stuks in voorverkoop en met op de eindteller méér dan honderdvijftigduizend verkochte exemplaren, oftewel vijfmaal platina. Tijdens het componeren zit de wind goed mee, want in nog geen tien dagen tijd schrijven Miguel en Alain al de liedjes bij mekaar, alsof het een makkelijke klus is. Het zal ook het bestverkochte album van 2001 worden. Raar maar waar voor Vlaamse artiesten, K3 slaat ook in Nederland aan. Studio 100 springt meteen op de kar qua marketing. In de winkel zijn voortaan kaften, kleren, poppetjes en boekentassen met K3 erop te verkrijgen. Met een jaar vertraging staat Heyah mama de achtentwintigste oktober 2000 op plaats achttien in de Nederlandse Top Veertig.

Het productieteam achter K3 weet maar al te goed waar ze mee bezig zijn en palmen gelijk de grootouders van de K3-fans in door Oma’s aan de top op single uit te brengen. De inspiratie komt deze keer van de hit Toch ben je oma uit 1991, gezongen door Louis Neefs. Miguel wilde, daarin gesteund door Peter, er een nieuwerwetse draai aan geven, een omaliedje met een poppy beat. Niet alleen de dertigste december 2000 goed voor een vierde plaats in de VRT Top Dertig en een nummer één in de Vlaamse Top Tien, maar ook een hit in Nederland, want daar wordt Oma’s aan de top, gekoppeld aan Blub, ik ben een vis, de dertiende oktober 2001 beloond met een achttiende plaats in de Top Veertig. Op “Alle kleuren” staat ook het niet mis te verstane Doe Maar, een liedje waarvan de tekst toch iets verder gaat dan de alledaagse leefwereld van een doorsneekind: “Zeg nu toch niet dat ik jou niet verwen, je krijgt miljoenen zoenen van mij, ik voel me goed als ik dicht bij jou ben, maar je wil meer dan samen uitgaan, je wil meer dan hand in hand gaan, jij wil meer, je kijkt me zo lief aan. Doe maar, een klein beetje langzaam, ik voel me nog niet klaar om de grote stap te wagen.” Een jaar eerder werd aan hun Vlaamse fans hun tweede stripverhaal “De babysitters” aangeboden.

Omdat Studio 100 goed thuis is in de wereld van de musical, mogen de meiden van K3 van de zesentwintigste december 2000 t.e.m. de vijfde januari 2001 hun eigen verhaal op het podium etaleren in de musical “De wereld van K3″, de story van drie meisjes op zoek naar succes. Er wordt gigantisch gescoord met de single Tele-Romeo, opnieuw van de hand van Miguel Wiels, Peter Gillis en Alain Vande Putte. Tele-Romeo schrijft Miguel nog maar eens in de wagen, tijdens zijn zoveelste avondrit van Brussel naar Gent, althans daar schiet hem de melodie door het hoofd die hij meteen op het antwoordapparaat van zijn gsm inzingt. Hij heeft meteen door dat dit een catchy song in wording is. Bij zijn thuiskomst zingt hij het in een deftige vorm op een demootje in en stuurt het door naar Alain. Op dat demootje zingt Miguel het in in een soort nonsenstekst die eindigt met shalom shalom. Alain vervangt die passage door “wie heb ik aan de lijn hallo hallo?” Meteen nadien verzint Alain de titel Tele-Romeo. Die Franstalige spielerei tussendoor stoot op enig protest: C`est qui à l`appareil, allô, allô, je n`entends rien que ta voix, es-tu si beau, j`suis amoureuse de toi, allô, allô, mon Télé-Roméo”. Miguel wil er absoluut het zinnetje “tu sonnes si beau” bij hebben, maar dat blijkt geen correct Frans te zijn en dus werd het “es-tu si beau”. De negende juni 2001 staan de dames zestien weken na mekaar op één in de Vlaamse Top Tien. De vijfentwintigste augustus van dat jaar bereiken ze de eerste plaats in de VRT Top Dertig. Zij worden beloond met tweemaal platina. Ook in “Tien om te Zien” van VTM voeren ze de boventoon. Tele-Romeo levert hun de trofee “Zomerhit” van Radio 2 op, plus de publieksprijs. In Nederland wordt hun vorige album “Alle kleuren” met goud bekroond. In ons interview geeft Kathleen spontaan toe dat ze dat liedje in het begin niet zag zitten en het nadien ook nooit echt graag tijdens optredens heeft gezongen. Om haar letterlijk te citeren: “Dat was voor mij te veel boenke boenk.” Dat was erover. Karen en Kristel beamen dat. Niemand van hen vond het die eerste keer tof klinken. Wel tof was dat zij voor de eerste keer een broek mogen aantrekken. Maar toen ze iets later gingen optreden en het publiek spontaan begon mee te zingen, wisten ze dat ze met Tele-Romeo een superhit te pakken hadden.

De eerste september 2001 ligt het nieuwe album “Tele-Romeo” in de winkel. Dat wordt door hen die dag in drie steden live aan de fans voorgesteld: Kortrijk, Antwerpen en Hasselt. In de Ultratop Album 200 positioneren ze zich negen weken na mekaar aan de top en halen uiteindelijk vijf keer platina op het droge.  Ouders die op zoek zijn naar een nieuwe strip ontdekken begin oktober “School op stelten”. Nog een maand later trekt K3 naar Nederland om daar hun album “Tele-Romeo” voor te stellen, meteen goed voor goud! De eenendertigste december 2001 zendt VTM een sneeuwvolle special rond K3 uit die ze aan het begin van het jaar in Zwitserland hebben ingeblikt. Omdat er niet altijd gehuppeld hoeft te worden, brengt K3 de single Je hebt een vriend uit. De producers vinden de tijd rijp voor een song over vriendschap en stoppen een soort boodschap in dat nummer. Deze keer is de tekst er eerst en wordt er, tussen de huppelnummers door, gekozen voor een traag ritme. We noteren de achtste december 2001 nog maar eens een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien en, twee weken later, een elfde plaats in de VRT Top Dertig. Studio 100 zet voor het volle pond in op een nieuwe musical, “Doornroosje”.  De liedjes worden deze keer geschreven door Gert Verhulst, Hans Bourlon en Danny Verbiest op muziek van Johan Vanden Eede. De songs worden in studio “The Groove” in Schelle ingeblikt. K3 kruipt in deze musical in de huid van de goede feeën. Free Souffriau speelt de rol van Doornroosje, Koen Crucke wordt koning Lodewijk en Myriam Bronzwaar koningin Isabel. Die musical levert hun een vette hit op, Toveren. De drieëntwintigste februari 2002 pieken ze op één in de Vlaamse Top Tien en bereiken de zesde april de tweede plaats in de VRT Top Dertig. In de Nederlandse Top Veertig zit er de dertiende april een derde plaats in. De zesde september 2002 hijst Studio 100 alle vlaggen, want dan wordt in een productie van Niels William het vijfde album van K3 ” Verliefd” gelanceerd, met daarop Feest, Papapa en Verliefd, die ook de daaropvolgende singles worden. Het valt op dat de impact op de Top Tien en de VRT Top Dertig wat is afgenomen. Het album daarentegen doet het beregoed in de Ultratop Album 200, waar een eerste plaats wordt bereikt met als eremetaal tweemaal platina. Niels William krijgt in die periode nog amper de tijd om te slapen. Hij staat er haast alleen voor en ziet K3 almaar groeien. Zijn leven bestaat nog alleen uit interviews regelen, onderhandelen en problemen oplossen, iets waarvoor hij niet in de juiste wieg blijkt gelegd. Na een stevige babbel met het management van Studio 100 besluit Niels eind 2002 zijn K3 voor een bom geld aan hen te verkopen. “Voor hoeveel dat doet er niet toe“, zegt William, “maar als ik niet al te zot doe met mijn geld, hoef ik nooit van mijn leven meer te werken.” De meiden van K3 voelen zich van dan af zeker zo gelukkig met voortaan Gert Verhulst aan het roer: “want hij heeft zo’n fantastische dosis humor !“, klinkt het unaniem. Met de komst van Gert hebben ze, nog steeds aldus de dames, minder de indruk dat ze een manager achter zich hebben staan, het loopt allemaal wat vlotter en spontaner. De stress van in het begin, het moeten slagen, valt met de komst van Gert en Studio 100 een beetje weg. Het keurslijf is wat minder gespannen en de meiden krijgen meer inspraak. K3 wordt meer iets zoals zij het zelf aanvoelen. Ze ervaren dat als een voorrecht dat ze intussen verworven hebben, na een periode van keihard werken en keurig in de pas lopen. Gert staat er bijvoorbeeld meteen op dat wanneer K3 ergens optreedt het ook backstage in orde is, zodat zij in optimale omstandigheden kunnen optreden. De Studio 100-stijl en kwaliteit steekt almaar meer de kop op (eigen catering enz.).

Niels gaat in Zuid-Afrika wonen en richt daar de groep X4 op, een Zuid-Afrikaanse variante op K3. Hun eerste album passeert méér dan twintigduizend keer de toonbank. Maar de verstandhouding binnen de groep is vlug zoek en X4 wordt iets later ontbonden. Aanvullend nu al melden dat Niels in 2005 terug naar België komt en zich hier gaat ontfermen over de carrières van onder anderen Milk Inc., Els de Schepper, Marjolein Lecluyze, Wim Soutaer enz. Twee jaar later verkoopt hij zijn boekingskantoor aan de groep rond “De Zuiderkroon” in Antwerpen. In 2008 richt hij samen met Johan Smets uitgeverij “Kwagga” op en neemt Kathleen Aerts, die intussen uit K3 is gestapt, onder zijn vleugels. In 2011 verhuist Niels samen met zijn drie zonen en zijn vrouw Ellen Christiaen naar Zuid-Afrika om daar te werken aan de tv-reeks “House of Davis”. Maar terug naar de eenendertigste december 2002 wanneer VTM de special “K3 in de Ardennen” uitzendt. Daarin worden niet alleen mooie beelden getoond, maar zingen Kristel, Karen en Kathleen hun tot dan toe grootste hits. De Nederlandse TROS zendt in negen afleveringen “De wereld van K3″ uit. Van deze afleveringen hebben de dames ook een Vlaamse versie opgenomen. Om het livecontact met de fans niet te verliezen pakt K3 in 2002 uit met de “K3 Toveren Tour”. Op hun website lezen we: “Dit is een magische liveshow die je onderdompelt in een wereld vol fantasie. Karen Kristel en Kathleen gaan op avontuur met meester tovenaar Carolus Van Barkenstein en maken een betoverende reis, op zoek naar het grootste geluk dat er bestaat. Dansend op het ritme van de zomer met Feest en vele andere magische liedjes proberen de meisjes drie moeilijke goocheltrucjes tot een goed einde te brengen.”

Op muziek van Johan Vanden Eede en teksten van Gert Verhulst, Danny Verbiest en Hans Bourlon, lanceert Studio 100 in 2003 de musical “De 3 biggetjes” met naast K3, onder anderen Jan Schepens, Dimitri Verhoeven, Daisy Thys en Free Souffriau. Eerst worden door de medewerkers de wenkbrauwen gefronst. K3 in de rol van drie biggen? Dat klinkt en oogt niet zo lief, maar Gert maakt er drie aantrekkelijke, aaibare varkentjes van. Van deze musical verschijnt zowel een succesvolle cd als een dvd. Met de single De 3 biggetjes staat het trio de tweeëntwintigste maart 2003 op twee in de Vlaamse Top Tien en de zesentwintigste april op vier in de VRT Top Dertig. Maar een van hun grootste hits moet nog gescoord worden. Zij brengen nadien vrij snel Oya lélé uit en staan vanaf de eenentwintigste juni weken na mekaar op één in de Vlaamse Top Tien en de achtentwintigste juni eveneens op één in de VRT Top Dertig. Miguel Wiels hierover: “Wij proberen geen kinderliedjes te schrijven, geen belegen teksten en producties. Onze liedjes hadden net zo goed gezongen kunnen worden door de Britse hitgroep Steps. Onze muziek verdient de stempel pop for kids, zeker niet de term kinderliedjes. Dat is ook de kracht van de liedjes die bij ons de grootste hits zijn geworden, zoals Oya lélé. Dit nummer heeft het kinderlijke helemaal overstegen.” Wiels had aanvankelijk een beetje schrik om Oya lélé op single uit te brengen omdat hij het iets te volwassen vond klinken, zeker tekstueel, dat het iets te veraf zou staan van het typische K3-publiek. “Meer dan we denken, gaan de liedjes over de liefde bedrijven, maar dan in zéér bedekte termen. Pa en ma mogen er ook wat aan hebben wanneer ze naar een K3-voorstelling komen. Oya lélé gaat immers over een zwoele zomerdag, alles is heet, we voelen ons geweldig enz.“, dixit Miguel. Het waren de drie dames van K3 zelf die van in het begin als één vrouw achter dit nummer gingen staan en de release hebben doorgedrukt. Kristel herinnert zich nog dat ze met z’n drieën op weg waren naar een concert en dat ze Gert opbelden met de smeekbede het nummer, dat toen al twee jaar in de schuif lag, eindelijk op single te zetten omdat zij aanvoelden dat er sowieso een enorme hit aan zat te komen. In de Nederlandse Top Veertig kleeft er een negende plaats aan vast, nadat ze daar iets eerder ook met De 3 biggetjes hebben gescoord. In Vlaanderen is platina de kroon op het werk, samen met de trofee “Zomerhit 2003″ én de publieksprijs. Het album “Oya lélé” is in voorbestelling al meteen goed voor drieënveertigduizend exemplaren, omgezet in twee weken nummer één in de Ultratop Album 200. Er zit geen nummer één in voor de daaropvolgende singles die uit dat album geselecteerd worden: Frans liedje en Hart verloren. Op dit album staat ook de kentune van hun tv-show  “De wereld van K3″, die vanaf de negenentwintigste oktober 2003 op VTM wordt uitgezonden, én het nummer Dat ding dat je doet dat ze samen met Marcel Vanthilt zingen. Hun achtste stripverhaal ligt vanaf de maand november in de winkel “De wereld van K3″.

In 2003 trekt K3 er met de theatershow “K3 in Wonderland” op uit. “In deze show gaan Karen, Kristel en Kathleen op droomreis naar Wonderland, een land waar alles tot leven komt! De reis belooft een lange droom te worden, maar toch moet je goed wakker blijven. Reis doorheen de vier seizoenen en zing uit volle borst mee met Oya Lele en vele andere K3-liedjes. Droom van herfstkleuren, winterpret, lentekriebels en ontwaak met een warm zomergevoel!” De vierentwintigste december 2003, kerstavond dus, serveert VTM “5 jaar K3″, waarin hun carrière tot dan toe wordt belicht. In dit programma zien we hoe hun platenfirma, zo fier als een gieter, de drie dames een unieke award mag aanbieden voor de verkoop van méér dan twee miljoen verkochte cd’s in België en Nederland (dit programma wordt de derde januari 2004 op de Nederlandse televisie uitgezonden). Iets later lezen we in de pers dat dit cijfer achterhaald is en dat ze al een nieuwe award in ontvangst hebben mogen nemen voor meer dan drie miljoen verkochte exemplaren. In de maand februari 2004 ligt een liveregistratie van  ”K3 in Wonderland” op dvd in de winkel.  Om die vijf jaar K3 te vieren worden al hun hits verzameld op het album “5 jaar – hun grootste hits”, gewaardeerd met een platina exemplaar. Het theater laat hen niet onberoerd en dus gaan ze weer de baan op, deze keer met “K3 de wereld rond”. “ Karen, Kristel en Kathleen winnen een wedstrijd. In spanning wachten ze op de man die hun de prijs zal overhandigen. Hij heeft namelijk een grote verrassing bij zich: een reis rond de wereld! Maar er schuilt nog een addertje onder het gras: voordat zij hun prijs in ontvangst mogen nemen, moeten ze nog een allerlaatste opdracht vervullen. Het begin van een muzikaal avontuur?” Ook deze show blijkt, net zoals de andere, een voltreffer.

Dat jaar duiken ze drie keer op in de Vlaamse Top Tien: op twee met Liefdeskapitein en met Superhero en op acht met Zou er iemand zijn op Mars? In de VRT Top Dertig staat Liefdeskapitein de eenendertigste juli op acht, waar we de achttiende oktober Superhero terugvinden. Miguel Wiels herinnert zich dat Liefdeskapitein een moeilijke bevalling was. De nummers voor het volgende album waren al klaar, maar hij miste nog een catchy song. Op een vrijdagavond trok hij naar de studio en begon daar ‘s nachts om twee uur nog te experimenteren met beats en klanken, en zo is Liefdeskapitein ontstaan. De middag nadien stuurde Miguel het door naar Alain en de dinsdag daarop werd het tijdens een luistersessie geselecteerd om de nieuwe single te worden. De daarnet opgesomde hits vinden we terug op het album “In Wonderland”, dat de achttiende september 2004 wordt gereleaset en tot op twee geraakt in de Ultratop Album 200. De negenentwintigste september heeft de première plaats, zowel in België als in Nederland, van de eerste K3-film “K3 en het magische medaillon”. ” In deze film gaan de meisjes, naar een verhaal van de hand van Gert Verhulst, Hans Bourlon en Danny Verbiest, aan de slag in hun droomhuis. Wat ze niet weten, is dat er ergens in het huis een waardevol medaillon verstopt zit. Enkel Gazpacho, een zware jongen van internationaal kaliber, weet van het bestaan van het medaillon af. Hij zal niet rusten voor het medaillon veilig en wel in zijn bezit is. Maar dat is buiten Karen, Kristel en Kathleen gerekend”. De regie is in handen van Indra Siera en er zijn bijrollen weggelegd voor onder anderen Paul de Leeuw en Peter Rouffaer. In januari 2005 verschijnt deze film op dvd. Twee maanden later krijgen ze in “Kinepolis Brussel” een ster op de “Walk of Fame”.

Januari 2005 ligt strip tien in de winkel, “Actie!”. Zoals de vorige negen, werd ook deze uitgegeven bij Dupuis. Om u enig idee te geven waar de inhoud van zo’n strip om draait, deze als voorbeeld: “De première van de eerste K3-film “Het magische medaillon” in Vlaanderen is een weergaloos succes. Hollywoodproducer Max Money is net in het land en ziet de nieuwe filmsterren op TV-journaal en hoort de kassa al rinkelen. Hij biedt de K3′tjes de hoofdrol aan in een mega-spectaculaire-actiefilm in Hollywood. Een aanbod waaraan de meisjes niet kunnen weerstaan. In Hollywood aangekomen, krijgt producer Bill Kill lucht van de plannen van zijn concurrent Max Money. Hij tracht K3 te verleiden met allerlei cadeautjes om toch maar in zijn nieuwe film te spelen. Wanneer dit niet lukt, stelen Bill Kill en zijn topactrice Dolly Dollar het filmscenario van Max Money. Kathleen, Karen en Kristel blijven niet bij de pakken zitten en gaan als echte supergirls de gemene dieven achterna …”. De auteurs van dienst zijn zoals steeds Patriek Roelens en Jan Ruysbergh.

De veertiende januari 2005 bevalt Kristel van haar eerste dochter Nanou. Kathleen maakt van die vrije tijd gebruik om in “De Efteling” de hoofdrol te vertolken in de musical “De kleine zeemeermin”. Van de tweede tot en met de vijfde april 2005 staat K3 driemaal in het “Sportpaleis” van Antwerpen met een totaalspektakel waarin zij vijfentwintig hits aan mekaar rijgen. Onder begeleiding van een liveorkest en veertig dansers en danseressen maken zij er een ongelooflijk groot feest van! Datzelfde jaar overrompelen ze “Ahoy” in Rotterdam met vanaf de negentiende tot en met de zesentwintigste oktober in het totaal twaalf shows, gespreid over twee per dag. In cijfers komt dat neer op: negentig minuten spektakel, vijfentwintig hits, tweehonderd kostuums, veertig dansers en danseressen, een achttien meter breed podium, veertig meter catwalk, vijfhonderdnegenentwintig lampen in het decor, driehonderdvierendertig meter lichtbrug en twintig vrachtwagens vol licht, geluid én decor. De tweede juli wordt er in de Top Tien nog eens stevig monsterachtig gescoord met Kuma hé. Weerom geschreven in een soort nonsenstaaltje, intussen zo eigen aan K3. De bedoeling was de titel als een soort verbastering te laten klinken van Kom maar hier. De idee erachter was een liedje te schrijven dat met vraag en antwoord werkt. Miguel Wiels wil omtrent dat componeren dit nog kwijt: “Iedere keer bij het schrijven van een nieuw lied blijft de uitdaging: laten we zo origineel mogelijk uit de hoek komen. Dat is bij dit zeker gelukt.Kuma hé zongen de dames al live tijdens hun optredens, maar ze voelden telkens aan dat het toch nog niet je dat was. Er werd gaandeweg regelmatig aan gesleuteld vooraleer het definitief op plaat belandde. De zesde augustus staat K3 ermee op één in de VRT Top Dertig. In Nederland komen we Kuma hé de negende juli in de Nederlandse Top Veertig op twee tegen. De achtste oktober wordt het gelijknamige album gereleaset, dat een week later al op één in de Ultratop Album 200 staat, en dat drie weken na mekaar. In het totaal horen we twaalf liedjes waarvan Borst vooruit eveneens op single wordt uitgebracht. K3 blijft strippen, want in de loop van de maand december 2005 ligt volume twaalf in de winkel “De kletskous club”, nadat ze enkele maanden eerder de stripfans met “Het zingende spook” hadden verwend.

Intussen heeft begin 2005 Danny Verbiest, die mee de scenario’s voor de musicals van K3 schreef, Studio 100 verlaten. In “Het Nieuwsblad” van de zevende februari vertelt Danny daarover: “Ik doe het nog graag, maar ik vind het geen uitdaging meer voor mezelf. Ik ben nu negenenvijftig jaar en ik wil er graag aan het einde van mijn carrière nog eens goed in vliegen en dingen doen die ik al zo lang wou doen. Dingen die niet passen in de toekomstplannen van Studio 100. Samson is altijd heel eerlijk gespeeld, met veel respect voor de kijkers. Het karakter van Samson was geïnspireerd op mijn jongste dochter. Die was toen drie jaar oud. Ze leefde tussen de grote mensen. Vandaar de woorden die ze dacht te moeten gebruiken, maar helemaal verkeerd uitsprak. Ook het niet kunnen verdragen dat er oneerlijke dingen gebeuren in het dagelijkse leven is voor kinderen heel herkenbaar. Ik heb niet alles verkocht. De figuur Samson blijft mijn eigendom en ik heb nog altijd mijn derde deel in Kabouter Plop en Big & Betsy. En in K3, die laat ik aan Gert over.” De K3-dames blijven met volle teugen van hun succes genieten. Niet alleen voor hen is de groep een ongelooflijk sprookje geworden, maar ook voor het publiek. Ze genieten van de vele reacties die ze links en rechts te horen krijgen, van de vele brieven die ze ontvangen en vooral dat ze merken dat hun publiek veel troost vindt in hun liedjes wanneer het in het leven eens wat minder meezit. Unaniem vertellen ze ons: “K3 is niet alleen een sprookje voor ons, maar een sprookje voor iedereen!“. Vanaf de achtste april tot de vijfde mei 2006 komen de fans aan hun trekken met de K3-theatershow “K3 en het heksenexamen”: “Zarzuela is allesbehalve in haar nopjes. En dat is niet te best, want zij is een heks. Een echte. Alleen is ze haar reservetoverstok kwijt en dus baalt ze flink. De meisjes van K3 daarentegen zijn het zonnetje in huis. Ze mogen naar een gekostumeerd bal en als er iets is dat Karen, Kristel en Kathleen ongelooflijk leuk vinden, dan is het wel een verkleedpartijtje. Maar in de jurk van Karen zit iets verstopt: de toverstaf van Zarzuela. De heks verdenkt K3 van kwade bedoelingen en dat zullen de meisjes geweten hebben. Komt het allemaal goed? Dat zal nog moeten blijken.” In Vlaanderen treden ze acht keer op, in Nederland van de vijfde augustus tot en met de achtentwintigste augustus, vijftien keer.

De pret kan niet op, want er moet opnieuw een speelfilm worden ingeblikt, deze keer “K3 en het IJsprinsesje”. Ook nu is regisseur Indra Siera van dienst en wordt het verhaal bij mekaar geschreven door Hans Bourlon en Gert Verhulst, zonder Danny Verbiest dus. De cast wordt aangevuld met onder anderen Urbanus, Peter Faber, Carry Tefsen en Stany Crets. De film wordt in de zalen verdeeld door “Independent Films” en gaat de zestiende juli 2006 in première. In Nederland en Vlaanderen samen trekken zo’n half miljoen kijkers naar de bioscoop. De vierde september is er het nieuwe album “Ya Ya Yippee”. Met de titelsong hadden ze de zeventiende juni de Vlaamse Top Tien al helemaal ingepalmd. Maar er hangt een grote maar aan vast. Als er één liedje is waar de dames hun langste tanden in hebben gezet, dan toch wel dit. Miguel Wiels was apetrots op dit nummer, maar de drie dames wilden er niet aan beginnen. Er gingen veel discussies aan de opname vooraf. Zij vonden het, cru gezegd, een onding. Tijdens onze babbel is het vooral Karen die laat horen dat ze dit liedje niet zag zitten, maar naarmate ze het vaker zongen, zijn ze er toch stilaan van gaan houden. Miguel wist hen immers gaandeweg te overtuigen, al behoort het liedje na al die jaren nog steeds niet tot de favoriete K3-toptien, hoe dik ze er ook mee scoorden. De negentiende augustus stonden ze er zelfs mee op twee in de VRT Top Dertig. Het album staat de zestiende september 2006 een weeklang op één in de Ultratop Album 200. En ja hoor, ook deze keer zit er een platina exemplaar in. Uit datzelfde album wordt enkele maanden later Dokter dokter op single uitgebracht, goed voor een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Strip veertien staat ook op het menu, “De hoed van Ya Ya Yippee”.

De eerste juli 2007 wordt K3 door toenmalig schepen van Cultuur Philip Heylen op het stadhuis van Antwerpen ontvangen, waar hun een oorkonde wordt overhandigd omdat ze de eerste juli hebben uitgeroepen tot “Kusjesdag”. Dit blijkt een slimme zet, want die dag wordt hun nieuwe single Kusjesdag uitgebracht, die een week later op twee in de Vlaamse Top Tien genoteerd staat. Drie dagen later worden ze in het wassenbeeldenmuseum van “Madame Tussaud” in Amsterdam verwacht om daar hun wassen evenbeelden te onthullen. De zevende juli staat Kusjesdag in de Nederlandse Top Veertig op zeven. Miguel Wiels kan zijn  geluk en trots niet op en blijft in de media K3 een succes buiten proportie noemen, wat iedereen inspireert om er elke keer weer voor te gaan: stevige songs schrijven, zo veel mogelijk herhalingen vermijden en het onderste uit de creatieve kan halen. Daarom dat zij met het vaste team blijven samenwerken. Never change a winning horse!

In 2007 wordt er graag tijd vrijgemaakt om hun derde lange speelfilm op te nemen, “K3 en de kattenprins”. Deze keer is de regie in handen van Matthias Temmermans die aan onder meer Carry Goossens, Anne Mie Gils en Roel Vanderstukken vraagt of ze niet willen meespelen. De negentiende december  heeft de première in België en Nederland plaats. Begin april 2008 verschijnt de film op dvd: “Op een nacht vinden Karen, Kristel en Kathleen een geheimzinnig sprookjesboek in hun slaapkamer. Daarin verschijnt het gezicht van een knappe prins die vervloekt werd door de gemene Kattenkoningin. Als de prins voor middernacht zijn ware geliefde niet kust, zal hij veranderen in een kat! Gelukkig kan de prins tijdens zijn zoektocht rekenen op de hulp van fee Fiorella. Zij haalt K3 op met haar koets en brengt de meisjes naar Sprookjesland, hoog in de wolken. Zullen Karen, Kristel en Kathleen erin slagen om de vloek van de Kattenkoningin te verbreken voor de klok twaalf uur slaat?“. Het bezoekersaantal wordt op het einde van de bioscopenrit geschat op méér dan driehonderdvijftigduizend bezoekers. De zevenentwintigste oktober van dat jaar is er de release van hun cd “Kusjes” die de tiende november tot op vier geraakt in de Ultratop Album 200. In voorverkoop heeft deze cd al de platina status bereikt. Om die opvallend te lanceren, organiseren Kristel, Karen en Kathleen een heuse kusjesparade in Oostende, Antwerpen en Hasselt, waarbij ze, zingend op een rijdend podium, het publiek laten kennismaken met hun nieuwste product. Iets later is er uit datzelfde album de release van de single Je mama ziet je graag. Eind 2007 vraagt Urbanus hun of ze niet willen meewerken aan zijn album “Vobiscum”. Speciaal voor deze cd zingt K3 een bewerking van Een rustige ouwe dag.

2008 wordt een speciaal jaar voor K3, want dan bestaan ze tien jaar. Zij gaan de baan op met de show “K3 en het toverhart”: “Zij vinden op het podium een doos. In deze doos zit Bolliebol, een echte toverbol. Hij kan wensen in vervulling laten gaan. Karen, Kristel en Kathleen mogen alle drie, drie dingen wensen. Bolliebol vertelt dat hij heel ongelukkig is dat hij geen vriendinnetje heeft en smeekt Kristel om voor hem een vriendin te wensen. Maar Kristel wenst per ongeluk iets heel anders. Zal Bolliebol ooit nog een vriendinnetje krijgen?“. De tiende mei heeft de Vlaamse première in de “Koningin Elisabethzaal” in Antwerpen plaats en de drieëntwintigste mei de Nederlandse in de “IJshallen” in Zwolle. Het scenario van deze show wordt door Hans Bourlon en Gert Verhulst geschreven, die ook de regie in handen heeft. Op hun striphonger hoeven de fans dat jaar niet te zitten, want er is het album “De woelieboelies”, het zeventiende in deze populaire reeks. De eenentwintigste juni wordt er nog eens een nummer één gescoord in de Vlaamse Top Tien, deze keer met De revolutie. Het valt op dat ze dat jaar niet met een nieuw album uitpakken. Wel is er de verzamelaar “Vakantiehits” en worden de shows “K3 en het heksenexamen”, “K3 de wereld rond” en “K3 in Ahoy” in een verzamelbox aangeboden, die ontzettend goed onthaald wordt. In 2008 gaat er in Duitsland een Duitse K3-versie van start Wir 3 met als line-up de dames Lina, Linda en Vera. Hun eerste single is een vrije vertaling van Heyah Mama. Het verwachte succes blijft uit. Als opvolgers zijn er de singles Kuma Hé, Omi ist der Hit en Liebeskapitän. Alle kleuren wordt in het Duits Regenbogenbunt, maar van hoogvliegers kunnen we moeilijk spreken. In 2010 besluit de groep wijselijk er dan maar mee te stoppen.

Een keerpunt in de geschiedenis van K3 is de drieëntwintigste maart 2009. In  ”Gazet van Antwerpen” lezen we: “Kathleen Aerts stapt uit K3. Dat werd bekendgemaakt tijdens een persconferentie in Antwerpen. De 30-jarige blondine uit Geel was de jongste zangeres van de populaire meidengroep. Karen Damen en Kristel Verbeke gaan verder met K3. Ook Kathleen wil blijven zingen. Kathleen Aerts ging al verschillende keren haar eigen weg in de musicals “Sneeuwwitje” en “De kleine zeemeermin”. In de originele bezetting wordt er de zeven- en achtentwintigste juni voor het laatst opgetreden op het “Studio 100 Zomerfestival” in de “Ahoy” in Nederland. Commercieel als ze zijn, besluiten VTM en Studio 100 er een talentenjacht van te maken om de plaats van Kathleen in te vullen. Via een speciale website kunnen meisjes zich kandidaat stellen vanaf mei tot eind juni. De show “K2 zoekt K3″ gaat de tweeëntwintigste augustus 2009 van start op de Nederlandse televisie en een dag later op de Belgische. Er wordt gepresenteerd door Koen Wauters en Gerard Joling. Karen Damen, Kristel Verbeke en Gert Verhulst passeren op tijd en stond de revue. In de jury zetelen: Axana Ceulemans, Patty Brard, Marc Forno en Miguel Wiels. De derde oktober heeft de finale plaats en komt de Nederlandse zangeres Josje Huisman als winnares uit de bus. Voor de hand liggend staat er een nieuwe cd op het getouw. Er wordt als vanouds nog eens overdonderend gescoord, met name de achtentwintigste november 2009 met het album “Mamasé”. Die cd zal zeven weken na mekaar helemaal boven in de Ultratop Album 200 blijven postvatten. Dit is het eerste album waarbij Josje Huisman, de vervangster van Kathleen, mag laten horen dat ze een aardig mondje kan zingen. Het album valt in die zin op dat het een dubbelalbum is met naast de nieuwe liedjes, de hits van vroeger, maar deze keer met de stem van Josje. Als aanloop werd er de tiende oktober al stevig gescoord met de singleversie van Mamasé, in de Vlaamse Top Tien gewaardeerd met een wekenlange notering op één. Na het opstappen van Kathleen had Gert Verhulst een beetje druk gezet achter de heren schrijvers-componisten. De nieuwe single moest een knaller worden, een schot pal in de hitroos. Dat schrijven onder dwang voelde gelijk aan als een strop om de nek, erg stresserend. Maar de redding vonden ze bij de zin mamasé, mamasa, mamakusa die Michael Jackson al had gebruikt in zijn hit Wanna be starting somethin’.  In de Ultratop 50 blijft Mamasé van de zeventiende oktober tot de achtentwintigste november op één geparkeerd. Die single kon je al vanaf de achtentwintigste september downloaden in drie verschillende versies, gezongen door de drie finalisten van “K2 zoekt K3″: Noa Neal, Madelon van der Poel en Josje Huisman. In de Nederlandse Top 40 piekt Mamasé de zeventiende oktober op twee. Wanneer we terugblikken, blijft dit tot op de dag van vandaag nog altijd een van hun grootste hits.

“K3- Mamasé” is tevens de titel van de nieuwe show waarmee de drie dames gaan rondtoeren: “Om Josje te verwelkomen, hebben Karen en Kristel elk een cadeautje voor haar gekocht. Maar als K3 even weg is, wordt het cadeautje van Kristel verwisseld. Als Josje het cadeau opent, verschijnt Kassandra. Kassandra wil de plaats van Josje innemen. Het mag van Karen, als Kassandra net zo’n mooie stem als Josje heeft. Wat Karen niet weet, is dat Kassandra de dochter van een toverheks is. Met een drankje neemt Kassandra de stem van Josje over. Wordt Josje nu al vervangen door Kassandra? Of verzint K3 een plan zodat Josje bij K3 kan blijven?” De negende oktober heeft de Belgische première in de “Koningin Elisabethzaal” in Antwerpen plaats en de zeventiende oktober wordt er in “Go Planet” in het Nederlandse Enschede afgetrapt. Ook deze keer is de regie in handen van Gert Verhulst. In de wandelgangen vernemen de dames tussen alle drukte door dat er al méér dan vier miljoen verkochte K3-cd’s op de teller staan.

In 2010 is er de sitcom “Hallo K3″ die vanaf de zesde oktober in Vlaanderen wordt uitgezonden en vanaf de tweede april 2011 in Nederland (RTL8, NOP3 en VTM). De verhaallijn: “Karen en Kristel wonen samen in één appartement. Josje woont in het appartement aan de overkant van de gang. Maar ze wonen natuurlijk niet alleen in het grote gebouw. In het appartement onder hen woont de jonge, hippe en goeduitziende Bas. Naarmate de meiden Bas beter leren kennen, vallen ze stiekem alle drie een beetje voor deze leuke vrijgezel. Bas vindt dit leuk, maar blijft bescheiden. In het appartement boven hen woont weduwnaar Marcel, die hen altijd wil helpen. Buurman Marcel bedoelt het goed, maar bakt er niet altijd evenveel van. Maar Marcel is er steeds voor de meisjes, en geeft hen steevast foute goede raad. Hij is ook een echte klusser die met afwisselend succes de meisjes uit de nood helpt, of net voor de nodige problemen zorgt. Daarnaast brengen de meisjes graag tijd door bij Rosie in haar koffiebar ‘Roze Bottel’.”. Naast Karen, Kristel en Josje spelen ook Winston Post, Metta Gramberg en Jacques Vermeire mee. Regisseurs van dienst zijn Bart Van Leemputten, Jeroen Dumoulein en Dries Vos. Aan de heren schrijvers wordt gevraagd de titelsong te schrijven en te verzinnen, want er was vooraf niet eens een programmatitel verzonnen. Zij kunnen dus alle kanten uit. Qua inspiratie vertrok Miguel van de titelsong van de bekende Amerikaanse sitcom “Cheers”, die in de jaren tachtig op televisie liep. Het themalied van die reeks heet Where everybody knows your name. Het liedje Hallo K3 begint opvallend genoeg met: “Waar kent iedereen je naam en waar ben je altijd saam“. Het nummer wordt op single de zoveelste voltreffer. De zeventiende juni zit er voor de dames een nummer één in de Vlaamse Top Tien in. De VRT Top Dertig blijft nochtans buiten bereik. De twaalfde augustus staat het nummer wel op drie genoteerd in de Ultratop 50. Nog zo’n voltreffer dat jaar wordt het optreden van K3 tijdens de megepopulaire liveshow van De Toppers (René Froger, Gerard Joling, Jeroen van der Boom en Gordon) in de “Amsterdam Arena” waar K3 de zevenentwintigste, de achtentwintigste en de negenentwintigste mei een medley brengen van hun grootste hits. Vanaf september tot eind december 2010 staat K3 op de Vlaamse en Hollandse planken met de tournee “K3 en de wondermachine”: “Wanneer de meisjes van K3 aan hun optreden willen beginnen, ontdekken ze op het podium een gekke machine. Het is de Wondermachine van professor Schwarzwald. Je kunt ermee tijdreizen of ermee worden wat je maar wil. De professor waarschuwt de meisjes echter dat ze niet aan de machine mogen komen, omdat hij nog niet helemaal goed werkt. De meisjes kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en proberen hem toch uit. Al snel blijkt dat ze beter naar de professor hadden kunnen luisteren.” Zo’n honderdvijfentachtigduizend jongens en meisjes komen deze voorstelling bijwonen, begeleid door hun al even enthousiaste ouders en grootouders.

Een single die het bij de start van 2011 in de Vlaamse Top Tien goed doet, is Alice in Wonderland. De negentiende februari  terug te vinden op één. In de Ultratop 50 staat K3 de vijfde maart op zeven. De negende april gaat de musicalversie van “Alice in Wonderland” in de “Koningin Elisabethzaal” in Antwerpen in première. De achtentwintigste augustus heeft de laatste voorstelling plaats in het “World Forum Theater” in Den Haag. Het verhaal is als volgt: “Karen, Kristel en Josje vervelen zich en gaan met zijn drietjes naar de bioscoop. Eenmaal bij de bioscoop aangekomen, beginnen de verrassingen en niets is wat het lijkt. De meisjes belanden in een wereld die Wonderland heet. Daar komen ze de meest rare figuren tegen: een pratende rups, de hartenkoning en zijn gemene koningin, de gekke hoedenmaker, de behulpzame tweeling en een wit konijn. K3 belandt in een groot avontuur, waar de ene gekke situatie de andere opvolgt. Kan K3 ooit nog ontsnappen uit deze wonderlijke wereld?”. Gert Verhulst heeft niet alleen het scenario mee bepaald en geschreven, maar heeft ook deze keer de regie in handen. De achtentwintigste december wordt de special “K3 en het droombed” in een regie van Dennis Bots op tv uitgezonden: “Karen, Kristel en Josje gaan naar de magische illusionistenshow van Dr. Von Zanzibar kijken. Na de voorstelling komt Josje erachter dat ze haar handtas in de zaal is vergeten. Hun zoektocht naar de tas brengt hen tot op het podium, tussen de spullen van Dr. Von Zanzibar. Daar ontdekken ze dat het droombed uit de show toch wel zeer speciaal is.” . Vanaf de vijftiende februari 2012 is deze special op dvd leverbaar.

Datzelfde jaar trekken de fans nog maar eens naar de bioscoop, deze keer voor de verfilming van “K3 Bengeltjes”: “Karen, Kristel en Josje van K3 zijn door het dolle heen, want hun drie nichtjes logeren een weekendje in hun appartement. Maar al snel blijkt dat de nichtjes ettertjes zijn, die de boel graag op stelten zetten. In de wolkenwereld waar de engelen leven, is er een afdeling “Bengeltjes” waar opperengel Manuel van kindjes die zich op aarde als ettertjes gedragen bengeltjes maakt. De kindjes die bengeltjes worden, moeten op aarde vierentwintig uur lang braaf zijn en mogen geen overtreding maken tegen het Engelenboek. Als ze toch een fout begaan, worden ze gestraft op een wel heel bijzondere manier. Opperengel Manuel geeft zijn nieuwbakken, maar heel klungelige assistent Tuur, de opdracht om de drie nichtjes van K3 op te halen om er bengeltjes van te maken, zodat ze leren om braaf te zijn. Maar Tuur vergist zich en maakt per ongeluk bengeltjes van Karen, Kristel en Josje“. De twaalfde december gaat de film zowel in België als in Nederland in première. Bijrollen zijn er weggelegd voor onder anderen: Jacques Vermeire, Sam Gooris en Chris Van den Durpel. De regie is deze keer in handen van Bart Van Leemputten. Als aanloop naar die film wordt de single Waar zijn die engeltjes?  ingeblikt, de dertigste juni op één terug te vinden in de Vlaamse Top Tien.

De zestiende december 2012 kunnen we op VTM kijken naar de special  ”Mode Meiden”. “Karen, Kristel en Josje krijgen van hun stylist Sammy de kans om een eigen outfit te ontwerpen. Een droom die uitkomt voor deze drie modebewuste meiden, maar wat gaan ze maken? Hoe moeten ze er aan beginnen en zal de creatie op tijd klaar zijn tegen de grote catwalkpresentatie? K3 – Modemeiden: een verhaal vol muziek, dans en fashion!” Vijf liedjes worden er gezongen en de regie wordt verzorgd door Matthias Temmermans en Dennis Bots. K3 gaat onafgebroken door met zalen tot de nok toe te vullen. In 2013 met de show “K3 verjaardagsshow 15 jaar”. Deze keer mogen Nico De Braeckeleer en Tom Vermeyen de verhaallijn bedenken: “Als verrassing en bedankje voor alles wat K3 de afgelopen vijftien jaar gedaan heeft, haalt een engel Karen, Kristel en Josje naar de magische wolkenwereld. Daar krijgt elk van hen de kans om een spetterende droom te beleven. Het wordt een heus feest vol magische sprookjesfiguren, circusavonturen en glitter & glamour in ware Hollywoodstijl!” De vijfentwintigste september ligt de dvd-versie in de winkel. De show wordt de tweede maart in de “Ethias Arena” in Hasselt op gang getrokken en de zeventiende november bollen de dames, na een hele rist voorstellingen, eindelijk uit in de “Ahoy” in Rotterdam.

Het drietal duikt nog maar eens de filmstudio in. Voor de buitenopnamen van “K3 Dierenhotel” worden de tenten opgeslagen in het Waalse Stoumont. De twaalfde februari 2014 heeft, zowel in België als in Nederland, de première plaats. Het scenario is als volgt: “Kristel heeft geboekt in een luxueuze beautyfarm. Josje en Karen gaan datzelfde weekend stiekem in het dierenhotel helpen bij Bas, op wie de drie meisjes verliefd zijn. Maar als de gps’en van K3 per ongeluk verwisseld worden, komen de drie meisjes toe op de verkeerde bestemming. Dit zorgt voor heel wat hilarische toestanden en doldwaze misverstanden. Als het dierenhotel in gevaar blijkt, moeten de meisjes van K3 de handen in elkaar slaan om het te redden.” Bart Van Leemputten regisseert en wijst enkele bijrollen toe aan onder meer Daisy Thys, Jacques Vermeire en Philippe Geubels. De titelsong Loko Le wordt, weken voorafgaand aan de première, de nieuwe K3-single. Loko le is van de hand van Miguel Wiels, Peter Gillis en Tracy Atkins. Dat nummer houdt de tweede november 2013 halt op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Het mag wat vreemd lijken, maar vanaf 2013 blijken er geen hitnoteringen te zijn weggelegd voor de singles Zeg eens AAA, Koning Willem-Alexander en Eya hoya. Een voorbode van tanend succes? In 2014 zijn er ook geen noemenswaardige hitnoteringen voor de singles Drums gaan boem, En ik dans en K3 kan het! Maar geen nood, want de negenentwintigste april verschijnt de verzamelaar “15 jaar – De 60 grootste hits!”. De vijfentwintigste november wordt het nieuwe album “Loko Le” uitgebracht, met enkele weken later een vierde plaats als hoogste notering in de Ultratop Album 200. In het achtergrondkoor horen we op het album de stemmen van onder anderen Eva Jane Smeenk, Free Souffriau, Kristof Aerts en Het Studio 100 Kinderkoor.

Een laatste blik op de hitlijsten leert ons dat K3 de elfde april 2015 op vier staat in de Vlaamse Top Tien met K3 loves you. Ze voelen de hete adem van het afscheid in hun nek! Vanaf de derde mei 2014 duikt K3 op in hun eigen wensprogramma op “Studio 100 TV”. K3 probeert daarin de wensen van kinderen van zeven tot twaalf waar te maken. Dat programma wordt elke zaterdagochtend uitgezonden en de dag nadien herhaald.

Naarmate in de loop van 2015 op VTM de show “K3 zoekt K3″ vordert, stijgt de spanning over de toekomst van de groep. Overal wordt er geraden en gegist. Zelf zegt Gert hierover in de pers: “De overgang naar de nieuwe meisjes zal aanpassen zijn”. Toch hoopt hij dat ze op het huidige elan kunnen voortbouwen. “Dat zou heel fijn zijn. Als we er nog eens vijf jaar bij kunnen doen of vijftien… Zolang het leuk blijft. Het zou alleen een beetje jammer zijn als na de eerste tournee alles meteen weer stilvalt. Maar als dat zo is, is dat zo. Ik ben vooral dankbaar voor wat er geweest is. Dat is zoals een koppel dat een jubileum viert en zegt: tot hiertoe is het geweldig geweest, en hopelijk kunnen we dat er allemaal nog eens bij doen, daar gaan we voor.”

En hoe kunnen Kristel, Josje en Karen hun verhaal beter afsluiten, dan door met z’n allen, de nieuwe bezetting incluis, nog een laatste keer op stap te gaan om op die manier al zingend afscheid van hun fans te nemen. Vrijdag de zesde november heeft op VTM de finale plaats van “K3 zoekt K3″ en is de nieuwe bezetting bekend. De achtentwintigste november 2015 beginnen ze er samen aan in “Flanders Expo” in Gent en de laatste voorstelling in Vlaanderen staat de zeventiende april 2016 in de “Ethias Arena” in Hasselt gepland. De twaalfde december 2015 staat de eerste voorstelling in Nederland van dit afscheidsconcert op het programma in de “Brabanthallen” in ‘s-Hertogenbosch, en afgesloten wordt er de tiende april 2016 in de “MartiniPlaza” in Groningen. Dat afscheid nemen, zal niet zo gemakkelijk gaan. Aan “Humo” vertelde Karen Damen de negentiende mei 2015 al spontaan: “Ik stond dit weekend in Plopsaland Indoor te zingen en ineens drong het echt tot me door: straks is het gedaan. En ik werd bang. Mij geeft optreden met K3 altijd een gevoel van veilig thuiskomen. Ik heb dat graag, een veilige thuisbasis. Ik heb graag zekerheid en controle: ik haat het als ik niet weet wat er gaat gebeuren. Ik geniet er bijvoorbeeld van als ik een weekend met K3 naar Amsterdam ga en weet: we staan zo laat op, eten een uur later, moeten dan op en tegen dat uur weer af. Als Josje en Kristel vlak voor een optreden opeens zeggen: “Kom, we gaan vandaag eens van de andere kant op om de jongens van de volgspots te pesten,” dan denk ik meteen: “Nee! Het moet gaan zoals het altijd gaat.”

En de hamvraag blijft. Wat gaat er gebeuren als de nieuwe K3 in de zalen opduikt en blijkt dat het publiek zich niet kan aanpassen en dat de nieuwe formule geen succes blijkt te zijn. In “Humo” van de derde november 2015 geeft Hans Bourlon toe dat ze er bij Studio 100 wel degelijk rekening mee houden dat het K3-verhaal ooit wel eens kan ophouden: “Ons bedrijf omvat ondertussen veel meer dan enkel K3. Laat het me zo zeggen: we zouden het wel voelen, maar we zouden er niet van doodgaan. Maar het is evident dat er altijd economische belangen meespelen. In dit geval dus ook. Voorts zijn we ambitieus: we zien K3 als een muziekconcept dat over de generaties heen kan bestaan en steeds opnieuw ingevuld kan worden. We kunnen uiteraard niet garanderen dat de groep over dertig jaar nog bestaat-voor hetzelfde geld is het over twee jaar gedaan. Maar mocht het lukken, dan zou dat iets moois en unieks zijn. Dat generatieoverschrijdende maakt K3 vandaag trouwens al fantastisch: mijn moeder van tweeëntachtig heeft haar favoriete kandidates in “K3 zoekt K3″, net zoals mijn nichtje van achttien, hoewel mijn moeder niet met K3 is opgegroeid!

Aan de vooravond van de nieuwe K3-lichting, de prestaties van hun voorgangers in harde cijfers op een rij gezet: drie musicals, dertien concerttours, vijf bioscoopfilms, ngentien albums honderdtachtig liedjes, een miljoen verkochte boeken, drie miljoen verkochte merchandiseproducten en méér dan vijf miljoen verkochte albums. In de slipstream van deze overdonderende cijfers spreekt CEO Studio 100 Anja Van Mensel in “De Morgen” (vrijdag 6 november 2015) duidelijke en klare taal: “Als de nieuwe K3 het niet ziet zitten om het voor minstens tien jaar te doen, dan hoeft het voor ons niet. Alleen kun je dat niet contractueel vast laten leggen! Elke werknemer kan altijd opstappen bij zijn werkgever. Ook de leden van K3. Maar je doet toch ook niet mee aan zo’n wedstrijd als je niet heel graag K3 wilt zijn. Wie daar dan uiteindelijk in slaagt, wil niets liver dan dat dat nog heel lang blijft duren. Daar gaan wij toch van uit!”

Vrijdagavond, zes november 2015, iets over elf is de muzikale kogel eindelijk door de kerk. De nieuwe K3 is gekend. Na een lange strijd maken Karen, Kristel en Josje de winnaars bekend: Hanne Verbruggen (een eenentwintigjarige scoutsleidster uit Mechelen), Klaasje (een twintigjarige domineesdochter uit Amsterdam) en Marthe (een negentienjarige studente kinderverzorging uit Kontich) worden de nieuwe goudhaantjes van Studio 100. Er volgt gelijk een eerste single 10.000 luchtballonnen, waarvoor ze maandag de negende november als eerste klus de videoclip mogen opnemen. Vanaf de tiende tot en met de eenentwintigste november duiken ze samen met Miguel Wiels de studio in. De liedjes voor het nieuwe album moeten worden ingezongen, plus moetenHanne, Klaasje en Marthe ook de grootste K3-hits van een nieuwe versie voorzien. En dan wordt het keihard oefenen, want de achtentwintigste november heeft in Gent de première van de afscheids-en kennismakingstour plaats. De vijfde en zesde december staat de Sinterklaasshow in het “Sportpaleis” van Antwerpen op het programma en de zestiende december wordt er promotie gevoerd voor het nieuwe album dat twee dagen later in de winkel ligt.

Bij Lieven Van Gils blikte Gert Verhulst in “Van Gils en Gasten” op dinsdagavond de tiende november op Eén met graagte nog even na. “Wij hebben de wedstrijd opengesteld voor iedereen. Er hebben zich zesduizend meisjes ingeschreven en daar waren heel weinig allochtonen bij. Nora, het Antwerps-Marokkaans meisje, is nochtans lang in de wedstrijd gebleven en ging er uiteindelijk uit omdat ze minder goed zong, en dat kon iedereen ook horen.” Over één zaak wou Gert trouwens wat helderheid scheppen: “Er is op geen enkel moment sprake geweest van manipulatie in de wedstrijd, zoals geruchten beweren. Het lag dus niet op voorhand vast dat Hanne, Marthe en Klaasje de nieuwe K3′tjes zouden worden. En de stemmen van de tv-kijker tijdens de finale telden wel degelijk mee. Ik kan met de hand op het hart zeggen dat het publiek exact dezelfde keuze gemaakt heeft als de jury, met een zeer grote voorsprong op de tweede combinatie van drie meisjes. De cijfers zijn er, dat kan je altijd controleren bij de deurwaarder.“ 

Tussen eenentwintig en vijfentwintig december 2015 worden vijf afleveringen van “Dit is K3″ uitgezonden”, een docusoap waarin de camera Hanne, Marthe en Klaasje achter de schermen volgt, vanaf het moment dat ze na de finale van het podium stapten tot de repetities voor de nieuwe show en het eerste contact met de fans. We maken ook de verhuis mee van Marthe, Klaasje en Hanne naar de nieuwe K3-flat in ” Welkom bij K3″, dat in de tweede week van de kerstvakantie wordt uitgezonden. Het wordt een programma waarin herinneringen worden opgehaald: de meisjes ontdekken in de dozen al het materiaal van zeventien jaar K3. Ook Kristel, Karen en Josje blikken terug en vertellen over hun leukste herinneringen. In het voorjaar van 2016 gaat op VTMkzoom een animatieserie rond de nieuwe K3 van start.

Bij deze toch even K3 in de nieuwe bezetting gedetailleerder u voorstellen. De derde maart 1994 werd Hanne Verbruggen in Mechelen geboren. Zij studeerde communicatiemanagement aan de “Artesis Hogeschool” in Antwerpen. Zij mag binnen K3 de plaats van Karen innemen. De tweede maart 1995 werd in Lutjegast, Nederland, Klaasje Meijer geboren. Zij studeerde in Amsterdam aan het conservatorium. Thuis hing vaak muziek in de lucht. Samen met haar moeder en zussen vormde zij het Meijerquintet. Voor haar avontuur met K3 begon, studeerde ze ook nog dwarsfluit en gaf hierin les aan kinderen van de basisschool en speelde daarnaast nog een actieve rol in het kerkkoor van ‘s-Gravenzande. Intussen is Klaasje naar Antwerpen verhuist. Als Nederlandse neemt zij binnen K3 de plaats in van Josje. Marthe De Pillecyn werd de zestiende juli 1996 in Duffel geboren waar zij de opleiding kinderverzorging volgde aan het “Sint-Norbertusinstituut”. Marthe, die in de plaats van Kristel mag dansen en zingen, brak haar studies af om zich voor het volle pond voor K3 te kunnen inzetten. Studio 100 is haar niet vreemd, want ze zong voordien zo’n tien jaar bij het Studio 100-koor. In 2013 nam Marthe nog deel aan de wedstrijd ” Belgium’s Got Talent”.

Zaterdag de negentiende december 2015 lezen we in een persbericht van Studio 100: “Voor de jongste K3-show zijn intussen al meer dan 350.000 tickets aan de man gebracht. Daarmee is het de succesvolste Studio 100-productie ooit, want het vorige record stond op 335.000 tickets voor de musical 14-18.” En er werden nog meer records gevestigd. Uit de krant “De Tijd” van dat weekend onthouden we: “Vliegende start K3-cd, opsteker voor Studio 100. 150.000 exemplaren zijn er bij de release van hun album op vrijdag de achttiende december al verkocht aan Belgische en Nederlandse winkels. Ongezien in een cd-markt die elk jaar met 15 procent krimpt. Het succes overtreft de stoutste verwachtingen. K3 laat zelfs Adèle met haar nieuwste album “25″ achter zich.” De dag nadien voegt Miguel Wiels in diezelfde krant daar nuchter aan toe: “Er is een eerste grote stap gezet, maar de buit is nog niet binnen. Marketingsgewijs is het allemaal fantastisch gedaan en goed uitgedraaid. Eigenlijk kon je de hype voorspellen. Maar eens die voorbij is, is het uitkijken.” Op de opmerking als zou K3 muziek uit de fabriek zijn, antwoordt hij enigszins gepikeerd: “Wij steken er veel werk in. Daarom raakt die kritiek me. Ik ben trots op die nummers. Ik kan er veel mensen het nakijken mee geven. Tegen mijn criticasters zeg ik: “Ontleed die song eens. Zie eens hoe goed die in elkaar zit.” Maar pijn? Het is crying all the way to the bank. Ik voel me niet miskend. Het zou flauw zijn over mijn pijn te praten, terwijl het zo’n succes is.

 

Ketnet reikte zondag de zeventiende januari 2016 voor de derde keer de Gouden K’s uit. Op het grote “Gala van de Gouden K’s” werden de awards feestelijk uitgereikt. Meer dan 35.000 kinderen stemden in een poll op de website van Ketnet voor hun favoriete BV, wrapper, programma enz… Grote winnaars werden Niels Destadsbader, K3 en het programma D5R. Tot haar eigen verbazing werd Karen Damen verkozen als babe van het jaar, iets waar ze zelf ook wat van opkeek. “Ik vind dat wat raar, maar het is wel leuk. Ik ben er echt heel blij mee, dus dank je wel allemaal!“. VTMKZOOM wil in de maand april Karen, Kristel en Josje nog een laatste keer in het zonnetje zetten en organiseert daarom de “Merci K3-maand”. De kinderzender zendt vanaf zaterdag de negende april een hele maand lang K3-films, -reeksen en -specials uit. VTMKZOOM roept ook iedereen op om een leuke video in te sturen via vtmkzoom.be om de meiden uit te wuiven. In de rubriek “Jij Kiest K3″ kunnen de kijkers vanaf de negende april via vtmkzoom.be op hun favoriete K3-reeks stemmen. De populairste reeks van die week wordt telkens op zaterdagochtend om tien over acht met vier afleveringen uitgezonden. Er staat ook elke zaterdagzaterdagnamiddag rond kwart over vier een K3-special geprogrammeerd zoals “K3 en het Wensspel” en “K3 in Nederland”.

Kristel Verbeke is niet alleen de manager van de nieuwe K3. Vanaf vrijdag de negende april 2016 start Ketnet met de opnames van een programma rond kinderrechten dat in het najaar gepland staat en dat gepresenteerd zal worden door Kristel omdat zij als goodwill ambassadeur voor de kinderrechten al enkele jaren nauw samenwerkt met Unicef, Global Compact Network Belgium en het Kinderrechtencommissariaat. Als kinderzender van de openbare omroep wil Ketnet een maatschappelijk relevante rol spelen met programma’s en initiatieven die kinderen informeren en begeleiden in hun ontwikkeling. Onder meer met programma’s als “Karrewiet” en “D5R”, en met initiatieven als de “Move tegen Pesten” en “De Pet op tegen Kanker”.

De zeventiende april 2016 zou in de geschiedenis van K3 een datum worden om in te kaderen. Dan zouden Karen, Kristel en Josje voor de allerlaatste maal optreden en zou dit de start officiële start betekenen van de nieuwe K3. Maar wegens de gigantische respons op hun gezamenlijke concerttournee laat het management van K3 op donderdag eenentwintig januari het volgende weten: wegens waanzinnig succes hebben K3 en Karen, Kristel en Josje beslist om hun allerlaatste show te spelen op zondag 8 mei om 17 u. in de “Lotto Arena” in Antwerpen! Bovendien komt er, na massaal veel verzoekjes op sociale en andere media, een K3-show met staanplaatsen! Deze show zal op zaterdag 7 mei om 20.30 u. in de “Lotto Arena” in Antwerpen plaatsvinden. Er komen ook extra shows voor alle leeftijden op vrijdag 6 mei om 20.30 u., zaterdag 7 mei om 16 u. en op zondag 8 mei om 14 uur. Zondag de achtste mei 2016 zongen Karen, Kristel en Josje dus hun allerlaatste K3-nootjes. In “De Standaard” lezen we de dag nadien: “Het was allicht de langste afscheidsprocedure in de geschiedenis van afscheidsprocedures, maar gisteravond in de “Lotto Arena” hebben Karen, Kristel en Josje de K3-bladzijde definitief omgeslagen, om plaats te ruimen voor de opvolgsters Hanne, Marthe en Klaasje. Oude en nieuwe bezetting stonden samen op het podium. Het was de laatste van 122 afscheidsshows, in het totaal zijn 400.000 fans de drie komen uitzwaaien. Veel van hen hadden erop gehoopt dat voormalig lid Kathleen Aerts toch nog zou verschijnen, maar dat gebeurde niet.” In “Het Nieuwsblad” lezen we over de toekomstplannen van de voormalige K3-leden. Josje: “Ik wil zeker nog blijven zingen, en hopelijk horen jullie nog van mij. Maar ik denk dat het gezond is voor mezelf om dit allemaal eerst even te laten bezinken. Ik wil mijn tijd nemen om mijn weg te vinden. Voorlopig blijf ik ook gewoon in België wonen, maar ik sluit niet uit dat ik op een bepaald moment weer naar Nederland verhuis.” Kristel: “Ik blijf manager van de nieuwe K3 en ik maak voor Ketnet een programma rond kinderrechten. En zingen? Ik heb lang gedacht dat het moeilijk zou zijn om ineens in kleinere zalen te moeten optreden als ik een soloplaat zou uitbrengen, maar op de Nacht van de Televisie Sterren heb ik met mijn ventje (Gene Thomas, ndvr.) opgetreden, en toen had ik ineens iets van: Dat is ook wel leuk zo, met een ander publiek.”  Karen: “Buiten mijn tv-projecten wil ik natuurlijk nog blijven zingen! Ik zit thuis in onze studio regelmatig te experimenteren, maar ik verander nog de hele tijd van gedacht. Vroeger zei ik altijd dat ik een soloplaat wou maken met Ozark Henry, maar intussen vind ik ook Tourist LeMC heel goed en heb ik zin om die eens te bellen om hem te vragen voor mij een plaat te schrijven. Niets moet, er is geen druk.”

We moeten er nog even aan wennen, maar intussen vliegt de nieuwe K3 op eigen vleugels en laten Hanne, Marthe en Klaasje op vrijdag de 3de juni horen dat ze helemaal klaar zijn voor de nakende zomer.  Na het grote succes van hun album “10.000 Luchtballonnen”, waarvan er 285.000 exemplaren verkocht zijn, komen de meiden namelijk die dag op de proppen met het zomerse Ushuaia, de eerste single van hun nieuwe album, dat in het najaar zal verschijnen. In Ushuaia neemt K3 ons mee naar een wereld waar alles kan en waar het elke dag feest is! De nieuwe show wordt eveneens een groot feest, want je kan dan volop meezingen en dansen op hun grootste hits. Deze spetterende voorstelling kan je vanaf januari 2017 meemaken, maar met de release van Ushuaia wordt bekendgemaakt dat de ticketverkoop al vanaf begin juni van start gaat.

Het feest kan voor de drie meiden van K3 niet op, want op zondag de 21ste augustus 2016 krijgen zij uit handen van minister van media Sven Gatz de trofee “Radio 2 Zomerhit” overhandigd tijdens de liveuitzending op Eén en Radio 2 van “Radio 2 Zomerhit 2016″. K3 won eerder al met Heya Mama en Alle Kleuren. Deze keer was de eer weggelegd voor hun recente hit Ushuaia. “We hadden tijdens onze optredens de voorbije weken een beetje reclame gemaakt bij de fans om alvast voor ons te stemmen. Deze trofee is voor ons de kers op de taart na een geweldig jaar. In de zomer van 2015 namen we nog deel aan K3 zoekt K3 en een jaar later winnen we deze prijs. Onvoorstelbaar“, aldus Hanne, Klaasje en Marthe.

Vanaf 28 augustus 2016 zendt VTM elke zondag om 10.40 u. “Iedereen K3″ uit. Daarin nodigen Klaasje, Hanne en Marthe kinderen in de studio uit om hen kennis te laten maken met de wereld van K3. In iedere aflevering komt ook een BV langs, onder meer Kürt Rogiers, Laura Tesoro, dj Regi en Jelle Cleymans. Zij brengen elk een apart en opvallend verhaal mee. Woensdag de 9de november ligt het nieuwe K3-album “Ushuaia”in de winkel. Net zoals hun debuutalbum “10.000 Luchtballonnen”, bevat ook dit album twee cd’s, met daarop twaalf nieuwe liedjes en twaalf oude K3-klassiekers die Marthe, Hanne en Klaasje een make-over gaven. Dat wordt meezingen met onder meer De 3 biggetjes, Liefdeskapitein, Je hebt een vriend en Loko Le. Nieuw zijn onder andere On va danser, Boembiboem en Choco Choco. Aan de eerste reacties te horen is K3 hotter dan ooit! Donderdag 10 november 2016 brengt de 3 meiden een nieuwe single uit, baanbrekend mogen we wel zeggen. In Prinsesje en Superman, geschreven door Miguel Wiels, Peter Gillis en Alain Vande Putte, zingen de meisjes namelijk voor het eerst expliciet over het aanvaarden van homoseksualiteit en gendervloeibaarheid: je niet volledig thuisvoelen in één van de twee geslachten. “Waarom mag een jongen nooit prinsesje, waarom mag een meisje nooit superman zijn? Soms houden prinsesjes van prinsesjes. Hier bij ons mag iedereen zijn wie ze zijn!” Voor K3 geen probleem. “De directe aanleiding om die tekst te schrijven was de aanslag in Orlando”, zegt vaste tekstschrijver Alain Vande Putte. “Daarnaast speelde ook de bezorgdheid over tendensen die weer opduiken, terwijl we toch 2016 zijn. Veel kinderen zullen de komende jaren hun geaardheid ontdekken, en er zijn ook steeds meer gezinnen met ouders van hetzelfde geslacht. Wij zochten naar een K3-manier om dat aan te brengen.” Gert Verhulst verwacht wel kritiek. “Er zijn nog altijd mensen die homoseksualiteit verwerpelijk vinden, en in de VS sturen sommige ouders hun kinderen zelfs naar homokampen in de hoop dat ze daar genezen.”

Zaterdagavond, de 19de november 2016, werden in de “Ethias Arena” te Hasselt de “Story-Awards 2016″ uitgereikt. Grote winnaar van de avond was K3. Hanne, Klaasje en Marthe namen één jaar geleden de fakkel over van Karen, Kristel en Josje en zijn ondertussen razend populair geworden bij kinderen en hun ouders. De dames namen twee awards mee naar huis: “Zangeres van het jaar” en “Favoriete nieuwkomer”. Toeval of niet, Studio 100 viel onrechtstreeks nog een derde keer in de prijzen. Gert Verhulst werd immers door de lezers van Story verkozen tot “Man naar ons hart”.

Zaterdag 28 januari 2017 heeft in “Flanders Expo” in Gent de première plaats van de nieuwe K3-show, de eerste voor Hanne, Marthe en Klaasje op eigen benen. Ook deze keer loopt er een verhaal als rode draad door de show. “De kleuren van de regenboog zijn plotseling verdwenen! Zonder mooie kleuren kan K3 onmogelijk een vrolijke show geven. Met de hulp van Captain Space probeert K3 de kleuren terug te halen op de planeten Amoria, Smilus en Njammie. Maar daar is heel veel liefde, plezier en energie voor nodi. Gaat het K3 lukken om alle kleuren van de regenboog weer bij elkaar te krijgen? Hanne, Marthe & Klaasje zijn in de wolken met dit succes: “Dit hadden we nooit durven dromen! We geven zaterdag de aftrap in Gent, in een uitverkocht “Flanders Expo”, fantastisch! We brengen in primeur nummers van het nieuwe album “Ushuaia” en uiteraard ook onze allerbekendste hits.” De belangstelling is zo groot, dat er meteen beslist werd om twee extra shows te spelen in Antwerpen: op vrijdag 7 april om 14u. en om 17u. In de week van de derde tot en met de zesde april 2017 verving Bart Peeters, Lieven Van Gils in diens talkshow “Van Gils en gasten”, voor de gelegenheid “Bart & gasten” genoemd.  Donderdag de 6de  april nam Bart voor de laatste avond de honeurs waar en deed dat op een speciale manier. De uitzending stond deels in het teken van ”Iedereen tegen kanker”, de actie van Eén en Kom op tegen kanker waarbij Vlamingen worden opgeroepen om samen actie te ondernemen tegen kanker. Voor een zeer speciale samenwerking verliet gastheer Bart voor heel even de studio. Hij kreeg namelijk het idee om kankerpatiënten al zingend een hart onder de riem te steken. Bart zette zelf een actie op poten om samen met de meisjes van K3 de kinderen die in het UZ Gent op de afdeling kinderonco verblijven, met liedjes te verrassen. “Optreden voor kinderen die vechten tegen kanker is een heel intense ervaring. Op zo’n dag raak je doordrongen van respect voor de kinderen, hun ouders, broers, zussen en hun begeleiders.” Ook Klaasje, Marthe en Hanne van K3 waren onder de indruk van het bezoek: “Natuurlijk wilden we er samen met Bart voor zorgen dat de kinderen even alles konden vergeten en gewoon samen zalig liedjes zingen. Het was een intense dag met veel emotie, maar we hebben vooral veel lachende gezichten gezien.”

Dinsdag de 13de juni 2017 doet Kristel Vereecke de wereld kond dat zij stopt als manager van K3. Ik vond het fantastisch“, aldus Kristel, “om een brug te kunnen zijn tussen de oude’ en de nieuwe K3. Ik heb er enorm van genoten om te zien hoe snel Hanne, Klaasje en Marthe een hecht trio zijn geworden. Ze zijn helemaal klaar om samen met het Studio 100-team nieuwe verhalen te schrijven. Ik neem afscheid met veel trots en dankbaarheid voor de kansen en voor het vertrouwen dat ik gekregen heb. De beslissing werd in alle vriendschap genomen: de missie is geslaagd, de meiden zijn nu helemaal klaar om op eigen benen te staan. Wat mijn nieuwe uitdagingen betreft: dat is iets voor later. Eerst ga ik nog even genieten van een korte, welverdiende pauze.” Ook Gert Verhulst, Hans Bourlon en CEO Anja Van Mensel hebben alleen maar lovende woorden voor Kristel. “We zijn haar enorm dankbaar: zij heeft er -dankzij haar tomeloze inzet en onnavolgbare kennis- mee voor gezorgd dat K3 een mooi nieuw leven heeft. Ze geeft de fakkel nu door aan de ervaren artiestenmanagers bij Studio 100.”

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Bart Kaëll

Dertig jaar op de planken staan en hits scoren alsof je op het hoogtepunt van je carrière staat, dat is een korte schets van de loopbaan van Bart, want we moeten toegeven dat Kaëll nog altijd stevig in zijn hitschoenen staat. Met zijn single Onder de blote hemel, een cover van Voulez-vous danser grand-mère van Lina Margy, die daar in 1946 een hit mee had en dat in de jaren tachtig in Frankrijk een meezinger werd in de versie van Chantal Goya, geraakte hij in de maand mei van 2013 vlot tot in de Vlaamse Top Tien en was daarmee een tijdlang haast dagelijks te zien op Ment TV. Het nummer stond niet voor niets als eerste strook op zijn dubbele cd “Bart Kaëll Dertig”, waarmee hij zijn dertigjarige carrière in de bloemen wilde zetten met in het totaal dertig liedjes: tien gloednieuwe en twintig van zijn grootste hits, uitgebracht op het label Vlaamse Sterren, verdeeld door CNR Music Belgium. Op de bijbehorende hoes lezen wij: “In 2013 viert de eeuwig jonge Bart Kaëll zijn 30-jarige carrière. Omdat hij boordevol energie zit, componeert en schrijft hij volop teksten om nog een lang vervolg te schrijven aan zijn leven vol muziek.” Voor de nieuwe liedjes op dit album ging Bart aankloppen bij Patrick Vandewattijne, Ben Findon en Benito Di Paula. Hij covert Love really hurts without you van Billy Ocean in Met z’n tweetjes en Ein Mädchen für immer van Peter Orloff in Het leven is zalig. Een hit scoorde hij meteen met Kap’tein, een bewerking van Kaptein (Span die seile) van Kurt Darren, een liedje dat Bart ontdekte op het album “Uit die diepte van my hart” van deze Zuid-Afrikaanse zanger.

Barts levensavontuur begint de tweede augustus 1960 in Oudenaarde. Toen heette hij nog gewoon Bart Gijselinck. Hij woonde samen met zijn ouders in Ename, een deelgemeente van Oudenaarde aan de Schelde in de Vlaamse Ardennen. Bart heeft een zus die drie jaar ouder is dan hij en een broer die vier jaar voorop ligt. Papa Gijselinck is stukadoor, fysiek een niet te onderschatten beroep. Tijdens de vakanties mag Bart af en toe mee om wat bij te klussen. Een opvolger zit er in Bart niet in. Mama werkt eerst vijftien jaar lang bij een notaris en nadien als secretaresse bij de Kamer van Handel en Nijverheid in Oudenaarde. Wanneer papa na zijn job thuiskomt, geniet hij graag van de stilte. Zelfs tijdens het eten wordt er niet gepraat, iets wat Bart achteraf bekeken tijdens zijn jeugdjaren toch wel gemist heeft. Dus muziek klonk er ook niet zo vaak. Gelukkig was oma er. Daar trok Bart de woensdagnamiddag en vooral tijdens de vakantieperiodes naartoe omdat mama buitenshuis moest gaan werken. Oma maakte voor Bart van wol pruiken na zodat hij, ook al was hij nog maar een jochie van een jaar of vier, The Beatles kon imiteren. Het is op de radio van oma dat hij een hele rist liedjes oppikt. Later zal Bart nooit gaan dwepen met artiesten, hij is nog steeds een liedjesman. Als hij toch iemand moet aanduiden waarmee hij hoog oploopt, dan is dat met de Franse chansonnier Gilbert Bécaud. Als er in die tijd dan toch platen en cd’s werden gekocht, dan koos Bart voor het repertoire van Tom Jones, Barry White en 10cc en vooral dan hun hit I’m not in love. Over zijn studietijd is Bart vrij bondig. Hij begint bij de nonnetjes in Ename om vanaf het vijfde studiejaar naar het college in Oudenaarde te trekken, waar hij na zijn lagere school overstapt naar de afdeling wetenschappelijke B. Dit ligt Bart helemaal niet, hij is geen bètatype. Hij is eerder artistiek aangelegd en dus mag hij vanaf zijn zestiende naar de plastische afdeling in het Sint-Lucasinstituut in Gent. Zodra die middelbare schoolopleiding erop zit, wil Bart verder in de muzikale richting en slaagt er op zijn negentiende in, na een strenge toelatingsproef, voort te studeren aan het Herman Teirlinck Instituut in Antwerpen en leert daar de broodnodige knepen van het showbizzvak. Hij volgt de richting kleinkunst en theater omdat hij koste wat het kost zanger wil worden. Hij bekeek het ook technisch, als een echt vak. Zijn ouders hadden zo hun twijfels, maar aanschouwen het voorzichtig van op een verstandige afstand.

Via Het Laatste Nieuws en Joepie belandt Bart na zijn studies vrij snel aan de Vlaamse kust, waar hij terechtkomt bij de shows georganiseerd door de Nationale Loterij en leert op die manier de presentator van dienst, Luc Appermont, beter kennen. Bart kan als jobstudent aan het werk als animator en rolt op die manier de showbizz binnen. Dankzij Luc mag hij in 1982 deelnemen aan de “Baccarabeker” in het Casino van Middelkerke. Luc coacht de Limburgse ploeg, waarin naast Bart ook Daniël David en de meidengroep La Dolce Vita zitten. Tot groot jolijt van die Limburgse bende gaan zij dat jaar met de overwinning lopen. Bart krijgt daarnaast de prijs van het publiek toegewezen. Bart zong twee Franse liedjes van Michel Delpech, waaronder Chez Laurette. Een tijd later gaat Bart verplicht onder de wapens en beslist meteen na het afzwaaien door te reizen naar Parijs, want hij droomde ervan bij onze zuiderburen een carrière op te bouwen. Van kennissen bij de RTBF had hij een adressenlijstje gekregen met daarop de namen van enkele producers en platenfirma’s in de Franse hoofdstad. Hij huist daar in een studentenhome en schrijft zich in bij “Le Petit Conservatoire de Mireille”. Bart begint dan al te twijfelen omdat zijn dromen groter bleken dan de realiteit. Na enkele maanden keert hij naar Vlaanderen terug omdat hij in Parijs het bericht had ontvangen dat hij geselecteerd was voor deelname aan “Eurosong”. Er werden drie voorrondes georganiseerd, Bart kwam met het door hemzelf geschreven Symfonie in de tweede terecht samen met Gene Summer en Wim De Craene. Bart belandde in de finale in het gezelschap van Sofie, Wim De Craene, Yvette Ravell, Espresso, Marina Marcia en Pas de Deux, die met Rendez-vous naar het Eurovisiesongfestival in München mogen, waar zij op de achttiende plaats eindigen. Corinne Hermès gaat voor Luxemburg met de overwinning aan de haal dankzij haar liedje Si la vie est cadeau. Bart had zich voorgenomen dat, mocht “Eurosong” tegenvallen, hij meteen terug naar Parijs zou keren, maar er was plots zoveel vraag naar optredens dat hij wijselijk besloot het zekere voor het onzekere te kiezen. Stan Verbeeck van platenfirma Monopole haalt Bart over om Symfonie op single uit te brengen, maar de belangstelling daarrond was vlug verdwenen. Die samenwerking is van korte duur, want Bart stapt over naar platenfirma Carrère en krijgt daar Eddy Luyckx als producer toegewezen, die hem een liedje van Charles McLoughlin laat opnemen: Hello it’s me met op de B-kant Hallo dag Bart. In 1984 produceert Eddy samen met Bart Ze zeggen, geschreven door Pino Marchese en Bart zelf. De negende juni staat dat plaatje op zeven in de Vlaamse Top Tien. Bart moet nog altijd lachen als hij terugdenkt aan zijn single Snel rijen is zo dom als snel vrijen. Hij noemt het nu met de nodige afstand jeugdzonden. In 1984 krijgt hij tijdens Radio 2 “Zomerhit” de prijs van “Beste Solodebuut”. Vanuit Frankrijk attendeert de manager van Riccardo Cocciante hem op het nummer Lui sur son île, dat Bart vertaalt als Op mijn eiland, dat vooral op radio vaak gedraaid wordt. Bart heeft op dat moment een onderkomen gevonden bij Johnny Hoes, die wil dat hij het liedje opnieuw inzingt en dat er een ander koortje aan te pas komt. In 1985 wordt het in de Vlaamse Top Tieneen bescheiden hit.

Omdat Bart blijft zoeken, gaat hij dat jaar van start met de Nederlandse producer Peter Schön, bekend van zijn producties voor The Dolly Dots, Marco Borsato en Anita Meyer, die vindt dat Bart in het Engels moet zingen. Dat wordt een liedje van de heren Van Passel en Peter Schön zelf: It starts with a kiss. Ook deze keer blijft de echte respons achterwege. Het door hemzelf geschreven Een vogel ver van huis en het in 1986 in het Frans opgenomen Pourquoi t’oublies pas zijn vergeefse pogingen. Maar Bart houdt vol en scoort in 1986 met het samen met Penny Els, Els Van den Abbeele, geschreven meezingertje La Mamadora. Aanvankelijk heette het La Matadora, maar dat werd te ingewikkeld. Zij trekken eerst naar Parijs, waar Bart in een peperdure productie een Franse versie inblikt. Hij had een geldschieter gevonden die het wel wilde bekostigen. Omdat de platenfirma wil dat Bart in Parijs komt wonen om de plaat te promoten, aarzelt hij weer en keert naar Vlaanderen terug. Hier wordt de productie onder handen genomen door Francis Goya, die op de plaat ook de gitaar bespeelt. De achtentwintigste juni 1986 staat Bart ermee op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Ook de opvolger L’amore datomi doet het in die Vlaamse hitlijst niet onaardig.

In 1987 worden door de VRT elf kandidaten uitgenodigd om deel te nemen aan “Eurosong”, ook Bart! De finale wordt door Liliane Saint-Pierre gewonnen met Soldiers of love, maar Bart houdt een fijne herinnering over aan deze selectie voor het Eurovisiesongfestival, want hij eindigt in de finale op de tweede plaats met het door hem samen met Hubert Hugo geschreven liedje Carrousel. De elfde april van dat jaar staat hij in de Vlaamse Top Tien met dat liedje helemaal bovenaan. Bart is intussen verhuisd naar platenfirma EMI, waar hij liedjes krijgt aangeboden die geschreven werden door Bob Leverman, beter bekend als Robert Long. Met Amor amor laat Bart in 1987 duidelijk van zich horen, maar een echt grote hit wordt het singletje niet. Het jaar nadien neemt Bart van diezelfde Long het liedje Geloof in jezelf op. Met een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien is Bart best tevreden, maar hij weet dat hij beter kan, veel beter. Hij gaat heel nauw samenwerken met producer Roland Verlooven, bekend van zijn producties met Willy Sommers, Margriet Hermans en Clouseau, om er een paar te noemen. In 1989 veroorzaakt dat voor hem een grote ommekeer, te beginnen met De Marie-Louise, dat Roland speciaal voor hem had geschreven. Aan dat liedje is nog een apart verhaal verbonden. Het album was klaar toen zij vaststelden dat er nog een nummer ontbrak, want contractueel moesten er twaalf liedjes op de cd staan. Op vraag van Bart schrijft Roland nog snel een nieuw liedje in de stijl van Malle Babbe van Rob de Nijs én met in zijn achterhoofd dat het een wals moet zijn die het publiek kan meezingen. De dag nadien trekken zij naar Studio Impuls, waar zij samen met technici Wouter Van Belle en Peter Bulkens het liedje inblikken en afwerken. De Marie-Louise levert Bart zijn eerste gouden plaat op, de zestiende december 1989 een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien, een eenentwintigste stek in de Top Dertig de derde februari 1990 en eeuwige roem in Vlaanderen. Op zoek naar een ijzersterk nummer kwam Roland iets eerder op de proppen met Les gondoles à Venise, in Frankrijk een dijk van een hit geweest voor het zingende echtpaar Sheila et Ringo en door Paul De Schepper vertaald als Duizend terrassen in Rome. Die keuze is sterk, want de veertiende april 1990 stoot Bart door naar de tweede plaats in de Vlaamse hitlijst en noteert hij de vijfde mei een twaalfde plaats in de Top Dertig.  In de maand december van 1989 wordt zijn album “Bart Kaëll” uitgebracht, goed voor platina!

Raar maar waar, na deze cd gaat Bart met een andere producer werken. Roland wilde rusten en uitblazen. Voor VTM presenteert Bart de “Mini Playbackshow”, in Nederland gepresenteerd door Henny Huisman, waarin hijzelf telkens een kinderliedje zong. Van de hand van de Nederlandse producer Hans van Eijck op tekst van Herman Pieter de Boer neemt hij het liedje Zeil je voor het eerst op. Over een megahit gesproken. Van Eijck zou ook songs schrijven voor Helmut Lotti, Marco Borsato en Danny de Munk. In de Ultra Top Top Vijftig klimt Bart de achtste september 1990 met dat nummer naar de tweede plaats, zijn grootste hit ooit. In de Vlaamse Top Tien stond hij de achtentwintigste juli al op één. In de Reel Sound Studio en in Studio Arnold Mühren in Nederland gaat Bart het album “Gewoon omdat ik van je hou” inblikken. Dertien liedjes in het totaal. Qua teksten wordt er geschreven door Johan Verminnen, Bart Kaëll zelf, Herman Pieter de Boer, Bart Van den Bossche en Paul De Schepper. Het album levert nog vier singles op: Ik wil niet dat je gaat, Love me forever, Mooi om te zien en Isabelle. Love me forever en Mooi om te zien worden in de loop van 1991 telkens een nummer één in de Vlaamse Top Tien. Datzelfde jaar brengt hij in samenwerking met Radio 2 het Gordellied Ik gordel nooit zonder jou op de markt. Het album “Gewoon omdat ik van jou” gaat zo’n dertigduizend keer over de toonbank, goed voor platina. Van zijn platenfirma BMG/Ariola krijgt hij een speciale award omdat hij, sinds hij bij hen in 1989 onderdak had gevonden, al meer dan honderdduizend elpees en cd’s heeft verkocht.

Hij zal voor BMG nog één album inblikken en wel “In Kleur”, in 1992 geproduceerd door Bert Candries en opgenomen in Studio Impuls. Het is deze keer de Nederlandse schrijver Ellert Driessen die een drietal liedjes aanreikt en voorts nummers van Bart Kaëll, die hij samen met Bart Van den Bossche, Johan Verminnen en Paul De Schepper schrijft. Als voorbode van het album is er de single Papa ik kan zingen, goed voor een tweede plaats in de Vlaamse hitlijsten. Bart had intussen ook zijn handen vol met het presenteren van de populaire “Soundmixshow” bij VTM. Hij zal dat tien jaar volhouden tot hij op zijn veertigste te horen krijgt dat hij bedankt wordt voor bewezen diensten. VTM wil in 2000 verjongen en Bart krijgt het nakijken. Hij voelt zich afgeschreven.

Maar goed, we keren terug naar 1993 wanneer hij zijn muzikale avontuur bij platenfirma BMG afrondt en overstapt naar Sony/Columbia. Op dit label presenteert hij in een productie van Bert Candries dat jaar de cd “Dicht bij jou”, opgenomen in de bekende Galaxy Studio in Mol met aan de knoppen Wilfried Van Baelen. Op het album een rist nieuwe nummers geschreven door Bart samen met Penny Els, Marius Degeest, Mark Lambin en Johan Verminnen. Het reggaegetinte Mooi weer vandaag wordt als single gereleaset, waarmee Bart de negenentwintigste juli van dat jaar de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien inpalmt, wat hij iets later overdoet met de single Ik neem je in mijn armen en de ballade Moeder. In 1994 wordt er teruggeblikt op de cd “Het beste van Bart Kaëll”, twintig hits waar de fans tomeloos van kunnen genieten. Datzelfde jaar volgt Bart Kaëll bij VTM Walter Capiau op als presentator van het razend populaire “Rad van Fortuin”. Bart zal dit programma blijven presenteren tot in 1997.

Bart, die het theaterbureau van Piet Roelen als thuishaven heeft en in 1992 het duet Gek op haar had opgenomen met Roelens poulain Helmut Lotti, gaat vanaf 1995 samenwerken met een goede vriend van Piet, de Nederlandse producer Peter Koelewijn, die ook een stevige hand zal krijgen in de succesvolle cd-reeks “Lotti Goes Classic”. In een overgangsfase wordt zijn album “Nooit meer alleen” deels door Bert Candries en deels door Peter geproduceerd. De hoogst genoteerde single hieruit wordt het zomerse Samen in de zon op een tekst van Frank Dingenen, de eenentwintigste juli goed voor een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. De hit Right back where we started from van Maxine Nightingale, geschreven door J. Vincent Edwards, vertaalt Penny Els als Een, twee, drie. In 1997 is er het album “Dag en Nacht” met op de Dag-cd tien liedjes en op de Nacht-cd drie. Qua productie wordt het wat sleutelen en puzzelen, want die opdracht wordt verdeeld over Fonny De Wulf, Phil Sterman en Peter Koelewijn. Er wordt in ons land opgenomen in de Foco Studio in Waasmunster, in de Sterman & Cook Studio in Damme en in de Fendal Sound Studio in Nederland. In het boekje dat bij de cd hoort, schrijft Bart: “Honderd hoge bergen zijn toch te klein voor mij, niets zal me tegenhouden, want jij bent mijn ster en die leidt mij van ver!” Samen met de Nederlandse zangeres Glennis Grace zingt hij Eenzaam zonder jou als duet. Voor de Vlaamse markt neemt hij dat nummer opnieuw op, deze keer samen met Lisa del Bo. Die versie met haar staat de achttiende februari 1998 op één in de Vlaamse Top Tien. De singles Stapelgek op jou, Een nieuw begin en Ik leg de sleutel op de mat geraken wel tot in de Vlaamse hitlijsten, maar kunnen zich niet meten met zijn voorgaande hits. Wel mogen we het liedje Heb jij een vuurtje voor mij niet vergeten, dat geschreven werd door Han Kooreneef, die ontiegelijk veel voor Marco Borsato zou schrijven, en dat bijvoorbeeld door Radio 2 vaak gedraaid werd, dus gerust een radiohitje genoemd mag worden. De negentiende december zendt VTM de special “Varen tussen Noord en Zuid” uit. Dat is ook de titel van zijn nieuwste cd. Bart is maar weer eens van platenfirma gewisseld en heeft onderdak gevonden bij Play That Beat, die al garant hadden gestaan voor het succes van Get Ready en voor Mama’s Jasje. Zij koppelen Bart opnieuw aan zijn vroegere producer Roland Verlooven, die opnieuw in Studio Impuls gaat opnemen. Charles Aznavour wordt vertaald, net als Roger Whittaker, John Denver, Sailor en zelfs Boney M. De zee en het varen op zee staan centraal in dit album, dat frisser dan fris klinkt. Maar de echte hits blijven uit, ook al wordt een vertaling van de Freddy Quinnhit Junge komm bald wieder als eerste single uitgebracht. In 1999 treedt Bart heel veel op in het raam van 15 jaar Bart Kaëll met in de nasleep daarvan het album “15 jaar”.

In 2000, en dat valt hem zwaar op de maag, moet hij verwerken dat Kürt Rogiers hem zal vervangen als presentator van de “VTM Soundmixshow”. Bart voelt zich, zoals we al eerder schreven, uitgerangeerd, maar hij verliest de moed niet, al heeft hij zware twijfels over de liedjes die hij moet opnemen. Hij wordt door Play That Beat eerst gekoppeld aan de Nederlandse fluitiste Berdien Stenberg met bewerkingen van bekende klassieke liedjes – Helmut Lotti en zijn “Classics” zijn niet ver uit de buurt – maar dat project wordt afgeblazen en Bart wordt aan Vanessa Chinitor gekoppeld. Het is pokeren wat de keuze van de liedjes op het album “Costa Romantica” betreft. Het is John Terra die zich over de productie ontfermt. Er wordt deze keer in de studio’s The Groove en Galaxy opgenomen. Het eindresultaat zijn covers van onder meer Comme j’ai toujours envie d’aimer, dat als eerste single in de markt wordt gezet, gevolgd door de liedjes I got you babe van Sonny and Cher en Weer naar zee, een cover van een Griekse evergreen. Voor deze gelegenheid zingen Bart en Vanessa niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Engels en het Frans. Achteraf bekeken is Bart niet tevreden over het resultaat en had hij dit album als project liever overgeslagen. Een regelrechte hit in het programma “Tien om te Zien” tijdens de zomer van 2002 is het superzomerse nummer Beetje bij beetje, dat ook een hitje wordt bij Radio 2. Het nummer heeft zo’n latinogehalte dat Belle Perez de Spaanse tekst schrijft en Bart blikt het in als Poco a poco. Hij staat dan op stal bij platenfirma CNR. In 2004 rondt hij het jaar af met optredens tijdens de “Caals & Van Vooren Winterrevue” met onder meer Wendy Van Wanten.

Op zoek naar de geschikte producer komt Bart in 2006 terecht bij de man die hem perfect aanvoelt, Patrick Vandewattijne, die intussen dankzij zijn aanpak Laura Lynn tot schlagerkoningin van Vlaanderen heeft gekroond. Bart schrijft zowel tekst als muziek voor zijn bescheiden terugkeer in de Vlaamse Top Tien met het nummer ‘t Is volle maan vannacht. Bart gaat voluit voor de polonaise en het meezingen. Hij krijgt van Radio 2 tijdens “Zomerhit” van dat jaar de speciale prijs “Vlaams Ambiancemaker”. De dertigste en eenendertigste maart en de eerste april van 2007 staat hij samen met Benny Neyman en Dennie Christian de longen uit zijn lijf te zingen tijdens het “Schagerfestival” in de Ethias Arena van Hasselt. Daar zal hij vijf jaar later opnieuw staan, deze keer geflankeerd door onder anderen Frans Bauer en Dana Winner. De Antwerpse Zuiderkroon wordt in 2008 het decor van de vieringen “25 jaar Bart Kaëll” met een groots concert. Platenbaas Patrick Busschots weet hem over de streep te trekken een platencontract te tekenen bij zijn firma ARS. Dat wordt niet alleen gevierd met de dubbelaar “Het beste van Bart Kaëll – 25 jaar hits”, goed voor veertig megasuccessen. Om dit album aan de pers voor te stellen, stapt hij te voet van Leuven naar Scherpenheuvel. Op dat album ook zijn gloednieuwe nummer één in de zomer van 2008 Dansen in Bahia, geschreven door Peter Keereman in een productie van Patrick Hamilton. De zongebruinde latinogetinte Kaëll is terug van weggeweest. Waar alleen maar zijn intieme vrienden van op de hoogte zijn, is dat Bart met een depressie kampt en daarvoor psychologische hulp gaat opzoeken. Hij kampt met angst- en huilbuien, maar trekt zich op aan zijn optredens. Hij weet wel dat hij stilaan wat gas moet terugnemen, aanvaarden dat hij een jaartje ouder wordt en dat succes niet vanzelfsprekend is. Tevreden zijn met iets minder, is ook al gek en hectisch genoeg. In het programma “Reyers laat” zal hij in de maand mei van 2013 zonder omwegen toegeven dat hij na die depressie bewuster is gaan leven en veel gelukkiger is geworden. In 2009 probeert Bart een gooi naar de Vlaamse hitlijsten met een cover van Donder en bliksem van Guus Meeuwis, maar die poging kon beter! Hij is erg blij dat hij de drieëntwintigste april van dat jaar in het Sportpaleis van Antwerpen op de affiche van “Houden Van… Griffel Rock” staat met naast hem Vader Abraham, Nicole en Hugo, Micha Marah en Jelle Cleymans.

Een lekkerbek als hij is en culinair degelijk onderlegd, waagt Bart zijn kansen als hobbykok in 2010 in het populaire VTM-programma “Masterchef”. In de spannende finale neemt Bart het op tegen Axel Daeseleire en Sabine Appelmans, die uiteindelijk als keukenprinses met de eer mag gaan lopen. Bart trakteert zichzelf en zijn fans op een nieuw album “Hallo, hier ben ik”. Bart schrijft samen met producer Phil Sterman het merendeel van de liedjes en covert daarnaast Hello good morning van Nick MacKenzie en Ich würd’ es wieder tun van Udo Jürgens. Een wat opmerkelijke mix en ergens toch weer een zoektocht naar de juiste hit. De negentiende juni 2010 staat Bart in de Vlaamse Top Tien op twee met het door hem en Henk Van Broekhoven geschreven liedje Hallo goeiemorgen, de eerdergenoemde cover van Hello good morning. Ook goedemorgen wordt er door de goegemeente in Vlaanderen gezongen wanneer zij de eerste juli 2012 in Het Laatste Nieuws verneemt dat sinds jaren Luc Appermont en Bart een koppel vormen. Al die jaren bleef dit een goed bewaard geheim omdat de journalisten er nooit naar vroegen, reageerden beiden. Jarenlang hadden zij er alles aan gedaan om hun relatie verborgen te houden en om zich toch maar niet te hoeven outen. De jaren voordien koketteren beiden elk apart met hun zogeheten vriendinnetjes, maar dat is maar voor de schijn. In 1994 staat er in de Wie is Wie in Vlaanderen bij Luc “houdt van Bart Kaëll” vermeld en bij Bart “houdt van Luc Appermont”. Maar in de pers wordt hier unaniem geen gevolg aan gegeven. De Vlaamse pers blijft keurig en braaf. De negenentwintigste mei 2013 zijn Bart en Luc bij VTM samen de eregasten in “Manneke Paul” van Paul de Leeuw. Het is de allereerste keer dat Vlaanderen hen als koppel op het scherm ziet en dat zij ongedwongen over hun relatie praten.

