You’re so vain

Laten we eerlijk zijn. Als ik een titel zie passeren zoals Anticipation en The Right Thing to Dodenk ik niet meteen aan Carly Simon. Misschien is ze ook té Amerikaans en werd ze bij ons de voorbije decennia te weinig gedraaid zodat we haar songmateriaal niet echt kennen. Waar ik haar wel van onthouden heb, is van Nobody Does It Better dat ze in 1977 in de James Bond-film “The Spy Who Loved Me” zong met in de hoofdrol Roger Moore. Met kop en schouders steekt echter de single You’re So Vain boven dat alles uit, haar enige nummer één overigens in de Amerikaanse charts.

Jongeren onder ons moeten een flard van You’re So Vain herkend hebben in de hit Son of a Gun die Janet Jackson in 2001 uitbracht en waarin een sample van You’re So Vain is te horen. Toen Carly Simon het nummer in 1973 op single uitbracht, dat was in de maand november van het jaar voordien, begon ze aan een steile klim in de Amerikaanse Top 100. Drie weken na mekaar stond bovenaan Billy Paul te glimmen met zijn millionseller Me and Mrs. Jones. Maar Carly hield vol en de zesde januari mocht ze zijn plaats innemen. Ook zij bleef drie weken na mekaar op één staan glunderen tot Stevie Wonder het welletjes vond en haar kwam aflossen met Superstition. Geef toe, alle drie intussen uitgegroeid tot doorgewinterde popklassiekers.

Carly Simon profiteerde een beetje van de trend die aan het begin van de jaren zeventig de kop opstak. Het was toen indat singer-songwriters de hitlijsten gingen aanvoeren en dat zij het waren die bij gerenommeerde platenfirma’s met de vetste contracten gingen lopen. Ik denk niet dat namen zoals Paul Simon, Neil Diamond, Steve Forbert, Leonard Cohen enz… je vreemd in de oren zullen klinken. Carly Simon was in 1945 in New York geboren waar ze samen met haar zus Lucy het duo The Simon Sisters vormde. Verzamelaars moeten maar eens op zoek gaan naar hun bescheiden singlehit Winkin’, Blinkin’ and Nod. In 1971 slaagt ze erin een platencontract af te sluiten met Elektra Records en trekt meteen naar de “Electric Lady Studio” in New York om daar haar eerste album “Carly Simon” in te blikken. Iets later scoort ze met het nummer That’s The Way I’ve Always Heard it Should Be daaruit haar eerste hit, goed voor een tiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Meteen is haar naam als singer-songwriter gevestigd. Het duurt niet lang of ze brengt iets nadien haar tweede studioalbum uit “Anticipation”dat ze inblikt samen met producer Paul Samwell-Smith. De titelsong geraakt tot op de dertiende plaats in de Top 100 en zal op het einde van dat decennium opduiken in een reclamespot van Heinz-ketchup.

Haar echte doorbraak forceert zij in 1973 met de elpee“No Secrets”. Als producer trekt ze de befaamde Richard Perry aan. Ze omringt zich met haar vaste begeleiders Andy Newmark op drums, Jimmy Ryan op gitaar en Klaus Voormann op bas. Qua backingvocalisten is geen naam te gek of te duur: Linda en Paul McCartney, Vicki Brown, Mick Jagger en James Taylor. Die laatste twee verdienen enige toelichting. De derde november 1972 was Carly met James Taylor gehuwd. Taylor was een singer -songwriter van het zuiverste gehalte met op zijn actief de nummer 1-klassieker You’ve Got A Friend en daarnaast bekende songs zoals Fire and RainHandy Man en MockingbirdHun huwelijk zal tot in 1983 standhouden. Ze krijgen twee kinderen Sarah Maria en Benjamin die later zelf in de muziekbusiness terechtkomen en er veel plezier aan beleven op de platen van hun moeder mee te zingen en met haar mee op tournee te gaan als backingvocalisten. Nu we het toch over backingvocalisten hebben, op You’re So Vain dat op haar elpee “No Secrets” staat, is de stem van Mick Jagger te horen. Ze kende hem al iets eerder toen ze als journaliste een interview van hem wou afnemen. Maar dat interview ging niet door omdat Mick Jagger zijn gulzig en gretig oog op haar had laten vallen en ze vond dat ze niet objectief genoeg aan die babbel kon beginnen. Sommigen beweren nu dat Carly Simon You’re SoVain schreef met Mick Jagger in haar achterhoofd als welbekende ijdeltuit. Zij heeft dat nadien in diverse interviews tegengesproken. Nu lag Carly al een tijdje zeer goed in de markt bij mannen. Zij was geen onaardige verschijning. Zo werd ze door de jaren heen gelinkt aan onder meer filmvedette Warren Beatty, platenmogul David Geffen, singer -songwriter Kris Kristofferson en de daarnet al genoemde Mick Jagger. Maar ondanks vaak aandringen, blijft Simon er de jaren nadien een spelletje van maken en heeft ze nooit uit de doeken willen doen wie nu precies die ijdeltuit is waarover ze zingt. In 1974 vertelt ze aan “Modern HI-FI and Music”: “Dat liedje heb ik geschreven met veel mensen in mijn achterhoofd. De situaties die ik in mijn liedje aanhaal, zijn ontsproten aan mijn fantasie. Ik geef wel toe dat het om diverse mannen gaat.” In 2008 corrigeert ze enigszins haar antwoord wanneer ze tijdens de promotie van haar album “This Kind of Love” aan de aanwezige pers vertelt dat ze dat liedje schreef met duidelijk één iemand in gedachten en dat een deel van de tekst ook gebaseerd is op haar relatie met die persoon.” Wanneer ze in 2015 in het boek “Boys in the Trees” haar memories neerpent, geeft ze toe dat de passage you had me several years ago when I was still quite naive, wel degelijk over Warren Beatty gaat, over de twee andere mannen wil ze met geen woord reppen.

You’re so vain stond vlug op papier, al had Carly een snelle schets van dat liedje al een hele tijd in haar schuif liggen. Die song heette aanvankelijk Bless you Ben, maar ze vond het tekstueel maar niks, ze had er geen enkele affectie mee, tot ze op zekere dag achter de piano zit en de juiste woorden haar te binnen schieten. Insiders beweren dat op het demobandje van het nummer de titel Ballad of a vain man geschreven staat. Zij zingt het op die demo in een trage, folkachtige versie. Het is producer Richard Perry die tijdens de definitieve opname het tempo wat opdrijft.

Carly neemt in 1972 in Londen You’re so vain in eerste instantie op samen met Harry Nilson. Op dat moment krijgt ze een telefoontje  van Mick met de vraag of het stoort als hij even langskomt waarop Simon anticipeert dat hij dan in een en dezelfde moeite in de achtergrond kan meezingen, wat ook prompt gebeurt. Je hoort Jagger in de staart van het nummer meezingen en Carly weet nog dat ze ongelooflijk veel plezier aan die opname beleefden. Er hing magie in de lucht, maar niemand had er het flauwste benul van dat ze bezig waren met het inblikken van haar grootste hit ooit. Harry Nelson zag meteen dat het tussen Mick en Carly klikte en hij had er als gentleman geen probleem op zich terug te trekken en de klus aan Mick over te laten.

Vergeten we qua inbreng de aanwezigheid van producer Richard Perry niet die voor de juiste balans en aanpak van de song zorgde. Het was met tegenzin dat Carly met hem de studio introk, maar haar platenfirma drong erop aan. Ze kende Perry van zijn werk dat hij had gepresteerd op platen van Barbra Streisand en Nilsson en dat vond ze nu net iets té afgeborsteld, té clean. Dat was een stijl die haar niet lag al heeft ze zich later stevig herpakt wat haar mening betreft. Voor haar twee volgende albums en haar latere hitsingle Nobody Does It Better zal ze nog samen met Perry afwerken. Iedereen kende Perry als een perfectionist die tientallen keren naar een opname kon luisteren en maar bleef sleutelen tot hij het goed vond. Alleen al voor de ritmische begeleiding van You’re So Vain deed hij een beroep op drie verschillende drummers. Pas na de derde poging ging hij akkoord en werd de opname goed bevonden. Hij ging ook op zoek naar een beklijvende intro en daar schakelde hij bassist Klaus Voormann voor in, in een vorig leven goed bevriend met The Beatles toen ze nog in Hamburg optraden en nadien als muzikant bij Manfred Mann. Je hoort in You’re So Vain ook twee pianisten aan het werk, om maar aan te geven hoeveel aandacht Richard Perry aan de opname besteedde. In de studio zijn voorts nog aan het werk te horen drummer Andy Newmark, gitarist Jimmy Ryan en Richard Perry op percussie.

De 8ste november 1972 wordt You’re so vain op het Elektra-label op single uitgebracht met op de B-kant His friends are more than fond of Robin. De 28ste november verschijnt het nummer ook op de derde studio-elpee van Simon “No Secrets”. Het geleverde studiowerk loont, want You’re So Vain wordt niet alleen een nummer één in Amerika, maar ook in hun buurland Canada. In de Britse Top 40 zit er een derde plaats in. Voor de rest zal Carly Simon daar nog van zich laten horen in de zomer van 1982 met de song Whygoed voor een tiende plaats. De Nederlanders bekronen You’re So Vain met een tiende plaats in hun Top 40 en wij Vlamingen vonden de single goed voor een vijfde stek in onze Top 30.

Het album “No Secrets” wordt een nummer één in Amerika, Canada en Australië.

In de States zal Carly, naast de al eerder genoemde hits, nog één keer schitteren en dat aan de zijde van haar man James Taylor in de hit You Belong To Me. James zingt in dit nummer namelijk de tweede stem. Nadien gaat het qua hits voor haar bergafwaarts. Haar albums verkopen ook almaar minder. In 1987 lijkt er een comeback aan te komen wanneer ze met de song Around Again uit de film “Heartburn”als het ware uit het niets herrijst. De bijbehorende plaat wordt in platina verguld. Het jaar nadien scoort ze erg goed met de song Let The River Run voor de film “Working Girl” van regisseur Mike Nichols met in de hoofdrollen Harrison Ford en Melanie Griffith. De song is goed voor zowel een Oscar, een Grammy als een Golden Globe. Naast de soundtrack is het nummer sinds 2009 ook te horen op haar album “Never Been Gone”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

You’ll never find another love like mine

Als je in je carrière al eens een dipje meemaakt, dan hoef je niet dadelijk te wanhopen. Vraag dat maar aan de meeste artiesten. Succes komt als eb en vloed, gaat met ups en downs.

Lou Rawls heeft het allemaal meegemaakt: zwarte sneeuw zien, zwemmen in het geld! Het was zijn grootmoeder die – toen hij veertien was overleed ze – hem altijd voor ogen had gehouden dat hij zijn best moest doen en alles op alles zetten om toch maar zanger te worden. Nu was die wens behoorlijk religieus gekleurd, want Lou zong vaak in het kerkkoor zoals zovele zwarten hem hadden voorgedaan. Die koren waren vaak een kweekvijver voor later talent. Of je nu Chuck Berry heette of Aretha Franklin of Sam Cooke, ze waren vocaal allemaal in de plaatselijke kerk klaargestoomd. Het was daar waar ze de microbe te pakken kregen. Dus oma Rawls droomde ervan dat haar kleinzoon zanger zou worden en dat hij op die manier elke zondag naar de kerk zou gaan. Lou was nog maar zeven toen gospelmuziek zijn leven ging bepalen. Na zijn legerdienst gaat Lou in 1957 deel uitmaken van The Pilgrim Travelers. Het leek even alsof zijn carrière als zanger een goede start zou nemen, was het niet dat hij een ongeval kreeg dat hem een jaar volledig uit de running hield. In 1958 keert hij de gospel de rug toe en gaat een tijdje samenwerken met Sam Cooke die voordien succesvol de stap heeft kunnen zetten als leadzanger bij de in die tijd zeer bekende gospelgroep The Soul Stirrers naar de populaire muziek. Zo kan je Lou de backings horen zingen in de Sam Cooke-hit Bring it on home to meZelf zong Lou graag samen wat jazz en blues en de wat betere soul. Hij sluit een platendeal bij Capitol Records die dol zijn op zijn diepe, zwarte stem. Hij neemt in 1965 een cover op van een oude hit uit 1922 van Paul Whiteman Three o’clock in the morninen scoort daarmee een Top 100- hit, al geraakt hij niet hoger noch verder dan de 83ste plaats. Hij duikt wel  in de Top 20 het jaar nadien met Love is a hurtin’ thing en scoort ook behoorlijk met de single Dead end street die begint met een anderhalve minuut durende parlando.

Rawls blijft tot een stuk in de jaren zeventig onderdak vinden bij Capitol Records bij wie hij in 1967 een toptweehit scoort met de kerstsong Little drummer boy. In 1971 tekent hij een contract bij MGM Records en scoort voor hen een toptwintighit met A natural man.Na die single en één album verhuist hij nog maar eens, deze keer richting Philadelphia International, het in die tijd zeer populaire en succesvolle soullabel van de heren Leon Huff en Kenny Gamble. Zij hadden met de stem van Lou Rawls voor ogen speciaal voor hem You’ ll never find another love like mine geschreven. Lou was na zijn ellende bij Capitol en MGM op zoek naar een nieuwe platenfirma en toen van Leon en Kenny vernam dat ze speciaal voor hem een song hadden gesmeed, was hij verkocht en verbond zijn talent aan hun firma. Zijn warme, diepe baritonstem bleek uitermate geschikt voor You’ll never find another love like mineDe song is een waarschuwing aan het adres van een meisje dat als ze hem laat schieten, ze de rest van haar leven op zoek zal gaan naar iemand die op hem gelijkt. Hij is niet van plan op zijn knieën te smeken dat ze moet blijven, maar hij wijst haar wel op het feit dat ze hem zal missen: “You’re gonna miss my lovin’.” Misschien wordt ons iets duidelijk als we weten dat Kenny Gamble niet op dat moment in een scheiding zat met zangeres Dee Dee Sharp.

Lou Rawls kende Kenny en Leon al geruime tijd, nog van toen ze platen produceerden voor Nancy Wilson. Samen met het orkest MFSB dat net opnieuw was samengesteld nadat een pak solisten een betere betrekking op de kop hadden kunnen tikken en dat zowat alle artiesten op het Philly-label begeleidde, trekken ze naar de “Sigman Sound Studios”. Die song maakte deel uit van een nieuw album “All Things in time” waarvoor alle registers werden open getrokken en dat de 7de juni 1976 op de markt verschijnt. Het is het eerste album op het PIR-label (Philadelphia International Records). Er worden een rist producers aangetrokken om van dit album je van het te maken: Kenny Gamble, Leon Huff, Bunny Sigler, Dexter Wansel, Jack Faith en Bobby Martin. Geen wonder dat de critici nadien dit album de hemel in prijzen als een soort godsgeschenk, zowel voor Rawls als voor de fans van dit genre, een mix van Philadelpia-soul en -jazz. Deze plaat wordt nog altijd beschouwd als een van de beste ooit op het PIR-label verschenen.

Van bij de eerste noot hoorden Gamble en Huff dat ze met You’ll never find antoher love like mine een dikke hit te pakken hadden. De combinatie van die symfonische begeleiding door de MFSP-band en die diepzwarte stem van Lou klonk perfect. Begin mei 1976 wordt de song op single uitgebracht met op de B-kant Let’s fall in love all over en de 5de juni  staat You’ll never find another love like mine op de tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

In het totaal zouden er in Amerika alleen al méér dan één miljoen exemplaren van verkocht worden. Het waren The Bee Gees met You should be dancing die Lou Rawls van de eerste plaats weghielden. You’ll never find another love like mine werd Lous eerste gouden plaat, maar ook zijn enige toptienhit in de States. In Engeland zal Lou slechts één keer in de Top 40 opduiken en dat is in 1976 met You’ll never find another love like mine, goed voor een tiende plaats. Ook in de Belgische hitlijsten zit er een tiende plaats in. In Nederland houdt Rawls halt op de veertiende plaats.

Lou zal in de Amerikaanse charts nog een tijdje in de running blijven met door Gamble en Huff geschreven en geproduceerde songs zoals Groovy peopleSee you when Iget there en Lady love. In 1983, hij is dan overgestapt naar het Epic-platenlabel, scoort hij zijn laatste hit met Wind beneath my wings.

Van You’ll never find another love like mine verschenen nadien diverse covers, waaronder die van reggaezanger John Holt, The Dub Pistols én zowel een solals een duetversie van Michael Bublé samen met Laura Pausini. Ook in diverse films duikt het liedje in de betreffende soundtracks op: “Disturbia”, “Guess who”, “Ice age: dawn of the dinosaurs”, “South Park” en “Two and a half men”.

Lou Rawls overleed de 6de januari 2006 op 73-jarige leeftijd in Los Angeles.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

You needed me

It’s nicer than I ever thought it would be“, met dit antwoord reageerde de Amerikaanse zangeres Anne Murray op de vraag hoe ze zich voelde na de geboorte van haar eerste kind William Stewart. Anne was toen al een zeer gewaardeerde en succesvolle Canadese countryzangeres die tegen haar manager had gezegd dat ze twee jaar wou niksen en zich alleen maar met haar zoon bezighouden. Toen ze in 1978 terug in de business stapte, wou ze dan ook wat meer ademruimte. Geen stress, geen opgejaagde sfeer of wat dan ook.

Haar eerste album na die rustperiode werd “Let’s keep it that way” en daaruit werd meteen de single Walk right back, een cover van een oude Everly Brothers -hit, gelicht, maar de reacties waren maar pover. Tijdens haar zoektocht naar goede songs, want Anne schrijft niet zelf, ontdekte ze een nummer van Randy Goodrum You needed me. Goodrum was een veelgevraagd pianist die in Nashville nauw samenwerkte met artiesten als Roy Orbison, Chet Atkins en Jerry Reed. Hij schreef tal van composities voor onder meer John Berry, Ronan Keating en de hit I’ll be over you voor Toto. Toen Anne You needed me voor de eerste keer zong, schoot ze meteen vol. Zij had dit liedje ontdekt op een cassette die ze bij haar producer had beluisterd. Randy Goodrum had dat nummer al zeven jaar eerder geschreven op basis van enkele flarden muziek die hij ergens op een papier had gekribbeld. Op zekere dag zet hij zich in zijn kantoor achter de piano en verzint op basis van die melodielijntjes een tekst. Dat ging vrij vlot. Hij laat het meteen aan zijn vrouw Gail horen die in de kamer ernaast aan het werken is. Door haar aanmoediging stapt Randy iets later naar zijn muziekuitgever die de song wel ziet zitten, alleen vraagt hij zich af of dat wel kan, een liedje waarin geen refrein voorkomt.

You needed me raakt Ann Murray zo diep dat ze het meteen wil opnemen. Ze weet dat dit een goede keuze is. Ze wil het sowieso op haar elpee en zeker na die vorige flop ook dadelijk als nieuwe single. You needed me, in een productie van Jim Ed Norman met op de B-kant I still wish the very best for you, komt de Top 100 binnen op 88 en pronkt, over een trage klim gesproken, pas zestien weken later op nummer 1. Het zal in de poplijsten ook bij die ene nummer 1 blijven. Haar successen in de countrycharts is een ander verhaal.

Anne was in Nova Scotia, Canada geboren, en opgevoed met muziek van Bing Crosby, Perry Como en Rosemary Clooney, die haar ook hoorbaar hebben beïnvloed. Haar broers leerden haar dan weer musicals waarderen en vooral countrymuziek. Op haar 15deging ze zangles volgen, nadat ze zich eerst het pianospel had eigen gemaakt. Haar debuut maakte ze op televisie tijdens Singalong Jubilee. Dat werd een regelrechte flop , maar twee jaar later mocht ze het nog eens overdoen en een van de producers, de bekende Brian Ahern, wou absoluut met haar de opnamestudio in. Eerst weigerde ze omdat ze zingen nog louter als een hobby zag, maar na lang aandringen waagt ze toch de stap en maakt haar debuut met het liedje  Snowbird , gelijk een hit. Met deze single werd ze de eerste Canadese zangeres die in Amerika met goud werd bekroond.

In 1981 gaf Anne Murray  in een interview met Billboard openlijk toe dat ze schoon genoeg had van altijd maar trage liedjes te zingen. “Mooie ballads, dat wel, maar ik kijk uit naar een wat meer uptempo song”.Wat niet belet dat You needed me nog altijd een van haar meest geliefde songs is en blijft en nog altijd haar grootste hit ooit.

You needed me werd in 1999 een wereldhit voor Boyzone. Achteraf was Goodrum in de wolken over deze versie van Boyzone en in het bijzonder van de stem van Ronan Keating: “I’ve gotten to know Ronan Keating and he said his parents really loved it. You know, it’s very difficult to do that song correctly. It’s one of those songs that if you overdo it, then you blow it. You have to let the song do the work and you have to realize that you can knock somebody over with a feather if you let emotion lead the way. You don’t have to belt it out like Michael Bolton, in other words. And so, even though Ronan is a power singer, I thought he did it very sensitively, with a big production and all that.” Goodrum schreef nadien voor Ronan Keating All Over Again.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

You don’t bring me flowers

Op zekere dag ontmoet Neil Diamond tv-producer Norman Lear en vraagt hem op de man af of hij geen muziek mag schrijven voor een op stapel staande televisiereeks. Norman was in de loop van 1977 net bezig met de voorbereidingen van “All That Glitters”. Hij vraagt aan Neil de kentune te schrijven, op voorwaarde dat hij samenwerkt met Alan en Marilyn Bergman. Dat wordt You don’t bring me flowers. Maar in de loop van de voorbereidingen van die reeks verandert de plot en is het liedje niet meer van toepassing. Diamond neemt het liedje mee op tournee en merkt dat het aardig aanslaat bij het publiek. Hij laat dat weten aan Alan en Marilyn en samen met hen werkt hij het liedje verder uit. De 11de november 1977 brengt Diamond zijn elfde studioalbum uit “I’m glad you’re here with me tonight” in een productie van Bob Gaudio met daarop zijn soloversie van You don’t bring me flowers.

Intussen had Barbra Streisand het nummer ontdekt en haar hart eraan verpand. Zij neemt het in 1978 op als track voor haar elpee “Songbird” dat, in een productie van Gary Klein,  in de maand mei van dat jaar wordt gereleaset.

Neil en Barbra hadden elk het nummer opgenomen in dezelfde toonaard, maar zonder dat ze het van mekaar wisten.  Wie daar wel achter kwam, was deejay Gary Guthrie tijdens zijn WAKY-AM radioshow in Louisville, Kentucky. Om zijn luisteraars te verwennen, verknipte Gary beide songs tot een duet. Die versie werd zo’n succes dat Gary heel wat telefoons kreeg van platenhandelaars die die versie in hun rekken wilden hebben.

Columbia Records seinde Neil Diamond dit bericht met de vraag of beide sterren niet eens naar de opnamestudio wilden afzakken om een officiële versie van dat nummer in te zingen. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want producer Bob Gaudio vond maar geen geschikte datum om beide artiesten gelijktijdig achter de microfoon te krijgen. Waarmee hij de roddel de kop wil indrukken als zouden beide zangers voor die opname elkaar nooit ontmoet hebben. “Ze zaten zo goed als  schouder aan schouder naast de piano“, wil Bob maar al te graag kwijt . “Er hing die dag pure magie in de lucht, alles verliep veel vlotter dan we verwacht hadden“.

De 2dedecember 1978 staat You don’t bring me flowers op 1 in de Amerikaanse Top 100 en twee jaar later zingen Neil en Barbra dit duet als verrassing tijdens de uitreiking van de Grammy Awards, de eerste keer dat La Streisand daar live wil optreden.

Gary Guthrie, die dus op de idee van dit duet kwam, eiste naderhand van CBS vijf miljoen dollar. Hij vond dat ze hun afspraken toen hij de idee van dit duet aan hen doorspeelde, niet nakwamen. Uiteindelijk zijn ze toch tot een akkoord gekomen nadat de elpees “You don’t bring me flowers” van Neil Diamond en Barbra Streisands “Greatest hits volume 2″ beide de platina status hadden bereikt.

In 1997 vertaalde Marc Van Caelenberg het nummer en werd het op single uitgebracht door Dana Winner in duet met de Zuid- Afrikaanse zanger Steve Hofmeyr als Vroeger bracht je bloemen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

You are the sunshine of my life

Je moet het maar kunnen op je twintigste een song schrijven die binnen de kortste keren deel uitmaakt van “The American Song Book”. Of je nu Johnny Mathis heet, Ella Fitzgerald, Louis Armstrong of Tony Bennett, ze hebben er allemaal hun stem in gezet. Op stukgezongen zou ik niet durven beweren, maar sommigen hadden er toch een vette kluif aan.

Stevie Wonder schreef You are the sunshine of my life voor zijn toenmalige vrouw Syreeta Wright. Zij was voordien secretaresse bij Motown Records en leerde op die manier Stevie kennen. Ze kon ook aardig zingen. In 1967 had ze al de single I can’t give back the love I feel for you opgenomen. In 1970, het jaar dat Diana Ross The Supremes verliet, wou Berry Gordy Jr. haar als leadzangeres inhuren, maar daar verzette de rest van de groep zich tegen. Ze huwde dat jaar met Stevie Wonder die haar eerste twee elpees produceerde. Samen schrijven ze ook een aantal hits waaronder Signed, sealed, delivered I’m yours. Wonder geloofde erg in hun huwelijk, al scheidden hun wegen twee jaar later. Speciaal voor haar schreef hij dus You are the sunshine of my life. Hij was toen net bezig met de opname van zijn album “Talking Book”.Sommige bronnen beweren dat hij het liedje al twee jaar eerder klaar had en het net zo goed op zijn vorige elpee “Music of my mind” had kunnen zetten.

You are the sunshine of my life is een gemakkelijk in het gehoor liggende ballad, zoals Stevie Wonder er wel meer durfde te schrijven. Hij beschreef situaties die we allemaal kennen, ook wel eens meemaken, maar als we ervoor staan, schieten ons vaak de juiste woorden tekort. Wonder boven wonder slaagde Wonder er wél in de juiste woorden te vinden. Niet dat de woorden die Wonder kiest, getuigen van hoogdravende poëzie, integendeel: you are the sunshine of my life, that’s why I’ll always be around, you are the apple of my eye, forever you’ll stay in my heart. Mocht ik het aan mijn lief opdragen, ze zou me misschien bedanken voor mijn karamellenverzen, maar in het geval van Wonder én in combinatie met die allesdragende melodie werkte het samenspel van tekst en muziek in dit geval wonderwel. Het viel me op toen ik de versie van Shirley Bassey nog eens beluisterde samen met het koor en orkest van Geoff Love – en zingen kan die mevrouw – dat You are the sunshine of my life toch dichter bij Stevie ligt dan bij al die andere crooners. Hoe schoon het liedje ook in hun versies mag klinken, het blijft een van Wonders meest persoonlijke liedjes. Wonder had al eerder zijn liefde voor vrouwen die hij kende, beschreven en bezongen. Toen hij zeventien was en verliefd op Angie schreef hij I was made to love her en hups, hij had een hit te pakken. Voor zijn dochter Aisha Zakia die hij kreeg samen met zijn secretaresse Yolanda, schreef hij Isn’t she lovely.

You are the sunshine of my life nam Stevie op in de loop van 1972 in de “Electric City Studios” in New York City. Hij had de studio voor een aantal uren gehuurd en zat daar samen met gitarist Ray Parker Jr., bassist Scott Edwards en drummer Keith Copeland wat te musiceren toen hij op de idee kwam van You are the sunshine of my life. Hij was zo enthousiast over dit nummer dat hij besloot het nog diezelfde avond op te nemen. In het nummer hoor je de stemmen van Jim Gilstrap, jawel die van Swing your daddy, en die van Gloria Barley. Stevie bespeelde zoals steeds de meeste instrumenten zelf en nam ook de productie voor zijn rekening.

De 17de maart 1973 wordt You are the sunshine of my lifedat ook op zijn geslaagd album “Talking Book” prijkt, op single uitgebracht. “Talking Book” was al de 27ste oktober 1972 op de markt gebracht. Het was het zestiende studioalbum van Wonder, deze keer in samenwerking met de producers Malcolm Cecil en Robert Margouleff en de technische assistentie van Joan DeCola en Austin Godsey. In de Amerikaanse Album Top 200 bereikte Wonder met “Talking Book” de derde plaats, in Engeland de zestiende. You are the sunshine of my life was niet de eerste hitsingle uit dat album, want hij had net voordien al, de 27ste januari 1973, op één gestaan met Superstition. Negen weken later staat Stevie voor de derde keer in zijn carrière op de hoogste plaats in de Amerikaanse Top 100. Hij moest wel eerst Dawn en hun nummer 1-hit Tie a yellow ribbon round the ole oak tree passeren om slechts één week bovenaan de hitlijsten te staan. Na die week werd zijn plaats ingenomen door The Edgar Winter Group en Frankenstein. Stevie Wonder kreeg voor zijn nummer één een Grammy Award for Best Pop Vocal Performance.

In Engeland geraakte Wonder met zijn You are the sunshine of my life tot op de zevende plaats van de Top 40. Sir Duke en Masterblaster waren daar beter onthaald, scoorden hoger. Slechts één keer zal Wonder trouwens in Engeland op één staan en dat was in 1984 met I just called to say I love youIn Nederland waren onze noorderburen helemaal niet weg van You are the sunshine of my life. Een 31ste plaats in hun Top 40 was de hoogste notering, méér zat er niet in. In België was de uitslag nog zwakker, want in onze hitlijsten is dat nummer in de verste verte niet te bespeuren. Twee nummers één in onze regio noteerde Wonder. Een eerste keer met I just called to say I love you, geef toe, niet meteen zijn meest memorabele song, en een tweede keer met Part time lover.

In 1974 nam arrangeur Don Costa You are the sunshine of my life onder handen en maakte er voor Frank Sinatra een swingende versie van die hij met graagte op zijn nieuwe album “Some nice things I’ve missed” presenteerde.  Ella Fitzgerald deed het drie jaar later nog eens over op haar livealbum “With the Tommy Flanagan Trio”. Tussendoor zingt Ella als extraatje enkele regels uit You are my sunshineeen song uit 1942 van Jimmie Davis en Charles Mitchell, zodat we weten waar Wonder de mosterd vandaan haalde.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Yellow River

“De een zijn dood is de ander zijn brood”.Met dat spreekwoord zijn we allemaal vertrouwd. Ook met “als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen”. Binnen die betekenis moet je het volgend verhaal plaatsen. Je schrijft een hit, speelt die door aan iemand anders die er eerst wat in ziet, maar nadien de bal, in dit geval het liedje, terugkaatst zodat jij er dan maar mee uit de voeten moet kunnen.

Yellow River werd geschreven door Jeff Christie. Jeff had eerder al bij andere bands gezongen en gespeeld zoals The Outer Limits en Acid Gallery. Jeff was enorm geboeid door de Amerikaanse burgeroorlog en dit lied gaat over een soldaat die terugkeert naar zijn geboorteplaats Yellow River, een zijtak van de Kankakee-rivier in de staat Indiana. Jeff vindt dit wel iets voor The Tremeloes en trekt op zekere dag met een demobandje naar hun repetitielokaal. De jongens beluisteren enkele songs en tippen unaniem op het hitgevoelige Yellow River dat ze inblikken met de hulp van producer Mike Smith. Ze hadden alles tot in  de puntjes voorbereid, dus hebben ze in de studio aan drie takes meer dan genoeg. Ze twijfelen echter of ze het als een elpeetrack, een B- of een A-kant zullen uitbrengen.

Maar The Tremeloes laten Jeff iets later weten dat ze het niet zullen uitbrengen. Ze hadden inmiddels het plan gesmeed hun sound iets meer heavy te laten klinken en komen op de proppen met Call me number one (lijkt erg op de sound van The Beatles zoals je kan horen op hun Sergeant Peppers-plaat). Omdat Alan Blakley van The Tremeloes weet dat zijn broer Mike die bij The Epics speelt, graag een hit wil scoren, stelt hij hem voor een nieuwe groep te vormen en Yellow River op te nemen. Mike stapt met Vic Elmes naar de studio en aan Jeff wordt gevraagd de leadvocals voor zijn rekening te nemen. Jeff mag dan geen geweldige zanger zijn, producer Mike Smith weet het nummer zo te mixen dat dat niet zo opvalt. Ze gebruiken gewoon de reeds bestaande muziekband van The Tremeloes met daaroverheen de stem van Jeff. Mike Smith was een dijk van een producer, want hij stond eerder al garant voor enkele grote hits: Silence is golden van The Tremeloes,The ballad of Bonnie & Clyde van Georgie Fame, Everlasting love van The Love Affair en Ob la di ob la da van The Marmalade.

De groep Christie was intussen een feit. Yellow River wordt de 23 ste april 1970 op het CBS-label uitgebracht met op de B-kant Down the Mississippi Line en een nummer 1-hit in 26 landen. De 6de juni staat Christie met Yellow River  op één in de Britse Top 40. Ook in Ierland en Noorwegen zat er voor hen een nummer één in net als in België. In Duitsland is Yellow River ,goed voor een tweede plaats, in Nederland en Zwitserland een vierde. Met Yellow River geraakt Christie ook over de plas. De 18de juli 1970 staan ze op de 23ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

Uiteraard hadden The Tremeloes spijt dat ze Yellow River niet zelf hadden uitgebracht, dat zou nog meer glans aan hun succesverhaal hebben gegeven. Ze verzilveren het een beetje door naar aanleiding van hun tournee in Zuid-Amerika een Spaanse versie van Yellow River op te nemen, No comprendes, dat ze fonetisch, zin na zin, in de studio opnemen in het gezelschap van een Spaanse tolk. Met als gevolg dat Christie in Zuid-Amerika tot op de vierde plaats van de hitlijsten geraakt met de Engelstalige versie en The Tremeloes met No comprendes tot op één.

Yellow River levert echter geen succesverhaal op, het is er eentje van van korte adem. Live kon de groep het niet echt waarmaken. Jeff vond dat hem de groep was opgedrongen, hij kon hen niet naar zijn hand zetten. Toch zouden ze met de opvolger San Bernadino, een nummer één in Duitsland scoren en in Engeland de zevende stek in de Top 10 inpalmen. In ons land deed dat singletje helemaal niets. Zo zie je maar hoe smaken kunnen verschillen! In zeven haasten werd ook hun eerste elpee “Yellow River” opgenomen en uitgebracht.

In 1971 werd drummer Michael Blakley vervangen door Paul Fenton met wie ze hun tweede en tevens laatste album inblikken “For all mankind”.Het jaar nadien wordt ex-Unit 4 + 2-lid Lem Lubin aan de band toegevoegd en samen nemen ze Iron horse op dat tevens in Europa hun laatste hitsingle zou worden, in de Britse hitlijsten nog net goed voor een 47ste plaats in de charts.  Na een tijdje lichten Paul en Lem de hielen en worden vervangen, maar singletjes als Alabama en I’m alive blijken opgenomen te zijn voor dovemansoren. Toch scoren ze nog een nummer één met Navajo waarmee ze tot bovenin de Mexicaanse hitlijsten klimmen.

In 1991 poogt Jeff Christie met een nieuw samengestelde groep deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival met Safe in your armsmaar die poging loopt met een sisser af. In 2009 brengt Jeff onder zijn eigen naam nog het soloalbum “Floored masters” uit.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Where do I begin? (Love story)

Soundtracks hebben de voorbije decennia een aantrekkelijke rist hits opgeleverd. Een van de meest opmerkelijke is en blijft het liefdesthema uit de al even opmerkelijke film “Love story”. Die werd in 1970 een regelrechte kaskraker, gebaseerd op de roman van Erich Segal met in de hoofdrollen Ryan O‘Neal en Ali MacGraw in een regie van Arthur Hiller. De film mag je terecht een echte tearjerker noemen, een schoolvoorbeeld van een tranentrekker oftewel een huilebalk. De film leverde ook de sindsdien meest misbruikte liefdesslogan aller tijden op: “Love means never having to say you’re sorry“.

De muziek voor de film werd geleverd door de Franse componist Francis Lai die reeds eerder met zijn muziek voor de Claude Lelouch-producties “Un homme et une femme” en “Vivre pour vivre” raak had geschoten. Geen wonder dat regisseur Arthur Hiller bij hem terechtkwam voor de muziek voor “Love story”. Een terechte keuze, want Lai sleepte daarmee een Oscar in de wacht voor beste filmscore. De soundtrack belandde in Amerika op de tweede plaats van de Album Top 200. Aan de getalenteerde tekstschrijver Carl Sigman werd gevraagd het liefdesthema op tekst te zetten en hij koos voor de lyrics where do I begin. Eingelijk was het diens zoon Michael die zijn vader op de melodie had gewezen en er bij zijn vader op aandrong een tekst te schrijven. Die schreef die tekst vanuit het oogpunt van de man, Ryan O’Neal dus. Toen Carl de tekst afleverde vond de executive producer, Robert Evans, die veel te deprimerend. Hij drong er bij Carl op aan een nieuwe te schrijven. Carl is stevig op zijn tenen getrapt en weigert in eerste instantie. Maar bij nader inzien geeft hij toch toe en begint eraan in zijn living met zijn vrouw in zijn buurt. Hij zit nog maar net neer of vraagt aan haar: “Where do I begin?”En kijk, een sterke tekst is daarmee geboren.

De originele soundtrack van de film wordt gespeeld door Francis Lai & his orchestra op het MCA-label. De plaat werd opgenomen in de “Annex Studio” in Hollywood in een productie van Tom Mack. In 1971 werd de muziek van Francis Lai onderscheiden met een Oscar en een Golden Globe. De première had de 18de december 1970 plaats. Net daaraan voorafgaand besloot platenfirma RCA Theme from Love Story, gespeeld door het orkest van Henry Mancini op single uit te brengen.

De gezongen versie Where do I begin (Love Story) op tekst dus van Carl Sigman werd nadien een echte must voor zowat elke zanger die in die tijd platen opnam. Columbia Records alleen al had drie zangers in dienst die het nummer gelijktijdig hadden opgenomen en het waren niet de eerste de besten: Johnny Mathis, Tony Bennett en Andy Williams. Om een soort fair play te hanteren, besloot de promotiedienst de drie singles op dezelfde dag te releasen, de 15de januari 1971. Williams had iets meer wind in de zeilen, want die had op dat moment een eigen tv-show en aan het eind van de rit had hij het liedje in het totaal twaalfmaal live kunnen zingen. Zijn producer Dick Glasser had het nummer ook een iets meer poppy touch meegegeven. Bij Bennett was het eerder een ballad geworden en bij Mathis klonk het gewoon als een zoveelste elpeenummer.

Voor Williams werd het na zijn succes met het nummer Can’t get used to losing you opnieuw een meevaller, deze keer  met als hoogste notering een negende plaats in de Amerikaanse Top 100 van de maand februari 1971. Hij zong iets later ook een versie in het Duits, Spaans , Italiaans en zelfs het Japans (van die Japanse versie gingen zo’n zeshonderdduizend exemplaren over de toonbank). Ook andere artiesten zouden een behoorlijke hit met hun versies van  Where do I begin (Love Story) scoren, onder meer het duo Nino Tempo en April Stevens en het orkest van Henry Mancini.

In de zomer van 1971 wordt op het Columbia-label het album “Where do I begin?” uitgebracht met, naast de titelsong, een rist liedjes die Williams eerder had opgenomen, maar die nooit eerder op zijn studio-elpees waren beland.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Where did our love go

Wie vermoedt dat The Supremes in de jaren zestig in onze Top 30 wild tekeergingen, die is eraan voor de moeite en die foute gedachte, want een zevende plaats is de hoogste stek die de dames hier in de wacht sleepten. In Nederland zat er ergens een nummer twee in. Gelijke tred houden met hun Amerikaanse hits zat er in onze Lage Landen niet in. Hun tweede Amerikaanse nummer 1 Baby love maakte in Vlaanderen zelfs geen schijn van kans om in de Top 10 te geraken. Kortom:  groots in Amerika, behoorlijk groot in onze contreien.

The Supremes hadden er in 1964 al zo’n bescheiden acht singles op zitten vooraleer ze pal midden in de hitroos schoten met Where did our love go. In 1959 waren The Supremes begonnen als The Primettes en zongen nog met vier. Tegen de tijd dat ze Where did our love go opnamen, waren ze nog met drie: Diana Ross, Mary Wilson en Florence Ballard. The Supremes hadden van de baas van Tamla Motown, Berry Gordy Jr, nochtans veel krediet gekregen. Als The Primettes namen ze liedjes op als After all en Play that sad song en werd hun allereerste single I want a guy met veel verwachtingen op de markt gebracht, maar het lukte niet. Maar Berry bleef in hen geloven op voorwaarde dat ze een nieuwe groepsnaam kozen. Uit een lange lijst pikte Florence Ballard de naam The Supremes waarmee de overige dames niet meteen akkoord gingen, maar uiteindelijk gaven ze toch toe. Ook de volgende single Buttered popcorn werd een laagvlieger. Het was Florence die de leadvocals voor haar rekening nam. Nadien lukte het wat beter met singles als Your heart belongs to meMy heart can’t take it no  more en A breath taking guy. Maar hoger dan een 75ste plaats in de Top 100 geraakten ze met hun singletjes nog niet.

In de lente van 1964 was het belangrijkste schrijversteam van Tamla Motown Holland, Dozier en Holland nog maar eens druk aan het werk om hun zoveelste hit neer te pennen.  Niet eens met The Supremes in hun achterhoofd, want Where did our love go was oorspronkelijk voor The Marvelettes bedoeld. Toen Lamont Dozier hun leadzangeres Gladys Horton de begeleiding liet horen en er de tekst bij haalde waarin ze meteen zag dat ze een aantal keren baby baby moest zingen, liet ze meteen merken dat ze dit niet lustte. Dit was geen zangpartij voor haar.

Gladys wist dat Dozier dit liedje ook aan The Supremes zou voorleggen. Ze aarzelde niet aan Diana Ross de raad te geven niet op dat voorstel in te gaan, maar The Supremes hadden geen poot om op te staan, want ze stonden te dringen om toch maar een hit te scoren en Holland, Dozier en Holland geloofden heel sterk in het succesverhaal van Where did our love go.

De 8ste april 1964 duiken ze met Brian Holland en Lamont Dozier als producers “Studio A” van Hitsville USA in Detroit in. De begeleiding was al ingeblikt samen met onder meer pianist Johnny Griffiths, bassist James Jamerson, drummer Benny Benjamin en saxofonist Mike Terry. Er werd op drie sporen opgenomen: de ritmesectie, de blazers en de zangstemmen. Toen de dames de studio betraden, was het orkest al ingeblikt in de toonaard van Gladys Horton. Veel lager dan die van Diana Ross die aanvankelijk weigerde het in die toonaard te zingen, maar ze kon geen kant uit. Bleek achteraf de wat lagere stem van haar dan gewoonlijk, een deel van de aantrekkingskracht van het nummer uit te maken.  Opvallend bij Where did our love go is het stampen met de voeten. Dat was niet het werk van The Supremes, noch van Dozier of Holland, maar van de jonge danser Mike Valvano. Om die klank goed op band te krijgen werden er op de vloer drie microfoons geplaatst. Nadien wordt er voor de 45-toerenversie nog handgeklap aan toegevoegd.

Eddie Holland had eerst Mary Wilson van The Supremes in gedachten om de leadzang van Where did our love go voor haar rekening te nemen, maar Berry Gordy Jr., die intussen een oogje had op Diana Ross, drong erop aan Diana Ross de lead te laten zingen. Toen Diana en haar twee vriendinnen het eindresultaat daarvan te horen kregen, waren ze compleet de kluts kwijt. Volgens hen leek dit nergens op. Diana zingt in haar eentje 14 keer baby love en met de backings erbij gerekend, kom je op een totaal van 54 keer en dat in een tijdsbestek van  2 minuten en 32 seconden.

Twee maanden later, in de loop van de maand juli van 1964, wordt Where did our love go als single vrijgegeven. Gelukkig voor The Supremes moeten ze in die periode de baan op samen met onder anderen Gene Pitney, The Shirelles en The Coasters tijdens Dick Clarks “Caravan of Stars”. In het magazine “Billboard” verschijnt de vierde juli een bespreking van hun single Where did our love go: “Plenty of jump in this one. Music to hand-clap and foot-stomp to.”

De 22ste augustus staan The Supremes met open mond naar de Top 100 te staren, want ze prijken daar glansrijk op de eerste plaats, pal voor bekende jongens als Dean Martin, The Beatles en The Drifters. Plots zijn ze part of the packagedeal. Waar Motown-artiesten worden geboekt, gaan de dames mee. Hun sprookje zal tot aan hun split in 1969 standhouden met in het totaal dertien nummer 1-hits.

Twee maanden later staan The Supremes trouwens opnieuw op één in Amerika met een liedje dat ritmisch sterk aanleunt bij Where did our love go, het eveneens door Brian Holland, Lamont Dozier en Eddy Holland geschreven Baby love.

De 31ste augustus 1964 verschijnt op het Tamla Motown-label de elpee “Where did our love go” met daarop, naast hun eerder genoemde hits, hun derde hitsingle Come see about me.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

When the rain begins to fall

Elke liefhebber van oldies kent vast en zeker de hit I will follow him, een succes in de jaren zestig voor de Amerikaanse zangeres Little Peggy March. Toen ze wat ouder werd, week ze uit naar Duitsland waar ze als Peggy March behoorlijk wat hits scoorde. Intussen had ze ontdekt dat ze ook liedjes en hits kon schrijven. Voor Audrey Landers schreef ze Manuel goodbye en ze tekende mee voor When the rain begins to fall.

Peggy had in Duitsland producer Jack White leren kennen die in zijn platenstal een aantal Amerikaanse acteurs had opgenomen die ook bleken te kunnen zingen. Bekend van “Baywatch” en “Knight Rider” was er David Hasselhoff en Audrey Landers populair geworden dankzij de tv-serie “Dallas”. Jack White werd als Horst Nussbaum de 2de september 1940 in Keulen geboren. Wat velen vergeten zijn, is dat Horst een uitstekend voetballer was die zijn sportloopbaan bij Victoria Köln begon en nadien verkocht werd aan FK Pirmasens. In 1965 belandt hij bij PSV. In 1966 houdt hij het voetballen voor bekeken, meet zich de artiestennaam Jack White aan en gaat optreden als zanger en deejay. Hij ontdekt dat hij talent heeft om platen te produceren en richt Jack White Productions op! Hij ziet zijn kans schoon internationaal door te breken wanneer hij de hits Gloria en Self Control voor Laura Branigan mag produceren. Zijn manier van platen produceren wordt Eurodisco-stijl genoemd net zoals die van Giorgio Moroder en Frank Farian. Van 1983 tot 1987 neemt hij Audrey Landers onder zijn hoede. Met David Hasselhoff neemt hij albums op zoals “Looking for freedom” en “Crazy for you”. Nadien gaat White ook samenwerken met Engelbert Humperdinck, Al Martino, Barry Manilow en Paul Anka.

In zijn platenstal zit in de jaren tachtig eveneens Pia Zadora (echte naam Pia Schipani, geboren in Hoboken, New Jersey), in die tijd gehuwd met de steenrijke zakenman Meshulam Riklis. Zij was 23 toen ze huwden, hij 54. Zij blijven gehuwd van 1977 tot en met 1993. Het kindvrouwtje moest en zou door manlief verwend worden. Pia trad op in diverse films, eerder B-films waarvoor ze vaak “Golden Raspberry Awards” kreeg, een jaarlijkse onderscheiding voor slechtste acteerprestaties. In 1984 mag Pia Zadora de hoofdrol vertolken in de film “Voyage of the rock aliens” in een regie van James Fargo en Bob Giraldi. Jack White schrijft de muziek. Een van de songs in de film is When the rain begins to fall die Jack White samen met Mark Spiro en Peggy March schreef. De film zelf werd een flop, maar niet When the rain begins to fall dat de 25ste oktober 1984 op het Arista-label op 45 toeren werd uitgebracht met op de B-kant Follow my heartbeatVoor de opname wordt Pia Zadora gekoppeld aan de oudere broer van Michael Jackson, Jermaine, een van de leden van The Jacksons die in 1973 zijn eerste solohit scoorde met Daddy’s homeJermaine was gehuwd met de dochter van Berry Gordy Jr., platenbaas van Motown Records. Toen The Jacksons in 1976 Motown verlieten om voor Epic te gaan opnemen, kon Jermaine niet anders dan het label van zijn schoonvader trouw blijven. In 1980 scoort hij een grote hit met het door Stevie Wonder geschreven Let’s get seriousVier jaar later scoort hij opnieuw een dikke hit met Sweetest sweetest.

Iets later wordt hij dus door Jack White gevraagd om mee te zingen met Pia Zadora in When the rain begins to fall dat de 1ste december 1984 op één staat in de Nederlandse Top 40 en daar vier weken zal blijven standhouden. De 27ste oktober van dat jaar staan beiden ook bovenaan de Belgische Top 30. In Engeland is het een stevige flop, want daar geraken Pia en Jermaine in de Top 40 niet hoger dan plaats achtenzestig. Ook Amerika heeft niet echt oren naar deze single, want een achtenvijftigste plaats kan je bezwaarlijk een hit noemen.

When the rain begins to fall scoort wel erg goed in Oostenrijk, Frankrijk waar er een nummer één in zit, net zoals in Duitsland en Zwitserland. In Frankrijk wordt de single met platina bekroond, in Duitsland met goud. Er duiken later ook diverse covers op, onder meer in 1998 door Pappa Bear featuring Van der Toorn. Costa Cordalis neemt samen met Lena Valaitis een Duitse versie op Wenn der Regen auf uns fälltVoor haar album “Always and forever” dat in 2010 op de markt kwam, zong Peggy March een eigen versie in samen met Andreas Zaron.

When the rain begins to fall vinden we terug op het album “Jermaine Jackson” dat door Jermaine de 14de april 1984 wordt uitgebracht op het Arista-label.

Pia Zadora zal na 1984 nog tweemaal in de Belgische Top 30 staan en wel een jaar later met Let’s dance tonight en Little bit of heaven. Jermaine Jackson scoort bij ons in 1985 nog een nummer één met Do what you do en staat het jaar nadien opnieuw in de Top 30, deze keer op veertien met Lonely won’t leave me alone.

Anno 2018 brengt Pia Zadora het album “All or nothing at all” op de markt met daarop, naast de titelsong, onder meer Cry me a river, een klassieker van Julie London. Pia neemt deze diva uit de jaren vijftig als haar grote voorbeeld en heeft rond haar een nightclubachtige act opgebouwd.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

When the going gets tough the tough get going

Als je in Trinidad bent geboren dan weet je als geen ander hoe je carnaval moet vieren, want dat is daar een hoogdag. Dat feestvieren en die blije muziek zat er bij Leslie Charles, alias Billy Ocean (geboren de 21ste januari 1950) diep ingeworteld als hij op zijn zesde naar Londen verhuist. Een wereld van verschil, vooral omdat hij daar samen met zijn ouders en zijn vijf broers en zussen in een armoedige buurt terechtkwam.   Ondanks die doffe ellende, bleef Leslie glimlachen omdat hij voelde dat er een dag zou komen dat hij succes zou oogsten, dat hij beroemd zou worden, want als er iets vaststond dan wel het feit dat hij zanger zou worden. Maar je weet hoe dat gaat, als je iets in die richting wilt ondernemen zijn je ouders er vaak tegen, dus ook de zorgzame meneer en mevrouw Charles. Om enigszins aan de wens van hun zoon tegemoet te komen, gingen pa en ma akkoord op voorwaarde dat Leslie een stiel zou aanleren en alleen in zijn vrije tijd zou zingen. Maar ja, welke stiel lag hem het best? Hij begon schoorvoetend als kleermaker, maar dat lag hem niet en pa en ma zagen ook wel in dat hun zoon zijn hart aan de muziek verpand had. Dan maar toegeven en uiteindelijk gaat Billy zich fulltime met zijn muziek bezighouden. Omdat hij zich muzikaal nog niet echt een eigen stijl had aangemeten, trad hij hier en daar op onder telkens een andere naam. De ene keer heette hij Big Ben, dan weer Sam Spade en soms noemde hij zichzelf Joshua. What’s in a name, zei Shakespeare ooit en zo leek het ook. Gebaseerd op een voetbalploeg in Trinidad koos hij uiteindelijk voor de artiestennaam Billy Ocean. Hij durfde het aan een eerste single op te nemen Scorched earth, maar het was nog wachten op de definitieve doorbraak en die komt er wanneer hij in 1976 Love really hurts without you uitbrengt. In de lente van dat jaar in de Top 30 in Vlaanderen een toptienhit. In Nederland houdt hij halt op plaats elf. Hij mag een Europese hit op zijn actief schrijven, gevolgd door meevallers als Red light spells danger en Are you ready die het nog behoorlijk doen, maar nadien wordt het plots stil rond Billy tot hij in 1984 een platendeal sluit bij Jive Records en dan gaat de bal pas echt aan het rollen, vooral dankzij zijn samenwerking met producer Keith Diamond met wie hij in de “Battery Studio” in Londen zijn vijfde langspeler “Suddenly” opneemt, goed voor zomaar liefst drie vette hitsingles European QueenLoverboy én SuddenlyEuropean Queen wordt iets nadien bewerkt en opnieuw uitgebracht als Caribbean Queen en dan gaan ook de Amerikanen door de knieën. Het wordt daar zelfs een nummer één.

Wanneer in 1987 de film “The Jewel of the Nile” wordt opgenomen met in de hoofdrollen Danny DeVito, Michael Douglas en Kathleen Turner wordt aan het productieteam rond Billy Ocean gevraagd het thema van de film voor hun rekening te nemen. Ze komen voor de dag met When the going gets tough the tough get goingeen song geschreven door Robert John Lange, Billy Ocean, Wayne Brathwaite en Barry Eastmond. When the going gets tough is een uitspraak die op naam staat van Joseph P. Kennedy, vader van John Fitzgerald, toen die nog ambassadeur was in Engeland. Billy kwam op die idee wanneer Joan en Jack in de film over hun toekomst discussiëren en Joan tegen Jack zegt: “When the going gets tough, the tough well, I don’t know what the tough do.”

“The Jewel of the Nile” werd gedraaid in een regie van Lewis Teague als een vervolg op de succesvolle prent “Romancing the stone” met dezelfde cast in de hoofdrollen. In Nederland staat When the going gets tough the tough get going vijf weken na mekaar op één, in Vlaanderen bij de start van 1986 ook al helemaal bovenin. De Britten zijn  er even tuk op als wij en waarderen het nummer idem dito, al doen de Amerikanen niet echt mee voor het volle pond, want daar moet Billy Ocean zich tevredenstellen met een 2de plaats in de Top 100.

When the going gets tough the tough get going staat ook op het album “Love Zone” dat Billy in 1986 op het Jive-label uitbrengt met naast de titelsong ook de nummers There’ll be sad songs en Bitter sweet.

Billy Ocean schreef ook diverse songs voor andere collega’s, onder meer Are you ready? voor La Toya Jackson, Love is voor Randy Crawford en Waiting for you voor Boyzone.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

When I need you

Slechts een week staan The Eagles in de maand mei van 1977 bovenaan de Amerikaanse charts met Hotel California.Dan vindt Leo Sayer het welletjes en gaat hen daar de drie volgende weken aflossen met een van zijn grootste hits When I Need You. Dat is niet zijn eerste kennismaking met de hitlijsten ginder, want hij had in 1975 al op de negende plaats gestaan met Long Tall Glassesook wel bekend als I Can Dance en het jaar daarop met You Make Me Feel Like Dancing zijn allereerste nummer één in de States. In zijn thuisland Engeland was hij al veel eerder van wal gestoken met het scoren van hits. Daarmee begon hij al in het najaar van 1973 met The Show Must Go On en het jaar nadien met One Man Band.Opvallend is dat hij door de Britten slechts één keer goed werd bevonden om bovenin de Top 40 post te vatten en wel met When I Need Youeen single die bij ons op twee halt houdt en ervoor zorgt dat de absolute top in onze Top 30 voor hem buiten bereik blijft. Onze noorderburen zijn dan weer helemaal kapot van Long Tall Glassesin de herfstdagen van 1974 goed voor een nummer één. When I NeedYou wordt door de Nederlanders met een derde plaats in hun Top 40 bekroond.

Geboren in 1948, was Leo van kind af aan bezeten door muziek. Zijn bio kan je uitgebreid op deze site lezen. Engeland ligt meteen aan zijn voeten, maar Amerika, dat is een ander paar mouwen. Daar zal het pas lukken met zijn vierde langspeler. Voor zijn album “Endless Flight” gaat Leo samenwerken met de bekende producer Richard Perry die eerder samenwerkte met onder anderen Barbra Streisand, Carly Simon, Harry Nilsson en Diana Ross. Perry doet niets liever dan met vocalisten samenwerken. Als geen ander voelt hij aan wat een stem nodig heeft: welke technische aanpak, maar ook welke begeleiding. Tot dan toe had Leo Sayer er steeds over gewaakt dat hij de liedjes mag aanreiken, maar daar gaat Perry verandering in brengen. Hij maakt van Leo Sayer een zanger, eerder dan een singer-songwriter, en daar heeft Leo het aanvankelijk best moeilijk mee. Stel je voor hoe Leo bij hun eerste afspraak zo fier als een gieter komt aandraven met een demobandje met daarop twaalf songs die hijzelf heeft geschreven. Niet één vindt Perry geschikt om op te nemen. Dat is een uppercut waarvan Leo even moet herstellen.

Perry stelt Sayer echter op zijn gemak en belooft hem dat hij een beroep zal doen op de beste songwriters die er op dat moment in Amerika rondlopen.  Richard is goed bevriend met Carole Bayer Sager, de mevrouw die verantwoordelijk is voor onder meer de hits Come in From the Rain en A Groovy Kind of Love. Het is zij die hem het liedje When I Need You voorstelt. Ze had het iets eerder geschreven samen met die andere bekende singer-songwriter Albert Hammond, zelf erg vertrouwd met de hitlijsten dankzij zijn hitsingles I’m A TrainThe Free Electric Band en It Never Rains in Southern California. Hammond neemt in When I Need You de muziek voor zijn rekening. De muziek was er eerst. Hammond was dringend op zoek naar een goede tekstschrijver. Het is zo dat hij bij Carole terechtkomt. Die weet dat Leo vaak moet optreden, veel op reis is en dat het dan moeilijk is om een relatie staande te houden. Met dit in haar achterhoofd schrijft ze When I Need YouHet is Albert zelf die het nummer in 1976 op zijn gelijknamige elpee zet. Richard Perry ziet wel wat in die song. Hij vertrekt van de bestaande versie van Albert Hammond en begint zoals we dat van hem gewoon zijn te sleutelen. Hij trekt met zo’n vierendertig muzikanten naar de studio waaronder kleppers als Nigel Olsson, Ray Parker Junior en Jeff Porcaro. Na een eerste opname fronst hij bedenkelijk de wenkbrauwen. Zijn entourage merkt meteen dat Perry niet tevreden is en dus laten ze hem ongestoord voortsleutelen. Leo laat zich onder meer begeleiden door toetsenist Booker T en wil het zingen in de stijl van Otis Redding. Booker T heeft met zijn groep The MG’s Redding vaak begeleid. Nadat Carole die versie heeft gehoord, durft zij hardop te reageren. Zij vindt die versie maar niets, te gewoon eigenlijk. Leo ziet dat ook in. Voor hem is deze samenwerking erop of eronder, want hij schreeuwde het al eerder van de daken, vooral na zijn eerste hits, dat hij een wereldster wil worden. Door het leven stappen als een doorsneezanger is aan Leo niet besteed. Hij had ook al laten horen dat hij als liedjesschrijver in de voetsporen van Bob Dylan wil treden, maar die droom had hij intussen op aanraden van Richard Perry stilaan laten varen. De opname wordt overgedaan, deze keer met de toetsenisten James Newton en Michael Omartian.

De 26ste februari 1977 wordt When I Need You op het Warner-label uitgebracht  met op de B-kant I think we fell in love too. De rest van het verhaal deed ik daarnet al uit de doeken. Op een bepaald moment dient Leonard Cohen een klacht in omdat hij vindt dat het nummer hier en daar lijkt op zijn compositie Famous Blue Raincoat, maar een musicoloog achterhaalt dat die melodie van Cohen aanleunt bij een compositie van Franz Schubert.

Na twee opeenvolgende nummer 1-hits gaat het voor Leo Sayer nadien wat bergaf. De single How Much Love tuimelt nog net binnen de Amerikaanse Top 20, maar van de singles Thunder In My Heart, Easy To Love en Raining In My Heart had hij in de Amerikaanse charts toch iets meer verwacht.

De zon begint weer te schijnen wanneer hij in 1980 op de proppen komt met More Than I can Say.Dat nummer was al eerder op plaat gezet door Bobby Vee. Die bracht het in 1961 op single uit op het Liberty-label. In zijn versie was die plaat goed voor een zestigste plaats in de Amerikaanse Top 100. Het nummer is geschreven door Jerry Allison en Sonny Curtis die voordien deel uitmaakten van de voormalige band van Buddy Holly, The Crickets. Het is Sayers producer Alan Tarney die het bewerkt en ervoor zorgt dat Leo Sayer ei zo na zijn derde Amerikaanse nummer één op het droge haalt, was het niet dat Kenny Rogers met een van zijn sterkste hits komt oprukken, Lady, dat met de eerste plaats en de eer gaat lopen. Nadien raakt Sayer in de hitlijsten kant noch wal meer. In de loop van de jaren negentig probeert hij een comeback te forceren, maar het werkwoord geeft het al aan, tevergeefs.

Gelukkig voor hem pikt in 2006 de Amerikaanse deejay en producer Meck zijn hit Thunder In My Heart op, bewerkt de song en zet het op plaat als Thunder In My Heart Again. In Engeland geraken ze er samen mee tot op de eerste plaats. Het jaar voordien had Sayer besloten Europa achter zich te laten. Hij trekt met hebben en houden richting Australië waar hij van de natuur en de opbrengsten van zijn auteursrechten geniet.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

When I fall in love

Een van de meest populaire evergreens is en blijft When I fall in love geschreven door Edward Heyman en Victor Young, voor de eerste maal te horen in de film “One minute to zero”. Als je van gevechtsscènes houdt is deze film echt iets voor jou, in een regie van Tay Garnett met in de hoofdrollen Robert Mitchum, Ann Blyth en Charles McGraw. In deze film staat de Koreaanse oorlog centraal en Garnett kreeg tijdens de verfilming veel steun van de US Army en de US Air Force. Hij mocht zelfs de troepen van de 148th Field Artillery gebruiken. De soundtrack werd door Victor Young geleverd. Young begon als klassiek componist en violist, maar stapte over naar de lichte muziek toen hij zich aansloot bij Ted Fio Rito’s orkest. In de jaren dertig verhuisde Victor naar Hollywood en specialiseerde zich in filmmuziek. Hij schreef een pak liedjes die intussen alle de evergreenstatus hebben bereikt: Sweet SueLove lettersAround the worldStella by starlightGolden earrings en When I fall in love waarvoor Edward Heyman de tekst leverde. Iedereen denkt als hij de titel van dit liedje hoort meteen aan Nat King Cole, maar het was Doris Day die het de 5de juni 1952 reeds opnam. Dat werd samen met de song Take me in your arms op single uitgebracht en stootte door naar de 20steplaats in de Amerikaanse Top 100.

Een paar dagen na de kerst eind december 1956 nam Nat King Cole zijn versie op voor zijn elpee “Love is the thing” in de “Capitol Studio” in Hollywood. Die opnamen hadden plaats van de 19de december tot en met de 28ste december 1956. De productie was in handen van Lee Gillette en de arrangementen werden geschreven door Gordon Jenkins. Op deze elpee staan nog prachtige songs zoals StardustLove letters en At lastWhen I fall in love zal Nat King Cole in 1957 in de film “Istanbul” van regisseur Joseph Pevney zingen met in de hoofdrollen Errol Flynn en Cornell Borchers. Nat King Cole vertolkt de rol van Danny Rice.

Een paar maanden later werd When I fall in love op single uitgebracht met de 19de april 1957 als eindresultaat een tweede plaats in de Britse Top 40. In Engeland belandt iets later zijn album “Love is the thing” op de allereerste plaats van de albumcharts. In Amerika zelf werd het niet zo’n hit. In 1996 nam Natalie Cole een virtuele versie op samen met haar vader voor haar album “Stardust”. Er volgen later nog succesvolle versies, onder meer in 1962 gezongen door The Lettermen én jaren later door The Carpenters voor hun televisieshow “Music, Music, Music”. Al even succesvol was Rick Astley in 1987 met zijn release en in 1993 Celine Dion die het als duet met Clive Griffin opnam. Je kon dat iets later horen in de soundtrack van de film “Sleepless in Seattle”. Een instrumentale versie hoor je bij het begin van de film “Eyes wide shut”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

When a man loves a woman

“Met twee op één tegel”. Dat was vroeger de titel van een laatavondprogramma bij Radio 2. Een titel die alles zegt en de lading ook volledig dekt. Juist ja, slows van de bovenste plank. Je hoeft nog maar de eerste noten van Du te horen en je weet al hoe laat het is. Aline is ook zo’n plaat en A whiter shade of pale ook, al zijn die aan mekaar gewaagd. Nog zo’n vloervuller – ik geef toe een slechte vertaling van floorfiller – is When a man loves a woman, een dijk van een slow van Percy Sledge.

Percy zong ontzettend graag. Hij was lid van het Gallillee Baptist Choir in Alabama en zong daarnaast ook bij The Esquires Combo. Dat waren meestal liedjes van The Beatles en The Miracles waar ze vaak mee optraden in plaatselijke clubs. Volgens Percy was zijn toenmalig vriendinnetje Liz de inspiratie voor zijn grootste hit When a man loves a woman.  Maar na een tijdje verhuist Liz richting New York. Percy is er het hart van in. Hij moet die avond optreden in de “Alabama Club” in Sheffield samen met The Esquires Combo, maar hij is verstrooid. Hij kan er zijn aandacht niet bij houden. Op een bepaald moment vraagt hij aan bassist Calvin Lewis en organist Andrew Wright, na een paar akkoorden te hebben afgesproken, of ze geen trage blues kunnen spelen. Daarmee brouwt Percy de komende zes minuten een melodie die uiteindelijk When a man loves a woman moet worden. Hier en daar geeft hij nadien in interviews toe dat dat melodietje al een tijdje in zijn hoofd zat en dat hij het eerst neerschreef en zong als Why did you leave me babyIn het publiek zit Quin Ivy, eigenaar van de platenzaak “Ivy’s Tune Town”, vlak tegenover ziin “Norala Studio”. Hij richtte die studio in 1965 op. Norala staat voor Northern Alabama. Quin motiveert Sledge het nummer verder uit te werken en ook aan de tekst te sleutelen. Hij vindt dat er een betere tekst bij hoort waarop Percy antwoordt: “When a man loves a woman, he can’t think anyway.” Dit is het! Dit moet volgens Ivy de titel van het nummer worden. Percy begint te schrijven en merkt dat de tekst als het ware uit zijn pen vloeit. In een gulle bui, omdat ze hem van zijn verdriet hebben afgeholpen, staat Percy zijn royalty’s aan zijn medemuzikanten Cameron Lewis en Arthur Wright af.

Een tijd later passeert Sledge Ivy’s platenwinkel en stapt binnen met de melding dat hij tevergeefs gepoogd heeft When a man loves a woman in de bekende Fame-studio op te nemen, maar dat lukte niet. Hun technicus Dan Penn adviseert Percy te gaan aankloppen bij Quin Ivy. Ivy neemt in zijn “Norala Studio” wel vaker songs op met artiesten die in de “Fame Studio” niet aan de bak kunnen. Hij werkt dan ook nauw samen met enkele vaste studiomuzikanten die voor Fame werken.

De 17de februari 1966 trekt Percy naar de “Norala Studio” zonder zijn trouwe begeleiders Cameron en Arthur. Zij worden vervangen door onder anderen drummer Roger Hawkins, contrabassist Albert Lowe, organist Spooner Oldham met z’n meteen herkenbaar Farfisa-orgel en gitarist Marlin Greene die samen met Quin de productie voor zijn rekening neemt. Het eindresultaat mag er wezen. Iets later laat Ivy die opname aan Rick Hall horen, de eigenaar van de Fame-Studio . Die is zo weg van het nummer dat hij het op zijn beurt laat beluisteren door Jerry Wexler van Atlantic Records. Nu valt het Wexler op dat de blazers een beetje vals klinken. Hij stuurt de originele tape terug met de vraag die partij opnieuw in te spelen, wat ook gebeurt, maar de banden worden verwisseld zodat die eerste opname opnieuw bij Wexler belandt. Zonder het nog eens te controleren, wordt van die opname de master aangemaakt en de singles geperst en het is dus die eerste versie met daarop die wat valse blaaspartij die uiteindelijk de hitversie wordt.

In de maand maart wordt When a man loves a woman op single gereleaset, de 28ste mei staat Sledge in de Amerikaanse Top Honderd op één. Het zal echter voor Percy bij die ene grote hit blijven. Warm and tender love doet het nadien niet onaardig en valt nog net binnen de Top 20. Take time to know her mag je een meevaller noemen, strandt op de elfde plaats. Sledge zal al die tijd trouw met zijn vrienden blijven samenwerken.

“When a man loves a woman” is ook de titel van de gelijknamige elpee die in 1966 op het Atlantic-label verschijnt met daarop onder meer My Adorable One, Put a lilttle lovin’ on me en Thief in The Night.

In Europa wordt Sledge een soort blijver.  Geen verzoekprogramma gaat er voorbij of When a man loves a woman duikt erin op. Ook het nummer My special prayer wordt hier een hit. In het najaar van 1969 slowt Sledge met deze single naar de vierde plaats van de Top 30. In Nederland zit er zelfs een nummer 1 in. In Amerika zelf klimt het nummer niet hoger dan de 93ste plaats. Om maar aan te geven hoe smaken per land kunnen verschillen.

In 1987 duikt When a man loves a woman op in de soundtrack van de oorlogsfilm “Platoon”. Datzelfde jaar wordt het nummer in Engeland opnieuw op single uitgebracht nadat het was gebruikt in een spot van Levi’s Jeans. Deze keer zit er voor Percy Sledge een tweede plaats in de Britse Top 40 in.

Van When a man loves a woman volgen er nadien veel covers, onder anderen van Jerry Butler, Art Garfunkel en Michael Bolton.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

What have I done to deserve this?

De 16de januari 1988 werd in Amerika de zesde nummer één van George Michael op single uitgebracht Father Figure.  Jammer voor The Pet Shop Boys die iets voordien waren gaan aankloppen bij Dusty Springfield om samen met hen What have I done to deserve this? in te blikken. Michael zorgde ervoor dat ze twee weken na mekaar op twee mochten staan glunderen in de Amerikaanse charts, maar hoger dan dat geraakten ze niet. Vreemd genoeg zat er in hun thuisland in de Britse top veertig ook geen eerste plaats in, wat The Pet Shop Boys, maar dan zonder de hulp van Dusty, wel gelukt was met de singles West End Girls en It’s a sin. In de Belgische Top 30 hielden ze de 12de september van dat jaar halt op de vijfde plaats. In de Nederlandse Top 40 zat er een  tweede plaats in.

Neil Tennant en Chris Lowe vormden een unieke combinatie in de loop van die Britse jaren 80. Ze wisten als de besten hoe ze met synthesizers moesten omspringen, klonken uniek genoeg om van bij de eerste noot herkend te worden en schudden ook nog eens opvallende teksten uit hun mouw. Toch vonden ze toen ze aan hun album “Actually” bezig waren, dat ze een stem tekortkwamen voor hun song What have I done to deserve this?  Ze hadden dit nummer al drie jaar eerder geschreven samen met Allee Willis als een duet. Allee kende de knepen van het vak, want ze schreef ook September en Boogie wonderland voor Earth, Wind & Fire en Neutron dance voor The Pointer Sisters.

Over de tekst van What have I done to deserve this? zei ze in een interview: “Someone who’s in this relationship that they know they shouldn’t be in. It’s this dysfunctional relationship, and they don’t have the strength to get out. And “what have I, what have I, what have I done to deserve this?”. There’s a real sense that they shouldn’t be there, but they’re basically a slave to this obsessive love. It’s one of the few songs of mine that is about that but doesn’t turn itself around and go. “I’m leaving here, screw you, go make someone else miserable.” Usually I don’t just leave it at what have I done to deserve this, but it felt right for the group, so that’s what it was.” Toen ze dat nummer schreven hadden ze Dusty Springfield in gedachten, maar het duurde wat om haar te lokaliseren, want haar hoogtijdagen in de hitlijsten waren allang voorbij, en vooral om haar ervan te overtuigen dit nummer ook daadwerkelijk in te zingen.

Allee Willis kende Dusty al een tijdje omdat ze voor haar een aantal songs had geschreven, maar ze wist dat het niet gemakkelijk zou zijn Dusty te overtuigen samen te werken. Dusty kende The Pet Shop Boys van hun albums. Niet persoonlijk dus, maar wel omdat West End Girls een van haar lievelingsplaten was. Maar ze zat toch met een pak vragen toen ze hun verzoek om medewerking via haar manager te horen kreeg: who’s that?, what is that?, who are they?. Ze zou en moest het kleinste detail weten vooraleer ze aan die klus wou beginnen. Dusty had meteen door nadat ze de demoband had beluisterd dat hun genres sterk van elkaar verschilden. Ze wou koste wat het kost weten wat Neil en Chris precies van haar verlangden. Ze nodigden op hun beurt Dusty in Londen uit en ook toen wist ze nog niet meteen hoe de vork precies aan de steel moest zitten. Pas na een aftastende gespreksronde werd stilaan duidelijk hoe de opname moest klinken. Uiteindelijk bleek alles vrij simpel te worden, heel relaxed. Het enige dat Dusty moest doen, was de zin “since you’ve been away, I’ve been hanging around” zingen op een manier waarop ze altijd gezongen had. Producer Julian Mendelsohn zal nooit vergeten hoeveel tijd Dusty in die opname stak. Uiteindelijk hadden ze twintig pogingen nodig vooraleer iedereen tevreden was.

What have I done to deserve this? belandt ook op de nieuwste elpee “Actually”van The Pet Shop Boys, hun tweede studioalbum voor het EMI -label. Er werkten zomaar liefst vijf producers aan mee: Andy Richards, Julian Mendelsohn, Stephen Hague, David Jacob en Shep Pettibone. Het album wordt gevuld met nummers die The Pet Shop Boys al geschreven hadden alvorens ze doorbraken met West End Girls. Er worden nadien met wisselend succes nog enkele singles uit het album gereleaset: It’s a sin, Rent dat door Liza Minnelli zal gecoverd worden en Heart.

De 10de augustus 1987 wordt What have I done to deserve this? op single uitgebracht op het Parlophone-label. In Amerika zit er een nummer 1-hit in, in Engeland wordt ze van de eerste plaats geweerd door Rick Astley die daar dominant staat te wezen met Never gonna give you up. Voor Dusty Springfield betekent What have I done to deserve this? een heuse comeback. Haar laatste grote hit Son of a preacher man dateerde al van bijna twintig jaar geleden. Ze was nadien  beetje aan lagerwal geraakt. Ze voelde zich niet zo goed in haar vel. Uit dank voor haar comeback en omdat het goed klikte vroeg Dusty aan Neil Tennant en Chris Lowe of ze haar comebackalbum “Reputation” wilden producen. Uiteraard aanvaardden de heren die opdracht met veel enthousiasme. Neil en Chris nodigden ook producers Julian Mendelsohn, Dan Hartman, Andy Richards en Paul Staveley O’Duffy uit. The Pet Shop Boys leverden niet alleen productionele bijstand, maar schreven ook nog twee hits voor Dusty die op dit album belandden Nothing has been proved dat ze schreven voor de soundtrack van de film “Scandal”, over het Profumo-schandaal uit 1963, met in de hoofdrol John Hurt en In Private dat vooral in de Amerikaanse discotheken een enorme hit werd. De single staat de 6de januari 1990 in onze Belgische Top 30 op twee genoteerd. Liliane Saint-Pierre maakt er een Nederlandstalige versie van die ze samen met Marie Boduin schrijft Ik wil alles met je doen. Die singleversie staat de 8ste juni 1996 op twee in de Vlaamse Top Tien.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

What a fool believes

Beweren dat The Doobie Brothers in onze hitlijsten brokkenmakers waren, is jokken zoals de grootste leugenaar, maar zeggen dat ze de weg naar onze hitlijsten niet kenden, is een even grove leugen. In 1975 passeerden ze onze Top 30 met Listen to the musiceigenlijk eerder een radiohit dan een bestseller. Elf jaar later deden ze het veel beter met hun single What a fool believes, want daarmee stonden ze de 28ste mei 1986 op de zestiende plaats in onze Top 30.

In Amerika waren The Doobie Brothers als poprockgroep al vaak genoeg in contact geweest met de Top 100. In 1973 hadden ze al een toptienhit gescoord met Long train runnin’ en met Black water stonden ze in 1974 zelfs op nummer één. Ze hadden echter één probleem, ze waren niet hecht als groep. Ze moesten een manager in dienst nemen alleen al om in de gaten te houden wie nu nog bij de groep speelde en wie niet. In 1978 schoten alleen nog als originele leden over drummer John Hartman en zanger-gitarist Patrick Simmons. Dat af-en-aangereis van nieuwe leden beïnvloedde ook sterk de muzikale stijl van The Doobie Brothers. In het begin klonken ze nog zoals een rockband hoort te klinken, maar stilaan werden ze meer en meer een aalgladde r&b-groep vooral onder invloed van leadzanger Michael McDonald. Hij was niet de eerste de beste, want hij kon naast geweldig goed zingen ook goed schrijven. Zo pende hij voor Carly Simon het nummer You belong to me neer en werkte hij mee aan het album “Footloose” van Kenny Loggins.

Na Black water stond er voor The Doobie Brothers een tweede nummer één op het getouw, een song geschreven door Kenny Loggins samen met Michael McDonald. Loggins had Michael nog niet eerder ontmoet. Ze hadden thuis bij Michael afgesproken. McDonald liet een ruwe versie van What a fool believes aan zijn zus Maureen horen net op het moment dat Kenny buiten zijn auto geparkeerd had en flarden van het nummer kon opvangen. Meteen schoot hem een soort bridge door het hoofd en eenmaal binnen, speelde hij dat aan Michael voor. Dit zou de definitieve melodie van What a fool believes worden. De dag nadien werd via de telefoon aan de tekst gesleuteld en het nummer definitief afgewerkt. Het is Kenny die het als eerste opneemt, vijf maanden voor The Doobies, voor zijn elpee “Nightwatch”, maar hij brengt het niet op single uit. Michael blijft in de ban van die song en wil het een tweede kans gunnen samen met The Doobie Brothers op hun nog in te blikken elpee “Minute by minute”. Wat een makkie moest worden, werd tijdens de zomer van 1978 een zware klus, herinnert zich producer Ted Templeman nog. Gedurende vijf dagen werd het nummer keer op keer opnieuw ingespeeld en gezongen, maar het paste niet in mekaar. Zes dagen hadden ze nodig om die ene klus te klaren. Uiteindelijk ging Templeman zelf achter de drums zitten. Het eindresultaat klinkt een beetje floppy, zoals hij het in het Engels omschrijft, het hangt zo’n beetje losjes aan mekaar, maar dat is nu net wat het nummer zo aantrekkelijk maakt. The Rolling Stones hadden soms ook zo’n stijl van spelen. Een beetje losjes uit de pols, niet te strak.

Toen het album “Minute by minute” klaar was, lag de singlekeuze voor de hand. Michael had zo’n fantastische bijdrage geleverd aan What a fool believes vooral tijdens het zingen van de hoge noten, dat het vanzelfsprekend was dat het als single zou worden uitgebracht. De 20ste januari 1979 is het zover. Geen voor de hand liggende singlekeuze qua stijl, want in die tijd stonden de hitlijsten bol van de disconummers. In hun opmars naar de bovenste hitregionen moeten The Doobie Brothers, The Bee Gees en hun nummer één Tragedy passeren. De 14de april staan ze eindelijk op de eerste plaats van Billboard’s Hot One Hundred. Jammer voor hen is het maar een verblijf van korte duur daar bovenin de Top 100, want na een week worden ze al afgelost door Amii Stewart met haar Knock on wood. In Engeland houdt What a fool believes al halt wanneer de 31ste plaats in de Top 40 wordt bereikt. Duidelijk geen hoogvlieger in de Britse hitlijsten. In Nederland zit er een achtste plaats in de Top 40 in, meteen ook de hoogste notering die een van hun hits daar ooit zal bereiken.

The Doobie Bros krijgen in de States een Grammy voor Record of the Year en Song of the Year. Voor Michael McDonald zit er een Grammy for Best Arrangement Accompanying Vocalists in. Het album “Minute by minute” krijgt een Grammy for Best Vocal Performance by a Group. Nadien volgen nog twee toptienhits. In 1980 scooren ze met Real love. Twee jaar later is het vet echter van de soep en besluiten de heren elk hun eigen weg te gaan. In 1987 keren ze op hun stappen terug en gaan opnieuw optreden met deze keer Tom Johnston weer aan boord en met als eindresultaat in 1989 de hit The doctor.

Van What a fool believes verschenen er tal van covers onder meer door Matt Bianco, Aretha Franklin en George Michael in een bootlegversie uit 1991 tijdens een liveconcert in Birmingham.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Weekend

Het was George Kooymans van Golden Earring die Earth and Fire ontdekte, hun hitpotentieel, toen ze in hun voorprogramma optraden. George besloot meteen een nummer voor hen te  schrijven Seasons, een hit in de maand februari van 1970. Gelijk goed voor een 2de plaats in de Nederlandse Top 40. Er zouden er nog achttien volgen voor Earth and Fire, drie jaar eerder opgericht door de broers Chris en Gerard Koerts samen met bassist Hans Ziech. Ze heetten toen nog Opus Gainfull met voorop de stem van zangeres Manuela Berloth. Twee jaar later nam Jerney Kaagman haar plaats in.

Hun eerste nummer 1 scoorden Earth and Fire in de lente van 1972 toen ze Let’s dance van The Cats van de eerste plaats stootten met Memories geschreven door de band zelf in een productie van Jaap Eggermont, ex-drummer van The Golden Earring. Zeven jaar later staat hun single Weekend op nummer 1. Een song van Gerard Koerts. Hij vond dat liedje maar niks, een soort niemendalletje, was het niet dat zijn kinderen er tuk op waren. Ook hun platenfirma Polydor vond het nummer niet bij hun stijl passen. Hun contract moest echter dringend verlengd worden en daar neep het schoentje, want Polydor vond geen enkel liedje dat ze vooraf op demo hadden ingediend, geschikt. De mensen van Phonogram, de groep waartoe Polydor behoorde, wel.

Dus toch op single en gelukkig maar. Weekend wordt in de maand november van 1979 op single uitgebracht met op de B-kant het instrumentale Answer me. De 15de december 1979 staat Weekend op de eerste plaats van de Nederlandse Top 40 en zal daar drie weken blijven. Het was vier jaar geleden dat Earth and Fire nog eens op één hadden gestaan, toen met Thanks for the love. Ook het buitenland pikt Weekend op. In West-Duitsland wordt het eveneens een hit. Ook Zwitserland, Portugal en Denemarken reageren positief.

Weekend staat ook op hun elpee “Reality Fills Fantasy” uitgebracht op het Vertigo-label (dit sublabel werd in de jaren 60 door Phonogram opgericht om meer progressieve rockplaten uit te brengen), opgenomen in de “Soundpush Studios” te Blaricum in een productie van Gerrit-Jan Leenders die eerder de groep Kayak produceerde. Uit die elpee wordt ook de song Fire of love op single uitgebracht.

Dat succes wordt wat afgekoeld wanneer hun beste liedjesschrijver Chris Koerts uit de groep stapt. De fut was eruit en het einde van de band was al een tijdje in zicht. Toch bleef leadzangeres Jerney Kaagman actief in de muziekindustrie, onder meer als bestuurslid van de BV Pop, de belangenvereniging voor popmuzikanten, en nadien als presentatrice bij Radio Noordzee Nationaal en als directeur van de stichting Conamus, tegenwoordig werkzaam als Stichting Buma Cultuur, bezig met de ondersteuning en promotie van Nederlandse muziek. Elk jaar reiken ze de Gouden Harp, de Zilveren Harp en de Buma Cultuur Exportprijs uit. Tijdens dat gala wordt ook de Radio 2 Zendtijdprijs uitgereikt aan artiesten die over een langere periode het meest op Radio 2 te horen waren en een grote en blijvende betekenis hebben gehad voor de Nederlandse muziek. In 2002 dook Jerney Kaagman op als jurylid van Idols met een uitermate streng oordeel voor diegenen die over geen talent beschikken.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Wake me up before you go-go

Wie was er op het einde van de jaren zeventig niet gek op disco? De film “Saturday Night Fever” zat daar wel voor iets tussen en de muziekmarkt die overspoeld werd door de discohits. Uitgaan in het weekend was een leuke bezigheid. George Michael en zijn vriend Andrew Ridgeley vormden dus geen uitzondering op die regel. Ze woonden beiden in Bushey, een voorstadje in het noorden van Londen. Ze spraken regelmatig af om samen op stap te gaan. Ze waren dol op dansen en muziekmaken.

George en Andrew kenden elkaar al van toen George nog maar twaalf was. De 11-jarige Andrew werd zijn klasgenoot. Ze zaten naast elkaar in hetzelfde leslokaal. Omdat ze graag muziek maakten, sloten ze zich aan bij het skagroepje The Executives, zo’n beetje in de stijl van groepen als Selecter en The Specials. Niet dat hun muzikale prestaties je van hét waren, maar ze leerden stilaan hun eigen liedjes schrijven. Een van hun eerste maaksels is het nummer Wham Rap.George had ook zitten sleutelen aan een song die hij Careless whisper heette. Beide songs namen ze in een demoversie op en wisten op die manier de aandacht te trekken van Mark Dean van het net opgerichte platenlabel Innervision. George en Andrew noemden zich intussen ook Wham!

Hun Wham Rap doet het niet zo goed toen het op single was verschenen, maar hun tweede  Young guns (go for it) schiet de 16de oktober 1982 meteen door naar de derde plaats in de Britse Top 40. Het nummer wordt ook in Amerika uitgebracht op het Columbia-label, maar presteert daar zo goed als niets. Innervision besluit Wham Rap opnieuw uit te brengen en deze keer slaat de single in Engeland wél aan met een achtste plaats in de Top 40 als eindresultaat. Ook het nummer Bad Boy doet het goed in die Britse hitlijsten, maar wordt in de States genegeerd. Dat vinden de jongens niet zo leuk, want beiden dwepen nogal met hun Amerikaanse idolen: George was tuk op motownmuziek en Andrew op sterren als Elvis Presley en The Everly Brothers.

Op zekere dag is George te gast bij Andrew thuis en ziet op de deur van diens slaapkamer een briefje hangen dat eigenlijk bedoeld was voor Andrews moeder dat als ze ‘s ochtends naar haar werk gaat ze niet mag vergeten hem te wekken. “Wake me up before you go-go“. Die go go was een compensatie van het tweevoudig gebruik van het woordje up, want op het oorspronkelijk briefje had Andrew eerst Wake me up up before you go geschreven. Toen hij de fout zag, voegde hij erachteraan gewoon nog een keertje go aan toe. Vandaar!

Toen Michael het nummer schreef, ging hij ervan uit dat het een liedje moest worden waar pit in zat. Het moest bruisen van energie. Hij verwerkte er typische trekjes in van pophits uit de jaren vijftig en zestig. Hij ging zelfs no verder terug in de tijd, want het liedje begint met vier keer jitterbug. De jitterbug is een populaire dans uit de jaren dertig. Die retroflair hoor je ook in de zin: “You make the sun shine brighter than Doris Day.” George had precies in zijn hoofd zitten hoe het liedje moest klinken en toen ze met de muzikanten in de “Sarm West Studios” in Londen zaten op te nemen, zong George het hun voor precies zoals hij wou dat ze het speelden. Technicus Chris Porter weet nog precies dat er vooraf geen demo was opgenomen en dit de manier was waarop George verkoos het nummer af te werken. Hij weet ook nog dat de drummer van dienst te laat was en dat ze daarom een Linn-drummachine gebruikten. Dat klonk zo goed dat ze dat hulpmiddeltje op de definitieve versie hebben bewaard. In diezelfde studio wordt tussen de maanden juli en september 1984 het album “Make it big” opgenomen met George Michael als producer. Dat tweede studioalbum levert hun naast Wake me up before you go-go een aantal dikke hits op: Freedom, Careless whisper en Everything she wants.

De veertiende mei 1984 wordt Wake me up before you go-go in Engeland op het Epic-label uitgebracht, want de jongens hadden intussen een platendeal met CBS afgesloten. De 26ste mei staat de single al helemaal bovenaan de Britse Top 40. Duran Duran had daar iets eerder gestaan met The Reflex.Twee weken later moeten ze plaats ruilen met Frankie goes to Hollywood die hen daarbovenin komt aflossen met Two tribesDe 23ste juni staat Wham op één in de Nederlandse Top 40. Diezelfde dag staan ze in de Belgische Top 30 eveneens op de bovenste stek.  De achtste november van dat jaar duikt Wake me up before you go-go op single in de Amerikaanse popcharts op waar het de 17de al op één staat nadat Billy Ocean en zijn Caribbean Queen   galant plaats hebben geruimd. Drie weken blijven ze daar staan om dan op hun beurt hun eerste plek af te staan aan Daryl Hall en John Oates en hun nummer 1-hit Out of touch.Wake me up before you go-go wordt eveneens een nummer één in Australië, Canada, Ierland, Noorwegen en Zweden.

Inpikkend op dat succes, bracht George Michael zijn eerste solosingle op de markt Careless whisper dat zowel in de States als in Engeland een nummer één wordt. In Engeland scoort Wham nog een aantal keren: in 1984 met hun nummer één Freedom, nadien met Last Christmas,een jaar later met I’m your man om nog eens een jaar later in schoonheid af te ronden met hun nummer één The edge of  heavengekoppeld aanWhere did your heart go. Deze single betekent het definitieve afscheid van het duo. De 28ste juni 1986 geven ze een afscheidsconcert in de Wembley Arena. George gaat zich van dan af bezighouden met zijn solocarrière. Andrew probeert het als autopiloot en als solozanger, maar geen van beide lukt. Hun achtergrondzangeressen Pepsi en Shirlie nemen enkele singles op die het wel goed doen in de Britse charts.

George Michael overlijdt de 25ste december 2016.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

Voulez-vous coucher avec moi ce soir? (Lady Marmalade)

Lady Marmalade is een song geschreven door Bob Crewe die instond voor zowat al de hits van The Four Seasons en klassiekers op zijn naam heeft staan als Can’t take my eyes off of you en The sun ain’t gonna shine anymore. Bob Crewe had iets eerder kennisgemaakt met Kenny Nolan. Ze hadden snel door dat ze beiden goede songs konden schrijven.

Nolan schreef in zijn hoogtijdagen zo’n vijf à zes liedjes per week. In een interview zei hij daarover: “I really write from titles. A title will come into my head and will just motivate me.  I’ll sit down at the piano or on guitar and in a matter of two minutes I’m singing a melody and elaborating on the theme or title.  The melody just comes through me. I don’t know how.  For My Eyes Adored You, the original title was Blue Eyes in Georgia.  I accidentally said my eyes adored you.  I’ve worked at it so long I can make a title into something tangible, which is a fun process.  I collaborate with producers, artists and select writers.  I always start with the lyrical concept, not the melody.”

My eyes adored you schreef Kenny samen met Bob Crewe. Die song werd een solohit, een nummer 1 voor Frankie Valli, die de leadzanger was van de succesvolle groep The Four Seasons, waarvoor Bob Crewe dus op zijn beurt een hele rist hits had geschreven. Nu was Kenny ook van vele markten thuis. Hij had onder meer de hit Swing your Daddy voor Jimmy Gilstrap geschreven en had zelf hits gescoord met I like dreaming en Love’s grown deep.

Kenny Nolan had tussendoor een studiogroep opgericht The Eleventh Hour waarin Kenny de zangpartij voor zijn rekening nam. Bob Crewe schreef op zekere dag samen met Kenny Nolan het nummer Lady Marmalade (Voulez-vous coucher avec moi ce soir?). Crewe schreef die tekst na zijn ervaringen in New Orleans met een prostituee, genaamd Lady Marmalade. Kenny herinnert zich nog dat hij flarden van het melodietje al klaar had, maar die flarden pasten niet in mekaar tot Bob zich over de song ontfermde en op de idee kwam van de zin Voulez-vous coucher avec moi ce soir. Crewe en Nolan hadden daarmee een dijk van een gimmick én een hit te pakken. Niet té recht voor de raap, maar seksueel toch suggestief genoeg om Amerika en de rest van de wereld te doen blozen.

Er wordt een demoversie van Lady Marmalade opgenomen door The Eleventh Hour met voorop dus de stem van Kenny. Dat nummer belandt in 1974 op hun elpee “‘The Eleventh Hour’s Greatest Hits” op het label 20th Century Records, geproduceerd door Bob Crewe, maar die elpee wordt niet zo goed onthaald. Crewe speelt Lady Marmalade door aan producer Allen Toussaint die meteen denkt aan de groep LaBelle, want die zijn volop bezig aan hun elpee “Nightbirds”. LaBelle was al in 1959 opgericht door Patti Labelle. Toen noemden ze zich nog The Ordettes.  Iets later krijgt de groep een ander jasje aangemeten en wordt het Patti Labelle and The Blue Belles. Begin jaren zeventig wordt er aardig gesleuteld aan de samenstelling en verpakking van de groep en gaan ze de baan op als LaBelle: Patti Labelle, Nona Hendryx en Sarah Dash. Om een lang verhaal kort te maken. In 1974 komen ze bij Epic Records terecht en in de zomer van dat jaar op de markt met de elpee “Nightbirds” met als producer Allen Toussaint en begeleid door de groep The Meters.

Het is Patti die in de “Sea-Saint Studios” in New Orleans tijdens de opname van Lady Marmalade de solostem voor haar rekening neemt. Die song wordt gelijk ook de eerste single uit die langspeler. De eerste april 1975 duikt Lady Marmalade Billboard’s Hot One Hundred binnen en staat iets later op één. In Europa wordt de single uitgebracht als Voulez-vous coucher avec moi ce soir? (Lady Marmalade). In Engeland zit er niet meer dan een 17de plaats in. In de Nederlandse Top 40 noteren we begin februari van dat jaar een nummer 1-hit voor LaBelle. Bij ons staat Voulez-vous coucher avec moi ce soir? in de loop van de maand januari 1975 op plaats drie.

Na dit succesverhaal namen LaBelle de elpee “Phoenix” op, maar daar kraaide haast geen haan naar. De drie dames kwamen niet tot een akkoord wat het vervolgverhaal betreft en dus gingen ze elk hun eigen weg.

Lady Marmalade is zo’n sterk nummer dat het smeekt om gecoverd te worden. Rondborstige Sabrina nam het in 1987 op om het het jaar nadien op single uit te brengen, maar verder dan een alarmschijf geraakte ze er niet mee.  Tien jaar later was het de beurt aan de dames All Saints. Zij koppelden het liedje aan Under the bridge van The Red Hot Chili Peppers. Voor hen werd het hun tweede nummer 1-hit in Engeland. Cinefielen zullen zich misschien nog herinneren dat toen “Moulin Rouge” in 2001 in de bioscoop opdook er ook een versie van Lady Marmalade was te horen, gezongen door Christina Aguilera, Lil’ Kim, Mya en Pink. Die versie staat in 2001 wekenlang op nummer 1 in Billboard’s Hot One Hundred en is qua verkoopcijfers een nog grotere hit dan die van LaBelle. Door regisseur Paul Hunter werd een sexy videoclip gemaakt waarin de dames in lingerie mochten aantreden, goed voor de MTV Video Music Award van dat jaar. Wie liever een wat aparte versie hoort, kan terecht bij Max Raabe und der Palast Orchester die er een jarentwintigversie van maakten.

In de lente van 1986 scoort Patti Labelle in Amerika een nummer 1 met On my own dat ze voor die gelegenheid in duet zingt met Michael McDonald.

Bob Crewe overlijdt de 11de september 2014.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Verloren hart, verloren droom

Johnny White werd de 13de juni 1946 als Johnny Wittevrouw in Scherpenheuvel geboren. Het was in Brussel dat hij een kappersopleiding genoot, maar dit beroep heeft hij nooit uitgeoefend, want meteen na het behalen van zijn diploma maakt hij z’n debuut in de showbizz! Net zoals zovele Vlaamse zangers die in de jaren zestig met hun zangcarrière begonnen, heeft Johnny erg veel te danken aan de VRT en vooral aan de liedjeswedstrijd “Canzonissima” waar hij al in 1966 voor de camera’s  stond. Louis Neefs won toen met Ik heb zorgen. Dat was ook die aflevering dat Ronny Temmer opviel met De ranke roos. Johnny zong toen Waar ben jij. Tijdens die periode moest Johnny naar het leger en kwam terecht bij de 15de Wings van de luchtmacht in Melsbroek. Hij richtte toen zijn orkest The Wings op. Robert Bylois wordt iets nadien zijn impresario en op die manier wordt Johnny de collega van Salvatore Adamo en Ann Christy. Hij krijgt dankzij Bylois optredens in Portugal, Frankrijk en Zwitserland aangeboden. Over Bylois had Johnny achteraf niets dan lof: “Ik heb lang met Robert gewerkt. Die man stak met kop en schouders boven de managers van vandaag uit. Ook letterlijk was hij een imposante verschijning. Wanneer hij ergens binnenkwam, waren de onderhandelingen bij wijze van spreken al beklonken.”

In 1969 staat Johnny opnieuw voor de tv-camera’s, deze keer  samen met Samantha, Josiane Janvier, Ronny Temmer en Herman Elegast tijdens de Europabeker voor zangvoordracht in Knokke onder aanvoering van ploegleider Anton Peeters. Hij schittert tijdens dat festival naast internationale vedetten als de Britse zangeres Julie Rogers en de Franse ster Michèle Torr. Datzelfde jaar krijgt hij de prijs van het publiek  tijdens het “Festival de la chanson Française” in Spa uitgereikt en  de persprijs tijdens het “Festival van Palma de Mallorca”. Johnny duikt ook voor de eerste maal op in de BRT Top 30. De 11de november 1969 staat hij op nummer 12 met de op het Decca-label uitgebrachte single Weisse Perlen. Het was Al Van Dam die hem bij Decca had binnengeloodst.

Eveneens een groot succes wordt  Quand on est amoureux. Daarmee had Johnny White, die toen in Brussel woonde, meegedaan aan de voorronden van het Eurovisiesongfestival georganiseerd door onze Waalse collega’s van de RTBF, maar Jean Vallée werd de uiteindelijke winnaar met Viens l’oublier. Net zoals Weisse Perlen was Quand on est amoureux  een compositie van  Peter Laine die ook tekent voor de daaropvolgende hitsingle Verloren hart, verloren droom. Peter Laine schreef dit nummer op tekst van Ke Riema in zijn villa in ‘s-Gravenwezel, speciaal met het oog op Johnny’s  Canzonissima-deelname in 1971. Dat jaar wonnen Nicole en Hugo met Goeie morgen, morgen, eindigde Ann Christy op de tweede plaats met Dag vreemde man en werd Johnny White derde.

Die editie van toen is Johnny altijd bijgebleven. Aan auteur Manu Adriaens vertelde hij daarover: “De pers klopte die wedstrijd flink op. En wanneer er geen nieuws te melden viel, zetten de impresario’s wel een kunstmatige rel in elkaar. Milo de Coster en Louis Van Rijmenant gingen in de bar van het Amerikaans Theater met elkaar op de vuist. Grote foto’s op de voorpagina en iedereen wist weer waarover gepraat. Maar achter de schermen waren we allemaal dikke vrienden. We deden ons werk met hart en ziel, maar we lachten veel meer dan de huidige lichting artiesten. Iedereen vierde feest en leefde mee met iedereen.”

Nadat Verloren hart verloren droom maandenlang in competitie bleef tijdens de dichtbekeken liedjeswedstrijd “Canzonissima”, kon het niet uitblijven of het liedje zou op single op het Decca-label worden uitgebracht. In de Vlaamse Top 10 staat White de 20ste maart 1971 op de negende plaats.  Het liedje ligt Johnny zo  na aan het hart dat hij het in 2001 zelfs van een nieuwe versie voorzag! Het ging Johnny in die periode zo goed voor de wind dat hij er op een bepaald moment zelfs twee orkesten op na hield en  op tournee ging met wereldsterren als Gilbert Bécaud en Shirley Bassey.

In 2003 werd Verloren hart,verloren droom voor eeuwig opgenomen in de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam for Culture. De 13de januari 2014 overleed Johnny te Aalst. De 3de mei 2015 kreeg hij een postume award tijdens de elfde editie van de Golden Lifetime Awards te Aarschot.

Van Verloren hart, verloren droom zullen er in de loop der jaren diverse covers worden uitgebracht, onder anderen door Udo en door Helmut Lotti die het vertaalt als Without your love.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Venus (Shocking Blue)

In 1967 richtte Robbie van Leeuwen de groep Shocking Blue op. Robbie had tot in 1967 bij The Motions gezeten en wist hoe je hits moest maken. Songs als Wasted words en Why don’t you take it hadden de top drie gehaald, maar Robbie was op zoek naar een internationaal geluid en hij dacht met Shocking Blue grotere slaagkansen te hebben. Robbie ging op zoek in Den Haag naar geschikte muzikanten. Barry Hay maakte een kans, maar die zag het uiteindelijk niet zitten. Het is Fred de Wilde die op het eerste album van Shocking Blue als zanger te horen is. “Shocking Blue” is de titel van die elpee, uitgebracht op het Polydor-label met daarop songs als BeggarmanLove is in the air en Little Maggie. Die elpee scoort matig. Fred moet in militaire dienst en wordt vervangen door zangeres Mariska Veres die Robbie in het najaar van 1968 ontdekt had. Mariska was de dochter van de Hongaarse violist en dirigent Lajos Veres. Zij had, toen zij Robbie ontmoette, al aardig wat ervaring opgedaan bij groepen als Les Mystères, The Bumble Bees, The Blue Fighters, Danny and his Favourites en The Motowns.

In de nieuwe bezetting neemt Shocking Blue in 1969 voor het Pink Elephant-label hun tweede  elpee “At home” op met daarop de stem van Mariska Veres, bassist Klaasje van der Wal en drummer Cor van der Beek en songs als Love Machine en Love Buzz.  Dat nummer zal in 1988 de debuutsingle worden voor de groep Nirvana. Opgelet, op die eerste elpeepersing van “At home” is van het nummer Venus geen sprake. Dat nummer wordt er bij latere releases wel aan toegevoegd. Venus wordt dus de eerste grote hit voor Shocking Blue, de 12de juli 1969 in Nederland op single uitgebracht, maar het wordt in hun thuisland geen nummer één, een derde plek is voor de Nederlanders als beloning ruim voldoende.  Het wordt wel een gigantisch succes in Amerika, net als in veel andere landen. Robbie had de rechten op het gebruik in de Verenigde Staten verkocht aan Jerry Ross, eigenaar van het platenlabel Colossus Records. Die voelde dat er in Nederland goede muziek werd gemaakt en dat er wel ruimte was voor een soort “Dutch wave” met hits in de States als Little green bag van The George Baker Selection en Ma belle amie van The Tee Set. Robbie bleef volgens het contract wel de rechten op de royalty’s behouden. In Amerika duikt Venus de 13de december op single Billboard’s Hot One Hundred binnen en staat een tijdje later op één. Het jaar nadien zullen daar singles als Mighty Joe en Long and Lonesome road nog bescheiden scoren.

Jongens met goede oren kwamen er jaren later achter dat Venus iets te opvallend op The Banjo song uit 1963 van The Big Three leek. Zangeres van de groep was Mama Cass die later in The Mamas and The Papas zou opduiken. Het liedje werd geschreven door een ander lid van de groep, singer-songwriter Tim Rose die de tekst letterlijk leende van Oh Suzanna dat in 1848 al door Stephen Foster was geschreven. Robbie van Leeuwen had er achteraf geen probleem mee te moeten toegeven dat hij het liedje The Banjo song kende en zich daardoor duidelijk had laten inspireren. Bluesliedjes lijken nu eenmaal vaak op mekaar. Sommigen beweren dat naast The banjo song de openingsriff van Venus geleend is van Pinball Wizard van The Who. Nu was Robbie wel iemand die vaker intro’s voor zijn liedjes bij anderen ging lenen: Blossom lady lijkt op Runaway van Del Shannon en Mighty Joe op The price of love van The Everly Brothers. Niemand die er erg in had, maar in de eerste regel van Venus staat er een taalfout. “A godness on a mountain top”, maar in correct Engels moet dat zijn ” a goddess on a mountain top”. Bananarama bijvoorbeeld zal dat nadien in hun latere versie wel juist zingen. Op die eerste singleversie zien we ook dat de groep nog wordt vermeld als The Shocking Blue, snel nadien wordt the weggelaten.

Naar aanleiding van dit succes in het buitenland werden in 1970 de bandleden benoemd tot ereburgers van de stad Den Haag. Het jaar daarop stonden ze op het podium van Pinkpop te spelen en dat zeer tegen de zin van een pak bezoekers die vonden dat Pinkpop veel progressievere muziek verdiende. Shocking Blue werd dan ook letterlijk van het podium gejouwd.

In 1973 krijgt Robbie geelzucht en trekt zich als actief lid terug. Martin van Wijk neemt zijn plaats op het podium in. Mariska is op zeker moment het wangedrag van sommige bandleden meer dan zat en stapt uit de groep. De eerste juni 1974 besluit Shocking Blue ermee op te houden, maar zij werken hun platencontract nog verder af, wat resulteert in hun laatste single Gonna sing my song. Een tijdje later zien we Mariska heel even opduiken in de nieuwe studiogroep van Robbie van Leeuwen, Mistral, die een tweetal hits scoren Jamie en Starship 109 (Mariska is niet te horen tijdens deze opnames).

In 1979 komt Shocking Blue even opnieuw samen, maar één single later is het alweer afgelopen en sterft de groep opnieuw een langzame dood. In 1986 is het opnieuw raak voor Venus, deze keer in de versie van de Engelse meidengroep Bananarama, in een productie van Stock, Aitken en Waterman. Ook deze versie geraakt op nummer 1 in de States. Nadien kon Robbie van Leeuwen zich terugtrekken in Luxemburg om daar te rentenieren en in zijn vrije tijd te vissen.

Na haar avontuur bij Shocking Blue gaat Mariska verder met de groep Veres en nadien met The Shocking Jazz Quintet.  In 1993 besluit Mariska met enkele muzikanten en met de goedkeuring van Robbie van Leeuwen als Shocking Blue te gaan optreden, zij is dan het enige originele lid. De 2de december 2006 overlijdt Mariska aan de gevolgen van kanker, Shocking Blue behoort van dan af definitief tot het hitverleden.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Hello Mary Lou

Het zal je maar overkomen met één single twee hits scoren, twee muzikale vliegen in één klap. Dat overkwam Ricky Nelson toen hij in 1961 een single uitbracht met op de ene kant Travelin’ man en op de andere Hello Mary Lou. Wij menen nog altijd dat Hello Mary Lou in de States de grootste hit van beide werd, maar dat is fout. Dat misverstand is gerezen omdat Travelin’ man bij ons géén hit werd, maar Hello Mary Lou in de maand juni van 1961 een regelrechte nummer één in onze Belgische hitlijsten. In Amerika daarentegen steeg Hello Mary Lou naar de negende plaats en was het met Travelin’ man dat Ricky tot op de eerste plaats van de charts geraakte. Het juiste verhaal dringt zich op!

Ricky was erg verwend wat hits scoren betreft. Hij was nog maar zeventien toen hij met A teenager’s romance op de 2de plaats belandde in Billboard’s Hot One Hundred. De volgende single I’m walking deed het ook goed. Dan kende hij even een dipje om met singles als Stood up en Believe what you say sterk terug te keren. Het waren vooral rockabillysongs die het in het begin van zijn carrière goed deden. Zijn eerste nummer één Poor little fool ging al wat de andere kant uit, meer in de richting van de pop. Ook degelijke singles werden de songs Lonesome townIt’s late en Sweeter than you.Dan viel de hittrein even stil en geraakte hij niet hoger dan de 12de plaats. De rest viel ver buiten de top twintig.

Maar niet getreurd. In 1961 herpakte Ricky Nelson zich met de nummer 1-hit Travelin’ man,  geschreven door Jerry Fuller. Fuller was voordien een beetje succesvol geweest als zanger met als singles op het Challenge Records-label Betty my angel, Shy Away en een rockabillyversie van The Tennessee Waltz. Fuller schreef Travelin’ man toen hij in de buurt van het De Longpre Park in Hollywood in zijn auto op zijn vrouw zat te wachten. Dit park werd zo genoemd naar de Franse schilder Paul de Longpré die vaak in Amerika verbleef en in Los Angeles overleed. De Longpre Avenue werd ook naar hem genoemd. Jerry Fuller sloeg de maat van de melodie die hem te binnen schoot op het dashboard van zijn auto. Als invalshoek voor de tekst kiest hij voor de situatie waarin een matroos verkeert als hij de wereld rondvaart en in elke haven een liefje vindt. Eenmaal terug thuis, maakt Fuller de song verder af. Hij raadpleegt een atlas en beschrijft in zijn fantasie de diverse plaatsen die die matroos aandoet. Hij zoekt ook telkens per land het gepaste woord voor meisje op. In Duitsland is dat Fraulein, in Alaska cute little Eskimo en in Mexico señorita. Hij weet niet hoe ze op Hawaii een meisje noemen, dus heeft hij het over pretty Polynesian baby.

Fuller heeft de zwarte zanger Sam Cooke in zijn achterhoofd als hij het liedje schrijft. Samen met gitarist Glen Campbell neemt hij daarom een demoversie op en speelt dit door aan Cookes manager J.W.Alexander. Wanneer die de demo beluistert staat toevallig Joe Osborn in zijn buurt, de bassist van Ricky Nelson. Hij merkt dat Alexander de song niet geschikt vindt voor Sam en heeft er geen bezwaar tegen de demo van Travelin’ man aan Joe te over te laten die het snel doorspeelt aan Ricky die er meteen tuk op is. Begin 1961 trekt Nelson naar de studio om het nummer in te blikken. Hij fungeert zelf als producer zoals sommige bronnen vermelden, andere tippen op Joe Johnson die in Nashville een eigen studio en platenmaatschappij had, Star Record Company en Challenge Records. Als B-kant kiest Nelson voor Hello Mary Lou van de Amerikaanse singer-songwriter Gene Pitney. Gene had het iets eerder zelf op plaat gezet, maar zonder succes. Normaal gebruikte Nelson tijdens zijn opnamen The Jordanaires als backingstemmen, maar omdat de stemmen van Jerry Fuller, Glen Campbell en Dave Burgess op de demo zo goed klinken, haalt hij hen er in de studio ook bij.

De 24ste april 1961 wordt Travelin’ man op het Imperial-label op single uitgebracht. Het is geen gemakkelijke klus voor Ricky om door te stoten naar de top van de Amerikaanse charts, want Ernie K-Doe staat bovenin met Mother-in-LawHij zingt Travelin’ Man  op het einde van “The Adventures of Ozzie and Harriet”, een tv-show van de ouders van Ricky Nelson waarin hij reeds als kind optrad. En dan komt er plots schot in. De 29ste mei lukt het Ricky dan toch om bovenaan te geraken. Hij houdt het daar twee weken vol, maar dan staat Roy Orbison met Running Scared te dringen om die polepositie in te palmen. De eerste juli van 1961 is Engeland aan de beurt. Hier zit er voor Ricky en zijn dubbelzijdige hitsingle een tweede plaats in. Een week later staat hij met beide songs op de eerste plaats in de Nederlandse Top 40. Je mag dus stellen dat zowel Travelin’ man als Hello Mary Lou echte wereldhits zijn geworden.

Hello Mary Lou en Travelin’ man staan ook op de elpee “Rick is 21″ die in de maand mei van 1961 op het Imperial-label verschijnt. De firma heeft beslist Nelson iets meer als een volwassen jongen in de markt te zetten en verkoopt hem voortaan als Rick Nelson.

Jerry Fuller, de componist dus van Travelin’ man, zal in het totaal 23 liedjes voor Ricky Nelson schrijven waaronder de hits: A wonder like youYoung world en It’s up to you. In de loop van de jaren zestig komt Fuller bij Columbia Records terecht waar hij Gary Puckett & The Union Gap ontdekt en speciaal voor hen de hits Lady Willpower en Young Girl neerpent.

Eind 1962 komt er een einde aan de platendeal van Ricky Nelson met Imperial Records. Hij sluit een zeer lucratieve deal met Decca Records, eigendom van MCA, waarvoor hij een miljoen dollar mag opstrijken. Jammer voor Decca, maar voor hen zal hij aanvankelijk slechts twee grote hits scoren Fools rush in en For You. Vanaf het einde van de  jaren zestig treedt Rick op samen met The Stone Canyon Band. Intussen heeft het publiek hem de rug toegekeerd, een frustratie die hij afreageert in het nummer Garden Party dat vreemd genoeg in 1972 op het MVCA-label een toptienhit wordt. De 31ste december 1985 komt Nelson om bij een vliegtuigongeval. Hij is dan 45.

In 1982 zou Travelin’ Man nog eens een grote hit worden in de coverversie van countryzanger Jacky Ward.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Travelin’ man

Het zal je maar overkomen met één single twee hits scoren, twee muzikale vliegen in één klap. Dat overkwam Ricky Nelson toen hij in 1961 een single uitbracht met op de ene kant Travelin’ man en op de andere Hello Mary Lou. Wij menen nog altijd dat Hello Mary Lou in de States de grootste hit van beide werd, maar dat is fout. Dat misverstand is gerezen omdat Travelin’ man bij ons géén hit werd, maar Hello Mary Lou in de maand juni van 1961 een regelrechte nummer één in onze Belgische hitlijsten. In Amerika daarentegen steeg Hello Mary Lou naar de negende plaats en was het met Travelin’ man dat Ricky tot op de eerste plaats van de charts geraakte. Het juiste verhaal dringt zich op!

Ricky was erg verwend wat hits scoren betreft. Hij was nog maar zeventien toen hij met A teenager’s romance op de 2de plaats belandde in Billboard’s Hot One Hundred. De volgende single I’m walking deed het ook goed. Dan kende hij even een dipje om met singles als Stood up en Believe what you say sterk terug te keren. Het waren vooral rockabillysongs die het in het begin van zijn carrière goed deden. Zijn eerste nummer één Poor little fool ging al wat de andere kant uit, meer in de richting van de pop. Ook degelijke singles werden de songs Lonesome townIt’s late en Sweeter than you.Dan viel de hittrein even stil en geraakte hij niet hoger dan de 12de plaats. De rest viel ver buiten de top twintig.

Maar niet getreurd. In 1961 herpakte Ricky Nelson zich met de nummer 1-hit Travelin’ man,  geschreven door Jerry Fuller. Fuller was voordien een beetje succesvol geweest als zanger met als singles op het Challenge Records-label Betty my angel, Shy Away en een rockabillyversie van The Tennessee Waltz. Fuller schreef Travelin’ man toen hij in de buurt van het De Longpre Park in Hollywood in zijn auto op zijn vrouw zat te wachten. Dit park werd zo genoemd naar de Franse schilder Paul de Longpré die vaak in Amerika verbleef en in Los Angeles overleed. De Longpre Avenue werd ook naar hem genoemd. Jerry Fuller sloeg de maat van de melodie die hem te binnen schoot op het dashboard van zijn auto. Als invalshoek voor de tekst kiest hij voor de situatie waarin een matroos verkeert als hij de wereld rondvaart en in elke haven een liefje vindt. Eenmaal terug thuis, maakt Fuller de song verder af. Hij raadpleegt een atlas en beschrijft in zijn fantasie de diverse plaatsen die die matroos aandoet. Hij zoekt ook telkens per land het gepaste woord voor meisje op. In Duitsland is dat Fraulein, in Alaska cute little Eskimo en in Mexico señorita. Hij weet niet hoe ze op Hawaii een meisje noemen, dus heeft hij het over pretty Polynesian baby.

Fuller heeft de zwarte zanger Sam Cooke in zijn achterhoofd als hij het liedje schrijft. Samen met gitarist Glen Campbell neemt hij daarom een demoversie op en speelt dit door aan Cookes manager J.W.Alexander. Wanneer die de demo beluistert staat toevallig Joe Osborn in zijn buurt, de bassist van Ricky Nelson. Hij merkt dat Alexander de song niet geschikt vindt voor Sam en heeft er geen bezwaar tegen de demo van Travelin’ man aan Joe te over te laten die het snel doorspeelt aan Ricky die er meteen tuk op is. Begin 1961 trekt Nelson naar de studio om het nummer in te blikken. Hij fungeert zelf als producer zoals sommige bronnen vermelden, andere tippen op Joe Johnson die in Nashville een eigen studio en platenmaatschappij had, Star Record Company en Challenge Records. Als B-kant kiest Nelson voor Hello Mary Lou van de Amerikaanse singer-songwriter Gene Pitney. Gene had het iets eerder zelf op plaat gezet, maar zonder succes. Normaal gebruikte Nelson tijdens zijn opnamen The Jordanaires als backingstemmen, maar omdat de stemmen van Jerry Fuller, Glen Campbell en Dave Burgess op de demo zo goed klinken, haalt hij hen er in de studio ook bij.

De 24ste april 1961 wordt Travelin’ man op het Imperial-label op single uitgebracht. Het is geen gemakkelijke klus voor Ricky om door te stoten naar de top van de Amerikaanse charts, want Ernie K-Doe staat bovenin met Mother-in-LawHij zingt Travelin’ Man  op het einde van “The Adventures of Ozzie and Harriet”, een tv-show van de ouders van Ricky Nelson waarin hij reeds als kind optrad. En dan komt er plots schot in. De 29ste mei lukt het Ricky dan toch om bovenaan te geraken. Hij houdt het daar twee weken vol, maar dan staat Roy Orbison met Running Scared te dringen om die polepositie in te palmen. De eerste juli van 1961 is Engeland aan de beurt. Hier zit er voor Ricky en zijn dubbelzijdige hitsingle een tweede plaats in. Een week later staat hij met beide songs op de eerste plaats in de Nederlandse Top 40. Je mag dus stellen dat zowel Travelin’ man als Hello Mary Lou echte wereldhits zijn geworden.

Hello Mary Lou en Travelin’ man staan ook op de elpee “Rick is 21″ die in de maand mei van 1961 op het Imperial-label verschijnt. De firma heeft beslist Nelson iets meer als een volwassen jongen in de markt te zetten en verkoopt hem voortaan als Rick Nelson.

Jerry Fuller, de componist dus van Travelin’ man, zal in het totaal 23 liedjes voor Ricky Nelson schrijven waaronder de hits: A wonder like youYoung world en It’s up to you. In de loop van de jaren zestig komt Fuller bij Columbia Records terecht waar hij Gary Puckett & The Union Gap ontdekt en speciaal voor hen de hits Lady Willpower en Young Girl neerpent.

Eind 1962 komt er een einde aan de platendeal van Ricky Nelson met Imperial Records. Hij sluit een zeer lucratieve deal met Decca Records, eigendom van MCA, waarvoor hij een miljoen dollar mag opstrijken. Jammer voor Decca, maar voor hen zal hij aanvankelijk slechts twee grote hits scoren Fools rush in en For You. Vanaf het einde van de jaren zestig treedt Rick op samen met The Stone Canyon Band. Intussen heeft het publiek hem de rug toegekeerd, een frustratie die hij afreageert in het nummer Garden Party dat vreemd genoeg in 1972 op het MCA-label een toptienhit wordt. De 31ste december 1985 komt Nelson om bij een vliegtuigongeval. Hij is dan 45.

In 1982 zou Travelin’ Man nog eens een grote hit worden in de coverversie van countryzanger Jacky Ward.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Torna a Surriento

( foto Marc Brillouet voor ‘t standbeeld van de Curtis in Sorrento)

Dit lied werd in de jaren 60 als Surrender wereldberoemd gemaakt door Elvis Presley. Doc Pomus en Mort Shuman hadden een nieuwe tekst geschreven op de Napolitaanse klassieker Torna a Surriento van Ernesto de Curtis. Het lied was eerder dan Surrender al opgenomen als Come Back to Sorrento in 1951 door Toni Arden en in 1952 door Dean Martin.

De 30ste oktober 1960 neemt Elvis Surrender op in de RCA “Studio B” in Nashville samen met The Jordanaires. Zij blikken het in samen met He knows just what I need en Mansion over the hilltop. De opname heeft plaats met producer Steve Sholes en technicus Bill Porter. Voorts krijgt Presley de muzikale steun van Scotty Moore, D.J. Fontana, Buddy Harman, Hank Garland, Bob Moore, Floyd Cramer en Boots Randolph. Zij blikken in tussen tien uur ‘s avonds en een uur ‘s ochtends. De entourage van Elvis had hem vooraf verwittigd dat hij vocaal aan een moeilijke kluif begon. Hij had zijn belcantotalent al laten horen in It’s now or never, maar dit was toch van een ander kaliber. Tijdens de eerste twee takes houdt hij zich nog wat in. Hij laat de band eerst wat gewoon worden aan het arrangement. Vergeten we niet dat in die tijd alles zo goed als live werd opgenomen. Bij de vierde take heeft het orkest de perfecte intro gevonden en het juiste ritme, maar voor Elvis is het niet oké.

Presley heeft het wat moeilijk met de hoge noten. De baszanger van The Jordanaires, Ray Walker, neemt Elvis even apart. Ze trekken naar de meest rustige plaats in het gebouw dat de badkamer blijkt te zijn. Daar leert Ray, Elvis de komende minuten hoe hij precies moet ademen om die hoge noten te kunnen zingen. “Je moet net doen alsof je moet overgeven, op die manier moet je ademhalen” gaf Ray als tip mee. Terug in de studio heeft The King nog een poging of acht nodig om op het einde van Surrender majestueus uit te halen. Die geslaagde opname wordt aan de eerder goedgekeurde vierde take toegevoegd.

In amper vijf weken tijd geraakt Elvis tot op 1 van Billboard’s Hot One Hundred. Elvis gaf met deze song en It’s now or never toe dat hij altijd al graag platen had opgenomen en gezongen in de stijl van zijn idool Mario Lanza. Presleys uptempo ritme  gaf aan het geheel een eigentijdse draai zodat de plaat zowel bij een jong als een ouder publiek in de smaak viel. We moeten meegeven dat Surrender slechts 1 minuut en 51 seconden duurt en daarmee de bijna kortste Amerikaanse nummer 1-hit ooit is. Die eer gaat naar Stay van Maurice Williams and The Zodiacs dat amper 1 minuut en 36 seconden duurt. Elvis zal met Surrender van de eerste plaats worden geduwd door The Marcels en Blue Moon. In het totaal worden er van Surrender meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht.

Torna a Surriento nu werd al in 1903 gecomponeerd door Ernesto de Curtis, toen 27 jaar jong en bezig aan de opmars van wat je zou kunnen noemen een behoorlijk succesvolle carrière. Ook al is Torna a Surriento een echt liefdeslied, toch doet het verhaal nog steeds de ronde dat de Curtis dit liedje componeerde om de toenmalige eerste minister, Giuseppe Zanardelli, ertoe aan te zetten meer financiële steun toe te zeggen aan de stad Sorrento.

Sorrento is daarom zijn beroemdste burger nooit vergeten, want aan de voet van het plaatselijk station “Circumvesuviana” in het centrum van de stad, vindt u een borstbeeld van de Curtis. Iets verderop ziet u in het “Grand Hotel Excelsior Vittoria” een gedenkbord ter ere van de beroemde tenor Enrico Caruso die vanop het terras van dit hotel met uitzicht op de Baai van Napels, ooit Torna a Surriento zong, iets wat Luciano Pavarotti nadien op die plaats nog eens heeft overgedaan. Het was naar het schijnt Enrico Caruso die voor RCA VICTOR de eerste versie van Torna a Surrniento op plaat zette en wel in 1911 al blijkt dat volgens officiële bronnen onjuist te zijn. Het standaardwerk “Caruso records: a history and discography” van John R. Bolig maakt nergens melding van deze opname.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Surrender

Dit lied werd in de jaren 60 als Surrender wereldberoemd gemaakt door Elvis Presley. Doc Pomus en Mort Shuman hadden een nieuwe tekst geschreven op de Napolitaanse klassieker Torna a Surriento van Ernesto de Curtis. Het lied was eerder dan Surrender al opgenomen als Come Back to Sorrento in 1951 door Toni Arden en in 1952 door Dean Martin.

De 30ste oktober 1960 neemt Elvis Surrender op in de RCA “Studio B” in Nashville samen met The Jordanaires. Zij blikken het in samen met He knows just what I need en Mansion over the hilltop. De opname heeft plaats met producer Steve Sholes en technicus Bill Porter. Voorts krijgt Presley de muzikale steun van Scotty Moore, D.J. Fontana, Buddy Harman, Hank Garland, Bob Moore, Floyd Cramer en Boots Randolph. Zij blikken in tussen tien uur ‘s avonds en een uur ‘s ochtends. De entourage van Elvis had hem vooraf verwittigd dat hij vocaal aan een moeilijke kluif begon. Hij had zijn belcantotalent al laten horen in It’s now or never, maar dit was toch van een ander kaliber. Tijdens de eerste twee takes houdt hij zich nog wat in. Hij laat de band eerst wat gewoon worden aan het arrangement. Vergeten we niet dat in die tijd alles zo goed als live werd opgenomen. Bij de vierde take heeft het orkest de perfecte intro gevonden en het juiste ritme, maar voor Elvis is het niet oké.

Presley heeft het wat moeilijk met de hoge noten. De baszanger van The Jordanaires, Ray Walker, neemt Elvis even apart. Ze trekken naar de meest rustige plaats in het gebouw dat de badkamer blijkt te zijn. Daar leert Ray, Elvis de komende minuten hoe hij precies moet ademen om die hoge noten te kunnen zingen. “Je moet net doen alsof je moet overgeven, op die manier moet je ademhalen” gaf Ray als tip mee. Terug in de studio heeft The King nog een poging of acht nodig om op het einde van Surrender majestueus uit te halen. Die geslaagde opname wordt aan de eerder goedgekeurde vierde take toegevoegd.

In amper vijf weken tijd geraakt Elvis tot op 1 van Billboard’s Hot One Hundred. Elvis gaf met deze song en It’s now or never toe dat hij altijd al graag platen had opgenomen en gezongen in de stijl van zijn idool Mario Lanza. Presleys uptempo ritme  gaf aan het geheel een eigentijdse draai zodat de plaat zowel bij een jong als een ouder publiek in de smaak viel. We moeten meegeven dat Surrender slechts 1 minuut en 51 seconden duurt en daarmee de bijna kortste Amerikaanse nummer 1-hit ooit is. Die eer gaat naar Stay van Maurice Williams and The Zodiacs dat amper 1 minuut en 36 seconden duurt. Elvis zal met Surrender van de eerste plaats worden geduwd door The Marcels en Blue Moon. In het totaal worden er van Surrender meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht.

Torna a Surriento nu werd al in 1903 gecomponeerd door Ernesto de Curtis, toen 27 jaar jong en bezig aan de opmars van wat je zou kunnen noemen een behoorlijk succesvolle carrière. Ook al is Torna a Surriento een echt liefdeslied, toch doet het verhaal nog steeds de ronde dat de Curtis dit liedje componeerde om de toenmalige eerste minister, Giuseppe Zanardelli, ertoe aan te zetten meer financiële steun toe te zeggen aan de stad Sorrento.

( foto Marc Brillouet in Sorrento voor ‘t standbeeld van de Curtis) Sorrento is daarom zijn beroemdste burger nooit vergeten, want aan de voet van het plaatselijk station “Circumvesuviana” in het centrum van de stad, vindt u een borstbeeld van de Curtis. Iets verderop ziet u in het “Grand Hotel Excelsior Vittoria” een gedenkbord ter ere van de beroemde tenor Enrico Caruso die vanop het terras van dit hotel met uitzicht op de Baai van Napels, ooit Torna a Surriento zong, iets wat Luciano Pavarotti nadien op die plaats nog eens heeft overgedaan. Het was naar het schijnt Enrico Caruso die voor RCA VICTOR de eerste versie van Torna a Surrniento op plaat zette en wel in 1911 al blijkt dat volgens officiële bronnen onjuist te zijn. Het standaardwerk “Caruso records: a history and discography” van John R. Bolig maakt nergens melding van deze opname.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Soulsister

In de loop van 2016 was het feest ten huize van Soulsister. Het was precies dertig jaar geleden dat ze met hun debuutsingle You get to me op de proppen kwamen. Naar aanleiding daarvan plande Soulsister een jubileumtournee “30 jaar – 30 hits – 30 concerten” langs de Vlaamse schouwburgen en culturele centra, en dat in het gezelschap van Hervé Martens en Patrick Dorcean. De eerste oktober 2016 werd het startschot gegeven in “CC Zwaneberg” te Heist-op-den-Berg. Nadien trokken ze onder meer naar “Het Depot” te Leuven, “Het Kursaal” van Oostende en het “Cultureel Centrum” van Hasselt, om de drieëntwintigste december van dat jaar af te ronden in “De Roma” te Borgerhout. De achttiende juni verscheen naar aanleiding van hun jubileum een remix van The way to your heart van de hand van producer-dj Robert Falcon die, toen de hit uitkwam, niet eens geboren was, maar het nummer in de platencollectie van zijn vader vond en besloot deze megahit van Soulsister nieuw leven in te blazen. Hoogdringend tijd om het verhaal van Jan Leyers en Paul Michiels grondig uit de doeken te doen. Als aanloop naar het verhaal van Soulsister, in het kort de carrière van beide heren wat duiden.

Jan Leyers werd de zestiende mei 1958 te Wilrijk geboren. Hij behaalde in 1977 zijn kandidaatsdiploma in de filosofie aan de Universiteit van Antwerpen. In 1980 studeerde hij af als licentiaat filosofie aan de Rijksuniversiteit van Gent. In 1978 richtte hij samen met Hugo Matthysen, Bart Peeters en Marc Kruithof de groep Beri-Beri op. In 1984 ontmoet hij Paul Michiels en twee jaar later wordt Soulsister een feit. Daarnaast bouwde Jan door de jaren heen aan zijn solocarrière en scoorde hij met songs als Only your love will doDon’t make me miss you en The long road. Hij ging ook platen produceren voor onder anderen Clouseau en The Radios. Hij schreef daarnaast filmmuziek voor onder meer “Blueberry Hill” en de musical “Apocalypso”. We leerden Jan ook kennen als een gewaardeerd tv-presentator van programma’s als “Nachtwacht”, “De weg naar Mekka”, “De weg naar het Avondland” en “Zomergasten”, dat hij voor de VPRO presenteerde. Zijn meest recente tv-reeks is “Allah in Europa”, dat de 15de maart 2018 bij uitgeverij Das Mag in boekvorm verscheen.

Leyers begon te musiceren toen hij op zijn tiende de gitaar van zijn vader ontdekte. “Mijn vader speelde gitaar op een vrij eenvoudige manier, hij kende een akkoord of drie, maar hij kon ons daar een avond lang mee entertainen“, herinnert Jan zich nog. “Op tv zag ik op zekere dag Pete Seeger druk in de weer met dat instrument, intussen ‘We shall overcome’ en ‘Guantanamera’ zingen, en ik was gelijk verkocht. Wat me ook stimuleerde was een optreden dat ik bijwoonde toen ik tijdens een Flandria-boottocht een duo zag optreden, bestaande uit een accordeonist en een gitarist die op een elektrische gitaar speelde. Ik voelde me op dat moment net als apostel Paulus die van zijn paard werd gebliksemd. Die gitaar bleef door mijn hoofd spoken. Ik weet nog goed dat ik jarenlang in Antwerpen na schooltijd naar de muziekwinkels trok om me daar in de etalages te vergapen aan de schoonheid en aantrekkelijkheid van gitaren. Pas op mijn vijftiende had ik genoeg geld gespaard om me mijn eerste gitaar aan te schaffen.” In Antwerpen volgde Jan de afdeling Latijn-Grieks aan het jezuïetencollege. Hij voelde zich de koning te rijk toen ze daar tijdens hun opleiding muzikale vorming kregen; dat zat in het lespakket, notenleer incluis. “Mijn neef en ik, ik was toen een jaar of vijftien, trokken op zekere dag naar de muziekacademie om daar te gaan bijstuderen, maar dat trok ons niet aan. We waren te speels, zetten daar de boel op stelten en werden na een maand of drie vriendelijk verzocht het pand te verlaten en een andere hobby te kiezen.” Met zijn neef op gitaar en zijn broer op drums richtte Jan op zijn vijftiende al zijn eerste groepje op, Appalooza. Hun eerste optreden was voor de missienaaikring te Niel. Daar speelden ze de hits van de dag, maar ook hier en daar een eigen nummer. Bij Marcel Bossu gaat Jan in zijn vrije tijd gitaarles volgen, waar hij volgens eigen zeggen nadien veel aan gehad heeft. Hij is een jaar of achttien wanneer hij Marc Kruithof leert kennen, die goed bevriend was met Hugo Matthysen en Bart Peeters. In 1977 richten ze samen de eerdergenoemde groep Beri-Beri op. “We hebben die formatie jarenlang in stand gehouden, zijn erg vaak gaan optreden en voor mij was dat de beste leerschool die er bestond. We speelden allerlei stijlen: een soort balorkest, maar dan met een moderne, heel eigentijdse stijl.” Maar voor we verdergaan, moeten we duiden dat Jan sowieso muzikant wou worden na zijn middelbare studies, maar daarvoor kiezen was toen geen sinecure. Je kon toen het beroep muzikant niet voor zeker nemen, niet concreet invullen, dus trok Jan naar de universiteit. Hij koos wél voor een richting met het kleinste aantal lesuren per week en dat werd uiteindelijk de richting filosofie. Nog liever dat dan meteen te gaan werken.

Met Beri-Beri wilde Jan graag platen opnemen, maar het kwam er nooit van. Het was Bart Peeters die Jan erop wees dat hij eens contact moest zoeken met Paul Michiels omdat Bart aanvoelde dat het tussen hen wel zou klikken. Bart kende Paul goed omdat ze soms samen in de LSP-Band speelden.

Paul Michiels werd de vijftiende juni 1948 te Heist-op-den-Berg geboren. In 1964 richtte hij de groep Les Jeunes op met daarin gitarist en backing vocalist Carlo Wouters, basgitarist en backing vocalist Paul Yskout en drummer Jeff van der Heyden. Waarom Les Jeunes? Wel, Paul mikte ook op de Brusselse rand, onder meer Vilvoorde, Overijse, Halle, Schaarbeek enz. waar toen nog veel Frans werd gesproken. Het vreemde was dat ze, ondanks die naam, hoofdzakelijk Engelstalige liedjes speelden, de hits van The Beatles, The Rolling Stones, The Beach Boys, The Monkees … Ze schuimden in die tijd zowat alle kermissen en balzalen af. De groep hield stand tot in 1967. Dat jaar moet Paul zijn dienstplicht vervullen. Iets voordien trekt hij er nog even op uit. De 14de december 2016 lezen we daarover in “De Morgen”: ”Voor ik naar het leger moest, ben ik met mijn spaarcentjes naar Londen getrokken. Met het vliegtuig. Ik logeerde niet zo ver van de studio waar The Beatles Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band aan het opnemen waren. Ik was een echte Londense mod, die altijd piekfijn gekleed ging. Ik droeg zelfs een cape toen ik ronddwaalde in Carnaby Street en King’s Road. Ik voelde me een popster en wist: ik moet vertrekken, ik moet naar Amerika. Ik heb op het punt gestaan de boot naar Amerika te nemen, en heb er tot op de dag van vandaag spijt van dat ik niet durfde.”

In 1974 vinden we Paul als zanger terug bij de groep Octopus (oorspronkelijk opgericht in Diest als The Bats) met daarin onder anderen Robert Vlaeyen en Gerard Opdebeeck. Zij scoorden een aantal hits, waaronder I’m so in love with youCry en South of the border. Na Octopus brak voor Paul niet zo’n leuke periode aan. Aan journaliste Nele De Meyer van “De Morgen” vertelde Paul dat hij in een soort dip was beland.”Die jaren waren voor mij de minst interessante jaren, ja. Als ik die kon verzamelen en terugkrijgen, was ik nu iets jonger geweest (lacht). Ik zat vast in die periode, het ging me muzikaal niet zo goed af. Kwam daarbij de opkomst van de punk, dat ontmoedigde me helemaal. Ineens begon de jeugd wild in het rond te springen op de muziek van de Sex Pistols en nagels door hun neus te trekken. Ik had een hippiebaard en droeg bloemetjeshemden en cowboysjaaltjes. Hier sta ik dan met mijn liedjes, dacht ik.“Nadien gaat Paul in zijn eentje verder onder de naam P.P. Michiels en zet met het door hemzelf geschreven Females een klassieker neer. In 1984 ontmoet hij dus Jan Leyers en samen besluiten ze de groep Soulsister op te richten. Na hun split gaat Paul in zijn eentje verder en duikt regelmatig in de hitlijsten op met singles als Let me be turned to stone en Forever young. Hij leverde de jaren nadien ook felgesmaakte albums af zoals “Magic in the house”, “It’s a gas” en “A singer’s heart”. In 2006 ontving Paul tijdens “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam in het “Casino-Kursaal” van Oostende de award “Een leven vol muziek”. In 2016 doet Paul mee aan het tweede seizoen van “Liefde voor muziek” en covert daar onder meer 1000 keer van Dana Winner, Apassionata van Belle Perez en Let’s dance van David Bowie. De pers reageert: “Michiels haalt de rockgod in zich naar boven!”

Maar terug naar ons uitgangspunt, terug naar de dag dat Jan Leyers, anno 1984 moet dat geweest zijn, naar café “Het Pleintje” te Heist-op-den Berg trok (café van Pauls grootmoeder), waar Paul optrad. “Ik voelde een soort klik, alleen viel het me op dat Paul met zijn groep erg lange nummers speelde. Te veel Frank Zappa-achtig. Heel gecompliceerd. Ik vond dat Paul een echte popstem had, genre Steve Winwood en Joe Cocker, en dat sprak me wel aan. Ik zag in Paul meteen iemand met wie ik wou optreden, hij vocaal op de voorgrond. Na het optreden ging ik hem in de kleedkamers opzoeken, maar dat liep met een sisser af. Ik stelde namelijk voor om samen iets te proberen, waarop Paul me van onder tot boven bekeek als was ik een soort alien. Uit die blik kon ik afleiden dat hij mijn voorstel meteen afwees.” Paul pikt mijmerend in: “Ik was in die tijd aan het experimenteren en vond niet meteen mijn draai. Ik had na ‘Females’ nog een aantal dingen geschreven, maar het lukte niet echt. Ik hielp wat mee in het café. Daar stond een podium en als er groepen langskwamen, zong ik regelmatig met hen mee. En zo passeerde daar op zekere dag Jan Leyers. Ik zie hem nog voor me. Hij droeg een soort opa-jas en een brilmontuur à la Buddy Holly. Hij kwam iets te zelfverzekerd op me af met de vraag of we niet samen een groep konden beginnen. Dat vond ik op dat moment van het goede te veel.”

Een paar weken later ontmoet Jan Paul opnieuw tijdens een benefietconcert in Herentals. De organisator Bart Buls had aan Bart Peeters gevraagd of die daar niet wilde optreden, geflankeerd door enkele muzikanten. Het moest voor dat concert een soort gelegenheidsgroep worden. Jan stelt aan Paul voor samen Cathy’s clown van The Everly Brothers te zingen en na een paar maten voelen ze beiden gelijk aan dat het klikt. Zowel Jan als Paul zijn ervan overtuigd dat ze hier iets mee moeten doen, dat ze beiden samen verder moeten. Aan Gust De Coster vertelde Paul in diens boek “Wit-Lof from Belgium” over zijn ontmoeting met Jan het volgende: “Jan bleek dus uiteindelijk de langverwachte te zijn. Ik stond alleen op de wereld, wachtend op de komst van iemand met straffe songs en een dito stem. In het begin hield ik de boot af omdat hij er zo raar uitzag. Ik dacht: weer zo’n ventje. Maar iemand die te vertrouwen was, zei me dat Jan dat ook was. Vandaar dus toch! We zijn iets later gaan repeteren, ik heb zelfs nog een tijdje in Beri-Beri meegespeeld, want Marc Kruithof had afgehaakt, die ging in Amerika voortstuderen. Jan en ik begonnen in die periode al samen liedjes te schrijven. We hebben trouwens ook nog een tijdje meegezongen en gespeeld bij De Radio’s van Bart Peeters.

Het geluk komt nadien voor hen bij een ongeluk. In Herent was studio “Impuls” afgebrand en intussen opnieuw ingericht. De nieuwe studio moest worden uitgetest en technicus Werner Pensaert vraagt aan Jan of hij samen met Paul niet enkele liedjes wil komen inzingen – gratis uiteraard – om op die manier de mogelijkheden van de studio en de apparatuur wat uit te testen. “Ik had“, aldus Jan, “een liedje geschreven ‘You get to me’, Paul wou ‘Downtown’ inzingen plus een nummer dat hijzelf had geschreven. Ik stuur nadien die demo’s naar Guy Brulez van platenfirma EMI, die ons iets later op zijn kantoor uitnodigt. De nummers zag hij wel zitten, maar niet ons uiterlijk. Ons imago sprak hem niet aan. Veel woorden hebben we daar nadien niet aan verspild. Ik weet wél nog dat EMI veel geld aan de hoes van onze eerste single heeft besteed om er toch maar voor te zorgen dat we iets charisma uitstraalden.

En dan is het zover. Jan en Paul mogen in 1986 als The Soul Sisters hun eerste single opnemen, You get to me,met op de B-kant Stagefright dat Jan samen met Paul had geschreven. Zij nemen samen ook de productie voor hun rekening, daarbij geruggensteund door technicus Paul Rispens. Het nummer wordt geen hit, maar de heren mogen in de gespecialiseerde pers rekenen op positieve reacties en de single wordt meteen ook door alle radiozenders opgepikt. In de slipstream daarvan volgen in het najaar van 1986 optredens aan de strekkende meter. Nadien zijn er tussen 1987 en 1988 nog de singles Talk about it en Like a mountain, maar die veroorzaken geen waterschade in de hitlijsten. Integendeel, ze kabbelen rustig richting de plaat waarmee ze in 1988 gigantisch zouden doorbreken: The way to your heart. Dat nummer staat op de eerste studio-elpee van Soulsister. Ze brengen deze in 1988 uit onder de titel “It takes two”. Werner Pensaert staat letterlijk en figuurlijk aan de knoppen. Paul en Jan krijgen tijdens de opnamen de muzikale steun van onder anderen drummer Jan Cuyvers, basgitarist Marc Van Puyenbroeck, toetsenist Paul Poelmans en saxofonist Billy Overloop. Voor de backings zorgt Beverly Jo Scott. In het totaal twaalf songs. Gust De Coster was in die tijd vol lof over dat album: “Die plaat bevestigde de kwaliteiten van Zuster Soul: sterke melodieuze pop, knap gespeeld, zuiver geproduceerd en gelardeerd met prachtig meerstemmig werk, iets dat onmogelijk gedacht werd in ons land. Soulsister klonk vertrouwd in de oren –altijd meegenomen – maar had toch net dat tikkeltje anders, de gave om de juiste delicatessen uit de popgeschiedenis te plukken en er een originele fruitschaal mee samen te stellen.” Er wordt door Jan en Paul getwijfeld welke song de nieuwe single zal worden, maar voor EMI is er geen twijfel mogelijk: dat moet en zal The way to your heart worden. Als groepsnaam wordt gekozen voor Soulsister.

Over dat nummer weet Paul nog veel details te vertellen. “Jan woonde toen in de Heuvelstraat in Boechout op de bovenste verdieping van een herenhuis. Drie huizen verder woonde Jan Decleir en die stapte regelmatig bij ons binnen wanneer we boven op zolder aan het oefenen waren. Decleir wilde ons niet storen en deed altijd alsof hij er niet was, hij stelde zich wat verlegen op in de uiterste hoek van de kamer. Hij heeft eigenlijk de wording van ‘The way to your heart’ tot stand zien komen. Wanneer het nummer later een succes is geworden, pakte Decleir er op café graag mee uit dat hij erbij was toen Jan en ik dat nummer aan het schrijven en aan het instuderen waren.” Jan en Paul weten beiden nog goed dat aan de basis van het nummer hun liefde voor de Motown Sound lag. Dat geluid was in de jaren zestig baanbrekend geweest voor de zwarte muziek en artiesten als Diana Ross, The Four Tops, Marvin Gaye, Stevie Wonder enzovoort. “Ik zat“, vertelt Jan enthousiast, “in de auto tussen Boechout en Hove. Ik heb dat dan samen met Paul aan de piano verder uitgewerkt. Hij kwam zo’n drie keer in de week naar me thuis om daar aan nummers te schrijven. Ik had heel snel het begin, maar de rest, zeker het refrein, dat was zwoegen, en dan de derde strofe. De inspiratie wou maar niet komen. Met de steun van een ritmebox hebben we een demo opgenomen. En ik moet eerlijk zeggen, die klonk niet onaardig. Dat zat al vrij goed.” De band die hen in die periode begeleidde, zag het nummer eerst niet zitten, ze geloofden er niet in. De vrouw van Jan zag het ook al niet zitten, ze vond het nummer maar ouderwetse brol. “We hebben de plaat dan toch opgenomen“,weten Jan en Paul nog, “en een videoclip ingeblikt. Het zijn de Walen die het als eersten hebben opgepikt. We gaven een promotieoptreden in Luik voor de RTBF. En van dan af ging het snel. De weken nadien dook het nummer in zowat alle programma’s op, ook in Vlaanderen. We hadden snel een gouden plaat te pakken.” Uitgebracht op het Parlophone-label staat The way to your heart de eenendertigste december 1988 op de derde plaats in de Ultratop. Detail: de single werd zonder B-kant uitgebracht. De plaat kostte in de handel dan ook de helft van de normale prijs. Je betaalde toen vijfenveertig oude Belgische franken in plaats van negentig. In de zomer van 1989 krijgt Soulsister voor The way to your heart in Blankenberge tijdens “Zomerhit” van Radio 2 de trofee van Beste Belgische Productie.

Ook internationaal sloeg de plaat enorm aan. “Als ik ‘s morgens opstond, kreeg ik telefoon uit Italië, tegen de middag uit Frankrijk en tegen de avond uit Finland. Het album kwam uit in oktober, samen met de single, en in het buitenland in de maand januari van 1989. We speelden op de openingsshow bij de start van VTM en meteen nadien zijn we doorgereden naar München. We vonden dat geweldig. Ik heb die agenda van 1989 bewaard en als ik die bekijk, dan geloof ik mijn eigen ogen niet. De ene dag zaten we in Praag, dan vertrokken we meteen nadien richting Bari en ga zo maar verder. Ik overdrijf niet, maar ik denk dat ik dat jaar geen vijf dagen thuis ben geweest.” Terwijl Jan dit vertelt, geniet hij duidelijk nog na. In Nederland belandt The way to your heart in de Top 40 op de zevende plaats. Qua verkoopcijfers blijven Jan en Paul vrij nuchter en schatten dat er van de single wereldwijd zo’n zevenhonderdduizend exemplaren werden verkocht. Het werd een topdriehit in Duitsland, een hit in Zwitserland, Oostenrijk, Spanje en zelfs in Chili. Het geld kwam vlot binnen en daar heeft Paul tijdens onze babbel meteen dit antwoord voor klaar: “Als je geld verdient, moet je een goede bankier en boekhouder hebben die je tips geven hoe daarmee om te springen. Ik weet nog goed dat ik er toen een huis mee heb gebouwd. Het was plezant om te merken dat na een periode van veel en vaak wikken en wegen, lang oefenen en zoeken naar de juiste song, die er ook plotseling was. Als dat dan nog eens met geld wordt beloond, is dat meer dan welkom.”

Het lag voor de hand dat dat succes ook vertaald werd in optredens in het buitenland. Aan journalist Sander Carollo vertelde Jan daarover: “Dat gevoel was fantastisch, tegelijk betaal je ook leergeld. We wisten niet meteen hoe we dat moesten aanpakken. Er zijn ook ongelofelijke, rare dingen gebeurd. In Frankrijk stond ’The way to your heart’al twaalf weken op nummer één in de airplaychart, we waren al twaalf weken de meest gedraaide plaat in dat land. Maar die single lag in geen enkele winkel. Ik wil uit die periode vooral de fun onthouden, dat wat zich niet in biostats laat vatten. De fun zat hem niet in een gouden plaat, maar in een nachtelijke busrit van Parijs naar Bordeaux, toen we in het midden van de nacht zonder benzine vielenNiet te beschrijven.”

Ook in Amerika hebben ze oren naar The way to your heart. In 1989 treden Jan en Paul op tijdens de jaarlijkse conventie van hun platenfirma EMI International. Daar ontmoetten ze Michael Lang, die iets later ook hun manager zal worden. Lang had zijn sporen voordien al verdiend als organisator van Woodstock en was tevens manager van Joe Cocker. Die ontmoeting bleef niet onopgemerkt. “Op zekere dag kregen we telefoon uit Amerika. We waren net aan het optreden in Roeselare samen met Clouseau toen we het nieuws ontvingen dat ze onze single gingen uitbrengen. Een jaar na België hebben ze het daar de drieëntwintigste september 1989 uitgebracht op het EMI-label. We geraakten er tot op de eenenveertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Tijdens de maand november zijn we naar de States gevlogen voor promo: interviews op radio en televisie. Dat was best vermoeiend, want we regen zo tien dagen aan elkaar, zonder veel adempauze. Wat we achteraf overdreven vonden, was dat we in de pers lazen dat we Amerika wilden veroveren. Maar dat klopt niet, dat succes was leuk meegenomen, maar daar zat geen masterplan achter. Trouwens, ‘The way to your heart’ was zo’n overrompelend succes in Europa dat we daar een tournee door de States niet eens mee hadden kunnen combineren“, dixit Soulsister. Het verhaal wil dat ze als The Soul Sisters naar Amerika trokken, maar toen ze daar als mannen als The Soul Sisters werden aangesproken, besloten ze voortaan toch maar de naam Soulsister te gebruiken. Trouwens, in Amerika bestond er al een vrouwelijk duo dat Soulsisters heette.

De eerste juli 1989 is er de single Like a mountain, een nummer dat Jan en Paul nog in de schuif hadden liggen en dat ook op het album “It takes two” was beland. De achtste juli geraken ze er in ons land mee tot op de eenentwintigste plaats in de Ultratop. In Nederland wordt op die single erg goed gereageerd, ook al halen ze de Top 40 niet. Vooral dj Krijn Torringa draaide het nummer grijs. Soulsister trok dan ook vaak richting noorderburen om daar op televisie te verschijnen in een programma als “Nederland Muziekland.”Paul vult aan: “We hadden Like a mountain voor The way to your heart geschreven. In Nederland was het op single trouwens ook de hit waarmee we eerst scoorden. Ik weet nog goed dat we daar in een programma van Martijn Krabbé te gast waren en dat we een saxofonist misten die we in beeld moesten brengen. We hebben toen maar aan acteur Lucas Van den Eynde gevraagd of hij niet even wou doen alsof.”

Intussen hadden Jan en Paul niet stilgestaan qua nieuwe nummers schrijven. Dat moest wel, want EMI drong aan op een nieuw album en dat werd in de maand oktober van 1990 in de markt gezet als “Heat”. Qua muzikale steun in de “Wisseloord Studio” werd er op geen muzikant gekeken, zo’n negentien in het totaal: Eric Melaerts, Evert Verhees, Philip Kolb, zelfs Steve Winwood mag zich even laten horen op z’n hammondorgel. Eindresultaat: twaalf sterke songs, wat ook zou blijken uit de goed scorende singles daaruit, die gretig op zoek gingen naar de hitlijsten. “Ons eerste album“, aldus Jan, “was eerder een zoeken, een aftasten van een paar genres. Bij ‘Heat’ voelden we alles beter aan. We wisten snel wie waar de lead moest zingen, welke stijl bij wie paste. Als ik het nu nog beluister,” zegt Jan, “dan weet ik dat ‘Heat’ een duidelijke weergave is, de meest duidelijke denk ik, waar Soulsister voor stond. In Amerika waren we trouwens tussendoor aan het schrijven voor ons tweede album en ik weet nog goed dat we daar op het idee kwamen van onze single ‘Through before we started’. Dat nummer kende een traag groeiproces. We speelden het al een tijdje live vooraleer we het in 1990 definitief op plaat hebben gezet.”

Er wordt door manager Michael Lang beslist de naam Leyers, Michiels & Soulsister te gebruiken. “Lang had bij EMI een groot budget kunnen lospeuteren“, weet Paul nog goed. “Plots mochten we in de ‘Wisseloord Studio’ in Nederland onze tenten opslaan. Ik meen me te herinneren dat we toen over een budget van ruim tweehonderdduizend euro beschikten. Aan die plaat is zo nauwgezet gesleuteld dat je, figuurlijk gezegd, met een loep kan gaan zoeken of je geen foutje vindt. Die plaat klinkt gaaf, loepzuiver. Achteraf vonden de critici de plaat té goed, té af. Ze noemden het een marmeren album, zo perfect klinkt het.”

Through before we started duikt de twintigste oktober 1990 de Ultratop binnen om daar de achtste december in schoonheid op de derde plaats te eindigen. Een hogere score dus dan The way to your heart. Eveneens uit “Heat” is de single Well well well, de negentiende januari 1991 op single gezet en de zestiende februari terug te vinden op plaats negen in de Ultratop. Van dit nummer herinneren Paul en Jan zich nog dat ze aan de piano zaten en vanaf nul begonnen. Geen van beiden had een muzikaal idee om mee te starten. Het was echt prullen en prutsen om iets fatsoenlijks op papier te krijgen. Maar uiteindelijk is het dan toch gelukt, want zo werkt het nu eenmaal. De ene keer vlot het, de andere keer niet. Paul had zo zijn mening over hoe het nummer gezongen moest worden, hoe de bridge moest klinken. “Die samenwerking toen was enorm. Als we samenzaten, schreven we iets. Of Jan had een idee, of ik bracht iets aan. We gingen op zo’n moment nooit van elkaar weg zonder dat we samen iets geschreven hadden. We moesten in die tijd veel op weg om op te treden en ook veel promotie te voeren. We tokkelden vaak op een gitaar of op een piano als die beschikbaar was.

Eveneens een negende plaats zit er in voor de opvolger Company, uitgebracht de elfde mei van dat jaar. Op de B-kant staat Who needs trouble? En je gelooft het of niet, maar met Facing love staan Jan en Paul de eenendertigste augustus 1991 eveneens op de negende plek in de Ultratop. “Jan liet me ‘Facing love’ voor de eerste keer horen in het Hilton Hotel in Brussel tijdens de uitreiking van Humo’s Pop Poll“,weet Paul nogaan te vullen. “Er stond een piano en Jan liet het me daar voor de eerste keer horen. Hij wou iets schrijven in het tempo en de sfeer van ‘The way to your heart’. Maar daar moet je niet naar op zoek gaan, dat lukt of dat lukt nietIn mijn oren klinkt het nummer daardoor een beetje geforceerd, de melodie klinkt niet simpel genoeg. Het komt gefabriceerd over. Uit ervaring weet ik dat je niet op zoek kan gaan naar een goede melodie; die is er plots, als iets dat onverwachts op je hoofd terechtkomt.Het blijft een knap nummer, maar té gemaakt, het publiek heeft daar niet echt ja op geantwoord.” En alsof het niet op kan, wordt uit het album “Heat” op het einde van 1991 ook het nummer She’s gone op single uitgebracht, goed voor een negentiende plaats in de Ultratop van de maand november.

Het derde album van Soulsister wordt “Simple rule”, in 1993 eveneens uitgebracht onder de naam Leyers, Michiels & Soulsister. Jan vindt het niet hun sterkste album. “We kozen ervoor de stem van Paul vooraan te zetten. Je zou net zo goed kunnen zeggen dat het een soloplaat van Paul is geworden. Paul die erg van soul houdt, Ray Charles en aanverwanten. Mijn voorkeur gaat meer uit naar popsongs. Ik hou meer van Elvis Costello en The Kinks en zo. Op ‘Heat’ vielen die diverse voorkeuren mooi samen, voor ‘Simple rule’ kozen we meer de weg van de soulmuziek. Vandaar dat die plaat me iets minder na aan het hart ligt.” Paul gaat daarmee niet akkoord. “Ik link die plaat aan het feit dat we de kans kregen om in New York en Los Angeles te gaan schrijven. In Los Angeles schreven we ‘Changes’ en in New York ‘Locks and keys’. We konden daar samenwerken met producer David Werner en geweldige muzikanten als drummer Graham Ward. Ik vergeet die sessie nooit meer, alleen al daarom blijf ik het een geweldige plaat vinden. Vooral het nummer ‘Broken’, waarmee we nadien een vette hit scoorden. Dat schreven Jan en ik samen op onze hotelkamer in New York. We zaten daar in het gezelschap van Jules Shear, met wie we net ‘Locks and keys’ hadden geschreven. Achteraf wou hij nog mee delen in de auteursrechten van ‘Broken’, maar die ballon ging niet op, want hij zat gewoon naast ons wat te luistervinken. Die schrijverseer viel wel David Werner te beurt. Ik herinner me ook nog goed dat we de clip voor ‘Broken’ in Londen hebben opgenomen.”Broken wordt de drieëntwintigste januari 1993 op single uitgebracht en prijkt de zevenentwintigste februari op de vijfde stek in de Ultratop. Jan wil aan dit verhaal nog snel toevoegen waarom ze met David Werner songs gingen schrijven. “Ik voelde aan dat het samen schrijven met Paul niet meer zo vlotte als tijdens ons album ‘Heat’. In de loop van 1989 was Michael Lang onze manager geworden. ‘Ik ken iemand in L.A.,’ zei hij, ‘kom eens samen met Paul naar hier en tast eens af of dat kan werken.’ We werden aan David voorgesteld en het was even wennen omdat we die man niet zo goed kenden. Maar als je als muzikant met iemand die je wat vreemd is toch kan jammen, dan moet dat met samen songs schrijven ook lukken. Je moet alleen opletten dat die ander je niet afremt, integendeel, dat hij je aanspoort tot het schrijven van een goede song. Pas op, je moet tegen een stootje kunnen, want de ander moet kunnen en durven zeggen dat hij jouw idee niet zo goed vindt. Met David werkte dat. ‘Broken’ en ‘Changes’ zijn beide een voorbeeld dat het schrijven met ons gedrieën ook werkte. Het zijn beide ijzersterke songs geworden en ze staan nog steeds als een huis. Nog even dit als ik mag. Telkens als ik ‘Broken’ hoor, moet ik onverwijld aan de winter denken, want toen we dat nummer schreven, was het ontzettend koud. Zo koud, dat we tijdens het schrijven op onze hotelkamer regelmatig een slok whisky dronken om ons warm te houden.”