Samen met Bart Herman schrijft Kaëll in 2010 in zijn bekende meewiegende zeemansstijl, om het kind een naam te geven, Mee met de wind. Eerlijk gezegd had zijn platenfirma er meer van verwacht, want de wind is niet krachtig genoeg om het liedje verder te loodsen dan een vijfde plaats in de Vlaamse hitlijsten. Niet getreurd, een nieuwe plaat, een nieuwe kans, en dat wordt de single Elke dag een beetje mooier, getekend Bart Kaëll met als bekroning een derde plaats in de Top Tien. Ook een derde plaats wordt toebedeeld aan de opvolger, het hupse en speelse Beetje gek, ook deze keer een eigen creatie van de heer Kaëll. De meeste van deze liedjes staan verzameld op zijn album “Hallo hier ben ik”, dat in 2011 op het label Vlaamse Sterren, een sublabel van CNR, wordt verdeeld. ARS is intussen uit het zicht verdwenen, maar producer Phil Sterman blijft aan het roer. In Zuid-Afrika stoot Bart, zoals u aan het begin van deze bio al kon leren, op het Afrikaanse liedje Kaptein (Span die seile) van Kurt Darren, dat als Kap’tein op tekst van Bart en bewerkt door Phil de achtentwintigste april 2012 op één in de Vlaamse Top Tien piekt. Geheel onverwachts komt hij nadien op de proppen met een bewerking van Sous le ciel de Paris, dat hij als Onder de blauwe lucht van Parijs in duet met Mieke zingt. Het nummer wordt geproduceerd door de man van Mieke, Marc De Coen. De videoclip is vaak te zien op Ment TV, maar wordt geen hit. Dat is wel het geval met Onder de blote hemel, een wat ondeugende bewerking door Bart van de Franse evergreen Voulez-vous danser grand-mère. Deze keer bereikt hij nog maar eens de derde plaats in de Vlaamse Top Tien van het voorjaar 2013. In de maand augustus klimt hij eveneens naar drie, deze keer met Met z’n tweetjes, een vertaling van Love really hurts without you van Billy Ocean.

In 2014 brengt hij ‘t Is te vroeg uit, een nummer dat hij samen met Patrick Vandewattijne schrijft, maar zonder stof te doen opwaaien in de Vlaamse Top Tien. Dat doet hij enkele maanden later wel met het door hemzelf geschreven Het is feest!, goed voor een tweede plek de achtentwintigste juni van dat jaar. In de loop van de maand mei 2015 staat Bart op zeven in de Vlaamse Top Vijftig met Zeg hallo, een verrassende cover van Say hello van The Sol, een Amerikaanse hiphop-artiest. De single doet het uiteindelijk minder goed dan aanvankelijk verwacht. Woensdag de 24ste juni 2015 wordt in het gezelschap van Will Tura tijdens een persconferentie in Blankenberge de cd “Vlaanderen zingt Tura” voorgesteld. Bart bewerkt voor dit album M’n winterroosje, een van de bekendste Turaklassiekers. De eerste december 2015 lanceert Bart de single Chez Laurette die hij opdraagt aan zijn partner Luc Appermont. In het Eén programma “Het Huis” waarin Luc als centrale gast verrast werd door de plotse aanwezigheid van Bart, zong die speciaal voor Luc aan het kampvuur, zichzelf begeleidend op de piano, Chez Laurette van Michel Delpech. Op dat fragment kwamen erg veel reacties. Voor Bart is het liedje niet nieuw, want hij zong het al in 1982 tijdens zijn deelname aan de “Baccarabeker”. Hij zette het eerder ook al op plaat in een vertaling van Johan Verminnen. Op de nieuwe singleversie houdt Bart het sober: hij, zijn stem en zijn piano. De opbrengst gaat naar de Music for Life-actie van Studio Brussel. “Het hoeft niet altijd De Marie Louise te zijn“, voegt Bart er lachend aan toe!

Eind mei 2016 lanceert Bart een Frans liedje met een Nederlandstalige tekst, C’est si bon. Hij heeft zowel de tekst als de muziek hiervan zelf geschreven. Zaterdag de 28ste mei stelde hij het in avant-première voor in het programma De Zoete Inval op Radio 2. Bart liet toen weten dat zijn 82-jarige moeder in ieder geval een grote fan is van zijn nieuwe zomersingle.

Het heeft vier jaar geduurd, maar eindelijk is het zover. De 17de maart 2017 brengt Bart op het Sony-label een nieuw album op de markt “In ‘t nieuw”. Hij stelt deze in primieur voor in “Centrum De Ronde van Vlaanderen” in zijn geboortestad Oudenaarde, een plek die hem na aan zijn hart ligt. Als rode loper bracht Bart de 28ste januari 2017 al de door hemzelf, samen met Filip Martens, geschreven single Ik kan het niet geloven uit. Op dit nieuwe album enkele akoestische songs waarmee Bart terug wil keren naar de essentie zoals onder meer ook te horen op het recente album van Justin Bieber. Als meest opvallend nummer noteren we Peizde nog aan mij?, gezongen in het Oudenaardse dialect en opgedragen aan Barts eerste liefde “Zij was wel degelijk een meisje”, aldus Bart, “en woont momenteel in Dubai. Ooit zal ze het wel te horen krijgen!”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc

Zjef Vanuytsel

Zjef Vanuytsel behoort volgens velen tot de belangrijkste liedjesschrijvers van de voorbije decennia. Zijn debuutplaat ‘De Zotte Morgen’ uit 1970 was een stijlbreuk met het toenmalige Nederlandstalige kleinkunst/troubadour-genre en zette zich resoluut af tegen de toenmalige schlager- en balmuziek. De Zotte Morgen kan misschien wel beschouwd worden als de eerste echte volwassen chansonplaat in Vlaanderen en is zeker een mijlpaal binnen de Nederlandstalige muziek. Enigszins in contrast daarmee citeren we, en plaats deze uitspraak binnen de tijdssfeer van toen, namelijk 1974, Pol Van Mossevelde in zijn boek “Met toeters en bellen”: “Zjef Vanuytsel is iemand die geleidelijk aan wist te reveleren in het spoor van Boudewijn de Groot met eigen teksten. Teksten die even vlinderend en romantisch zijn als datgene wat de troubadours voor hem op het podium brachten. Hij wist dat echter te verbergen door het jargon van de nieuwe generatie te hanteren. Daarbij viel vooral het timbre van zijn stem  en de melodische uitwerking van zijn liedjes op.”

Zjef Vanuytsel werd de zesde juli 1945 in Mol geboren onder het sterrenteken Kreeft: een fijngevoelig iemand, wat introvert, erg kunstzinnig, iemand die zijn gevoelens opkropt om ze nadien in een haast ongecontroleerde bui de vrije loop te gunnen. Hij moest thuis de aandacht delen met zijn zeven jaar jongere zus. Vader werkte in een fabriek in Kwaadmechelen en moeder was zelfstandige vroedvrouw die er thuis ook nog een winkel in babykleding en accessoires opna hield. Zjefs vader hield zich in zijn vrije tijd bezig met het organiseren van bonte avonden. Hij schreef sketches en liedjes die hij voorzichtig met de anderen meezong, want aan zangtalent ontbrak het hem compleet. Enkele leden van de plaatselijke fanfare begeleidden hen. Om de vier à vijf maanden werd er in het dorp zo’n bonte avond georganiseerd en zat Zjef op de eerste rij. Vader schreef grappige verhaaltjes en presenteerde die ook. Langs moeders zijde werd er vooral door de tantes duchtig op los gezongen. Thuis stond de radio dan wel aan, maar het duurde tot Zjef zo’n jaar of veertien was vooraleer hij aandacht aan de muziek ging besteden. In het lager onderwijs mocht hij wel regelmatig vooraan in de klas een liedje voorzingen dat hij van zijn vader had geleerd. Van de gitarist van de groep die de bonte avonden begeleidde,  leerde Zjef zijn eerste akkoorden.

Al snel bleek op school dat Zjef een slimme jongen was, iemand die gemakkelijk studeerde. Zjef had al als kind snel de amusementsmicrobe te pakken, want in de lagere school in Meerhout (in de buurt van Mol) moest hij regelmatig voor de klas zijn medeleerlingen amuseren. Hij herinnert zich nog hoe hij tijdens zijn lagereschoolopleiding op de treden voor de klas volksliedjes mocht zingen die hij van pa had geleerd. Na de lagere school wordt Zjef intern op de middelbare school in Hoogstraten, waar hij de afdeling Latijn-Grieks gaat volgen. In zijn streek werd er naarstig naar goede leerlingen gezocht die daar met open armen werden ontvangen. Dat internaat bleek voor hem, achteraf gezien, een ware zegen! Zjef werd daar verplicht te studeren, hij kon niet anders. In Hoogstraten lag het niveau hoog. Meegenomen was echter dat je er op creatief vlak je ding kwijt kon: schilderen, musiceren, sporten. Zjef kon in zijn jonge jaren een niet onaardig partijtje voetballen, een bezigheid die hij aan de kant schoof toen hij met toneelspelen begon en boeken lezen. Over die periode zegt hijzelf: “Het was zeker niet mijn gelukkigste tijd, alleen al door het spartaanse regime van het instituut, maar mee mogen werken aan de jaarlijkse theatervoorstellingen, waar we onder andere stukken van Tolstoj opvoerden, was een grote eer, de ultieme wens van veel stuidemakkers. Je voelde je behoorlijk uitverkoren.”

Tijdens zijn middelbare studies schreef Zjef zijn eerste liedjes. Meestal Nederlandstalige teksten op bestaande Engelse hits. The Beatles boeiden hem en qua kleinkunst vooral Jaap Fischer. Wanneer hij op zekere dag Jacques Brel op televisie ziet, staat hij als aan de grond genageld. De thema’s, de teksten, de passie waarmee Brel zingt, grijpen Zjef meteen naar de keel. Veel later zegt hij over Brel: “Voor mij hoort hij bij de allergrootsten. Ik was zo graag met hem eens een nachtje doorgezakt om zijn kijk op de dingen te horen. Ik heb wel de eer gehad hem eenmaal te ontmoeten, hoewel hij toen al niet meer zong. Het was ter gelegenheid van een benefietavond voor de toenmalige, bijna  failliete “Ancienne Belgique”. Ik herinner het me nog goed: voor mij op de eerste rij zat prinses Paola, omringd door haar hofhouding, achter mij een symfonieorkest en ik daartussen in de schijnwerpers, met alleen maar mijn gitaar en met een minimum aan monitoring. Knikkende knieën, klamme handen en zenuwen die door je keel gierden. Ik heb na afloop met Brel enkele blikken en woorden van verstandhouding gewisseld, als reactie op het overdreven protocollair gedoe op het einde van de voorstelling.”

Na zijn middelbare studies trekt Vanuytsel naar het Sint–Lucasinstituut in Brussel om daar architectuur te gaan studeren. In de jaren zestig een licht rebels broeinest waarnaar heel wat creatieve geesten hun weg vinden. Zjef was altijd al met tekenen bezig, zo gewoon vrij uit de pols. Het PMS kon uit de proef ruimtelijk inzicht afleiden dat hij talent had om architect te worden en omdat Zjef toch niets anders voor ogen had, ging hij met dat voorstel meteen akkoord. Tijdens die studiejaren geraakt hij verknocht aan de muziek van de jonge Bob Dylan en de Angelsakische hits van het moment. Liedjes schrijven was voor Zjef niet zo gemakkelijk, want je had in die tijd qua voorbeelden niet veel helden in het Nederlandstalige gebied rondlopen. Aanvankelijk houdt hij het bij een bluesgetint repertoire waarmee hij schoorvoetend optreedt en durft almaar vaker eigen liedjes te zingen. Het stond voor Zjef wel van in het begin vast dat hij in het Nederlands zou zingen. In een interview met “De Morgen” in de zomer van 2007 zegt hij reflecterend daarover: “Ik vond dat vanzelfsprekend. Wij waren de kinderen van de laatste generatie die men nog had proberen te verfransen en wij zochten naar onze eigen identiteit. Maar zelf ben ik nooit een flamingant geweest en ik had ook niet het gevoel dat het Frans me werd opgedrongen. In Hoogstraten, waar ik op de humaniora zat, was taal een prioriteit. Daar stond men erop dat er Algemeen Nederlands zou gesproken worden en werd ons de liefde voor literatuur bijgebracht. Ook de Franse literatuur. Ik vind het nog steeds een prachtige taal. Bovendien, in Frankrijk eren ze hun chansonniers. Dat ligt hier toch wel anders.”

Vanaf het midden van de jaren zestig, nog voordat hij zijn eerste plaat had opgenomen, kan Zjef al rekenen op zijn eerste schare fans. Radio 1-producer Jan Geysen heeft hem daarbij meer dan zomaar een handje geholpen. Radio 1 was van plan enkele opnamen van nieuw talent dat ze hadden ingeblikt op een compilatie-elpee uit te brengen, maar platenfirma Philips vond het beschikbaar oeuvre van Zjef Vanuytsel zo goed dat ze een ganse elpee met hem wilden opnemen. In 1968 krijgt Zjef van hen een contract aangeboden. Ze kijken rustig de kat uit de boom, zo wil Zjef het toch, want hij wil de juiste songs op die plaat zetten en een deel daarvan moet nog geschreven worden. Zjef is een perfectionist en laat dat meteen voelen. Hij laat zich niet de les lezen door de directie, van welke platenfirma dan ook. Zij wachten twee jaar en vinden dan de tijd rijp om een eerste elpee op te nemen waarvoor Frans Ieven, later algemeen directeur VRT-radio, de voor die tijd opvallende arrangementen  schrijft. Producer van dienst is Roland Verlooven en technicus Paul Leponce.  Zjef zat net midden in de examenperiode en moest ook nog zijn eindwerk afronden. Dat werd non-stop alles op alles zetten. Meteen na dat examen en vlak voor zijn eindproject klaar moest zijn, wordt tijd geruimd om het album op te nemen. Dat eindwerk wordt koudweg drie weken aan de kant geschoven. In de studio kunnen ze beschikken over een viersporenbandopnemer, met alle beperkingen van dien, maar die zorgt ervoor dat er niet te veel snoepjes voor het oor aan de opnamen worden toegevoegd en dat alles eerlijk en direct klinkt, wat de liedjes van Zjef ten goede komt. Twaalf liedjes worden ingeblikt met voorop als earcatchers De Zotte Morgen en Houten Kop. Die liedjes wisselden pas van plaats nadat Roland op de idee kwam die nummers in elkaar te laten overvloeien als betrof het een conceptelpee. De Zotte Morgen schreef Zjef deels op de trein van Brussel naar Mol. Na zijn middelbare studies op internaat kon hij in Brussel lekker uitbreken, kwam hij in een ongelooflijke sfeer van zich vrij voelen terecht. Op stap gaan met je vrienden en zuipen tot in de vroege uurtjes, terwijl in de buurt van het Noordstation de eerste reizigers arriveren en zich oplossen in de drukte van toeterende auto’s en overvolle trams. Dat maakte op hem, een jongen geboren in de stille Kempen, een enorme indruk, die hij koste wat het kost in een tekst moest gieten. Voor zijn vrouw, die hij in Brussel had leren kennen waar zij de afdeling binnenhuisarchitectuur volgde en met wie hij in 1969 trouwt, schreef Zjef het beklijvende Ik weet wel m’n lief en al even opvallend op die eerste elpee is de song Hop Marlène, een lied  dat in een tangoritme was geschreven, maar uiteindelijk in een soort hot–club-de-France- stijl werd opgenomen, en het kritische High Society, op aanraden van Frans Ieven en Roland Verlooven.

Het album “De Zotte Morgen” gaat meer dan honderdduizend keer over de toonbank, goed voor platina dus. Zjef is op dat moment nog maar vijfentwintig. Het spreekt voor zich dat hem dat niet koud laat. De optredens rijgen zich aan mekaar. Om zijn architectendiploma te gelde te maken, vindt Zjef niet het geschikte moment en bergt het dan maar op voor later. Zijn ouders fronsen hun wenkbrauwen, maar het overweldigende succes van hun zoon compenseert hun ontgoocheling meteen. Hij profiteert van het feit dat aan het begin van de jaren zeventig de jeugdclubs en de culturele centra als paddenstoelen uit de grond schieten. Van de ene uithoek in Vlaanderen naar de andere reizen, is wekelijkse kost. Hij palmt zijn publiek in met zijn wat hese stem en zijn bijna in parlandovorm gebrachte melodieën. Wel merkt hij in het begin dat hij wat moet uitkijken met zijn teksten in een nog relatief  conservatief Vlaanderen. De chansongeneratie was jong en rebels en de brave dorpspastoor of onderwijzer had het daar niet altijd even makkelijk mee. Een organisatie als het Davidsfonds weerde hem zo nu en dan. In heel wat artikels uit die tijd en ook in ons interview voor Radio 2 zei Zjef daarover: “Ik trad tot midden de jaren zeventig op in kleinere theaterzalen en in jeugdclubs. Die werden door vrijbuiters uitgebaat en door de plaatselijke notabelen als oorden van verderf beschouwd. Ik speelde toen wel twintig keer per maand en na het optreden mengde ik me tussen het publiek. Dat hoorde erbij. Aan de toog werden dan breedvoerige discussies gehouden en die liepen meer dan eens uit. Ik was in die dagen een nachtuil zonder echt goed met drank overweg te kunnen. Ik hou immers van het leven, het is toch meer dan werken alleen.” Zjef was op dat moment een rijzende ster aan het Vlaamse kleinkunstfirmament, al hield hij niet zo van die term. Die spande te zeer als een keurslijf om hem heen. Nog steeds houdt hij er niet van een rist Nederlandstalige liedjes onder één noemer te plaatsen. Aan het begin van die boeiende jaren zeventig had je in Vlaanderen het aanstormende talent Johan Verminnen die de kop boven water stak. Samen met hem, Jan De Wilde, Raymond Van het Groenewoud en Kris De Bruyne voelde Zjef een band. Zij waren allen op zoek naar een nieuwe klankkleur in het Nederlands. Dat linkte hen aan elkaar. Zij voelden de behoefte om liedjes te maken met meer inhoud, met andere invalshoeken dan je door de bank hoorde. Volgens Zjef was Vlaanderen nog een braakliggend land, waar de muzikale voorgeschiedenis niet verder reikte dan Cor Vander Goten en Miel Cools. Dat waren tot dan toe hun Vlaamse schoolvoorbeelden. Het was aan de nieuwe lichting om een eigen richting te zoeken. Soms liep die zoektocht met een sisser af en sloegen ze een andere richting in, al liet Zjef in menig interview graag optekenen dat ze er toen in geslaagd zijn de polsslag van de tijd te vatten. In het programma “Tijdgenoten” van de vijfentwintigste juli 2004 zei Johan bij Radio 1 over Zjef welgemeend het volgende: “Net voor ik begon, was Zjef al een ster. Hij zong op de eerste avonden waar ik ging kijken naar zangers. Kort daarna ben ikzelf begonnen en ik vind nog altijd dat de eerste plaat “De Zotte Morgen” een mijlpaal is in de wereld van het Nederlandstalige lied. Zjef had enorm veel succes. We kunnen ons echt niet meer voorstellen hoeveel. Hij was samen met Boudewijn de Groot de meest succesvolle singer-songwriter in ons land.”

Net toen het succes van zijn eerste elpee de kop opstak, moest Zjef naar het leger. Een periode waar hij niet zo gelukkig op terugkijkt. Gelukkig had hij een commandant die van muziek hield. Eenmaal die periode achter de rug, kon hij zich voor het volle pond met zijn zangcarrière bezighouden en aan een rist live-optredens beginnen, want zijn agenda puilde letterlijk uit. Zjefs prijzenkast raakt rijkelijk gevuld, onder meer in 1970 met de “Erasmusprijs” en het jaar nadien met de “Grote Prijs van de Belgische Variété-critici”. Ook Nederland reageert op het succes van De zotte morgen. Zjef gaat daar in enkele kleinere clubs optreden, maar bij gebrek aan een manager moet hij de klus alleen klaren en dat is van het goede iets te veel. Op uitnodiging van Willem Duys treedt hij op in diens populaire tv-show “Voor de vuist”. Daar blijft zijn buitenlandse poging niet bij. Enkele liedjes worden in het Duits vertaald door Thomas Woitkewitsch, die zijn kunnen al bewezen had door Herman van Veen van Duitse teksten te voorzien. “Eind jaren zeventig hadden we contact met Thomas gekregen. We geloofden echt in een doorbraak in Duitsland. Maar zoiets moet je een paar jaar geduldig voorbereiden. Dat is toen niet gebeurd. De ambitie was ontoereikend en ik twijfelde aan mijn zangcarrière.” Wel werd Zjefs Ik weet wel m’n lief in het Duits vertaald, maar het Duitse succes werd niet wat hij ervan verwacht had.

Misschien zijn we het uit het oog en het oor verloren, maar samen met het orkest Il Novecento onder leiding van Robert Groslot blikt Hans de Booij in 1992 voor zijn cd “Vlaamse Helden” een cover in van De zotte morgen. Zotte Morgen heet de cover die Dirk Blanchart in 1998 opneemt voor zijn album  ”Schietstoel”. Hij wordt in dit nummer begeleid door drummer César Janssens, basgitarist Vincent Pierins en gitarist Fritz Sundermann. Een jaar eerder had Dirk Denoyelle voor zijn album “De kleinkunstwereld van Dirk Denoyelle” samen met Zjef een bewerking geschreven van De zotte Morgen met als titel De Zoo van Morgan. Het nummer De massa wordt op single uitgebracht en staat de dertiende januari 1973 op acht in de Vlaamse Top Tien. Vijf jaar later vinden we dit nummer pas terug op de elpee “De stilte van het land”.  Zjef heeft een paar jaar gewacht, om precies te zijn tot in 1973, om uit te pakken met zijn tweede album “Er is geen weg terug”, in een productie deze keer van Frans Ieven. Hij krijgt in de studio de muzikale ruggensteun van onder anderen Firmin Timmermans, Jean Blaute, Philippe Malfait, Roger Van Hanverbeke en Frans Ieven, die de basgitaar en het orgel voor zijn rekening neemt. De opname klinkt professioneler, het studentikoze is wat verdwenen en heeft plaats geruimd voor akoestisch gitaarwerk en het toetsenwerk van Jean Blaute. Ieven staat er tijdens de opnamen op dat elke song een natuurlijke klank krijgt. Het klinkt achteraf alsof er live werd gespeeld. De kritiek is echter verdeeld. Wanneer in 2007 zijn verzamelbox verschijnt, schrijft Zjef in het bijbehorende boekje daarover: “Ik wou in de eerste plaats niet in herhaling vallen. We waren jong en we beschikten over beperkte middelen. Ons doel was boeiende liedjes in het Nederlands te maken. We waren geen gladde jongens die het gat in de markt hadden gevonden. We begeleidden onszelf op de gitaar omdat we de nummers ook zo schreven. Het was vanzelfsprekend, handig en vooral betaalbaar, en je vond indertijd niet op een-twee-drie losse studiomuzikanten zoals nu. En als je nu, zoveel jaren later, luistert naar het beste dat toen de opnamestudio’s verliet, is dat nog altijd niet niks.” Op “Er is geen weg terug” serveert Zjef twaalf liedjes met naast de titelsong onder andere Zal je dan nog voor me zorgen, Toch is ze zo lief, De idioot van de vrede, Langs de spiegels van de tijd en Omstreeks middernacht. Het is opnieuw een sfeerplaat, maar er klinkt wat meer weemoed tussen de groeven. De liedjes zijn intiemer, minder toegankelijk, en twijfel en onzekerheid zijn in de teksten geslopen. Het succes is nog groot, goed voor een gouden exemplaar, maar steekt toch wat af tegen de monsterverkoop van zijn eerste plaat. Ook al moet hij er een tijdje op wachten, het is wel leuk wanneer Zjef zijn eerste auteursrechten int. In ons interview vertelt hij daarover geamuseerd dat hij er niets beter op vond dan toen met enkele vrienden eens lekker uit te gaan eten en een paar gitaren te kopen. In 1973 staat Zjef voor de eerste maal op de affiche van “Nekka”. Hij deelt de zevende oktober het podium van het “Sportpaleis” in Antwerpen met onder anderen Armand, De Elegasten, Ivan Heylen en Willem Vermandere.

Zjef treedt op dat moment nog steeds alleen op met gitaar. Hij vindt dat zelf ook betaalbaar en mee de reden dat hij in die tijd veel gevraagd werd. Hij heeft ook de gewoonte na elk optreden te blijven doorzakken. In 1974 schrijft hij de titelsong voor de film “Salut en de kost” van regisseur Patrick Lebon met in de hoofdrollen onder anderen Joris Collet, Romain Deconinck en Hanny Vree.  Het jaar nadien gaat Zjef opnieuw optreden. Niet meer solo enkel met gitaar, maar omringd door een aantal muzikanten. Vanuytsel wil een ander gelijk en muzikaal gezien meer mogelijkheden. Zijn keuze valt op de toetsenisten Tars Lootens en Marc Malyster, bassist Eric De Wolf en drummer Jean-Luc Van Lommel. Zijn optredens worden duurder. Hun p.a. moet ook worden uitgebreid. Er moeten afspraken worden gemaakt, de agenda’s op elkaar afgestemd, kortom, er moet georganiseerd worden. Alles wordt professioneler en dus ook complexer.

In 1976 is er op het Philips-label de elpee “De zanger” in een productie van Jean Blaute, opgenomen in de “Morgan Studio” in Brussel. De sound is meteen anders. Bekende jongens leveren hun medewerking: Oscar Denayer, Kevin Mulligan, Koen De Bruyne, Tars Lootens en Jean Blaute, om er een paar te noemen. Koen, Jean en Tars schrijven de arrangementen voor de tien liedjes die Zjef heeft geschreven. De programmamakers kiezen nogal snel voor de nummers De stad gaat slapen, Brussel ik hou van jou en Soms wanneer jij er niet bent. Tijdens ons interview vertelt Zjef: “We werden een beetje overmand door de overvloed aan middelen die we in de studio ter beschikking kregen. In die zin ademt de elpee ook de tijdsgeest van de late jaren zeventig. Spijt heb ik niet. Het was zoeken, experimenteren. Vallen en opstaan ook. Als ik nu naar die plaat luister, hoor je een overdosering. Een nummer als De stad gaat slapen zou ik meteen opnieuw willen opnemen, maar dan veel soberder.” Ondanks zijn vermoeidheid blijft Zjef optreden en omringt zich gaandeweg met muzikanten als gitarist Eric Melaerts, pianist Dirk Joris, Koen Leeman, André Appeldoorn, bassist Marc Van Puyenbroeck, gitarist Eric Geirnaert, Joeri Spies en drummer Tony Gyselinck. Er zijn dan ook weinig Vlaamse muzikanten uit die periode die niet met Zjef hebben gespeeld.

 

Voor het album “De Stilte van het Land” dat in 1978 verschijnt, wordt opnieuw de hulp ingeroepen van producer Roland Verlooven. Die titel sluit mooi aan op de verhuis van Zjef. Het gezin Vanuytsel is intussen uitgebreid met een zoon en vervolgens een dochter. Zij verlaten Brussel en gaan in Neerijse wonen, een dorpje in de provincie Vlaams-Brabant, een deelgemeente van de gemeente Huldenberg, iets meer dan vijftienhonderd inwoners groot. Zjef heeft hier een vierkantshoeve gekocht die hij volledig restaureert. Hij houdt er van de heuvels en de riviertjes de Dijle en de IJse. Hier geniet Zjef met volle teugen van de stilte, de stilte van het land. Hij brengt op dit album vooral een hommage aan zijn nieuwe biotoop. Op de radio horen we vaak Tussen Antwerpen en Rotterdam en Laat alleen mijn goede vrienden over de revue passeren. Het nummer De massa, gekoppeld aan Ga in het klooster, wordt op single uitgebracht en staat de dertiende januari op acht in de Vlaamse Top Tien.

Intussen heeft Zjef er tien jaar in het vak op zitten en het begint door te wegen. Het succes van de beginjaren taant, de kinderen worden groot en de stress voor het optreden blijft hem parten spelen. Zjef herinnert zich nog goed dat de kritiek  er niet malser op geworden is en hij heeft voortdurend de indruk dat hij zich moet blijven bewijzen, maar dat heeft meer met zijn overgevoeligheid dan met de realiteit te maken. Zjef krijgt, net als zijn  in het Nederlands zingende collega’s, wel meer en meer te kampen met de steeds groeiende aandacht voor Engelstalige muziek. Bij ons is het de beurt aan Vlaamse in het Engels zingende groepen als The Machines, Scooter, The Bet enz. die met de aandacht en de eer gaan lopen. Toch stelt Zjef met plezier vast dat tijdens zijn concerten her en der jongeren opduiken en zijn liedjes absoluut kunnen smaken. Zijn groep bestaat op dat moment uit toetsenist Dirk Joris, bassist Jan Hulsens, drummer Jan Cuyvers en gitarist Chris Peeters.

Zjef trakteert ons in 1983 op de elpee “Tederheid” in een productie van Herwig Duchateau, drummer bij de popgroep Scooter en iets later producer van The Bet, Schmutz, Won Ton Ton en The Machines. De liedjes op dit album zijn erg autobiografisch zoals in Mijn twee kindertjes, Mijn beste vriendin, Schuldig en het prachtige Winter. Zjef heeft intussen zijn architectenkantoor opgestart en probeert dat zo goed en zo kwaad als het kan te combineren met zijn carrière als zanger. Maar lang houdt hij dat niet vol en besluit in het midden van de jaren tachtig zijn zangcarrière de rug toe te keren. Voor Zjef, die altijd op zijn onafhankelijkheid heeft gestaan, eerder een logische keuze. De zanger aast immers niet meer zo op het succes en het applaus, waarvan hij trouwens zijn deel wel heeft gehad. Vlaanderen blijkt op de keper beschouwd ook wat klein en Zjef heeft het ondertussen allemaal wel gezien. Zijn architectendiploma laat hem bovendien toe het roer drastisch om te gooien.

In 1986 is er de single Voetbal in een productie van Luc Verschueren, die toen op de zondagavond van 17.00 u. tot 19.00 u. het populaire Radio 2-programma  “Sportkaffee” presenteerde. Over die productie wil Luc het volgende kwijt: “Vanuytsel is altijd een geweldige voetbalfan geweest en nog liever was hijzelf Rode Duivel geweest. Hij heeft ook lang gevoetbald, gezellig onder vrienden, en het merkwaardige was dat Zjef achteraf aan de cafétoog die match verbaal nog minstens twee keer kon herspelen. Van naaldje tot draadje. Met passes en al. De meester-tacticus, tot we er moe van werden. Hij niet! Bij zo’n match onder vrienden is dan tussen hem en mij het idee gerijpt om een single over voetbal uit te brengen. Hij had een liedje over voetbal, een vlot deuntje, en dan hebben we er een paar, toen actuele, uitspraken van Rik De Saedeleer aan toegevoegd. Met goedkeuring van de VRT. Ik denk overigens dat de VRT op vraag van Jos Ghysen, toenmalig productieleider van Radio 2 omroep Limburg, die plaat gesponsord heeft. De plaat is overigens veel gedraaid op radio, zowel door de programmamakers van Radio 1 als van Radio 2, maar een echte hit is het nooit geworden. Maar Zjef was tevreden. Voetbal ligt hem na aan het hart. Hij kreeg er opnieuw een pak aandacht door.”

Na meer dan vijftien jaar zingen en toeren, stort Zjef zich op de architectuur en start hij zijn eigen bureau. Eerst privéwoningen, later maakt hij de overgang naar publieke gebouwen waar hij er vaak in slaagt een mooi evenwicht te vinden tussen restauratie en nieuwbouw. Zjef ontwerpt hier en daar ook dure huizen voor rijke jongens, ook al had hij zich in het liedje High society kritisch over hen uitgelaten. In een interview met “Humo”, daterend van de tweeëntwintigste april 2009, zegt hij daarover: “Ik ben geboren en getogen in de Kempen en mijn ouders waren van eenvoudige komaf. In de naoorlogse periode was er nog een duidelijke scheiding tussen mijn milieu en de hogere kringen. Ik ging bijvoorbeeld naar school in het kleinseminarie van Hoogstraten, terwijl de kinderen van de elite naar de jezuïeten in Turnhout trokken. Nochtans was het studieniveau en de strenge katholieke opvoeding in beide scholen gelijk. Later boden mijn ouders mij de unieke kans architectuur te studeren. Ook toen ontdekte ik een zeker cynisme bij de meer bemiddelden tegenover de minder rijken. Vandaar dat nummer.” Je hoort dat huizen voor rijke jongens ontwerpen dus met een korreltje zout te nemen, want een modale woning bouwen voor de modale man blijft voor Vanuytsel zeker zo’n  grote uitdaging.

Zjef heeft zich, ondanks zijn naam, in de wereld van de architectuur moeten bewijzen. Hij begon schoorvoetend met kleine verbouwingen. Geleidelijk aan begon hij villa’s te ontwerpen om zo te evolueren richting het ontwerpen van openbare gebouwen. Dit is echt zijn dada, hier kon hij een groot deel van zichzelf kwijt. Trots is hij terecht op het gemeenschapscentrum “De Markten” dat hij in Brussel ontwierp, alsook het “Nero-café” in Hoeilaart en de gemeentehuizen in Drogenbos, Bertem, Lubbeek en Huldenberg. Hij is ook de scheppende ziel achter de administratieve centra in Steenokkerzeel en Hoegaarden. De zanger en de architect vallen op het einde van zijn architectuurcarrière trouwens samen wanneer hij het cultureel centrum in Scherpenheuvel “Den Egger” mag ontwerpen. Het wordt een van de betere concertzalen in Vlaanderen waar architectuur, muziek en functionaliteit mekaar zullen vinden. Bij zijn comeback op de Vlaamse podia zal Zjef er zijn première geven. Welke artiest in Vlaanderen kan dit zeggen: “spelen in een zaal die ik zelf ontworpen hebt”.  Zjef zag al die tijd een soort gelijkenis tussen het ontwerpen van gebouwen en het schrijven van liedjes omdat voor hem het creatieve proces zo’n beetje identiek is. Telkens wordt er vertrokken van een wit blad. In verband met dat huizen ontwerpen, nog deze leuke anekdote. In 1979 is Willy Sommers druk bezig met de opname van zijn elpee “Zing een liedje in je moedertaal”. Hierop staat onder andere zijn hit De nacht was lang.  Willy was in die tijd de kritiek op de kwaliteit van zijn Nederlandstalige teksten grondig beu. Hij werkte toen nauw samen met producer Roland Verlooven en die vond het geen slecht idee qua tekst eens te rade te gaan bij Zjef Vanuytsel waarvoor Roland onder meer de elpees “De Zotte Morgen” en “De Stilte van het land” had geproduceerd. Zjef schreef speciaal voor Willy de tekst bij het liedje Mijn beste vriend waarmee Willy de vierentwintigste februari 1979 op twee in de Vlaamse Top Tien stond. Toen Willy in 1985 een eigen huis wilde bouwen, stapte hij zonder lang na te denken naar architect Vanuytsel, die met veel plezier de villa van Willy heeft ontworpen.

Eind jaren tachtig en tijdens de jaren negentig lijkt het er nog op dat Zjef definitief zijn gitaar aan de wilgen heeft gehangen. Hoe hard organisatoren ook blijven aandringen, Zjef weigert halsstarrig  om ook maar ergens in Vlaanderen op te treden. Voor journalisten en programmakers blijft het een uitdaging hem te strikken voor een interview. Zjef geniet van zijn leven in de stilte en de schaduw van zijn vroegere succes. Hij is gelukkig wanneer hij met de familie of kennissen kan gaan stappen en een partijtje zaalvoetbal met zijn kameraden mag spelen. Hij probeert ook de knepen van het vliegvissen onder de knie te krijgen.  Forel en vlagzalm genieten daarbij de voorkeur. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zeker het artiestenbloed. Hij gaat optreden met zijn muzikanten van weleer, aangevuld met Marc De Boeck op sax en accordeon en Jan Hautekiet op klavier. Hij droomt van een comeback, van nieuwe liedjes schrijven en opnemen. De respons van het publiek en de aandacht is hartverwarmend, en langzaam maar zeker krijgt het muziekvirus hem weer te pakken. Aan de media vertelt Zjef: “Toen ik een punt achter mijn zangcarrière zette, had ik me wel voorgenomen ooit nog eens iets met muziek te doen en blijkbaar is het nu zover. Het is de bedoeling dat ik binnenkort een cd opneem met nieuw werk en dat ik daarna ga toeren.”

Universal besluit in 2007 zijn vijf elpees op cd uit te brengen, een heuse verzamelbox. Als extraatje is er bij de box de dvd “Live op de BRT” met unieke versies van onder meer De zotte morgen, De stilte van het land en Ik ben niet klein te krijgen. Daarnaast ook een viertal interviewfragmenten en een aantal fragmenten uit het programma “Mijn grote liefde heet muziek”. In het bijbehorende boekje schrijft Zjef: “Ik dank iedereen die aan dit project meewerkte. Bij het bekijken van de foto’s, die door mijn zoon zorgvuldig werden geïnventariseerd en waarvan ik het bestaan soms niet meer vermoedde, kwamen bijzondere herinneringen in mij op. Ik dank ook in het bijzonder alle muzikanten, producers en technici waarmee ik ooit mocht samenwerken, het talrijke en warme publiek waarvoor ik ooit mocht optreden en alle interessante en boeiende mannen en vrouwen die ik dankzij mijn liedjes leerde kennen.”

De  25ste augustus 2007 staat er een uitgebreide babbel met Zjef en journalist Bart Steenhaut in “De Morgen”. Zjef heeft er weer zin in en is druk bezig met de opnamen van een nieuwe plaat. Op de vraag of zijn comeback te maken heeft met het besef dat hij met zijn platen destijds mensen ontroerd heeft, antwoord hij: “Nee, want toen ik stopte, had ik het voornemen om vroeg of laat weer wat nummers te schrijven, maar uiteindelijk heeft de architectuur me zodanig opgeslorpt dat ik al blij was af en toe eens wat vakantie te kunnen nemen. Dat werk heeft de muziek haast helemaal uit mijn leven geduwd.” Over het destijds stoppen met zingen, wil hij in datzelfde interview nog kwijt: “Ik had het gevoel dat ik met mijn laatste plaat net een weg was ingeslagen die nog veel mogelijkheden had. Maar tegelijk voelde ik de aandacht van het grote publiek verslappen en merkt ik dat de media niet meer meewilden. En was er het besef dat ik niet tot mijn vijftigste moest wachten als ik nog als architect wilde uitpakken. Mocht ik in Frankrijk of Duitsland hebben gewoond, met al de mogelijkheden die zo’n groot land te bieden heeft, dan had ik waarschijnlijk gewoon wat woningen ontworpen voor mijn vrienden. Maar ik had heel snel door dat ik het in Vlaanderen nooit een leven lang als muzikant zou uitzingen.”

Eind in 2007 ligt er eindelijk nog eens nieuw songmateriaal in de winkel dankzij het album “Ouwe makkers”. Zoals steeds zingt Zjef liedjes over de dingen des levens. Warme liedjes, gebracht en geschreven met heel veel enthousiasme. Liedjes als: Als je zomaar weg zou gaan, Stil in de Kempen, Het evenwicht, Lief en leed en Gevoelige jongen. Het album bereikt de vijftiende december in de Ultratop 200 de achtendertigste plaats. Zjef brengt zijn nieuwe cd ook live tijdens zijn tour de chant, begeleid door een nieuwe band van acht uitstekende muzikanten waaronder enkele strijkers. Er volgen succesvolle, uitverkochte tournees langsheen concertzalen over het hele Vlaamse land maar ook op de podia van Dranouter en de Gentse Feesten.

Maandag de tiende november 2008 wordt in het “Casino Kursaal van Oostende” De zotte morgen toegevoegd aan de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam. Zjef voelt zich vereerd. Hij vertelde ons iets eerder dat hij ooit hoopt in de anonimiteit te kunnen voortleven, maar zijn liedjes gunt hij alle aandacht die zij verdienen. Diezelfde avond wordt ook The way to your heart van Soulsister gelauwerd en krijgt Rocco Granata een “ereplaats voor een leven vol muziek”. Datzelfde jaar wordt Zjef Vanuytsel zwaar ziek. Hijzelf spreekt niet graag over die zwarte periode in zijn leven. Die weegt zwaar op hem en zijn gezin.

De vijfentwintigste april 2009  is Zjef de centrale gast tijdens “Nekka” in het “Sportpaleis” van Antwerpen. Artiesten zoals Boudewijn de Groot, Jan De Wilde, Thé Lau en Sarah Bettens serveren een onvergetelijk  muzikaal festijn. “De Gazet van Antwerpen” noemt deze editie twee dagen later zelfs een vijfsterrenaffiche en heeft een verbaal applaus over voor het optreden van Zjef samen Yevgueni. Journalist Peter Briers schrijft in datzelfde artikel: “Onbevangen en vrij van allures, pretentieloos en met negen echo’s uit zijn zangcarrière, bewees de troubadour dat zijn comeback geen meesterlijke marketingzet is, maar een zaak van nationaal belang.” “De Standaard” van maandag de zevenentwintigste april geeft toe dat de stem van Vanuytsel zijn grootste troef is en blijft. Met graagte blijven ze in hun artikel even stilstaan bij het lied Als je zo maar weg zou gaan dat Zjef samen met Sarah Bettens zong en bij het moment dat hij Jan de Wilde op het podium riep om samen Ouwe makkers te zingen.

In 2011 treedt hij op in de “Stadsschouwburg” van Leuven tijdens een benefietconcert ten voordele van kankeronderzoek. “Omdat ik tijdens mijn behandeling heel wat respect heb gekregen voor de mensen die mij verzorgden. Zij blijven de hele tijd in de schaduw, maar verrichten bergen werk. Het lijkt mij maar logisch dat ik iets voor hen terugdoe. Het is dankzij hen dat ik weer op de planken sta“, vertelt hij de eenentwintigste april aan een reporter van “Het Nieuwsblad”. In de maand juli van dat jaar staat hij op het podium van het folk, rock en kleinkunstfestival “Na Fir Bolg” in Vorselaar, samen met onder anderen Eva Deroovere, Hannelore Bedert en Gorki.

Begin 2013 laat Zjef weten dat hij opnieuw een jaar lang afwezig zal zijn op de Vlaamse podia door een operatie. Dat houdt ook in dat hij zijn  geplande optreden op negentien april tijdens de twintigste editie van “Nekka Nacht” moet afgelasten. De jonge Niels Boutsen van Stoomboot brengt die avond echter een ingetogen en originele versie van De Zotte Morgen als eerbetoon aan Zjef. Samen met zangeres Micheline Van Hautem, bekend van haar Brelinterpretaties, gaat Vanuytsel op tournee met de voorstelling “Lief en Leed”. De aftrap wordt gegeven begin februari 2014 met een try-out in “De Roma” te Borgerhout. Zjef laat zich bijstaan door een zeskoppige band, bestaande uit Alain Van Zeveren, Jan Hulsens, Jan Cuyvers, Frank Tomme, Rik Aerts en Wiet Van de Leest. Ook al heeft Zjefs stem wat aan kracht ingeboet, het publiek geniet als vanouds met volle teugen en, ondanks het gebrek aan media-aandacht, wordt ook de rest van de tournee een uitverkocht succes. De zesde december 2014 verschijnen op het Universal-label Zjefs zes albums plus de bonus-dvd met VRT-materiaal in de verzamelbox “Integraal”.

Op de vraag of Vanuytsel ons met zijn oeuvre iets wil nalaten, antwoordt hij: “Helemaal niet. Mijn  enige bedoeling is mooie liedjes schrijven, liedjes die recht uit mijn hart komen. Ik beschouw mezelf als een singer-songwriter die in woorden weergeeft wat er in hem omgaat. Een lied als Ik weet wel m’n lief sproot voort uit de kersverse relatie met mijn geliefde. Ik was toen tweeëntwintig, maar ik probeerde zoveel mogelijk de gangbare clichés van toen te vermijden. Hoe meer je vanuit je eigen ik schrijft, hoe meer mensen je kan raken. Het is wel zo dat je nooit van vooraf weet bij welke mensen je liedjes terecht zullen komen!”

Citeren we als slot nog even een gevoelige Zjef Vanuytsel in zijn gesprek met “De Morgen” (2007) dat verscheen onder de hoofding “Vooruitkijken is stilaan terugblikken geworden” en waarin hij zegt: “Ik heb het leven lief! Als muzikant heb ik altijd een vrij bestaan gehad. Toen ik architect werd, heb ik me serieus aan de werkuren en de deadlines moeten aanpassen. Het heeft me moeite gekost om in een stramien te leren leven. Als er nu nog een aantal mooie jaren in het verschiet liggen, kan ik niet anders dan tevreden zijn!”

Na een jarenlange strijd tegen kanker overleed Zjef Vanuytsel op woensdag 30 december 2015 in het U.Z.Gasthuisberg te Leuven.Zijn overlijden lokte veel reacties uit. Ik zal hem vooral herinneren als muzikant van zijn grandioze debuutalbum “De zotte morgen”. Hij heeft dat nooit meer overtroffen, maar hij is zijn eigen weg gegaan. Hij is architect geworden, ik beeldhouwer“, aldus Willem Vermandere. Jan De Wilde stond in het begin van zijn carrière dikwijls op dezelfde affiche als Vanuytsel. “We hadden eind de jaren 60 nog geen groot repertoire en organisatoren boekten meer dan een artiest om een avond te vullen. Zo stonden we dikwijls samen op het podium“, aldus De Wilde.De Wilde en Vanuytsel raakten bevriend en gingen samen met vakantie. “Jef Vanuytsel maakte romantische muziek met mooie metaforen. Hij bezong onder meer het goede leven. Hij was zelf een “goede lever”, die onmogelijk goed afscheid kon nemen. Ik ben opgelucht dat zijn lijden voorbij is“, besluit De Wilde. “Een van de grote kleinkunstzangers uit mijn jeugd is gestorven“, zegt Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz. Vlaams minister-president Geert Bourgeois deelt op Twitter zijn “herinnering aan veel zotte morgens”, terwijl vicepremier Kris Peeters afscheid neemt van een “kleinkunsticoon”. Voor de Vlaamse minister van Cultuur Sven Gatz was Jef Vanuytsel een van de grote namen uit de Vlaamse kleinkunstwereld van de jaren zeventig. “In 1970 debuteerde hij met “De zotte morgen”. In de canon van onze kleinkunst verdient die klassieker een absolute ereplaats“, meent Gatz. Hij plaatst Zjef Vanuytsel op gelijke hoogte met zangers als Johan Verminnen of Raymond van het Groenewoud.

Zaterdag 9 januari 2016 werd afscheid genomen van Zjef Vanuytsel in gemeenschapszaal “De Eegger” in Scherpenheuvel, een gebouw door Zjef ontworpen. Honderden vrienden, symphatisanten en familieleden namen ingetogen afscheid van hem. Zijn collega’s waren erg gul in hun afscheidswoorden. “Zjef hoort samen met Jan De Wilde bij de mensen die mij goesting hebben gegeven om ook op te treden. Het zijn mijn oervaders van wie ik het vak heb geleerd“, aldus Urbanus. Johan Verminnen vond dat Vanuytsel, samen met Wannes Vandevelde, Walter De Buck, Wim Decraene en Luc Devos heeft plaatsgenomen in die enige echte eregalerij. Jan Cuyvers, die Vanuytsel begeleidde als drummer, herinnerde zich dat Vanuytsel zich niet graag als een kleinkunstenaar bestempeld zag: “In het Frans noemen ze dit genre chanson zei hij dan altijd. Hij heeft in Vlaanderen alleszins de kleinkunst opengetrokken tot het luisterlied“, aldus Cuyvers, die het onvergetelijk vond dat Vanuytsel tijdens zijn laatste optreden in Heusden-Zolder op 1 maart 2015 zijn muzikanten voor het bisnummer voor het eerst allemaal een hand gaf. De uitvaartplechtigheid eindigde met een langdurig applaus voor Lucy, de weduwe van Vanuytsel, die méér dan vijftig jaar aan zijn zijde stond.

De vierde februari 2016 werd Zjef Vanuytsel in het Kursaal van Oostende  postuum opgenomen in “De Eregalerij” voor een Leven vol Muziek. Zijn dochter Barbara was aanwezig tijdens de live show. Dirk Blanchaert bracht een eigen versie van “De Zotte Morgen” en Micheline Van Hautem zong “Ik weet wel mijn lief”, in duet met een virtuele Vanuytsel. Die versie verschijnt de twintigste februari op single op het Silvox-label en staat binnen de kortste keren in de Vlaamse Top 50.

Radio 1 organiseerde in de maand oktober van 2016 samen met het Nederlandse Radio 5 en de Taalunie “De Lage Landenlijst”. Deze gemeenschappelijke muzieklijst met de beste nummers uit Vlaanderen en Nederland is een primeur in de radiogeschiedenis. Sinds maandag 3 oktober konden luisteraars uit Vlaanderen en Nederland hun stem uitbrengen op een suggestielijst van 100 nummers. Op zaterdag 15 oktober presenteerde Jan Hautekiet samen met Hans Schiffers van Radio 5  van 9.00 u. tot 18.00 u. de radiouitzending  vanuit Baarle-Nassau, pal op de grens van Vlaanderen en Nederland.  De luisteraars van Radio 1 en de Nederlandse zender NPO Radio 5 verkozen “Pastorale” van Ramses Shaffy en Liesbeth List tot het mooiste nummer van “De Lage Landen”. “De zotte morgen” van Zjef Vanuytsel belandde op de zevende plaats.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

De Nieuwe Snaar

De Nieuwe Snaar kan je zonder overdrijving een van de opmerkelijkste acts van de Lage Landen noemen. In zijn dertigjarige geschiedenis maakte De Nieuwe Snaar elf theatervoorstellingen, speelde ruim 3600 concerten en heeft een repertoire van om en bij tweehonderd liedjes, stunts en sketches. Op de website van Kunstenpunt lezen we: “Flamboyant en vrolijk cabaretorkest dat geldt als een monument in het Vlaamse muziektheater. De Nieuwe Snaar scoorde in hun dertigjarige bestaan een handvol radiohits, maar bouwde vooral met hun spektakelrijke liveshows en rijke muzikaliteit een groot en trouw publiek uit in Vlaanderen en Nederland.”

Ten huize van de familie De Smet klonk er vaak en veel muziek. Jan daarover: “Thuis waren ze fervente radioluisteraars. Vooral in de jaren vijftig en tot vooraan de jaren zestig wanneer thuis de televisie zijn intrede deed. We hadden het voordeel dat ons vader veel optrad in het bonteavondcircuit en daar zijn eigen sketches en liedjes bracht. Hij was collega van de in die tijd bekende, in Deurne geboren, Theo Van den Bosch en Suzy Marleen, van de debuterende Strangers, Charles Janssens enzovoort. Pa kocht nogal wat instrumenten die in huis zomaar voor het grijpen lagen en waar we ons met graagte door lieten verleiden: piano, banjo, accordeon. Pa was daarnaast clownesk genoeg om zelf instrumenten te bouwen, die hij dan in zijn acts verwerkte. Wat we van hem geleerd hebben, is dat hij wat hij ook deed tot in de puntjes afwerkte.” Op zijn achtste kweekt Jan een haat-liefdeverhouding met een groene melodica. Voordien had hij van Sint-Nicolaas al een xylofoontje en een blokfluit gekregen. Die melodica kwam goed van pas in het schoolorkestje waarvan hij deel uitmaakte. Hier maakte Jan kennis met de heimatliederen van onder meer Armand Preud’homme. Wanneer Jan later overschakelt op de accordeon, erft broer Kris die melodica en sluit zich op zijn beurt bij dat schoolorkest aan. Zij werden ook op jonge leeftijd ingeschakeld als misdienaars en waren dito verplicht mee te zingen in het jongenskoor Heikrekels, opgericht door de jonge onderpastoor Herman Van Dessel. Zo kon je hen horen kwelen tijdens eucharistievieringen en huwelijksmissen. “Heel veel tijd van onze vakanties ging op aan repeteren met dat koor, vaak tegen onze zin, want we wilden in ons bed blijven liggen tot een uur of tien, maar om negen uur stipt begonnen die repetities en dat elke voormiddag van elke vakantiedag“, aldus Kris. Achteraf had dit voor beide heren dit voordeel dat hun stem ontzettend goed getraind werd én zij kregen daar ook notie van diverse stijlen. Ze zongen zelfs een canon van Bach en een lied van Benjamin Britten. “Wij trokken elk jaar met het koor naar Wallis Zwitserland, waar we lange bergwandelingen maakten en hier en daar optraden“, herinnert Jan zich nog levendig. Van pa had hij eerder al een ukulele cadeau gekregen, een instrument dat vanaf die dag een soort fetisj wordt en dat hem zijn carrière lang zal begeleiden. Hij sleurde dat instrument vaak mee naar school om daar met een paar vrienden muziek te maken. Wanneer Jan naar de Vrije Middelbare School in Mechelen trekt, moeten de ukelele en de accordeon het afleggen tegen de gitaar. Dat stond beter om je tienernek, zag er iets meer macho uit. Broer Kris volgt in zijn kielzog. Kris maakt zijn middelbare studies af en heeft na drie jaar een diploma van maatschappelijk assistent op zak. Jan trekt op zijn beurt naar Sint-Lucas omdat het kunstonderwijs hem meer aansprak. Jan wil namelijk koste wat het kost tekenaar worden, dat stond buiten kijf. Hij voelt zich hier in zijn sas, want hij komt hier toekomstige collega’s tegen als Kris De Bruyne, Lamp en Lazarus, een groot deel van de groep Pendulum, Zjef Vanuytsel enzovoort. Tijdens de vrije momenten op school wordt er vaak over muziek gepraat en worden er platen uitgewisseld, onder meer oude bluesplaten. Kris is op dat moment eerder een stille jongen, meer het volgzame type. Hij ging niet zo graag naar school, maar was wel meer plichtsbewust. Moeder zei af en toe aan Jan dat hij beter een voorbeeld aan zijn broer zou nemen. Omdat ze het thuis niet zo breed hadden, vond Kris dat hij op school daarom ook extra zijn best moest doen. Aan Het Nieuwsblad vertelde Jan in 2007 over die situatie het volgende: “Mijn moeder Rosa komt uit de diepste armoede. Mijn vader was een gewone arbeider. Zij hebben voor zichzelf stukje bij beetje een beter leven opgebouwd. En net op het moment dat het beter ging, stierf mijn vader. Dat was een gigantische klap voor ons moeder. Mijn vader was een heel positieve mens die fluitend door het leven ging. Hij was heel getalenteerd: hij knutselde, kon goed tekenen, was een geweldige poppenspeler, schilderde en was dol op volkse kleinkunstmuziek. Ons moeder, daarentegen, had een heel angstig, terneergeslagen karakter, vanwege haar jeugd. Ze had nooit de kans gehad om meisje te zijn. Vanaf haar dertiende moest ze gaan werken. Ze had een ongelooflijk ontzag voor dokters, burgemeesters, maar het meest nog voor religieuzen. Over onze jeugd hing de donkere wolk van het strenge katholieke geloof. Na de dood van hun vader, die in 1965 overleed (Jan was toen twaalf, Kris elf en hun jongere broer Koen zes), leed hun moeder daar erg onder en liep de ganse dag letterlijk en figuurlijk helemaal in het zwart gekleed. Jan en Kris begrepen dat wel. Koen niet. Hij bleef tot zijn dertigste thuis wonen. Hij voelde zich verantwoordelijk voor hun moeder. (Koen stapte in 2005 uit het leven. Hij was 45.) Die vroege dood van pa is voor Jan de reden om op zijn zeventiende te besluiten de kostwinner te worden. De eindjes moesten immers aan elkaar worden geknoopt. “Moeder had geen bron van inkomsten. Zij is meteen na de dood van vader zelf moeten beginnen te werken. Toen zij merkte dat ik op Sint-Lucas er met mijn pet naar gooide, liet ze streng horen dat ik geen tweede kans kreeg en moest gaan werken. Alsof de hemel erop toezag, vroeg de eigenaar van de muziekwinkel waar ik mijn snaren en zo kocht of ik niet bij hem wou komen werken. Ik heb dat vijf jaar volgehouden, ook al verdiende ik daar als snotaap niet veel. Ik heb daar toen veel ervaring opgedaan. Daar kwam ik bekende klassiek geschoolde jongens tegen zoals Jos Van Immerseel en Paul Van Nevel.”

Toen vader nog leefde, schreef hij voor Jan en Kris komische sketches die ze hier en daar opvoerden, tot groot jolijt van het aanwezige publiek. Zo speelden ze met veel plezier de sketch van de nachtwaker. De jongens traden toen samen met pa op tijdens bonte namiddagen die ze in parochiezalen en dito zalen gaven. Zo leerden zij op piepjonge leeftijd voor een publiek te staan. Kris nam na een tijdje ook de ukelele ter hand, maar ontdekte snel dat snaren, gitaren en akkoorden niet zijn ding waren. Toch begint hij samen met Jan in 1969 De Werkgroep Sgraap, samen met koorlid Rob Tison. Heel eerlijk geven Jan en Kris toe: “Dat triootje was eigenlijk bedoeld om ons te amuseren en om aan een lief te geraken. Met een gitaar in de hand stap je makkelijker door vrouwenland. Ons grote voorbeeld toen was Ferre Grignard, en Kris De Bruyne, die toen het Skifflefestival in Hove had gewonnen met zijn versie van Klein Klein Kleutertje.” Kris heeft intussen zelf zijn drumstel samengesteld, bestaande uit vijf kartonnen dozen van het waspoedermerk Dixan. Jan, die vooral de accordeon ter hand nam, trok naar de plaatselijke bibliotheek om daar platen te huren, die ze dan op een Grundig-bandopnemer overtrokken. De elpee “Like a Rolling Stone” van Bob Dylan was een van hun favorieten, diens idolen Woody Guthrie en Pete Seeger en folkklassiekers als Sloop John B. Jan vult aan: “Hier bij ons werden we vooral beïnvloed door wat Wannes Van de Velde op dat moment in Vlaanderen teweegbracht, een soort revival van onze eigen volksmuziek. Bij Radio 2 pikte Omroep Brabant daar gretig op in. Walter De Buck hoorde je daar, Willem Vermandere, ‘t Kliekske, de groep Rum enzovoort. Wij zongen dan ook nog eens in de kroegen waar zij optraden.” Daarnaast zingen ze met hun trio ook liedjes van Miel Cools, Dimitri van Toren en Boudewijn de Groot. Na een tijdje verlaat Rob Tison de groep en komt Jan De Broeck in zijn plaats samen met Simon Van Roy en Stef Koekoekx. Simon en Stef spelen leuk gitaar en dat is meegenomen. Stef kan trouwens ook goed met de viool omspringen.

De eerste repetitie plannen zij bij hen thuis, op zaterdag de derde oktober 1970. Jan De Broeck mag het woord voeren, want hij schrijft ook zelf liedjes, vandaar. Kris weet nog akelig precies hoe dat verliep: “Ik voelde me een soort vijfde wiel aan de wagen. Ik speelde geen gitaar en wie geen gitaar in die tijd speelde, werd niet als een echte muzikant beschouwd. Alle muzikanten in loondienst hadden het statuut van bediende, behalve de drummers, die werden als handarbeiders beschouwd en genoten een minder gunstig statuut. Het scheelde niet veel of ik was meteen uit de groep gestapt.” Zij gaan dadelijk op zoek naar een geschikte groepsnaam. Eerst wilden zij zich De Muziekwinkel noemen, maar na wat heen-en-weergepraat komt De Meziek en Liekesgroep De Snaar uit de mouw. Zij moeten snel aan hun samenspel schaven, want De Broeck had hen ingeschreven voor een crochetwedstrijd, naar het voorbeeld van “Ontdek de Ster”, op vrijdag de dertigste oktober in Houtem in de buurt van Vilvoorde. Die dag geeft De Snaar hun eerste publieke voorstelling. Ter plaatse hebben zij pech, want die wedstrijd is niet toegankelijk voor groepen. De twee Jannen en Simon schrijven zich dan maar in als solisten, telkens begeleid door de andere drie groepsleden. Simon eindigt laatste, Jan een paar plaatsen hoger en de beste score is voor Jan De Broeck, die zich op de negenentwintigste plaats mag nestelen in een lijst van veertig deelnemers. Zij voelen zich dus zeker geen hoogvliegers en beperken de rest van 1970 tot een wekelijkse repetitie met hier en daar een optreden in een of andere parochiezaal of jeugdclub. Ook in 1971 wordt de trend voortgezet zich in de kijker te spelen om op die manier een platencontract te versieren. Optredens in onder meer Ekeren, Elewijt, Hofstade, Lier en Duffel. Er wordt ook opgetreden tijdens de Grote Meifeesten in Mechelen. Als kers op de nazomerse taart is er de twaalfde september hun optreden tijdens het Skifflefestival van Hove, een wedstrijd voor jonge groepen en solisten. Hun optreden duurt een kwartier met op het programma onder andere De vriezeman. Na enkele ongeduldige uren komt De Snaar aan de weet dat ze in de finale zitten, waar ze uitpakken met het liedje Twee vrienden. Zij gaan uiteindelijk met de vierde prijs lopen. Voor hun liedje De vriezeman krijgen ze de prijs van de minister van Cultuur als beste Nederlandtalige lied van het ganse festival. Een opsteker kan je dit gerust wel noemen.

Het is de verdienste van Radio 2 en in het bijzonder van producer Guido Cassiman van Omroep Brabant dat De Snaar in 1971 voor de omroep een optreden mogen geven, waarna hij hun adviseert tijdens het laatste weekend van september deel te nemen aan de kleinkunstwedstrijd van Hoeilaart. Ze worden geselecteerd voor de finale, waar ze aantreden met De vriezeman, Dubbele Jan en Den uil en de kat. Met glans winnen ze die wedstrijd en zijn door het dolle heen met die onverwachte einduitslag. Ze winnen niet alleen zevenduizend frank, maar ook een optreden tijdens een troubadoursavond georganiseerd door Radio 2 Omroep Brabant. Dat optreden heeft de twintigste november 1971 in Lot plaats. Ze mogen daar een halfuur lang optreden als het voorprogramma van Jules de Corte en Will Ferdy. De jongens beslissen, na grondig overleg, scheep te gaan met Theaterbureau Merlijn uit Brugge, in 1968 opgericht door Nico A. Mertens. Zo komen ze terecht in een aantrekkelijke stal met daarin onder anderen Lamp en Lazarus, Elly Nieman en Rikkert Zuiderveld, Dimitri van Toren, Jan De Wilde en Hugo Raspoet. Nico regelt meteen een optreden in het buitenland. Eind januari 1972 staat De Snaar op een podium in Alblasserdam, in de buurt van Rotterdam. Omdat de jongens het beu zijn met plaatselijke geluidsinstallaties te moeten optreden, kopen ze er zelf een. De keuze valt op een Geloso-versterker, vier houten klankzuilen, vier telescopische microstatieven en vier microfoons. Een geluidstechnicus van dienst is er niet.

De vierentwintigste april 1972 heet Radio 2 hen opnieuw welkom. Deze keer is het de beurt aan Omroep Antwerpen om De Snaar in het kasteel van Schoten joviaal te ontvangen in de persoon van producer Jos Baudewijn. Door het vele optreden wordt de groep ook door de pers opgemerkt, al kan die hun aanpak niet altijd waarderen. De groep komt tot inkeer en gaat meer en meer aan haar act schaven. Maar ze laten de moed niet zakken. Ze worden steeds vaker gevraagd om op te treden tijdens festivals en dat blijkt achteraf een goede leerschool te zijn geweest. Practice makes perfect! Op het einde van 1972 telt hun agenda zevenenzeventig optredens: van Affligem tot Lommel, van Roeselare tot Essen. Omdat zij zeker willen zijn van hun kunnen, wacht het trio tot in 1976 om hun eerste elpee uit te brengen, “Snaar”. In de studio krijgen ze behoorlijk veel steun van muzikanten als Jean Blaute, Stoy Stoffelen, Rens van der Zalm, Alfred Den Ouden en Michel Verstraeten. Zeventien tracks vullen de elpee met onder meer Vier Weverkens, Schoon Lieveken, Blokkendans, Rue du Village, Ik wil deze nacht in de straten verdwalen en Trage Mars. De plaat wordt uitgebracht op het Parsifal-label, opgericht door Nico Mertens. Die plaat kwam er vooral op vraag van het publiek, dat achteraf thuis nog eens wilde nagenieten. De grote festivals nodigen hen met graagte op hun podia uit: Dranouter, de Gentse Feesten… In 1978 zetten ze een legendarisch optreden neer tijdens het Sfinksfestival. De jongens weten nog goed dat op de eerste rij Bart Peeters zat te glunderen van genot. Op de bijval die hun tijdens dit optreden te beurt valt, kunnen ze teren tot in 1980. In 1979 gaat De Snaar op zoek naar een nieuwe uitdaging, eerder een nieuwe uitlaatklep. Terwijl in de popmuziek de punk van zich laat horen, richten zij Het Puneizencombo op, een dolkomisch gezelschap in de stijl van de Britse groep The Bonzo Dog Doo-Dah Band. Zij brengen een mix van experimentele en psychedelische pop en komische rock met The Rutles en Monty Python als hun grote voorbeelden. Dit wordt een project dat voor de heren De Smet financieel weinig opbrengt, want ze gaan de baan op met een achtkoppige bezetting. Niet alleen drums en een stel gitaren, maar ook toetsen en blazers worden aan de band toegevoegd, plus een koffer boordevol opvallende kledij. Er mag best wat show gemaakt worden, variétérock. Muzikaal wordt in deze bezetting al de basis gelegd voor de latere Nieuwe Snaar met liedjes als Suzy, Ardennen Doo-wop en Dynastie-Rap.

Maar laat u niet misleiden, ondanks die muzikale zijweg blijft De Snaar even naarstig optreden. In 1981 is er zelfs een tweede album, deze keer in eigen beheer uitgebracht, “Plaza”, waarbij ze muzikale steun krijgen van Gerard Lavigne, Bruno Menny, Michel Boulerne en Marcel Bel. De keuze valt op songs als Allegro Bestiale, De Speelman, Javigne, Twee Vrienden, Het Jaar van ‘t Kind en De Kontrolleur. In de zomer van dat jaar gaat De Snaar op tournee met de groep Radeis, een groep die het vooral van het visuele moet hebben. Zij raden Jan en Kris aan in de toekomst hetzelfde te doen, hun act beter uit te werken. Op het einde van dat jaar besluit Stef Koekoekx De Snaar te verlaten. Doordat Stef nogal druk met zijn bedrijf bezig was en zich niet altijd vrij kon maken voor optredens, moesten ze regelmatig aanbiedingen weigeren. Jan en Kris waren ook erg ambitieus en wilden stevig verder stappen. Zij gaan hun zinnen op een nieuwe groep zetten, De Nieuwe Snaar, en doeken in 1981 De Snaar op. Zij speuren naar twee nieuwe muzikanten. In eerste instantie acteur Marc Peeters, die voor het visuele aspect mag zorgen, maar dat loopt niet vlot. Hij wordt na samenspraak regisseur van de groep. Vervolgens kloppen ze ook aan bij Geert Vermeulen, die net gestopt was met zijn groep Het Stekkedozeke. Over naar Geert: “Ik had toen een folkgroepje, Het Stekkedozeke, met mijn broer en een vriend. Ik was fan van De Snaar: die mannen maakten tegendraadse folk met humor. Tamelijk rebels. Na tien jaar wilden ze iets anders en ze probeerden verschillende kandidaten uit. Ik was hun derde keuze. Jan was bijna zeven jaar ouder en heel dominant. Naar die man keek ik op, ik was zijn fan. Dat maakte het niet gemakkelijk om mezelf te vinden: ik ben van heel ver moeten komen.” Er wordt intens gerepeteerd. Geert houdt zich op dat moment wat gedeisd, maar ontpopt zich tot de meest opvallende binnen De Nieuwe Snaar tijdens hun eerste optreden, de vijftiende januari 1982, wanneer ze in zaal De Spiegel in Beveren-Waas uitpakken met hun eerste show “Fragmenten uit de geïllustreerde muziek”. Daarover Geert zelf: “Ik ben nogal technisch aangelegd, ik heb altijd gymnastiek gedaan en ik kon vioolspelen. In geen van de drie was ik echt goed, maar als ik de drie elementen combineerde, had ik er een goed gevoel bij. Zo ben ik erin gerold. Ik vond het spannend dat te ontwikkelen, vanuit mijn fantasie en mijn vroegere ervaring met poppenkast en Jans filmarchief van Spike Jones. Daaruit is iets gegroeid wat speciaal was.” In die beginfase bestaat hun repertoire nog grotendeels uit songs van De Snaar en het Puneizencombo, maar dan wel in een nieuw jasje gepresenteerd. En ze scoren, vrij snel gevolgd door optredens in Nederland, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. De Franse taal hadden ze vlug onder de knie, maar het Duits vergde toch iets meer inspanning. Ook in 1983 wordt er aardig rondgereisd en wordt er vaak de grens overgestoken. Met Geert wordt afgesproken dat hij zich ook intens met het decor gaat bezighouden: “Dat nam ik voor mijn rekening, ja. Ik heb nadien jarenlang de kabels gelegd en aan het scènebeeld gewerkt. En ik vond altijd dat alles proper moest zijn. Afgewerkt. Het podium van een concert oogt doorgaans rommelig, maar in een theater moet een scène proper zijn. Ik legde de lat erg hoog, in alles.

Op vraag van de VRT stelt De Nieuwe Snaar in 1984 op basis van die eerste show “Musicomicolor” samen om daarmee mee te dingen naar de Gouden Roos van Montreux. Jan De Smet daarover: “Als voorbereiding hadden we een videocaptatie gemaakt van een optreden in een cultureel centrum. Daarna hebben we met John Erbuer de band bekeken om de geschikte zaken eruit te filteren, maar daarbij stelden we ook vast dat een gewone captatie niet pakt op televisie omdat de opbouw van sommige nummers daarvoor te traag is. Daarom hebben we alle nummers ongeveer met de helft ingekort. Dan hebben we een tijdje met het idee gespeeld om op verschillende locaties te gaan filmen, maar daarvoor konden we niet over de nodige apparatuur beschikken en daarom hebben we alles in Studio 5 opgenomen met een onnatuurlijke achtergrond van tekeningen.” Zij winnen in Montreux niet alleen de Bronzen Roos, maar tevens de persprijs met als leuk gevolg dat ze gevraagd worden om op te treden in Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk en Canada. Over dat succes vertellen Jan en Kris aan de pers: “De voornaamste reden van ons succes in het buitenland is dat we daar een nieuwe groep zijn. In België denkt men nog altijd: ja, dat is De Snaar, dat hebben we al eens gezien. Maar ons huidige programma heeft echt niks meer met folktoestanden te maken, al zijn de drie instrumenten gebleven, zij het met een nieuwe violist erbij. We spelen nu vooral in Nederland in het cabaretcircuit. In Zwitserland spelen we in de kleine theaters en ook in Duitsland is het nu serieus begonnen. Dan is er natuurlijk ook nog Frankrijk, vooral nu we op het grote Lentefestival van Bourges nogal een goede beurt hebben gemaakt.”

En ze blijven in de prijzen vallen. In 1985 winnen zij de Tasse d’Or op het theaterfestival in Cannes. In Avignon worden ze bekroond met de Prix du Off. In datzelfde Frankrijk spelen ze dat jaar de eenentwintigste november hun vijfhonderdste concert. In ons land gaat de vierentwintigste december hun nieuwe show “La-La” in première in de Beursschouwburg in Brussel. Er is dat jaar in de Parijse Olympia hun optreden als Les Snaars. Als trio nemen Jan, Kris en Geert in 1986 hun debuutplaat op, “Hartelijk Gefotografeerd”. Voor deze productie trekt De Nieuwe Snaar naar de studio in het gezelschap van producer Jean Blaute. Ze bespelen alle instrumenten zelf. Blaute hield zich tevens bezig met de klavieren en de drumprogrammatie. Voor gastmuzikanten was er geen speelruimte omdat het budget dat niet toeliet. Ze blikken tien liedjes in met daarop de vaak gedraaide en over de radio te horen De fotografie, Dynastie-Rap en Ardennen Doo-wop. De twintigste december van dat jaar staan ze met Dynastie-Rap op zes in de Vlaamse Top Tien. Het is Hugo Matthysen die hun belangrijkste tekstleverancier wordt. De Nieuwe Snaar is intussen ook gelauwerd door de VRT-televisie, die hun in 1986 de kans biedt om hun kunnen op oudejaarsavond op het scherm te etaleren in de show “Een Nieuwe Snaar in ‘t Oude Jaar”. Ze mogen ook enkele gasten uitnodigen, onder wie José Happart, Drs. P en Les Ballets Contemporains de La Belgique. In 1987 programmeert de Nederlandse zender VARA hun show “La La”, die al eerder was ingeblikt. Dit levert hun bij onze noorderburen een pak extra fans op. En dus trekken de drie heren met veel goesting noordwaarts om daar hun strapatsen aan de Hollanders op te dienen. De zesde juni 1991 zullen ze in Breda voor de laatste maal “La La” voor een livepubliek opvoeren.

Mei 1988 laat De Nieuwe Snaar “La La” los op het Duitse publiek. Zo zijn zij te horen en te zien in Wilhelmshaven en Gütersloh. De Duitse pers reageert positief met opmerkingen als “Immer wieder Lacherfolge mit originellen Einfällen nen Menü mit Chilibonen der Clownerie gewürzt“. Toch is De Nieuwe Snaar verrast wanneer ze in de maand augustus in Hamburg tijdens het Komik Klamauk Kurioses Festival de Goldene Hummel overhandigd krijgen als meest vernieuwende en originele theateract van het voorbije seizoen. Aan die prijs is 3000 DM verbonden. Dat bedrag wordt aan hun nieuwe voorstelling besteed. Die eretitel verzilveren ze iets later in het Duitse Wilhelmshaven, waar ze, om dezelfde reden, de Bronzen Knurrhahn in ontvangst mogen nemen als kers op de “La La”-taart. Zij traden daar trouwens regelmatig op in het Kulturzentrum Pumpwerk. De pret kan niet op, want deze keer gaan ze met 5000 DM aan de haal. De Franse première van “La La” is te zien op het Festival van Ris-Orangis bij Parijs. Ze treden daar op in de grote tent, de nacht na de eerste festivaldag. Voor de film “Blueberry Hill” van Robbe De Hert worden ze gevraagd om in de huid van een jarenvijftiggroepje te kruipen, terwijl ze de Franse versie zingen van De fotografie. Ze hebben er dan al een aantal tournees in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Denemarken op zitten. In dat laatste land treden zij op tijdens het bekende Festival van Roskilde. De tweede juli is het zover. Ze brengen een mix van hoogtepunten uit hun eerste en tweede show. Tijd en ruimte om hun decor op te stellen is er niet. Het is een beetje open en bloot performen. Er wordt opgetreden op een klein zijpodium in de grote festivaltent. Een paar honderd mensen scharen zich om hen heen en maken op die manier kennis met een toch wel aparte vorm van theater. Wat gretig wordt meegepikt is dat Kris, Jan en Geert, dankzij hun backstagepasjes, die avond kunnen genieten van optredens van The Jesus and Mary Chain én Leonard Cohen.

De maanden september en oktober van 1988 worden vrijgehouden om zich te concentreren op de voorbereidingen van hun nieuwe theatershow. De eenentwintigste december 1988 is het zover. Dan lanceren zij in Brussel een voltreffer, hun derde theatershow “Hackádja!”. Kris herinnert zich nog dat ze voor deze titel kozen omdat dit klanknabootsende woord goed klinkt, goed bekt en omdat nu eenmaal niet alles meteen een betekenis hoeft te hebben. Grafisch oogde het ook goed op affiches en in programmaboekjes. Eigenlijk pikten ze het idee van de band van Spike Jones, die een hilarische versie van De vlucht van de hommel opnam waarin een van de muzikanten op een bepaald moment in een niesbui uitbarst die fonetisch lijkt op iets als hackádja waarna het volledige orkest de slappe lach krijgt. Vanaf de vijfde december gaan ze vier dagen in de week de nieuwe show in de Ancienne Belgique uitwerken en instuderen. De eenentwintigste december heeft de première plaats. De AB is tot de laatste zetel uitverkocht. Om de show vooraf in de media te kunnen promoten, hebben ze vooraf in Studio Impuls twee nummers opgenomen: De Ego Boogie en De schat van de farao. In de pers wordt de show laaiend enthousiast onthaald. Hun klasse wordt alom geprezen, alsook hun combinatie van eigenheid en brede toegankelijkheid. Ook het originele decor en de functionaliteit daarvan kunnen op schriftelijke waardering rekenen. De jongens halen opgelucht adem en bereiden zich voor op een lange tournee. Eén probleem doet zich voor: het decor is te groot om in de bus te passen en dus besluiten ze een aanhangwagen te kopen. Voortaan trager rijden, is de nieuwe opdracht. Die show zal jarenlang meegaan. Ze voeren hem de veertiende mei 1994 in Genua voor de laatste keer op, in het totaal goed voor precies 409 voorstellingen.

Hun platenfirma heeft tussen al die binnen- en buitenlandse drukte door geduld moeten oefenen, want pas in 1989 is er hun tweede album, “Hackádja!”. Producer van dienst is ook deze keer Jean Blaute, die De Nieuwe Snaar laat omringen door musici van stand: gitaristen Bert Candries, Chris Peeters en Marc Van Puyenbroeck, saxofonist Johan Vandendriessche en zangeres Sofie Verbruggen, om er een paar te noemen. Ook deze keer is Hugo Matthysen tekstleverancier van dienst. Vaak gehoord over de radio en intussen uitgegroeid tot echte klassiekers zijn de liedjes De zwemmer en Liesje’s poesje. Het valt op dat er meer in de richting van de muziek wordt gestapt, ook al blijven de nonsens en de woordspelingen op deze plaat hoogtij vieren. Op de website van Radio 1 lezen we over dit album: “In de lente van 1989 kropen ze met producer Jean Blaute en een handvol andere muzikanten de studio in voor wat hun meest gewaardeerde album zou worden. Op ‘Hackádja!’ staan dertien songs: enkele van Jan, eentje van hun grote voorbeeld Drs. P, eentje van vriend Wannes Van de Velde en maar liefst negen geschreven door Hugo Matthysen. Zowat alle hebben ze de genadeloze tand des tijds overleefd. De groepsleden en hun gevolg uiteraard, maar ook het merendeel van de liedjes fluiten we met z’n allen uit het hoofd mee. De schat van de farao, Liesje’s poesje, Calypso Be, De zwemmer, noem maar op.” VTM is net van start gegaan en is maar wat blij dat De Nieuwe Snaar in “Tien Om Te Zien” wil opduiken. Op verzoek van de Ancienne Belgique, die hun tienjarige bestaan viert, steken ze een speciale show in elkaar, die ze verkopen als Les Trois Sympas en de Ritme Kings. Ze krijgen daarbij op het podium de steun van Guido Belcanto, Hugo Matthysen, Bart Peeters en Romeo Spinelli. Onder meer De Morgen kwam langs en zag dat het goed was: “Herkenning en verrassing zorgden voor het perfecte evenwicht om er een avond van te maken die iedereen in het publiek kon smaken.” Na de AB staan ze een hele week in De Kleine Komedie in Amsterdam om daar hun nieuwste album uitgebreid voor te stellen. Pech: hun platenfirma heeft vergeten de pers uit te nodigen. Ook geraken ze bij de Nederlandse televisie moeilijk aan de bak. Jammer, want er zat bij onze noorderburen voor dat album meer in.

De Nieuwe Snaar springt graag een extra zijsprongetje. Op vraag van de VRT maken ze in 1990 speciaal voor de televisieversie van “De Pré Historie” enkele liedjes. Over naar collega Guy De Pré voor tekst en uitleg. “De Nieuwe Snaar heeft eigenlijk drie liedjes geschreven voor de tv-versie van ‘De Pré Historie’. Alle medewerkers vonden het een goed idee om De Nieuwe Snaar, die toen hot waren en lekkere teksten schreven, te vragen om voor ‘De Pré Historie’ een liedje te schrijven mét bijbehorende clips voor de start van het nieuwe tv-seizoen. Voor het eerste en meest bekende nummer koos Jan De Smet voor een bewerking van het Amerikaanse sixtiesnummer Bread And Butter van The Newbeats. De andere twee songs kwamen later en kregen beduidend minder aandacht omdat het toen al niet meer nieuw was natuurlijk. Die drie versies zijn terug te vinden op de in 1994 verschenen cd ‘De Nieuwe Snaar Revue’: De Préhistorie 1, De Préhistorie 2, een vertaling van Everybody needs somebody to love van Solomon Burke, en De Préhistorie 3 een door de heren zelf geschreven nieuwe tekst op Elke zaterdag van Will Tura uit 1965. En ze blijven behagen, want om de organisatoren van de zomerfestivals te plezieren, pakken ze uit met een grotere bezetting. De Ritme Kings bestaan uit: Jean Blaute, Stoy Stoffelen, Chris Peeters, Eric Melaerts, Walter Poppeliers en Hugo Matthysen, met wie Jan De Smet het nummer Feestlied schrijft, dat in 1990 op single verschijnt, gekoppeld aan Calypso Be van Wannes Van de Velde. Ze gaan met de Ritme Kings ook toeren onder de hoofding “De Nieuwe Snaar Deluxe”. De première heeft de eerste juni 1990 in Brussel plaats. Koning Boudewijn wordt de zevende september 1990 zestig, voor de groep en hun platenfirma de gelegenheid om Dynastie-Rap wat op te frissen en als Dynastie-Rap 1990 op single in de markt te zetten. Jean Blaute staat in voor die nieuwe verpakking. Een leuke kapstok overigens om de elpee “Hartelijk Gefotografeerd” eindelijk op cd uit te brengen.

“De Nieuwe Snaar Deluxe” wordt de derde maart 1991 in Maaseik voor de laatste maal opgevoerd. Alleen al in de voorafgaande maand februari stonden er nog vierentwintig voorstellingen genoteerd. De voorstellingen mogen rekenen op een behoorlijk positieve pers. In Het Nieuwsblad lezen we bijvoorbeeld: “De Ritme Kings geven de liedjes meer body en zouden zo de drie Snaren meer ruimte moeten geven voor hun humor. Je gaat er het best naartoe als naar een concert. Dan krijg je waar voor je geld. De Nieuwe Snaar bezingt het kleine leed van de grote mens, het is een tussendoortje op niveau.” Na de tour krijgen al de muzikanten en technici een ereteken opgespeld als dank en worden ze verheven tot Erelid in de Orde van de Snaar. In de maand maart wordt er onder andere in Duitsland en Frankrijk getoerd en wordt er ernstig nagedacht over een nieuwe theatershow. In oktober 1991 mag De Nieuwe Snaar in Frankrijk uitpakken met de Franse versie van “Hackádja!”. Hun teksten worden in het Frans vertaald door de Fransman Yves Dardenne, gehuwd met een Vlaamse en daardoor perfect tweetalig. Van de cd wordt er in Studio Impuls een Franstalige versie ingezongen. Die nummers werden al in de maand april ingeblikt. De zeventiende september worden in Lille zowel de show als de cd aan de pers voorgesteld. De première heeft op de tweede, derde en vierde oktober plaats in het Théâtre Sébastopol in Lille en twee dagen later in het Théâtre Municipal in Tourcoing. De zesentwintigste oktober ronden zij af in Cahors. Een krant als La Montagne pakt vrij euforisch uit: “Les Snaars, perfectionisten als het humor en muzikale effecten betreft, ontketenen steevast de ene lachbui na de andere. Een avondje in het gezelschap van dit energieke trio is de perfecte therapie tegen neerslachtigheid. Les Snaars kunnen alles aan, het publiek kan het weten.

Intussen werd aan de Duffelse kunstenaar Luc Deleu gevraagd het decor voor hun nieuwe voorstelling te ontwerpen. Dat decor zal hun qua inspiratie een enorme boost geven. De nieuwe show krijgt ook stilaan een naam, “William”. De vijfentwintigste november trekken de drie heren naar Studio Zeezicht in Spaarnwoude, waar ze onder leiding van Henny Vrienten een nieuwe single inblikken. De platenfirma drong daar sterk op aan. Jean Blaute is té druk bezig met Hugo en De Bomen om voor hen tijd vrij te maken. Er wordt het Afrikaans getinte Bwana Kitoko opgenomen, het verhaal van de onafhankelijkheid van Belgisch-Congo aan de hand van twee reizen van koning Boudewijn in 1955 en 1960. Fay Lovsky verleent haar gewaardeerde medewerking. Op de B-kant van de single belandt de a-capellaversie van William Vanderlinden.

De vierentwintigste december 1991 pakt De Nieuwe Snaar in Strombeek-Bever uit met de première van de theatervoorstelling “William”, de vijfde op rij. Pas de week voorafgaand aan die première heeft de show de juiste vorm gekregen, het blijft sleutelen tot het laatste moment. Try-outs waren er al de achttiende december in Tilburg en de dag nadien in ‘s-Hertogenbosch. De drieëntwintigste december is er voor alle zekerheid nog een generale repetitie. Ze beginnen er ‘s ochtends om negen uur aan, om pas ‘s avonds rond elf uur af te ronden. Het loont, want de dag na de première lezen we bijvoorbeeld in De Morgen: “De Nieuwe Snaar houden hun reputatie hoog met deze nieuwe productie. De opbouw en het decor is typisch Belgisch, het heeft iets surrealistisch. Kijk uit een andere hoek tegen de wereld aan en je ziet hem totaal anders. Wat achter de bomen verstopt zit, zie je wel. Wat duidelijk is, zie je niet meer. Het eerste idee dat je krijgt, is altijd het logische. Dan komt het erop aan de antilogica te gaan zoeken, zo luidt hun filosofie.” De show staat bol van de hommages: aan Canned Heat, Inspector Clouseau, Slim Gaillard, René Magritte… Stevige elektrische rock wordt afgewisseld met stille momenten en een heuse countryachtige tranentrekker.

Alvorens Vlaanderen met “William” te veroveren, gaat De Nieuwe Snaar begin 1992 de remmen een maand lang wat losgooien in Nederland. Tijdens die maand wordt er tweeëntwintig keer bij onze noorderburen opgetreden. In de loop van de maand april houden ze hun adem wat in, om nadien een vervolg aan hun Hackádja!’s in Frankrijk en Duitsland te breien. In de Escovi Studio’s in Brussel wordt in een regie van John Erbuer “Hackádja!” voor het nageslacht op dvd vereeuwigd. Er wordt ook een Franse versie ingeblikt. Telkens wordt er gebruikgemaakt van de geluidsband van de cd-opnames. Het eindresultaat mag er best wezen. Voor een hulde-cd aan de King Elvis Presley, die vijftien jaar eerder overleed, neemt De Nieuwe Snaar op vraag van EMI en het maandblad Panorama in een productie van Eric Melaerts het nummer Rock-A-Hula Baby op uit Presleys film “Blue Hawaii”. Die versie zal iets later als extra track op hun nieuwe cd verkrijgbaar zijn.

Om wat te bruinen, trekt De Nieuwe Snaar in de maand juli richting Italië, waar ze een vijftal voorstellingen geven van “Hackádja!”. De bindteksten zijn in het Italiaans, de liedjes in het Frans. De ganse maand augustus rusten ze verdiend op hun lauweren. Verbonden aan de nieuwe theatertournee verschijnt in de maand september hun derde album “William”, voorgesteld in De Kleine Komedie in Amsterdam. De Belgische pers wordt met een busrit verwend. Het album, voor het merendeel opgenomen tijdens de maand juni 1992 in Studio Impuls in Herent, staat bol van de songs, twintig in het totaal, ook rijk gevarieerd qua thema’s: Mr. Ghost in een vertaling van van Wannes Van de Velde, Clouseau, William Vanderlinden, Slim Gaillard, Krokodil, Bo Diddley, René Magritte, Bwana Kitoko. In de studio wordt er door het productieteam onder leiding van Jean Blaute op geen muzikant meer of minder gekeken, zo’n negentien in het totaal. Daaronder opvallende namen als Patrick Riguelle, Stoy Stoffelen, Fay Lovsky, Kevin Mulligan en Mich Verbelen. Ook al gaan hun albums vlot over de toonbank, een notering in de Ultratop Album 200 zit er ook deze keer niet in. Twee songs daaruit verschijnen op single: Bwana Kitoko en Ik heb vannacht... Na de persconferentie lezen we in De Standaard: “De Nieuwe Snaar scheppen hoop in tijden van verkleutering.” Naar aanleiding van het twintigjarige bestaan van De Warande in Turnhout de eenendertigste oktober werkt De Nieuwe Snaar een speciale show uit.

In 1993 wordt er in Vlaanderen volop getoerd van januari tot begin april met “William”. De drieëntwintigste maart 1993 overhandigt minister van Cultuur Hugo Weckx hun de geloofsbrief waarin ze worden aangesteld als cultureel ambassadeur (in het totaal wordt hun die eretitel driemaal toegewezen). De formule luidt als volgt: “Overwegende dat cultureel waardevolle organisaties en projecten, die over een sterke internationale reputatie beschikken en zich duidelijk als Vlaamse initiatieven manifesteren, kunnen bijdragen tot het versterken van de internationale politieke, culturele en economische uitstraling van Vlaanderen, overwegende dat het hierna genoemde initiatief aan de bovengenoemde criteria voldoet, hebben we besloten De Nieuwe Snaar aan te stellen als cultureel ambassadeur van Vlaanderen.” Dat lukt makkelijk, want met “Hackádja!” trekken ze enkele weken later richting Frankrijk en meteen nadien richting Zwitserland, waar ze ook enkele schoolvoorstellingen in het Frans en het Duits geven. Eind mei staan ze vijf dagen in een theater in Mainz geprogrammeerd enzovoort.

Met het oog op hun Spaanse tournee vertaalt Dirk Van Esbroeck hun teksten in het Spaans en mogen ze bij hem thuis Spaanse les gaan volgen. Vooraleer Spanje aan de beurt is, toeren ze in de maand juli een week langs Italiaanse festivals en theaters, onder meer in Bologna. Maandag de zevenentwintigste september vertrekt De Nieuwe Snaar vanuit Zaventem naar Barcelona voor een verblijf tot de eerste november om zes dagen per week op te treden in het Teatre Condal, gelegen aan de Via Paralelo. De persmap liegt er niet om: “Los Snars, los musicomicos mas famosos de Europa.” Zij worden omschreven als een mengeling van Mel Brooks en Grock, een soort Jacques Tati meets Buster Keaton, ze zijn met z’n drieën zoals de gebroeders Marx, muzikanten zoals Chico en Harpo. Geen enkel voorwerp kan hun weerstaan of ontsnapt aan hun aandacht. Ze spelen elke soort melodie, van de grote muziek over charanga tot rock en ze hebben geen genade. Ze moeten nu nog lachen wanneer ze eraan terugdenken hoe ze bijna stoethaspelend de teksten uit het hoofd gingen leren en eraan moesten wennen dat Liesjes poesje, El conejito de Lily werd en De zwemmer, El nadador. De show die ze hier brachten was de Spaanse versie van “Musicomic”. Ze zullen hem in het totaal dertig keer opvoeren. “Een volle zaal“, beamen Jan en Kris, “hebben we nooit gehaald. De vijfhonderd zitjes hebben we niet altijd gevuld gekregen. De organisator liet ons dan ook weten dat ze geen verlies hebben geleden, maar ook geen grote winst hebben gemaakt.” Eenmaal terug thuis wordt tijdens de maanden oktober en november volop getoerd met “William”. Ze animeren daarnaast de eigenaars van kleinere zalen met een soort best-of-optredens.

De achtentwintigste december van dat jaar zendt de VRT een reportage over het Spaanse avontuur uit onder de titel “Cuarteto Triangular”. Met de Spaanse voorstelling kapen de heren het Diploma d’Aplaudiment van het seizoen 1993 weg, uitgereikt door El Premi Sebastià Gasch de Music-hall i Arts Parateatrals. Manager Léon Lamal spoort hen tussendoor aan een show uit te werken, waarmee ze in 1994 hun vijfentwintigjarige bestaan in de verf kunnen zetten, een terugblik, die ze maar één seizoen zullen opvoeren en enkel in de grotere culturele centra. In de maand februari 1994 wordt “William” voor de laatste keer opgevoerd in Nederland, onder andere vijf optredens in De Kleine Komedie in Amsterdam. Op het einde van het jaar zal “William” nog een aantal keer in Vlaanderen uit de kast worden gehaald. In de lente worden ze in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen voor de tweede keer tot cultureel ambassadeur benoemd. Dat zal wel lukken, want in mei spelen ze bijvoorbeeld twee weken in het Teatro della Tosse in Genova. Tijdens de maanden mei en juni wordt er veel gebrainstormd en gaan ze in samenspraak met hun platenfirma EMI werken aan een uitgebreide verzamel-cd. Hun nieuwe voorstelling “De Nieuwe Snaar Revue” moet sowieso dolle pret worden. Er worden gasten uitgenodigd zoals het Trio Grande (3 a-capelladames), sitdowncomedian Earl Okin (speelde ooit in een voorprogramma van Wings) en illusionist Gili. Het Trio Grande is ook te horen op het nieuwe album. In Studio Impuls in Herent wordt onder andere Mocking Bird Hill ingeblikt, met een knipoog naar Les Paul & Mary Ford. De dames Grande mogen hier alvast laten horen wat ze kunnen. Om dat trio de nodige ervaring te gunnen, mogen de dames hier en daar mee op tournee. De maand augustus wordt voorbehouden om aan de nieuwe show te sleutelen en te prutsen. Er moet koste wat het kost vuurwerk aan te pas komen. Samen met regisseur Marc Peeters wordt alles tot één mooi geheel gekneed tijdens hun vele repetities in het cultureel centrum van Jezus-Eik. In “De Warande te Turhnout heeft de eerste november de première plaats. In De Standaard lezen we: “Deze revue is een spetterende vertoning die in Vlaanderen zijn gelijke niet kent. De drie Snaren vinden in de drie hupse dametjes van het Trio Grande hun vocale en visuele alter ego’s. Ze lijken wel voor elkaar geschapen. De Nieuwe Snaar houdt het fris, vermijdt het boertige en zoekt het in het eenvoudige, wat nog altijd het beste werkt.” Voorafgaand aan de show lanceerde EMI in de maand oktober al hun album “De Nieuwe Snaar Revue”, goed voor zesentwintig songs, waaronder als toetje Le chat du Pharaon, Die schöne Müllerin en El nadador. Acht liedjes verschenen niet eerder op cd. In het bijbehorende boekje schrijft Tom Lanoye: “De Nieuwe Snaar is de klinkklaar fine fleur van klankkleur dijenklets vakmanschap! Drievuldigheid van repertoire vol slipgevaar, hilarisch hemelschaar van kunst met k, maar zonder saai noch navelstaar… Wat wil men meer? Wat is meer waar? Dan een avond met De Nieuwe Snaar.” De heren maken in het bijbehorende boekje ook van de gelegenheid gebruik om hun technici te bedanken, die hen in alle omstandigheden zo goed mogelijk bijstaan, want zij zorgen er telkens voor dat hun optredens ook geluids- en beeldtechnisch een succes zijn. Op het einde van het jaar staan er in het totaal 1500 optredens op de Nieuwe Snaar-teller. Zij noteren dat getal tijdens een voorstelling in Saint-Cyprien in Frankrijk.