“Simple rule” droeg niet de waardering van “Humo” weg. Lees even mee. “Leyers, Michiels & Soulsister halen graag muurtjes naar beneden: tussen pop en soul, tussen gestroomlijnde rhythm-and-blues en nog gestroomlijnder AOR. In het verleden leidde die ijver hen naar mooie singles als ‘Downtown’en ’The way to your heart’, maar sinds de heren aan de hitparade hebben geroken, zijn ze het spoor een beetje bijster. ’Simple rule’, hun derde gooi naar meervoudig platina, bevat elf stukken digitaal geregistreerde, in aftershave-geuren gedoopte manchetknopenmuziek. ’Broken’, ’Simple rule’, ’Locks and keys’, stuk voor stuk evenwichtig samengesteld uit meticuleus gechronometreerde standaard-gitaarloopjes, standaard-drumslagen, standaard-stembuigingen (eentonig, hè, maar zij zijn begonnen!) en wapperende synthesizer-gordijnen, zijn pijnloos het ene oor binnenglijdende, peristaltisch door de hersenbanen kronkelende en het ander oor soepel weer uitglippende, double-breasted popdeunen.

Vanaf Changes worden de singles en albums van Jan en Paul uitgebracht onder de naam Soulsister. “Aan de tekst van ‘Changes’ heeft David echt gesleuteld tot het goed zat. Ik hou niet zo van oppervlakkige teksten, snel wat woorden bij elkaar zetten. Voor mij moet het goed zitten. David had datzelfde gevoel. We hebben bij manier van spreken nog aan de tekst gewerkt tot Paul achter de microfoon klaarstond om het definitief in te zingen“, dixit Jan. Changes vinden we de veertiende november 1992 terug op de tiende plaats in de Ultratop. Een klein detail misschien: in 1994 zal Tom Jones een versie opnemen van Changes. De song wordt door Jan en David geproduceerd. Jan en Paul nemen ook de backings voor hun rekening. Tom Jones brengt die song datzelfde jaar uit op zijn elpee “The lead and how to swing it”, gereleaset op Interscope Records.

Ook Paul herinnert zich nog een aantal details over hoe Changes tot stand kwam. “We hadden de taxi genomen tot in de wijk waar David Werner woonde. Dat was in de maand november, op een late namiddag. We hebben, toen we uit de taxi waren gestapt, nog een halfuur lopen zoeken. Het was net alsof we in een film rondliepen, zo’n scène van twee mannen die wat rondlopen in Los Angeles. Na een tijdje bellen we aan bij Werner, die we nooit eerder ontmoet hadden, en vrij snel begonnen we te schrijven. Ik weet nog goed dat we geen piano bij de hand hadden. Voor ‘Changes’ sloeg ik het akkoord re-sol op m’n gitaar aan, ik neuriede daar iets op en ineens waren we vertrokken. Voor het refrein reikte David een paar woorden aan. De benedenbuur van Werner had een toestel om op te nemen, met daarin een ritmebox verwerkt. Daarmee hebben we de demo ingeblikt. Gewoon een gitaar, die ritmebox en onze zangstemmen. Ik zou zo graag die demo in m’n bezit willen hebben. Heel pover, maar toen al hoorde je dat het een sterk nummer is. Persoonlijk blijf ik het trouwens een van de meest indrukwekkende songs vinden die we ooit geschreven hebben. Ik wil niet pretentieus klinken, maar ik denk dat Marvin Gaye dit ook graag had opgenomen, al zijn we natuurlijk tevreden dat het Tom Jones was die ons die eer gunde.” Uit het album “Simple rule” worden ook nog de titelsong, Ain’t that simple en So long ago op single gereleaset, maar echte hits zitten er niet in.

De tweeëntwintigste mei 1993 geeft Soulsister een druk bijgewoond concert in “De Warande” te Turnhout. Zij worden door een uitgebreide band begeleid en dat mag ook wel, want dit concert wordt ingeblikt en dat jaar uitgebracht op het EMI-label onder de titel “Live savings”. Vijftien songs in het totaal. Er wordt ingezet met All I’ve got en geëindigd met hun recente hit Broken. Jan Leyers neemt eveneens de productie in handen.

In 1993 mag Soulsister in het voorprogramma van Sting optreden tijdens zijn concerten in Duitsland. “Dat was fantastisch om te doen“, weet Jan nog goed. “Sting gunde ons een open doekje. Wij mochten beschikken over al de faciliteiten, zowel qua licht als qua klank. Onze technicus mocht zonder problemen zelf de mix van ons optreden maken, daar kwam de technicus van Sting zich niet mee bemoeien.” Paul was in de wolken dat hij met Sting op tournee mocht. “Ik was een enorme bewonderaar van Sting. Als mens ging hij heel gewoon met je om. Backstage in Dortmund hebben we elkaar voor het eerst ontmoet. Hij vertelde mij dat hij persoonlijk had beslist dat wij in zijn voorprogramma mochten optreden nadat hij onze platen had beluisterd. Ons album ‘Simple rule’had hem kunnen overtuigen. Het is door de band zo dat je als supporting act moet betalen, wij hoefden dat niet en dat zegt toch veel over hem. We hebben een vijftal weken samen met hem getoerd: Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. We zaten elke dag met hem in de catering rond de tafel. Onze set duurde iedere keer zo’n veertig minuten. Het is en blijft een gebeuren dat ik voor de rest van mijn leven niet snel zal vergeten.”

Het volgende album dat Soulsister in de markt zet, is “Swinging like big dogs”. Dertien songs in een productie van Joey Balin. Het was ook hij die de titel bedacht. Het is een uitdrukking die ze in New York bezigen wanneer ze willen aanduiden dat iets de pan uit swingt. Voor de opnamen trekt Soulsister naar de “Olympic Studio’s” in Londen. De cd stapt de eerste april 1995 de Ultratop Album 200 binnen en staat daar de derde juni op de veertiende plaats geparkeerd. De eerste single daaruit wordt Wild love affair,geschreven door Jan samen met Dave Meaney en Dittmar Becker. De plaat werd al in oktober 1994 uitgebracht en staat de vijfde november op de vijftiende plaats in de Ultratop. Als volgende single wordt gekozen voor Tell me what it takes, de achttiende februari 1995 genoteerd op de tweede plaats in de Ultratop en daarmee het meest geliefde nummer uit dit album. Als derde single is er nog I need some time, een song die we de tweeëntwintigste april 1995 in de Ultratop op stek 43 terugvinden. Tijdens onze babbel aarzelt Jan heel even, maar hij wil dit toch in verband met die plaat kwijt: “Na de opname had ik het gevoel dat het verhaal van Soulsister was verteld. Muzikaal hadden we niets meer toe te voegen aan onze story. De vonk sloeg niet meer over. Ook al doen die verhalen nog steeds de ronde, dit had niets te maken met de relatie tussen Paul en mij. Kijk, ik zag onze samenwerking als een boom die zijn vruchten had voortgebracht. Die boom was uitgebloeid. Je hoeft daar echt niet méér achter te zoeken. Ik vond dat het hoog tijd was om wat anders te doen.” Anno 2005 wil Paul daar tijdens onze babbel dit over kwijt. “Ik had voor mezelf al afgehaakt. Ik voelde me meer de zanger van het orkest, onze muzikale smaken kwamen niet meer overeen zoals in het begin. Jan schreef almaar vaker in zijn eentje of met anderen. Ik vond dat niet zo fijn, maar zoek daar niet méér achter dan wat het is. Het gebeurde almaar vaker dat Jan de liedjes aanreikte en ik ze inzong. Ik werd minder met het creëren van de songs betrokken. Op die manier is Soulsister stilaan doodgebloed. Maar ja, wat wil je, we hadden dan ook tien jaar intens samengewerkt en twee frontmannen bij elkaar, dat blijft niet duren.” Tot aan hun reünie in 2008 zullen Jan en Paul over die fase in hun carrière nooit echt praten. Na die tijdelijke break werden ze trouwens nog vaak gevraagd om op te treden, maar dat zagen beide heren voorlopig niet zitten.

Stilaan geraakt de rek er dus uit en in 1995 is het zover. In 1997 verschijnt op het EMI-label “The way to your heart – The very best of” en kondigen Jan en Paul officieel aan dat ze achter hun Soulsister-verhaal definitief een punt zetten. De vierde oktober duikt het album de Ultratop Album 200 binnen en is, ondanks het opdoeken van de groep, de achttiende oktober goed voor een tweede plaats. Achttien ijzersterke nummers sieren dit album en zijn daarmee goed voor de eeuwigheid, zo blijkt.

In 1999 wordt er door EMI beslist nog maar eens een verzamelaar van Soulsister in de markt te zetten, deze keer “Soulsister – Try not to cry – The singles collection”. De zesde oktober van dat jaar vinden we het album terug op de tweeëntwintigste plaats in de Ultratop Album 200. Uit dat album wordt het nummer Try not to cry, geschreven door Jan Leyers en Michael Garvin, diezelfde maand op single uitgebracht. In de Ultratop wordt hier bescheiden op gereageerd.

In 2000 ontmoeten Jan en Paul elkaar om enkele songs in te blikken voor de film “Team Spirit” van Jan Verheyen naar een scenario van Bart De Pauw en Mischa Alexander en met in de hoofdrollen onder meer Axel Daeseleire, Dimitri Leue, Tania Kloek en Michael Pas. Paul covert voor deze gelegenheid Forever young van de groep Alphaville. Paul daarover: “Jan belde me op zekere dag op. Hij was namelijk bezig met het schrijven van de soundtrack van de film. Hij vroeg me of ik samen met hem dat nummer wilde opnemen en zonder al te lang na te denken, heb ik ja gezegd. Met veel goesting, want aan ons Soulsister-verhaal had ik voor alle duidelijkheid geen rancunes overgehouden. De originele versie uit 1984 van Alphaville, een Duitse synthpopband, stond me niet aan. Die is veel te hoog gezongen en dan nog eens in slecht Engels. Ik heb het nummer volledig naar mijn kant getrokken, we hebben het in mijn toonaard gezet. Ik vind dat we het nummer omhoog hebben gekrikt.” In 2001 wordt Forever young op het CNR-label uitgebracht en de vijftiende september van dat jaar staat Paul Michiels op twee in de Ultratop. Daarnaast zingt Paul voor de film nog Shine your light on me.Jan neemt het liedje Only your love will do op. Met dat nummer staat hij de vijfentwintigste november 2000 op twee in de Ultratop.

In 2007 beslissen Jan en Paul het Soulsister-verhaal opnieuw op te pikken. Het idee van de reünie ontstond tijdens een opname van “Zomer 2006″, de talkshow van Jan Leyers. Paul was er te gast en na het programma speelden beiden voor de gezelligheid backstage een paar nummers samen. Naar aanleiding van die hernieuwde belangstelling rond hen brengen ze op het EMI-label de cd-verzamelaar “Platinum collection” uit. De tweeëntwintigste maart klimt dat album naar de zevenenveertigste plaats in de Ultratop Album 200.Als aanloop naar een nieuwe cd wordt eind november 2007 de single Back in a minute uitgebracht. Jan en Paul schreven deze song samen met Michael Garvin. De hitlijsten blijven uit het zicht.

De eerste maart 2008 zet Soulsister het reünieconcert “Soulsister Live@Sportpaleis” in Antwerpen op het getouw. Door de enorme belangstelling worden daar snel de zesde en achtste maart aan toegevoegd. Om zich met het oog op die concerten wat in te spelen, stond Soulsister van de negentiende oktober tot en met de elfde november 2007 op het podium van “Night of the Proms” in Antwerpen.  In december trekken ze voor 20 concerten met het ganse team richting Duitsland.

Er verschijnt dus zoals eerder aangekondigd het nieuwe album “Closer”, goed voor elf nieuwe songs in een productie van Jan samen met Jeroen Swinnen. Op de website van “Jongeren Planeet” lezen we daarover: “Jan Leyers en Paul Michiels hebben elkaar weer gevonden. En dat resulteerde niet alleen in enkele uitverkochte Sportpaleisconcerten. Ook nieuw werk werd gecomponeerd, en nu is de tijd rijp om die op een nieuw album te verzamelen, ‘Closer’. Om hieraan de nodige aandacht te geven, had Soulsister zich op dinsdagavond naast de A12 genesteld, op de parking van dancing de ‘Carré’ in Willebroek, om een fileconcert te geven. De filechauffeurs lieten zich de verrassing welgevallen en raampjes werden overal naar beneden gedraaid om van de muziek te genieten. In een mum van tijd stond ook de parking vol met mensen die de file even ontvluchtten om ten volle van het optreden te genieten. Dit optreden bestond uit een mix van nieuwe nummers, gecombineerd met de grote hits van weleer. Wie het album in huis wil halen, moet nog even geduld hebben. Het is pas vanaf 14 november in de winkel te vinden. Lezers van Het Laatste Nieuwskunnen het al eerder in hun bezit krijgen. Op zaterdag 18 oktober is het voor slechts 2 euro extra bij de krant te vinden!

Stevig gescoord wordt er in de Ultratop met How many waterfalls, want daarmee staat Soulsister de negende augustus 2008 op vijf genoteerd, een nummer eveneens van de hand van Jan, Paul en Michael. En dan is er ook nog uit het album “Closer” de single Old school lovin’, maar zonder veel reacties in de hitlijsten uit te lokken.

In 2009 staat Soulsister opnieuw in het “Sportpaleis” geprogrammeerd, maar het draait anders uit, dat verhaal gaat niet door. In “Gazet van Antwerpen” lezen we: “De tweede editie van Soulsister Livezal op vrijdag 6 maart 2009 te zien zijn in de Antwerpse Lotto Arena. Normaal gezien zou het concert op zaterdag 7 maart in het Sportpaleisplaatshebben. Omdat op 5 maart daar nog een optreden van Metallica plaatsheeft, zou het volgens de directie van hetSportpaleismoeilijk worden om de show van Jan Leyers en Paul Michiels nog degelijk voor te bereiden. De organisatie besliste dan ook om het concert van Soulsister te verplaatsen naar de Lotto Arena. Terwijl de maximumcapaciteit van het Sportpaleis13.000 mensen is, geraken in de Lotto Arenamaar 7.500 mensen binnen. Die zullen allemaal sterk betrokken worden bij de show van Leyers en Michiels. Soulsister kiest immers voor een centraal podium. De groep staat erop dat de toehoorders in de watten worden gelegd. De verste zitplaats zal amper 22 meter van het podium verwijderd zijn, laten Jan en Paul nog weten.

Mag er tussen al die drukte door nog eens verzameld worden? EMI aarzelt niet en brengt in de reeks “Alle 40 goed” in 2010 nog maar eens een compilatie op de markt met daarop de grootste en bekendste hits van Soulsister. De dubbelaar opent met Broken en eindigt met Downtown. Ik neem aan dat de fans dit met graagte in huis halen, maar in de charts blijven de reacties uit. Een jaar later is er de cd “Live” met daarop vijftien liveversies gaande van The way to your heart over Changes en Like amountain tot en met Simple rule en Fallen. Als extraatje op het album is er Last call in een productie van Jeroen Swinnen en Jan Leyers, die het nummer samen met David Werner schreef. Last call was begin februari 2011 al op single uitgebracht. In 2011 worden de albums “Heat” en “It takes two” opnieuw uitgebracht als “Soulsister – 2 for 1″.

En Soulsister blijft maar in de cd-rekken opduiken. Zo is er in de maand mei 2012 de zoveelste verzamelaar, deze keer “Soulsister – Best of”: drie cd’s, in het totaal goed voor 56 songs, waarvan 17 liveversies zijn.

De veertiende augustus van 2015 zet Soulsister in één klap “Marktrock” in Leuven in vuur en vlam met een eenmalig optreden. In “De Morgen” lezen we daarover: “Ondanks het feit dat Soulsister al meer dan een jaar niet meer op een podium stond en zich ook in 2015 beperkt tot één concert, heeft de band van Paul Michiels en Jan Leyers op de eerste dag van Marktrock Leuvenweer als vanouds een swingend concert gegeven. Leyers’ dochter Billie opende met haar groep het festival, waarop ook nog De Fixkes en Slongs Dievanongs optraden. De Oude Markt liep tijdens Soulsister met circa 6.000 bezoekers halfvol. Soulsister putte uit een rijk gamma hits die de groep sinds haar ontstaan in de tweede helft van de jaren 80 opbouwde, zoals Like a mountainen Locks and keys. Vooral op het einde zat de sfeer er goed in met Tell me what it takesen de grootste hit The way to your heart‘,die door het publiek luidkeels werd meegezongen. De bisnummers werden vervolgens in de gietende regen afgewerkt.

In het najaar van 2016 plant Soulsister naar aanleiding van zijn dertigjarig bestaan een concerttournee. “30 jaar – 30 hits – 30 concerten” en dat in het gezelschap van Hervé Martens en Patrick Dorcean. De eerste oktober 2016 wordt het startschot gegeven in “CC Zwaneberg” te Heist-op-den-Berg. Op de vraag hoe groot hun honger naar het podium nog is, antwoordden ze aan journalist Steven Verhamme: “Het is een honger die nog steeds niet te stillen is. We gaan bovendien de nummers die we hebben geselecteerd niet allemaal voluit spelen. En dat kan verrassend zijn. Dus van sommige gaan we bijvoorbeeld enkel een refrein en een strofe spelen. Dat wordt heel speciaal. We kijken er echt naar uit. Of we lievelingsnummers hebben? Dat is als kiezen tussen je kinderen. Die hebben allemaal hun eigenheid en karakter. Dat is ook de kracht van de show. Er is geen enkel nummer dat we beu zijn. Aan elk nummer is er wel iets dat het fris houdt. Als je dan toch titels wilt: BrokenLocks and keysWell well well. Dat laatste hebben we niet meer gespeeld sinds 1995. De songs waarin we onze stemmen echt kunnen laten blenden, een beetje zoals The Everly Brothers, daar kijken we het meest naar uit. Sommige songs kan je in een jazzversie spelen. Daaruit blijkt dat het goede composities zijn. Geef ons dus maar ‘Blame you’ of ’Call it love’.

Op Showbizzsite.be lezen we de negende oktober 2016 over een van hun concerten: “Dit najaar is het precies 30 jaar geleden dat Soulsister uitpakte met de debuutsingle ‘You get to me’. Voor Paul Michiels en Jan Leyers een mooie aanleiding voor een tournee door Vlaanderen. Naar aanleiding van het feestjaar zouden ze 30 optredens geven – dat zijn er ondertussen al een paar meer geworden, wegens de massale vraag naar tickets – met hun 30 grootste hits. Het voorbije weekend trapte Soulsister de nieuwe tournee af met twee uitverkochte concerten in het ‘Cultureel Centrum’ van Heist-op-den-Berg. Wij stuurden onze reporter naar het muziekfeestje, uitgerekend in het dorp waar de voormalige cafébaas en melkboer Paul Michiels van afkomstig is. Voor Polle Pap was het op papier een thuismatch die hij niet kon verliezen.In de geschiedenis van de Belgische popmuziek heeft Soulsister al lang zijn plaats verworven. Paul Michiels en Jan Leyers hebben uziek gemaakt om te koesteren. Net daarom hopen we dat er ook heel wat jongeren de moeite willen doen om te komen kijken. Er staan twee klasbakken op het podium die hun veelzijdigheid etaleren in de verschillende instrumenten die ze bespelen. Het is begrijpelijk dat de mensen uit Heist hun gewezen cafébaas en melkboer Polle Pap nog altijd op handen dragen. Het bijzondere aan Soulsister zijn de stemmen van Jan en Paul die perfect met elkaar blenden. Tel daarbij hun uitgesproken persoonlijkheid en veelzijdigheid en dan weet je dat je te maken hebt met twee grote talenten. Afsluiten doen we kort en krachtig: ’30 jaar Soulsister’, je moet het gezien hebben. Voor snelle beslissers zijn er nog een handvol kaartjes beschikbaar voor de concerten in o.a. Brugge, Oostende en Hasselt. Snel zijn is de boodschap.” Die tournee blijkt zo’n succes dat er in 2017 een vervolg aan gebreid wordt. “De mensen die nu komen kijken, konden vorig jaar niet binnen, zo simpel is het. Dat is de enige reden. We zijn natuurlijk doodcontent om de tour te verlengen. We hebben deze zomer meer dan twintig concerten gespeeld in grote formatie. Nu ronden we het jaar af in de culturele centra in kleine bezetting. Onze theatertour is meer intiem. We veranderen de structuur van de liedjes af en toe en dat maakt het interessant. Tussen elke song vertellen we ook het verhaal hoe de liedjes zijn ontstaan“, aldus Soulsister. Soulsister brengt voor deze gelegenheid zijn nummers in een andere vorm. Zo hebben ze bijvoorbeeld van “Blame you” een jazzy versie gemaakt als een soort hommage aan Toots Thielemans. Zij maken er ook een soort talkshow van en op die manier vernemen we onder meer dat Paul ooit als drummer begonnen is.

Zondag de zevenentwintigste augustus 2017 staat Soulsister op het podium van “Maanrock” te Mechelen samen met onder meer André Brasseur en Stan Van Samang.

De 12de juni 2018 verschijnt bij uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts de autobiografie van Paul Michiels ” Onvoltooid tegenwoordig”. Daarin vertelt hij van pagina 67 tot en met 96 het Soulsister-verhaal. “Jan en ik waren zo verschillend, maar dat was ideaal!“.

Of de heren nog plannen hebben voor de nabije toekomst? Paul: “Ik maak een nieuw album tegen de lente van 2018. Dan komt ook mijn biografie uit. Ik word volgend jaar zeventig en dan wordt er verwacht dat ik een beschouwing breng van mijn leven. Ik ga trouwens meer dan honderd jaar oud worden. Mijn nieuwe cd wordt een stevige plaat, want ik ben een rockzanger, die toevallig ook van pop en jazz houdt. Het wordt een melodieuze plaat.” Jan:Er komt een vervolg op mijn Nederlandstalige cd ‘Helder’. In het voorjaar neem ik die op en in het najaar ga ik ermee op tournee. Ik weet nog niet of het een ep wordt dan wel een volledige plaat, maar in elk geval nieuw Nederlandstalig werk.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

Tonight I celebrate my love

Mag ik een gokje wagen? Zegt jou de naam Michael William Masser iets? Ja, dan ben je een crack! Iets gemakkelijker is de naam Gerry Goffin. Die moet vooral bij liefhebbers van popklassiekers een belletje doen rinkelen. Songs als The locomotionUp on the roofOne fine dayYou make me feel like a natural woman en Tonight I celebrate my love.

Gerry Goffin schreef Tonight I celebrate my love samen met de eerder genoemde Michael Masser die zich over zijn prestaties ook niet hoeft te schamen. Begonnen als advocaat, maar zich snel profilerend als een van Amerika’s beste schrijvers van ijzersterke hits, onder meer voor Whitney Houston Saving all my love for you en Didn’t we almost have it all. Met Tonight I celebrate my love, voegden beide heren een heuse hit aan hun erelijst toe.

Nu moest er iemand gezocht worden die die song wou zingen. Het moest en zou een duet worden. De keuze viel uiteindelijk op Peabo Bryson en Roberta Flack. Bryson intussen goed voor twee Grammy Awards: in 1992 Best Pop Performance by a duo met de single Beauty and the beast uit de gelijknamige Disney-film, een duet dat Peabo samen met Celine Dion zingt en in 1993 Best Pop Performance by a duo voor het thema uit de Disney-film “Aladdin”, A whole new world, gezongen door Peabo samen met Regina Bell. Bryson, een doorgewinterde soulzanger uit South Carolina, gespecialiseerd in het zingen van soft ballads en geknipt voor deze song. Ook Roberta Flack is de trotse bezitster van een Grammy Award en van een gouden stem die zich zowel thuis voelt in jazz, soul als r&b. Iedereen kent haar hitversies van The first time ever I saw your face en Killing me softly with his songHet was niet de eerste keer dat Peabo en Roberta samen zongen. Ze hadden dat in 1980 al gedaan voor hun album “Live and more” (Uitgebracht de 1ste december 1980. Opgelet, dit album niet verwarren met de gelijknamige productie van Donna Summer) met daaruit de singles Make the world stand still en Love is a waiting game.

Tonight I celebrate my love is een single uit het in 1983 verschenen album “Born to love” in een productie van Michael Masser en Bob Crewe met daarop songs als Maybe en Can we find love again. Voor de opname van Tonight I celebrate my love in de “Record Plant Studio” in New York worden Peabo en Roberta in de studio begeleid door drummer Carlos Vega, pianist Randy Kerber, gitarist Paul Jackson jr. en bassist Nathan East. Het orkest wordt geleid door Gene Page die we nog kennen van zijn nauwe samenwerking met Barry White.

Tonight I celebrate my love staat snel na de singlerelease op de 16deplaats van Billboard’s Hot One Hundred. In Engeland wordt het zelfs een nummer 2 en werd daar een van de grootste hits van 1983. Na dit succes worden uit het album “Born to love” nog twee singles geplukt You’re looking like love to me en I just came here to dance, maar met veel minder impact op de hitlijsten.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Till there was you

De eerste januari 1962 nemen The Beatles in de Decca-studio’s in Londen vijftien songs op in de hoop een platencontract in de wacht te slepen, maar dat loopt met een sisser af. Ze worden niet goed bevonden. Hun manager Brian Epstein trekt iets later met die banden naar HMV in Oxford Street waar hij op 78 toeren een aantal acetates laat persen (meestal werden er van de mastertape, de moederband, acetates geperst om die links en rechts als promo aan te bieden of als demo alvorens er werd overgegaan tot de definitieve persing). Met die platen trekt hij onder meer naar George Martin, producer bij EMI, om hem te proberen te overtuigen The Beatles een contract aan te bieden. Een van die exemplaren is de acetate met daarop aan de ene kant Till there was you en aan de andere het door Lennon en McCartney geschreven Hello little girl. Dat exemplaar speelt Epstein, nadat Martin het hem had teruggegeven, door aan Les Maguire, in die tijd toetsenist bij Gerry and The Pacemakers, in de hoop dat zij het opnemen. Maguire, niet zo tuk op memorabilia, bewaart het vijf decennia lang bij hem thuis, tot zijn kleindochter het ontdekt en vraagt of zij het niet mag verkopen in de hoop dat het veel geld opbrengt zodat ze een huis kan kopen. De tweeëntwintigste maart 2016 is het zover. Omega Auctions biedt die dag in de stad Warrington in het Britse graafschap Cheshire deze acetate aan, het exemplaar dat van de hand gaat voor een bedrag van 77.500 Britse pond oftewel 97.533 euro.

Een primaire liveversie van Till there was you kan je horen op het album “Live! at the Star-Club in Hamburg, Germany 1962″. De Decca-versie is in 2013 legaal verschenen op het album “I saw her standing there”, verdeeld door Rock Melon Music.

 Till there was you werd door de in 1984 overleden componist Meredith Wilson geschreven voor de musical “The Music Man”. Die musical ging de negentiende december 1957 op Broadway in première. Nelson Riddle produceerde in de maand januari van 1958 de originele cast op elpee. Till there was you werd toen gezongen door de 17-jarige Sue Raney. Dat jaar nam jazzsaxofonist Sonny Rollins er een versie van op voor zijn elpee “Freedom Suite”. Uit die musical werd ook het liedje Seventy-six trombones een hit. Tussen haakjes, Sir Paul McCartney kocht later al de rechten van de liedjes die Meredith Wilson had geschreven.

The Beatles speelden Till there was you vaak tijdens hun optredens in de Hamburgse “Star Club” en speelden het dus ook op verzoek van Brian Epstein tijdens hun opnamesessie voor Decca Records. McCartney had opgemerkt dat een aantal popgroepen aan het begin van de jaren zestig tijdens hun optredens songs kozen die wat trager qua ritme waren, offbeat zoals dat heet. Via een oudere nicht van McCartney, Elizabeth Robbins, kwam Till there was you Paul ter ore in de versie van Peggy Lee. Haar versie is te horen op haar elpee “Latin ala Lee!” uit 1960. In 1961 verscheen trouwens in Engeland op het Capitol-label de versie van Peggy Lee op single. In de maand april van dat jaar bereikt ze er de dertigste plaats mee in de Britse Top 40. In Amerika had zangeres Anita Bryant er het jaar voordien een hit mee gescoord.

De achttiende juli 1963 trekken The Beatles naar “Studio 2″ in Abbey Road om daar een aantal songs in te blikken voor hun elpee “With the Beatles”. Producer van dienst is uiteraard George Martin. Die dag nemen ze vier liedjes op waarvan Till there was you het laatste is. Er worden van die song drie takes ingeblikt, maar The Beatles zijn niet tevreden en doen dat de dertigste juli nog eens over. Take acht wordt er uiteindelijk uit gepikt als beste en zal ook op de elpee belanden. De 4de november 1963 spelen The Beatles het live tijdens de “Royal Command Performance” samen met She loves you en Twist and shout. De 9de februari 1964 spelen ze het in de USA voor de eerste maal tijdens de “Ed Sullivan Show”.

McCartney was nadien niet te beroerd om toe te geven dat hij er zijn nummer And I love her op baseerde dat ze in 1964 opnamen voor hun eerste film “A hard day’s night”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Time to say goodbye (Con te partiro)

Een paar belcantoliedjes hebben onze lijst met favorieten om te zoenen gehaald, al moet je ermee opletten met die te programmeren, want tegenwoordig durft men al eens hilarisch te reageren op die zangstijl. Andrea Bocelli ontdekte op zekere dag de kip met de gouden eieren. Hij combineerde zijn popstem met zijn klassieke en maakte zo haast feilloos een cross-over van populair naar klassiek. In 1992 tekende hij een contract bij “Sugar Music” in Milaan. Deze firma werd in 1932 opgericht door Ladislao Sugar. Bocelli gaat daar samenwerken met producer Caterina Caselli (zij was zelf zangeres-actrice die ooit deelnam aan het “Festival van San Remo”, en werd begin jaren negentig hoofd van Sugar Music in Milaan). Zij overtuigt Bocelli een demo in te zingen van het nummer Miserere, geschreven door Zucchero die dit graag aan Luciano Pavarotti had aangeboden. Bocelli zal het nadien met hem in duet zingen voor zijn gelijknamige cd. Het is ook Caselli die er bij Bocelli op aandringt in 1995 deel te nemen aan het “Festival van San Remo” met het lied Con te partiro (Met jou wil ik weggaan), een Italiaans popnummer in zuivere Italiaanse operastijl geschreven door Lucio Quarantotto op muziek van Francesco Sartori. Zij werkten bij de Milanese muziekuitgeverij Sugar en zouden voor Bocelli heel wat popsongs schrijven, onder andere Canto della terra en Immenso voor diens album “Sogno”.

Bocelli staat eerst zeer weigerachtig tegenover Con te partiro omdat hij het liedje te complex vindt, maar geeft uiteindelijk toch toe. Die editie van San Remo wordt trouwens in 1995 door Giorgia gewonnen met Come Saprei, Bocelli eindigt vierde.

Sinds het de 18de november 1995 op zijn tweede album “Bocelli” verscheen, is het zijn herkenningsnummer geworden. Vreemd is dat Bocelli na de release in Italië op weinig respons kan rekenen, ook niet bij La Rai of zo. In Frankrijk daarentegen wordt het wel een succes en blijft daar zes weken na mekaar op nummer 1. In ons land wordt het een regelrechte hit en blijft twaalf weken onafgebroken op de eerste plaats genoteerd, wat voor een groot deel te danken is aan het liveoptreden van Bocelli tijdens “The Night of the Proms” in 1995. Pas wereldwijd wordt het een succes toen Bocelli het opnam in een deels Engelse, deels Italiaanse versie samen met de Engelse sopraan Sarah Brightman als Time to say goodbye.Deze versie werd door de Internationale Boksfederatie gebruikt tijdens de finale match van de Duitse bokser Henry Maske. Sarah  Brightmans Duitse producer Frank Peterson opteerde voor de Engelse titel en niet voor de Duitse Mit dir werde ich fortgehendie eerst was voorgesteld.

De 23ste november 1996 had het gevecht tussen Maske en de Amerikaan Virgil Hill plaats, live uitgezonden op de Duitse televisie en goed voor 21 miljoen toeschouwers.  Een maand later had Time to say goodbye de Duitse hitlijsten ingepalmd. Per dag gingen er 60.000 single-exemplaren over de toonbank. Uiteindelijk zal de verkoop alle vorige Duitse records kloppen en wordt er afgerond op een totale verkoop van om en nabij de drie miljoen exemplaren. In de lente van 1997 wordt de single in Engeland met goud bekroond.

Nadien verschenen tal van andere versies, onder meer die van Il Divo en Paul Potts.

De 31ste juli 2012 pleegt Lucio Quarantotto zelfmoord. Hij springt uit het raam van zijn appartement, gelegen op de zesde verdieping in Mestre, in de buurt van Venetië. Hij leefde daar samen met zijn moeder. Lucio leed aan een zware depressie. Hij was nog maar 55. In de loop van de jaren tachtig had Quarantotto zelf een aantal platen opgenomen die echter niet aansloegen bij het grote publiek. Vanaf dan profileerde hij zich meer als songwriter. In 1990 bracht hij op het Sugar-label nog het album “L’ultima nuvola sui cieli d’Italia” uit in een productie van Enrico Maghenzani. In 1983 had hij het al eens geprobeerd met de langspeler “Di mattina molto presto”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Time after time

Hoe het komt weet ik niet, maar ik weet nog precies dat toen Van Halen in 1984 op één stond in de Amerikaanse popcharts met Jump, Cyndi Lauper op twee genoteerd stond met Girls just want to have fun.Ik zie zelfs het hoesje nog voor me, want in die tijd werd er door de platenfirma’s gul met promotiemateriaal omgesprongen. Wij producers werden in die tijd rijkelijk bedeeld. Het kan natuurlijk wat te maken hebben gehad met Cyndi’s kleurrijk kapsel, haar Betty Boop-look en haar opgewekte verschijning dat ze in mijn geheugen is blijven hangen, al mag het liedje er ook best wezen.

Lauper was in de Queens, New York geboren als een spring-in-’t-veld, een ADHD-type nog voordat de term moest worden uitgevonden. Lady Gaga zou er een stevige concurrent bij hebben, mocht La Lauper nu pas op de proppen komen met haar liedjes, want echt old fashioned zijn ze niet te noemen, al geraakten niet al haar singles tot hier in de hitlijsten. The Goonies ‘r’ good enough is er zo een, Boy Blue ook én My first night without you. Nochtans was ze geen eendagsvlieg, want daar was ze bang voor, dat het na Girls just want to have fun meteen zou ophouden.

Toen Cyndi bezig was aan haar elpee “She’s so unusual” kwam ze volgens producer Rick Chertoff nog een liedje tekort. Volgens hem had je altijd nog one more song nodig. De opnames waren zo goed als klaar. Na de sessies maakte Lauper samen met Rob Hyman, voordien nog lid van de groep The Hooters, tijd voor die extra song. Ze gingen in de studio wat aan de piano zitten en namen enkele flarden op cassette op die uiteindelijk uitmonden in de song Time after Time. Cyndi had die titel onthouden nadat ze een sciencefictionfilm uit 1979 had gezien “Time after time” met in de hoofdrol Malcolm McDowell. Rob weet nog goed dat ze eerst het refrein hadden, een beetje in een reggaetempo. Pas toen ze qua tekst goed op dreef kwamen, vonden ze dat het liedje een rustigere beat nodig had. De spanning om het goed te doen was enorm groot, want het was Cyndi’s eerste plaat, met deze moest ze zich bewijzen. Het aparte aan Time after time is dat er van het nummer vooraf geen demo werd gemaakt. Het nummer hadden ze na een week of zo klaar en werd meteen nadien ingeblikt. Dat is ook de reden waarom het liedje zo spontaan klinkt, er gingen geen maanden van sleutelen en oefenen aan vooraf.

De ganse ploeg was voor de opnames van haar eerste studio-album de eerste december 1982 naar de “Record Plant Studio’s” in New York City afgezakt in het gezelschap van de producers Rick Chertoff en William Wittman en veertien muzikanten, backingvocalisten inbegrepen, om er pas de 30ste juni 1984 terug uit tevoorschijn te komen. Tijdens de opnames van haar eerste elpee werd er onder meer druk  geëxperimenteerd met een nieuw stukje speelgoed dat net in de studio was geïnstalleerd: een LinnDrum-drummachine. Niemand had er toen op durven wedden dat ze geschiedenis zouden schrijven, want zomaar liefst vier van de tien liedjes die ze toen opnamen, zullen in Amerika toptienhits worden: Girls just want to have funTime after timeShe bop en All through the night.

De 14de oktober 1983 wordt het album “She’s so unusual” in Amerika op de markt gebracht. Dankzij het succes van de singles, de daarbij horende video’s en haar wereldtournee wordt het album een megasucces. Om je een voorbeeld te geven: acht keer platina in Canada en zes keer in de Verenigde Staten. Een snelle optelsom leert ons dat er méér dan zestien miljoen exemplaren over de toonbank gingen, wereldwijd welteverstaan. Op het einde van de rit kreeg Cyndi Lauper zes Grammy Awards waarvan eentje voor Album of the Year en eentje als Best New Artist.

De 14de april 1984 wordt Time after time in Amerika op single uitgebracht met op de B-kant I’ll kiss you. Na een rustige rit belandt Cyndi de 9de juni op de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred nadat ze Deniece Williams met Let’s hear it for the boy beleefd aan de kant heeft gezet. Twee weken houdt Cyndi het op die eerste plek vol, dan komen de jongens van Duran Duran met The Reflex hun plaats opeisen.

In Engeland, waar La Lauper ook erg geliefd was, schuift ze met Time after time  gemakkelijk naar de derde plaats. Nou gemakkelijk, het was eigenlijk een herkansing, want toen de single in de maand maart een eerste keer werd gereleaset liep de single gelijk op de klippen. Een tweede kans was nodig. Niet bij onze Hollandse vrienden, want in hun Top 40 is er voor  Time after time  een vijfde plaats weggelegd. Girls just want to have fuhad het net daarvoor met een derde plek iets beter gedaan. In België doet Time after time  het iets beter dan bij onze noorderburen. Een derde stek in onze Top 30 zit erin. Nog één keer zal ze bij ons langskomen en wel twee jaar later met True colors.

Niet slecht gepresteerd voor een kleurige en fleurige meid die in 1978 van start ging met het groepje Blue Angel. In Manhattan was dat. Geen rooskleurige start, want na een tijdje werd het hele avontuur opgedoekt. Cyndi komt dan aan de kost als hulpje in de kledingboetiek Screaming Mimi’s in New York City. In haar vrije uren zingt ze in een Japanse pianobar. Daar wordt ze door haar latere manager David Wolff ontdekt die haar gelijk een platencontract bij CBS bezorgt. De rest van Cyndi’s verhaal is intussen een boeiende flard popgeschiedenis geworden.

In 1985 was Cyndi Lauper apetrots toen ze vernam dat jazzlegende Miles Davis een cover van Time after time had opgenomen, voor haar een grote eer!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Ticket to ride

 

De 22ste mei 1965 staan The Beatles bovenaan de Amerikaanse hitlijsten met Ticket to ride.Drie maanden later treden ze op in het “Shea Stadium” in New York voor méér dan 55.000 dolgedraaide fans. Die 23ste augustus bracht het concert 304.000 dollar op, op wereldschaal een recordbedrag.

Na het overweldigend succes van hun eerste film “A Hard Day’s Night” werd er niet lang geaarzeld om een tweede in te blikken “Help”. Een nummer dat in de soundtrack opduikt, is het door John Lennon geschreven Ticket to Ride dat hij in 1965 schreef net voor ze naar de Bahama’s zouden afzakken om daar aan de filmopnamen te beginnen. Hij dacht tijdens het schrijven terug aan hun verblijf in Hamburg toen ze daar in de hoerenbuurt optraden. Zijn gedachten gingen terug naar de dames van lichte zeden die op regelmatige basis op onderzoek bij de dokter moesten ter controle of ze geen geslachtsziekte hadden opgelopen. Ze kregen dan een kaart mee met daarop de stempel oké, wat ze in de wandelgangen al lachend a ticket toride noemden. Niet te verwarren zoals de fans in het begin dachten te horen met a ticket to Ryde, een plaatsje op het Island of Wight. Een familielid van Paul McCartney baatte hier een restaurant uit. Lennon liet het nummer aan Paul horen om het verder af te werken en in nog geen drie uur tijd was de song klaar. Ticket to ride is een song die ze schreven om hun elpee “Help” kant-en-klaar te krijgen, kortom ze hadden voldoende liedjes nodig. Opvallend aan het liedje is dat het ritme van de song op het einde versneld wordt. Lennon was zo’n ijdeltuit dat hij het nummer helemaal naar zijn kant trok. Het was zijn song. Hij dichtte Paul alleen de verdienste toe dat die Ringo Starr aangaf hoe hij moest drummen.

Duidelijk te horen is dat Lennon de solozang voor zijn rekening neemt en McCartney de harmonieën mag invullen daarbij geruggensteund door George Harrison. Gelukkig voor hen passen de technici van dienst Norman Smith, Jerry Boys en Ken Scott een nieuwe opnametechniek toe: het gebruik van meerdere sporen zodat de zangstemmen vlot gedubd kunnen worden. Het nummer hoeft dan niet telkens opnieuw te worden opgenomen als er stemmen aan toegevoegd moeten worden.

De 15de februari 1965 om half drie beginnen ze met de opname van Ticket to Ride. Die sessie duurde tot kwart voor zes en is goed voor twee takes. Tijdens de eerste werd het ritme vastgelegd, tijdens de tweede de zang. Ticket to Ride is het allereerste Beatles-nummer waarop McCartney de leadgitaar tokkelt. Meestal was dat een klus die door George werd geklaard. Nadien houden ze zich bezig met een aantal overdubs: het toevoegen van extra zang en effecten. Niet dat The Beatles vervolgens meteen naar huis gaan, want ze hebben besloten nog een aantal songs voor de soundtrack op te nemen. Ze lassen een korte break  in van kwart voor zes tot zeven uur en nemen nadien nog I need you en Another girl op. De 18de februari wordt de monomix afgewerkt, de 23ste februari de stereomix. Twee maanden later spelen The Beatles Ticket to Ride voor het eerst live tijdens een concert dat de 11de april 1965 in Blackpool plaatsvindt. De 26ste mei van dat jaar spelen ze het live tijdens een opname voor de BBC.

De 9de april 1965 wordt Ticket to Ride in Engeland op single uitgebracht met op de B-kant het door Lennon geschreven Yes it isDat laatste beschouwde John als een quickie. Hij schreef dit in een ijltempo. Achteraf zou Lennon zich schamen voor de kwaliteit van deze song. Hij klasseerde het als een liedje bestemd voor de meatmarket. Omdat hij niet meteen verse ideeën had, gebruikte Lennon dezelfde akkoorden en basismelodie als in This Boy. Fans zullen Yes it is achteraf koesteren.

Ticket to Ride is de vijfde single van The Beatles die in de Britse Top 40 veertig meteen doorstoot naar de eerste plaats. Vijf weken na mekaar blijven ze daar blijven staan pronken en haken pas af nadat ze méér dan 700.000 stuks van die single in Engeland alleen al verkocht hebben. In het totaal is Ticket to Ride goed voor zeven weken toptiennotering in de Britse charts.

In Amerika komt Ticket to Ride de Top 100 binnen op de 57ste plaats. Nadien schuift de single door naar plaats 58, vervolgens naar drie om de 22ste mei Herman’s Hermits met Mrs Brown you’ve got a lovely daughter te onttronen. Slechts één week blijven The Beatles Billboard’s Hot One Hundred aanvoeren, want dan komen The Beach Boys sterk oprukken met Help Me Rhonda.

De 12de juni 1965 krijgen The Beatles te horen dat Queen Elizabeth hen zal ridderen, ze mogen een MBE in ontvangst nemen. Dat leidt tot groots protest vanuit de conservatieve hoek van MBE-gelauwerden die prompt hun onderscheiding terugsturen.

 

Ticket to ride wordt in ons Belgenland geen grote hit. Er zit voor The Beatles slechts een tiende plaats in. Tot dan toe hadden ze nog met geen enkele single op één gestaan. Dat zal pas iets later lukken, datzelfde jaar nog, met Yesterday en nog iets later met Yellow SubmarineHey JudeGet Back en The ballad of John and Yoko.Onze noorderburen blijken grotere fans van The Fab Four te zijn. Daar hebben de heren eerder al zevenmaal op de eerste plaats gestaan en doen dat met Ticket to Ride nog een keertje over om nadien nog eens dertien keer die eerste plaats in te palmen.

De 6de augustus 1965 wordt de soundtrack “Help”op de markt gebracht met daarop dus ook het nummer Ticket to Ride. De titelsong Help was de 19de juli als tweede single al gereleaset en ook deze single wordt in vele hitlijsten wereldwijd een nummer één.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Three times a lady

Hoe vaak heb je het verhaal niet horen vertellen door muzikanten dat de grootste kans om een meisje aan de haak te slaan is door haar te vertellen dat je muzikant bent, het liefst van al dan nog eentje die succes scoort. Deel uitmaken van een popgroep is ook al een stevige troef. Dus toen in 1967 Thomas McClary dat doorhad en besloot een groep samen te stellen, wist hij precies wat hem te wachten stond. Hij studeerde toen nog aan “The Tuskegee Institute of Alabama”. Hij vroeg tegelijkertijd aan Lionel B. Richie Jr. of die geen zin had om saxofoon bij hem te komen spelen, niet meteen Lionels sterkste kant, maar hij wou het toch een kans gunnen. Met nog vier vrienden aan de groep toegevoegd, deden ze mee aan een talentenjacht en traden daar op als The Mighty Mystics. Winnaars werden The Jays, stuk voor stuk studenten die op het punt stonden af te studeren. Een paar van hen wilden muziek blijven maken en vroegen aan The Mighty Mystics of ze zich niet bij hun band mochten aansluiten. Trompettist William King en toetsenist Milan Williams schoven aan. Een woordenboek en een snelle vinger moesten eraan te pas komen om een geschikte naam te vinden. Commodores werd oké bevonden.

Een goed jaar later waren ze een gevierde band in Alabama, maar ze wilden meer. Nadat ze Lionels ouders hadden kunnen overtuigen, reisden ze af naar New York om daar hun kans te wagen. Via een tante van Thomas McClary geraken ze in contact met Benny Ashburn die hun een optreden bezorgt in de club “Smalls Paradise” in Harlem. Iets later wijken ze uit naar “The Cheetah”. Stilaan wordt Benny niet alleen hun vriend en mentor, maar vooral hun manager. Om niet té onbezonnen te werk te gaan, keren ze terug naar “The Tuskegee Institute” om daar voort te studeren. Tijdens hun vakantieperiodes treden ze op, zelfs in Europa. Om de groep een nog betere bezetting te bezorgen komen drummer Walter Orange en bassist Ronald LaPread zich bij de band aansluiten. The Commodores zijn een feit!

Het geluk lacht hun toe wanneer in 1971 Suzanne de Passe op zoek is naar een geschikt voorprogramma voor de geplande tournee van The Jackson Five. Die combinatie klinkt zo goed dat ze twee jaar samen blijven optreden met als hoogtepunt een concert in “The Hollywood Bowl” in 1973. Het waren de kinderen van Motown-platenbaas Berry Gordy Jr. die hun vader ervan overtuigden een deal met The Commodores te sluiten, wat ook geschiedde.

Toch zou het nog twee jaar duren van schaven aan hun sound, hun uiterlijk en de juiste songkeuze vooraleer ze hun eerste plaat mochten opnemen. James Carmichael werd hun producer. Hun eerste single werd, hoe vreemd het ook mag klinken, een instrumentaal nummer Machine Gun waarmee ze tot op de 22ste plaats van de popcharts geraakten. Met Sweet love staan ze drie singles later op de vijfde plaats in Amerika’s Top 100. We noteren april 1976. Er wordt vervolgens stevig gescoord met Just to be close to youEasy en Brick House.

Samen met producer James Carmichael duiken ze in 1978 de studio in voor de opname van hun elpee “Natural high”: Lionel Richie, Thomas McClary, Milan Williams, William King, Ronald LaPread en Walter Orange. Producer van dienst is James CarmichaelDe meest opvallende song op dat album is Three times a lady geschreven door Lionel Richie die zich liet inspireren door een uitspraak van zijn vader tijdens de viering van hun 37ste huwelijksjaar. Die speech zette Lionel aan over zijn eigen huwelijk na te denken. Hoe zijn vrouw zich elke dag in hun relatie inzette zonder daar eigenlijk iets voor terug te eisen. Af en toe eens dankjewel zeggen, doet een man te weinig. Een buurvrouw van Lionel zei achteraf dat wanneer een man wat verlegen zit om een mooi cadeau om zijn vrouw te bedanken hij haar Three times a lady moet cadeau doen, die plaat zegt voldoende. In een interview met Dick Clark zei Richie nadien nog: “I haven’t taken the time to tell my wife thank you. How many other guys are in the same position? “

In de maand mei 1978 wordt het album “Natural high” op de markt gebracht. Half juni verschijnt Three times a lady op 45 toeren, de 12de augustus staan The Commodores op één in de Amerikaanse Top 100 nadat The Rolling Stones zo vriendelijk waren hun nummer één Miss you op te doeken. Twee weken mag Three times a lady bovenaan staan schitteren.

Dan is het de beurt aan Frankie Valli met Grease om het podium in te palmen. In Amerika betekent Three times a lady niet alleen een doorbraak voor The Commodores, maar was het ook een goede aanloop naar de solocarrière van Lionel die zich met deze song ook profileerde als een uitstekende songwriter. Iets voordien had Lionel die lauwerkrans al verdiend met de song Easy. The Commodores mogen dan bekendstaan als een lekkere funky band, toch leverden ze ook prachtige ballads af zoals het daarnet genoemde Easy en daarnaast nummers als Still en Sail On. Het was bij The Commodores de gewoonte dat de zes leden van de groep elk hun best deden nieuwe songs aan te reiken voor het volgende album. Toen Richie Three times a lady liet horen, wisten ze meteen dat dit het meest attractieve nummer van hun nieuwe album zou worden.

Brickhouse was tot dan toe de enige single waarmee The Commodores in Nederland hadden kunnen scoren. Met Three times a lady klimmen ze tot op de derde plaats van de Top 40. In België is vreemd genoeg Brickhouse een eerste plaats in onze Top 30 waard, terwijl Three times a lady tevreden moet zijn met een zevende stek. De Britten hebben er in hun Top 40, net als in de States, ook een eerste plaats voor vrijgemaakt. Het wordt in Engeland hun eerste, maar ook enige nummer één. Singles als EasySail onStill en The Night Shift zullen stuk voor stuk de Britse Top 10 halen.

Three times a lady wordt nadien erg succesvol gecoverd door countryzanger Conway Twitty en ook door Billy Crash Craddock en Cobra Starship.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Think

We hebben het geweten toen The Queen of Soul in 1968 Europa aandeed voor een fenomenale concerttour. De 7de mei nam Aretha Franklin in de Parijse “Olympia” het  livealbum “Aretha in Paris” op met liveversies van onder meer I never loved a manChain of fools en Respect. De 12de zette ze de Londense “Hammersmith Odeon” in vuur en vlam. Eerder hadden daar Otis Redding, Sam and Dave en Arthur Conley het beste van zichzelf gegeven, maar critici vonden dit concert een ster méér waard. Het enige zwakke punt tijdens haar tournee was dat Aretha niet altijd omringd werd door de beste muzikanten, wat wel het geval was tijdens haar studio-opnamen. Als je die liveopnamen van haar concerten hoort, merk je meteen die straatlengte verschil. Dat was te wijten aan het feit dat haar man, Ted White, de plak zwaaide. Hij had een orkest samengesteld met enkele vrienden, een paar tweedehands jazzmuzikanten zoals Jerry Wexler van Aretha’s platenfirma Atlantic Records hen graag noemde. Het enige pluspunt was dat Ted White die begeleidingsband nooit mee naar de studio nam, daar stonden alleen de allerbesten tot haar beschikking.

De 15de april 1968 staat Aretha Franklin in de Atlantic Studio’s in New York  voor de opname van het nummer Think, een song die ze samen met haar toenmalige echtgenoot Teddy White had geschreven. Het nummer gaat over vrijheid en het respect naar vrouwen toe. Jerry Wexler neemt de productie voor zijn rekening en doet een beroep op de volgende muzikanten: Spooner Oldham op orgel, Roger Hawkins op drums, Tommy Cogbill en Jimmy Johnson op gitaar en Jerry Jemmott op bas. De overige muzikanten komen speciaal uit Memphis overgevlogen: trompettist Wayne Jackson, tenorsaxofonisten Andrew Love en Charles Chalmers en de baritonsaxofonisten Floyd Newman en Willie Bridges. Er worden een paar gitaaroverdubs gebruikt om het nummer wat extra punch te geven.

De 2de mei 1968 wordt Think op single uitgebracht met op de B-kant een cover van Sam CookesYou send me. Tot dan toe had Aretha nog maar één keer op één gestaan in Billboard’s Hot One Hundred, in 1967 met RespectZe dacht dit nog eens over te doen, maar Think bleef haperen op de zevende plaats. Pas in 1987 geraakt ze nog eens op de eerste plaats en wel met I knew you were waiting for me in het gezelschap van George Michael.

In de Britse Top 40 zit er voor Think een 26ste plaats in. Daar doet de volgende single I say a little prayer het veel beter en eindigt op de vierde stek. In de Nederlandse Top 40 is er voor Think een twaalfde plaats weggelegd en ook hier zal I say a little prayer het veel beter doen met als eindresultaat een derde plaats. En hadden we er in België oren naar? Neen, hier was The Queen of Soul geen queen, niet eens a princess, want behalve met Spanish Harlem stond ze hier in haar eentje nooit in de Top 10.

Think verschijnt de 14de juni 1968 ook op de elpee “Aretha Now”, met naast Think nog twee geweldige soulhits See saw en het door Burt Bacharach en Hal David geschreven I say a little prayer. Het album wordt datzelfde jaar nog met goud bekroond. De backing vocals worden gezongen door The Sweet Inspirations, opgericht door Cissy Houston, de moeder van Whitney Houston. Wat nu niet meer waar zou zijn, maar wat toen gemakkelijk door de beugel kon, is dat het album in het totaal maar 29 minuten en 30 seconden duurt. Het is overduidelijk dat in die tijd een elpee aan één of twee hits werd opgehangen. Tien jaar later maakt Aretha Franklin in de Amerikaanse Top 100 een rentree als ze mag optreden in de film “The Blues Brothers” met John Belushi en Dan Aykroyd. Ze neemt een nieuwe versie van Think op die sterk aanleunt bij de originele.

In 2004 duikt Think van Aretha Franklin ook op in de soundtrack van de succesvolle film “Bridget Jones: The edge of reason”.Datzelfde jaar is het nummer ook te horen tijdens “Idols”, gezongen door Diana DeGarmo. Twee jaar later is het tijdens “Idols” de beurt aan Katharine McPhee om zich met Think de ziel uit haar lijf te zingen.

Aretha Franklin overleed de 16de augustus 2018 in Detroit, Michigan.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

These boots are made for walking

Het zal niet gemakkelijk geweest zijn toen Nancy Sinatra besloot om zangeres te worden. Ga maar eens als dochter van The Voice een eigen carrière op het getouw zetten. Je bent op voorhand al verloren, want je wordt voortdurend met je vader vergeleken. Nochtans was Nancy de oogappel van papa Sinatra. Frank wist dat zijn dochter graag zong en nodigde haar daarom in 1959 uit om te komen zingen in zijn tv-show toen The Voice aan de zijde van The King opdook. Wanneer papa in 1961 zijn eigen platenfirma Reprise opricht, is zijn dochter een van de eersten die hij een contract aanbiedt. Frank is niet meer tevreden over zijn platenfirma Capitol en gaat op zoek naar meer vrijheid. Maar het Reprise-verhaal wordt niet zo’n succes als The Voice verwacht had en hij verkoopt het in 1963 aan de Warner Music Group

De 14de augustus 1961 van dat jaar brengt Nacy haar eerste single uit Cufflinks and a tie clip. Papa Frank betaalt zelfs een paginagrote advertentie om dat singletje in Billboard de hemel in te prijzen. Maar het thuisland reageert niet. Nancy moet het vliegtuig in en naar die plaatsen trekken waar ze wel succes scoort zoals Italië, Japan, Zuid-Afrika en Nederland. Bij one noorderburen staat ze in de zomer van 1962 zelfs op vier genoteerd met het popcornachtige Like I do.

In Amerika moet Nancy wachten tot in 1965 om met haar singletje So long babe,ocharme tevreden te zijn met een 86ste plaats in de Amerikaanse Top 100. Papa Sinatra kreeg medelijden met zijn dochter, want hij had haar veel meer gegund. Nancy kent nochtans het klappen van de zweep. Thuis heeft ze nooit wat anders gezien en haar huwelijk met de Amerikaanse zanger Tommy Sands kan alleen maar bevestigen wat ze over de showbizz intussen aan de weet is gekomen. Dat huwelijk loopt trouwens op de klippen.

Nancy zit dus bij dezelfde platenfirma als haar vader, Reprise. Toch heeft de directie niet veel medelijden met haar als uiteindelijk blijkt dat haar singletjes in Amerikaniet aanslaan. Ze zit een beetje met de handen in het haar. Ze wordt in een laatste poging toegewezen aan de goede zorgen van songwriter-producer Lee Hazlewood, die haar probeert met beide voeten terug op de grond te krijgen. Ze moet vooral goed weten dat ze niet meer zo piep is, intussen al 25, gehuwd geweest en intussen gescheiden. Met dit op haar cv wil Lee er met haar toch nog aan beginnen. Hij zet zich aan het schrijven met een totaal nieuw imago voor Nancy in zijn achterhoofd. Dat vrouwtje uit de porseleinkast moet opstappen. Hij zet haar een countryhoed op het hoofd, dost haar kortgerokt uit en schuift haar hoge lederen laarzen aan de voeten. De looks worden ruiger en de liedjes ook zoals je kunt horen op haar debuutalbum“Boots” met daaruit als 2de singlekeuze These boots are made for walkin’. Haar eerste single So Long Babe was een succes op dieet.

De opname is geen sinecure, want Lee wil een uniek geluid waarvoor hij kosten noch moeite spaart. Hij huurt de beste studiomuzikanten in: Hal Blaine, Al Casey, Tommy Tedesco, Carole Kaye en Billy Strange aan wie hij vroeg de arrangementen te schrijven. Billy komt op de idee twee basgitaren te gebruiken en die simultaan te laten klinken. Als extraatje klinkt de basgitaar van Chuck Berghofer. De noten moeten op aangeven van Lee haast glissando gespeeld worden.

These boots are made for walkin’ sloeg in als een bom en werd een wereldhit. De 26ste februari 1966 staat Nancy op één in de Amerikaanse charts. In Engeland is ze de eerste Amerikaanse zangeres die nog eens op één geraakt nadat Connie Francis haar dat in 1958 had voorgedaan met Stupid CupidOok in Nederland zit er een hoogste plaats in de Top 40 in. In de Vlaamse Top 30 is het net hetzelfde liedje. De 5de maart 1966 heeft Nancy ook bij ons een nummer één op zak. Nancy weet niet meer waar ze het heeft. Jarenlang is ze in de media de dochter van Frank Sinatra geweest, nadien de vrouw van Tommy Sands en plots krijgt ze een eigen identiteit aangemeten met in 1967 zelfs een eigen tv-show “Movin’ with Nancy”.Je zou denkn dat Nancy door het dolle heen is, maar achteraf zal ze over die hit zeggen: “The image created by Boots isn’t the real me. Boots was hard and I’m as soft as the come.” Lee had These boots are made for walkin’ in eerste instantie voor hemzelf geschreven. Hij beschouwde als een liedje waarop je lekker kon feesten. Hij had al aan Nancy gezegd dat hij het zelf ging opnemen, maar daar stak La Nancy een stokje voor en eiste de song voor haar op. Lee daarentegen had met Nancy liever het nummer The City Never Sleeps At Night opgenomen, maar dat zag Nancy dan weer niet zitten. Uiteindelijk gaat ze akkoord als het nummer het B-kantje van de single wordt. In het totaal worden er van These boots are made for walkin’ zes miljoen exemplaren verkocht. Tijdens haar optredens in die periode en in de bewuste clip droeg Nancy opvallend witte laarzen. In 1999 geeft ze die cadeau aan het Hard Rock Cafe in Beverly Hills.

Na deze hit en een goed gesprek met haar vader en de Rerpise-directie, wordt Nancy’s contract herzien en zullen zij en Lee een pak meer verdienen. Voor Nancy moet er echter wel snel een opvolger komen voor These boots are made for walkin’ en dat wordt in 1966 How does that grab you, darlin’?goed voor een zevende stek in de charts. Het wordt ook de titel van haar elpee met daarop 11 songs waaronder Crying TimeLet It Be Me en Bang Bang.

In het najaar van 1966 scoort Nancy ook nog goed met Sugar Town met op de B-kant haar duet met Hazlewood Summer Wine. Lee was namelijk  op de idee gekomen samen met Nancy een duetje te plegen, want dat kon hij ook eens in de spots staan, een stunt die hij in 1967 nog eens overdoet met het in Vlaanderen zowat grijsgedraaide Jackson dat in de maand juli van dat jaar in de Top 30 doorstoot naar de 2de plaats.  In navolging nemen pa en dochter Sinatra in 1967 met veel bijval ook een duet op Something stupid. Daarnee staan ze in de maand maart op 1 in Billboard’s Hot One Hundred.

Nadien blijven de echte hits uit voor Nancy. Nochtans is er in 1967 de titelsong in de James Bondfilm “You only live twice”. Met Lee Hazlewood scoort ze iets later nog twee bescheiden hits Lady Bird en Some velvet morning.

These boots are made for walkin’ wordt in 2005 gecoverd door Jessica Simpson die het opneemt voor de soundtrack van de film “The Dukes of Hazzard” (naar de gelijknamige tv-serie) waarin ze ook de hoofdrol speelt. Haar versie werd geproducet door Jimmy Jam en Terry Lewis.

Op 78-jarige leeftijd sterft Lee Hazlewood de 4de augustus 2007 thuis in Las Vegas, Nevada  aan de gevolgen van nierkanker.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Spanish eyes (Moon over Naples)

Bert Kaempfert staat in onze lijst met favorieten om te zoenen tweemaal genoteerd. Eerst met zijn grootste hit Strangers in the night en een tweede keer met Spanish Eyes. Beide songs waren eerst instrumentale nummertjes waaraan pas later de tekst werd toegevoegd. Bij elke song hoort ook een apart verhaal!

In de zomer van 1964 kwam Bert Kaempfert met Decca-producer Milt Gabler tot een akkoord een elpee op te nemen met als werktitel “Music from around the world”. Het zou een muzikale rondreis worden langs Japan, Afrika, Europa en Amerika. Bert zette zich meteen aan het werk en ging alvast op zoek naar bekende internationale songs die aan die landen gelinkt worden: Hava NagilaMidnight in Moscow… Hij had ook groen licht gekregen om het album aan te vullen met een aantal eigen composities. Hij koos Italië als inspiratiebron. Hij trekt zich terug op zijn buitengoed aan de Brahmsee in Holstein. Hij denkt al zoekend naar een romantische invalshoek aan de maan die over de Baai van Napels schijnt. Je moet immers iets hebben om in de mood te geraken. Die gedachte strookt niet met de realiteit, want buiten stormt het en giet het bakken regen. Wat niet belet dat Kaempfert een van zijn mooiste en meest romantische songs componeert Moon over Naples. Wanneer producer Milt Gabler twee maanden later, we zijn dan september, in Hamburg arriveert om met de opname van het album te beginnen, heeft hij beslist dat de elpee “The magic music of far away places” zal heten. Dat instrumentaaltje Moon over Naples valt hem meteen op. De opnames van de elpee hebben plaats van de 24ste tot de 28ste september 1964 in de “Polydor-studio” in Hamburg. Gabler zal iets nadien proberen een tekst te verzinnen bij Moon over Naples, maar dat lukt hem niet. Wie dat wel lukt zijn de heren Charles Singleton en Eddie Snyder. Zij komen op de proppen met Spanish Eyes, een klus waar ze samen toch een paar dagen zoet mee waren.

Op zoek naar een geschikte zanger komt Bert Kaempfert bij Freddy Quinn terecht met wie hij de voorbije jaren nauw heeft samengewerkt. Platenfirma Polydor wil Quinn ook een kans gunnen in Amerika. De 15de januari 1965 laat Kaempfert, Quinn weten dat hij het arrangement voor Spanish Eyes klaar heeft. De 26ste januari neemt Kaempfert met zijn orkest de playbackband op en de maand nadien zingt Freddy de zangpartij. Maar noch de directie van Decca, noch die van Polydor zijn tevreden met het resultaat. Ze stellen voor het nummer op een latere datum opnieuw op te nemen. Quinn zingt eind maart 1965 ook een versie in voor de Mexicaanse markt Ya Se Va. De 19de april van dat jaar verschijnt in Amerika het album “The magic music of far away places” van Bert Kaempfert met daarop dus Moon over Naples.

Iets voordien hadden Quinn en Kaempfert de tijd gevonden om in de loop van de maand maart 1965 opnieuw een poging te wagen om Spanish Eyes te vereeuwigen tijdens hun verblijf in Florida. Maar ook nu vlot het niet. In een soort wanhoopspoging belt Quinn, Charles Singleton op in New York met de klacht dat als hij de passage Spanish Eyes hoort te zingen, de maat niet klopt. Het wringt langs alle kanten. Hij moet die maat veel te lang aanhouden en dat klinkt niet oké. “Hey man, I call you back in ten minutes, give me your number” is het antwoord van Charles. Die belt zoals beloofd tien minuten later met de oplossing: “Man, I’ve got it. Sing, blue Spanish eyes.” En ja hoor, klaar is Kees. Die versie van Freddy wordt in Amerika uitgebracht op het Four Corners-label, verdeeld door Kapp Records. Terug in Duitsland gaat echter de Polydor-directie dwarsliggen. Ze weigeren Blue Spanish Eyes op single uit te brengen, argumenterend dat Spanjaarden geen blauwe ogen hebben. In Amerika daarentegen wordt de single opgepikt door disckjockey Lenny Shears die Quinn in Amerika uitnodigt, maar daar aangekomen, is de pret voor hem van korte duur, want door een meningsverschil tussen de platenfirma’s Decca (USA) en Polydor (Duitsland) moet de single uit de markt worden genomen. In de plaats daarvan wordt op de radio de instrumentale versie van Bert Kaempfert Moon over Naples vaak gedraaid.

Al Martino heeft inmiddels een paar maal op de radio Spanish Eyes gehoord en dringt erop aan dit op te nemen. De 21ste april zingt hij het nummer in in de Capitol-studio in New York City. Hij is op dat moment druk bezig met de opname van zijn elpee “My cherie”. De song wordt snel ingeblikt en meteen beslist zijn platenfirma Capitol Records het nummer de 4de december 1965 op single uit te brengen met als eindresultaat een vijftiende plaats in de Amerikaanse charts in de lente van 1966. Bij ons wordt het tijdens diezelfde lente een nummer 1 in de BRT Top 30.

De 26ste oktober 1965 heeft de Kroatische zanger Ivo Robic in de Polydor- studio in Hamburg onder leiding van Bert Kaempfert een Duitse versie ingeblikt van Spanish EyesMond, guter Freund. De 3de februari 1966 neemt Ivo een nieuwe versie op, deze keer zingt hij over Rot ist der Wein. Robic zal daarmee in Duitsland de veertiende plaats in de hitlijst bereiken. Al Martino doet het met zijn versie veel beter, hij geraakt tot op de derde plaats.

Freddy Quinn neemt de 12de augustus 1967 voor het Polydor-label een nieuwe versie op en zingt deze keer klaar en duidelijk Blue Spanish Eyes. Dat bekt veel makkelijker en klinkt ook veel beter dan zijn eerste poging waarin hij het kortweg had over Spanish Eyes. Maar een hit scoren met deze opname zit er voor Quinn niet in. Als je goed zoekt, vind je zelfs een singleversie met daarop aan de ene kant Spanish Eyes zonder blue gezongen en op de andere kant de versie mét blue.

Waar niemand ooit over praat is de versie die Sergio Franchi heeft opgenomen. Hij zingt de tekst die Charles Singleton in eerste instantie had geschreven Moon over Naples. Je vindt dit nummer terug op het RCA-label, zowel op single als B-kant van Ciao, ciao als op Franchi’s elpee “La dolce Italy”.

Wie tuk is op Spanish Eyes, beveel ik graag de cd “Moon over Naples/Spanish eyes” aan, uitgegeven door Bear Family Records (BCD 16674 AH) met daarop in het totaal 24 versies van Spanish Eyes, beginnend bij de instrumentale versie van Bert Kaempfert over die van Freddy Quinn en Ivo Robic tot en met Al Martino, The Ventures, Pat Boone én Johnny Mathis.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

Strangers in the night

Een van de meest bekende composities van de in 1980 in Mallorca overleden Duitse componist Bert Kaempfert  is de evergreen Strangers in the night. In Amerika werd dit lied een nummer 1 in de gezongen versie van de Voice Frank Sinatra in een productie van Jimmy Bowen en een arrangement van Ernie Freeman. Freeman zal er in 1967 tijdens de Grammy’s een award voor krijgen in de categorie Best Arrangement Accompanying a Vocalist or Instrumentalist.

Strangers in the night was voor het eerst te horen in de inmiddels compleet vergeten film “A man could get killed”, in 1966 gedraaid door Ronald Neame en Cliff Owen met in de hoofdrollen Melina Mercouri en Sandra Dee. Het filmverhaal gaat over de zakenman Garner die voor een internationale spion wordt aangezien. Het is een matige spionagepersiflage, verfilmd op mooie locaties  in Rome en Lissabon. Aan Bert Kaempfert werd door platenfirma MCA gevraagd de volledige soundtrack te schrijven. Alleen de song Strangers in the night heeft de film overleefd. In de film zelf heet de melodie oorspronkelijk Beddy-bye. Kaempfert weigerde aanvankelijk, maar toen hem werd aangeboden dat hij voor twee maanden naar Hollywood mocht, gaf hij toe. Bleek ter plaatse dat Bert samen met Herbert Rehbein met wie hij vele songs samen had geschreven in een hotelkamer werd opgesloten totdat hij op de proppen kwam met de soundtrack. Geen mens die aan de hand van de oorspronkelijke titel Beddy-bye op dat moment durfde denken dat de song in 1966 vier Grammy Awards in de wacht zou slepen. Toen de soundtrack van de film in Amerika uitkwam, vond niemand het de moeite waard om naar de winkel te stappen en zich die elpee aan te schaffen. In Duitsland, het thuisland van Kaempfert, bleef dat album zelfs onaangeroerd in de kast liggen.

Aan de bekende Amerikaanse tekstschrijvers Charles Singleton en Eddie Snyder werd gevraagd bij de instrumentale versie van het liefdesthema uit de film “A man could get killed” een Engelstalige tekst te verzinnen en dat werd Strangers in the night. Snyder herinnerde zich jaren later nog dat hij rond de piano zat, samen met Bert Kaempfert en Charles, en dat het twee weken duurde vooraleer ze tevreden waren over het eindresultaat. Toch niet uit het oog verliezen dat de song eerst aan Melina Mercouri werd voorgesteld, maar die vond dat het door een man gezongen moest worden en wees het voorstel af.

Het was producer Jimmy Bowen die Frank Sinatra op dit nummer attendeerde. Bowen had het vroeger zelf eens geprobeerd als zanger en scoorde in 1957 een bescheiden hit met I’m stickin’ with you, maar ontdekte dat hij het als producer verder zou schoppen. Hij werd door platenfirma Reprise in huis gehaald om de producties een meer poppy aanpak mee te geven. Zo scoorde hij als producer een nummer één met Everybody loves somebody, gezongen door Dean Martin, en een volgende nummer één met These boots are made for walking, gezongen door Nancy Sinatra. Bowen wou Sinatra een ander geluid geven: “My solution was to surround Sinatra’s golden voice with a dramatically more modern backing sound, particularly recording the rhythm section.”

Vrijdag de 8ste april 1966 geeft Jimmy aan Ernie Freeman de opdracht arrangementen uit te werken voor Strangers in the night. Op maandag de 11de april trekken ze ‘s avonds om vijf uur naar de studio om daar met het orkest een 15-tal keer het nummer door te nemen. Bowen doet een beroep op een stel sessiemuzikanten, bekend als The Wrecking Crew met daarin als contrabassist Chuck Berghofer, drummer Hal Blaine en percussionist Emil Richards. Ze moeten voortmaken, want om acht uur arriveert Sinatra om de song in te zingen. Voordien gaat Bowen nog snel iets eten in “Martoni’s restaurant”. Op zeker moment stapt daar zanger Jack Jones binnen die Bowen vertelt dat hij net een nummer heeft opgenomen, maar dat hij er niet zoveel in ziet. Wat blijkt. Jones heeft net Strangers in the night opgenomen. Het is dan half acht. Bowen schuift zijn snelle hap aan de kant en rent terug naar de studio. Hij heeft het plan opgevat na de opname het nummer snel te monteren en een stapel acetates te persen die hij vliegensvlug bij de belangrijkste deejays wil laten afleveren. Hij laat door een aantal koeriers die acetates aan een rist stewardessen bezorgen die ze meenemen op hun binnenlandse vlucht zodat de platen op een supersnelle manier bij de radiostations belanden.

Om acht uur is het dus zover. Het orkest zit gespannen klaar om met de opname te beginnen. Het wordt een peperdure productie met een grootse bezetting. Het mag tijdens deze drie uur durende sessie wat kosten. Producer Jimmy Bowen wil er alles uit persen om zich tegenover Sinatra te bewijzen. In het orkest zit ook gitarist Glen Campbell. “I had no idea what to expect. I found myself as nervous as a long-tailed cat in a room full of rocking chairs.” Hij is niet de enige gitarist, want hij krijgt in de studio ook nog het gezelschap van Bill Pitman, Al Casey en Tommy Tedesco. De technicus van dienst, Eddie Brackett, plaatst hen vlak naast Sinatra’s microfoon. Campbell zit het dichtst bij The Voice en kan hem goed in de gaten houden. Intussen was er een probleem gerezen wat de pianist betreft. Sinatra heeft zoals steeds zijn vaste pianist Bill Miller meegebracht, maar Bowen wil Michel Rubini als pianist, want die had de vorige repetities meegemaakt en  wist precies wat er van hem verwacht werd. Sinatra bekijkt deze scène argwanend vanop een afstand, maar met een slimme zet weet Bowen, Miller mee te lokken naar de opnameruimte en zo kan Rubini dan toch plaatsnemen achter de toetsen. Dirigent die avond van het studio-orkest is Sid Sharp. Alles loopt gesmeerd, behalve op het einde van het nummer,de laatste dertig seconden van de song.  Sinatra is gewoon een nummer mooi af te ronden, maar nu blijft het orkest doorspelen terwijl hij al is uitgezongen. Sinatra is duidelijk geïrriteerd. Bowen stelt hem voor een beetje te scatten, zoals dat vooral inde jazz gebruikelijk was. Maar dat lukt een eerste keer niet zo goed. Bowen stelt het voor nog eens over te doen, maar dat zint Sinatra niet, want die is het een nummer in één keer op tape te zetten. Hij oefende thuis altijd zo grondig dat hij er in de studio zelf mee klaar was.The Voice had trouwens de gewoonte telkens hij in de studio zong, een rist gasten uit te nodigen. Hij had altijd publiek nodig. En hij vond nu tegenover hen dat hij maar wat stond te knoeien. Uit verveling zingt hij tijdens die tweede opname op het einde een aantal dooby-dooby-doos. Producer Bowen is in de wolken. Dit is precies wat hij wil. Pianist Rubini heeft zo zijn twijfels: “People are either going to laugh you out of town or they’re going to turn on to it. One or the other.” Maar Bowen blijft bij zijn besluit. De dooby-doony-doos blijven!

De 7de mei 1966 wordt Strangers in the night op single uitgebracht met op de B-kant Oh, you crazy moon. Binnen de kortste keren staat Sinatra op één in Billboard’s Hot One Hundred en in de Britse Top 40. Insiders wisten echter vanaf het eerste moment dat Sinatra Strangers in de night niet lustte. Het was zo erg zelfs dat hij dat lied nadien maar zelden live heeft gezongen. Johnny Mathis was echter wél  fier toen hij die song kon opnemen. Zo fier zelfs dat hij een ganse elpee met liedjes van Bert Kaempfert volzong “Johnny Mathis sings the music of Bert Kaempfert’”. In Engeland was het Matt Monro die Kaempfert alle eer aandeed met zijn opname. Strangers in the night wordt meteen ook de titel van de gelijknamige elpee die Sinatra in 1966 op het Reprise-label uitbrengtt.

We dienen om het verhaal volledig te vertellen ook even je aandacht te vestigen op dat haast nooit verteld verhaal over plagiaat. De Franse componist Philippe-Gérard die ooit hits had geschreven voor Catherine Sauvage, Yves Montand en Edith Piaf, componeerde in de jaren 50 het liedje Magic Tango dat via een vriend in Amerika aanbelandde bij uitgeverij Chappell die het van een Engelse tekst lieten voorzien door Jack Kennedy. Het was het orkest van Hugo Winterhalter dat het op plaat zette en er twee miljoen exemplaren van verkocht. Op die manier kwam het ook in Europa terecht én ter ore van Bert Kaempfert. Toen Philippe-Gérard jaren later de melodie Strangers in the night hoorde, ontdekte hij dat er welgeteld 22 maten van zijn Magic tango in die melodie van Bert Kaempfert waren verwerkt. Er werd heen en weer ruziegemaakt en er werd wederzijds met enorme dwangsommen gedreigd, maar tot een echte uitspraak kwam het niet. Alleen werden in Frankrijk de auteursrechten van Strangers in the night geblokkeerd. Uiteindelijk gaf  de rechter Philippe-Gérard gelijk, op papier, want in werkelijkheid is de man er niet rijk van geworden en werd hem vriendelijk gevraagd zijn aanklacht in te trekken.

Daarnaast is er ook het wat vreemde verhaal dat Avo Uvezian (bekende Armeense jazzpianist) met de componisteneer wil gaan lopen. Hij beweert dat hij in New York verleef en daar een melodie schreef en het doorspeelde aan iemand die de tekst neerpende. Het nummer heette toen Broken guitarsOmdat hij geen kans zag het in Amerika uit te brengen, speelde hij het nummer door aan zijn vriend Bert Kaempfert die hem beloofde het in Duitsland uit te geven en de auteursrechten te delen. Wanneer Sinatra iets later het nummer in handen krijgt, weigert hij die tekst te zingen. Het zijn dan Charles Snyder en Eddy Singleton die het lied van een nieuwe tekst voorzien. Het nummer werd gedeponeerd als Strangers in the night en dus kon Uvezian geen aanspraak meer maken op de auteursrechten.

We zijn er nog niet. Er is ook de Kroatische zanger Ivo Robic die volhoudt een vinger in de pap te hebben. Hij beweert namelijk dat hij speciaal voor een liedjesfestival in Split, Kroatië, het nummer Ta ljetna noc (Deze zomernacht) schreef dat door de jury niet wordt geselecteerd. Daarop verkoopt hij de rechten aan Bert Kaempfert met wie hij in die tijd vaak samenwerkte en die het op zijn beurt arrangeert. In de zomer van 1966 neemt Ivo Robic voor het Jugoton-label zijn versie op van  Strangers in the night gezongen in het Kroatisch, Stranci u nociOpvallend is dat op het singlelabel de naam Kaempfert als componist staat vermeld, niet Robic, én de tekstschrijfster Marija Renota. Robic zal het ook in het Duits opnemen als Fremde in der Nacht.

Om af te ronden in de marge nog vermelden dat Engelbert Humperdinck beweert dat hij oorspronkelijk Strangers in the night had opgenomen, maar Frank Sinatra gaf meer gas. Die opname verdween in de kluizen om nadien nooit meer terug gevonden te worden. De 30ste januari 2001 wordt zijn album “It’s all in the game” uitgebracht met daarop een nieuwe ingezongen versie van Strangers in the night.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

The sounds of silence

Paul en Art waren met The sounds of silence (de titel staat ook hier en daar  als The sound of silence vermeld) niet aan hun proefstuk toe. Zij hadden op het einde van de jaren vijftig al liedjes opgenomen als het zingende duo Tom & Jerry. In 1963 komen zij opnieuw samen en nemen als Kane & Garr enkele songs op die Paul heeft geschreven. Die liedjes baden in een folky sfeer die ze graag zongen in “Gerde’s Folk City”, een hootenanny club in de New Yorkse wijk Greenwich Village. In de loop van de maand september 1963 zingen zij daar een aantal nieuwe liedjes waaronder The sounds of silence. Toevallig komt dit producer Tom Wilson van Columbia Records ter ore die op dat moment samenwerkt met Bob Dylan. Simon weet Wilson ervan te overtuigen een auditie voor hen te organiseren die iets later leidt tot een contract bij Columbia Records.

Paul Simon weerlegt het verhaal dat hij The sounds of silence geschreven zou hebben tijdens de nadagen van de moord op John F. Kennedy. Hij zat gewoon thuis in zijn badkamer met de lichten gedoofd en zijn akoestische gitaar op schoot. De tegels van de badkamer zorgden voor een leuke weerkaatsing waardoor zijn stem plots veel ruimer klonk. Hij zette de kraan op halfzacht zodat het lichte ruisen van het water hem inspireerde tot het schrijven van The sounds of silenceDe duisternis in die badkamer vormt ook meteen de aanzet van het liedje: “Hello darkness, my old friend…” De maanden nadien blijft die tekst door zijn hoofd spoken en Paul beweert dat de song op de avond van de negentiende februari 1964 een definitieve versie krijgt. Van de 10de tot de 31ste maart 1964 neemt Simon samen met Art en met producer Tom Wilson twaalf songs op voor hun eerste elpee ” Wednesday Morning, 3 A.M.”. Op dat album een akoestische versie van The sounds of silence. Als je goed luistert zingen ze wel degelijk The sound of silence, maar op de hoes staat duidelijk vermeld The sounds of silence. Kan je nog volgen?

Wanneer Paul Simon van zijn platenfirma te horen krijgt dat van de elpee  ”Wednesday Morning, 3 A.M.” amper drieduizend exemplaren verkocht zijn, besluit hij in 1965 naar Londen te verhuizen. Daar neemt hij in de “Levy’s Recording Studio” in New Bond Street in de maanden juni en juli een soloplaat op “The Paul Simon Songbook” met daarop onder meer een herwerkte versie van The sound of silence (hier zingt hij wel degelijk over The sound of silence en zo staat het ook op de hoes vermeld). Een van de nummers op dat album is I am a rock dat Simon de veertiende december 1965 opnieuw opneemt, deze keer samen met Art, en dat bedoeld is voor de elpee “Sounds of Silence” die de zeventiende januari 1966 in de winkel ligt.

Gelukkig voor Simon & Garfunkel pikt intussen een deejay van het radiostation WBZ-FM in Boston het nummer The sounds of silence op en begint dat in zijn laatavondshow te draaien. Stations aan de oostkust pikken het ook op. Dat fenomeen merkt ook producer Tom Wilson. Intussen heeft, dankzij onder anderen The Byrds, de elektrische folk zijn intrede gedaan. Wilson komt op de idee The sounds of silence een elektrische facelift te geven. De 15de juni 1965 zit hij in de studio met gitarist Al Gorgoni, bassist Bob Bushnell  en  drummer Bobby Gregg. Hij had diezelfde dag met dit trio Bob Dylans Like a Rolling Stone opgenomen. Technicus van dienst Roy Halee mixt het nummer met heel wat meer echo dan er bij de originele akoestische versie werd gebruikt.

De dertiende september 1965 wordt deze geremixte versie van The sounds of silence op het Columbia-label als single uitgebracht. Noch Simon noch Garfunkel waren van deze nieuwe mix op de hoogte gebracht omdat zij niet meer als duo voor Columbia werkten. Paul Simon trad op dat moment in een Deense club op waar hij op zekere dag een exemplaar van Billboard in handen krijgt en ziet dat The sounds of silence het in de charts erg goed doet. Ook Garfunkel krijgt het in de gaten en belt meteen Simon op. Paul is eerst niet blij met deze versie omdat de technicus van dienst wat had geknoeid met het tempo en met de stemmen van hem en Art. Eind 1965 breekt de singleversie eerst door in de buurt van Boston om vervolgens ook veel gedraaid te worden in Miami, Washington D.C. en in de rest van Noord-Amerika. De vierde december staan Simon & Garfunkel op één en ze zullen zo’n twaalftal weken in de charts blijven met als eindresultaat in de maand januari van 1966 méér dan één miljoen verkochte exemplaren. Simon herinnert zich nog dat zij elk rond die tijd nog bij hun ouders inwoonden en dat zij op een avond samen in de auto zaten en daar de deejay van dienst hoorden aankondigen dat The sounds of silence op één staat. In de Britse Top 40 is er voor The Sounds of Silence geen plaats gereserveerd. Pas met de singles Homeward bound en I am a rock breken Simon en Garfunkel in Engeland door. In Nederland daarentegen klom de single naar de tiende plaats en werd Homeward bound vier maanden later een topvijfhit. In België zat er voor beide heren een elfde plaats in. Simon en Garfunkel scheren qua singlehits bij ons niet zo’n hoge toppen. Alleen Cecilia en El Condor Pasa worden bij ons echte hits. Het zijn eerder hun albums die hier in de smaak vielen.

In de slipstream van het succes van The sound of silence wordt in de loop van de maand januari 1966 de elpee “Wednesday morning, 3 A.M.” opnieuw uitgebracht, zowel in stereo als in mono, deze keer met méér succes. Het album bereikt de dertigste plaats in de Album Top Tweehonderd.

Eind december 1967 gaat de film “The Graduate” met in de hoofdrol Anne Bancroft en Dustin Hoffman in première. Regisseur Mike Nichols gebruikt onder meer The sounds of silence in de soundtrack. Deze film zal dankzij het nummer Mrs Robinson de grote internationale doorbraak voor Simon & Garfunkel betekenen.

Van The Sounds of Silence bestaat er een coverversie door de Britse groep The Bachelors die daarmee een derde plaats in de Britse Top 40 van de maand april 1966 bereikten. In Nederland werd het nummer door Boudewijn de Groot vertaald als Het geluid van de stilte op tekst van Lennaert Nijgh en terug te vinden op zijn eerste elpee.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Tender years

Er zijn zo van die liedjes waaraan een zweem van nostalgie kleeft en die, hoe vaak je ze ook hoort, je met weemoed doen terugdenken aan de tijd van toen. Mijn oudste zus Chris draaide in 1963 het singletje Tes tendres années van Johnny Hallyday zo goed als grijs. Tijdens een iets te zonnige zomer, enkele jaren later, had ze het singletje onvoorzichtig tegen het raam in de veranda laten staan, en vinyl en een iets té warme zon zijn geen al te dikke vrienden. Ik heb het singletje nog altijd, maar zo kromgetrokken dat ik het niet meer kan draaien.

Tes tendres années is oorspronkelijk een Amerikaanse countrysong geschreven door Darrell Edwards en in 1961 op plaat gezet door George Jones met op de B-kant Battle of loveHet zou Jones’ tweede nummer één worden in de countrycharts dat jaar. Daarvoor moest hij wel eerst I fall to pieces van Patsy Cline aan de kant zetten. Tender years bleef van de 21ste augustus tot de 18de september op de eerste plaats genoteerd en moest daarna plaats ruimen voor Walk on by van Leroy Van Dyke. Tender years zal datzelfde jaar ook een overstapje wagen richting popcharts waar het echter bleef haperen op de 76ste plaats.

Toen Johnny Hallyday in 1963 in Nashville was om daar enkele nummers op te nemen waaronder een Engelstalige versie van Tender years, was hij vastbesloten, eenmaal  terug in Frankrijk, er een Franstalige versie van op te nemen. Johnny gebruikte de originele Amerikaanse orkestband en niemand nam er aanstoot aan dat op de Franse versie het koor in het Engels Tender years staat te kwelen. In die tijd was het zo dat er in Frankrijk geen singles op de markt werden gebracht zoals wij die kennen, namelijk met een A- en een B-kant, twee liedjes dus. Bij hen werden er uitsluitend ep’s op de markt gebracht, een single met vier liedjes. Dus Johnny had nog drie andere nummers nodig voor zijn plaatje met daarop als earcatcher Tes tendres années.

Johnny staat begin februari 1963 in de Fontana-studio’s in Parijs  begeleid door The London All Stars met daarin onder meer Big Jim Sullivan die nog bij het orkest van Marty Wilde had gespeeld, The Wild Cats, en gitarist Vic Flick. Pianist van dienst is Reg Guest samen met bassist Alan Weighel en percussionist Bobby Graham. Voor de backing vocals zorgen de Britse dames The Breakaways. Deze bezetting zou enkele maanden later ook gebruikt worden tijdens de opname van de tweede elpee van Eddie Mitchell.  Johnny neemt het nummer Poupée brisée op van de hand van Eddie Vartan, oorspronkelijk een instrumentaal nummer voorzien van een Franse tekst door Georges Aber en Francis Dreyfus. Er wordt ook het nummer Mashed Potato Time opgenomen waarmee ze inpikken op de rage van deze dans die, vlak na de twist, vooral in Amerika brokken maakte. Aan dit ep’tje dat de 1ste maart 1963 op de markt verschijnt, wordt ook nog het nummer Elle est terrible toegevoegd. Tes tendres années wordt in Frankrijk voor Johnny een gouden hit. De 9de april verschijnt het nummer ook op de elpee “L’idole des jeunes” van Johnny Hallyday.

In ons land wordt Tes tendres années op single uitgebracht met op de B-kant Les bras en croix,een song van Jil en Jan door Johnny in Nashville opgenomen en waarop je hoort dat hij een van de betere rockers van zijn tijd was. Ook dit nummer zou samen met Tes tendres années in Frankrijk in de maand april van 1963 een gouden hit worden. Tes tendres années bereikt in ons land in de maand september van 1963  de negende plaats.

De Nederlandse zangeres Willeke Alberti die in die tijd bekend was als dochter van de in Nederland erg populaire schlagerzanger  Willy Alberti. Platenfirma Philips zag wel wat in het nummer Tender years en liet het in het Nederlands te laten vertalen door Lodewijk Post, schuilnaam van de Nederlandse tekstschrijver en radioman Gerrit den Braber.  Willeke neemt Spiegelbeeld op samen met het orkest van Jack Bulterman in een productie van Peter Koelewijn. De 30ste november 1963 bereikt Willeke de tweede plaats van de Nederlandse Top 40. Het wordt in Nederland haar eerste gouden plaat. Bij ons in België slaat die versie vreemd genoeg niet aan. Willeke zal hier trouwens de jaren nadien wel geliefd zij, maar stevig scoren in de Top 30 deed ze nooit.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Suspicious minds

Suspicious minds is een nummer geschreven door Mark James die het in 1968 opnam in de “American Sound Studios”. Zijn versie, in een productie van Chips Moman, die op het Scepter-label verscheen, geraakte niet tot in de hitlijsten. Voor zijn versie van Suspicious minds kiest Elvis net dezelfde producer als Mark, bijgestaan door Felton Jarvis en hetzelfde orkest. Als backingvocalisten doet Presley een beroep op Jeannie Greene en de latere countrylegende Ronnie Milsap. Elvis was ontzettend blij dat hij na zoveel jaar in Nashville te hebben opgenomen, terug in Memphis was. Hij voelde zich ook goed in zijn vel, want hij was terug van een beetje weggeweest. Zijn tv-special in 1968 voor NBC Television was een fenomenaal succes geworden. Presley was weer talk of the town. Het was geleden sinds de zomer van 1955 toen Presley voor het laatst in de “Sun Studio” had gezongen dat hij nog in Memphis een plaat had opgenomen. Er werden tien dagen uitgetrokken, van de 13de tot de 23ste januari 1969, om de opnamesessie af te ronden. Nu waren die “American Record Studios” niet de eerste de beste. The Box Tops hadden daar hun hit The letter opgenomen, net als B.J.Thomas zijn hit Hooked on a feelin’ en Dusty Springfield haar Son of a preacher man.

Tijdens die tien dagen in de “American Record Studios” nam Presley ook zijn hits In the ghetto en Don’t cry daddy op, een sessie die dus loonde.  De 23ste januari wordt ‘s nachts tussen half een en half vier Suspicious minds ingeblikt samen met onder meer de nummers I’ll hold you in my heart en Without love. Elvis wordt begeleid door onder anderen bassist Mike Leech, drummer Gene Christian, pianist Bobby Wood en organist Bobby Emmons. Het is producer Chips Moman die Elvis weet te overtuigen Suspicous minds op te nemen. Het is de allerlaatste song die ze inblikken nadat ze al tussen de 13de en de 16de januari en de 2Oste en 23ste februari een hele rist nieuwe songs hadden ingeblikt. Presleys vrienden George Klein en Joe Esposito die bij de opname aanwezig zijn, moedigen hem aan het te proberen. Presley vraagt aan pianist Bobby Wood of die niet wat wil meezingen tijdens het inoefenen van de tekst omdat Elvis geen tijd wil verliezen. The King voelt zich in zijn nopjes en is maar wat blij wanneer ze tegen een uur of vier in de ochtend de studio kunnen verlaten.

Maanden later zal Presley Suspicious minds uittesten tijdens een liveoptreden in het “Hilton Hotel” in Las Vegas, om precies te zijn de 26ste juli 1969. Het publiek is laaiend enthousiast. RCA en Presleys entourage voelden toen al aan dat het op single een grote hit zou worden. Net wanneer Presley zijn laatste optreden in Vegas had afgerond, kwam Suspicious minds op de zeventigste plaats in de Amerikaanse Top 100 binnen. Zeven weken later staat het op één nadat The Temptations met I can’t get next to you aan de kant zijn geschoven. Het is Presleys zeventiende nummer één, meteen ook zijn allerlaatste. Het jaar daarop treedt Presley alleen maar in Noord-Amerika op. Voor zijn vele fans wereldwijd is het wachten tot de 24ste januari 1973 wanneer hij iedereen verrast met zijn tv show “Aloha from Hawaii via satellite”.

Met Suspicious minds staat Presley slechts één week op nummer één, want The Fifth Dimension stonden te dringen om met Wedding bell blues die eerste plaats over te nemen. Suspicious minds bereikt in de Engelse Top 40 de tweede plaats. In de Nederlandse Top 40 is een zesde plaats weggelegd. In de Top 30 van België komt Suspicious minds in 1969 nergens tevoorschijn. Nochtans had Presley met In the ghetto net op één gestaan en zal Don’t cry daddy bij de start van 1970 beloond worden met een tweede plaats.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Surfin’ U.S.A.

Een van de belangrijkste rock-’n- rollartiesten is en blijft Charles Edward Anderson alias Chuck Berry. Zijn unieke, ruwe stijl diende als voorbeeld voor heel wat popartiesten die zouden volgen: van The Beatles, over The Rolling Stones tot en met The Beach Boys. Berry’s hit Sweet little sixteen en Wilsons Surfin’ USA zijn twee handen op één muzikale buik, een verhaal dat in een en dezelfde adem verteld kan worden.

Het was de legendarische blueszanger Muddy Waters die wel wat zag in Chuck Berry en hem zonder aarzelen voorstelde aan zijn platenbaas Leonard Chess van het legendarische Chess-label. Berry pakte meteen sterk uit met het nummer Maybelline, niet alleen een nummer één in de Amerikaanse r&b-charts, maar ook een nummer vijf in de poplijsten. School day deed het zelfs twee plaatsen beter en ook de single Rock androll music werd een toptienhit.

Na de kerstdagen van 1958 trok Berry naar de opnamestudio’s om een van zijn grootste hits in te blikken, Sweet little sixteenHij schreef dit liedje nadat hij was opgetreden tijdens een concert waar hij voor de eerste keer het nieuwe tieneridool Paul Anka aan het werk had gezien. Hij -zelf was toen net de dertig gepasseerd en hij zag hoe enthousiast die tieners bezig waren met het verzamelen van handtekeningen. Hem viel zelfs een meisje op, niet ouder dan een jaar of acht, helemaal gefocust op een contact met haar idool waarbij hij terugdacht aan de tijd toen hij zelf een jaar of zestien was. Vandaar de titel Sweet little sixteen.

Het was de bekende Amerikaanse deejay Dick Clark die Chuck Berry uitnodigde voor zijn populaire tv-show “American Bandstand”. Nu was het de gewoonte dat de artiesten die daar optraden hun liedjes meezongen met de plaat, lip sync zoals dat met een vakterm wordt genoemd. Berry wou live optreden en kreeg het aan de stok met de producer, maar uiteindelijk gaf hij toch toe omdat hij wist hoe belangrijk het was om via “American Bandstand” zijn nummer te promoten. De single dook de 17de februari voor de eerste maal op in Billboard’s Hot One Hundred op de 46ste plaats om door te stoten naar de 19de, vervolgens naar de 7de, dan naar de derde en ten slotte de tweede plaats in de Top 1000. Verder zal Berry niet geraken, want The Champs staan stevig op één met Tequila.

Een van Berry’s hevigste fans was Brian Wilson van The Beach Boys die met zijn groep voor de eerste keer voorzichtig in de hitlijsten had gestaan in 1962 met hun eerste single Surfin’ en iets later met Surfin’ SafariIn de loop van de maand januari en februari van 1963 trokken ze naar de studio om de elpee “Surfin’ USA” in te blikken in het gezelschap van producer Nick Venet.  De elpeetitel werd ontleend aan de hit Surfin’ USA waarvoor Brian Wilson iets te veel had gejat van het nummer Sweet littles ixteen van Chuck Berry. In het begin deed Wilson alsof zijn neus bloedde, maar na een rechtspraak kon hij niet anders dan toegeven dat hij iets teveel bij Berry was gaan lenen en dat het niet meer dan normaal was dat hij als coauteur werd aangewezen. De 5de januari 1958 werd Surfin’ USA door The Beach Boys ingeblikt en de 4de maart op single uitgebracht met Shut down op de B-kant. 14 weken bleef Surfin’ USA in Billboard’s Hot One Hundred geparkeerd om uiteindelijk op de derde plaats te stranden. Let wel, toen stond alleen Brian Wilson als auteur vermeld. Pas toen Surfin’ USA in 1974 opnieuw op single werd uitgebracht werd ook Chuck Berry vermeld.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

She loves you

Toen Bob Dylan in 1963 met zijn eerste elpee op de markt kwam en Buddy Holly er  postuum in slaagde drie hits op rij te scoren, palmden The Beatles de Britse hitlijsten in met She loves you, hun bestverkochte single ooit in Engeland.

Zij hadden die rush al enigszins ingezet met Love me do en Please Please Me, maar buiten Liverpool kende niemand hen van haar noch pluim. Om een voorbeeld te geven: toen zij in het voorjaar van 1963 in Schotland optraden, werden zij daar nog geafficheerd als The Love Me Do Boys. In die tijd waren zij nog gelukkig als ze voor een optreden honderd Britse pond konden vangen en als ze in een of ander schoollokaal mochten optreden. In de zomer van 1963 wist zo ongeveer iederéén wie The Beatles waren, dat er zoiets als beatmuziek bestond en dat de fundamenten waren gelegd voor wat zou uitgroeien tot het fenomeen Beatlemania. Hun eerste nummer één hadden zij te pakken met From me to you, maar plat ging pas iedereen wereldwijd toen The Fab Four uitpakten met She loves you daarbij geholpen door een paar opvallende tv-optredens en overvloedige aandacht in de pers.She loves you werd de tweede nummer 1-single in een opeenvolgende reeks van elf.  She loves you was al een dikke hit voor het in de rekken lag. Vijfentachtig procent van de totale verkoop werd al in voorverkoop gerealiseerd met een totaalomzet van 1,9 miljoen exemplaren. En dat alleen al in Groot-Brittannië. She loves you zou 14 jaar lang de bestverkochte single blijven in Engeland tot Paul McCartney himself dat record verbrak met Mull of Kintyre.

She loves you werd de eerste juli 1963 in “Studio 2″ van Abbey Road ingeblikt samen met technicus Norman Smith en producer George Martin. John Lennon en Paul McCartney schreven het in hun hotelkamer, de zesentwintigste juni 1963, alvorens op te treden in “The Majectic Ballroom” in Newcastle-upon-Tyne. Zij sliepen in een Turks hotel in een grote kamer en John en Paul tokkelden daar, terwijl zij elk op hun bed zaten, de eerste noten van She loves you op hun akoestische gitaren. Zij hadden nog een paar uurtjes vrij en het was Paul die John stimuleerde om een nummertje te schrijven. Het was ook hij die al de hele tijd rondliep met in zijn achterhoofd de hit Forget him van Bobby Rydell en op de idee kwam om hun liedje in de derde persoon te schrijven. Dus niet zoals zo vaak I love you of you love me, maar nu eens she loves you. De dag nadien hadden zij een dagje vrij en ook de tijd om de song bij Paul thuis in de achterkamer in de juiste vorm te gieten. Hij weet nog goed dat zijn vader televisie aan het kijken was en een sigaretje aan het roken. Hij was het ook die het liedje voor het eerst te horen kreeg waarbij hem vooral het gebruik van yeah, yeah, yeah opviel. Hij vond dat Paul zich té zeer liet veramerikaniseren, dat hij beter yes yes yes kon zingen.  Paul realiseerde zich toen niet dat het gebruik van yeh, yeah, yeah The Beatles een hele tijd zou blijven achtervolgen en dat men die periode achteraf ook als de “yeah-yeah-jaren” zou bestempelen.

Tijdens de opname, de eerste juli 1963 dus, meteen nadat producer George Martin net terug was van twee weken vakantie, zou blijken hoe hecht The Beatles als groep klonken, want de zangpartijen van Ringo Starr en George Harrison klinken even belangrijk als die van John en Paul. Op aanraden van George Martin begint het lied met het refrein en mag Ringo laten horen hoe goed hij zich als drummer letterlijk uit de slag kan slaan. Die korte drumslagen aan het begin van het nummer zorgden ervoor dat She Loves You een wereldhit werd met zowat de kortste intro ooit. Op het einde van het nummer wordt het refrein zes keer herhaald, wat dan weer een idee was van George Harrison. Het was hij die het meest moest wennen aan het woordje yeh yeh, maar de overige jongens wisten hem te overtuigen het toch maar mee te zingen. Tijdens diezelfde sessie namen zij ook het nummer I’ll Get You op dat Paul samen met John schreef toen die nog in Menlove Avenue woonde. Zij schreven die song een paar dagen nadat zij From Me To You hadden gecomponeerd.  Na zes uur musiceren zijn beide songs ingeblikt. Drie dagen later worden in “Studio 2″ van Abbey Road de mono- en stereomixen door George Martin afgewerkt. Die stereomix zou nooit op plaat noch op cd verschijnen, behalve op de bootleg-cd “Something Extra”.

De drieëntwintigste augustus 1963 wordt de vierde single van The Beatles in de markt gezet, na dus Love Me Do, Please,Please Me  en From Me To You. De achtentwintigste augustus 1963 staat She Loves You  op de tweede plaats in de Britse Top Veertig en werden er in één week tijd een half miljoen exemplaren verkocht. De derde september prijkt  She Loves You op één. In de Britse pers werd meteen gewag gemaakt van”Beatles Fever”. Het was nog nooit eerder gebeurd dat er in voorverkoop al 250.000 exemplaren besteld waren. She loves you mag je de start noemen van Beatlemanie, wat echt duidelijk werd toen The Beatles op zondag de dertiende oktober 1963 optraden in het BBC programma “Sunday Night at the London Palladium”. Het was het meest bekeken programma op dat moment in Groot-Brittannië. Ringo merkte later op  ”There was nothing bigger in the world than making it to the Palladium“. Toen The Beatles in de namiddag al opdoken om te repeteren, brak de hel los, want honderden fans hadden zich al voor de ingang opgesteld om toch maar niets van hun idolen te hoeven missen. “The Daily Mirror” blokletterde ‘s anderendaags op de frontpagina terecht “Beatlemania: screaming girls launched themselves against the police – sending helmets flying ands constables reeling!” Dit veroorzaakte in Engeland een ware tsunami. Waar The Beatles de weken nadien ook opdoken, overal werden ze getrakteerd op oorverdovend geroep en getier en de meest wilde scenes. Toen ze terugkwamen van een tournee in Zweden wachtten duizenden uitzinnige fans hen op op de luchthaven van Heathrow.

In Amerika wordt She Loves You de zestiende september van dat jaar uitgebracht, maar het doet niets. Ook hun eerste twee singles die ze daar op het Vee Jay-label uitbrengen, roept geen reacties op. Amerikaanse dj’s hadden geen oren naar die in hun land onbekende Beatles. Brian Epstein trok zelf naar New York om daar in een ultieme poging te proberen die singles van de grond te krijgen, maar het baatte niet.  Pas wanneer I Want To Hold Your Hand een hit wordt, besluit hun manager Brian Epstein She Loves You in Amerika opnieuw op single uit te brengen. De vijfentwintigste januari 1964 wordt She Loves You in de States opnieuw uitgebracht en zal daar vrij snel op één aanbelanden. Op een bepaald moment palmen The Beatles in de Amerikaanse charts de top drie volledig in met op één  She Loves You, op twee Want To Hold Your Hand en op drie Please Please Me.

In Nederland is het ook even wachten. Daar bereiken The Beatles met She Loves You de veertiende december 1963 de tiende plaats in de Top 40. De vorige singles deden daar niets. Bij ons staan The Beatles pas bij de start van 1964 in de Top 30 en bereiken de vijfde plaats. Pas twaalf singles later zullen zij hier hun eerste nummer één scoren en dat in het najaar van 1965 met Yesterday.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

Guido Belcanto

Reeds drie decennia lang vaart deze eigenzinnige zanger zijn eigen koers, wars van alle modes en trends, stroomopwaarts en zonder compromissen. Deze consequente houding heeft hem een uniek oeuvre opgeleverd dat staat als een huis en vermaak en troost biedt aan een almaar breder wordende massa fans. Gedurende zijn hele carrière heeft men gepoogd Belcanto in een vakje te stoppen. Tevergeefs. “Ik ben niet de plezantste thuis. Ik ben serieus, beschouw het leven als een geschenk van het noodlot. We worden erin gegooid, met als enige zekerheid dat wij eraan moeten. Schrijven – literatuur, poëzie of songs – heeft tot doel dat doemgevoel te bezweren. Je gaat het gevecht aan, en dat lucht op. Ik denk dat dat is wat me drijft. Op zich heeft het leven geen zin, je moet het zin geven. En ik doe dat door liedjes te schrijven.”

In zijn welkomstwoord op zijn verzamel-cd “Liefde, lust en leed” schrijft Guido Belcanto dat het nooit zijn intentie is geweest zanger te worden. “Ik heb het gevoel”, zo schrijft hij, “dat ik altijd een zanger ben geweest en dat al vanaf mijn geboorte.” Die had de drieëntwintigste mei 1953 plaats. Guido August Constancia Versmissen, want dat is zijn echte naam, werd in Turnhout in een gezin van vijf kinderen geboren. Zijn ouders, August Versmissen en Maria Vanhaute, baten in die tijd in de buurt van de kerk van Wortel het café “In de verzekering tegen de dorst” uit, waar Guido niets liever doet dan naar de plaatjes op de jukebox luisteren. Aan hun café is ook een winkeltje verbonden waar je tabak, wasproducten, snoepgoed, aardappelen enz. kunt kopen. Zijn vader solliciteert een tijdje later bij het bedrijf “Brepols”, dat speelkaarten produceert, en klimt daar op tot personeelschef. Van zijn moeder erft Guido zijn muzikaliteit, maar ook zijn liefde voor de romans van Guy de Maupassant. Mama was daar dol op. Voor zijn middelbare studies gaat Guido naar het Sint-Jozefcollege bij de paters jezuïeten. Zijn moeder vindt dat Guido een slimme jongen is en stuurt hem naar de Latijn-Griekse humaniora. Hier leert hij met talen omgaan, de juiste woorden gebruiken. Maar Guido is allesbehalve een briljante leerling. Hij geraakt met de hakken over de sloot. Hij ontdekt hier wel twee van zijn grootste talenten: voetballen en zingen. Hij belandt als sopraan in het schoolkoor, onder leiding van pater Renaat Dumont. Voor die man is het koor niet alleen zijn passie, maar ook een prestigezaak. Er moet dus juist en goed gezongen worden. Guido behoort onmiddellijk bij de voorzangers, een elitegroepje van vijf binnen het koor én een enorme boost voor zijn zelfbeeld. “Je zou me kunnen vragen hoe ik erop gekomen ben om zanger te worden. Ik ben daar niet op gekomen, het heeft zo moeten zijn. Ik heb het gevoel dat ik altijd een zanger ben geweest en dat vanaf mijn geboorte. Er is geen enkele periode in mijn leven geweest dat ik niet heb gezongen. Reeds in mijn prilste kindertijd werd ik te pas en te onpas op een feesttafel of een cafétoog gehesen om een liedje te zingen. Ik maakte furore in het kerkkoor en het zangkoor van het jezuïetencollege, alwaar ik als een Wienersängerknaapje de hoge solopartijen zong.”

Omdat hij zich een buitenbeentje voelt, kiest hij in het voetbalteam voor het doel als favoriete speelplek. Als doelman moet je immers een beetje opvallen, een beetje gek zijn. Zijn schooltijd is voor hem de beste weg naar de anarchie. Hij is maar wat blij wanneer hij op zijn achttiende de school mag verlaten. Hij wil niet meer voortstuderen, weet niet wat aan te vangen met zijn leven. Guido wil daarnaast ook zingen, zo vaak en zo veel mogelijk.

Hij neemt deel aan diverse zangwedstrijden, waar hij een in het oor springende vertolking geeft van Le Moribond van Jacques Brel. “Mijn succesnummer daar was De stervende (vertaling van Le Moribond)van Brel. Blijkbaar was ik toen al gevoelig voor de dramatische aspecten van het leven. Daarnaast dweepte ik ook met de Franse zanger Renaud en Bob Dylan. Wat mij zo aantrok in die twee was dat zij geen geschoolde zangers waren, zij hadden alles op eigen houtje geleerd, net zoals de Amerikaanse blueszangers.” Guido is een jaar of vijftien wanneer hij zich zijn eerste instrument aanschaft, een Hohner-mondharmonica. Zijn repertoire beperkt zich tot het spelen van Op de purp’ren heide en When the saints go marchin’ in. Twee jaar later maakt hij zich het gitaarspel eigen. Hij koopt de elpee “Let’s Work Together” van blueszanger Wilbert Harrison en door mee te spelen met die plaat leert Guido als autodidact aardig op de snaren tokkelen. “Toen ik zestien was en twee gitaargrepen onder de knie had, begon ik mijn eerste liedjes te schrijven. Een goede gitaarspeler ben ik nooit geworden, maar het schrijven van liedjes heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Ik had iets ontdekt waar ik talent voor had en het werd onmiddellijk een passie, een verslaving.” Samen met zijn broer Dirk, die drie jaar jonger is dan hij en wél gitaarles heeft gevolgd, vormt Belcanto een countryduo waarbij de songs van Hank Williams de leidraad worden. Iets later ontmoeten zij Ivo Staes uit Wortel en met hem richten zij het trio Riverboat Shuffle op, waarin zij hun voorliefde voor de muziek van Chuck Berry maar al te graag etaleren in jeugdclubs en cafés in het Turnhoutse. Guido voelt dan al de drang om zijn eigen liedjes te gaan schrijven. Een van zijn eerste songs heet Paperless Toiletblues.Hoe onnozel de titel ook mag klinken, het sterkt hem in de overtuiging dat hij gemakkelijk schrijft en dat voor hem inspiratie voor het grijpen ligt.

De plannen om met een café te beginnen, bergt Guido snel op en hij gaat aan de slag in de fabriek bij zijn vader. Zijn moeder is daar niet blij mee en weet hem aan te sporen opnieuw te gaan studeren. Zij heeft gehoord dat van de zesentwintig jongens die in de klas van Guido afstudeerden er achttien voor de afdeling geneeskunde hebben gekozen en haar lieve zoon voor een ambitieloos bestaan. Na lang aandringen gaat hij in op haar verzoek, nadat zij hem beloofd heeft dat hij eerst een maand op vakantie mag in Londen, waar Guido, zo vertelt hij later, voor het eerst kennismaakt met de hoeren. In de straten van Soho geraakt hij gefascineerd door deze dames van lichte zeden. Hij leert daar ook de homoliefde kennen door zijn ontmoeting met Bernard Neville, een beroemde modeontwerper in die tijd. Een leerrijke ervaring, maar niet zijn ding. Hij begint zich wel vragen te stellen omtrent zijn seksuele identiteit. In Londen woont hij op Wembley een concert bij van Bo Diddley, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Chuck Berry, niet voor niets zijn grote helden. Na zijn ongelooflijk avontuur in Londen trekt Guido zoals beloofd naar de universiteit van Gent, maar hij houdt dat daar maar een maand vol, keert naar huis terug en vindt een job in een tuinbouwbedrijf in Beerse, een tiental kilometer van Turnhout vandaan. Na een goed jaar ontdekt hij dat dit niet zijn biotoop is, hij voelt zich geen arbeider, dat milieu ligt hem niet. Hij gaat met volle moed opvoedkunde niveau A1 studeren aan de “Schola Para Medicorum” in de Nerviërsstraat in Antwerpen. Hier leert Guido ook het uitgaansleven kennen, onder andere “De Muze” trekt hem aan en het café “De Groene Michel” op de Grote Markt, “Het Pannenhuis” en “De Kroeg” op het Conscienceplein. Ook de alternatieve cafés in de havenbuurt spreken hem duidelijk aan én niet te vergeten de rosse buurt in het Schipperskwartier, voor hem het sodom en gomorra.

Ondanks al dat aantrekkelijks en die dagelijkse verleidingen behaalt Guido toch zijn diploma van gegradueerde in de orthopedagogie. Hij heeft meteen een job te pakken als opvoeder in het jongenstehuis “Ivo Cornelis” in Weelde-Statie, een stevige steenworp van Turnhout verwijderd. Dat opvoeden houdt hij maar een paar maanden vol, want zijn roeping om zanger te worden is te sterk. Hij betreurt het ook dat hij zijn geliefde stad Antwerpen nogal snel de rug heeft toegekeerd. Maar eerst moet hij onder de wapens. Guido speelt zijn twijfelachtige seksuele geaardheid uit, wat niet lukt, en wordt goedgekeurd. Dan zich maar als gewetensbezwaarde laten registreren. Hij belandt de daaropvolgende twintig maanden in de Belgische Mediatheek in Antwerpen, een uitleendienst voor muziekplaten. Twee vliegen in één klap: hij mag zich met zijn hobby bezighouden en hij mag naar zijn geliefde Antwerpen terugkeren. Guido voelt zich hier de koning te rijk. Voor duizend frank per maand huurt hij een appartementje op de hoek van de Provinciestraat en de Plantin en Moretuslei. Hij is op dat moment nog vrijgezel en pas tweeëntwintig jaar.

Hij komt in 1975 al zingend en musicerend stevig aan zijn trekken in het inmiddels door hemzelf opgerichte groepje Speedy King and His Feetwarmers. Het orkestje is zes man sterk met voorop zijn jongere broer Dirk. Omdat de meeste leden in Herentals wonen, wordt dat ook hun oefen- en thuisbasis. Zij voelen zich vooral in het café- en jeugdclubcircuit erg in hun sas. Rock-’n-roll uit de fifties maakt hun repertoire uit. Zij krijgen succes en Guido verliest stilaan zijn schroom tegenover de meisjes. Hij begint hun aandacht te smaken. Een hoogtepunt in hun vierjarig bestaan is het feit dat zij in 1978 de finale bereiken van “Humo’s Rock Rally” in de “Beursschouwburg” in Brussel. Zij nemen ook een elpee op, “Breaking Up The House”, en nemen vijfhonderd persingen mee naar huis. Als Guido er nu naar luistert, schaamt hij zich diep. De plaat klinkt ruw en onaf. Hij compenseert die ontevredenheid met een aantrekkelijk lief, de 24-jarige Annemarie. Hij gaat bij haar inwonen. Hij is vooral geraakt door haar intelligentie. Zij neemt hem mee op reis naar New York en Parijs. Met haar komt zijn seksleven op gang. Zijn echte geaardheid houdt hij angstvallig voor zich. Na vier jaar is Annemarie hun relatie beu en zet er een punt achter. Het duurt even voor Guido zich kan herpakken. De muziek wordt weerom zijn grootste troost.

Samen met zijn broer Dirk, met Jakke de Zeeman, Ludo Janssens en Bob Campenaerts, een ontzettend goede drummer, richt hij The Gigolo’s op. Vanwaar die naamkeuze? Hij wil vrouwen vooral dienen, als een soort gigolo. Muzikaal zweren zij bij rockabilly zoals die door de in die tijd furore makende Stray Cats wordt neergezet. Mocht je je enig idee willen vormen hoe dat geklonken moet hebben, luister dan eens naar Guido’s latere versie van That’s All Right Mama. Zij delen het podium met onder meer The Kids, De Kreuners, The Scooters en TC Matic. Drie jaar zal dat verhaal duren. Intussen houdt Guido een cafeetje annex feestzaaltje “De 1000 Appeltjes” open in de buurt van de Paardenmarkt. Na een jaar geeft hij er de brui aan. Hij heeft geen zin om de rest van zijn leven naar het gelal van inhoudloze zuipers te luisteren. Hij is dan zevenentwintig en wil een nieuwe richting inslaan. Hij besluit voor het volle pond zanger te worden, niet meer met Engelstalige liedjes, maar in zijn eigen moedertaal met een voorliefde voor het levenslied en de smartlap. Samen met accordeonist Jakke gaat hij, met een oude Vauxhall als vervoermiddel en gespoten in de kleuren van voetbalclub Antwerp, de baan op. “Na tien jaar spelen in rock-’n-roll- en dansorkesten raapte ik al mijn moed bijeen en begon een carrière als straatzanger samen met de Antwerpse volksheld Jakke de Zeeman. Wij vormden een duo met accordeon, gitaar en zang en brachten een repertoire van smartlappen dat varieerde van Edith Piaf, Bobby Prins, de Zangeres Zonder Naam en liedjes van mezelf.” In Antwerpen wordt in “Den Hopsack” de zangwedstrijd “De Eerste Nacht van de Smartlap” georganiseerd. Hij en Jakke zijn de winnaars. Zij voelen zich als de apostelen van het levenslied. Zij moeten wél doorbijten, want niet iedereen lust hun stijl. Nu eens worden ze op applaus onthaald, dan weer zit er niet méér in dan wat boegeroep. Hij tilt echter het genre van het levenslied van het begin af aan op een hoger niveau door er zijn ziel in te leggen en door met het genre ernstig om te springen. “Wij schuimden het Vlaamse land af en traden onaangekondigd op in cafés, restaurants, bars, op barbecues en in bordelen. Het was een helfdhaftige en avontuurlijke periode. Wij werden bejubeld en bespot, op handen gedragen en weggehoond. We waren koning en tegelijkertijd clochard. We lagen in de goot, maar speelden de sterren van de hemel.”

Stilaan ontdekt Guido ook dat hij met zijn stem en liedjes mensen weet te raken en besluit fulltime met zijn job bezig te zijn. “In die turbulente periode kwam ik tot de vaststelling dat ik mensen tot tranen kon bewegen met mijn zangstem. Pas toen, en niet eerder, viel mijn frank dat ik in aanmerking kwam voor een professionele zangcarrière. Toen heb ik een stem gehoord die zei: ‘Guido Belcanto, uit de geur van pisbakken, bier en parfum, uit de nevelen van deze doorzopen oorden zult gij opstijgen en tevoorschijn treden als de nieuwe vaandeldrager van het levenslied. Gij zijt de uitverkorene die de verloren gegane traditie van de smartlap in ere zal herstellen. Gij zult het genre van de definitieve ondergang redden. Ga mijn zoon en verkondig uw boodschap tot het bittere einde!” Guido beschouwt zijn vak van dan af als een ware roeping. Hij zingt dan wel liedjes in de stijl van Johnny Hoes en aanverwanten, maar tekstueel staan zijn songs veel sterker. Hij zingt ook over totaal andere thema’s: zelfmoord, prostitutie, sadomasochisme, travestie. Het publiek moet er wel aan wennen. Dit is een stijl tot dan toe ongehoord. Dat hij een Belcanto-formule zou hebben bedacht, vindt Guido nog altijd een onterechte opmerking. Het kwam allemaal als vanzelf, niet vooraf uitgedokterd. Steeds vaker wordt hij in het bruinekroegencircuit in Antwerpen uitgenodigd. Hij gaat op zoek naar een geschikte band om hem te begeleiden. Hij klopt aan bij accordeonist Ludo Tips en gitarist Richard Dielen. Ludo Dockx wordt na enig zoekwerk zijn bassist. Zij moeten ook een naam hebben. “Het Orkest Mijner Dromen” lijkt Guido meer dan geschikt. Hij noemt zich voortaan Guido Belcanto. Guido klinkt vrij behoorlijk Italiaans, Belcanto is snel verzonnen.

Omdat hij enorm geboeid is door het theater en enige vorm van glitter en glamour hem niet vreemd is, pakt hij in 1985 uit met een eigen theatershow “Guido Belcanto en het Orkest Zijner Dromen”, naar zijn zeggen een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid. Zijn eerste optreden lanceert hij in het “Theater Paljas” in de buurt Zurenborg op de grens tussen Berchem en Borgerhout, nabij de Dageraadplaats, goed voor vijftig zitplaatsen. “Het werd een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid. Het was een instantsucces. Ik kreeg direct aandacht in de pers en werd gevraagd voor radio-interviews en tv-optredens. Bijna van de ene dag op de andere werd ik bekend als een curiosum in de Vlaamse showbizz. Het was iets nieuws dat ik bracht, men kon mij met niemand vergelijken. Dat was mijn grote kracht en tegelijk mijn handicap. De platenmaatschappijen waren op de hoogte van mijn bestaan, maar durfden het risico niet aan om deze vreemde eend een contract aan te bieden. In die tijd lag het Nederlandstalige lied ook niet zo goed in de markt. We spreken hier immers over het pre-VTM-tijdperk.

Belcanto plant tijdens de maand april van 1985 zes optredens, verspreid over twee weekends. In het publiek herkent hij mensen van de VRT zoals Nora Nys, Fred Claes, Kurt Van Eeghem, Walter Zinzen en Jan Geysen. Zij bestempelen hem snel als een fenomeen. Tot zijn eigen verbazing wordt hij gevraagd om op te treden tijdens “Marktrock” op de Oude Markt in Leuven. Guido had nochtans zijn imago niet mee. “Ik paste niet in het plaatje van ideale schoonzoon, een imago waar Vlaamse zangers destijds hardnekkig naar streefden. Als ongeschoold muzikant roeide ik met de riemen die ik op dat moment voorhanden had. Vrolijk fluitend trok ik mij van dit alles niets aan en deed naarstig voort. Met een nul aan scholing kwam ik als straatzanger terecht op de keurig geboende planken van theaters en cultuurhuizen in Vlaanderen en Nederland.”

En dan gaat Guido pas echt de baan op. Het buitenland wenkt. “Met het muziekcircus Boulevard of Broken Dreams ging ik op tournee en trad op in Parijs en Hamburg. Ik werd geïnterviewd voor “Playboy” en “Penthouse”. Kortom, ik was beroemd en ik had nog niet eens een plaatje opgenomen. Het bezorgde me niet de geringste frustratie. Ik wist dat mijn tijd nog moest komen. Bovendien beschouwde ik het zangerschap nog altijd als een taak en niet als een carrière.” Dat eerste plaatje komt er, maar pas vier jaar later.

Belcanto is al vijfendertig wanneer hij in 1989 zijn eerste platendeal weet te versieren en dat wordt het album “Op zoek naar romantiek”. In eigen beheer had Guido die liedjes al veel eerder opgenomen, maar platenfirma EMI is zo vriendelijk die opnamen over te kopen en officieel in de markt te zetten. “De toenmalige directeur van platengigant EMI wilde de opnames, die ik in eigen beheer had gemaakt, overkopen en officieel uitbrengen. Een zeer aimabel gebaar. De plaat werd een groot succes en mijn naam was definitief gevestigd.” Titels als Rode lampen en Kom mee naar boven laten niets aan de verbeelding over. Een radiohit wordt Op het zeildoek van de botsauto’s, intussen uitgegroeid tot een Vlaamse klassieker. In dit liedje denkt Belcanto terug aan de tijd dat op het “Robsonplein” in Turnhout de jaarlijkse kermis neerstreek. Vooral de muziek die ze daar draaiden, liet bij hem sporen na. Liedjes van Roy Orbison, Adamo, Françoise Hardy, Tom Jones. De grootste muzikale sensaties uit die jaren zestig blijven voor hem echter The Beatles en The Rolling Stones, een keerpunt in de populaire muziek. Nog altijd vindt hij dat die plaatjes uit zijn jeugd de top zijn, dat de muziek nadien nooit meer hetzelfde niveau heeft bereikt en dat het sindsdien met de populaire muziek steeds verder bergaf is gegaan.

Liedjes over gebroken harten voeren op Guido’s eerste album van meet af aan de boventoon. Door Lou Deprijck (bekend als producer van de hit Ça plane pour moi en van de groepen Two Man Sound en The Hollywood Bananas) wordt hij in 1989 gevraagd om deel te nemen aan de “Baccara Beker” in het “Casino van Middelkerke” als lid van de Brabantse ploeg. Hij vormt een team samen met Boogie Boy en Kathleen Vandenhoudt, die zowel de personality- als de persprijs in ontvangst mag nemen, maar de Brabantse ploeg valt wel buiten de prijzen. Eindwinnaar wordt de Limburgse ploeg met Ignace, Erik Goossens en Ann De Winne.

Belcanto heeft intussen een sterke relatie aangeknoopt met Ottilia. Na een tijdje blijkt zij zwanger te zijn van hem. De derde oktober 1991 brengt zij hun zoon Tobias ter wereld. Drie jaar later, de vijfentwintigste augustus, wordt zijn tweede zoon Floris geboren. Iets later belandt hij in een zware depressie. Hervallen is een betere woordkeuze, want het was hem al eerder overkomen. Het is zijn zus Hilde die de ernst van de zaak onderkent en hem in het ziekenhuis van Turnhout laat opnemen. Die depressie zal vier jaar lang zijn leven domineren. In de zomer van 1997 kruipt Guido stilaan uit een diep dal en wordt het leven voor hem draaglijker. Hij geeft toe dat hij tot dan toe in zijn leven de hoogste toppen heeft bereikt, maar ook door de diepste dalen heeft gelopen.

Een jaar later koppelt zijn platenfirma EMI hem aan het productietalent van Henny Vrienten, ex-Doe Maar-fenomeen. “De platenfirma had een producer aangezocht: de fameuze Henny Vrienten. Hij woonde in Amsterdam en de plaat zou worden opgenomen in een studio buiten de stad. Hij nam zijn job zeer serieus. Hij ging daarbij niet over één nacht ijs. Hij was een paar keer naar concerten van mij komen kijken en was niet bijster onder de indruk van mijn muzikanten. Misschien was zijn oordeel juist voor wat de plaatopnamen betrof, maar ik vond die gasten méér dan goed genoeg om mee op te treden. Henny vond mijn songs uitstekend en mijn stem ook, maar volgens hem verdiende ik een beter orkest. Ik dacht erover na en we kwamen tot een minnelijke schikking. Ik aanvaardde het om met zijn muzikanten te werken (zijn orkest The Magnificent Seven), maar de mijne moesten op minstens twee songs vertegenwoordigd zijn. Ik bezocht Henny dikwijls bij hem thuis. In zijn werkkamer discussieerden wij dan over de plaat die we zouden maken. Hij stelde zich op als een strenge, goedmenende leraar“, aldus Guido in zijn boek “Geheime Bekentenissen”, dat in 2009 bij uitgeverij Lampedaire verscheen. De ploeg trekt in 1990 naar “Studio Zeezicht” te Spaarnwoude in Nederland, maar het eindresultaat blijft voor Guido tot op de dag van vandaag een gemiste kans. “Plastic rozen verwelken niet” wordt de titel van zijn nieuwe productie: “Ik stuur jou plastic rozen als symbool van mijn verdriet. Zo zal je altijd aan me denken als je deze rozen ziet. O neen, je hoeft ze geen water te geven. Het is niet nodig dat je ze giet, net zoals mijn liefde voor jou. Plastic rozen verwelken niet.” Dit album levert dertien liedjes op, waaronder Vlammetjes het erg goed doet op de radio, een cover trouwens van een nummer van de Nederlandse zangeres Helga. “Vlammetjes heb ik helaas niet zelf geschreven“, zegt Guido enigszins ontgoocheld. “Henny vond dat er nog iets ontbrak aan het album en hij liet mij een plaatje horen uit de jaren zestig waar hij dol op was, Vlammetjes. Ik vond de tekst nogal braaf in vergelijking met mijn eigen werk, maar kom. Het werd grijsgedraaid op de radio en de mensen wilden het altijd horen als ik optrad. Ik zong het een tijdje, maar ik vond dat ik er niet hetzelfde gevoel in wist te leggen als in mijn eigen songs.” Uiteindelijk houdt Guido aan dit album een kater over. Die ontevredenheid verwoordt Guido als volgt: “Met die plaat was ik niet onverdeeld gelukkig. Ze verkocht niet slecht en ze werd veel op de radio gespeeld, maar ik vond ze té glad klinken. Ze miste iets essentieels: mijn ziel stak er te weinig in. Ik wou het over een andere boeg gooien. Ik wilde mijn artistieke zuiverheid herwinnen. Het mocht niet op een commercieel product lijken, het moest een kunstwerk worden.”

Qua arrangementen had Guido voor “Plastic rozen verwelken niet” samengewerkt met Dick van der Harst en die samenwerking was wél een meevaller, zo’n goeie zelfs dat Dick niet alleen de arrangementen, maar ook de productie voor zijn rekening neemt voor het volgende album “Plaisir d’amour”, dat in 1992 in de winkel ligt. “We kwamen overeen om een puur akoestische plaat te maken. De plaat moest klinken als een klassieke symfonie. Ze zou twaalf liedjes bevatten die aan elkaar zouden worden gesmeed door muzikale passages die in verschillende variaties zouden terugkeren. Zo zou het lijken op één grote brok muziek, een soort conceptplaat. Het idee was gewaagd, bij mijn weten nog nooit gedaan door een Vlaamse zanger. Ik wou een plaat maken die je kon beluisteren zoals je een roman leest: als een afgerond geheel.” Er wordt deze keer in België opgenomen, in de “DK Studio” te Destelbergen. Opvallend is dat de plaat begint met een instrumentaal nummer, de ouverture Dansvloer van de duivel. Belcanto laat zich erg plechtig begeleiden door “L’orchestre d’amour”, met daarin onder anderen Hans Hemerijck, Bernard Van Lent, Jan Cleymans, Hub Mathijsen en Femke Sonnen. Muziek en teksten worden ook deze keer door Guido afgeleverd en nu is hij wel tevreden. Vijftien lappen, smart of niet, in het totaal. Slechts één liedje verschijnt op single, Evelyne, waarmee de platenfirma voor de toekomst wil aangeven dat zij Belcanto niet als een singleartiest zullen profileren. De theaters, zowel in België als in Nederland, zien hem almaar liever langskomen. Vooral zijn unieke aanpak charmeert de organisatoren én het publiek. Belcanto is en klinkt uniek! Eén liedje doet bij sommigen de kaken kleuren, Libido en lege portemonnee, maar daarover verderop iets meer. “Toen de plaat uitkwam, gaven we drie memorabele concerten om het te vieren: in de “Ancienne Belgique” te Brussel, het “Casinotheater” in Den Bosch en op het folkfestival te Dranouter. In Brussel hadden we het decor van de platenhoes opgesteld, waarin mijn fans mochten plaatsnemen voor een foto. Het was een vreemde ervaring om begeleid te worden door zo’n groot orkest. Het had Las Vegas-allures. Het gaf me het gevoel dat ik de top had bereikt. Met deze show overbrugde ik de kloof tussen de volkse smartlap en de Zangeres Zonder Naam.”

In “Studio Impuls” te Herent neemt Guido van de eerste tot en met de vijftiende september van 1993 het album “Zeerover zonder boot” op. Als producer doet hij deze keer een beroep op Patrick Riguelle, die er een rist gastmuzikanten bij haalt zoals Jean Blaute en Dirk Versmissen, Guido’s broer. Uiteraard speelt Guido’s eigen band mee, op dat moment bestaande uit accordeonist Ludo Tips, saxofonist Jan Cleymans (vader van Jelle en Clara), gitarist Lieven De Maesschalck en drummer Philip De Jager. Vaak gedraaid worden de liedjes Verleden tijd en De schipbreukeling, die ook als single hun weg naar het publiek vinden. “Hier lig ik op mijn vlot, uitgeteerd en uitgespuwd, de allerlaatste zondaar, de laatste schlemiel. Ik crepeer, ik ga dood, God ontferm u om mijn ziel. Schenk mij uw genade, mijn lot is in uw hand. Vergeef mij m’n daden, breng me weer aan land.” Na deze plaat wordt het wat stiller rond Guido Belcanto, ook al blijft hij optreden.

Met een knipoog naar Balzac is er pas drie jaar later het album “La Comédie Humaine”, nog steeds uitgebracht op het EMI-label. Er wordt opgenomen in de oude drukkerij Jac. Lamoen in Berchem tijdens de maand mei 1996. Deze keer neemt Guido de productie zelf in handen zodat hij het roer wat beter in de hand kan houden. In een devote bui schrijft hij Nader tot u mijn God en mag voor de rest van het album de passie weer hoogtij vieren zoals in Noche de la pasion en Mr. William, die door EMI ook op cd-single worden uitgebracht. Belcanto is daarmee aan zijn vijfde album toe. Tijdens een interview vertelt hij ons dat hij dit als zijn meest pessimistische plaat beschouwt. Deze liedjes stralen weinig optimisme uit.

Zijn begeleidingsgroep “Het Orkest Zijner Dromen” wordt opgedoekt en Guido gaat zich vanaf 1998 omringen met een nieuwe band die hij “De Libido’s” noemt met als bezetting: gitarist-pianist Lieven De Maesschalck, accordeonist-organist Danny Heylen, bassist Dominique Osier, saxofonist Walter Baeken en drummer Benny Dom. Zij besluiten meteen tijdens die zomer van 1998 een album in te blikken, “Man van lichte zeden”, in een productie van Rudi Genbrugge. “Hier ligt een man van lichte zeden, geboren voor ‘t genot. Hij leefde voor de liefde, hij kende geen gebod. Niet één dag in zijn leven ging zonder lust voorbij, hij was een man van lichte zeden, de grootste van zijn tijd.” De opname heeft deze keer in de “GR Statements Studio” in Antwerpen plaats. Het publiek kiest vrij snel als uitschieter voor het nummer Puntschoenen & een zonnebril gekoppeld aan Zou je van mij houden. Met Fleur Pyretz zingt hij Liefde, adoratie en genot, een liedje dat hij ook aan haar opdraagt. Intussen weten wij dat hij als hypergevoelig mens vatbaar is voor depressies, waarmee hij in 1993 al hevig strijd had moeten leveren. Hij schreef die ervaring toen trouwens van zich af in het album ‘La comédie humaine’. “Alles bij elkaar heeft mijn depressie vier jaar aangesleept. De eerste tekenen van beterschap werden zichtbaar in de zomer van 1997. Ik was als een dode die langzaam opstaat uit zijn graf. De pillen begonnen eindelijk te werken. Het leven werd weer een beetje draaglijk. Ik durfde weer onder de mensen te komen. Het leven kreeg opnieuw een beetje kleur. Ik kon weer genieten van een mooi liedje“, zo schrijft Guido in zijn boek “Geheime Bekentenissen”.

In 1998 brengt uitgeverij Houtekiet onder de titel “Gina Divina” zijn liedjesteksten chronologisch gebundeld in boekvorm uit. “In dit boek staan zowat alle liedjesteksten die ik de voorgaande vijftien jaar had geschreven. Uitgeverij Houtekiet had me gevraagd om deze in chronologische volgorde te bundelen. Ze hadden al zulke boeken op de markt gebracht van Wannes, Raymond en Bram Vermeulen. Ik beschouwde het als een eer. Het was een bewijs van respect voor mijn talent als tekstschrijver. Op de cover van het boek poseer ik naakt in een erg vrouwelijke pose. Op de binnenkant van de voor- en achterflap staan foto’s van Gina in sexy kleren en in een uitdagende houding. Deze foto’s waren niet braaf, ze logen er niet om. Het was mijn eerste outing als travestiet.” Gina Divina is de naam die hij aan zijn vrouwelijke alter ego geeft. Hiermee out hij zich definitief als travestiet. “Dat heb ik voor het eerst in het openbaar verteld in “De Zevende Dag” naar aanleiding van het verschijnen van “Man van lichte zeden”. Ik had mijn geaardheid vooraf wel eerst aan mijn moeder geuit. Dat was enorm belangrijk voor mij, want ik wou niet dat ze het via de pers te weten zou komen. Mijn moeder, die me toch al als het zwarte schaap van de familie beschouwde, kon niet anders dan dit erbij nemen. Ik had de indruk dat ze er niet overdreven zwaar aan tilde, zolang het maar niet algemeen bekend werd. Dus voor dat optreden in “De Zevende Dag” zat ik toch nog een poosje in dubio. Ik mocht in dat programma iets live komen zingen. Ik zat in de schminkstoel en twijfelde nog tot het allerlaatste moment of ik er wel over zou praten. Maar het was sterker dan mezelf. Ik zat in de studio met Chantal Pattyn aan tafel en het kwam eruit. Misschien goed dat het een vrouw was met wie ik dat gesprek voerde. Dat gevoel een vrouw te willen zijn, begon in mijn vroege puberteit. Je weet absoluut niet wat er met je gebeurt. Ik had die niet te bedwingen drang de kleren van mijn zussen aan te trekken. Dat was voor mij heel verwarrend. Ik liep toen rond met veel schuldgevoelens. Het was me vooral te doen om de seksuele prikkels, een soort fetisjisme. Tal van travestieten zullen dat bevestigen. Opgelet, verwar dit vooral niet met transseksualiteit. In mijn geval heeft dat er niets mee te maken. Ik ben dol op vrouwen, zo dol dat ik er soms zelf een wil zijn. Dat is de kern van travestie. Af en toe de illusie hebben dat je tot het andere geslacht behoort.” Guido voelt zich door die outing bevrijd en verschijnt nadien almaar vaker in het openbaar in vrouwenkleren. Samen met Bram Vermeulen trekt hij in de herfst van dat jaar door Vlaanderen en brengt in een twaaltal zalen het programma “Literair Café”, waarin zij beiden hun liedjesteksten in de spots zetten. “Bram wilde een tournee maken langs kleine zalen en cafés, maar hij wou niet alleen op stap gaan. Via het management heeft hij dan aan mij gevraagd of ik dat zag zitten. Uiteraard stond me dat aan. En toen hebben we afgesproken dat we om de beurt het voorprogramma zouden spelen. Op het einde speelden wij soms iets samen. Wat meteen opviel, was het verschil in sfeer. Ons repertoire lag ver uit mekaar. Het viel ook op dat er bij mij altijd meer ambiance was, er werd meer gelachen. Dat stond in schril contrast met de ernst die er van Bram en diens repertoire uitstraalde.”

In 1999 brengt Guido een éénmalige sensationele act: hij voert  Gina Divina ten tonele. Een gigantisch succes maar hij wilde het bewust bij die ene keer laten.  ”Voor mij was het enorm bevrijdend dat ik er nu eindelijk over kon zingen. Vanaf het moment dat ik mij geout had, ben ik er ook songs over gaan schrijven en heb ik mijn alter ego op het podium geïntroduceerd. Ik vond dat fenomeen zo fascinerend dat ik dat aan mijn publiek wou laten zien. Zo kregen ze een betere kijk op het bizarre dat travestie is. Ik wou er op die manier meer begrip voor creëren, het bespreekbaar en begrijpelijk maken. Het meest ultieme travestielied dat ik geschreven heb is O Heer, dat ik in 2001 op mijn album “Tâche de beauté” heb gezet.”

In 2000 wordt Guido door zijn platenfirma EMI verzameld op het album “Liefde, lust en leed”. “Het is een selectie van vijf platen die ik voor hen heb ingeblikt en waarvan het creatieproces zich uitstrekt over tien jaar. Ik kon kiezen uit 75 liedjes, ik had l’embarras du choix. Die tien jaar was een decennium van liefde, lust en leed, maar waarvan elke minuut de moeite waard was om mee te maken. Deze plaat is een aandenken aan een mooie, welbestede tijd van mijn leven en ik dank de vele mensen die in mij hebben geloofd en mij hebben geholpen om dit alles te realiseren.” Belcanto etaleert zijn kunnen in zestien liedjes met als bonustracks Sommige mensen en That’s allright mama.

In het theater pakt hij steeds vaker uit met erotische liedjes en verhalen. Zijn tournee heet niet voor niets “Verhalen van Liefde, Lust en Genot”, een muzikale reistocht door zijn fantasiewereld. “Dat kwam spontaan in me op, dat idee. Het was zeker geen trucje van mijn kant om volk te lokken, want zo zit ik niet in mekaar. Ik ben nu eenmaal veel bezig met seksualiteit en erotiek. Voor mij is dat een hoofdelement van het leven, van het mijne zeker, en dat thema duikt altijd in mijn liedjes op, is latent aanwezig. Zo heb ik een song geschreven over masturberen, Libido en lege portemonnee, die je terugvindt op het album “Plaisir d’amour”. Een fragment daaruit: “Ik kan het naakt, halfnaakt of met kleren, met of zonder foto, met of zonder muziek. Men zou mij kunnen diplomeren als expert in de zelferotiek. Ik kan mij goed aan mezelf vergrijpen, er is maar één ding dat eraan schort. Ik kan mezelf helaas niet… ik kom vijf centimeter tekort.”

Opnieuw met de oude drukkerij Jac. Lamoen (broer van de legendarische Antwerpse volkszanger Frans Lamoen) als decor wordt tijdens de maand november van 2001 het album “Tâche de beauté” opgenomen. Hier wil Guido zelf het volgende aan toevoegen: “Deze titel heeft een dubbele betekenis. Enerzijds is de vertaling van het Franse woord tâche, taak. De plaat was dus een taak van schoonheid die ik mezelf wou opleggen. Anderzijds betekent het ook schoonheidsvlek, een verwijzing naar mijn vrouwelijke natuur.” Er komen ook koperblazers aan te pas en de stem van Tine Embrechts en Nele Bauwens als ruggensteun. Guido gaat zelf achter de knoppen en de mengtafel zitten. EMI heeft hij als platenfirma intussen vriendelijk en beleefd de groeten gestuurd. Hij brengt zijn nieuwe album op het Culture Records-label uit. “Dat was een nieuwe, kleinschalige platenfirma die erg in mij was geïnteresseerd. Voor deze mensen heb ik met plezier dit album opgenomen.” Op deze plaat een aantal liedjes die hoogtepunten in zijn repertoire zijn: Ik ben niet vrouwonvriendelijk,O Heer en het op de radio vaak gedraaide O wat een mooie dag: “Ik ging weer naar huis, zette de teevee aan. Ik zag het W.T.C. in vlammen opgaan: huilende mensen, mensen in shock, paniek in Washington en New York. Ik deed de teevee uit en mijn pyjama aan. Ik kroop in bed, ik wou slapen gaan. Vlak voor ik mijn ogen sloot, dacht ik: hoera, ik ging vandaag niet dood.” Waarom die song door de radio zo gretig werd opgepikt? “Ik denk omdat het een erg sterk liedje is en inspeelde op de actualiteit, het instorten van de WTC-Towers. Ook de opname is voor mij geslaagd, klinkt helder, kon eigenlijk niet beter“, aldus Belcanto. Al even opvallend het liedje Heer. ”In dit nummer ben ik erin geslaagd om het proces van travestie in begrijpelijke woorden te vatten. Het klinkt als volgt: “O Heer, misschien hoor jij niet mijn gebeden door de regen die valt, op het dak van mijn kasteel. Misschien ben je doof, Heer, en dat is de reden dat ik weer naar de fles greep. Ik dronk weer te veel, want ik moet voor mezelve een vrouw fantaseren, want jij, jij O Heer, jij stuurt er mij geen. En daarom hul ik mijzelf in vrouwenkleren, want als jij mij niet helpt, Heer, dan maak ik er één.”

Vanaf april tot juni 2001 schittert hij als Rocky in “De Rocky Horror Show” op het getouw gezet door het NTG. Regisseur van dienst is Stany Crets. Naast Guido staan ook Maaike Cafmeyer en Koen Van Impe op de planken van de KNS in Gent.

“Koning & clochard” is de titel van de cd die in 2004 verschijnt. “Het is het verhaal van de grandioze tijd die ik beleefde als straatzanger in het begin van de jaren tachtig. Samen met mijn maat, de legendarische Jakke de Zeeman, legde ik toen de basis voor mijn latere zangcarrière. Clochard staat voor de straatzanger die ik ben geweest. Toen had ik de spirit van een clochard. Intussen heb ik het gebracht tot gevierde chansonnier met daaraan gekoppeld de titel koning van het Vlaamse levenslied. En dat leidde spontaan tot de combinatie koning & clochard.” Dit album werd van de veertiende tot de eenentwintigste juni in studio “Rataplan” te Borgerhout opgenomen door Peter Bulkens. Sommigen fronsen de wenkbrauwen als ze Guido op deze plaat Ook Jezus ging naar de hoeren horen zingen. “Ik schreef dit als protest tegen de inkrimping van de rosse buurt in Antwerpen in de maand maart 2002. Dit in het kader van de actie “Bordello”. Er is ook het duet Lili Marleen, dat Guido samen met Jo Leemans inzong naar aanleiding van het tv-programma “Luc” en dat ze toen live brachten voor VTM. Belcanto trekt nadien ook weer naar het theater. Met zijn nieuwe programma “Koning & clochard” neemt hij het publiek mee op een muzikale zwerftocht door zijn verleden. De apostel van de smartlap is nog steeds op zoek naar de ultieme romantiek. Tegelijk verschijnt er ook een gelijknamig boek met markante passages uit zijn leven.

Guido merkte almaar vaker dat zijn vader trots op hem was. “Ja, pa was fier, maar hij zei dat niet met zoveel woorden. Hij kwam vaak naar mijn concerten. Hij vond het verbazingwekkend dat het succes zo lang bleef duren. Eerlijk gezegd, toen mijn eerste plaat uitkwam, dacht ik dat mijn leven geslaagd was en ik gerust kon sterven. Ik had iets gemaakt dat ik kon nalaten voor het nageslacht. Zelf vind ik het heel straf dat het nog altijd doorgaat. Telkens als ik een liedje heb geschreven en een nieuwe plaat heb ingeblikt, heb ik zoiets van: oei, hoe moet het nu verder? De angst het te blijven kunnen. Ik blijf me na elke nieuwe productie verbazen dat het me weer gelukt is.”

Een soort overzicht van wat hij bij platenfirma EMI de voorbije jaren heeft opgenomen, wordt de zeventiende april 2006 op de cd “Chansons vécues” aangeboden, waarop onder andere de al eerder aangehaalde versie van That’s All RightMama, waarmee Elvis zich in het begin van zijn carrière in de aandacht zong en waarin Belcanto zijn liefde voor de rockabilly laat horen. Hij laat zich ook verleiden tot het zingen van twee chansons in het Frans: Tant qu’il chante en Le petit d’en dessous de chez moi(Mustafa).

In 2008 vindt Guido onderdak bij een nieuwe platenfirma, Evil Penguin Records uit Mechelen. Samen met de producers Nicolas Rombouts en Steven Maes knutselt Guido een opvallend album in mekaar. Dat krijgt de titel “Ik zou mijn hart willen weggeven” mee. Er wordt opgenomen in de “Motor Music Studio” te Koningshooikt. Veel gedraaid op de radio en een cd-single waard is het opvallende Waarom altijd dat katholieke denken?. Hij covert Half a Boy, Half a Man,een bekende song van Nick Lowe, en maakt er Half een man en half een vrouw van, of hoe een zelfportret kan klinken. Zijn platenfirma is zo trots op deze plaat dat zij het aan de pers slijten als “le nouveau Belcanto est arrivé”. Zij presenteren hem als “de koning van het Vlaamse levenslied, de chroniqueur van de gebroken harten, de volkszanger, de variétéartiest pur sang én de zwervende romanticus”. Guido voelt zich de complete rock-’n-rollchansonnier. Weg met het imago van deels man, deels vrouw. Hij wil compleet overkomen: gerijpt als mens en rijk aan ervaring. Vol trots stelt hij vast dat zijn publiek verjongt. De jonge meute heeft hem ontdekt. In Nederland noemen zij hem graag “de Serge Gainsbourg van het buurtcafé”. Belcanto mag dan wel 57 zijn, hij beleeft de tijd van zijn leven. In de pers lezen wij dat onze noorderburen hem zien als een muzikale kruising tussen Herman Brusselmans en Johnny Cash, waarmee we maar al te graag “de Volkskrant” deels citeren, of ook nog “de Vlaamse kruising tussen André Hazes en Ramses Shaffy”.

Bij uitgeverij Lampedaire verschijnt het reeds eerder vermelde boek “Geheime Bekentenissen”. Guido schrijft: “Als ik nu terugblik op de donkerste periode uit mijn leven, verbaast het me niet dat ik zo diep kon vallen. Hoe hoger je vliegt, hoe lager je valt. Méér dan twintig jaar had ik erop los geleefd. Ik vond het normaal dat ik elke dag mijn zin kon doen. Ik leefde te snel en te gulzig. Ik was alleen maar op zoek naar opwinding en genot en ik raasde maar door.” Zijn boek draagt Guido op aan alle vrouwen die hij intiem heeft gekend, in het bijzonder aan zijn alter ego Gina Divina, vrouw aller vrouwen.

Wanneer Guido in 2010 herdenkt dat hij al 25 jaar optreedt, schrijft hij op zijn website het volgende: “Gedurende een kwarteeuw ben ik mijn gelofte trouw gebleven. Koppig ging ik mijn eigen weg, stroomopwaarts roeiend tegen alle modes en trends in. Ik beleefde momenten van grandioze euforie en vreselijke vertwijfeling. Er waren momenten dat ik dacht dat het op was, dat ik maar beter het bijltje erbij kon neerleggen. Om het met de woorden van Jacques Brel te zeggen: ‘j’ai eu du mal d’être moi’. Maar als ik nu terugblik op de weg die ik heb afgelegd en de enorme hoeveelheid liefde die ik heb geoogst, vervult mijn hart zich met grote fierheid. Zonder uw liefde, beminde fans, zou er van Guido Belcanto allang geen sprake meer zijn. Jullie houden mij aan de gang. Ik weet dat ik bij elk optreden veel liefde uitdeel, maar wat ik daarvoor terugkrijg is overrompelend en vaak niet te bevatten. Zoals bij het concert in de “Ancienne Belgique”. Die avond was de bekroning van een 25 jaar durende liefdesrelatie. Jullie geven me het gevoel een echte volksheld te zijn, en een held wil ik blijven. Ik stel daarom voor om er nog eens een kwarteeuw bij te doen. Liefde en oneindige dank, vrede en voorspoed zij met u allen!

De eenentwintigste oktober 2011 verschijnt zijn album “Een man als ik”De hoesfoto spreekt boekdelen. Weg met het verwijfde! Hier staat een man keurig in het pak én met das. Guido laat zich muzikaal omringen door zijn opgefriste band met daarin: Geert Hellings, Nicolas Rombouts, Lieven De Maesschalck en Bert Huysentruyt. An Pierlé wordt bereid gevonden vocaal met hem te duelleren in het nummer Toverdrank. Het is een cover van Summerwine van Lee Hazlewood en Nancy Sinatra. De single staat de derde december op 9 in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Voor de productie van het album wordt Jo Francken ingehuurd, die voordien zijn sporen al had verdiend door zijn samenwerking met Bart Peeters, Buurman, Milow en Admiral Freebee. Kenners hoeven niet lang te luisteren om dit album de hemel in te prijzen als “het beste Belcanto- product ooit”. Belcanto is zo trots als een pauw wanneer zijn platenfirma hem vertelt dat de cd ook in Nederland wordt uitgebracht. In “Het Laatste Nieuws” lezen wij over deze release: “In zijn vroege werk zong Belcanto al onverbloemd over seks en ging hij tekeer tegen zijn katholieke opvoeding, tot verdriet van zijn moeder. “Het was voor haar alsof de duivel bezit van me had genomen”, aldus Belcanto. Toch heeft een groot deel van die opvoeding zijn plek gevonden in het huidige denkraam van de chansonnier. Belcanto gelooft dat muziekmaken zijn lotsbestemming is. Hij spreekt in dat kader zelfs van een religieus gevoel. Bij hem thuis heeft dat gevoel gestalte gekregen in de vorm van talloze Christusbeelden, die net zo goed een idee geven van Belcanto’s karakter als de met mos begroeide auto naast het huis en de her en der opduikende schilderijen van vrouwelijk naakt. “Ik heb veel medeleven in mij, ik trek me het lot van de onfortuinlijke mensen aan”, zegt hij. “Een kunstenaar moet net als Jezus Christus zijn leven geven voor zijn roeping. Ik heb een roeping, hè. Dit is geen business, geen carrière. Dit is een manier van leven. Al in mijn periode als kroegzanger voelde ik mij een soort verlosser.”

In het “Het Belang van Limburg” lezen we over die productie: “Geen Gina Divina dus op “Een man als ik”, maar Belcanto van zijn mannelijkste en meest muzikale kant. Die titel is niet lukraak gekozen, geeft de zanger toe. De vrouwenkleren draagt Guido niet meer. “Ik weet niet of dat verband houdt met die gelukkige fase in mijn leven,” dixit Belcanto. “Ik kan gewoon zeggen dat het aanvoelt als een bevrijding. En dat ik nooit gedacht had dat ik zou stoppen met het dragen van vrouwenkleren. Ik ben een vent, hé.” Een vent die nu ook in Holland hip is, zowaar. Belcanto werd er gespot op het showcasefestival “Eurosonic”, tussen veel jonger geweld. Belcanto krijgt als vreemde eend in de bijt onderdak bij het Nederlandse platenlabel Top Notch, tehuis voor onder meer De Jeugd van Tegenwoordig. Volgend jaar verschijnt Belcanto’s tiende plaat ook in Nederland en zal hij te zien zijn op Nederlandse podia. Voor het zover is, onderneemt Belcanto als volleerd troubadour een tournee langsVlaamse zalen.” De vijfde november 2011 noteren we het album “Een man als ik” op de vijftiende plaats in de Ultratop 200.