Ook al waren ze het in het begin niet van plan, toch trekt De Nieuwe Snaar de vierde januari 1995 met de “Revue” richting Nederland om daar op vraag van directeur Joost Nuissl vijf optredens te geven in De Kleine Komedie in Amsterdam. De Nederlandse pers reageert positief: “De heren leveren verrukkelijk amusement af, gebracht door een razendsnelle geoliede showmachine. Het publiek kon er niet genoeg van krijgen. Gezien de reacties zou het niet denkbeeldig zijn dat het volgende jubileum in Carré gevierd wordt.” Eind januari keren zij naar Vlaanderen terug. De “Revue” wordt ook hier gulzig opgevoerd en verteerd. Opnieuw worden ze aangesteld als ambassadeurs van Vlaanderen. Een deel van het budget wordt besteed aan de opname van een Duitstalige cd tijdens de maand juni, bedoeld als visitekaartje voor de Duitse markt. Wannes Van de Velde vertaalt samen met zijn van origine Duitse vrouw, die ook bij de opnamen in de studio van Bert Candries in Wezemaal aanwezig is als taalcoach. Zij brengen de cd uit op het onafhankelijke Myron-label, opgericht door Léon Lamal samen met Dirk Van Esbroeck en in eerste instantie bedoeld om de Argentijnse muziek die Dirk samen met Alfredo Marcucci en het Sexteto Tango al Sur inblikt, uit te brengen. Eind juli begint De Nieuwe Snaar aan een grootse promocampagne in Duitsland. Ze trekken onder meer naar München voor een tv-opname voor het ZDF. De twintigste augustus staat een tv-optreden in Mainz op het programma. In ons land toeren ze in 1995 met de kleinschalige best-of-tournee onder de titel “Als eieren zo groot”, goed voor een dertigtal voorstellingen vanaf eind september tot en met half november. Er wordt inmiddels gebroed op een nieuwe show. Kris daarover: “Ikzelf had mijn schroom overwonnen om andere blaasinstrumenten te leren bespelen na de aankoop van een tweedehandse basklarinet. Een nieuwe klankkleur kon aan het palet worden toegevoegd, maar dat was natuurlijk niet voldoende voor een nieuwe show. We gingen ons in 1996 zeker niet vervelen.

En vervelen doen ze zich niet, want de eerste april 1996 trekken ze voor de eerste maal naar Zuid-Afrika. Ze spelen hier op het tweede Klein Karoo Nasionale Kunstefees in Oudtshoorn. Op dit festival staan cabaret, lichte en klassieke muziek, dans, theater en literatuur centraal. Ook Stef Bos, Tom Lanoye en Herman van Veen staan op de affiche. Eenmaal terug werken zij tot half mei het laatste luik van de “Revue”-tour af. Tijdens hun vrije tijd en in de pauze van die tour wisselen ze onderling al wilde ideeën uit voor de nieuwe voorstelling die op het einde van het jaar in première moet gaan. Muziek spelen op niet-alledaagse instrumenten zal sowieso centraal staan. Zij willen ook een ode brengen aan een aantal van hun muzikale helden: Spike Jones, Julie London, Wannes Van de Velde… In een ruimte die Geert ter beschikking stelt in een voormalige elektronicazaak in Bouwel, kunnen zij beginnen met de voorbereidingen. Er wordt ondanks de drukte toch nog tijd vrijgehouden om onze oosterburen nog eens te verblijden met hun komst: Wiesbaden, Bonn en Hamm. Een tegenvaller is wel de Auslandssteuer, een bijkomende taks op buitenlandse groepen, waardoor zij in één klap 35% duurder worden (kwestie van hun eigen Duitse groepen  te beschermen). Half mei wordt in ons land definitief een punt gezet achter de “Revue”, schluss damit. Plaats van afronding het Cultuurcentrum Zwanenberg in Heist-op-den-Berg. Vanaf de maand juni wordt dagelijks gerepeteerd om van hun nieuwe show een topper te maken. De laatste week van augustus nemen ze in de studio een nieuwe single op, Limburglimbo en De hoezen van Julie. Jan De Smet is namelijk tot over zijn oren verliefd op de legendarische Amerikaanse zangeres Julie London en heeft intussen al haar elpees verzameld, waarop ze hem meerdere verleidelijke blikken gunt. In Ontmoetingscentrum ‘t Waaigat in Zwijndrecht mag tijdens de laatste week van september, een maand voor de première, gerepeteerd worden. Zij voorzien twee try-outs voor ” Famineurzeven”. Vervolgens wordt er geoefend in De Bosuil in Jezus-Eik en het Fenikshof in Grimbergen. Karel Vereertbrugghen wordt ingeschakeld om de bindteksten aan te reiken. Vooraleer met de première wordt uitgepakt, wordt alles opgesteld in het cultureel centrum van Strombeek-Bever, waar zij vanaf de twintigste oktober drie dagen de kans krijgen alles te finetunen. Er wordt groots gedacht en gepland, met in het totaal vier premièredagen, die eindigen op zondag de zevenentwintigste oktober. Volgens Gazet van Antwerpen zit alles snor: “‘Famineurzeven’ is helemaal gebaseerd op het concept van een bonte avond. Muziek, dans, variété en acrobatiek worden samengesmolten tot één geheel. Ook het decor wijst meteen in die richting: een podium dat zo uit een Vlaamse parochiezaal zou kunnen komen, uitgevoerd in de atoomstijl van tekenaars als Ever Meulen en Yves Chaland. Leek het er tijdens het vorige programma ‘Revue’ op dat De Nieuwe Snaar door haar inspiratie zat, dan leveren ze nu het bewijs van het tegendeel. ‘Fm7′ is theater pur sang, met violist Geert Vermeulen in de hoofdrol. Er valt flink wat te beleven.”

De dertigste maart 1997 trekt De Nieuwe Snaar voor een tweede keer naar Oudtshoorn in Zuid-Afrika. Na een tussenpauze van een jaar vernemen ze, eenmaal terug in Vlaanderen, dat ze weer voor een jaar tot cultureel ambassadeur benoemd zijn. Vanaf eind juni trekken ze naar The Groove in Schelle, want er mag en moet een nieuw album komen. Het album wordt als een dubbelaar opgevat: een deel betreft liveopnamen en een ander deel studiomateriaal. Ook nu weer is Jean Blaute de producer van dienst. Opvallend op “Famineurzeven” is de laatste strook In de soep, een gezongen autobiografie: “Als een afgezaagd refrein, zo hebben we jaren rondgereden in een ouwe bus, het was daar zo gezellig, ja het was daar reuzeknus. Maar dikwijls hadden we panne en dat was een hele klus, want niemand hier was opgeleid tot busmechanicus…” Lekker vaak gedraaid op de radio sindsdien is het nummer De Limburglimbo. Het idee is van Earl Okin, die telkens als zij tijdens hun optredens het bord “De Limburgers heten u welkom” passeerden, aan een rituele dans uit Trinidad moest denken. “Van Kuttekoven tot Ternaaien, van Munsterbilzen tot in Peer, staan de Limburgers te draaien en doen de limbo nog een keer.” Ook nu weer bedienen de drie heren zich van de meest uiteenlopende instrumenten en geluidmakende attributen: slijpschijf, zingende zaag, elektrische mandoline, belletjes, lyra, basklarinet, ukelele, tenorgitaar, cavaquinho, banjolele, accordeon, Engelse hoorn, kortom te veel om op te sommen. Het wordt uiteindelijk een album waarvan de eerste twaalf liedjes de veertiende februari werden ingeblikt tijdens een liveoptreden in “De Kleine Komedie” in Amsterdam. Die locatie blijkt in de maand september ook de geschikte plek om het album aan de verzamelde pers voor te stellen. Iets later stelt De Nieuwe Snaar het album ook in de “Ancienne Belgique” in Brussel voor tijdens een uitverkochte show. De jongens kunnen hun zeg kwijt in Knack Weekend, waarin ze aan Jacky Huys vertellen: “Het tempo gaat steeds maar sneller. We hebben laatst een van onze optredens uit ’81 bekeken en daar zaten weliswaar goeie dingen in, maar we dachten, kan dat hier niet eens een beetje vooruitgaan, terwijl er toen toch behoorlijk werd gereageerd. Wij profileren ons vandaag trouwens steeds minder als een humoristische en steeds meer als een muzikale groep. Onze programma’s zijn opgebouwd als een totaalbelevenis.”

1998 wordt ingezet met de verlenging van het tweede seizoen van “Famineurzeven”. Tijdens de maanden januari en februari wordt Vlaanderen druk bezocht. De maand maart is voorbehouden voor het Nederlandse publiek, om tijdens de maanden april en mei opnieuw de Vlamingen op te vrijen. Zij produceren ook een Franstalige versie van “Famineurzeven”, waarmee zij drie weken zuidwaarts trekken. Ook deze keer werden de Franse teksten vertaald door Yves Dardenne. Van de twaalfde tot de zestiende mei speelt De Nieuwe Snaar in Clermont-Ferrand in Centraal-Frankrijk. Vervolgens zijn Nantes en Ile de Ré aan de beurt. Dan wordt het tijd stilaan aan hun nieuwe voorstelling te denken, waarmee zij eind 1999 on the road gaan. Geert is intussen gaan samenwerken met Walter Poppeliers voor de kindervoorstelling “Muzet Superet”. Waarom hem niet bij de groep betrekken? Voor het najaar van 1998 staan er vooral kleinere theaters op het programma, waar “Famineurzeven” wordt opgevoerd, goed voor zo’n drie voorstellingen per week in Vlaanderen en Nederland. Eind september nodigen zij Walter uit om met hem voor de nieuwe voorstelling muzikaal het een en het ander uit te proberen. Walter staat erop dat zij met partituren gaan werken, hij schrijft namelijk alle arrangementen uit en dat is De Nieuwe Snaar niet gewoon. Maar ze wagen het erop. Er wordt besloten met nog méér vreemde klanken te werken. Geert nodigt hen uit om bij hem thuis in Bouwel met de repetities te beginnen en de nieuwe voorstelling stilaan uit te werken. Tweemaal per week blijkt een haalbare kaart. De titel ligt meteen vast, voor de hand liggend zelfs sinds de komst van Walter, “De Vierde Maat”. Daarmee is De Nieuwe Snaar aan hun achtste productie toe.

Tijdens de weekends wordt er de eerste maanden van 1999 hier en daar in Nederland en Vlaanderen nog opgetreden met de staart, laten we maar zeggen, van de “Famineurzeven”-tour. Begin februari staan er zelfs vier voorstellingen in de Elzas op het programma. Zij ronden eind februari in Vlaamse schoonheid af met zes uitverkochte voorstellingen in de Arenbergschouwburg van Antwerpen. Definitief wordt er van deze show afscheid genomen begin juni tijdens een allerlaatste voorstelling in het Nederlandse Delft. Vanaf dan worden alle creatieve zeilen bijgezet om van de nieuwe voorstelling een soort “je van het” te maken. Kris is in de wolken, want hij heeft voor de nieuwe show in Amsterdam een oude Ludwig-drumkit uit 1967 op de kop kunnen tikken. Ze willen niets aan het toeval overlaten. Begin juli trekken ze naar Studio The Groove in Schelle voor de eerste opnamen van de nieuwe cd. De nummers blijken heel fragiel te klinken: Donker en het door Hugo Matthysen van een knappe tekst voorziene Dweil. “De sfeer in de studio“, vertelt Kris, “was om te snijden. De werkdruk lag erg hoog. Er was het voortdurend bezig zijn met de nieuwe show, de optredens tussendoor, de nieuwe songs. Jean wilde het onderste uit de creatieve kan. Hij had maar schrik dat er te weinig respons van onze kant kwam. Hij vreesde zelfs dat het verhaal van De Nieuwe Snaar na dit zo goed als uitverteld was.” De tiende en elfde september hebben de eerste try-outs plaats, voor een beperkt publiek weliswaar, dat achteraf voldoende respons geeft. Vlak voor de start van een nieuw millennium, het gezegende jaar 2000, heeft de première in Strombeek-Bever plaats. In De Standaard lezen we: “Méér dan in de vroegere voorstellingen hekelt De Nieuwe Snaar de schijn van de moderne wereld. Wat het kwartet niet prekerig maakt, integendeel. De spitse grappen en vlotte liedjes, en nu ook enige acrobatie, vormen samen een spektakel met een aparte identiteit. Centraal op het podium staat een grote installatie, die in alles de fascinatie van onze cultuur met symmetrie weerspiegelt. Het lage volume en de keuze voor akoestische instrumenten zijn statements. De groep pleit voor waardigheid, ambacht, een open cultuur en intelligentie.” “De Vierde Maat” is een drukke voorstelling geworden waarin zomaar liefst tweeëndertig instrumenten worden ingezet. Het publiek krijgt dus waar voor zijn geld. In De Morgen schrijft Dirk Steenhaut: “De heren beheersen zowat alle muziekjes, van rumba tot chachacha en van country tot gamelan, komen gevat én ontroerend uit de hoek, goochelen met woordspelingen en dubbele bodems en zijn ouderwets sarcastisch in een liedje als Dweil. Leuk.” “De Vierde Maat” mogen we, sinds de komst van Walter Poppeliers, letterlijk nemen, goed voor extra zangwerk en vuurwerk op de gitaar, contrabas en marimbula. In een vorig leven was Walter muzikant bij de Holzbein Brothers, trok op tournee met Catherine Delasalle en de Jiddische zangeres Zahava Seewald, speelde met de groep Psamim en met Wannes Van de Velde en met  Guido Belcanto. Poppeliers is geen vreemde voor De Nieuwe Snaar, want op hun vraag speelde hij voordien al mee op de albums “Hackádja!” en “Famineurzeven”. Met “De Vierde Maat” wordt er tot begin november in Vlaanderen opgetreden. Nadien is het de beurt aan Nederland. Vlak voor de kerstdagen spelen ze vier keer in de Turnhoutse Warande.

De productie van de nieuwe cd is deze keer in handen van Wim De Wilde. Er wordt tijdens de maand mei 2000 opgenomen bij Motormusic in Koningshooikt. Wim werkt anders dan Jean Blaute. Hij sleutelt meer aan de nummers, werkt met sampling en puzzelt graag met opgenomen fragmenten tot het als één geheel klinkt. Wim krijgt van de groep carte blanche om aan een nieuw geluid te werken. Hij durft een arrangement anders aan te pakken dan de groep eerst in gedachten had. In de maand oktober wordt de cd gereleaset, goed voor dertien nummers, waaronder De eerste woorden, De ouwe zanger, Houten man, De heilige Miss België en Bandboy. De groep schrijft het merendeel van de songs, met uitzondering van Dweil en Houten man, dat voor een deel van de hand is van Hugo Matthysen. Dweil is lekker genieten van een kakmadam, met iets té veel pretentie, die eindigt als poetsvrouw. De cd boeit door de afwisseling: liedjes die variëren van spitsvondige teksten tot opvallende arrangementen, afwisselend verpakt in dan eens een mambo en een calypso, dan weer Vlaamse country en zelfs futurofolk, al worden ze hier en daar in de pers op de vingers getikt dat het bijwijlen als een soort déjà entendu klinkt. Journalist Harry de Bock is het er nochtans met veel van zijn collega’s over eens: “‘De Vierde Maat’ is een cd om weer van te smullen.” Met de voorstelling van “De Vierde Maat” in Enschede, de tweeëntwintigste december, wordt het jaar in schoonheid afgerond. Een noot die we nog even uit de marge meepikken: de zeventiende september 2000 werd hun 2500ste optreden in Mol gevierd. Zij zijn intussen ook een Zamu-Award als “Beste Live-Act” rijk.

De vijfde mei 2001 noteren wij een opvallend optreden van De Nieuwe Snaar in Rochefort tijdens het Festival International du Rire. In de persmap staat er: “Le vendredi 5 mai, le public découvrira «L’Institut», ces clowns, jongleurs, acteurs et comédiens américains, anglais et français dans un spectacle dénommé Bingo Circo-Comédie. Ce soir-là, il y aura également sur scène Richard Taxy et Paul Adam, Patrick Adler, Marc Jolivet et Serge Llado, Jean Roucas, Serge Llado, André Valardy et De Nieuwe Snaar, un inénarrable trio de musiciens-comédiens, clôtureront, le samedi 6 mai, le neuvième Festival International du Rire de Rochefort.

De eerste drie maanden van 2002 worden besteed aan het allerlaatste deel van de “Vierde Maat”-tour. De eerste drie weken van het nieuwe jaar staat Nederland op de agenda en het laatste weekend van maart wordt afgerond met drie voorstellingen in de Stadsschouwburg van Brugge. 2002 is een speciaal jaar voor de groep, want de vijftiende januari vieren ze het feit dat ze twintig jaar op de planken staan. Op vrijdag de negentiende april 2002 vindt in het Antwerpse Sportpaleis de negende editie van de NEKKA-NACHT plaats. Aan de pers laat de organisatie weten: “Met De Nieuwe Snaar als centrale gast, al kunnen we in dit geval misschien beter spreken van blikvanger, belooft NEKKA-NACHT 2002 zeker opnieuw een niet te missen concert te worden. Reeds jaren stonden ze op het verlanglijstje van de organisatoren en nu, voor hun twintigjarige bestaan, zijn ze bereid gevonden tijd vrij te maken om een speciaal en uniek programma samen te stellen voor NEKKA. In het Sportpaleis optreden, doe je niet elke dag. Zeker voor een groep als De Nieuwe Snaar, die een patent heeft op zowel muzikale als visuele hoogstandjes, is dit een uitdaging die ze voluit aangaan. Reeds maanden werken de vier heren aan een programma dat meer dan ooit garant staat voor spektakel. Het Sportpaleis zal voor de gelegenheid de magische sfeer van een circustent krijgen.” In het eerste deel staan een aantal oudere nummers op het menu, alleen of in combinatie met de genodigden. Het tweede deel bestaat voor het hoofdaandeel uit een bondig exposé van “De Vierde Maat”. Na deze onvergetelijke nacht gaat hun aandacht uit naar hun nieuwe show. De pers begint al ongeduldig aan hun mouw te trekken. Op de vraag hoever het er al mee staat, antwoordt Jan haast laconiek: “Nergens. En toch hebben al verschillende theaterdirecteurs hem in vertrouwen aangekocht. Dat zorgt uiteraard voor een zekere spanning. Het enige wat vaststaat is dat er eind december een première is. Misschien gaan we wel een totaal andere richting uit met wat meer ernstige nummers.” Tijdens de maand mei worden er vijf dagen uitgetrokken om onafgebroken te repeteren. Als regisseur hebben zij Lucas Van Den Eynde aangetrokken. “Hij laat ons vooral onze gang gaan en stuurt subtiel bij daar waar hij het nodig vindt“, aldus Kris De Smet. Eind juni wordt iedereen opgetrommeld om te evalueren. Ondanks de warmte wordt er tijdens de maand juli naarstig voortgeploeterd en -gesleuteld. De show zal worden opgevat als een roadmovie. In de maand september slaan zij hun tenten op in Overijse om er de laatste hand te leggen aan hun nieuwe voorstelling. In Het Nieuwsblad lezen we vooraf al een babbel met de groep: “De voorstelling is een reis langs de dingen die ons bezighouden. We laten voor het eerst een grote dosis melancholie toe. In tegenstelling tot vroeger laten we de dingen in hun waarde en relativeren alles niet meer dood. Er zijn bijna geen bindteksten meer, want we laten de liedjes alles vertellen. De improvisatie leggen we doelbewust aan banden om de vaart erin te houden.”

En die voorstelling komt er. De zevenentwintigste september 2002 gaat De Nieuwe Snaar van start met de première van hun negende theatershow “De Omloop der Lage Landen” in de Ancienne Belgique in hartje Brussel. Van hieruit hebben zij toch iets meer impact op de media, ook iets meer uitstraling dan tot dan toe in Strombeek-Bever. In Het Belang van Limburg noteert Raymond De Condé: “Het programma heeft eerst iets van een dolle roadmovie die door de muziekgeschiedenis dendert. In het tweede deel keert het terug naar de roots van het viertal met een Vlaamse wielerkoers als rode draad en een speaker met een nasaal stemgeluid. Naast muzikale acrobatie zijn er uiteraard ook acrobatische hoogstandjes. Zo blijft Geert Vermeulen bijna tien minuten met zijn magneetschoenen aan het plafond hangen. Heel wat nummers hebben Zuid-Amerikaanse ritmes en de jongens brengen een drietal hommages aan hun muzikale helden: Georges Brassens, Buddy Holly en Bob Dylan. De jongens hebben er een halfjaar van ‘s morgens tot ‘s nachts aan gewerkt. Het resultaat is bewonderenswaardig.”

Plaats voor een aardigheidje tussendoor is er altijd. Clouseau en De Nieuwe Snaar nemen in 2002 de single Samen op, naar Let’s Stick Together van Bryan Ferry, vertaald door Piet Van den Heuvel. Op zaterdag de achtentwintigste september, de vijftiende Dag van de Klant, kreeg je dat cd’tje gratis aangeboden en het paste bij de slogan van de UNIZO-campagne die toen net van start ging, “Samen maken we er een hit van”. Aan Gazet van Antwerpen vertelde Koen Wauters: “Ik ben al lang fan van De Nieuwe Snaar. Het was geestig om samen met hen een nummer op te nemen. We hebben niet gelijktijdig in de studio gestaan, wegens te drukke agenda’s. De videoclip hebben we opgenomen in het repetitiekot van De Nieuwe Snaar.” Op de cd, een muziek-cd én cd-rom, staat de originele versie, de videoclip en de karaokeversie van Samen. De single werd niet te koop aangeboden en is intussen een soort collector’s item geworden. Je kon hem enkel op de Dag van de Klant in je favoriete winkel krijgen.

Op het einde van het eerste seizoen van “De Omloop” nemen de heren van De Nieuwe Snaar in 2003 een moeilijke beslissing. Er komt een einde aan de samenwerking met Léon Lamal. Na veel heen-en-weergepraat wordt besloten de samenwerking te laten uitdoven, dit om het komende seizoen niet in de war te laten lopen. In de toekomst zal De Nieuwe Snaar samenwerken met het bureau van Kris Eelen, Garifuna in Kasterlee. Omdat er niet meer met Léon wordt samengewerkt, kan het nieuwe album ook niet op diens label verschijnen en brengt De Nieuwe Snaar het voor de eerste keer echt in eigen beheer uit. Zij willen sowieso een single uitbrengen en dat wordt In de hemel is geen Dylan, gekoppeld aan Het mooiste orkest van de wereld, een medley van een aantal instrumentale nummers uit de voorstelling. Radio 1 draait het singletje haast grijs en voert de heren vaak op via diverse interviews in hun programma’s. Ze spelen In de hemel is geen Dylan de tweeëntwintigste maart tijdens de Pop Poll de Luxe-avond van Humo, een teken dat de song in die korte tijd is uitgegroeid tot een Nieuwe Snaar-klassieker.

De cd “De Omloop” ligt in 2004 in de winkel. Voor de opname keerden de vier heren naar hun ouwe, trouwe vriend en producer Jean Blaute terug. Op dat album, opgenomen in de maand juni van 2003 in Studio The Groove in Schelle, staan dan ook songs als Denkend aan Buddy Holly’s bril en In de hemel is geen Dylan, dit laatste op een tekst van Frank Vander Linden. Voor de fijnproevers geven de heren in het bijbehorende boekje tot in het kleinste detail de gegevens weer van het instrumentarium dat aan bod komt: een mini-Moog, een Suzuki Pro Master-mondharmonica, een Yamaha Hip Gig, een Fender Relic Telecaster-gitaar uit 1952, een Windsor Curved-sopraansax enzovoort. Voor hen is en blijft het muziek spelen en spelen met muziek. Journalist Peter Van Dyck bekroont dit album in Knack met vier sterren: “De Nieuwe Snaar mag als een bende grapjurken bekendstaan, het zijn in de eerste plaats toch rasmuzikanten. Ze spelen in de letterlijke zin van het woord. Als een spons slorpten ze door de jaren rootsmuziek in alle soorten op en als een zingend geschiedenisboek dragen ze op ‘De Omloop’ hun wereldse en gelijk oer-Vlaamse erfgoed uit. Met het ouder worden, sneuvelen de inhoudelijke taboes. De groep heeft niet langer schroom om over de liefde te schrijven en persoonlijke ervaringen in poëzie te gieten. Jan De Smet blijft het gezicht, maar de inbreng van de anderen wordt van langsom belangrijker. De groep benadert de perfectie. Nog nooit heeft De Nieuwe Snaar zo warm geklonken. In het Nederlandstalige gebied staat dit viertal op eenzame hoogte.

De organisatoren van Marktrock Leuven hebben lang op hen moeten wachten, maar vrijdag de dertiende augustus 2004 is het zover. Het programma voor het hoofdpodium bestaat die dag achtereenvolgens uit: Spring, Natalia, Belle Perez, Xander (ex-Volumia!), De Nieuwe Snaar, Bart Peeters en De Kreuners. Een dag later treden hier ook nog Praga Khan, Novastar, El Tattoo del Tigre, Junkie XL, Zornik en Leki op en op zondag Axelle Red, Hooverphonic, The Rasmus, Flip Kowlier en Sioen. Hoogtijdagen voor wie van Vlaamse groepen houdt.

In 2005 lassen Jan, Geert, Walter en Kris een sabbatjaar in. Her en der vangen we op: “Het sabbatjaar staat duidelijk niet voor een rustig verdwijnen in de anonimiteit: een hele reeks nieuwe voorstellingen van de individuele leden wijst veeleer op een herbronning. Opvallend is dat zowel ‘Liefs’ van de Snaar-leden Geert Vermeulen en Walter Poppeliers als ‘Woody’ van Jan De Smet zich richten tot een jong publiek. ‘Corneel’ van Jan De Smet en zijn gelegenheidskompaan Arne Van Dongen is dan weer een literair-muzikaal programma rond de gelijknamige column in het weekblad Humo.” EMI besluit dan maar wat na te snoepen van hun samenwerking met de groep en brengt in de cd-reeks “Essential” twintig songs van De Nieuwe Snaar verzameld uit: van Ardennen Doo-wop tot en met De duivelse dans.

Van de dertiende tot de dertigste juni 2006 houdt De Nieuwe Snaar tijd vrij om in Studio The Groove in Schelle hun nieuwe album “Helden” op te nemen onder aanvoering, hoe kan het ook anders, van Jean Blaute. Jean schaart zich al musicerend in de studio rond Jan, Kris, Geert, Walter, Stoy Stoffelen, Tompie Van Saet en Tom Vanstiphout. Vijftien nummers worden er ingeblikt. De jongens gaan niet vreemd en schrijven alle songs zelf, met links en rechts verbale steun van Stijn Vranken. In het totaal komen zesendertig verschillende instrumenten aan bod om alzo een degelijk instrumentaal tapijt uit te rollen voor liedjes als Plaats in de annalen, Den Bono, Duiven op til, Het heelal en de titelsong Helden. “Ik ben op zoek in de velden, naar de helden van vandaag, ze zijn zonderling en zeldzaam en er is een grote vraag. Want die zogenaamde helden, die helden van vandaag, die laten zich nog amper gelden en hun taak is nogal vaag.” Uiteraard ging eerder aan de release een gelijknamige tournee vooraf. Daar begonnen de jongens, ondanks hun sabbatical year, al in 2005 aan te werken, want rust roest en anders moet je er nadien te snel in vliegen om alles tijdig klaar te krijgen voor het nieuwe seizoen. Hans-Maarten Post van Het Nieuwsblad trok net voor de première van de veertiende januari 2006 naar hun repetitiekot met de vragen of “Helden” over Eddy Merckx of Bob Dylan gaat, over muzikale of niet-muzikale helden of over het vereren van helden. Jan De Smet had zijn antwoord meteen klaar: “Allemaal fout! Over al die dingen gaat het níét. ‘Helden’ gaat over een drang die in de mens zit om zichzelf te overstijgen. Eender hoe. Het idee dat bij elk van ons leeft, in het diepst van onze gedachten, om onze eigen held te zijn. Al wordt het nooit met die woorden gezegd in de voorstelling. Het is niet echt een duidelijke voorstelling. Het is geen theater, ook geen muziektheater. We zijn vier muzikanten die op hun eigen werkplek samen met iets bezig zijn. Toen het allemaal bij elkaar kwam, met decor en kostuums, dachten we: als het maar niet te koel en te afstandelijk wordt. Maar de menselijke warmte die wij erin brengen, maakt het verschil. We gaan ook diep in onze eigen ziel en dat is nieuw. We hebben dat altijd langs allerlei slinkse wegen ontweken. Nu hebben we eindelijk de durf gehad om onszelf kwetsbaar op te stellen. En afgaand op de try-outs bezorgen we de zaal daar best wel kippenvel mee“, waaraan Geert toevoegt: “Het publiek zegt nu ook eens oh of ah, in plaats van alleen maar te lachen, en dat vind ik heel plezant.” Van die voorstelling verschijnt iets later een dvd. In De Standaard van de vierde november 2006 lezen we daarover: “De jongste, nog lopende productie van De Nieuwe Snaar wijkt een beetje af van wat het kwartet normaal doet. Er zit méér stilte in, méér getuigenis ook en minder routine. Moedig is het woord dat we daarvoor gebruiken, maar de broertjes De Smet & co moesten toch wennen aan de nieuwe theatrale vorm. Deze dvd is vijf maanden na het begin van de tournee opgenomen, waardoor het geheel al vlot loopt. Maar vooral brengt zo’n opname je veel dichter bij de acteurs-zangers. Je ziet de blikken beter, voelt de songs beter aan, kunt de acrobatie van nabij bewonderen. Dat is geen klein verschil, want De Nieuwe Snaar is een doodeerlijk gezelschap dat de kunst van het vertellen hoog in het vaandel draagt, ambachtelijkheid propageert en na al die jaren nog zenuwachtig wordt als er iets nieuws geprobeerd wordt. De heren stellen zich geregeld heel kwetsbaar op, zoals wanneer Jan De Smet a capella over zijn vader zingt. Wie genoeg heeft aan de muziek, kan ook gewoon de cd kopen.” In de maand november 2007 verschijnt als een soort hommage aan Urbanus de cd “Urbanus Vobiscum”. Speciaal voor deze cd neemt De Nieuwe Snaar een cover op van De wereld is om zeep. Aan dit album werken onder meer ook Bart Peeters, Stijn Meuris, Axelle Red, Clouseau en Will Tura mee.

In de staart van 2008 zijn Jan, Kris, Geert en Walter al druk in de weer voor wat hun elfde show moet worden, “Foor 11″. Deze keer beweegt de groep zich achter de schermen van een wereld die draait rond drukte, opzichtigheid, kleur, luide muziek en bombastische verlichting. Er wordt geoefend in Het Gevolg in Turnhout. Op zondag de vierde januari verlaten ze het pand en trekken richting Ancienne Belgique. Op de tweede, derde en vierde januari 2009 speelden ze wel nog enkele keren nieuwe voorstelling in Het Gevolg. In een persmap lezen we “dat het deze keer gaat over de B-kant van het leven: ver weg van de spots en glitter en glamour. Op het podium verschijnen er vier eigenzinnige figuren die elk op hun manier de marge van het bestaan, hun bestaan, ons bestaan, zullen bezingen, bevragen en misschien zelfs verfoeien. Een kleurrijk instrumentarium, confronterende beelden, straffe verhalen, krachtige liederen, onverwachte situaties en statements en zoveel méér zot geweld om het publiek via humor en ontroering, via slapstick en melancholie nog eens stevig onder handen te nemen!” Op zaterdag de dertiende januari 2008 heeft de première plaats. Jan had aan de pers vooraf al gemeld dat de groep uit ervaring weet dat de eerste officiële voorstelling niet sowieso de beste is. “We zijn dan hyperzenuwachtig: zowel de technici als het publiek en zeker wijzelf. Maar de alertheid is dan wel enorm. Eigenlijk speel ik persoonlijk liever de vijftigste dan de eerste voorstelling. Je moet het vergelijken met voor de eerste keer nieuwe schoenen aantrekken.” Aan Gazet van Antwerpen vertellen Jan en Walter dat de voorstelling vooral over schoonheid gaat: “De voorstelling is inderdaad een zoektocht naar schoonheid, in schril contrast met de lelijkheid van onszelf en onze gedachten. Traagheid is een vorm van schoonheid en tevens een tegenstroom. Dat hebben we onthouden van ons aller leermeester Wannes Van de Velde. Die bepaalde zelf zijn ritme en liet zich geen druk opleggen.”

De Standaard print dat “Foor 11″ muzikaal tot het sterkste behoort dat De Nieuwe Snaar al heeft neergezet en De Morgen heeft het over een niet te missen voorstelling voor elke gevoelige ziel. Qua cd-opname trekt de groep in de maanden juni en juli 2009 naar de Alea Studio in Gent. De productie is in handen van Pieter-Jan De Smet en Erwin Libbrecht. Een negental muzikanten komt een extra handje toesteken en vooral een mondje meeblazen. Passeren de liedjesrevue: De King, De nieuwe anonimiteit, Rommel, Marialied en De Laatste Ronde. Frank Vander Linden schrijft mee aan het nummer Geen vrouwen in de groep: “Geen vrouwen in de groep, ik mag het u wel vertellen, ik zit al lang in dit beroep. Geen vrouwen in de groep, want ‘t is makkelijk te voorspellen, alles draait dan in de soep.” Achteraf geeft Jan toe dat over “Foor 11″ een soort donkere sluier hing: “Er waren privéproblemen en dat voelde je. We wilden op deze manier geen afscheid nemen van ons publiek dat ons al jaren trouw was blijven volgen. Hier moest koste wat het kost een vervolg aan gebreid worden, zeker omdat we toen al wisten dat we er stilaan een definitief punt achter gingen zetten.” De eerste oktober van dat jaar trekt De Nieuwe Snaar naar Nederland, om precies te zijn geven ze de aftrap in Leiden en niet in Amsterdam zoals gewoonlijk.

In januari 2010 plant De Nieuwe Snaar een belangrijke meeting. Er zal beslist worden over de toekomst van de groep. Kris schrijft daarover: “De vergadering, waarop wij vieren en Kris Eelen aanwezig zijn, verloopt bijzonder stroef, maar we komen uiteindelijk tot een eensgezind besluit. We zullen nog één voorstelling maken, die een compilatie zal zijn van de beste stukken van de voorbije dertig jaar. We zullen een eigenzinnige keuze maken van de liedjes en acts die we in eerste instantie zelf de moeite waard vinden. Met deze show zullen we zeker twee seizoenen op tournee gaan. De première wordt in januari 2012 gepland. Na de laatste uitvoering van deze ultieme show zal het doek definitief over De Nieuwe Snaar vallen. Dit nieuws zal pas worden bekendgemaakt bij de aankondiging van de nieuwe tournee. Het hoge woord is eruit, de teerling is geworden en we weten waar we aan toe zijn.”

Omdat er nog steeds vraag is naar de bekendste nummers van De Nieuwe Snaar, brengt EMI in de cd-reeks “Alle 40 Goed” de zevenentwintigste september 2010 veertig van hun bekendste en meest geliefde nummers op een dubbele verzamelaar uit. Tijdens de zesentwintigste editie van het Festival van Dranouter staat De Nieuwe Snaar in 2013 nog eens op de affiche. Ze sieren dit keer het podium samen met Agnes Obel, Arno, Daan, Black Box Revelation, De Dolfijntjes, Amatorski, Bent Van Looy en Wouter Deprez.

In 2011 wil Kris De Smet koste wat het kost zijn ei kwijt. Het moest er ooit van komen, het enige echte verhaal van De Nieuwe Snaar moet gevat worden in één boek, een kanjer van 622 pagina’s, onder de titel “Het verhaal van De Nieuwe Snaar”, uitgegeven bij Manteau in Antwerpen. Het boek zal nadien meermaals herdrukt worden. Knack reageert enthousiast: “Een hoogstpersoonlijke wereld vol kleur, muziek en zottigheid“. Het Nieuwsblad heeft het over “muzikaal vakmanschap“. Voor Kris leek dat schrijven op een bepaald moment haast onbegonnen werk: “Dat het niet gemakkelijk zou zijn, wist ik op voorhand, maar dat het zo’n beslag op mijn leven zou leggen, kon ik niet bevroeden. Er waren dagen dat alles bijna automatisch uit mijn hoofd op het beeldscherm verscheen en er waren dagen dat ik met moeite een pagina geschreven kreeg waar ik tevreden over was. Ik heb mezelf de discipline opgelegd om elke dag te schrijven. Gelukkig kon ik daar voldoende uren per dag voor uittrekken, omdat De Nieuwe Snaar het grootste deel van dat jaar geen voorstellingen deed. Maar ik ben blij dat de klus geklaard is. Er is een oosterse wijsheid die zegt dat een man in zijn leven drie dingen moet verwezenlijken: een zoon krijgen, een boom planten en een boek schrijven. Ik heb een zoon en ook twee dochters, ik heb meerdere bomen geplant en nu heb ik een boek. Wat er verder zal gebeuren, weet ik niet. Misschien moet ik wel op zoek naar andere oosterse wijsheden die me een nieuwe opdracht geven.” Wanneer De Nieuwe Snaar er in 2014 mee ophoudt, zal Kris op basis van dit boek lezingen gaan geven, die als volgt gepromoot worden: “Tijdens deze lezing dist Kris sappige verhalen en anekdotes op uit het rijke toerleven van De Nieuwe Snaar. Bovendien illustreert hij alles met beelden en acts uit het onuitputtelijke repertoire dat in al die jaren werd opgebouwd. Hebt u een vraag die u al heel lang wil stellen aan een gepokte en gemazelde Snaar, of wilt u een verzoeknummer aanvragen, dan krijgt u die mogelijkheid er gratis bovenop!” Met die lezingen trekt Kris anno 2017 nog altijd door Vlaanderen.

Maar goed, terug naar 2012, want dan gaat De Nieuwe Snaar nog een laatste keer op tournee met de toepasselijke show “Koñec’”, Tsjechisch voor einde. De officiële aftrap wordt in de Ancienne Belgique in Brussel gegeven. Kris De Smet: “Geheel in de traditie van De Nieuwe Snaar zijn de repetities niet van een leien dakje gelopen. Spannende momenten en conflicten wisselden elkaar af, met uitbarstingen van plezier en creativiteit en periodes van twijfel en moedeloosheid. Er was natuurlijk de bezorgdheid dat deze laatste show een hoogtepunt moest worden. Er waren de verscheurende keuzes tussen de favoriete liedjes en visuele acts van de verschillende muzikanten en er moest een consistent geheel gemaakt worden van al die losse elementen die in de loop van de jaren waren ontstaan. Bovendien waren er een aantal nummers die we sowieso moesten brengen, omdat je nu eenmaal een aantal verwachtingen van het publiek moet inlossen als je een afscheidsvoorstelling maakt. Het heeft ons vier maanden gekost om de show te monteren. Regisseur Marc Peeters heeft in de loop van de trip moeten afhaken en in zijn plaats heeft Randall Casaer alles in goede banen geleid tot aan de première.” De show wordt de negende december 2011 in zaal De Foyer in Lier voor een levend publiek uitgeprobeerd. De teksten waren nog niet af, de volgorde van de liedjes nog niet bepaald en het decor ontbrak, maar wat de groep tevredenstelde was de tevredenheid van het publiek zelf. Hun opmerkingen waren positief en bemoedigend. In De Morgen schrijft Bart Steenhaut na het bijwonen van een voorstelling: “Het was even schrikken toen De Nieuwe Snaar in het voorjaar van 2011 aankondigde dat de volgende tournee meteen ook de laatste zou worden. Het gezelschap rond Jan De Smet trok de voorbije decennia keer op keer volle zalen, en was door zijn eclectische mengeling van slapstick, theater en muziek uitgegroeid tot een monument in België en Nederland. Frontman Jan De Smet liet in die periode optekenen dat het de jongste paar tournees almaar moeilijker werd om nieuwe invalshoeken te vinden en elkaar te blijven verrassen. De groep, die in het buitenland wel eens de Vlaamse evenknie van The Marx Brothers werd genoemd, werkt momenteel een serie afscheidsconcerten af waarin de hoogtepunten uit hun rijkgevulde repertoire netjes gegroepeerd worden.” Het Nieuwsblad schrijft: “De Nieuwe Snaar is zonder meer een van de meest opmerkelijke acts die rondlopen in de Lage Landen. In haar dertigjarige geschiedenis maakte De Nieuwe Snaar elf volwaardige theatervoorstellingen, speelde ruim 3600 concerten in binnen- en nabije en verre buitenlanden en heeft een repertoire van om en bij tweehonderd liedjes, stunts en sketches. Van verstilde emotie tot vrolijke chaos.” Van deze voorstelling verschijnt na zo’n tweehonderd voorstellingen een erg gesmaakte dvd. “Een mooi verzorgde registratie van de integrale liveshow (méér dan twee uur) met als extra’s interviews met de groepsleden en een paar verrassingen. ‘Koñec’ is een staalkaart die de veelzijdigheid en het vakmanschap toont die vier uiteenlopende figuren in de loop van meer dan dertig jaar hebben opgebouwd, een uniek document om te koesteren.

 

De Nieuwe Snaar houdt er dus in 2014 definitief mee op. Na méér dan vijfduizend optredens spelen ze op vrijdagavond de vijfentwintigste april 2014 in het Sportpaleis in Antwerpen tijdens Nekka-Nacht hun allerlaatste voorstelling onder de vlag “De Nieuwe Snaar – De Ereronde”. Elke fan wil die avond present zijn om Jan, Kris, Geert en Walter uit te wuiven en hen te bedanken voor al die mooie jaren en al die geweldige optredens. “De Ereronde” wordt een verrassingsreis door alle muzikale en theatrale aspecten van deze populaire groep: met extra muzikale optredens, met dans, gegoochel met illusie, circus en acrobatie, spectaculaire verschijningen en veel humor. Het publiek ziet De Nieuwe Snaar zoals het hen nog nooit zag en nooit meer zal zien. Het hoort voor de laatste keer De zwemmer, Dylan, Calypso Be, De postbode en zovele andere zaligheden. Voor elk ingrediënt dat in de voorstelling ingebouwd is, werd een specifieke artiest uitgezocht die haast iedereen verbaasde en verraste. Bekende artiesten, artiesten die uniek zijn in hun genre, groepen en individuen waarmee De Nieuwe Snaar een band heeft. In totaal passeerden méér dan tweehonderd jonge en oude artiesten de revue. Het podium was voor de gelegenheid in drie stukken opgedeeld. Op de website van Jongeren Planeet lezen we als aanvullende info: “Naast bekende artiesten als Stefaan Degand, Gili, Wim Opbrouck, Urbanus, Jean Blaute, Kris Wauters en Circus Ronaldo was er veel ruimte voor onbekend talent: acrobatisch turnen, dansende kinderen en de jeugdafdeling van de Balense wielrennersclub. Presentator Jan Becaus loofde hen en wist te vermelden dat het verhaal van De Nieuwe Snaar zeker gene kattenpis is. Ook de kinderen van De Nieuwe Snaar, aangekondigd als Het Snaargebroed, deden een act met lichtgevende ballen en als begeleidingsband van een acrobatieact. Dit was genieten van de eerste tot de laatste minuut, waarbij hoogtepunten van de voorbije tweeëndertig jaar samengeperst werden in een drie uur durende show. Geert Vermeulen mocht hierbij nog een laatste keer de muzikale paljas uithangen in zijn betonmolen, ondersteboven hangend met zijn magneetschoenen, acrobatie in de lakens, op skilatten enzovoort. Walter, Geert, Kris en Jan maakten als slot ook de titel ‘De Ereronde’ letterlijk waar, en werden op een karretje het Sportpaleis rondgereden terwijl ze als bisnummer een akoestische versie van De fotografie brachten, die zo mooi klonk dat ze bij velen een gevoelige snaar raakten en het afscheid nog moeilijker maakte. Als troost zijn er nu enkel nog de cd’s en dvd’s van hun vorige shows in afwachting tot VRT deze Nekka Nacht op televisie brengt om het nog eens opnieuw te beleven.”

Geert Vermeulen over dat definitieve afscheid: “Wat De Nieuwe Snaar draaiende hield, was dat er altijd veel publiek in de zaal zat. Alles wat erbij kwam kijken, de moeilijke karakters, het creëren, de verplaatsingen, was ondergeschikt aan het plezier daar op de scène te staan. Als je dat dertig jaar volhoudt met dezelfde mensen, mag je tevreden zijn. Of het nu goed of slecht was, maakt me niet eens veel uit. Het is vooral genieten… Wat dat afscheid betreft, hebben we alles goed afgewogen, hoor. Je zou denken dat we na dertig jaar optreden in zoveel centra een vorm van respect verdienen, maar het tegendeel bleek. Je hebt nu huizen die zeggen dat we niet meer passen in hun visie, terwijl we daar zo veel gestaan hebben en de zaak telkens uitverkocht hebben. Zet ons een week in de Arenbergschouwburg en de zaal zit elke avond vol. Maar we passen niet meer in dat beleid. Het publiek heeft wel altijd respect getoond. Na elke voorstelling hoorden we dat.”

We zijn nooit met een welomlijnd idee aan een show van De Nieuwe Snaar begonnen”, aldus Jan De Smet. “Initieel vertrekken we van het idee: the sky is the limit. Uiteraard zijn er budgettaire beperkingen, omdat we ervoor gekozen hebben zelfbedruipend te zijn en nooit een beroep te doen op subsidies. Eigenlijk is de enige richtlijn bij het werken aan een nieuwe show: het moet anders worden dan de vorige voorstellingen. Uiteraard wordt dat steeds moeilijker. Dat is ook de reden waarom we besloten hebben om in schoonheid te eindigen met een best of. Wat ik zeker anders wil aanpakken wanneer het verhaal van De Nieuwe Snaar is afgelopen, is het toeren. Ik heb geen zin meer in reeksen van driehonderd voorstellingen. Het is tijd voor kortere projecten, met zo veel mogelijk verschillende muzikanten. De laatste jaren heb ik vaak voor kinderen gewerkt, maar vroeg of laat ga ik zeker ook iets voor 60-plussers doen. Even erg afwijkend van het commerciële aanbod als mijn kindervoorstellingen. Het mag niet in nostalgie blijven steken. Ik wil ouderen behandelen zoals ik zelf behandeld wil worden.”

Om dat afscheid extra in te kleuren, verschijnt op het Warner-label de verzamelaar “De Nieuwe Snaar – Best of”. In het totaal zestig liedjes, gespreid over drie cd’s. De zeventiende mei 2014 staat het album op plaats 85 in de Ultratop Album 200 en op plaats 32 in de Ultratop Belgische Album 40.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

De Romeo’s

Met een naam als Romeo kan je vele kanten uit. Ooit stond die voor een historisch motorfietsmerk, is het een plaatsje in de Amerikaanse staat Michigan, duikt hij op in het bekende toneelstuk “Romeo & Juliet” van William Shakespeare, maakt hij deel uit van het legendarische automerk Alfa Romeo, is hij in de volksmond een vrij zeldzame jongensnaam, droomt haast elke vrouw dat haar geliefde zich als een heuse romeo zal gedragen én is Vlaanderen sinds 2003 drie romeo’s rijk, met name de heren Chris Van Tongelen, Gunther Levi en Davy Gilles. Anno 2017 werden ze zelfs in de pers als een fenomeen omschreven. De tweede januari van dat jaar lezen we in De Standaard: “De Romeo’s zijn een van de grootste succesverhalen uit de Vlaamse showbizz. Hun jaaromzet wordt geraamd op één miljoen euro. Chris Van Tongelen is het zakelijke brein. Hij beheert de agenda van de optredens. Daarnaast zijn de drie grotendeels hun eigen manager. ‘We komen misschien over als drie pipo’s die maar wat doen, maar we denken over alles goed na.’ Ze zijn volks, altijd in voor een knipoog. Het trio treedt 250 keer per jaar op voor gemiddeld 1000 toeschouwers: dat zijn 250.000 Vlamingen in 365 dagen: ‘We zijn het tegengif in tijden van ellende!’

Laten wij echter beginnen met de solocarrières van de heren in het kort te schetsen, want vergeten we niet dat ze ook solo hun mannetje konden en kunnen staan en daar al sinds jaar en dag even druk mee in de weer zijn. Uitvoerigheid in dezen zou ons iets te ver voeren en dat is ook niet de bedoeling van dit exposé. We hebben de keuze uit te beginnen met de knapste, de leukste, de meest populaire van de drie, de slimste enzovoort, maar om discussies daaromtrent binnen de groep te vermijden, beginnen we gewoon bij de oudste van de bende.

Chris Van Tongelen werd de vierde juni 1968 in Duffel geboren. Voor de volledigheid moeten we vertellen dat zijn moeder hem eigenlijk Christiaan noemde, omdat ze dat een mooie naam voor een al even mooi kind vond. Tot zijn derde woonde hij in de beenhouwerij van zijn vader, vake zoals Chris liever zegt, in Borgerhout. Nadien verhuisden ze naar Putte. Moeder, moeke zoals ze haar noemen, was een plichtsgetrouwe huisvrouw die niet alleen haar man en Chris in de watten legde, maar ook haar andere zoon Dave. Dave ging later voor kok studeren, oefende die job twaalf jaar uit in zijn eigen brasserie, om vervolgens met zijn vrouw een Spar-filiaal in Sint-Katelijne-Waver te gaan runnen. Thuis werd de woning gedeeld met de ouders van de moeder van Chris, vava en moemoe. Dankzij moeke Van Tongelen stond de godganse dag Radio 2 op en schalde vooral de muziek van James Last heel vaak door het huis. Er ging ook geen weekend voorbij of er werd aandachtig naar de Vlaamse Top Tien geluisterd. Naar school gaan als kleuter en nadien als scholier-student was qua afstand makkelijk, want vijftig meter van hun woning verwijderd lag de jongensschool van Putte. Dat Chris kon zingen, viel toen al op. In het eerste studiejaar werd Chris geselecteerd om mee te zingen in het schoolkerkkoor en snel stond hij als voorzanger met kerst te schitteren tijdens de nachtmis. Enkele jaren later trekt Chris naar het Sint-Romboutscollege aan de Veemarkt in Mechelen. Hier komt hij terecht in het Sint-Romboutsknapenkoor. Met dat koor zal hij in 1980, hij is dan twaalf, optreden in zijn allereerste musical “Oliver”. Het is hier dat Chris zijn voorliefde voor dat genre ontdekt. Vervolgens verhuist Chris naar het Sint-Ursula-Instituut in de Bosstraat in Onze-Lieve-Vrouw-Waver om daar de afdeling moderne talen te volgen. Studeren was wel niet zijn ding. Zijn moeder vertelde daarover aan de pers: “Chris was niet dom, maar de school sprak hem niet aan. Hij haatte de school. Ik lag daar wel wakker van. We hebben er veel ruzie over gemaakt. Maar het zat in zijn kop dat hij muziek zou doen. Hij wou naar het conservatorium, maar dat mocht niet van ons. Tot we in het laatste jaar humaniora van de directeur te weten kwamen dat onze zoon niet langer welkom was. Chris ging liever als monitor mee met de ziekenkas naar Zwitserland in plaats van naar school. Hij veegde er compleet zijn voeten aan. Dus als je zoon wil zingen, wat doe je dan? We hebben er ons bij neergelegd en hij is dan toch in de muziek gegaan. Gelukkig maar.”

Chris gaat nadien, om wat geld te verdienen, van start met een eigen reisbureau. In 1990 brengt hij zijn allereerste single op de markt, Liever met z’n twee. Iets later richt hij het groepje Roestvrij op. Die scoren behoorlijk met hun debuutsingle 5 dagen op 7, een tekst die Chris schreef op de melodie van Walking on sunshine van Katrina & The Waves, en laten nadien nog van zich horen middels de singles Jong zijn en Noem het maar geluk. Met dat laatste nemen zij in 1993 deel aan “Eurosong”, waar ze de vijfde plaats bezetten. In 1996 neemt Chris in zijn eentje deel aan “De Gouden Zeemeermin” en belandt hij net buiten de finale met het liedje De toekomst. Hij wordt wel bekroond met de personalityprijs. Chris komt vervolgens met zijn tenorstem en acteertalent terecht in het Ballet van Vlaanderen en zingt hier haast letterlijk de sterren van de hemel. Zo schittert hij in de musical “Chess”, in de rol van Petrus in “Jesus Christ Superstar” en in “Sneeuwwitje” en “Assepoester”. In 1999 valt hij op met het album “Music From The Heart” met daarop musical- en filmklassiekers als She’s a maniac, Pie Jesu en Love on the rocks. Van 2007 tot 2008 zien we hem aan de zijde van Davy Gilles, Sasha Rosen en Gunther Levi in de cast van de musical “Grease”. Chris dook daarnaast ook op in gastrollen in televisieseries als “Lili en Marleen”, “Heterdaad” en “Familie”. In deze serie speelde hij tot eind augustus 2015 de rol van Bart Van den Bossche. Met zijn eerste vrouw heeft Chris een dochter Laura, geboren in 1994, en een zoon Toon, geboren in 1998. Uit zijn relatie met de Nederlandse choreografe Brigitte Derks werd in 2006 dochter Lila-Jane geboren. Uit een eerdere relatie met Frank Hoelen heeft Brigitte een zoon, de bekende zanger Ian Thomas, voor wie Chris zich op tijd en stond met man en macht heeft ingezet. De dertiende januari 2017 schrijft Het Laatste Nieuws echter: “Chris Van Tongelen en Brigitte Derks zijn niet langer man en vrouw. Het acteurskoppel was tien jaar getrouwd, maar zette recent de scheiding in en gaat met onderlinge toestemming uit elkaar. Veertien jaar lang waren ze een graag gezien koppel op events en rode lopers. Tien jaar lang als man en vrouw en de voorbije jaren ook vaak in het gezelschap van Brigittes zoon Ian Thomas. Maar nu scheiden hun wegen. Het koppel laat weten dat alles in een vriendschappelijke sfeer verloopt en dat beiden een zo goed mogelijke regeling voor hun dochter willen treffen.

De twintigste november 2015 lezen we in Het Laatste Nieuws dat Chris met een eigen orkest on the road gaat. “Als kind was ik begeesterd door dat grote orkest met die mooie opvallende kostuums, de band van James Last. Ik ben hen blijven volgen, zelf blijven mee-evolueren met als doel een eigen orkest, want dat was mijn kinderdroom. Een normaal mens gaat het op mijn leeftijd wat kalmer aan doen. Bij mij is het net omgekeerd, ik steek nog een tandje bij. Mijn leven lang ben ik al zot van orkesten. Bij de Heverse Concertband heb ik de stiel geleerd. Optreden met hen bezorgde mij talrijke mooie avonden, net als de paar ontmoetingen die ik had met James Last. Hij gaf mij zowel inspiratie als motivatie. Toevallig sprak ik één dag voor het overlijden van Last nog met Davy Gilles over mijn orkestplannen, waar ik op dat moment al vier jaar mee bezig was. ‘s Anderendaags hoorde ik dat James Last gestorven was, voor mij een teken dat ik moest doorzetten en zo geschiedde. Na vier jaar intense voorbereiding is de wereld nu klaar om kennis te maken met Christiano and his Magical Orchestra.” De negenentwintigste januari 2016 verscheen het debuutalbum en de vierde juni, uitgerekend op Chris’ verjaardag, concerteerde het muzikale gezelschap in de Lotto Arena van Antwerpen. Naar aanleiding daarvan vertelde zijn moeder daarover volgende anekdote, die we uit een artikel in Het Laatste Nieuws lichten: “Hij was zot van James Last. Hij zag hem op de Duitse televisie en bouwde met zijn legoblokjes dan dat podium na. Zo’n legomannetje moest dan James Last voorstellen. Hij kon zich daar de godganse dag mee bezighouden.” Chris vult aan: “Ik ben altijd ontzettend zot van blazers geweest. Niet alleen James Last vond ik imponerend, maar ook een popgroep als Supertramp en een oertalent als Phil Collins hebben me altijd geboeid.”

 

Acht jaar jonger dan Chris is Davy Gilles, de tiende februari 1976 als Davy Vrancken in Rillaar geboren. Als kind zong hij al de longen uit zijn lijf, onder andere op feestjes van K.L.J. Rillaar. De muziek werd met de paplepel ingegoten, want zijn vader was drummer in een orkest waarin ook zijn beide ooms Franky en Jos meespeelden. Vader zong vanachter zijn drumstel meestal de romantische liedjes. Als kind deed Davy niets liever dan mee naar hun optredens gaan. Wanneer zijn beide ooms Franky en Jos overlijden, wordt het orkest opgedoekt en gaat papa Vrancken zich meer met de technische kant bezighouden. Sinds het succes van De Romeo’s is hij actief als vaste mixer tijdens de optredens van de groep. Hij is ook altijd de vaste chauffeur van dienst. Moeder Vrancken kwam vroeger aan de kost als poetsvrouw, maar houdt zich sinds haar pensioen vooral met de kleinkinderen bezig. Thuis klonk er sowieso veel muziek. De radio stond vaak aan. De muzikale keuze was breed: van klassiek tot populaire muziek. Tijdens zijn tienerjaren had Davy het nogal voor de Nederlandse zanger Danny de Munk. Ook Elvis Presley maakte een grote indruk op hem. Die liefde is gebleven, zeker sinds Davy in 2015 een bezoek bracht aan Graceland. Davy kickt vooral op muziek uit de swingende sixties, al krijgt hij ook nog altijd een goed gevoel wanneer hij de hits uit de jaren tachtig hoort: Wham!, Spandau Ballet, a-ha enzovoort.

Vanaf de kleuterklas (1979) tot en met het zesde studiejaar (1988) trekt Davy naar de basisschool De Winge, gelegen langs de Halensebaan in Sint-Joris-Winge. Davy is nog maar negen wanneer hij in de jongensschool in Rillaar aan een zangwedstrijd deelneemt met een liedje van Danny de Munk. Een muzikale opleiding heeft hij nadien nooit echt genoten, behalve dat zijn vader hem wat drumlessen gaf. Tussendoor leerde Davy zichzelf de nodige akkoorden op de gitaar en de piano en schaafde hij nog altijd zijn akkoordenschema’s bij, die hem van pas komen bij het schrijven van zijn eigen songs. Hij zal nadien privézangles krijgen van zangpedagoog Peter De Smet en volgt tegenwoordig nog altijd zangles bij Steven Hellemans, die bij hem in de buurt woont. Zijn moeder Jeannine herinnert zich nog dat Davy haar haardroger als microfoon gebruikte: “Op zijn veertiende won hij alle soundmixshows en kwam dan naar huis met een strijkijzer of een microgolfoven. Ik weet nog goed dat ik hem in de weekends in mijn Mini Coopertje daarnaartoe reed. Samen met zijn zus Priscilla. Ik heb nooit gedacht dat Davy voor de muziek zou kiezen. Ik zag hem eerder als voetballer carrière maken. Hij had heel veel talent. Een ploeg als Anderlecht stond op zekere dag aan onze deur. Hij speelde in die tijd samen met Timmy Simons. Tot hij op een dag zei dat hij een Vlaamse zanger wou worden. Eerlijk gezegd was ik daar niet rouwig om.” Wanneer Davy elf is, gaan zijn ouders uit elkaar. Voor Davy een moeilijke periode, want zijn omgeving kent hem als een heel gevoelig iemand.

Van 1988 tot 1991 volgt Davy de economische afdeling aan het Koninklijk Atheneum in Aarschot. Van 1992 tot en met 1994 volgt hij via deeltijds onderwijs aan het Damiaaninstituut in Aarschot kantoor en verkoop. Voordien was hij in 1992 een viertal maanden ingeschreven aan de Showbizzschool in Oostende, maar dat was niet zijn cup of tea. In 1991 wordt Davy door Johnny White ontdekt, die hem in zijn zaak in Scherpenheuvel laat optreden. Aan de soundmixwedstrijden neemt Davy deel met liedjes van onder meer de Nederlandse zanger Danny de Munk. Hij treedt dan op onder de naam Danny Dee. Om toch maar een diploma op zak te hebben, trekt hij in 1992 dus heel even naar de Showbizzschool in Oostende. Daar ontmoet hij Gunther Levi, maar langer dan vier maanden houdt Davy het daar niet vol. In 1993 is hij wel al te horen en te zien in de musical “Sprook”. In 1995 neemt hij deel aan “De Gouden Zeemeermin” met het liedje Elke nacht, maar hij wordt in de voorronde al uitgeschakeld. De artiestennaam Gilles behoeft niet veel uitleg, want het is een familienaam die in Aarschot en omstreken veel voorkomt. Op televisie zien we hem in de zomer van 1998 voor het eerst opduiken in de VT4-reeks “Vennebos”. Als zanger-acteur trad hij sinds 2002 op in musicals als “Doornroosje”, “Mamma Mia”, “Sneeuwwitje” en “Grease”. Bekend in Vlaanderen is hij niet alleen als Romeo, maar ook als cafébaas Rik Ghijselinck in de soap “Familie”, een rol die hij van 1998 tot 2006 vertolkte, en van 2005 tot 2008 als verpleger Jasper Landuyt in “Wittekerke”. Zijn droom gaat in vervulling wanneer hij eind 2000 als Yoeri mag optreden in de musical “De wereld van K3″, musical ligt hem namelijk na aan het hart. Nadien volgen “Sneeuwwitje”, “Doornroosje”, “Fiddler on the roof”, “Mamma Mia” en “Grease”. De eenentwintigste september 2002 staat hij samen met Mark Tijsmans en Dieter Verhaegen op één in de Vlaamse Top Tien met een cover van Les rois du monde, door Johan Verminnen vertaald als De Koningen. In 2013 zullen De Romeo’s dit ook aan hun repertoire toevoegen. Uit eerdere relaties heeft Davy een zoon en een dochter. Hij is intussen getrouwd met actrice en musicalster Sasha Rosen, met wie hij een zoon en een dochter heeft. Zij leerden elkaar in 2004 kennen tijdens de musical “Romeo & Julia”. Samen vormen zij, naast De Romeo’s, een succesvol duo met albums zoals “Onafscheidelijk” en “La vita è bella” en hun project “Secret Love” met daarin de allermooiste liefdesliedjes.

Twee maanden jonger dan Davy is Gunther Levi, de zestiende april 1976 in Reet geboren als Gunther De Batselier. Vader Jozef was elektricien, maar is intussen met pensioen. Moeder Arlette is huishoudhulp. Beiden zijn al geruime tijd gescheiden. Gunther heeft twee zussen: Cindy en Heidi. Cindy is één jaar ouder dan Gunther en werkt momenteel bij het productiehuis TvBastards, die onder meer instaan voor de productie van “Familie”. Op die manier ziet Gunther zijn zus op de set erg vaak. Zijn zus Heidi is drie jaar jonger, werkt in een doe-het-zelfzaak en zingt in haar vrije tijd bij een coverband. Volgens Gunther heeft zij een veel betere stem dan hij. Het is samen met haar dat Gunther tijdens zijn jonge jaren meedeed aan diverse playback- en soundmixshows. Vanaf 1979 tot 1988 vinden we Gunther als leerling op de schoolbanken van de basisschool in Londerzeel. Van 1988 tot 1989 passeert hij heel even het Gemeentelijk Technisch Instituut langs de Daalkouter in Londerzeel en vervolgens, tot in 1991, de koksschool, gelegen aan de Zijp in Wemmel. In die periode is Gunther in de ban van de muziek van Rob de Nijs, iets later van Queen. Anno 2017 luistert hij graag naar countrymuziek en ligt Elvis Presley hem nog altijd na aan het hart.

Volgens zijn moeder zong Gunther tijdens zijn kinderjaren zowat de ganse dag: “We waren nog maar net wakker of Gunther begon eraan. Meestal zong hij, hoe vreemd dat mag klinken voor een kind, opera-aria’s. Hij kon heel hoog en heel laag zingen. Hij speelde samen met zijn zussen op zolder graag toneel. Zij verkleedden zich en mijn man en ik moesten dan ‘s avonds naar hun optreden gaan kijken. Gunther stond vrij snel al zingend op het podium tijdens playback- en soundmixwedstrijden. Zo won hij de eerste prijs in de ‘KRO Mini Playbackshow’ van Henny Huisman samen met zijn jongere zus Heidi, waar zij als John Travolta en Olivia Newton-John optraden. Zij zongen toen You’re the one that I want. Ik besefte toen al dat hij niet het gewone pad zou kiezen.” Zowel in 1990 als in 1991 neemt Gunther deel aan de “VTM Soundmixshow”, waar hij de hit I’m gonna knock on your door van Eddie Hodges zingt en vervolgens Samen uit, samen thuis van Sam Gooris. Maar het eindresultaat van die deelnames was niet je dat. We stippen wel even aan dat Gunther intussen aan de muziekacademie langs de Mechelsestraat in Londerzeel notenleer en piano studeert. In 1992 besluit hij op zestienjarige leeftijd naar de Showbizzschool in Oostende te trekken. Zijn moeder zat een beetje in zak en as dat haar zoon zo vroeg het nest verliet. Maar blijkbaar was er geen tegenhouden aan. Hij zal hier in 1994 zijn opleiding afronden.

Na de singles Wie kan me zeggen en Désirée, die hij in 1992 en 1993 uitbrengt, scoort hij een jaar later met een cover van Ik ben verliefd op jou van Paul Severs, de achtentwintigste mei 1994 goed voor een negende plaats in de Vlaamse Top Tien. Speciaal voor hem schrijft Paul Meisje van hierboven, waarmee Gunther de tiende september 1994 op zeven in de Vlaamse Top Tien prijkt. Hij duikt geregeld in “Tien om te Zien” op. Dat jaar krijgt hij van Radio 2 trouwens tijdens “Zomerhit” de prijs voor het beste debuut. Na het behalen van zijn diploma aan de Showbizzschool maakt Gunther een ommetje via het “Laine Theater” in Londen (een bekende musicalschool), waar hij een hoofdrol versiert in de musical “The Young Ones”. Dat genre krijgt nadien bij hem aardig wat voorrang: “Pallieter”, “Alladin”, “Grease” enzovoort. In 1995 verschijnt zijn eerste album “Levensdroom”, drie jaar later de cd “Iedereen heeft iemand nodig”. Vanaf januari 1991 start Gunther op Kanaal 2 met de presentatie van “Super 50″, acht jaar later stopt hij daarmee. In 1995 is Gunther te zien in de VTM-familieserie “Wat nu weer?” en dat tot en met 1998. De eenendertigste augustus 1996 staat hij op zes in de Vlaamse Top Tien met Zonder woorden, een cover van You van de groep Scooter. Van 1998 tot 1999 acteert Gunther in de razend populaire Nederlandse soap “Goede tijden, slechte tijden”. Dat jaar, in 1999, verschijnt hij in de rol van Peter Van den Bossche in de succesvolle soap “Familie”. Het theater is hem ook niet vreemd. Zo speelt hij met glans in theater “Het Klokhuis”, bij het gezelschap “Les Flamands” en bij het “Echt Antwaarps Teater”. Vlak voor Gunther in 2003 met De Romeo’s begon, maakte hij nog deel uit van de groep The Funny Walkin’ Texas Rangers. Privé even dit: met actrice Silvia Claes heeft Gunther een zoon, Tommie. Zij gingen in de maand februari van 2009 uit elkaar. De vijftiende april 2016 trouwde Gunther op het stadhuis van Izegem met Charlotte Nollet. Samen kregen zij in 2012 zoon Otis en in 2014 dochter Bo.

Om de geboorte van De Romeo’s te schetsen, moeten we terug naar 2003. Davy Gilles zong toen in de cast van de musical “Romeo & Julia”. Uit die musical heeft hij samen met zijn musicalcollega’s Dieter Verhaegen en Mark Tijsmans de song De Koningen op single uitgebracht en die staat in de maand september van 2003 op één in de Vlaamse Top Tien. Dat brengt Davy op de idee een Vlaamse boyband op te richten, maar noch Mark, noch Dieter is daarvoor te vinden. Davy vindt wel gehoor bij een andere zanger uit de musical, Chris Van Tongelen. “Ik hoefde daar niet lang over na te denken, over dat voorstel“, aldus Chris. “Ik was meteen voor die idee te vinden, temeer omdat ik Davy goed kende van ‘Familie’. Tot dan toe was ik meer met het serieuze werk bezig geweest: optreden in musicals, waar ik ook nog eens tijdens het zingen moest acteren en dansen. Deze zijstap naar een andere manier van zingen en optreden leek me wel een leuke uitdaging.” Nu moeten ze nog op zoek naar een derde zanger. Ze denken heel even aan Jan Schepens, maar de vraag wordt aan hem nooit gesteld. Dan schiet hun plots de naam van Gunther Levi te binnen, die ze beiden kennen van de VTM-set “Familie”. Tijdens de opnamen in Studio Amusement, waar “Familie” wordt ingeblikt, wordt aan Gunther het opzet uitgelegd. Hij vraagt even bedenktijd, maar hapt uiteindelijk toch toe. “Ik had er al een behoorlijk succesvolle zangcarrière op zitten en ik had van dat zingen op dat moment een beetje mijn buik vol. Gelukkig kwam VTM snel op de proppen met het voorstel om tijdens hun Zomertour als voorprogramma op te treden, en dat leek me dan wél wat. In zo’n twee maanden een twintigtal optredens afwerken moest kunnen. En het lukte, het smaakte uiteindelijk naar meer.” Op die zomertour komen we zo meteen terug, maar er moest eerst nog een naam bedacht worden voor de groep. Er wordt eerst wat speels aan De Freddy’s gedacht, maar omdat er een duidelijke link is met de musical waarin ze spelen, kiezen ze gezamenlijk voor de groepsnaam De Romeo’s. Vlaanderen is een trio rijker.

VTM wil tijdens de zomer van 2003 enkele finalisten van “Idool 2003″, Natalia, Peter Evrard, Wim Soutaer en Brahim Attaeb, aan het publiek voorstellen. Zij vragen aan De Romeo’s of ze tijdens die tour het voorprogramma willen verzorgen. De heren zeggen meteen ja. “Het was natuurlijk voor ons in het begin een beetje zoeken en aftasten“, aldus De Romeo’s. “We gingen dringend op zoek naar een repertoire dat zich hoofdzakelijk beperkte tot medleys. Zo zongen we een foute medley, een hardrockmedley enzovoort. We voelden ook wel dat we iets te weinig in het Nederlands zongen en dat bleek na een tijdje een handicap te zijn, want we misten een ziel, een identiteit waarmee we het publiek echt naar ons toe konden trekken. We klonken eerder als een veredelde covergroep.” Chris voegt daaraan toe: “Qua repertoire hadden we dit voordeel dat Gunther en ik voordien bij de VTM-Soapband hadden gezongen, met daarin ook onder meer Dieter Troubleyn, Geena Lisa, Chadia Cambie en Jeroen Maes. We kenden het klappen van die zweep en hadden op die manier al een repertoire voorhanden met daarin diverse medleys.” Het voordeel bij hun repertoirekeuze was de mix binnen het trio: de voorliefde van Davy voor populaire meezingers, Gunther heeft het meer voor rocksongs en Chris durft al eens een nummer uit een of andere musical voor te stellen. Een melange dus, een mix, die bij het grote publiek wel aanslaat. Een pluspunt was ook dat zij zich door hun deelname aan die zomertour stilaan in de kijker wisten te zingen. Dat levert hun dat jaar zo’n tachtig optredens in Vlaanderen op. Natuurlijk profiteerden Davy, Gunther en Chris van hun optreden in de soap “Familie”. Elke dag in de Vlaamse huiskamers over de vloer komen, mag je niet onderschatten en dat speelde ook een grote rol in hun succes als zingende Romeo’s. Op zoek naar een geschikte manager komen ze op dat moment terecht bij Valère Pieraerts, toenmalig manager in ons land van onder meer Clouseau en Rob de Nijs. Hij tast voorzichtig af en gaat een paar keer langs tijdens enkele optredens. Valère is niet zo tevreden met wat hij ziet. “Ik kon in het begin mijn ogen niet geloven. Ik zag daar drie heren die zich als romeo’s wilden presenteren, uitgedost in gewone jeans. Dat levert weinig glitter en glamour op. Bij Davy vond ik meteen gehoor om daar iets aan te veranderen, ook vrij snel bij Chris, maar Gunther vond gepaste kleding niet zo belangrijk. Die kende ik voordien al als een wat nonchalante jongen. Ik bleef er echter op hameren dat de outfit bijna net zo belangrijk is als het repertoire dat je brengt. Ik grapte dat zo’n zeventig procent van hun publiek beter oogde dan zijzelf.” Davy is die opmerkingen van Valère na een tijdje beu en kan op zijn collega’s inpraten. Het tij keert en zij letten er voortaan op dat ze steeds spic en span het podium opstappen, wat zich na al die jaren in een zeer rijkelijke garderobe vertaald heeft.

Van bij de start in 2003 dachten De Romeo’s dat hun geen lang leven beschoren was. Maar aan die VTM-tour werd een vervolg gebreid en vier zomers later staan ze nog steeds uit volle borst te kwelen. De boekingen blijven binnenstromen. Ook het bedrijfsleven heeft hen ontdekt en boekt hen met graagte voor zijn personeelsfeesten. Kwatongen beweren echter dat ze niet anders kunnen omdat ze als acteurs niet kunnen overleven. In hun boek “In het spoor van De Romeo’s”, dat eind 2016 verschijnt bij uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, vertelt Chris daarover aan auteur Bart Aerts: “In het begin waren we de acteurs van ‘Familie’ in een pakske die ook gingen zingen. Terwijl we lang voor ‘Familie’ al zangers waren. Dat weten de mensen meestal niet. Dat vooroordeel heeft een jaar of vijf geduurd. Na al die jaren zijn we eindelijk niet meer onze personages Bart, Peter en Rikske van ‘Familie’, maar wel degelijk Chris, Gunther en Davy. Dat is plezant. We zijn blijven gaan en dat heeft geloond.”

Na een tijdje wordt er beslist eindelijk een plaat uit te brengen, de fans en de organisatoren smeken er immers om. De zevende augustus 2004 staan De Romeo’s bescheiden op zes in de Vlaamse Top Tien met de single Strand, gekoppeld aan Nooit te laat. Deze single wordt uitgebracht op het Make My Day-label, verdeeld door Reli. Met dit nummer zijn ze een paar keer welgekomen gasten in “Tien om te Zien”. “Over deze release hebben we niet lang genoeg nagedacht. Achteraf gezien vinden we het geen typische Romeo-song en is het geen nummer geworden om over naar huis te schrijven. Het klinkt voor ons doen ook iets té poppy en de keuze en het resultaat was zeker geen schot in de roos. Maar we hebben er veel uit geleerd“, aldus de volmondige Romeo’s. Een jaar later is het de beurt aan de single Vandaag, maar deze keer zonder brokken te maken in de Vlaamse hitlijsten. Eind 2006 wordt het album “Non Stop Party” in de markt gezet. Voor de opnamen trekken de heren naar de Tamara King Studio in Heist-op-den-Berg. Producer van dienst is Marc Cortens met naast hem technicus Guy Maes. Er worden een rist medleys ingeblikt, waaronder Studio 54 Medley, Salsa Medley, Disco Hit Mix en De Foute Medley. De derde februari 2007 noteren we de cd op de zevenentwintigste plaats in de Ultratop Album 200.

In 2008 duiken De Romeo’s voor de eerste maal op tijdens het Schlagerfestival in de Ethias Arena in Hasselt. Zij mogen hier hun kunnen etaleren tijdens een wervelende show samen met onder anderen Eddy Wally, Corry Konings, Bart Van den Bossche, John Terra en Frans Bauer. Een special met hoogtepunten uit dit gebeuren wordt op zondag de twintigste april 2008 uitgezonden op VTM, in een presentatie van Anne De Baetzelier. In de zomer van 2008 is er de dubbelaar “The party goes on”, de tweede augustus op de dertigste plaats gespot in de Ultratop Album 200. Op dit album weer een rist medleys zoals Car Wash Medley, Faith Medley, Shout Medley, YMCA Medley. “We voelden meteen aan dat dit onze biotoop was en zou blijven. Het publiek dat daar naar ons voor de eerste keer kwam kijken, was een soort gemene deler van onze fans. Die mensen genoten van de eerste tot de laatste noot. Samen met onze collega’s dat podium delen, was een lieve lust. Het is sowieso een evenement waar we als De Romeo’s elk jaar naar uitzien en naartoe leven.”

In 2009 staat het Schlagerfestival sowieso met vette letters in de concertagenda van De Romeo’s genoteerd en de organisatoren kijken er, blijkens deze promotekst, reikhalzend naar uit: “Op 3, 4 en 5 april maakt Hasselt zich op voor een nieuwe editie van het Schlagerfestival. Voor de vierde keer op rij wordt in de Ethias Arena de hoogmis van de ambiance gevierd. Met Yves Segers, Erik en Sanne, Lindsay, Luc Steeno, Willy Sommers, Jan Keizer, Christoff, Laura Lynn én Will Tura wordt deze editie ongetwijfeld een van de sterkste uit de al imposante reeks. Het festival groeit jaar na jaar, en steeds meer mensen vinden de weg naar de Ethias Arena. En alsof dat nog niet genoeg is, voegt VTM aan de line-up nog een trekpleister toe. Nadat ze vorig jaar het tweede deel origineel vanuit de zaal openden, zijn De Romeo’s terug. Ze zullen dit jaar niet alleen zingen op het Schlagerfestival, ze gaan het – op hun persoonlijke manier – ook presenteren. En dat dat voor vuurwerk zal zorgen, is nu al zeker!

Zaterdag de eenentwintigste november 2009 heeft in de Ethias Arena de eerste editie van Het Zingpaleis plaats, waarmee De Romeo’s geschiedenis zullen schrijven, al weten ze dat dan nog niet en is het voor allen afwachten geblazen. Chris herinnert zich nog het volgende: “We liepen al een hele tijd rond met de idee iets groots te doen. Het was Linda Manet, toenmalig commercieel directeur van de Grenslandhallen in Hasselt, die ons toen linkte aan Kris Bloemen, een crack op het gebied van grootse evenementen aan- en in te pakken, en samen met hem hebben we die idee kunnen uitwerken. Sindsdien opereren we onafscheidelijk en hoort Kris als een soort vierde lid bij de groep.” In de persmap lezen we over deze eerste editie: “Er zal luidkeels meegezongen worden tijdens het grootste indoor meezingfeest van Vlaanderen. Ingrediënten voor deze absolute feestavond zijn om te beginnen een uitstekende liveband onder begeleiding van de gastheren Chris Van Tongelen, Davy Gilles en Gunther Levi ofwel De Romeo’s, die uiteraard het beste van zichzelf zullen geven. Tijdens de twee uur durende show zullen de grootste hits uit de sixties, seventies, eighties en nineties aan bod komen. Het is uiteraard toegestaan om mee te zingen, ook tijdens de optredens van onder anderen Peter Koelewijn, Sister Sledge, George Baker Selection en Jimmy Somerville. Hoogtepunt wordt ongetwijfeld het optreden van X-Session. Na zeven jaar rust en stilte komen Gene en Gina terug samen met X-Session en zijn ze de absolute headliner tijdens deze eerste editie van Het Zingpaleis.” Van deze eerste editie worden uiteraard opnamen gemaakt, je weet nooit waar die goed voor zijn. Waar hebben de heren de mosterd vandaan gehaald? In Nederland hadden De Toppers inmiddels bewezen dat je met een dergelijke formule het publiek alle hoeken van de zaal kan laten zien. Daarmee waren Gordon, René Froger en Gerard Joling in 2005 als grap begonnen, maar deze grap groeide intussen uit tot de langstlopende concertreeks in Nederland. Maar hier nijpt het schoentje een beetje, aldus Chris Van Tongelen. “Haast iedereen, ook De Toppers zelf die ons op zekere dag op de vingers wilden tikken dat we hen klakkeloos kopieerden, zijn vergeten dat wij met onze formule in 2003 al van start waren gegaan en de vraag dus moet worden omgekeerd. De Toppers hadden in de loop van de nillies aan ons een schoolvoorbeeld hoe je zo’n event voor de grote massa in elkaar moet boksen. Er is wel dit verschil dat De Toppers maar een aantal keren per jaar optreden en dat wij haast weekend na weekend in Vlaanderen een podium trotseren.” Om De Romeo’s die eenentwintigste november in het oog springend uit te dossen, mag Nicky Vankets de kleding ontwerpen.

Naast Koos Alberts, Paul Severs, Vader Abraham, The Sunsets en Sergio, staan De Romeo’s in het voorjaar van 2010, hoe kan het ook anders, hondstrouw op de affiche van het Schlagerfestival in Hasselt. Dat najaar heeft op zaterdag de zevenentwintigste november de tweede editie van Het Zingpaleis plaats. Davy wou daar toen aan de media dit over kwijt: “We liepen al méér dan een jaar met de idee van die formule rond. Vorig jaar hebben we een voorzichtige start genomen, dit jaar durven we al wat meer. We waren dan ook dringend op zoek naar een degelijke single om deze editie aan te zwengelen. Onze keuze viel op Jij altijd jij, een vertaling van de Anita Meyer-klassieker Why tell me why. Het is een meerstemmig nummer waarmee we live veel kanten uit kunnen. Het heeft ook een enorm meezinggehalte en we hebben geprobeerd er een beetje onze stempel op te zetten.” Ondanks al dat positieve, komen we de single nadien in de hitlijsten nergens tegen. Het evenement zelf is een schot in de roos met op de affiche onder meer Johnny Logan, Sandra Kim, VOF de Kunst, The Gibson Brothers en Plastic Bertrand. Toegegeven, met deze namen ligt het Eurovisiesongfestival binnen handbereik. Die avond staat er sowieso een Eurosongmedley op het programma en brult de hele zaal mee met Plastic Bertrands Ça plane pour moi en The Gibsons’ Que sera mi vida. De Romeo’s laten vooraf in extremis nog weten dat ze wat extra geld in een grotere band hebben gestopt. Er wordt die avond luider geblazen en op de bühne door een aantal dames verleidelijk gedanst.

2011 wordt feestelijk en fuivend ingezet met de single Naar de kermis, de negentiende februari goed voor een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Voorop horen we de stem van Laura Lynn, die De Romeo’s voor dat nummer had uitgenodigd op haar cd “Eindeloos”. In de ArtSound Studio nemen de drie heren dat jaar hun album “In ‘t Wit” op. Producer van dienst is Jean-Pierre Kerkhofs. Gemusiceerd wordt er door Wietse Meys, Jo Hermans, Peter Delannoye, Claudia Boumans, Martin Hoffman, Luis Andrade, Ann Baeten, Dominique Swerts, Paul Vermeulen en als backingvocalisten Dany Caen en Mieke Aerts. Die mogen zich uitleven in liedjes als Geef je hart en ziel aan mij vannacht en de oppeppende Feestmedley. In het bijbehorende boekje willen Gunther, Chris en Davy dit lozen: “Eindelijk een Nederlandstalige cd. Wie had dat ooit gedacht? Maar wat zijn we blij!” Dat Nederlandstalige kwam er niet zomaar, daar was vooraf grondig over gepalaverd en nagedacht. Ze hebben in de muzikale bijsluiter ook een apart woordje over voor hun partners: “Dank dank dank voor jullie vertrouwen! Dagen, nachten niet thuis en steeds zijn ze er voor ons. Dank u. En voor onze schatten van kinderen hebben we gewoon een liedje gemaakt.” Uithuizig zijn ze ook de eerste, tweede en derde april 2011 wanneer ze nog maar eens de affiche van het Schlagerfestival in Hasselt mogen sieren, deze keer samen met Danny Fabry, Luc Steeno, Sam Gooris, Christoff, Jan Smit, Laura Lynn, Lindsay, The Sunsets, Joe Hardy en Willeke Alberti. De Schlagerfestival All Stars brengen met een medley een eerbetoon aan Eddy Wally, die was aangekondigd voor deze editie, maar door een hersenbloeding niet aanwezig kon zijn.

De eenentwintigste mei 2011 staat het album “In ‘t Wit” op acht in de Ultratop Album 200. Qua verkoop wordt de gouden status bereikt. Wij met ons twee, Viva De Romeo’s en Hé Marjan komen op single terecht. Viva De Romeo’s prijkt de zestiende juli op één in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Bij dat nummer hoort wel een apart verhaal, want Chris en Gunther zagen dat nummer eerst niet zitten. Ze vonden het té carnavalesk. Dat klopt ook voor een deel, want origineel is het een Duits carnavalsnummer van de groep Höhner, die het in 2003 als Viva Colonia op de markt bracht. In Nederland vertaald als Viva Hollandia, waarmee Wolter Kroes in 2008 bij onze noorderburen een nummer één scoorde. Het feit ook dat Davy al een hele tijd er bij zijn collega’s op aandrong in het Nederlands te zingen, was niet in goede aarde gevallen. Maar de aanhouder wint, ook in dit geval. Het is Erik Goris die de Nederlandse tekst schrijft bij Viva Colonia en die maakt er een beetje ijdeltuiterig Viva De Romeo’s van. Tijdens hun liveoptredens moet Davy zijn vrienden gelijk geven, want een partystopper wordt het nummer aanvankelijk niet. Pas wanneer zij het op oudejaarsavond op televisie zingen, wordt het een regelrechte klassieker en moeten ze het nummer sindsdien tijdens elk optreden minstens één keer uit hun muzikale hoed toveren. Davy voegt er nog aan toe: “Ik ben blij dat ik Gunther en Chris heb kunnen overtuigen dit op te nemen, want dat nummer is stap voor stap een eigen leven gaan leiden. Het is en blijft onze grootste hit tot nu toe. Opvallend genoeg echter zonder de echte steun van de radio. We traden zoveel op dat het ging leven bij ons publiek. En de titel heeft onze naambekendheid alleen maar groter gemaakt.”

Het album “In ‘t Wit” wordt uiteindelijk met goud bekroond. Zaterdag de tiende december 2011 palmen De Romeo’s de Ethias Arena in Hasselt nog eens in met Het Zingpaleis, gepromoot als een groots meezingfeest. In hun kielzog brengen De Romeo’s die avond een rist artiesten mee, onder wie kleppers als Lou Bega, Drukwerk en Umberto Tozzi. Om de fans alvast in de juiste stemming te brengen is er het dubbelalbum “De Romeo’s Live – Het Zingpaleis”. Dit album bevat opnamen die de eenentwintigste november 2009 in de Ethias Arena van Hasselt werden gemaakt tijdens de eerste editie met als tracks onder meer Footloose, Daddy Cool Medley, Celebration Medley en Les lacs du Connemara. In 2012 lezen we in een interview met de vrouwen, de julia’s dus, van De Romeo’s in De Zondag dat de weg naar de top voor hun mannen geen sinecure was. Sasha: “Het is heel erg dat onze mannen zo lang niet serieus zijn genomen. Misschien hebben de mensen lang gedacht: och, die acteurtjes uit ‘Familie’ gaan ook eens zingen. Terwijl het net andersom is: het zijn drie straffe zangers die toevallig ook acteren. Ze hebben altijd kwaliteit gebracht, geen amateuristisch gepruts. Daarom ben ik blij dat ze eindelijk krijgen wat ze verdienen.” Charlotte: “Gunther zat al heel lang in het vak toen ik hem leerde kennen. Ik sta zelf niet graag in de kijker. Hoe meer ik eruit kan blijven, hoe beter. Voor mij was het wennen dat je overal wordt aangesproken en aangestaard. Dat mensen het respect niet hebben om je met rust te laten wanneer je op restaurant aan het eten bent, kan er bij mij niet in.” Wennen dus aan al die heisa. Brigitte probeert goed om te springen met de vrouwelijke belangstelling die haar man Chris geniet: “De meeste vrouwelijke fans zullen wel meer willen, maar de keuze is aan Chris. Ik vertrouw hem. We zijn al zo lang samen, hebben vier kinderen. Zoiets zet je niet zomaar op het spel. Bovendien: als zoveel vrouwen zich aanbieden, is dat op den duur niet meer aantrekkelijk voor een man. Overkill, weet je wel.” In koor wensen de dames hun mannen alle succes toe: “We hopen dat ze er plezier in blijven hebben, dat is het belangrijkste. Ze zitten nu op een hoogtepunt. We zijn benieuwd waar ze over een jaar of vijf zullen staan. Eén ding weten we zeker, ze gaan ermee door tot ze erbij neervallen. Zoals we hen kennen, is het voor het leven.” Maar al die inzet loont de moeite, want de zevende april 2012 staan De Romeo’s op één in de Radio 2 Vlaamse Top Tien met We gaan weer feesten, een cover van Is this the way to Amarillo van Tony Christie en oorspronkelijk geschreven door Neil Sedaka. Hoe kan het anders, ook in 2012 sieren De Romeo’s de affiche van het Schlagerfestival in Hasselt. Uit de persmap onthouden we: “Naast Frans Bauer, Willy Sommers, Dana Winner, Bart Kaëll, Jo Vally, Frans Duijts, Roxeanne & André Jr. Hazes, Sam Gooris, Christoff en De Romeo’s worden drie bijzonder aparte artiesten uitgenodigd om mee te komen feesten op het podium: Get Ready!, actrice Jacky Lafon en muziekicoon Samantha. Zij maken voor het eerst hun opwachting op het Schlagerfestival.” Top of the bill die avond is Frans Bauer. Er is ook het album “Viva De Romeo’s”. Elf liedjes met naast de titelsong zelfgeschreven nummers als Ga met me mee, Marjan en Vlaanderen feest. Een feestelijke meezinger en meestamper is sowieso Viva de cyclocross.

In 2012 worden De Romeo’s tijdens de uitreiking van de Anne Awards in de Capitole in Gent door Christoff gekroond tot “Beste Groep”. De elfde augustus noteren we De Romeo’s op één in de Radio 2 Vlaamse Top Tien, en dat met Zingen, lachen, dansen, dat ze opnamen met Jan Smit voor diens album “Vrienden”. De zeventiende augustus 2012 zetten De Romeo’s de feestelijke kers op de muzikale taart. In De Rotonde in Westende ontvangen ze de trofee “Zomerhit” van Radio 2 voor hun nummer Vlaanderen feest, geschreven door Chris, Davy en Gunther samen met Paul Vermeulen. Zij gaan ook aan de haal met de trofee “Beste Ambiance”. Met dat nummer stonden ze de zevende juli op twee in de Radio 2 Top Tien. Voornoemde hits zijn ook terug te vinden op het album “Feesten in stijl”. De productie is in handen van Jean-Pierre Kerkhofs en opgenomen werd er in de ArtSound Studio, die ze hun tweede thuis noemen. In het bijbehorende boekje lezen we: “Een tweede Nederlandstalige cd, zo snel na de eerste, wie had dat ooit gedacht. Daarom graag nog een bedankje aan onze vaste bende waar we nu toch al enige jaren mee op pad zijn en dat tien zomers lang.” In het totaal sieren twaalf nummers deze cd. De zestiende juni noteren we dit album op de vierde plaats in de Ultratop Album 200. Uit deze cd verschijnt Ondersteboven nog op single, waarmee De Romeo’s de eerste december 2012 op vier in de Radio 2 Vlaamse Top Tien staan. Zij schreven dit samen met Jo Hermans en Wietse Meys. In die Vlaamse Top Tien stonden ze de elfde augustus trouwens nog op één met Zingen, lachen, dansen, een nummer dat zij met Jan Smit opnamen, die dit liedje samen met De Romeo’s én met Paul Vermeulen schreef. Om 2012 in schoonheid en in opperste feeststemming af te ronden staat er op zaterdag de achtste december nog Het Zingpaleis op het getouw. Het publiek lokken ze met de volgende promo: “De Romeo’s hebben Jan Smit kunnen strikken voor de vierde editie van Het Zingpaleis, het grootste ambiancefeest van het jaar, dat op 8 december doorgaat in de Ethias Arena in Hasselt. Tijdens het jubileumconcert 15 Jaar Jan Smit nodigden De Romeo’s de populaire zanger uit voor Het Zingpaleis. Ook De Beste Zangeres Van Nederland Glennis Grace en ambiancemaker Willy Sommers zullen van de partij zijn.” Als aanloop is er de negentiende oktober op het Vlaamse Sterren-label de release van “Live in Het Zingpaleis”. We noteren daarop Reach Out Medley, Disco Medley, 80′s Medley, Hé Marjan enzovoort. Tijdens de uitreiking van de Music Industry Awards, de MIA’S, in de maand december, winnen De Romeo’s de prijs in de categorie “Vlaams Populair”.

De vijftiende januari 2013 zijn De Romeo’s in de Capitole in Gent opnieuw te gast tijdens de uitreiking van de Anne Awards. De felbegeerde Anne Award gaat naar hen voor het nummer Zingen, lachen, dansen, hun eerder vernoemde duet met Jan Smit. De achtste mei 2013 lezen we in Het Laatste Nieuws dat De Romeo’s, Vlaanderens populairste ambiancegroep, een lid rijker is en dat vanaf volgend jaar Willy Sommers deel zal uitmaken van het swingende mannenclubje. Niet als gast, maar als volwaardig lid van de band. Dat is toch de bedoeling“, aldus Sommers. We gaan samen een nummer opnemen en trekken dan door Vlaanderen met een twee uur durende liveshow. De Romeo’s ontvangen de zilvervos met open armen. Willy is altijd al de opper-Romeo van Vlaanderen geweest. Eerder deelden ze reeds de planken tijdens Het Zingpaleis, maar eigenlijk ontstond het verrassende plan veel vroeger. Op een dag speelden we allebei in het concertgebouw van Brugge“, aldus Willy. We hebben er toen samen I can’t get no satisfaction van The Stones gebracht en dat viel heel goed mee. Sindsdien zagen we elkaar regelmatig en is er ook een band gegroeid. De Romeo’s mogen dan wel jonger zijn, we delen dezelfde humor en kunnen het heel goed met elkaar vinden.” De fans worden tijdens het voorjaar nog maar eens naar het Schlagerfestival in Hasselt gelokt met de volgende promo: “Vlaanderen houdt van het sympathieke trio en hun populariteit kende de voorbije maanden geen grenzen. In de zomer wonnen ze nog de prestigieuze ‘Radio 2 Zomerhit’ voor Vlaanderen feest en ze kregen ook een prijs in de categorie ‘Ambiance’. Stilzitten is tijdens een optreden van De Romeo’s uitgesloten en zoals altijd pakken ze tijdens het Schlagerfestival uit met een repertoire dat alleen maar bestaat uit ambianceliedjes die iedereen moeiteloos kan meezingen.” Op 22, 23, 29, 30 en 31 maart 2013 is het publiek van harte welkom en kan het als extraatje meegenieten van de internationale sterren Lee Towers en Gérard Lenorman.