“De koning van de melancholie”, zoals journalist Bart Steenhaut hem in “De Morgen” noemde, pakt in 2013 uit met de derde editie van de theatershow “Balzaal der gebroken harten”. Die had hij ons eerder al in de theaters voorgeschoteld, met name in 2008 en 2010. “Op 5 januari 2008 ging tijdens die eerste editie een kinderdroom in vervulling in de “Roma” te Borgerhout, die weergaloos schitterende zaal vol vergane glorie waar ik dertig jaar eerder nog The Everly Brothers had zien spelen. Daar werd dus die vijfde januari het startschot gegeven van de tournee “Balzaal der gebroken harten”, een wervelend muziekspektakel met een gigantisch Decap-orgel in de hoofdrol. Ik had voor deze show een groep samengesteld met artiesten waar ik echt van hou en met wie ik mij enigszins verwant voel: conferencier Vitalski, zangeres en accordeoniste Lady Angelina en pianist Martin Jansen. Een hele uitzending van “De Laatste Show” stond in het teken van het Decap-orgel, dat verrezen leek uit het graf. Met ons vieren deden we in de zalen de sfeer herleven die ik als kind in de jaren vijftig had leren kennen in de grote danszalen die ons land toen rijk was. Wij slaagden glansrijk in ons opzet.” In 2013 pakt Guido nog grootser uit dan tijdens zijn eerste shows. Hij wordt deze keer geflankeerd door pianist, accordeonist, componist Martinus Wolf, gitarist Lieven De Maesschalck en actrice Tine Embrechts, die zich in deze productie ontpopt als een fantastische zangeres en geweldige danseres, die zich niet alleen amuseert met de liedjes van Guido zelf, maar ook sfeer brengt met enkele cabaretliederen en nightclubstandards. Daarover vertelde Guido deze keer aan de pers: “Wat Stradivarius voor de vioolbouw betekent, betekent Decap voor de bouw van de mechanische orgels. Als kind van de jaren vijftig en zestig heb ik het geluk gehad de glorieperiode van het Decap-orgel nog lijfelijk mee te kunnen maken. Dat was in hoofdzaak te danken aan mijn grootvader Charles Versmissen, een regelrechte bon vivant, die mij, zijn eerste kleinzoon, meenam op zijn uitstapjes naar roemruchte danszalen als “De 14 Billekens”, “De Salamander” en “De Willem Tell”. In deze tempels van volksvermaak hoorde ik voor het eerst de fabuleuze muziek die deze orgels produceerden. Het sloeg me met verstomming. Als het Decap-orgel in werking trad, gebeurde er een mirakel. Door simpelweg een muntstuk in de gleuf te steken, begon een volledig orkest te spelen zonder dat er een muzikant in de buurt was: pure magie!” In 2014 brengt Guido het album “Balzaal der gebroken harten” uit op Evil Penguin Records, inclusief de dvd “Guido Belcanto en het magische Decap-orgel” met daarop als oorsnoepjes voor wie het graag lust de instrumentale nummers Prélude romantique en Ik zou je mijn hart willen geven. Tine mag, slower dan slow, Het einde van de wereld zingen, een cover van de klassieker The end of the world van Skeeter Davis. De derde maart 2014 staat “Balzaal der gebroken harten” op de tweeëntwintigste plaats in de Ultratop 200. Op dat album zingen Belcanto en Tine trouwens enkele opvallende duetten zoals De wilde rooseen vertaling van Where the wild roses grow van Nick Cave en Kylie Minogue, dat zonder veel bijval op single verschijnt, en Surabaya Johnny.

Tussendoor even aanhalen dat Guido graag boeken leest. Hij is er dol op. Thuis slingeren ze zowat overal rond. Maar hij heeft zelf ook een paar boeken geschreven zoals “Man van lichte zeden” en “Geheime bekentenissen”. Zijn persoonlijke top drie in stijgende lijn: “Vrouwen” van Charles Bukowski, “Het lijden van de jonge Werther” van Johann Wolfgang von Goethe en “Het portret van Dorian Gray” van Oscar Wilde.

2014 wordt geen gemakkelijk jaar voor Guido. “Humo” mag, na enige aarzeling van zijn kant, daarover een artikel publiceren: “Ver weggestoken in de Kempense bossen leeft Guido Versmissen alleen met zijn talent, zijn demonen, zijn obsessies en zijn alter ego, Guido Belcanto. De fijnbesnaarde zanger heeft altijd al een snik in zijn stem gehad. Zijn liedjes ontroeren en troosten. Tremolo en het mineurakkoord zijn zijn wapens. “En mijn sexappeal”, zal Belcanto zich haastend hieraan toevoegen. De zanger heeft net zijn vader ten grave gedragen en dat zorgt voor een weemoedige, mijmerende stemming. Het huisje is vochtig, het licht gedempt, het water komt uit de handpomp, de koffie is beresterk. De zelfgekozen ballingschap valt de zanger zwaar. ”Vaders overlijden was een zeer aangrijpende gebeurtenis, het is toch wel een keerpunt in een mannenleven. Hij was de godfather van de hele Versmissen-clan. En nu word ík dat als oudste zoon. Als je vader sterft, valt je toetssteen weg“, aldus Guido.

Begin 2015 is er op het Evil Penguin-label het album “Cavalier seul” met daarop in het totaal tien nieuwe songs in een productie van Jo Francken, opgenomen in “Studio Caporal” en “Studio Dam”. Er wordt gemusiceerd door onder meer drummer Maarten Moesen, bassist Nicolas Rombouts, gitaristen Geert Hellings, Filip Wauters en Lieven De Maesschalck, toetsenist Thomas De Prins en violist Andries Boonen. Guido levert een behoorlijke brok eigen liedjes, maar gaat voor Iemand met wie je vreemd ging aankloppen bij Stefaan Fernande en Frank Vander linden en covert Omdat ik van je hou van Raymond van het Groenewoud. Bart Peeters vertaalt voor hem Marilou van Juan Formell y Los Van Van en Guido op zijn beurt schrijft een Nederlandse tekst bij  , dat we kennen in de versie van Tom Waits. De eenentwintigste februari piekt het album op 9 in de Ultratop 200. Het publiek en de media reageren heel spontaan op Geef meliefde, dat Guido samen met Jan De Smet, Kris De Bruyne en Stijn Meuris zingt. Het belandt de zevende februari op 4 in de Vlaamse Top 50 bij Radio 2 en de veertiende maart op 11 in de Radio 2 Top 30. Vrijdag de zevenentwintigste februari 2015 staat hij met de theaterproductie “Cavalier Seul” op het podium van de “Ancienne Belgique” in Brussel. Het wordt een optreden wars van modetrends en zonder compromissen. Belcanto wordt in de media officieel bestempeld als de populairste Vlaamse “volkszanger” én zo hoort hij het graag!

Begin december 2015 noteren we Guido op 14 in de Vlaamse Top 50 samen met Marco Z oftewel Marco Zanetton, die niet alleen Autobanden in de slipstream schreef, maar tevens tekende voor de productie. Iets voordien had hij nog Ik ga stoppen met te doen alsof op single gezet, een vertaling door hemzelf van I’m going to stop pretending that I didn’tbreak your heart van Eels.

De vijfentwintigste juni 2016 is het zover: de eerste enige echte Guido Belcanto-fandag. De fans krijgen die dag een speciaal polsbandje dat hen toegang geeft tot alle activiteiten en ook voor het avondoptreden met de voltallige GUIDO-band en de mysterieuze gastzangeres. Ook zullen zij een dansje kunnen plaatsen met het mooie Decap-orgel als muzikale begeleider. In een apart tentje worden archiefbeelden van Belcanto gedraaid.

Vanaf de zestiende september 2016 wordt de rijke erfenis van Bobbejaan geëtaleerd in de theaterproductie “Ode aan Bobbejaan”.Daarin ook minder bekende pareltjes. Bobbejaans muzikale erfenis wordt op het podium neergezet door Guido Belcantosamen met Jan De Smet, die voor een deel opgroeiden met Schoepens muzikale nalatenschap. Bobbejaan en zijn vrouw Josée hebben jarenlang dat podium gedeeld, wat soms resulteerde in gevoelige duetten en hilarische sketches.Barbara Dex maakt deze nooit geziene vocale combinatie dan ook helemaal compleet en zorgt ongetwijfeld mee voor de legendarische countrysnik die sommige van Bobbejaans liederen zo onweerstaanbaar maakt. Ondersteund door onder meer toetsenist Dominique Vantomme, bassist Sjang Coenen, drummer Karel De Backer en gitaristen Fritz Sundermann en Firmin Michiels, starten zij met deze productie in de theaterzaal van “Bobbejaanland”, om nadien Bobbejaans repertoire in de bekendste Vlaamse schouwburgen opnieuw te laten klinken. Guido houdt een groot deel van zijn agenda tot in 2017 speciaal vrij om met “Ode aan Bobbejaan” on the road te gaan. “Ik heb voor dit programma vooral gekozen voor de gevoelige liedjes“, vertelt Guido. “Ik wil de ernstige kant van Bobbejaan wat belichten.”

Vrijdag de 22ste september 2017 ligt de nieuwe single Johnny vergeet me niet van Guido in de rekken. Hij krijgt daarbij de vocale steun van Naomi Sijmans. Belcanto covert moeiteloos de golden oldie Johnny remember me die de Britse zanger Johnny Leyton in 1961 opnam en die in 1983 in Nederland al eens werd vertaald door Johnny Spencer. Eeerlijk is eerlijk, Guido heeft zijn versie helemaal op die van Spencer geënt. Daarnaast is er die dag ook zijn nieuwe studioalbum, zijn dertiende al, “Liefde & Devotie”, twee woorden die op volmaakte wijze vertellen hoe Belcanto zijn muzikale roeping belijdt en die hun ware betekenis onthult in de liedjes die hij voor dit album schreef. “Ik heb er samen met mijn band het voorbije jaar naarstig aan gewerkt. Tekstueel schenk ik veel aandacht aan mensen die anders zijn,  mensen met bijvoorbeeld een eenzaam en gebroken hart, mensen die net de andere kant opkeken toen het geluk voorbijkwam. Iemand moet deze mensen een stem geven en ik wil die iemand zijn.” In de pers lezen we dat “Liefde en Devotie” geen herhaling is van wat geweest is, maar wel een briljante voortzetting van een oeuvre dat uniek is in het Vlaamse chanson. Niemand komt in dezen in zijn buurt. Op zijn nieuwe plaat zoekt Guido vocale steun bij Kimberley Claeys, Nathalie Delcroix en Naomi Sijmons in liedjes als Ik weet niet waar mijn meisje isHenry Lee en Uniek specimen van de menselijke soort. Met “Liefde & Devotie” trekt Guido Belcanto ook naar het theater. De 25ste en 26ste september 2017 heeft een try-out plaats in “Het Vierde Oor” te Olen.

Of Guido er nog mee in zit dat ze hem de koning van de smartlap noemen? In 2002 zei hij hierover reeds aan “Het Nieuwsblad”: “Ik heb daarmee leren leven, ik heb moeten leren dat smartlap geen scheldwoord is. Bovendien denk ik, hoop ik, dat mijn liederen méér zijn dan een smartlap. Het zijn geen over-sentimentele liedjes. Mijn liedjes zijn meer geworteld in een dagelijkse realiteit. Ze hebben ook veel te maken met mijn eigen angsten, complexen, verlangens. Ik vind ze eerder chansons dan levensliederen. Anderzijds, als ze zeggen dat ik de koning van de smartlap ben, dan kan ik daar niet kwaad om zijn. Wie anders dan ik zou het zijn? Het is een genre dat ik van de ondergang wil redden. Toen ik in 1985 met dat repertoire begon, was er niemand die zich over het genre ontfermde. André Hazes, de Zangeres Zonder Naam, dat zijn figuren die ik belangrijk vind, iconen van het genre. Maar na hen, wie komt er na hen? Guido Belcanto!Dat zullen ze waarschijnlijk pas beseffen als ik er niet meer ben.”

Of Belcanto al eens heeft nagedacht over wat er met zijn muzikale erfenis na zijn dood moet gebeuren? “Ik wil dat de royalty’s van mijn muziek bij mijn kinderen terechtkomen. Dat zou wel eens een serieus bedrag kunnen zijn en ik zou niet graag hebben dat er geld verdwijnt in de zakken van managers en platenbazen. Tevens wil ik dat mijn persoonlijke bezittingen zoals kleren, boeken en platen onder mijn kinderen, geliefden, vrienden en familie verdeeld worden. Er mag ook een veiling van mijn persoonlijke bezittingen op het getouw worden gezet, waar dan al mijn fans terechtkunnen. De opbrengst hiervan moet dan naar een goed doel gaan. Naar de dierenbescherming of de daklozenwerking.”

Om voorlopig af te ronden wil Guido dit nog kwijt:”Er is hier in België een dame van middelbare leeftijd die een Belcanto-kamer heeft ingericht. Een soort kapel eigenlijk, waar de muren van top tot teen met foto’s van mij zijn behangen. Daar zet ik geen voet binnen. Voor bepaalde mensen ben ik echt de messias. De reden van hun bestaan is houden van Guido Belcanto. En dat vind ik schrikaanjagend. Maar goed, men zaait wat men oogst. Wie op een podium gaat staan, zegt eigenlijk: hou van mij.”En dat doen zijn fans in overvloed.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Mama’s Jasje

In 2017 was het precies vijfentwintig jaar geleden dat een van Vlaanderens bekendste groepen werd opgericht, Mama’s Jasje. Met meer dan 1,4 miljoen verkochte platen staat de groep in de top honderd van bestverkochte Belgische artiesten. In 1990 scoorden ze met hun eerste nummer Zo ver weg meteen een grote hit en er zouden er nog vele volgen. Een paar jaar werd het wat stiller rond Mama’s Jasje wegens een dispuut met hun platenfirma. Anno 2018 staat Peter Van Laet alleen op het podium als Mama’s Jasje met eventueel een extra gitarist, maar hij levert ook concerten van 75 minuten af samen met een vierkoppige liveband en een voltallig strijkorkest. Een apart en opvallend verhaal dat sowieso om extra tekst en uitleg vraagt.

Peter Van Laet mogen we gerust de biologische vader van Mama’s Jasje noemen. Peter werd de derde juni 1967 in Halle geboren. Hij moet een jaar of zestien geweest zijn toen hij voor het eerst echt met muziek bezig was. Zijn broer speelde thuis in de garage samen met een paar vrienden punk. “Het gebeurde weleens dat ik op de gitaar meespeelde en af en toe meezong. Mijn idolen in die tijd waren Human League, The Cure, Iron Maiden, Motörhead enzovoort. Toen was alles wat ik graag hoorde Angelsaksisch getint. Iets later heb ik Frank Boeijen ontdekt. Door het luisteren naar zijn platen heb ik stilaan beslist voortaan in het Nederlands te zingen“, aldus Peter. Qua studeren was hij niet wat je een schoolvoorbeeld kan noemen. “Ik trok naar het college in Halle, maar daar konden de leraren mijn aanwezigheid niet zo op prijs stellen. Ik zette de boel graag op stelten. Op het einde van het derde middelbaar raadden de leraars mijn ouders aan mij naar het beroepsonderwijs te sturen. Ze vonden dat ik een vak moest leren; dat zou me beter liggen. Ik ben dan zelf tijdens een aantal opendeurdagen op zoek gegaan en heb uiteindelijk voor de stiel van bakker gekozen. Ik trok naar het COOVI aan de Emile Grysonlaan in Anderlecht, waar ik in de secundaire graad, beroepsafdeling, de opleiding banketbakkerij-chocoladebewerking heb gevolgd. Tijdens een extra jaar heb ik me gespecialiseerd in het werken met chocolade, marsepein en suiker.”

In Sint-Pieters-Leeuw ging Peter in het weekend, of als hij eens een dagje vrij had, op stap. Dan werd er met graagte een pintje gedronken. Het is op die manier dat hij gitarist Ben Destrycker leert kennen (geboren 25 januari 1967 te Halle), drummer Steven De Cort (geboren 19 oktober 1966 te Halle) en bassist Herman Van Molle (geboren 15 maart 1969 te Etterbeek). Ieder van hen speelde op zijn beurt hier en daar al in een groepje. Peter herinnert zich nog goed: “In onze buurt had je in die tijd heel veel groepjes en het was niet ongewoon dat die groepjes een kort leven beschoren was. Er werd om de haverklap gesplit. En al pratend en pintjes drinkend, besloten we met ons vieren een nieuwe groep op te richten. We hadden nog geen duidelijk profiel voor ogen, we wisten nog niet goed welke muzikale kant we uit wilden. We speelden vooral in cafés in de buurt. Covers stonden vooraan in ons repertoire. Schoorvoetend schreven we in het begin wat Engelstalige liedjes. Met de nodige voorzichtigheid heb ik dan een eerste Nederlandstalig liedje geschreven, en zo stapten we geleidelijk aan in de richting van wat Mama’s Jasje zou worden.”

De naam Mama’s Jasje ontstond eerder toevallig. Peter: “In Dworp werd er elk jaar rond de Miss Dworpverkiezing een free podium op het getouw gezet en daar wilden we weleens aan meedoen. Maar om je in te schrijven, had je een artiestennaam nodig. Daar stonden we dan, naamloos. Nu was het zo dat onze drummer Steven voor de fun en om op te vallen vaak de jas van zijn moeder droeg en dan zei hij dikwijls: ‘Vanavond ga ik weer op stap met mama’s jasje.’ Het was onze bassist Herman die voorstelde onze groep dan ook Mama’s Jasje te noemen. Omdat we niet veel tijd hadden om iets anders te verzinnen, gingen we akkoord, met het voornemen nadien een andere naam te bedenken. Maar het bekte goed en het publiek lustte die naam wel. Mama’s Jasje klonk als een brede noemer waaronder veel genres konden schuilgaan.

Eerlijk is eerlijk, in die beginperiode was Ben Destrycker de drijvende kracht achter de groep, hij schreef in die tijd enorm veel nummers en Steven De Cort was op zijn beurt de organisator. Peter schreef soms weleens samen met Ben of eens iets in zijn eentje, maar het leeuwendeel van hun repertoire stond toen op naam van Ben. “In het begin ging het er nogal amateuristisch aan toe. We namen enkele liedjes in demoversie op en verkochten die dan op cassettes tijdens onze optredens aan onze allereerste fans. We dachten er niet eens aan om zo’n cassette naar een of andere platenfirma te sturen“, aldus Peter.

In 1990 verschijnt op het RCA-label in een productie van Roland Verlooven hun allereerste single Ik kan het niet meer aan, geschreven door Ben samen met Peter. Een hitnotering zit er op dat moment nog niet in. Datzelfde jaar schrijven Peter, Ben, Steven en Herman samen de volgende single Morgen zal het anders zijn, maar ook deze keer blijven de hitlijsten buiten bereik.

In 1990 wordt Mama’s Jasje door Elisa Waut als coach van de West-Vlaamse ploeg uitgenodigd om in het Casino van Middelkerke deel te nemen aan de Baccarabeker samen met Marie-Anne Coppens en Philippe Wimme. Het was de Brabantse ploeg met daarin B.J. Scott, Eleonor Bernair en Samantha Gilles die met de overwinning aan de haal ging. Ze sleepten ook de personality- en persprijs in de wacht. “We hadden net twee plaatjes opgenomen, hadden ergens met een klein artikel in een of andere krant gestaan en toch werden we gevraagd. Ook de andere deelnemers in onze ploeg hadden geen naambekendheid. We zongen toen Morgen zal het anders zijn en Ik kan het niet meer aan. Op de een of andere manier moet dat optreden voor ons een soort springplank zijn geweest, maar veel daarvan is niet in mijn geheugen blijven hangen. We hadden in die periode een vriend die voor advocaat studeerde die onze allereerste manager was.”

Mama’s Jasje laat na die eerste singletjes de moed niet zakken, en kijk, met hun derde single, deze keer op het Parlophone-label, is het wél raak. Nu is Paul Despiegelaere de producer van dienst. Ben Destrycker levert zowel de tekst als de muziek voor Mama’s Jasjes eerste hit Zo ver weg, waarmee ze de zestiende november 1991 op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien staan. Er zit ook een nummer één in, in de in die tijd razend populaire Tien Om Te Zien-hitlijst. Van de single alleen al gingen er dertigduizend exemplaren over de toonbank. Zo ver weg zal nadien gecoverd worden door Guus Meeuwis & Vagant, Evi Goffin en door Get Ready! als So faraway. “Dat was voor ons de eerste keer dat we ons als een soort vedetten voelden. Er ging geen week voorbij of we hadden wel ergens een tv-optreden. Het was niet altijd even gemakkelijk, want we hadden ieder nog een job. Ik werkte bijvoorbeeld toen nog in een patisserie. Het was vermoeiend, want we traden almaar vaker op en van slapen kwam niet veel meer in huis. Kwam daarbij dat we ons door het succes ook eens graag lieten gaan, er werd hier en daar weleens doorgezakt“, dixit Peter. Hij herinnert zich ook nog goed dat hij tijdens de repetities regelmatig met Ben in de clinch ging. Ben was zo’n beetje een muggenzifter, iemand die vaak diep nadacht, het kon altijd beter. Hij was ook steeds in de weer met zijn gitaar om nieuwe liedjes te schrijven. In de slipstream van Zo ver weg verschijnt er, deze keer in een productie van Jean Blaute, God in Frankrijk. Het verhoopte succes blijft echter uit. Peter kijkt terug. “God in Frankrijk is het enige nummer dat Jean voor ons produceerde. We blikten dat nummer in Studio Impuls langs de Wittevrouwestraat te Herent in. Die studio was in die tijd zowat je van het. Het fijne was dat, ook al waren we geen goede muzikanten, we alles zelf mochten inspelen. We werden dus niet aan de kant gezet om plaats te ruimen voor professionele studiomuzikanten. Dat hield wel in dat onze opnamen langer duurden dan normaal. We deden vaak in de studio een aantal nummers nog eens over omdat ons samenspel bijvoorbeeld niet zo goed klonk of omdat wij ter plaatse nog wat extra moesten oefenen en ons inspelen. Om het geheel wat professioneler te laten klinken, heeft Jean Blaute, zelf een uitstekend muzikant, wat ondersteunend meegespeeld. Maar Jean vond wel dat we als één groep moesten klinken. We hebben in die periode veel bijgeleerd, dankzij onder meer enkele nuttige tips van hem.”

In de herfst van 1991 had keyboardspeler Marc Ghyssels (geboren de achtste juni 1968 in Asse) zich bij de groep aangesloten. Peter weet nog goed dat ze in die periode enkele audities op het getouw hadden gezet. “We werden stilaan bekender, onze populariteit begon te stijgen. In eerste instantie wilden we er een extra gitarist bij. We oefenden toen in Wambeek (een dorp in de provincie Vlaams-Brabant). Ook al was Marc een toetsenist, toch kwam hij zijn kans wagen en waren we zo onder de indruk van zijn kennis en kunde, dat we hem meteen in de groep hebben opgenomen.”

In 1991 wordt er een platendeal gesloten met Play That Beat!, in 1988 opgericht door Théo Linder en Marc Debouvier, tevens gangmakers voor Get Ready!. Het is ook het jaar dat in de maand oktober het eerste album van Mama’s Jasje verschijnt: “Paradijs op aarde”, met daarop elf songs, waaronder het titelnummer en uiteraard ook hun eerste singles. Het album wordt in Studio Impuls geproducet door Paul Despiegelaere, met uitzondering van Morgen zal het anders zijn en God in Frankrijk. Technici van dienst zijn onder anderen Peter Bulkens en Wouter Van Belle. Paul Michiels zorgt voor de extra vocale ondersteuning. Het merendeel van de nummers is voor rekening van Ben Destrycker. Het album wordt een succes, maar de jongens blijven met beide voeten op de grond. “We dachten dat we succes niet cool mochten vinden, we voelden ons meer een rock-’n-rollgroep. We deden alsof een gouden en/of platina plaat ons niet deerde, maar stiekem hingen we dat exemplaar thuis toch maar mooi aan de muur en zijn we die prijzen blijven koesteren“, aldus de groep.

De negenentwintigste februari 1992 staat Mama’s Jasje in de Vlaamse Top Tien op drie met Doe het licht maar uit. In de Ultratop klimmen ze iets later naar de elfde stek. Peter had die melodie al een tijdje in z’n hoofd zitten. “Ik neuriede dat vaak tijdens m’n werk en mijn baas vond dat wel tof klinken, al klinkt het verhaal eerder droevig. Het gaat over een man die elke dag op café zit en z’n leven beu is. Het licht mag na hem best uitgaan wanneer hij als laatste klant naar huis gaat.”

Tussen Peter en Ben was het nooit touwtrekken om wie de volgende single mocht leveren. Ze waren sportief en fair genoeg om, zeker wat de singles betreft, telkens het beste nummer naar voren te schuiven, al bleef het leeuwenaandeel voor rekening van Ben. “Daar waar Ben er tien schreef, schreef ik er eentje. Hij was een echte crack op dat gebied“, vult Peter aan.

In 1992 werkt Mama’s Jasje mee aan het project “Elvis Belgisch”, uitgebracht op het EMI-label. Het was vijftien jaar geleden dat Presley in Memphis overleed. Op dit album covers door onder anderen Clouseau, The Polak Sisters, Helmut Lotti, P.P. Michiels, Elisa Waut, The Radios en The Dinky Toys. Mama’s Jasje kiest voor een vertaling van Always on my mind (eerder al op single gezet door Brenda Lee), dat in hun versie Zonder verhaal wordt. Peter en Ben sleutelden lang aan de tekst. Eerst wilden ze zo dicht mogelijk bij het origineel blijven, maar dat lukte niet, en dus kozen ze voor een totaal andere invalshoek. “Aan de allerlaatste bladenvan een mooi maar kort verhaal,waarin ze niet te scheiden waren, blijkt het einde nu fataal, want zijn boodschap wordt haar meegedeeldterwijl het huwelijkslied al speelt.” Zonder verhaal staat de vijfde september 1992 op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Volgens Peter was het telkens wennen wanneer ze een hit scoorden. “Ik weet nog goed“, zegt hij, “dat ik bijvoorbeeld twijfelde aan onze eerste single, maar na een tijdje had ik door dat je op mensen van de platenfirma ook eens moet kunnen vertrouwen, zoals in ons geval op Marc en Théo van Play That Beat!. Die hadden het qua keuzes vaak bij het rechte eind.”

Bij al dat succes, waarin Peter almaar meer de frontman van de band werd – en dat niet alleen door zijn stem, maar ook door zijn niet onaardige snoet – bleef Mama’s Jasje in eerste instantie een hechte groep. Ze gingen met elkaar om als de beste kameraden die, naast de optredens en repetities, elkaar op een speelse manier bleven ontmoeten in hun stamkroeg. Die manier van met elkaar omgaan is ook de reden dat zij als groep goed overkwamen en dat zij het met elkaar een behoorlijke tijd hebben uitgehouden. Zo is er in 1992 op het Play That Beat!-label hun tweede album “Letters en Lawaai”, met daarop veertien songs. De titel was een bewuste keuze van Ben, die op die manier hun succes wat wilde relativeren. Uiteindelijk zijn liedjes en zo’n album niet meer dan een hoop letters en wat lawaai. Ook deze keer neemt producer Paul Despiegelaere de honneurs waar. Uit dit album worden drie singles geselecteerd: Teken van levenRegenboog en Land van 1000 dromen. Voor Teken van leven zit er de vijfde december 1992 een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien in. Ben schreef dit nummer met in zijn achterhoofd een ex-vriendinnetje van wie hij hoopte dat ze nog iets van zich zou laten horen, dat ze nog een teken van leven zou geven. Het nummer zal trouwens nadien gecoverd worden door De Kast als Een teken van levenRegenboog moet het de dertiende maart 1993 met een zesde plaats in die Vlaamse Top Tien stellen.

Het was stilaan de gewoonte geworden dat wanneer er nieuwe nummers moesten worden opgenomen, Ben eerst bij Peter langsliep of omgekeerd. “We gingen dan meteen op zoek“, aldus Peter, “naar de juiste toonaard van het nummer, of het mij wel lag, want als ik in een nummer mijn draai niet kon vinden, begon ik er ook niet aan. Ik kon het me permitteren tegen Ben in alle oprechtheid te zeggen wanneer ik een nummer niet zag zitten, hij heeft me dat nooit kwalijk genomen. Soms paste hij het nummer aan mijn wensen aan of soms ook niet, en dan werd die song ook niet in ons repertoire opgenomenBen was trouwens binnen de groep een dominante figuur, maar ik had dat op dat moment wel nodig.”

In 1993 besluit Mama’s Jasje zijn geluid en de bezetting van de groep wat aan te passen. “Wij voelden dat we na een tijdje beter met ons vieren voort konden. Marc, onze toetsenist, bracht eigenlijk het minst van allen ideeën aan. We besloten ook vanaf onze derde plaat iets meer voor gitaren te kiezen en kwamen tot de vaststelling dat we daarbij geen piano en synthesizer meer nodig hadden.” In de maand november van dat jaar verschijnt hun derde album “Testament van een jaargetijde”. Als extra hulp wordt er een beroep gedaan op onder meer de muzikanten Stephan Kraemer, Patrick De Witte en Patrick Riguelle. De hulp van Kris Wauters wordt ingeroepen om de backing vocals voor zijn rekening te nemen. Het album is goed voor twee singles: Alleen liefde en Kon dit nu maar blijvenAlleen liefde, geschreven door Ben Destrycker, staat de achttiende december op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien. “Alleen liefde is sterker dan duizend, alleen liefde overwint de nacht, alleen liefde geeft me kracht en passie die mijn hart verzacht, alleen liefde is het leven dat ons wacht.” Tijdens de opname van dat nummer krijgen ze in de studio de vocale ruggensteun van de Gentse Oratoriumvereniging. Kon dit nu maar blijven wordt minder goed onthaald en komt niet in de buurt van de Vlaamse Top Tien. Voor dit derde album wordt als producer opnieuw voor Paul Despiegelaere gekozen, vroeger frontman bij de populaire popgroep The Machines. “Het pluspunt van Paul was zijn discipline. Vergeet niet dat wij aan de basis cafévrienden waren die op een bepaald moment besloten een groepje op te richten. Paul was als zanger van The Machines een man naar wie je in ons milieu opkeek. Hij had alles al meegemaakt, hij kende als geen ander het klappen van de zweep. Onze mond viel vaak open wanneer hij in de studio weer met een nieuw idee aankwam. Op onze derde plaat is vooral zijn keuze van de gitaren te horen. Let maar eens op die Beatles-sound die her en der opduikt. Paul bereidde ook elke opname grondig voor en stond erop dat dan ook alles volgens het boekje verliep. Slordigheden waren aan hem niet besteed, die liet hij trouwens niet toe. Hij had vooraf de klank van het eindproduct al in zijn hoofd.”

Ben Destrycker was het vaak optreden op een bepaald moment meer dan beu. Optreden voor bomvolle zalen lag hem niet meer. Mama’s Jasje was volgens zijn idee té populair geworden. Zo speelde hij liever in een gezellig café dan op grote festivals. Peter daarover: “We voelden al in de studio tijdens de opnamen van ons derde album dat de rek er wat uit was, de inzet was aan het uitdoven. Ben wou de plaat nog wel afwerken, maar dan ook niet meer dan dat. Hij ging wel nog mee promotie voeren voor de single Alleen liefde. Ben en ik trokken toen met ons tweetjes naar de media.” En nadien gaat het snel, want eind december 1993 besluiten Ben, Herman en Steven ermee te kappen en wordt de eerste bezetting van Mama’s Jasje opgedoekt.

En dan volgt er even een niet zo fijne periode, want Peter wil zijn schouders onder Mama’s Jasje blijven zetten, alleen vindt Ben niet dat Peter de naam Mama’s Jasje kan blijven gebruiken. Maar Peter houdt vol, komt tot een akkoord en kan voort met de groep waaraan hij zijn hart heeft verpand. Hij komt op zekere dag terecht bij enkele muzikanten die voordien nog in het groepje The Extended zaten met daarin Johan Schokkaert (geboren 13 mei 1969 te Reet), Jean-Pierre Van Kerckhove (geboren 2 september 1973 te Sint-Niklaas) en Gunther Van Campenhout (geboren 24 juni 1972 te Sint-Gillis-Waas). Gunther daarover: “Wij speelden in het Nederlandstalige pop-rockcircuit. Clouseau en Mama’s Jasje waren daarbij onze helden. We hebben in die tijd twee singletjes uitgebracht, die het qua verkoop niet zo goed deden, maar we traden wel regelmatig op, onder andere als voorprogramma tijdens concerten van Mama’s Jasje. Na de optredens bleven we dan samen weleens hangen. Omdat Thomas, de leadzanger van The Extended, het op zeker moment voor bekeken hield, stapten wij haast automatisch over richting Peter en was Mama’s Jasje in één klap opnieuw vier man sterk en kon de groep een nieuwe start nemen.

Gunther herinnert zich ook nog levendig dat het in het begin aanpassen geblazen was: “In de vorige bezetting stonden Ben en Peter vooraan. Met ons erbij kreeg je een andere klank, een compleet andere bezetting, en dat was te horen ook. Het werd oefenen geblazen om hun hits in onze vingers en onze stemmen te krijgen. We hadden op een bepaald moment zelfs de indruk dat we meer repeteerden dan dat we optraden. Vergeet niet, in die tijd was Mama’s Jasje samen met Clouseau de populairste band in Vlaanderen. We hadden een reputatie te verdedigen.” Maar het werd ook tijd, want de platenfirma drong erop aan dat er een nieuwe single op de markt kwam, en dat werd plots heel studentikoze muziek. Peter voegt daar snel aan toe dat het Gunthers idee was. “Het was tijdens ons optreden op Marktrock in Leuven. Er waren problemen met de geluidsinstallatie. Alleen een paar microfoons werkten nog. Gunther kende nog een liedje uit zijn hoofd dat bij de jeugdbewegingen in het Waasland weleens werd gezongen: Onzen bok is dood. Tijdens de rest van ons optreden bleef het publiek dat refrein van Onzen bok is dood scanderen. Een paar dagen later zijn we tijdens een van onze repetities rond dat nummer samen wat beginnen te jammen en hebben we nadien in café Obelisk in Boom samen een tekst geschreven, een paar losse flodders, met aan de basis veel leute en plezier. Marc Debouvier van platenfirma Play That Beat! zag het nummer meteen zitten en binnen de kortste keren lag het in de winkel.” De derde december 1994 staat Onzen bok is dood op vier in de Vlaamse Top Tien. Volgens Peter Van Laet een beetje tegen wil en dank. “Onzen bok is dood was een nummer waarop in de studio een rist studenten kwamen meezingen om de juiste sfeer erin te krijgen. Geen wonder dat die single in elk Leuvens café volop gedraaid werd. Maar dat was niet het gedroomde circuit dat we voor ogen hadden. En vreemd genoeg is het een nummer waar ik het nog altijd moeilijk mee heb dat het een van onze grote hits is geworden.” In 2013 zullen De Pitaboys Onzen bok is dood nog eens overdoen

Een paar maanden later wordt er gecoverd en brengt Mama’s Jasje een versie op de markt van Wunderbar van de groep Tenpole Tudor (die hadden daar bij ons in de winter van 1981 al een grote hit mee gescoord). Daarmee staat Mama’s Jasje de eerste april 1995 op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien en op elf in de Ultratop. Mama’s Jasje werd binnen de kortste keren een groep die je op elke studentenfuif kon uitnodigen, het was een heel andere uitgave dan de eerste. Gunther en Peter geven grif toe dat ze inpikten op het succes van het moment. “Als zoiets marcheert, moet je erop inhaken. De singles belandden snel in de winkel en binnen de kortste keren behaalden we goud. Het was onze manager Marc die met de tip aankwam Wunderbar te coveren. Hij wou ons graag een stijl aanmeten zoals die van de Engelse groep Slade. Het mocht er wat ruiger aan toegaan. We droegen in die tijd ook een soort carnavaleske kleding. We sprongen nogal in het oog. Oké, deze manier van optreden stond haaks op die van de eerste versie van Mama’s Jasje, maar een mens heeft nu eenmaal vele gezichten, en dit was er een van.

Raar maar waar, zeker omdat Mama’s Jasje plots weer talk of the town was, besliste Peter vanaf de maand oktober 1995 een tijdje solo te gaan. “Hoe het kwam weet ik niet, maar de maanden voordien had ik zo’n vijftien songs bij elkaar geschreven. Die liedjes pasten helemaal niet in het toenmalige repertoire van onze groep, maar ik wou koste wat het kost met die liedjes iets doen. De teksten waren ook iets depressiever van aard en kwamen dicht bij wie ik eigenlijk ben. Het mag voor mij wat ernstiger.” Gunther vult aan: “Daar hoefde niets over te worden afgesproken. We traden veel op tijdens studentenfeesten. Zo creatief waren we als groep nu ook niet bezig. Peter had op dat moment net een aantal songs klaar die helemaal niet bij onze stijl pasten. Hij is dan een album gaan opnemen zonder dat daar binnen de groep over gepraat werd of dat we daar boos op reageerden. Dat moet gewoon kunnen. Peter had even nood om enkele dingen van zich af te schrijven en even zijn eigen ding te gaan doen. So what?

In 1996 zet de VRT “De Gouden Zeemeermin” op het getouw om via die weg een kandidaat te selecteren voor het Eurovisiesongfestival. Er werden vier preselecties georganiseerd met in het totaal veertig kandidaten. Peter geraakt met het nummer Er is iets tot op de vierde plaats in de finale, die dat jaar gewonnen wordt door Lisa del Bo met Liefde is een kaartspelEr is iets werd geschreven door Peter samen met Marc Vanhie en Walter Mannaerts en wordt in een productie van Roland Verlooven de dertiende april op het Play That Beat!-label uitgebracht. Peter geraakt ermee tot op de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien. De vijftiende juni van dat jaar is er Peters soloalbum “Hartslag” met in het totaal twaalf songs, waaronder ook de volgende singles Ik hou mijn adem even in en  Zij. De productie is ook nu in handen van Roland Verlooven. Het album zelf klimt de vierentwintigste augustus naar de zevenentwintigste plaats in de Ultratop Album 200.

En dan blijft het een tijdje stil rond Mama’s Jasje, een behoorlijke tijd zelfs, want pas in 1997 zoeken ze opnieuw de schijnwerpers op – het is te zeggen, Peter en Gunther, want de rest heeft afgehaakt. Peter: “Dat leek me logisch. Jean-Pierre en Johan staken meer tijd in hun vaste job dan in de groep. Ze zagen het professioneel ook niet zo zitten als Gunther en ik, en dan hebben we maar besloten met ons beiden verder te gaan.”

En plots breken voor hen gouden tijden aan, de hoogtijdagen van Mama’s Jasje. Peter vat het kort samen: “Het was onze producer Roland Verlooven. Die kwam op zekere dag met het liedje Als de dag van toen naar me toe en vond dat ik dat sowieso moest coveren. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de originele versie van de Duitse zanger Reinhard Mey maar niks vond. Die had dat in 1975 opgenomen als Wie vor Jahr und Tag en iets later in een vertaling van Karel Hille ook in het Nederlands ingezongen. Daarmee stond Mey de vijfentwintigste oktober 1975 op twee in de Nederlandse Top 40. Ik beken dat ik toen even heb moeten nadenken over dat voorstel, maar ben dan toch geplooid. Roland was voor mij een crack in zijn vak en ik vond niet dat ik de pretentie mocht hebben zijn kennis in twijfel te trekken.” Gunther vult aan:Het succes van dat nummer is niet alleen de kracht van het lied, maar vooral de productie van Roland, die precies wist welke kant hij met deze nieuwe bezetting van Mama’s Jasje uit moest.” De eenendertigste mei 1997 staat Als de dag van toen op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien en zal daar weken na elkaar blijven postvatten. Radio 2 vindt het nummer zo oké dat het de achtste augustus in Blankenberge gekroond zal worden tot “Zomerhit”. Peter zingt het nog altijd even graag, ook nu nog, zovele jaren later. “Ik zing het nog tijdens elk optreden, niet zozeer om me daarmee zelf een plezier te doen, maar omdat ik voel dat ik dat het publiek verplicht ben.” Gunther: “Peter belde me op begin april, twee dagen later gingen we foto’s maken voor de hoes en iets later zat ik samen met Peter op een kruk voor ons eerste optreden. We hebben dat de ganse zomer van 1997 volgehouden. Als ik nu terugblik, moet ik toegeven dat het een toffe periode was. Plots gebeurde er van alles en was Mama’s Jasje graag gehoord en waren we een graag geziene gast tijdens diverse feesten en festivals. Wij werden overal goed ontvangen. Ik weet nog goed dat ik tijdens die zomer tien kilo was aangedikt. We aten bijna elke dag mosselen met friet.” Van Als de dag van toen bestaan twee versies. Naast de studio-opname ook een die werd opgenomen tijdens een uitzending van “Tien om te Zien”, waarop Gunther en Peter samen te horen zijn terwijl ze live met de muziekband meezingen. Het refrein wordt door het publiek integraal meegezongen. Die versie werd eveneens op single uitgebracht en liep opnieuw als een trein.

Als de dag van toen slaat zo aan, dat er besloten wordt een volledig album te vullen met liedjes die in de Lage Landen hun kwaliteit méér dan bewezen hadden. De zevenentwintigste september 1997 ligt het album “Hommages” in de winkel, staat meteen op één in de Ultratop Album 200 en houdt het daar vijf weken na elkaar vol, in het totaal goed voor 44 weken notering. Tijdens de opnamen kregen Peter en Gunther in de studio muzikale steun van gitarist Eric Melaerts, bassist Evert Verhees, toetsenist Alain Van Zeveren, bassist Vincent Pierins en drummer Walter Mets. Op het album zelf staan onder meer covers van Christine van Will Ferdy, Amsterdam van Kris De Bruyne, Houten kop van Zjef Vanuytsel en Kalverliefde van Robert Long, dertien liedjes in het totaal. Uit deze cd wordt als volgende single Laat me alleen geselecteerd, oorspronkelijk Pazza idea van de Italiaanse zangeres Patty Pravo op een Nederlandse tekst van Gerrit den Braber waarmee Rita Hovink in Nederland in 1976 al een hit had gescoord. Het was een idee van Marc Debouvier, want het nummer was eerst niet voorzien om in te blikken, maar omdat Als de dag van toen zo aansloeg, werd snel besloten Laat me alleen aan de lijst toe te voegen. Mama’s Jasje staat er de achttiende oktober 1997 mee op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. “De kracht van ‘Hommages’ zit hem in de juiste selectie die we vooraf gemaakt hebben. Het zijn stuk voor stuk liedjes die eerder hun kracht al bewezen hadden. Het waren toen al klassiekers. We waren een van de eerste groepen die zo’n soort hommage als formule gingen gebruiken, en dan nog in een nieuwer en frisser jasje gestoken“, aldus Gunther.

Wat niet meteen duidelijk was voor men met de opnamen begon, was hoe men het precies ging aanpakken. “Eigenlijk“, voegt Peter er meteen aan toe, “was ‘Hommages’ de voortzetting van mijn soloproject. Dus ik zou het in mijn eentje doen, maar tijdens de opnamen werd duidelijk dat we het toch beter als een plaat van Mama’s Jasje in de markt zouden zetten. Bij mijn soloplaat ‘Hartslag’ was immers gebleken dat de naam Peter Van Laet niet zo aansloeg, maar de naam Mama’s Jasje wel, en het zou zonde zijn dat op dat moment niet uit te spelen. Roland Verlooven ging meteen akkoord, want die bekeek het vanuit commercieel standpunt, en met Gunther erbij zou het allemaal promotioneel op televisie en zo veel beter overkomen en konden we het ook beter in de markt zetten.” Als kers op de taart valt Mama’s Jasje tijdens de uitreiking van de ZAMU Awards tweemaal in de prijzen: de single-award voor Als de dag van toen en ook de airplay-award.

Mama’s Jasje werd almaar vaker gevraagd tijdens grote evenementen zoals Marktrock, de Gentse Feesten, in de AB enzovoort. Voor hen was het een soort must geworden om zo veel mogelijk live op te treden. Voor die gelegenheden zochten ze hun steun bij diverse muzikanten die hen kwamen begeleiden. Tijdens de kleinere optredens werd er willens nillens met de muziekband meegezongen. Dat zijn nog altijd beelden die op hun netvlies zijn blijven staan. Van hun optreden in Marktrock bijvoorbeeld werden er tijdens “Het Journaal” beelden uitgezonden en zag je op de Grote Markt van Leuven zo’n tienduizend mensen enthousiast met hun liedjes meezingen.

Door het immense succes van “Hommages” liet een vervolg niet lang op zich wachten. Peter: “Het lag logischerwijze voor de hand dat we er een vervolg aan zouden breien. Het eerste album had zo gigantisch veel verkocht, dat het zonde zou zijn geweest het bij dat ene volume te laten.” De veertiende november 1998 duikt “Hommages II” de Ultratop Album 200 binnen en de twintigste februari 1999 staat de plaat daarin op de tweede plaats. In het totaal deze keer twaalf liedjes, beginnend met Vriendschap van Het Goede Doel en eindigend met Vlakke land van Jacques Brel. Als single is er uit die cd Gelukkig zijn van Ann Christy, waarmee Mama’s Jasje de vijftiende augustus van dat jaar op de derde plaats eindigt in de Vlaamse Top Tien. Een plaats lager in diezelfde hitlijst is de zevende november weggelegd voor Terug naar de kust, dat we met z’n allen nog goed kennen in de originele versie van Maggie MacNeal, die daar in 1976 in Nederland een dikke hit mee scoorde. Voor de correctheid aanvullen dat Paul Despiegelaere voor de productie van dit nummer tekent. Hij zal voor “Hommages II” nog twee andere nummers produceren: Suzanne van Herman van Veen en Vreemde vogels van de Vlaamse zangeres Claire. Een leuk detail is dat Peter en Gunther in de studio in de achtergrond de vocale steun krijgen van collega’s Yvan Brunetti, Kris Wauters, Fred Bekky en Mieke Aerts. Voor Gunther is en blijft Vriendschap op dit album zijn favoriete nummer. “Het is me al die tijd bijgebleven omdat we het in ons liverepertoire hadden opgenomen. Echt waar, ik kende het nummer niet tot het moment dat wij naar de studio trokken om het in te zingen. Ik vind niet alleen het nummer op zich erg sterk, het lag mij meteen van bij de eerste noot na aan het hart, maar ook onze versie blijf ik erg goed vinden.” Van “Hommages II” wordt iets later, in 1999, de platina editie uitgebracht. Twee cd’s met vijf exclusieve tracks: Verdronken vlinderStandbeeld, Rosanne10 jaar en Linda. Goed bekeken door de platenfirma, want deze speciale editie willen de fans maar al te graag in hun collectie.

Stefaan Fernande schrijft in 1999 tekst en muziek voor het Gordellied van dat jaar en Mama’s Jasje mag het inzingen en op single uitbrengen.

Oktober 1999 ligt er opnieuw een soloplaat van Peter Van Laet in de aanbieding, deze keer in het Frans gezongen. “Autrement” wordt uitgebracht op het Play That Beat!-label en verdeeld door Virgin. Op deze plaat vertalingen, maar ook nieuwe nummers: Cette fois-ciPetite soeurOn se donne... Er wordt een beroep gedaan op de schrijvers Philippe Russo en Christian Vié. Christian schreef nummers voor onder anderen Patricia Kaas, Pierre Bachelet en Gloria Estefan. Vié staat tevens in voor de productie van het album.

Het volgende album van Mama’s Jasje wordt “Popmodel” in 2000 opgenomen en verschijnt de vijftiende april 2000 op het Play That Beat!-label. De tweeëntwintigste april vinden we het album terug op de twaalfde plaats in de Ultratop Album 200. Ook deze keer twaalf liedjes. Het album zet in met Samen door het vuur en eindigt met Keer op keer. Als eerste single uit deze cd is er Wie ben jij? op tekst van Peter Van Laet, gebaseerd op een Engelstalig nummer van de Britse componist Jim Lea. “Zeg me wie ben jij, hier zowaar naast mij? Kan het zijn dat je naast me staat?Zeg me hoe en waar vonden wij elkaar? Kan het zijn dat je echt bestaat?

“Popmodel” was weer een idee van hun platenfirma, die een rist demo’s had verzameld en die gewoonweg stuk voor stuk aan Gunther en Peter had voorgelegd. Gunther: “We kwamen op zekere dag daarvoor samen, hebben samen de liedjes gekozen en zijn dan naar de studio getrokken. We hebben daar eerst een paar songs uitgetest, zoekend naar de juiste bezetting, de juiste sound. We hebben op basis van wat we voor ogen hadden opnieuw gekozen voor Paul Despiegelaere als producer, na onze intense samenwerking met Roland Verlooven. Roland had een andere manier van werken, van aanpak. Voor ‘Popmodel’ wilden we een ander geluid, en we kenden Paul al van de eerste drie albums van Mama’s Jasje. Hij voelde goed aan welke kant we met dit album uit wilden. Je kan bijna zeggen dat we met ‘Popmodel’ terugkeerden in de tijd, naar de beginperiode van Mama’s Jasje.” Peter is het daar volmondig mee eens: “Het was een bewuste keuze om na dat immense succes met de Hommages-cd’s terug te keren naar de roots van Mama’s Jasje, de beginjaren. We hebben die plaat in de Brusselse ICP-Studio opgenomen met twee Britse muzikanten: Trevor Holliday, de bassist van Slade, en de gitarist Bernie Marsden van Whitesnake. Dus het ging daar bij momenten heavy aan toe. Zij bepaalden voor een deel het geluid van ‘Popmodel’.” Met de single Wie ben jij? staat Mama’s Jasje de vierde maart op de derde plek in de Vlaamse Top Tien. Vervolgens wordt als tweede single gekozen voor een song geschreven door Koen De Beir samen met Heidi Verhoeven Reis door niemandsland, maar die single geraakt de zevenentwintigste mei niet hoger dan de tiende plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 2000 is er op het Mercury-label het album “Louis Neefs – 20 jaar later”. Neefs overleed de vijfentwintigste december 1980 tijdens een auto-ongeval. Aan dit album werken onder anderen mee: Bart Peeters, Stef Bos, Connie Neefs, Helmut Lotti en ook Mama’s Jasje. Peter zingt  Zondagmiddag Lilian, geschreven door Kris Kristofferson als Sunday mornin’ comin’ down en in 1979 door Louis op plaat gezet. Voor Peter behoort deze productie nog altijd tot de hoogtepunten uit zijn carrière.

VTM pakt in het najaar van 2001 uit met de tweede reeks van het immens populaire programma “Big Brother”. Speciaal voor dit nieuwe seizoen neemt Peter Van Laet samen met Walter Grootaers het nummer Gedachten zijn vrij op, geschreven door Walter samen met Berre Bergen. De twintigste oktober 2001 staat de single op één in de Vlaamse Top Tien.

In 2002 laat Gunther Van Campenhout weten dat hij de groep wil verlaten. “Dat voelde ik gewoon zo aan. Ik hoefde dat niet te verdedigen. Daar werd niet over gepraat, maar we hadden gedurende anderhalf jaar niets nieuws meer opgenomen. Er hing op dat moment ook niets in de lucht. Ik was in die periode met mijn partner Claudia Decaluwé (voormalig lid van Sha-Na) enkele demo’s aan het inblikken die zij voor haar solocarrière kon gebruiken. We hebben toen opgenomen met het oog op een eventuele deelname aan Eurosong, en toen we die opname beluisterd hadden, bleek het een commerciële zet dat als duo te doen. We kozen voor de artiestennaam Spark. Ik kon me de reactie van de mensen al voorstellen, zo van: ‘Wat zou dat geven, zo’n muzikaal huwelijk tussen Sha-Na en Mama’s Jasje?’ Toen we achteraf zeer goed bleken te scoren tijdens de finale van Eurosong moest ik een keuze maken. Je kan immers geen twee verschillende maskers gaan opzetten. Peter en ik zijn zonder rancune een tijdje zonder elkaar verdergegaan, mensen hoeven daar niets achter te zoeken.” Peter wil er dit aan toevoegen: “Ik voelde dat aankomen. Gunther en Claudia waren zeer close. Ik zag dat Gunther er veel energie in stak en ik was trouwens op dat moment hier en daar ook met andere dingen bezig. Er was dus ruimte om hun dat te gunnen.” Spark sluit een platendeal met het Polydor-label en brengt in de maand april van 2002 het nummer Someday uit in een productie van Marty Townsend (werkte ook samen met Barbara Dex en Blue Blot) en Michael Schack (schreef nummers voor onder meer Melanie en Janis Ian). Met Someday doet Spark in 2002 mee aan de voorronden van Eurosong. Zij geraken in de finale tot op de tweede plaats. Ze moeten, jammer genoeg voor hen, Sergio & The Ladies laten voorgaan met Sister. België zal in de “Saku Suurhal” in de Estische hoofdstad Tallinn op de dertiende plaats eindigen, samen met Bosnië-Herzegovina en Slovenië. Spark brengt in de loop van 2002 en 2003 nog enkele singles: WhimpThis dayI like it, dat tevens de titelsong is van hun album dat de twaalfde mei in de markt wordt gezet, en vervolgens Give me a hand en Love is a battlefield.

Door het vertrek van Gunther moet Peter op zoek naar een nieuwe compagnon de route. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij zijn broer Jan. “Ik zag het niet zo zitten om alleen op een podium te gaan staan“, aldus Peter, “en ik wist ook niet meteen wie ik zou vragen. Ik dacht in eerste instantie aan vrienden-muzikanten. Mijn broer zat niet meteen in m’n hoofd omdat die toen met erg alternatieve muziek bezig was. Maar Marc van Play That Beat! stelde mijn broer voor omdat hij wist dat die muzikant was en hij zag die combinatie wel zitten. Ik dacht dat mijn broer dat nooit zou doen. Maar naeen telefoontje en tien minuten bedenktijd heeft hij toch toegezegd. Samen met onze vaste drummer Gert Meert heb ik dan het nummer Ik mis je zo geschreven. Gert had thuis een demostudiootje en daar hebben we samen aan een rist nummers gewerkt. Ik heb nu eenmaal een zwak voor ballades en Ik mis je zo is daar een mooi voorbeeld van.” En kijk, die nieuwe samenstelling van Mama’s Jasje slaat beter aan dan eerst gedacht en verwacht. De vierentwintigste augustus 2002 staat Ik mis je zo op de vierde plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 2002 is er op het Virgin-label de verzamelaar “Als de dag van toen – Het beste van Mama’s Jasje”. Achttien hits op een dubbele verzamelaar, die de drieëntwintigste november van dat jaar op de tweede plaats in de Ultratop Album 200 belandt. Het is tevens een van hun bestverkochte platen, goed voor zo’n dertigduizend exemplaren. De platina plaat die ze daarvoor in ruil kregen, hangt nog steeds bij Peter thuis aan de wand. “Bij de start van Mama’s Jasje vonden we het niet echt cool uit te pakken met gouden en platina exemplaren, zoals ik al eerder vertelde, maar naarmate ik ouder werd en de waarde van Mama’s Jasje beter kon inschatten, ben ik die speciale exemplaren almaar meer gaan koesteren!

In 2003 is er in een productie van Hans Francken op het Virgin-label het nieuwe album ” Zwart op wit”. Peter en zijn broer Jan Van Laet zetten twaalf liedjes op dit album. Er wordt opgenomen in de ICP-Studio in Brussel en in Studio Galaxy te Mol. Bekende namen tijdens die opnamesessies: Steve Willaert, Yannic Fonderie, Kevin Mulligan, Evert Verhees en Walter Mets. Het album wordt eind november 2003 in de markt gezet en staat de zesde december op de drieëndertigste plaats in de Ultratop Album 200. Een hogere ranking zit er niet in. Uit dit album worden nochtans zes nummers op single uitgebracht. De negentiende juli was er als aanloop Het is over, een vertaling door Peter van Det innersta rummet van Date. Daarmee bereiken ze de zesentwintigste juli 2003 de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Ook de volgende single is een cover. Voor jou alleen linken we immers aan Still the same van Slade, dat in de versie van Mama’s Jasje de achtste november 2003 op vier in de Vlaamse Top Tien staat. De illusie van Sander Schaap en Niels Thomassen bereikt de zevende februari 2004 de negende plaats in diezelfde hitlijst. Vier plaatsen hoger is de vierentwintigste april weggelegd voor het nummer Verloren zaak, geschreven door Ad Cominotto samen met Jan Van Laet. En dan is er nog de titelsong Zwart op wit, geschreven door Peter Van Laet en Gert Meert. Gescoord wordt er deze keer niet. Een opvallende song op dit album is en blijft Bondgenoot, geschreven door Paskal Jakobsen en Han Kooreneef en opgenomen door Mama’s Jasje met de populaire Nederlandse zanger Guus Meeuwis. “Ik had Guus een tijdje voordien al eens ontmoet en we hadden afgesproken samen eens iets te schrijven. Die samenwerking is op café geëindigd, want het bleek niet zo te vlotten om samen iets op papier te krijgen. Omdat we beiden levensgenieters zijn, hebben we in plaats van daaraan door te werken een restaurant en een cafeetje opgezocht en hebben we nadien gekozen voor een demo die ik kende van de hand van Han Kooreneef, en dat is dan Bondgenoot geworden.” Vreemd genoeg liggen de hitlijsten voor dit liedje niet binnen bereik. Ook het album an sich wordt geen topper. “Dat viel inderdaad tegen“, geeft Peter toe. “Ik weet niet meteen waaraan dat te wijten was, want persoonlijk vind ik het nog altijd een goede plaat. Zeker de nummers Het is over en Voor jou alleen vind ik nog altijd prachtige uitschieters. Liedjes, dat weet ik nog goed, die we uit een stapel buitenlandse demo’s hadden geselecteerd.”

De vijfentwintigste januari 2003 staat Mama’s Jasje op het Virgin-label op één in de Vlaamse Top Tien met de door Hans Van Eijck geschreven ballade Het tij zal keren. Deze song was in die periode het intronummer van de populaire tv-reeks “Wittekerke”, een Vlaamse soapserie die van 1993 tot 2008 op VTM te zien was, goed voor 1067 afleveringen. Tussen de tweede april 2013 en de zestiende november 2017 werd “Wittekerke” op VTM heruitgezonden.

In 2004 bestaat Mama’s Jasje vijftien jaar en daaraan koppelen ze een theatertour. “We hebben voor die gelegenheid niet de oude bezetting opgetrommeld. Ik heb toen trouwens Gunther uitgenodigd, maar die kon zich in die periode niet vrijmaken. Ik heb dan een rist muzikanten opgetrommeld, met wie ik nadien vaker ben gaan samenwerken. We traden een eerste keer met deze formule op in zaal Capitole in Gent. We speelden daar alle grote hits van de beginjaren tot 2004, met zelfs een klein fragment uit Onzen bok is dood. Plus speelden we uiteraard een aantal nummers uit ons recente album ‘Zwart op wit’. En vervolgens trokken we naar een sliert Vlaamse theaters om ons daar kostelijk te amuseren, en het publiek genoot er blijkbaar ook van.”

“Viva Tura” is de titel van het album dat door Universal in de maand augustus van 2005 wordt gereleaset met daarop een aantal covers van grote hits van Will door onder meer Clouseau, Natalia en Marco Borsato gezongen. Ook aan Mama’s Jasje wordt de kans geboden Tura te coveren en zij kiezen voor Nu sta ik daar. Zij trekken daarvoor naar de studio samen met producer Eric Melaerts. Het album “Viva Tura” staat de twintigste augustus op vijf in de Ultratop Album 200. Iets eerder liep Peter met het idee rond een cover neer te zetten van de hit Beestjes, waarmee Ronnie en de Ronnies in Nederland ooit hoog scoorden. Het liedje werd geschreven door niemand minder dan Peter Koelewijn en stond de drieëntwintigste mei 1967 op de dertiende plaats in de Nederlandse Top 40. Peter had hoge verwachtingen, maar die werden niet ingelost. De tweede juli 2005 geraken ze in de Vlaamse Top Tien niet verder dan de zevende plaats. “Ik liep al lang met dat idee rond“,beaamt Peter.Ik was er heilig van overtuigd dat als iemand dat zou coveren, het een grote hit zou worden, maar ik zat er volledig naast. Ik heb het bewust zelf geproduceerd zodat het niet te plat of te carnavalesk zou klinken, maar blijkbaar sloeg de vonk naar het publiek niet over en is het bij een bescheiden notering gebleven.

Ondanks de vele meevallers en het succes beslist Jan in 2005 zijn avontuur met Mama’s Jasje af te ronden. Hij wil voortaan zijn aandacht toespitsen op zijn groep Chupalibre (in de maand mei van 2010 brengen ze het album “De grote kick” uit). Er volgt voor Mama’s Jasje een soort sabbatjaar. Peter waagt in zijn eentje een muzikale uitstap richting Vlaamse theaters met het project “Helden van Van Laet”. Hij was voordien wat gaan grasduinen in zijn eigen cd- en platencollectie en pakt uit met een nogal eigenzinnig repertoire met bewerkingen van internationale hits. Peter blijft ook nu trouw aan zijn belofte in het Nederlands te zingen en vertaalt kleppers van onder meer Tom Waits, Bruce Springsteen, Eric Clapton, Billy Joel, Paul Weller en zelfs Gilbert Bécaud. Hij zet in de theaters telkens een semiakoestische set neer.

Na een afwezigheid van vijf jaar sluit Gunther Van Campenhout zich in 2007 weer bij Mama’s Jasje aan. Er is meteen werk aan de winkel, want zij zingen de twaalfde januari in het Eén-programma “Zo is er maar één” hun versie vanIrene van De Mens. Het thema van die avond was “Liedjes over vrouwen”.

Ze gaan meteen nadien samen met de gitaar op schoot plannen smeden rond een nieuw album en een nieuw repertoire. Dat resulteert de negentiende mei op het Universal-label in de cd “Hommages III”. Deze keer geen selectie van klassiekers uit de Lage Landen, maar wel vertalingen van internationale hits zoals Stuck in the middle with you van Stealers Wheel, Mississippi van Pussycat, It never rains in southern California van Albert Hammond en Be my day van The Cats. Dertien liedjes in het totaal, vertaald door Peter Van Laet. De productie en arrangementen zijn in handen van Mon ‘S Jegers. Er wordt opgenomen in de DLM Studio te Geel. “Hommages III” staat de dertigste juni op de twaalfde plaats in de Ultratop Album 200. Samen met Voice Male zingen ze voor de gelegenheid Niets zonder jou, een vertaling van If you can’t give me love van Suzi Quatro waarmee ze de twaalfde mei op de vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien postvatten. In die hitlijst is echter geen succes weggelegd voor de opvolger Laat je hart slaan, een vertaling van Let your love flow van The Bellamy Brothers.

De zevenentwintigste november 2007 stelt Mama’s Jasje in de personeelscafetaria van het UZ te Leuven de single Niet alleen voor. Zij hebben dit ingezongen samen met Tonya en Claudia Decaluwé. De opbrengst gaat deels naar de Cliniclowns en deels naar mUZtival, een muziekfestival voor en door de patiëntjes van het kinderziekenhuis UZ Leuven.

Hun deelname aan “Zo is er maar één” op Eén bleek in de smaak te zijn gevallen, want het jaar nadien zingen ze de vijftiende februari 2008, in de tweede ronde die aandacht besteedt aan liedjes die gaan over “Lijf en Lust”, hun versie van Bleke Lena van Raymond van het Groenewoud.

2009 is het jaar dat Mama’s Jasje twintig jaar bestaat, en dat willen ze niet ongemerkt laten voorbijgaan. Peter en Gunther gaan met het management rond de tafel zitten en brengen op het Mostiko-label, verdeeld door CNR, het album “Morgen zal het anders zijn” uit. In het bijgevoegde cd-boekje leggen ze het opzet van deze plaat uit. “We besloten een selectie uit onze eerste drie albums in een nieuw jasje te verpakken en zijn zeer opgetogen over het resultaat. Een album dat bruist van nostalgie. Een stap terug naar onze eerste muzikale pasjes, maar met een meer volwassen kijk. Gegroeid, en als extraatje twee nieuwe songs die reeds een knipoog geven naar de toekomst. We hopen in deze muzikale toekomst jullie nog veel te plezieren met alles wat we de volgende twintig jaar zullen opnemen. Geniet van dit album. We hebben er alleszins van genoten het te kunnen opnemen (en ook een heel klein beetje voor onszelf). Bedankt iedereen die ons in de afgelopen twintig jaar gesteund heeft en vooral jullie om dit album te kopen.” Er wordt weer opgenomen in de DLM Studio te Geel met als producer Mon ‘S Jegers. Ze staan er allemaal op, zij het deze keer gezongen door Gunther en Peter, de bekende hits van toen, van Paradijs op aarde over Teken van leven en Alleen liefde tot en met Doe het licht maar uit en ma. De nieuwe versie van Regenboog 2009 komt eind mei op single uit en staat de zestiende mei op één in de Vlaamse Top Tien. Op de B-kant staat de karaokemix, tof voor de fans om uit volle borst mee te zingen.

In 2011 verschijnt op het EMI-label in de reeks “Alle veertig goed” een verzamelaar van Mama’s Jasje met daarop een behoorlijk overzicht van hun bekendste nummers, beginnend in 1990 met Morgen zal het anders zijn tot en met Regenboog 2009. Tussendoor ook plaats voor de solosingles van Peter Van Laet uit 1996.

Er wordt Mama’s Jasje in de loop van 2009 gevraagd nog eens het Gordellied in te blikken. Dat is deze keer Zoveel te doen, geschreven door Bart Herman samen met Wim Claes, die ook de productie voor zijn rekening neemt. Voor de aardigheid wordt er niet alleen een versie door Mama’s Jasje opgenomen, maar ook nog drie andere door Bart Peeters, Nicole & Hugo en Wim Soutaer.

In de maand juli 2009 werd aangekondigd dat de band van naam zou veranderen. Mama’s Jasje zou Mama’s Jacket worden. Aan de pers vertelden ze dat ze samen met hun management en platenfirma besloten hadden voortaan in het Engels te zingen. Nadien bleek dat de groep daarmee een statement wilde neerzetten omdat ze vonden dat de Vlaamse artiesten niet voldoende aan de bak kwamen. Tevens bleek het ook om een promotiestunt te gaan, op het getouw gezet door de nieuwe digitale zender Anne, een Vlaamse commerciële televisiezender die zich vanaf de zomer van 2009 toespitste op Vlaamse muziek. In 2016 werd het einde van de zender aangekondigd.

Na een tijdje blijkt het niet meer zo te vlotten tussen Peter en Gunther. Een financieel dispuut blijkt aan de grondslag van de beslissing te liggen dat Gunther het definitief voor bekeken houdt. Gunther zal later in Stekene de politiek ingaan als schepen van Jeugd, Communicatie en Cultuur. Hun wegen scheiden zich, en we citeren Gunther in dezen letterlijk, definitief. Peter blijft niet bij de pakken zitten en kondigt tot verbazing van zowat iedereen aan dat hij voortaan samen met Jan Schepens zal optreden onder de naam Mama’s Jasje. Jan is een bekend acteur, vooral geprezen door zijn optredens in diverse musicals. In de loop van de maand februari duiken ze meteen de studio in met het oog op een nieuw album. Ze werken samen met producer Danny Wuyts om enkele demo’s op te nemen. Het album moet een voortzetting worden van de reeks “Hommages”. Als eerste hoorbare resultaat is er de eerste april 2011 het nummer Zet een kaars voor je raam, dat we kennen in de oerversie van Rob de Nijs op tekst van Lennaert Nijgh. Rob had dat op zijn beurt geleend van David McWilliams die dat in 1967 al op plaat had gezet als Can I get there by candlelight. Wellicht tot hun eigen verbazing blijft de Vlaamse Top Tien buiten bereik. Achteraf blijkt dat er ook een conflict is ontstaan tussen Mama’s Jasje en hun platenfirma. Het beloofde album wordt uitgesteld. Jan kan blijkbaar de spanning daaromtrent niet meer aan en beslist begin 2012 met pijn in het hart de samenwerking met Peter te beëindigen. Ze gaan als vrienden uit elkaar en houden goede herinneringen over aan hun optredens van het voorbije jaar.

De zeventiende juni 2014 bloklettert De Standaard ”641.000 euro schadevergoeding voor zanger van Mama’s Jasje”. Peter Van Laet krijgt een schadevergoeding van 537.000 euro en een bijkomende vergoeding van 77.000 euro van zijn voormalige platenfirma CNR. Volgens Van Laets advocaat was die firma er duidelijk op uit om de carrière van Peter te beschadigen. Nadat CNR in 2011 niet geïnteresseerd bleek in een nieuw album van Mama’s Jasje, probeerde Van Laet het album te slijten aan Universal. Toen die firma een eerste single uitbracht, trok CNR naar de rechter en werd de verkoop van de single stopgezet. CNR weigerde tevens opnieuw het album uit te brengen. Peter wil achteraf alles in een telefonisch gesprek een beetje relativeren en in de juiste context plaatsen. Die eerdergenoemde som werd nooit uitbetaald. Peter had namelijk intussen samen met de platenfirma een minnelijke schikking getroffen. Het juiste bedrag blijft op verzoek van Peter tot nader order een goed bewaard geheim.

Peter gaat zich in die periode wat bezinnen, zoekt een job en kijkt de kat voorzichtig en afwachtend uit de boom. De eerste februari 2016 ligt er een nieuwe single klaar van Peter Van Laet en de Wolven: Dat ik wakker word, geschreven door Peter samen met Bert Verschueren in een productie van Pedro Van Der Eecken. Peter wordt onder meer begeleid door het strijkkwartet Meret, dat aan het geheel een ingetogen cachet geeft. Het nummer valt in de hitlijsten echter nergens te bespeuren, maar daar wordt in eerste instantie niet om getreurd. De derde februari 2016 lezen we daarover op Showbizzsite.be: “Een nieuwe cover-cd onder de naam Mama’s Jasje zou zeker een snellere weg geweest zijn”, volgens Peter. “Maar mensen die de nieuwe liedjes hoorden, zegden meteen: ‘Dit is niet Mama’s Jasje.’ Ze hebben gelijk, deze liedjes gaan naar mijn roots. Het zijn doorleefde liedjes die ik twintig jaar geleden nog niet met hetzelfde gevoel had kunnen zingen, liedjes met eenvoudige maar geloofwaardige teksten. Volgend jaar word ik vijftig. Dat hoor je aan mijn stem. Mijn liedjes gaan recht naar het hart. Als muziekfan weet ik zelf hoe een precies geformuleerd zinnetje je kan raken. Deze liedjes, en het feit dat mijn eigen naam erboven staat, maken me trots. Het voelt als een nieuwe start. Ik weet van recente concerten dat jong en oud de vroegere hits nog kennen, zelfs al dateren die voor velen van voor hun geboortedatum. Ik ben er gerust in: straks optreden met een combinatie van de nieuwe liedjes en de oude hits, dat gaat geweldige concerten geven.Van Peter Van Laet en de Wolven verschijnt in de maand februari 2016 het door Peter samen met Bert geschreven Steel niet, de dertiende februari goed voor een zestiende plaats in de Vlaamse Top 50.

Privé gaat het Peter voor de wind. Hij huwt de zevende mei 2016 met Anne Spiessens.

In een aflevering van het programma “Het Huis” op Eén, uitgezonden in de loop van de maand januari van 2017, vertelt Philippe Geubels aan programmamaker Eric Goens dat hij een grote fan is van Vlaamse liedjes. Hij groeide op in die wereld, want zijn vader was manager van een aantal Vlaamse sterren. Hij ging vroeger vaak kijken naar “Tien om te Zien”. Hij houdt nog steeds van Vlaamse muziek en blijkt ook nog eens een grote fan van Mama’s Jasje te zijn, die hij persoonlijk beter vindt dan The Beatles. In die uitzending brengt hij samen met zijn kameraad en pianist Jef Neve, die in de loop van het programma als verrassingsgast passeerde, een opmerkelijke en hilarische versie van Zo ver weg. Peter Van Laet weet niet wat hij hoort en is door die waarderende uitspraak van Philippe aangenaam verrast. De elfde juli 2017 reageert hij daarop in Story als volgt: “Ik treed nog altijd op onder de naam Mama’s Jasje, maar het was toch al zeven jaar geleden dat we nog nieuw materiaal hadden uitgebracht. De vraag ernaar werd steeds groter, de mensen zijn Mama’s Jasje duidelijk nog niet vergeten. Als zo’n bekende figuur als Philippe Geubels in een druk bekeken programma als ‘Het Huis’ zegt dat hij Mama’s Jasje beter vindt dan The Beatles, dan heeft dat uiteraard een impact. Die extra aandacht zorgde ervoor dat de boekingen vlotter binnenliepen en dus vond ik het hoog tijd om ook nieuwe liedjes uit te brengen. De eerste, Valt het op, is net uit en tegen eind dit jaar hoop ik dat ons album klaar is. We keren terug naar de roots van Mama’s Jasje en gaan voor het betere Nederlandstalige lied dat voor iedereen verstaanbaar is met teksten over de dingen des levens, zoals liefde en ontgoocheling. Ik zal nu gewoon alleen optreden met mijn band, een tweede man is echt niet meer nodig. Ik ben en blijf voor het publiek het boegbeeld van Mama’s Jasje, maar misschien moet ik voor mijn nieuwe album wel een duet opnemen met Philippe Geubels. Hij is niet de beste zanger, maar zingt wel vanuit zijn hart. Onlangs heb ik wel nog op zijn verjaardagsfeest gezongen.” Begin juli 2017 verschijnt Valt het op op single en de achtste juli staat het op de twintigste plaats in de Vlaamse Top 50. Het is wel even wennen, want op de hoes staat Peter in zijn eentje afgebeeld.

Op de website van Mama’s Jasje lezen we anno 2017: “Mama’s Jasje Live Tour”. Omringd door vier muzikanten en het strijkkwartet Meret brengt Peter Van Laet een straffe liveset met het beste van Mama’s Jasje, aangevuld met enkele nieuwe verrassende nummers.Beleef de nostalgie en ontdek de nieuwkomers. Allen daarheen dus!

Begin 2018 vernemen we via Peter dat Mama’s Jasje de laatste hand legt aan een nieuw album. Peter liet vooraf weten dat hij nu al erg trots is op zijn versie van Magie van Philippe Robrecht en Laat me van Ramses Shaffy.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

Frank Galan

Al jarenlang hebben we in Vlaanderen onze eigen Julio Iglesias, Frank Galan. Een tijdje later besloot hij ook in het Nederlands te gaan zingen. Dat bleek plots in Vlaanderen en Nederland lucratiever, al blijft hij zijn idool eeuwig dankbaar, want dankzij hem en zijn deelname aan de “Soundmixshow” in 1994 besloot Frank als zanger door het leven te stappen. Toen Frank begon te zingen, koos hij net als Iglesias voor de Spaanse taal, omdat hij zich daarmee in Vlaanderen in een unieke positie wilde manoeuvreren. Galan: “Spaans is een warme, verleidelijke taal. Als ik ‘Ik hou van jou’ zing, klinkt dat koel. Maar als ik voor honderden vrouwen ‘Quiereme mucho’ kreun, worden al die dames week. Daar kun je om lachen, maar het is zo. Ik zie dat in hun ogen.”

Dat leven begon voor Frank Galan de negentiende december 1960 in Lede, waar hij als Frank Leo Juul Van Molle als helft van een tweeling ter wereld kwam. Die andere helft kreeg de naam Peter mee. Zijn broer Herman zou zich later ontpoppen als dé quizmaster bij uitstek die de VRT als ankerpunt koos, maar dat verhaal is intussen bij iedereen welbekend. Franks ouders waren hardwerkende zelfstandigen. Onder een baas werken was niet zo hun ding. Zijn ouders handelden onder meer in oosterse tapijten. Zij reisden daarvoor veel naar Turkije, Irak en Iran om ter plaatse zelf te kunnen beslissen welke stukken ze het mooist vonden en om hun klanten zo goed mogelijk te bedienen. Franks vader was erg onderlegd in zijn vak, zocht veel op over die materie, hij las zelfs Arabisch. “Mijn vader heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Hij is op zijn negentiende opgepakt, heeft in Oostenrijk in een krijgsgevangenkamp gezeten. Hij heeft daar nadien nooit veel over losgelaten, maar ik weet heel zeker dat hij het daar enorm moeilijk mee heeft gehad, heeft moeten doorzetten, doorbijten. Dat heeft hem getekend“, aldus Frank. “Thuis heerste er ook een streng regime. Wij hebben met z’n allen op internaat gezeten, in mijn geval negen jaar. Dat houdt ook in dat we gewoon zijn onze eigen boontjes te doppen, we zijn alle drie zeer zelfstandige mensen geworden en gebleven.”

Frank komt niet uit wat je noemt een muzikaal nest, al speelde pa in zijn vrije tijd graag toneel bij een amateurvereniging waarvoor hij ook toneelstukken schreef. Waar nodig zong pa op het podium weleens een liedje, La Paloma is er een van, maar erg veel stelde dat niet voor. “Mijn vader was een zachtaardige man. Je hoorde hem thuis nooit, behalve als hij stond te zingen, zijn stem verheffen. Hij was ook erg genereus, heeft ons zelden of nooit iets verboden. Mijn moeder was strenger. Zij droeg de broek thuis, ze reilde en zeilde alles zoals het hoorde“, herinnert Frank zich nog levendig. In Lede gaat Frank naar de kleuterschool, maar meteen nadien gaan de drie kinderen Van Molle naar het jezuïetencollege in Aalst. Hun ouders koesterden grote ambities: “Zij hadden graag gezien dat mijn twee broers en ik een universitair diploma behaalden. Dus naar het college in Aalst gaan was sowieso een must.” Daar volgen Frank en Peter het lager onderwijs. Omdat het niveau te hoog ligt, schakelen Frank en broer Peter nadien over naar de afdeling economie – moderne talen in Dendermonde.

Frank beschikt over een enorme talenknobbel, zo blijkt na zijn middelbare studies, en behaalt het diploma vertaler-tolk Spaans-Engels. Hij heeft een duidelijke voorliefde voor het Spaans, te danken aan vrienden van zijn ouders die in Barcelona woonden. Hun kinderen liepen in Vlaanderen school en in zowel de kerst-, paas- als zomerperiode ging Frank met hen in Spanje steeds op vakantie. “Die typische Spaanse sfeer, het klimaat, de mensen, hun taal, hun cultuur, dat sprak me aan van in het begin. Zeker toen ik een jaar of zestien werd, was ik helemaal in die Spaanse ban. Zeker het feit dat ik een heel jaar op internaat haast opgesloten zat en dan tijdens de vakantieperiode plots die vrijheid, die nieuwe wereld die Spanje heette, heeft een belangrijke rol gespeeld.” Wat muziek betreft weet Frank nog goed dat hij op zijn twaalfde het singletje Un canto a Galicia van Julio Iglesias samen met een kleine platenspeler met kerst cadeau kreeg, ofschoon dat in het Galicisch was gezongen. Het is de taal die in Galicië wordt gesproken, gelegen in het meest noordwestelijke deel van Spanje ten noorden van Portugal. “Ik moet eerlijk toegeven dat mijn moeder in stilte een beetje verliefd was op Julio, dus elke nieuwe plaat belandde thuis in de discotheek. Ik deed niets liever dan zijn teksten analyseren en ze dan uit het blote hoofd leren.

Frank leert op zekere dag hier in Vlaanderen een meisje kennen dat in Tenerife woont en trekt met haar naar ginder. Frank is dan drieëntwintig en net afgestudeerd. Hij komt daar in de toeristische sector terecht. Qua werkdruk niet te onderschatten, want daar rijgen de seizoenen zich aan elkaar, daar duurt een toeristisch jaar immers twaalf maanden, dat stopt nooit. Frank gaat gedurende drie jaar, van 1983 tot 1986, werken voor een reisagentschap. Nadien belandt hij gedurende meer dan twaalf jaar als verantwoordelijke voor sales & marketing bij de hotelketen “Holiday Inn” en is hij voornamelijk bezig met de organisatie van feesten en seminaries, uitsluitend bedoeld voor de bedrijfswereld. “Ik ben iemand die optimistisch van aard is, ik kan volop van het leven genieten, ik zie ook graag mensen genieten en zo ontdekte ik dat ik ook de aanleg en het talent had om mensen te animeren, mensen te vermaken, hen op een gezellige manier bezig te houden. Ik had dat van mijn vader, die was ook graag gezien, was een heel sociaal mens“, aldus Frank. Van zingen is er op dat moment nog geen sprake, maar een vriend van hem had een discobar, “Galaxy Studio’s”. Daar zong Frank geregeld in een soort karaokestijl mee met de liedjes van Julio Iglesias, want die vriend had die uiteraard in zijn collectie zitten, daar werd in die jaren zeventig veel naar gevraagd. “Niemand vond toen dat ik een goede zanger was, ze vonden alleen maar dat ik Julio goed kon imiteren, en die omschrijving heb ik nog jaren moeten aanhoren.” Wanneer de karaoke echt doorbreekt, is Frank er als de kippen bij om tijdens de weekends in een horecazaak in Aalst te gaan zingen. “Dat stond me zo aan dat ik daar elke week eens binnenliep, de microfoon nam en begon mee te zingen met liedjes als Always on my mind, My way en natuurlijk al die Spaanse klassiekers.” De baas merkte snel op dat Frank vooral een vrouwelijk publiek aansprak. Hij stelde Frank voor vaker langs te komen, maar dat zag Galan niet zitten en het was ook niet combineerbaar met zijn job.

Wat Frank wel graag wou, was een plaat opnemen. Daarom klopt hij in 1989 aan bij Erik De Blende van platenfirma Assekrem. Hij schrijft samen met zijn buurman Mark Manuel het Spaanse liedje Angelina (oorspronkelijk als Angélique in het Frans geschreven, Frank schreef de Spaanse tekst), waarvan zij een demoversie opnemen in de homestudio van Mark. “Ik moet eerlijk bekennen dat het mijn moeder was die op zekere dag bij hem is gaan aanbellen met de vraag om mij wat voort te helpen, want ze vond toch dat ik zangtalent had en dat ik daar iets mee moest doen“, herinnert Frank zich nog. “Wij zijn dan bij Mark thuis in zijn homestudio een demoversie van Angelina gaan opnemen. Mark had bij Assekrem al een paar singletjes uitgebracht en het was hij die mij aan Erik De Blende voorstelde. Erik betaalde zelf de productie, maar die single bleef tot de regio Aalst en omstreken beperkt.” Het plaatje wordt geen succes en de samenwerking wordt ook niet voortgezet. “Voor de juistheid van het verhaal: dit was voor mij pure fun, want ik was nog fulltime in de horeca bezig, ik had geen tijd om echt te gaan optreden en om me voltijds met een zangcarrière bezig te houden. Trouwens, mijn ouders hielden eraan dat ik mijn job met beide handen vasthield, want een professionele zangcarrière zagen ze voor mij niet zitten.

Dat Assekrem-verhaal duurde dus niet lang, want een jaar later brengt Frank op het Circle-label een Nederlandstalig nummertje uit: Die zomer en jij, geschreven door Mark Manuel, met op de B-kant de Spaanse versie daarvan, El verano y tu. Nadien verschijnen nog de singletjes Dwars door de nacht en De tijd ging toen zo snel voorbij, maar zonder veel succes. De eigenaar van “Circle Productions” was een flamboyante man die alles erg groots zag en ook een eigen bedrijf met Frank wou uitbouwen, maar die ging daar achteraf bekeken gelukkig niet op in, want het bedrijf ging een ietsje later op de fles.

Wél succesvol werd Franks deelname in 1994 aan de VTM “Soundmix Show”. Frank had in eigen beheer twee liedjes van Julio opgenomen, waarvan hij hoopte dat er eentje geselecteerd zou worden. Hij hoopte stiekem ook dat er niemand anders op het idee zou komen iets van Iglesias te brengen. Frank wordt uiteindelijk tweede met zijn versie van Quiereme mucho. In Latijns-Amerika was dit al jarenlang een klassieker van de hand van Gonzalo Roig, Agustin Rodriguez en Oscar Gomez. De eerste september 1979 stond Julio er in Vlaanderen mee op één in de Ultratop 50. Frank was maar wat blij met zijn overwinning: “Ik was door het dolle heen. Dit was nu eens iets wat me lag, zingen en nog eens zingen. Ik merkte dat de trein meteen vertrokken was. Ik kreeg aanvragen van overal en kon dat nog moeilijk combineren met mijn vak. Ik moest kiezen, en kiezen is altijd verliezen. Mama had het er heel moeilijk mee dat ik mijn job opgaf en stond erop dat ik dan maar op m’n eentje moest gaan wonen. Die eerste jaren van mijn carrière is ze slechts één keer naar een optreden van mij komen kijken. Nadien heeft ze zich ermee verzoend en is het tussen ons beiden weer goed gekomen.”

Het is Guy Beyers van het “Benelux Theater” die hem iets later aan het werk ziet tijdens een optreden bij firma “Van De Ven” in Olen, hem samen met zijn toenmalige partner Micha Marah benadert en voorstelt zijn verdere carrière uit te dokteren. Guy daarover: “Ik zag meteen dat Galan iets had wat ik bij niemand anders zag. Die had een zuiderse stijl, die had een zuiders charisma, een uitstraling die meteen in het oog sprong.” Frank tekent een nogal strikt contract waarin er weinig ruimte overschoot voor eigen creatieve inbreng. “Maar ja, ik had hoogdringend iemand nodig om me te begeleiden. Ik zat in het begin deels in de hotelsector en deels in de muziek en had dus iemand nodig die me ging gidsen en bijsturen. Sorry dat ik het nu zo zeg, maar ik hoorde op dat moment een contract te ondertekenen waardoor ik geen kant uit kon. Zowel qua opnamen, management, uitgeverij als teksten schrijven lag alles in hun handen.” Frank brengt op Guys platenlabel Centropa een coverversie van de Will Tura-hit El Bandido uit. Dat liedje heet oorspronkelijk The Great El Tigre, door Cy Coben geschreven en in 1966 door Stu Phillips, de Canadese Jim Reeves, op plaat gezet. Het was Nelly Byl die er speciaal voor Will een Nederlandse tekst bij schreef. De tiende december 1966 stond Tura er bij ons mee op één. “Dat liedje lag al jaren in mijn kast, nog voor de soundmixshow, nog voor het Beyers-verhaal. Ik had dat ergens in het Antwerpse opgenomen, in een bescheiden living, maar eerder in een uptempo, een soort dansante houseversie. Dat was dus heel primitief opgenomen, maar dat had iets en Guy zag het wel zitten om dat zo op plaat uit te brengen.” Die versie van Frank, die in Vlaanderen de vierde november 1995 werd uitgebracht, slaat bij ons niet aan, maar wordt vreemd genoeg wél in Nederland opgepikt en veel gedraaid. “Ik had het geluk“, vult Frank aan, “dat dat liedje in 1996 door een piratenzender in Nijmegen werd opgepikt. Zij begonnen mijn Spaanse versie van El Bandido zo goed als grijs te draaien. Het regende telefoontjes met als gevolg dat de rest van Nederland volgde en dat ik er de achtste juni 1996 mee op de negentiende plaats in de Nederlandse Top 40 stond. In Nederland gingen er vijfentwintigduizend exemplaren van over de toonbank. Wij hadden tegen die tijd een Nederlandse platenfirma (RPC) gevonden, die dat nummer op single wou uitbrengen. Zo is die bal aan het rollen gegaan.

Als opvolger wordt er in Vlaanderen gekozen voor het nummer Stille waters. “Dat liedje was eigenlijk bedoeld voor Luc Steeno, maar die ging net de stal van Beyers verlaten en zo kwam Guy op het idee dat liedje door mij te laten inzingen“, dixit Galan. Het nummer sloeg echter in Vlaanderen niet aan. “Toen Luc weg was bij Guy, had ik een hele rist liedjes van Luc in het Spaans vertaald“, vervolgt Frank, met het idee die nummers op een Spaanstalige cd uit te brengen. Wij hebben uiteindelijk Maria, reina del mar gekozen en op single uitgebracht. Die zet blijkt mee te vallen, want de negentiende oktober van 1996 stijgt Frank ermee naar de achtentwintigste plaats in de Ultratop. Drie maanden eerder was Frank er, de twintigste juli 1996, in de Nederlandse Top 40 mee tot op de vijfentwintigste plaats geraakt. Van de hand van datzelfde team verschijnt enkele maanden nadien Adelante al amor op single. Vlaanderen reageert koel en ook Nederland springt niet mee op de hittrein.

Er wordt na het succes met Maria, reina del mar in de maand september van 1996 besloten het volledig Spaanstalige album “Pasiones” op het Centropa-label uit te brengen met in het totaal vijftien liedjes. Guy Beyers mikte op een Spaanstalige cd voor Nederland, want daar hoorden ze Frank nu eenmaal liever in die zuiderse taal zingen dan in zijn moedertaal, het Nederlands. In het achtergrondkoortje bekende namen als Fred Bekky, Micha Marah, Yvan Brunetti en Dany Caen. De productie is in handen van John van de Ven, Pino Marchese en Guy Beyers. De zesentwintigste oktober 1996 duikt het album voor de eerste maal in de Ultratop Album 200 op met de tweede november als hoogste notering de twaalfde plaats. De plaat is qua verkoop een absolute meevaller. Meer dan vijfenvijftigduizend exemplaren gaan vlot over de toonbank. Er wordt ook meteen, zo lijkt het, naar het buitenland gekeken. Het bijbehorende boekje wordt spontaan in het Engels opgesteld. “Inspired by the past, my Spanish past and having lived and loved in Spain, this album reflects all my emotions. After having met so many people in the business and having experienced so many try-outs, I am proud to say that today I have found the right people, a team that believes in me. People who gave and still give me the opportunity to develop my ambitions. Pasiones: a small word for eternal emotions. It has been a fascinating experience to work with talented composers, musicians and producers. They all gave me the support to create a professional product.” “Voor mij“, zegt Frank, “is het album ‘Pasiones’ een speciale cd geworden, eentje met een positieve boodschap, vooral een boodschap van liefde. Liefde is iets dat we met z’n allen meedragen, dat we met z’n allen elke dag nodig hebben… en dat ik, meen ik toch, op een speciale manier altijd in mijn stem meedraag.

Commercieel gezien wordt er op twee paarden gegokt, want er is in de maand december van 1996 op het Centropa-label ook de Nederlandstalige cd-versie “Emoties”, verdeeld door Dino Music Belgium, met voor het merendeel vertalingen van die Spaanse selectie “Pasiones”. “De Spaanse teksten werden los van de Nederlandstalige geschreven“, weet Frank nog goed. “Het zijn dus geen letterlijke vertalingen. We hebben wel zo veel mogelijk dezelfde sfeer en dezelfde gevoelens proberen te bewaren.” De nummers variëren van Maria en Geniet van elkaar over Je moet me geloven tot en met Het is voorbij en Voor altijd. Voortgaand op de eindresultaten blijkt het publiek op dat moment Galan nog altijd het liefst in het Spaans te horen.

In de platenstal en het theaterbureau van Guy Beyers heeft inmiddels ook Sandra Kim onderdak gevonden. Sandra had in 1989 samen met Luc Steeno in het Nederlands al een grote hit gescoord met Bel me, schrijf me. Daarmee stonden ze de drieëntwintigste december 1989 op twee in de Vlaamse Top 10. Beyers wil dat succes nog eens overdoen, deze keer Galan gekoppeld aan Sandra, en besluit in 1997 een vertaling op te nemen van When you tell me that you love me, dat in Amerika een grote hit was voor Julio Iglesias en Dolly Parton, oorspronkelijk een hit voor Diana Ross in 1991 en geschreven door Albert Hammond en John Bettis. Frank en Sandra brengen het als Door veel van mij te houden op single uit. Het was onder meer Frank die met het idee aankwam. Hij leverde de Spaanse tekst, Guy Beyers de Nederlandstalige. “Ik weet nog goed dat we beide versies hebben opgenomen. We vlogen nadien, om even uit te blazen, samen naar Turkije en daar hebben we het voor de allereerste keer laten horen in de bar van een hotel. Iedereen die daar zat begon meteen te dansen en zo wisten we ook direct dat we een hit te pakken hadden. Sandra zingt op haar best, de plaat straalt een bepaalde sfeer uit. In de loop van de maand januari van 1997 hebben we het dan ook snel op single uitgebracht.” De vijftiende februari staat het nummer in de Vlaamse Top 10 gedurende vier weken bovenaan. In de Ultratop 50 staat het duo de vijftiende maart zelfs op drie en eveneens op drie in de Radio 2 Top 30. Ook in “Tien om te Zien” bij VTM houden Frank en Sandra vier weken na elkaar stand op één.

Vreemd toch dat Nederland een paar jaar eerder wel reageerde op Galans eerste singles en Vlaanderen niet. Tijdens ons interview zegt Frank daarover: “Heel vreemd. Op zekere dag vroeg iemand in de wandelgangen bij de VRT me wat ik als Vlaming met een Spaans nummer in de Nederlandse hitlijsten stond te doen. Noch hij, noch ik kon die hype en die respons verklaren. Pas nu, meer dan een jaar later, sta ik hier in Vlaanderen stevig genoteerd en word ik gedraaid. Nu ik in het Nederlands zing misschien, samen met Sandra. Maar kom, het zij zo. Maar ik blijf het vreemd vinden dat ik eerst met een Spaans nummer via Nederland moest passeren en daar moest scoren om in eigen land opgemerkt te worden.”

Er wordt intussen door het productieteam van Guy Beyers naarstig gezocht naar voldoende nummers om het duettenalbum “Onvergetelijk” in te blikken: Frank elf keer in duet met Sandra Kim. De vierentwintigste mei 1997 ligt de cd in de winkel en een week later geraken ze samen tot op de negende plaats in de Ultratop Album 200. De productie is deze keer in handen van Theo Breuls en Guy Beyers. Theo tekent ook voor de arrangementen. Op dit album vertalingen van bekende hits zoals Tonight I celebrate my love for you, dat Vannacht bekende ik mijn liefde voor jou wordt in een vertaling van Christill, die Up where we belong vertaalt als De liefde neemt ons mee en True Love als Liefde voor altijd.

Over die samenwerking met Sandra Kim voor hun duettenalbum heeft Frank niets dan lof: “Onze muzikale romance begon tijdens een optreden waar ik Sandra onverwacht ontmoette. Later bleek dar ze kwam kijken om mijn stembereik te controleren. Sindsdien zijn we onafscheidelijke partners geworden en heeft Sandra als een volleerde zangeres naast me gestaan op alle mogelijke voorstellingen. Sandra weet wat ze wil, ze is een perfectioniste met een Italiaanse knipoog, een zuiderse furie vol romantische passie! Ze past uitstekend bij mijn karakter, dat eerder gevoelig en sentimenteel is. En Sandra houdt aan die samenwerking alleen maar fijne herinneringen over: “Je mag wel zeggen dat Frank me versteld heeft laten staan tijdens het werken aan dit album. Eerst en vooral omdat zelfs in de studio Frank zijn liedjes beleeft alsof hij voor een groot publiek staat te zingen, met bewegingen incluis. Je kan merken dat vooral de romantische en gevoelige nummers van o.a. Iglesias onder zijn huid zitten. Bovendien geeft hij altijd een beetje meer van zichzelf. Hij is een zeer charmante man, erg attent. Zelfs al gaat iets niet zo vlot als hij had gehoopt, hij blijft volhouden met de glimlach. Werken met Frank is een feest.” Het kon niet uitblijven, maar in de slipstream van het succes van Door veel van mij te houden verschijnt ook de Spaanse versie Al camino de la vida.

En toch vindt Frank, ondanks al die lof en al dat succes, dat in het album veel meer zat. “Misschien hebben we er niet uit gehaald wat erin zat. De nummers waren heel goed uitgekozen, er was veel aandacht besteed aan de opname. Maar… Sandra was een soloartiest en ik ook, en om dan je agenda’s op elkaar af te stemmen is geen makkie, plus waren we geen van beiden van plan om als succesvol duo voort te gaan zingen. We zijn dus onze eigen weg blijven gaan, waardoor het album wat aan de kant is blijven liggen.”

Als opvolger wordt door Beyers een vertaling geschreven van de hit Endless love, die in de herfst van 1981 in Billboard’s Hot One Hundred op één genoteerd stond in de versie van Lionel Richie samen met Diana Ross. Het nummer duikt in de USA op als titelsong van de gelijknamige film met in de hoofdrol Brooke Shields. Vreemd genoeg slaat Mijn lieveling bij ons niet echt aan en moeten Frank en Sandra genoegen nemen met een zevende plaats als hoogste notering in de Vlaamse Top 10. U had het toen misschien niet in de gaten, maar in de maand juli van 1997 brengt Maria de Lourdes, ook wel de ambassadrice van het Mexicaanse lied genoemd, op het Polydor-label haar album “Simplemente Maria” op de markt, en daarop zingt ze samen met Frank Galan het duet Peregrinos del amor.

Vlaamse artiesten hebben al zo vaak geprobeerd succes te scoren bij onze oosterburen. Het is geen makkelijke klus ervoor te zorgen dat ook de Duitsers onze liedjes lusten. Hun manier van producties aanpakken, verschilt ook erg van de onze. Toch probeert Frank Galan het voor de eerste maal, zij het schoorvoetend, de eerste februari 1997 met Maria, Königin meiner Nacht. De tweeëntwintigste juni van dat jaar is het de beurt aan Ich brauche dich. Dat nummer staat ook op zijn volledig Duitstalige cd “Ich brauche dich”, die de tiende augustus op het Carlton-label in de winkels ligt met in het totaal dertien liedjes in de taal van Goethe. Frank doet zijn uiterste best om de Duitse uitspraak zo keurig mogelijk onder de knie te krijgen. Zelfs een umlaut is hem niet vreemd. Op het album songs als Canta bonita Marlena, Wieviel kostet deine Liebe?, Tango Argentino en Jeden Tag, jede Nacht. De eerste november 1998 volgt in Duitsland uit dat album nog de single Auf den Flügeln meiner Sehnsucht. “Dat Duitse album was een idee van Guy“, aldus Frank, “omdat we Vlaanderen en Nederland al hadden ingepalmd. We hebben dat degelijk aangepakt. Er kwam zelfs een Oost-Duitse tekstschrijver naar hier die me waar nodig qua uitspraak wat bijstuurde. En toen begon het, want Duitsland is en blijft een groot land. Om dat promotioneel in te palmen moet je er bijna een jaar rondreizen, en om er een spoor na te laten een jaar of vijf gaan wonen. Dat was zeker geen optie. Dat eerste album werd ook geen echt succes. Als je daar van een cd achtduizend exemplaren verkoopt, is dat peanuts. Dat stelt daar niets voor. Dus we blijven daarover zeer bescheiden.”

De TROS beslist in de maand oktober van 1997 een special met Frank Galan in te blikken onder de titel “2500 muzikale mijlen op zee”, een route die in Engeland begint en er wordt doorgevaren tot in het Amerikaanse Boston. Het is een special waarin Frank samen met Sandra de vroegere route van de Titanic volgt. “Dat was een hele bedoening. We hebben een week op zee gevaren en een hele rist beelden opgenomen. Een ervaring om niet snel te vergeten.”

Het wordt voor Frank almaar moeilijker om de juiste keuzes te maken. Hij droomt ervan om als zanger ook in Spanje vaste voet aan de grond te krijgen. Als je succes scoort, durf je immers al eens te dromen, en Frank blijft zich vastbijten in het Spaanse repertoire. Guy op zijn beurt blijft aandringen om die liedjes ook in het Nederlands aan te bieden. Zingen in het Spaans komt de meezingbaarheid door het publiek niet ten goede en in Vlaanderen kwelen ze tijdens de optredens en ook thuis graag een mondje mee. Frank wil zich dus blijven profileren als de Vlaamse Iglesias en brengt in 1997 het album “Alegria” uit met twaalf liedjes geschreven door hemzelf, Guy Beyers, Luigi Bongiovanni en Alexandre Pascal, een Brusselse componist. Luigi, Guy en Pino Marchese tekenen voor de productie. Het album wordt opgenomen in “Studio BSB” in Brussel. In zijn mooiste Spaans – en een knap accent heeft hij – zingt Galan songs als Alicia baila, Recuerdo, Enseñame, Cuando me miras tu, Canta bonita en Para ti, para mi. Het nummer Volver uit deze full-cd wordt in 1997 in Vlaanderen op single uitgebracht, maar zonder veel respons. “Dat hele verhaal was geen gemakkelijke bevalling,” volgens Frank, “want we wisten niet zo goed welke weg we gingen bewandelen. Gingen we voor de mooiere melodieën, het zachtere werk, het meer commerciële? Ik voelde me toen niet, en nu nog niet, een schlagerzanger; ik voel me beter thuis in de wereld van de evergreens, de doorbloeiers. De songs op ‘Alegria’ (Bij jou) klinken iets chiquer dan voordien. Misschien klinken ze iets te mooi, te zacht, want het moet uiteindelijk verkoopbaar blijven. Het bleek vrij snel dat ik het merendeel van die liedjes niet live kon brengen, het publiek wil tussendoor regelmatig uptempo nummers horen. Een pluim op onze hoed is wel dat alle nummers origineel zijn. We hadden ervoor gekozen niet meer te coveren. Onze songs hadden wel enige dosis herkenbaarheid, maar achteraf bekeken niet voldoende om bij het grote publiek aan te slaan.”

Gelijktijdig wordt dat album ook in het Nederlands uitgebracht als “Bij jou” en wordt Ik mis je zo meteen de eerste singlekeuze daaruit. Die plaat geraakt bij ons wél in de tipparade, maar voor de erelijsten komt die niet in aanmerking. Ook het nummer Je wil niet, je wil wel krijgt een singlekans, maar wordt op beheerst applaus onthaald.

Om de fans aan Galans kant te krijgen en te houden, besluit de platenfirma in april 1998 de tot dan toe gescoorde hits te verzamelen op het album “Gouden momenten”. Nog steeds bezeten door de gedachte ook in Spanje door te breken, blijft Frank stijfkoppig Spaanse liedjes schrijven, al gaat hij voor zijn album “Tu”, dat in 1998 bij Centropa gereleaset wordt, ook eens aankloppen bij zijn Vlaamse collega’s Salim Seghers en Will Tura, en covert hij een nummer van Peter Orloff dat wij kennen als Du van Peter Maffay. Frank maakt er voor de hand liggend een Spaanse Tu van. Tura’s Hemelsblauw wordt voor de gelegenheid Rebelde amor en zal iets later succesvol door Belle Perez gecoverd worden. Rebelde amor krijgt ook op single een kans en is regelmatig over de radio te horen. Wist je trouwens dat Hemelsblauw door Will Tura speciaal voor zijn vriend Digno Garcia werd geschreven, die daar de originele instrumentale versie van opnam, La luna de Asuncion? Als geste mag Frank dat jaar optreden tijdens de concerten van Will Tura in Vorst. Zij zingen die avond samen de Spaanse versie van Hopeloos, dat Frank vertaald heeft als Por favor. Zij brengen dat nummer in een dansante versie ook op single uit. Als laatste song op het album “Tu”, en aangeboden als bonustrack, is er nog die voorzichtige knipoog richting Duitsland Komm’ sag es mir.

Op de vraag of Spanje geen keuze was om daar zijn platen uit te brengen, antwoordt Frank gevat: “Dat was geen optie. Daar lopen duizenden zangers rond. We hebben wél ooit ‘s morgens het vliegtuig genomen richting Madrid om daar te overleggen met een platenfirma om een Spaanstalige cd uit te brengen. Maar nogmaals, het moet commercieel genoeg zijn, anders hoef je er niet aan te beginnen, en die garanties waren er op dat moment niet.”

Frank wil ook weleens internationaal zijn kans wagen en besluit in 1998 deel te nemen aan de voorronden van het “Eurovisiesongfestival” tijdens “Eurosong”. In de tweede selectieronde neemt hij het met het liedje Dame tu vida op tegen Bjorn & Joery, Laurena, Voice Male, Davy Gilles en Wendy Fierce. Frank weet nog goed dat ze drie versies klaar hadden. “We zijn uiteindelijk met de Spaanse versie naar ‘Eurosong’ getrokken. We hadden dus een eigen nummer, helemaal in de Iglesias-sfeer, maar de jury en het publiek besliste er anders over.” Dat jaar zal Vanessa Chinitor onze Belgische driekleur verdedigen en met het liedje Like the wind de negenentwintigste mei 1999 in Jeruzalem twaalfde eindigen. Zweden gaat daar met het liedje Take me to your heaven, gezongen door Charlotte Nilsson, met de overwinning lopen.

Omdat er tussen Frank en Guy Beyers nogal wat woorden worden gewisseld over het al dan niet in het Spaans blijven zingen en de juiste repertoirekeuze, komt er uiteindelijk een einde aan hun samenwerking. Net voor die split brengt Frank in de loop van 1999 op het Centropa-label in duet met Sandra Kim nog het nummer Enkel voor één dag op single uit, een cover van Written in the stars geschreven door Elton John samen met Tim Rice. Elton zelf had dat duet eerder ingeblikt met LeAnn Rimes. “Die breuk met Guy, dat moet ik eerlijk bekennen,” zegt Frank, “was geen gemakkelijke beslissing. We werkten intussen al zo’n vijf jaar samen, maar het leek na een tijdje meer op routine, een soort bandwerk, dan wat anders. We planden te weinig nieuwe acties, de creativiteit was wat zoek, het leek alsof de ideeën op waren. Pas op, ik was intussen al negenendertig en wou graag eens wat anders. Maar opgelet, zomaar een bestaand contract aan de kant schuiven, is geen sinecure. Dat zou mij dan weer veel geld kosten. Gelukkig was Sony Music al een tijdje op zoek naar mij, en die hebben mij toen voor een vrij groot bedrag bij Guy Beyers weggekocht.”

Na Centropa vindt Frank Galan dus onderdak bij een heuse major, Sony. Hier wordt vooraf duidelijk uitgekiend welke richting ze met Frank uit willen. Ze willen het eerst in het Nederlands proberen en brengen een nummer uit van Suzy Baels en John Terra, Haar casanova, maar ze hebben meteen door dat dit niet de juiste keuze is. Ze gaan Galan een ander imago aanmeten. Opnieuw de Spaanse richting uit. Sony beslist niet over één nacht ijs te gaan. Tot ieders verbazing, en tot grote genoegdoening van Frank, wordt op hun Epic-label groots uitgepakt met de peperdure cd “Promesas – 12 favourite lovesongs”. Opgenomen wordt er in de bekende “Galaxy Studio” te Mol met Wilfried Van Baelen als producer samen met Tom Salisbury, die tevens instaat voor de toch wel in het oor springende en grootse arrangementen. Tom werkte eerder al samen met David Foster, Natalie Cole, Jan Vayne, Gordon enzovoort. Er wordt sowieso uitgekeken naar de beste sessiemuzikanten. We noemen er een paar: op drums Marcel Serierse, op bas Marcel Schimscheimer, The Galaxy String Orchestra, hoboïst Joris Van den Hauwe en klarinettist Geert Baeckelandt. Frank is in de wolken: “Ik kreeg de kans in een droom van een studio op te nemen, omringd door een rist mensen die het klappen van de muzikale zweep kennen. Ik kwam in een studio terecht waar Céline Dion had opgenomen, José Carreras en ga zo maar door. Vooral Wilfried en Tom hebben me door hun professionele aanpak naar een hoger niveau getild. Ook de directie van Sony in Brussel stond als één blok achter me. Die steun en dat geloof in mijn kunnen, is en blijft tot op de dag van vandaag uniek. Het is daarom dat ik dit album dan ook heb opgedragen aan al wie me dierbaar is: mijn familie, mijn dierbaarste vrienden, en vooral aan al die mensen die in me zijn blijven geloven en diegenen die hun beloften zijn nagekomen.” En dan kwam de moeilijkste klus. Welke nummers gaan we selecteren? Het moesten stuk voor stuk klassiekers zijn die de status van evergreen hadden bereikt, verpakt dan nog eens in de Spaanse taal: Feelings van Morris Albert wordt Dime, het speelse A little piece of heaven van Godley & Creme vertaalt Rafaël de Tena Tena als Un trocito del cielo. Frank kan moeilijk om dat geweldige nummer Cuando vuelva a tu lado heen, een lied dat haast iedere Spanjaard zo kan meezingen. Hij durft het na wat aarzelen toch aan No me dejes op te nemen, u beter bekend als Ne me quitte pas van Jacques Brel. En er wordt heel romantisch afgesloten met Yo te quiero asi, dat Don McLean de hitlijsten in zong als And I love you so. “Het knappe was dat die songs volledig live werden opgenomen. Moet je je voorstellen, we beschikten onder meer over een strijkersgroep van zo’n drieëntwintig violisten. Het waren allemaal symfonische songs. Het project was ook peperduur, per cd zo’n slordige honderdduizend euro. We hebben het in diverse landen uitgebracht, onder meer in Nederland en Duitsland, ook bij ons uiteraard.

Als een soort vocale kers op de taart is er op dat album dat prachtige duet Grande grande grande. Aan niemand minder dan Dana Winner wordt gevraagd dit samen met Frank te zingen. Frank had ontdekt dat Dana dit nummer ook zo graag had opgenomen. Het is Wilfried die met het idee afkomt er samen met Dana een duet van te maken. Zij zingt de Engelse tekst zoals die al eerder door Shirley Bassey op plaat werd vereeuwigd. De combinatie van Frank in het Spaans en Dana in het Engels maakt van deze opname een versie om te blijven koesteren. Deze song wordt als single in de markt gezet, is vaak over de radio te horen en het is daarom moeilijk om te geloven dat het geen grotere hit is geworden. De tweeëntwintigste september 2001 vinden we de single terug op de dertiende plaats in de Ultratop 50. In de Radio 2 Top 30 stoot de single door naar de achtste plaats. Het album “Promesas” bereikt in de Ultratop Album 200 de tweeëntwintigste oktober de zevende, meteen ook de hoogst haalbare, plaats. Uit dat album wordt nog de single Quiero que me quieras getrokken, origineel een hit in 1972 voor Lobo als I’d love you to want me.

Sony blijft geloven in hun samenwerking met Frank Galan en brengt de vijftiende mei 2003 op het Epic-label de peperdure cd “Caricias” op de markt. Wilfried Van Baelen is opnieuw producer van dienst samen met Tom Salisbury, die ook nu weer de arrangementen voor zijn rekening neemt. Er wordt ook deze keer in de “Galaxy” in Mol ingeblikt met een hele sliert muzikanten: Marcel Serierse, Bert Meulendijk, Lex Bolderdijk, Jeroen de Rijk, Geert Baeckelandt en de kopersectie Stylus Horns. Ook al spreekt Frank een aardig mondje Spaans, toch wordt er nog een taalcoach uit Spanje bij gehaald, Victoria Gastelo. Op dat album zingt Frank onder meer als duet Hablabamos de sueños samen met de Britse zangeres Janet Mooney, zangeres bij The New London Chorale, en Mirame a los ojos met Victoria Gastelo, dat wij kennen in de originele versie van Neil Diamond als You don’t bring me flowers. Voorts klassiekers als The more I see you, Cuanto te quiero, Lost without your love, dat in het Spaans klinkt als Perdido sin tu amor, La vie en rose wordt La vida rosa en If you leave me now van Chicago zingt Frank als Si me dejas hoy. Naast de klassieker Perfidia is er het splinternieuwe Adios Mexico van George Groenendaal, dat in de studio van Hans Aalbers in Nederland wordt ingeblikt. Frank is apetrots op deze plaat en schrijft in zijn bijbehorende cd-boekje: “Deze plaat is het perfecte huwelijk tussen muziek en herinneringen. Ik had toen ook net mijn vrouw Christel leren kennen. Zij was het er van in het begin mee eens dat de liedjes die ik toen opnam volledig bij me pasten. Voor mij speelden bij het inblikken van deze plaat het ritme, de passie en de eerlijkheid een grote rol. Het was voor mij een grote eer om met dit internationale team samen te werken. Dat inspireert een mens altijd tot meer en beter. Ik had tijdens de opname voortdurend beelden voor me van zonovergoten stranden, een blauwe hemel en blije mensen. We hielden bij de keuze van de nummers goed voor ogen zo veel mogelijk diverse latinostijlen aan bod te laten komen. Het moest koste wat het kost een dansante plaat worden.” Of zoals hij het in het Spaans zegt: “En él también hay un lugar para la alegria, la felicidad y los pensamientos positivos.” Uit dit album worden twee singles gelicht: Mariachis y tequila en Adios Mexico. Het album “Caricias” staat de twintigste september 2003 op de veertiende plaats in de Ultratop Album 200. Tijdens de maand augustus van dat jaar zet Galan een groots openluchtconcert neer aan het Donkmeer in Berlare, waar hij een vijftalig repertoire brengt, daarbij begeleid door zowat de beste muzikanten die Nederland op dat moment te bieden heeft.

Intussen had Frank een eigen bvba opgericht waar onder andere zijn optredens geboekt kunnen worden. Hij richtte dat bedrijf samen met Christel Verweyen op, die hij in 2001 had leren kennen tijdens een optreden in Overpelt. Zij zat tijdens dat optreden op de eerste rij en was Frank iets voordien al op de parking opgevallen toen hij daar zijn auto parkeerde. Haar zo vlak voor hem te zien, speelde hem zoveel parten dat hij delen van zijn songteksten kwijtraakte, compleet afgeleid door haar knappe verschijning. Na het optreden wisselen ze snel hun telefoonnummers uit met als gevolg twee weken later een romantisch etentje in Leuven, waar ze Frank eerlijk bekent dat ze voordien nog nooit van hem had gehoord, laat staan zijn repertoire kende. Voor haar bleef hij in het begin van hun relatie dan ook Frank Van Molle, en tijdens hun ontmoetingen praatten ze meer over zichzelf en hun privéleven dan over Franks carrière. “De eerste vijf jaar heeft Christel me vooral erg gesteund. Zij adviseerde mij qua kleding, in mijn songkeuze, het uitbouwen van mijn entourage enzovoort. Zijzelf kwam uit een zakenmilieu dat bestond uit negen winkels en kende dus het klappen van de zweep. Zij had net een echtscheiding achter de rug, maar besloot vrij snel volledig voor onze relatie te kiezen. Christel liet haar zakenimperium achter zich, maar bracht wel haar drie kinderen uit haar vorige huwelijk mee. Dat was even wennen, al was ik snel in het gezin opgenomen.” Dus met die rijke zakelijke ervaring van Christel als steun in de rug richt Frank op haar aanraden zijn eigen bvba op. “Optreden is niet alleen mijn passie“, aldus Frank, “maar ook mijn broodwinning. Ik heb intussen in de showbizz zowat alles meegemaakt. Ik heb veel geleerd, veel gekeken en vooral bijgeleerd. Vergeet niet, ik ben intussen met een zakenvrouw getrouwd. Christel heeft mij op haar beurt bijgestaan en vooral zakelijk bijgestuurd. Ik moet goed uitkijken om me in deze business staande te houden. Christel en ik – en onderschat dat vooral niet, want daar kruipt ontzettend veel tijd in – doen alle boekingen zelf. Daarbij komt dat ik door de band ook veel live on tape optreed. In een interview in “Het Nieuwsblad” zal Frank in 2011 toegeven dat hij nog nooit één noot tijdens zijn optredens geplaybackt heeft. “Ik ben er trots op dat ik over een eigen orkest kan beschikken, maar ik kan ook begrijpen dat een rist organisatoren dat te duur vinden. Reken maar snel uit: zes livemuzikanten plus twee backing vocals, dat doet de teller vlug doorslaan. Het is plezant om te weten dat ik voor zo’n zeventig procent kan terugvallen op vaste klanten die me ieder jaar minstens één keer boeken. Dat doet een mens iets beter slapen als je dat als ruggensteun en zekerheid hebt bereikt. Het leuke daarbij is ook de afwisseling: dan sta ik eens te zingen tijdens een bedrijfsfeest, de dag nadien op een seniorenbijeenkomst, dan weer tijdens een modedefilé en als klap op de vuurpijl, want dat is ontzettend leuk, tijdens een gala-avond. Maar ik zing overal even graag. Het hoeft voor mij zeker niet elitair te zijn om me te amuseren. Als ik maar zie dat het publiek geniet, meezingt en zich gelukkig voelt. Daar doe ik het voor, daar kan ik als artiest, ook na al die jaren, op blijven drijven.

De tweeëntwintigste oktober 2003 staat Frank als special guest in het Antwerpse “Sportpaleis” tijdens het concert dat Dana Winner daar neerzet. Dat jaar bracht Dana Winner in Duitsland het album “Märchenland der Gefühle” uit met daarop haar duet met Frank Immer, immer wieder (En un istante). Galan had dit in 2001 al samen met Dana Winner ingeblikt tijdens de opnamesessie voor het album “Promesas”. “Voor Duitsland was het een beetje moeilijk,” aldus Frank, want sommige zenders wilden alleen de Duitse versie, andere de combinatie Duits-Spaans. We zijn daar toen bij zowat alle tv-stations te gast geweest. We waren te zien in shows als ‘Melodien für Millionen’, ‘Immer wieder Sonntags’, ‘ZDF Schlagerparade’ enzovoort. Ik zal nooit vergeten dat we tijdens zo’n show zelfs begeleid werden door het orkest van James Last. Hij kwam ons zelfs persoonlijk feliciteren voor het mooie arrangement, en uit de mond van zo iemand doet dat immens deugd.”

In 2004 is er het opgewekte Que si, que si, que no, geschreven door Frank, Alexandre Pascal en Bhalou, die hem ook in de studio op gitaar begeleidt, samen met Antonio Segura en Leo Caerts Jr. De heren willen het liedje dolgraag aan een artiest van wereldniveau doorspelen, maar Frank dringt aan en komt het eerst aan de beurt. Hij brengt dat nummer nog altijd tijdens elk optreden. Die song belandt op het album “Fiesta de amor” en wordt de vijfentwintigste februari 2006 op het Nederlandse HJDM Music-label uitgebracht. Dat label, met vooral oog voor Nederlandstalig talent, werd in 2000 door Dirk Heyligers, Joris Heyligers, Hans de Man en Manfred Jongenelis opgericht. “Die samenwerking met Manfred werd er eentje van lange adem. Dat was een man, en nog altijd, die meteen doorhad welke kant ik uit wou en moest, en we werden ook snel echte vrienden. Ik kwam met hem in contact via de firma HJDM, die op zoek was naar iemand als Grad Damen, een Nederlandse zanger met wie ze al sinds 2001 succes scoorden. Het stond als een paal boven water dat mijn platen zowel in het Nederlands als in het Spaans zouden worden uitgebracht.” Bhalou tekent voor de arrangementen. Om zijn fans te plezieren neemt Frank een Julio-medley op met daarin nummers als Manuela, Cu cu ru cu cu en A veces tu, a veces yo. Daarnaast songs als Ave Maria, Se nos murio la pasion, La vida en Gira gira corazon. Het nieuwe platenlabel van Frank brengt gelijktijdig de Nederlandstalige versie van “Fiesta de amor” als “Temperament” uit. Op zoek naar een ludieke persvoorstelling worden beide albums met een praalkoets als een soort net geboren tweeling op de kraamafdeling van het Algemeen Ziekenhuis in Oudenaarde opgepikt en nadien op het stadhuis door de burgemeester zelf als nieuwe borelingen ingeschreven. Als extraatje verschijnen beide albums iets later ook op dvd. Als single in onze moerstaal wordt in 2005 gekozen voor het opgewekte Jij bent te mooi voor mij, geschreven door Frank samen met Bhalou en Alexandre Pascal. Op de Spaanse versie van het album klinkt dit als Si tu me quieres mujer.

Jammer voor Frank, maar zijn platenfirma HJDM gaat een tijdje later overkop. “Door wat wanbeleid, haperend management en een slechte strategie ging die firma inderdaad snel ten onder. Ik had er toen mijn buik even van vol. Ik moet er wel snel aan toevoegen dat Manfred Jongenelis voor mijn toenmalige albums als zelfstandig producer optrad. Nadien zal ik met hem blijven voortwerken.”

Voor de stichting BOKS, Belgische Organisatie voor Kinderen en volwassenen met een Stofwisselingsziekte, springt Frank graag in de bres. De tweeëntwintigste januari 2004 wordt hij door die organisatie als ambassadeur benoemd.

Het is Frans Bauer die in de maand augustus van 2005 tijdens zijn show in het “Casino van Knokke” aan Frank vraagt of die geen zin heeft om tweemaal met hem te komen meezingen. “De Nederlanders hebben me op de een of andere manier graag. Ik heb daar sinds 1995 tot 2010 erg veel cd’s verkocht, ontzettend vaak opgetreden. Zij kenden me dus erg goed. Na een tijdje pikte Vlaanderen me almaar vaker en dan kwam er het succes in Duitsland. Dus op een bepaald moment moet je kiezen en je optreden spreiden en verdelen“, dixit Frank. Nog geen maand later, de zevende september 2005, zingt Frank op vraag van de FIFA tijdens de wereldbekerwedstrijd tussen Nederland en Andorra in het “Philipsstadion” in Eindhoven het Andorrese volkslied. Guus Meeuwis heeft die avond de eer het Nederlandse volkslied te brengen. Voor Frank was dit leuk meegenomen, want die avond keken zomaar liefst zes miljoen noorderburen naar deze wedstrijd, die dan ook nog eens mondiaal werd uitgezonden.

Tot dan toe pakte Frank zelden of nooit uit met zijn populaire, vier jaar oudere broer Herman Van Molle, die wij op tv intussen hadden leren kennen via zijn “TV-Touché” en zijn onafscheidelijke “IQ Quiz” en “De Canvascrack”. Herman zat in 2006 in verlegenheid toen hij met zijn spelprogramma “1 jaar gratis” van start wou gaan samen met Katja Retsin als copresentatrice, die echter hoogzwanger blijkt te zijn. Op zoek naar een vervanger komt Herman uiteindelijk bij zijn broer Frank terecht. Die kijkt eerst verbaasd, maar zegt dan toch vriendelijk ja. Frank heeft altijd naar zijn stillere broer opgekeken. Die schreef in zijn tienertijd al toneelstukken en was een slimme jongen. Herman houdt niet zo van de schijnwerpers en trekt zich liever na zijn televisiewerk terug in het ijskoude Zweden, waardoor de voorliefde van Frank voor het zonnige Spanje een groot contrast tussen hen beiden vormt. Zes afleveringen lang mag Frank de plaats van Katja innemen, met verve en succes. “Herman belde me met de melding dat wat hij ging vertellen nog even top secret was en ook nog even moest blijven. Hij zei me vooraf dat ik tijdens zijn programma’s vooral een speelse rebel moest zijn. Dat was de rol waarin hij me zag. Hij wist immers dat ik vroeger al vaak presenteerde, dikwijls tweetalig, en dat het wel in me zat. Ik heb snel beslist, heb meteen een opleiding gekregen, twee keer per week gedurende twee maanden, in het ‘Amerikaans Theater’ in Brussel. Omdat ik tijdens mijn eigen zaaloptredens ook presenteer, heb ik daar natuurlijk wat aan overgehouden. Het heeft me in mijn vlotheid qua presentatie tijdens mijn eigen shows veel geholpen en ik heb er tijdens die korte tv-carrière vooral veel goede herinneringen aan bewaard.”

Frank ziet intussen zijn aandeel op de Duitse markt almaar stijgen, zeker wanneer hij vanaf januari 2007 gedurende drie maanden mag optreden in de concertreeks “Traum-Melodien der Volksmusik”, georganiseerd door Palatin Music. Hij tekent met hen een contract voor in het totaal 172 concerten, verspreid over drie jaar. Frank was al maanden vooraf door de organisatoren gevraagd om aan deze reeks mee te werken. Dat eerste voorjaar geeft Frank 82 optredens in heel Duitsland. Voor hem, zo bleek, een unieke kans om daar vaste voet aan de grond te krijgen. Omdat zijn aantrekkelijke vrouw Christel al eerder door dat Duitse productieteam was opgemerkt, mag ook zij een nootje meezingen en van het succes op het podium meegenieten. “Die man sprak me op zekere dag in de loop van het voorjaar van 2007 aan,” zegt Frank, “want hij had meteen in de gaten dat Christel er knap uitziet, dat ze zich op het podium vlot kan bewegen, en omdat een koppel het op een podium altijd goed doet, aarzelde hij niet die vraag aan ons te stellen. Christel had echter voordien nog nooit live gezongen. Zij heeft zich toen zowat te pletter geoefend en laten coachen door zanglerares Carina Clerinx. Zelfs ik heb tijdens die coaching mijn grenzen nog wat verlegd door het gebruik van nieuw aangeleerde zangtechnieken die ik daarvoor niet kende. Dankzij Carina kon ik plots vocaal veel meer aan dan ik dacht. Christel en ik hebben toen met veel inzet het duet Ich schenk dir meine Liebe opgenomen en samen met mij is mijn vrouw dat tijdens al die optredens blijven zingen. Met veel bijval, moet ik zeggen. Ik heb mijn vrouw trouwens bewust bij mijn carrière betrokken. Het is fijn samen weg te gaan, samen op te treden, maar nadien ook samen terug thuis te komen. Gelukkig hebben we een oppas die de kinderen begeleidt. Ik wil hen zeker niet op internaat zetten, zoals onze ouders dat in onze tijd met ons deden. Dat is een soort wroeging die is blijven hangen en dat wilden we onze kinderen zeker niet aandoen.” Frank trad tijdens die Duitse shows ook samen op met onder anderen G.G. Anderson, Judith & Mel, Lena Valaitis, Rudy Giovanni, Bata Illic, Die Amigos en Mara Kayser.

In 2007 is er voor de Duitse markt een speciale versie ingeblikt van het album “Fiesta de amor”. Op deze cd liedjes als Nur einen Sommer lang, Tausend Feuer, Schau dem Leben ins Gesicht en met als voltreffer Ave Maria, die Kraft ihrer Liebe. Met dit nummer staat Frank zelfs op een bepaald moment op twee in de Duitse schlagerlijsten. Leuk meegenomen voor hem is dat zijn hit Ave Maria een tijdje later terug te vinden is op de bij onze oosterburen immens populaire verzamelaar “Bääärenstark!!!”, die hoog in de Duitse schlagerlijsten belandt.

De eerste december 2007 verrast Frank Galan zijn fans in Vlaanderen door tijdens een optreden in “Salons Mantovani” te Oudenaarde samen met zijn vrouw het daarnet al genoemde duet Ich schenk dir meine Liebe te zingen. Het duet werd voorlopig enkel in de Duitstalige landen uitgebracht, dus niet in Vlaanderen. Frank overweegt wel om een Nederlandstalige versie te schrijven. Het duet is een cover van Am Ende bleiben Tränen van Klaus Densow, dat we ook kennen als Tu cosa fai stasera van Sarah Brightman samen met José Cura, dat dan weer een cover is van het origineel van de Italiaanse zanger-componist Dario Baldan Bembo.

Begin 2008 start Frank met zijn tweede Duitse concertreeks “Traum-Melodien der Volksmusik”. Vanaf de vijfde januari 2008 tot de zeventiende maart 2008 zal Frank dagelijks optreden voor een theaterpubliek van gemiddeld tweeduizend toeschouwers per avond. Hij zal dus ongeveer drie maanden niet in Vlaanderen verblijven. “Deze concerttournee was voor mij de absolute erkenning naar het Duitse publiek toe“, beaamt hij. “De Duitse dames komen voor Frank en de Duitse heren voor Christel“, voegt het management daar snel aan toe. “Dat is de gimmick. Frank Galan & Christel passen perfect in die grote Duitse tv-shows.” Met zijn vrouw Christel trekt Galan in 2008 door de Duitse Bondsrepubliek. In juli van dat jaar geeft hij in het Poolse openluchtstadion “Piekary Slaskie” een gesmaakt concert. Zomaar liefst 28.000 mensen zijn daarbij aanwezig. Het wordt zo’n meevaller dat Frank eind augustus van dat jaar zijn optreden nog eens overdoet, deze keer voor dubbel zoveel aanwezigen.

In 2008 viert Frank Galan zijn vijftienjarige carrière. De zestiende augustus 2008 trouwen Frank en Christel in de Martinuskerk, vijf jaar na hun wettelijk huwelijk, de twaalfde september 2003 te Oudenaarde. Hij had vooraf in het geheim alles tot in het kleinste detail uitgewerkt. Christel droeg die dag een ontwerp van Nicky Vankets. Ook al wou hij het in alle discretie, de echte fans kwamen er toch achter en het kon niet uitblijven of ze wilden een kijkje komen nemen, tot zelfs fans uit Duitsland toe. Diezelfde dag waren zijn schoonouders precies vijftig jaar getrouwd, een mooie gelegenheid om beide feesten aan elkaar te linken. Frank vergastte de kerkzangers zelfs op een miniconcert. In het totaal werden er zeven liedjes gezongen, waaronder zijn duet met Christel Ich schenk dir meine Liebe. “Die hele viering“, vertel Frank, “was een mooi gebaar tussen Christel en mezelf. Ik was toen 47, Christel 40, we wisten beiden erg goed waar onze relatie voor stond. Voor domme dingen is op zo’n leeftijd geen plaats en ruimte meer. Christel en ik hechten enorm veel aan waarden en normen in een tijd waarin alles nogal oppervlakkig is. Vergeet niet dat we in die sfeer ook onze kinderen Romy, Charelle en Quint opvoeden. Die kinderen hebben me vanaf de eerste dag papa genoemd, daardoor heb ik met hen een heel sterke band.”

Duitsland blijft gretig. Frank werkt vanaf februari 2009 bij onze oosterburen een reeks van tweeëndertig concerten af in zowat alle Duitse grootsteden. Hij studeert intussen voort om zijn kennis en uitspraak van het Duits zo goed mogelijk bij te schaven, want ook hierin is hij een perfectionist. Een nieuw Duitstalig album laat niet lang op zich wachten. Op het MCP-label brengt hij in 2010 de cd “Ich kenn’ all deine heimlichen Träume” uit met daarop covers van A man without love/Schenk mir deine Liebe, There goes my everything/Ich kann dich nie mehr vergessen en zijn versie van de René Carol-klassieker Rote Rosen, rote Lippen, roter Wein. Producer van dienst is Günther Behrle, die zelf ook enkele door hemzelf geschreven nummers aanreikt. Dit album met daarop een rist schlagers en ballades wordt in Duitsland warm ontvangen. Aan de Duitse pers vertelt Frank: “Singen ist für mich wie eine Art Magie. Man kann damit Menschen verzaubern. Es gibt für mich nichts schöneres als wenn die Menschen die Liebe zur Musik mit mir teilen und ich die Begeisterung spüren kann!” Zijn platenfirma haast zich om daar auf Deutsch aan toe te voegen: “Galan gehört sicher zu den hoffnungsvollen Aufsteigern die die Schlagerwelt gegenwärtig zu bieten hat. Der sympathische Frauenschwarm sorgt seit Jahren bei Insidern stets für ein Aufhorchen. Die Zeit ist reif für den charismatischen Sänger mit dem Julio-Iglesias-Schmelz in der Stimme, und mit seinem brandneuen Album meldet sich der magische Sänger mit einem auszergewöhnlichen Topprodukt am Schlagermarkt.

 

In een productie van Wim Claes verschijnt de eenentwintigste juni 2010 hier bij ons het duet Eerst een cappuccino, dan een beetje vino. Niet zomaar een duet, maar eentje dat Frank opneemt samen met zijn vrouw Christel. Het is een vertaling door Frank zelf van de hit Erst ein Cappuccino van de Duitse zangeres Kristina Bach.

In 2011 lijkt Galan aan een remonte in Vlaanderen te zijn begonnen. Hij geraakt de achtentwintigste oktober definitief onder de pannen bij platenfirma Universal/ARS (Frank had vanaf 2006 in Vlaanderen en Nederland zonder vaste platenmaatschappij gewerkt) en brengt op hun aandringen nog eens een volledig Nederlandstalige cd op de markt: “Mooier dan woorden”. Frank vertelt als aanzet: “Het was Frank Vande Wattijne die me attendeerde op het liedje ‘Una lacrima sul viso’ uit 1965 van Bobby Solo. Hij vond dat ik dat in het Nederlands moest zingen. Ik zag dat eerst niet zitten, maar eenmaal terug thuis schreef ik de tekst ‘Ik zie tranen in jouw ogen’. Vande Wattijne wou het aan CNR voorstellen, maar ik wou eerder de kat nog wat uit de boom kijken en zo is die demo blijven liggen. Die deal met CNR ging uiteindelijk niet door en dan heb ik het iets later aan Patrick Busschots van ARS laten horen. Enkele dagen later wordt er een contract getekend voor drie albums.”

De cd “Mooier dan woorden” is de eerste in die rij en wordt in de markt gezet als een zuiders project! Het opzet was dat, waar je ook bent, deze plaat je een zonnig, zomers gevoel geeft. Geen nieuwe liedjes deze keer, maar covers van overbekende hits: Come prima, dat Galan brengt als Valentina, Una lacrima sul viso van Bobby Solo wordt dus Ik zie tranen in jouw ogen, Tornero klinkt bij hem Zonder jou en de klassieker La Spagnola wordt Vrij zijn, vrij zijn. Graag gehoord is zijn versie van Gigi l’Amoroso, een van de grootste en bekendste hits van de Franse diva Dalida, dat in een ingekorte versie gretig door tv-zender MENT wordt opgepikt. Frank werkt voor dit album samen met de in Nederland populaire producer Manfred Jongenelis. Op de hoes schrijft Galan een speciale dank aan zijn kinderen Romy, Quint en Charelle en aan de toenmalige manager van Universal, Patrick Busschots, die hem deze unieke kans heeft geboden. Met dit album, dat in de maand februari 2012 wordt uitgebracht, piekt Frank de zeventiende maart op vijf in de Ultratop Album 200, en het blijft daarin meer dan twintig weken na elkaar genoteerd. In het bijbehorende cd-boekje lezen we: “Dit album is een muzikale reis naar de zin van het leven met een mediterraans onthaal bij het openen van elk lied. Mijn album omvat een sublieme selectie van twaalf Italiaanse pareltjes die velen zullen doen wegdromen en doen terugdenken aan vroeger. Emoties, ervaringen, gevoelens… dit zijn de ingrediënten die verweven zitten in dit album. Elk lied draagt een eigen karakter, een eigen persoonlijkheid.” Een speciale dank richt Frank aan zijn echtgenote Christel: zijn absolute steun en toeverlaat. Zij is zijn rode draad in zijn leven. Zijn engel in licht en duisternis. Hij zet ook een extra pluim op de hoed van zijn producer Manfred Jongenelis, die het voor elkaar kreeg om in een recordtempo alle arrangementen klaar te stomen. Frank is blij dat dit album hem twee hits in de Vlaamse Top 10 oplevert. De zeventiende december 2011 staat Galan op vijf in de Radio 2 Vlaamse Top 50 met Ik zie tranen in jouw ogen. De twaalfde mei 2012 staat hij in diezelfde hitlijst op vier genoteerd met Gigi l’Amoroso, op een Nederlandse tekst van Frank Galan en Frank Rover. Dalida scoorde hiermee in de zomer van 1974 een monsterhit. “Ik wou dat liedje absoluut op de plaat hebben, want ik zing al zoveel ballads, en tijdens liveoptredens heb je toch iets meer nodig. En ja, dit is zo’n klassieker waarop iedereen rechtveert en meteen meezingt. We hebben wel het parlandogedeelte weggelaten, het nummer wat ingekort en het refrein een aantal keren laten terugkomen.”

De concertorganisatoren in Vlaanderen blijken Frank Galan opnieuw ontdekt te hebben. Het wordt schipperen en plannen om zijn optredens in ons land en in Duitsland te combineren. Datzelfde jaar verschijnt er op het ARS-label een tweede cd: “Frank Galan – Mijn ode aan Julio”, met als ondertitel “De mooiste Iglesias-klassiekers in het Nederlands”. Frank vult aan: “Ik had dat idee al eerder aan ARS voorgesteld, maar zij stonden erop een Spaanstalige cd uit te brengen met daarop uitsluitend Iglesias-nummers. Maar wat bleek uiteindelijk? Dat idee verdween in het koelvak, er was blijkbaar geen tijd voor. Wat later komt de baas van Universal/ARS Patrick Busschots met het idee op de proppen om Iglesias in het Nederlands te vertalen en ik was meteen verkocht. Ik mag de hits wat naar mijn hand zetten en het is het stemgeluid van Frank Galan dat zal klinken, ik ga de man niet imiteren. Ik heb me daar toen erg in verdiept en er ook al mijn energie in gestoken. Dit album kostte me bloed, zweet en tranen, maar ik heb dat gedaan met veel plezier.”

Het album staat de zevenentwintigste oktober 2012 voor de eerste maal genoteerd in de Ultratop Album 200. De zeventiende november bereikt de cd daarin de vijfde plaats. De titel spreekt voor zich, het is een muzikale hulde geworden aan zijn idool Julio Iglesias. Geen Spaanse blauwdruk van Julio’s hits zoals beloofd, maar vertalingen van diens klassiekers zoals Un canto a Galicia/Land van mijn dromen, Manuela, El amor/Wondermooi, Pobre diablo/Zonder woorden enzovoort. Frank schreef bij dat album als duiding het volgende: “Ik ben thuis opgegroeid met de muziek van Julio. In 1972 kreeg ik mijn eerste compacte platenspeler en mijn eerste plaatje Un canto a Galicia. Ik besefte toen nog niet welke impact die muziek op mijn verdere leven zou hebben. Vanaf mijn twaalfde kende ik de meeste songs van Julio uit het blote hoofd. Hij werd dag na dag meer en meer een soort familielid bij ons thuis. Ik zong zo vaak als ik kon mee met zijn platen. Door die vele Spaanse teksten na te zingen, werd mijn passie voor de Spaanse taal en Spanje almaar groter, zo groot zelfs dat mijn eindwerk tijdens mijn studie vertaler-tolk over Julio Iglesias ging. Ik analyseerde zijn leven, zijn teksten en zijn muziek tot in het kleinste detail. Op een bepaald moment woonde ik in Spanje, werkte daar en studeerde er Spaans. Als ik eens een karaokebar bezocht, was ik zowat de enige die een liedje van Julio zong. Iglesias was er altijd en zal voor een groot deel ook altijd deel uitmaken van mijn leven. Vandaar dat dit album hét hoogtepunt in mijn carrière is. Ik ben er uitermate trots op.” Uit het album “Mijn ode aan Julio” wordt Land van mijn dromen/Un canto a Galicia als single gereleaset, die de negenentwintigste september 2012 op de zesde plaats in de Radio 2 Vlaamse Top 10 belandt.

De vierde augustus 2012 presenteert Frank Galan zijn show “Frank Galan brengt Julio Iglesias” in het “Casino van Blankenberge”. Op de Showbizzsite lezen we: “Weliswaar een schot in de roos, want het volledige Casino was helemaal uitverkocht. Er is dus duidelijk een publiek voor dit repertoire, een publiek gaande van vips, bedrijven, particulieren tot een gloednieuw publiek dat Frank nog nooit eerder aan het werk zag. Twee uur lang zong Frank feilloos in vijf talen, iets wat niemand hem in Vlaanderen nadoet. Frank pakte het publiek makkelijk en graag in met prachtige ballades, temperamentvolle muziek en uiteraard de talrijke hits van Julio Iglesias.”

Onvergetelijk is het moment waarop Frank en zijn vrouw na het liveconcert van Julio Iglesias op zaterdag de achtentwintigste oktober 2012 in het “Sportpaleis” van Antwerpen backstage door hem uitgenodigd worden en Frank op Julio’s verzoek de Nederlandstalige versie van Un canto a Galicia inzet. “Het leuke was“, zegt Frank, “dat ik de Nederlandse versie zong en Julio in het Spaans de rest aanvulde. Een moment om nooit meer te vergeten.” Het was niet de eerste keer dat zij elkaar ontmoetten, want in opdracht van “Dag Allemaal” had Frank hem al eens in het Spaans aan de tand gevoeld en via een gezamenlijke vriend in Marbella hadden zij in diens restaurant al eerder met elkaar gepraat. “Tijdens dat interview voor ‘Dag Allemaal’ heb ik een halfuur lang met hem in het Spaans kunnen babbelen. Hij is een zeer aimabele man. We hebben over van alles en nog wat gepraat, zeker niet alleen over muziek. Ik verwijs nu even terug naar zijn optreden in het ‘Sportpaleis’, want het heeft maar aan een zijden draadje gehangen of we zouden daar een duet hebben gezongen samen. Maar het zijn de platenfirma’s onderling die zo’n beslissing nemen. Het was Jan Smit gelukt in ‘Ahoy’, hij zong toen samen met Julio ‘To all the girls I’ve loved before’, maar ARS had niet zo’n lange arm om dat duet hier in Vorst naar ons toe te trekken. Jammer, maar wie weet komt het er ooit nog van.”

Alsof het in 2012 niet op kan, is er ook nog de release van zijn Duitstalige cd “Träume im Wind” op het Oostenrijkse MCP-label (bij deze firma zit ook onder meer Andy Borg). Opvallend naast liedjes als Und ich leg mein Herz in deine Arme, Träume im Wind en Schenke uns einen Traum, aangereikt door enkele Duitse componisten, ook een paar songs geschreven door bekende jongens van bij ons: Raymond Felix Bring den Sommer zurück, Pino Marchese Du bist der Sommer, Fred Bekky Schön ist das Leben en Will Tura Bleib nicht bei mir. Dit laatste heeft Frank met veel overgave ingezongen, want het is een van Wills bekendste hits Hemelsblauw, waarvoor niemand minder dan Tobias Reitz de Duitse tekst schreef. “Ik had speciaal naar Duitsland enkele Vlaamse hits meegenomen om mijn producers ginder ervan te overtuigen dat ze ook bij ons goede songs kunnen schrijven. Ze konden hun eigen oren niet geloven en hebben toen maar het licht op groen gezet om een aantal van mijn voorstellen voor de Duitse markt te vertalen“, aldus Frank. In de Duitse persmap lezen we over zijn nieuwe album: “Mit der neuen Produktion kommen die Fans von Frank Galan voll auf ihre Kosten. Alle Titel wurden von ihm persönlich zusammengestellt. Eine gelungene Auswahl von neuen Titeln und erfolgreichen Liedern aus seiner Heimat Belgien und auch Holland. Die Hits wurden met deutschen Texten versehen und von Frank Galan gefühlvoll und mit viel Emotion eingesungen.” Frank is meer dan tevreden. “Er werd aan de teksten lang gesleuteld. Een lied moet goed in elkaar zitten, zowel tekstueel als melodisch. Een lied moet je bijna kunnen vergelijken met een gedicht, er mag niets haperen of er mag geen woord in de tekst opduiken dat stoort. De producers hebben me gegund dat ik mijn stem op diverse manieren kan gebruiken. Het album klinkt dan ook niet monotoon. Een lied op dit album dat me na aan het hart ligt is Und ich leg mein Herz in deine Arme, dat Christian Zierhofer speciaal voor zijn vrouw heeft geschreven.” Zijn Duitse management voegt daar met graagte nog aan toe: “Singen ist für Frank eine Art Magie. Er kann mit Charme, Charisma und Ausstrahlung die Menschen verzaubern. Der Sänger glaubt an starke und ehrliche Gefühle, und dieser Glaube zieht sich wie ein roter Faden durch seine hochwertigen Produktionen, egal ob in Balladen oder Tophits – er trifft immer den richtigen Ton.”

Het jaar wordt haast devoot afgerond wanneer Frank de eenentwintigste december 2012 samen met Andrei Lugovski en Yannick Bovy tijdens een speciaal kerstconcert in de Sint-Janskerk te Oostende optreedt, daarbij begeleid door een heus strijkorkest.

De zesentwintigste januari 2013 brengt Frank nog eens een single op de markt. Deze keer is het de beurt aan Blijf bij mij/Abrazame, volgens kenners een van de mooiste songs die Iglesias ooit op plaat heeft gezet. Vreemd, maar deze Galan-keuze moet het in de Vlaamse Top 50 zonder noemenswaardige hitnotering stellen.

Op zondag de eenentwintigste april 2013 staat Frank met zijn concert “Galan zingt Julio Iglesias” live in “Het Godshuis” te Sint-Laureins. In de pers lezen we: “Samen met zijn orkest Los Desconocidos zong Frank twee uur lang zijn bekendste hits en andere bekende songs van Iglesias in het Spaans. Het publiek wist niet wat het zag en vooral hoorde. Alle songs in perfect Spaans gezongen. Ballades zoals Hey, Abrazame, A mi manera, La Paloma deden het publiek verstomd staan en er werden tranen weggepinkt. Op de ambiancesongs zoals Cuando calienta el sol, Amor de mis amores, Taka takata enzovoort werden de engelen wakker geschud in dit prachtige oude kloostercomplex. Dat Frank Galan in ons land de enige is die het repertoire van Julio Iglesias kan zingen, is een feit, maar ook zijn eigen songs hebben iets van het karakter van zijn idool. Pure klasse.”

De vierentwintigste mei 2013 komt platenfirma MCP op het idee Frank te koppelen aan het talent van Silvio Samoni en Graziano. Titel van de plaat: “Die drei goldenen Stimmen”. Geen triootjes op die plaat, maar gewoon de vocale hoogtepunten van deze drie heren elk apart op een cd gecompileerd. Een paar jaar later komen Jan Smit, Christoff en Florian Silbereisen op de proppen met Klubbb3. Toeval of niet?

Zondag de achtentwintigste juli 2013 duikt Frank op in de binnentuin van “Sint-Bavo” tijdens de Gentse Feesten. Op zondag de elfde augustus van dat jaar mag hij optreden tijdens de twaalfde editie van “Rimpelrock” in Kiewit-Hasselt. Hij staat die dag op het podium met onder meer Gérard Lenorman, Natalia en Engelbert Humperdinck. Dat kwam hem goed uit, want de tiende augustus had hij net zijn nieuwe cd “Spaanse klassiekers” op het ARS-label uitgebracht. In het totaal goed voor twaalf bekende nummers, waaronder Guantanamera, El Bandido, Langzaam verschijnt weer de zon en Que sera, que sera. Alles werd in de studio “Manfred Recordings” in het Nederlandse Etten-Leur ingeblikt. Frank stond in voor de Nederlandstalige teksten en Manfred Jongenelis voor de arrangementen. Frank was maar wat blij toen hij de vierentwintigste augustus vernam dat hij met zijn album de vijfde plaats in de Ultratop Album 200 had bereikt. In het bijbehorende boekje schrijft hij: “Dit album is een selectie van hits die me altijd zijn bijgebleven. Zomerse, zuiderse en temperamentvolle songs, maar ook pakkende ballades: Que sera, que sera en Hey. Vreugde, vriendschap en vooral genieten, dat zijn de ingrediënten van deze Spaanse klassiekers. Geniet van het leven en geniet van dit mooie album. Laat de zomer altijd aanwezig zijn in lichaam en geest.”

In de loop van 2013 lanceert Galan drie singles. Eerst is er Dans met mij, een vertaling van de hit Bailamos van Enrique Iglesias. De opvolger Taka takata van Paco Paco levert hem de twintigste juli 2013 een vijfde plaats op in de Radio 2 Vlaamse Top 10. Dit nummer, oorspronkelijk geschreven door Al Verlane, had Paco Paco in de maand september van 1972 al een dikke hit bezorgd. Met Waarom kwam jij in mijn leven scoort Frank de zesentwintigste oktober 2013 een vierde plaats in de Radio 2 Vlaamse Top 10. In dat nummer herkent u meteen Quiereme mucho, waarvoor Frank zelf de Nederlandstalige tekst schreef.

De dertiende oktober 2013 is Julio Iglesias opnieuw te gast in het “Sportpaleis” van Antwerpen. Frank en zijn vrouw Christel worden ook deze keer door Iglesias zelf na diens concert in zijn kleedkamer ontvangen. De veertiende oktober trad Julio ook nog op in het “Casino van Oostende” en de vijftiende oktober in het “Sportpaleis” van Gent.

De eerste maart 2014 verschijnt Hey in Vlaanderen op single. Frank schreef speciaal voor zijn echtgenote de Nederlandse tekst en beschrijft het moment dat ze elkaar voor het eerst ontmoetten. MENT TV promoot het nummer aan de lopende band. Mogen we in de marge misschien even vermelden dat André van Duin deze Iglesias-klassieker al in 1982 vertaald op plaat zette als Wij, toen op tekst van Ted de Braak en in een productie van Will Hoebee.

In 2015 staat Frank nog steviger op zijn eigen benen en richt hij zijn eigen label Galan Records op. Vanaf de achtentwintigste februari 2015 is Frank te horen in de Vlaamse Top 50 met een soort sambaversie van Tom Jones’ Delilah, in de jaren zestig speciaal voor Jones geschreven door Les Reed en Barry Mason. Gelijktijdig wordt er door Frank een versie in het Engels, het Spaans en het Duits uitgebracht. Hij kreeg namelijk van Tom Jones de goedkeuring om zijn versie wereldwijd uit te brengen en mag zich zodoende de eerste zanger noemen die ooit een Spaanse versie van Delilah op plaat heeft gezet, een primeur dus.

De elfde juli 2015 wordt door Galan op z’n zomers ingezet met Cheerio, oorspronkelijk van de Duitse zanger G.G. Anderson, geschreven door het succesvolle Duitse duo Uwe Busse en Gerd Grabowski. Maar dit nummer kan het Vlaamse publiek iets minder bekoren.

De achtste februari 2016 brengen Frank en Christel op het Galan-label, verdeeld door CNR, samen nog eens een single op de markt, deze keer Jij bent er maar eenmaal voor mij. Frank kan het niet laten een deel in het Spaans te zingen. Liefhebbers van Duitse schlagers herkennen hierin de hit Aber dich gibt’s nur einmal für mich van de Nilsen Brothers. De dertigste mei pakt Frank solo uit met zijn nieuwste single Op reis naar de zomer, een vertaling van het overbekende Un sentimental van Julio Iglesias, die daarmee bij ons in de zomer van 1980 al een dijk van een hit had gescoord. Frank heeft er voor zijn versie een rist flamencogitaren aan toegevoegd.

De vijftiende februari 2017 brengt Frank Galan in een productie van Manfred Jongenelis een aparte versie uit van de klassieker Blue Spanish eyes, dat we heel goed kennen in de versie van Al Martino, in de jaren zestig geschreven door de Duitse orkestleider Bert Kaempfert. De lente komt er weldra aan en dan staat Galan graag paraat voor een zuiders charmeoffensief. Romantiek, passie en temperament zijn de ingrediënten voor een onvergetelijk voorjaar. Om dit alles op te fleuren heeft Frank een opvallende versie van Blue Spanish eyes gezongen. Bij dat liedje, en dat kunnen we nu misschien wel vertellen, hoort een niet zo bekend verhaal. In de zomer van 1964 kwam Bert Kaempfert met Decca-producer Milt Gabler tot een akkoord een elpee op te nemen met als werktitel “Music from around the world”. Het zou een muzikale rondreis worden langs Japan, Afrika, Europa en Amerika. Bert zette zich meteen aan het werk en ging alvast op zoek naar bekende internationale songs die aan die landen gelinkt worden: Hava nagila, Midnight in Moscow... Hij had ook groen licht gekregen om het album aan te vullen met een aantal eigen composities. Hij koos Italië als inspiratiebron. Hij trekt zich terug op zijn buitengoed aan de Brahmsee in Holstein. Hij gaat op zoek naar een romantische invalshoek over de maan die over de baai van Napels schijnt. Je moet immers iets hebben om in de mood te geraken. Die gedachte strookt niet met de realiteit, want buiten stormt het op dat moment en giet het bakken regen. Wat niet belet dat Kaempfert een van zijn mooiste en meest romantische songs componeert, het instrumentale nummer Moon over Naples. Wanneer producer Milt Gabler twee maanden later, we zijn dan september, in Hamburg arriveert om met de opname van het album te beginnen, heeft hij beslist dat de elpee “The magic music from far away places” zal heten. Dat instrumentaaltje Moon over Naples was hem meteen opgevallen. Hij probeert er een tekst bij te verzinnen, maar dat lukt hem niet meteen. De Amerikaanse uitgever van Bert Kaempfert, Hal Fein, komt op de proppen met een schrijversduo dat in Amerika al naam had gemaakt, Charlie Singleton en Ed Snyder. Zij hebben het lumineuze idee het liedje voortaan Spanish eyes te noemen. Frank wilde geen blauwdruk maken van de versie van Al Martino en voegt er wat flamencoritmes aan toe, wat het geheel een zomerse en dansante touch meegeeft.

De twaalfde mei 2017 brengt Frank nog eens een nummer samen met zijn echtgenote Christel uit. Met de single Heel mijn wereld dat ben jij bezegelen ze hun eeuwig verlangen naar elkaar. Frank schreef zowel de tekst als de muziek zelf. De productie is in handen van Manfred Jongenelis en Lex De Groot. Het lied is voor het merendeel autobiografisch en beschrijft hun levenswandel. Zij willen met deze single vooral bewijzen dat échte liefde onverwoestbaar is. Heel mijn wereld dat ben jij is dan ook een ode aan alle mensen die in deze tijden van oppervlakkigheid nog altijd erg veel van elkaar houden.

Zingen ten voordele van het goede doel ligt Frank na aan het hart. Een voorbeeld: Frank en Christel zijn peter en meter van A.C.E. (Animal Care España) met als thuisbasis Mijas, een Spaanse gemeente aan de Costa del Sol in de provincie Malaga. Frank en Christel zijn enorm bekommerd om het welzijn van verwaarloosde honden, welk ras dan ook. Zelf hebben ze trouwens een aantal honden geadopteerd.

In 2017 wordt Galan in Frankrijk ontdekt en wordt hem gevraagd zijn beste songs in het Frans op te nemen voor release in het voorjaar van 2018. Hij heeft intussen al een aantal nummers opgenomen en ze ter goedkeuring aan de Parijse firma voorgelegd. Op die manier lonkt voor Frank een nieuw avontuur en een nieuwe uitdaging. Hij wil iedereen graag laten horen dat hij ook een aardig mondje Frans kan zingen. “Mocht het aan mij liggen, dan het liefst van al een volledig album met uitsluitend Franse chansons,” aldus Frank, “want tijdens mijn liveoptredens zing ik nu al onder meer En chantant van Michel Sardou, en de reacties zijn unaniem lovend.

En hoe mag het voor hem verder verlopen in zijn carrière? “Als het aan mij ligt, wil ik nog jaren blijven meedraaien. Ik heb nog energie en ideeën zat. Vroeger durfde ik me al eens te laten gaan, maar die tijd ligt al lang achter mij. Alleen met veel discipline hou je dit vol. Ik leid al lang geen exuberant leven meer. Veel tijd om aan sport te doen heb ik jammer genoeg niet, maar ik verzorg me goed. Na een optreden ben ik leeg, dan heb ik me volledig gegeven en ben ik blij dat ik met Christel terug naar huis kan, een huis dat intussen een echte thuis is geworden. Zo vaak het kan, betrek ik haar ook bij mijn optredens. We zijn intussen zowat onafscheidelijk geworden, zowel in de liefde als op het podium. Ik weet intussen beter dan wie dan ook hoe oppervlakkig de showbizzwereld eruitziet. Alleen een hechte en warme familie doet er echt toe. Binnen die warmte en gezelligheid kan ik me opnieuw opladen voor een volgend optreden, wat rust inplannen en vooral ook uitkijken naar die nieuwe cd.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Willem Vermandere

In vroegere interviews vertelde Johan Verminnen: Ik studeer voor Willem Vermandere. Hij meent dat vandaag nog altijd omdat de no-nonsensemanier waarop Willem zijn carrière aanpakt, wars van alle trends, nog altijd als voorbeeld dient. Verpakking haalt het tegenwoordig te veel op inhoud, maar Johan weet dat Willem daar weinig last van heeft. Voor hem is Vermandere een einzelgänger die elke dag zijn ding doet. “De media zullen ons misschien snel vergeten“, weet Johan. “Misschien zijn we maar voetnoten in de muziekgeschiedenis, maar noten zijn voor ons al ruim voldoende!” Op zijn eigenste website verwoordt Willem het als volgt: “Om te zingen hoeven er echt geen rookwolken uit de grond te komen, alhoewel de wolken die hier over mijn vlakke polderland drijven, mijn verbeelding geweldig op stang kunnen jagen. Om te zingen heb je niet noodzakelijk een drumstel nodig om het ritme te bepalen. Ik zou zeggen, zing vooral op de maat van je eigen hartslag. Het is waar dat je met het Engels overal ter wereld terechtkunt en wat ze noemen een ‘wereldhit’ kunt scoren, maar hoe zal ik u dan de kwinkslagen en de grappige woorden van mijn voorouders doorgeven en hoe zal ik mijn eigen gedachten over deze huidige wereld ragfijn aan u meedelen, zonder mijn eigen Vlaamsgekleurde Nederlandse moedertaal. Al vele jaren zwerf ik nu rond tussen Duinkerke en Groningen, met mijn gekke en weemoedige liedjes en met mijn zotte vertellementen. Ach, dat zwerven langs de eindeloze autowegen kan ‘s winters lastig zijn, door sneeuw en ijs, door mist en regen. Gelukkig zijn daar de twee muzikanten-trawanten met gitaar, mandoline, fluit, klarinet en saxofoon. Gelukkig zijn daar overal luisterende mensen in de theaters en parochiezalen, ‘s zomers in feesttenten en op de pleinen in de stad. Ik zing van mijn kinderjaren en van de mensen die in mijn dorp geleefd hebben. Ik zing van de oorlog die mijn Westhoek verwoestte. Ik zing van bijzondere mensen die ik ontmoette, van Godelieve Rosselle diep in Frankrijk, van Daniël die na de oorlog naar Argentinië emigreerde, van die pater die de indianen wilde bekeren maar ten slotte zelf indiaan werd. Ik zing van de goede Moeder Aarde en van haar dwaze kinderen. Ik luister de telefoongesprekken af van God met de paus van Rome. Ik monkel om het spel van mijn computerkinderen. Ik zing voor een debiel meisje uit mijn straat. Ik zing een angstig lied omdat ze me van ‘t podium willen sleuren en me het zwijgen willen opleggen en me uit mijn huis en dorp willen verjagen. Sommige muzikanten spelen dansmuziek, dat is al heel verdienstelijk. Sommige zangers zingen van ‘ik hou van jou met je ogen zo blauw en ik zweer je eeuwig trouw, ook al sta ik in de kou’. Heel ontroerend is dat. Maar met muziek en woord kan je veel opwindender avonturen beleven.Noem het maar kleinkunst of folk of chanson of cabaret of theater. ‘t Is mij al gelijk. Bij momenten wordt het jazz, bij momenten bijna kerkmuziek. Ik weet maar één ding, zingen en muziek maken is ‘zeerhevigleven.”