Tijdens “Zomerhit” van Radio 2 worden De Romeo’s genomineerd voor Houden van elkaar, geschreven door Paul Vermeulen samen met Chris, Davy en Gunther. De zesde juli 2013 staan ze ermee op twee in de Vlaamse Top Tien. Ozark Henry en Amaryllis Uitterlinden winnen die avond de trofee “Zomerhit” voor hun single I’m your sacrifice. Zaterdag de dertigste november 2013 pakken De Romeo’s uit met de vijfde editie van Het Zingpaleis. Met hen aan het roer, naast kleppers als Luc Steeno, Rob de Nijs en Christoff, zijn alle ingrediënten aanwezig voor het grootste meezingfeest. Het wordt volgens hen het grootste ambiancefeest van het jaar en tevens een knallende feesteditie, want niet alleen wordt het de vijfde editie van Het Zingpaleis, tegelijk wordt “10 Jaar De Romeo’s” gevierd. Die tien jaar worden extra in de kijker gezet met de dubbel-cd “De Romeo’s 10″. Op de binnenhoes lezen we: We schrijven 2003… Zullen we samen nog eens iets doen, zijn de eerste woorden. 10 jaar later, 10 jaar Romeo’s! We willen dit dubbelalbum opdragen aan iedereen die ons in de voorbije jaren gevolgd, gesteund en geholpen heeft. Familie, vrienden, onze vaste crew, muzikanten en fans. Bedankt voor alles!” We noteren in het totaal twintig liedjes, zoals steeds opgenomen in de ArtSound Studio onder toezicht van producer Jean-Pierre Kerkhofs. Dit album blijkt meteen een voltreffer te zijn, want de zesde juli staan ze ermee op de tweede plaats genoteerd in de Ultratop Album 200. Uit dit album wordt Dans de sirtaki gelicht, een single die we de eenendertigste augustus 2013 op één aantreffen in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. De Romeo’s penden dit samen met Jo Hermans en Wietse Meys bij elkaar. Met Paul Vermeulen schreven ze Droog nu je tranen, de veertiende december van dat jaar goed voor opnieuw een nummer één in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Nog even vermelden dat De Romeo’s in 2013 genomineerd werden in de categorie “Vlaams Populair”, maar deze keer ging Christoff met de eer en de prijs lopen, wat hij in 2014, 2015 en 2016 nog eens overdeed.

Eind 2013 rommelt het een beetje in de Romeo’s-rangen. Her en der vangen we op dat Gunther Levi het kamp wil verlaten. In Dag Allemaal legt hij even uit dat dat niets te maken heeft met het feit dat hij af en toe graag een pintje drinkt. De andere twee Romeo’s Davy en Chris willen namelijk na Vlaanderen ook Nederland veroveren en dat zag Gunther aanvankelijk niet zitten. “Mijn agenda is een complexe puzzel en was het afgelopen jaar méér dan goedgevuld. Dat stoorde me, en ik zag werkelijk niet hoe ik daar ook nog eens een Nederlands verhaal bij zou kunnen nemen zonder mijn gezin danig te verwaarlozen.” Tijdens onze babbel laat Gunther weten dat dit in de pers werd aangedikt en dat hij zich toen hier en daar in de media probeerde te verdedigen, maar dat het niet zo’n vaart liep.

In 2014 is het zover. De Romeo’s worden aan het talent van Willy Sommers gekoppeld. De veertiende februari gaan ze officieel van start in het Casino van Oostende. Die dag lanceren ze ook de single Jij bent zo mooi, die Willy samen met De Romeo’s en Paul Vermeulen schreef, de tweeëntwintigste van die maand goed voor een notering boven aan de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Willy zal dit nummer samen met De Romeo’s ook zingen tijdens het Schlagerfestival op 28, 29 en 30 maart en op 4 en 5 april 2016 in de Ethias Arena van Hasselt. In hun persmap lezen we daarover: “De affiche is ook nu weer zorgvuldig samengesteld en bestaat uit een mooie muzikale mix. Met Willy Sommers, Lindsay, Christoff, De Romeo’s en Bart Kaëll werden gevestigde waarden gestrikt, die al meermaals bewezen hebben dat ze hier thuishoren. Dennie Christian is er voor de vierde keer bij. Voor Nicole & Hugo is het hun tweede keer. Naast de gevestigde namen trakteren de organisatoren het publiek op bekende artiesten die voor het eerst op het Schlagerfestivalpodium zullen staan. In het kader van de verruimingsoperatie die vorig jaar werd ingezet, is voor de nieuwe editie de Nederlandse rocker Peter Koelewijn aangetrokken. Ook Kristel, Josje en Karen van K3 zijn van de partij. Hun liedjes zullen op het Schlagerfestival door jong en oud meegezongen worden, dat staat vast.” En alsof het niet op kan, krijgen De Romeo’s en Willy Sommers in de loop van de maand november tijdens het Gala van het Vlaamse Lied, georganiseerd door VLAPO en MENT TV in een presentatie van Johan Verstreken, de “Loftrompet” voor Jij bent zo mooi.

In 2014 is er géén groots optreden in de Ethias Arena in Hasselt voorzien, maar pakken De Romeo’s op zaterdag de eenendertigste oktober in de Lotto Arena in Antwerpen uit met Het Feestival van De Romeo’s. Davy Gilles: “Uiteraard spelen we ook onze zelfgeschreven Nederlandstalige nummers. Maar je hoeft niet per definitie fan van De Romeo’s te zijn om je op Het Feestival te amuseren.” Gunther Levi: “Absoluut waar! Wij willen onszelf uitdagen om een hele avond muziek en entertainment van de bovenste plank te brengen. En dat geldt ook voor de andere artiesten die op Het Feestival zullen staan.” Speciaal voor deze editie nemen ze een nummer op dat samen met het weekblad Story wordt aangeboden. Elke lezer krijgt de kans om met een unieke downloadcode Feestival van De Romeo’s gratis te downloaden. “Muziek verbindt mensen met elkaar en wanneer je samen zingt ontstaat er iets bijzonders. Vanuit die gedachte hebben we de themasingle Welkom op ons Feestival gemaakt. Een positief nummer waarmee we iedereen ook echt willen uitnodigen om op 31 oktober naar de eerste editie van Het Feestival van De Romeo’s te komen. Het lijkt ons gewoon heel tof om straks met z’n allen dat nummer samen te zingen“, aldus Chris Van Tongelen. Feestival is een cover van A Brand New Day van Diana Ross en Michael Jackson.

27, 28 en 29 maart en 3 en 4 april 2015 staan De Romeo’s nog maar eens te glunderen op het podium van het Schlagerfestival in Hasselt. Mogen mee in de spots genieten: Tom Waes, Laura Lynn, The Lynn Sisters, Sam Gooris, Matthias Lens, Yves Segers, Willy Sommers, Luc Steeno, Sandra Kim en Christoff. De presentatie is voor rekening van Gene Thomas. De veertiende maart 2015 noteren we de release van het album “Op Stap”, twaalf nieuwe liedjes gearrangeerd door Wietse Meys in een productie van Edwin De Groot met vooraf de lancering van hun volgende nummer één Deze is voor Julia, getekend Jan Smit. Dat nummer stond de achtentwintigste juni 2014 al op één in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Ze werden dat jaar ook met die single genomineerd voor de trofee “Zomerhit” van Radio 2. Voor dit album levert Miguel Wiels, bekend van de vele songs die hij voor K3 schrijft, het nummer Catharina, dat hij samen met Kurt Burgelman en Raymond Felix schreef. Het bijbehorende boekje wordt opgevrolijkt met foto’s van hun Amerikareis en met de tekst: “In vijf jaar vier fantastische Nederlandstalige albums kunnen maken, wie had dat ooit durven te dromen? En nog nooit zijn we zo op stap geweest als voor dit album. Een Nederlandse producer, nummers geschreven in Frankrijk en onze tv-special ‘Romeo Drive’ gemaakt in de Verenigde Staten. En daar stopt het dit jaar niet bij… Er zullen nog meer op-stap-avonturen komen!” Uit dit album wordt ook Wat ze doet op single uitgebracht, een nummer dat we de zevende maart 2015 op vijf in de Vlaamse Top Vijftig en de achtentwintigste maart op negen in de Radio 2 Top Dertig terugvinden. Het album zelf wordt de eenentwintigste maart in de Ultratop Album 200 met een vijfde plaats gehonoreerd. Tijdens het Gala van het Vlaamse Lied, georganiseerd door MENT TV, wordt de vijftiende december in het Plopsa Theater in De Panne dit album gelauwerd met een “Loftrompet”.

In de loop van de maand oktober lezen we nog maar eens in Het Laatste Nieuws dat het voor Gunther niet makkelijk is zijn agenda op orde te krijgen. Dat onderwerp blijkt voor de media een stokpaardje te zijn. Het is en blijft voor Gunther puzzelen om al zijn drukke bezigheden op elkaar af te stemmen. Hij speelt ook nog eens mee in de populaire soap “Familie”. Samen met het vaderschap zorgt dat voor vermoeiende dagen. Chris Van Tongelen stapte vanwege zijn drukke agenda daarom al eerder uit “Familie”. “Het voelt aan alsof ik nog de enige sukkelaar ben die er nog een job naast moet doen“, lacht Gunther. “Maar ik heb geen keuze, anders kan ik mijn kinderen geen eten geven (glimlach)… Het valt nog net te combineren. Maar met twee fulltimejobs en drie kinderen begint dat wel zwaar door te wegen. Hoe ouder ik word, hoe harder mijn botten kraken.”

Zaterdag de vierentwintigste oktober 2015 heeft in de Ethias Arena van Hasselt de zesde editie plaats van Het Zingpaleis. De Romeo’s roepen deze keer iedereen op om volledig in het wit te komen. Witte kleding en witte feestattributen voorzien dus, maar vooral de stembanden smeren en de spieren opwarmen, voor een avond zingen, brullen en dansen. Er wordt niet alleen door De Romeo’s gezongen, maar ook door Natalia en Paul Severs. Het Zingpaleis wordt naar goede gewoonte trouwens voorafgegaan door de uitreiking van de Story Awards. De single Wind in de haren bereikt een beetje onverwachts de Radio 2 Top Dertig. Daar staan De Romeo’s de derde oktober op de achttiende plaats. De twaalfde september hadden ze met dat nummer al op acht in de Radio 2 Vlaamse Top Vijftig gestaan.

De twintigste november 2015 lezen we in Het Belang van Limburg dat Chris van plan zou zijn uit De Romeo’s te stappen. Van Tongelen is vaak in Los Angeles, waar zijn stiefzoon Ian Thomas aan zijn doorbraak werkt, en de combinatie met zijn activiteiten bij De Romeo’s is moeilijk haalbaar. Daarom zou hij overwegen een punt achter zijn tijd bij De Romeo’s te zetten. Eerder stapte hij om deze reden al uit “Familie”. Zover komt het echter niet en wordt het voor Chris op een bepaald moment gewoon wat extra heen en weer vliegen richting USA. Een halfjaar later lezen we in de loop van de maand mei 2016 in de pers: “Op twee maanden na verhuisde Brigitte Derks twee jaar geleden naar Los Angeles. Samen met haar dochter Lila-Jane zou ze haar zoon Ian Thomas vergezellen om diens internationale carrière uit te bouwen. Dat lukte bijzonder goed en Ian trok een deel van de wereld rond en werd hier en daar (voorzichtig) gelanceerd. Deze zomer is Ian vooral in Vlaanderen terug te vinden en tourt hij met zijn band langs verschillende festivals. Voor mama Brigitte is het internationale avontuur voorlopig voorbij: zij is terug naar Europa. Zeg nooit definitief, want het gezin van Chris Van Tongelen heeft een grote voorliefde voor Amerika. Maar dochter Lila-Jane had last van heimwee. Twee jaar weg van vrienden, schoolkameraadjes en familie, het begon door te wegen voor Lila-Jane. De afgelopen weken werd er afscheid genomen van een mooie periode in Los Angeles. Vanaf nu is Vlaanderen weer de uitvalsbasis van het gezin. Brigitte gaat binnenkort aan de slag voor de musical ‘Chaplin’ en wellicht zullen er nog wel wat werkaanbiedingen volgen.

Eind 2013 lijkt het inpalmen van de Nederlandse markt een struikelblok te worden binnen De Romeo’s. Vooral Gunther heeft het moeilijk met die plannen, haalden we al eerder aan. De elfde januari 2016 bloklettert De Zondag: “Een doorbraak in Nederland ligt niet meteen voor het grijpen“. De Romeo’s zelf leggen uit waarom. “Om daar echt te kunnen doorbreken moet je er voortdurend aanwezig zijn“, zegt Van Tongelen. Davy Gilles is het daarmee eens: “We hebben al snel gemerkt dat dit niet evident is, gezien de agenda’s van Chris en Gunther. En men zit daar ook niet op ons te wachten, laat dat duidelijk zijn. Ze hebben daar al De Toppers. Maar wie niet waagt, niet wint.” Gunther Levi ziet het plots wél positief. “Ach, die Toppers zijn toch een ander concept. Zij spelen vier of vijf keer per jaar, wij het hele jaar door. Morgen kunnen wij in Groningen een feesttent platspelen en drie uur later ergens anders staan!

Benidorm is De Romeo’s ook niet vreemd en sowieso goedgezind. De twintigste april 2016 staan ze geboekt in Benidorm Palace, waar ze voor dolenthousiaste fans mogen optreden. Daar waren ze samen met Story en Jo Vally, Bart Kaëll en Garry Hagger de elfde november 2012 te gast. De veertiende februari 2013 zetten ze in een brasserie op de Benidormse dijk een speciaal valentijnsconcert op het getouw. Een blik in hun overvolle concertagenda leert ons dat De Romeo’s voor het Schlagerfestival in de Ethias Arena van Hasselt geboekt staan op 25, 26 en 28 maart en op 2 april 2016. Ze zingen daar uiteraard niet alleen, want ze worden geflankeerd door Belle Perez, Rob de Nijs, Laura Lynn, Klubbb3, Lissa Lewis, Bart Kaëll, Lindsay en Roxeanne & André Hazes Jr.

En de entourage rond De Romeo’s zit om geen idee verlegen. De ene formule na de andere wordt bedacht, uitgewerkt en met veel verve aan het publiek aangeboden. In de maand april 2016 staat “Vrienden voor het leven” op de agenda. Dat vriendschappen in de showbizz bestaan, wordt tijdens dit event onder andere bewezen door de unieke band die Lindsay, De Romeo’s en Jan Smit met elkaar hebben. Op 23 april (Stadsschouwburg Antwerpen), 29 april (Casino-Kursaal Oostende) en 10 juni (Oktoberhallen Wieze) concerteren zij samen met een uitgebreide liveband tijdens een avondvullend programma. Qua repertoire brengen ze alle drie hun hits, worden er onderling liedjes uitgewisseld en zingen ze speciale gelegenheidsnummers in duo- of triovorm. Na afloop in Antwerpen beaamden zij unaniem: “We hebben ons kostelijk geamuseerd. We voelden ons als kleine kinderen in een speeltuin.” Ook het publiek bleek dolenthousiast over deze toch wel unieke samenwerking tussen de artiesten onderling. Zeker de vlotheid waarmee de liedjes in elkaar overvloeiden, was een lust voor het oor. Tijdens deze show zong Lindsay bijvoorbeeld Als jij me kust samen met De Romeo’s en Het kleine meisje samen met Jan Smit.

Over vriendschap gesproken. Hun agenda bood dat jaar, ondanks al die optredens, nog voldoende ruimte om met veel inzet mee te doen aan het Eén-programma “Beste Vrienden”. Presentator en bedenker Bruno Wyndaele was daarmee aan zijn vijfde seizoen toe en combineerde De Romeo’s in een en dezelfde uitzending met Cath Luyten en Maarten Vangramberen. Geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Competitiebeesten overigens. Zondag de vijfde juni 2016 werd hun deelname, opgenomen in Tel Aviv, uitgezonden en kwamen Davy, Chris en Gunther als overwinnaars uit de bus. Met 985.532 kijkers werd hun aflevering trouwens, op een totaal van zeven, het dichtst bekeken.

In de zomer van 2016 proberen De Romeo’s een nieuw genre uit, dat ze zelf omschrijven als “party rock”. Hun voorbeelden daarbij zijn bands als Status Quo, De Kreuners, groepen die hen al jaren geïnspireerd hebben. Noem het tijdloze rockmuziek, maar dan toegankelijk gemaakt voor een groot publiek. Een voorbeeld daarvan is hun single Waanzin. Naast de singleversie nemen ze ook twee sfeervolle versies op. Waanzin werd eerder in Duitsland een hit in de versie van Achim Petry, die met Deine Liebe ist der Wahnsinn, geschreven door zijn bekende zingende vader Wolfgang Petry, bij onze oosterburen een vette hit scoorde. De Romeo’s drijven het tempo iets op en maken er een echt livenummer van, reden misschien dat de single de elfde juni 2016 op plaats 27 in de Vlaamse Top Vijftig halt houdt. De single werd via streaming gelanceerd.

In 2016 verrassen De Romeo’s zowat iedereen met het bericht dat ze met een film bezig zijn die “H.I.T.” zal heten. Een film die ze niet met hun gedrieën zullen trekken, want zij acteren samen met Sergio, Marijn Devalck en Nicole & Hugo. Ook onder anderen Lindsay, Jan Smit, Ann Ceurvels, Aiko Vanparys, Linde Carrijn, Sasha Rosen, Belle Perez, Kurt Defrancq en zelfs Jan Kriekels zullen in de film opduiken. In Het Laatste Nieuws lezen we: “Iedereen gaat echt acteren“, aldus Chris Van Tongelen. “Iedereen speelt zichzelf, maar dan net ietsje anders. Het decor van de film is de leefwereld van De Romeo’s. De ondertitel is dan ook ‘De Enige Echte Romeo’s Film’.” Anderhalf jaar hebben De Romeo’s aan het project gesleuteld. Regisseur van dienst is Matthias Temmermans, die eerder ook bij “Mega Mindy vs. Rox” en “K3 en de Kattenprins” achter de camera stond. Dit is het scenario waarmee hij moet werken: “Het gaat niet goed met De Romeo’s. Vooral Chris krijgt het op zijn heupen wanneer Davy voor de zoveelste keer te laat opdaagt op een concert waar ook andere zangers op de affiche staan. Wanneer een van de artiesten vlak voor zijn optreden wordt aangevallen, probeert Davy de aanslag te verijdelen. Chris en Gunther zijn verbaasd over zijn interventie en eisen een verklaring. Davy neemt hen mee naar zijn huis en toont daar zijn wapenarsenaal, wat als bewijs moet dienen voor het feit dat hij al een tijdje undercoveragent is binnen de HIT-missie. Meer wil hij daarover niet kwijt. Maar voor Chris is dit het bewijs dat Davy niet meer met zijn hart bij De Romeo’s is. Hij wil dan ook dat De Romeo’s ermee ophouden. En dat net aan de vooravond van het Europees Schlager Festival.” De opnamen hadden van de zevenentwintigste juli tot de eenendertigste augustus 2016 plaats.

De eerste oktober 2016 staan De Romeo’s op elf in de Vlaamse Top Vijftig met de single Cabrio, een cover van Heut’ schlafen wir in meinem Cabrio van Jürgen Drews. De Romeo’s scoorden beter dan Jürgen, want die behaalde met dat nummer in zijn thuisland Duitsland in 2015 geen hitnotering. Niet verlegen om een stunt lanceren de jongens dit nummer in het Eén-programma “Sorry voor alles” (in dit programma wordt het leven van een onbekende Vlaming, zonder zijn of haar medeweten, gedurende één maand van nabij gevolgd). In deze clip speelt de 27-jarige half-Griekse Evrithiki totaal buiten haar weten om de hoofdrol in de Cabrio-clip van De Romeo’s. Goed bekeken van De Romeo’s, want op deze manier kunnen ze hun nieuwste single in de kijker zingen. Zaterdag de negentiende november 2016 zijn we in de Ethias Arena in Hasselt toe aan de zevende editie van Het Zingpaleis. In de persmap lezen we: “Begin al maar te zoeken naar een kleurrijke outfit, want die ga je zeker nodig hebben! Het wordt zonder meer het heetste ambiancefeest van het jaar, want De Romeo’s hebben gekozen voor het thema ‘Tropical’ als uithangbord voor hun feestje. Voor de nieuwe editie van Het Zingpaleis stappen De Romeo’s af van één welbepaalde kleur, maar gaan ze resoluut voor een volledige thema-editie: Tropical!” Gunther Levi is in zijn nopjes. “Toegegeven, wij zijn allemaal heel warme mensen. We houden van de zon en vooral van de zuiderse sfeer. Vandaar ook het idee om in 2016 te gaan voor het heetste Zingpaleis ooit.” “Muzikaal is het duidelijk dat we een aantal liedjes in tropische jasjes gaan stoppen. We gaan werken met extra percussie en we gaan nummers spelen die we voorheen nog nooit gespeeld hebben, maar die wel passen bij het thema. De integratie van salsa- en sambadanseressen is zeker een goede suggestie, waar wij uiteraard al aan gedacht hebben natuurlijk en niet anders kunnen dan daar enthousiast over zijn“, grapt Chris.

De Romeo’s zijn inmiddels een geoliede machine geworden waarbinnen de taken perfect verdeeld zijn. Chris is de oudste, hij neemt zowat de vaderlijke rol voor zijn rekening en is de ondernemer van de bende. Gunther beaamt dat: “Chris is onze coach, de man die voor de nodige flow zorgt. Wanneer wij twijfelen, hakt hij de knoop door.” Chris neemt de boekingen voor zijn rekening en moet daarom de agenda’s van zijn collega’s goed in de gaten houden en zien dat er geen overlappingen gebeuren, want Davy en Gunther zijn nog met diverse andere dingen bezig. Zo runt Gunther samen met zijn vrouw Artfashion, een bedrijf dat kinderkleding verdeelt. Davy past zijn optredens samen met zijn vrouw Sasha zo aan dat ze nooit laat op de avond geboekt staan, wat maakt dat hij met De Romeo’s veel kanten uit kan. Zij weten, and that’s the deal, dat De Romeo’s voorlopig nog steeds voorrang krijgen. Dat Chris de boekingen zelf regelt, houdt in dat zij het commissieloon dat normaal het kantoor int, nu zelf op zak steken. Meegenomen dus. Wanneer er in een hotel overnacht wordt, boeken ze twee kamers. Volgens een beurtrol slaapt de een bij de ander. De Romeo’s werken wel nauw samen met Benelive Entertainment in de persoon van Kris Bloemen (partner van zangeres Lindsay), die zij liever als hun adviseur dan als hun manager beschouwen. “We zijn acht handen op één buik. Hij voelt ons perfect aan en weet precies wat kan en niet kan, al is hij best op tijd en stond grensverleggend in zijn ideeën en voorstellen“, aldus Chris Van Tongelen. Het team rond De Romeo’s wordt aangevuld door Pieter Ramboer en Kurt Frederix van het entertainmentbedrijf Upstars, samen de zogeheten schaduw-Romeo’s. Zij denken mee met hen en staan in voor de begeleiding en dergelijke. Je kunt het omschrijven als management, maar onderling noemen zij het eerder non-stop creatieve begeleiding.

Davy is behoorlijk muzikaal, dat weten we intussen. Hij schrijft vaak mee aan de nummers en zorgt er vooral voor dat de auteursrechten in orde zijn. Gunther bekijkt het wat meer vanop afstand. Hij heeft talent zat, maar moet meer aangespoord worden omdat hij ook met zijn eigen zaak bezig is. Hij probeert een familieman te zijn en tuiniert graag. Soms komt muziek bij hem op de tweede plaats. Maar één ding staat buiten kijf: ze vullen elkaar perfect aan en voelen elkaar ook perfect aan. “Ik probeer zo veel mogelijk te doseren en dat probeer ik aan Davy en Chris diets te maken. We moeten opletten dat ons publiek ons niet te snel beu wordt door almaar met nieuwe projecten te komen aandraven. Dat mag en moet, maar met mate. Om de paar maanden iets nieuws is oké, maar niet om de twee weken. Ik weet het maar al te goed uit ervaring, soms is less a bit more“, aldus een wat ernstige Gunther die het hele gebeuren almaar vaker -vanop een gezonde afstand bekijkt. Samengevat: Davy is en blijft de meest spontane van de drie, Chris is de zakenman en Gunther de denker. Ze weten maar al te goed dat ze mee profiteren van een hernieuwde belangstelling voor de Vlaamse schlager. Vaak treden De Romeo’s met een muziekband op, maar u kunt ze ook live boeken en dan worden ze op het podium begeleid door toetsenist Claude De Maertelaere, gitarist Jan Decombele, drummer Dany De Coninck en bassist Herwig Scheck. In een kingsizeversie kunnen daar occasioneel ook nog drie blazers en een percussionist aan toegevoegd worden.

Maandagavond de tweede januari 2017 zendt Eén om 21.30 uur de documentaire “Leve het levenslied, in het spoor van De Romeo’s” uit. VRT-journalist Bart Aerts had voor het programma “Koppen” eerder al een bijdrage gemaakt over De Romeo’s, maar nog voor die opname kon worden uitgezonden, werd het programma afgevoerd. Bart wou toch iets met die bijdrage doen en besloot in samenspraak met de VRT bijkomende beelden en interviews op te nemen en uit te breiden tot een heuse docu. De Romeo’s natuurlijk vol lof over de VRT én over dit initiatief van Bart. Zelfs in De Morgen konden ze er, zij het op hun manier, niet omheen: “In 2003 besloten zangers van het zevende knoopsgat Davy Gilles en Chris Van Tongelen hun krachten te bundelen. ‘Familie’-acteur Gunther Levi voegde zich bij het duo en de rest is geschiedenis. De Romeo’s groeiden uit tot een muzikaal curiosum. Ze werden hilarisch geparodieerd in ‘Tegen de sterren op’ en leggen nu de laatste hand aan een langspeelfilm en een eigen frikandel. Een cameraploeg beet zich een jaar lang vast in het spoor van de drie musketiers van het Vlaamse levenslied. Unieke blik achter de schermen van een balorkest dat zichzelf niet al te ernstig neemt.” Over die frikandel gesproken, de twaalfde december 2016 berichtte Het Laatste Nieuws: “Heerlijk gekruid, lichtjes pikant én goed voor 35 centimeter puur genot, een hele mond vol dus“, zo omschrijft producent Vanreusel, lichtjes aangebrand, De Romeo’s-frikandel XXL. De Romeo’s zijn een sterk merk dat matcht met onze producten“, laat Bart Vanreusel weten. “Frituristen bestellen nu al massaal dit product, waardoor we intussen al met een productie zitten van 300.000 worsten, goed voor een lengte van 105 kilometer.” De firma Vanreusel produceert sinds de drieëntwintigste januari dagelijks vijftien ton Romeo’s XXL-frikandellen of zo’n vierduizend worsten per uur. De dertiende februari 2017 belanden de eerste in de frituur om de hoek.

De eenendertigste januari 2017 wordt de geboorte van het nieuwe album “Vrienden voor altijd” gevierd. De productie is weer in handen van Edwin De Groot. Muzikale steun is er van Marcel Fisser, Edwin zelf, Gregor Hamilton, Marijn van den Berg, Marieke Dollekamp, Wietse Meys, Jo Hermans, Ruud Breuls en Jel Jongen. Een vrij Hollandse aangelegenheid dus. De Romeo’s willen in het bijgevoegde boekje de kopers van de cd van harte welkom heten: “Een nieuw jaar, een nieuw album. Wij zijn alvast trots dit te mogen presenteren in al z’n pracht. Een mengeling en mooi evenwicht tussen zelfgeschreven nummers en weluitgekozen covers. Ons vijfde Nederlandstalige album alweer, alvast eentje om in te kaderen.” Ze voeren ook promotie om de film aan te kondigen die de vijftiende maart in de bioscoop te zien zal zijn. De soundtrack ligt de derde maart in de winkel. Trouwens, de eerste twee liedjes waarmee “Vrienden voor altijd” wordt ingezet, met andere woorden de titelsong en Waar zijn al die handen, zullen ook in de film te horen zijn.

Woensdag de 8ste maart 2017 stellen De Romeo’s hun film “H.I.T.” in première in “Kinepolis” in Antwerpen voor. In “Het Belang van Limburg” lezen we de dag nadien: “Alles met een beetje naam en faam in de Vlaamse schlagerwereld verzamelde woensdag in Kinepolis Antwerpen voor de première van H.I.T., de film van De Romeo’s. “Als ze ons toch nooit vragen om mee te spelen in een film, laat er ons dan zelf een maken, dachten we”, aldus Davy Gilles, Günther Levi en Chris Van Tongelen. “Het is geen verfilming van onze carrière, eigenlijk wilden we gewoon een feelgoodfilm voor de hele familie maken. We lachen met onszelf, maar we willen ook de mensen die niet van het schlagergenre houden aan het lachen brengen.” Of dat lukt, daarover zult u vooral zelf moeten oordelen als de film volgende woensdag in de bioscoop komt. De vele schlagerartiesten die een gastrolletje wisten te versierenn, van Lindsay De Bolle over Willy Sommers, Jo Vally, Nicole en Hugo tot Sergio, Lisa del Bo en Luc Steeno, waren alvast heel erg enthousiast.” Op 24, 25 en 26 maart en op 1 april 2017 staan De Romeo’s op de affiche, en dat voor de tiende keer, van het Schlagerfestival in de “Ethias Arena” van Hasselt. Zij delen deze keer het podium met Umberto Tozzi, Johan Verminnen, Willy Sommers, Sasha & Davy, Jo Vally, The Lynn Sisters, Laura Lynn, Matthias Lens, Yves Segers en Lindsay, in een presentatie van Kürt Rogiers.

Of zij na al die fantastische plannen in 2017 nog een droom koesteren? “Wij zouden zo graag“, en ze zingen dit haast in koor, “een soap inblikken van zo’n aflevering of twaalf in de stijl van ‘Hallo K3′. Na die filmopname hebben we blijkbaar de smaak te pakken gekregen. Acteren ligt ons sowieso na aan het hart. Zo’n serie zou voor ons de kers op de taart zijn.”

De sleutel tot hun succes vatten De Romeo’s als volgt samen: “Probeer niet te doen alsof je het leuk vindt, amuseer je echt. Sta zo dicht mogelijk bij je publiek en heb geduld. Bouw je carrière stap voor stap op, het succes volgt wel!” En mocht er aan dat succes een einde komen? “Daar denken we zelfs niet aan. Voor ons mag dit feest blijven doorgaan. We hebben nog zat ideeën en de goesting wordt met de dag nog groter. De Romeo’s zullen nog een hele tijd van zich laten horen. Noteer dat maar.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

Christoff

Mocht hij in de jaren zestig hits gescoord hebben, dan had het er dik ingezeten dat we hem zouden verward hebben met zijn Franse naamgenoot  Christophe die in 1965 zowat overal op één stond met zijn zomerhit Aline. Christoffe De Bolle heeft ook wat met de zomer te maken, want hij werd de 18de juni 1976 in Ninove geboren. Zijn ouders waren zelfstandigen. Vader was aannemer. Hij runde die zaak samen met zijn broer en zijn schoonvader. Op latere leeftijd mocht Christoff mee naar de werf, maar ze hadden snel door dat hij ‘de bouw’ niet in de vingers had. Thuis was het gezelliger, daar klonk vaak muziek. Christoff werd met Nederlandstalige liedjes grootgebracht.  Hij verbleef vaak bij zijn grootouders en die waren dol op de hits van Willeke Alberti en de Zangeres Zonder Naam. Er werd ook vaak gedanst. Zowel zijn ouders als zijn grootouders hadden snel door dat Christoff het artistieke in zich had. Hij zong graag waarbij Zie ik de lichtjes van de Schelde al snel tot één van zijn favorieten ging behoren. Hij is nog maar zes als hij wordt ingeschreven aan de gemeentelijke academie. Dictie gaat hij volgen en aansluitend voordracht en toneel. Mama houdt een oogje in het zeil en spoort hem aan waar het enigszins nodig was. Intussen loopt hij lagere school in Denderleeuw. Hij start daar ook met zijn middelbare studies, de studierichting economie-moderne talen. Omdat hij graag zingt, sluit hij zich aan bij het kerkkoor van Hemelrijk, een gehucht van Denderleeuw.  Samen met dat koor mag hij in 1986 optreden op het Kasteel van Laken voor Koningin Fabiola. Dat smaakt naar méér. Zijn moeder ziet wel wat in het zangtalent van haar zoon en schrijft hem in voor een soundmixshow ‘De Gouden Micro’. Christoff is weg van de liedjes van Luc Steeno, de keuze is dus snel gemaakt. De elfde augustus 1990 waagt hij zijn eerste kans. Micha Marah presenteert. Aan zijn overwinning hangt een platencontract vast, maar daar gaat Christoff voorlopig niet op in omdat hij nog studeert en hij zichzelf nog iets té jong vindt. Overtuigd dat het allemaal wel zal lukken, doet hij het jaar nadien mee aan de VTM Soundmixshow, zingt het nummer Voor Jou van Luc Steeno en gaat aan de haal met de vierde plaats. Op school valt het echter niet mee. Daar wordt hij uitgelachen nu hij op tv te zien is. Zowel de leerlingen als de leraren hebben op alles en nog wat commentaar. Hij verhuist naar het KTA, het gemeenschapsonderwijs in Aalst, en wordt daar sympathieker onthaald. Hij volgt deeltijds onderwijs wat perfect te combineren valt met zijn carrière die vrij snel uit de startblokken schiet. Het enige jammere aan dit verhaal vindt Christoff dat hij er geen diploma aan heeft overgehouden.

Dat VTM-verhaal bezorgt Christoff een platencontract bij Onadisk in Brugge, de firma van Christoff Wybouw. Op zoek naar een geschikte song komen ze terecht bij I promised myself van Nick Kamen dat toen erg goed in de markt ligt. Christoff maakt er ‘k Voel me zo goed vandaag dat de 23ste januari 1992 in de buurt van de Vlaamse top tien geraakt. Omdat hij zijn middelbare studies inmiddels heeft opgegeven, maar toch een opleiding wil volgen, trekt Christoff naar de Showbizzschool in Oostende. Zijn klasgenoten van toen waren: Laura Lynn, Vanessa Chinitor en Gunther Levi. Les krijgt hij onder meer van Serge Gobin en Ignace Baert. Meteen blijkt dit geen spek voor zijn bek. Hij houdt niet zo van de mentaliteit die daar heerst. Christoff scoort trouwens snel succes met zijn optredens en is regelmatig te zien in Tien Om Te Zien. Hij gaat opnieuw deeltijds onderwijs volgen, deze keer kantoor moderne talen.

Christoff wordt in 1993 door de VRT uitgenodigd voor de preselecties van Eurosong, het jaar dat Barbara Dex mag gaan met Iemand als jij. Tijdens die preselecties zingt Christoff Zend een S.O.S.! De jury kwoteert zijn deelname zeer uiteenlopend, wat in de pers vragen oproept, maar de publiciteit is in elk geval meegenomen. Het jaar voordien had hij Eric Marijsse als manager aangetrokken. Onadisk neemt op advies van Marion Atria, de voormalige manager van Sandra Kim, een duet op van Christoff samen met zijn zus Lindsay. Dat was op dat moment voor Vlaanderen een unieke combinatie. Zij zong al in het achtergrondkoor. Hij moet haar wel eerst over de schreef trekken, maar het lukt wat resulteert in het duet Liefde is méér dan een woord. Die samenwerking met Erik Marijsse wordt geen succes. Er wordt vlug nog een duet met Lindsay ingeblikt Door regen en door wind, maar daar blijft het bij. Iets later wordt het roer overgenomen door Marc De Coen die nadien naam zou maken als manager-producer van Gunther Neefs. Ook dat avontuur duurt niet lang tot Christoff in 1994 in zee gaat met Erik De Blende van Assekrem.

Bij Assekrem scoort Christoff zijn eerste echte hit Terug naar de zon, een soort rode loper naar zijn échte doorbraak met Onder de toren. Hij koestert slechts één droom: Vlaamse liedjes zingen en bekend worden en dat is een verlangen dat ze bij Assekrem perfect aanvoelen. Christoff wordt gekoppeld aan het schrijvers- en producerstalent van John Terra en Ya Nick. Datzelfde duo zorgt voor Onder de toren dat meteen de toon zet voor de weg naar een breed publiek. Als Christoff de demo aan zijn ouders laat horen, zijn ze er niet zo wild van. Er wordt keihard aan het nummer geschaafd alvorens het in te zingen. De derde augustus 1995 staat Onder de toren torenhoog in de Vlaamse top tien. Pino Marchese zorgde voor de arrangementen, bespeelde de keyboards, bijgestaan door  de gitaristen Kevin Mulligan en Eric Melaerts in Studio BSB in Brussel, zo’n beetje “the place to be” voor de Vlaamse zangers in die tijd. Het is hetzelfde team dat Luc Steeno aan de hit Hij speelde accordeon had geholpen, dus veel kon er niet fout lopen. Nadat zijn opnamen die hij voor Onadisc inblikte in 1995 op het album Liefde is méér dan een woord zijn verschenen, komt Assekrem het jaar daarop op de proppen met Intro waarop zijn eerste hits, aangevuld met het vaak over de radio gehoorde De levensgenieter. Intussen was Yan Nik overleden, pseudoniem van de bekende tv-presentator Jan Theys met wie John Terra tot dan toe had samengewerkt. Theys schaafde veel aan Christoff’s uitspraak en gaf hem tips hoe hij zich tot zijn publiek moest richten. Pa De Bolle was intussen apetrots op zijn zoon geworden en ging almaar vaker en liever mee naar zijn optredens.  De stek van Jan Theys wordt ingenomen door advocaat Daniël Ditmar die op een heel poëtische manier kon schrijven. Het is even aanpassen voor zowel Christoff als voor de fans. Het album ”Intro” wordt door de media graag omhelst, iets later met goud bekroond. In die periode valt het op dat Christoff zich almaar méér profileert als een live-artiest. Het podium is de plaats waar hij zich het best thuisvoelt.

In 1997 is er het album “In volle vlucht”. Deze keer wordt er in studio The Groove in Schelle opgenomen. John Terra produceert, Pino Marchese arrangeert. Lindsay gaat nog eens meezingen, deze keer een compositie van Erik Van Neygen Als de wilde kers bloeit. Liedjes die blijven hangen zijn: Koning Clown en het tekstueel dubbelzinnige Kopje Onder.

Van sterrenbeeld is Christoff een tweeling, een wispelturige jongen, de enige dag happier dan de andere en dat inspireert John Terra en Daniël Ditmar tot het schrijven van het liedje De Optimist waarmee hij in 1999 het album “Millennium” opent. Deze keer tekenen Theo Breuls en Wim Claes voor de arrangementen, maar John Terra blijft aan het roer staan en levert de muziek. Op verzoek van Christoff schrijven zij M’n engelbewaarder. In dit liedje heeft Daniël Ditmar de vraag van Christoff om een liedje met een wat religieuze inhoud te schrijven, iets té breed geïnterpreteerd. Hij gaf het liedje een romantisch tintje mee. Hij praat er niet vaak over, maar Christoff is een religieuze jongen die weet wat bidden is. Toen hij elf was, stelden de dokters bij hem een hersentumor vast. Ze gaven hem amper tien procent overlevingskans. Met de steun van zijn ouders en het gebed zette hij door. Een operatie heeft hem toen het leven gered. Sinds die dag gelooft hij dat hij van hierboven een tweede kans heeft gekregen en dat verklaart ook zijn enorme werkdrift en doorzettingsvermogen. Elke dag houdt hij wat tijd vrij om te bidden. Zonder God zou zijn leven te zwaar zijn, hij heeft die steun van hierboven hard nodig. Toen de tweeëntwintigste oktober “Humo” bij hem aan klopte voor een interview onder de hoofding “Boven alle lof, schlagerfenomeen Christoff”, aarzelde hij niet om aan Noud Jansen te vertellen dat geloven in God en dagelijks bidden voor hem de doodnormaalste zaak van de wereld is. Hij gaf ook spontaan toe dat dichter bij God komen dan hij zich voelt, onmogelijk is. Twee dagen later vertelde hij dat verhaal nog eens opnieuw aan de ploeg van “Koppen” toen hij op donderdag de vierentwintigste oktober in dit Eén programma te gast was.

Ook al had Lindsay vaak aangegeven dat zij liever thuis de boekhouding van Christoff in de gaten hield dan zich in de kijker te zingen, toch kweelt ze op het album “Millennium” samen met hem Pluk de dag, zowat het levensmotto van haar broer. Anders dan het doorsnee liedje klinkt Dans le jardin de Sainte Cathérine dat kan rekenen op aardig wat airplay.

Qua singles wordt het nadien wat zoeken en kijken wij en de fans een beetje vreemd op bij nummers zoals Wil je nooit vergeten en Dédé mon copain, een waargebeurd verhaal over een accordeonist die zijn leven lang in een cafeetje in Brussel speelde, een vervolg zou je kunnen zeggen op Dans le jardin de Sainte Cathérine.  Het mogen dan wel knappe liedjes zijn en steengoede producties, het publiek hapt niet toe en dreigt af te haken. Dus wordt het stilaan tijd om op een andere wei te gaan grazen. Het vaste team is een beetje het muzikale noorden kwijt, ze weten niet meer goed welke richting ze moeten kiezen. Het Vlaamse lied dat het voorgaand decennium nog hoge ogen had gegooid dankzij Tien om te Zien, moet aan impact inboeten. Vooral Radio 2 eist productioneel méér kwaliteit. Ze willen méér pop in de Vlaamse liedjes horen betere teksten, minder schlagergehalte. Die gedwongen vernieuwing ligt Christoff niet zo goed. Willens nillens verliezen ze een aantal jaren door die zoektocht. Intussen werd in 2001 de verzamelaar ”10 jaar Christoff” door Assekrem in de markt gezet met daarop zijn achttien meest gedraaide en verkochte singlehits. Het jaar nadien probeert Christoff het nog eens tijdens een nieuwe selectie voor Eurosong, deze keer met Op naar de top, maar ook nu mag het niet lukken. Sergio voert tijdens die selectie de boventoon en die geeft ook duidelijk de heersende trend en stijl aan. De jury is behoorlijk hard voor Christoff. Andrea Croonenbergs vindt dat hij zich beter met zijn hobby bezighoudt: een partijtje tennissen. Dat was eerder op de man spelen dan op het liedje zelf.

Op zoek naar hippere songs komt Christoff op de proppen met De flamenco speelt en Amor, amor, amor. Dat laatste doet het zomers goed, maar die flamenco met een wat aparte beat vindt Christoff nog altijd een ware miskleun en weigert sinds toen nog altijd het liedje live te zingen. Christoff voelt zich na dat avontuur ongelukkig. Bij Assekrem zitten ze duidelijk op een andere golflengte. De liefde tussen beide partijen geraakt zoek. Er wordt niet echt meer geïnvesteerd in nieuw songmateriaal. Er komt ook geen nieuw album meer uit. Hij mag dan vaak optreden, hij merkt dat hij artistiek ter plaatse blijft trappelen, hij boekt geen vooruitgang.

Zijn zus en moeder gaan voortaan hun schouders onder de firma Christoff zetten. Er wordt een tijdje in eigen beheer opgenomen en georganiseerd: Alles is mogelijk, Zo mooi en Daar zijn geen woorden voor worden op eigen initiatief aan de man gebracht. Die liedjes waren oorspronkelijk bedoeld voor een volgende full cd. Christoff ziet het op een bepaald moment niet meer zitten. De samenwerking met zijn vorige manager heeft hem blijkbaar geen goed gedaan. Aan Dag Allemaal vertelt hij dat hij zich ontzettend triest voelde, machteloos. Op een bepaald moment overwoog hij zelfs uit het leven te stappen. Hij zat er volledig door. Gelukkig waren er zijn zus Lindsay en zijn beide ouders om hem er overheen te helpen. Als coach wordt Gino Moerman aangetrokken, een man die het klappen van de Vlaamse zweep goed kent. Hij brengt er de nodige schwung in, nieuwe deuren gaan voor hem open. Het is Gino’s idee om een platendeal af te sluiten met het dynamische  ARS label. Gepland, gewikt en gewogen, verschijnt de 11de juli 2007, uitgerekend op de Vlaamse feestdag, het album Blauwe Ogen. Met de hulp van producer Hans Aalbers, slaagt Christoff er in eindelijk te klinken zoals hij wil, als de nieuwe Vlaamse schlagerzanger. Het is vooral platenbaas Patrick Busschots van ARS die doorheeft dat Christoff veel in zijn mars heeft, maar dat zijn talent tot dan toe een beetje verborgen is gebleven. Om een soort earcatcher te hebben, wordt er voor dit album een nieuwe versie ingeblikt van Onder de toren en mag Lindsay nog eens een keertje meezingen, deze keer in het duet Als je bij me bent. Het album is een regelrechte voltreffer, goed voor twintigduizend exemplaren én voor goud. Het zijn Raymond Felix en Jacques Verburgt (bekend van Sha-Na) die enkele liedjes leveren en Christoff mag een paar Nederlanstalige teksten aanreiken: Ga met een lach door het leven en Ik wil je nog heel graag vertellen.

Somerliefde wordt zijn eerste liedje in het Afrikaans. Helmut Lotti, Dana Winner en Stef Bos hadden het hem voorgedaan. Somerliefde is een duet met de Zuid-Afrikaanse zanger Gerri Pretorius. In 2008 staat hij op het podium van het Schlagerfestival, georganiseerd door VTM. ARS blijft investeren in Christoff die dat jaar inzet met het beresterke Een ster, vertaling van Ein Stern der deinen Namen trägt van Nikolaus Presnik, dat het album “Zeven Zonden” voorafgaat. De single wordt één van zijn grootste hits en voert wekenlang de Vlaamse top tien aan. In de Ultra Top Vijftig verrast hij iedereen door daar eveneens te gaan postvatten op de eerste plaats. Het album hangt intussen in een gouden versie bij hem thuis aan de muur. Hij moet wel beginnen opletten, want zus Lindsay heeft haar stoute schoenen aangetrokken en beslist om een carrière als solozangeres op te starten. Het wordt een duel voor de eerste plaats wanneer zij komt opzetten met Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat.

In het voorjaar van 2009 wordt Christoff de gangmaker van het “Schlagerfestival” in de Ethias-Arena in Hasselt. Er wordt ook almaar vaker gelonkt naar de Duitse markt, getuige het nummer Der Mond und die Sterne op zijn album “Zeven Zonden”. Leuk is dat hij daarop een hommage brengt aan zijn collega Bob Benny middels zijn versie van Blauw is de nacht. Zijn Duitse single Deine Blauen Augen werd bij onze oosterburen in 2007 al grijsgedraaid en die nodigen hem graag uit voor hun radio- en televisieshows. Een stoomcursus Duits moet hem vlot verstaanbaar maken. De single Zeven Zonden wordt niet alleen een hit in de Vlaamse Top Tien, maar er zit tevens een tweede plaats in de Ultra Top Vijftig in.

Omdat hij nogal op zijn privé is gesteld en daar in alle stilte van wil genieten, geeft Christoff in de maand april 2008 in een interview met het Nieuwsblad pas toe dat hij homo is. Zijn fans deert die outing niet, want voor hen blijft hij de lieve jongen die altijd zeer attent is gebleven. Hij houdt er de media aan dat hij erop staat dat ze ook in de toekomst zijn privacy moeten blijven respecteren, anders zou de liefde snel bekoeld kunnen zijn. Dus in de media te koop lopen met zijn levenspartner zal je Christoff zeker niet zien doen. Zijn volgend album 1001 Nachten slaat in 2009 iedereen met verstomming. De titel vindt Christoff een terechte keuze omdat hij in sprookjes is blijven geloven, vooral in “zijn” sprookje. Er staat geen rem op de verkoop en na enkele maanden wordt de platinum status bereikt. Hans Aalbers blijft produceren en registreert in zijn eigen studio in het Nederlandse Nederhorst den Berg. De liedjes bestemd voor de Duitse markt worden in Duitsland ingeblikt.

Het door Diehter Bohlen geschreven In 100.000 Jahren wordt in de vertaalde versie In 100.000 jaren de eerstvolgende single. Dieter was ooit de drijvende kracht achter Modern Talking en Blue System. Christoff durft het ook nu aan de tekst zelf te schrijven. Een gouden single levert het hem op en de veertiende maart 2009 een vijfde stek in de Ultra Top Vijftig. Om in de buurt van de schlager te blijven, vertaalt hij een hit van Dieter Kindl Miljonair en dat wordt de volgende singlekeuze. 2009 is het jaar dat Christoff opeenvolgend vijf nummer één hits scoort. Alleen The Sunsets, het accordeonduo uit zijn eigen platenstal, durft in de hitlijsten met hem duelleren. Qua repertoirekeuze staat er voor Christoff maar één norm voorop: de liedjes moeten zon uitstralen, ze moeten zijn fans en luisteraars een blij gevoel geven én hen vooral aanzetten mee te zingen.

Op de Duitse markt presenteert Christoff zijn eerste album “Blaue Augen” met daarop het aanstekelijke Diesmal ist es Liebe en Du bist wie ein Traum. Omdat de fans er om smeken, verschijnen in 2010 zijn successen op het album “Alle Hits”, goed voor tweeëndertigduizend verkochte stuks. Om Duitsland aan zijn kant te krijgen, besluit hij wijselijk daar op tournee te gaan samen met de bij onze oosterburen populaire Florian Silbereisen. Het wordt een boem! Die tournee krijgt een extra glans door de release van het album “Das geht klar” in een productie van de heren Andreas Bärtels en Hans Aalbers. Alfons Weindorf en Bernd Meinunger tekenen voor een rist nummers. Op de hoes lezen we dat in Düsseldorf zijn Duitse fanclub is gevestigd.

In 2011 wordt er teruggeblikt op zijn twintigjarige carrière. Niet verlegen om een leuke invalshoek pakt Christoff uit met het album “Christoff en vrienden” waaraan hij de negentiende november van dat jaar een gelijknamige show in de Ethias Arena te Hasselt koppelt. Full House! Hij krijgt daarbij de vocale steun van Kathleen van K 3, Jo Vally, Willeke Alberti, The Sunsets, Dana Winner, Luc Steeno en uiteraard zijn zus Lindsay. Dat concert is zo’n meevaller dat hij er een vervolg aan breit en er mee op tournee door Vlaanderen trekt. Van dat concert verschijnt er trouwens iets later een live album. In 2012 wordt in Duitsland zijn derde album gereleaset “Feuerwerk” met daarop de hit Das 1000 Sterne Hotel én een duet met Florian Silbereisen. Op de Vlaamse feestdag 11 juli 2013 stelt Christoff zijn nieuw album “Christoff & Vrienden 2″ voor. Eerder dat jaar was er als voorbode de single Zeg maar niets meer die hij samen met de zoon van André Hazes inzong. Dat smaakt naar méér Nederlandse sterren en dat is op zijn album “Christoff & Vrienden 2″ duidelijk te horen. Met René Froger zingt hij diens megahit Alles kan een mens gelukkig maken, samen met Corry Konings Wie kan zonder liefde leven en met Rob de Nijs Malle Babbe. In eigen land ging Christoff aankloppen bij onder meer De Romeo’s, Belle Perez, natuurlijk zijn zus Lindsay én The Voice finalist Robby Longo. De doornatte maand juli 2014 zet Christoff in met de release van zijn album “Altijd Onderweg”. De pers bloklettert: ” Geen schlagers, weg met de polonaise! De Vlaamse zanger Christoff laat op zijn nieuwste album het schlagergenre achterwege en kiest duidelijk voor een moderner popgeluid. “  Om het zo Vlaams mogelijk te houden, stelt Christoff zijn nieuw album voor op 11 juli, de Vlaamse feestdag. Tijdens de persconferentie in Lint laat hij meteen horen dat hij van nu af aan wil gaan voor wat méér popgeluiden in zijn muziek. Jan Smit en Nick & Simon moeten daarbij het grote voorbeeld zijn geweest, dat kan niet anders. Hij laat er geen twijfel over bestaan: “Dit is de richting die ik wil blijven ingaan in de toekomst!” Nieuw is ook dat Christoff deze keer al de teksten zelf heeft geschreven waarbij hij vooral trots is op de nummers De zevende hemel en Voor jou, dat hij speciaal aan zijn fans opdraagt. Christoff dweept duidelijk met liedjes met een mooie, eenvoudige tekst, badend in een commerciële, toegankelijke melodie. Op dit album bewust geen duet met zijn zus Lindsay, maar wel met Kathleen Aerts Mijn engel hou me vast en eentje met zijn Duitse collega zanger-presentator Florian Silbereisen. Speciaal voor de fans stelt Christoff tijdens zijn verjaardagsconcert op 15 juli 2014 in het “Casino van Blankenberge” zijn miniatuurafbeelding voor, door de firma All Stars Reserved in 3D-printing aangemaakt. Het is een perfecte replica van Christoff himself zodat hij bij de fans thuis letterlijk nog wat dichter bij hen kan staan. Die beeldjes worden in een beperkte oplage aangeboden: het kleinste exemplaar kost  € 79,50, het grootste (20 cm) € 349,50. Om een echte fan van Christoff te zijn, moet je er blijkbaar wat voor over hebben.

De 25ste augustus meldt “Het Laatste Nieuws” dat Christoff en zijn vriend Niels, verzorger in een rusthuis, na zeven jaar besloten hebben uit elkaar te gaan. Het koppel had net een appartement gekocht in het Spaanse Marbella om daar tussendoor samen tot rust te komen. Een tijdje later trok Christoff zich in zijn eentje terug in een Weens klooster om zich daar tijdens een vijfdaagse retraite te bezinnen. Net op het moment dat hij wekenlang op één staat in de Vlaamse Top Tien met M’n beste vriend, een vertaling door Christoff van Together (flying on the wings of tenderness). September 2014 pakt Radio 2 uit met “De Vlaamse Top 50″ van Ultratop. Die wordt vakkundig aan mekaar gepraat door Christoff die maar wat blij is dat de VRT met dit initiatief uitpakt nét op het moment dat een rist Vlamingen qua Vlaamse schlagers al een tijdje op hun honger blijven zitten. Vijftig Vlaamse hits, elke week over de radio is een feest voor hen:”Ik ben er zeker van dat alle liefhebbers van Vlaamse populaire muziek hier ontzettend blij mee zijn!” vertelt Christoff aan een reporter van “Het Nieuwsblad”. Vanaf zondag 14 september 2014 is Christoff elke zondag van 16.00 u tot 18.00 u te horen met “De Vlaamse Top 50″ van Ultratop.

In het najaar van 2014 doet Christoff van zich spreken in de Vlaamse media door de release van het Onze Vader, geen eigen nummer, maar het originele kerlied in een nieuw jasje. Hij wil daarmee een statement maken dat je je geloof niet hoeft te verstoppen. Elke mens mag daarmee naar buiten komen. Christoff merkte dat veel jongeren terugkeren naar het gebed waaruit ze kracht kunnen putten. Als ambassadeur van zijn gebedsgroep zingt hij regelmatig in de mis waaronder het Onze Vader. Deze versie verscheen de 27ste oktober op de cd “Back to back Will Tura & Christoff” met daarop twintig hits van Tura en twintig van Christoff. De 23ste november staan Christoff en Tura voor het eerst samen op de planken tijdens een uniek concert in de “Oktoberhallen”. Will Tura staat dan aan de vooravond van zijn 75ste verjaardag en Christoff neemt hiermee de aftrap van de feestviering rond zijn 25-jarige carrière. De achtste november pronkt Christoff met de singleversie van het Onze Vader op één in de Vlaamse Top 50. De wonderen zijn dus de wereld nog niet uit! Christoff hierover: “Elke award die ik krijg, neem ik nog steeds even dankbaar aan en doet mij iets als artiest. Net als de gouden, zal ook deze platina award een heel bijzondere plaatsje krijgen bij mij thuis. Het was sowieso al een enorme eer met een legende en voorbeeld als Will Tura deze “Back To Back” te mogen uitbrengen, maar dit is toch wel de kers op de taart.

23 december 2014 mag Christoff het jaar feestrijk afronden tijdens de uitreiking  in het “Waasland Shopping Center” in Sint-Niklaas door Dirk Van der Auwera, marketing directeur bij Universal, van een platina award voor de verkoop van méér dan twintigduizend exemplaren van het album “Back to Back”, Christoff gekoppeld aan Will Tura, dat zijn platenfirma begin november in de markt had gezet naar aanleiding van de dubbelconcerten die er staan aan te komen op zondag 1 maart 2015 in het  “Ethias Theater” in Hasselt en op zaterdag 27 juni 2015 in het “Casino Kursaal” van Oostende. In een mum van tijd waren die concerten uitverkocht. Vandaar dat tijdens de uitreiking van de award Christoff met trots kon medelen dat er een extra editie komt van ” Will Tura en Christoff in Concert en wel op 19 juni 2015 in het “Casino Kursaal” van Oostende. Christoff over die platina award: “Elke award die ik krijg, neem ik nog steeds even dankbaar aan en doet mij iets als artiest. Net als de gouden, zal ook deze platina award een heel bijzondere plaatsje krijgen bij mij thuis. Het was sowieso al een enorme eer met een legende en voorbeeld als Will Tura deze “Back To Back” te mogen uitbrengen, maar dit is toch wel de kers op de taart.

Begin maart 2015 wordt als derde single uit het album “Altijd onderweg”, intussen goed voor platina (méér dan twintig duizend verkochte exemplaren), het nummer In de zevende hemel gereleaset. Dit album leverde eerder al de nummer 1-hits M’n beste vriend en Voor jou op. In het VTM-programma “Liefde voor Muziek” coveren zes artiesten van diverse pluimage elkaars liedjes. In de tweede aflevering van het VTM-programma “Liefde voor Muziek” stonden de dertigste maart 2015 de songs van Slongs Dievanongs centraal. Nadat Christoff in de eerste aflevering zijn collega-artiesten en ook de kijkers overweldigde met zijn knappe vertolking van King in My Head van Stan van Samang, maakte hij opnieuw indruk met zijn cover van Ik zen nu de bank die hij lanceerde als Ik ben toch geen bank. Met de live-versie van Goodbye van Tom Helsen dat Christoff daar zingt als Vaarwel, staat hij op één in de Vlaamse Top Tien en de tweede mei 2015 op zes in de Ultra Top Vijftig.

Tijdens de zomer van 2015 presenteert Christoff samen met Nathalie Meskens aan de kust de driededelige zomermuziekshow van VTM “Liefde voor sterren tegen de muziek op”. Hij mag volledig zichzelf blijven, Nathalie kruip voor deze gelegenheid in de huid van Natalia. Het wordt opnieuw een populaire muziekshow, maar dan in één trek geparodieerd net zoals het jaar voordien in “Tien om tegen de sterren op te zien”. Christoff omschrijft zich de voorbije maanden in de pers als een “Vlaamse zanger”. Hij wil niet meer als “schlagerkoning” aangesproken worden. Daarom dat hij sinds zijn album “Altijd onderweg” optreedt met een stel hippe, jonge muzikanten. Het schlagergeluid is inmiddels zo goed als verdwenen, hij is meer in de richting van de pop geëvolueerd.  In “Het Laatste Nieuws” van zaterdag 27 augustus 2015 zegt hij daarover:”Ik heb keihard gewerkt om de Vlaamse schlager een moderner gezicht te geven. En dat loont nu. Ik zal nooit afscheid nemen van ambiancemuziek, maar ik vind wel dat je als artiest jezelf moet blijven heruitvinden. Veel van mijn collega’s wentelen zich in hun comfortzone,ik probeer daar net uit te stappen. Mijn sound is volwassener geworden, onder impuls van mijn publiek ook. Ik maak nu schlagerpop.”

Vrijdag de vijfde juni 2015 werd door Patrick Guns, general manager van Universal Belgium, een platinaplaat uitgereikt aan Christoff voor de verkoop van méér dan twintigduizend stuks van zijn album “Altijd onderweg”, zijn achtste platina-exemplaar op rij! De zevenentwintigste juni van dat jaar lanceert Christoff de single Vergeven kan, vergeten niet geschreven door Will Tura en Nelly Byl, een strook uit het album  ”Viva Tura”, opgedragen aan Will Tura die dat jaar vijfenzeventig wordt. In de Radio 2 Vlaamse Top 50 is dit nummer een van de snelste stijgers.

En Christoff blijft edelmetaal verzamelen. Zaterdag de tiende oktober 2015 was Christoff te gast tijdens de live tv-show “150 Jahre Schlager – Das grosse Fest zum Jubiläum” op ARS/ORF. In de drie uur durende en door zo’n zes miljoen mensen bekeken live-uitzending waren onder meer Semino Rossi, Mireille Matthieu, Howard Carpendale en Vicky Leandros te gast. Christoff had de eer om samen met de gastheer van de show, de populaire Florian Silbereisen, het duet Viel schöner kann es gar nicht sein, te zingen. Nadien mocht Christoff, Florian verrassen met een platina award voor de verkoop van hun duet. Vrijdag de zesde november 2015 stelt Christoff de single Kerstmis vier je niet alleen voor. Het nummer, van de hand van Jeroen Swinnen, Saskia Vanderheyden en Jo Hermans, vertelt waarover het voor Christoff met Kerstmis echt om draait: dit is het feest van de vriendschap en niemand moet dat feest alleen vieren. Vanaf woensdag de twaalfde neemt Christoff in “Disneyland Paris” een tv-special op. Op zaterdag veertien november zou hij daar zijn album “Kerstmis met jou” aan zijn fans en de media voorstellen, maar dat kon door de vreselijke terreuraanslagen de dag voordien in Parijs niet doorgaan. De voorstelling van het album werd verplaatst naar “Eurotuin” in Merelbeke.

Maandag 30 november 2015 lanceert Christoff zijn nieuwe website www.christoffkerst.be. Dit om helemaal in de sfeer te blijven van het nieuwe succesalbum van Christoff “Kerstmis met jou. De nieuwe cd is snel goed voor goud en staat intussen al twee weken in de hoogste regionen van de Ultratop Album 200. Zondag de twintigste december kreeg Christoff naar aanleiding van de verkoop van meer dan vijftienduizend verkochte exemplaren van zijn album “Kerstmis met jou” tijdens zijn concert in de “Basiliek van Koekelberg” een gouden award uit handen van Will Tura, voor een publiek van maar liefst twaalfhonderd fans.  Om deze gouden award extra in de kijker te zetten, lanceert Christoff een tweede single uit zijn kerst-cd Een ster die voor ons schijnt, een vertaling door Saskia Vanderheyden van Ein Stern der für dich scheint van Simone.

Vrijdag de achtste januari 2016 ligt er een speciaal album in de rekken. Die dag verschijnt de cd “Vorsicht Unzensiert !”, gezongen door KLUBBB 3 oftewel Christoff, Florian Silbereisen en Jan Smit. Zij sloegen de handen in elkaar om een uniek schlagertrio samen te stellen met een internationale uitstraling. Dit debuutalbum, dat in vijf landen uitkomt, is een cd vol met nieuw geschreven party- en schlagersongs. De Duitse topproducer Uwe Busse schreef alle liedjes en zat ook achter de knoppen. Vanaf begin januari gaat het trio samen op pad om het album te promoten en uiteraard staat ook Vlaanderen op de agenda. Uit dit album werd meteen de single Du schaffst das schon op de fans losgelaten.

Vrijdag de elfde maart 2016 ligt de nieuwe single van Christoff in de winkel Ik ben geboren om van jou te houden. De single, een vertaling van Geboren um dich zu lieben van DJ. Otzi en Nik P, is de start van het feestelijke jubileumjaar van Christoff waarin hij zijn vijfentwintig jaar op de planken uitgebreid zal vieren. Deze plaat is tevens de voorloper van het nieuwe album dat naar goede traditie ook dit jaar op elf juli zal gereleased worden. Om die vijfentwintigjarige carrière te vieren, geeft Christoff drie exclusieve concerten: op vijftien oktober in het “Ethias Theater” in Hasselt, op dertig oktober in het “Kursaal” van Oostende en op zesentwintig november in de “Oktoberhallen” te Wieze. Hij lanceert in het najaar ook zijn eigen schoenencollectie.

Maandag de elfde juli 2016 verrast Christoff op onze Vlaamse feestdag zijn fans met zijn nieuwe studioalbum “Hou me vast” en dit om zijn 25 jarige jubileum extra in de verf te zetten, gekoppeld aan drie jubileumconcerten in oktober en november. Voor “Hou me vast” deed Christoff ook deze keer een beroep op de Nederlandse topproducer Hans Aalbers en schrijvers als onder anderen Will Tura, Uwe Busse, René Froger en Udo Mechels.  Samen zorgden Christoff en Hans voor dertien nieuwe songs waaronder sowieso het duet Heel graag zien met zus Lindsay en als verrassing het feestelijke Vanavond gaat het gebeuren met Gerard Joling. Met dit album wil Christoff vooral een lans breken voor het Vlaamse lied dat nog altijd te zeer laatdunkend als schlager wordt bestempeld. Met nummers als Ogen weer geopend en Zij wacht op haar prins probeert hij het genre naar een hoger niveau te tillen zoals dat Jan Smit in Nederland is gelukt die het genre daar als volkspop in de etalage plaatst. Kortelings liet collega Laura Lynn die nieuwe aanpak al horen op haar album “Eindeloos”. Uiteraard ontbreken de hits Vergeven kan, vergeten niet en Ik ben geboren om van jou te houden niet. Als bonus bevat het album ook een track van het succesvolle Christoff project KLUBBB3, waarvan inmiddels al ruim 130.000 albums werden verkocht.

Zondag de 21ste augustus 2016 was het weerom bingo voor Christoff. Hij presenteerde die avond vanuit Blankenberge samen met Peter Van de Veire niet alleen “Radio 2 Zomerhit 2016″ op Eén en Radio 2, maar mocht nog maar eens in de prijzen delen. Uit handen van Stan Van Samang kreeg hij de trofee voor “Beste Zanger”. Vlak voor zijn feestelijk optreden in het “Casino Kursaal” te Oostende op zondag de 30ste oktober 2016 werd Christoff door zijn platenfirma Universal een verrassing aangeboden. Als lid van de gelegenheidsgroep “Klubbb 3″ kregen hij, Florian Silbereisen en Jan Smit, goud voor de verkoop van méér dan 10.000 exemplaren in Vlaanderen van hun debuutalbum “Vorsicht Unzensiert”, intussen goed voor méér dan 180.000 exemplaren in Duitsland, terwijl het album het voorbije jaar ook in Zwitserland en Oostenrijk erg vlot over de toonbank ging.

2017 kondigt zich voor Christoff meteen als een druk jaar aan. Hij staat voor enkele belangrijke maanden in zijn loopbaan en spitst al zijn aandacht in het voorjaar op Duitsland toe. Speciaal voor onze oosterburen houdt hij zijn agenda tot begin mei vrij. Samen met Klubbb3, een succesvol trio dat hij met Jan Smit en Florian Silbereisen vormt, is hij daar de nieuwe schlagersensatie. Vrijdag de 6de januari brengen ze in Duitsland hun tweede album “Jetzt geht’s richtig los” uit, met daaruit als eerste single, de meezinger Jetzt erst recht, zijn ze tussen nu en eind april in drie tv-shows te zien en geven ze zo’n 31 megaconcerten. Door deze overvolle agenda heeft Christoff privé besloten voorlopig een pauze in te lassen in zijn relatie met zijn vriend Jef.  Ik kan bezwaarlijk zeggen:  ”Duitsland, ik kom niet, want ik verkies qualitytime met mijn vriend. In dezen is het voor mij qua carrièreplanning nu of nooit“, aldus een enthousiaste Christoff. Vrijdag de 13de januari staat de cd “Jetzt geht’s richtig los” op 1 in de Duitse albumcharts

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Clouseau

Clouseau

Wanneer je de status hebt bereikt dat er zelfs tributebands naar je genoemd worden, dan beteken je wat, zeker in Vlaanderen. In het geval van Clouseau denken we aan de groepen Kloezo en Cluzo. Kloezo werd in april 2004 opgericht door Joris Pancken. Ze speelden toen nog een akoestische set met op de akoestische gitaar Bert Collogne en op de leadgitaar Pieter Pancken. Het was hun grote droom om hiermee verder te gaan met een meer uitgebreide band en die droom kwam een jaar later, in juli 2005, uit. Het eerste optreden met de volledige band op “Eurofolies Kessel-Lo 2005″ was dan ook een succes en sindsdien speelden ze vooral in jeugdhuizen, cafés en op kleine festivals. In 2008 werd Cluzo opgericht. Ze doken snel op in de voorprogramma’s van Bart Kaëll, Laura Lynn en Willy Sommers. Een tijd later nam de groep een adempauze om er vanaf 2013 weer stevig tegenaan te gaan. En de echte Clouseau. Hoe klinkt hun verhaal? Wel, dat is er een van veel bijval en ongelooflijk veel succes!

De kinderen Wauters beamen het nog steeds. Zij vormden thuis een zeer gelukkig gezin. Er waren zes kinderen: vier jongens en twee meisjes. Papa Wauters werkte 35 jaar lang bij Sabena, afdeling administratie. Mama hield 20 jaar lang haar kinderen nauwlettend in het oog en ging vervolgens als huishoudkundig regentes aan de slag. In dat gezin werd Koen de zeventiende september 1967 geboren en Kris de eenentwintigste december 1964. Thuis in Halle was er altijd muziek. Papa zong al vanaf zijn vijfde bij een kinderkoor en nadien bij het kerkkoor in Sint-Genesius-Rode waarvan hij later dirigent werd. Ook mama zong in dat koor. Dat muzikale zetten ze over op hun kinderen. Er werd vaak gezongen, soms tijdens de vaat, maar ook in de living, rechtstaand op tafel. Iedereen zong, de een al beter dan de andere. Liefst van al a capella. Zowel klassiek als populair. Van composities van Haendel tot en met Dancing Queen van Abba. Toen Koen nog een ukkepuk was, luisterde hij naar platen van Bob Dylan die zijn zus kocht. Ook de songs van Simon & Garfunkel gingen erin als zoete koek en de hits van Queen. Maar het meest werd Kris beïnvloed door The Beatles, weliswaar na datum, maar toch. Er werd ook vaak naar “Avro’s Toppop” gekeken en zo maakten ze kennis met de glitter en glamour van groepen als Mud, The Sweet en Gary Glitter. Mama luisterde veel naar de radio en kende het merendeel van de hits van het moment die zij dan haar kinderen aanleerde.

Koen was speels van aard. Hij ging in zijn buurt naar de lagere school aan het Onze-Lieve Vrouwinstituut in Sint-Genesius-Rode en daarna naar de afdeling Latijn-wiskunde op de middelbare school Sint-Victor Alsemberg.  Vervolgens naar de tolkenschool in Brussel waar hij zich graag buiten de schoolmuren amuseerde om nadien in Mechelen toegepaste communicatie te studeren, maar daar stopte hij in het tweede jaar mee omdat Clouseau al succes begon te scoren. Kortom Koen moet het stellen met een diploma middelbaar onderwijs. Kris was de zogeheten slimmere jongen. Hij ging naar het Sint-Jan Berchmanscollege in de Ursulinenstraat in Brussel. Een strenge school onder het al even strenge toezicht van de jezuïeten. Kris volgde daar eerst de afdeling wiskunde-wetenschappen, maar die lag hem niet. Hij slaagde niet voor fysica, wiskunde en biologie en schakelde over naar de afdeling moderne talen. Die richting was echt zijn ding. Nadien behaalde Kris, eveneens in Brussel, zijn diploma regentaat Nederlands-Engels.

De zestiende december 1984 vraagt het gemeentebestuur van Sint-Genesius-Rode aan de jongens of zij niet eens een aperitiefconcert in hun gemeente wilden opluisteren. Elke eerste zondag van de maand werd er tijdens de wintermaanden een concert georganiseerd. Meestal kwamen daar klassieke groepen en solisten optreden, maar daar lokten ze alleen maar een ouder publiek mee. De vader van Bob Savenberg zetelde in de culturele raad van Sint-Genesius-Rode en papa Wauters was schepen van Sport en Cultuur, en meteen dachten die aan hun kinderen om hun een kans te gunnen. Bob had in de loop van de maand oktober 1984 een groepje opgericht. Dat groepje bestond toen uit Bob Savenberg, Tjenne Berghmans, Geert Hanssens, zus Veerle Wauters en uiteraard Koen en Kris. Gewoonlijk oefenden ze elke vrijdag, maar nu werd er een tandje bij gestoken en vaker geoefend. Ook werd hun repertoire uitgebreid dat bestond uit liedjes van Herman van Veen, Bob Dylan, ze zongen Brussel van Johan Verminnen en niet te vergeten de hit van dat moment Smooth operator van Sade die zus Veerle voor haar rekening nam. Kris had ook enkele liedjes geschreven. In die tijd was Bob Savenberg deejay bij de vrije zender “Ro” in Sint-Genesius-Rode en omdat dat toen nog in de illegaliteit gebeurde, presenteerde hij onder de schuilnaam Clouseau (naar inspecteur Clouseau uit de Pink Panther-reeks). Bob kon inspecteur Clouseau haast perfect nabootsen en pakte daar graag mee uit tijdens zijn radioprogramma en in zijn stamcafé “De Vissers”. Als groepsnaam werd er bijna voor de hand liggend gekozen voor Clouseau & Vrienden. Vrij snel werden ze door naburige jeugdclubs uitgenodigd om op te treden. Nu moeten we niet qua kwantiteit en zeker niet qua kwaliteit te positief oordelen. Twee, drie optredens per jaar en daarmee was de kous af. Wat ze wel bleven doen, was hardnekkig repeteren. Er werd ontzettend veel van bezetting gewisseld. Ook Koen verliet de groep een tijdje omdat zowat iedereen om de beurt zong en Koen toen al de ambitie had om frontman van een band te worden. Kris noemt het nu nog altijd  “amateuristisch geklungel!” Pas als er een optreden zat aan te komen, werd er gedurende drie à vier weken intens geoefend. Ze speelden zo slecht dat ze het nodig vonden in die periode tot viermaal toe per week te oefenen. In 1984 komt bassist Karel Theys bij de groep aansluiten. Hij speelde van 1980 tot 1982 bij The Employees. Bij Clouseau zal Karel het volhouden tot de achttiende maart 1991.

In 1986 was Kris aan de slag gegaan als promojongen bij platenfirma Ariola (iets later BMG geworden). Hij had Jokke Kerkhofs leren kennen (toenmalig presentator bij Studio Brussel), de drijvende kracht achter “Marktrock” en hem warm gemaakt om op regelmatige basis ook eens nieuwe onbekende groepen uit te nodigen, Clouseau en Vrienden bijvoorbeeld. Zij mochten op de Oude Markt in Leuven de editie van 1987 openen, op voorwaarde dat ze gratis zouden optreden, wat ze in dank en met graagte aanvaardden. Voor ze naar “Marktrock” trokken, vond Kris het promotioneel gezien toch beter dat ze daar een single konden aanbieden. Hij trekt naar uitgever Hans Kusters die er meteen wat in ziet. Hij neemt met hen het nummer Brandweer op, een song van Bob Savenberg in een productie van Roland Verlooven. Omdat geen enkele platenfirma in het nummer geïnteresseerd is, brengt Kusters het uit op zijn HKM-label.  De plaat doet niets. Er worden amper iets méér dan vierhonderd exemplaren van verkocht. Op de B-kant staat het liedje September, eveneens van de hand van Bob. Maar Kusters blijft in hen geloven en brengt snel de single Ze zit (achter me aan) uit. Later zullen ze het vertalen als She’s after me. Ook nu gebeurt er niet veel, behalve op de radio waar het een behoorlijke airplay geniet. De doorbraak komt er wanneer Hans beslist Alleen met jou op te nemen, een nummer van Gordon Campbell With a woman like you, dat Bob had vertaald. Deze keer zit er de elfde juni 1988 in de Vlaamse Top Tien een nummer één in. In een productie van Verlooven is er in 1988 de single Mary-Lou, geschreven door Kris, dat eind 1988 op vier staat in de Vlaamse Top Tien.

Na die eerste successen mag Clouseau in 1988 samen met Ingeborg en Philippe Van de Kerckhove alias Phil Graveyard deel uitmaken van de West–Vlaamse ploeg tijdens de “Baccarabeker” in het Casino van Middelkerke en dat op vraag van  ploegleider Raymond van het Groenewoud. Clouseau had graag onder de vleugels van Verminnen en zijn Brabantse ploeg gevlogen, maar er was geen plaats meer vrij. Het was de manager van Angie Dylan, die deeluitmaakte van dat Brabantse team, die hen in contact bracht met Raymond. Koen weet nog goed dat Raymond op een dag kwam luisteren in hun toenmalige repetitiekot, de garage van hun geluidsman Pascal Braeckman in Halle. Raymond had een paar partituren bij met enkele songs die hij wilde voorstellen. Grote paniek, niemand kon noten lezen, maar ook niemand wou voor de ogen van Raymond afgaan. Een apart moment voor Clouseau om nooit te vergeten. Het is de West-Vlaamse ploeg die met de overwinning gaat lopen. Ingeborg krijgt ook nog eens de personalityprijs. Op hun repertoire staat verder onder andere Alleen met jou en Verlangen dat in duet met Ingeborg wordt gezongen. Voor de rest zongen ze ook mee met enkele reggaeliedjes begeleid door Phil Graveyard. Kris herinnert zich dan weer dat het er in het begin slordig aan toeging, maar toen de ze kordaatheid hadden opgemerkt waarmee John Terra zijn Limburgse team door de halve finale loodste, herpakten zij zich en gingen zelfs om twee uur ‘s nachts enkele danspasjes instuderen en een a-capellaversie van Ze zit inoefenen. Voor Clouseau was die overwinning graag meegenomen. De mensen van de media kregen hen in het oog. Zo nodigde Mike Verdrengh die in de jury zat, Koen tijdens de receptie  uit voor een screentest bij een nog op te starten televisiestation, wat iets later VTM blijkt te zijn.

Ook de VRT krijgt Clouseau in het oog en zo worden ze in 1989 uitgenodigd om deel te nemen  aan “Eurosong”. Zij happen graag toe, want zij zagen dit als een eminente manier om zichzelf als groep te promoten. Het feit dat Ingeborg meedeed was ook een stimulans, want zij huisden beiden in dezelfde platenstal, HKM (Hans Kusters Music).  Alle zeilen worden bijgezet om van een van hun nummers Anne een groot succes te maken. Het werd geschreven door hun gitarist Geert Hanssens die tot over zijn oren verliefd was op een meisje dat Anne heette. Speciaal voor haar had hij dit liedje geschreven. Kris Wauters herinnert zich nog dat de song geen bridge had. Hij schreef die thuis in een recordtempo bij mekaar, maar vergat er zijn naam als coauteur onder te zetten, iets waar hij nu nog altijd spijt van heeft, want qua auteursrechten heeft hij op die manier een pak euro’s aan zijn neus zien voorbijgaan. Het liedje zat ook ritmisch niet echt goed in mekaar, het wrong een beetje, maar daar werd tijdens de eerste repetitie meteen aan gesleuteld, alsook aan de samenzang. Na wat oefenen, voelden de jongens dat ze vocaal de goede kant uitgingen. Koen Wauters weet nog goed dat het  Hans Kusters was die op het idee kwam het liedje te laten beginnen met het refrein, a capella gezongen! De VRT zond “Eurosong” rechtstreeks uit. Naast Ingeborg en Clouseau werd er stevig weerwerk geleverd door Angie Dylan, Pascale, Jimmy Frey, Margriet Hermans, Expo, Boogie Boy, Karen Lowe, Anne Mie Gils en Bart Van den Bossche. Helaas moet Anne tijdens die spannende eindstrijd  onderdoen voor Door de wind, geschreven door Stef Bos en op een innemende manier  gezongen door Ingeborg.  Zij mag de zesde mei 1989 in het Zwitserse Lausanne in het “Palais de Beaulieu” ons land vertegenwoordigen. Er staan tweeëntwintig deelnemers aan de meet, Ingeborg strandt op de negentiende plaats. Winnaar wordt Joegoslavië met Rock me, gezongen door de groep Riva, goed voor 137 punten. Ingeborg mag naar huis met 13 punten. Ingeborg ging dus tijdens  de editie van “Eurosong”  met de winst lopen, maar haar single mocht volgens het Eurovisiesongfestivalreglement niet meteen worden uitgebracht. Anne van Clouseau daarentegen wel. Dus betekende die tweede plaats achteraf bekeken alleen maar een winstpunt wat hun succes in Vlaanderen betreft, want Anne werd niet alleen een nummer één in de Vlaamse Top Tien. Ultratop vermeldt dat ze de zeventiende juni op één in de Top Dertig stonden. Anne werd trouwens in 2005 terecht opgenomen in de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam samen met Just a friend of mine van Vaya Con Dios en The way to your heart van Soulsister.

De veertiende mei 1989 treedt Clouseau op in Kessel-Lo. Ze kijken elkaar vreemd aan, wanneer plots een rist gillende meisjes uitbundig van zich laten horen. De Clouseauhysterie is geboren! Clouseau had een soort Vlaamse pop gecreëerd die tot dan toe onbestaande was. Iets tussen Tura en Van het Groenewoud in, aldus Kris. Van Anne werden er zo’n slordige zestigduizend exemplaren verkocht. Dat succes bracht de heren in 1989 opnieuw op de Oude Markt in Leuven tijdens “Marktrock”. Ze zouden daar trouwens van 1992 tot 2002 nog een vijftal keer optreden. Anne levert hun in 1989 ook de trofee “Zomerhit” op en een “Gouden BeRTje”. Niet vergeten dat Anne zo’n succes werd omdat VTM dat jaar van start was gegaan en snel hoge toppen scheerde met “Tien om te Zien” waarin Clouseau meteen een graag geziene gast werd. Ook in Nederland wordt Anne een dikke hit, want de vierentwintigste juni 1989 bereikt Clouseau de tweede plaats in de Nederlandse Top 40. De twintigste mei 1990 geven ze een memorabel optreden in het Nederlandse Leeuwarden. Tijdens dat optreden worden zevenennegentig hevige fans door het Rode Kruis afgevoerd. Bij dezen weet ook Nederland waar Clouseaumania voor staat.

Snel wordt er in de nasleep van dat succes een elpee ingeblikt “Hoezo” die de achtste oktober 1989 op het HKM-label gereleased wordt in een productie van Roland Verlooven. Dertien songs staan er op deze plaat. Na Anne verscheen Dansen als opvolger, al net zo grijsgedraaid als de vorige. De plaat zal in de maanden die volgen worden leeggemolken. Diverse programmamakers tipten op Daar gaat ze als volgende single, maar daar wilde Hans niets van weten, want wie die song graag hoorde, moest de elpee dan maar kopen. Een slimme zet, want uiteindelijk zullen van de elpee “Hoezo” in Vlaanderen en Nederland méér dan een half miljoen stuks verkocht worden.  Voor Koen waren die jaren toen een periode waar het licht steeds op groen stond, waar ze altijd maar doorgingen en geen tijd was voor reflectie, geen tijd om te beseffen wat er allemaal gebeurde. Je zat op die sneltrein en liet je gewoon in dat hoge tempo meevoeren. Het enthousiasme waarmee ze onthaald werden, dreef hen voort. Soms waren er ook minder prettige momenten, maar de groep leerde ermee te leven. Daar gaat ze, om er nog even op terug te komen en voor Kris een regelrechte Clouseauklassieker, werd geschreven door Jan Savenberg, de broer van Bob. Jan had voordien zelf in groepjes gespeeld, vooral rockgroepjes.Tekstueel stond die man een trapje hoger dan de rest plus had hij een enorm gevoel voor melodie.  Kris weet nog goed, en Koen zeker, dat toen ze het liedje gingen inzingen, Koen erg laat op stap was geweest. De overige liedjes van de plaat kon hij vokaal niet aan, dus werd er die dag dan maar geopteerd om met Koens rauwe stem Daar gaat ze op te nemen. Vooral de Nederlanders lustten die rauwe versie wel, al geraakt de single in de Top Veertig net niet tot op de eerste plaats. Bij ons stond Daar gaat ze de zevenentwintigste januari 1990 op één in de Vlaamse Top Tien en de tiende februari volgens Ultratop op één in de Top Vijftig. Daar gaat ze leverde volgens Kris en Koen Clouseau veel meer op dan Anne. Ze wonnen aan credibiliteit, het legde meer gewicht in de Clouseauschaal. Door dit nummer kreeg Clouseau in Nederland een gouden randje en dat was toch leuk meegenomen! In het begin verstonden de Nederlanders Koen niet zo goed. Waar hij in het liedje over flikken zingt, verstonden zij flikker en dat vonden ze best wel lef hebben. Louise is ook zo’n klassieker uit dit album, eveneens door Jan geschreven al geraakt de single in de Top Veertig niet hoger dan de negende plaats.  Het lag al jaren in zijn schuif te wachten om ingeblikt te worden. Het is nog steeds een nummer dat smeekt om bij elk concert live gespeeld te worden. De vijfde mei 1990 ramt  de single door naar de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Daarnaast vinden we op deze eerste succesvolle elpee ook songs terug als Wil niet dat je weggaat (wordt tijdens liveoptredens vaak ingelast als een moment van rust), Brandweer, Ze zit en Verlangen, dat in duet met Ingeborg gezongen wordt. Zij had dit samen met Koen al gezongen tijdens de finale van de “Baccarabeker”.  In het totaal zullen negen liedjes uit dit album op single verschijnen.

In zeven haasten wordt er onder druk van Hans Kusters in een productie van Roland Verlooven, gewerkt aan een nieuw album ” Of ZO …” waarvan de single Heel alleen in de maand september 1990 als voorbode wordt uitgebracht. De zesde oktober bereikt de single de koppositie van de Vlaamse Top Tien. In de Top Dertig zit er de zevenentwintigste oktober een derde plaats in. Koen en Kris geven ruiterlijk toe dat dit album niet hun beste is, integendeel. In nog geen drie weken tijd werd het album ingeblikt en afgewerkt. Overdag gingen ze optreden en interviews weggeven en tegen de avond passeerden ze de studio. Daar stonden Karel Theys, Bob Savenberg, Tjen Berghmans en Koen en Kris zich in het zweet te spelen en te zingen, maar de hele heisa van overdag eist zijn tol en dat is te horen ook. Twaalf liedjes komen op die plaat terecht waarvan vier geschreven samen met Tjen. De vijfde oktober van dat jaar heeft de première van hun eerste theatershow plaats, maar Bob, Koen en Kris hebben dan al door dat Tjen door zijn houding en inzet niet meer bij de groep past. Hij kon niet op een normale manier omgaan met de belangstelling in de media en met de fans. Hij wordt de laan uit gestuurd. Het album levert Clouseau hits op als het door Bob en Koen geschreven Ik wil vannacht bij je slapen. Ze dachten dat er meer in zat, maar ze moeten vaststellen dat het nummer in de Vlaamse Top Tien niet hoger klimt dan vijf. Beter schoten ze iets eerder in de hitroos met Domino, opnieuw van de hand van Jan Savenberg. Achteraf vindt Koen het wat jammer dat hij té vaak naar de demoversie van Jan had geluisterd en dat hij die tijdens de opname te strak gevolgd heeft, hij zong Jan gewoon achterna. Mocht hij het nu zingen, dan zou het heel anders klinken. In Koens eigen woorden: “Als ik Domino nu beluister, dan krijg ik er nog altijd het schaamrood van op de wangen!” De achtste december 1990 staat Clouseau met Domino een paar weken op één in die Vlaamse Top Tien. De negenentwintigste december 1990 staan ze op vier in de Top Dertig. Ondanks al die opmerkingen van daarnet is het album “Of Zo…” van bij de start meteen goed voor goud! We gaan in deze bio niet in op de aparte paden die Koen in de loop van zijn carrière bewandeld heeft, maar toch even aanhalen dat hij in 1990 te zien is in de films “My blue heaven” en iets later in “Intensive Care”. “My blue heaven” werd geregisseerd door de Nederlandse cineast Ronald Beer met in de hoofdrollen Ruud de Wolff, Leen Jongewaard en Ivon Pelasula. “Intensive care” dateert van 1991 in een regie van Dorna van Rouveroy met in de hoofdrol George Kennedy, naast Koen Wauters, Nada van Nie en Jules Croiset. Bij VTM is Koen intussen aan de bak gekomen als presentator van de “Super 50″. Koen is inmiddels in Vlaanderen uitgegroeid tot een tieneridool. Het succes van “Hoezo?” en het charisma van Koen als frontman van Clouseau zorgen ervoor dat in de krant vergelijkingen opduiken met de Nederlandse band Doe Maar en dat er gesproken wordt van Clouseaumania.

In 1991 organiseert de VRT een speciale editie van Eurosong “Euro-Clouseau”. Die avond werden tijdens een soort gala-uitzending drie liedjes voorgesteld: Hilda, Ik kan niet zonder jou en Geef het op. Met dit laatste trok Clouseau de vierde mei naar Rome waar ze in “Cinècittà” deelnamen aan de zesendertigste editie van het Eurovisiesongfestival, gepresenteerd door Toto Cutugno en Gigliola Cinquetti. Geef het op was geschreven door Koen en Kris, maar het werd geen hoogvlieger. Ze eindigden zestiende. Overwinnaar werd de Zweedse zangeres Carola met Fangad av en stormvind. Voor Clouseau werd hun deelname bekeken als een open venster naar Europa toe. Koen houdt er supergoede herinneringen aan over, hij blijft het een fantastische ervaring vinden. Hij vindt ook dat ze weinig of geen toegevingen hebben gedaan, dat ze een typisch Eurosongachtig liedje hebben neergezet. Wel blijft hij het jammer vinden dat ze in een bepaalde outfit werden gestoken die niet echt bij hen paste. Hij had liever in een gewoon T-shirt en jeans opgetreden. Kris op zijn beurt geeft toe dat het niet hun beste nummer is, maar dat hij het nog altijd graag blijft horen. Tijdens liveoptredens gaat dit er nog altijd vlot in bij het aanwezige publiek. Met het oog op een verhoopte Europese doorbraak, in de nasleep van die deelname aan het Eurovisiesongfestival, lanceert Clouseau, die inmiddels sinds maart 1991 van HKM naar EMI waren overgestapt, de drieëntwintigste september de volledig Engelstalige cd “Close Encounters” (de titelsong is een vertaling van Daar gaat ze) in een productie van Jan Leyers. Die plaat was, voorafgaand aan hun deelname aan het “Eurovisesongfestival”, in Nederland al opgenomen. Toen Clouseau in het hoge noorden van Nederland ging optreden, stelden ze vast dat ze zo’n vijftig kilometer van Duitsland verwijderd zaten waar het publiek dolzinnig uit de bol ging. Waarom niet de grens oversteken en het grootser aanpakken? Niet dat ze meteen hun liedjes in het Duits wilden vertalen, het mocht wat internationaler klinken. Waarom niet gelijk hun grote hits in het Engels vertalen. Het nakende Eurovisiesongfestival bood de nodige springplank. Muzikanten van dienst op “Close Encounters” zijn onder meer: Jean Blaute, Yannic Fonderie, Eric Melaerts, Paul Michiels enz… Zat kwaliteit dus. Vergeten we niet dat door omstandigheden dus bassist Karel Theys intussen was opgestapt. Clouseau bestaat van dan af als trio uit Koen, Kris en Bob. Close encounters werd een soort “best of plaat” met hun Vlaamse hits in het Engels gezongen en dat levert als eindresultaat songs op als: Close encounters, She’s after me, Louise, With a woman like you en Give it up. De single Close encounters kwam in Duitsland vrij snel in de Top Twintig terecht en MTV draaide regelmatig de videoclip. De verhoopte Europese doorbraak komt er niet echt, al slaat het album wel in Duitsland wat aan waar er méér dan zestigduizend exemplaren van verkocht worden en gingen er in het totaal zo’n tweehonderdduizend cd’s over de Europese toonbank. Koen blijft die periode als een grote eer beschouwen om te mogen hebben meegemaakt. Ze ontdekten een wereld die tot dan toe voor hen verborgen was gebleven. Om de fans in onze contreien te plezieren is er de video “Clouseau In Concert”, de vijfentwintigste augustus 1990 in het Nederlandse Groningen opgenomen, een hebbeding voor de fans van het eerste uur, want we zien en horen Clouseau hier nog aan het werk  in de originele bezetting.

Mei 1992 betekent de release van de cd “Doorgaan” (tot je niet meer op je benen kan staan), opgenomen in de ICP Studio’s in Brussel met deze keer aan de knoppen Jean Blaute die als extra muzikanten een beroep doet op Chris Peeters, Rik Aerts, Roland Van Campenhout, Walter Mets en een blazers- en strijkkwartet, om er een paar te noemen. Die plaat blikten ze in op een moment dat ze de einduitslag van het “Eurovisiesongfestival” nog niet kenden. Dus aan de ene kant stonden ze op een bepaald moment in de studio in het Engels te kwelen en op een ander moment te sleutelen aan hun nieuw Nederlandstalig product. Wedden op twee paarden? Die Clouseauplaten mogen door hun groot succes intussen wat kosten. ” Doorgaan” levert vijf singles op: Altijd heb ik je lief, Vanavond ga ik uit, Ben je daar vannacht, Als je me wil en de klassieker Afscheid van een vriend van de hand van Bob Savenberg op een Nederlandse tekst van Koen. Drie van de vijf singles bereiken  de bovenste plaats in de Vlaamse Top Tien. Afscheid van een vriend houdt het bovenaan zelfs vier weken na mekaar uit. In de Top Dertig staan ze de drieëntwingtigste januari 1993 op twaalf genoteerd. Koen en Kris geven ruiterlijk toe dat ze te weinig tijd hebben besteed aan de promotie van “Doorgaan” omdat alle aandacht ging naar de Europese promotie van “Close encounters” en de voorbereidingen van de volgende Engelstalige cd. Vanaf de vijfentwintigste juni 1992 verzorgt Clouseau ook nog eens het voorprogramma van Roxette en treden op in Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland. Koen maakt een zijsprongetje voor de cd “Elvis Belgisch”, uitgebracht naar aanleiding van het vijftienjarig overlijden van de King en vertaalt met In vuur en vlam Presleys hit Burning Love.