Willems kwaliteiten en bezigheden opsommen is een hele mondvol. Op Wikipedia lezen we: “Vlaams kleinkunstenaar, schrijver, dichter, beeldhouwer, levensfilosoof, zanger, gitarist, basklarinettist en schilder.” Dat doet me meteen denken aan een uitspraak van Vermandere tijdens een van onze gesprekken: “Een slechte dichter schrijft over zichzelf , een goede dichter over zijn lezers. Een goede singer-songwriter schrijft over wat er in de wereld omgaat. Hij moet iets verwoorden, iets verklanken wat collectief aan de gang is.” Maar laten wij, om Vermandere beter te duiden, stapsgewijs bij het begin beginnen. Wij zoeken hem op in zijn huis in Steenkerke, een huis dat de jaren overleefd heeft, op een steenworp van zijn stamcafé “De Kunstemaecker”, waar we nadien donker brood gaan eten, belegd met kaas en mosterd, begeleid door een goede pint bier. Het huis waar hij ons ontvangt, werd in 1864 gebouwd. “Wij hebben dat destijds hier gevonden. ‘t Stond hier stillekes dood te gaan, de zijgevel een beetje verzakt, water in de kelder, de slakken kropen door de gang de keuken binnen en tussen de pannen kon je de sterren zien. De laatste bewoners waren hier enkele jaren voordien uitgestorven. Vuur werd er niet gemaakt, weldra zouden de boze geesten bezit nemen van het huis: het was oud en moe en ziek en zou weldra overlijden.” Maar Willem blies er met zijn gezin nieuw leven in.

Vermandere werd de negende februari 1940 in Lauwe (deelgemeente van Menen) vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geboren, een oorlogskind dus. “Onze kinderjaren waren de oorlog. Dat is ons ontwaken geweest in de wereld.” Dat zal Willem zijn leven lang blijven achtervolgen. Hij bewaart nog scherpe herinneringen aan het feit dat zijn vader hen ‘s nachts – Willem had nog drie broers – naar de kelder droeg omdat ze sirenes hoorden, dat het huis daverde toen het nabijgelegen Kortrijk zwaar gebombardeerd werd. Vooral de bevrijding staat hem levendig voor de geest: al die Canadese soldaten, dat ze van hen chocolade kregen en bij hen schooiden om boterhammen. Vandaar zijn ode aan de duizenden gesneuvelde soldaten tijdens de Groote Oorlog in de Westhoek. Thuis was de keuken het terrein van moeder. Vader wroette graag met zijn handen. Hij was wagenmaker, een harde stiel. “Dat was een nobel beroep, zijn vader was het ook. Had op zijn beurt zijn stiel geleerd in een koetsenfabriek in het Antwerpse, maar miste de Leiestreek en keerde terug naar de heimat, naar het West-Vlaamse Lauwe.” Willems vader was een romantische ziel! Hij was een dromer, een cultuurmens die veel boeken las, en een uitstekend muzikant. Moeder was minder dromerig, een naarstige vrouw, altijd bezig, zeer werklustig. Een drive die Willem van haar geërfd heeft. Zijn vader bracht hem de liefde voor zowel de beitel en de schaafbank als voor de muziek bij. Vader speelde graag klarinet in een lokaal orkestje en bij de plaatselijke harmonie. “Mijn vader was in de wolken toen hij op zekere dag zag dat ik ook de muzikale smaak te pakken had en diezelfde weg insloeg.” Op zondagmorgen klonk thuis beneden aan de trap de klarinet van vader om op die manier zijn kinderen te wekken. Het lag zo’n beetje voor de hand dat ook Willem ooit op dat instrument zou blazen. ‘s Zondags klonk thuis ook steevast operamuziek. Dan werd er geluisterd naar het populaire VRT-programma “Opera & Belcanto”. Vader luisterde dan onder het roken van een sigaar, samen met een oom die bij hen inwoonde, met graagte naar ernstige muziek, want op lichte muziek werd laatdunkend neergekeken. “Platen werden er nooit gekocht. Dat konden we ons niet permitteren. Niet dat we armoezaaiers waren, maar thuis werd er sober geleefd“, aldus Willem.

Willems vader heeft dus een duidelijke invloed op hem gehad en dat heeft zijn sporen nagelaten. Naar aanleiding van Willems vijfenzeventigste verjaardag vroeg Els Van Steenberghe in de februari-editie 2015 van het weekblad Knack aan Vermandere aan wie hij nog graag eens een brief zou schrijven. “Aan mijn vader. Een harde werker die, zoals de meeste mannen van zijn generatie, heel karig was in het tonen van affectie. De intiemste aanraking met mijn vader was een handdruk. Een kus heb ik nooit van hem gekregen. Toen hij op zijn sterfbed lag, hield hij mijn hand tien seconden lang stevig vast. Dat was mijn laatste en mooiste moment met hem. Misschien is een brief aan mijn vader wel een idee voor een ballade.” Onder impuls van vader gaat Willem in de dorpsharmonie Sint-Cecilia meespelen! De dirigent van de harmonie, Gustave Vauterin, leerde Willem notenleer. Later zegt Willem daarover: “Daar begon ‘t allemaal. De chef zei vaak: Spelen wat er staat! Op den duur ga je spelen wat er niet staat. Dan pas krijg je vleugels.” Bij de harmonie kwam de werkman zich na zijn uren ernstig met muziek bezighouden. Op amusementsmuziek werd ook daar nog neergekeken. Klassiekers als “De Egmont Ouverture” van Ludwig van Beethoven en “Finlandia” van Jean Sibelius kregen voorrang. In de harmonie speelde Willem derde klarinet, tijdens de processie met een kepie op zijn hoofd en een bosje witte pluimen. Elke dinsdagavond werd er gerepeteerd. Willem weet nog dat op zekere dag de radio kwam opnemen en dat er naarstig geoefend werd. Daarnaast waren er ook de concerten op de kiosk, de uitstap naar zee en naar de Antwerpse zoo. Vader Vermandere kreeg de kans niet om te eisen dat zijn zoon in zijn voetsporen zou treden. “Ik wou geen wagenmaker worden. Ik ben eraan ontsnapt. Ik was altijd de eerste van de klas in het lager onderwijs. Ik wilde voortstuderen, vooral om te ontsnappen aan dat enge milieu thuis. Ik wist dat er een fijnere, meer aantrekkelijke wereld bestond. De eer om de zaak voort te zetten liet ik aan mijn oudste broer over. Aan zijn vrienden liet pa uitschijnen als was het een probleem dat zijn zoon wilde voortstuderen. Dat kostte immers geld en dat zag pa niet meteen zitten, al hebben mijn ouders zich nooit met mijn studiekeuze bemoeid.”

In 1953 stapt Willem in een avontuur dat zijn leven grondig zal beïnvloeden. Hij gaat op internaat bij de paters oblaten in Waregem, een kweekvijver voor nieuwe roepingen (hier zal ook Walter Capiau de religieuze revue passeren). Het werd niet het college, ook al was Willem een uitstekende student, want dat was voor de beurs van pa dus iets te duur. Bij de paters volgt Willem de Grieks-Latijnse afdeling. Het valt snel op dat hij creatief is. Hij tekent graag; vooral zijn karikaturen van het lerarenteam deden het erg goed bij zijn klasgenoten. Willem had toen ook al iets met hout. Dat materiaal fascineerde hem. “Toen ik daar studeerde, zocht ik hout van een weggewaaide boom om erin te kerven en te kappen. Ik had prachtige beelden gezien van Valery Stuyver, de pastoor van Vlassenbroek. Maar mijn superieuren in het klooster waren argwanend, die vonden dit niet de goede weg. Studeren was mijn roeping: filosofie en theologie. Artistieke neigingen mochten volgens hen geen voeding krijgen. Muziek mocht wel, dat kon later nog van pas komen bij de negertjes in de brousse.

In 1959 kan Willem zijn humaniora afronden. Hij gaat meteen nadien naar het klooster in Korbeek-Lo. Een jaar later verhuist hij naar het klooster in Gijzegem. Hij zal al die tijd een pij dragen. Toen Walter De Buck en Wannes Van de Velde al druk in de weer waren met optredens in jazzkroegen en zo, koos Willem dus de weg van de Heer te volgen. Hij wou God koste wat het kost een plaats geven in zijn leven, maar die God zag geen discipel in hem. “Ik dacht dat dat na de retorica mijn weg was. Ik wil niet het woord roeping gebruiken. Ik kan daar nu niet op ingaan, dat is te complex. Je zit daar in een soort cocon, afgesloten van de buitenwereld. De enige berichten die we van de buitenwereld hoorden, kwamen uit de mond van paters die niet uit de missies terugkeerden of uit hun brieven die luidop werden voorgelezen. Ik voelde wel dat God in elk mens aanwezig is, dat je moet gebruikmaken van je talenten, de zogeheten kostbare parel in jezelf vinden: vinden waarvoor je geboren bent.” Aan auteur Renild Wouters vertelt hij jaren later over die periode: “Ik heb na een tijdje ingezien dat die geleerde traktaten over de goddelijke voorzienigheid en de maagdelijkheid van Maria aan mij niet besteed waren en ben dan uit het klooster gestapt.”

Het was ons tijdens ons interview trouwens al opgevallen dat Willem het woord God niet graag gebruikt, Schepper hoort hij liever. Hij voegt er meteen aan toe dat de God van toen niet meer de God is zoals hij die nu ervaart. Vier jaar lang was hij dus een pater in wording, maar wel eentje die graag boeken van Henry Miller las en “Zuster Virgilia” van Gerard Walschap, liever dan de Bijbel, en graag liedjes schreef. Dat bracht hem op andere ideeën dan de vereiste religieuze. Hij had stilaan de weg naar zichzelf gevonden. De gitaar, de beitel, het potlood: dat waren de dingen die hem in de kern van zijn ziel raakten. Zijn studies konden voor hem de pot op. Hij beslist in 1963 zijn pij aan de wilgen te hangen. Er gaat nadien een heel nieuwe wereld voor hem open. Achteraf beschouwd vormt die periode voor hem een enorme bron van rijkdom, een fase die hij zelfs niet uit zijn leven wil wissen. Hij ligt wel wat in de clinch met de katholieken, want voor hem is de Bijbel een bundeling van sagen, fabeltjes en mythen waar veel mensen troost in vinden. In een interview met Humo uit 2000 lezen we: “Ik ben meer pater dan de mannen die zich weI hebben laten wijden. WeIke achtergrond kan een zanger zich beter wensen dan de mijne? Het geloof is een kantwerk van verbeelding, een goudmijn voor een artiest. Wat weten we, vanuit historisch oogpunt, over Jezus? Heeft hij werkelijk bestaan? Eén bron, FIavius Josephus, maakt melding van hem. Is dat een betrouwbare bron? We hoeven dat, wat mij betreft, ook niet te weten. De spirituele boodschap van de Bijbel mag niet verloren gaan: de Zaligsprekingen, de Bergrede enzovoort – dat is van universele betekenis.

Willem stapt dus uit het klooster en gaat, als een soort verlengstuk van die plots afgebroken roeping, godsdienstwetenschappen aan het Grootseminarie in Gent studeren. Over die nieuwe richting in zijn leven vertelt hij in de zomereditie van 2017 van deMens.nu, het vrijzinnig humanistisch tijdschrift: “Hoe ontdekt een mens waarvoor hij geboren is? Ik denk dat je in je leven allerlei wegen bewandelt, en dat je voelt welke richting je moet nemen: die wel, en die niet. En dan: eerlijk zijn met jezelf, stappen zetten. Als je weet wat je moet doen, ongeacht wat het ook is, dan moet je de ballast overboord gooien. Dan moet je durven onthecht te zijn. Een vriend van me wilde beeldhouwen. Maar hij had een probleem: hij had geen atelier, want in zijn chique verkaveling mocht hij niet bijbouwen. Ik snapte het niet: Je huis is toch groot genoeg? Als je hier, in je ruime living, een muurtje metselt, dan heb je een atelier met een prachtige lichtinval. Maar dat kon natuurlijk niet. Vele mensen weten wat ze willen, maar slagen er niet in de ballast en bijkomstigheden uit hun leven te verwijderen. Ik geef wel toe: ik heb een schat van een vrouw, voor wie mijn werk altijd primeert. Maar het is me ook niet allemaal in de schoot geworpen, hoor. Ik heb een woelige weg afgelegd. Onderschat het niet: het klooster binnenstappen is niets, maar er vertrekken, dat is toch een grote omwenteling geweest. Niet dat ik die paginas uit mijn levensverhaal verfoei, helemaal niet. Alles heeft zijn functie, en op den duur valt de puzzel in elkaar. Bovendien is het een omwenteling geweest waar ik gesterkt uit ben gekomen. Na elke catharsis word je sterker.”

Van nature is Willem altijd een geboren verteller geweest en na zijn studies voelt hij zich geroepen om kinderen iets bij te leren. Hij wordt vanaf september 1965 godsdienstleraar aan de Rijksmiddelbare School in Nieuwpoort. Een zeer moelijke opdracht, de leer van God verkondigen op een staatsschool, geleid door een directeur die het woord paus niet eens wilde horen. Volgens Willem is Jezus ook maar een verhalenverteller die links en rechts verhalen oppikte en die op zijn manier voortvertelde. In verband hiermee citeert hij tijdens ons gesprek een uitspraak van Pablo Picasso: “Alle kunst is leugen die ons dichter bij de waarheid brengt!” Hier voor de klas in Nieuwpoort ontpopt Willem zich als een geboren verteller, een liedjesschrijver en zanger die op zeker moment de Westhoekverzen van Djoos Uyttendaele leert kennen. In het klooster oefende hij al om teksten op muziek te zetten, gedichten van onder meer Guido Gezelle. In de klas probeert Vermandere de leerlingen voor zich te winnen, en vooral hun aandacht, door evangelieteksten op muziek te zetten. Dat klikt meteen. Met zijn gitaar en die liedjes gaat Willem vervolgens links en rechts optreden tijdens avonden georganiseerd door de plaatselijke Chiro en de KSA. De vraag naar optredens wordt almaar groter. Tot aan de paasvakantie van 1968 blijft Willem in Nieuwpoort lesgeven om vervolgens zijn pijlen op zijn kunstwerken en zijn liedjes te richten. Hij leert hier zijn vrouw kennen, een meisje uit De Panne. Ze gaan aanvankelijk in Nieuwpoort wonen. Wel niet vergeten dat Willem zijn beeldhouwen (aanvankelijk uitsluitend in hout) en schilderen snel gaat etaleren. Een halfjaar na zijn thuiskomst stelt hij in Lauwe al tentoon, tot grote verbazing van zijn vader, die verwacht had dat Willem na een mislukte roeping als een volwassen man thuis zou zitten wegkwijnen.

Bij de cd “De vergeten liekes” schrijft Willem over die beginperiode: “In den beginne was er de klarinet in de dorpsharmonie van Lauwe. Er was ook ‘Tantum ergo’ in de kerk en Sarie Marais op de gitaar bij het kampvuur. In het jarenlange patersinternaat te Waregem leerden we niets dan verrukkelijke, nutteloze, wereldvreemde dingen, zoals Grieks en Latijn, en we zongen hele zangbundels vanbuiten. Ik durfde weleens een gedichtje op muziek te zetten. Zelf leraar geworden te Nieuwpoort vond ik rond 1965 de Westhoekverzen van Djoos Uyttendaele. Ik maakte er wat muziekjes bij en zong de liedjes op allerlei feestjes. Dat was het eigenlijke begin. Roger Rossey, vriend schrijnwerker, was zo enthousiast dat hij enkele nieuwe geestige teksten schreef. Hij vond ook dat ik naar de talentenjacht van ‘t humorfestival in Heist moest (om te winnen). En zo geschiedde. Dat was in 1968.”

In 1968 wint Willem Vermandere dus de talentenjacht van het Heistse Humorfestival. Met zijn pittige teksten wist hij het publiek en de jury snel aan zijn kant te krijgen. En van dan af gaat het vlug, zonder dat hij er echt op voorbereid was. Willem trekt naar Radio 2 in Kortrijk voor de preselecties van die wedstrijd, wordt geselecteerd en wint de finale met de liedjes Bruloft van Kanna en Menschen van te lande. Hij klinkt dan nog zo’n beetje als Wannes Van de Velde. Het was dan ook moeilijk hem in het juiste vakje te stoppen. Was hij nu een kleinkunstenaar of een volkszanger? Fons Van Dam van platenfirma Decca zoekt hem meteen na de wedstrijd op en ze tekenen een contract. In 1969 mag Willem trots uitpakken met een eerste elpee, “Liedjes van de Westhoek”. Dat album was in één namiddag opgenomen: begonnen om één uur en om zeven klonk de laatste noot. Sommige klinken niet zoals het hoort, maar niemand stoorde zich daaraan. Willem begeleidt zichzelf op de gitaar, daarin bijgestaan door Al Van Dam op de accordeon. Aanvankelijk zijn Willems liedjes nogal heimatgekleurd, streekgericht en in de streektaal gezongen: De zeemeerminne, Hommel, Dromerie, Zilver’n brulofte… Wanneer hij die nu opnieuw beluistert, vindt hij ze qua inhoud en zo erg naïef. Van de linkse rakkers uit de muziekwereld kreeg Willem in die beginjaren stevig op zijn kop. Hij klonk volgens hen te ouderwets, iets wat hij jaren later grif toegeeft. Hij kwam immers uit het klooster, een godsdienstleraar die met een kleine wereld in zijn hoofd rondliep. Hij was tekstueel geen protesterende Boudewijn de Groot, had zeker geen dylaneske trekken.

In 1969 is er op het Decca-label, in een productie van Al Van Dam, het album “Langs de schreve”. Willem zingt over de gewone dingen van het leven en over zijn habitat. De Schreve is de benaming die in West-Vlaanderen vooral wordt gegeven aan de staatsgrens tussen België en Frankrijk, die dwars door de Westhoek loopt en die streek in tweeën deelt. Etymologisch gezien is schreve een West-Vlaams dialectwoord dat zoveel wil zeggen als een willekeurig getrokken grens. De langspeler opent met De barmhartige Samaritaan, dat hij samen met zijn vriend en heemkundige Roger Rossey schrijft. Voorts Drinkeliejke, De speelman, De student, De wonderbare genezing en De schaoper. Samen met Joris Declercq schrijft hij Amour,toujours,. Deze plaat wordt in 1972 opnieuw uitgebracht, deze keer als dubbelaar, samen met zijn debuutalbum “Liedjes van de Westhoek”.

Aanvullend bij zijn verzamelaar “De vergeten liekes” (Dureco 1161242) blikt Willem terug op die eerste jaren. “Zo begon mijn tjoolders-leven van parochiezaal tot boerenschuur. Avond aan avond groeiden de vertellementen om de liedjes aan elkaar te breien. Zo kwamen vanaf 1970 de heel eigen liedjes tot stand. Veel van die liedjes ben ik wat vergeten. Noem me geen ontrouwe vader, het zijn mijn kinderen, maar ze hebben al lang het ouderlijk huis verlaten. Ze hebben mij niet meer nodig. Dit lijkt wel een oud familieportret, mijn vroegste kinderen allemaal rond mij.” Op deze verzamelaar liedjes als De cierk, Jesus op d’eerde, Meter Fietje, Mijne velo en Van de liefde.

Vanaf 1971 gaat Willem almaar vaker zijn eigen teksten schrijven, zoals we horen op het door Al Van Dam geproducete album “Willem Vermandere”. Van Dam houdt zich iets meer afzijdig dan voordien. Willem heeft productioneel meer in de pap te brokken. De begeleiding wordt ook uitgebreid: gitarist Alfred Den Ouden, bassist Jan De Wilde, violiste Kristien De Hollander. In twee namiddagen was alles ingeblikt en ingezongen, liedjes als Fredo en Marcello, Margriete van Piere Maertens enzovoort. Aan de basis van zijn liedjes liggen figuren die ook echt hebben bestaan. Klein ventje gaat over Georges van het bejaardentehuis in Elverdinge, De historie van Steentje over de Vlaamse pater Roger Vandersteen die opperhoofd werd bij de Canadese Cree-indianen. Zijn chansons etaleren een soort toogfilosofie. Qua hoogtepunten uit die periode zijn Piere de Beeste en Blanche en zijn peird nog altijd uitschieters. Blanche en zijn peird wordt zijn allereerste bescheiden meevaller. In hittermen, het nummer waarmee hij, ook al wordt het niet op single uitgebracht, in de media en bij het grote publiek doorbreekt. De tweede februari 2007 zingt Bart Herman in het Eén-programma “Zo is er maar één” met als thema “Liedjes in het dialect” zijn versie van Blanche en zijn peird. Op het album “Willem Vermandere” staat nog zo’n Vermandere-klassieker Kasteel van schelpjes en zand. “Er was een klein jongentj’ aan ‘t spelen op ‘t strand, ‘t wouwd’ een kasteel met schelpjes en zand, en ik die passeerde, ‘k bleve daar staan en ‘k liet heel stille dat kindje begaan.”

In 1973 brengt Vermandere zonder lang te hebben nagedacht over een geschikte titel zijn vierde elpee op de markt, “Vier”. De plaat zet in met Den tjoolder en bevat vervolgens liedjes als Margriete van Piere Maertens, Le tour du monde, Psalm tot en met Litanie. Voorlopig blijven de hitlijsten ver uit de buurt. Ook deze keer zet hij zich voor het volle tekstuele pond in. Dan is het drie jaar wachten tot hij op het Decca-label uitpakt met het album “…Met mijn simpel lied”. De oorlog is ook deze keer niet ver weg in Duits kerkhof en Duizend soldaten, dat hij samen met Guido Desimpelaere schrijft en waarbij een gitaarbegeleiding volstaat. “Laat de bom’n nu maar zwieg’n en dat ‘t gras niets vertelt en de wind moet ‘t ook maar nie zing’n dat julder’n dood tot niets hè geteld, dat woaren al te schrik’lijke dingen.” Beide liederen gaan over de Groote Oorlog (de Eerste Wereldoorlog) in West-Vlaanderen. Dit thema zal regelmatig in zijn teksten opduiken. Daarnaast het gevoelige ‘k Zie mijn lief zo geiren en Mijn stamcafé. Het West-Vlaamse dialect viert op deze plaat nog steeds hoogtij.

Het valt ons op dat Willems muziek vol vreemde elementen zit: iets Jiddisch, iets Hongaars, iets zigeunerachtigs. Ook de jaren dat hij in het klooster gregoriaanse gezangen instudeerde, hebben op hem ingewerkt. Daar zong hij met zijn medestudenten in zijn vrije tijd zelfs negrospirituals. Willem laat de opkomst van de synthesizers en de elektrische gitaren in stilte aan zich voorbijgaan. Die moderne touch blijft op zijn platen achterwege. Hij zweert bij de accordeon, de akoestische gitaar, de saxofoon, de fluit, de mandoline en vooral de klarinet. Die klarinet is er pas na de derde elpee gekomen als een verlengstuk van zijn stem. Over zijn klassieke roots schreef Willem: “Wat heb ik jaren van mijn jong leven in ‘t duister gedoold, bijvoorbeeld Franz Schubert aanbeden, gedweept met Die schöne Müllerin en Die Winterreise: hoeveel schone liedjes heeft die ons niet nagelaten in zijn kort hevig leven! Hoe vaak heb ik Mozart niet aangeroepen in de donkere dagen. En als het mij hier allemaal te mak en te stil was, heb ik dikwijls Beethoven in huis losgelaten. Maar ik heb gedwaald, ik wist niet beter. Ik word zo langzamerhand tot het ware geloof bekeerd door mijn kinderen. Al geruime tijd had mijn zoon me gewezen op de grote begaafdheid van Mark Knopfler van de groep Dire Straits. Een tijdje nadien is Eric Clapton in ons donkere bestaan binnengetreden. Ik moet wel toegeven en met enige schaamte bekennen dat ik, zodra de kinderen het huis uit zijn naar school of naar een of andere thé dansant, stiekem de kwartetjes van Haydn beluister of nog maar eens mijn geliefde monniken van Chevetogne opleg.

Het optreden en het podium zijn Willems maîtresse. Van Jules de Corte leerde hij: “Het enige dat je op een podium moet doen, is zeggen aan de mensen wie je bent. Zeggen waar je blij mee bent, waarom je verdrietig of kwaad bent, zeggen aan de mensen waar je vandaan komt, wie je vader was en wie je moeder. Dan wordt het niet meer gewoon optreden, dan wordt elk concert ergens s avonds naartoe gaan.” De mensen zuurstof geven is op dat moment de boodschap. Zingen is voor Willem in contact treden met zijn publiek. Johan Verminnen zegt daarover: “Vermandere is geen zanger, Vermandere is theater. Dat is puur vermaak. Je hoort die man live aan het werk te zien om hem te leren waarderen. Hij is zoveel meer dan een zanger die cd’s volzingt.” Op dat podium kent Willem zijn beperkingen. Hier weet hij precies tot hoever hij mag en kan gaan! “Dat is mijn biotoop“, zegt hij, “hier ben ik heer en meester. Hier weet ik precies wat ik kan. Hier werk ik met bescheiden middelen, wetend dat je met één goed verhaal een zaal van duizend toehoorders aan je kan binden. Eigenlijk ben ik, net als Raymond van het Groenewoud, een timide man. Alleen op het podium hebben wij een grote bek. Een podiumartiest moet volgens mij een introvert leven leiden, een rijk leven vanbinnen, met literatuur, poëzie, museumbezoek, diepe vriendschappen, maar op het podium moet hij ontploffen. Ik vertel graag aan de mensen, de gekste dingen eerst!

In de hem zo eigen stijl schreef Vermandere de voorbije decennia liedjes die intussen echte Vlaamse klassiekers zijn geworden. Liedjes als Kasteel van schelpjes en zand en het haast onafscheidelijke Lat mie maar lopen (1981), dat hij samen met Guido Desimpelaere schrijft. De inspiratie voor dit lied had hij maar op te rapen. Op zekere dag trok hij naar Wallonië om daar arduin aan te kopen. Hij vertrekt rond een uur of elf via Wetteren en Geraardsbergen zo naar beneden. Rond de middag stopt hij langs de autosnelweg aan een baancafé en wordt daar aangesproken door een aantal jonge mensen, computerspecialisten, die op weg zijn naar een vergadering in Brussel en die Willem benijden omdat hij zo’n vrij leven kan leiden daar in de Westhoek. De dingen doen die zij zo graag zouden doen: werken in de tuin, liedjes zingen… ‘k Moest heel mijn jong leven studeren en k wierd computerspecialist. k Kost het zodanig programmeren totdak van toeten noch blazen ni meer wist.” Ook al vinden we dit nummer niet terug in de Vlaamse Top Tien en Top Dertig, toch wordt het een regelrechte radiohit en zal het de jaren nadien in diverse verzoekprogramma’s blijven opduiken.

“Lat mie maar lopen” is de titelsong van het gelijknamige album dat in 1981 op het Philips-label wordt uitgebracht, samen met liedjes als De bomen, Chance dat ‘t regent, Mijn huis en het prachtige Voor Marie-Louise, dat vaste prik zal worden tijdens de optredens van Herman van Veen.

In 1984 pakt Willem uit met dertien nieuwe liedjes op het album “Als ik zing”. Liedjes als Reintje, De schepping, Mijn land, Krullebolle en het opgewekte Ballade der antiquiteiten: “Als g’ ooit bie nachte mijn huis binnendringt en mijn erf komt rondgeslopen, gekronkeld u lenig deur mijn venster wringt, doe geen moeite: de deur is open, hou dan je blik goe gericht op de grond, je zoudt u lelijk kunnen stoten, de rommel slingert hier overal rond of je breekt u nog je dievenpoten.” Wie ooit bij Willem aan huis is geweest, snuift in dit lied de realiteit van zijn leefomgeving op. Ook deze keer wordt Willem bij het schrijven bijgestaan door Guido Desimpelaere. Omdat hij nog zoveel te vertellen heeft in zijn liedjes, is er in 1988 op het Philips-label de langspeler “Ik wil maar zeggen” met in het totaal twaalf nieuwe nummers, waaronder Rosy, La belle Rosselle, De ark, Sprookjes, Hei hei en Dauwderiedeine dauwderiedoe, opgenomen in de ICP Studio’s. De productie is deze keer in handen van Paul Moens.

Vermandere is een livebeest dat het moet hebben van zijn contact met zijn publiek, zoals we in 1990 te horen krijgen op het door Philips uitgebrachte album “Een avond in Brussel”, opgenomen tijdens zijn optreden in de maand maart van dat jaar in de Ancienne Belgique in Brussel. Hij heeft ze allemaal meegebracht: La belle Rosselle, Moeder Cordula, Tante Madleine en als finale Lat mie maar lopen, daarbij begeleid door klarinettist Freddy Desmedt, bassist Freddy Possenier en gitarist Pol Depoorter.

In Vermanderes liedjes valt het op dat daarin niet alleen de littekens van de twee wereldoorlogen blijven doorklinken, ook zijn herhaaldelijk ongenoegen over het almaar toenemende extremisme is aanwezig. Een chanson als Bange blankeman pleit voor meer verdraagzaamheid tegenover de gekleurde medemens. “‘k Zag Turken aan de Schelde, Marokkanen in de stad van Gent. En ‘k hoord’ op de markt van Brussel Algerijnen met een vreemd accent. In Keulen zag ik Chinezen, magere mannen uit Pakistan. In Londen sikhs van India met nen dikke tulband an. Al de kinderen van Moeder Eerde, op charango en met gamelan, ze zingen en roepen aan ons deure: doe open, bange blankeman. Vermandere schreef dat nummer nadat Jari Demeulemeester van de Ancienne Belgique hem gevraagd had een liedje over Brussel te schrijven, maar dat lukte niet. Pas nadat hij vijf dagen daar had doorgebracht naar aanleiding van zijn tournee “Een avond in Brussel”, lukt het hem iets later wel. Het wordt een protestlied tegen racisme en xenofobie. Het Vlaams Blok nam het kwalijk. Dat lied verschijnt in 1991 op single en in 1993 op het Philips-label op het album “Help mij”, tussen oktober 1992 en februari 1993 opgenomen in de ICP Studio in Brussel. Het album zet in met Beethoven, gebaseerd op Ode an die Freude uit de negende symfonie van Ludwig van Beethoven. “Alle Menschen werden Brüder, is een lied voor groot orkest, ‘t is deur Beethoven geschreven, diene mens deed ook zijn best.” Voorts liedjes als De vluchteling, het al eerder genoemde Bange blankeman, Vadertje Tv, Eiland in de tropen en de titelsong Help mij. “Met mijnen auto zit ik in de file en te voete geraak ik ook nie vooruit. In mijn dorp is ‘t akelig stille en in stad word ik wakker getuit. En mijn vest is veel te nauwe en mijn broek een peird te groot. ‘k Hè zo’n compassie met mijn eigen, help mij, help mij, ik ga hier nog dood!

Omdat zijn publiek er uitdrukkelijk naar vraagt, brengt Dureco in 1994 de verzamelaar “De eerste jaren” uit met daarop onder meer Myn mensch’n van te lande, De grote voyage, ‘k Zie mijn lief zo geiren en zijn onafscheidelijke klassieker Kasteel van schelpjes en zand. Wat het schrijven van die liedjes en zijn latere oeuvre betreft, zegt Willem: “Daar heb ik geen sigaartje, pintje bier, likeurtje of wat dan ook bij nodig. De muze bezoekt mij het liefst in de voormiddag, heel uitzonderlijk eens laat in de nacht als ik echt op dreef ben. Bij mij geen begeleidend ritueel van een pijpje of een sigaar – ik rook trouwens niet – en ook geen glas wijn of bier. Het komt bijna allemaal voort uit een vorm van improvisatie. Ik heb altijd mijn klarinetten om me heen, die zijn de kern van mijn muziek. Er zijn bijna net zoveel genres muziek als er mensen zijn. Hoeveel Bach en Beethoven ook mogen betekenen, ieder mens moet zijn eigen melodietje spelen en schrijven. Af en toe hou ik iets vast, een mooie melodische lijn bijvoorbeeld, die ik dan ook meteen noteer. Ik improviseer het liefst met mijn ogen dicht. En zo wordt er om de twee à drie maanden een nieuw lied geboren, als een soort regelmaat die in mijn chaotische leven is geslopen. Wat ik vroeger niet kon, dat was retoucheren; dat lukt me nu wel. Nu kan ik hier en daar een tekst bijschaven. Soms voeg ik aan een lied een strofe toe of zo. Pas op, het is en blijft een vak, dat schrijven. Ik daag een pak dichters uit, met Claus voorop, een liedtekst te schrijven zonder te vervallen in karamellenverzen. Het is niet makkelijk in rijmen te schrijven, want je belandt al snel in de clichés. Een tekst schrijven is en blijft vakmanschap.

Het album “Mijn Vlaanderland” verschijnt in de maand november 1995 op het Polygram-label. Vijftien tracks, waarvan drie instrumentaal, opgenomen in studio The Groove in Schelle. Begeleidende muzikanten zijn: klarinettist Freddy Desmedt, gitarist Pol Depoorter, accordeonist Frank Tomme, pianist Geert Verlinde en contrabassist Bart Caron. In zijn voorwoord in het bijbehorende boekje wil Willem dit kwijt: “Vijf dagen in september 1995. Er hingen mooie nevelslierten over Schelle toen we van ons asiel bij tante Joske en nonkel Pier naar de studio stapten. We droegen de liedjes al veel maanden met ons mee op onze zwerftochten door onze Lage Landen. Het was weer tijd om deze kinderen van onze verbeelding los te laten. Peter Bulkens legde ze vast met veel geduld en grote kunde. Uit het zuiden van West-Vlaanderen kwamen vijf muzikanten om me te helpen de grenzen van Mijn Vaderland open te trekken.” Vereeuwigd worden onder meer: Luchtkasteel, Zielepoot, Mijn vader, Anastasia, Meiske meiske, Awel merci en Runeke, dat gaat over zijn pasgeboren kleinkind. “Een liedj’ en een refrentje voor ons klein hummelke, ons onooglijk schepseltje, ons piepklein pummelke, en als het niet wil slapen, dat pierlowietje, dan zal grootvader zingen, Runekes liedje.” Runeke zal twee jaar later overlijden aan de gevolgen van een zware hersenvliesontsteking tijdens een vakantie in Noorwegen. “Die dood was moelijk te aanvaarden, maar je leert dat een plaats geven, je leert ermee leven. Je moet trachten dat een nieuwe inhoud te geven. Kijk, dat is het domein van de mystiek. Ik geloof niet meer zozeer in de theologie en de dogma’s, maar ik geloof wel in de mystiek, in de verbeeldingskracht van de mens. Ik kan dat gestorven kind terugvinden in het diepste van mezelf en in de natuur om hem heen. Op de dag van zijn begrafenis in Lampernisse stond er na een zware regenbui, pal achter de kerk, rond een uur of vier in de namiddag, een immense regenboog aan de hemel. Het regende zo hard dat we met z’n allen snel moesten gaan schuilen. Aan tafel zei iemands dat volgens de Noren een regenboog staat voor de glimlach van God. Dat raakt me diep, op zulke momenten ga je door de knieën. In die dagen ben je trowuens voor dergelijke uitspraken hypergevoelig. Je begint ook op tekens te letten. Ik zat te schrijven en er kwam een vogeltje op de vensterbank zitten. Op die momenten durf je daar een teken in te zien. Je bent zo kwetsbaar dat je nadien terugverlangt naar die momenten van intense droefenis, dat je zelfs niet weet waar je tranen vandaan blijven komen. Dat overkwam me de weken na de dood van Runeke in de auto als ik alleen wegreed van huis. Ik schreef in die periode Runeke’s litanie. Na mijn optreden kwamen de mensen vragen waar ik de moed vandaan haalde om dat te zingen, de sterkte om dat met zoveel overgave te brengen. Ik haalde daar veel kracht uit, dat gaf me extra energie. Veel mensen in het publiek vinden in die litanie troost bij het wegvallen van een van hun kleinkinderen. Dat vind ik net het mystieke aan dit lied, dat telkens als ik het zing, Runeke een beetje opnieuw tot leven wordt gewekt“, aldus Vermandere. “Runeke kon nie meer leven… Runeke in nood… Runeke, ons engeltje… Runeke is dood… Runeke onze tranen… Runeke ons verdriet… Rune kropt in mijn keele… voor Runeke dit nieuw lied… Runeke lachend ventje… Runeke deugeniet… Runeke zotte mutse… Runeke suskewiet.” We vinden dat lied terug op de eind 1997 uitgebrachte cd “In de donkerste dagen”, een cd vol winterse sferen en met een knipoog naar kerst. Kyrie Eleison, Sneeuwland en Kerstdag sieren de plaat. Op “Mijn Vlaanderland” staat ook het instrumentale nummer Schoorbakkebrug dat een paar jaar later zal gebruikt worden als beginwiisje van het Radio 2-programma “Café Chantant” op de maandagavond.

In 1999 pakt Willem uit met “Onderweg”. Uiteindelijk zal het album een tijd later met goud worden bekroond. Naast de titelsong liedjes als Vive le roi, Willems testament, De snelweg, Morgen in de Moeren en Tokkeldingske. Ingeblikt wordt er gewoontegetrouw in studio The Groove in Schelle met ook nu weer Peter Bulkens aan de knoppen. Op de website “Het Belgisch Pop en Rock Archief” lezen we: “‘Onderweg’, de titel van de cd, is het thema en de boodschap van het verhaal dat deze levensgenieter op weg naar de zestig jaar ons hier voorschotelt: gaande van het onderweg-zijn tussen leven en dood (in De laatste dag - Ne mens ga nie dood op dien laatsten dag, met sombere klokken en rouwbeklag, misschien overleed ie al zonder geween, nauwelijks merkbaar zoveel jaren geleen‘), van de zigeuner in ieder van ons (‘onderweg ben je nomade, soepel plooiend speels van geest, je geeft u over aan de genade, je wordt vrij en onbevreesd, want je botste met tegenstrevers, elkendeen zegt zijne zeg, leer geduldig incasseren van tegenliggers onderweg‘) of van de honkvaste die zich verwondert over de anderen die onderweg zijn (De snelweg). Maar ook in de kwistig rondgestrooide instrumentale nummers is deze cd voortdurend onderweg. De groep van Vermandere toont zich immers meester in het mengen. Van Griekse bouzouki tot Spaanse gitaren, van Slavische weemoed tot oosterse soberheid… in de warme muziekinstrumenten klinken invloeden door vanuit alle wereldhoeken… ‘Op mijn zestigste ga ik het niet meer in het buitenland maken, of geen nieuwe dingen meer uitvinden, maar ik kan wel mijn eigen ding verder gaan uitfilteren, puurder maken’, hoorde ik hem pas zeggen op tv. ‘D’r is nog ruimte, d’r zitten nog overtollige hoekjes en kantjes aan, de schaaf is nog niet overal gepasseerd… maar hij nadert.” In een voetnoot schrijft Willem in het bijbehorende cd-boekje: “De mensen vragen dikwijls: ‘Hoe lang doe je dat nu al en wat zijn uw plannen?’. Onderweg stel je geen vragen over hoe lang nog en waarom. Onderweg ben je zigeuner, je reist verder en je ziet niet om.

Op het Universal-label is er in 2000 de cd “Gezangen uit de ark” met als hoeskeuze een schilderij, olie op doek, van de hand van Willem zelf, net zoals de teksten en de muziek. Op de hoes staat gestickerd “Willem Vermandere – De weemoedige liedjes”. Aanvullend schrijft hij in het bijbehorende cd-boekje: “Liedjes schrijven, dat doe je moederziel alleen, thuis aan tafel, bij het raam, dat uitkijkt over de polders, met uw hoofd tussen de zware wolken (of zijn het donkere bloemen?). Hier waait eeuwig de wind ‘geboren boven de wijde oceanen’, hier is verder niets dan leegte, hier moet je uw heviger wereld zelf verzinnen. Ik geef graag toe: zingen is altijd een beetje vluchten, zingen, dat is in een ark gaan wonen. Ik kan het niet helpen. ‘t Is de schuld van die donkere bloemen rond mijn hoofd, maar dit zijn vijftien weemoedige gezangen uit de ark.

Datzelfde jaar is er op het Mercury-label, verdeeld door Universal, de verzamelaar “Van Blanche tot Blankeman”, de tot dan toe beste liedjes van Willem, geperst op één cd: “Een keuze van achttien liedjes, van dertig jaar verre, van deze baardman, die weleens schart aan zijn verstand, die tokkelend en zingend met zijn trawanten-muzikanten zijn weg zoekt door deze Lage Landen, ooit vertrokken met peird en karre vanuit de oude moedertaal van het dorp langs de Leie, zwervend langs de soldatengraven van de Westhoek, langs Elverdinge tot diepe in Frankrijk, met spotternij en tederheid om het eigen zotte en zalige Vlaanderland, die op zijn weg zelfs Pietje de Dood ontmoet, maar dankzij die bril op die balke weer tot leven gewekt wordt, totdat hij zelfs een vriendelijk lied gaat zingen voor Turken en Marokkanen. Een lange weg, mogen we wel zeggen, van Blanche tot Blankeman.” Wie goed luistert, merkt dat naarmate Willem zijn heimatgevoelens in zijn liedjes loslaat, zijn taalgebruik anders klinkt. Hij laat zijn dialect meer en meer los en gebruikt een soort Algemeen Nederlands, met een West-Vlaams accent gezongen. Vandaar dat hij ook niet meer geklasseerd wil worden als een dialectzanger. “Laat mij maar het kleurtje en het nestgeurtje van mijn afkomst!“, zegt Willem in de loop van onze babbel. Als we vragen of hij sinds zijn eerste plaat tot nu geëvolueerd is, antwoordt hij gevat: “Neem eens mijn verzamel-cd Van Blanche tot Blankeman uit 2000 bij de hand en luister eens aandachtig naar al die teksten. Liedjes variërend van Blanche en zijn peird over La belle Rosselle en Luchtkasteel tot en met Sprookjes en Bange blankeman. Teksten over het romantische dorpsleven en mijn echte stellingname: dat ik opensta voor het nieuwe leven. En vergeet vooral niet tussen de regels te lezen en te luisteren. Met die titel, met dat album heb ik ongeveer alles gezegd. Het is een en dezelfde man die dit schrijft en zingt: over zijn liefde voor zijn heimat, zijn taal. Met daarnaast een wijde blik op onze wereld, wetend bijvoorbeeld dat we met moslims zullen moeten leren samenleven. We zitten niet voor niets met de daver op ons lijf. Onze westerse cultuur maakt bange dagen door. Kijk, eigenlijk zou ik mijn mond moeten houden. Ik krijg dit beter gezegd in mijn liedjes. Daarom geef ik niet zo veel interviews. Elk interview is een liedje dat je kwijt bent. Als ik nu met jou te veel verstandige dingen ga zeggen, dan slaat de muze op de vlucht. Ik moet tijdens zo’n babbel te rationeel uit de hoek komen. Het voelt aan alsof ik me moet verantwoorden over mijn doen en laten. En uiteindelijk moet ik toegeven: ik weet het niet.

Ook al is Willem een geboren verteller, een man die geen blad voor de mond neemt, toch kan hij die mond soms goed gesnoerd houden en geeft hij op een instrumentale cd toe dat woorden hem al eens tekort kunnen schieten, zoals in 2002 op het album “Omzwervingen – Liedjes zonder woorden”. In de studio nemen ze hun tijd, want ze trekken tussen juni 2000 en januari 2002 meermaals richting Schelle om daar in te blikken. Vermandere zit soms met zoveel ideeën opgescheept dat hij die niet allemaal in woorden kan vatten. Dan krijgen de instrumenten het (voor)recht om te spreken. De dertigste maart 2002 verneemt Willem dat hij met “Omzwervingen – Liedjes zonder woorden” tot op de dertiende plaats van de Ultratop Album 200 is geraakt. Liedjes als Bij volle maan, Elégie pour un peintre naïf, Zomeravond in de Barke, Donker land en Diepe adem sieren dit album. Vermandere verklaart: “Soms zijn de woorden moe en de rijmen uitgeput, in die dagen speel ik klarinet of op zo’n simpel blikken fluitje uit Ierland. Dit is mij het dierbaarst: improviseren met een voetpedaalorgel in de diepte. Verdriet en zottigheid, mijn omzwervingen langs de bloeiende koolzaadvelden in Frankrijk, ici tout près, het heimwee naar mijn gestorven broer, zelfs een eenzame knotwilg in ons donker polderland, ‘t wordt allemaal muziek.” Zo’n instrumentale plaat moet kunnen volgens Willem. Zijn beeldhouwwerken staan zijn liedjes toch ook niet in de weg. In het boekje dat bij de cd hoort heeft hij een apart woordje van bewondering over voor zijn muzikanten (Frank Tomme, Freddy Desmedt, Pol Depoorter en Bart Zegers), die op deze plaat een speciale rol spelen. “De muzikanten, mijn eeuwige reisgenoten, dat zijn kunstschilders, virtuoze garnierders, artiesten, die het huis dat ik gebouwd heb, opfleuren en bemeubelen, die het beeld dat ik gesneden heb, stofferen en feestelijk polychromeren.” Willem laat tussen de regels tijdens een paar interviews horen dat hij niet begrijpt dat zijn platenfirma dit album niet in Wallonië en Frankrijk uitbrengt. Zijn Waalse vrienden, dat weet hij, zijn er gek op.

In de maand september 2002 is er op het Mercury-label de verzamelaar “Omda’k geiren leve”. Willem zingt er onder andere over God & Co, Vadertje Tv, Paris-Dakar en De matrozen.

In 2003 klimt Willem de negenentwintigste maart naar de tweede stek in de Ultratop Album 200 met het album “Op den duur”, de hoogste notering die hij ooit in zijn carrière zal optekenen. Het album wordt tussen oktober 2002 en januari 2003 ingeblikt in studio The Groove in Schelle en de zesentwintigste februari gereleased en blijft vervolgens zestien weken in die lijst genoteerd. De cd wordt ingevuld met songs als Courage en patiëntie, Eigen God eerst, De scanner, De kluizenaar en Winter. Tijdens de opname krijgt Willem de muzikale steun van Bart Zegers, Frank Tomme, Freddy Desmedt en Pol Depoorter. “Op den duur kan je niet meer zonder, wordt alles muziek. Op den duur rijm je op instortende torens, op je broer die sterft, op je eigen krakend karkas onder de scanner. Omdat ik het ook niet weet waar het met de wereld naartoe moet, verzin ik maar wat vooizekes en verhalen“, aldus Vermandere. Voor hem is de sfeer in de studio erg belangrijk. Hij moet er zich thuis voelen en dat doet hij al jaren in The Groove te Schelle met aan zijn zijde technicus Peter Bulkens. “Dat waren weer schone dagen daar in Schelle“, vertelt hij in verband met de opnamen. ‘s Middags was er ciabatta met smos en ‘s avonds kookte tante Joske al het lekkers uit nonkel Pier zijne lochting. Daar kwam plots een bende geestig Antwerps volk binnenvallen, het koor Frappant.”

Willem Vermandere voelt zich, naarmate zijn zangcarrière vordert, almaar meer thuis in het schrijven van liedjes. Hij is daarin ook erg productief. “Ik ben een gedreven mens. Ik ben een mens die dingen moet kunnen maken. Ik moet altijd kunnen creëren. Ik ben met muziek bezig, beeldhouwen, tekenen. Ik leef in een permanente vorm van chaos. Ik doe het niet voor het geld, maar om dit leven heviger te beleven, zo intens mogelijk. Ik merk dat ook aan het werk van Picasso. Die moet erg hevig geleefd hebben. Of iemand als Michelangelo. Ik heb dat ook met mijn optredens. Ieder concert dat ik geef, is een avond die niet meer terugkomt.” Tijdens dit gesprek neemt Willem plots zijn klarinet ter hand en verzint ter plekke een nieuwe melodie. Tekstueel heeft hij de klappen van de zweep ook almaar beter in de vingers gekregen, al geeft hij toe dat hij dikwijls met het rijmboek naast zich aan een nieuwe song begint. “Als ik verlegen om een woord zit, schuilt in dat rijmboek vaak de oplossing. Ik tuimel als het ware, dankzij dat boek, van het ene woord in het andere. Ik begin gewoon met een losse gedachte, een losse zin, en vertrek van daaruit, om te eindigen met een woord of een zin die ik vooraf nooit voorzien of verwacht had. Een lied is geen concept dat je op voorhand uitwerkt. Ik beschouw die rijmelarij als een soort lawine van woorden die losbreekt. Het ene woord voert je naar het andere. Op dezelfde manier begin ik aan een nieuw beeld. In eerste instantie aangegrepen door de natuurlijke vorm van die steen. De rest komt bijna als vanzelf.”

Hoe vreemd het misschien mag klinken, maar de recente albums van Willem Vermandere haalden alle moeiteloos de hitlijsten. Gouden platen hoef je bij hem thuis echter niet te zoeken, die staan op zolder of zijn intussen ingepalmd door zijn twee zonen en twee dochters. De laatste jaren heeft Vermandere een geestverwant gevonden in zijn Waalse evenknie Jules Beaucarne, wat resulteerde in een aantal aantrekkelijke liedjes en voorstellingen. Herman van Veen dweept ook al een hele tijd met onze Vlaamse bard en voelt zich niet te beroerd om enkele van Willems liedjes in zijn theaterproducties op te nemen, zoals Voor Marie-Louise, dat we ook horen op het album “Solozeiler” van Johan Verminnen. Hij zingt dit liedje in duet met Willem: Johan in het Frans, Willem in zijn eigen taal. Samen treden ze regelmatig op, ook in Nederland. Zo blokletterde een Nederlandse krant kortelings: “Twee zingende vogels, gebekt in dezelfde Vlaamse tuin“. Ook al gebruikt Willem bij onze noorderburen zijn oer-West-Vlaamse woordenschat, toch komen de Nederlanders hem achteraf zeggen: “Wat gebruik je toch mooie woorden!” Als geen ander weet Willem zijn liedjes op zijn publiek te projecteren en het is dat wat ze zo verstaanbaar maakt. Voor iedereen, dus ook voor Nederlanders!

Bij al dat zingen mogen we niet uit het oog verliezen dat Willem zich ook als beeldhouwer heeft geprofileerd: begonnen met hout, maar vanaf 1970 veel bezig met steen. Wanneer hij de zestig gepasseerd is en merkt dat zijn knoken niet meer zo mee willen en het werken met steen wat zwaar valt, schakelt hij deels over op het smeden van ijzer. Daarnaast maakt hij ook graag grafiek en schildert hij met de nodige passie. We kijken even vreemd op wanneer hij ons in verband daarmee vertelt dat hij ooit zijn dierbare Vlaanderen heeft willen verlaten. Gewoon even de grens over richting Bourgogne. Hij zag dat lange tijd wel zitten, een huis zoeken in zo’n roerloos dorp, dicht bij de steengroeven. Daar zou hij werk vinden in een restauratieatelier als anoniem ambachtsman. In zijn boek “Thuis en nog veel verder” (uitgegeven in 2000 door Scoop, Var en Roularta Books) lezen we daarover: “We hebben er in Meulson ooit de mooiste vakantie van ons leven beleefd. Nog nooit heb ik zo intens gewerkt als in die weken. Een paar kisten vol hamers en beitels, zelfs de diamantzaag en de takel die duizend kilo kan heffen, alles in de auto. Met pak en zak, muziekinstrumenten en een vrachtje boeken, weg van hier, om uit te zomeren in la douce France. Bij boer Gelot hadden we een gîte gehuurd, een opgekalefaterd middeleeuws huisje in een dorp, gelegen op een heuvelflank. Een tv-toestel heb je er ‘s avonds niet nodig. De nacht zien vallen over de beboste heuvels, daar kan geen talkshow tegen op.”

Een van Willems bestverkochte cd’s is “Van soorten”, die de twaalfde november 2005 de Ultratop Album 200 binnenduikt en postvat op de zevenentwintigste plaats. In de lijst met Belgische albums zelfs op de negende. Zestien liedjes in het totaal, onder meer Eigen benen, Met trage tred, Tsunami, Priet pret prot en Muziek. Vermandere geeft ons op de binnenflap nadere tekst en uitleg: “Er wonen van soorten zielen in mijn vel. Daar is de honkvaste beeldhouwer in zijn afgelegen polderdorp en daar is de zwervende theatermens met zijne santenboetiek van gitaren en klarinetten. Daar is een zanger die vloekt, een zanger die bidt. Maar ‘t is ook een halve onnozelaar, een prietpretprotrijmelaar die graag een pint drinkt in ‘t dorpscafé, maar even graag moederziel alleen, met zijn ogen dicht, zit te improviseren op klarinet en voetorgel. Wat ben ik zotcontent als de muzikanten binnenvallen: Pol en Freddy, mijn eeuwige reisgezellen, hier nu ook nog Frank, Arne en Philippe, om mijn muziekjes nog heviger te doen leven.” Op de website folkroddels.be lezen we over het album “Van soorten”: “Willem bezingt alledaagse onderwerpen. In de titelsong van de cd heeft hij het over alle soorten mensen: met stekkers, met of zonder haar, dik of dun, geel, rood, zwart of blank. Een tweede nummer vertelt een verhaal over muziek: ‘muziek in de straten, muziek in ‘t café, in auto’s en moto’s, muziek op de plee…’. Willem vertelt waar en wanneer je overal muziek kan horen. Ik kan niet zeggen dat ik de teksten echt eenvoudig vind, maar Willem maakt gebruik van eenvoudige bewoordingen, wat de teksten tot een mooi geheel maakt. De verscheidenheid aan onderwerpen toont dat ‘Van soorten’ zielen in Willems lichaam huizen. Van een honkvaste beeldhouwer in een afgelegen polderdorp over een zwervend theatermens met zijn veelheid aan instrumenten tot een vloekende en biddende zanger.

In 2006 verschijnt er op het Universal-label “Altijd iemands vader, altijd iemands kind”. In zijn vertellingen en liedjes schetst hij het leven met zijn zoet en zuur. De rode draad van het album vormen de twee wereldoorlogen. Vooral de Eerste Wereldoorlog liet diepe sporen na in België. Door middel van prachtig klarinetspel, liedjes en in West-Vlaams dialect vertelde anekdotes uit Vermanderes herinneringen aan overleden soldaten en hun nabestaanden, de smerige loopgraven en bloedige veldslagen. Een hedendaagse boodschap zit verpakt in Mijne Jezus is ne Jood, waarin de idealist zich met een knipoog verzet tegen racisme en onverdraagzaamheid. “In de westhoek van Vlaanderen wonen en niet van den oorlog zingen, dat kan niet. Hier zit elk huis nog vol verhalen van veertien-achttien en ook van ‘dien tweeden’. Wandel langs de kerkhoven, die littekens in ons landschap, lees de namen van al dat afgeknakt jong leven. Die waanzin zullen we nooit begrijpen. Laat mij bidden en blindelings klarinet spelen en vertellen van Lampernisse tot Aubréville over Argentinië. Pelgrimeer met mij mee van Verdun naar Vladslo, van Ieper naar Diksmuide. Kniel neer in Flanders Fields en beklim de IJzertoren en kijk uit over onze rusteloze wereld. Hoor hoe de wind klaagt over dit vlakke land. Hier moet je wel zingen. Hier mag je zelfs een vuist maken ten vrede“, dixit Willem. Met dit album staat hij de dertigste september op de zevenendertigste plaats in de Ultratop Album 200.

De tweede november 2009 is Willem te gast in theater “De Mythe” aan het Bleekveld in het Nederlandse Goes. Hij brengt er zijn avondvullende programma “Liedjes en vertellementen”, waaronder In Ieper, Trafiek, Onderweg en Oud moederke. De zevenentwintigste november ligt dit optreden op dvd in de winkel. Willem schrijft: “Voor mij alleszins een zalige avond in Goes, ginder noordwaarts in het zuiden. Kijk maar, ons hemdje is gestreken en onzen baard is gekamd. Samen met mijn muzikanten-trawanten heb ik mij daar gejeund bij dat Zeeuwse zeevolk.

Wanneer Willem in 2010 zeventig wordt, brengt hij het album “Alles gaat over” uit. In het totaal vijftien gezongen liedjes en het instrumentaaltje Fluîtje-perluîtje. Muzikaal krijgt hij in de studio de steun van Bart Caron, Frank Tomme, Freddy Desmedt, Mario Vermandel en Pol Depoorter. Vermandere heeft speciaal voor dit album een nieuwe versie opgenomen van zijn klassieker Voor Marie-Louise. Op dit album neemt hij in enkele liedjes afscheid van een goede vriend, een broer én een kleinzoon. Ook al klinken de liedjes van Willem simpel, qua inhoud blijven ze ons raken. In de nieuwe versie van Arme Jezus komt nog maar eens het thema religie aan bod. De twintigste februari 2010 klimt Willem met deze cd naar de zesde plaats in de Album Top Vijftig en naar de tweede stek in de lijst met Belgische albums. Met zijn gelijknamige programma “Alles gaat over” zal hij de jaren nadien vaak Vlaanderen aandoen. In de programmaboekjes lezen we: “Nog steeds met een scherpe kijk op de zotte wereld, een knipoog en een glimlach, nooit bitter of ontgoocheld, eerder ontroerd over de kleine dingen van elke dag, en toch soms verstoord over de gang van zaken in de wereld rondom. Als een eeuwenoude boom, met zijn wortels stevig in de grond en zijn armen reikend naar de hemel, verankerd in het leven, verbonden met de voorvaders, dromend van de kinderen van morgen. ‘t Zijn liedjes en oerelementen van zottigheid en tederheid, van ergernis en verrukking om onze wereldbol. De refreintjes zijn er om mee te zingen. En voor al wat ze niet gezegd krijgen, spelen ze muziekjes. O ja, ‘Alles gaat over’ mag je zijn programma noemen… maar de passie voor het zingen zelf, dat gaat niet over. En als hij er geen woorden meer voor heeft, dan blaast hij heel weemoedig en ingetogen op zijn fluitje-van-een-cent, recht uit zijn hart en gedragen op zijn eigen levensadem. Zoals oude wijn… met de jaren steeds maar beter en beter. Na (te) veel jaren afwezigheid en op vraag van velen, eindelijk terug op het podium: Willem Vermandere en zijn driekoppige begeleidingsgroep.

Een degelijke notering in de hitlijsten zit er in 2012 in voor de dubbele verzamelaar “De zanger & de muzikant”, een overzicht van zijn grootste gezongen én instrumentale nummers. In het totaal goed voor zevenendertig liedjes en de vijfde mei voor een twaalfde plaats in de Ultratop Album 200. We kunnen nog eens genieten van Blanche en zijn peird, Kasteel van schelpjes en zand tot en met Moederziel allene en Knuffelke.

Twee jaar later ligt het album “Den Overkant & De Meditaties” in de etalage. Het album valt zo goed in de smaak dat het eenentwintig weken na elkaar in de hitlijsten genoteerd blijft. De vierde oktober piekt de cd op vier in de Ultratop Album 200. Het album is over twee cd’s verdeeld: “Den Overkant” en “De Meditaties”. Willem zingt over Moslims, De zondvloed, Kinderklarinetje, Later en Miserere. We kunnen zelfs genieten van ‘n Willems Walske. In Gazet van Antwerpen lezen we hierover: “Op ‘Den Overkant’ is de muziek ondergeschikt aan Willems verhalen, waarin het bekende mededogen met de minder fortuinlijke medemens opnieuw figureert. Met opvallend veel humor kijkt Vermandere naar de wereld en zichzelf: hoe wij ons voorbereiden op de zondvloed, hoe onze botten beginnen te kraken, hoe hij in de naburige Dreamland-vestiging vergeefs op zoek gaat naar het speelgoed van zijn jeugd. ‘De Meditaties’ zijn instrumentale mijmeringen op de klarinet: mooie improvisaties als woordeloze gebeden, poortwachters naar een nacht vol melancholie.

Vrijdag de twintigste april 2012 is Willem Vermandere de centrale gast tijdens Nekka-Nacht in het immense Antwerpse Sportpaleis. Het Nieuwsblad meldt: De kleinkunstenaar en chansonnier Willem Vermandere werd door de organisatie unaniem uitgekozen als centrale gast voor Nekka-Nacht 2012. Het idee om hem te vragen, spookte al jaren door ons hoofd, zegt organisator Koen Huygebaert, maar telkens dachten we dat de intimiteit van Vermanderes muziek niet zou passen in de gigantische hal van het Sportpaleis. De hele programmering volgt dezelfde intimistische en rustige stijl van Vermandere. De vorige jaren waren we meer in het genre van de rock beland, met groepen als Thé Lau en Clement Peerens Explosition, zegt Huygebaert,maar eigenlijk was dat niet ideaal voor een Nekka-publiek. Er is opnieuw nood aan authenticiteit en pure muziek. Willem Vermandere past perfect in dat plaatje.

Vermandere zal voor de gelegenheid putten uit zijn repertoire, samen met de tachtigkoppige Koninklijke Harmonie Ypriana. Naar goede gewoonte mag de centrale gast een aantal speciale muzikanten uitnodigen. Met Raymond van het Groenewoud en Yevgueni brengt Vermandere twee oude bekenden naar het Sportpaleis. Yevgueni staat voor een moderne heruitvinding van de kleinkunst. Liesbeth List heeft met Vermandere vele keren het podium gedeeld, maar ondertussen de muziekscene definitief vaarwelgezegd. Op vraag van de centrale gast komt ze nog een allerlaatste keer optreden. Een persoonlijke vriend van Vermandere, de Gentse muzikant Mustafa Avsar, komt dan weer een nieuw project voorstellen.”

Wanneer Willem in 2015 vijfenzeventig wordt, maakt zijn vriend journalist Manu Adriaens een selectie uit de vele brieven die Willem de voorbije vijfentwintig jaar schreef aan vrienden en kennissen die hij niet vaak ziet. Om zijn gedachten op een rijtje te zetten en contact met hen te houden, zijn die brieven voor hem ontzettend belangrijk en een nuttig tijdverdrijf tussen de optredens en het beeldhouwen door. “Volle dagen” verscheen bij uitgeverij Lannoo.

De dertigste oktober 2015 verschijnt op het Universal-label het album “14-18 En Wat Nu?” met daarop drieëntwintig liedjes en vertellingen. Liveversies van onder andere Ieper en Schone stad. Een jaar eerder trok Willem al door Vlaanderen met een gelijknamige voorstelling, waarvan dit album een liveregistratie is. Hij zingt al zijn hele leven over “De Groote Oorlog”, die dan honderd jaar geleden in zijn geboortestreek plaatshad. Als eerbetoon, als innerlijke toewijding aan zoveel leed en onvermogen van de gewone man, brengt hij deze voorstelling ter nagedachtenis van deze vreselijke oorlog. Willem zingt niet alleen, maar vertelt, musiceert en prevelt, aangevuld met instrumentale stukjes en wat klassieke mijmeringen. Samen met zijn vaste muzikanten en het Talbotstrijkkwartet tekent hij voor een sober concert, een authentieke meditatie rond de Eerste Wereldoorlog en de universele betekenis ervan. Vermandere trekt ermee naar de theaters. Dries Delerue schrijft daar het volgende over: “Voor deze reeks optredens werd hij niet alleen begeleid door zijn vaste muzikanten Freddy Desmedt, Pol Depoorter en Bart Caron, maar ook door een strijkkwartet dat voor die gelegenheid werd samengesteld door Wiet Van de Leest . Van de Leest arrangeerde en speelde viool, net als Aurélie Dorzée en Natalie Glas. Claudine Steenackers bestreek de cello. En de inbreng van het ‘Talbotstrijkkwartet’, zo werd het genoemd, maakt deze Vermandere-cd nog meer bijzonder. Ruim een uur en een kwart laat deze schijf liederen en vertellingen horen die met oorlog te maken hebben. Het programma vangt aan met een mooie instrumentale inleiding op De Schepping, een verhaal op rijm. De liederen worden enkele keren afgewisseld met een instrumentaal nummer, onder meer In t Heuvelland en Fluîtje-perluîtje, of met een vertelling. Bijzonder en erg aangrijpend is het verhaal over de familie van Captain Frith die op zoek is naar diens graf op het kerkhof van Steenkerke, het dorp waar Vermandere woont. Een stukje Uit Streuvels Oorlogsdagboek vertelt ook over de toestanden in die Groote Oorlog. En het zou Vermandere niet zijn als humor zou ontbreken. Het stuk Oorlogsjargon is een aaneenschakeling van leuke volkstaal uit die oorlogstijd. Er was al een cd van Vermandere rond zijn oorlogsliederen, maar deze recente met liveopnames is een niet te missen schijf. Zelfs voor wie al lange tijd van Vermandere houdt, houdt ze nog verrassingen in.

De twintigste september 2016 brengt uitgeverij Lannoo het boek “Altijd iemands vader, altijd iemands kind – Mijn oorlogsverhalen” op de markt met daarin liedjes, teksten en tekeningen van zijn levenslange oorlog. Willem lokt zijn lezers als volgt: “Dit moet mijn allerverste herinnering zijn, ik was drie jaar oud en heel ons huis in de Striepstraat in Lauwe daverde en vader vluchtte met mij in zijn armen te vierklauw, drie treden in éne keer, naar de kelder. Een matrasje boven de patatten. Moeder zat daar ook al met klein broertje op hare schoot, wees gegroet Maria vol van genade… boem… weer een nieuwe ontploffing. Als kind slaap je algauw weer voort. Zoveel jaren later hoor je vertellen dat ze Kortrijk gebombardeerd hadden in die dagen en dat er zoveel mensen dood waren. Engelse bommen waren het, hoe is dat mogelijk! We hebben het overleefd, maar de angst is blijven zitten ergens diep in ons zieltje. De oorlog was al lang voorbij, maar als er een vliegtuig passeerde, dan kropen mijn oudere broer Walter en ik nog altijd doodverschrikt onder de keukentafel. Leven, dat is gevaarlijk, leven, dat is in oorlog zijn, dat is altijd waakzaam zijn en als de sirenes loeien, moet je wegvluchten naar de diepe kelder.

In 2017 staat Willem vijftig jaar op de planken. Door de bank word je dan in de bloemen en extra in de kijker gezet. Vermandere is daar de man niet naar en zit daar zeker niet op te wachten. Aan het tijdschrift Primo vertelt hij daar in de maand november 2016 het volgende over: “Die knoop heb ik snel doorgehakt. Voor mij hoeft dat allemaal niet meer, laat dat maar geruisloos passeren. Drie jaar later word ik dan tachtig en is het weer van dat. Wat heb ik nog te vertellen? In alle luwte optreden, dat is meer dan genoeg. De hoofdzaak is dat ik nog altijd productief ben en mezelf voortdurend probeer te vernieuwen. Dat is veel belangrijker dan al die oude liedjes voor de zoveelste keer met een andere bezetting opnemen om weer in de gunst te geraken van alle programmatoren en dergelijken. Nee, laat het uit.

Vrijdag de veertiende juli 2017 schittert Vermandere nog maar eens tijdens de Gentse Feesten. Speciaal voor hun website en ter promotie schrijft hij: “Ik kan het zelf moeilijk geloven, maar ik toer al vijftig jaar rond met mijn liedjes en vertellementen. Ja, daar was in den beginne (en nog altijd) wat heimwee naar dat gezellige dorp van mijn kinderjaren, tot je de gruwelijke soldatenkerkhoven van 14-18 gaat bezingen, en omdat je overtuigd bent dat er geen weg terug is voor de bange blankeman, bots je. Je botst zelfs op God en zijn vertegenwoordigers in Rome, maar met veel humor en veel muziek wordt een avond in het theater toch een feest. Gelukkig zijn daar de muzikanten-trawanten. Hoor hoe de snaren trillen en de klarinetten donkere verhalen vertellen. Kom zanger, ge hebt misschien nog jaren voor de boeg… laat de rijmsels rustig rijpen. Schrijf en zing maar voort tot in uw stokouden dag. Dit weet ik al vijftig jaar…: zingen houdt u jong, zingen verlost, zingen is zot, zingen is durven, zingen is bedroefd zijn, zingen is blij zijn, zingen is zeer hevig leven.”

Vermandere is en blijft een bijzonder mens: een filosoof, een begenadigd zanger, een verteller, een beeldhouwer, een schilder. Ze leven in perfecte harmonie met elkaar. Al wat hij niet onder woorden gebracht krijgt, kan hij kwijt in zijn beelden en schilderijen en ook andersom. Hij voelt zich nauw verwant met de dichter Pablo Neruda, die in de film “Il Postino” aan zijn vriend de postbode zegt: “Poëzie is eigendom van de dichter, poëzie is eigendom van de mensen die ze nodig hebben.” “Dat is de taak“, zegt Willem, “voor alle bedienaars van het woord: het mensdom troosten in dit tranendal. Mensen helpen als ze het zelf niet meer zien zitten. Wij kunstenaars moeten durven mensen een geweten te schoppen.” In zijn boek “Thuis en nog veel verder” schrijft hij: “In feite weet niemand van mijn onmacht en mijn twijfels en mijn lust tot luiheid, dat ik er toch zo graag regelmatig mijn voeten aan zou vegen en liever zorgeloos in ‘t café zou gaan zitten aan de hoek van de toog, en kijken en luisteren naar de mensen en langzaam drinkend versuffen en wegzakken in een onbekommerde gelukzalige toestand, gelijk mijn simpele dorpsgenoten die er zo gelukkig uitzien en zoveel plezier beleven aan het kaartspel. Op de wereld arriveren met een paar talenten is een geschenk van goden, maar ‘t is evenzeer een kwelling, want gij zult geen dag rust meer kennen, gij zult nooit meer tevreden zijn met het open- en toegaan van de dagen, ge zult met woorden, klanken, kleuren en vormen een heviger wereld willen scheppen.

 

Als het van Willem afhangt, wil hij nog zo lang mogelijk blijven optreden, om de mensen zuurstof te blijven geven. In een interview naar aanleiding van een van zijn vele optredens lezen we: “Een dichter kan rijmen en metaforen verzinnen en beeldspraak, waardoor hij de mensen zuurstof geeft. Een artiest komt binnen bij mensen die in het donker zitten, deuren en ramen en gordijnen dicht. En die artiest komt binnen en zegt: ‘Maar mensen, het is daglicht!’ en schuift de gordijnen open, langzaam – en zie – het is klaar buiten, de zon is er en de artiest doet het venster open, zuurstof! En dat is wat we moeten doen: zuurstof en licht en klaarte geven aan mensen die het niet meer zien zitten. Dat gaat niet zomaar hocus pocus, maar als artiest heb je een metier om woorden neer te schrijven, om verzen te maken, om ideeën op een ludieke of op een stoute manier te formuleren. Ze herkennen zichzelf in hetgeen je daar staat te zeggen en te zijn. Dat is wonderlijk, hé!

Op de vraag of hij een gelukkig mens is, antwoordt Vermandere aan journalist Lieve Goemaere: “Ik besef dat ik verwend ben door Moeder Natuur. Ik heb talenten en ik doe er iets mee. Maar ik merk wel dat ik ouder word. Twee jaar geleden heb ik een verkeerde beweging gemaakt. Een pees in mijn linkerarm werd afgerukt, met een operatie tot gevolg. Mijn pezen hangen nu weer mooi aan elkaar, maar ik kan mijn gitaar niet meer vasthouden zoals vroeger. Daar kan je over janken, maar wat heeft dat voor zin? Bovendien hebben ze zo ontdekt dat ik moet opletten met mijn bloeddruk, en sedertdien neem ik elke ochtend een pilletje. Stel je voor dat ik dat accident niet had gehad. Ik zou het niet geweten hebben, en misschien viel ik hier op een dag dood neer. Aan elke schaduw- is er ook een zonnezijde.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

Danny Fabry

Danny Fabry werd als Robert Esseldeurs de derde augustus 1948 in Leuven geboren. Twee oudere zussen (respectievelijk twee en vier jaar ouder) waren er  om hem extra in de watten te leggen. Zijn ouders runden een melkbedrijf, dus veel vrije tijd was er niet om zich met de kinderen bezig te houden, al heeft Danny er wel zijn zakelijk instinct aan te danken. Thuis schoot er dus ook niet veel tijd over om naar muziek te luisteren. Danny was trouwens de enige die graag met muziek bezig was. Op zijn twaalfde krijgt hij van zijn vader een akoestische gitaar en begint muziek te studeren.  Hij gaat naar de lagere school in Erps-Kwerps en vervolgens naar de technische school in Zaventem om daar de afdeling elektriciteit te volgen en zijn A2-diploma te behalen.  Al zijn vrije tijd stopt hij in het zingen en het gitaarspelen. Voor de grap schrijven zijn vrienden hem in voor een crochetwedstrijd. Danny herinnert zich vaag dat hij een jaar of dertien moet geweest zijn, want op dat moment stond Peter Koelewijn hoog in de hitlijsten met Kom van dat dak af en dat is dan ook het liedje dat hij daar toen zong, zijn allereerste optreden trouwens voor een live-publiek.

Rock ’n roll was het genre dat Robert, laten wij hem zo nog even noemen, in het begin het meest bezighield. Hij was in die tijd een behoorlijk gitarist en het kon dan ook niet lang uitblijven of hij werd gevraagd door enkele popgroepjes. Zo speelde hij een tijd lang bij orkestjes als The Young Devils en The Beatnicks. Voor Robert een zware dobber, want hij stond ‘s ochtends vroeg op om zijn ouders te helpen in hun melkbedrijf, nadien trok hij naar school om vooral tijdens de weekends op te treden. Hoe vreemd het misschien mag klinken, maar de muziek die Robert toen samen met die groepjes bracht, waren vooral de hits van The Rolling Stones. De overige toenmalige hits kwamen ook aan bod, behalve dan die van The Beatles, want dat kon je als Stonesfan niet maken. Om in te kaderen en nooit te vergeten is het feit dat toen The Rolling Stones in 1964 in het “Amerikaans Theater” op de Heizel bij Nonkel Bob en Tante Terry  te gast waren en zij in de buurt van het “Atomium” gingen eten en dat Danny en zijn band tijdens dat etentje voor hen mochten spelen. Omdat Robert basgitaar speelde, kreeg hij achteraf een schouderklop van Bill Wyman, de basgitarist van The Stones.

Na zijn legerdienst komt  Robert  via de heer Swaelens, voormalig directeur bij platenfirma EMI en een goede kennis van pa Esseldeurs, bij EMI terecht en mag daar in de afdeling publiciteit gaan werken.  Hij houdt dat twee jaar vol. Hij neemt voor EMI samen met producer Jeff De Boeck enkele singles op, maar zonder succes, liedjes als Liefde en trouw geschreven door Robert zelf samen met Yan Nick (Jan Theys) en Marc Servio die ook voor Ann Christy, John Terra en De Strangers schreef. Er werd opgenomen in de studio’s waar in die tijd Salvatore Adamo zijn Sans toi ma mie had ingeblikt en dat Jeff ook geproduceerd had. Nadien waren er de singles  Donkerrode haren en Een zalig leven, maar die deden niets in de Vlaamse Top Tien. Beter lukte het met het nummer Ik voel me zo gelukkig met op de B-kant Donkerrode haar waarmee hij de achtentwintigste november 1971 tot op zeven geraakte in de Vlaamse hitlijsten. Intussen had Robert zijn eigen begeleidingsorkest opgericht, The Spotlights, en een artiestennaam gekozen, Danny Love, maar dat vond de directie van EMI maar niks.  Daar werd geopteerd voor Danny Fabry. Die naam leende Danny van Daniël Fabry, een Franse jongen die zijn ouders tijdens hun vakantie in Frankrijk hadden leren kennen en die plots op achttienjarige leeftijd ten gevolge van een ongeval was overleden.

De toenmalige baas van EMI, meneer Swaelens , verhuist op zekere dag naar platenfirma BASF en neemt Danny Fabry mee op voorwaarde dat hij uitsluitend in het Nederlands zal zingen. Romain De Smet wordt zijn  producer die op datzelfde label ook de producties verzorgt van Cindy en James Lloyd. Danny mag opnemen in een behoorlijk grote studio begeleid door onder meer gitarist Freddy Sunder en de strijkers van het orkest van Francis Bay. Zijn eerste single  Kom aan de telefoon Angelina is in 1972 meteen een top tien hit in de Vlaamse hitlijsten. Geen origineel nummer, want het was het jaar voordien een hit in Italië voor Fojetta onder de titel Voglio cambiare aria. Van zijn eerste hit neemt Danny ook een Franstalige versie op Décroche ton téléphone Angelina. Pa mag dan fier zijn, hij had toch liever gehad dat zijn zoon een diploma had behaald, want hoelang gaat dit avontuur duren. Danny beslist op dat moment om fulltime zanger te worden en dat ziet pa dus niet graag gebeuren. Uiteindelijk zal hij ongelijk krijgen, maar dan moeten we eerst nog even voortvertellen!

De daaropvolgende singles doen het niet onaardig. Producer Romain De Smet beslist welke liedjes al dan niet in aanmerking komen. Kijk eens diep in m’n ogen gekoppeld aan Een beetje liefde staat de zeventiende juni 1973 op zes in de Vlaamse Top Tien. Kijk eens diep in m’n ogen geraakt zelfs tot op achttien in de BRT Top Dertig. Optredens volgen aan de lopende band, want heel veel Vlaamse artiesten had je toen niet.  Datzelfde jaar neemt Danny deel aan “Hit ’73″, een jaar eerder gestart als het eerste interprovinciaal festival van het Nederlandstalige lied met de bedoeling de Belgische muziek-en showsector te stimuleren.  In 1973 heeft het festival in Blankenberge plaats met in het totaal vijftien Vlaamse vedetten waaronder: Jacky Lafon, Micha Marah, Paul Roelandt, Jennifer en Danny Fabry. Dat jaar wint Ann Michel met Niet huilen en gaat de persprijs naar Norma Hendy met Een jongen naar mijn zin.

Danny Fabry, die in de loop van zijn carrière wel vaker uit is op een stunt, neemt in 1974 de uitdaging aan in een circus aan de kust te gaan optreden. Hij gaat zelfs een act met beren en leeuwen niet uit de weg gaat. Dat is een vermoeiende periode, want er wordt zestig dagen na mekaar gewerkt, maar voor hem een kostbare leerschool. In die periode ontmoet hij Christiana Truyers, de eerste februari 1952 in Heusden-Zolder geboren. Net als Danny is zij er op jonge leeftijd als de kippen bij om te gaan zingen. Tijdens een zangwedstrijd brengt zij Zwei kleiner Italiener van Conny Froboes. Als Suzy neemt zij in 1975 twee plaatjes op Doe het licht maar uit en ‘n Leven zonder jou (het thema uit de film “De verbrande brug”).  Net dan leert zij Danny kennen die zich met haar zangloopbaan zal bezighouden. Zij mag mee optreden met zijn orkest en zorgt voor de moderne touch. Zo mag zij onder andere liedjes van Abba zingen die toen erg in trek waren.

BASF beslist midden de jaren zeventig te stoppen met Vlaamse artiesten op te nemen. Gelukkig krijgt Danny in 1975 een telefoontje van Johnny Hoes die vraagt of hij van BASF niet wil overstappen naar diens platenfirma Telstar, een niet zo goede keuze blijkt achteraf, want hier verzuipt Danny tussen een massa andere zangers. Hoes beslist het met Danny over een typisch Hollandse boeg te gooien en dat voelt Danny meteen aan als een soort keurslijf, maar hij waagt zijn kansen. Hij zal bij Hoes echter niet lang blijven, al is die periode toch goed voor enkele singles waarvan wij vooral Juanita onthouden, de vijfde oktober 1975 goed voor een derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Danny schreef dit nummer samen met Hoes die besloot dit op zijn Gnome label uit te brengen. Dat label was in 1970 door Sylvain  Tack opgericht, maar vier jaar later verkocht aan Johnny Hoes die het bij zijn firma Telstar onderbrengt. In 1975 scheidt Danny van zijn eerste vrouw. Hij houdt aan dat huwelijk één zoon over, Danny Fabry Junior.  Tussen zijn eerste hit bij Hoes en eind 1977 zal Danny nog een aantal keren in de Vlaamse Top Tien opduiken met achtereenvolgens: Oh Carole, Op een warme zomernacht señorita, Meisje met je treurige ogen en Ik ben zo eenzaam zonder jou.