Na het succes van hun eerste Engelstalige cd stimuleert hun platenfirma Clouseau om met die internationale aanpak en kansen door te gaan. De tweede januari 1993 vertrekt Clouseau voor drie maanden naar de USA om daar, de dollar staat immers laag, een nieuw Engelstalig album in te blikken waarvan in de maand mei de singles Live like kings en Take me down de voorsmakers zijn. Vlaanderen zegt ook ja tegen deze producties, want voor beide singles wordt in de Top Dertig telkens een tiende plaats voorbehouden. Intussen bracht Hans Kusters op zijn HKM-label de cd “Het beste van Clouseau” uit met daarop zestien van hun tot dan toe bekendste hits. Dat Amerikaanse productieavontuur liet bij Kris ter plaatse op een bepaald moment een wat wrange smaak na. De muzikanten en zo waren wel je dat, maar zijn samenwerking met Rick Barron, een persoonlijke vriend van Kris, als producer had hij zich toch enigszins anders voorgesteld. Na enkele weken wordt die diplomatisch aan de kant gezet en neemt Kris samen met Derek Nakamoto de productie in handen. Derek bespeelt op deze plaat het hammondorgel en de synthesizers. Het is hier in Vlaanderen voor de fans wennen, want EMI brengt nog drie Engelstalige singles op de markt: Worship, Caroline en Piece of candy. Worship schuift de achttiende december 1993 voorzichtig naar de twintigste plaats in onze Top Dertig. Caroline vinden we daar de zesentwintigste februari 1994 terug op de achtentwintigste plaats. De achtentwintigste augustus 1993 sieren Clouseau samen met Rod Stewart, Tina Turner en Prince de affiche van het festival “Rock over Germany” dat in Wegberg in de buurt van Keulen plaatsheeft. In Nederland stappen ze in de maand september van dat jaar op de “Clouseau Express” om in elf stations een akoestisch optreden weg te geven om op die manier hun Engelstalige cd in de kijker te zingen. In Vlaanderen, tussen haakjes, goed voor edelmetaal.

Will Tura nodigt Koen in de loop van de maand november 1994 uit om samen met hem tijdens “Tura in symfonie II” in Vorst Nationaal een liveversie neer te zetten van Kom reik me je hand. Clouseau heeft intussen diep ademgehaald, goed nagedacht en besloten veel tijd te stoppen in de opname van hun volgende album” Oker” dat de negende februari 1995 aan de pers wordt voorgesteld. Als rode loper naar die plaat toe werd het nummer Laat me nu toch niet alleen uitgebracht, een hommage aan hun idool Johan Verminnen. In de Top Dertig noteren we de eerste april dat het nummer door de goegemeente goed werd bevonden voor een zevende plaats. Producers van dienst voor het album waren deze keer Jean Blaute en Kris Wauters. Er werd opgenomen in de Studio Jet en de studio van Dan Lacksman. Musici van dienst onder anderen: Jean Blaute, Kevin Mulligan, Evert Verhees, Eddie Conard en Patrick Riguelle. Jan Savenberg mag de titelsong voor zijn rekening nemen. De cd “Oker” beschouwen Koen en Kris als een keerpunt. Zegt Kris daarover:”Vanaf Anne tot nu toe werd er gefocust op hysterie, verkoopcijfers, gillende meiden, op flauwvallen, maar niet in eerste instantie op muziek. De voorbije jaren las je in de pers zowat alles over Clouseau, behalve over hun liedjes. Die periode dat we met Engelstalig werk bezig waren, had niemand in Vlaanderen onze plaats ingenomen. Er was nochtans ruimte. Samen met producer Jean Blaute besloten we ons extra in te zetten om van “Oker” een pronkstuk te maken, een plaat om U tegen te zeggen. Het was de eerste keer dat we na de release voelden dat we respect kregen voor de muziek die we maakten.” Tijdens het spelen van diverse liedjes uit dat album op festivals voelden ze een andere band met het publiek groeien. Langs beide kanten waren ze volwassener geworden, was er meer maturiteit merkbaar. Zegt Koen: “Het applaus dat we kregen klonk in onze oren opeens anders: het duurde langer, klonk oprechter. Het Clouseauverhaal leek tot dan toe op een treinrit die vertrok vanuit het station Anne en nergens bleek halt te houden, behalve toen Close encounters werd ingeblikt. Voor “Oker” was het duidelijk dat we tijd wilden nemen om te schrijven, om het goed op te nemen. Die helse treinrit mocht nu wel stoppen, die rit had lang genoeg geduurd, té lang!” Koen was in de wolken toen hij het nummer Cara Lucia mocht zingen. Eindelijk eens een poppy uptempo song met een lekkere beat geschreven door Piet Van den Heuvel en Marc Van Puyenbroeck. Duidelijk een keerpunt naast zovele ballads.

De song Oker valt binnen het geheel op omdat het een integer nummer is, zo integer zelfs dat Koen er tijdens liveoptredens nog altijd voorzichtig mee omspringt en het met mondjesmaat zal bovenhalen omdat hij het té breekbaar vindt. Op festivals zal je het hem bijvoorbeeld nooit horen zingen. In zijn oren klinkt het als een schilderij op een voortreffelijke manier geschilderd door Jan Savenberg. Als hij het dan toch zingt, ziet hij steeds die beelden die Jan voortreffelijk in woorden omzette voor zijn ogen de revue passeren. Hij blijft het een wondermooi liedje vinden. Koen zelf schrijft voor het album “Oker” de songs Passie en 1 grote liefde. De single Passie staat de achtentwintigste oktober op zeven in onze Top Dertig. In de Vlaamse Top Tien zit er sowieso een koppositie in. Je houdt het niet voor mogelijk, maar het album wordt in Vlaanderen alleen al zes keer met platina onderscheiden. Je voelde dat meteen, want in voorverkoop zat er snel een gouden exemplaar in. In Nederland werd de single Passie hun eerste nummer één en bereikten ze met het album “Oker” eveneens de hoogste hitregionen. In Nederland en Vlaanderen gingen er samen méér dan vierhonderdzeventigduizend exemplaren de winkels uit. Niet alleen Passie levert Clouseau in de Vlaamse Top Tien een nummer één op, ook het nummer Zie me graag, geschreven door Kris Wauters, wordt een dikke hit en behoort intussen tot de galerij van Clouseauklassiekers, in de Top Dertig goed voor een vierde plaats. Ook vaak te horen over de radio is het nummer Swentibold van de hand van Bob Savenberg en Yannick Fonderie, in onze Top Dertig de twaalfde augustus terug te vinden op plaats achttien. Stilaan werd het voor Clouseau een must dat tijdens hun liveoptredens het geluid de perfectie benaderde, ook het licht moest er professioneel uitzien. Er werd meer geld verdiend, dus kon er ook meer geld in de productie worden gestopt. Kris is altijd een geluidsfreak geweest en vooral voor hem was het belangrijk dat de sound goed zat. Hij had zelf als muziekliefhebber te vaak liveconcerten meegemaakt die wel goed in elkaar zaten, maar soms de mist ingingen bij gebrek aan een goed geluid. Pas toen Koen, na lang aandringen van de technici, besloot om ” met oortjes te gaan zingen” voelt hij zich gedragen alsof hij in een zetel zit te zingen. We zouden hen er niet meteen verwachten, maar in december 1995 staat Clouseau op het podium van “The Night of the Proms” in Nederland geflankeerd door Andrea Bocelli, Al Jarreau, Bryan Ferry, Roger Hodgson en John Miles. Tijdens de “Zamu-Awards” worden ze dat jaar onderscheiden als beste groep Nederlandstalig. Koen doet, en we gaan niet al zijn deelnamen opsommen, tussen 29 december 1995 en 14 januari 1996 mee aan de rally “Granada-Dakar”. Auto’s zijn en blijven trouwens een van de grootste passies, zowel van Kris als van Koen. Maar dit even terzijde.

Februari 1996. Na een grondig gesprek beslist drummer Bob Savenberg de groep te verlaten. Voor Bob was het voorbij. Dat voelden Koen en Kris al een tijdje aan, ze hebben hem er zachtjes toe gedwongen dat ook toe te geven en te beslissen er op een aanvaardbare manier een punt achter te zetten. Geen gemakkelijke beslissing, want Clouseau is en blijft Bobs geesteskind. De broers Wauters gaan van dan af met hun tweetjes verder. De negende augustus wordt in deze duoversie hun nieuwste single Nobelprijs op het publiek losgelaten. Als promostunt wordt de single simultaan op al de radiozenders uitgezonden: van Radio 2 over Radio Donna tot en met Radio Contact. Nobelprijs werd geschreven door Stefaan Fernande samen met Paul Gyselings. Voor elk album krijgen Koen en Kris honderden demo’s aangereikt. Dit was van zo’n povere kwaliteit dat het meteen aan de kant werd gelegd. Paul had het ingezongen en het klonk niet aangenaam. Kris betrapte er zich op dat hij ‘s avonds in bed dat liedje opnieuw begon te zingen, het was in zijn  hoofd blijven hangen. ‘s Anderendaags is Kris het meteen uit die verloren hoop gaan redden en is het uiteindelijk een van de muzikale mijlpalen in de carrière van Clouseau geworden.  De zevende september schittert Oker op één in de Vlaamse Top Tien en de vijfde oktober op twee in de Top Dertig. De achttiende september 1996 stellen Koen en Kris hun nieuwste album “Adrenaline” voor. Het album werd in “Studio Jet” en “Studio Synsound” in Brussel opgenomen in een productie van Kris Wauters en Jean Blaute. Qua begeleiding werd er steun gezocht bij vertrouwelingen als: Evert Verhees, Kevin Mulligan, Eric Melaerts enz… en backingvocalisten als Dany Caen en Marc Vanhie. Uit dit album worden nog drie singles gelicht: Je bent niets, Dat ze de mooiste is en Kom naar jou. Dat ze de mooiste is klimt begin maart 1997 in de Vlaamse Top Tien naar de derde plaats. In de Top Dertig houden ze met dat nummer echter halt op stek achttien. Kom naar jou hapt de zeventiende mei 1997 al naar lucht op de tiende plaats in de Vlaamse Top Tien. Meer zit er echt niet in.

Op het EMI-label verschijnt in de maand oktober 1997 de dubbele verzamelaar “Clouseau 87-97″ met een overzicht van de grootste hits van de voorbije tien jaar, goed voor een verzameling van vierendertig songs, te beginnen bij Brandweer en eindigend bij Door de muur. Dat nummer hoort er sowieso bij, want de vijfentwintigste oktober 1997 klommen ze ermee naar de vijfentwintigste plaats in onze Top Dertig.  Dit album loopt zo goed dat er bijna honderdduizend stuks van verkocht worden oftewel driedubbel platina! In de nasleep van deze release zendt Eén de zestiende november een Clouseauspecial uit.

Maart 1999 is het de beurt aan het album “In Stereo” om furore te maken. Ook nu weer, never change a winning team, met Jean Blaute en Kris Wauters aan de knoppen. De vaste bende wordt ingehuurd om te begeleiden. Ook al zat Koen toen ook weer te snakken naar enkele uptemponummers omdat Clouseau erg vaak aan ballads werd gekoppeld, toch werd er opnieuw gekozen voor een traag nummer om dit album in de kijker te zetten, en wat voor een nummer Have I told you lately van Van Morrison. Door de bank raak je niet aan zo’n klassieker van formaat, maar Koen zag het wel zitten om er tekstueel zijn tanden in te zetten. Kris weet nog goed dat ze pas op de dag van de opname op de titel Heb ik ooit gezegd kwamen. Achteraf klinkt het simpel, maar de tekst afwerken, was niet de gemakkelijkste klus. Het levert Clouseau de vijfde februari 1999 wel hun twaalfde nummer één in de Vlaamse Top Tien op en een zevende plaats in de Top Dertig. Een nummer uit dat album dat het in de hitlijsten ook goed doet is het van een lekkere, trage beat voorziene Altijd meer en meer, geschreven door Kris Wauters samen met Marc Vanhie, in de toenmalige Vlaamse Top Tien genoteerd op drie. De single Hoe lang nog? doet het iets minder goed in de hitlijsten. In de Vlaamse Top Tien zit er niet meer in dan een cijfertje zeven. In de album-Ultratop houdt “In stereo” het bovenaan zeven weken vol en is bij de release meteen goed voor platina! De achtentwintigste juni 1999 vertelt Koen pas aan de pers dat hij maanden eerder, de tweeëntwintigste december 1998, op het eiland Sint-Maarten in het huwelijk is getreden met MTV-veejay Carolijn Lilipaly. Koen had voordien al een intense relatie gehad met de dames Babette van Veen en Dagmar Liekens. Op dat moment houdt Valère Pieraerts zich intens bezig met het managament van Clouseau en waakt hij erover dat de heren zeker niet in overexposure gaan. Clouseau klissen voor een interview is en blijf ook dan een heuse opdracht. Er wordt beslist dat de groep een eigen website online zet wat eind 1999 ook een feit is. De tweeëntwintigste januari 2000 staat Koen op één in de Vlaamse Top Tien met het themalied voor de actie “Levenslijn 2000″ Wondere reis, een vertaling van Wonderful life van Black. Eric Melaerts is producer van dit nummer dat Koen samen met Helmut Lotti, Toots Thielemans en Ingeborg op plaat zet.

Zaten de fans erop te wachten, dat laten we in het midden, maar in de maand maart 2000 wordt de dubbelaar ” Clouseau Live” uitgebracht met naast een rist audiofragmenten en een opvallende zeven minuten en negenendertig seconden durende medley ook drie videoclips waaronder Daar gaat ze en Laat me nu toch niet alleen. Wel goed gegokt, want het album is goed voor een extra platina-exemplaar tegen hun inmiddels al goedgevulde wall of fame. Omdat trage songs al die jaren hun handelsmerk zijn, wordt in 2001 de verzamelaar “Ballades” op het EMI-label uitgebracht. Achttien rustige nummers, waarvan een aantal in een liveversie en twee liedjes die eerder al in het Engels op cd waren verschenen, maar nu in een vertaalde versie werden opgenomen Sluit me in je hart en Onvergetelijke nacht. Een jaar later kunnen we weer genieten van gloednieuwe songs op het album “En dans”. Kris blikte tijdens interviews graag tevreden terug op de albums “Oker”, “Adrenaline” en “In stereo”. Hij vindt trouwens “In stereo” nog altijd een van hun betere, maar hield tijdens de voorbereidende gesprekken vol dat de volgende anders mocht klinken.  Kris gaat productioneel samenwerken met Hans Francken. Uren hebben ze samen gepraat tot ze een nieuwe formule beethadden en Clouseau plots anders klonk, frisser ook. Koen had de indruk dat hij weer “met ballen” op het podium mocht en kon gaan staan. Voor hem was deze plaat erop of eronder. Hij was content dat hij opnieuw songs met tekstuele inhoud kon brengen, want zo klinkt ” En dans” toch wel. Oké, achteraf bekeken weer lekker commercieel, maar dat weet je niet als je eraan begint. Hij schrikt zelf ook een beetje van zijn commentaar, maar in ons interview liet hij toch doorschemeren dat als ” En dans” niet zo goed verkocht had Clouseau er voor hem net zo goed mee had mogen ophouden. Er wordt voor “En dans” in de studio aardig aan de klank gesleuteld en zo nemen ze afwisselend op  in ICP, Studio Essen, Studio Canapé, Studio The Groove, Galaxy Studio enz… Als aanloop naar dat album verschijnt eerst Ik geef me over op single, een vertaling door Koen van Come take me over van Robbie Williams, de dertiende oktober 2001 op één in de Vlaamse Top Tien en de tiende november op zeven in de Top Dertig. Daar staan ze de tweede februari 2002  opnieuw genoteerd, deze keer met de titelsong En dans van de hand van Kris Wauters en Marc Vanhie. Als extraatje vind je op het album vier nummers in een akoestische versie opgenomen in ” StudioThe Groove” in Schelle: Ik geef me over, En dans, Toen tussen jou en mij en Liefde is weerloos. Een klein detail misschien, maar leuk om te weten, is dat de hoes van “En dans” werd geschilderd door Marcel Vanthilt. Het album zelf blijft elf weken onafgebroken aan de top, goed voor dubbel platina. Voor het tweede jaar op rij staat Clouseau de zesde en de zevende december 2001 in het “Sportpaleis” in Antwerpen, twee keer volledig uitverkocht.  Twee maanden later laat Koen weten dat er een einde aan zijn huwelijk is gekomen.

De zesde april 2002 noteren we Clouseau in onze Top Dertig op zevenentwintig met Brandend avontuur geschreven door Kris samen met Marc Vanhie en Ingrid Monk. De maand voordien hadden ze met datzelfde nummer al op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien postgevat. De veertiende juli 2002 spelen Koen en Kris met volle overgave tijdens “TW-Classic”. Eveneens op datzelfde podium: Joe Cocker, Zucchero, Sita en Bryan Adams. En dans wordt tijdens de zomer van dat jaar door Radio 2 bekroond tijdens Zomerhit als het beste lied. Midden oktober laat Koen weten dat er een nieuwe liefde in zijn leven is opgedoken, deze keer Valerie De Booser, bekend van haar deelname aan “Temptation Island”. Zij is twaalf jaar jonger. Voordien woonde Valerie samen met wielrenner Jo Planckaert. De zeventiende juli 2004 zal zij met Koen in het burgerlijk huwelijk treden en zij krijgen samen twee kinderen, Zita en Nono. Twee jaar later, in de maand september 2006, beloven Koen en Valerie elkaar christelijke trouw in Venetië. Clouseau rondt in de Top Dertig het jaar 2002 af op de zevenentwintigste plaats met de single Bergen en ravijnen waarvoor Kris en Jan De Vuyst samen tekenen. Een matige zesde plaats in de Vlaamse Top Tien is daar het eindresultaat. December 2002 breekt Clouseau een record! In het “Antwerps Sportpaleis” treden ze negen keer na mekaar op tijdens “Clouseau-Speciale Editie” en dat voor in het totaal ruim honderdentwaalfduizend uitgelaten fans. Gevraagd naar het hoe en waarom blijven Koen en Kris het antwoord schuldig. Zij hebben echt geen plausibele uitleg om dat succes ook maar enigszins te verklaren. Van dat concert zal enkele weken later een dvd verschijnen waarvoor ze in de maand maart 2003 een diamanten trofee krijgen. De teller staat dan op vijfentwintigduizend exemplaren. “Telefacts” zendt tijdens de maand december 2002 de reportage “Clouseaumania 12 jaar later ” uit en confronteert Koen en Kris met de heisa van toen. Vanaf de derde januari 2003 gaan Koen en Kris voor VTM samen op zoek naar “Idool 2003″. Muziek blijft hen erg na aan het hart liggen. De zevende september van dat jaar staan ze op het podium van “TW-Classic” met deze keer op de affiche Simple Minds, Therapy? en The Rolling Stones. December 2003, Koen en Kris breken het vorige record, deze keer staan ze veertien keer na mekaar in het “Sportpaleis” in Antwerpen. “Clouseau- In ‘t midden” is goed voor méér dan tweehonderddrieënveertigduizend aanwezigen. Er worden opnamen gemaakt die de vierde januari 2004 op Eén worden uitgezonden. Kris, en dat vermelden we even terloops, mag zijn liefde voor snelle wagen etaleren in het VTM-programma “Autowereld.TV”. Tijdens “Zomerhit” bekroont Radio 2 hen dat jaar met de prijs “publiekstrekker”. Vanaf eind augustus leven Koen en Kris zich weer uit in ” Idool 2004″.

In een productie van Kris en Hans Francken is er eind september 2004 het album ” Vanbinnen”. Dertien liedjes sieren de cd, waarvan de titelsong de voorloper wordt. Het is weerom een compositie van Kris Wauters en Marc Vanhie. Het album zelf piekt de vijfde februari 2005 op één en houdt dat elf weken vol.  De single Vanbinnen stond de vierde september 2004 al op één in de Vlaamse Top Tien. De elfde september houdt Clouseau in de Radio 2 Top Dertig halt op plek twee. Met de opvolger Ik denk aan jou staan ze de twintigste november op één in de Vlamse Top Tien en op vier in de Radio 2 Top Dertig  en wordt Hier bij jou de twaalfde maart 2005 eveneens een nummer één in de Vlaamse Top Tien. In de Radio 2 Top Top Dertig houden ze halt op plaats vijf. Hier bij jou werd afgeleverd door Jan Leyers en Frank Vander linden. “Vanbinnen” wordt vanaf de tweede december 2004 de titel van achttien concerten in het “Antwerps Sportpaleis”. Ook deze keer lezen we in de media dat het aanwezige publiek elke avond door het dolle heen is. De negende januari 2005 zendt Eén een uitgebreid verslag van dit gebeuren uit. Een maand later ontvangt Clouseau in de categorie “live-act” een door hen erg gewaardeerde Zamu-award. De tweede augustus 2005 viert Will Tura zijn vijfenzestigste verjaardag middels de cd “Viva Tura”. Voor dit album nemen Koen en Kris een speciale versie op van Eenzaam zonder jou. De tiende december staan Koen en Kris haast zo fier als een pauw in de Top Dertig met Ik zie de hemel geschreven door Kris samen met Jan Leyers en Marc Vanhie. In de Vlaamse Top Tien hadden ze net iets eerder de eerste plaats bereikt.

De vijfentwintigste december 2006 pieken Koen en Kris op één in de Vlaamse Top Tien met de single Vonken & Vuur geschreven door Kris samen met Stefaan Fernande en Luca Chiaravalli. Dat nummer zingen ze ook met volle overgave tijdens hun concertreeks “Clouseau in ‘t dubbel” waarmee zij twaalf keer het Antwerpse Sportpaleis doen vollopen. Op single pronken ze in de Vlaamse Top Tien op plaats één en dat vier weken na mekaar. Ze doen die stunt ook over in de Radio 2 Top Dertig waar ze de zestiende december 2006 bovenaan staan. De zevende april 2007 is er dan eindelijk het album “Vonken & Vuur” in een productie van Kris Wauters en Hans Francken. Er wordt opgenomen in de “Studio Werner Pensaert” in Koningshooikt, in de “ICP Studio’s” en in “Studio Ladida” in Essen. Koen en Kris tekenen ook voor de volgende single De tegenpartij die zij samen met Hans Francken en Stijn Meuris hebben geschreven. Het lijkt alsof ze de ballades hebben afgezworen en kiezen voor meer pop en uptempo. In de Vlaamse Top Tien zit er de vierentwintigste maart 2007 een derde plaats in. Maar in de Radio 2 Top Dertig stevenen ze regelrecht naar de eerste plaats. Zestien weken blijven ze hoorbaar in die Top Dertig. De volgende singlekeuze Oogcontact blijft in de Top Tien haperen op zeven. In de Top Dertig van de VRT zit er een méér dan verdiende achtste plaats in. In september  staan Koen en Kris nog eens samen voor de camera’s van VTM tijdens de uitzendingen van “Idool 2007″. Het album “Vonken & Vuur” bleek van in het begin een groot succes. Meteen gingen er zo’n vijftigduizend albums in voorverkoop de deur uit, dadelijk goed dus voor platina. Tegen het einde van de zomer werd het album met drie keer platina vereerd. Tijdens “Zomerhit” zit er voor Clouseau een award voor “beste videoclip” in voor het nummer “Vonken & Vuur”. Van Casanova, dat ook op dit album staat, maken de jongens zelfs een videoclip in een regie van Stijn Coninx. Actrice Veerle Dobbelaere mag daarin acteren aan de zijde van Koen. Ondanks die clip zit er slechts een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien in. In onze Top Dertig komen we het nummer op plek negen tegen.

In 2007 wordt Clouseau door zowat iedereen lekker in de watten gelegd. Zij hebben ons twintig jaar lang verwend met liedjes en concerten. Onder de titel “Braveau Clouseau” zendt VTM de negentiende september een tv-show rond hen uit. Collega-artiesten brengen hun persoonlijke versies van de meest populaire Clouseauklassiekers. Natuurlijk verschijnt van dat project ook een gelijknamig album. Daarop zingt onder anderen Marco Borsato Cara Lucia, Natalia Vanavond ga ik uit, Bart Peeters Domino, Will Tura Nobelprijs en Helmut Lotti Daar gaat ze. Aan dit album werken een rist producers mee, onder wie: Giovanni Caminita, Eric Melaerts, Hans Francken, Steve Willaert en Thé Lau. Die laatste blikt samen met The Scene in “Studio 150″ in Amsterdam een versie in van Sterven op de planken. Een week lang zal deze hommage-cd op één staan en omlijst worden met goud. Voor één keer werd er een pax media op het getouw gezet om dé Clouseausong bij uitstek te kiezen. Hieraan werkten zowel Eén, VTM, Radio 2 als Radio Donna mee. Grote overwinnaar werd Afscheid van een vriend geschreven door Koen Wauters en Bob Savenberg,een nummer waarmee zij al vijftien jaar eerder gigantisch gescoord hadden. Eind 2007 is er de verzamelaar “Clouseau 20 ” met daarop hun bekendste nummers. In een mum van tijd staat het album de tiende november op één en zal het daar veertien weken na mekaar blijven uithouden tot de zeventiende januari 2008. Donderdag 29 november 2007 breit de commerciële omroep VTM daar een feestelijk vervolg aan tijdens de tributeshow “Clouseau 20″. Aan de hand van uniek beeldmateriaal, samen met getuigen van het allereerste uur en onverwachte gasten, worden Koen en Kris Wauters meegenomen op een feestelijke trip van twintig jaar succes. De presentatie is in handen van Francesca Vanthielen, Mike Verdrengh, Paul Jambers en Ben Crabbé. Zij belichten elk een ander facet van deze immens populaire Vlaamse popgroep. Diezelfde maand hadden ze nog als collegiale geste naar Urbanus toe een versie opgenomen van diens hit Publiciteitsjaren voor het album ” Vobiscum”.

Voor de achtste keer na mekaar staan ze in het “Sportpaleis” van Antwerpen. Ze begonnen daar bescheiden in 2000 met twee optredens. In 2007 noteren we achttien concerten, goed voor tweehonderddrieënvijftigduizend fans. De directie van Ultratop laat hun weten dat zij ook een record hebben gevestigd in de geschiedenis van deze officiële hitparade. In de Ultratop van de albums staan ze in 2007 op één met “Vonken & Vuur” en op twee met “Clouseau 20″. Tijdens de uitreiking van de “MIA’s” (Music Industry Awards) gingen Koen en Kris er in de maand januari 2008 ook nog eens vandoor met de onderscheiding “beste groep”. Er kwam dan wel geen nieuw album, maar Koen en Kris zetten alle zeilen bij voor hun volgende concertreeks in het “Sportpaleis” van Antwerpen die zij deze keer ” Clouseau Crescendo” doopten en waarvoor ze de vijfde december de aftrap gaven. Deze keer tien concerten in het totaal. Ondanks die drukke agenda staan ze de eenendertigste december van dat jaar opnieuw op de planken van het Sportpaleis voor hun unieke show “Clouseau Party Concert” die Eén de elfde januari 2009 uitzendt. De zeventiende januari 2009 zijn Koen en Kris in de wolken, want hun nieuwe single Wat een leven van de hand van Kris, Stefaan Fernande en Luca Chiaravalli, stoot door naar de tweede plaats in de Top Dertig. Ze hadden het een beetje voelen aankomen, want de achtste november 2008 stond die single al op één in de Vlaamse Top Tien. De vierentwintigste oktober 2009 staat Clouseau in de albumcharts op één met hun brandnieuwe cd “Zij aan zij”. In de Vlaamse pers lezen we “Clouseau brengt deze week het album “Zij aan Zij” uit. Om de nieuwe cd wat extra te promoten, pakken Koen en Kris Wauters uit met een unieke stunt. Ze zullen op 30 oktober een tienstedentocht maken met een treinstel van de NMBS onder de naam “Clouseau Express”. De trein zal in tien Vlaamse steden stoppen en daar zullen de broers dan telkens een kleine showcase spelen. Om zes uur in de ochtend worden de eerste versterkers ingeplugd in het station van Oostende. Na een set van ongeveer 30 minuten spoort de band verder landinwaarts om dit kunstje nog eens negen keer te herhalen in de stations van Brugge, Kortrijk, Gent Sint-Pieters, Brussel Zuid, Mechelen, Brussel Nationaal Luchthaven, Leuven, Hasselt en Antwerpen Centraal.

Die promo werkt, want de vierentwintigste oktober 2009 staat Clouseau in de albumcharts op één met hun brandnieuwe cd “Zij aan zij”. Zij zullen in die lijst tot de vijftiende mei 2010 genoteerd blijven. Ook deze keer werd er gekozen voor de studio’s “Ladida” en “Motormusic” in Koningshooikt om er op te nemen onder de bekende leiding van de heren producers Kris Wauters en Hans Francken.  Het album levert twaalf songs op. In hun voorwoord schrijven Koen en Kris:  “Ons tiende studioalbum in het Nederlands! Er zijn zo van die dingen waar je automatisch bij stilstaat en dit is er zo eentje. We herinneren ons nog heel goed de opnames van onze eerste single Brandweer in 1987. Het lijkt voorwaar nog niet lang geleden, maar we zijn intussen wel tweeëntwintig jaar verder… Ongelooflijk.” Vier nummers uit dit album zien op single het levenslicht: Leve België, Zij aan zij, Als er ooit iets fout zo gaan en De juiste vergissing. Het valt op dat geen enkel nummer de eerste plaats bereikt in de Vlaamse Top Tien. Vanwege de tekst deed Leve België even wat politiek stof opwaaien in ons land. “On est tous les mêmes, want we zijn allemaal Belgen. Oui, je vous aime, ons geheim zijn Vlamingen en Walen in hetzelfde land, in dit kleine land, ons Belgenland, staan Vlamingen en Walen aan dezelfde kant. Dat mag toch niet verdwijnen, want ik hou van België.” Hoewel de broers Koen en Kris Wauters naar eigen zeggen geen politiek statement wilden maken met het lied, beroerde Leve België de gemoederen. Volgens Vlaams minister Bourgeois probeert het nummer een Belgische emotie te kweken in “karamellenverzen die hij zelf niet zou durven produceren”. Hij argumenteerde tijdens een interview op Radio 1 dat België achteruitboert en dat de inhoud van het nummer nogal haaks staat op de realiteit, al wilde hij de zaak ook niet opblazen. “Ik heb geen probleem met de mening van Clouseau en ik vind ook dat alle muziekgenres – zeker op de publieke omroep – aan bod moeten komen“. Leve België klimt ondanks die commotie in de Radio 2 Top Dertig naar een negende plaats, in de Top Tien naar drie. Een betere score in de Top Dertig kan Clouseau voorleggen met Zij aan zij. De negende januari 2010 staan ze immers op twee.

Vergeten we niet dat Clouseau zich de vierde december 2010 hoog in de Radio 2 Top Dertig nestelt, op plaats twee om precies te zijn, met Gek op jou, geschreven door Kris Wauters en Stefaan Fernande. Veel eerder, de vijfentwintigste september al, waren ze ook al tot op twee geraakt in de Vlaamse Top Tien. Op het einde van dat jaar laten Koen en Kris weten dat ze er voor een tijdje het bijltje bij neer willen leggen, ze willen een sabbatperiode inlassen. Van zeventien tot en met negenentwintig december zullen ze nog een laatste keer optreden in het “Antwerps Sportpaleis” tijdens “De Laatste Ronde”. Koen en Kris zullen dan toe zijn aan de elfde concertreeks op Antwerpse bodem, een mooi getal om voorlopig mee af te ronden. Om de fans extra in de watten te leggen, besluiten ze langer te concerteren dan gewoonlijk. De grootste hits komen aan bod en als collector’s item wordt na afloop van elk concert een instant-live-cd en USB-stick te koop aangeboden met daarop de meest opmerkelijke momenten van de avond. VTM besluit vanaf vrijdag dertig september 2011 op zoek te gaan naar de mannelijke hoofdrolspeler voor de Clouseau-musical “Domino”. Via een afvalrace hopen ze een nieuwe volksheld à la Koen Wauters te vinden. Juryleden van dienst zijn Frank Van Laecke, Vera Mann en Stany Crets. In deze musical zullen alle Clouseauhits worden uitgevoerd in één verhaal. Het verhaal is verzonnen, in de stijl van de ABBA-musical “Mamma Mia!” en de Queenmusical “We Will Rock You” en is geschreven door Frank Van Laecke en Allard Blom. Van Laecke staat tevens in voor de regie, Martin Michel verzorgt de choreografie en Clouseau-producer Hans Francken is muzikaal leider. De belangrijkste rollen worden vertolkt door onder anderen Deborah De Ridder, Ivan Pecnik, Maaike Cafmeyer en Mark Tijsmans. De mannelijke hoofdrolspeler, gezocht via de VTM- talentenjacht, is Alexander Metselaar, de winnaar van deze wedstrijd. De eerste show heeft  de achtste maart plaats en na vier try-outs heeft de elfde maart 2012 in de “Stadsschouwburg” van Antwerpen de première plaats. De laatste van in totaal zesenveertig voorstellingen wordt gespeeld op tweeëntwintig april. De musical- en Clouseauliefhebbers blijken echter van in het begin al niet toe te happen. Regelmatig wordt voor halfvolle zalen gespeeld. De fans laten weten dat ze Koen en Kris te zeer missen. VTM wijt de flop aan de heersende crisis. Wat wel een hart onder de riem van de fans is, is dat Koen en Kris laten weten dar er in 2013 een nieuw album komt en dat ze opnieuw gaan optreden.

De eerste april 2013 verschijnt bij Parlophone Music België in de reeks “Alle 40 goed” een dubbelaar met daarop veertig hits van Clouseau, beginnend met En dans en eindigend met een liveversie van Wil niet dat je weggaat. De tweeëntwintigste juni 2013 lezen we in “Het Belang van Limburg” dat Kris Wauters klaar is voor een nieuwe stap. “Ik wil een gezinsleven zoals dat van Koen. Ik nader de vijftig en dat zet me aan het denken. Mijn droom is om ook twee of drie kleine mannen te hebben. Ik heb sinds kort een nieuwe vriendin, maar babyplannen heb ik nog niet.” Kris was al eerder gehuwd en woonde een tijdlang samen met Suzy van de Pol tot die relatie in 2009 werd afgebroken. Veel heeft Kris over zijn relaties nooit losgelaten omdat hij in tegenstelling tot Koen, zijn privéleven het liefst van al verborgen houdt. Kris voelt zich trouwens nauw betrokken met het gezin van Koen. Hij is immers de peter van Koens dochter Zita. Na drie jaar komt er een nieuwe single op de markt als aanloop naar een nieuw album en dat is Vliegtuig dat de eerste oktober 2013 wordt gelanceerd, geschreven door Koen en Kris op tekst van Stefaan Fernande. Kris: “Vliegtuig is een fantastische song. Heel speciaal, iets wat we nog nooit gedaan hebben. Niet helemaal voor de hand liggend in opbouw en je moet de tekst echt laten inzinken. Maar het is een song die je nooit meer loslaat eens je hem echt kent en die je niet na tien luisterbeurten beu gehoord bent. Wij zijn beiden geweldig enthousiast en écht blij dat we er eindelijk mee naar buiten kunnen komen“. De twaalfde oktober staat het nummer al op één in de Vlaamse Top Tien. De zesentwintigste van die maand staan ze helemaal boven aan de Radio 2 Top Dertig.

Op vrijdag 22 november 2013 brengt Clouseau zijn elfde Nederlandstalige studioalbum uit, het eerste na een muzikale sabbatperiode van vier jaar. Het album heeft geen titel en heet dus gewoon “CLOUSEAU”, kort maar krachtig. Kris Wauters, die ook nu weer samen met Hans Francken voor de productie instond, wil op hun website het volgende kwijt: “Er is lang en veel gepraat en gespeculeerd over een titel. Er zijn veel woorden gevallen maar geen enkel raakte de perfecte snaar of dekte de lading in zijn geheel. Eén songtitel eruit halen zou de andere songs oneer aandoen. Want we geloven dat dit één van onze beste albums is en een sterk collectief waarop elk nummer en elke noot zijn plaats heeft. We zijn vier jaar weggeweest, wat we nu naar buiten brengen is ons nieuwe visitekaartje. Vier jaar afwezig zijn, is lang. Toch hebben we nooit het gevoel gehad vergeten te zijn. Omdat fans massaal berichtjes bleven sturen, onze website of Facebookpagina bezochten of ons persoonlijk lieten weten dat als wij klaar zijn voor iets nieuws, zij er zullen staan. En dat deed deugd. Daarom vroegen Koen en ik ons af hoe we deze mensen, deze fans iéts extra konden bieden. Het antwoord kwam er in de vorm van een uitdagend idee: “Waarom niet onze trouwste fans ons album als allereerste bezorgen? Nog voor de cd in de winkel te koop is! Maar omdat we onmogelijk zelf bij iedereen thuis langs kunnen gaan om hen een album te bezorgen, hebben we bpost aangesproken om hulp. Eén klik op de Clouseau-website www.clouseau.be, je laat je gegevens achter, bestelt, betaalt de cd en bpost engageert zich om elke cd-bestelling van “CLOUSEAU” op donderdag eenentwintig november te brengen naar waar de fans willen: thuis of op het werk, in eeen van de 1250 afhaalpunten of in een bpack 24/7 pakketautomaat. Vanaf vrijdag tweeëntwintig november was de cd  ‘CLOUSEAU’ te koop via alle normale verkooppunten. Met de daaropvolgende selecties uit dit album zit er voor Koen en Kris slechts één nummer één in en dat dankzij Radio 2 en hun Vlaamse Top Tien, want daarin staan ze de achtste februari 2014 bovenaan met Kan het niet alleen, geschreven door Kris Wauters en Stefaan Fernande. De volgende singlekeuze Laatste keer staat de twaalfde juli op achttien in de Radio 2 Top Dertig en op drie in de Vlaamse Top 10. Ziel geraakt in diezelfde lijst op zeven en Onvoorwaardelijk vrij op drie. Belofte maakt schuld. De eerste april 2014 staat Clouseau opnieuw op de bühne. Een kijkje in hun agenda leert ons het volgende: 1 april  “Den Amer” te Diest, 4 april “Sonybel Studio’s” te Heist-op-den-Berg, 26 april “Ancienne Belgique” in Brussel, 28 april “De Roma” in Antwerpen, 1 mei “De Soeverein” te Lommel, 3 mei “Ethias Congrestheater” te Hasselt, 10 mei ” Casino Kursaal” te Oostende, 17 mei “Schiervelde” te Roeselare.

Jarenlang visten ze achter het net, de Nederlandse Toppers oftewel Gerard Joling, René Froger en Jeroen van der Boom, maar in 2015 happen Koen en Kris toe. Met wat aangepaste  trots op zijn Hollands staat Clouseau zij aan zij met de Toppers tijdens de “Amsterdam ArenA concertreeks” op zaterdag 23, zondag 24, vrijdag 29 en zaterdag 30 mei. Op de affiche staan ook: Willeke Alberti, Village People, Barry Hay, Dré en Roxeanne Hazes en Edsilia Rombley. Woensdagochtend drieëntwintig september 2015 gaat de nieuwe Clouseau-single Zin Om Te Bewegen in radiopremière op antenne. Het is een aanstekelijke up-tempo popsong en het visitekaartje van een gloednieuw album dat in het voorjaar van 2016 zal verschijnen. Zin Om Te Bewegen is vanaf vrijdag vijfentwintig september beschikbaar op iTunes en alle digitale (streaming) platformen. Kris Wauters: “We zijn zeer enthousiast over onze nieuwe single! Zin Om Te Bewegen is voor ons weer net helemaal anders dan alles wat we ervoor hebben gedaan en toch honderd procent Clouseau. Zelden zoveel opwinding gevoeld bij de lancering van een nieuw nummer!” Eerder die septembermaand zetten Koen, Kris en een vijftigtal figuranten “Hotel NH” Gent Belfort op stelten voor de opname van de bijbehorende videoclip. Hierin  zien we de broers Wauters als rebellerende bellboys aan het werk: hoe ze alle hotelgasten en personeel op sleeptouw nemen voor een swingend feestje door de gangen van het hotel. De videoclip is vanaf begin oktober in première te bekijken op de Facebookpagina van de band. De derde oktober staat Clouseau op één in de Vlaamse Top 50 en op acht in de Radio 2 Top Dertig. Qua timing hoef je Koen en Kris niets meer te leren, ook niet om hun publiek te teasen en warm te maken voor een nieuwe concertreeks. Woensdag de zestiende december 2015 kon je al vanaf tien uur ‘s ochtends tickets bestellen voor “Clouseau Danst” op vrijdag negen en zaterdag tien december 2016, inderdaad een jaar later, in het “Sportpaleis” van Antwerpen. De vorige edities waren in het totaal goed voor honderdtwintig optredens, oftewel 1.808.477 aanwezigen.

Vrijdag de twaalfde augustus 2016 staat Clouseau geprogrammeerd tijdens de vernieuwde editie van “Marktrock” in Vilvoorde samen met  Slongs Dievanongs, Gers Pardoel, Stan van Samang en Regi.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Wim De Craene

Naar aanleiding van de uitzending op de achtste september 2014 van Belpop op Canvas, gewijd aan de carrière van Wim De Craene, lezen we in “Humo” daarover het volgende: “Op veertien september 1990 parkeerde Jean Blaute zijn fonkelende bolide nét niet tegen een Brusselse tunnelmuur toen hij op de radio hoorde dat Wim De Craene op zijn veertigste het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Maar om te zeggen dat er met diens dood een rouwmantel over Vlaanderen werd gedrapeerd, is overdreven. Daarvoor had De Craene de voorgaande jaren net iets te vaak geprobeerd om zijn uitstekende reputatie de nek om te wringen, denk maar aan Breek uit jezelf of Enkel in een broekje. Aan dat overlijden wordt in die Belpop-aflevering opvallend weinig aandacht besteed. Officieel stapte De Craene met een overdosis geneesmiddelen uit het leven, maar zijn zoon Ramses verklaarde in Humo dat zijn vader volgens hem vermoord was. Al was het toen te laat om die these te onderzoeken.” Alvast boeiend genoeg om die carrière eens nader onder de loep te nemen.

Wim werd de dertigste juli 1950 geboren als Willem, Marcel De Craene te Gent in een groot katholiek gezin: hij was het vierde kind in een kroost van zeven, verdeeld over vier jongens en drie meisjes. Als kind liep hij school in Melle en was een actief lid in de plaatselijke jeugdbeweging. Hij klust tijdens zijn studies her en der wat bij als onder meer schoorsteenveger en biertapper, zodat hij zich op zijn zestiende zijn eerste gitaar kan kopen. Om zich het gitaarspel eigen te maken, schaft hij zich het “Praktisch handboekje voor gitaar en ukulele” van Nonkel Bob aan. Met een aantal akkoorden in de vingers waagt Wim zich aan het zingen van enkele luisterliedjes en neemt deel aan een plaatselijke zangwedstrijd, wat hem iets later de kans biedt op te treden in Heusden in het voorprogramma van zijn toenmalig idool, de Limburgse bard Miel Cools. Wat we ons nu niet meer kunnen voorstellen is dat Wim daar tijdens een koude februarimaand met de fiets naartoe reed.

Na zijn middelbare studies, begint Wim aan de opleiding van verpleegkundige, maar omdat het podium roept breekt hij die studies vroegtijdig af en gaat zijn zijn kansen wagen in de toneelklas van het conservatorium in Gent. Op school in het gareel lopen, was nooit aan Wim besteed, daarvoor was hij te zeer een rebel. De wil om te studeren is er wel, maar de slaagkans zo goed als nihil. Hij is achttien wanneer hij besluit zanger-gitarist te worden bij de folkgroep Ja uit Wetteren. Dit zou een verhaal van korte adem worden, want Wim was zo begeesterd door de kleinkunst die toen grote sier maakte in Vlaanderen dat hij voor die muzikale richting koos. Vooral talent uit Nederland sprak hem aan: boegbeelden als Herman van Veen, Ramses Shaffy. Tijdens een bezoek aan de “Muze” in Antwerpen geraakt hij gefascineerd door de sfeer die daar heerst en leert uit gesprekken dat hij zijn heil beter in Amsterdam kan gaan zoeken en zijn kansen gaat wagen. Daar op zijn achttiende aangekomen, zoekt hij contact met Ramses Shaffy die hem de knepen van het vak leert. Shaffy wordt zijn mentor en laat Wim optreden in zijn café chantant ” “‘t Cloppertjen” (Wim zal bij de geboorte van zijn zoon in 1974 hem Ramses noemen). Tijdens zijn optredens in Nederland kan Wim zijn eerste liedjes uitproberen en bij het publiek aftasten wat ze lusten en wat niet. Het wordt voor hem een perfecte leerschool. Op zijn negentiende leert Wim, Kamiel Pauwels kennen van het Antwerps theaterbureau “Spiraal”.  Kamiel was een soort doorgeefluik tussen kleinkunstartiesten uit Noord en Zuid. Kamiel onderkent meteen het talent van Wim en stelt hem voor aan Louis De Vries, toenmalig manager van The Pebbles. Die brengt hem in contact met mensen uit het vak. In 1970 brengt Wim onder zijn eigen naam op het MCA-label zijn  eerste single uit, de tango Recht naar de kroegen en de wijven, geschreven door François Villon en Jaap van de Merwe , met op de B-kant het door hemzelf geschreven Revolutie nr. 2.

Twee jaar later stapt Wim over naar platenfirma Decca en gaat daar samenwerken met producer Al Van Dam.  Van Dam was toen al bekend van zijn werk met De Strangers en Ivan Heylen. Technicus van dienst is Jan Vercauteren. Als eerste single is er op dit label het door Jacques van Tol en Wim bewerkte De kleine man.  Het dook in 1929 op in de revue “Lach en Vergeet” van Louis Davids. Uiteraard werd de tekst door Wim wat eigentijdser aangepast. Op de B-kant horen we Tante Emma. In 1973 is er zijn eerste album “Wim De Craene”, negen liedjes door Wim geschreven en twee door Jaap van de Merwe, De rode heuvel en ‘t Is om de poen te doen. Het openingsnummer De Boudewijn de Eerstestraat (Wim neemt hierin de rijkere klasse met graagte op de korrel) doet ons een beetje denken aan Waterloo Sunset van The Kinks. Door de bank wordt de bezetting sober gehouden: drum, piano, bas en akoestische gitaar. Op dit album hoor je heel duidelijk dat Wim nog sterk aanleunt bij de Nederlandse kleinkunst, hier en daar klinkt hij als een volleerd protestzanger.

Links en rechts hoort Wim van kennissen en collega’s dat het niet slecht zou zijn, mocht hij zich omringen met een band. Het zou zijn optreden zeker ten goede komen. Jean Blaute herinnert zich nog goed dat Wim last had van plankenkoorts. Een drankje voor het optreden kon hem wat kalmeren en gaf hem iets meer zekerheid tijdens het optreden. Zijn vriend William Van Keymeulen getuigt: “Hij was een onrustig dier, observeerde de zaal en het publiek en deed aanpassingen aan zijn speellijst op basis van zijn bevindingen. De vele malen dat ik compagnon du route was, trachtte ik dan ook de gesprekken altijd te duwen in de richting van allesbehalve van wat er komen ging. Die angst, want dat was het wel, verdween als een klik op de lichtschakelaar bij het eerste akkoord op zijn gitaar. “Mensen, schrik niet”, zei hij dan, “Ik ben het, Wim De Craene”, alsof hij een lijn trok die hij plots overschreed, een stap van de mens Wim naar de artiest De Craene.”

In 1974 loopt De Craene, Luc De Clus tegen het lijf die op dat moment in een balorkest speelt en onder meer John Larry begeleidt. Daarnaast speelt Luc ook bij de coverband Irish Coffee. Met enkele leden uit dat orkest, drummer Raf Lenssens, toetsenist Paul Lambert en bassist Ulrich Jacobs, richt Wim zijn eerste begeleidingsband op.  Wim had op dat moment schoon genoeg van die typisch Vlaamse kleinkunst en gaat samen met zijn band Nederlandstalige pop produceren, in het voetspoor van Johan Verminnen en Zjef Vanuytsel. Zes maanden lang gaan Wim en zijn kompanen intens repeteren. Hij krijgt tijdens het schrijven hier en daar wat steun van Luc De Clus. Dat resulteert in vier songs: Wat ben ik voor een mens, Lucio, Aram en Brussel dat ook de titelsong wordt van zijn nieuwe elpee die in 1975 verschijnt. De jongens hadden het plan opgevat een rockopera te schrijven naar het voorbeeld van “Tommy” van The Who, met als titel “Jan de Lichte” maar die geraakt nooit echt van de grond. Het nummer Aram was trouwens bedoeld als ouverture van die opera. Aan de opname van deze plaat is een intriest verhaal verbonden. Op een late novemberavond in 1974 keren Wim en zijn band terug van een optreden in Limburg. De auto van de muzikanten wordt aangereden door een dronken chauffeur waarbij Paul Lambert op slag wordt gedood en Raf Lenssens zwaargewond geraakt. Wim De Craene rijdt met de bestelwagen, waarin de instrumenten en het geluid-en lichtmateriaal zijn opgeborgen, achter hen aan, samen met zijn vriend William Van Keymeulen. Onderweg moeten zij bijtanken zodat ze pas een kwartier na het ongeval ter plaatse aankomen.

Omdat de plaatopname sowieso moet worden afgerond, de platenfirma zet Wim zelfs wat onder druk, moet hij dringend op zoek naar nieuwe muzikanten. De Craene stapt op zekere dag de platenwinkel van de familie Blaute in Zottegem binnen en vraagt aan hun zoon Jean recht op de man af of hij zijn nieuwe plaat niet wil producen. Blaute zegt ja en trommelt in allerijl een aantal muzikanten op, onder wie Firmin Timmermans, Nick Roland en Yvan De Souter. Die heren kenden mekaar al vrij goed, want ze speelden in de toenmalige band van Johan Verminnen. Blaute neemt ook de arrangementen van de resterende nummers voor zijn rekening. Een van de songs is de inmiddels tot een klassieker uitgegroeide Rozane, met op de keerzijde een soort hommage aan een zekere Sara. Sara is eveneens een liedje uit de onafgewerkte opera “Jan de Lichte”. Hier hoor je erg goed dat Wim zich voor zijn liedjes graag liet inspireren door mensen die hij vrij goed kende, maar dat hij hen niet altijd met hun echte naam vernoemt.. Zo schreef hij Rozane voor zijn toenmalige vriendin Chris Thys, die we later leren kennen in haar rol van de ex-vrouw van Witse. Rozane is een soort mix van klassieke kleinkunst gekoppeld aan pop. Blaute weet nog goed dat hij tijdens de opname het onderste uit de kan haalde. Wim gunde hem die vrijheid. Als je dit nummer in de context van de rest van de plaat beluistert, dan hoor je dat hier een andere producer aan de knoppen zit. De tien eerder opgenomen songs werden door Al Van Dam geproduceerd, de overige drie door Jean en dat is duidelijk te horen ook. Rozane wordt meteen op single uitgebracht, grijsgedraaid, maar niet bekroond met een hitnotering. Tijdens onze babbel, vertelt Ramses dat er volgens officiële cijfers slechts 456 exemplaren van verkocht werden. Maar de naam Wim De Craene krijgt door dit nummer een enorme positieve boost. Wim moet in een hogere versnelling schakelen, want hij rijgt het ene optreden na het andere aan elkaar.

Never change a winning horse, dacht Decca, trommelt dezelfde muzikanten en producer op en spoort hen en Wim aan zo snel mogelijk nieuwe songs te schrijven én in te blikken. In de maand juni 1975 verschijnt De Craenes wellicht meest succesvolle langspeler “Alles is nog bij het oude”, verschenen op het Omega International-label, met daarop, naast de titelsong, als uitschieter een van zijn meest geliefde nummers Tim, dat hij opdraagt aan zijn pasgeboren zoon Ramses. Die voornaam paste niet zo goed binnen de tekst en daarom gebruikte Wim dan maar de voornaam van de zoon van een van z’n beste vrienden. Dit is een song waar Blaute zijn stempel op heeft gedrukt, net als op Rozane. Blaute is jong en wil wat, zich onder meer bewijzen. Jean is na al die jaren nog zo trots op dat nummer dat hij die partituur nog altijd in zijn bezit heeft, zowat de eerste keer in zijn leven dat hij een partituur volledig had uitgeschreven vooraleer ze naar de studio trokken. Tim valt op door de lengte van de song, bijna zes minuten, reden dat het nadien ook niet op single verscheen. Het was in die jaren zeventig in dat popgroepen hun nummers meer gingen uitspinnen. De tijdsduur deed er haast niet meer toe. Tim werd op dat moment ook niet zo vaak gedraaid op de radio, pas jaren later is het een heuse klassieker geworden en goed voor een nominatie in “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam for Culture.  Er werd, voorafgaand aan de opname van het album, grondig geoefend in een zaaltje vlak tegenover café “De Kneut” in Wetteren. Wim was de dag voor de opname erg rusteloos, heel onzeker, ei zo na in paniek dat het hem niet zou lukken. Maar Jean weet hem op zijn gemak te stellen. En kijk, tijdens de opnamen ‘s anderendaags voelt Wim zich nummer na nummer groeien. Naar de avond toe staan er al vier nummers op band. Zij nemen op in de bekende “Studio Jet ” in Brussel en Wim schrijft samen met Jean Blaute De Gokkers. Op deze plaat covert hij erg opvallend “5 uur” van de hand van zijn mentor Ramses Shaffy. Het is een intimistische versie geworden: de stem van Wim, alleen begeleid door de piano en de bas. Een van de singles uit dit album is Portret van gisteren met op de B-kant Rozerood-oranje, waarbij het aanwezige instrumentarium alle registers mag opentrekken. Iedereen is het erover eens, dit is echte popmuziek die Wim en zijn band neerzetten. Hij wordt door velen van zijn collega’s omhelsd als de toonzetter van het toenmalige Nederlandstalig lied. Hij lijkt erin te slagen zich te verzetten tegen het etiket kleinkunstenaar dat hem van in het begin werd opgekleefd.

De periode tussen 1975 en 1977 gaat Wim met zijn band intens optreden. Niet alleen in jeugdclubs, maar ook in de theaterzalen van diverse Vlaamse culturele centra. Dit ligt hem erg goed. Hier kan hij een intieme sfeer oproepen waarin hij als zanger-gitarist centraal staat, omringd door een akoestische gitaar en een bas. Naast deze trio-aanpak, gaat Wim ook optreden met een nieuwe band. Hij komt in contact met de Duitse groep The Headband uit Keulen: pianist en arrangeur Mike Herting, gitarist Jan Reimer en drummer Man Breuer. Luc De Clus blijft van de partij en samen trekken ze in 1977 de studio in voor de opname van het album ” Wim De Craene … Is ook Nooit Weg”. In de studio wordt een extra beroep gedaan op gitarist Lieven Coppieters, toetsenist Tars Lootens en bassist Erik De Wolf. Als producer wordt de Nederlander Tim Griek ingehuurd (ooit nog muzikant bij de bekende groep Ekseption). Aan de plaat wordt meegewerkt door drie arrangeurs: Steef Verwee, Mike Herting en Tars Lootens, die ervoor zorgen dat de plaat qua klank rijkelijk varieert. De arrangementen klinken door de bank behoorlijk sober. Wim kiest deze keer voor haast uitsluitend eigen composities. De melodie van Canon is van Mike Herting en de tekst van Sylvia schreef hij samen met Jan De Vuyst. Herting is nogal tuk op jazzrock en Wim laat hem dan ook graag zijn gang gaan in de instrumental Call-Out die behoorlijk opvalt tussen de rest. Ook vrij jazzy klinkt het nummer Psilocybe Mexicana. Als je goed de oren spitst, hoor je dat Wim over mushrooms zingt en daar hoeven we geen extra uitleg bij te geven. Veel gedraaid uit deze langspeler is Mensen van achttien dat Wim vol overtuiging samen met Della Bosiers zingt. Als single wordt gekozen voor Marcellino, gekoppeld aan een remake van Stad, dat een heel andere invulling krijgt dan op zijn eerste elpee. Datzelfde jaar ontmoet hij tijdens “Zomerhit” van Radio 2, Erik Van Neygen. Hij stapt met Erik naar platenfirma Decca die op hun Omega International-label de single Spoedberichtoorspronkelijk een nummer van Tom Jans en door Erik van een Nederlandstalige tekst voorzien- uitbrengen.  Van Neygen tekent zelf voor de B-kant Ik wil je niet storen. In de studio wordt hij onder anderen bijgestaan door Jean-Marie Aerts en producer van dienst Wim De Craene.

Wim werkt ook samen met theatermaker Jan De Vuyst wat resulteert in de kindermusical “Help, ik win een miljoen”. De regie is in handen van André Vervaeke. Wim blikt samen met zangeres-actrice Mia Grijp vier liedjes in, waarvan Als je een miljoen had en Flatlied dat jaar op single worden gereleaset.  Leuk om naar te luisteren, zeker omdat Wim zich hier aan de in die tijd erg populaire disco waagt. Hier hoor je al een beetje dat Wim de typische kleinkunsttaal achter zich laat en wat losser uit de pols gaat schrijven, wat minder diepgravend. Hij ontpopt zich almaar meer tot een popartiest die veel plezier beleeft aan het schrijven en het uitvoeren van zijn liedjes.

In navolging van de in die tijd populaire Nederlandse programmareeks “Kinderen voor Kinderen” gaat de VRT van start met de productie “Vinger in de pap” waaraan Wim zijn medewerking verleent. Voor deze reeks schrijft hij liedjes als Ik heb een vinger klaar en Schoolloper.

In de vele babbels die we her en der voerden tijdens een rist Radio 2-programma’s gaf Wim grif toe dat hij de kleinkunst allang voor bekeken hield. Die liedjes kwamen hem soms de strot uit. Hij hield meer van liedjes met wat swing waarmee hij iets vlotter uit de hoek kon komen. Vooral dan wanneer hij ze kon brengen met zijn band, niet meer solerend in zijn eentje met alleen maar zijn akoestische gitaar op schoot. Die eenzaamheid op het podium had hij wel gehad. In 1980 mag er weer extra brood en een nieuw album op tafel komen. Steeds maar op zoek naar een nieuwe sound verzamelt hij deze keer bassist Alain Goutier om zich heen samen met drummer Chris De Braekeleer, gitarist Nicolas Fiszman en pianist Marc Malyster. Trouwe man van dienst is en blijft Luc De Clus. Malyster speelde een tijdlang bij de band van Zjef Vanuytsel. Wim had in de studio van Marc in Gent een aantal demootjes opgenomen en van het een kwam het ander. Dat andere was dat Malyster voor Wim de arrangementen uitschreef en bij hem thuis de fundamenten van de nieuwe nummers inblikte. Die worden nadien tijdens de maand september 1980 in de studio verder aangevuld en uitgewerkt. Wim moderniseert. Er wordt tijdens de opnamen gretig gebruikgemaakt van de computer die zijn intrede in de studio heeft gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat daardoor zijn muziek een beetje koeler ging klinken zoals een pak van de platen die in de eighties werden opgenomen. Marc Malyster is in de “Shiva Studio” in Brussel de producer van dienst, bijgestaan door technicus Robert Van Hove. Het valt op dat op het album “Perte Totale” meer gerockt wordt dan op de vorige. Je hoort meer rockende gitaren en ook de synthesizers zijn gul aanwezig. De elpee wordt speels ingezet met St.-Tropez “samen in een busje vol naar St.-Tropez, ach wat is dat rijden zo fijn!” Naast de titelsong passeren nog zeven chansons de revue waaronder Zonder benzine, De renner en Auto & garage. De respons op de plaat is oké. De band voelt zich zo in zijn sas dat zij als Perte Totale gaan optreden. Wanneer de VRT in 1981 een preselectie op het getouw zet met het oog op deelname aan het “Eurovisiesongfestival” worden uit honderdvierendertig inzendingen, zesendertig kandidaten geselecteerd die tijdens drie voorronden met telkens twaalf kandidaten strijden voor een plaats in de finale. Naast artiesten als Jo Vally, Gene Summer, Cindy, Nancy Dee en Liliane Saint-Pierre neemt ook Perte Totale mee met het door Wim geschreven Compagnie Verliefd. De overwinning gaat uiteindelijk naar Emly Starr met Samson, van de hand van Kick Dandy en Penny Els. Zij bereikt de vierde april in Dublin de dertiende plaats. De overwinning gaat naar Engeland en naar Bucks Fizz met Making your mind up. In 1981 levert Perte Totale tien songs voor  ”Pas Op”, het eindejaarsprogramma van de Socialistische Omroep, onder meer Lege buik, Gebedje, Nooit meer oorlog en Kerelslied. Die liedjes worden een jaar later verzameld op het album “Pas Op” en uitgebracht op het Racoon-label.

Het jaar nadien zijn ze te horen in twee nummers op de VARA-plaat “Boos Blijven” waaraan ook Bram Vermeulen, Vuile Mong en de Vieze Gasten en Lavvi Ebbel hun medewerking verlenen. Perte Totale brengt Fascisme is Moord en Solidariteitslied

In 1982 zingt Wim op het Racoon-label een cover van Ik kan geen kikker van de kant afduwen van het Nederlandse Lowland Trio, geschreven door Peter Koelewijn, en staat daar de twintigste maart 1982 mee op de negende plaats van de Vlaamse Top Tien. De Craene komt nog maar eens op de proppen met een nieuwe bezetting, met deze keer in de line-up: bassist Erik De Wolf, toetsenist Peter Bauwens die hier en daar Marc Malyster vervangt en drummer Marc Van Herzele, al beslist Wim een tijd later zonder drummer door te gaan. Luc De Clus is niet zo tevreden met de nieuwe draai die Wim nog maar eens aan zijn carrière geeft. Na Ik kan geen kikker van de kant afduwen houdt hij de jarenlange samenwerking, acht jaar om precies te zijn, voor bekeken. Niet alle fans zijn tuk op die nieuwe aanpak. Dit is té veraf van die prachtige nummers van zijn eigen hand. Verminnen vertelde ons dat hij vermoedt dat dit een soort wanhoopspoging van Wim was. Hij wou meer erkenning krijgen en er was ook de nood en behoefte aan geld. De Craene wou zich losmaken van zijn oude aanhang en mikken op een jonger publiek. Maar die vinden hem te oud, duidelijk passé. Als tegenzet lanceert hij in 1982 de single Hoor waarmee hij een knipoog maakt naar de Britse new wave, maar ook dit blijkt een slag in het hitwater.

Wim vindt in 1983 de tijd rijp voor zijn zesde album ” Kraaknet”, uitgebracht op het Ariola-label. Er wordt opgenomen in de “Shiva Studio” met deze keer als producer Dirk Bogaert, die we nog kennen van zijn producties voor de groep Luna Twist. Het lijkt alsof Wim opnieuw een beroep doet op zijn kleinkunstverleden. Marc Malyster neemt samen met Wim vooraf de demoversies op, die nadien in de studio worden afgewerkt. Marc speelt op het klavier en de synthesizer en waar nodig wordt zijn spel aangevuld met blazers enz… Intussen heeft ook de computerdrum zijn plaats opgeëist. De cd zet in met een song die nadien in één adem met Wim vernoemd zal worden, Kristien. Met dat lied had hij behoorlijk goed gescoord tijdens de editie van “Eurosong ’83″. Er hadden dat jaar drie voorrondes plaats met in de tweede voorronde drie zangers: Gene Summer, Bart Kaëll en Wim De Craene. Daar zong Wim naast Kristien ook het nummer Gisteren. Wim geraakt met Kristien tot in de finale samen met onder meer Sofie, Yvette Ravell en Gene Summer. De overwinning gaat, na heel wat gevit, naar de alternatieve deelname van Pas De Deux met Rendez-Vous. Zij eindigen de drieëntwintigste april 1983 in München tijdens de achtentwintigste editie van het “Eurovisiesongfestival” op de achttiende plaats. De overwinning gaat dat jaar naar Luxemburg met Si la vie est cadeau gezongen door Corinne Hermès.

Op zijn deelname krijgt Wim links en rechts kritiek, maar hij probeert de pers diets te maken dat hij op die manier ook weleens de sprong naar het buitenland wil wagen. Tijdens de opname van de elpee “Kraaknet” liep Wim al met de idee rond er een rist theateroptredens aan te koppelen. Kristien mag daarom inzetten met wat theatereffecten, een donderslag hier en daar. In het totaal worden er tien songs opgenomen. Naast Kristien sieren nog vier andere voornamen de hoes: Rikky, Jan, Titine en Lizette. Op deze plaat één vertaling, de rest is van de hand van Wim. Kraaknet is oorspronkelijk Mes idées sales van Jacques Dutronc van diens elpee ” Guerre et pets” uit 1980, geschreven door Serge Gainsbourg. Kristien wordt de eerste single, gekoppeld aan Matilda. De vijftiende oktober 1983 staat Wim ermee op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Als tweede single is er Rikky, echte eightiespop, met als hoogste score in diezelfde Vlaamse Top Tien de vierde februari 1984, plaats vijf.  De B-kant is voorbehouden voor een cover van Ramses Shaffy, An en Jan (tot in de dood), dat Shaffy al in 1971 had toevertrouwd aan zijn elpee “Zonder bagage”. In de pers lezen we dat De Craene zich almaar meer laat horen als een soort chansonnier. Hij klinkt minder rebels en laat zijn zachtere aanpak bovendrijven. Ook de arrangementen zijn minder agressief. De opgewekte nummers worden vooral tijdens de optredens in jeugdclubs uit de kast gehaald. Dan worden vooral de hits gespeeld. In de culturele centra kan het tragere, het serieuzere werk worden aangesneden. Met “Kraaknet” gaat Wim dus op tournee. Hij kiest voor een kleine bezetting: hijzelf op de gitaar, daarbij gesteund door Marc Malyster en Peter Bauwens. De piano en de synthesizers doen wonderen en maken het mogelijk dat er met een veel kleinere band gespeeld wordt. In die tijd trekt iemand als Johan Verminnen op tournee met als enige muzikale ruggensteun Tars Lootens. Hun optredens blijven op die manier betaalbaar én lucratief.

Raar maar waar, de periode die volgt na de release van “Kraaknet” en het scoren van een paar hits, blijkt Wim almaar meer uit de belangstelling te verdwijnen. De pers en de mediamensen zijn unaniem lovend, maar Jan Publiek drukt hem niet echt aan het hart. Zijn platenfirma laat hem weten dat er amper vijfduizend exemplaren van “Kraaknet” over de toonbank zijn gegaan. We herinneren ons nog hoe Wim in die tijd een beetje hopeloos werd, ons tijdens een babbel links en rechts liet weten dat hij het dan toch maar anders ging aanpakken en verpakken. Wie hem altijd erg op handen is blijven dragen, zeker toen, is de VRT, vooral Radio 1 in het bijzonder. Samen met Linda Lepomme, Marijn Devalck en Leen Persijn neemt Wim voor de VRT in 1985 de kinderelpee “De blauwe olifant” op, geschreven door Gaston Nuyts en José Fleurackers. Wim neemt onder meer de titelsong voor zijn rekening. De VRT is erg gul voor hem en gunt hem vijftig minuten zendtijd tijdens een televisiespecial rond Wim De Craene. Hij laat al zijn bekende liedjes, van Rozane en Tim tot en met Recht naar de kroegen en de wijven, de revue passeren. Tussendoor neemt Wim rustig de tijd om met het publiek te praten. Datzelfde jaar zingt hij voor het album “Jan Puimège Hommage” het nummer Over jou.

Marc Malyster maakte ooit deel uit van The Veterans samen met Gus Roan die voordien nog deel bij The New Inspiration had gespeeld. Via Marc leert Wim, Gus kennen. Gus wordt gitarist bij De Craene en in de slipstream daarvan ook een trouwe vriend. Die samenwerking klikt zo goed dat Gus de producer wordt van wat later Wims laatste album zal blijken te zijn. Het is Gus die zelf gaat aankloppen bij platenfirma Dureco met de smeekbede nog eens een album van Wim uit te brengen. Wim was in die periode verzot op het repertoire van France Gall en daardoor ook op de man die voor haar repertoire zorgde, haar echtgenoot Michel Berger. Wim kocht ook al haar platen en werd willens nillens door die stijl beïnvloed. Hij luisterde haast elke week naar een nummer als Débranche en was daar zo kapot van dat hij dat als muzikale leest gebruikt voor Breek uit jezelf. Wim wil voor zijn volgende single geen risico nemen en gaat op zoek naar een ritme dat zeker zal aanslaan. Vandaar die blauwdrukkeuze. Het nummer is terug te vinden op de elpee “Via Dolorosa” die in 1988 verschijnt. Tien songs in het totaal. Gus pusht Wim verder in de richting van de pop: méér synthesizers en artificiële drums. Marc schrijft samen met Wim de titelsong. Die kiest ervoor de rest van de songs zelf te schrijven en het coveren deze keer aan de kant te laten. Het moet uit zijn eigen koker komen. Hij vertelde ons dat hij qua stijl een voorbeeld nam aan populaire Franse jongens die het klappen van de commerciële zweep kenden. Julien Clerc was zo iemand in die Franse jaren tachtig en niet te vergeten Michel Sardou. Tekstueel schijnt de zon niet zo in zijn toenmalige liedjes. Vrienden hadden al gemerkt dat Wim vaak zat te piekeren, in zijn geest eerder de nacht dan de dag opzocht. Ondanks het succes van Breek uit jezelf wordt het album geen hoogvlieger. Critici vinden de plaat door het overmatige gebruik van synthesizers en computerdrums té koud, té steriel.

De Craene kiest ervoor zijn groep te ontbinden en voortaan on the road te gaan met een kleine bezetting: hij met zijn stem en gitaar, begeleid door Marc Malyster op toetsen (volledig geprogrammeerde synthesizers, bas en drums incluis). Voor zo’n vijftienduizend frank per optreden kan je hen beiden in die dagen boeken. In 1988 is er de single Vrijwillig, gekoppeld aan Desperado. Radio 1 brengt het album “Neem je tijd – zestien covers” op de markt met daarop een pak vertalingen door onder anderen Kris De Bruyne, Jan De Wilde en De Nieuwe Snaar. De hoes is volledig gebaseerd op “Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band” van The Beatles. Wim covert, in een productie van Radio 1-producer Frank De Maeyer, Lied van Azima van France Gall en Onderweg naar Kerstmis van Chris Rea dat op het Ariola-label in 1989 op single verschijnt. In 1981 had Wim al eens een kerstsingle opgenomen in een gezamenlijke productie van Gus Roan en Marc Malyster Ding Dong Christmas Song. Hij zingt dit samen met Sofie, The Veterans, Venus, Ricky Gordon, Nancy Dee en Perte Totale.

In opdracht van Tele-Onthaal Limburg vzw zingt en schrijft Wim in 1988 voor het album “Helemaal vrijwillig” het nummer Vrijwillig.

1989 is het jaar dat VTM zijn entree in de wereld van de commerciële televisie maakt . “Tien om te Zien” is bij hen onder meer een schot in de roos, maar ook door hen voelt Wim zich gepasseerd. Hij brengt op het Carrere-label het nummer (Alleen= maar alleen) Leen uit. Gus Roan vertelde ons iets later dat Wim dat goedkope succes van VTM niet zinde. Bij de VRT was hij al jaren een vaste waarde. Bij VTM zag hij dat zelfs de zingende bakker uit de buurt aan bod kwam. Dat kon volgens hem niet door de beugel. Het non-talent kreeg een open doekje en dat kon De Craene moeilijk verwerken. Toch doet hij een knieval en neemt in 1990, in een productie van Yannick Fonderie, het luchtige Enkel in een broekje op. De Vlaamse Top Tien blijft echter buiten hitbereik.

De veertiende september 1990 pleegt Wim op zijn appartement op de Frère Orbanlaan in Gent zelfmoord door het innemen van een overdosis geneesmiddelen. Zijn vriend William Van Keymeulen getuigt daarover: “Persoonlijk geloof ik nog altijd niet in de zelfmoordtheorie. Ik heb Wim in zijn laatste weken nog meerdere malen ontmoet en lang gesproken en hij had nog altijd hoop in de toekomst. Maar ik weet, schijn kan bedriegen. Vast staat zeker dat hij heel hard in de knoop lag met zichzelf, hij at en sliep niet meer. Hij nam pillen om te slapen en pillen om wakker te worden. Daardoor pleegde hij een enorme roofbouw op zijn lichaam en méér dan waarschijnlijk is de combinatie van dit alles hem uiteindelijk fataal geworden.”

Wim De Craene laat een erfenis van zeven albums en twintig singles na, goed voor een honderdtal liedjes. Wim De Craene werkte hieraan samen met vijf verschillende producers en zeven verschillende arrangeurs. Ze vulden elk op hun manier hun opdracht in: Al Van Dam produceerde op een wat ouderwetse manier, een productie die in schril contrast staat met de aanpak van Gus Roan, die naast zijn werk met Wim in  de jaren tachtig tientallen gouden platen als producer en songschrijver op zijn actief schreef. Tussendoor werkte Wim samen met Jean Blaute, Mike Herting en Marc Malyster, drie arrangeurs die, elk op hun manier, de akoestische aanpak van Wim haast eigenzinnig benaderden.

In 1992 schrijft Dimitri van Toren als hommage aan Wim ” Wim De Craene…is ook nooit weg”, uitgebracht op het IMC-label in een productie van Pieter Koster. “Ik zag hem voor het eerst, ik meen in 1970, op een podium in Boechout, o ja en hoe. Hij stond daar achter de micro alsof hij versteend was en zo wijdbeens met de rug naar het publiek toe. Dat was zijn act, en dan wachtte hij tot het stil was, doodstil, en dan pas draaide hij zich langzaam om, sprak dan plechtig: een goede avond allemaal samen”, en dan met een kreet: “schrik niet, hier staat Wim De Craene!” Het liedje staat ook op zijn album “En dan weer daar”. In 1985 brengt Rocco Granata op single het liedje Verboden Spel uit waarvoor Wim de tekst had geschreven. Het staat als B-kant op de single Paradiso. Tien jaar later zet Granata op de cd “Buona Sera M’n Vlaanderen” het nummer Bij Helene, dat hij voordien ook samen met Wim had geschreven, alsook op single het door hen beiden geschreven De Jordaanlegende. Eind 2015 wordt Rocco Granata, als voormalig immigrant, intens geraakt door de vluchtelingencrisis. Om die reden brengt hij Verboden Spel ten voordele van de vluchtelingen uit. Hij wil er geen eurocent aan verdienen.

Na zijn dood werd Wim vaak gecoverd. Een greep uit het rijke aanbod: in 1992 Rozane op het album “Vlaamse Helden” van Hans de Booy, in 1997 Ik wil van je houden op de cd “Prêt à porter” van Yasmine, in 1998 op het album “Hommages II” van Mama’s Jasje Kristien, in 2001 Sabien Tiels met Tante Emma uit haar album “Optie adoratie”, een jaar later hetzelfde nummer op het album “De zotte avond” van Bart Van den Bossche, in 2005 Maarten Cox met Breek uit jezelf uit zijn debuutplaat “Terugblik” en tot slot in 2011 Familie Segers met Rikky uit hun cd “Over andere mensen”.

De zevende juli 1995 heeft tijdens “Boterhammen in het park” een huldebetoon plaats aan Wim De Craene. Het is een gratis festival dat sinds 1990 jaarlijks plaatsvindt in de kiosk van het Warandepark in Brussel, georganiseerd door de AB en er treden Vlaamse en Nederlandstalige artiesten op. Datzelfde jaar wordt Wim de drieëntwintigste september in Wetteren muzikaal gehuldigd. Dat gebeurt daar eveneens de zevende en de achtste januari 2000. Datzelfde jaar brengt Marijn Devalck de single Lied voor Wim op de markt. Hij had dat al vijf jaar eerder opgenomen. Daar hoort dit verhaal bij: “Wim en ik elkaar leerden elkaar kennen tijdens onze comebackperiode. Eind jaren tachtig schreef Wim liever commerciële liedjes om op die manier een hit te kunnen scoren, terwijl ik als freelance-acteur aan de slag ging en ook probeerde liedjes te schrijven. Wij ontmoetten elkaar tijdens de eerste uitzendingen van “Tien om te zien”. We voelden er ons geen van beiden thuis tussen Def Dames Dope, Good Shape en aanverwanten. Dat schiep een band en we vatten het plan op om samen een liedje te schrijven. Toen ik de muziek klaar had, kwam op veertien september 1990 het bericht van Wims dood. De melodie verdween in een schuif. Twee jaar later, op vakantie in Bretagne, schreef ik tijdens een slapeloze nacht er zelf de woorden bij. Eenmaal de klus geklaard, nam ik ‘s ochtends buiten de natuurfoto die nu op het hoesje van de single prijkt.”

De negende november 2004 wordt de song Kristien vereeuwigd tijdens “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam in het “Concertgebouw” van Brugge. Hier neemt een ontroerde zoon Ramses de honneurs waar. Diezelfde avond wordt ook Christine van Will Ferdy in de muzikale adelstand verheven en krijgt Liliane Saint-Pierre een “Ereplaats voor een Leven vol Muziek”. In 2007 zingt Andrea Croonenberghs haar versie van Rozane tijdens “Zo is er maar één” op Eén en wint daarmee in de categorie “Mooiste lied over vrouwen”. Twee jaar later brengt hiphopper Maesland tijdens datzelfde programma een opvallende versie van Tim in de categorie “Er was eens”.

Vrijdagavond de zeventiende september 2010 heeft in het Cultureel Centrum “Nova” te Wetteren de première plaats van de theatertournee gewijd aan de carrière van Wim De Craene die twintig jaar voordien overleed. Zoon Ramses verzamelt voor deze theatertour vijf zangers en zangeressen: Andrea Croonenberghs, Mira, Della Bosiers, Lander en Tom Van Landuyt. Die brengen afzonderlijk , soms in duet of allemaal samen, een zeer gevarieerd overzicht van het werk van De Craene. De theatershow tourt tot half december langs dertig culturele centra in Vlaanderen met daarin niet minder dan vijfentwintig songs die de veelzijdigheid van De Craene weerspiegelden. Datzelfde jaar verschijnt bij Universal een verzamel-cd in de reeks “Back to Back”. Wim wordt gekoppeld aan de grootste hits van Boudewijn de Groot. Met veel trots krijgt zoon Ramses eind december van dat jaar een gouden plaat overhandigd voor de verkoop van méér dan tienduizend exemplaren.

Zaterdag de vijfde september 2015 treden tijdens het kermisweekend in Wetteren een rist artiesten op op het pleintje tussen de Moerstraat en de Hoenderstraat, daar waar vroeger het legendarische bruine café “De Kneut”, later omgedoopt tot “De Zot’n Hond”, stond. De voorgevel siert trouwens de hoes van De Craenes elpee “Alles is nog bij het oude”. Een select gezelschap van voornamelijk Wetterse zangeressen, zangers én muzikanten brengt er vijfentwintig jaar na zijn overlijden een schitterende hommage aan Wim die er vele dagen sleet. Rozane, Tim, Kristien en Mensen van 18, ze passeren allemaal de revue. Onder de muzikanten de voormalige gitarist van Wim, Luc De Clus. Ook Ramses, de zoon van De Craene is aanwezig. De twaalfhonderd tickets voor het concert waren in een mum van tijd uitverkocht. Dit concert is zo’n succes dat het de achttiende en de twaalfde november opnieuw wordt uitgevoerd in Cultureel Centrum “Nova” te Wetteren.

In 2015 is er eindelijk de cd-box “Integraal” op het Universal-label waarin het gehele oeuvre van Wim op acht cd’s staat verzameld: zijn zeven integrale albums plus een extra cd met daarop uniek VRT-materiaal en onuitgegeven tracks. In het bijbehorende boekje lezen we: “Wim De Craene met zijn subtiele en ironische teksten geldt nog altijd als een van de vernieuwers van het Vlaamse luisterlied. Tal van gevestigde artiesten en nieuwkomers vernoemen hem als voorbeeld voor wat ze doen of willen doen. Bij leven voelde Wim zich onbegrepen en miskend, maar die erkenning is na zijn dood te laat in veelvoud gevolgd. Zijn platenverkoop was nooit groot, zijn muzikale zijpaden waren niet altijd even populair, maar wie een of meerdere platen bezit, blijft ze koesteren. Tot vandaag zijn er dagelijks meerdere nummers terug te horen in de speellijst van de Vlaamse radiozenders.” Het boekje wordt achteraan aangevuld met deze trefzekere woorden van zoon Ramses: “Wim De Craene was voor mij een vader, vriend en artiest, ik heb hem dan ook heel intens meegemaakt in zijn muzikale carrière vanaf het album “Wim… is ook nooit weg”. Studio-opnames, tv-optredens, repetities en zware café-uitstappen. Als vader was hij een zorgzame ouder die er altijd was. Als vriend kon ik heel wat lol trappen en als artiest was hij één uit duizend. Voor mij is hij een god waar ik enorm naar opkijk. Zijn muzikale erfenis is dan ook wel niet van de minste. Ik heb dan ook enorm mijn best gedaan om na zijn dood zijn muziek zo veel mogelijk in ere te houden. Ik ben heel fier je zoon te zijn!

De elfde juli 2015 zendt Radio 2 “De Vlaamse Top Honderd ” uit, aangevoerd door Will Tura met Eenzaam zonder jou. Daarin staat Tim van Wim De Craene op de drieëndertigste plaats genoteerd. De vijfde december 2015 vinden we Wim in de lijst “100 op 1″ van Radio 1 terug op negen met Rozane en op vijf met Tim. Ook de jongere generatie blijft Wim aanspreken. Aan Knack vertelt Max Colombie van Oscar & The Wolf dat zijn favoriete Belgische love song Rozane is. Hij vindt het een van de beste melodieën die in ons land ooit werden geschreven. Axelle Red onthult in “Plaat Préféré” bij Radio 2 dat zij Tim van Wim een dijk van een plaat vindt, een levend bewijs dat je met Nederlandstalige muziek ook een goede productie kunt neerzetten. “Het is een prachtige tekst en telkens als ik die song hoor, zeg ik: “zie je wel, ik moet ooit die Nederlandstalige plaat maken. Het is dankzij die song dat ik weet dat die er ooit zal komen!”

Donderdag de vierde februari 2016 had in het “Kursaal” van Oostende tijdens een feestelijke en muzikale avond “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam for Culture plaats. Vier nummers kregen die avond een plaats in De Eregalerij: I Lie And I Cheat van Won Ton Ton, Mad About You van Hooverphonic, Waarom van Jacques Raymond en Rozane van Wim De Craene, dat die avond werd gezongen door Sioen. De prijs werd door zijn zoon Ramses in ontvangst genomen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Miel Cools

Woensdag de elfde juli 2012 ontving Miel Cools tijdens het Feest van de Vlaamse Gemeenschap in de Academiezaal te Sint-Truiden het Gulden Spoor voor Culturele Uitstraling. Tijdens haar verwelkoming zei voorzitster An De Moor onder meer het volgende: “Heel wat van zijn liedjes blijven de tand van de jaren weergaloos weerstaan: zeemzoeterig, traditionalistisch, vrijblijvend. Miel Cools heeft zich nooit veel gelegen gelaten aan dergelijke kritiek. Met modetrends heeft hij nooit meegelopen. Hij bleef zweren bij de puurheid van het luisterlied en de soberheid van de muzikale omlijsting zonder toeters en bellen. Als er één predicaat op zijn muziek van toepassing is, dan is het misschien wel: tijdloos en universeel. Zijn generatiegenoten hebben het veel minder lang uitgezongen dan hijzelf. Velen die na hem kwamen, verdwenen vóór hem alweer van de scène. We mogen van Cools met recht en reden zeggen dat hij als geen ander een opmerkelijk spoor getrokken heeft door het Nederlandstalige lied van de voorbije jaren. Als hij al niet de uitvinder is van de kleinkunst in Vlaanderen dan is hij toch zeker een van de meest prominente “founding fathers” ervan. Daarom past eigenlijk maar één woord bij het Gulden Spoor voor Culturele Uitstraling dat wij vandaag toekennen aan Miel Cools en dat is over-over-oververdiend.”

Miel werd de vijftiende april 1935 in Herk-de-Stad geboren. Het gezin telt vier kinderen: zussen Angele en Mirese en broer Danny. De eerste noten tokkelde hij op een geleende gitaar. In Herk-de-Stad bolg Miel lageronderwijs in de Sint-Martinusschool. In 1952 verhuist de familie Cools naar Hasselt. Papa werkte daar bij de “Interelectra”. Zij gaan in de Isabellastraat wonen, vlak tegenover de zeer muzikale familie Nicolai. Hun zoon had een gitaar, maar speelde daar niet vaak op. Telkens als Miel daar op bezoek was, haalde hij de gitaar uit een verloren hoek in de living vandaan en speelde erop. Het akkoordenboekje van Bob Davidse, Nonkel Bob, hielp hem daarbij een aardig handje. Miel zong de liedjes na, die zijn vader op feesten en bruiloften zong. Miel studeerde toen aan het Sint-Jozefscollege in Hasselt en zijn ouders vonden dat die studies voorgingen op gitaar leren spelen. Op een bepaald moment krijgt Miel van zijn ouders dan toch zijn eigen  gitaar en richt samen met zijn buurjongen Marcel Nicolai en Raymond Roosen die de bas bespeelt en wiens vader in Hasselt een platenwinkel uitbaat, in 1952 het trio The Samoa Hawaiians op, naar het voorbeeld van de bekende Nederlandse groep The Kilima Hawaiians. Marcel had zijn eigen Hawaiiaanse gitaar gebouwd en speelde daarnaast ook viool. De groep werd snel uitgebreid met Henri Lenaerts op ukelele en André Dylst op gitaar. De heren traden op in het wit en tooiden zich met kleurrijke guirlandes. Na de pauze hesen ze zich in een cowboyoutfit en werd er country-and-western gezongen. Zowel voor als na de pauze liet Miel horen dat hij toen al een aardig nootje kon zingen. Bij de toenmalige Radio 2, Radio Limburg, krijgen ze van producer Pol Cabus meermaals de kans om live voor de radio op te treden tijdens hun populaire bonte-avonden. Robert Bylois, die zich later over de carrière van Adamo zou ontfermen, nam hen zelfs mee naar Rijsel in Frankrijk voor de opname van een tv-programma dat in het Nederlands werd uitgezonden “Het hof van Vlaanderen”.

Op zijn negentiende schrijft Miel voor de laatstejaarsstudenten op tekst van Roger Hendriks de operette ” De misbakken student”. Die wordt in Hasselt in cinema “Plaza” opgevoerd. Bij de familie Nicolai had Miel al die tijd kennis kunnen maken met muziek in de breedste zin van het woord, ook klassieke muziek. Hij had meteen door dat als hij verder wilde gaan, hij muziek- en zangles moest gaan volgen. In de “Stedelijke Academie” te Hasselt komt Miel terecht op de afdeling klassieke zang. Hij droomde er zelfs van als bariton een gevierd operazanger te worden. Bij de bekende bas Maurice De Groot ging Miel zelfs een tijdje in Luik extra zangles volgen. Van hem leerde hij de kneepjes van het klassieke zangvak. Om een lang verhaal kort te maken, werd het voor Miel duidelijk dat hij vooral wou zingen, welk genre dan ook. Hij jodelde zelfs. Zo won hij met het liedje Alaska de allereerste crochetwedstrijd die Radio Limburg op het getouw had gezet. Miel trad in de jaren vijftig ook op als crooner bij het in die tijd gewaardeerde dansorkest van Charlie De Jong uit Leopoldsburg, een liedje als I’m in the mood for love.

Na zijn middelbare studies gaat Miel in 1954 achttien maanden onder de wapens. Via zijn vader wordt hij nadien bediende bij “Interelectra” (het latere Infrax) in Hasselt. Hij bleef hier een jaar of zes, tot ongeveer 1961, actief. Voor zijn klassiek repertoire was Miel in die tijd naarstig op zoek naar een pianist. Hij vond die in het buurmeisje Jenny Nysten. De familie Cools was intussen verhuisd naar de Melkvoetstraat in Hasselt. Zij woonde zo goed als om de hoek. Jenny studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. Zij behaalde daar de eerste prijs notenleer en volgde eveneens piano. Voor zij haar eindexamen moet afleggen, besluit zij ermee op te houden en voor de rest van haar leven met Miel verder te stappen. Zij verloven zich in 1957. Jenny draagt nog altijd haar verlovingsring. De zestiende mei 1959 trouwen zij. In navolging van het in die tijd populaire Deens-Nederlandse zangduo Nina & Frederik gaan Jenny en Miel vanaf 1957 optreden als zingend koppel en scoren daarmee aardig wat succes. Toen kwamen klassiekers als Listen to the Ocean, Come back Liza en Jamaica Farewell. De drieëntwintigste december 1958 stortte mergelberg Roosburg in Zichen-Zussen-Bolder in. Daarbij vielen in de champignonkwekerij achttien doden. Ten voordele van de families van die slachtoffers werd in de Brusselse “Folies Bergère” een Limburgse revue georganiseerd. In het totaal zullen Miel en zijn vrouw in de maanden januari en februari 1959 daar negentig keer optreden. Hier leerde Miel de Nederlandse producer Jaap Streefkerk kennen die in ons land aan het hoofd stond van platenfirma Philips. Hij had rond die periode ook kennisgemaakt met de Limburgse componist Armand Preud’homme. Op dat moment vierde bij Philips, Bob Benny hoogtij en, achteraf gezien, voelde Miel dat hij snel op een zijspoor werd gezet. Streefkerk zorgde er wel voor dat Miel een ep’tje mocht uitbrengen “Miel en Vier Meisjes” met daarop liedjes waarvoor Armand Preud’homme de muziek had geschreven: Anne Marieke, Dag Josefien, Vergeet me niet Karolien en Roosmarijntje. Miel nam deze marsliedjes meteen na zijn legerdienst op samen met het orkest van Frank Engelen en het Salamander Koor. De respons op deze eerste vinylen poging was echter niet erg groot.

Op de Nederlandse radio hoorde Miel bij het begin van de jaren zestig politiek getinte liedjes, gezongen door onder meer Jules de Corte. Dat sprak hem wel aan. Iets later komt hij journalist Jaak Dreesen van “De Bond”, het blad van de Grote en Jonge Gezinnen tegen. Miel trad regelmatig op voor de Bond en Jaak attendeerde Miel regelmatig op een genre dat in die periode opgang maakte, de kleinkunst. Voordien had Miel tijdens zijn collegetijd al Jacques Brel leren kennen en Georges Brassens. Vooral die laatste sprak hem qua stijl erg aan. Miel ontdekte plots dat je in teksten erg persoonlijke dingen kwijt kon. Jaak Dreesen schrijft voor hem de tekst voor Geef me de tijd dat in 1962 op een ep verschijnt die Miel samen met Henk van Montfoort opneemt voor het Fama-label. Miel zet ook Badliedje op die plaat, waarvan de tekst geschreven is door Gaston Durnez. Datzelfde jaar is er een tweede ep samen met Henk van Montfoort met daarop De kleine krokus en ‘n Hijtje en ‘n Zijtje, beide op tekst van Louis Verbeeck. Miel was er zich meteen van bewust dat dit een genre is dat niet voor de massa geschreven wordt. Dit zijn liedjes met meer inhoud dan de doorsneeschlager.

Jenny bleef intussen thuis. De eerste baby kondigde zich aan. Het duo Miel- Jenny behoorde tot het verleden. De tijd was in 1959 rijp voor Miel solo. Hij sleutelde dag na dag aan zijn repertoire dat op een bepaald moment nog bestond uit een evergreen als Granada, een jodelliedje, Ik zou wel eens willen weten van Jules de Corte en schoorvoetend zijn eigen nummers. In het eerste deel zong Miel kleinkunst, in het tweede meer de liedjes bedoeld om te entertainen. Voor het doorsneepubliek klonk kleinkunst toen nog als poëzie op muziek gezet. Dat genre had iets eerder een duw in de rug gekregen dankzij het evenement “Kleinkunsteiland”, opgericht door Bob Wezenbeek, omdat hij kleinkunst van dat eiland tot bij het grote publiek wilde brengen. In de universiteitsaula van Leuven had de achtste december 1961 de eerste editie plaats waaraan niet alleen Miel Cools en Louis Verbeeck deelnamen, maar ook Kor Van der Goten, Will Ferdy en Jef Burm. Dit muzikaal gebeuren zal tot in 1966 standhouden.  Stilaan werd kleinkunst voor vol aangezien en aanvaard. Die opkomst viel samen met de aanloop naar “Leuven Vlaams”, de strijd voor de taalkundige splitsing van de Katholieke Universiteit Leuven die in 1968 zijn hoogtepunt kende. Er was natuurlijk ook de aandacht van de pers voor het betere lied, in het Nederlands gezongen.

Vrij snel merkten die pers en ook een aantal van zijn collega’s op dat Cools meer een zanger was, een vertolker van de teksten van anderen, want Miel schreef die teksten nooit zelf. Zijn belcanto-uithalen hier en daar werden niet zo gewaardeerd. Un chanteur à voix was niet zo gewenst in dat kleinkunstmilieu, een beetje not done. Miel kreeg vooral kritiek van journalisten als Johan Anthierens en Piet Piryns die in een column voor “Humo” schreef “Alleen al bij het horen van de naam Miel Cools krijg ik een fysieke walging!” Tijdens ons interview kan Miel er nu wel om lachen, maar toen niet, vooral omdat hij voor Piet, die de bezieler en oprichter was van de cabaretgroep “Rommelpot”, vaak gratis had opgetreden. Het voelde aan als een verbaal mes in de rug. Wel geeft Miel in onze babbel toe dat hij in het begin wat behaagziek was, het publiek maar al te graag aan zijn kant kreeg, niet tegen de schenen wou schoppen. Succes sprak hem wel aan. Dat Miel vooral zijn aandacht toespitste op de melodie had alles en nog wat te maken methet feit dat hij in die jaren muziek schreef op teksten van anderen. Dat melodieuze zat er nu eenmaal in, gevoed ook door zijn klassieke zangopleiding.

In 1963 verschijnt er op het Fama-label de ep “Ik dans op een koord”, vier liedjes op tekst van Filip Van Bogaert. Filip zal de jaren Miel teksten blijven aanreiken. Een jaar later is er op het Eufoda-label de langspeler “10 suyverlycke minneliedekens”, tien liedjes die hij brengt samen met Frida Goethals: Schoon lief, Och Elsje, Te Haarlem in den Houte, Daar was laatst een meisje loos

Filosoferen deed Cools graag, vaak met zijn tekstleveranciers onder wie dichter en tekstschrijver Bert Broes. Met hem praatte Miel vaan over de eeuwige liefde, hypocrisie. In het begin was de tekst er altijd eerst en dan begon Miel de melodie te kneden. Met Bert schreef Cools een van zijn klassiekers Boer Bavo waarvoor hij zich baseerde op de stijl van de chansons van Georges Brassens. Intussen was Rocco Granata begonnen met een eigen platenlabel, Cardinal Records. Hij had een speciaal oor voor kleinkunsttalent van bij ons: De Elegasten, Will Ferdy én Miel Cools. In 1965 is er het album ” Miel Cools” met in het totaal twaalf liedjes met als uitschieters De vlinder en Boer Bavo. Dat laatste verscheen eveneens op single, gekoppeld aan Vredesduif. Nadien verhuist Miel naar platenfirma Vogue. Hier verschijnt in 1968 de langspeler ” Miel Cools”, een verzamelaar eigenlijk  met veertien liedjes waaronder De troubadours, Mandarina, De soldaat, De nar en Mirabella.

Een jaar later is er de elpee “Liedjes voor twintig eeuwen” deze keer op het Philips-label in een productie van Rob Touber. Miel mag zich uitleven in twaalf liedjes, onder meer Voor mijn zoon, Kermis met Breughel, De vrienden, Dodenmaal en De zeven zwanen. De zeven zwanen, (staan symbool voor de idealisten in deze wereld) schreef Miel op een tekst van Bert Broes, waarbij Miel de idee kreeg de melodie te schrijven in een wat middeleeuwse dansante stijl. Je kan het net zo goed op een luit spelen. Samen met de Christelijke Mutualiteiten trok Miel met zijn vier kinderen (Annemie, Veerle, Inge en Bert) en zijn echtgenote tijdens de zomervakanties naar Zwitserland. Als compensatie trad hij daar dan vaak op. Zij huisden daar op een appartementje waar Miel op het toilet met een tekst van Bert Broes in zijn hand de melodie schreef voor Er was een tijd. Miel was al een tijdje geïnspireerd, maar het deuntje kwam pas daar op die Zwitserse wc-pot tot stand.  Door de jaren heen is de basismelodie dezelfde gebleven, maar is Miel het qua begeleiding toch ietsje anders gaan spelen, ook trager en lager.  Dit is zo’n schoolvoorbeeld van een liedje dat door de jaren heen een andere gestalte kreeg, dat rijpte naarmate de tijd verstreek en Miel het almaar vaker ging zingen. Tijdens zijn concerten kroop Miel ook helemaal weg in dit liedje en sloot hij tijdens het zingen ook vaker de ogen. Na al die jaren werd het een liedje dat op zichzelf staat. Voor het publiek was dit de echte Miel Cools, de spirituele man. Daarom niet gelovig, maar wel op de kracht van de kosmos gericht.

In 1967 richt Miel samen met Bert Broes een eigen platenmaatschappij op, Kalliope. Hij geloofde rotsvast in de toekomst van de kleinkunst en trok jong talent aan als De Vaganten, Luk Saffloer en Wim De Craene. Op dat label brengt Saffloer een gelijknamige elpee uit met daarop liedjes als De regenmaker, Eva, Vandaag of morgen en De zee. Hij stond ook aan de wieg van het blad “Troubadour”. Het maandblad was een initiatief van Miel Cools, Louis Verbeeck, Jaak Dreesen, Herman Hens en Bert Broes. Het eerste nummer verscheen in januari 1968. De opzet was een maandblad voor de kleinkunstenaars van deze eeuw: de cabaretiers, de folksingers, de chansonniers, de cartoonisten, de schuinschrijvers, uitgegeven in zwart-wit, met bruin als steunkleur en qua vorm geïnspireerd op het folkblad “Sing Out!” Met Jaak Dreesen vormde Paul Poelmans de eindredactie: “We werkten met kleinkunst- en folkliefhebbers en journalisten van eigen bodem, maar we trokken ook buitenlandse correspondenten aan: Gerard O’Grady in Dublin, Jan Paul Bresser, Ernst van Altena en Toon van Severen in Nederland, Martin Degenhardt in Duitsland… Redactioneel zat het goed. Maar aan advertenties geraakten we niet. Die werden eigenlijk ook niet actief geronseld. Het aantal abonnees steeg onvoldoende, ik schat die vrijwel onveranderlijk op een 800-tal. Troubadour bleef de schulden opstapelen en die werden gedelgd met het geld van de oprichters“. In juli 1971 verscheen de laatste “Troubadour”. Het was een dubbelnummer, met een extra bijlage die helemaal aan het toenmalige “Humorfestival” van Heist was gewijd. Die bijlage zat behoorlijk vol met advertenties. “Alleen jammer dat we die pas in het laatste nummer te pakken kregen“, merkten Poelmans en Cools op. Miel geeft tijdens ons interview toe dat het te hoog gegrepen was, te weinig gericht op de massa. Hij vond dat ze er te veel energie en tijd in staken: fraaie illustraties, mooie tekeningen, teksten geschreven door correspondenten uit Engeland, Frankrijk en Amerika.

Op een bepaald moment vertelt Miel in ons interview dat de grootste fout die hij onderweg gemaakt heeft, was toen hij besliste de parochiezalen vaarwel te zeggen en alleen nog te gaan optreden in culturele centra. Die schoten op het einde van de jaren zestig en aan het begin van de jaren zeventig in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond. Elke gemeente had haar eigen centrum. Miel dacht dat daar in de schouwburgen talent van eigen bodem aan bod zou komen, maar keek zeer verrast op toen talent en grote theaterproducties uit het buitenland vaak voorrang genoten. Hij had de indruk dat talent van bij ons beperkt zou blijven tot de parochiezaal en stapte over naar het cultureel centrum. Cools kreeg vanwege de theaterdirecties te horen dat hij daar niet thuishoorde. Hij bracht geen decor met zich mee, had geen lichtshow, hij voerde toch niet echt iets op. Het was toch maar gewoon zingen in een sobere setting wat hij deed.

Bert Broes stimuleert Miel zijn liedjes ook een kans te gunnen bij onze oosterburen en vertaalt voor hem Die sieben Schwäne, Bauer Bavo enz… Miel kwam terecht bij uitgeverij Damokles Verlag in Hamburg. Een van hun medewerkers, Heinz Riedl, zou Miel begeleiden en coachen. Zes maanden lang trad Miel daar op voor een enthousiast publiek. Hij genoot daar veel respect: een Vlaming die auf Deutsch singt. Hij trad ooit op in Bremen en toen zat in zijn voorprogramma de later bekend geworden Reinhard Mey. Heinz krijgt keelkanker en sterf een halfjaar later. Miel was zijn  ruggensteun kwijt en keert terug naar Vlaanderen. Hier voelt hij duidelijk aan dat er een soort metaalmoeheid was opgetreden. Hij was op Vlaanderen uitgekeken en Vlaanderen op hem en dat voelde Miel sterk aan. Tijdens het “Humorfestival van Heist” ontmoet hij Henk Noy, de pr-verantwoordelijke van de Schouwburg van Eindhoven. Die man zat met de handen in het haar, want Liesbeth List zou het herfstseizoen openen, maar had intussen afgehaakt. Of Miel de honneurs niet wil waarnemen?  Dat optreden is een succes en er wordt gelijk een Nederlands vervolg aan gebreid. Het jaar dat volgt mag Miel méér dan honderd optredens in Nederland in zijn agenda noteren. Henk is intussen Miels impresario geworden. Vervolgens tekent Miel een contract bij het impresariaat “Lumen” in Hiulversum. Tien jaar na mekaar zal Miel tweederde van zijd tijd bij onze noorderburen optreden. Hun accent maakt hij zich zelfs eigen. Hij gaat tussendoor samenwerken met tekstschrijvers als Ed Leeflang, Willem Wilmink en Ernst van Altena. Zo is er in 1971 op zijn eigen Kalliope-label, dat hij intussen had opgericht, het album “Miel Cools zingt Ernst van Altena” met daarop liedjes als Tepelbinkie, Vader, Een nieuw hooglied en Het groot gelijk. Een jaar later brengt hij het album “Nachten dat de spin niet spint” uit. Miel laat zich begeleiden door percussionist Johnny Engels, cellist Guido Schiffer, basgitarist Jacques Schols en klavecinist Jan Theelen, die tevens de productie in handen neemt. Op dit album prijken liedjes als De duiven, Het land der blinden, Uilenspiegel, Janna Janokke en De ballade van de vrouwenjager.

In 1979 is Cools zo goed als back in town en gaat Vlaanderen massaal door de knieën voor zijn klassieker Houden van: houden van, houden van, ‘t is vaak niet bijzonder, ‘t is vaak niet zo’n wonder, maar geen mens die zonder kan. Houden van, houden van, ‘t is weinig poëtisch, ‘t is weinig profetisch, maar geen mens die zonder kan.” Houden van schreef Miel op een tekst van Jaak Dreesen. De invalshoek is dat mensen niet alleen kunnen leven, we hebben elkaar nodig, zeker in de liefde. In dit lied valt op dat Miel het heeft over de kleine dingen die het leven vaak mooi maken. Toen Miel de melodie klaar had, wist hij meteen dat het liedje zou aanslaan: het ligt gemakkelijk in het gehoor en is gemakkelijk om mee te zingen. Miel zong het voor de eerste keer live in het Cultureel Centrum van ‘s-Gravenvoeren en hij voelde meteen de vonk die oversloeg tussen hem en het publiek. Een meezinger was geboren! Miel zette het op plaat in een productie van Jan Theelen. Het was Jos Ghysen, een persoonlijke vriend van Miel, die het in zijn programma “Te Bed of Niet Te Bed” zo goed als grijs ging draaien. De band met Vlaanderen was hersteld en de heimatliebe kon weer openbloeien. Voor Radio 2 omroep Limburg maakt hij in 1979 het programma ” Er trilt een snaar”. Op het Philips-label (er bestaat ook een versie op het Kalliope-label) is er dat jaar de langspeler “Houden van”, met naast deze Coolsklassieker nummers als Twee koningskinderen, Antibiotica, De muzikanten, Milady en Het treintje.

Ook al heeft Miel de wind in de zeilen, toch gaf hij in die tijd eerlijk toe dat de Vlaamse pers hem onheus had behandeld en dat die pijn maar moeilijk overging, ondanks dat hernieuwd succes. Hij voelde zich vooral moreel kapotgemaakt. Hij blijft troost vinden in een tekst die Ernst van Altena hem in 1971 had aangereikt voor het lied Het grootste gelijkWant het grootste gelijk is een bodemloos water. Het grootste gelijk is een brekende kruik. Het grootste gelijk is een kermende kater. Jouw grootste gelijk is een mes in jouw buik“. In dit lied zingt Miel die kwetsuur van zich af. Het zingen was zijn manier om te herstellen, te genezen.

In die tijd blijft hij afwisselend in Vlaanderen en Nederland optreden, in alle eenvoud: hij, zijn gitaar, zijn kruk en zijn verhalen. Zijn repertoire mogen we op dat moment omschrijven als poëtisch, ondeugend, vrolijk, weemoedig, en net zoals bij een van zijn idolen Toon Hermans, niet kwetsend. De wereld een geweten schoppen, is nooit zijn bedoeling geweest.

Op het Philips-label is er in 1983 het album “Morgen”, met daarop het erg gewaardeerde en vaak gedraaide De vrienden van vroeger, Wiegeliedje, Herfstlied voor een dode vriend, Een kamer in Holland en Blauwe regen.

Naast het zingen, en vooral na het zingen, genoot Miel volop van een glas wijn. Hij legt het eenvoudig uit: “Ik trad vaak op in parochiezalen en na die optredens trok meneer pastoor met graagte een fles wijn open en genoten we nog wat na!” Dat genieten werd almaar meer een passie. Toen zijn Nederlandse impresario Jaap Koopman er in 1985 mee ophield, kreeg Miel almaar meer ruimte om zijn agenda anders in te vullen. De kleinkunst had intussen ook aan populariteit ingeboet. Alleen maar zingen in Vlaanderen en ervan leven, bleek iets te mager, iets te dun.  Miel begint in de Kapelhofstraat in Sint-Lambrechts-Herk een eigen wijnzaak, een bodega. En dat wordt hard werken. Wanneer de optredens weer frequenter worden, laat Miel zijn wijnzaak over aan zijn zoon Bert die de kennis van zijn vader benut om wijnhandel “De Wingerd” uit te bouwen tot een gewaardeerde zaak met de intentie twee generaties wijnkennis door te geven en op die manier probeert hij de wijnliefhebber naar de juiste wijnkeuze te begeleiden.

Zijn liefde voor zijn geboortegrond bezingt Miel in Herk-de-Stad, een lied dat in 1986 aanbelandt op het album “Met gemengde gevoelens” waarvan we vooral onthouden Marieke, Ga nu slapen, Het ideale paar en Idioot? Zijn platenlabel Philips vindt dat jaar ook geschikt om Miel Cools te verzamelen op de cd/lp “Van Marieke en Boer Bavo”, twintig bekende nummers, waarvan ongeveer de helft liveversies. Het Eufoda-label wil ook een graantje meepikken van het hernieuwd succes en lanceert datzelfde jaar de plaat ” Er was een tijd” met daarop Boer Bavo, De vrienden, De troubadours, De nar... Dit album zal in 2004 opnieuw worden uitgebracht. In 1990 wordt een haast eeuwige vriendschap bezegeld. Miel had de voorbije decennia vaak opgetreden met Louis Verbeeck. Het album “Lodewijk de Beduimelde, Miel Cools zingt Louis Verbeeck” lag een beetje voor de hand. Vanuit de coulissen, want ze traden vaak samen op, had Miel Louis goed in de gaten gehouden en naar zijn liedjes geluisterd, want dat deed Louis ook, zij het op zijn geheel eigen manier, zingen. Het was Raf Deckers die de teksten van Louis vakkundig van muziek voorzag. In zijn achterhoofd bedacht Miel toen al hoe die liedjes zouden klinken, mocht hij ze eens zingen. Voordien had Miel al aardig wat teksten van Louis op muziek gezet en ingeblikt. Nu wou hij op dit album zijn stem lenen aan echte Verbeeck-liedjes, die door zijn aanpak een beetje vercoolst worden. In het bijbehorende boekje bij de cd lezen we: “Dit is het leuke van liedjes, dat ze voor interpretatie vatbaar zijn, dat elke zanger of acteur er zijn eigen kleur aan kan geven. Tegelijk is het waarschijnlijk niet onaardig dat op die manier die liedjes bewaard blijven.” De plaat werd in klankstudio “Steurbaut” in Gent ingeblikt. De liedjes werden gearrangeerd door Robert Groslot die ook de artistieke leiding voor zijn rekening nam.

Haast onverwacht is er in 1999 de cd “Niet Bang Zijn”, veertien fonkelnieuwe songs. Zijn algemene boodschap luidt: durf te leven! Aan journalist Raymond de Condé vertelt Miel in “Het Belang van Limburg”: “Ik heb die titel gekozen omdat we in een tijd leven die voor veel mensen bangelijk is. We leven in een enorme welvaartsmaatschappij, maar van de andere kant worden we eenzamer en eenzamer. De wet van de liefde is moeten wijken voor de wet van de cijfers, we leven ook meer en meer naast mekaar door, veel mensen hebben een onzeker gevoel, ze fluiten in het donker van de schrik. Rond die thema’s heb ik een aantal liedjes gemaakt”. Zingen in de studio is voor hem nog altijd een vreemde ervaring. “Op zulke momenten heb ik echt last van faalangst. Het gevoel dat je geen foutje mag maken, maakt mij zenuwachtig. Ik heb mensen nodig die voor mij zitten en luisteren.” Dat is ook de reden waarom zijn platen altijd bijzaak zijn geweest. Het was vooral in de zaal dat het gebeurde. Dit keer besteedde Cools veel aandacht aan de muzikale aankleding. Het album wordt opgenomen in Studio Crescendo te Genk Pino Guarraci is de technicus en producer van dienst. Michel Pieters neemt de arrangementen voor zijn rekening. Miel krijgt muzikale bijstand van onder meer Karel Ooms, Lieven Venken, Kurt Theunissen, Chen John-Li en Hsiao Ya-Hsing. De cd wordt verdeeld door Davidsfonds/Eufoda. Een uitschieter op het album is Mijn zoon, een weemoedig liedje waarin Miel niet zonder schuldgevoel vaststelt dat hij een betere vader had kunnen zijn. Aan diezelfde zoon had hij intussen zijn wijnzaak “De Wingerd” overgelaten. In ons interview zei Miel over zijn cd “Niet bang zijn”: “De feiten van vroeger waarover ik schrijf, blijven dezelfde, maar ik bekijk ze anders. Mijn denkproces is echter door de jaren heen geëvolueerd. Het ligt daardoor een beetje voor de hand dat ik altijd over hetzelfde zing, want er is niets anders. Mensen worden nu eenmaal geboren, groeien op, worden verliefd, huwen, krijgen kinderen, sterven. Verliefdheid maakt plaats voor liefde, een soort gewenning aan elkaar, elkaar verdragen binnen een relatie, daar komt het vaak op neer.”

Op de vraag welke zijn lievelingsliedjes uit zijn totale oeuvre zijn, antwoordt Miel ietwat ontwijkend, omdat het antwoord afhangt van de mood waarin hij op dat moment verkeert. Al geeft hij toe dat hij een song als De duiven altijd even graag zingt, een nummer waarin hij toegeeft dat wij mensen halfgoden nodig hebben, vandaar dat we zo graag standbeelden oprichten. Duiven poepen daarop en that’s it. Wij moeten mensen kunnen idoleren, zo zitten we nu eenmaal in mekaar. Zijn afkeer voor dergelijke verafgoding heeft Miel in dit liedje kunnen uiten.  Dit liedje zit heel diep in hem verankerd, geeft hij ruiterlijk toe. “Ze paren op de Willems, de duiven van het land, op schouders van de Willems en op hun rechterhand. Ze vrijen op de oren van Bonapartes hoofd alsof hij geen miljoenen van hun jongen had beroofd, op Franco en op Bismarck- eens dik met bloed bespat -nu liefelijk blank gescheten.” Ook het liedje Twee koningskinderen ligt hem na aan het hart. Twee tieners die voor de eerste keer willen vrijen en het lukt niet en dan beginnen te huilen. “Het waren twee koningskinderen, haar borsten die kwamen maar pas en hij nerveus van z’n liefde, want zag hij haar moest ie een plas. Ze kusten elkaar in de parkjes, een waagstuk was ieder gebaar, dan keken ze weer in de schemer, met herfstbladeren in hun haar.” Miel houdt van meerdere liedjes, net zoals hij van meerdere mensen houdt en van meerdere wijnen kan genieten. Ons tot een bepaalde keuze beperken, kan erg determinerend zijn. We moeten leren houden van alles en iedereen. Dat behoort een beetje tot Miels filosofie. We kunnen elkaar dan wel de huid vol schelden of iemand een etter vinden, maar uiteindelijk moeten we naastenliefde tonen, een soort barmhartigheid, een soort alles overstijgende liefde, vooral naar mensen toe. Vandaar zijn afkeer voor oorlog voeren, elke vorm van gesprek vermijden. Het tekort aan goodwill om geschillen op een andere manier op te lossen dan door te vechten met elkaar. Hij werd op deze mening vaak afgerekend en omschreven als Cools de naïeveling, maar die houding vindt Miel nou net een pluspunt, want door naïviteit sterven immers geen mensen.

Een tijd later wordt Miel op een ochtend, na een drukke kerstperiode, in zijn bed getroffen door een hartinfarct. Na zacht aandringen van zijn zoon laat Miel zich in het ziekenhuis opnemen. Op een bepaald moment glijdt hij daar, liggend op een bed, helemaal weg. Op een zeer serene manier vertelt hij ons tijdens ons gesprek over dat moment, over zijn bijna-doodervaring, die hij zonder schroom met ons wil delen: “Doodgaan doet geen pijn, de dood an sich bestaat niet, je glijdt gewoon over in een andere vorm van bewustzijn, je stijgt naar een ander niveau. Het begrip tijd valt weg, alles wat aan dat moment voorafging in het leven vat je in één blik“. Ook al is Miel een man die nooit om woorden verlegen zit om toestanden en gevoelens te omschrijven, deze ervaring was voor hem te geweldig om ze in woorden te gieten. Voor Miel niet meteen een religieuze ervaring, hij durft het zelfs een biologisch proces te noemen, een natuurlijk iets? Hij zegt zelfs met klem: “Ik twijfel er niet meer aan, ik ben er honderd procent zeker van dat die andere bewustzijnservaring bestaat. Er is leven na de dood! Als je sterft neem je je geest mee, de rest laat je achter.” En plots sprak de dokter van dienst hem aan en wist Miel dat hij een hartinfarct had overleefd en op de intensivecareafdeling was aanbeland.

Miel was tijdens zijn carrière af en toe een beetje een globetrotter, reizen zat hem in het bloed. Voor de Nederlandse regering ging hij een maand naar Indonesië, trad in opdracht van de Belgische regering op in Noord-Amerika en tweemaal in Congo. Voor “Vlamingen in de Wereld” reisde hij tweemaal naar Zuiid-Amerika en Canada en zong hij tweemaal in Zuid-Afrika.

De tiende oktober 2004 wordt in het “Cultureel Centrum” van Hasselt Miel in de bloemen gezet omdat hij inmiddels al ruim vijftig jaar op de planken staat. In dat centrum schitterde Cools jaren voordien door zijn medewerking aan de Hasseltse revues. Met “Doa ziet wir kèrremes ènne loch” in september 1978 namen hij, Jos Ghysen en Louis Verbeeck de draad van de Hasseltse revueschrijver Jules Klock weer op. Goed voor zestienduizend toeschouwers oftewel twintig opvoeringen. Twee jaar later was het opnieuw raak met “Rappl.eer dzj’oech nog?” Na de derde revue “n Stad bè ‘n chapeau-buse” ter gelegenheid van zevenhonderdvijftig jaar Stad Hasselt in 1982, vonden tekstschrijver Ghysen, liedjestekstschrijver Verbeeck en componist Cools het welletjes.

De eenentwintigste mei 2007 brengt Miel Cools op het Plansjee-label zijn laatste album uit “D’er was toch nog iets” dat hij inblikt samen met een hele rist bekende muzikanten zoals Ivan Smeulders, Jokke Schreurs, Katelijne Onsla, Paul Bessemans, Sylvie Baggara en Werner Lauscher. Samen met accordeonist Ivan Smeulders en gitarist Jokke Schreurs trekt Miel op tournee en brengt, naast zijn evergreens, nieuwe liedjes als De andere vrouwen, Het bankje in ‘t groen, Saint-Emilion, Omdat ik van je hou en Heerom Pieter.  Hijzelf schrijft in het bijbehorende boekje: “Tijdens de rit naar huis, na een optreden, achter twee koplampen, vraag ik me af hoe het allemaal begonnen is. Waarom is het in mijn leven zo gelopen? Ik had toch ook iets anders kunnen doen. Een regelmatig leven zonder risico. Om vijf uur afgewerkt en om zeven uur televisiekijken met een glaasje bier of wijn. Maar nee, ik moest in de spots gaan staan om aan de mensen te vertellen hoe mooi het kan zijn en hoe fel het kan tegenvallen. Wie ben ik om dat te verkondigen? Maar ik ben er niet rouwig om, integendeel! Het moest zo zijn, het lag op mijn weg en het bloed kruipt… je weet wel.”

Wanneer Miel tweeënzeventig is geworden, vindt hij het stilaan welletjes. Hij wil het wat rustiger aan doen, vooral op doktersadvies. Nog enkele keren per maand wil hij nog wel optreden. Door een onoplettendheid valt hij in 2008 tijdens een vakantie in Duitsland van de trap en belandt in een diepe coma. Zes weken later ontwaakt hij, maar stelt vast dat optreden er niet meer in zit. “Het is gedaan” zegt hijzelf. Cools heeft er dan net een carrière van vijfenvijftig jaar op zitten.

Zondag de achtentwintigste augustus 2011 presenteerde Miel, omringd door tal van zijn vrienden en kennissen, met de nodige trots zijn boek “Miel Cools, mijn mooiste liedjes, zoals ik ze zong met mijn gitaar”. Miel selecteerde voor dit liedboek zijn mooiste liedjes, eenenveertig in het totaal. Hierbij natuurlijk klassiekers als Boer Bavo, De soldaat, De troubadours en Houden van, liedjes die reeds tot ons collectief geheugen behoren, maar ook minder bekende en gekende pareltjes op knappe teksten van Ed Leeflang, Jaak Dreesen, Walter Evenepoel, Bert Broes, Mieke Melgers, Ernst van Altena, Louis Verbeeck en van hemzelf. Opdat anderen zijn liedjes zouden kunnen spelen, schreef hij al de partituren en liedteksten op zoals hij ze zelf speelde met zijn gitaar. Hij deed dit met de hand, een monnikenwerk waaraan hij maanden met veel enthousiasme gewerkt heeft. Het boek is dus veel meer dan een handig liedboek. Het is een heel persoonlijk en bijzonder document geworden. Dat boek was de aanleiding voor een aantal artiesten om liedjes hieruit te kiezen en een hommage te brengen tijdens de boekvoorstelling. Het concert genoot zoveel bijval dat men besloot om hiermee door te gaan. Miel kon omwille van gezondheidsredenen helaas zelf geen gitaar meer spelen. Maar voor deze voorstelling was hij bereid gevonden om bij elk lied zijn verhaal te doen. Hij en zijn publiek mochten niet alleen genieten van zijn liedjes, maar ook van het talent van  Amaryllis Temmerman, Berlaen, Rosbos en De Vaganten die elk optraden in hun geheel eigen stijl.

 

De eerste juni 2013 sterft Miel op 78-jarige leeftijd aan de gevolgen van een slepende ziekte. Hij wordt de achtste juni in de Sint-Quintinuskathedraal in Hasselt begraven. De plechtigheid werd op verzoek van de familie door collega-zangeres Sabien Tiels opgeluisterd. “Met het overlijden van Miel Cools heeft Vlaanderen een van de boegbeelden van de Vlaamse kleinkunst verloren“, zei minister van Cultuur Joke Schauvliege (CD&V) in een reactie. “Het hoogtepunt van Cool’s succes lag in de jaren zestig en zeventig. Zijn liedjes Boer Bavo, Er was een tijd, De Soldaat, Houden van en De troubadours zijn onvervalste pareltjes“, aldus Schauvliege.” “Het is in die voetsporen van de ware troubadour dat Miel Cools zich een weg baande door de geschiedenis van het Vlaamse chanson. Meestal solo, met zijn klassieke gitaar, rondtrekkend als een bard, zonder pretentie en ademend op klank.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Take Five

Dave Brubeck stelde in de loop van zijn carrière vaak vast dat jazzmusici hun publiek niet genoeg uitdaagden om vaker op zoek te gaan naar avontuurlijke ritmes. Dat is precies wat hij deed toen hij het nummer Take Five in handen kreeg. In 1959 was hij druk bezig met zijn nieuwe album “Time Out”, het jaar dat Miles Davis op de proppen kwam met “King of blue” en John Coltrane met “Giant Steps”. Er gebeurde veel op jazzgebied, er werd geëxperimenteerd, maar volgens Brubeck werd er nog te vaak in de maat 4/4 gespeeld. Na een reis naar Turkije had hij besloten ritmisch wat meer te gaan switchen op zijn volgende plaat. Hij had daar een groep straatmuzikanten aan het werk gezien en hij wou iets van hun manier van spelen, zoals hij dat had gehoord tijdens de vertolking van een zeybekdans (populair in Centraal en Zuid-Turkije) ook in zijn muziek toepassen: eens een keertje bijvoorbeeld spelen in de maat 9/8.

Tijdens de zomer van 1959 trekt Dave naar de opnamestudio samen met altsaxofonist Paul Desmond, contrabassist Eugene Wright en drummer Joe Morello. Producer van dienst is Teo Macero. De elpee moet een experimenteel album worden, dat was het uitgangspunt. Er moet ritmisch voortdurend worden afgewisseld: 6/4, 9/8 en ook 5/4. De directie van zijn platenfirma Columbia Records fronst de wenkbrauwen en stelt zich daarbij toch een aantal vragen. Ze gaan uiteindelijk akkoord op voorwaarde dat Dave in het voorjaar van 1959, samen met zijn kwartet, eerst het album “Gone with the wind” uitbracht, een elpee met daarop bekende Amerikaanse songs als Swanee River, Georgia on My Mind, Basin Street Blues en Ol’ Man River. Het album werd in twee dagen tijd, de tweeëntwintigste en drieëntwintigste april, ingeblikt.

Drummer Joe Morello speelde hier en daar tijdens een optreden af en toe een solopartij in de maat 5/4 en stelde vast dat het publiek daar nogal enthousiast op reageerde. Daarom had hij voor de nieuwe plaat aan Dave voorgesteld dat hij een nummer in dat tempo zou schrijven. Dave aarzelde, maar Paul Desmond ging akkoord. Ook al staat hij genoteerd als de componist van Take Five, toch blijkt het geen eenmanswerk te zijn geweest, want buiten twee belangrijke ideeën was het vooral de samenwerking van het kwartet dat tot het eindresultaat heeft geleid.  Paul had twee losse thema’s bedacht die Dave tot een geheel smeedde. De titel Take Five was een idee van Brubeck zelf. Het nummer stond na twee takes definitief op band, maar Desmond wou er niets van weten. Hij vond het maar niets.

Brubeck hield voet bij stuk en het nummer kreeg een ereplaats op het album “Time Out”. Nu nog het probleem van de hoes oplossen, want ook met die keuze ging de directie niet akkoord. Die was ontworpen door de vaste ontwerper bij Columbia Records, de Hawaïaanse kunstenaar S. Neil Fujita. Gelukkig kreeg Brubeck steun van de toenmalige grote baas van Columbia Records Goddard Lieberson, die voor honderd procent achter dit album stond. De veertiende december 1959 wordt de elpee in de markt gezet. De kritiek is niet mals, maar het publiek is er weg van. Binnen de kortste keren is de eerste persing uitverkocht. Twee nummers steken boven de rest uit, het opvallende Blue Rondo à la Turk en Take Five. De singlekeuze valt meteen op Take Five, want Blue Rondo duurde te lang om op single te worden gereleaset, de dj’s zouden die toch nooit draaien. Iedere doordeweekse muziekliefhebber werd meteen gegrepen door de drumsolo die in het midden van het nummer opduikt. Het had nochtans niet veel gescheeld of die was ertussenuit geknipt. De single geraakt zelfs tot in de poplijsten en staat in de maand maart van 1961 op de vijfentwintigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. De plaat was trendsettend voor een rist jazznummers die in de maat 5/4 zouden volgen.

Het album “Time Out” werd een van de bestverkopende jazzelpees ooit. Dave was daar erg trots op, ook al moest hij bij zijn firma vechten tegen de bierkaai omdat het album onder meer bol stond van de nieuwe nummers: “Well, they were wrong. It worked. And you have to be in tempos that the public can dance to. Well, they couldn’t dance to most of Time Out unless you got into some dance halls where people could dance to 5/4 and they did dance to it. So it’s exposure. And also they didn’t want a painting on the cover. I was breaking a whole bunch of rules.”

Het kwartet kwam niet onder het succes uit, want tijdens hun daaropvolgende concerten stond Take Five steevast op hun repertoire. De vrouw van Brubeck, Lola, schreef iets later een tekst op Take Five, onder meer gezongen door Carmen McRae.  Paul Desmond componeerde later een variant op Take Five, Take Ten.. In 1962 zette Richard Anthony een gezongen Franstalige versie op plaat als Ne boude pas

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Maria Elena

In 1933 componeerde Lorenzo Barcelata de evergreen Maria Elena die hij opdroeg aan Maria Elena, de vrouw van de toenmalige president van Mexico, Portes Gil.  Het was S.K. Russell die dit liedje van een Engelse tekst voorzag en de negentiende maart 1941 nam Jimmy Dorsey dit liedje op plaat op.  Het wordt zijn derde million seller na  Amapola en Green eyes. De plaat blijft zeventien weken na mekaar een echte bestseller met een top 1-notering als kroon op Dorseys jaarprestatie én op het palmares van zijn orkestzanger Bob Eberle.

In 1958 voegt de Franse operettezanger Luis Mariano Maria Elena aan zijn repertoire toe, maar het zou toch wachten zijn tot 1963 vooraleer het nummer een echte wereldhit zou worden. Het zijn twee Braziliaanse gitaristen die van Maria Elena een onsterfelijke versie neerzetten: Muçaperé en Erundi, geboren in een gezin van veertien kinderen, zonen van het stamhoofd van de indiaanse Tabajarastam, wonend in Cearà in het noordoosten van Brazilië. In 1932 wordt hun wat afgezonderd gelegen stam bezocht door een regiment van het Braziliaanse leger. Die slaan daar de volgende zes maanden hun kamp op. De priester die met hen is meegereisd, doopt de kinderen en geeft hun Spaanse namen. Zo worden Muçaperé en Erundi, Natalicio en Antenor Lima, genoemd naar de aanwezige legercommandant. Wegens de aanhoudende droogte beslist hun vader Mitanga te voet met het ganse gezin, in het kielzog van de terugkerende soldaten, richting Rio de Janeiro te stappen, tweeduizend kilometer ver, om daar hun heil te zoeken. Onderweg klussen ze wat bij en geraken aan eten door te jagen en vis te vangen. Ze zijn de Portugese taal niet machtig en hebben evenveel moeite om met geld om te gaan. Het verhaal wil dat Natalicio en Antenor onderweg een gitaar vinden die daar iemand had achtergelaten en geraken erdoor begeesterd. Na drie jaar bereiken ze pas in 1936 Rio de Janeiro. Intussen hebben ze eigenhandig op de gitaar leren tokkelen en zingen een aantal traditionele liedjes die ze van hun ouders geleerd hadden. Zij maken zich de Portugese taal eigen en Natalicio en Antenor verfijnen hun optreden en gaan in bars en cafés in Rio optreden als Los Indios Tabajaras om op die manier aan geld te geraken. Zij dossen zich uit in hun traditionele kleurrijke klederdracht en geraken stilaan bekend in Zuid-Amerika. Na het zien in 1945 van de film “A song to remember”, in een regie van Charles Vidor, over het leven van Frédéric Chopin, geraken de jongens begeesterd door klassieke muziek en gaan zich meer toeleggen op het bespelen van de klassieke akoestische gitaar. Eerst spelen ze thuis de platen na die ze kopen en Natalicio leert in zijn eentje noten lezen.  Hij bouwt ook eigenhandig een gitaar waarmee hij hoge noten kan spelen, hoger dan op een normale akoestische gitaar.

Na een optreden voor “Radio Cruzeiro do Sul”, tekenen ze in 1945 een contract bij platenfirma RCA. Pas in 1954 scoren ze hun eerste grote hit Pajaro campana. Zij nemen daarnaast ook composities van Chopin, Heitor Villa-Lobos en Rimskyi-Korsakov op. Zij sleutelen steeds meer aan hun optreden. In het eerste deel spelen ze in kleurrijke klederdracht Zuid-Amerikaanse muziek en na de pauze, uitgedost in smoking, hun klassieke repertoire.

 

In 1958 nemen Los Indios Tabajaras voor RCA het album  ”Sweet and Savage”  (nr. LSP 1788) op met daarop het nummer Maria Elena. Op de elpee hoor je hen uitsluitend op hun akoestische gitaren.  Zij worden nadien uitgenodigd om in New York op te treden tijdens “The Ed Sullivan Show” en krijgen een deal om twaalf weken op te treden in  de radioshow van Arthur Godfrey, maar hun plaat raakt kant noch wal. Tegen 1960 keren ze ontgoocheld naar Rio de Janeiro terug.

Het is echter wachten tot 1963 vooraleer Los Indios Tabajaras wereldbekend worden met Maria Elena. Dat liedje werd dat jaar gebruikt door het New Yorkse radiostation WNEW om er hun nieuwsberichten mee te beginnen en te eindigen. Dit was een idee van radioproducer Mike Comito. Er is zoveel vraag naar Maria Elena dat RCA besluit het in Noord-Amerika op single uit te brengen. Deejays pikken de plaat op en in de maand september van 1963 staan Los Indios Tabajaras ermee op zes in de Amerikaanse Top Honderd. In Engeland zit er zelfs een vijfde plaats in de Top Veertig in. In het totaal worden er méér dan anderhalf miljoen exemplaren van verkocht en met goud bekroond. Het jaar nadien wordt het nummer Always in my heart  verkozen als hun volgende single, maar het nummer geraakt in de States niet verder dan de vierentachtigste plaats. In de nasleep van dat succes treden zij de jaren die volgen zo’n twintigmaal op in de Amerikaanse “Johnny Carson Show” en spelen samen met grote symfonische orkesten. Op hun concertlijst prijken zo’n veertig landen. Al die tijd worden ze gemanaged door Marcel Ventura.

In 1964 maken we hier bij ons in de Benelux met hen kennis wanneer zij optreden voor de Nederlandse televisie tijdens het “Grand Gala du Disque”.

Je zou Los Indios Tabajaras als een soort onehitwonders kunnen bestempelen, maar gedreven als ze waren, bleven ze platen uitbrengen en profileerden zich meer en meer als een elpeegroep. In het totaal namen Los Indios Tabajaras achtenveertig albums op. Hun aandacht ging daarbij vooral uit naar het op plaat vastleggen van easylisteningmuziek met veel oor voor bekende evergreens zoals: Begin the beguine,  You are always in my heart ,  Blue moon en  Amor.

In 1979 verschijnt bij RCA in de reeks ” The Originals” de elpee Maria Elena met daarop twaalf van hun bekendste successen en met een introducerend woord op de hoes van Skip Voogd. Wanneer Antenor zich datzelfde jaar terugtrekt, besluit Natalicio verder op te treden samen met zijn Japanse vrouw Michiko Mikami. Zij is van opleiding een klassiek geschoolde concertpianiste. Uit liefde voor haar man en om samen met hem te kunnen optreden als gitaarduo, studeert zij vijftien maanden onafgebroken om het gitaarspel in de vingers te krijgen. Twee jaar later brengen ze samen het album “Beautiful sounds” op de markt.

Natalicio wordt een tijdje later ziek en overlijdt in 2009.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

The String-A-Longs

Tijdens de jaren 50 droomden tieners luidop van een eigen rockgroep. Daar waar hun ouders er in hun tijd alleen maar van durfden te dromen, werd het voor hen, met een paar dollars op zak, almaar gemakkelijker om versterkers en gitaren op de kop te tikken. Dat was ook het geval voor enkele tieners in Plainview, Texas. Hier hadden Richard Stephens en Keith McCormack zich elk een gitaar aangeschaft en hun vriendje Aubrey de Cordova was de gelukkige bezitter van een basgitaar. Hun eerste groepje, The Patio Kids, werd snel werkelijkheid. In  1957 werd het trio een kwintet en noemden ze zich voortaan The Rock ‘n’ Rollers. Intussen hadden ze hun groep uitgebreid met drummer Charles Jay Edmiston en gitarist Jimmy Torres.

Ze mochten een demo maken voor een radiostation in Amarillo en die opname viel zo mee dat het officieel op het Ven-label werd uitgebracht. Keiths moeder was zo in de ban van de carrière van haar zoon dat ze haar spaarcenten in een professionele opname investeerde. Die vond plaats in de studio’s van Norman Petty in het stadje Clovis. Charles hield het toen net als drummer voor bekeken en werd vervangen door Don Allen nadat de groep nog eens van naam had gewisseld. Voortaan zouden ze zich verkopen als The Leen Teens.Tijdens hun eerste sessie bij Norman Petty die drie uur duurde, namen ze twee songs op: So shy en Dreams about you. Petty kon een deal versieren bij Imperial Records, maar die eerste single flopte volledig. Drie jaar lang bleven de jongens nummers inblikken, maar Petty had moeite om ze gereleaset te krijgen.

In 1960 waren er opnieuw opnamesessies gepland, maar deze keer moest hun zanger Keith McCormack verstek laten gaan omdat hij niet bij stem was. Petty stond erop dat de jongens toch langskwamen en presenteerde hun een eigen instrumentaal nummertje Wheels. Even opmerken dat Wheels enkele weken voordien geweigerd werd door de belangrijkste gitaargroep die Petty in huis had, The Fireballs. Enkele maanden later, na de opname, kregen de jongens een brief van Norman Petty dat ze voortaan als The Strings – A- Longs geadverteerd zouden worden.

Oorspronkelijk hadden Richard Stephens en Jimmy Torres het nummer geschreven onder de titel Am I asking too much. Op de B-kant van de single stond een compositie die Wheels heette, geschreven door Norman Petty. Toen de single gereleaset werd, bleken de etiketten op de single fout gekleefd en werden beide titels verwisseld . Am I asking too much (geschreven dus door Norman Petty), was Wheels geworden en omgekeerd. Het gevolg was dat ook de schrijvers van de twee songs verwisseld werden. Toen Wheels (Am I asking too much dus) een grote hit werd, claimde Norman Petty doodleuk de auteursrechten, ook al had hij het niet geschreven. Toppunt is dat hij na een lange juridische strijd ook nog deels gelijk kreeg. Sedertdien is hij officieel een van de auteurs, samen met Richard Stephens en Jimmy Torres. Mocht je op zoek gaan naar beide nummers, je vindt die op de verzamelaar “Wheels”, in de maand oktober 2009 uitgebracht op het Ace-label.

Petty had intussen een aanbod gekregen van Warwick Records om gelijktijdig twee singles uit te brengen. Aanvankelijk weigerde Petty omdat Warwick de kwalijke reputatie had achteraf slechte betalers te zijn, maar toch waagden ze het erop. Wheels werd nu uitgebracht met als B-kantje Am I asking too much, alsook het nummer Tell the world met als ommekantje For my angel. De beide B-kantjes waren gezongen versies van liedjes die ze al eerder hadden ingeblikt. Wat niemand verwacht had, gebeurde toch. Binnen de kortste keren stond Wheels in 1963 in de Amerikaanse Top Vijf en iets later werd het zelfs een hit in Engeland  (daar uitgebracht op het London-label). Niet dat ze geen concurrentie te duchten hadden, want de hitlijsten stonden bol van instrumentaaltjes zoals Ja Da van Johnny and his Hurricanes, F.B.I. van The Shadows en Riders in the sky van The Piltdown Men.

Wheels werd een wereldhit voor The String-A-Longs met een totaalverkoop van 7 miljoen exemplaren. Billy Vaughn had intussen met zijn orkest ook een versie uitgebracht, maar die deed het alleen beregoed in Duitsland. De andere landen tipten liever op de pretentieloze versie van The String-A-Longs. Wheels werd in Nederland de debuutsingle van The Jumping Jewels uit Den Haag. Zij haalden in Nederland de hoogste regionen in de Top Veertig. De jongens beaamden dat zij het nummer gecoverd hadden van Billy Vaughn, al lijkt hun gitaarstijl op die van The Shadows.

Het hitverhaal van the String- A- Longs zou nochtans snel zijn uitverteld. Hun opvolger Brass buttons geraakte tot op de vijfendertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred en de daaropvolgende single Should I klom niet hoger dan de tweeënveertigste. De platendeal met Warwick werd in 1962 opgedoekt. De firma was, ondanks het succes met Wheels , in financiële problemen geraakt. Toch zouden er nog een tiental singles volgen, onder meer uitgebracht op het Eps-label. Voor de groep zelf leek hun succes ook niet zo rooskleurig, want veel verdienden ze niet aan hun optredens. De meer lucratieve deals, zoals televisieoptredens en tournees in het buitenland, werden steeds door Norman Petty afgewezen om redenen die de groep nooit heeft kunnen achterhalen.

Na wat heen-en weergesleur, bracht Petty de groep onder bij Dot Records en daar werd als single voor het nummertje Twist watch gekozen, geschreven door Jimmy Torres. Het werd een meevaller en dus volgden nog andere releases  waaronder  Spinnin’ my wheels, Mathilda en Summertime. We mogen aannemen dat rond 1965 Petty besloot geen nummers van The String-A-Longs meer uit te brengen. Hij vroeg wel drie jaar later aan Keith McCormack, Jimmy Gilmer als zanger bij The Fireballs te vervangen en daar zou Keith ook de volgende zes jaar blijven. Mocht u opnamen in het bezit hebben van The String-A-Longs in 1969, gereleaset op het Atco-label, weet dan dat die nummers gewoon door The Fireballs werden ingespeeld, een truc waarvan sommigen beweren dat Norman Petty die wel vaker gebruikt zou hebben. In een interview merkte Keith ooit op dat mocht Petty de trends hebben gevolgd, The String-A-Longs heel wat meer hits hadden gescoord, maar Petty bleef halsstarrig vastgeklit aan die ene formule en dat werd zowel hen als The Fireballs uiteindelijk fataal.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Sanne

Sanne was zeventien toen zij regelmatig optrad met onder andere liedjes van één van haar idolen Linda Ronstadt. Geen haar op haar hoofd dat er toen aan dacht full time zangeres te worden, want Sanne wilde gaan voortstuderen aan de universiteit. Optreden voor een publiek was voor haar op dat moment niet meer dan een hobby. Later zou ze zich echter volledig kunnen uitleven in de talrijke concerttournees langsheen de culturele centra die ze gaf met haar man Erik Van Neygen. In zijn boek  ”Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse Showbizz” herhaalt auteur Manu Adriaans tot tweemaal toe dat hij Sanne, vooral wat de jaren negentig betreft, als de mooiste stem van Vlaanderen beschouwt.

Sanne werd als Sandra Denotté en als enig kind de tweeëntwintigste maart 1973, de dag dat Will Tura trouwde, in Bornem, gelegen op de rechteroever van de Schelde in de buurt van Puurs en Sint-Amands, geboren. Papa was in Bornem geboren, mama in Sint-Amands. Tot hun veertiende waren ze beiden naar school geweest. Nadien gingen zij werken in het bedrijf van papa’s schoonbroer. Zijn zus was gehuwd met een zakenman, eigenaar van wat nu is uitgegroeid tot Spiessens NV. de grootste speciaalzaak voor rotanmeubelen in de Benelux. Papa maakte daar meubelen op maat. Na de geboorte van Sandra bleef mama thuis werken in het atelier dat achter het huis was gelegen. Mama herstelde daar rotanstoelen en bekleedde de meubels waar het nodig was. Na de geboorte van Sandra besloten haar ouders het bij die ene dochter te laten. Papa had altijd van een dochter gedroomd, dus die had hij nu en mama kwam uit een gezin van twaalf kinderen en wist wat haar alleenstaande moeder zich daar voor had moeten ontzeggen. Sandra kende een onbezonnen jeugd, al stelt de dokter wanneer zij  twee is een taaie ontsteking aan de urineleiders vast. Die dwingt haar tot haar achtste levensjaar haast voortdurend antibiotica te slikken. Mentale sporen laat dat bij haar niet na.  Sanne ontplooit zich als een echte tomboy die graag stoeit met haar vriendjes, want vriendinnetjes kan zij op één hand tellen. Gespeeld wordt er langs de oevers van de Schelde. Gezongen wordt er ook, thuis door mama, die de ganse dag naar de radio luistert, verliefd is op Duitse schlagers in het algemeen en liedjes van de Zangeres zonder Naam in het bijzonder. Mama houdt ook veel van het repertoire van country zangeressen als Linda Ronstadt en Emmylou Harris. Die liefde voor mooie zangstemmen en countrymuziek geeft zij graag door aan haar dochter. Sandra op haar beurt zingt al van in de tweede kleuterklas. Zij trekt in die tijd elke dag naar de Sint-Vincentiusschool in Branst, een dorpje pal naast Bornem gelegen. Sandra, die we vanaf nu maar Sanne zullen noemen, herinnert zich nog tekst en melodie van het eerste liedje dat zij zong Liedje van de postman. Daar bestaat zelfs nog een cassette-opname van. Ook zingt zij in de kerk tijdens de eerste communieviering. Zingen was toen al voor haar een soort tweede natuur, maar er bij haar op aandringen dat zij daaraan voort moest werken, deed niemand. De lagere school glijdt rustig aan haar voorbij. Van huis uit staat eenvoud hoog in het vaandel en in die sfeer van eenvoud voelt Sanne zich op haar best. Zij zal trouwens de rest van haar leven die eenvoud zoveel mogelijk trouw blijven.

Sanne is een prima leerling met altijd goede schoolresultaten. Ook als zij na de Sint-Vincentiusschool in Branst op haar twaalfde overstapt naar het Instituut Onze-Lieve-Vrouw Presentatie gelegen aan het Kardinaal Cardijnplein in Bornem. Sanne volgt de afdeling Latijn-Wiskunde. Zij treedt vanaf haar veertiende hier en daar sporadisch op tijdens soundmixshows die in de jaren tachtig erg in waren.  Met haar vriendin zingt zij I know him so well uit de musical “Chess” erg bekend in de hitversie van Barbara Dickson en Elaine Page. Op haar vijftiende leert zij tijdens een soundmixshow Helmut Lotti kennen die toen nog optrad als Elvisimitator met opvallende bakkebaarden. Een tijdje later zal hij haar vragen mee te zingen in zijn backinggroepje wanneer hij met zijn eerste hit “Kom nu” op de proppen komt.

Sanne besluit in 1989 deel te nemen aan de VTM Soundmixshow. Zij zingt The Winner Takes It All van Abba, maar geraakt niet tot in de halve finale. Een keerpunt voor Sanne, zowel privé als carrièrematig, wordt haar optreden de vierde november  1989 wanneer zij tijdens het fanbal van Eric Flanders, die net een hit had gescoord met Zo moet mijn meisje zijn, in Puurs in de provincie Antwerpen een aantal covers zingt, onder meer Blue bayou van Linda Ronstadt en Stand by your man van Tammy Wynette. Omdat Sanne niet zo met het verleden leeft, is zij het merendeel van haar repertoire van toen zo goed als vergeten. Wat zij wel goed onthouden heeft is dat Erik Van Neygen die avond na haar mag optreden. Zij kende hem toen al als de zanger van de betere liedjes. Hij volgt haar performance vanuit de coulissen en is meteen gecharmeerd door haar stem. Sanne herinnert zich nog in detail dat hij in de kleedkamer voor de spiegel stond met een groene kam om zijn golvende haren in de juiste plooi te leggen en haar met zijn  mooie ogen warm aankeek. Een afspraak maken doen zij die avond niet. Een paar weken later ontmoeten zij elkaar opnieuw wanneer Sanne in het koortje van Helmut Lotti mag optreden tijdens een opname van “Tien om te Zien” in Denderleeuw.  Erik vraagt aan Sanne of zij hem niet een cassette kan sturen met enkele liedjes die zij heeft ingezongen. Dat worden onder andere Een vriend van Margriet Hermans en een liedje van Micha Marah. Na het beluisteren, neemt Erik meteen contact op met Sanne, want hij droomt er al jaren van een duet op te nemen met een goede zangeres, maar de geschikte stem daarvoor heeft hij tot nu toe niet gevonden. Erik nodigt Sanne thuis uit en samen beluisteren zij enkele nummers en bespreken een eventuele samenwerking die er ook heel vlug komt, want Erik had tijdens een vakantie in Joegoslavië Dome Moj van Meri Cetinic opgepikt, in 1989 de inzending voor het liedjesfestival in Split, zeg maar de “Baccarabeker” van de Balkan. Meri is een zeer populaire zangeres, in Split geboren, nu gelegen in het huidige Kroatië. Samen met Willy Smets had Erik de tekst  voor Veel te mooi klaargestoomd. Erik zingt Sanne het liedje eerst voor en meteen na hem mag zij inpikken. Er wordt vrij snel beslist dat zij gaan samenwerken en Veel te mooi als duet gaan inzingen in de studio. Op weg naar die bewuste studio voelt Sanne zich zeer onwennig, op van de zenuwen. Zij moet overgeven, ziet er lijkbleek uit en voelt zich naar Erik toe nogal onaantrekkelijk. Maar die angst blijkt ongegrond, want na een take of twee is Veel te mooi een feit. De single wordt meteen door het publiek opgepikt. Acht weken lang voeren Erik en Sanne de Vlaamse Top Tien aan, negen weken na mekaar op één in de hitlijst van “Tien om te Zien”, één week op één in VTM’s “Super Top Vijftig”, goed voor méér dan zeventigduizend verkochte exemplaren. Voor Erik en Sanne worden het drukke maanden van veel interviews weggeven en optreden, soms tot acht keer in één weekend. Achter de schermen wordt het snel duidelijk dat Erik en Sanne twee handen op één buik zijn. Niet alleen muzikaal, maar ook mentaal kunnen zij het goed met elkaar vinden. Zij groeien snel naar elkaar toe en worden verliefd. Voor Erik geen gemakkelijk periode, want hij wil zijn huwelijk niet zomaar overboord gooien. Maar de liefde overwint alles en daarop vormen zij geen uitzondering. Voor de roddelpers zijn zij hét ideale koppel, een hapklare brok. In een interview met Humo zei Sanne daar een tijdje later het volgende over:  “Voordat onze relatie een item werd in de pers, was er nog nooit op zo’n manier over het privéleven van Vlaamse artiesten geschreven. Wie met wie omging, daar werd voordien niets over gemeld, al was het nog zo bekend in het milieu. Dat soort schroom leggen journalisten nu alleen nog aan de dag voor homorelaties in de Vlaamse showbizz. Iedereen weet wie homo is en zich als hetero voordoet, maar daar wordt met geen woord over gerept”.  Wanneer zij in 1990 hun eerste hit scoren is Erik negenendertig en Sanne achttien. Het cliché een oude bok lust wel eens een groen blaadje duikt meermaals op in de media. Het was snel gegaan. In november 1989 ontmoeten zij elkaar voor het eerst. Iets later nemen zij Veel te mooi op. Wanneer dat tegen de zomer van 1990 een dikke hit is, moeten zij in het weekend haast constant ergens optreden. Zij zien elkaar heel vaak en groeien snel naar elkaar toe. Mama Denotté is de eerste die het in de gaten heeft en praat er met Sanne over. Maar de liefde tussen Erik en Sanne groeit zo snel en wordt zo sterk dat zij het niet willen verbergen, ook niet voor de pers. In de maanden september en oktober van 1990 duiken zij om de haverklap in de boekjes op. Erik heeft het er moeilijk mee omdat hij gehuwd is en twee kinderen heeft. Wat hem en Sanne overkomt, schrijft hij nadien van zich af in liedjes als Nooit meer bang en Schim in dit huis. Marc Van Caelenberg voelt hen erg goed aan en verwoordt hun gevoelens perfect in de liedjes Ademloos en Huis aan het water die hij voor hen schrijft. Het zijn liedjes die Erik tot de mooiste uit zijn repertoire rekent.

Na het succes van Veel te mooi is er de door Erik gezongen single Het spijt me, een vertaling van het nummer  Oprosti, in 1990 in Joegoslavië een hit voor Doris Dragovic. De dertiende oktober 1990 staat Erik met Het spijt me op één in de Vlaamse Top Tien, wat hij samen met Sanne twee maanden later nog eens overdoet met Aan mijn darling dat wij in Vlaanderen voordien al kenden in de originele versie van Will Tura. In 1990 duikt Sanne op in de Oost-Vlaamse ploeg tijdens de Baccarabeker in Middelkerke. Zij vormt samen met The Sunriders en Bert De Corte een hecht team. De winnende ploeg wordt Brabant bestaande uit B.J. Scott, Eleonor Bernair en Samantha Gilles. Dat jaar krijgt Sanne van VTM een “Gouden Oog” als populairste zangeres van dat moment, nadat zij van Radio 2 tijdens Zomerhit de trofee kreeg voor het beste debuut van het voorbije jaar.

Na hun eerste lading hits nemen Erik en Sanne in 1991 in alle vriendschap afscheid van Assekrem en stappen over naar BMG/RCA. Ze gaan meteen aan de slag met de opnames van Sannes eerste soloalbum “Veel liever” waarvan Erik de producer is. Het album, opgenomen in de Studio Spell van Cees De Wit in het Nederlandse Weert, verschijnt reeds in 1991. Gearrangeerd wordt er door Jerome Munafo en Theo Breuls die eerder zijn stiel had geleerd bij Telstar onder de dominante vleugels van Johnny Hoes. Erik schrijft speciaal voor haar O liefste, samen met Willy Smets Plaats in mijn leven en met Marc Van Caelenberg het schattige Martijn. Er wordt ook vertaald, songs van Betsy Cook en Linda Thompson, van Jackson Browne, Rodney Crowell en Zrinko Tutic. Een gouden hit is weggelegd voor hun nummer één duet Aan mijn darling van Will Tura, gevolgd door Oostendse wind dat als single onthaald wordt op een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien tijdens de lente van 1991.

Maar BMG dringt ook meteen aan op een album met hun tweetjes en dat wordt in 1991 “Mee met de zon”. Duetten en sololiedjes wisselen elkaar af. Er wordt onder aanvoering van Erik als producer opnieuw opgenomen in Studio Spell in Weert met als muzikanten onder andere: Theo Breuls, Eric Melaerts en Jerôme Munafo. Naast de bestaande fanclub van Erik  “Vriendenkring Erik Van Neygen” in Drongen, komt er nu ook een fanclub van Sanne. In 1991 wordt er nog eens lekker gescoord wanneer Erik en Sanne het duet Alles gaat voorbij opnemen dat in 1970 in Duitsland als Alles geht vorbei een succes was geweest voor Jürgen Renfordt. De veertiende december staan Erik en Sanne op vier in de Vlaamse Top Tien. Het jaar daarop stijgen zij eveneens naar vier, deze keer met Wat je diep treft, opnieuw een nummer van Erik’s idool Will Tura. Tura had in Vlaanderen in de jaren zeventig al gescoord met dit nummer.

In 1993 brengt Sanne op het BMG label het album “Details” uit, ook deze keer opgenomen in Studio Spell in het Nederlandse Weert. Erik neemt alweer de productie voor zijn rekening en vertrouwt de arrangementen met veel plezier en vertrouwen toe aan Theo Breuls. Er wordt een aardig stukje gecoverd: liedjes van Rodney Crowell, Zrinko Tutic, Hugh Moffat en Charlie Black. De Nederlandse teksten zijn van de hand van Marc Van Caelenberg. Er staan ook nieuwe liedjes op zoals Leentje en Zet aan dat ding. Het kan niet anders of Sanne zingt enkele duetten samen met Erik zoals Verdronken Vlinder van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, op single goed voor een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. Een dijk van een hitsingle uit dat album wordt Het huis dat tussen rozen stond, oorspronkelijk een Italiaans liedje van Adriano Celentano Il ragazzo della via Gluck. Adriano nam dit al op in 1966 en het werd het jaar nadien een Franse klassieker in de versie van Françoise Hardy als La maison ou j’ai grandi. De zesde maart 1993 schittert Sanne met haar versie op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Je voetstap wordt de tweede single uit dit album waarmee Sanne in de zomer van dat jaar tot op drie belandt in de Vlaamse hitlijsten. Vrij snel verschijnt het jaar nadien haar derde solo album “Zand”, eveneens opgenomen in Studio Spell in Weert met ook deze keer Erik als producer. Marc Van Caelenberg en Erik reiken een rist nieuwe songs aan zoals Het zandkasteel, Welterusten, Moe, De kolderzolder en Vrede is. Er wordt uiteraard ook vertaald zoals Ik zag haar ik zag jou, oorspronkelijk Boulevard de la Madeleine en in die versie een succes voor The Moody Blues. Leuk is Sannes versie van Ik zou wel ‘s willen weten van Jules De Corte en haar fel gesmaakte cover van de Franse hit Céline van Hugues Aufray. Eenmaal op single uitgebracht staat dit liedje de achtste oktober 1994 op twee in de Vlaamse Top Tien. In 1995 is het verzamelen geblazen wanneer hun bekendste successen gecompileerd worden op het album “Veel te mooi, de mooiste Erik & Sanne”.

Om hun relatie extra in te kleuren, geven Erik en Sanne op achtentwintig oktober 1996 hun ja-woord. Hun liefde werd het jaar voordien, de vijfentwintigste oktober, bekroond met de geboorte van hun dochter Maartje. Er wordt ook een nieuw album geboren “In één woord”. Never change a winning team and a winning place, dus er wordt ook deze keer in Weert opgenomen met Erik aan de knoppen en Theo Breuls als arrangeur. Erik Melaerts tokkelt mee op de gitaar, Berni Bovens is de drummer van dienst en er is de vocale steun van onder andere het kinderkoor Avanti. Van de hand van Claude Lemesle vertalen Erik en Marc Van Caelenberg Lange weg dat de eerste singlekeuze wordt, goed voor een tiende plaats in de Vlaamse Top Tien. Pal in de hitroos schiet Sanne met haar versie van The power of love, de  zesentwintigste augustus 1996 goed voor de hoogste notering in de Vlaamse hitlijsten. Van Land van ons twee hangt er intussen thuis een gouden versie tegen de muur, net als trouwens van het duettenalbum “Mee met de zon”, het album “De mooiste van Erik en Sanne”, “Vertrouwen” en “De Fantastische Expeditie” en platinum voor “Details” en “Veel liever”. Op datzelfde album durft Sanne het ook aan haar eigen interpretatie neer te zetten van Ziggy dat wij eerder al kenden in de uitvoering van Céline Dion. Dochter Maartje vindt dit tot nu zowat het mooiste liedje dat haar moeder ooit op plaat heeft gezet. Als kroon op dit alles scoren Erik en Sanne in 1997 nog eens lekker met De laatste bolero, twee jaar voordien in Duitsland als Der letzte Bolero een stevige hit voor Die Flippers. Een schlager, dat wel, al slagen Erik en Sanne erin het net een niveau hoger te tillen. Misschien een beetje overbodig, maar voor de fans leuk meegenomen, is het album “Live” dat datzelfde jaar in de rekken ligt, met daarop live versies van songs als De Colores, Mijn enige hoop, De Canadees en Blijf nog even. “In één woord” is ook de titel van de theatertournee waarmee Sanne in 1997 door Vlaanderen trekt. Het jaar nadien klopt Studio 100 bij haar aan om te vragen of Sanne de hoofdrol niet wil vertolken in de musicalversie van “Sneeuwwitje”. Tekst en muziek worden geleverd door Hans Bourlon, Gert Verhulst, Dannie Verbiest en Johan vanden Eede. Medespelers worden onder andere Aimé Anthoni, Frank Aendenboom en Anne Mie Gils. Een overtrokken verhaal in de pers is het feit dat Sanne op een bepaald moment in de musical een intieme kus moet delen met collega-acteur Chris Van Tongelen. Zij vindt de manier waarop dit moet gebeuren niet passend in een kindermusical en weigert dit. De media smullen ervan.  Kathleen Aerts, die wij kennen als lid van K3, zal een paar keer haar rol overnemen.  In de pers wordt Sanne een tijdlang als een preutse tante afgeschilderd overdreven afgeschermd door haar echtgenoot. Jaren later kijkt Sanne met de nodige afstand op dit voorval terug. Om het met haar eigen woorden te zeggen: “Toen ik Erik in het begin leerde kennen werd ik afgeschilderd als een lolita, een hoertje,  en plots word ik tot de meest preutse non van Vlaanderen gebombardeerd!” Voor haar was deze periode erg zwaar, zowel mentaal als fysiek. Sanne heeft een dubbele hernia en speelt met behulp van injecties nog enkele voorstellingen maar moet dan noodgedwongen stoppen. Het wordt even stil rond hen, heel stil. Enkel de populaire animatiefilm “Anastasia” van 20th Century Fox waarbij Sanne het jaar voordien reeds de opnames deed en met plezier haar stem leende aan het hoofdpersonage Anastasia, komt in deze periode in de cinemazalen en later op DVD. Ons leek het bij de release vreemd, maar in 1998 besluit de marketingafdeling van BMG Sanne in de cd-reeks “Face to Face” te koppelen aan Johan Verminnen, twintig tracks in het totaal, tussen beide artiesten eerlijk verdeeld.

Voor hun nieuw album “Onderweg” kloppen Erik en Sanne in 1999 eens aan bij een stel andere muzikanten: Rik Aerts, Rens Van der Zalm, die al op de eerste plaat van Erik meespeelde,  Thierry Crommen, Paul De Poorter en het strijkkwartet van Mark Steylaerts. Opgenomen wordt er in de maand april  in de “Arts Sound Studio” in Helchteren. Er worden ook enkele liedjes afgeleverd door Marc Vanhie die wij nog kennen als boegbeeld van de popgroep The Bet. Meer dan behoorlijk gedraaid bij Radio 2 is het folkgetinte duetje De Wilford van Marc Hauman waarvoor er graag in het dialect gezongen wordt. In 2000 is het tijd om Sanne te verzamelen. Dat gebeurt op het album “Tien Sanne”, het beste uit tien jaar Sanne. Als toetje is er voor de fans en voor wie het lust de hitmedley met daarin Martijn, Zeg het aan niemand, Domenico en Je voetstap.

Ook al draagt Sanne net als Erik het Nederlands zeer hoog in haar vaandel toch komt er in 2003 een anderstalig album, opgenomen in de Motormusic studio in Koningshooikt. Dat wordt “Cowboy’s Sweetheart”. Erik had Virgin platenbaas Firmin Michiels het voorstel gedaan een album op te nemen met Sanne, eventueel in het Engels, Frans, … waarbij ze zouden samenwerken met iemand uit het rock- of folkgenre, bijvoorbeeld Roland Van Campenhout. Firmin was onmiddellijk enthousiast en belde Roland tijdens deze eerste bespreking meteen op. “Fantastisch! Dat doe ik graag!”, antwoordde Roland zonder nadenken. Voor deze plaat kreeg Sanne ook de muzikale steun van Marc Bonne, Michel Bisceglia, Wigbert Van Lierde, Yannic Fonderie en Nico Schepers. Erik had in 2000 al aangekondigd dat zij genoeg duetten hadden gezongen en dat het stilaan tijd werd dat Sanne eens een andere kant van haar kunnen liet horen. Sanne had het al een hele tijd moeilijk met het feit dat hun duetten, vaak heel rustige country- of folk getinte ballades, bijna stuk voor stuk hits werden, en hierdoor door de media onlosmakelijk als schlagers werden beschouwd. Alsof een hit in Vlaanderen in de jaren 90 of 2000 enkel schlager kan zijn. Ze vond dit ook erg voor Erik terwijl hij toch in het verleden de zanger was van de betere liedjes en teksten. De titelsong Cowboy’s Sweetheart is van de hand van Bob Miller en Patsy Montana. Daarnaast zingt Sanne songs van onder meer Mac David, Emmylou Harris, Hank Cochran, Buffy Saint-Marie en Georges Delerue. Opvallend is ook dat er in ‘t Frans, Le tourbillon, en zelfs in het Turks wordt gezongen. Dat laatste omdat zij op school bevriend was met een Turks meisje die haar het liedje Elimde Sise aanleerde. De platenfirma brengt de plaat naar de radio met een witte hoes, zonder foto, alleen de titel. Naar de zangeres hebben de radiojongens even het raden. Aanvankelijk uit iedereen lovende kritiek, maar wanneer bekend wordt dat het Sanne is die zingt, zijn de meningen plots verdeeld. Het album geraakt in de Ultra Top Vijftig niet hoger dan de veertigste plaats en is na twee weken al uit die hitlijst verdwenen. “Wat vooroordelen al niet kunnen doen, hé!” lacht Sanne en gaat verder met waarmee ze op dat moment samen met onder andere manlief bezig is, namelijk de hommageconcerten “Ann Christy 20 jaar later”, georganiseerd naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het overlijden van Ann Christy.

In 2004 verschijnt tijdens de maand november op het Assekrem label de verzamelaar “Wijsjes, walsen en bolero’s oftwel 15 jaar alle hits”, de bekendste duetten van Erik en Sanne. Die plaat wordt zo goed onthaald dat Erik en Sanne besluiten opnieuw samen te gaan optreden.  Naar aanleiding van hun vijftienjarige carrière als duo wordt er de tiende september 2005 op de Grote Markt in Sint-Niklaas uitbundig gevierd in het gezelschap van Miek & Roel, Roland, Liesbeth Liszt en Bart Herman.

En verzamelen doen ze maar al te graag ten huize Van Neygen. In de maand juni van 2006 verschijnt er op het AMC label de cd “Vroeger en nu volume 1″, een eerste selectie waarin wordt teruggeblikt op de voorbije zestien jaar. Daarop geeft Erik in het boekje dat bij die cd hoort toe dat tijdens dat eerste optreden van Sanne in Puurs, zij hem een gesigneerde foto vroeg en dat hij toen per vergissing de foto opdroeg aan Sanny. Enkele weken later stond zij opnieuw aan zijn kleedkamer met de vraag nog eens een foto voor haar te signeren, maar dan opgedragen aan Sanne. Hij eindigt ook met te vermelden dat het een ongelooflijk geschenk is om met zo’n ongeslepen parel als Sanne te mogen zingen en … te leven! Zestien liedjes staan op dat album om dit te onderstrepen, beginnend met Koop van alles tot en met Drunken sailor, een cover van deze traditional, in de sixties al opgefrist door Ferre Grignard. Omdat de reacties lovend zijn, koppelt Sanne daar in de maand november van 2006 het vervolg aan vast “Vroeger en nu volume twee” met ook nu weer zestien liedjes, deze keer beginnend met Weer naar huis om in schoonheid af te ronden met Away in a manger, een van de oudste kerstklassiekers. Dochter Maartje is op deze plaat samen met papa en mama te horen in Een kindeke lag. Sanne mag deze keer een woordje plaatsen en schrijft: “Plotseling besef ik dat mijn liedjes van iedereen zijn. Dat mensen er gelukkig van worden. Dat sommige liedjes bij iemand, die ik niet persoonlijk ken, herinneringen oproepen. Herinneringen die niet de mijne zijn. En dan word ik ontzettend nieuwsgierig…Ik kan echt genieten van verhalen en herinneringen van mensen. Dus doe me een plezier, schrijf of mail me jouw verhaal. Ik wil ze echt horen!”

Om stevig door te kunnen stappen, noteren wij in 2008 het album “Parfum Tzigane”. Getroffen door de muziek van de film Gadjo Dilo dromen Erik en Sanne ervan om een plaat te maken in de gipsysfeer, vooral na het samen schrijven van het nummer Kleine Maartje waarbij Erik onmiddellijk een arrangement met echte zigeunermuzikanten in zijn hoofd hoort. Via het Roemeens huis in Brussel komen ze dan terecht bij Raluca Patuleanu, die hen het kruim van de in België verblijvende Hongaarse en Roemeense zigeunermuzikanten leert kennen. Erik, die de productie doet laat zich assisteren door de getalenteerde Wigbert Van Lierde en trekt met de ganse bende, zes muzikanten sterk, naar studio Motormusic in Koningshooikt.  Voor Erik wordt dit zowat zijn levenswerk. Alles moet wijken voor dit project. Zijn zigeunermuzikanten kunnen een fantastische sfeer neerzetten – als ze er zin in hebben – maar niet allen zijn ze klassiek opgeleid en dus moet er ontelbare uren gerepeteerd worden om de nummers feilloos op plaat en op het podium te kunnen neerzetten. Deze periode vergt erg veel van hem en die stress zal hem nadien nog nadelig parten spelen. Het valt op dat Sanne intussen de pen ter hand heeft genomen en samen met haar man naarstig nummers heeft geschreven voor deze toch wel aparte plaat. Oh Maria wordt als lokkertje in de markt gezet. De respons op het album is méér dan behoorlijk al is het toch wel even wennen na al die speelse en lichtvoetige liedjes van voordien. Toch keren zij de rug niet naar hun vorig repertoire, integendeel. Erik lust van huis uit graag een portie degelijke schlagers en is in de wolken, want hij mag tijdens het Schlagerfestival op 3, 4 en 5 april 2009 in de “Ethias Arena” van Hasselt de affiche delen met zijn idool Will Tura met voorts op de affiche Laura Lynn, Willy Sommers, Christoff en De Romeo’s.

Erik en Sanne waren intussen scheep gegaan met Patrick Vandewattijne, een tijdlang manager geweest van Laura Lynn. Die zorgt ervoor dat zij nauw gaan samenwerken met producer Phil Sterman. Er wordt opgenomen in de Cook Studio met muzikanten als Eric Melaerts, Jean Blaute, Vincent Pierins en Frank De Ruyter. Patrick houdt eraan als single uit te pakken met een cover van Nacht kommt die Erinnerung van de Duitse schlagerzanger Herman Frey. ‘s Nachts komt de herinnering wordt als voorbode van het  album  “Vertrouwen” in de markt gezet. Maar het ongeluk loert dan al om de hoek. Na de terugkeer uit Frankrijk van een tiendaagse vakantie wordt Erik de elfde juli 2009 ‘s ochtends getroffen door een hersenbloeding. Hij wordt in allerijl opgenomen in het ziekenhuis waarna hij dringend aan rust toe is. Intense revalidatie moet ervoor zorgen dat hij snel weer beter wordt.  Op dat moment beslissen Erik en Sanne het na de zomer qua optredens rustiger aan te doen. Ondanks al die tegenslagen ligt de vijftiende september hun nieuw album “Vertrouwen” in de winkel als extraatje bij het weekblad Story. Voor een meerprijs van € 6,90 krijgen de Storylezers het gloednieuwe album van E&S. Méér dan 10.000 lezers schaffen zich het album aan. Nadien komt het ook nog aan full price in de winkels. Erik en Sanne zijn weer hot en in het Stadhuis van Sint-Niklaas krijgen ze een gouden album uitgereikt.  Er wordt op dit album aardig gecoverd, onder andere Ich zeige dir mein Paradies van Andrea Jürgens, Ein Leben lang van Helmut Frey, Zwei weisse Pferde van Nic en de titelsong Vertrouwen is een vertaling van Vertrauen van de Kastelruther Spatzen.  Erik en Sanne trekken voor heel even duidelijk de kaart van het lichtere genre. Wat niemand verwachtte, gebeurt toch. In de zomer van 2010 wordt Erik tijdens een optreden in Gits getroffen door een tweede hersenbloeding. Tien dagen na mekaar hadden zij daar opgetreden. Na die nieuwe bloeding was Erik toch naar Zuid-Frankrijk afgezakt, maar daar voelde hij dat het zo niet verder kon. Terug thuis stellen de dokters op een scan vast dat er zich een tweede bloeding heeft voorgedaan, op een andere plaats dan de eerste keer, ditmaal ten gevolge van een gesprongen cavernoom. Erik moet elke vorm van spanning vermijden. In de maand september beslissen Erik en Sanne na rijp overleg definitief met optredens te stoppen, maar houden dat nog even stil omdat zij in de maand november de unieke kans krijgen aangeboden in Amerika te gaan opnemen en die kans wil Erik met beide handen aanpakken. Zij gaan opnemen in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin, Texas met als producer Carrie Rodriguez. Weg zijn de schlagers, er wordt duidelijk gekozen voor countrygetinte songs zoals Jas met duizend kleuren van Dolly Parton, Jouw naam van Chip Taylor en De wind in het riet van Graham Parsons. Ook Sanne en Erik reiken liedjes aan samen met Willy Smets en Marc Van Caelenberg. Er wordt zelfs een nieuwe versie van Veel te mooi ingeblikt. Erik en Sanne worden in de studio omringd door gerenomeerde sessiemuzikanten zoals Luke Jacobs, Brannen Temple, Joel Guzman en violiste Carrie Rodriguez. Zij is in hoofdzaak een singer songwriter, dochter van countryster David Rodriguez en kent het klappen van de zweep. Het album “De fantastische expeditie”  wordt de twaalfde juni 2012 aan de pers voorgesteld. Na een tijdje melden Erik en Sanne op hun website met de nodige trots aan hun fans dat het album méér dan tienduizend keer aan de man werd gebracht.

Zondag de dertigste september 2012 geven Sanne en Erik in “De Roma” in Borgerhout hun laatste optreden. De zaal zit nokvol. Zij laten zich omringen door een aantal bekenden waaronder Miek en Roel, soliste Carrie Rodriguez samen met gitarist Luke Jacobs. Ook dochter Maartje mag heel even laten horen dat zij voor een groot deel de stem van haar mama heeft geërfd. Vanaf nu zijn hun ogen gericht op de carrière van hun dochter. Op hun eigen ENS (Erik en Sanne) label, opgericht in 2004, verdeeld door CNR, brengt Maartje Van Neygen haar album “Eerste dauw” uit. Erik heeft de productie volledig in handen genomen en opgenomen wordt er in de studio van Phil Sterman. Het eerdere in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin opgenomen My Songbird wordt eveneens aan het album toegevoegd. Erik mag dan zelf niet meer optreden, schrijven doet hij nog steeds samen met zijn echtgenote. Zij leveren beiden het merendeel van de nummers. Erik zal voortaan ook het management van Maartje voeren. De vurigste droom is dat zijn dochter het in de muziekwereld zal waarmaken en dat Sanne op haar beslissing terugkomt en opnieuw zal optreden, al is het in duet met hun dochter! Dat konden wij de 31ste februari 2014 al meemaken in “De Lork” in Boortmeerbeek waar Maartje een van haar eerste concerten zong daarbij op het podium vergezeld door mama Sanne. We hoeven niet te vertellen dat het publiek dolgelukkig reageerde. Of dit naar méér smaakt, laten wij voorlopig in het midden, want Sanne is en blijft eigenzinnig in haar beslissing, al heeft zij hier en daar al laten horen: “Zeg nooit, nooit!”

En ja hoor, zij keert terug naar het podium, voor even toch.  Op 14 maart 2015 is het precies 25 jaar geleden dat Erik en Sanne hun doorbraak-hit Veel te mooi opnamen. Voor Erik vooral mag dit niet zomaar ongemerkt voorbijgaan. 28 en 30 april staan hij en Sanne op het podium van het Sportpaleis in Antwerpen tijdens “Houden van… Griffelrock” met vijfentwintig liedjes die we met z’n allen kennen en voor een groot deel kunnen meezingen: Het huis dat tussen rozen stond, Land van ons twee, Aan mijn darling, Ticket naar Eden en natuurlijk Veel te mooi. Erik en Sanne nodigen ook een aantal collega’s uit waaronder: John Terra, Heintje, Jo Vally, presentator Luc Appermont en natuurlijk hun dochter Maartje Van Neygen.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

Luc Steeno

Luc werd de achtentwintigste juni 1964 in Leuven geboren in een gezin van drie kinderen: hij, een tien maanden jongere broer en een zus die pas zestien jaar later arriveert. Over een nakomertje gesproken. Papa had een tuinbouwbedrijf, een erfenis van zijn vader: groenten kweken voert de boventoon. Niet alleen mama hielp mee in het bedrijf, ook de kinderen staken regelmatig een handje toe. Luc herinnert zich nog goed dat er thuis naast praten over groenten vaak en veel naar muziek werd geluisterd, waarbij Radio 2 dé favoriete zender was. Er klonk dus veel Vlaamse muziek ten huize van Steeno. Papa had geen tijd om platen te kopen, maar wanneer Luc twaalf wordt en naar aanleiding van zijn plechtige communie een platendraaier cadeau krijgt, worden de eerste singles en elpees gekocht, en laat de eerste plaat er toch geen van Will Tura zijn, van die dag af het grootste idool van Luc. Ook de platen van Marva en Willy Sommers vallen bij hem in de smaak. Luc gaat niet alleen naar liveoptredens van Will Tura kijken, maar zingt thuis luidruchtig mee met de liedjes van zijn idool met een haarkam als microfoon, pal voor de spiegel, om toch maar te zien dat hij zich ook vlot beweegt.

 

Lagere school loopt hij in zijn geboortedorp Haasrode, Oud-Heverlee, om nadien naar de Paters Jozefieten aan de Oude Markt in Leuven te trekken om daar aan het Drievuldigheidscollege de middelbare school te volgen, richting economie-moderne talen. Luc is een jaar of negentien wanneer er notenleer op zijn menu verschijnt. Hij volgt pianoles privé, maar een echte virtuoos zit er niet in. Die lessen verliepen nogal stroef. Luc mag dan ostentatief dwepen met Nederlandstalige liedjes, de hits van Boney M., ABBA en The Dolly Dots gaan bij hem ook vlotjes naar binnen. In de loop van de jaren tachtig worden playback- en soundmixshows almaar belangrijker. Wie zich toen als zanger wilde profileren, moest via hier de revue passeren. In 1985 zet het tienerblad Joepie “Talent ’85″ op het getouw. Luc schrijft zich in en wordt met zijn versie van Tura’s Vergeet Barbara finalist. Het jaar nadien is er de “Story Soundmixshow”. Luc had toen al in het Leuvense een bescheiden bekendheid opgebouwd als imitator van Will Tura. Om zijn show te verfijnen, gaat hij op zoek naar een volgspot. In het krantje Passe-Partout ziet hij een annonce van een verkoper die, zo blijkt tijdens een gesprek, het geluid verzorgt voor de soundmixshow die Story organiseert. Die man tipt Luc Steeno dat ze genoeg kandidaten hebben, maar dat er te weinig Nederlandse liedjes in het aanbod zitten. Luc ziet het meteen zitten om zich in te schrijven. Die man neemt contact op met het organisatiebureau Benelux, dat de show ondersteunt, én met presentatrice Micha Marah, en de deal is geklonken. Luc stoot na de voorronde en de halve finale in mei 1986 door naar de finale in het Alpheusdal in Berchem en wint die finale met zijn vertolking van Vergeet Barbara. In het kielzog daarvan volgen een hele rist optredens in de Storykaravaan, is er een platencontract bij Telstar én… moet Luc onder de wapens. Hij wordt ingelijfd bij de luchtmacht, waar hij dienstdoet als chauffeur van wacht gekazerneerd in Brustem bij Sint-Truiden. Een tijdje later wordt hij overgeplaatst naar het munitiedepot in Meerdaal, een paar kilometer van zijn ouderlijk huis verwijderd. Wanneer Luc dringend moet optreden, zorgt zijn commandant ervoor dat hij verlof krijgt. Al bij al wordt zijn legerdienst geen al te groot struikelblok in zijn nog prille carrière. In augustus mag hij zijn eerste plaatje opnemen, Hoe lang blijft liefde duren. De maand nadien ligt zijn allereerste single in de winkel, een liedje dat Will Tura speciaal voor Luc had geschreven op tekst van Jeroen Lecompte. Plaatselijk wordt het plaatje een succes, maar daar blijft het bij. De opvolger Iets grijzer, iets wijzer, een nummer van John Terra, slaat wél aan! Voor de volgende single stapt Luc over naar platenfirma Centropa, waar hij een nummer van Frank Michael vertaalt, Als ik het vond. Luc is iets later te gast in het programma “Te Bed of Niet Te Bed” van Jos Ghysen.

En kijk, zijn carrière krijgt daardoor een flinke boost. Guy Beyers, de toenmalige echtgenoot van Micha Marah, wordt de manager van Luc. Guy laat Luc een Duits liedje van Jean Frankfurter coveren, Ich brauch’ dich jeden Tag ein bisschen mehr, een toenmalige hit van Andy Borg, door Guy vertaald als Ik mis je elke dag een beetje meer. Guy had de originele geluidsband gekocht. Luc is niet zo wild van die keuze, maar Guy dringt aan en het nummer wordt toch op single uitgebracht. Het is meteen raak, vooral dankzij een optreden in “Tien om te Zien”, waarmee VTM in 1989 haar start niet gemist had.

De carrière van Luc is gelanceerd. Die van Sandra Kim, die bij hetzelfde artiestenbureau als Luc zit, is tanende. Waarom haar bekende naam niet aan die van Luc gekoppeld? Het kan hun carrière alleen maar van pas komen. Gekozen wordt voor een oude hit van Amen Corner uit 1968, Bend me, shape me, vertaald als Bel me, schrijf me. Luc wordt in september 1990 door het Belgisch koningshuis uitgenodigd om samen met Sandra te komen zingen tijdens de viering “40 – 60″, een muzikale hommage aan wijlen koning Boudewijn. Ze brengen Ik hou van mijn land, J’aime mon pays, een liedje dat Sandra Kim al eerder op een van haar albums had gezet. Dit is voor hen beiden qua publiciteit meer dan meegenomen. Pa en ma Steeno zijn apetrots. Met die wind in de zeilen brengt Luc in het najaar van 1990 het album Wat moet ik zonder jou op de markt in een productie van Pino Marchese, Luigi Bongiovanni en Stan Verbeeck met daaruit als singlekeuzes: Voor jou, geschreven door Salim Seghers, Liefde is en de knaller Holiday. Dat liedje had Luc tijdens een vakantie in Mallorca meegepikt. Je hoorde dat ginder in haast elke discotheek en het was oorspronkelijk een hit van de Duitse zanger Klaus Densow, die er op dat moment als Holi-Holiday een vakantiehit mee scoorde. Een deel van dat succes herhaalt Luc wanneer hij twee jaar later door Mark Uytterhoeven voor diens tv-programma “Het Huis van Wantrouwen” wordt gevraagd een parodie op dat nummer te zingen. Luc brengt in de laatste aflevering een aangepaste versie van Holiday met de slagzin Yo de mannen yo, een van de vele kreten die in dat programma gelanceerd werden. Luc scoort er een voltreffer mee. Tussendoor worden lk leef voor jou alleen en het duet Niets is mij teveel, dat hij samen met Micha Marah zingt, met aardig wat bijval op single uitgebracht.

In de zomer van 1992 krijgt Luc van Radio 2 de “Zomerhittrofee” voor zijn wellicht grootste hit Hij speelde accordeon, een nummer geschreven door John Terra op tekst van Jan Theys. Bij de release mag Luc meteen optreden in het programma “Ochtendkuren” van Luc Verschueren en Dirk Somers én de hittrein is alweer vertrokken. Acht weken na elkaar voert Luc de Vlaamse Top Tien aan. De dertiende juni staat hij daar al op één. In de Ultra Top 50 staat hij de vijfentwintigste juli op tien. Dat zal voor de rest van zijn carrière daarin zijn hoogste notering blijven. Nadien is het de inmiddels betreurde Bart Van den Bossche die Luc aan zijn volgende single mag helpen, Ik geef je alles.

Om in 1993 zijn album “Liefde wint het toch altijd” oogverblindend aan te prijzen, verzint zijn manager Guy Beyers een mediastunt. Samen met zijn collega’s Luc Caals, Marleen en Micha Marah vliegt Luc met de verzamelde pers op zaterdag de zestiende oktober naar het Egyptische Hurghada om daar in een nomadenkamp onder een loodzware zon en tussen de kamelen zijn album te lanceren. Hurghada is een toeristische trekpleister aan de Rode Zee die in de reisbrochures als “The Red Sea Riviera where the sun shines the year around” wordt aangeprezen. Leuk meegenomen voor de reisorganisator die de hele stunt bekostigt. Met Marleen zingt Luc op dat album het duet Een zomer ging voorbij, er is de titelsong Liefde wint het toch altijd, geschreven door Salim Seghers, en dé absolute uitschieter Ga dan, dat Luc voor het eerst had gehoord in het café “La Dolce” in Brussel. Het is de patron die Luc met het nummer …Dann geh doch van de Duitse zanger Howard Carpendale laat kennismaken, die daar in 1978 al een hit mee had gescoord. Op tekst van Guy Beyers wordt het een van de grootste hits die Luc zal scoren, een blijver ook! Luc viert iets later zijn vijfjarige carrière met een geslaagd optreden in de Elisabethzaal in Antwerpen met als eregast Will Tura. Vervolgens is er in 1994 de single De Rode Duivels gaan naar Amerika. Achteraf volgens Luc een gemiste kans. John Terra had een erg leuke melodie geschreven, alleen werd het fout geproduceerd. Qua ritme té opgeklopt. Hadden ze het wat rustiger verpakt, dan had er volgens Luc een grotere hit in gezeten.

Luc wil de touwtjes almaar meer in eigen handen houden. Hij zet zich voor zijn nieuw album “Liedje(s) van de liefde” samen met Miguel Wiels aan het schrijven. Het openingsnummer heet niet voor niets Met twee. Opgenomen wordt er in de BSB Studio in Brussel. Pino Marchese neemt de arrangementen voor zijn rekening en Marc François de mixing. Er staat ook een liedje van Pierre Kartner op, Dat zomerse gevoel, maar het meest beklijvend is en blijft Africa Hakuna Matata. Luc had in Kenia een aantal natuurparken bezocht en wilde die indrukken in een liedje vertalen en voorgoed vasthouden. Samen met zijn manager Guy Beyers komt Luc tot een akkoord dat hij naar een andere platenfirma mag overstappen. Zij zijn wat op elkaar uitgekeken. Dat wordt Play That Beat, bekend door hun producties met artiesten zoals Get Ready en Mama’s Jasje. De zoon van Guy, Ilia, wordt Lucs nieuwe manager. Luc wil aan kwaliteit winnen, meer tijd in de studio doorbrengen, langer aan de nummers sleutelen, hij wil cd-hoesjes met daarop de liedjesteksten enzovoorts. Een onbetaalbare zet op dat moment in de carrière van Luc qua exposure wordt het moment waarop hij in het najaar van 1996 mag meedoen aan het megasuccesvolle TV1-programma “Het Swingpaleis” met aan het roer de legendarische Felice, alias Dré Steemans. Vijf dames nemen het al zingend, gekscherend, provocerend… op tegen vijf heren. Luc ontpopt zich in dit team als een sympathieke, vlotte gast met wie je gezellig een avondje kunt stappen. Luc weet zijn wat houterige gedrag en zijn stroefheid van zich af te schudden op het moment dat de camera aanstaat. We leren hem kennen als een goedlachse kerel die plezier maken hoog in het vaandel draagt.

De eerste single bij Play That Beat wordt De molen op het plein, een song van John Terra waarmee gepoogd wordt een schlager af te leveren, maar dan een met iets meer inhoud dan gewoonlijk. De reacties zijn echter matig. De volgende single wordt a lucky shot, eentje waar ze snel bij moeten zijn. Frank Michael staat in 1997 torenhoog in de Waalse hitlijsten met Toutes les femmes sont belles. Lucs platenfirma weet dat ook Danny Fabry plannen heeft om dat nummer te vertalen en dus wordt er in zeven haasten naar een nieuwe studio overgestapt, The Groove in Schelle onder aanvoering van Peter Bulkens, waar Mooi zijn alle vrouwen wordt opgenomen op tekst van de in die tijd drukbezette Marc Van Caelenberg. Luc is in de wolken, want zijn versie wordt razendsnel met goud bekroond. Er volgt in de loop van 1998 het album “Geen dag meer zonder jou”, dat in Rome aan de pers wordt voorgesteld, kwestie van qua release in het oog en het oor te blijven springen, met daarop een paar covers zoals A la Espagnola van John Terra en Hopeloos van Will Tura. Marc Van Caelenberg vertaalt ook de Duitse hit Mädchen mit den traurigen Augen van Bata Illic uit 1976 als Dan gaan de lichten aan. Ook dat nummer wordt op single een succes.

Wat die Duitse hits betreft. In 1991 had Harry Thomas, de toenmalige gangmaker achter het Duitse “Schlagerfestival” in Kerkrade in Nederland en manager van onder meer Dennie Christian, geprobeerd de carrière van Luc Steeno bij onze oosterburen op gang te trekken. Luc neemt een Duitse versie op van Hij speelde accordeon, treedt daarmee op tijdens het festival, maar nadien heeft hij daar nooit meer iets van gehoord, voor een groot deel waarschijnlijk te wijten aan het feit dat Harry op het einde van 1991 plots overleed. Luc, die van snelle wagens houdt, ontsnapt de elfde november 1996 aan de fatale gevolgen van een zware slipper en wordt tijdens de nacht van de achtentwintigste maart 1999 in het centrum van Brussel het slachtoffer van een heuse carjacking. Iets nadien wordt naar aanleiding van tien jaar Luc Steeno in een productie van John Terra in The Groove het album Elke dag denk ik aan jou ingeblikt: twaalf nummers, waaronder als aardigheidje een Engelstalige cover van To know him is to love him van Phil Spector en voor het overige liedjes aangereikt door Roland Verlooven, Peter Van Laet en uiteraard John Terra, die op dat moment veel liedjes samen met Daniel Ditmar schrijft. Er worden uit dat album een sliert singles gelicht: Zonder jou, Eleonore, Geen vreemde meer, Elke dag denk ik aan jou, Zeven dagen lang en Wanneer.

We schrijven het jaar 2000. “Tien om te Zien” is gestopt en vele Vlaamse artiesten merken dat aan hun platenverkoop. Play That Beat gaat zwaar schrappen in zijn artiestenstal. Bart Kaëll, Willy Sommers en Luc Steeno moeten op zoek naar een andere platenbaas. Samen met Ilia Beyers richt Luc een eigen label op, BSM (Beyers-Steeno-Music), maar dat wordt zoekwerk om de juiste muzikale balans te vinden. Zij brengen enkele singletjes uit zoals In Marbella en Alicia Madonna bella, maar hoogvliegers worden het niet. In 2001 maakt Luc Steeno samen met enkele BV’s deel uit van een speciale editie van “Big Brother”. Tot het team behoren onder meer Brigitta Callens, Jean-Pierre Van Rossem, Sam Gooris, Eddy Planckaert en Harry Van Barneveld. In 2002 sluit Steeno een platendeal met Warner Brothers. Die stellen Eric Melaerts als producer aan, die wel wat ziet in het vertalen van een handvol hits uit de jaren zestig: J’entends siffler le train van Richard Anthony, Oasis van Toto Cutugno, Bachelor boy van Cliff Richard, Ma belle amie van Tee Set, maar ook covers van Vlaamse klassiekers, waaronder Als je de taal van de liefde verstaat, Samen een straatje om en Annemarie. In de maanden maart en april van dat jaar trekt Luc met een liveshow naar de culturele centra van onder meer Bornem, Tongeren, De Schakel in Waregem en De Minnepoort in Leuven. Luc mag dan wel opnemen met de meest gerenommeerde studiomuzikanten, het verhoopte succes blijft uit. Zij blijven qua repertoirekeuze té ver uit de buurt van de geijkte Steenoformule: de schlagergevoelige liedjes blijven uit en dat weet Luc ook wel! Ilia Beyers kan het niet langer aanzien en zet eindelijk zijn idee waarmee hij al een tijdje rondloopt, op de rails: een album afleveren waaraan meegewerkt wordt door drie bekende zangers, een muzikaal triootje dus. De keuze valt op Willy Sommers en Lisa del Bo, onder het toeziend oog van Piet Roelen, de bekende manager van onder meer Helmut Lotti, die als goede vriend van Ilia en Lisa zijn schouders onder dit project wil zetten. Mieke, Freddy Breck en Dennie Christian hadden het hun jaren voordien als gelegenheidstrio al voorgedaan, het is een formule die werkt. Als titel van het album dat in 2003 wordt gelanceerd, wordt gekozen voor “De Mooiste Duetten & Meer” met daarop versies van Islands in the stream, Cinderella Rockefella, Sun of Jamaica, Vluchten kan niet meer, Sing C’est la vie... Voor de productie staat Peter Koelewijn in, die de jaren voordien voor Piet Roelen de cd-reeks “Lotti Goes Classic” had geproduceerd.

De vijftiende januari 2005 viert Luc zijn vijftiende jaar als succesvol artiest in Vlaanderen. Luc heeft snel door dat hij op de hittrein die het “Schlagerfestival” van VTM blijkt te worden, moet stappen. De dertigste en eenendertigste maart en de eerste april van 2007 gaat in de Ethias Arena in Hasselt dat schlagerfestival van start. Twee jaar later staat Luc opnieuw op de affiche en sindsdien is hij zogoed als onlosmakelijk met dit festival verbonden. In 2009 vindt hij de tijd meer dan rijp om het album “20 jaar Luc Steeno” uit te brengen met daarop zevenendertig van zijn grootste hits, beginnend met Leun maar op mij tot en met Alicia Madonna bella, verdeeld over twee cd’s.

Intussen heeft de nieuwe baas van Universal België, Patrick Busschots, Luc aan het werk gehoord en wil hem koste wat het kost in zijn platenstal, ook al huist Luc op dat moment nog bij CNR, waarvoor hij het liedje Neem me een keer in je armen heeft opgenomen, een vertaling van Mes mains sur tes hanches, dat snel een nummer één wordt in de Vlaamse Top Tien. De tweeëntwintigste januari 2011 staat Luc bovenaan. Hij wil dolgraag als concept een cd uitbrengen met uitsluitend vertalingen van hits van Salvatore Adamo, maar CNR aarzelt en… ARS gaat met de idee en het album lopen, dat wordt ingeblikt in een productie van Phil Sterman. Het merendeel van de vertalingen is van de hand van Lieve Decock, de echtgenote van Phil. Op de luxe-editie van “Luc Steeno zingt Adamo” vertolkt Luc zestien vertalingen van bekende Adamoklassiekers zoals C’est ma vie, Les filles du bord de mer, Petit bonheur, Inch’ Allah en Amour perdu. Dit album zal uiteindelijk singles opleveren als Jij alleen, waarmee Luc de vijfentwintigste februari 2012 op de tweede plaats van de Vlaamse Top Tien belandt, M’n klein geluk, goed voor een nummer één, en Ik hield van jou. In de pers lezen we links en rechts dat dit een Luc Steenoproduct is geworden “hors catégorie”. De videoclip van Jij alleen, een vertaling van C’est ma vie, die hij opneemt met onder anderen Lindsay en de dames Sugarfree als attractieve ruggensteun, wordt een van de favoriete clips bij Ment TV. De zestiende maart 2013 staat Luc op één in de Vlaamse Top Tien met Ik voel me goed, een vertaling van Freedom come, freedom go, ooit een hit voor The Fortunes. In de slipstream van het Adamoalbum verschijnt in de maand mei van 2013 op aanraden van zijn manager Ilia Beyers de cd “Luc Steeno zingt Claude François” met daarop vertalingen van hits zoals Cette année-, Le mal aimé, Chanson populaire, Même si tu revenais, en er is ook een Clo Clo Medley. Het album duikt begin mei meteen de Ultratop Album Vijftig binnen en vat daar post op de vierde plaats. In het totaal zou de cd meer dan twee en een halve maand in die lijst genoteerd blijven. Als single valt de keuze op Het wordt nooit meer als toen, een vertaling van J’y pense et puis j’oublie, dat op zijn beurt een vertaling is van de Amerikaanse song It comes and goes van Burl Ives. De keuze viel op het repertoire van Clo-Clo omdat het in 2013 vijfendertig jaar geleden was dat deze Franse megaster plots om het leven kwam.

 

In 2014 staat de viering vijftig jaar Luc Steeno in de steigers. Luc hoopt dat hij bij ARS kan en mag blijven, maar dat hangt van de nieuwe directie af. De achtentwintigste juni, de dag dat hij vijftig wordt, geeft Luc in CC “De Zandloper” in Wemmel een jubileumconcert om zijn verjaardag extra glans bij te zetten en dit feest vooral met zijn fans te kunnen delen. Hij weet intussen van zichzelf na al die jaren wel dat hij niet de beste zanger in Vlaanderen is, maar wel dat hij tot de beste entertainers in ons land behoort, hij weet hoe hij een volle zaal op zijn hand moet krijgen. Zelf dweept hij met mooie zangstemmen. Hij koopt niet alleen hun cd’s, maar staat er ook op om hen live aan het werk te zien: Barbra Streisand, Whitney Houston, Céline Dion en Lara Fabian. In een gulzige droom Luc een duet met die dames laten zingen? Daar zouden wij met zijn allen een prachtig verhaal aan overhouden. Doen dus!

De zevenentwintigste mei 2014 lanceert Luc zijn nieuwste single Diep in je ogen, die hij tot verrassing van velen uitbrengt als duet samen met Laura Lynn. Het is de vertaling van Oh mi amor van Tony Christie. Hij kondigt bij de release aan dat hij het tijdens de zomermaanden op diverse Vlaamse podia samen met haar zal zingen. Luc viert de achtentwintigste juni zijn vijftigste verjaardag en brengt naar aanleiding daarvan het album “25 jaar hits” uit, een cd met daarop twee bonustracks én vijf nieuwe nummers, waaronder Diep in je ogen, dat op dit album ook in een soloversie te beluisteren is. Niet zo’n meevaller voor Luc wordt de release van Dicht bij jou, een nummer van Alan Ward en Will Tura, waarmee Luc slechts tot op de tweeëntwintigste plaats in de Vlaamse Top 50 geraakt.

Op zijn website laat Luc tijdig weten dat hij zondag de elfde januari 2015 speciaal voor zijn fans in “Hotel Courtyard” in Brussel een nieuwjaarsbrunch organiseert met daaraan gekoppeld een exclusief optreden. Wij lezen ook dat hij de zeven-, acht- en negenentwintigste maart en de vierde april zal optreden tijdens het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt. Begin 2015 stapt Luc over naar een nieuwe platenfirma, het ‘Vlaamse Sterren’-label van CNR Records. Samen met Luc’s management Globe Entertainment beloven zij garant te staan voor een mooi muzikaal vervolg op Luc’s eerdere succesalbums “Luc Steeno Zingt Adamo” (2012), “Luc Steeno Zingt Claude François” (2013) en zijn jubileumalbum “25 Jaar Hits” dat vorig jaar verscheen. Het eerste wapenfeit van de nieuwe samenwerking is Luc’s nieuwe zomersingle De Zomer Van Je Leven. Kenners horen er wellicht meteen het nummer La Camisa Negravan Juanes in terug. Het originele nummer werd een grote hit in 2004, met de hulp van Bart Herman schreef Luc er een nieuwe zomerse tekst voor en producer Phil Sterman zorgde voor een geslaagd arrangement. De dertiende juni noteren we Luc op de zesde plaats in de Vlaamse Top Vijftig en de vierde juli op de eenentwintigste plaats in de Radio 2 Top Dertig.

Woensdag de 24ste juni 2015 wordt in het gezelschap van Will Tura tijdens een persconferentie in Blankenberge de cd “Vlaanderen zingt Tura” voorgesteld. Speciaal voor dit album neemt Luc een cover op van Tura’s hit Speel Bouzouki.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Bart Van den Bossche

Ben je op zoek naar blije, vlotte liedjes, dan kun je altijd terecht bij Bart Van den Bossche. Meezingers, meedeiners, het lijkt alsof hij ze zo uit de mouw kon schudden. Johan Verminnen speelde ooit een belangrijke rol in zijn carrière, waarover zo meteen meer! Hij wordt soms vergeleken met de vader van het Franse chanson, Charles Trenet, ook wel “le fou chantant” genoemd. Charles was iemand die het moest hebben van speelse liedjes als Il y a d’la joie en Boum, een liedje dat Bart trouwens zou vertalen. Dat gekke, dat speelse vinden we ook terug in Barts grootste hit De heuveltjes van Erika, al stemde die associatie hem niet altijd vrolijk, alsof er nooit een ernstige noot in zijn liedjes klinkt. Dit verhaal om dat eindelijk recht te zetten.

Bart werd de zeventiende april 1964 in Oostende geboren. Papa was eerst onderwijzer en nadien verzekeringsinspecteur en moest voor zijn werk met zijn gezin in Kortrijk gaan wonen. Het gezin is drie kinderen rijk. Bart heeft nog een oudere broer en een oudere zus. Het was Barts oudere broer die veel platen kocht, vooral folkgetint. De nieuwe albums van onder meer Neil Young, Jim Croce, Donovan, Joan Baez, Pink Floyd, Uriah Heep, maar ook de elpees van Boudewijn de Groot en Zjef Vanuytsel. In de plaatselijke bibliotheek ontdekt Bart het repertoire van Bob Dylan en Steely Dan. Hij ging elke zaterdagochtend vijf elpees lenen waarmee hij een week zoet was. Op die manier leerde hij veel genres en artiesten kennen en legde hij onbewust de basis voor zijn latere carrière. Wat hem vooral aansprak waren liveconcerten. Thuis hadden ze een steengoede hifi-installatie, opgesteld in een aparte kamer, en daar kwamen die opnamen tot hun volste recht.

In het Sint-Amandscollege in Kortrijk volgt hij eerst de lagere school en aansluitend de afdeling Latijn-wetenschappen (met de hakken net over de sloot) en maakt tussendoor tijd vrij voor muziekles. In die periode leert hij op de academie niet alleen notenleer, maar ook gitaar spelen en begint hij zijn eerste liedjes te schrijven. Op school ontmoet hij vrienden die zonder muzikale opleiding op een amateuristische manier met de gitaar omspringen, met een plectrum tokkelen (wat op de academie verboden is) en die hun eigen songs schrijven en vooral dat laatste spreekt Bart erg aan. Dat is ook het moment dat hij met zijn schoolmaat Reinout Van de Putte het duo Sheppherd opricht. Liedjes in het Engels zingen was toen de boodschap. Gillende meiden maakten het merendeel van hun publiek uit en dat lustten zij wel. Na zijn middelbare school wil Bart dolgraag naar het Herman Teirlinck Instituut. Hij wil zanger worden, live optreden, maar merkt snel dat je daar de nodige bagage voor nodig hebt. Pa en het PMS zien hem echter liever naar het conservatorium in Brussel gaan om daar een theateropleiding te volgen. Op die manier krijgt hij een diploma op zak en kan nadien lesgeven. Hij trekt dan maar naar het toelatingsexamen met Senne Rouffaer als voorzitter van de jury en wordt samen met twee medestudenten aanvaard. Na één jaar haakt Bart af omdat hij té moe was tijdens de les. Hij ging in Leuven tot in de vroege ochtend werken om geld te verdienen. Hij maakt vervolgens een ommetje via de K.U.L. waar hij als vrije student de richting kunstgeschiedenis volgt. Hij was zijn leven lang al gebiologeerd door kunst, vooral door de renaissanceperiode. Na dat jaar belandt hij in 1986 uiteindelijk waar hij thuishoort, het Herman Teirlinck Instituut, waar hij les krijgt van onder anderen Raymond Van het Groenewoud en Johan Verminnen. Bij hem in de klas zitten Stef Bos, Michael Pas, Filip Peeters, Ingeborg en Peter Van Den Begin. Op zekere dag organiseert Raymond samen met zijn studenten een soort try-out, een programma waarin elk zijn liedjes mag brengen. Raymond nodigt kennissen en familieleden uit en ook enkele mensen uit de platenindustrie. Alleen, de studenten zijn hier niet van op de hoogte. Na de voorstelling wordt Bart aangesproken door Paul Govaerts die met hem een plaatje wil opnemen. Hij wil een van de liedjes die hij heeft gehoord Overstuur meteen inblikken. Bart had dat geschreven terwijl hij op school op de piano zat te improviseren,  het vloeide als het ware uit zijn pen. Paul staat erop dat zij Verminnen als producer vragen en die gaat onmiddellijk akkoord. Met veel hoempapa en in een soort fanfarestijl wordt Overstuur ingeblikt met de muzikale steun van enkele vrienden van Verminnen: Bert Candries en Walter Ertvelt. Het plaatje wordt in de media goed ontvangen, maar bereikt geen enkele hitlijst.

Ook al had hij zichzelf beloofd nooit mee te doen aan liedjeswedstrijden, toch laat Bart zich verleiden om in 1988 deel te nemen aan de “Baccarabeker” in het “Casino van Middelkerke”. Johan Verminnen is coach van de Brabantse ploeg bestaande uit Angie Dylan, Alain Tant (van Luna Twist) en een Spaans duo dat in laatste instantie afhaakt. Johan komt bij Bart aankloppen of hij hem niet uit de nood wil helpen. De West-Vlaamse ploeg met daarin Ingeborg, Clouseau en Phil Graveyard gaat met de overwinning lopen. Ingeborg krijgt eveneens de personalityprijs. Bart zorgt dat hij zich vooral in de kijker zingt.

Samen met Angie Dylan, Ingeborg en Clouseau zien we Bart Van den Bossche een jaar later bij de VRT opduiken in de editie van “Eurosong”. Bart eindigt daar samen met Anne Mie Gils op een gedeelde derde plaats. Hij brengt het door hemzelf geschreven De kracht van een lied. Tijdens die haast legendarische uitzending wordt Clouseau tweede met Anne, meteen ook de start van hun fenomenale carrière, en Ingeborg wint met Door de wind waarbij ze vocaal in de achtergrond gesteund wordt door haar toenmalige partner Stef Bos. De zesde mei 1989 staat Ingeborg in het Zwitserse Lausanne tijdens de 34ste editie van het “Eurovisiesongfestival” Door de wind te kwelen. Zij eindigt negentiende. De groep Riva gaat voor Joegoslavië met de overwinning lopen dankzij het liedje Rock me. Net als Overstuur levert De kracht van een lied Bart ook deze keer een radiohit op.

Wat we niet mogen vergeten te vertellen, is dat Bart een tijdlang close met Stef Bos heeft samengewerkt. Op zoek naar werk kwamen zij op de idee als cabaretgroep De verschrikkelijke ventjes een programma in mekaar te knutselen en dat werd “Wachten op Heidi”. Zo’n programma moest anderhalf uur duren en dus werden er ook liedjes gezongen. Ze hadden snel door dat er twee sterke ego’s samen op één podium stonden en dat dat niet kon blijven duren. Vrij snel gaan ze nadien elk hun eigen weg. Radio 2-producer Erik Strieleman heeft Bart aan het werk gezien en vraagt hem deel uit te maken van het team van het populaire ochtendprogramma “De ochtendploeg”. Hij gaat ook reportages maken voor de Radio 1-programma’s “Het Vermoeden” met Betty Mellaerts aan het roer en “Het Vrije Westen” gepresenteerd door onder anderen Bruno Wyndaele en Geertje De Ceuleneer.

In 1990 stelt Bart sneu vast dat hij zonder platencontract zit en toch zijn liedjes wil vereeuwigen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en belt Walter Ertvelt op, dan al bekend als producer van artiesten als Claire, Ann Christy, Johan Verminnen, Hans De Booij enzovoort. Er wordt rond de tafel en de piano gezeten en besloten aan de slag te gaan met als resultaat een platencontract bij CNR en een eerste single Ga met me mee waarvoor ook deze keer Johan Verminnen als producer wordt aangetrokken. De zevende september 1991 walst Bart met dit liedje door de Vlaamse Top Tien naar de tweede plaats. Zijn geluk kan niet op, want de aanvragen om op te treden stromen binnen. Hij is ook trots dat hij met dit singletje tot op de negentiende plaats in de Top Dertig geraakt. Ga met me mee schreef Bart op het eiland Kreta tijdens een vakantie met zijn vriendin. Hij had haar eerst lief gevraagd of hij zich een namiddag mocht afzonderen om in zijn eentje in een smoorverliefde bui zijn gevoelens in een tekst en melodie te vereeuwigen. Noot: dat lief wordt iets later gedurende vijftien jaar zijn eerste vrouw en samen zullen ze vier kinderen krijgen: Arno, Toto, Kobe en Milly. Terug thuis is hij doodverlegen om dit nummer aan iemand te laten horen: nogal oppervlakkig en lichtvoetig qua tekst en dat dan nog eens verwerkt in een walsende meezinger. Op aanraden van Johan Verminnen wordt het zijn eerste keuze uit een lichting nieuwe liedjes. Ga met me mee wordt door Radio 2 in 1991 tijdens “Zomerhit” ook nog eens extra gelauwerd. Het was zo dat Bart Ik blijf bij jou als A-kant had geschreven en dat Ga met me mee de B-kant zou worden. Maar daar wilde de toenmalige baas van CNR niets van weten. Er wordt dan de deal gemaakt dat Ga met me mee eerst op single verschijnt en dat Ik blijf bij jou de opvolger wordt. Deze slow bereikt de vijftiende februari 1992 de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien. Opgelet dat je dit nummer niet verwart met de gelijknamige single van Günther Neefs. Bart schreef dit liedje toen hij na een afmattend optreden laat in de nacht thuiskwam, nog vol adrenaline, en bij het drinken van een glas wijn zijn emoties in dat nummer kwijt kon. Ga met me mee zal in 2000 in Nederland een hit worden in de versie van Jop die het als Jij bent de zon op single uitbrengt.

Beide nummers zijn terug te vinden op het in 1992 als een soort best of uitgebrachte allereerste album “Bouillon de charme” in een gezamenlijke productie van Johan Verminnen, Walter Ertvelt en Bert Candries. Opgenomen wordt er in de loop van de maand december 1991 in Studio Impuls met Marc Maerschalck als technicus en in Studio Powertone in Mechelen. Qua muzikanten treden Tars Lootens, Stoy Stoffelen, Dany Caen en Johan Vandendriessche voor het voetlicht. Van dat album gaan méér dan vijftienduizend exemplaren de deur uit, gelijk goed voor goud. Een rist liedjes schrijft Bart samen met onder anderen Bert Candries, Johan Verminnen en Patrick Hiketick. Vlot gedraaid op de radio worden Opa is gek en Saartje zeventeen, maar de absolute uitschieter op dit album is de intussen tot klassieker gebombardeerde De Heuveltjes van Erika waarvoor Zaki de tekst mocht aanreiken. Zaki had die doorgespeeld aan Walter Ertvelt die het iets later doormailt naar Bart. Had Bart tijdens zijn opleiding nooit een cabaretvorming genoten, dan had hij dit zeker nooit ingeblikt. Die flikkerende, fonkelende tekst inspireerde Bart meteen tot die blije, opgewekte melodie die hij in amper een kwartier tijd bij mekaar schreef. Het liedje heeft Bart opgenomen als een parodie op de schlagerliedjes, op de carnavalhits. Vandaar dat het gelegenheidskoortje zich tijdens de opname lekker mag laten gaan. Dat koortje bestaat onder meer uit Peter Van Den Begin en Stef Bos. Voor hen was dat toen “erover”, muzikaal gezien kon dit eigenlijk niet door de beugel, maar parodiërend zit het precies op zijn plaats. Alleen: noch de platenfirma, noch het publiek heeft het nadien zo begrepen en is dit liedje op de een of andere manier foutief aan Bart blijven kleven. “Tien om te Zien” likkebaarde omdat hij bij hen op het podium stond.

Op een bepaald moment maakt Johan Verminnen de vergelijking tussen Charles Trenet en Bart Van den Bossche en schotelt hem een liedje voor van deze Franse chansonnier Boum waarvan Bart op zijn beurt een rockende versie maakt. Johan en Walter Ertvelt knutselen en frutselen samen met Bart aan de tekst en zetten iets later Boem als single in de markt. De 22ste mei 1993 prijkt Bart ermee op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien en de negentiende juni op de negenendertigste in de Top Vijftig. Bart merkt tijdens zijn liveoptredens dat ook dit melodietje er bij het publiek ingaat als zoete koek. Datzelfde jaar verschijnt zijn tweede album “Wakker”, opgenomen in Studio Impuls in Herent en Studio Crescendo in Genk, met ook deze keer als producers Johan Verminnen, Bert Candries en Walter Ertvelt. Bert mag ook voor de arrangementen zorgen. Bart schrijft in zijn eentje liedjes als: Mieke Moeke, Arno, De Boom, Vergeten te leven en De Gokker en schrijft voor de rest samen met Johan en Walter. Muzikaal wordt er op deze plaat intens samengewerkt met Roland Van Campenhout die graag zijn gitaren en bluesharp laat klinken. Drie singles pogen de Top Tien te bereiken: De Boom, Arno en De Sprookjeswet, maar Bart moet vaststellen dat hij zijn greep op die Vlaamse Top Tien stilaan verloren heeft. Arno, een liedje opgedragen aan zijn zoon, laat Bart nog op zijn fuifbest horen, maar de overige twee klinken erg beheerst. Het is blijkbaar zoeken naar de juiste formule.  Bart had zich de twee jaren voordien niet zo goed gevoeld in het milieu van “Tien om te Zien” en dito tv-programma’s. Hij heeft vaak genoeg zijn hits staan playbacken in discotheken en zo, maar hij heeft een degelijke opleiding genoten en kan die daar niet kwijt. Hij wil bewust de andere kant uit en voelt snel dat hij daardoor aan populariteit moet inboeten, de hitlijsten een beetje vaarwelzeggen. Samen met Verminnen en Ertvelt wordt besloten de poenpakkerij achterwege te laten en zich te concentreren op de toekomst, op een carrière die wat langer kan meegaan met als doel theatertournees en optredens met een degelijke band. Oktober 1993 trekt Bart naar de zalen met de theatershow “Wakker”.

Bart voelt aan dat er een kleinkunstrevival in de lucht hangt en pakt tijdens “Boterhammen in het park” uit met een rist kleinkunstklassiekers die hij daar brengt. Het publiek is dolenthousiast. Hij verzamelt die liedjes in het programma “Bart & De Bosschen van Vlaanderen” met daarin parels uit een kwarteeuw Nederlandstalige pop en chanson. Hij zingt liedjes als Jan Klaassen de trompetter, Hop Marlène, Jimmy, Blanche en z’n peird en Houten kop. Ambiance moest vooropstaan. Bart gaat de uitdaging zelfs aan met zijn groep in cafés te gaan spelen tot in de vroege uurtjes. De “Gentse Feesten” zien hem met deze formule graag langskomen. Hij zal daar vier jaar na mekaar de Korenmarkt platspelen. Hij was daarmee Mama’s Jasje een straatlengte voor al zijn die zo slim dat wél op plaat uit te brengen en is het voor Bart natuurlijk te laat om die nummers nog in te blikken. Een gemiste kans, zo blijkt achteraf. In 1995 zijn er de singles ‘k Heb bijna alles waarin hij op een reggaeritme zijn geluk van dat moment uitzingt én De zee met telkens Leo Caerts jr. op accordeon en Stoy Stoffelen op drums. Geboren worden in Oostende en elk jaar met je ouders naar zee trekken, moest uitmonden in het alleszeggende De zee. Die liedjes belanden beide op het album “Kermis in de hel”. Verminnen haakt bewust af omdat hij vindt dat Bart op eigen vleugels moet leren vliegen. Bart is blij, want hij wil eindelijk wel eens zijn eigen visie doordrukken en zijn eigen muzikanten ook eens laten meespelen. Er wordt opgenomen in “Bert’s Studio”. De productie is in handen van Rudi Genbrugge die ook de arrangementen voor zijn rekening neemt. Het album blinkt uit door een contrastrijke keuze, een beetje manisch-depressief. Bewust schrijft hij het liedje Als ik het niet meer weet om zich tijdens een dip aan te kunnen optrekken. Een voltreffer uit dit album wordt Oh Jolie, tekst en muziek van Bart himself. Het heette aanvankelijk Oh Marie, maar dat vond Bart te plat. Hij dacht tijdens het schrijven aan cajun en de songs van Daniel Lanois en diens hit Ma jolie Louise, en zodoende. Vreemd genoeg beperkt dat succes zich tot de radio en zijn liveoptredens. De Vlaamse Top Tien blijft ook nu buiten bereik.

Juni 1995 tekent Bart een contract bij VTM. Hij is op zoek naar een vast inkomen, een contract dat wat geld oplevert. Vanaf de zesde februari 1996 duikt hij bij VTM op in het programma “Videodinges”, de Vlaamse versie van “America’s Funniest Home Videos”. Dat programma was in 1990 al gestart met Frank Dingenen, nadien dus afgelost door Bart. Samen met Bert Candries schrijft Bart een nieuwe begingeneriek die hij ook zelf zingt. Hij zal dit programma blijven presenteren tot in 2004 wanneer het door VTM wordt afgevoerd. Vooraf had Bart een gesprek met Johan Verminnen en die raadde hem vaderlijk en wijselijk af toe te zeggen. Hij waarschuwde Bart dat alle culturele centra zouden afhaken. Bart kiest voor de zekerheid, voor het geld, waardoor hij zijn kinderen een beter bestaan kan gunnen en zich eindelijk een nieuwe auto kan aanschaffen en niet nog eens een aftandse tweedehands. Deemoedig moet Bart achteraf het hoofd buigen en toegeven dat Verminnen gelijk had. Vele zogeheten culturele instanties haken af. Iemand die voor VTM werkt en dan nog “Videodinges” presenteert, kleurt niet ernstig genoeg om in hun centra op te treden. In ons interview geeft hij eerlijk toe dat hij het met deze wetenschap in zijn achterhoofd nooit meer zou doen. Dit is en blijft een duistere pagina in zijn dagboek, een foute zet. Bart heeft al het vertrouwen waaraan hij jaren had gewerkt in enkele rake klappen verloren. En na een tijdje geraken ook de centen op. Gelukkig heeft hij er een bescheiden woning aan overgehouden, een vast onderdak voor zijn gezin. In het najaar van 1996 brengt hij het door hemzelf geschreven Ik heb je pijn gedaan op single uit. In de Ultratip zit er een zeventiende plaats in, maar toen voelde Bart al aan dat de Vlaamse Top Tien deze keer ver uit de buurt zou blijven. In 1997 wordt het verzamelalbum “Gouden momenten” uitgebracht. Hem wordt gevraagd dat jaar het Gordellied te leveren. In het VTM-programma “Vlaanderen Boven” fungeert hij tijdens de drie zomermaanden als vliegende reporter. April 1998 ligt de verzamelaar “Gouden Momenten volume 2″ in de winkel.

Zijn samenwerking met Walter Ertvelt wordt afgerond. Intussen heeft Bart al intens gewerkt aan wat volgens hem zijn mooiste album ooit moet worden: “Het houdt nooit op”. De productie is deze keer in handen van Rudi Genbrugge en de plaats van opname wordt “GR Statements” in Berchem. Eind december 1997 duikt Bart de studio in tot ergens eind januari 1998. Hij komt naar buiten met elf degelijke songs. In het bijhorende boekje schrijft hij ter verduidelijking: “Het gebeurt niet vaak dat een platenbaas je zegt dat je een cd mag maken zoals je het zelf wilt. Geen druk om hits te scoren, geen herhaling van vroegere hits, gewoon een mooi geheel met songs om naar te luisteren. Zo’n kans is een zegen voor elke liedjesmaker. Ik denk dat we woord hebben gehouden. Het is geen gemakkelijke bevalling geweest, want er was geen excuus meer. Wat u nu in uw handen hebt, is het beste dat wij op dit moment met de middelen waarover we beschikken, kunnen maken. Ik ben enorm trots op de muzikanten en iedereen die zijn ziel in dit kleinood heeft gestoken. Ik hoop dat ook uw ziel er niet onbewogen bij blijft en dat het nooit mag ophouden.” Die muzikanten zijn onder meer: Jean-Philippe Komac, Mirko Banovic, Jo Mahieu, Mark Vanhie, Peter Van Woensel en Paul Van Laere. Bart zet zich aan het schrijven samen met Rudi Genbrugge die de muziek en de arrangementen aanreikt. De sfeer is er eentje van een jazzy intimiteit waarbij de muzikanten volledig tot hun recht kunnen en mogen komen. Bart ruimt op dit album plaats in om Blanche en zijn peird van Willem Vermandere op te nemen en covert Moeilijk van The Scabs. Een liedje dat op radio wordt vertroeteld is Kaakjes dat echter niet op single verschijnt. Die eer vallen Waar woont de liefde, Moeilijk en Het houdt nooit op wel te beurt. Bart kan voortaan geboekt worden via Theaterbureau King.

VTM biedt Bart een nieuw programma aan “Kok & Co”, een kookduel tussen twee BV’s. Vanaf de derde juni 1999 is er bij VTM “De dag van 100.000″ waarin kandidaten de uitdaging aangaan om in één dag honderdduizend frank op een ludieke en extravagante manier uit te geven. De betere Nederlandstalige muziek mag hij aan de man brengen in een programma uitgezonden door “Radio Mango” (eerder een regionale radio in West-Vlaanderen) het tweede radioproject van de Vlaamse Media Maatschappij. Naast Bart kun je daar luisteren naar bekende stemmen als Michel Follet en Anne De Baetzelier. In 2007 wordt de zender opgekocht door Concentra Media Group en omgedoopt tot “Nostalgie”.

Oktober 1999 is er opnieuw een verzamelaar, deze keer “10 jaar Bart Van den Bossche”. Hij gaat bij onze noorderburen langs om daar de coryfeeën Armand en Dimitri van Toren aan te porren samen met hem op tournee te gaan. Niet alleen Vlaanderen mag van hun talent genieten, maar ook Nederland. Iets verderop dat jaar trekt hij rond met Bart Herman, Miek en Roel, Miel Cools en Dimitri van Toren tijdens “De Complete Kleinkunst Collectie Live”. Geen wonder dat hij ons in 2002 trakteert op het album “De zotte avond” met daarop een selectie van zestien klassiekers uit de Lage Landen, gaande van Hallo hier ben ik dan, Ieder met z’n vlag, Wat heb je vandaag op school geleerd, Joke, Tante Emma en Adem mijn adem. Het album, naar een idee van Luc Vander Schelden,  wordt uitgebracht op het Magic-label in een productie van Bert Candries die ook de arrangementen schrijft. Er wordt muziek gemaakt door onder anderen Jo Mahieu, Frank Tomme, Mich Van Hautem, Pascale Michiels, Stef Corbesier en Ivan Vermeer. Op single belanden de liedjes De massa, Jan Klaassen de trompetter, Beestjes en Hallo hier ben ik dan. Ook deze keer blijft de Vlaamse Top Tien telkens buiten bereik. VTM blijft hij trouw. Vanaf juli 2002 praat hij grappige momenten uit hun archief aan mekaar in “Glimmer & Glatter”. Dat jaar is hij ook gestart met zijn event-design-bedrijf “Bravissimo”. Dat bedrijf specialiseert zich in het organiseren van grote feesten voor bedrijven. Events als “De gouden schoen”, “De kristallen fiets” en “100 jaar Neos” zijn enkele van hun grootste realisaties. De meest spraakmakende televisiemomenten zet Van den Bossche op een rij tijdens het programma “Het jaar van Bart De Rijke” op 24 en 31 december 2003.

Een jaar later presenteert hij op dinsdag 20 april 2004 “Houden van…” met op de affiche: Liesbeth List, Jimmy Frey, Willeke Alberti, Jacques Raymond, Johan Stolz, Miek en Roel en dat in een drie uur durende show. Hij doet dat het jaar nadien in “‘t Sportpaleis” van Antwerpen nog eens over met deze keer aan zijn zijde: Miel Cools, Gerard Cox, Nicole & Hugo, Elly & Rikkert, Mieke, de Elegasten, Samantha en Ed Kooyman & Herman Van Haeren. VTM vraagt Bart of hij op het einde van dat jaar het spelprogramma “Puzzeltijd”, naar een idee van Joop van den Ende, voor zijn rekening wil nemen. Hij zal dit tot eind januari 2009 blijven presenteren. In 2006 trekt hij naar het theater met “Midlife!”, een programma dat hij samen met Luc Guinée brengt. Die verzorgt samen met Rudi Genbrugge de muzikale begeleiding. Luc en Bart zijn jarenlang bevriend en stellen hun vriendschap en de waarheid tijdens deze voorstelling scherp in vraag. Dit wordt een schoolvoorbeeld van echt muziektheater. Omdat zijn liedjes aansporen tot meezingen, mag hij in 2008 op 4, 5 en 6 april optreden tijdens het door VTM gelanceerde “Schlagerfestival” in de “Ethias Arena” in Hasselt naast grote namen als: Frans Bauer, Laura Lynn, Garry Hagger, Johnny White, John Terra en Jo Vally. Van 28 juni tot 13 juli schittert Bart in de Vlaamse versie van de dansmusical “Fame”. Hij staat samen met Guillaume Devos en Anne Mie Gils op de planken en dat in Antwerpen, Gent en Oostende. Datzelfde jaar is er de single Embé.

Wanneer Bart wordt gevraagd om als belspelpresentator te worden ingezet, kan hij niet vermoeden dat dit in 2011 met een sisser zal aflopen. Hij hapt gretig toe omdat hij op zoek is naar financiële zekerheid. Hij heeft intussen een nieuwe partner gevonden in Karin Oostens. Hij zorgde met haar voor hun nieuw samengesteld gezin waar naast zijn vier kinderen ook nog de drie kinderen van Karin, Linus, Amber en Maya, deel van uitmaakten. Niets wijst erop dat het belspelletje fout kan lopen, want VTM had groen licht gekregen van de Kansspelcommissie, maar uiteindelijk wordt het uit de ether gehaald nadat in het programma “Basta” beweerd werd dat het spel op bedrog berust. “Basta” was een programma op Eén dat in mekaar werd gebokst door de Neveneffecten: Jonas Geirnaert, Lieven Scheire, Koen De Poorter en Jelle De Beule. De zeventiende januari 2011 besteedden zij aandacht aan het bedrog in belspelletjes. Twee dagen na die uitzending kondigt VTM aan geen belspelletjes meer uit te zenden. Bart is achteraf helemaal niet te spreken over de afluisterpraktijken die de Neveneffecten hanteerden om achter de zogeheten waarheid te komen.

Eind februari 2012 zet Bart nog eens een nieuwe single in de markt, het door hem samen met Rudi Genbrugge geschreven en ook door henzelf geproduceerde Als het maar lekker is. Het liedje is een meezingertje, maar weet het Vlaamse publiek in de verste verte niet te bekoren. In een productie van Patrick Hamilton brengt het accordeonduo The Sunsets samen met Bart einde zomer 2012 een nieuwe versie uit van De heuveltjes van Erika. De tweeëntwintigste september staan ze ermee op zes in de Vlaamse Top Tien en op vijf in de Radio 2 Vlaamse Top Tien.

Totaal onverwacht overlijdt Bart Van den Bossche de zesde januari 2013 aan de gevolgen van een hartslagaderbreuk. Hij is amper 48 jaar. Iets later brengt platenfirma EMI de dubbelaar “Bart Van den Bossche volledig verzameld” op de markt met in het totaal veertig van zijn bekendste liedjes. Walter Ertvelt schrijft als begeleidende tekst: “Bart heeft authentieke, ontroerende liedjes gezongen met het hart van een echte volkszanger die de mensen gaarne zag en als entertainer iedereen een goed gevoel wou meegeven. Herinneringen aan hem zullen in die tijd niet spoorloos verglijden en verdwijnen, want liedjes blijven. Deze verzameling die Bart heeft nagelaten, wordt opgedragen aan: Ilse, Arno, Toto, Kobe en Milly & Karin, Amber, Maya en Linus.”

tekst en research:Marc Brillouet

©2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

De beginjaren van de Vlaamse Nederlandstalige muziek

Je kan dat verhaal beginnen met haast dezelfde woorden zoals de Bijbel begint: “In het begin was er niets” of tenminste zogoed als niets. In de jaren dertig vierden, net zoals in het buitenland, ook bij ons de swing en de bigbands hoogtij. Wij hoefden daar internationaal gezien niet voor onder te doen. Wij mochten in die tijd gerust uitpakken met de bands van Stan Brenders, Jean Omer en Fud Candrix. Stan had zijn stiel bij Fud geleerd en werd in 1936 zelfs aangesteld als dirigent van het NIR Jazzorkest, een job die hij tot 1944 zou behouden. Candrix was afkomstig van Tongeren en was zo goed in zijn vak dat de BBC zelfs op een bepaald moment haar oog op hem lieten vallen. Vanaf 1930 werd de amusementsmuziek, die tot dan toe vooral live viel te genieten, opgeslorpt door de komst van de radio en de grammofoon. Platen werden almaar vaker gekocht, zij het dan nog op 78 toeren. In de betere cafés en restaurants was de eer aan de strijkorkestjes en/of pianisten om de aandacht en het applaus op te strijken, vooral dan met bewerkingen van hoofdzakelijk licht klassieke thema’s zoals operette- en opera-aria’s. Het waren de hoogtijdagen van de tearooms en de salonorkesten. In zalen als de “Ancienne Belgique” in Antwerpen, Gent en Brussel werden revues aan de lopende band op het getouw gezet. Tijdens de zomeruren werd het amusement naar de Belgische kust verlegd met populaire zalen en horecazaken in Blankenberge, Oostende en Knokke.

Over de radio hoorde je in die jaren dertig hoofdzakelijk klassieke muziek, veelal live in de studio’s gespeeld. Een ander belangrijk programmaonderdeel was het “gesproken dagblad”. Vlaamse vedetten die zich in de kijker zongen, waren er nog niet echt. Wij luisterden in die tijd vooral gretig naar Franse chansons. Toen dweepten wij met artiesten als Léo Marjane, Lucienne Boyer, Tino Rossi, Charles Trenet en Alibert en met liedjes als Parlez-moi d’amour, Je suis seul ce soir en Le plus beau tango du monde. Belangrijk op de radio was ook het aandeel van onze zingende noorderburen met voorop Lou Bandy die met Zoek de zon op Vlaanderen luidkeels deed meezingen. Immens populair was ook het Nederlandse orkest The Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman en met als vocale trekpleister de Belgische zanger Marcel Thielemans. Al net zo populair was het orkest The Skymasters onder leiding van Bep Rowold. Ook populair in die tijd was de zingende broer van Lou Bandy, Willy Derby, met meedeiners als Daar bij die molen, Heidewitzka en ‘t Schooiertje. Het meezinggehalte lag hoog en tekstueel werd er vaak met de smartlap geflirt. Ook Louis Davids en zijn zus Heintje passeerden met graagte de Vlaamse huiskamer. Een geval apart was de Joodse zanger Bob Scholte die tijdens de Tweede Wereldoorlog met lede ogen moest aanzien hoe zijn hele familie naar het concentratiekamp in Auschwitz werd gedeporteerd om nooit meer terug te keren. Hij was de enige overlevende en werd bij ons bekend door zijn AVRO-programma “De bonte dinsdagavondtrein” en plaatjes als Twee ogen zo blauw, O Florentijnse nachten en Moeder mijn. Het merendeel van die liedjes waren vertalingen, vreemd genoeg voor die tijd vaak van Duitse origine.

Tijdens de oorlogsjaren hield de vijand er niet van dat er in onze cafés en concertzalen Angelsaksische muziek werd gespeeld, laat staan gezongen. Ook Franse liedjes waren nogal taboe. Vlaamse liedjes mochten dan weer wel en uiteraard Duitse successen. In die oorlogsjaren zocht de Vlaming graag vertier in de bioscoop en daar lieten de Duitsers vooral hun eigen producties toe. De film “Die grosse Liebe” uit 1942 bijvoorbeeld met in de hoofdrol Zarah Leander is een schoolvoorbeeld van Goebbels aanpak om de propagandamachine op volle toeren te laten draaien én natuurlijk dé uitgelezen kans om hun Duitse idolen op het witte doek te laten schitteren. Moeilijk om te begrijpen misschien, maar wij Vlamingen genoten, ondanks hun afkomst, met volle teugen van een Duitse diva als Marika Rökk.

Van Vlaamse muziek was er tijdens die oorlogsjaren weinig sprake. Wie toen professioneel aan de bak kwam, moest natuurlijk zorgen dat er brood op de plank kwam. In opdracht van de Duitsers trokken sommige Vlamingen richting oosterburen. Onze Vlaamse diva La Esterella was zo iemand die, vreemd genoeg, tijdens die jaren veertig vooral in het buitenland furore maakte, vooral bij onze collega’s van de BBC. Pas in de jaren vijftig zou ze, gegangmaakt door uitgever Jean Klüger, aan een heel succesvolle carrière in Vlaanderen beginnen. Zij zong zich gelijk onsterfelijk met Oh Lieve Vrouwe Toren. In 1943 probeerde Bobbejaan Schoepen van zich te laten horen, al profileerde die zich niet uitsluitend als zanger, maar vooral als entertainer, professioneel amuseur. Vier jaar later scoorde hij zijn eerste hit met De jodelende fluiter die ervoor zorgde dat hij de Vlaamse Roy Rogers werd genoemd. De overige collega’s van hem uitten zich eerder als volleerde crooners, al geldt die omschrijving nog het meest voor zangers als Jean Walter die met zijn warme stem en zijn knappe uiterlijk menig Vlaams vrouwenhart in vervoering kon brengen. Hij werd ontdekt door Arthur Mathonet, de toenmalige baas van de “Ancienne Belgique” die hem aan Jacques Klüger voorstelde. Klüger stond erop dat zijn Vlaamse artiesten in hun eigen taal zongen. Jean Walter sloeg meteen aan met liedjes als Tulpen uit Amsterdam, Heel lang en Venetië. Ook zoetgevooisd en een echte chanteur à voix volgens de regels van de Italiaanse belcanto was Bob Benny.  Hij pakte vocaal graag uit met nummers zoals Een gitaar in de nacht, Bij jou was alles zo mooi en Geef aan je vrouwtje. In 1951 brak Will Ferdy door met de schlager Ziede gij me gère, maar drie jaar later gooide hij het roer om door voor het chanson te kiezen op een Franse leest geschoeid. Hij durfde het in 1954 aan Het regent in de straten op plaat te zetten, wat hem een behoorlijke dosis aan populariteit kostte. Maar hij zette door en zou een van onze eerste echte chansonniers worden en blijven. Niet voor niets de “prins van het Vlaamse lied” genoemd, want hij zong erg heimatgebonden nummers, was Jan Verbraeken met liedjes als De stille Kempen en Noordzeestrand. Jan werkte vaak samen met zangeres Yvonne Henneco en met Marcel Hellemans.  Verbraeken werd qua populariteit op de hielen gezeten door de zingende postbode Ray Franky die vooral de danstenten en parochiezalen platkreeg met meedeiners als Oh Heideroosje, Zing signorita zing voor mij en Mi Carmencita. Tekstueel hadden die liedjes niet zoveel om het lijf. Het waren door de bank vaak vertalingen van buitenlandse successen, al groeide er stilaan een lichte voorkeur voor nieuw materiaal.

In 1953 doken de eerste televisietoestellen in Vlaanderen op en werd het NIR de grootste concurrent van onze Vlaamse artiesten. De mensen gingen ‘s avonds niet meer op stap en bleven tijdens de weekends liever in hun luie zetel naar dat nieuwe technische wonder kijken dan in een of andere zaal een revue of bonte avond mee te maken. Een ster die zowat alles aan die tv te danken heeft en zich daar uitstekend thuis voelde, was Jo Leemans. Zij zou zich almaar meer als de diva van de Vlaamse televisie profileren, daarbij geruggesteund door het orkest van Francis Bay met wie zij in Vlaanderen tal van concerten gaf.  In januari 1955 verschijnt in Vlaanderen de eerste hitparade en dat in het tienerblad “Song Parade” met in die allereerste editie op één Geef mij maar Amsterdam gezongen door de Nederlandse koning van de smartlap Johnny Jordaan. Dat tijdschrift “Song Parade”, opgericht door Jan Torfs, werd stiekem gesponsord door producer Albert Van Hoogten van het platenlabel Ronnex. Dat de hitlijsten daardoor enigszins gekleurd klonken, hoeft geen betoog. Torfs vond dit onfair en begon op eigen houtje met het muziekblad “Jukebox” dat in mei 1956 voor de eerste keer in de kiosk lag. Qua titels in de toenmalige hitlijsten was het, vanuit huidig standpunt bekeken, vaak huilen met de pet op: Zet je vanachter, Lowieke, Zeg Thérèse, In ‘t stamcafé en Charel waren de weinig flatterende Vlaamse titels van weinig beklijvende liedjes. Bij de start van de jaren vijftig werd het merendeel van die melodietjes nog op 78 toerenplaten uitgebracht. Stilaan kwam daar verandering in door de komst van de 45 toerenplaat oftewel het singletje. De opkomst van de jukebox werkte die opmars in de hand. Merken als Rock-O-La, Wurlitzer en vooral Seeburg waren helemaal in. Het hek was helemaal van de dam toen Seeburg in 1955 de Select-O-Matic op de markt bracht, een jukebox die thet mogelijk maakte tweehonderd singletjes te stockeren. Daar waar bij het begin van de radio de liveorkesten het voor het zeggen hadden, wonnen de platen almaar meer aan belang. De muziekindustrie had intussen het medium radio ontdekt en probeerde op die manier haar producties beter te promoten. Met de komst van de hitparade hadden ze een houvast om het belang en de impact van hun materiaal te tonen en te laten horen.

Iemand die als het ware aan de jukebox gekluisterd zat, was Will Tura. Net als Schoepen begonnen als een soort jodelend wonderkind, alleen had Will méér zin om in de stijl van Nat King Cole te zingen, maar zijn platenbaas Jean Klüger besliste daar anders over. Will ging vanaf 1957 liedjes coveren van The Everly Brothers en evergreens als Amapola. Achteraf een periode waar hij niet graag op terugblikt. In 1962 is hij zowat het breekpunt in de Vlaamse muziek. Hij schrijft eigenhandig op tekst van Ke Riema dé Vlaamse klassieker bij uitstek Eenzaam zonder jou die hij op aanraden van zijn broer Jean een beetje in de lijzige stijl van Nat King Cole zingt. Met dat plaatje begon Tura niet alleen met de bouw van zijn keizerrijk, maar zette hij een soort mijlpaal neer in de Vlaamse lichte muziek.

In 1959 slaagde een naar België uitgeweken Italiaan erin Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten. Rocco Granata schreef de wereldhit Marina en kon nadien zijn  succes vooral in Duitsland verzilveren met onder meer een kanjer als Buona notte bambino. Het was hij die in de loop van de jaren zestig het als allochtoon aandurfde wat andere platenfirma’s onaangeroerd lieten, namelijk in  zee gaan met artiesten als De Elegasten, Miel Cools, Will Ferdy, Marino Falco en vele anderen. Artiesten die stuk voor stuk kozen voor wat we voorzichtig de “betere Vlaamse muziek” zullen noemen: betere producties, betere teksten, aanleunend bij wat in die tijd snel zou uitmonden in het kleinkunstgenre. Op een bepaald moment ging Rocco zakelijk zelfs samenwerken met Louis Neefs. Louis was ook al op het einde van de jaren vijftig van start gegaan en werd tijdens een crochetwedstrijd door Ke Riema ontdekt die hem op haar beurt voorstelt aan Jacques Klüger. In 1960 weet Louis haast elke Vlaming in te palmen met Mijn dorp in de Kempen en zet vervolgens een rist klassiekers neer om u tegen te zeggen, waaronder Wat een leven, Ik heb zorgen, Jennifer Jennings en Laat ons een bloem.

Sommige zangers durfden het in die tijd aan met Tura in concurrentie  te gaan. Ook al was Jimmy Frey liever voetballer geworden en ambieerde hij nadien een carrière als zanger in Frankrijk, toch slaagde hij er bij zijn terugkeer naar Vlaanderen in hier furore te maken met liedjes als het door Bobbejaan Schoepen geschreven Ik geloof en vooral in 1968 met Zo mooi, zo blond en zo alleen, daarbij gesteund door het talent van Jess & James.  Zowel Louis als Jimmy durfden het ook aan,  en dat in tegenstelling tot Will Tura, deel te nemen aan zangwedstrijden als het “Eurovisiesongfestival” en de nationale selectie voor die populaire liedjeswedstrijd “Canzonissima” die in 1963 op televisie van start ging. De selecties voor “Canzonisssima” begonnen al in het najaar voorafgaand aan de eigenlijke uitzending van het  “Eurovisiesongfestival”. Zo begon de tweeëntwintigste oktober 1962 de selectie voor de finale van 1963. Nogal wat artiesten hebben hun bekendheid aan die selecties te danken. We denken aan: Ronny Temmer, Johan Stollz, Marc Dex, Liliane, Micha Marah, Kalinka, Johnny White, Hugo Dellas, Lily Castel, Ann Christy enz… Over hen en hun collega’s vind je een pak info op onze website. Die wedstrijd maakte dat de Vlaamse zangers in de loop van de jaren zestig ondanks de opmars van de Angelsaksische popmuziek, met voorop The Beatles, toch een leuke plek wisten te veroveren in onze hitlijsten. “Canzonissima” bleef onder die titel op het scherm opduiken tot in 1972. Het jaar nadien werd gekozen voor de benaming “Liedjes voor Luxemburg” en vanaf 1975 definitief voor  ”Eurosong”.

De Vlaamse zangeressen moesten in die jaren zestig iets harder aan de weg timmeren dan hun mannelijke collega’s en dat kwam vooral doordat de muziekbusiness voor het merendeel een mannelijke aangelegenheid was. Achter de schermen was het een mannenbastion bestaande uit macho muzikanten, producers, uitgevers, liedjesschrijvers, managers, promojongens enz… Veel zangeressen voelden zich geroepen, maar weinigen waren uitverkoren. Je had eendagsvliegen als Peggy, Suzie en Anita, maar vaak bleef het bij een hit. Toch waren er uitzonderingen op die regel, denken we maar aan Marva die een soort vrouwelijke Will Tura genoemd mag worden, gegangmaakt door dezelfde uitgever als Tura, Jean Klüger, die intussen samen met zijn broer Roland de fakkel had overgenomen van hun intussen overleden vader. Marva werd eerst door Rocco Granata op gang getrokken die voor haar liedjes schreef als Een eiland in groen en blauw en Het liedje van de zee. Klüger bezorgde haar nadien een haast onsterfelijke status met liedjes als Rozen in de sneeuw en Oempalapapero. Nog zo’n vrouwelijke klasbak uit die tijd is Liliane Saint-Pierre die ooit het genoegen had onder de vleugels te werken van de legendarische Franse zanger Claude François, maar door omstandigheden in Frankrijk niet kon doorbreken,  hier haar draai vindt en behoorlijk van zich af bijt tijdens het “Eurovisiesongfestival” in 1987 met Soldiers of love. Het duurde echter een hele tijd voor zij haar lot in eigen handen kon en durfde te nemen en daarmee de toon zette voor heel wat zangeressen die na haar aan de bak kwamen.

En dan was er nog de “Knokke Cup” die in 1958 door de directie van het Casino van Knokke werd bedacht naar aanleiding van de wereldtentoonstelling dat jaar in Brussel met als insteek een zangcompetitie op internationaal niveau. Het jaar nadien ging de eerste editie van start in nauwe samenwerking met de VRT-televisie, vrij snel gecapteerd door tal van buitenlandse zenders. Die wedstrijd werd in de markt gezet onder de benaming “Europabeker van het Chanson”. Die titel werd snel veranderd in “Europabeker voor Zangbeurt” en vervolgens “Europabeker voor Zangvoordracht”. Vrij stroeve titels die in de wandelgangen werden afgekort tot de “Knokke Cup”. Die wedstrijd hield stand van 1959 tot en met 1973. Er kwamen telkens zes landen aan bod. De Belgische ploeg bestond steeds uit zowel Vlaamse als Waalse artiesten. Tal van zangers en zangeressen van bij ons maakten naam en faam dankzij deze wedstrijd. Sommigen hadden die uitstraling niet echt nodig omdat zij bij ons hun sporen al verdiend hadden zoals Louis Neefs en Liliane Saint-Pierre, maar er waren een hele rist artiesten die door de VRT werden klaargestoomd om aan deze cup en nog tal van andere buitenlandse liedjeswedstrijden deel te nemen: Lize Marke, Lily Castel, Frieda Linzi, Hugo Dellas, Kalinka, Tonia, Maurice Dean, Ann Soetaert, Jacques Raymond enz… Zij waren geen hitmakers, maar wisten jaren stand te houden door hun deelname aan diverse internationale concours.

Plots waren daar de jaren zeventig. Marva en Tura hadden intussen hun vaste plaats in de Vlaamse showbizz veroverd. Nu was het de beurt aan een nieuwe lichting, waarvan er een paar aardig wisten stand te houden. Voorop het Vlaamse tieneridool bij uitstek Willy Sommers die met zijn eerste single al gelijk een Vlaamse klassieker neerzette: Zeven anjers, zeven rozen. In zijn kielzog doken een rist collega’s op die eveneens een aanval inzetten op de Vlaamse Top Tien. Paul Severs met Ik ben verliefd op jou, Salim Seghers  met Verlaat me nooit en Roger Baeten met Blijf je bij mij om er een paar te noemen. Het waren ook de jaren van John Terra die in 1968 voorzichtig van start ging met Franstalige liedjes om in 1973 de kanjer Iemand heeft je pijn gedaan neer te zetten. Onthouden wij ook de opkomst van de kleinkunst met een wat poppy en/of rockende inslag zoals daar waren de luisterliedjes van Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Kris De Bruyne en Wim De Craene. Het was ook de tijd dat er namen in de hitlijsten opdoken als Bobby Ranger die zich in de hitlijsten zong met Klappen, stampen, fluiten, Joe Harris met Ik wil ‘n knoopje aan je bloesje zijn en Drink rode wijn,  John Horton met Zo jong en Bobby Prins met Sancta Maria en Toe kom in m’n armen.  De jaren zeventig waren eveneens de jaren waarin de dames luidruchtig van zich lieten horen met voorop diva Ann Christy en haar evergreens Dag vreemde man en Gelukkig zijn.  Zij deelde graag het podium met vrouwelijke collega’s als Rita Deneve, Yvette Ravell en Samantha die door omstandigheden een internationale hit aan zich zag voorbijgaan toen zij uitpakte met Eviva España. Wie kent de liedjes Een rozerode appelboom en Alle Schotten van Truus, de toenmalige geheime liefde van Willy Sommers, en Hasta la vista manaña en Sweetheart my darling van Cindy?

Tijdens die gouden jaren zeventig dachten wij in Vlaanderen dat het succes van de lichte muziek in onze moedertaal niet meer stuk kon. Maar daar brachten de jaren tachtig stevig verandering in. Het was de tijd van de Angelsaksische aanpak in Vlaanderen. Plots leek het alsof je in het Engels hoorde te zingen om er bij te horen. Groepen als The Bet, Scooter, The Machines enz… hadden het voor het zeggen. Sommige Vlaamse artiesten sloegen ook die angelsaksische weg in. Iemand als Danny Fabry bijvoorbeeld. Hij pakte uit met covers als Please be careful with my heart, Just a little smile en I remember you. Roger Baeten nam toen platen op onder de naam B. Rodgers en scoorde met een nummer als I feel so good. Wie trouw bleef aan de Nederlandse taal moest qua succes in de hitlijsten en qua airplay bij de VRT behoorlijk inboeten, al konden de meesten toen wél makkelijk terecht bij de vrije zenders die in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond schoten.

Bij ons waren er in de loop van de jaren tachtig ook muzikanten die hun Engelstalige pijlen op het buitenland richtten. Technotronic scoorde zelfs ver buiten onze landsgrenzen met Pump up the jam, daarin nagevolgd door een act als The Confetti’s die met The sound of C een monsterhit scoorden en het duo Soulsister dat zich tot in de Amerikaanse charts liet horen met The way to your heart. Tot dan toe was het slechts een aantal Belgische artiesten gelukt om bij één van onze Europese buren van zich te laten horen. Ik laat daarbij even de prestaties van Jimmy Frey, Samantha en Willy Sommers achterwege om onze aandacht te vestigen op onder meer de Brusselse studiogroep The Chakachas die met Eso es el amor en Jungle Fever hoge ogen gooiden in het buitenland, net als De Vogeltjesdans naar een idee van producer Louis Van Rijmenant die het pikte van de Zwitserse accordeonist Werner Thomas. Er was ook hét voetballied bij uitstek Olé olé olé olé van Roland Verlooven (de man achter de carrières van Willy Sommers, Bart Kaëll, Margriet Hermans enz…). En de meezinger De Boerinnekesdans van de hand van Louis Marischal die tijdens Expo 58 aan een internationale opmars begon en Bluesette van onze legendarische jazzvirtuoos Toots Thielemans. Vergeten we zeker niet een aantal artiesten van bij ons die het in de periode tussen 1960 en 1985 een lange tijd in onder andere Amerika wisten vol te houden. Anni Anderson en Maurice Dean traden wereldwijd op in de grootste casino’s en concertzalen met de bekendste artiesten en orkesten als Bert Kaempfert, James Last en Max Greger. Tony Sandler trok in 1963 naar Amerika waar hij in de casino’s van Las Vegas duo vormde met Ralph Young en met hem bleef samenwerken tot in 1987.

Wou je tijdens die jaren tachtig dan toch koste wat het kost in je moerstaal kwelen, dan het liefst van al op een rockende manier met het nodige gitaargeweld ertussendoor. De Kreuners hadden dat snel door, net zoals Raymond van het Groenewoud, gekroond tot ontwerper van de Vlaamse rock- ‘n-roll, en Arbeid Adelt die er desnoods de punk bij haalden om zich in de kijker te zingen. De Vlaamse lichte Nederlandstalige muziek werd geleidelijk afgevoerd richting reanimatiekamer om daar na intensieve zorg pas opnieuw tot leven te komen toen VTM in februari 1989 vanuit Vilvoorde van start ging en de muziek van eigen bodem nieuw leven inblies met “Tien om te Zien”. Wij maakten de opkomst mee van sterren als Bart Kaëll, Margriet Hermans, Luc Steeno, Isabelle A, Jo Vally enz… Sommige iconen van destijds vonden er hun tweede hitadem met voorop vaandeldragers Willy Sommers, Paul Severs, ja zelfs Will Tura. Niemand kon op dat moment vermoeden dat we aan de vooravond stonden van de fenomenale carrière van Helmut Lotti en Clouseau!

 

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

De Nashville Sound

Waar wij in onze contreien houden van meezingers, schlagers en dito hits,  hebben ze in Amerika hun onafscheidelijke countrymuziek. Er is geen enkel genre, de soul even buiten beschouwing gelaten, dat zo eigen is aan de Amerikaanse cultuur als country. Het is en blijft de muziek van de man in de straat, al moesten een pak countryartiesten in de loop van de voorbije decennia met lede ogen vaststellen dat de country hier en daar een eigen weg zocht en het vaak met clichés overladen genre opgepikt werd door artiesten die het een meer hedendaagse touch gaven. Niet voor niets ontstond het begrip “new country” met sterren als LeAnn Rimes, Keith Urban, Tim McGraw, Sugarland, Blake Shelton enz… Deze vernieuwing was niet het eerste teken aan de wand dat men in Nashville op zoek was naar iets nieuws. In het midden van de jaren vijftig werd het fundament gelegd van wat snel bekend zou worden als “The Nashville Sound”. Die term dook voor het eerst op in 1958 in een artikel in het blad “The Music Reporter” dat gewijd was aan Jim Reeves.

De jaren veertig werden gedomineerd door de in 1942 door countryzanger Roy Acuff en Wesley Rose opgerichte muziekuitgeverij “Acuff & Rose”. Zij waren beiden verzot op de klassieke countrystijl meestal gedragen door de fiddle en de steel gitaar. Toen zij op zekere dag Hank Williams ontdekten, was hun broodje gebakken en konden zij rustig de miljoenen dollars incasseren die vrij vlot op hun bankrekening terechtkwamen. Wesley Rose, die voordien een bediende was bij “Standard Oil” in Chicago, had de plaats van zijn vader na diens overlijden in 1954 overgenomen. Wesley kende niets van de muziekbusiness, maar leerde de stiel sneller dan eender wie. Hij en Roy zagen het niet zo zitten toen zij hoorden dat iets verderop er enkele heren bezig waren met de country een nieuw geluid te geven. Acuff & Rose vonden dat echte country moest klinken zoals het hoorde, daar bestond een formule voor en daar hoorde je niet aan te sleutelen. In de loop van de jaren zestig zullen wij trouwens merken dat de term country breed geïnterpreteerd kon worden. Zeker toen zangers als Glen Campbell, Frank en Nancy Sinatra, Dean Martin en zelfs Ray Charles hun tanden in het genre gingen zetten, werd het bijna onmogelijk om het genre af te lijnen, laat staan het degelijk te omschrijven. In Billboard’s Hot One Hundred van 1968 telden we zomaar liefst elf countrygetinte hits.

Om nu de term “Nashville Sound” in een soort definitie te gieten, kunnen we ons het best beperken tot: het is muziek opgenomen in Nashville met een ontspannen sfeer als eindresultaat, een soort easy listening met een nogal gladgepolijste (lees geproduceerde) manier van zingen en musiceren. Het was vooral op verzoek van de deejays dat de country een beetje meer zoetgevooisd werd aangepakt. Zij vroegen vaak naar een wat softere aanpak van een countrysong. De pathos bleef bewaard, de vaak tranerige sfeer waarin die liedjes tekstueel werden gegoten bleef overeind. Er moest trouwens sowieso passie op het menu staan. Huilebalken waren méér dan welkom. De typisch nasale sfeer van zingen die zo eigen was aan de traditionele country, moest stilaan plaatsruimen voor een warme stem als bijvoorbeeld die van Jim Reeves.

Zonder dat ze er in Nashville erg in hadden klonken hun producties almaar zachter en zachter. Wat opvalt is dat zij ook een overstapje maakten van de typische countryelementen naar de pop. Dat huwelijk klikte perfect en zorgde voor een nieuw geluid. De “Nashville Sound” stond of viel met de begeleiding en daarvoor werden de allerbeste beroepsmuzikanten aangetrokken. Het neusje van de muzikale zalm kwam richting Nashville afgezakt om daar tijdens sessies die er aan de lopende band plaatshadden, hun virtuositeit te etaleren.  Méér dan graag gevraagd en gehoord waren: gitarist Chet Atkins, saxofonist Boots Randolph, pianist Floyd Cramer, drummer Buddy Harman en bassist Bob Moore. Sommige muzikanten zoals Atkins en Cramer ontwikkelden hun eigen stijl en bouwden stilaan aan een solocarrière. Die sessiemuzikanten werden vrij snel de echte sterren in Nashville. Per jaar verdienden zij zo’n slordige 50.000 dollar, konden een mooi huis bouwen en reden rond in de meest luxueuze Cadillacs. Zij waren zulke onderlegde en gedreven muzikanten dat zij de studio binnenstapten, even naar de melodie luisterden, een minuut of tien met de partituur meespeelden of zelf ideeën aanbrachten en gelijk de definitieve versie op band afleverden. Deze sfeer en manier van werken, maakte een groot deel uit van de “Nashville Sound”. Het was alsof zij de  zangers in kwestie vleugels gaven zodat zij zelfs beter gingen zingen. Het ging er gemoedelijk aan toe, in tegenstelling tot de vaak stressy sfeer in bijvoorbeeld New York of Chicago.

Stilaan zagen we ook dat het niet zozeer de artiest was die verkocht, maar dat de song zelf even belangrijk werd, misschien nog belangrijker. Voordien volstond het een naam als Lefty Frizzell, Hank Williams of Kitty Wells op de hoes te zetten en de mensen kochten de plaat. Daar kwam in de loop van de jaren zestig verandering in. Het valt wel op dat in het begin de countryzangers door de bank hun eigen materiaal afleverden, zij schreven het merendeel van hun songs zelf. In de loop van de jaren zestig gingen de artiesten zich meer met hun carrière bezighouden: liveshows, tv-optredens, radio-interviews enz… Daar werden ze rijkelijk voor betaald. Zij lieten dan ook almaar vaker het schrijven aan vakmensen over. Neem bijvoorbeeld Jim Webb die Glen Campbell aan hits hielp zoals Wichita Lineman en By the time I get to Phoenix.

De “Nashville Sound” bood die countryzangers die graag in een croonersachtige stijl zongen steeds méér de kans om hun liedjes aan de man te brengen. Die stijl van zingen stond de popfans beter aan. Vooral het gebruik van strijkers en een gladgepolijste productie zorgden ervoor dat de country in Amerika en ook daarbuiten aan populariteit won. Het waren vooral de producers Chet Atkins, Owen Bradley en Don Law die de grondleggers genoemd mogen worden van de “Nashville Sound”. Zij omringden zich stilaan met een vaste groep studiomuzikanten waardoor zij in staat waren een meteen herkenbaar geluid te creëren. Die groep zou snel bekend worden als “The Nashville A-Team”. Het gebruik van een achtergrondkoor werd ook een must. In dezen waren groepen als The Jordanaires en The Anita Kerr Singers toonaangevend. Kenners menen te mogen aanstippen dat het nummer Gone dat Ferlin Husky in het najaar van 1956 opnam kan dienen als schoolvoorbeeld van hoe de “Nashville Sound” in die beginperiode hoorde te klinken, al zijn er dan weer anderen die menen dat Don’t be cruel dat Elvis Presley hier in de maand juli van 1956 inzong het startsein betekende van die nieuwe sound. Tijdens die beginjaren krijgen we hits voorgeschoteld als: Fraulein van Bobby Helms, Please Help Me I’m Falling van Hank Locklin, Hello Walls van Faron Young, I Fall To Pieces en Crazy van Patsy Cline en Four Walls van Jim Reeves.

Producer Owen Bradley richtte in Nashville zijn eigen studio op “Bradley Film & Recording Studio”. Hij had dit gebouw samen met zijn broer Harold in 1954 gekocht en een jaar later omgebouwd tot een film- en geluidsstudio.  In de maand november van 1955 nam Marty Robbins hier zijn versie op van Singing The Blues. Bradley wou dat zijn studio een apart geluid produceerde en construeerde zelf zijn befaamde “Quonset Hut”. Zij kochten een gegalvaniseerde stalen hut van het Amerikaanse leger die vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Die plantten zij achter hun studio neer om daar concerten enz… op film in te blikken. Na 1955 brachten zij hier ook hun eerste opnamestudio in onder. Hun apparatuur en manier van opnemen, sloeg meteen aan en zij werden veel gevraagd door de platenfirma’s Decca en Columbia. Het is hier dat Owen van start ging met Brenda Lee en met haar een meteen herkenbare sound neerzette. In 1961 verkopen zij die studio aan Columbia Records. Bradley had intussen langs Bender’s Ferry Road een oude farm gekocht met het oog daar voor zijn oudste zoon een studio te bouwen waar hij een uitgeversmaatschappij kon huisvesten en een demostudio bouwen. Tegen 1965 was de studio een volwaardig feit en bekend als  ”Bradley’s Barn”. Het was Loretta Lynn die hier in 1967 haar hit Don’t come home a-drinkin’ with Lovin’ on Your Mind opnam. Van dan af was er geen tegenhouden meer aan. Per dag hadden er minstens vier opnamesessies plaats. Tegen 1970 waren er zo’n duizend de revue gepasseerd en hadden een rist gouden countryhits opgeleverd. Het Britse folkduo The Beau Brummels zouden er hun legendarische album “Bradley’s Barn” inblikken.

Chet Atkins, een beetje jaloers op die allereerste studio van Owen Bradley, ging in 1956 aankloppen bij de directie van zijn platenfirma RCA om zo snel mogelijk een eigen studio te bouwen in Nashville en dat werd de befaamde “RCA Studio B” naar een ontwerp van hun toenmalige opnamemanager Bill Miltenburg. Producers Chet Atkins en Steve Sholes mochten beiden hun zegje doen wat het ontwerp van de studio betreft die in vier maanden tijd werd gebouwd, inclusief de aanpalende kantoren. Kostprijs 37.515 dollar. In 1960 werden de gebouwen uitgebreid en kon Elvis Presley arriveren om er meteen zijn grootste hits op te nemen, méér dan tweehonderd songs in het totaal. Een van hun beste technici was Bill Porter die in 1959 betrokken was bij de opname van een van de grootste hits die hier in “Studio B” werden ingeblikt The Three Bells van The Browns (Engelse vertaling van Les Trois Cloches van Edith Piaf en Les Compagnons de la Chanson).  Het was Porter die vond dat er dringend aan het geluid gesleuteld moest worden. Hij ontwierp de zogeheten “Porter Pyramids”, plafondtegels die hij in een pyramidevorm sneed en ze op die manier aan het plafond bevestigde. Het gaf een unieke sound aan de opnamestudio. Hij markeerde ook, na grondig onderzoek en metingen, bepaalde plaatsen in de studio waar de muzikanten moesten gaan staan om op die manier de beste opnamekwaliteit te bereiken.

Als eerste mocht Don Gibson van deze verbetering gebruik maken toen hij hier zijn elpee “Girls, Guitars and Gibson” opnam. De studio zelf bleef actief tot in 1977 en werd dan door de toenmalige eigenaar Dan Maddox aan “The Country Music Hall of Fame” geschonken zodat toeristen ook nu nog een bezoek aan deze legendarische studio kunnen brengen. Tegenwoordig maakt die ook deel uit van “The Belmont University” en kunnen studenten hier de basistechnieken qua registratie komen aanleren.  Bij mijn bezoek aan deze studio stond ik versteld hoeveel hits hier in die twintig jaar werden ingeblikt: The End of The World van Skeeter Davis, Green Green Grass of Home van Porter Wagoner, Detroit City van Bobby Bare, Oh Lonesome Me van Don Gibson, Only the Lonely van Roy Orbison, Honey van Bobby Goldsboro, All I have to do is dream van The Everly Brothers enz… De hoogtijdagen lagen tussen 1957 en 1977 met in het totaal méér dan 35.000 opgenomen songs waarvan er zo’n duizendtal in de hoogste Amerikaanse hitregionen terechtkwamen. Ook even noteren dat de studio in 2002 terechtkwam in handen van platenproducent Mike Curb die bleef samenwerken met “The Country Music Hall of Fame”.

Rond 1964 kreeg de “Nashville Sound” concurrentie vanuit Bakersfield waar Buck Owens aan een opvallende stijl had zitten sleutelen en was er in de hitlijsten de opmars van de Britse beatgroepen met voorop The Beatles. In Nashville hadden ze daarnaast twee van hun grootste boegbeelden verloren tijdens een vliegtuigongeval: Jim Reeves en Patsy Cline. Op zoek naar een nog betere verpakking van hun songs gingen de smaakmakende producers van dienst in Nashville hun producten nog méér accentueren en schoven zij ook almaar méér in de richting van de popmuziek. Deze stijl werd vrij snel “countrypolitan” genoemd. Die heren waren Glenn Sutton en Billy Sherrill met voorop sterren als George Jones en Tammy Wynette die maar al te graag  in Studio B van Columbia Records opnamen. Glenn en vooral Billy dreven de country meer en meer in de middle-of-the-roadrichting, duidelijk bedoeld voor een zo breed mogelijk publiek. Vooral Sherrill moest voor die keuze bakken kritiek slikken, maar het leverde een pak dollars op en daar was het toch vooral om te doen. Vooral het feit dat hij een countrylegende als George Jones dat pad op stuurde.  Eveneens in dat straatje pasten Charley Pride, Lynn Anderson en Charlie Rich en hun onafscheidelijke hits The Most Beautiful Girl in The World, Rose Garden en Kiss an Angel Good Morning.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Richard Anthony

Vraag me niet waarom, maar als ik aan mijn oudste zus Chris denk, denk ik meteen aan Franse chansons. Dat ligt misschien  voor de hand omdat vrouwen en het Franse chanson een closere band hebben dan wij mannen. Het was vooral in de jaren zestig dat thuis door mijn oudste zus Franse singletjes op de draaitafel belandden. Voorop sowieso Salvatore Adamo. Dat stond buiten kijf. Maar die verstond Nederlands en kon zich in onze moedertaal uitdrukken. Dus dat was nog iemand van bij ons. Daarnaast vonden ook echte Franse artiesten hun weg naar onze pick-up: Françoise Hardy, Johnny Hallyday, Hervé Vilard, Enrico Macias, Hugues Aufray, Christophe én niet te vergeten Richard Anthony. Ik zie dat singletje nog voor me. Het was een Belgische persing, want in Frankrijk werden geen singletjes met twee songs geperst. Daar had de EP, ook wel extended play genoemd, de bovenhand gekregen, een 45-toerenplaatje met vier nummers. Twee liedjes dus op die ene single van mijn zus: Donne moi ma chance en op de B-kant Après toi. Ik heb vooral die B-kant gedraaid, bleek nadien een vertaling te zijn van The Next Time van Cliff Richard. En dat deden de Fransen graag in die tijd, buitenlandse hits naar hun Franse hand en tong zetten. Met voorop Richard Anthony, de kampioen in het vertalen van wereldhits. Hij veroverde er niet alleen Frankrijk mee, maar ook een groot deel van de rest van Europa en Canada.

De dertiende januari 1938 werd Richard Anthony als Ricardo Btesh in Caïro geboren, de hoofdstad van Egypte, een stad met méér dan acht miljoen inwoners. De stad ligt aan de oostelijke oever van de Nijl, in het noorden van Egypte. Papa was een Syrische textielhandelaar die voor zijn firma vaak naar het buitenland moest. Mama was de dochter van de Britse ambassadeur Samuel Shashoua Bey in Irak. Politieke onlusten in Egypte dwingen zijn ouders te verhuizen. Zij wijken uit naar Engeland waar Richard op zijn negende aan het prestigieuze “Whittingehame College” in Brighton gaat studeren. Hier zingt hij mee in het koor en ontdekt daar dat hij een niet onaardige stem heeft. In 1949 wijkt het gezin uit naar Argentinië, want daar woont familie van papa Btesh. Met de boot “The Andes” reizen zij in de zomer van dat jaar af naar Zuid-Amerika. Hier gaat Richard in Buenos Aires enkele jaren naar het “Collegio Ward”. Geen wonder dat die jongen op vrij jeugdige leeftijd al aardig wat talen spreekt. In 1951 verhuizen zijn ouders nog maar eens een keer, deze keer gaan zij in Parijs wonen. Hij schrijft zich in aan het Lycée Janson-de-Sailly, een school waar de rijkeluiskinderen naartoe worden gestuurd, gelegen in het zestiende arrondissement in Parijs. Hij rondt hier zijn middelbare studies af en probeert na lang aandringen van zijn vader de eerste kandidatuur rechten. Op zijn zestiende geraakt Richard, die door zijn ouders Dicky wordt genoemd, enorm onder de indruk van de sopraansaxofoon en wordt een grote fan van Sidney Bechet die hij in de Parijse jazzclubs aan het werk kan zien. Zijn ouders moeten in 1956 nog eens verhuizen, deze keer richting Milaan. Richard weigert mee te gaan en gaat samenwonen met zijn liefje Michelle die ook zijn eerste vrouw wordt. Zij krijgen drie kinderen: Nathalie, Jérôme en Johanne. Omdat er brood op de plank moet komen besluit hij vertegenwoordiger te worden in koelkasten bij de firma Frigeco. Zijn  vrouw wil financieel niet afhankelijk van hem zijn en gaat in Parijs in de boetiek van Jacques Esterel werken. Richard is nog maar negentien wanneer hij als saxofonist terechtkomt in diverse jazzclubs, onder meer in de “Vieux Colombier”, eigendom van Claude Wolff die later de man van Petula Clark zal worden. Richard gaat er prat op dat hij zes talen spreekt en is weg van Angelsaksische muziek. Hij is niet zo dol op de rock-’n'-roll die op dat moment hoogtij viert, maar eerder weg van zangers als The Platters en Paul Anka. Richard   is door het dolle heen wanneer hij zich een kleine bandopnemer kan aanschaffen. Hij neemt op dit toestel in 1957 zijn eerste liedje op, Tell me that you love me, een cover van een hit van Paul Anka. Via een uitvlucht- hij vertelt dat hij een vriend heeft die een demobandje heeft opgenomen, maar te verlegen is om het zelf voor te stellen- slaagt hij erin monsieur Jacques Poisson te ontmoeten, platenbaas bij Pathé. Hij begrijpt dat Richard als tiener dol is op rock -’n- roll, maar hij weet ook dat de Fransen chauvinistisch genoeg zijn om die Engelstalige hits liever in hun eigen taal te horen zingen. Er wordt dus vertaald. Ook zocht elk Europees land trouwens een soort blauwdruk van de rockende Elvis Presley. In Engeland is dat Cliff Richard, in Italië Adriano Celentano en in Frankrijk Richard Anthony. Vergeten we niet dat er op dat moment nog niet echt sprake is van Johnny Hallyday. Richard covert vooral blanke Amerikanen. Als eerste plaatje Paul Anka’s You are my destiny dat in zijn versie Tu m’étais destinée wordt. Hij neemt ook een versie op van Buddy Holly’s Peggy Sue. In Frankrijk is het de gewoonte vier liedjes op één single uit te brengen, de zogeheten eepeetjes. Hij koppelt die twee liedjes aan Betty Baby en Suzie Darling. Op de hoes staat vooraan Rock’n Richard. Zijn platenfirma EMI wil hem absoluut als de eerste Franse rocker lanceren. Gelukkig staat op de achterkant zijn volledige naam Richard Anthony.

Het blijft zoeken naar de geschikte song. De derde gok wordt de goede. Richard zingt in 1959 Nouvelle Vague, een vertaling van Three Cool Cats van Leiber en Stoller, een hit in Amerika voor The Coasters. Hij kiest als producer Christian Chevallier die heel wat jazzplaten heeft ingeblikt. Die kiest op zijn  beurt voor gerenommeerde jazzmuzikanten zoals Christian Garros, Maurice Vander, de vaste pianist van Claude Nougaro, én het zanggroepje van Ward Swingle dat iets later wereldbekend zal worden als The Swingle Singers.  Richard koppelt Nouvelle Vague op eepee aan de nummers Personalités (Personality van Lloyd Price), J’ai rêvé (Dream Lover van Bobby Darin) en Pauvre Jenny (Poor Jenny van The Everly Brothers). Onder druk van Pathé neemt Richard geen ruwe rock -’n- rollcovers op. Zijn platenfirma is bang dat de Franse fans dan zullen afhaken. Hij wil wel wat anders en durft het aan de spiritual Jericho in te blikken samen met een liedje van zijn orkestleider Christian Chevallier en Claude Nougaro Au fond de mon coeur. De fans vinden het maar niets. Hij is bij dezen dus gewaarschuwd. Pas met zijn zesde plaatje geraakt hij weer in de hitlijsten. Hij covert Itsy Bitsy Teenie Weenie van Brian Hyland. De clip die bij dat liedje hoort, wordt opgenomen door de Franse regisseur Claude Lelouch (bekend van de films “Un homme et une femme” en “Vivre pour vivre”). Ook Johnny Hallyday en Dalida nemen er een versie van op, maar die van Richard wordt het meest gedraaid en gekocht. Zijn platenfirma Pathé krijgt almaar meer tegenstand te verduren van de nog jonge firma Barclay opgericht door de muziekfanaat en playboy Eddie Barclay. Om zich in de kijker te zingen, neemt Richard op het einde van 1960 zijn eerste langspeler op. Hiermee meet hij zich de status van vedette aan. Twee maanden later wordt in Frankrijk het eerste rockfestival georganiseerd en wel in het “Palais des Sports” in Parijs met op de affiche Frankie Jordan, Johnny Hallyday en Les Chaussettes Noires. Het blijkt een schot in de roos, met in de maand juni snel een vervolg met nu face à face Johnny Hallyday, Eddy Mitchell en Richard Anthony. Dat festival wordt een groot succes, maar Richard krijgt almaar meer concurrentie te verduren. Binnen zijn eigen platenstal wordt Dick Rivers en zijn begeleidingsgroep Les Chats Sauvages gelanceerd. Qua hits blijft het succes voor Richard wat uit die op het einde van de zomer van 1961 een paar weken vakantie neemt. Wanneer hij terugkeert, merkt hij dat er vanuit Amerika een nieuwe dansrage is overgewaaid, de twist. Chubby Checker heeft er een grote hit mee te pakken. Het kan niet uitblijven of er moet een Franse versie van gelanceerd worden. Johnny Hallyday is hem voor. Richard probeert het succes nog wat aan zijn kant te krijgen door een Engelstalige versie in te blikken, maar tevergeefs. Hij moet ook heel wat kritiek slikken. Hij wordt in de Franse pers al smalend Le Tino Rossi du rock ‘n’roll genoemd en Le père tranquille du twist.  Voor de Franse pers is het een uitgemaakte zaak. Johnny Hallyday is de Franse blauwdruk van Elvis en niet Anthony.

Op zijn derde elpee, uitgebracht in de zomer van 1963, gaat hij op zoek naar een nieuwe invalshoek. In een soort wanhoopspoging komt hij op de proppen met een vertaling van de instrumentale jazzhit Take Five van The Dave Brubeck Quartet Ne boude pas. Hij heeft intussen ook gemerkt dat Hugues Aufray een vertaling heeft gemaakt van 500 miles away from home, een Amerikaanse folksong bewerkt door Bobby Bare. Die versie van Aufray zet in Frankrijk niets in beweging, maar die van Richard Anthony, die er een soort croonersversie van maakt, veroorzaakt een ware tsunami. Richard kende dat liedje nog vanuit zijn kindertijd toen zijn Engelstalige moeder dat vaak zong. Hij had het al een paar keer voorgesteld om op te nemen, maar zijn platenbazen weigeren. Zo’n rustig nummer zal zijn imago als rocker schaden. Uiteindelijk gaan zij toch akkoord. Zijn platenfirma gelooft echter niet zo in de kracht van J’entends siffler le train en kiest J’irai twister le blues als A-kant. Maar zij krijgen ongelijk. J’entends siffler le train raast in sneltreinvaart naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten. Hierbij denkt Richard terug aan de tijd dat hij in Argentinië elke dag de trein moest nemen om tijdig op school te geraken. Zij woonden namelijk dertig kilometer buiten Buenos Aires. Het nummer werd in 1961 al opgenomen door The Journeymen met in die groep onder meer Scott McKenzie en John Phillips. Het jaar daarop zal het in Amerika gecoverd worden door The New Christy Minstrels en Peter, Paul and Mary. Op de eepeerelease vinden we voorts vertalingen van Lover Please en Crying in the rain. In de zomer van 1963 wordt J’entends siffler le train bij ons bekroond met een derde plaats in de Belgische hitlijsten. In Nederland gaat dat nummer aan de top veertig voorbij, maar hij scoort daar wel enkele maanden later met de opvolger Donne moi ma chance, een vertaling van Too late to worry van Babs Tino. Maar ik moet even terug, want hij neemt eerst nog een beetje ondoordacht een vertaling op van de Braziliaanse hit Desafinado van Antonio Carlos Jobim dat hij vertaalt als Faits pour s’aimer. Een stijl die hem niet zo ligt. Ook Sacha Distel en Petula Clark zetten er hun tanden in.

Met zijn achttiende eepee scoort hij wél sterk, met daarop onder meer het daarnet al genoemde Donne moi ma chance. Hij neemt daarvan ook een Italiaanse versie op die het daar beregoed doet. Zijn platenfirma wil bliksemsnel inpikken op zijn succes en lanceert meteen een vierde langspeler. Die plaat staat bol van de singlehits. Er is een vertaling van Cheat Cheat van Johnny Cymbal dat in het Frans een hit wordt als Tchin Tchin. It’s my party van Lesley Gore klinkt in de taal van Molière C’est ma fête en Then he kissed me van The Crystals wordt Et je m’en vais. Zijn Italiaanse versie Cin Cin wordt een boem in Italië. Hij zal achtentwintig weken lang met dat nummer in de Italiaanse hitlijsten opduiken. Die Italiaanse versie zal het ook in het najaar van 1964 een lange tijd volhouden in de Duitse hitparade. Qua concerten staan er zo’n driehonderd optredens op de teller. Hoe hij het klaarspeelt weet niemand, maar hij slaagt er ook nog in zijn brevet als piloot te behalen en mag met zijn eigen toestel vliegen.

Intussen wordt de concurrentie almaar groter. Claude François heeft zich bij de rij hitmakers aangesloten samen met Sheila en Sylvie Vartan. Ook Françoise Hardy behoort tot de elite van Franse hitzangers. Met haar staat hij de 7de november 1963 voor de tweede maal op de planken van de Parijse “Olympia”. De maand nadien wandelt hij de Britse hitlijsten binnen met Walking alone en zal daar vijf weken koninklijk resideren, want zo voelt hij zich. Met het geld dat binnenstroomt kan hij zich een privéjet permitteren en een villa in Saint-Tropez en Marbella. Hij pompt zijn geld in een hotel op Jamaica en koopt en passant ook nog een huis in de vallei van de Chevreuse, een chalet in Crans en een rist motoren, auto’s en een plezierjacht. Wanneer The Beatles bij de start van 1964 de “Olympia” vereren met een optreden mag Anthony samen met hen op de foto en vist Johnny Hallyday wat die eer betreft achter het net.

Op die opmars van Franse vedetten lijkt geen rem te staan. Anthony moet in de hitlijsten voortaan opboksen tegen nieuwkomers zoals: Frank Alamo, Les Surfs, France Gall en Michèle Torr. Zijn volgende langspeler, die in 1964 wordt gereleaset, staat ook deze keer vol geslaagde covers. Een perfecte keuze wordt zijn vertaling I only want to be with you van Dusty Springfield. A présent tu peux t’en aller klimt torenhoog in de Franse hitlijsten. In Engeland laten Gerry and The Pacemakers stevig van zich horen met onder meer de musicalklassieker You’ll never walk alone. Anthony zingt in zijn thuisland Rien que toi pijlsnel naar de gouden status. Swinging on a star, een hit in Amerika voor Big Dee Irwin en Little Eva, wordt A toi de choisir en Boys Cry van Eden Kane Les garçons pleurent. In onze Belgische charts laat Anthony luid genoeg van zich horen met achtereenvolgens telkens een stevige notering voor C’est ma fête, Chin Chin, A présent tu peux t’en aller, Rien que toi en A toi de choisir. In Nederland houden ze hun lippen stijf op mekaar en wordt er niet meer meegezongen.

Wanneer in de zomer van 1964 de Franse hitlijsten worden ingepalmd door achtereenvolgens Gigliola Cinquetti met Non ho l’età en Bobby Solo met Una lacrima sul viso, twijfelt Anthony niet lang om ook eens wat te gaan snuffelen in de Italiaanse muzikale schatkist. Daar ontdekt hij Il mio mondo van Umberto Bindi en maakt er Ce monde van. Iets eerder, in de maand april, had Richard Anthony nog eens in de Britse top veertig gescoord en wel met If I loved you uit de musical “Carousel” van Richard Rodgers en Oscar Hammerstein. Voortbordurend op zijn succesformule blijft Anthony samen met zijn platenfirma grasduinen in het aanbod internationale hits. Zo neemt hij What’s new Pussycat van Tom Jones op en Jamais je ne vivrai sans toi, zijn succesvolle vertaling van de monsterhit You don’t have to say you love, me van Dusty Springfield. Via de Parijse tekstschrijver Fernand Bonifay leert Anthony Je me suis souvent demandé kennen. Fernand heeft dat liedje geleend bij Bobbejaan Schoepen die het had opgenomen onder de titel Ik heb me dikwijls afgevraagd. ichard zou het nummer ook als A veces me pregunto yo opnemen en in die Spaanse versie werd het een grote hit in Argentinië. In de marge vermelden we dat in 2008 Bobbejaan Schoepen Ik heb me dikwijls afgevraagd als duet samen met Axelle Red op cd uitbrengt.

Anthony had net zoals zovelen zijn typische gewoonten. Het is misschien leuk die tussendoor eens te overlopen. Zo wou hij nooit ontbijten. Hij zou die schade tijdens de dag wel inhalen door overvloedig te schransen. Hij had wel meerdere vreemde gewoonten. Zo stond hij erop dat zijn orkestleider zijn haar knipte. Het liefst van al liep hij op blote voeten rond. Wanneer hij teksten voor zijn liedjes schreef, deed hij dat bij voorkeur ‘s nachts. Hij was een trouwe lezer van Paris Match en ging er prat op dat hij sinds het eerste nummer alle edities in huis had. Hij was dol op Belgische frieten. In verband daarmee vermeld ik nu al, vooruitlopend op ons verhaal, dat hij op het einde van de jaren negentig in “Studio Musiclab” in Brussel met gitarist  Kevin Mulligan, bassist Pino Marchese, trompettist Patrick Mortier en de zangeressen Sonia Pelgrims, Mieke Aerts en Dany Caen een rist van zijn oude hits opnieuw heeft ingezongen. Hij had een broertje dood aan het kijken naar zichzelf tijdens een televisieoptreden. Hij vindt zichzelf geen aantrekkelijke man en lelijk op welke foto dan ook. Toch neemt hij zelf graag foto’s van anderen met zijn onafscheidelijke Polaroid. Tijdens zijn hoogtijdagen ging hij graag op stap en deed niets liever dan in de nightclubs die hij bezocht de aanwezigen de nieuwste modedansjes aanleren die hij in Londen had opgepikt. Wanneer hij moest optreden, deed hij dat pas met een gerust hart wanneer hij vooraf met zijn orkest een uur had kunnen repeteren. Hij deed niets liever dan voor zijn optreden op de drums te roffelen om zich op die manier wat af te reageren. Voor zijn orkestleden was niets te veel. Hij stond erop dat ze piekfijn waren uitgedost en op de beste instrumenten speelden. Hij had er trouwens het geld voor. Tijdens zijn hoogtijdagen was hij steenrijk. Hij dacht toen vaak terug aan de tijd dat hij zijn job als vertegenwoordiger had opgegeven en een ganse week niets anders te eten had dan spaghetti. Hij weet nog goed dat toen hij zijn eerste centen verdiende hij zich meteen een karabijn kocht, een jongensdroom die hij sinds lang koesterde. Toen hij multimiljonair werd, had hij succes bij de vrouwen genoeg. Hij hield van het spel van verleiden en was vooral tuk op blondines met blauwe ogen. Hij schoor zich tweemaal per dag en dat uitsluitend elektrisch. Hij was een twijfelaar en nam ruim de tijd vooraleer hij iets nieuws kocht. Toch stond hij erop dat, toen hij het zich kon permitteren, in zijn huis een studio werd gebouwd met alles erop en eraan zodat hij niet telkens zijn huis hoefde te verlaten, wilde hij een demoversie inblikken. Hij kocht ook een serie instrumenten waaronder een hammondorgel, een saxofoon, een drumset en een reeks gitaren.

Oké. Dat als verstrooiing tussendoor, maar nu voort met ons verhaal. Richard Anthony kreeg tijdens de jaren zestig bij EMI een stevige vinger in de pap en mocht regelmatig op hun kosten afreizen naar hun opnamestudio in Londen, met name naar de “Abbey Road Studio’s”. Daar neemt hij in 1965 het album “A Londres” op met daarop uitsluitend Engelstalige songs: The girl from Ipanema, Crying in the rain, You’ve lost that lovin’ feelin’, Autumn leaves, Love letters in the sand enz… Een nummer dat zo’n beetje uitspringt boven de rest is All my life en dat verdient wat extra uitleg om maar aan te geven hoe Richard in die tijd te werk ging. In 1967 levert hij namelijk zijn grootste hit af Aranjuez mon amour oftewel All my life. Méér dan tien miljoen exemplaren zouden er wereldwijd van verkocht worden. Twee jaar eerder verbleef Richard Anthony, zoals zo vaak dus, op uitnodiging van zijn platenfirma EMI, in een suite in het Londense “Hilton Hotel”. In zijn Londense suite ontving hij veel van zijn persoonlijke vrienden. Hij was vaak uithuizig, wat zijn relaties  niet in de hand werkte. Soms had hij ook last van eenzaamheid. Dan trok hij zijn jas aan en ging wat kuieren langs de Thames. Op zekere avond passeert hij de “Royal Albert Hall” en hoort de mensen enthousiast praten over het bijgewoonde concert. Dat doet hem nog maar eens beseffen dat hij zich eigenlijk alleen maar bezighoudt met commerciële niemendalletjes die geen eeuwig leven beschoren is. Hij komt al wandelend op de idee een van zijn klassieke lievelingsmelodieën, het andante uit het Concierto de Aranjuez van Rodrigo, op zijn manier te bewerken. Terug in zijn hotel, het is dan vier uur ‘s ochtends, belt hij zijn arrangeur Tony Osborne en legt meteen zijn idee op tafel. Die waarschuwt Richard dat hij eerst toelating nodig heeft van de componist Joaquin Rodrigo voordat hij het nummer mag bewerken en er een Franse tekst op laat schrijven. EMI besluit een versie op te nemen en daarmee naar Rodrigo te stappen. Anthony krijgt vijfendertig strijkers van The London Philharmonic tot zijn beschikking, maar een goede gitarist vinden is wat anders. Via een vriend kunnen ze een zeventienjarige gitarist uit Manchester overhalen om naar Londen af te zakken en daar de akoestische solopartij voor zijn rekening te nemen. De opname met deze piepjonge gitarist valt zo mee dat hij spontaan een staande ovatie krijgt van de opnametechnici en het voltallige orkest. EMI laat Anthony weten dat deze productie een pak geld gaat kosten en vraagt hem of hij wel zeker is van zijn idee. Met een list loodst hij tekstschrijver Guy Bontempelli naar zijn buitengoed in Chevreuse, hem in de waan latend daar een gezellig weekend  door te brengen, niet wetend dat Anthony hem zo lang opgesloten zal houden tot hij met een geschikte tekst voor zijn concerto op de proppen komt. Wat iedereen vreest, lukt toch. Met dit materiaal en zijn demoversie onder de arm vliegt Anthony naar de blinde componist in Madrid. Op een oude platendraaier beluisteren hij en Rodrigo deze opname terwijl hij er de tekst bij zingt en de meester is zo onder de indruk dat hij niet lang hoeft na te denken om Anthony toelating te geven deze versie op vinyl uit te brengen. Internationaal wordt Aranjuez mon amour een enorme hit met vooral veel bijval in Zuid-Amerika. In Frankrijk echter zijn de reacties minder enthousiast,  daarom dat EMI France op de keerzijde van de plaat het opgewekte Les mains dans les poches zet,  dat veel meer airplay krijgt.

Tot zover deze gedetailleerde uitleg bij een van zijn meest gewaardeerde platen. 1966 is in Amerika zowat het jaar van The Mamas and The Papas en dat is Richard niet ontgaan. Hij covert twee van hun grootste hits. Monday Monday wordt Lundi Lundi en California Dreaming, La terre promise. Die nummers schitteren ook op zijn volgende elpee met daarnaast een geslaagde versie van de hit Sunny van Bobby Hebb. Twee jaar eerder had Richard bij ons in Vlaanderen voor de laatste keer gescoord. Dat was met Ce monde. Nadien zou hij in onze hitlijsten nooit meer opduiken, ook niet meer in de Nederlandse noch Engelse top veertig waarmee zijn lied, internationaal gezien, was uitgezongen. In Frankrijk probeert hij het in 1967 met een vertaling van Let’s go to San Francisco van The Flower Pot Men. Dat wordt Il faut croire aux étoiles. In 1970 begint hij aan zijn laatste jaar samenwerking met EMI waarvoor hij sinds 1958 onafgebroken platen heeft ingeblikt. Hij rondt die samenwerking af met de hits L’an 2005, een bewerking van In the year 2525 van Zager and Evans, en met behoorlijke tubes zoals Na na hé hé espoir en L’arche de Noé. In Spanje gaat het hem wél voor de wind. Hij koopt er niet alleen een kasteel, maar scoort daar enorm met Señora la dueña dat we in onze contreien kennen als Lady d’Arbanville van Cat Stevens. De Franse versie is voor rekening van Dalida. Velen beschouwen zijn vertaling van Lily the Pink van de Engelse groep Scaffold als een duidelijk teken dat hij zijn greep op de Franse hitlijsten compleet verliest ook al scoort hij nog sterk met Le Sirop Typhon. Het wordt een nummer één in de Franse hitlijsten van de maand mei 1969 wanneer hij David-Alexandre Winter voorafgaat die op twee staat met Oh Lady Mary.

Dan breken de jaren zeventig aan. Richard slaat de EMI-deur achter zich dicht en wil herbronnen, een tweede hitadem vinden. Hij gaat songs opnemen voor onder meer platenfirma Trema. Privé zit het hem nogal tegen en passeren er nogal wat vrouwen de revue. In 1970 scheidt hij van Michelle en gaat samenwonen met Josiane. Hij trekt zich met haar terug in hun villa in Saint-Paul-de- Vence. Hij brengt een tijdlang alleen maar singles op de markt onder andere Maggy May, een vertaling van de gelijknamige hit van Rod Stewart. Hij scoort nog eens een echte hit en dat in 1974 met Amoureux de ma femme dat in 1966 tijdens het San Remo festival in de versie van Caterina Caselli als Nessuno mi puo giudicare hoog scoorde. In de maand oktober van dat jaar staat hij met dat nummer op de derde plaats, voorafgegaan door Claude François met Le téléphone pleure en Serge Lama met Je suis malade. In de maand januari van het jaar daarop brengt hij nogmaals een bezoek aan de Franse hitlijsten deze keer met Station Service, een Franse aanpak van de Turtles-hit She’d rather be with me, die er acht jaar eerder internationaal mee scoorden.

Waarom precies weet ik niet, maar ik ben toen in die tijd nogal wat singles van hem gaan verzamelen, al waren dat niet meteen zijn grootste successen. Zo draai ik af en toe nog eens zijn vertaling van All by myself van Eric Carmen dat hij in 1976 opnam als Je n’ai que toi, een nummer dat, zeker productioneel, geslaagd mag worden genoemd. Het jaar daarop brengt hij het wat speelse Chansons de 10 sous op de markt, evenals zijn vertaalde versie van Abrazame van Julio Iglesias, Embrasse moi. Na jaren alleen maar singles te hebben gereleaset is er in 1977 nog eens een album. “Non Stop” is de titel, uitgebracht op het Atlantic-label en opgenomen in de “Island Studio” in Londen met arrangementen van onder meer Jean-Claude Petit waarvan ik alleen vooral de nummers J’irai, Embrasse moi en Que ma vie soit faite d’amour heb onthouden. Opvallend is dat Anthony na al die jaren nog goed bij stem is. Hij geeft achteraf wel toe dat hij geen feeling had op dat moment met het discogenre dat dan hoogtij viert. Een jaar later keert hij Frankrijk de rug toe en gaat met zijn nieuwe liefde Sabine in Los Angeles wonen. Hij wil zich daar vooral als producer profileren. Hier neemt hij onder andere Indian Summer op, een bewerking van L’été Indien van Joe Dassin. Dat avontuur mislukt.  Hij keert vier jaar later naar Frankrijk terug en wordt daar door de politie opgewacht. De Franse staat aast op een pak achterstallige belastingen. Anthony mag het jaar daarop drie dagen in de gevangenis gaan logeren, maar kan het snel op een akkoord gooien met de fiscus.

Hij sluit, los daarvan, opnieuw een platendeal met EMI. Op dat moment is het een hype, in de slipstream van Stars on 45, medleys op de markt te brengen. Ze besluiten in 1982 een livemedley van zijn grootste hits te releasen onder de titel 12 tubes. Hij neemt ook Minuit op, zijn versie van Memory uit de musical Cats. In de vaste overtuiging dat hij nog kan rekenen op een grote schare fans en dat er nog geld te verdienen valt met zijn oude hits, besluit EMI een verzamelbox uit te brengen van 10 cd’s met in het totaal driehonderd nummers van hem. Tot ieders verbazing is die box na een paar maanden goud! In 1998 is er zijn autobiografie “Il faut croire aux étoiles”. Hij staat dat jaar veertig jaar op de planken en viert dat met een groots optreden in “Le Zénith” in Parijs. Het kost nochtans moeite hem terug op het podium te hijsen, want hij lijdt aan obesitas en is té beschaamd om zich nog aan zijn publiek te vertonen.

Vanaf 2006 gaat Richard Anthony vier jaar lang op tournee met de show “Age tendre et tête de bois”. Hij treedt daar op samen met onder anderen: Alain Delorme, Patrick Juvet, Sheila en Hervé Vilard. Er is een matineevoorstelling en een soiree, telkens goed voor vijfduizend dolenthousiaste fans die uit volle borst meezingen. Zij stellen wel vast dat hij zich bijna niet meer kan bewegen, regelmatig op een barkruk moet gaan zitten tijdens het zingen en moeite heeft met zijn ademhaling, dus ook met zijn stem. Hij begint aan een streng dieet en slaagt erin vijftig kilo te vermageren. In 2009 stellen de dokters darmkanker vast. Hij herstelt traag. Hij probeert tijdens dat herstel de tijd te doden door zijn tweede autobiografie te schrijven “Quand on choisit la liberté”. Hij schrijft zo veel mogelijk van zich af. Het wordt een regelrechte bestseller. Hij duikt ook almaar vaker op tijdens televisieprogramma’s en lijkt als herboren. De drieëntwintigste november 2011 wordt hij door de toenmalige minister van Cultuur Frédéric Mitterrand onderscheiden met de medaille “L’Ordre des Arts et des Lettres”. De twaalfde februari 2012 treedt hij op in een tot de nok gevulde “Olympia”.

De Franse pers wou altijd weten of hij met Johnny Hallyday op goede voet leefde. Hij antwoordde daar een paar jaar geleden nog op: “Il n’y a jamais eu de guerre entre lui et moi, ni avec qui que ce soit d’autre, d’ailleurs. C’était un coup monté par les maisons de disques et par la presse pour faire de la publicité, en faisant parler et ça marchait. Nous, on était bras dessus, bras dessous, avec un but commun: défendre notre musique. J’allais voir Johnny sur scène. J’essayais de lui piquer des trucs en spectacle, mais c’était difficile. Il est tellement exceptionnel. Timide et sauvage comme je suis, je n’ai jamais été une bête sur scène. Je suis plus à l’aise en studio que sur scène. Ce qui m’a sauvé les années passées c’est les tubes que les gens chantaient avec moi. “

In het totaal is Richard Anthony viermaal getrouwd en heeft negen kinderen. Hij stond eenentwintig keer op de eerste plaats in de Franse hitlijsten en is daarmee tussen zijn Franse collega’s de absolute recordhouder. In het totaal nam hij zo’n zeshonderd liedjes op en verkocht méér dan zestig miljoen platen. Het meest spijt heeft hij dat hij op de top van zijn carrière méér dan driehonderd dagen per jaar uithuizig was en zijn kinderen daardoor te weinig heeft gezien. Het heeft ook zijn relaties zwaar belast. Schrik van de dood heeft hij niet, al gelooft hij niet in een hiernamaals, want hij heeft een hekel aan alles wat ook maar enigszins met religie te maken heeft. Het geld heeft hij al die jaren rijkelijk laten rollen. Negen kinderen onderhouden kost aardig wat euro’s. Hij hield van mooie auto’s, had zijn privévliegtuig, bezat dure villa’s in Grimaud, Crans, Gassin, Saint Paul-de-Vence, Marbella, Los Angeles enz… Tot aan zijn dood woonde hij de laatste jaren  in een bescheiden woning langs de avenue de Vallauris in Cannes. Hij is méér dan tevreden met het leven dat hij heeft geleid en met de vele successen die hij heeft gescoord. Hij heeft altijd met de beste muzikanten kunnen werken, de beste orkesten in de beste studio’s. Meestal in Londen. Hij geeft wel toe dat hij niet als zanger in de wieg is gelegd. Hij kikt niet zo op het in de schijnwerpers staan. Dat heeft hem best moeite gekost al die jaren. Liever zocht hij de intimiteit van de studio op. Hij leeft ook liever in de schaduw van het succes. Hij voelt zich geen echte ster, hij wil op die manier zeker niet vergeleken worden met Johnny Hallyday. Zijn hoogtijdagen begonnen in 1962 met J’entends siffler le train en werden in 1967 afgerond toen hij nog eens groots uitpakte in de hitlijsten met Aranjuez mon amour. Trots is hij dat hij de enige Franse artiest is die ook vaak in het buitenland heeft gescoord. Zo stond hij op nummer één in de hitlijsten in Portugal, Zwitserland, België, Argentinië, Chili, Iran, Duitsland en Italië. Hij heeft platen opgenomen in het Frans, Arabisch, Italiaans, Spaans, Engels en het Duits. Hij heeft er vrede mee dat hij in de Franse muziekwereld vaak wordt aangeduid als “le père tranquille du rock”.

Richard Anthony overlijdt na een lange strijd rond tien uur ‘s avonds op zondag de negentiende april 2015 in Pégomas (Alpes -Maritimes) op 77-jarige leeftijd, omringd door zijn geliefden, aan kanker. In 2010 was bij hem al darmkanker vastgesteld.  Hij werd de vierentwintigste april in intieme kring in Cabris begraven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Paul Anka

Anka werd de 30ste juli 1941 als eerste kind van Andrew en Camelia Anka in Ottawa, Canada geboren. Zijn ouders waren van Syrische afkomst. Zij baatten daar het restaurant “The Locanda” uit op Laurier Avenue, vlak tegenover het Canadese parlementsgebouw.  Zij stonden van in het begin volledig achter de plannen van Paul om zanger te worden. Johnnie Ray en Frankie Laine zijn zijn idolen. Met hen in zijn achterhoofd gaat hij muziek studeren. Voor school moet hij op zekere dag een boekbespreking maken van de roman “Prester John” van John Buchan. Daarin komt een Afrikaans dorp voor Blaauwildebeestefontein. Hij is nog maar dertien, maar Paul schrijft er een liedje over en noemt het Blau Wilde De Veest Fontaine.

Pauls plannen om dus zanger te worden, krijgen vaste vorm wanneer op zekere dag “IGA Food Stores” een wedstrijd organiseert met als inzet een reis naar New York. Je kan winnen door zo veel mogelijk stickers van het merk in te zamelen. Hij wint die wedstrijd voor zijn regio en mag samen met veertig andere winnaars per trein naar New York reizen. New York is een complete cultuurshock voor hem. “This is what I want, this and my music!” wordt meteen zijn hoofddoel.

Tijdens de zomervakantie trekt hij naar uncle Maurice in Californië. Maurice is operazanger. Paul hoort daar de hele dag niets anders dan operamuziek. Zijn oom, die tevens acteur is,  treedt op dat moment op in het stuk “Bullfight” in “The Pacific Playhouse” in “La Cinema” in Santa Monica. Paul wil wat geld bijverdienen en mag daar snoepgoed verkopen tijdens de pauze. Iets verderop ligt de muziekwinkel “Wallach’s Music City” waar Paul op zekere dag het plaatje Stranded in the Jungle van The Cadets ontdekt. Op het hoekje staat de naam van platenfirma Modern Records, Culver City, California vermeld, met de auto een kwartier van de woonplaats van oom Maurice verwijderd. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij Jules en Joe Bihari die samen met hun zus die platenfirma, incluis studio, zijn opgestart. Hij laat hun zijn zelfgeschreven Blau Wilde De Veest Fontaine horen en tot zijn verbazing stellen ze voor dat Paul het samen met The Cadets mag opnemen. Als producer gaat Paul Anka samenwerken met nieuwkomer Ernie Freeman die iets later de platen van Bobby Vee zal produceren alsook de hit Strangers in the night van Frank Sinatra. Samen met Ernie bereidt Paul alles voor en twee weken later blikt hij Blau Wilde De Veest Fontaine in met op de B-kant de cover I Confess. Scoren doet het liedje niet, er worden in het totaal zo’n drieduizend exemplaren van verkocht. Op zijn vijftiende is Paul Anka een eerste ontgoocheling rijk en keert terug naar Canada.

Op school vindt Anka steun bij zijn leraar John Topelko van The Fisher Park High School (Paul zingt hier in het schoolkoor) die hem aanmoedigt door te zetten om zanger te worden. Paul treedt in zijn stad inmiddels op in clubs en voor diverse lokale radio- en televisiestations. Men ziet wel dat er talent in die jongen schuilt. Hij heeft ook een baantje als journalist weten te versieren bij de plaatselijke krant “Ottawa Citizen”. Maar zijn korte trip naar New York blijft Paul door het hoofd spoken. Hij is zo in de ban van die stad dat hij honderd dollar van zijn vader leent en in het gezelschap van de Canadese groep The Rover Boys en met vier eigen liedjes die hij in de loop van 1956, begin 1957 heeft geschreven, naar New York terugkeert. The Rover Boys leren hem de juiste weg te vinden in New York en spelen hem enkele adressen door. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij producer Don Costa van ABC-Paramount Records. Vergeet niet dat Paul nog maar vijftien is. Later zal Costa in een interview die eerste ontmoeting als volgt omschrijven: “There we were, jammer into my office listening to little Mr. Five-by-Five pounding out the songs. It was like the movie “Words and Music” about Rodgers and Hart. Paul was Mickey Rooney playing Larry Hart. Everything frantic, hammed up, overplayed: but he had something“. Paul is niet groot, zijn haar ziet er niet uit, maar hij heeft veel drive en weet Costa te imponeren. Die is niet  zozeer onder de indruk van Pauls stem, dan wel van de kwaliteit van zijn liedjes. Costa laat meteen Anka’s ouders naar New York overvliegen om daar een plantencontract te ondertekenen. Het contract wordt ondertekend door Pauls ouders, producer Don Costa en door enkele leden van de ABC-directie: Irwin Garr, Larry Newton en de grote baas Sam Clark. Zij komen overeen dat Paul in New York blijft wonen, daar liedjes gaat schrijven waarvoor hij een maandelijkse vergoeding krijgt van honderd dollar. Omdat Costa vindt dat Anka’s stem nog te wensen overlaat, stuurt hij hem meteen naar een zangpedagoog en laat hem ook wat extra notenleer volgen.

In de maand mei van 1957 staat Anka samen met het orkest van Don Costa in de Capitolstudio in New York. Paul wordt begeleid door vier muzikanten: gitarist Bucky Pizzarelli, pianist Irving Wexler, drummer Panama Francis en bassist Jerry Bruno. Qua backing vocals wordt hij begeleid door drie zangers en drie zangeressen. Costa ontpopt zich tot een geweldig arrangeur die Paul een pak knepen van het vak leert en volgens Anka een van de beste arrangeurs is die Amerika ooit gekend heeft. Diana wordt het eerste liedje dat zij opnemen, geschreven voor Diana Ayoub waar Paul tot over zijn oren verliefd op is. Hij had haar voor het eerst in het oog gekregen tijdens een kerkdienst en kon haar niet uit zijn hoofd zetten. Hij is vijftien, zij negentien en werkt op dat moment als secretaresse in het kantoor van The Royal Canadian Mountain Police in Ottawa. Hij maakt avances, maar Diana laat Paul meteen voelen dat zij er niet mee is opgezet. Hij vertaalt zijn verdriet meteen in een liedje ” I’m so young and you’re so old, this my darling I’ve been told”.

Tijdens de opname van Diana staat Don Costa erop dat Don’t gamble with love ook wordt ingeblikt en gelijk de A-kant van de single wordt. Paul gaat niet akkoord, maar Costa heeft het voor het zeggen, al zal snel na de release blijken dat Anka gelijk heeft. Paul kan het niet laten meteen na de opname in de studio een briefje naar Diana Ayoub te sturen:” Well, in twenty hours I’ll be releasing my new record. I helped pick out the instruments and the feel and all the arrangements are great! You want me to tell you what it’s called? ” Diana”. It’s favored as the hit record by everyone, they said it is a different sound and it’ll be the one. Now listen, don’t say a word or I’ll… I’ll just kiss you if it sells, because you started it“. Vreemd genoeg zal Paul Anka wanneer zijn Diana iets later een dikke hit is geworden en Ayoub toenadering zoekt, niet op haar verzoek ingaan en haar de rug toekeren.

De vijftiende juni 1957 wordt Diana op single uitgebracht, de negende september staat Diana op één in Billboard’s Hot One Hundred. Paul is de maand voordien net zestien geworden.  Er volgen snel optredens in de populairste shows: “The Ed Sullivan Show”, “American Bandstand”, “The Milton Berle Show”. Meteen wordt ook een tournee op het getouw gezet die in de maand september in het “Paramount Theatre” in New York begint en eindigt in de maand november in “The Mosque” in Richmond, Virginia. Op de affiche staan naast Paul Anka: The Drifters, The Eberly Brothers, Clyde McPhatter, Frankie Lymon and The Teenagers, LaVern Baker, Buddy Holly and The Crickets en Chuck Berry. Papa Anka wil niet dat zijn zoon zomaar meereist en voelt zich pas gerustgesteld wanneer hij met Irv Feld onderhandelt dat die niet alleen Pauls manager, maar ook begeleider wordt.

Opvallend is dat Diana in Engeland de negende augustus, een maand eerder dus, op één staat dan in Amerika. Bij ons in Vlaanderen zit er voor Paul in de loop van de maand oktober een tweede plaats in. Eveneens een tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig een maand later. In 1963 zal Anka een vervolg schrijven op zijn liefdesverhaal  en dat wordt Remember Diana, maar blijft zonder succes. Voor zijn album “Amigos” neemt Ricky Martin  in duet met Paul Anka een versie op.  In 2006 doet Anka dat nog eens over samen met Adriano Celentano die het liedje van een nieuwe tekst voorziet.

Na het succes met Diana wordt Paul  in Ottawa als een ware held ontvangen. In het begin van zijn carrière houden zijn ouders zich met de boekingen en de financiële kant van de zaak bezig, maar dat wordt zo tijdrovend dat iets later Irvin Feld, Pauls manager wordt. Omdat de familie Anka hun zoon in het oog wil houden, verkopen ze hun restaurant in Ottawa en verhuizen naar New Jersey. Paul besluit de school te laten voor wat ze is en zich alleen nog maar met zijn carrière bezig te houden. De opvolger van Diana wordt I Love You Baby dat hij de vierde september 1957 samen met het orkest van Don Costa inblikt. Tijdens die maand trekt hij op tournee in “The Biggest Show of Stars” samen met Buddy Holly, The Everly Brothers, The Drifters, The Crickets en Chuck Berry. De single I Love You Baby wordt eerder koel onthaald, maar met  You Are My Destiny hijst Anka zich stevig in het hitzadel en bepaalt daarmee de stijl waarin hij wil verdergaan.  Hij geraakt tot op de zevende plaats van de top 100 met  Tequila en  Get A Job in de charts als stevige concurrenten. You Are My Destiny had hij de zevenentwintigste september van 1957 al samen met Don Costa in New York opgenomen. De vierde november wordt I’d Have To Share, eveneens een song van Paul, opgenomen.  Wat hem van zijn collega’s op dat moment onderscheidt, is dat hij zo goed als al zijn liedjes zelf schrijft. Daarbij imiteert hij niemand. Hij heeft een unieke stijl ontwikkeld zowel van componeren als van zingen. Paul wil zijn nummers nog wat meer kracht geven en weet zijn producer over te halen extra violen en blazers te gebruiken. Hippe teksten als be bop a lula en doobedoowop laat hij achterwege. Die zijn te zeer tijdgebonden en dat verklaart misschien ook waarom zijn nummers langer meedraaien. Daarom ook dat hij artiesten als Frankie Avalon, Fabian en Bobby Rydell overleefd heeft. Bij hem komt alles rechter uit het hart en hij heeft iets minder glitter en glamour nodig. De vijfde februari 1958 neemt Paul samen met Don Costa Let the Bells Keep On Ringing op en iets later de nummers It’s Time To Cry en Crazy Love. Tijdens de maand augustus van dat jaar blikken zij in de Bell Sound Studio in New York de nummers Lonely Boy, Something Happened, Your Love en Put Your Head On My Shoulder in. De eerste juni van 1959 wordt Lonely Boy op vijfenveertig toeren uitgebracht en levert iets later Anka’s tweede nummer één op. Met dit liedje is hij te horen en te zien in de film “Girls Town” van regisseur Charles Fr. Haas samen met Mamie Van Doren, Ray Anthony en Mel Tormé. Ondanks die nummer één wordt het een droevig jaar voor Paul, want zijn moeder overlijdt op 39-jarige leeftijd.

Hij krijgt de top van Billboard’s Hot One Hundred opnieuw in zicht na de release van Put Your Head On My Shoulder, een nummer twee in de maand september van 1959 met in de slipstream daarvan nog meevallers als  It’s time to cry (plaats vier) en Puppy Love (een liedje over zijn mislukte liefdesrelatie met zangeres Annette Funicello geraakt tot op de tweede plaats) dat in de jaren zeventig een gouden hit wordt in de versie van Donny Osmond.  In 1960 worden er zes singles van hem gereleaset. Alleen het nummer My Home Town bereikt daarvan de top tien (een zesde plaats). Dan wordt het een jaar wachten vooraleer Anka nog eens in die top tien halt houdt en wel met het vlotte  Dance On Little Girl dat hij al de eerste februari van 1961 in Los Angeles samen met het orkest van Sid Feller had opgenomen,  inclusief het nummer Tonight, My Love, Tonight. Voor dit laatste had hij zich laten inspireren door de aria Caro Nome uit de opera “Rigoletto” van Giuseppe Verdi. Hij brengt zijn grootste hits tot dan toe uit op de elpee “Paul Anka Sings His Big 15″, een album dat hem meervoudig goud oplevert en wereldwijd een bestseller wordt. Als opvolger van die elpee brengt hij in de zomer van 1960 het album “Paul Anka Swings For Young Lovers” uit. Als jongste entertainer in de States neemt hij live in de befaamde “Copacabana Club” in New York het album “Anka at The Copa” op. De release van deze plaat gaat gepaard met een grootse publiciteitscampagne.  Om zijn oudere fans wat te plezieren neemt hij een uptempo versie op van de Rodgers en Hammersteinklassieker Hello Young Lovers.

De 13de november 1961 laat ABC-Paramount weten dat zij een punt achter hun samenwerking zetten en stapt Anka over naar RCA die hem een meer lucratieve en wereldwijde deal aanbieden.  In het contract staat wel dat hij al zijn ABC-hits voor hen opnieuw moet opnemen, wat hij ook doet, maar het is een beslissing waar hij later heel veel spijt van heeft. Vreemd is dat die overstap hem ook niet de hits oplevert die hij verwacht had. Nog driemaal zal hij de top twintig bereiken. Love Me Warm And Tender dat hij de twintigste november van 1961 in de RCA Studio A in New York City samen met het orkest van Ray Ellis opneemt, geraakt in de maand maart van 1965 tot op de twaalfde plaats van de top honderd. A Steel Guitar And a Glass of Wine wordt de derde april 1962 in New York City opgenomen. De single bereikt in de zomer van 1962 de dertiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. En dan is er nog het nummer Eso Beso geschreven door Noel en Joe Sherman als een soort parodie op de bossanova die op dat moment als nieuwe muziekstijl vanuit Brazilië opgang maakt. Die single wordt de derde november 1963 uitgebracht en is goed voor een negentiende plaats. Enkele maanden voordien, in de maand februari, was hij getrouwd met het Franse model Anne de Zogheb. Zij is de dochter van een Libanese diplomaat. Zij zullen samen vijf kinderen krijgen. Wanneer hij de single Did You Have a Happy Birthday uitbrengt, laten The Beatles die ook stilaan de States aan het inpalmen zijn tijdens een televisie-uitzending weten dat zij het nummer maar niks vinden en zij krijgen nog gelijk ook, want de single geraakt in Billboard’s Hot One Hundred niet hoger dan een negenentachtigste plaats. Anka maakt op het einde van dat jaar een optelsom die hem vertelt dat hij in zes jaar tijd met vierendertig singles, acht keer in de top tien heeft gestaan waarvan twee keer op één en wel met Diana en Lonely Boy. Wat hij dan nog niet weet is dat hij zich in alle stilte mag klaarmaken voor een heuse comeback.

Intussen gaat het Paul Anka internationaal wél goed voor de wind met vooral in Duitsland veel bijval en ook in Italië waar hij met een single als  Ogni Volta (een verkoop van drie miljoen exemplaren) op enorm veel respons kan rekenen. Eén klein detail misschien: van 1964 tot 1966 heeft Paul Anka ook in Italië gewoond omdat hij een enorme affectie had met dit land. Hij wordt stilaan ook songleverancier voor zogeheten concurrent-collega’s als Tom Jones die hij de hit She’s a lady bezorgt, en Frank Sinatra krijgt van hem My Way cadeau. Bij dezen maak ik graag wat plaats vrij om het juiste verhaal uit de doeken te doen.

In 1967 richtte Claude François, die ook een zeer goede neus voor zaken had, zijn eigen platenmaatschappij “Flèche Productions” op. Op dit label verschenen niet alleen zijn eigen platen, maar ook die van Patrick Topaloff en Alain Chamfort. Als eerste single op dit label verschijnt het nummer Comme d’habitude. Wanneer Claude François in 1978 sterft, houdt het label op te bestaan, maar zal zijn zoon Claude François Jr. een nieuwe firma oprichten “Société Flèche Productions” en zich over de muzikale erfenis van zijn vader ontfermen. Het eigenlijke verhaal van Comme d’habitude begint in het piepkleine dorpje Megève, gelegen in het Franse departement Haute-Savoie in de regio Rhône-Alpes,  waar Jacques Revaux woont. Hij schrijft in de maand februari 1967 een slow die hij de Engelse titel For me meegeeft. Jacques stelt het liedje aan een aantal zangers voor waaronder Claude François, maar niemand reageert enthousiast. Maar intussen merkt Cloclo dat een aantal liedjes die Jacques geschreven heeft, het erg goed doen in de Franse hitlijsten. De 27ste augustus van dat jaar nodigt hij hem uit op zijn buitenverblijf Moulin de Dannemois. Aan de rand van zijn zwembad beluistert hij samen met Jacques het liedje For me en dringt er bij Jacques op aan de melodielijn wat aan te passen. Hij wil er ook een andere tekst bij, eentje die nauw aansluit bij zijn eigen leven en vooral bij zijn net afgesprongen liefdesrelatie met de Franse zangeres France Gall. Collo staat erop dat in de tekst het zinnetje:  “j’me lêve et je te bouscule” voorkomt. Met die idee stapt hij naar tekstdichter Gilles Thibaut. Die maakt er Comme d’habitude van.

In de maand december van 1967 klimt Claude François met Comme d’habitude in de Franse hitlijsten naar de negende plaats om een maand later op 1 te belanden. Maar een grote hit zit er niet in, dat voelt hij zelf wel aan. Een maand later zakt hij al naar de twintigste plaats en verdwijnt even snel als hij gekomen is. Op dat moment scoren in Frankrijk The Beatles sterk met Lady Madonna en Jacques Dutronc met Il est cinq heures Paris s’éveille.

Tijdens de zomermaanden van 1967 huurt Paul Anka in Mougins, een dorpje in de buurt van Cannes, een vakantieverblijf. Zittend aan het zwembad met zijn toenmalige vrouw Anne en hun kinderen hoort hij over de radio Comme d’habitude. Anka is niet alleen zanger, componist, maar ook eigenaar van muziekuitgeverij Spanka Music. Hij is er altijd op uit goede melodieën op de kop te tikken waar hij nadien wel iets mee zal aanvangen. De zeventiende december van dat jaar heeft hij in het “Plaza Hotel” in Parijs een afspraak geregeld met de bekende Franse uitgever Eddie Barclay. Hij vraagt hem of hij de rechten kan kopen van Comme d’habitude. Barclay geeft toe dat het nummer in Frankrijk niet echt goed gescoord heeft en maakt geen enkel bezwaar, integendeel. Terug thuis in New York heeft Anka er niet meteen plannen mee en stopt het nummer in zijn schuif. Iets later treedt hij op in het “Fontainebleau Hotel” gelegen in de buurt van Miami Beach in Florida. Frank Sinatra is op dat moment bezig met de opnamen van een film. Hij nodigt Anka uit samen met hem te gaan dineren. Hij vertelt tijdens dat etentje dat hij de showbizz zat is en zich wil terugtrekken. Het succes met The Rat Pack (Dean Martin en Sammy Davis Jr.) is tanende en de FBI zit hem nog steeds op de hielen voor zijn vermeende relatie met de maffia. Bij hun afscheid vraagt Sinatra of Anka voor hem geen liedje wil schrijven. Hij wil als afscheid namelijk nog een laatste elpee opnemen. Na hun ontmoeting vliegt Anka terug naar zijn appartement in New York en zet zich daar aan het schrijven. Hij haalt uit zijn schuif Comme d’habitude en met die melodie in zijn hoofd begint hij om één uur ‘s nachts te schrijven. Hij zet zich achter zijn IBM elektrische typemachine en tikt als eerste zin  “and now the end is near and so I face the final curtain“. Vier uur later staat My Way op papier (de titel was er meteen).

Waar haast nooit iemand het over heeft, is dat David Bowie in de jaren zestig een tekst heeft geschreven op de melodie van Comme d’habitude  Even a food learns to love. Bowie schreef “There was a time, the laughing time, I took my heart to every party. They’d point my way  ”"How are you today? Will you make us laugh? Chase our blues away?”… Bowie werkte in die tijd voor een muziekuitgever in Denmark Street in Londen en schreef deze tekst met in zijn achterhoofd de in die tijd bekende zanger-acteur Anthony Newley. Er bestaat een demoversie waarop je Bowie zijn tekst hoort zingen over de Franse tekst van Claude François heen, hij zingt dus gewoon met het plaatje mee. David heeft het nummer nooit definitief opgenomen. Zijn eerstvolgende single Space Oddity in 1969 betekent trouwens Bowies grote doorbraak.

Augustus 1968. Anka weet dat Sinatra aan een reeks optredens bezig is in “Caesar’s Palace” in Las Vegas. Hij heeft een ontmoeting met The Voice geregeld en laat hem My Way horen. In zijn bekende koele stijl zegt Sinatra dat hij akkoord gaat en het nummer zal inblikken. De zevende december 1968 belt Paul Anka, Claude François met de melding dat Sinatra het door hem geschreven Comme d’habitude zal opnemen. Uiteraard is Cloclo in de wolken. De dertigste december 1968 trekt Sinatra naar de “Oceanway Recording Studio” in Hollywood, Los Angeles en neemt daar in één take My Way op. De arrangementen worden geleverd door Don Costa en producer van dienst is Sonny Burke. Terug thuis belt hij meteen Paul Anka op en laat hem via de telefoon de opname horen. Anka is zo onder de indruk van het resultaat dat hij in tranen uitbarst. De achtentwintigste maart 1969 verschijnt My Way in Amerika op single. Vreemd genoeg wordt het nummer geen hoogvlieger, terwijl het een van de bekendste en meest geliefde songs van Sinatra zal worden en blijven. Er zit voor My Way in Billboard’s Hot One Hundred niet meer in dan een zevenentwintigste plaats.

“My Way” is ook de titel van het album dat Sinatra in 1969 uitbrengt. Daarop zingt hij een aantal popklassiekers zoals Yesterday van The Beatles, Mrs. Robinson van Simon & Garfunkel en nog een bekend Frans chanson, Ne me quitte pas van Jacques Brel dat Rod McKuen had vertaald als If You Go Away. In de maand december van 1970 zal Paul Anka voor de eerste keer in Parijs Claude François ontmoeten. Een hartelijke samenkomst met veel woorden van dank aan het adres van Anka die ervoor gezorgd heeft dat de bankrekening van Cloclo aardig is aangedikt. Sinatra zelf zal François nooit persoonlijk ontmoeten.

Ook Jacques Revaux heeft aan de auteursrechten van My way veel verdiend. Jacques was eind jaren vijftig begonnen als zanger en was regelmatig te zien in films van Jacques Demy. Hij richt samen met Régis Talar in 1969 platenlabel Tréma op. Zij zullen tal van liedjes schrijven en op hun label uitbrengen van onder anderen Hervé Vilard, Charles Aznavour, Johnny Hallyday, Dalida en Michel Sardou.  Jacques Revaux is ook de man die de muziek leverde voor die andere Franse megahit Les lacs du Connemara dat hij samen met Michel Sardou schreef.

In 1973 neemt Frank Sinatra nog een Frans nummer op waarvoor Paul Anka de tekst levert. Oorspronkelijk heet Let Me Try Again,  Laisse moi le temps geschreven door Michel Jourdan op een melodie van Claude Vasori. Claude Vasori is de echte naam van de Franse orkestleider en arrangeur Caravelli. Paul Anka schrijft er een Engelse tekst op samen met Sammy Cahn.

Op het einde van de jaren zestig bolt Paul Anka in de hitlijsten uit. Hij start 1969 met een geslaagde cover van de Jesse Belvinhit Goodnight My Love en houdt het bij coveren op In The Still Of The Night en Sincerely. Inmiddels heeft hij ook door dat hij het muzikaal over een andere boeg moet gooien. De tijden zijn veranderd, hij is allang geen tieneridool meer. Hij gaat zich meer en meer profileren als singer-songwriter wat we voor een eerste keer horen wanneer hij in 1971 het nummer Do I Love uitbrengt. Niet meteen een hoogvlieger, maar toch goed voor een drieënvijftigste plaats in de top honderd. Tot eenieders verbazing, en het meest die van hemzelf, staat hij met Having My Baby de 24ste augustus 1974 op de eerste plaats van de hitlijsten. Hij heeft daarmee Paper Lace van de top verdrongen die daar een weekje hadden postgevat met The Night Chicago Died. Anka had intussen zijn deal met platenfirma RCA niet vernieuwd en was nadien een beetje op de dool geraakt. Buddah Records was niet je dat, daar had hij niet echt gescoord. Hij heeft nu een kersverse deal bij United Artists te pakken en die willen er hun schouders wel onder zetten. Toen Anka hun in demovorm (You’re) Having My Baby liet horen, hielden die toch even hun adem in. Zij hadden schrik dat dit wat vrouwonvriendelijk klonk en in het verkeerde keelgat zou schieten. Maar de Amerikaanse Vrouwenorganisatie vindt dit nummer nou net een pluspunt. In hun oren klinkt het als het lied van een trotse vader die hoopvol uitkijkt naar de geboorte van zijn kind. Het krijgt een nog mooiere invalshoek wanneer blijkt dat Anka het als een ode aan zijn vrouw heeft opgedragen met wie hij op dat moment vier kinderen heeft. Tijdens een optreden in Lake Tahoe, Californië had hij het plan opgevat daar een liedje over te schrijven. Hij had net kennisgemaakt met een zangeres uit die buurt, Odia Coates. Anka regelt een auditie met haar in zijn thuishaven Las Vegas. Hij besluit voor Odia een aantal liedjes te schrijven. Zij is in de studio aanwezig wanneer hij  Having My Baby opneemt, oorspronkelijk bedoeld als solonummer. Op aanwijzen van een medewerker van United Artists besluit Anka het nummer te bewerken en er een duet van te maken. Het succes van (You’re) Having My Baby en die samenwerking met Odia Coates valt zo goed mee dat hij samen met haar ook de volgende single One Man Woman/ One Woman Man opneemt dat in het najaar van 1974 op de zevende plaats in de Amerikaanse Top Honderd staat.

Om zo veel mogelijk geld op zijn eigen bankrekening te krijgen, had Paul jaren eerder zijn eigen muziekuitgeverij “Spanka Songs” opgericht. Op die manier kreeg hij tegen het midden van de jaren zestig de controle over méér dan vierhonderd songs. Hij had al die tijd ook oog en oor voor nieuw talent. Zo hielp hij de heren John Prine, Corey Hart  en Steve Goodman een handje én dus Odia Coates die vanop de eerste rij getuige mocht zijn van zijn immense comeback. Die was er ook gekomen dankzij de interesse in het schrijverstalent van Paul Anka. Vooral zijn platenfirma United Artists gelooft daar sterk in en spoort hem aan nog meer eigen nummers op plaat te zetten. Op dat label scoort hij nog twee toptienhits: I Don’t Like To Sleep Alone en Times Of Your Life. In 1976 neemt hij een van mijn lievelingsnummers op Anytime, maar hij voelt toch aan dat hij stilaan weer zijn greep op de hitlijsten verliest. Er zit niet meer dan een drieëndertigste plaats in de top honderd in.

Na een aantal jaren voor United Artists te hebben gewerkt en nog maar eens een ommetje te hebben gemaakt via het RCA-label voor wie hij de singles This Is Love en I’ve Been Waiting For You All Of My Life opneemt, keert Paul Anka in 1983 terug naar CBS en ziet dat meteen beloond  met de hitsige  Hold Me Till The Morning Comes waarvoor hij de vocale steun krijgt van niemand minder dan Peter Cetera van de succesvolle groep Chicago die de backing vocals voor zijn rekening neemt.  Niet dat het zo’n gigantische hit wordt, want het nummer houdt halt in de staart van de top veertig, maar hij krijgt goede kritieken en koppelt er een geslaagde elpee aan vast. Tussendoor ook vermelden dat Paul Anka muziek voor een aantal films heeft geschreven waaronder “The Longest Day” waarin hem een kleine rol wordt toebedeeld, voor de Louis Mallefilm “Atlantic City” en “The Gospel Singer”. In 1962 vragen de producers van  “The Tonight Show” met als sterpresentator Johnny Carson, de kentune van dat programma te schrijven. Dit zal Paul geen windeieren leggen, want de show was een heel lang leven beschoren.

Anka is tevens een gehaaid zakenman die nog altijd miljoenencontracten weet te versieren met duurbetaalde optredens in “Bally’s Grand Resorts” in Atlantic City en “Foxwoods Casino” in Connecticut. Als vader van vijf dochters (Amelia, Anthea, Alicia, Amanda en Alexandra) weet hij zich goed omringd en dat inspireert hem om almaar voort te doen. Een optelsom leert ons dat hij ongeveer vijftig miljoen platen verkocht moet hebben en dat hij méér dan negenhonderd liedjes heeft opgenomen waarvan hij het merendeel zelf schreef. Hij werd  dan ook niet voor niets opgenomen in “The Songwriters Hall of Fame”. In 1998 bewijst hij zijn schrijverstalent nog maar eens op het album “A Body of Work” waarop hij het duet Do I Love You samen met zijn dochter Anthea zingt en de overige vocale steun krijgt van onder meer Patti LaBelle, Barry Gibb en Celine Dion. Via een technisch trucje hoor je Paul in duet met Frank Sinatra in My Way. Voor de productie krijgt hij de steun van zijn vriend-producer David Foster.

In 2000 scheidt Paul Anka van zijn  vrouw Anne de Zogheb. Acht jaar later trouwt hij met Anna Aberg. Samen krijgen zij een zoon, Ethan, maar na twee jaar loopt dat huwelijk al op de klippen. In 2006 neemt hij samen met de Italiaanse ster Adriano Celentano een remake op van Diana. Anka is vooral trots op zijn meer recente albums zoals “Classic Songs-My Way” dat hij in 2007 uitbrengt om op die manier zijn vijftigjarig jubileum als artiest te vieren. Hij zingt dertien van zijn bekendste hits samen met grote rocksterren zoals Bryan Adams, Cyndi Lauper, Foreigner, Duran Duran, Billy Joel en Bob Seger. Drie jaar eerder had hij de cd “Rock Swings” uitgebracht met daarop rocknummers in aangepaste versies zoals Smells Like Teen Spirit van Nirvana, True van Spandau Ballet en It’s A Sin van The Pet Shop Boys. Paul Anka is ook de man die Michael Bublé zo goed als ontdekte en hem de nodige duw in de rug gaf door onder meer diens debuutalbum te producen. Intussen is ook bekend dat Paul Anka  This Is It voor Michael Jackson schreef. Met het oog op de kerstdagen brengt hij in 2011 het album “Songs of December” uit met daarop de bekendste kerstsongs in een jazzy bewerking.

Tijdens de zevende auditie van “Rimpelrock” staat Paul Anka de tiende augustus 2008 op het podium in Kiewit-Hasselt samen met The Three Degrees, Frans Bauer, Laura Lynn, Rocco Granata en Middle of The Road.

Wij zullen ons Paul Anka niet alleen als zanger herinneren, maar vooral als hitleverancier en zo voelt hij zich ook. Dat had hij snel door, zelfs toen hij op 15-jarige leeftijd nog maar net begonnen was: ” After I’d had a few hits I knew I was a writer, and with writers, the power is always in the pen. When I started writing for Buddy Holly and Connie Francis, I felt that it made me different for people. They would say ‘ Hey! You can write. As a writer you can fall back on something!” . In 2013 brengt platenfirma Bear Family nog een verzamelalbum op de markt onder de titel “Dianacally Yours” met daarop geremasterde versies van zesendertig Anka hits, beginnend in 1957 met Diana en eindigend in 1962 met A Steel Guitar and A Glass of Wine, een hebbeding voor wie graag kennismaakt met een van de grootste tieneridolen uit de tijd van de Amerikaanse highschoolrock, maar dan eentje die de verdienste heeft het leeuwenaandeel van zijn hits zelf te hebben geschreven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015  Daisy Lane & Marc Brillouet

The Chiffons

Meidengroepen is geen fenomeen dat in de jaren tachtig ontstond. In de jaren vijftig waren er al dames die luidruchtig van zich lieten horen, dames als The Fontane Sisters, The Chordettes en The McGuire Sisters, en aan het begin van de jaren zestig was het hek helemaal van de dam, want toen was het plots “in” in een meidengroepje te zingen. Vooral gekleurde dames hadden het toen plots voor het zeggen in de hitlijsten: The Ronettes, The Supremes, The Shangri-Las,The Vandellas en niet het minst The Chiffons, drie boezemvriendinnen die schoolliepen in Upper Manhattan en The Bronx. Songschrijver Ronnie Mack wist dat deze vier dames – want even later werd ook Sylvia Peterson bij de groep ingelijfd – in hun vrije tijd graag zongen en toen hij een paar liedjes klaar had liggen, trok hij zijn stoute schoenen aan en vroeg hen op de vrouw af of ze geen zin hadden om in de studio een paar van die liedjes in te zingen. Tijdens een eerste sessie die amper één uur duurde, namen Judy Craig, Barbara Lee, Patricia Bennett en Sylvia Peterson zo veel mogelijk songs op als binnen dat korte tijdsbestek mogelijk was.

Nadien ging iedereen gewoon naar huis, de dag daarop naar school en na een paar weken waren ze Ronnie Mack zo’n beetje vergeten. Hij hen niet, want met die demo’s trok hij naar diverse platenfirma’s tot hij op zekere dag bij de firma terechtkomt van Hank Medress en Phil Margo, leden van The Tokens. Die zien wel wat in dit project. Er wordt meteen studiotijd ingehuurd en omdat er geen geld meer over was om muzikanten te reserveren, beslisten The Tokens zelf voor de begeleiding te zorgen.  He’s so fine is het eerste nummer waar naarstig aan gewerkt wordt. De intro doo lang, doo lang, doo lang moet de aandacht trekken en de rest leek achteraf kinderspel, want voor de dames er erg in hadden, stond het liedje op single en de 30ste maart 1963 op één in Billboard’s Hot One Hundred.

He’s so fine zou in 1970 nog onderwerp van discussie worden toen de uitgeverij van Ronnie Mack een proces aanspande tegen George Harrison van The Beatles omdat zijn hit My sweet Lord verrassend sterk op de melodielijn van He’s so fine leek. Harrison ging furieus in de tegenaanval en beweerde dat hij toen hij het liedje schreef alleen maar het begin van Oh happy day van The Edwin Hawkins Singers in zijn hoofd had. Maar al dat geruzie baatte niet. Vijf jaar later besliste judge Richard Owen dat Harrison wel degelijk een deel van zijn winst aan Ronnie Mack moest afstaan. Als grap zetten The Chiffons in 1975 My sweet lord op single die je kan terugvinden op de cd “The Chiffons greatest recordings”, in 1990 uitgebracht op het Ace-label.

Maar terug naar 1963. Na het succes met He’s so fine brachten The Chiffons een liedje uit dat Little Eva net van de hand had gewezen One fine day. Let vooral eens op de opvallende piano-intro, gespeeld door Carole King die met haar compositie The Chiffons aan een tweede gouden plaat hielp. ‘n Beetje in de stijl van hun concurrenten The Crystals, brengen The Chiffons Uptown op de markt en vervolgens When the boy’s happy, the girl’s happy too. Het vreemde is dat ze dat laatste, net als de single The block, releasen op het Rust-label onder een andere groepsnaam, namelijk The Four Pennies, maar zonder veel stof te doen opwaaien. Stilaan lijkt het erop dat The Chiffons na een jaar aan het uitbollen zijn. I have a boyfriend haalt nog net de top veertig, maar Sailor Boy moeten we al achteraan in de Top Honderd van 1964 gaan zoeken. Maar 1966 zou voor The Chiffons weer een fantastisch jaar worden. Op zeven mei werd immers het door Doug Morris en Eliot Greenberg geschreven Sweet Talking Guy op single gelanceerd, een plaatje waarmee ze inpikten op de toen allesoverheersende Motown-Sound. In Amerika werd het een toptienhit en in Engeland twee keer een hit: op eenendertig in de Britse top veertig in 1966 en op vier in 1972. Zo omstreeks 1967 waren de hoogtijdagen van de meidengroepen in Amerika voorbij. Toch deden The Chiffons moeite om nog goede singles af te leveren zoals: Open your eyes en Teach me now, maar ja wat wil je, de beat had de hitlijsten stevig in haar greep en de muzikale smaak was stilaan ook helemaal anders gekruid.

Out of this world en Stop, look and listen waren de laatste singles waarmee The Chiffons nog tot in de staart van de Amerikaanse Top Honderd geraakten. In 1970 had Judy Craig The Chiffons verlaten. De vijftiende mei 1992 overlijdt aan de vooravond van haar vijfenveertigste verjaardag Barbara Lee aan een hartaanval. Craig stapt daarop opnieuw in de groep en gaat met hen de baan op. Iets later houdt Sylvia Peterson het voor bekeken en wordt vervangen door Connie Harvey, die het na een tijdje in haar eentje wil proberen. Wanneer Patricia Bennett besluit het rustiger aan te gaan doen, spreekt Judy Craig met haar dochter en een nichtje van haar af dat zij voortaan als The Chiffons zullen blijven zingen en optreden.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Willem Vermandere

In vroegere interviews vertelde Johan Verminnen altijd: ‘Ik studeer voor Willem Vermandere’. Hij meent dat vandaag nog altijd omdat de no-nonsensemanier waarop Willem zijn carrière aanpakt, wars van alle trends, nog altijd tot een voorbeeld dient. Verpakking haalt het tegenwoordig te veel op inhoud, maar Johan weet dat Willem daar weinig last van heeft. Voor hem is Vermandere een einzelgänger die elke dag zijn ding doet.”De media zullen ons misschien snel vergeten”, weet Johan. “Misschien zijn  we maar voetnoten in de muziekgeschiedenis. Maar noten zijn voor ons al ruim voldoende!”

 

Willem Vermandere werd de negende februari 1940 in Lauwe geboren, een oorlogskind dus. Dat zou hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Vandaar zijn ode aan de duizenden gesneuvelde soldaten tijdens de grote oorlog in  de Westhoek. Thuis was de keuken het terrein van moeder, pa wroette graag met zijn handen. Hij was wagenmaker, een harde stiel. En toch had die man een romantische ziel! Hij bracht Willem zowel de liefde voor de beitel en de schaafbank als voor de muziek bij. Vader speelde graag klarinet en onder impuls van pa ging Willem in de dorpsharmonie Sint-Cecilia meespelen! Hier kwam de werkman zich na zijn uren ernstig met muziek bezighouden. Op amusementsmuziek werd toen nog neergekeken. Klassiekers als ‘De Egmont Ouverture’ van Ludwig van Beethoven en ‘Finlandia’ van Jean Sibelius kregen voorrang.

Bij de paters in Waregem, een kweekvijver voor nieuwe roepingen, volgde Willem de Grieks-Latijnse afdeling. Het viel snel op dat hij creatief was. Hij tekende graag, vooral zijn karikaturen van het lerarenteam deden het goed bij zijn klasgenoten. Willem had toen ook al iets met hout. Dat materiaal fascineerde hem. Toen Walter De Buck en Wannes Van de Velde al druk in de weer waren met optredens in jazzkroegen en zo, ging Willem binnen in het obligatenklooster. Hij wou God een plaats geven in zijn leven, maar die God zag geen discipel in hem. Hij was dan wel een pater in wording, maar wel eentje  die graag boeken van Henry Miller las en ‘Zuster Cecilia’ van Gerard Walschap, liever dan de Bijbel, en graag liedjes schreef. Dat bracht hem op andere ideeën dan de vereiste religieuze. Zijn studies konden de pot op. Willem had stilaan de weg naar zichzelf gevonden. De gitaar, de beitel, het potlood: dat waren de dingen die hem in de kern van zijn ziel raakten. Er ging een heel nieuwe wereld voor hem open. Hij stapt uit het klooster en gaat als een soort verlengstuk van die plots afgebroken roeping, godsdienstwetenschappen in Gent studeren.

Van nature is Willem altijd een geboren verteller geweest en na zijn studies voor regent voelt hij zich geroepen om kinderen wat aan te leren. Hij wordt leraar in Nieuwpoort. Hier ontpopt hij zich stilaan als liedjesschrijver en zanger en maakt kennis met de Westhoek – verzen van Djoös Uytendaele. Dat klikt meteen en Willem maakt er liedjes van.  Met zijn gitaar en die liedjes gaat Willem links en rechts optreden tijdens avonden georganiseerd door de plaatselijke Chiro en de KSA. De vraag naar optredens wordt almaar groter.

In 1968 wint Willem Vermandere de talentenjacht van het Heistse Humorfestival en van dan af gaat het snel, heel snel, zonder dat hij er echt op voorbereid was. Het is zijn vriend- schrijnwerker Roger Rossey, zijn toenmalige tekstleverancier, die hem inschrijft. Willem trekt naar Radio 2 in Kortrijk voor de preselecties, wordt geselecteerd en wint de finale met Bruloft van Kanna en My mensch’n van te lande. In ’t begin klinkt Vermandere zo’n beetje als Wannes Van de Velde. Het was dan ook moeilijk hem in het juiste vakje te stoppen. Was hij nu een kleinkunstenaar of een volkszanger? In 1969 mag Willem trots uitpakken met een eerste elpee “Liedjes van de Westhoek”. Het was voor hem  niet eens zo moeilijk aan een platencontract te geraken. Fons Van Dam van Decca toonde meteen interesse, schreef enkele arrangementen en de rest ging als vanzelf.

Aanvankelijk klonken Willems liedjes nogal heimat gekleurd, streekgericht en in de streektaal gezongen. Maar ondanks die liedjes, bleef hij een geboren verteller, een mythische verteller. Vanaf 1970 gaat Willem zijn eigen teksten schrijven zoals we horen op het album “Willem Vermandere”. Liedjes als Fredo en Marcello, Margriete van Piere Maertens enz… Aan de basis van zijn liedjes liggen figuren die ook echt hebben bestaan. Klein ventje gaat over Georges van het bejaardentehuis in Elverdinge, De historie van Steentje over de Vlaamse pater Roger Vandersteen die opperhoofd werd bij de Canadese Cree-Indianen. Zijn chansons etaleren ook vaker een soort toogfilosofie. Qua hoogtepunten uit die periode zijn Piere de Beeste en  Blanche en zijn peird nog altijd echte uitschieters.

Het valt op dat Willems muziek vol vreemde elementen zit: iets Jiddisch, iets Hongaars, iets zigeunerachtigs. Hij is, ook niet op zijn platen of cd’s, de man van synthesizers en elektrische gitaren. Hij zweert bij de accordeon, de akoestische gitaar, de saxofoon, de fluit, de mandoline en vooral de klarinet. Die klarinet is er pas na de derde elpee gekomen als  een verlengstuk van zijn stem. Niet alleen blijven de littekens van de twee wereldoorlogen in de liedjes van Vermandere doorklinken, ook zijn herhaaldelijk ongenoegen over het almaar toenemend extremisme valt op. Een chanson als Bange blankeman pleit voor meer verdraagzaamheid tegenover de gekleurde medemens. ‘Als de kinderen van moeder eerde, op charango en met gamelan, ze zingen en roepen aan ons deure: doe open, bange blankeman’.

Het optreden, het podium, dat is Willems maîtresse, de mooiste van allemaal. Van Jules de Corte leerde hij dat “het enige dat je op een podium moet doen, is zeggen aan de mensen wie je bent. Zeggen waar je blij mee bent, waarom je verdrietig of kwaad bent, zeggen aan de mensen waar je vandaan komt, wie je vader was en wie je moeder. Dan wordt het niet meer gewoon optreden, dan wordt elk concert ‘ergens ’s avonds naar toe gaan”. De mensen zuurstof geven is op dat moment de boodschap. Zingen is voor Willem  in contact treden met zijn publiek. Op het podium kent Willem  zijn beperkingen, hier weet hij precies tot hoever hij mag gaan! ‘Dat is mijn biotoop’, zegt Willem, ‘hier ben ik heer en meester. Hier weet ik precies wat ik kan. Hier werk ik met bescheiden middelen, wetend dat je met één goed verhaal een zaal van duizend toehoorders aan je kan binden’.

In de hem zo eigen stijl schreef Vermandere de voorbije decennia liedjes die intussen echte Vlaamse klassiekers zijn geworden. Liedjes als Kasteel van schelpjes en zand en het haast onafscheidelijke Loat mie moar lopen (1981). De inspiratie voor dit lied had hij maar op te rapen. Op zekere dag trok hij naar Wallonië om daar arduin aan te kopen. Hij vertrekt rond een uur of elf via Wetteren en Geraardsbergen zo naar beneden. Rond de middag stopt hij langs de autosnelweg aan een baancafé en wordt daar aangesproken door een aantal jonge mensen, computerspecialisten, die op weg zijn naar een vergadering in Brussel en die Willem benijden omdat hij zo’n vrij leven kan leiden daar in de Westhoek. De dingen doen die zij zo graag zouden doen: werken in de tuin, liedjes zingen… “‘k moest heel mijn jong leven studeren en ‘k wierd computerspecialist. ‘k Kost het zodanig programmeren totda’k van toeten noch blazen ni meer wist”.

Ook al is Willem een geboren verteller, een man die geen blad voor de mond neemt, toch kan hij die mond soms goed gesnoerd houden en geeft hij op een instrumentale cd toe dat woorden hem al eens tekort kunnen schieten zoals in 2002 op het album “Omzwervingen, liedjes zonder woorden”. Op deze cd mogen zijn twee vaste kompanen fluitist en klarinettist Freddy Desmedt en gitarist Pol Depoorter de aandacht voor zich opeisen. Bij Willem is het schrijven van liedjes een kwestie van ‘a tune a day’. Het begint bij pure improvisatie en dan zit hij met zoveel ideeën opgescheept dat hij die niet allemaal in woorden kan vatten. Dan krijgen de instrumenten het (voor)recht om te spreken. Hoe vreemd het misschien mag klinken, maar al de recente albums van Willem Vermandere halen moeiteloos de hitlijsten. Gouden platen hoef je bij hem thuis niet te zoeken, die hebben zijn twee zonen en twee dochters  intussen ingepalmd. Willem duikt al enkele weken na de release van een cd de album top twintig binnen alsof het niets is.

De laatste jaren heeft Vermandere een geestverwant gevonden in zijn Waalse evenknie Jules Beaucarne wat resulteerde in een aantal aantrekkelijke liedjes en voorstellingen. Herman van Veen dweept ook al een hele tijd met onze Vlaamse bard en voelt zich niet te beroerd om enkele van Willems liedjes in zijn theaterproducties op te nemen zoals Voor Marie Louise dat we ook horen op het album  “Solozeiler” van Johan Verminnen. Hij zingt dit liedje in duet met Willem: Johan in het Frans, Willem in zijn eigen taal. Samen treden ze regelmatig op, ook in Nederland. Zo blokletterde een Nederlandse krant kortelings: “Twee zingende vogels, gebekt in dezelfde Vlaamse tuin”. Ook al gebruikt Willem bij onze noorderburen zijn oer-West-Vlaamse-woordenschat toch komen de Nederlanders hem achteraf zeggen: “Wat gebruik je toch mooie woorden!” Als geen ander weet Willem zijn liedjes op zijn publiek te projecteren en het is dat wat ze zo verstaanbaar maakt. Voor iedereen!

Bij al dat zingen mogen we niet uit het oog verliezen dat Willem zich ook als beeldhouwer heeft geprofileerd: begonnen met hout, maar daarnaast veel bezig met steen.

Wanneer we van Willem in Steenkerke afscheid nemen en  vragen of hij na al die jaren als artiest geëvolueerd is, antwoordt hij, na even diep te hebben nagedacht: “Neem eens mijn verzamel-cd “Van Blanche tot Blankeman” uit 2007 bij de hand en luister eens aandachtig naar al die teksten. Teksten over het romantische dorpsleven en mijn echte stellingname: dat ik opensta voor het nieuwe leven. En vergeet vooral niet tussen de regels te lezen en te luisteren. Met die titel, met dat album heb ik ongeveer alles gezegd”.

Wanneer Willem in 2010 zeventig wordt brengt hij het album  ”Alles gaat over” uit. In het totaal vijftien gezongen liedjes en het instrumentaaltje Fluîtje-perluîtje. Hij heeft speciaal voor dit album een nieuwe versie opgenomen van zijn klassieker Voor Marie-Louise. Op dit album neemt hij in enkele liedjes afscheid van een goede vriend, een broer én een kleinzoon. Ook al klinken de liedjes van Willem simpel, qua inhoud blijven ze ons raken. In Arme Jezus komt nog maar eens het thema religie aan bod. In het voorjaar van 2010 klimt Willem met deze cd naar de zesde plaats in de album Top Vijftig. Een degelijke notering zit er in 2012 in voor de cd “De zanger & De Muzikant”. Een overzicht van zijn grootste gezongen hits én zijn instrumentale nummers. Ook dit album wordt op het Universal label uitgebracht, net als de opvolger “Den Overkant & de Meditaties” dat in 2014 in de winkels ligt. Het album valt zo goed in de smaak dat het eenentwintig weken na mekaar in de hitlijsten genoteerd blijft. In de Gazet van Antwerpen lezen we hierover: “Op De Overkant is de muziek ondergeschikt aan Willems verhalen, waarin het bekende mededogen met de minder fortuinlijke medemens opnieuw figureert. Met opvallend veel humor kijkt Vermandere naar de wereld en zichzelf: hoe wij ons voorbereiden op de zondvloed, hoe onze botten beginnen te kraken, hoe hij in de naburige Dreamland-vestiging vergeefs op zoek gaat naar het speelgoed van zijn jeugd. De Meditaties zijn instrumentale mijmeringen op de klarinet: mooie improvisaties als woordeloze gebeden, poortwachters naar een nacht vol melancholie.”

Wanneer Willem in 2015 vijfenzeventig wordt, maakt zijn vriend journalist Manu Adriaens een selectie uit de vele brieven die Willem de voorbije vijfentwintig jaar schreef aan vrienden en kennissen die hij niet vaak ziet. Om zijn gedachten op een rijtje te zetten en contact met hen te houden zijn die brieven voor hem ontzettend belangrijk en een nuttig tijdverdrijf tussen de optredens en het beeldhouwen door. “Volle Dagen” verscheen bij uitgeverij Lannoo.

Willem Vermandere is en blijft een bijzonder mens: een filosoof, een begenadigd zanger, een verteller, een beeldhouwer, een schilder. Ze leven in perfecte harmonie met mekaar. Al wat hij niet onder woorden gebracht krijgt, kan hij kwijt in zijn beelden en schilderijen en ook andersom. Hij voelt zich nauw verwant met de dichter Pablo Neruda die in de film “Il Postino” aan zijn vriend de postbode zegt: “Poëzie is eigendom van de dichter, poëzie is eigendom van de mensen die ze nodig hebben”. “Dat is de taak”, zegt Willem, “voor alle bedienaars van het woord: het mensdom troosten in dit tranendal. Mensen helpen als ze het zelf niet meer zien zitten. Wij kunstenaars moeten durven mensen een geweten te schoppen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Rock around the Clock

Terecht mag je zeggen dat als je een breuklijn wil aanduiden in de muziekgeschiedenis tussen amusementsmuziek en pop, je de single Rock around the clock van Bill Haley als een mijlpaal mag nemen om die grens te trekken. Je kunt zelfs spreken van muziekstijlen voor en muziekstijlen na deze plaat die door velen als allereerste rocksingle in de geschiedenis van de lichte muziek wordt beschouwd.

Wanneer Bill Haley zich met muziek gaat bezighouden, is er geen duidelijke richting die hij uit kan. De hoogtijdagen van de bigbands liggen achter hem en de nieuwe jazz die je links en rechts kan horen, slaat slechts aan bij een minderheid. Bill wordt thuis met muziek grootgebracht. Zijn vader speelt banjo en zijn uit Engeland afkomstige moeder tokkelt voortreffelijk op de piano. Bill zelf is een grote fan van de radioshow van de in de jaren dertig en veertig populaire countryzanger Gene Autry. Van zijn ouders krijgt Bill op zekere dag een akoestische gitaar en gaat zich specialiseren in het jodelen. Hij heeft echter met een probleem te kampen en dat is dat hij aan één oog blind is. Hij verstopt die handicap achter een lange, over zijn voorhoofd hangende haarlok. Bill woont op dat moment nog bij zijn ouders in Chester waar hij onder andere op de markt voor een dollar of vijf liedjes gaat zingen, naar het schijnt behoorlijk tegen zijn zin. Hij is namelijk nogal schuchter van aard. Maar om aan geld te geraken, besluit Bill toch fulltime zanger te worden. De blanke gemeenschap in zijn regio is erg dol op country & western. Op zekere dag ontmoet hij, na een optreden, Hank Williams in hoogsteigen persoon. Zij geraken behoorlijk bevriend met elkaar. Hank geeft Bill een paar broodnodige tips mee en leert hem een aantal typische akkoorden. Op aanraden van Hank trekt Bill naar New Orleans waar hij kennismaakt met de boogie woogie en de dixieland.

Intussen was Bill Haley een tijdje gaan optreden bij The Downhomers en iets later bij The Saddlemen. Na een paar plaatjes die hij had ingeblikt, maar waarmee hij nergens aan de bak komt, laat staan succes scoort, keert hij bij het begin van de jaren vijftig naar zijn geboorteplaats Chester terug en trekt opnieuw bij zijn ouders in. Gelukkig voor Bill was daar net deejay Lew Pollard met een radiostation begonnen. Op aanraden van zijn vader solliciteert hij en krijgt er een job als presentator-discothecaris aangeboden. Omdat er nogal wat rhythm & blues platen gedraaid werden, kwam Bill op de idee country met rhythm & blues te mixen. Deze mengeling slaat aan en Bill mag als zesentwintigjarige in 1951 samen met zijn vaste begeleidingsgroep The Saddlemen zijn eerste succes inblikken Rocket 88. Dat nummer was in de maand april al een dikke hit geweest voor Jackie Brenston samen met Ike Turner die het samen ook geschreven hebben. Pas echt doorbreken doet Bill een jaar later met Rock this Joint en het countrygetinte Icy Heart. De deejays zijn vooral weg van het eerste nummer. Binnen de kortste keren worden er vierhonderdduizend exemplaren van aan de man gebracht. Aangekomen in Nashville, mag Bill in de loop van de maand oktober 1953 meteen optreden in het bekende radioprogramma  “Grand Ole Opry”.

Er moet dringend wat aan zijn imago worden gesleuteld. De countrystijl moet wijken voor een meer moderne look. Geen bakkebaarden meer en ook geen countryboots. De groep heet voortaan Bill Haley and His Comets. De zestiende mei 1953 is een datum die zij nooit zullen vergeten, want dan geraken zij met Crazy Man Crazy tot op de zestiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Iets later krijgt Bill van uitgever James E.Myers alias Jimmy DeKnight een nummer aangeboden dat hij samen met Max C. Freedman had geschreven Rock around the Clock. Velen twijfelen aan dat co-auteurschap en vermoeden dat Max het alleen schreef. Bills platenfirma Essex weigert hierop in te gaan. Gelukkig voor Bill loopt zijn contract net af en hij sluit een platendeal bij Decca die wél wat in het nummer zien. De twintigste maart 1954 stond Sonny Dae al in de studio samen met zijn groep The Knights om een versie van Rock around the Clock op te nemen, maar de twaalfde april is het de beurt aan Bill die in de “Pythian Temple Studio” in New York zijn versie vereeuwigt. Bill Haley and His Comets blikken samen met producer Milt Gabler, die eerder al met Louis Armstrong en Ella Fitzgerald had gewerkt, de songs Thirteen Women en Rock around the Clock in. Gabler houdt vol dat Thirteen Women sowieso de A-kant moet worden. Gitarist van dienst is Danny Cedrone die wel vaker als sessiemuzikant werd ingehuurd door Bill. Tien dagen na deze opname overlijdt Cedrone op 33-jarige leeftijd aan de gevolgen van een ongelukkige val van de trappen en zal dus niet het succes van Rock around the Clock meemaken. De eerste release wordt geen echte hit, maar Bill krijgt een nieuwe kans en neemt Shake, Rattle and Roll van Charles Calhoun op. Dat was iets eerder al op plaat gezet door Louis Jordan, maar de versie van Bill is een stuk sneller. In de loop van de maand oktober 1954 staat Bill ermee op de zevende plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

Met de volgende singles Dim, dim the lights en Mambo rock zal Haley nadien opnieuw de Top Twintig inpalmen. Muziekuitgever James E. Myers blijft erg geloven in het hitpotentieel van Rock around the Clock. Hij stuurt tweehonderd singletjes naar de bekendste regisseurs en producers die Hollywood rijk is in de hoop dat het in een of andere soundtrack zal opduiken. En zijn droom wordt werkelijkheid. In de lente van 1955 wordt in een regie van Richard Brooks de film  ”Blackboard Jungle gelanceerd met in de hoofdrollen Glenn Ford, Anne Francis en Louis Calhern. Het echte verhaal wil dat Glenn en Richard Rock around the Clock vonden in de platencollectie van Glenn’s zoon die dat plaatje iets eerder gekocht had. De plot gaat over een leraar die met agressieve studenten krijgt af te rekenen. De film zet gelijk in met het liedje Rock around the Clock. De vonk slaat meteen over op het jeugdige publiek en binnen de kortste keren wordt de singleversie opnieuw in de rekken gezet. De negende juli 1955 staat Rock around the Clock op 1 in de Amerikaanse charts en zal het daar acht weken na mekaar uithouden. Dat jaar wordt voor hem echter geen om in te kaderen, integendeel.  Zowel zijn vader, zijn moeder als zijn zus overlijden en zijn vrouw baart een niet-levensvatbaar kind.

De prent “Blackboard Jungle” zette een nieuwe trend, namelijk die van de rockfilm. Dat succes wordt snel aangevuld wanneer producer Sam Katzman en regisseur Fred F. Sears, Bill Haley and his Comets centraal plaatsen in de film “Rock around the clock” met in de hoofdrollen Alix Talton en Johnny Johnston. In die film treden ook de legendarische deejay Alan Freed, The Platters en het Ernie Freeman Combo op. In de slipstream volgt ook nog “Don’t Knock the Rock”. Haley staat erop dat zijn muzikanten meedelen in het financiële succes. Hij koopt voor elk van hen een heuse Cadillac en trakteert zichzelf op een jacht dat hij toepasselijk “Comet” noemt en waarmee hij zich op zee tijdens een of andere visvangst lekker kan uitleven. Intussen brengen zij de singles Razzle-Dazzle, Two Hound Dogs en Burn That Candle uit.  Nog één keer kan Bill het succes van Rock around the Clock op vinyl evenaren, of toch in de buurt ervan geraken, met de single See You Later Alligator. De veertiende januari 1956 wordt die vijfenveertigtoerenplaat gereleaset en enkele weken later staat Bill ermee op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

Nadien zal hij tussen 1956 en 1974 nog zestien keer in de Amerikaanse Top Honderd opduiken met singles als: Hot Dog Buddy Buddy, The Saints Rock ‘n Roll, Rip It Up, Choo Choo Ch’Boogie en Skinny Minnie. De laatste keer in de maand maart 1974 met Rock around the Clock en dat dankzij het in die tijd populaire feuilleton “Happy Days”.

Vreemd genoeg blijven nadien de  echte hits voor Bill Haley and His Comets achterwege. Zij komen wel erg goed aan de bak dankzij hun vele live-optredens. In de jaren zestig treden zij regelmatig in Europa op, met name in Engeland, en profiteren daar van de rock and roll revival. Zo is er in 1967 het onvergetelijk optreden in het “Alhambra Theater” waar zij samen met de Spencer Davis Group optreden, luid aangemoedigd door de Britse jeugd. Toch voelt Haley dat hij er niet meer echt bij hoort en er eigenlijk ook nooit “echt” bijgehoord heeft, want collega’s als Elvis Presley, Little Richard, Buddy Holly en Chuck Berry worden in het rock and roll milieu hoger naar waarde geschat. Haley geraakt aan de drank en houdt er een hevige vorm van paranoia aan over. De negende februari 1981 wordt hij getroffen door een hartaanval. Hij overlijdt in zijn woning in Harlingen, Texas.

Als eerbetoon worden Bill Haley and His Comets in 1987 opgenomen in de “Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland.

In 1979 neemt de Belgische groep Telex een erg trage versie van Rock around the Clock op die in Engeland tot op de vierendertigste plaats in de Top Veertig geraakt.

tekst en research: Marc Brillouet

©2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Will Tura

Méér dan veertig jaar is Will Tura de koning van de Vlaamse showbizz. Het is een eretitel waar hij zich een beetje onwennig bij voelt, als zou hij zich vorstelijke allures moeten aanmeten. Maar er mag ridder Arthur Blanckaert op zijn naamkaartje staan en hij heeft zijn eigen wapenschild. In een gesprek met Wilfried Hendrickx voor Humo vertelde Will in 2012 dat hij de duurte van zijn carrière niet toeschrijft aan zijn talent waaraan hij nog altijd twijfelt, maar aan zijn beroepsernst en aan zijn noeste werklust. “Taai volhouden is een soort West-Vlaams arbeidsethos”.

 

 

 

Will Tura werd de tweede augustus 1940 in Veurne geboren als vierde van vijf kinderen. Niemand kon toen vermoeden dat hij het grootste fenomeen van de Vlaamse muziekwereld zou worden. Als Will naar zijn vader had geluisterd, was hij toneel- of filmacteur geworden. Zijn papa, die overdag schrijnwerker was (hij werkte als grensarbeider in Frankrijk), speelde in het amateurtoneel en werd de Humphrey Bogart van Veurne genoemd. Zijn droom was niet dat Will een gevierd zanger zou worden, maar wel dat hij ooit zou te zien zijn op het witte doek. Het had dan ook niet veel gescheeld of in 1959 zou Will te zien zijn geweest in de Frans-Belgische film ‘Gejaagd door de nacht’. Maar halverwege de opnamen kregen de regisseur en de producer ruzie en ging het hele project de mist in.

Will koesterde één grote droom: zanger worden. Zijn vader vond dat geen ernstige stiel, maar moeder geloofde wel in het talent van haar zoon. Op school was Will geen held, maar hij werd wel gewaardeerd wanneer hij op zijn accordeon het koor begeleidde. Voor die accordeon hadden zijn ouders een tijdje haast het brood uit hun mond moeten sparen, maar ze wisten toen al dat Arthur door muziek bezeten was. Op jonge leeftijd stapt hij naar de muziekschool. Dat slorpt hem helemaal op, dat bezig zijn met noten én liedjes schrijven. Mama Blanckaert had zo graag dat Will in het orkest van Francis Bay zou terechtkomen. In 1951 staat Will op de affiche van “Cinema Eldorado” in Veurne in de revue van Walter Richard. Het is Walter die  de artiestennaam Will Tura bedenkt en ontdekt dat Will aardig kan jodelen en dat was in die tijd een attractie apart. Iets later leert Will, Harry Cogge kennen, een West-Vlaams accordeonleraar en leider van het orkest ‘De Nachtvlinders’. Die geeft Will accordeonles en zodoende krijgt hij een plaats in het orkest! De Nachtvlinders spelen graag jazzy en bluesy muziek en dat ligt Will wel. Na een tijdje kan hij zo goed accordeon spelen dat hij links en rechts prijzen wegkaapt. Hij was toen een jaar of vijftien. Het waren de jaren dat in Vlaanderen sterren als Jean Walter, La Esterella, Bob Benny en Bobbejaan Schoepen het voor het zingen hadden.

Will weet nog zeer goed dat toen Bobbejaan in Veurne optrad, hij de jonge Tura in de gaten kreeg, hem op het podium uitnodigde, hem een cowboyhoed opzette en hem liet meejodelen. In 1953 komt Will als zanger-gitarist in Freddy’s Dansorkest terecht. Tijdens een crochetwedstrijd van “Radio Kortrijk” wordt Will, die intussen les volgt aan de conservatoria van Gent en Oostende, ontdekt door Jo Deensen. Will gaat almaar méér zijn eigen weg en passeert nog even de orkesten van André Coucke en Marcel Sterckx vooraleer hij in 1957 muziekuitgever Jacques Klüger ontmoet. Hij had intussen ook piano leren spelen én gitaar. Wanneer hij maar enigszins de tijd heeft, schrijft hij liedjes. Het wordt snel duidelijk dat dat zijn dada zal worden, songs schrijven. Hij had aan het conservatorium de voorbije drie jaar aardig wat bijgeleerd: hij kan vlot noten lezen en improviseert graag. Wanneer hij nu op zijn oeuvre terugblikt, stelt hij vast dat ruim tachtig procent van zijn repertoire uit eigen songs bestaat.

Het kon niet lang uitblijven of Will zou zijn eerste plaatje opnemen Bye bye love, een cover van een nummer 1-hit van The Everly Brothers. Het was in die begindagen echt zoeken naar de juiste Turaformule. Dat ging stap voor stap dankzij singles als Amapola, Oh paardenstaart en Blauwe Kimono om uiteindelijk te resulteren in dé Turahit bij uitstek Eenzaam zonder jou, een liedje dat hij geschreven had tijdens een zomervakantie op een caféterras in Zuid-Frankrijk  met als werktitel I feel so lonely en met  een toenmalig vriendinnetje in zijn  achterhoofd. Hij had welgeteld zes bierviltjes nodig om de eerste flarden van het nummer onder een zomerse zon neer te krabbelen. Achteraf schreef  Ke Riema er een tekst op.  Na vijf jaar lang de ene single na de andere te hebben gereleaset, had Will in 1962 eindelijk zijn eerste nummer één te pakken. Geduld oefenen en blijven volhouden, loonde. Plots werden Wills dromen ook werkelijkheid. Hij ging zich door dat succes almaar meer als een professional gedragen, hij begon de ernst van zijn vak in te zien.

Will was met Eenzaam zonder jou niet aan zijn proefstuk, want eerder had hij al liedjes geschreven, een instrumentaal nummer zoals Tender passion dat  door Willy Albimoor op piano werd opgenomen en later nog op de succesvolle cd “Janu plays Will Tura volume 1″ als Nooit laat ik je gaan werd gezet, en het nummertje A lonesome heart dat door trompettist Theo Mertens op plaat werd uitgebracht. Will had snel door dat hij na dat succes met Eenzaam zonder jou snel een opvolger moest klaarhebben. Tijd om met zijn imago bezig te zijn had hij niet. Op plaat had hij een hit met een slow, maar op het podium rockte hij net zo stevig als Johnny Hallyday en Cliff Richard. Toen Jacques Klüger in 1962 overleed, moest Will voortwerken met diens zoon Jean, een jongeman die amper twee en een half jaar ouder was dan Will. De vaderfiguur viel weg, maar er kwamen nieuwe, frisse ideeën in de plaats. Jean voelde ook aan dat ze snel met een nieuwe hit op de proppen moesten komen. De opvolger van Eenzaam zonder jou, Ik wacht op jou,  houdt halt op een tweede plaats in de hitlijsten, maar Je liegt staat in 1963 binnen de kortste keren op nummer één. Will vindt de tijd ook rijp om met een eigen orkest te starten, het Tura Sextet, later de Tura Band. Het zou paginarovend zijn, mochten we dieper ingaan op de jarenzestighits van Will. Daarom een kort overzicht van zijn allergrootste: Draai dan 797204 (1964), Als de zomer weer voorbij zal zijn (1964), Heimwee naar huis (1966), Arrivederci Maria (1966), El Bandido (1966), Mijn winterroosje (1967), Viva el amor (1968), Angelina  (1968), Het kan niet zijn, (1969) , Hetgeen je niet krijgen kan (1969) en Liefdeverdriet (1969).  De laatste vijf  bereikten elk de eerste plaats. Steeds was er eerst de muziek en pas dan  de tekst. Vaak schreef Will na een optreden enkele flarden van de melodie die hem op dat moment te binnen schoten op een stukje papier of zong het in op cassette. Nadien werkte hij het thuis verder uit aan de piano. Soms schoot hem een idee te binnen wanneer hij in de auto op weg was terug naar huis. Nog voor het slapengaan noteerde hij dan de basismelodie snel op papier of stopte hij onderweg en speelde langs de graskant of op de pechstrook enkele fragmenten ervan op de gitaar. Wanneer hij op vakantie was had hij altijd een studiegitaartje bij de hand. Zo schreef hij ooit in een of ander Spaans vakantieoord Arrivederci Maria.

Op het einde van de jaren zestig voelt Will dat hij leeg is, zijn batterij is plat. Een bezoek aan de dokter leert hem dat hij hoogdringend aan rust toe is. Een vakantie op Palma de Mallorca helpt hem er weer bovenop. Hij voelde het al eerder aankomen. Hij was bij het minste opgejaagd, snel geprikkeld. Fysiek kon hij niet meer, maar zijn mentale sterkte dreef hem voort. Gelukkig voelt hij zich na twee weken als herboren en kan de rode draad weer oppikken en nieuwe liedjes schrijven samen met Nelly Byl. Will had namelijk sinds  zijn eerste hit samen met zijn producer het schrijverstalent van Nelly ontdekt. Zij was het die in 1963 het countryliedje Lonesome 7-7203 vertaalde als Draai dan 797204. Het zou het begin worden van een lange en vruchtbare samenwerking. In de jaren zestig schreef  ze vooral vertalingen van Engelstalige liedjes waarvan Jacques Klüger de rechten had gekocht en zo leerde ze almaar beter teksten schrijven. Nelly werkte  in die periode ook voor Marva, Jimmy Frey, Ann Christy en Rita Deneve. Het vreemde wat haar samenwerking met Will betreft, is dat ze elkaars deur nooit hebben platgelopen. Zij werkten heel vaak met cassetjes.  Het liefst schreef Nelly romantische teksten. Ze had dan ook liever gehad dat Will wat meer over zichzelf had verteld, dat zou voor haar gemakkelijker zijn geweest, dat zou haar iets meer inspiratie hebben gegeven. Zijn vrouw Jenny geeft haar daarin gelijk: “Will is zeer introvert“, zegt ze, “Hij leeft heel vaak in zijn eigen wereldje, maar daar heb ik me intussen al lang aan aangepast!”.

Niet alleen muzikaal gaat het Will in de jaren zeventig  voor de wind. De vierde juli 1971 ontvangt de inmiddels naar Brabant uitgeweken zanger de titel van ereburger van zijn geboortestad Veurne. Privé zit het hem ook mee, want tijdens een privéfeestje van zijn producer Jean Klüger in 1971 leert hij Jenny Swinnen kennen. Datzelfde jaar scoort hij weer een nummer 1, deze keer met Zonneschijn om het jaar daarop opnieuw stevig uit te halen met de single Aan mijn darling. Twee jaar later, de eenentwintigste maart 1973,  trouwt hij met Jenny. Een dag later heeft in de privékapel van “‘t Goudkasteeltje” te Buizingen de kerkelijke plechtigheid plaats. Als geste naar zijn fans toe neemt hij het nummer Verboden dromen op en die belonen hem op hun beurt met een tweede plaats in de top dertig. De jaren zeventig kabbelen rustig voort met vocale uitschieters zoals: Als je vanavond niet kan slapen, Doña Carmela en Goodbye Elvis, een single die hij opneemt naar aanleiding van het overlijden van een van zijn grootste idolen Elvis Presley. In heel wat interviews had Will intussen duidelijk laten horen  dat hij ook dweepte met het talent van Frank Sinatra en wellicht zijn grootste voorbeeld op muzikaal gebied Nat King Cole.

Het aanreiken van liedjes gebeurde altijd in samenspraak met Jean Klüger. Will reikte meestal de melancholische songs aan, Jean meer de up-tempo songs. Will is snel ontroerd, erg kwetsbaar ook. Wanneer hij schrijft, is het vaak in mineur. Romantiek en melancholie liggen bij hem dicht bij mekaar zoals bijvoorbeeld in het liedje Linda, voor hem persoonlijk nog altijd een van zijn favorieten, zeker tekstueel.  “Doch nee dit is de waarheid niet, maar je hebt nog zo’n verdriet dat ik jou onmogelijk zeggen kan waar ik gisteren Linda zag en hoe stralend mooi ze was in de armen van een andere man. Linda denkt aan jou niet meer!”

In 1975 gaat voor Will alweer een droom in vervulling. Hij treedt als eerste Vlaamse zanger op in Vorst-Nationaal. Dat jaar, de eenentwintigste november, wordt zijn dochter Sandy geboren (16 oktober 1974 was haar broer David al geboren). Omdat Will Tura altijd oog en oor heeft gehad voor nieuw talent organiseert hij samen met BRT 2 West-Vlaanderen in 1975 de zangwedstrijd “Tura’s talententocht”. Voor zijn sociale inzet als zanger ontvangt Will vier jaar  later de Dag Hammerskjöldprijs.

In een interview met TV-Express quoteerde Will zijn prestaties tijdens die jaren zeventig met een zes op tien. Eén puntje méér dan de jaren zestig omdat hij intussen de nieuwe studiotechnieken beter onder de knie had gekregen. Hij mocht ook vaker in Londen opnemen en werd daar overweldigd door de enorme vooruitgang die er op dat terrein werd geboekt! Hij sluit de jaren zeventig af met onvervalste Turahits zoals:  Huisje in Montmartre, In mijn caravan en het intussen haast onsterfelijk geworden Zij gelooft in mij.

Gelukkig bleven ook de fans in Tura geloven, want in de loop van de jaren tachtig ging het almaar bergaf met de Vlaamse zangers, ze geraakten in een diep dal verzeild. Het bleef wachten tot het einde van de jaren tachtig en tot de komst van VTM en een programma als ‘Tien om te zien’ om uit dat slop te geraken. Will bleef echter overeind door zijn vele liveoptredens met als hoogtepunten in 1985 Marktrock in Leuven en zijn erg gesmaakte concerten in Vorst–Nationaal. Will probeert ook de muzikale trends van die tijd juist in te schatten. Hij gaat op zoek naar een eigentijdse sound die al meteen in 1980 te horen is op een van de grootste hits uit zijn carrière Hopeloos waarmee hij haast onverwacht tot op de tiende plaats van de Nederlandse top veertig geraakt. Een ereplaats is voorzien voor de synthesizer. Een hit scoren bij onze noorderburen was hem voordien alleen maar gelukt met Eenzaam zonder jou (hoogste notering drieëntwintigste plaats in de maand juni 1963) en Draai dan 797204  (hoogste notering een tiende plaats in de maand mei 1964). Hopeloos schrijft Will samen met Nelly Byl. Jean Klüger neemt de productie in handen en zorgt voor een stevige backing onder meer geleverd door de gitaristen David Briggs, Fred Newell en Paul Worley. Uit Parijs laat Klüger toetsenist Wally Badarou overkomen om Tura op synthesizer te begeleiden. Badarou werkte samen met onder andere Level 42, Joe Cocker en Herbie Hancock, dus een krak op zijn terrein. Het jaar daarop presteert Will iets dat nog geen enkele Vlaming hem tot dan toe had voorgedaan. Hij treedt acht avonden na elkaar op in een compleet uitverkochte ‘Passage 44’, een Franstalig bastion in hartje Brussel. Hij laat zich op het podium bijstaan door het “Toppop Ballet” van Penney de Jager en tijdens twee liedjes wordt hij zelfs begeleid door een klassiek strijkkwartet. Bij dat alles dacht hij vaak aan zijn lichtend voorbeeld Gilbert Bécaud. Hij had hem ooit live meegemaakt in de Olympia in Parijs en sinds die dag was Bécaud voor hem dé norm. Het vakmanschap heeft hij een beetje van hem afgekeken. De dynamiek die Gilbert in zijn optredens stak, de afwisseling qua songkeuze en genres zouden Will blijvend inspireren. Dat Bécaud zich daarbij zelf aan de piano begeleidde, was voor Will een punt van herkenning, hij voelde zich op dergelijke details nauw met hem verbonden.

In de loop van de jaren tachtig scoort Will Tura tweeëndertig hits. Ook nu weer een greep uit dat hitaanbod: Het leven is als toneel (1981), De Rode Duivels gaan naar Spanje (1982), Vergeet Barbara  (1984),  Geef me liefde (1989) en Mooi  het leven is mooi (1989), een liedje dat hij zittend  in zijn rolstoel moet opnemen, want hij heeft enkele maanden voordien een ernstig ongeval gehad. Dat liedje wordt, dankzij de komst van Tien om Te Zien, een van zijn grootste hits in die jaren tachtig. Volgens kenners blijft echter Ik mis je zo (1984) uit die periode nog altijd een van zijn mooiste nummers.

Wills artistiek quoteringscijfer voor die jaren tachtig is  een acht op tien  omdat hij zijn songs veel interessanter vindt vanaf het moment dat  Steve Willaert  er  als arrangeur wordt bijgehaald. Steve gaf Wills composities een méér Amerikaans getinte muzikale touch. Zijn nummers klinken van dan af meer up-to-date! In diverse interviews laat Will aanvoelen dat hij niet meer terug wil naar het niveau van Winterroosje en Mannen van de nacht hoezeer die liedjes hem ook na aan het hart blijven liggen. Een blijvende waarde, ook tijdens die jaren tachtig, is zijn vaste producer Jean Klüger. Jean blijft  een prachtkerel om mee samen te werken: vriendelijk, aangenaam in de omgang, heel muzikaal, kritisch positief ingesteld. Hij weet maar al te goed hoe Will zich haast uitsluitend door groot talent tijdens die moeilijke jaren tachtig overeind heeft gehouden. Wanneer Will vijfentwintig jaar op de planken staat, trakteert hij de fans op de elpee “25 jaar Tura” en gunt zichzelf een opname in het mekka van de countrymuziek Nashville, een uitstapje dat hij in 1984 nog eens herhaalt, om daar samen met The Jordanaires en de voormalige muzikanten van Elvis Presley, Scotty Moore en D.J. Fontana, het album “Tura zingt Elvis Presley” in te blikken.

Niet alleen op muzikaal, maar vooral op persoonlijk vlak, moet Will tijdens die jaren tachtig méér dan eens op de tanden bijten. Hij verliest niet alleen zijn vader, maar ook zijn broer Jean-Marie en zijn trouwe vriend Digno Garcia sterven. Als een soort afscheidscadeau schrijft Will nog voor Digno tijdens diens ziekteperiode het prachtige La luna de Asuncion (Asuncion is de hoofdstad van Paraguay – Digno was voordien lid van het trio Los Paraguayos), een liedje dat Digno ondanks zijn ziekte, koste wat het kost zelf nog op plaat wil uitbrengen en dat Will zelf tien jaar later goud zal  opleveren. In 1994 staat Will inderdaad met Hemelsblauw maar liefst twaalf weken aan de top. Vier jaar eerder had gans Vlaanderen er al voor gezorgd dat zijn vijftigste verjaardag niet onopgemerkt zou voorbijgaan! Tijdens een groots opgezet Radio 2-feest in Blankenberge wordt hij geurig  in de bloemen gezet en brengen heel wat Vlaamse rockers hulde aan hem op de cd “Turalura”, wat enkele van zijn hitparadecollega’s nog eens overdoen op het album16 voor Tura”. Will pakt ook uit met het méér dan geslaagd te noemen project “Tura in Symfonie”, live opgenomen in Vorst Nationaal samen met het BRTN Filharmonisch orkest en groot gemengd koor onder leiding van Fernand Terby. Opmerkelijk blijft ook de vocale aanwezigheid van Tura tijdens de uitvaart van koning Boudewijn in 1993 waar hij Hoop doet leven en  Ik mis je zo vertolkt! Naast al die triomfen wordt hij persoonlijk geconfronteerd met het overlijden van de zoon van zijn zus, zijn schoonvader, zijn moeder (1995)  én zijn broer Staf (1998). Gelukkig is er zijn muziek die hem over dit leed heen helpt. And the hits they keep on comin’: Met rock ‘n roll in mijn hart (1991), de West-Vlaamse rap Moa ven toh! (1992), het al eerder genoemde Hemelsblauw, La Melodia (1995) en het aan zijn broer Staf opgedragen  Alleen gaan (1998).

In 2002 verrast hij voor- en tegenstanders met het album “De mooiste droom”. Voor deze cd die zowat zijn duurste productie ooit zal worden en die hij in Londen in de Abbey Road studio’s gaat opnemen samen met de wereldvermaarde London Philharmonic orchestra onder leiding van Dirk De Caluwé, schrijft hij eigenhandig twaalf songs op teksten van onder meer Jan Savenberg, Bart Peeters en Dirk Blancke. Een volgende droom die hij realiseert is een gospel – cd met daaraan gekoppeld een gospeltournee die zijn hoogtepunt vindt in de “Tura Gospel Special” op zondag 14 december 2003 in het Sportpaleis van Antwerpen waar Will geflankeerd werd door  topmuzikanten als Steve Willaert, Kevin Mulligan, Jody’s Singers, een gospelkoor en enkele speciale gasten.

En Will wil van geen ophouden weten. “Ik zal altijd graag blijven zingen. Zolang de mensen ervan genieten, blijf ik doorgaan. Tot het moment dat ik voel dat ik live niet meer mee kan. Dan zal ik rustig nog wat liedjes blijven opnemen en me vooral als componist profileren. En voorts sta ik klaar voor de nabije toekomst. Ik blijf bezig met de sound van het moment, probeer zo goed mogelijk met de technische evolutie in de studio’s mee te gaan, maar vooral probeer ik mijn publiek trouw te blijven, want zonder hen was ik nooit de Will Tura geworden”,  zoals die de tiende november 2003 in het “Concertgebouw” van Brugge tijdens het Gala van de Eregalerij door al die fijne collega’s in de muzikale bloemen werd gezet! Twee jaar later viert Will zijn 65ste verjaardag met onder andere de cd “Viva Tura”. In 2007 zet hij met twee symfonische concerten, opgeluisterd door het Vlaams Radio Orkest, in Vorst Nationaal zijn vijftigjarige carrière in de kijker. Met het album “Dank U Vlaanderen” wil Tura de fans bedanken met een aantal nieuwe nummers, aangevuld met diverse verrassende covers. Al even verrassend is het album “Onvergetelijk” dat hij in 2009 in het Hilton Hotel in Brussel aan de pers voorstelde. Zijn firma liet ons toen weten dat het zijn 138ste album is, rijkelijk gevuld met covers van zijn grote idolen Nat King Cole, Dean Martin en Frank Sinatra in zowel de originele als Nederlandstalige versie. Songs van hemzelf hadden eerder al een internationale uitstraling gekregen. Ooit was er zelfs sprake van dat Aretha Franklin It takes a lot of love zou opnemen. Jammer voor Will wou haar producer een eigen tekst aan het liedje toevoegen terwijl dat al op naam van de Britse schrijver Jill King stond. En dus ging dat verhaal niet door. Maar geen getreur, want bekende sterren zoals Betty Curtis en Caterina Valente, Malcolm Roberts én zelfs The Four Aces hadden eerder al liedjes van hem ingeblikt.  Van één ding heeft Will spijt, dat hij de kans die de Britse producer Norman Newell hem ooit bood om in Londen te komen wonen en daar aan zijn carrière te schaven, fout heeft ingeschat. Will wou boter bij de vis en dat kon Newell hem niet garanderen, ook al werkte hij met sterren als Shirley Bassey. Die zekerheid zat er niet in en die had Will zo graag gehoord, want Vlaanderen was zijn werkterrein. Will heeft nooit willen gokken, ook toen niet!

In 2008 worden 100 hits van Tura verzameld in de cd-boxWill Tura 100 hits”. Wanneer Will twee jaar later zeventig kaarsjes mag uitblazen, wordt dat rijkelijk gevierd en in de bloemen gezet met voorop zijn biografie geschreven door zijn dochter Sandy. De VRT wijdt aan hem een aflevering in de reeks Belpop en het weekblad Humo komt op de proppen met de cd “Turalura 2″ met daarop een reeks covers door hedendaagse artiesten. Er wordt muzikaal van jetje gegeven door Customs, Arno, Mauro, The Van Jets en Daan die zich door Triggerfinger laat begeleiden tijdens zijn versie van de Turaklassieker Ik lieg dat hij een jaar of tien eerder op een rommelmarkt had gevonden in de originele singleversie. De donkere ziel die achter  de tekst schuilt, sprak Daan wel aan. Will kende hij al een tijdje omdat hij een joggende Tura regelmatig  tegenkwam terwijl Daan al wandelend in datzelfde bos nadacht over een of andere nieuwe song. De veertiende maart 2011 brengt Free Souffriau haar album “Gewoon Free” op de markt. Het merendeel van de liedjes wordt door haar man Miguel Wiels samen met Alain Vande Putte geschreven. Speciaal voor haar schrijft Will Tura samen met Bart Peeters het liedje Symfonie dat deze cd mag sieren. Steve Willaert tekent voor het arrangement.

In een productie van Steve Willaert brengt Will in 2012 het album “Ik ben een zanger” op de markt met daarop uitsluitend composities van hemzelf op tekst van Dennis Peirs. Het meest in het oog en het oor springend is het nummer Vrede waarop Tura zich laat begeleiden door Triggerfinger. Will is eerlijk genoeg om aan de pers te vertellen dat het zijn ego streelt dat deze jongens met hem wilden samenwerken. Het zet meteen de toon van dit nieuwe album. Tura slaat een andere weg in, weg van het commerciële, hij omarmt een jongere generatie met wie hij close gaat samenwerken. De titelsong is meteen de eerste single waarin Will zijn dankbaarheid wil uiten voor al die jaren dat hij van zijn publiek een zanger mocht zijn. Beluister het zeker niet als een afscheidslied, want daar is hij volgens zijn eigen zeggen nog niet aan toe. Voor het eerst neemt hij een echte videoclip op in een regie van Hans Pannecoucke. Will besluit om voortaan zijn concerten met dit lied af te sluiten.  Vervolgens is er als tweede singlekeuze Zeg nooit waarmee Tura tot op de zesde plaats van de Top Tien geraakt, waarin Will laat horen dat hij in het leven blijft geloven. Het is een lied dat een positieve boodschap uitstraalt.  Nadien volgt nog de single  In de schaduw van de maan. Will schreef dit samen met Bart Herman en dan kan het niet anders dan dat dit een countrysong is geworden, een genre dat beide heren erg na aan het hart ligt. Het is een nummer dat Will graag zingt omdat het vlot klinkt. Dat hij hier een daar aan Bruce Springsteen dacht toen hij het opnam, mogen wij nu wel weten. En dan is er ook nog de single Winter, maar die blijft uit de buurt van de Vlaamse hitlijsten. Winter is een liedje met een opvallende tekst “Wanneer ik terugkijk op mijn leven, de tijd heeft nooit een dag op mij gewacht. Er is zo veel wat mij is bijgebleven, ik herinner mij nog elke dag”.

Will geeft toe dat het als een soort afscheidslied klinkt, al is het daar, net zoals hij in het liedje Ik ben een zanger laat horen, nog te vroeg voor. Het is een lied op tekst van Peter van Noort en muziek van Frank Verkooyen. Het is het soort liedjes dat Will momenteel het liefst zingt, hij voelt dat de mensen hem zo het liefst horen. Hij mag wat filosoferen. Hij heeft trouwens een pak van die herinneringen maar al te graag gebundeld in het kijkboekWill Tura Een Leven in Beeld”, een fotoalbum samengesteld door Will Tura en dochter Sandy Blanckaert en uitgegeven bij uitgeverij Lido. Die foto’s vertellen het verhaal van een man die zijn leven lang aan de muziek heeft gewijd: méér dan tienduizend optredens staan op zijn actief, soms tot achtentwintig optredens per maand mét orkest. Want zo hoorde het. De fans hoor je in de watten te leggen. Bij Tura krijgen ze altijd waar voor hun geld. Na een optreden keren de mensen tevred