Hij ontmoet op zekere dag Johnny Blenco en die weet hem ervan te overtuigen over te stappen naar Limbo Records. Bij Telstar ging er veel aandacht uit naar het lanceren van Doe Maar en stond De Zangeres Zonder Naam erg vooraan. Voor Danny was het vaak achteraan aanschuiven en dat had Johnny Blenco door en hij weet Danny over te halen naar zijn Limbo label over te stappen. Dit Belgisch label was opgericht door Martin de Haeck met de bedoeling aanvankelijk uitsluitend Vlaamse artiesten te releasen. Martin werkte nauw samen met Johnny Blenco van Blenco Music. Zij tippen vooral op echte meezingers. Blenco leert Danny om platen op te nemen bedoeld voor een breed publiek, méér nog, voor jan met de pet. In het begin is Danny niet overtuigd, maar hij moet Blenco snel gelijk geven. Danny gaat niet alleen platen opnemen voor deze firma, maar zorgt ervoor dat hij hun opnamen gaat pluggen.  Het is de periode dat Danny met zijn eigen band ook vaak in Nederland zal optreden. Het eerste succes dat Danny bij hen scoort is in de lente van 1981 met het nummer Donna Maria gekoppeld aan Laat mij de liefde weer beleven, goed voor een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Met de opvolger Ik ben alleen vannacht geraakt hij tot op de tweede plaats. Blenco helpt Danny op die manier aan enkele van zijn grootste hits, net op een moment dat de Vlaamse showbizz in elkaar stuikt. Zij trekken hier enkele wijze lessen uit en besluiten wijselijk  in het Engels te gaan opnemen. In 1982 komt Danny op de proppen met Please be careful with my heart geschreven door Johnny Blenco en Harry Silver. De vrije zenders schieten op dat moment in Vlaanderen als paddestoelen uit de grond en happen gretig toe.

Danny merkt dat hij plots met deze singles een graag gehoorde gast is in de Top Dertig. Met Please be careful with my heart staat hij de zevenentwintigste maart 1982 op zes in de BRT Top Dertig. Just a little smile, een vertaling van Du bist nicht allein van Roy Black, doet het ook uitstekend. Het wordt zelfs de hoogste notering ooit voor Danny in de BRT Top Dertig. De vierentwintigste juli staat hij op de tweede plaats.  Ook de singles I remember you geschreven door Johnny Blenco en Roland Verlooven en It’s a sin to miss a kiss from you, opnieuw een song van Johnny Blenco in samenwerking met Harry Silver worden positief onthaald.  I remember you bereikt een zevende plaats in de BRT Top Dertig en It’s a sin to miss a kiss from you een achtste.

In die tijd werkte Danny Fabry ook als vertegenwoordiger voor zijn platenfirma Limbo Records. Hij ging met zijn eigen platen leuren per manier van spreken. Hij promootte niet alleen zijn  platen bij de radio, maar bracht ze ook aan de man in de winkel. Hij legde daar vrij vlotte contacten en de winkeliers wilden in ruil wel wat terugdoen en prijsden hem al eens sneller aan dan zij dat met andere artiesten deden. Er werd toen gemompeld dat hij zou knoeien met de verkoopcijfers om op die manier toch maar in de hitlijsten te geraken. Enkele platen gratis geven bij een bestelling van bijvoorbeeld twintig singles is volgens Danny nooit gebeurd. Hij werkte voor een Nederlander met een kleine firma en die wilde zich niet met dergelijke praktijken bezighouden.

Ook Conny, met wie hij intussen gehuwd was, gaat weer singles opnemen. Danny weet dat duetten het vaak goed doen en beslist in 1983 met haar het door hemzelf samen met Johnny en Harry geschreven Love me again op te nemen. Hij beslist pas nu met haar samen te zingen, omdat hij haar eerst via optredens in Vlaanderen vertrouwd had laten worden met het publiek. Conny scoort ook in haar eentje door een cover op te nemen van We gotta stop van Liliane Saint-Pierre. Johnny Blenco is haar producer en Connny zal tot in 1987 met hem samenwerken. Het levert haar hits op als: Koningin van de nacht, Wat zijn mijn tranen waard en Hoe moet ik verder zonder jou. Zij brengt ook regelmatig duetten uit met Danny: Zo is het leven (C’est la vie), Het zijn allemaal maar praatjes en Trouw. Velen zijn intussen vergeten dat deze liedjes allemaal  op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien belandden.

Op verzoek van zijn vele fans en na advies van Johnny Blenco brengt Danny Fabry in 1985, hij staat dan 15 jaar op de planken, toch nog eens een Nederlandstalige single uit en dat wordt Als je eenzaam bent vannacht. Dat eenzaam zijn moeten wij niet letterlijk nemen, want hij trouwt dat jaar met Conny. Hij vertaalt Love me warm and tender van Paul Anka. De fans belonen hem de negende maart 1985 met een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Paul Anka ligt hem zo na aan het hart dat hij in 1986 Dance on little girl van Anka vertaalt als Dans nog eenmaal met mij. Ook deze keer is het raak en opnieuw een nummer één. Het geluk kan niet op, de tiende januari 1987 is het groot feest, want met Alles gaat over, een cover van Only the lonely van Roy Orbison, is Danny toe aan zijn vijfde opeenvolgende nummer één.

In 1987 houdt Danny het bij Blenco voor bekeken en klopt aan bij de in die tijd razend populaire producer Roger Baeten. Danny wilde al vroeger met hem scheep gaan, maar Roger hield de boot wat af tot hij vond dat de tijd rijp was en hij het geschikte nummer voor Danny klaar had. Danny was immers dringend op zoek naar vooral nieuwe songs, een beetje weg van de covers. Hij  gaat zelf in zijn eigen producties investeren. Hij weet dat het via optredens zal renderen. Hoofdzaak voor Danny is dat hij eindelijk eens wil samenwerken met een goede producer. Roger zelf had in de jaren zeventig torenhoog gescoord met Blijf je bij mij, had zich nadien wat uit de showbusiness teruggetrokken tot hij in 1982 uitpakte met een Engelstalig repertoire onder de naam B. Rodgers. Dat jaar scoort Roger een paar keer in de BRT Top Dertig met achtereenvolgens: I feel so good, Tonight en Love you my love. Roger krijgt almaar meer de vraag van zijn collega’s of hij voor hen geen liedjes wil schrijven en produceren. Daar gaat hij zich almaar meer mee bezighouden en schrijft in die tijd een rist hits voor Phil Kevin, Salim Seghers en Mieke. Ook Danny gaat dus bij hem langs.

 

Ik ben zo verliefd geraakt in 1987 zonder veel moeite tot op de twaalfde plaats van de BRT Top Dertig. In de Vlaamse Top Tien zit er een nummer 1 in, net zoals voor de volgende Blijf je bij mij, een cover van Rogers nummer één hit uit 1974. In een productie van Roger Baeten scoort Danny de twintigste februari 1988 opnieuw een nummer één, deze keer met Ik mis je, een cover van Ma femme van Sacha Distel. In de BRT Top Dertig zit er deze keer een vierde plaats in. In het kielzog van die single  volgt het duet met Conny Ça c’est la vie waarmee zij de zestiende september 1989 op één staan in de Vlaamse hitlijsten. Conny is intussen ook bij Roger gaan aankloppen om samen te werken en dat resulteert voor haar onder andere in de nummer één Jij doet het, een cover van You Got It van Roy Orbison. Hun singles brengen Danny en Conny voorlopig uit op hun eigen Diamonds label. Door hun succes en de komst van VTM en “Tien om te Zien” waardoor Vlaamse artiesten weer volop in de picture staan, staat plots een van de grootste platenfirma’s Sony bij Danny en Conny aan de deur en biedt hun een contract voor twee jaar aan. Zij weten dat Danny per maand zo’n dertig keer met zijn orkest optreedt. Hij heeft op dat moment niet alleen vijf steengoede muzikanten waaronder Wim Claes en twee technici  (eigen klank en belichting),  maar ook twee zangeressen. Vijf uur aan een stuk optreden, daar draaien zij hun hand niet voor om.  Sony is zeer goed op de hoogte van hun populariteit. In 1990 is er op het Sony/CBS label het album “Conny & Danny Fabry”, een mix van liedjes afwisselend gezongen door Danny en Conny, een soort compilatie met daarop songs door Roger Baeten geschreven en het producersduo Phil Wilde en Peter Bauwens. Op dit album ondermeer Jij gekke mama, dat wij kennen in de Italiaanse hitversie Viva la mamma van Eduardo Bennato en waarmee Conny de dertiende  januari 1990 op 1 staat in de Vlaamse Top Tien én You know I love you gezongen door Danny en dat eerder in ons land een hit was voor de Franse zanger Shake.

Danny, die voortdurend naar hitgevoelige nummers blijft zoeken, stapt naar Sony/CBS met het voorstel een vertaling te maken van Le téléphone pleure van Claude François en samen met het kindsterretje Sylvie Melody zingt hij eind 1990 De telefoon huilt mee naar de eerste plaats van de Vlaamse Top Tien. Sylvie Melody, alias Sylvie De Bie, werd de vierde januari 1981 in Lier geboren. Met haar vertaling van Ben van Michael Jackson veroverde zij in 1990 de harten van gans Vlaanderen.  Zowel Ben als De telefoon huilt mee levert Sylvie op negenjarige leeftijd twee gouden platen op. Door de strenge wetgeving in België op kinderarbeid stopt zij na een tijdje met zingen. Nadien zal zij gaan optreden met diverse groepen: Lace, Liquid featuring Silvy en Sylver. Dat verhaal bij Sony houdt twee jaar stand.

Het vreemde is dat, ook al profileert Dany Fabry zich in de loop van al die jaren als zanger, de meeste van zijn collega’s hem eerder zien als een zakenman. En hij heeft een neus voor zaken. Hij richt in de jaren tachtig niet alleen zijn eigen platenlabel “Diamonds” en zijn eigen uitgeverij “Fabry Records” op, maar brengt ook zijn eigen parfum “To you” (naar het voorbeeld van Julio Iglesias die in Spanje zijn eigen geur had gelanceerd) op de markt en start zijn eigen dancing “De Kempenhof” in Balen. Dat was een bestaande dancing die Danny van de vorige eigenaars had overgenomen. Hij kende die zaak en het publiek goed omdat hij daar vaak samen met een pak Vlaamse collega’s live had opgetreden. Die dancing was erg in trek bij de liefhebbers van de Vlaamse schlagers.  Het lukt Danny Radio 2 en Ro Burms over te halen de officiële opening rechtstreeks uit te zenden.  Hij zal die zaal een tijd lang samen met Conny uitbaten. Nog zo’n uitgekiende zet is zijn cover van het nummer Early morning wake up call van Flash & the Pan. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en vraagt aan Raymond van het Groenewoud of die geen tekst wil schrijven. Raymond hapt toe en als extra gimmick blikt Danny het plaatje in samen met zijn zoon Danny Jr. en brengt in 1993 De tent staat op z’n kop uit als Danny & The Juniors. De trouwe fans kijken even vreemd op, maar het jongere publiek lust dit wel. Na een jaar of zeven stopt Danny met die dancing in Balen en start een tearoom in Scherpenheuvel, maar daarover zo meteen meer.

In 1994 scheidt hij van Conny Fabry en wordt het stiller rond zijn persoon. Conny stapt een tijdje uit de aandacht en start in 1996 op het Domein Bovy in de buurt van de Omloop van Terlamen de horecazaak “Gasthof 1800″. Zij tekent daarvoor een contract tot in 2003, maar besluit nadien de zaak niet voort te zetten. Zij zal zich vervolgens omscholen tot rijschoolinstructrice. De jaren voordien had zij nog de single Playa Blanca en het album “Tussen twee harten” opgenomen. Momenteel werkt Conny als gevangeniscipier en heeft beslist definitief met zingen te stoppen.

Voor Danny lijkt het midden de jaren negentig alsof de Vlaamse schlager geen bestaansrecht meer heeft, de hits van weleer blijven uit, maar zijn zakelijk instinct houdt hem alert en vindingrijk. In 1995 leert hij tijdens een optreden Georgette Vinckx kennen met wie hij in 1997 trouwt. Ondanks het gebrek aan echte hits brengt Danny in 1996 met de steun van platenfirma Dino een overzicht uit van zijn twintig bekendste successen op het album “25 jaar – Danny Fabry zijn grootste hits” uit. Niet alleen zijn Nederlandstalige, maar ook zijn Engelstalige hits Just a little smile, Please be careful with my heart zijn op dit album terug te vinden. Hijzelf schrijft bij deze cd:  ”Vijfentwintig jaar is een hele tijd. Ik schrik er een beetje van. Maar toch zou ik het voor geen geld hebben willen missen en ik denk met veel plezier terug aan de vele goede momenten die ik meemaakte. Eerst en vooral wil ik mijn fans bedanken voor de steun en de trouw en die vele  radio- en tv mensen die steeds achter mij stonden. Een dankwoord ook aan mijn muzikanten en de mensen waarmee ik muziek maakte. Thank you for the music!”

Danny is tweeënvijftig wanneer hun dochter Laura wordt geboren. In februari 2000 viert hij zijn dertigjarige carrière met de cd-dubbelaar “30 jaar Danny Fabry”. Uitgedost in een piekfijn kostuum mét das prijkt Danny op de hoes samen met zijn vrouw Georgette met wie hij enkele duetten zingt: Waag het en win, een vertaling van Stumblin’ in,  We nemen elkaar speciaal voor hen geschreven door John Terra en Dit wordt een avond. De fans kunnen zich voor de rest tegoed doen aan een overzicht van zijn grootste hits.  Zij kunnen hun idool samen met zijn partner live zien optreden, onder meer elke zaterdag, in hun taverne “Danny Fabry’s Tea-Room”, recht tegenover de Basiliek van Scherpenheuvel. Danny startte met die taverne in 1994. Maar hij wordt stilaan een dagje ouder en de werkdruk almaar groter. In 2001 verkoopt hij zijn zaak.

Om zijn  vijfendertigjarige jarige carrière te vieren, nodigt Danny zijn trouwe aanhang in de maand februari 2004 uit op een aperitief in “Zaal Colomba” in Kortenberg. Aan een regionale reporter van Het Nieuwsblad vertelt hij: “Vroeger paradeerde ik in de Vlaamse hitparade, trad ik elke maand wel dertig keer op en had een fanclub van een paar duizend leden. Ik heb vaak live opgetreden omdat dat de band met het publiek veel hechter maakt. Mijn grootste fans blijven me na al die jaren nog zeer genegen.” Die genegenheid merken wij wanneer hij een deal sluit met productiehuis VNC, Vincent Producties, in Zundert dat in de maand juni van 2009 zijn dubbelaar “Omdat we vrienden zijn” in de markt zet. Ook deze keer laten de fans Danny niet in de kou staan. Hij op zijn beurt trakteert hen op dit album met twintig liedjes waaronder een vertaling van 18 yellow roses van Bobby Darin en Diana van Paul Anka. Voor de rest een rist liedjes van de hand van de Nederlandse producer Manfred Jongenelis. Voorts ook bijdragen van Jean Klüger, Jack Jersey en Johnny Spencer. Danny trekt hier de kaart van de doordeweekse schlager, af en toe zelfs de smartlap. Hij leunt verrassend dicht aan bij de stijl van Bobby Prins en dat is toch even wennen. Danny neemt het album op in “Studio 79″ in het Nederlandse Zegge. Vaak optreden staat bij hem bovenaan, ook samen met collega’s zoals de zestiende mei samen met Jacky Lafon tijdens een namiddagshow in zaal “Scala” in Gent.

In 2011 staat Danny veertig jaar op de planken. In een interview zegt hij daarover: “Veertig jaar is niet niets. Wanneer je nu rondom je heen kijkt, ontdek je dat een loopbaan voor sommige zangers al na twee tot drie jaar achter de rug is. Ik beschouw die periode van veertig jaar als een beloning voor heel hard werken. In heel mijn leven heb ik alles zelf moeten doen. Nooit werkte ik met een manager. Met recht en reden kan ik daarom fier zijn dat ik nog altijd zoveel optredens heb. Net zoals iedere artiest had ik mijn ups en downs. Onlangs las ik in een krant dat het bijna zestien jaar geleden was dat ik nog in de hitlijsten stond. Ik was het bijna zelfs vergeten, zo snel gaat de tijd. Ik heb al die jaren veel steun gekregen van mijn familie. Jammer genoeg kan mijn vader deze viering niet meer meemaken. In het begin was hij een rits in de branding. Maar mijn 92-jarige moeder zal op 22 mei naar Scherpenheuvel afzakken om ons feest bij te wonen. Om zijn veertigjarige carière in de bloemen te zetten, brengt hij in 2011 de verzamelaar “De allermooiste” op de markt, gelijk ook de titel van zijn nieuwste single waarmee hij de tweede maart van dat jaar de Vlaamse Top Tien aanvoert. De pret kan niet op, want hij staat de eerste, tweede en derde april van dat jaar op de planken van het Schlagerfestival in de “Ethias Arena” in Hasselt met naast hem Luc Steeno, Sam Gooris, Willeke Alberti, Christoff, Laura Lynn, Eddy Wally en De Romeo’s.

 

De vijfde mei 2012 staat Fabry opnieuw bovenaan de Vlaamse Top Tien, deze keer met een cover van de Duitse hit Anita bij ons bekend in de originele versie van Costa Cordalis. Op zoek gaan naar opgewekte songs die hij kan vertalen, is altijd een van Danny’s stokpaardjes gebleven. Zo neemt hij als volgende single de hit Beautiful Sunday van Daniel Boone onderhanden en maakt daar Wat een heerlijke dag van. Ook de opvolgers zijn covers: Een meisje voor altijd is de vertaling van Ein Mädchen für immer van Peter Orloff en Désirée werd zo weggeplukt uit het repertoire van Gilbert Bécaud. Leuk en opvallend is de single Fitter van getwitter dat Danny uitbrengt in de vroege zomer van 2013 in samenwerking met Tom Helsen. De vierde oktober van dat jaar is er zijn album “Mijn allermooiste hits” op het Diamond label, een verzameling van enkele bekende hits, in maart 2014 gevolgd door de single Blij dat ik leef, al moet Danny vaststellen dat dit een van de weinige keren is dat hij met een nieuwe plaat de Vlaamse Top Tien niet haalt. Hij staat daar wel in de loop van de maand mei op zeven met een bewerking van de hit Volare van Domenico Modugno vertaald door Jos Van Meer en verdeeld door Centropa.

The Big O, Roy Orbison, is één van Danny’s idolen. In de maand september 2014  brengt hij als een soort hommage aan Orbison een cover van Pretty Woman, zijn persoonlijk eerbetoon aan deze rasartiest. Op het einde van de maand staat hij op de dertiende plaats in de net opgestarte Radio 2 Vlaamse Top 50. Half november van dat jaar pakt Danny uit met een liedje dat Helmut Lotti in het begin van zijn carrière schreef samen met Hans Van Eijck en waarmee Helmut in 1990 een vette hit scoorde Waarom ik en niet een ander? Danny liet het nummer voor deze gelegenheid wat anders arrangeren en voegt er een stevige dosis blazers aan toe.

De zestiende maart 2015 brengt Danny op zijn eigen label het duet Wie had dat ooit gedacht uit samen met Kythana, de dochter van Filip D’Haeze van de groep Swoon. Danny schreef dit nummer samen met Jos Van Meer en Manfred Jongenelis. Oh Madeleine, geschreven door Bart Herman en de zesentwintigste november 2015 op single uitgebracht, bezorgt ons in hartje herfst al een hoge dosis lentekriebels: “Elk jaar bij het botten van de blaren, zie ik haar weer verschijnen…, want Madeleine, de zon gaat weer schijnen!

2016 wordt een heus feestjaar voor Danny Fabry! Hij staat dan vijfenveertig jaar al zingend op het podium. De negende februari lanceert hij de single Bij Jou Alleen, een nummer dat wij kennen in de hitversie van Helmut Lotti die het samen met Hans Van Eyck schreef en daarmee de tweede december 1989 op één stond in de Vlaamse Top Tien. Deze single wordt gereleaset met het oog op Danny’s dubbelalbum “45 jaar carrière” dat de achttiende maart in de winkel zal liggen. Hierop een overzicht van zijn grootste hits en een aantal nieuwe nummers. Vijf dagen eerder gaat Danny van start met een reeks verjaardagsconcerten doorheen Vlaanderen. Op dat nieuwe dubbelalbum heel wat nieuw werk en alle grote hits verzameld. Op cd 1 de recente singles waaronder o.a. Bij Jou Alleen, Duizend Keer, Waarom Ik En Niet Een Ander en Wie Had Dat Ooit Gedacht, het duet met kindsterretje Kythana en nog heel wat nieuwe nummers die nog niet eerder verschenen. Op cd 2 ontbreken natuurlijk de bekende hits niet zoals Ca C’est La Vie, De Telefoon Huilt Mee, het duet met Silvy Melody, Anita, Désirée, Volare en nog zovele hits die Danny tijdens zijn 45-jarige carrière bij mekaar zong.

In 2017 brengt Danny drie singles uit. Viva amor, Dansen op de reggeabeat en My little lady dat hij inblikt samen met Bart Anneessens Cops. Met Dansen op de reggeabeat scoort Fabry het hoogst: de 9de september een 13de plaats in de Vlaamse Top 50. Het nummer is een cover van Zomernacht van Leopold 3.

De 3de februari 2018 noteren we Danny in een productie van Lex De Groot op het Diamond-label op de 17de plaats in de Vlaamse Top 50 met Hallo, een cover van de hit Just say hello van Rene Froger.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

Salim Seghers

Aan het begin van de jaren zeventig kende Vlaanderen de plotse opkomst van een drietal zangers die zich een plaatsje in de schaduw van Will Tura wisten te zingen: Willy Sommers, Paul Severs en Salim Seghers. Het was toen een beetje ellebogenwerk om een eerste plaats in de Vlaamse hitlijsten te bemachtigen. Salim heeft in elk geval nooit spijt gehad dat hij een groot deel van zijn leven aan de muziek heeft gewijd.

Salim werd als Jos Aerts de achtste augustus 1948 in Wijchmaal in een gezin van zeven kinderen geboren: drie meisjes en vier jongens. Moeder had de handen niet alleen vol met het verzorgen van de kinderen, maar ook met het onderhoud van de moestuin en de beesten. Pa was mijnwerker. Van in de wieg bleek Jos een zorgenkind. Zijn gezondheid was niet je dat en die eerste jaren had hij veel aandacht nodig. Gelukkig zong moeder een pak van die zorgen weg terwijl in de achtergrond pa accordeon en mondharmonica speelde, ook al kon hij geen noot lezen. Na verloop van tijd konden zijn vier zonen elk een instrument bespelen.

In Wijchmaal liep Jos de lagere school, zij het met veel tegenzin, waar hij jaren later zelf als onderwijzer les zal geven. Toch was Jos in de lagere school een voorbeeldige leerling met vooral hoge punten voor de artistieke vakken én catechese. Hij is veertien als hij naar het college in Peer overstapt waar hij de wetenschappelijke richting zal volgen.  Recht tegenover de school gaat hij in zijn vrije tijd bij juf Lenders gitaarles volgen. Er kan geen orkestje in zijn dorp of in de nabije buurt optreden of Jos trekt daar naartoe om met zijn ogen en oren wat van hun kunnen mee te pikken. Het was toen al zijn grootste droom om een tweede Will Tura te worden. Hij deed er alles aan om toch maar een optreden van zijn idool te kunnen meemaken. Juffrouw Lenders had een eigen orkestje dat we gemakkelijkheidshalve maar ‘De Juffrouw Lenders Groep” zullen noemen. Pa betaalde de gitaar en Jos moest ervoor zorgen dat hij aan geld geraakte om zijn lessen te bekostigen. Hij trok daarom tijdens de weekends naar het buurtcafé waar hij op de kegelbaan de kegels ging rechtzetten, want kegelen (wat wij tegenwoordig bowling noemen) was toen erg in trek. De winnaar gaf de jongens dan een kleine fooi. Met dat orkestje van juffrouw Lenders traden zij op in rusthuizen en voor jeugdverenigingen. Twee jaar na mekaar was Jos de gitarist van dienst tot op zekere dag hun vaste zanger ziek wordt en zij geen andere keuze hebben dan Jos als leadzanger aan te duiden. Dat valt geweldig mee. Jos brengt onder meer In de Stille Kempen van de Limburgse componist Armand Preud’homme. Meteen heeft hij de zangmicrobe te pakken en die heeft hem sindsdien nooit meer losgelaten. Iets later vormt hij samen met zijn broer en vriend Jef een trio. Jos op de gitaar, broer lief op de drums en Jef op de accordeon. Vier jaar lang treden zij in hun regio op als Joke and The Squires (Jos en zijn Schildknapen). In het begin zingen zij zowat alle hits van Will Tura, maar na een tijdje wordt hun repertoire uitgebreid met de hits van het moment, de successen van het begin van de jaren zestig. Met het geld dat zij met die optredens verdienen, kopen zij betere instrumenten en een vrij dure geluidsinstallatie. Jos herinnert zich dat hun echokamer veertigduizend frank kostte en dat zij daar een half jaar lang voor moesten sparen.

Vrij snel komt er een eerste plaatje. Jos had twee liedjes klaar waarmee hij eerst naar Will Tura stapt die hier en daar wat corrigeert en bijstuurt. Jos stapt vervolgens naar Joke Martens in Tongeren die zijn eerste plaatopname regelt. Voor vijftienduizend frank mag hij zijn eerste single opnemen Jij bent voor mij en Zovele jaren, een loonpersing, goed voor driehonderd plaatjes die in de plaatselijke jukeboxen terechtkomen. Elke dag na schooltijd neemt Jos de fiets en bezoekt de cafés in de omtrek tot zijn voorraad singletjes op is. Soms lukt het zelfs dat een of andere klant in het café ook een plaatje koopt en zo heeft hij binnen de kortste keren zijn eerste voorraad aan de man gebracht. Jos voelt wél dat het resultaat veel beter kan. Hij blijft oefenen en ernaar streven beter te zingen. Intussen worden er nog een aantal singeltjes uitgebracht: Geld geluk en liefde, in 1970 Zeg me dan niet nee en het jaar nadien De Zwerver.  Daarnaast gaat Jos ook voortstuderen mt als doel een hoger diploma, want dat is pa’s grootste wens.  Zijn toenmalig vriendinnetje Rita wil onderwijzeres worden en dus wil Jos dat ook. Hij gaat in Bokrijk studeren en behaalt daar ook zijn diploma. Op zekere dag komt hij meneer Leon Lambrechts tegen. Leon was net met het label Passe-Partout begonnen, maar neemt iets later het label Monopole in Heist- Op-Den-Berg over dat Luc Verbist in 1969 had opgestart. Leon beperkt zich uitsluitend tot het releasen van Vlaams materiaal. Jos krijgt van hem een contract van drie jaar aangeboden. In een Brusselse achtsporenstudio mag Jos het door hem zelf geschreven Tranen voor jou opnemen dat hij iets eerder al had ingeblikt, zij het summier begeleid door Joke Martens. De invalshoek voor de inhoud van dit liedje is het verhaal van een zieke buurman die na een bezoek aan de dokter in tranen uitbarst omdat hij het niet meer ziet zitten en toch de moed niet wil verliezen.  Dat raakt Jos zo diep dat hij dit kwijt moet in een liedje. Zoals het merendeel van zijn nummers, schrijft hij dit thuis in de leefkamer op de gitaar, staande voor de grote spiegel, want zo kan hij zich beter inbeelden dat hij voor een live-publiek optreedt.

Zijn producer Leon vindt de melodie van Tranen voor jou oké, maar wil dat Jos met wat inbreng van hem de tekst herwerkt én dat er een nieuwe begeleiding wordt opgenomen. Er worden arrangementen geschreven door Martin De Haeck die later nog voor Dana Winner en Sanne zal schrijven, er komt een groot orkest aan te pas, tweeënvijftig muzikanten sterk, met een pak strijkers en zo belandt dat nummer uiteindelijk als Verlaat me nooit op plaat. Zij blikken ook het liedje Mariane in – Jos had dat speciaal voor zijn jeugdliefde Rita geschreven- en dat vindt Jos het meest geschikt als A-kant. Maar hij krijgt geen gelijk. Iedereen, ook bij de radio, gaat voor Verlaat me nooit. Nu is de naam Joke, zoals Jos tot dan toe als artiest werd genoemd, niet meteen een naam om als meisjesidool aan de bak te komen. Op aanraden van Leon Lambrechts wordt dat Salim Seghers. Leon had tijdens de vakantie een weeskindje uit Algerije op bezoek en dat heette Salim. Op dat moment is Paul Severs de coming man en Severs en Seghers leunen wat bij mekaar aan én klaar is kees! Jos is niet gelukkig met die naamkeuze, laat staan pa en ma. Maar eenmaal Verlaat me nooit een grote hit is, leggen ze er zich bij neer.

Elf weken na mekaar staat Verlaat me nooit op 1 in de Vlaamse Top Tien. In mei 1971 staat Salim voor de eerste maal bovenaan en een maand later heeft hij zijn diploma van onderwijzer op zak. Het eerste jaar is er geen plaats vacant. Hij komt wel aan de bak als opvoeder, gelukkig maar, want zo kan hij schipperen met zijn uren en zijn tijd beter verdelen tussen zijn job en zijn zangcarrière. Na een jaar kan Jos als onderwijzer in Wijchmaal aan de slag en dan wordt het puzzelen om beide jobs met mekaar te verenigen. Jos durft niet voluit voor zanger te gaan, want pa houdt steeds waarschuwend de vinger in de hoogte dat zijn zoon met beide voeten op de grond moet blijven staan en vooral geen domme dingen doen. Die zangcarrière kan snel voorbij zijn!

Het blijft echter niet bij die ene plaat. Drie jaar na mekaar zit Salim, dankzij die grote hit, op muzikale rozen al zijn de volgende singles geen echte Salimplaten. Leon vindt dat hijzelf beter liedjes kan schrijven dan Salim.  Vaarwel wordt in 1972 de volgende keuze, maar geraakt niet in de Top Tien. Leon ziet meteen zijn misstap in en neemt met Salim tien nummers op die hij opnieuw zelf mag schrijven: Mooie uren mooie dromen, Woorden zijn geen daden, Mea Culpa. Jos heeft de smaak van de echte hits weer te pakken. In Vlaanderen duiken echter almaar meer zangers met de zogenaamd betere teksten op, mannen zoals: Johan Verminnen, Erik Van Neygen en Raymond Van het Groenewoud, om er een paar te noemen. In 1975, na de singles Mea Culpa en Ave Maria, voelt Jos dat hij is leeggeschreven. Hij weet dat hij geen vooruitgang meer boekt, dat hij blijft hangen. Hij probeert vanuit zijn ervaring als onderwijzer shows speciaal voor kinderen bedoeld op gang te trekken, maar hij ondervindt vrij snel dat dat een ander paar mouwen is dan schlagers zingen. Gelukkig voor hem komt hij de Marokkaanse arts en kruidendokter Johnny Larbie Khetouta tegen. Salim heeft op dat moment veel last van zenuwen aan de maag en op advies van zijn moeder komt Salim in contact met die geneesheer. Die schrijft in zijn vrije tijd, ook al is hij nog niet vlot Nederlandstalig, toneelstukken en blijkt ook perfect te kunnen verwoorden wat Salim qua gevoelens in zijn liedjes wil laten horen. Johnny hanteert een andere woordkeuze en zo klinken de liedjes van Salim tekstueel plots anders dan voordien. In de Franse hitlijsten gaat Johnny kijken en luisteren hoe de Fransen hun gevoelens verwoorden en hoe zij hun chansons arrangeren. Hij en Salim zullen samen een viertal elpees afwerken. Eén van hun eerste liedjes wordt in 1975 Beloof niet te veel dat je als een soort comeback mag  beschouwen. Salim zal met dat nummer drie weken na mekaar de Vlaamse Top Tien aanvoeren. Dat liedje wordt ook de titel van de elpee die een jaar later gereleaset wordt met daarop ook de volgende single Jij en ik.

In 1976 laat Salim, Monopole achter zich en vindt onderdak bij de grote platenfirma CBS. Hier wordt op een ander niveau gewerkt. Hij krijgt meteen een eigen arrangeur en een behoorlijk budget aangereikt. Salim brengt hier singles uit als In je mooie blauwe ogen, Als ik je vind en in 1977 In de stilte van de nacht dat hij samen met Roland Verlooven schrijft, die intussen zijn producer is geworden. In 1978 neemt hij samen met hem het album “Limburg mie landj” op als een soort blauwdruk van de Limburgse troubadoer Jo Erens. Meteen wordt het nummer Loeënde klokken op vijfenveertig toeren uitgebracht met iets later het door Roland onder diens pseudoniem Armath geschreven Het gebeurde op een zondagavond. Roland heeft er intussen voor gezorgd dat Salim een platencontract bij EMI krijgt die zijn producties op hun sublabel Bestsellers uitbrengt. Een jaar later schrijft Roland Verlooven voor Salim Heb jij geen drie minuten tijd voor mij en in 1980 Mientje van Meeuwen. Voor de fans is het qua stijl even wennen, maar zij haken niet af.

We noteren 1985 wanneer Salim gaat samenwerken met de bekende producer Roger Baeten. Roger had in een vorig leven nog de “Ontdek de Ster” wedstrijd bij de VRT gewonnen en een Vlaamse klassieker neergezet met het nummer Blijf je bij mij. Roger staat op het moment dat hij Salim ontmoet opnieuw in de belangstelling, deze keer als B.Rodgers en zit erg hoog in de BRT Top Dertig genesteld met het door hemzelf geschreven I feel so good. Roger heeft hier en daar al laten aanvoelen dat hij liever als producer in het zadel zit, ook al blijft hij als B.Rodgers nog een paar hits scoren met onder meer  de singles Tonight en Love You My Love. Roger is op het moment dat hij Salim ontmoet al druk in de weer met de carrière van Pascal Laurent en Danny Fabry. Met hem als liedjesleverancier en producer viert Salim zijn derde comeback. In 1985 is er de single Hey wil je mijn meisje zijn, uitgebracht op het Monopole label. De tekst is van Salim en de muziek van Roger.

De zevende december van dat jaar staat Salim helemaal bovenaan de Vlaamse Top Tien met Het kleine cafeetje. Met veel zon en energie trekt hij in 1986 naar Marrakech waar hij aan een jeugdfestival, gesteund door koning Hassan, deelneemt. Uit elk Europees land mogen twee artiesten deelnemen. John Larbi heeft goede connecties met de Marokkaanse ambassade en zorgt ervoor dat Salim naar ginder mag met een paar Franstalige liedjes. Een daarvan is het speciaal door hen beiden voor die gelegenheid geschreven Les Lions de L’Atlas, noem hen maar de Rode Duivels van Marokko. Salim wordt daar aangekondigd alsof hij een van hen is en scoort enorm veel bijval omdat hij in het liedje ook op hun nationale trots inspeelt. In de slipstream daarvan mag Salim in Rabat acht tv-optredens verzorgen en haalt met dat feit bij ons zelfs het nieuws. Seghers scoort met Les Lions de l’Atlas een Marokkaanse hit, maar heeft geen zin daar een tijdje te gaan wonen en zodoende zijn succes te verzilveren. Geen denken aan, het is hier dat de lamp brandt. Vijf maanden later is het op het Monopole -label raak met het door Roger Baeten geschreven ‘n Kille zomer en in het najaar van 1986 staat Salim opnieuw op één, nu met Marie Helena.

In samenwerking met Roger volgen nog successen als: Zomer in Venetië, Sara, Manolito, De radio speelt ons liefdeslied, Blijf deze nacht en in 1990, VTM is dan al een handje komen bijsteken met “Tien Om Te Zien”, de topper Koningin van de nacht. Nu Salim bij EMI is ondergebracht, mogen de producties net als bij CBS, wat geld kosten. Hij trekt met Roger naar de “Galaxy Studio” in Mol met hier achter de knoppen Wilfried Vanbaelen die naam zal maken, niet alleen als producer van Dana Winner, maar ook als haar echtgenoot. Omdat Salim het werk met zijn fulltime job als onderwijzer echt niet meer kan combineren, besluit hij in 1989 parttime les te geven. Zijn moeder overlijdt iets later, extreem gesteld de enige vrouw in zijn leven, want zich definitief hechten aan een partner hoeft voor Salim niet. Met het overlijden van zijn moeder verliest hij sowieso zijn grootste fan!

Omdat sprookjes, ook die van Salim niet, nooit erg lang blijven duren, stapt hij in 1993 van EMI over naar Assekrem waar hij weer een andere invalshoek vindt: een nieuwe producer, andere tekstsschijvers. Op tekst van Marc Van Caelenberg schrijft Salim het nummer De zomer is voorbij dat op het einde van dat jaar nipt buiten de Top Tien terechtkomt. Iets beter lukt het met Doe het voor haar, voor hem, voor mij geschreven door Nelly Byl.

Salim merkt dat hij als zanger niet meer echt op hits hoeft te  jagen en ontpopt zich meer en meer als liedjesleverancier voor zijn concurrent-collega’s. Zo schrijft hij voor Luc Steeno onder andere Waarom voel ik nog steeds en Voor Jou. In 1996 staat Salim vijfentwintig jaar op de planken en dat viert hij met een speciaal concert in het “Casino van Middelkerke”. Het jaar nadien weet hij  zowat iedereen te verrassen met een vertaling van Aïcha, de monsterhit van Khaled, op tekst van Johnny Larbi. Salim krijgt de smaak opnieuw te pakken. Zijn deal met Assekrem zit erop, hij zeilt verder op het  Rainbow label en lanceert in 2004 het album “Geniet van je leven” waarvoor hij gaat samenwerken met Walter Verbruggen, Paul Vermeulen, Daniël Ditmar en Arnold Van Damme. Het leven is zo kort wordt de single daaruit, maar hoog scoort die plaat niet. Eind juni 2005 besluit Jos na vijfenderig jaar dienst als onderwijzer met pensioen te gaan. Datzelfde jaar staat hij samen met The Supremes, Tony Christie, Rob de Nijs, Will Tura en Frans Bauer te stralen op het podium van “Rimpelrock” in Kiewit-Hasselt.

Als vanouds houdt hij eraan elk jaar samen met zijn trouwe fans op reis te gaan. In 2011 trekt hij tijdens de herfstvakantie voor de vijfentwintigste maal naar Lloret del Mar. Dat jaar gaan er zo’n 1700 fans mee om deze speciale trip te vieren met aan boord Kelly Pfaff, Sam Gooris, Sergio en Luc Caals. Naar aanleiding van deze vijfentwintigste fanreis brengt Salim een Spaans getinte mini cd uit met daarop, naast een medley met zijn bekendste hits, ook nummers zoals Oma in Spanje, Ga mee naar Spanje en In Lloret del Mar. Hij wordt dat jaar door de burgemeester van dit Spaans vakantie-oord op het stadhuis ontvangen. Naar aanleiding van zijn feestconcert “40 jaar Salim Seghers” in het Poorthuis in Peer op zaterdag 3 december 2012 verschijnt een nieuw album met uitsluitend eigen composities: Je bent nu zeventien, Hey Will Tura, Ik heb je zo gemist enz…Hij zingt ook een duet met Bandit, die net als hij een enorme fan van Will Tura is. Nog steeds is Salim niet gehuwd en het lijkt erop dat dat voor de rest van zijn leven zo wel zal blijven. Salim, de eeuwige vrijgezel.

In 2012 neemt Seghers het nummer Samen iets apart op, een liedje geschreven door Cliff Vrancken en Patrick Renier en geraakt daarmee tot op de vijfde plaats van de Vlaamse Top Tien. Het was sinds 1994 dat hij daarin nog eens genoteerd stond. Hij stapt over naar platenfirma Damaro en brengt met het oog op de zomer van 2013 Die tijd is nu voorbij  uit, een vertaling van Non illuderti mai van Orietta Berti dat in de jaren zestig een hit was voor de Britse groep The Tremeloes als My little lady. In de maand mei van 2014 is er het door hemzelf geschreven Mijn dag kan niet meer stuk en drie maand later een vertaling van zijn hand van de hit uit 1981 van de Saragossa Band Agadou dou dou in een frisse productie van Jean-Pierre Kerkhofs, opgenomen in de “Artsound Studio”. En dan is er in 2014 op het DAM label het album  “Mijn Mooiste Liedjes” met, naast zijn recente singles, ook wat oudere nummers en als hekkensluiter het onafscheidelijke Verlaat me nooit.

Begin 2015 verrast Salim niet alleen zijn trouwe fans, maar ook zijn collega’s door te kiezen voor een eigen vertaling van Just when I needed you most van de Amerikaanse singer-songwriter Randy VanWarmer, die er in 1979 een internationale hit mee scoorde. Seghers zet deze haast vergeten single in de markt als Net toen ik jou nodig had. De vierde mei 2015 verschijnt het door hemzelf geschreven Ik heb je zo gemist op het Damaro label. Vanaf vrijdag de dertiende februari 2015 schrijft Salim een gans jaar lang elke vrijdag de column “Het Belang van uw gemeente” in het Belang van Limburg. De eerste mei van dat jaar lanceert hij zijn nieuwste single, het door hemzelf geschreven Ik heb je zo gemist.

De drieëntwintigste juli 2015 lanceert Salim Seghers zijn nieuwste single. Het is deze keer een hommage aan zijn groot idool Will Tura, die dat jaar 75 wordt. Salim koppelt zijn talent aan dat van Bandit, die jarenlang met Tura op het podium heeft gestaan. Hij nam ooit het album “The Tura Song Book” op. Bandit en Salim schreven samen de Engelse – en Nederlandstalige tekst en melodie van Hey Will, een opvallend duet in de Vlaamse hitlijsten.

Druk in de weer voor de viering van zijn 45-jarige carrière brengt Salim de 12de september 2016 een nieuwe single op de markt als aanloop naar deze festiviteiten. Hij was altijd al tuk op het liedje Give a little love waarmee Albert Hammond en Albert West in 1986 een dikke hit scoorden. Het is een nummer dat Salim goed ligt en waarvoor hijzelf de Nederlandstalige tekst schreef Met een beetje liefde. Eerder dat jaar stond jij de 30ste april op stek 25 genoteerd in de Vlaamse Top 50 met het door hemzelf geschreven Mijn hartendiefje.

De 25ste maart 2017 brengt Salim op het Damaro-label het nummer Ik wil weer gelukkig zijn, een vertaling door Jos Van Meer van de Italiaanse hit Nessuno mi puo giudicare van Caterina Caselli.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2018 Daisy Lane & Marc Brillouet

Micha Marah

Micha kan er prat op gaan dat zij in 1971 tweemaal in de Top Dertig genoteerd stond en in het totaal zevenentwintig keer in de Vlaamse Top Tien in de periode van 1970 tot en met 1997.

Voor haar vriendenkring is zij al die jaren Alda gebleven, Alda Leppens, de zesentwintigste september 1953 in Oosthoven in Oud-Turnhout geboren. Papa werkte eerst bij de firma Brepols, nadien bij Philips. Mama kluste thuis als boerendochter graag wat bij. Zij teelde aardbeien, kweekte kippen en biggetjes. Daarnaast moest zij voor haar vijf kinderen zorgen: Jef, Andrea, Alda dus, Mieke en Jan. Alleen haar oudste broer Jef was met muziek bezig, maar dan van het ruige soort, als fan van onder meer Deep Purple, Black Sabbath en Led Zeppelin. Papa zong beaat in het gregoriaans koor en mama had thuis nog een diploma eerste prijs accordeon tegen de muur hangen. Thuis stond er een piano waarop Micha graag tokkelde, maar zij wilde ook noten kunnen lezen en trekt op haar tiende naar de muziekacademie in Turnhout. Die notenleer vond zij wat saai en friste dat wat op door bij mevrouw Piepeleers klassieke zang te gaan volgen. Qua muziek klonk het thuis nochtans anders, want daar zetten de kinderen Leppens graag de piratenzenders op die tijdens de sixties hoogtij vierden: Radio Mi Amigo, Radio Caroline en Radio Veronica. Micha liep uiteraard ook school. Eerst volgde zij de kleuterafdeling in Oosthoven, nadien op diezelfde school het lager onderwijs. Vanaf haar twaalfde trekt zij naar het Sint-Lutgardisinstituut in Turnhout, waar zij de afdeling handel volgt, specialisatie etalage, want Micha wilde er toch een kunstzinnige draai aan geven. Op haar veertiende sluit zij zich aan bij het covergroepje The Rimi’s, die graag rock en pop speelden. Dat groepje repeteerde wekelijks bij een buurjongen in de straat en zij kwamen snel aan de weet dat Micha kon zingen en noten lezen. Van haar ouders mocht ze ‘s zaterdags gaan optreden op voorwaarde dat zij om tien uur terug naar huis kwam. Op haar repertoire stonden in die tijd de hits van Sandie Shaw, Nancy Sinatra en Aretha Franklin. In 1968 wordt op Micha’s school een zangwedstrijd georganiseerd. Iedere klas vaardigde één leerling af. Micha won die wedstrijd. In de jury zat toen ook Paul Van Zummeren, die dirigent was van het koor De Zingende Kerk, en hij vraagt Micha of zij niet mee wil komen zingen. Op dat moment was Paul bezig zijn plicht als soldaat te vervullen en had een job op het kantoor van kapitein-commandant Karel Van Herck in de kazerne van Turnhout. Al jarenlang was Karel bezeten door muziek, zozeer dat hij zich bezighield met de carrière van een aantal Vlaamse artiesten met voorop Marc Dex en diens broer Juul Kabas. Karel vraagt op zekere dag aan Paul of hij in zijn koor geen meisje heeft dat goed kan zingen, want hij wil platen opnemen met een zangeres. Aanvankelijk weigert Micha, maar haar ouders zien het wel zitten dat hun dochter met een ernstig iemand als commandant Van Herck in zee gaat. Karel zal Micha de eerste knepen van het vak leren, hij zal haar manager blijven van 1968 tot en met 1971 en met haar toch wel haar grootste successen oogsten. Samen met Micha trekt Karel vrij snel naar de platenstudio van Decca in Brussel en blikt daar met haar in 1969 haar eerste plaatje De majoretten in, geschreven door Leo Valdi en Mie Rakel en opgenomen samen met het orkest van Francis Bay, gekoppeld aan (Waar is mijn) Shangri-la en uitgebracht op het Arcadelabel. De majoretten was geen toevallige keuze, want Van Herck wilde inspelen om Micha’s leefwereld. Zij was tamboer-majoor bij de harmonie Sint-Cecilia van Oosthoven en in die tijd was het als meisje leuk om bij zo’n harmonie je danstalent te etaleren. Haar toenmalige producer werd Louis Van Rijmenant, niet alleen bekend geworden door zijn Vogeltjesdans, maar ook als producer van onder meer Anneke Soetaert, The Jokers, Louis Neefs en Marc Dex. Een hit werd De majoretten niet, ook niet de volgende single Ik heb mannequintalent. In 1970 zijn er de singletjes Saki Samba en Mijn rendez-vous, een vertaling van een liedje van de bekende Italiaanse componist Tony Renis. Met dat laatste geraakt zij tot op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Een meevaller voor haar is het liedje Ho ho in Tampico, met op de keerzijde Torero, dat de zeventiende januari 1971 op zeven belandt in de Vlaamse Top Tien.

Omdat Micha aardig goed bij stem is, trekt zij in 1970 naar het in die tijd bekende liedjesfestival van Split in het huidige Kroatië. Op die manier zorgde haar platenfirma ervoor dat Micha internationaal werd opgemerkt. Het leverde haar optredens in het buitenland op. Zo nam ze niet alleen enkele platen in het Duits op, maar kon ze ook enkele tv-optredens bij onze oosterburen versieren. Datzelfde jaar staat zij samen met de Belgische ploeg op de planken van het “Jes Festival” in Oostende. Met het oog op een eventuele deelname aan het Eurovisiesongfestival in 1971 neemt Micha dat jaar deel aan “Canzonissima”. Er worden negen voorronden op het getouw gezet. De derde oktober 1970 wordt al van start gegaan met tien deelnemers: Johan Stollz, Nicole Josy en Hugo Sigal, Kalinka, Johnny White, Ann Christy, Ron Davis, Joe Harris, Kate’s Kennel, Mary Porcelijn en Micha Marah. Micha bereikt de finale, waarin zij vierde eindigt. De liedjes die zij in competitie zingt, zijn: Ik ben zeventien, Die ring en Tamboerke, geschreven door Francis Bay en Rudy Witt. Het zijn Nicole en Hugo die aan de haal gaan met de overwinning dankzij hun liedje Goeiemorgen, morgen.

Micha mag dan niet naar Dublin, maar zij wordt met haar liedje “Param, param”, beter bekend als Tamboerke, in Vlaanderen in één klap wereldberoemd. Het liedje werd op single uitgebracht, gekoppeld aan Ik ben zeventien. Zij dook met dat liedje niet alleen in de Vlaamse Top Tien, maar schoof ook door naar de BRT Top Dertig, waarin zij de zevenentwintigste maart op de vijftiende plaats mag prijken tussen internationale artiesten zoals George Harrison, Gilbert O’Sullivan, Lynn Anderson, Tom Jones en Neil Diamond. De veertiende maart stond ze met het nummer op vier in de Vlaamse Top Tien.Wat de keuze van haar liedjes betreft, had Micha geen enkele inspraak. Van Rijmenant en Van Herck pakten graag uit met het verhaal dat zij wisten hoe een hit moest klinken, want zij hadden bijvoorbeeld Marc Dex aan zijn succes geholpen. Tegenspraak werd trouwens niet geduld. Micha gedroeg zich voorlopig zeer volgzaam. In 1970 had Micha al haar eerste album “Micha Marah Internationaal” op de markt gebracht, waarin zij in diverse talen zingt, onder meer I love you more and more, Pour deux cœurs qui s’aiment en Morgen ist es zu spät. In 1971 verschijnt Tamboerke op de elpee “Micha Marah 17 jaar – Knokke 71″. Die titel was niet toevallig gekozen, want dat jaar nam Micha deel aan de in die tijd op televisie razend populaire en internationaal belangrijke “Knokke Cup” in het Casino van Knokke. Die Cup werd toen nog stroefjes de “Europabeker voor Zangvoordracht” genoemd. In 1971 namen er negen landen deel, waaronder Spanje, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Italië en België. Het was een liedjeswedstijd waarin bekende artiesten opdoken zoals Rachel, Danielle Licari, Roberto Blanco, Ada Mori en Susan Maughan. Voor ons land namen Joe Harris, Mireille May en Micha Marah deel. België werd uiteindelijk vijfde. Roemenië werd dat jaar tot eindwinnaar verkozen. Micha herinnert zich nog goed dat commandant Van Herck dit niet leuk vond, dat de VRT en haar producer Louis Van Rijmenant wilden dat Micha daar ging optreden. Hij vond dit maar een elitaire bedoening, een milieu waar hij zich niet graag in voortbewoog. Het wringt tussen Micha en haar platenfirma enerzijds en commandant Van Herck anderzijds. Uiteindelijk leidt dit tot een definitieve breuk met Van Herck. Die was kapot van die beslissing, want enkele maanden eerder hadden zowel Marc Dex als Juul Kabas al afgehaakt omdat zij het dominante management van de commandant niet meer slikten. Micha liep trouwens ook gefrustreerd rond, want aan de ene kant trok zij met haar broer Jef naar de liveoptredens van Led Zeppelin en Deep Purple in Vorst Nationaal en aan de andere kant stond zij op de Vlaamse podia Tamboerke te zingen. Zij is zeventien op dat moment en probeert met die tweestrijd om te gaan en onder de vleugels van Van Herck weg te vliegen. Hij had voor Micha uitgestippeld dat zij vooral Duitsgetinte, marsvriendelijke liedjes zou opnemen. De definitieve breuk kwam er omdat Van Herck geen rekening hield met het feit dat Micha een jonge vrouw werd, die wel eens wat anders wilde zingen. Ondanks die problemen en strubbelingen laat Micha met trots aan haar fans weten dat zij de zeventiende april 1971 op één staat in de Vlaamse Top Tien met Die heerlijke wereld. Met dit liedje, een vertaling door Joka van En un mundo nuevo van de hand van Antonio Luz, had Micha geschitterd tijdens de “Knokke Cup”. In recordtempo volgen de singletjes elkaar nadien op: Ik ben een meisje en Lange haren. Met Sterren aan de hemel, een vertaling van I believe in sunshine, gekoppeld aan Hey jongens, staat zij de zesde november opnieuw boven aan de Vlaamse hitlijst. Voor deze liedjes heeft Micha intussen een platendeal versierd bij het RKM-label van producer Roland Klüger, verdeeld door platenfirma Polydor. Zij zal op dit label van 1971 tot en met 1974 acht singles opnemen. In 1971 is er Micha’s derde album “Micha Marah 13 + 1″, een soort “best of”-elpee.

In 1972 neemt Micha deel aan het interprovinciaal festival van het Nederlandstalige lied “Hit ’72″. Elke Vlaamse provincie vaardigt vijf deelnemers af. Micha maakt, onder leiding van René Ingelberts, samen met Norma Hendy, Bobby Ranger, Samantha en Peter West deel uit van de Antwerpse ploeg, die tevens eindoverwinnaar wordt. Het overwinnende liedje is Koekebakke ma van Marino Falco, alias Marijn Devalck. Dit festival, dat geen lang leven beschoren was, moet Micha hebben aangestaan, want het jaar nadien neemt zij opnieuw deel. Deze keer heeft de finale in Blankenberge plaats. In het totaal nemen er vijftien Vlaamse sterren aan deel, onder wie Rudi Anthony, Danny Fabry, Andy Free, Eddy Romy en Micha Marah. Norma Hendy kreeg de persprijs voor haar liedje Een jongen naar mijn zin en Ann Michel wint met Waarom huilen. Ook de singletjes bleven niet uit voor Micha. In 1972 komt zij op de proppen met Johnny Boy en Kersen zonder stenen. Verder dan een tipnotering geraken die liedjes echter niet. In 1973 is het enige singletje dat echt opvalt Mister Popcorn, goed voor een tiende plaats in de Vlaamse hitlijst. Op het einde van dat jaar leert Micha Guy Beyers kennen, die toen instond voor de redactie van Jet Magazine, een uitgave van Concentra. Zij organiseerden regelmatig events met artiesten en op die manier leerde hij haar kennen. Stilaan ging Guy Micha meer en meer gezelschap houden als zij moest optreden. En kijk, zij worden een liefdeskoppel en gaan iets later ook een eigen theaterbureau uit de grond stampen en worden zakenpartners. In 1974 zet Micha Ik zal altijd van je houden en Hasta mañana op single, een vertaling door Nelly Byl van de gelijknamige ABBA-hit. Omdat zij zo’n geweldige uitstraling heeft en graag haar koffers pakt, staat Micha in 1974 ons land te vertegenwoordigen tijdens het Songfestival in Ljubljana in Joegoslavië en iets later tijdens het festival “Coupe d’Europe Musicale” in het Oostenrijkse Villach, geflankeerd door Ann Michel en Connie Neefs. De Belgische ploeg gaat met de eer en de overwinning lopen.

In 1975 duikt Micha nog eens op tijdens “Eurosong”. Tijdens de maand november 1974 werd al met de voorronden begonnen met in de finale tien deelnemers. Micha eindigde vijfde met ‘t Is over, geschreven door Fred Bekky en Bob Bobbot, leden van The Pebbles die haar maar wat graag ook begeleiden. Intussen heeft Micha een platendeal gesloten met EMI, dat Jack Verburgt, alias Jack Jersey, als haar producer aanduidt. Micha heeft de haren laten krullen en dost zich hipper uit dan voordien. Knappe Micha oogt daarmee nog knapper en vooral meer vrouw, daar is iedereen het in de media over eens. Met ‘t Is over belandt Micha de zevenentwintigste april 1975 op de vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. Micha trekt samen met de Belgische ploeg in 1975 nog eens naar het “Jes Festival” in Oostende. De VRT stuurt haar op zijn beurt voor het “Nordring Radio Prize Festival” naar Oslo in Noorwegen. Micha beleeft daar een dolle tijd samen met Ignace Baert, Bien Servi en Raymond van het Groenewoud. Drie jaar eerder was Micha al naar dat festival gezonden, toen in Nederland georganiseerd, waar zij onder aanvoering van producer Ward Bogaert samen met Tonia, Norma Hendy, de Bob Boon Singers en Louis Neefs mocht zingen. Voor platenfirma EMI zal Micha in het totaal drie singles opnemen: ‘t Is over, Beter leven geven en The French Song.

Intussen heeft Radio 2 Micha ontdekt als een presentatrice met een vlotte en verzorgde babbel. Van 1975 tot en met 1980 presenteert zij aan de zijde van Ro Burms en Jo met de Banjo “Kust-Side Story” en gaat zij van 1976 tot 1982 voor Radio 2 Omroep Antwerpen werken onder de vleugels van producer Jos Baudewijn in de programma’s “Piekuur” en “Vlaanderen Boven”.

Niets is Micha té vreemd en té uitdagend. De Nederlander Henk van der Molen schrijft op vraag van de BRT-televisie een musical en dat wordt “Of ik eens een sprookje zal schrijven”, waarin Micha de rol van de heks vertolkt. In de slipstream daarvan gaat zij optreden in de tv-shows van Henks toenmalige partner Martine Bijl. De twintigste februari 1977 staat Micha in de Vlaamse Top Tien genoteerd met Vaya con Dios. Van dan af gaat zij een tijdje schuilen bij het Polydorlabel, waarvoor zij ook nog de liedjes Dibbi-dibbi-dibbi-da en If you love me inblikt onder het toeziend oog van de Nederlandse liedjesschrijver Gerrit den Braber, die voor even ook haar producer wordt. Tussendoor geniet Micha van de buitenlandse zon en treedt op in The Belroy Club in Benidorm, gerund door Jo Leemans.

We zouden er zeeziek van worden, maar Micha wisselt nog maar eens van platenfirma. Zij neemt van 1978 tot en met een eind in 1979 een rist plaatjes op voor het Decibellabel, een nevenfirma van EMI. Van de hand van haar vriend en partner Guy Beyers is daar eerst Regen, gekoppeld aan Weet je waarom, dat met eindejaar de Vlaamse Top Tien wat opfleurt, maar toch niet hoger geraakt dan de zevende plaats. Van 1978 tot en met 1979 treedt Micha vaak en veel op met Nederlandse artiesten, onder wie The Blue Diamonds en Patricia Paay. In 1978 zingt zij op televisie zelfs een duet met Salvatore Adamo. Niet vergeten dat Micha samen met haar partner Guy Beyers het Benelux Theater van Robert Bylois overneemt. Micha zal van dan af almaar meer tijd gaan besteden aan het runnen van die zaak en als manager van andere artiesten gaan fungeren.

1979 wordt een opmerkelijk jaar voor Micha Marah. De BRT wil koste wat het kost met haar naar het Eurovisiesongfestival en organiseert een reeks van vijf programma’s, waarin zij zes nummers brengt en waarvan er telkens eentje afvalt. Voor de finale worden drie liedjes geselecteerd. Als derde liedje eindigt Mijn dagboek, gevolgd door Comment ça va en als eerste Hey nana, geschreven door Charles Dumoulin. Micha is in alle staten, want zij wil dolgraag met Comment ça va naar Jeruzalem afreizen, een liedje dat haar goed ligt, geschreven door Fred Bekky en Bob Baelemans van The Pebbles samen met haar partner Guy Beyers. Maar de jury gaat stijfkoppig dwarsliggen en Micha kan niet anders dan er zich bij neerleggen. Tijdens de vierentwintigste editie van het Eurovisiesongfestival eindigt Micha samen met Oostenrijk op de laatste plaats. Israël mag met de overwinning pronken dankzij Milk & Honey met Hallelujah. Met Comment ça va geraakt Micha de zevende april 1979 tot op de zevende plaats in de Vlaamse hitlijst.

Micha wil deze nare ervaring zo snel mogelijk vergeten. Zij is het deelnemen aan liedjesfestivals her en der grondig beu en besluit daar definitief een punt achter te zetten. Zij wil zich voor het volle pond inzetten voor haar carrière in Vlaanderen én Nederland. Het wordt ook even overleggen met haar team welke muzikale richting ze nu precies uit wil, want het was vaak met de natte vinger zoeken uit welke richting de juiste wind waaide. De hits bleven ook al een tijdje uit. Micha meet zich ook een nieuw imago aan: het kapsel wordt eenvoudiger, losjes, en een jeans mag ook al eens worden aangetrokken. Ze gaat in 1980 van start met een vlotte tournee samen met James Lloyd, van origine een Jamaicaanse zanger die in ons land zo’n zestal hits scoorde, waaronder Keep on smiling, Je t’aime chérie, Lolita Lo-Lo en Limbo limbo. Qua platenfirma heeft zij onderdak gevonden bij Assekrem van Erik De Blende. De negentiende juli van dat jaar scoort Micha in de Vlaamse Top Tien met Kom eens retour, geschreven door haar partner Guy Beyers in een productie van Marc De Coen, en iets later met El Caballero, eveneens op tekst van Guy. In 1981 wordt Micha door Luc Rammant van het Casino van Middelkerke gevraagd om de Antwerpse ploeg te coachen met daarin Fancy, Nicole Wouters en Marti. De Limburgse ploeg wint dat jaar. Dat jaar neemt zij ook het Gordellied Ik hou van alle zes op, de Gordel staat dan nog in zijn kinderschoenen. Jaren voordat K3 eraan denkt, gaat Micha liedjes opnemen speciaal voor kinderen bedoeld. In 1983 is er op het Rainbowlabel, in een productie van Stan Verbeeck, het eerste volume van “Alleen voor kinderen”. Bob Davidse, Nonkel Bob dus, merkt Micha op die manier op en vraagt haar het kinderprogramma “Denken en Doen” te presenteren, en wat later “Stad op Stelten”, dat zij om de veertien dagen samen met Marijn Devalck zal presenteren. Door de populariteit daarvan en de associatie van Micha met kinderprogramma’s verschijnt in 1984 het tweede volume in die reeks kinderelpees en nog eens een jaar later volume drie. In 1982 is er het album “Portretjes”, waarvoor Gerrit den Braber de meeste liedjes mag aanreiken en produceren. Dat album levert pareltjes op zoals Rozen Martha en Ineke, oom Guus, Johannes en de hond. Een Micha zoals we tot dan toe niet echt kenden, laten we zeggen met de wat betere liedjes en teksten. Bij Radio 2 gaat Micha de eerste januari van 1983 van start met een van haar bekendste programma’s “Hadiemicha”, een wekelijkse live radioshow waarin zij tal van gasten ontvangt, variërend van Jack Jersey, Marco Bakker, Rex Gildo over Conny Vandenbos en Rob de Nijs tot en met tal van haar Vlaamse collega’s. In de Vlaamse Top Tien wordt er nog middelmatig gescoord. Uitschieter in de zomer van 1984 is Zestien jaar, dat zij op het Rainbowlabel uitbrengt en waarmee zij in de Vlaamse Top Tien de elfde augustus op de vijfde plaats belandt. Samen met The Blue Diamonds neemt zij twee jaar later Blijf van m’n vriend op. Producer van dienst is Theo Breuls, want Micha heeft inmiddels onderdak gevonden bij Telstar, waar niemand minder dan Johnny Hoes de plak zwaait. In Vlaanderen zag geen enkele platenfirma rond die tijd nog brood in Nederlandstalige liedjes, dus trok Micha richting Nederland. Voor dit label neemt Micha in het totaal vier singles op, waaronder Als je echt van iemand houdt en Benny.

In 1985 richt Guy Beyers een eigen platenfirma Centropa op en zal daar in eerste instantie de platen van onder anderen Luc Steeno releasen. Een nieuwe draai geeft Micha aan haar carrière wanneer zij datzelfde jaar in Nederland Harry Thomas als manager aan haar zijde krijgt, de man achter het overbekende “Schlagerfestival”, gegangmaakt door Dennie Christian. Harry laat Micha daar niet alleen optreden, maar koppelt haar aan Mieke, Dennie en ook aan Freddy Breck. Van dan af kiest Micha qua repertoire voor de schlager en neemt in 1987 de single Wie gaat er mee op samen met Dennie Christian, Mieke en Freddy Breck. Zij sluit een platendeal met AKM Records, twee jaar eerder in Nederland opgericht door Ad Kraamer en Harry Thomas. Er is in 1987 ook het duet Jij hoort bij mij, dat zij met Freddy Breck zingt. Vreemd genoeg worden die singles in onze hitlijsten geen dijenkletsers en moet Micha het qua singlesucces meer hebben van de liedjes Vrijdagavond en Waarom ging je naar die ander, goed voor een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien de vierentwintigste september 1988. Wél een boem is het album “Vrolijk kerstfeest” dat zij samen met Dennie, Mieke en Freddy volzingt. Aan de knoppen zit producer Ad Kraamer en er wordt opgenomen in de Sunrise Studio in Nederland. Er worden meer dan vijftigduizend exemplaren verkocht, goed voor platina. Er volgt een tv-special en een hele rist concerten bij onze noorderburen. Vergeten we ook niet het liedje Samen dansen, dat Micha inblikt samen met Dennie Christian en Freddy Breck. Het viel sommigen op dat Micha almaar vaker achter dan voor de schermen terug te vinden was. Vanuit haar Benelux Theater gaat zij zich bezighouden met nieuwkomers als Luc Steeno, Frank Galan, Claudia Caluwé en Patrick Onzia. Zij wil haar ervaring met deze nieuwe artiesten delen.

Wanneer Harry Thomas in 1991 aan een hartaanval overlijdt, verwatert de samenwerking met Christian, Mieke en Breck en gaat ieder zijn eigen weg. Twee jaar eerder had Micha de start van VTM niet gemist en besluit weer wat schwung achter haar solocarrière te zetten. In 1989 verschijnen er een rist singles: Ik blijf op je wachten, ‘t Is te gek om weer verliefd te zijn en Jij bent het einde. Deze singles worden op het Centropalabel uitgebracht, het label dat Micha intussen met Guy Beyers is opgestart. Uit hun artiestenstal zullen op dit label de komende jaren ook de singles van Frank Galan, Luc Steeno, Phil Kevin en Wendy Van Wanten verschijnen. Het is voor Micha megabingo wanneer zij in de zomer van 1991 besluit een singletje met Luc Steeno in te blikken: Niets is mij teveel, geschreven door Guy Beyers en Raymond Felix, waarmee zij en Luc de vierentwintigste augustus op één staan in de Vlaamse Top Tien. Hopend op een hernieuwd succes blikt Micha in de periode nadien liedjes in zoals En op dat ogenblik, Is dit nu alles, Kan ik nog geven om jou en Veertig jaar, maar de Vlaamse hitlijst blijft buiten haar bereik.

In 1992 vraagt Ro Burms, presentator bij Radio 2 Omroep West-Vlaanderen, Micha als copresentatrice van het immens populaire “Kwistig met muziek”, dat zij elke maandagvoormiddag zal presenteren tot en met 1998. Voor een project in opdracht van Weight Watchers had Micha enkele Ierse muzikanten leren kennen die ook fan waren van Enya en Clannad. Zij wil die muziek beter leren kennen en trekt voor een eerste verkenningstocht naar Ierland. In een club leert zij niet alleen enkele muzikanten beter kennen, maar ook hun repertoire. Zij brengt enkele liedjes mee naar hier en smeedt het plan om een Ierse cd op te nemen. In 1993 keert Micha terug naar Ierland en ontmoet daar in de maand september in diezelfde club Isy McCormack, met wie zij een liefdesrelatie zal onderhouden tot in 2008. Isy staat samen met Yves Jongen in voor de productie van het album “Mijn nieuwe bestaan” met daarop vertalingen van Ierse ballads: De zon zal opgaan, Ik wil dansen en Verloren zoon. De plaat laat een totaal andere Micha horen, summier begeleid door een vijftal muzikanten, en wordt verdeeld door het platenlabel Indisc. Micha besluit nadien Engelstalige songs in te blikken met voorop als eerste hoorbare bewijs het album “No way back”, eveneens verdeeld door Indisc, met daarop de singles Granuaile en I will be there. Micha zingt op internationaal niveau. Zij gaat in de loop van 1996 op tournee samen met de Ierse singer-songwriter Sonny Condell, lid ook van de Ierse band Scullion, met wie zij twee jaar later het album “Voyage” uitbrengt. Op dat album staat ook een cover van Only a woman’s heart, oorspronkelijk van Eleanor McEvoy, dat Micha voor deze gelegenheid samen met Margriet Hermans zingt en waarmee zij een jarenlange belofte inlost ooit samen met haar een liedje in te blikken. Het wordt voor hen beiden een regelrechte radiohit én een klassieker in Vlaanderen. Omdat Micha almaar vaker gevraagd wordt om met haar nieuwe Ierse repertoire live op te treden, richt zij haar eigen Micha Marah Band op, negen muzikanten sterk. Nochtans besluit zij vanaf 2001 om met een trio te gaan optreden: Aidan Burke, Fons Vanhamel en Philip Masure. Op deze manier blijft zij dichter bij de ware Ierse roots en kan zij die muziek alle eer verschaffen die dat genre verdient. Zij treden op in kleinere clubs, maar ook op het Labadoux Folkfestival. Om te voldoen aan de vraag en ook rock, pop en soul te zingen, treedt Micha diverse keren op samen met The MG Band onder aanvoering van Marc Vermeersch met in zijn kielzog nog zeven andere degelijke muzikanten.

Vanaf 2006 komt er als een haast logisch vervolgverhaal het muzikale project The SoulDivaz met naast Micha Sandra Kim en Alana Dante, die later vervangen zal worden door de zwarte zangeres Afi, én The MG Band op het podium. In de lente van dat jaar is er de cover Dancing in the street en It takes two en zijn wij intussen vertrouwd met de SoulDivaz Mix met daarin Lost in music, He’s the greatest dancer en We are family van Sister Sledge verwerkt door DJ Wout. In de maand maart van 2007 wordt het definitieve startschot van The SoulDivaz gegeven tijdens de “Nacht van Exclusief” in het Casino van Knokke. Om tegemoet te blijven komen aan de vraag naar haar folkoptredens, werkt Micha het project “Marah, Burke, Masure en Vanhamel” uit, een avondvullende show samen met Aidan Burke, de Ierse violist, Philip Masure en Fons Vanhamel.

In de maand juli van 2010 verschijnt er bij Universal in de cd-reeks “Goud Van Hier” een verzamelaar van Micha Marah met daarop haar bekendste hits. Zij heeft intussen in Spanje een nieuwe liefde gevonden, wil vanaf eind 2013 van haar pensioen gaan genieten en, als het enigszins kan, nog als passionele vrouw en artieste een album opnemen met daarop uitsluitend haar lievelingsliedjes. Eind 2013 legde ze haar werk bij het Benelux Theater neer. Zij blijft wel nog één dag per week als consultant haar ervaring delen met een jonge ploeg medewerkers.

Wat die lievelingsliedjes betreft, vanaf de maand september 2014 trekt zij samen met Connie Neefs naar de theaters om de show “Lang zullen we leven!” uit te proberen en op punt te stellen, want vanaf begin 2015 kan deze productie geboekt worden. Het thema is dat in het leven veel draait om gevierd worden of het vieren waard is. Er worden passende beelden getoond en liedjes gezongen, liefst samen met het publiek. Micha en Connie brengen liedjes uit hun eigen repertoire, maar ook covers als De glimlach van een kind en Meisjes van dertien. Het programma is opgebouwd met uitsluitend Nederlandstalige muziek en onderschrijft wat er in een mensenleven zoals gebeurt, en op hun eigen humoristische manier nemen zij het publiek mee op een zeer herkenbare rit terug in de tijd. Bart Herman schreef een nieuwe nummer dat duidelijk maakt wat muziek voor hen beide betekent en dat als uithangbord dient voor het programma Supermedicijn dat alle ingrediënten in zich heeft om duidelijk te maken aan het publiek waar deze twee rijpe dames staan in het leven.

Dinsdag de 28ste juni 2016 verrast Micha Marah ons met een opmerkelijke single. Zij vertaalde To make you feel my love van Bob Dylan en schreef zelf de tekst voor Ik droom jou in kleur. Voor deze single deed Micha een beroep op rapper Fatih, half Turk, half Belg, wat resulteert in een fijne samenwerking waarin twee werelden, twee genres, twee artiesten en twee generaties elkaar vinden, maar met een enorm respect voor elkaars waarden. Micha wilde al lang een nummer schrijven waarin ze de tegenstellingen van de liefdesbeleving kon verwoorden. Ieder mens beleeft immers de liefde op een andere manier. Vooral in hiphop vergroot men die verschillen uit, vandaar haar keuze om met Fatih samen te werken.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Jacques Raymond

Het lijkt alsof het type crooner, zangers in de stijl van Dean Martin en Frank Sinatra, aan Vlaanderen voorbij is gegaan, tenzij je iets aandachtiger gaat luisteren en zoeken. Dan passeren heren als Jean Walter, Maurice Dean, Tony Sandler, Günther Neefs, Garry Hagger en Jacques Raymond de revue, waarbij meteen opvalt dat zij iets meer aandacht en erkenning verdienen dan tot nu toe het geval is geweest.

Jacques werd als Jozef Remon de dertiende oktober 1937 in Temse geboren.  Jacques was enig kind in huis en werd met veel liefde door zijn ouders omringd, al zag mama er op toe dat zoonlief strak in het gareel liep. Zij hield de teugels stevig in handen.  Van zijn vader heeft hij zijn grote liefde voor de muziek geërfd. Pa was een zeer begaafd accordeonist. Elke dag moest Jacques van zijn vader een uur op de accordeon oefenen terwijl hij liever met zijn vriendjes wou gaan spelen. Maar zijn vader hield voet bij stuk en daar is Jacques hem na al die jaren nog ontzettend dankbaar voor. Later, wanneer Jacques aan zijn carrière begint, is hij één van de weinige Vlaamse artiesten die vlot noten kon lezen. Pa had ook een accordeonclub en daar leerde Jacques vlot muziek én in groep spelen.

Thuis werd er niet veel over studeren gepraat. Wanneer Jacques naar de middelbare school trekt, houdt hij het al na één jaar voor bekeken en gaat bij zijn vader op de scheepswerf in Temse werken. Pa is daar meestergast. Dat houdt Jacques een tweetal jaren vol om iets later zijn dienstplicht te vervullen. Het is in het leger, tussen zijn kompanen, dat hij ontdekt dat hij goed kan zingen. Wanneer er gefeest wordt, is Jacques van de partij om in het Belgisch leger zijn eerste liedjes aan de man te brengen. Na zijn legerdienst wil Jacques zanger worden en sluit zich aan bij de big band van Willy Franck in Sint-Niklaas. Hier voelt Jacques zich thuis. Hier mag hij het repertoire van Frank Sinatra en Perry Como zingen naast de Nederlandstalige hits van toen en zelfs een Spaanse klassieker als Historia de un amor. Aangespoord door Willy Franck en vooral door zijn lievelingstante uit Sint-Truiden die vaak in Temse op bezoek komt, schrijft Jacques zich in voor de editie van de “Ontdek de Ster Wedstrijd” in Antwerpen. De VRT ging daarin op zoek naar nieuw talent van diverse pluimage tijdens een televisieshow uitgezonden vanop het “Radio en Televisiesalon” in Antwerpen. De editie van 1959 had plaats van de dertiende tot de eenentwintigste april in zaal “Roxy” in Antwerpen. Als laureaten werden uiteindelijk Roger Heynen, Clem Van Duyn, Adolf Michiels en Jacques Raymond gehuldigd. Let wel, tijdens de “Ontdek de Ster Wedstrijd” ging men niet alleen op zoek naar zangers, maar ook naar goochelaars, moppentappers en declamatoren. Voorafgaand aan die wedstrijd moet Jacques samen met een pianist een selectieproef afleggen bij de VRT. De jury zelf  krijgt hij niet te zien, die zit in een zaaltje ernaast en beoordeelt louter op het gehoor. Tijdens die voorselectie zingt Jacques vreemd genoeg het Spaanse Historia de un amor, al gaat zijn hart meer uit naar het Engelstalige werk. Nadat Jacques geslaagd was, stelt Willy Franck hem voor een ander nummer te kiezen en dat wordt Begin the Beguine van Cole Porter.

Na zijn overwinning krijgt Jacques vanuit diverse hoeken een platencontract aangeboden, maar voorzichtig en timide als hij is, gaat hij daar niet op in. Hij voelt zich nog niet klaar om aan het grote avontuur te beginnen. Hij wil zijn stem en vooral zijn  uitspraak bijschaven. Twee jaar lang houdt Jacques de boot af en studeert intussen ook nog wat muziek om toch maar zo goed mogelijk voorbereid aan zijn zangcarrière te beginnen. Jacques zegt in 1960 ja wanneer platenfirma Barclay bij hem komt aankloppen. De eerste single is Heel veel liefs en tot ziens waarmee hij in de zomer van 1960 op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien belandt. Veel airplay krijgt hij het jaar nadien met een Italiaans liedje van Pino Calvi, in Italië een gevierd zanger die ooit deelnam aan het liedjesfestival in San Remo en tevens een gelauwerd filmcomponist, vertaald door Nelly Byl als Mijn kleine Piccolina en dat op een eepeetje is terug te vinden samen met de liedjes Ja ‘t is waar en Permettete signorina. Dan kabbelt het een tijdje rustig voort met singletjes als Geef mij een kusje en Voor jou en mij waarmee hij in de maand juni van 1961 tot op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien doorstoot. Minder resultaat scoort hij met De eenzame zwerver, Teenagerliefde en Verliefd. Intussen blijft Jacques veel lof oogsten als zanger, iemand die mooi en juist kan zingen, vlot kan noten lezen en met wie het aangenaam is om samen te werken. Toch steekt het Jacques tegen dat hij geen inbreng heeft in de liedjes die hij moet opnemen. Hij is eerder een crooner die niet tot zijn recht komt in die typische Vlaamse liedjes. Omdat Jacques vlot kan noten lezen, krijgt hij tijdens de festivals en televisie-opnamen waaraan hij meewerkt vaak de meer moeilijke nummers voorgeschoteld en daardoor ook de minder toegankelijke, de minder commerciële en blijven de echte hits voor hem uit. Hij is niet assertief genoeg om die keuzes van de hand te wijzen en laat betijen. Stiekem is Jacques natuurlijk trots dat hij die nummers aankan  en daardoor door de profs in het vak erg gewaardeerd wordt. Geen wonder dat we hem in 1963 opmerken in het deelnemersveld van “Canzonissima”, de toegangspoort tot het Eurovisiesongfestival. Er worden negen voorronden op het getouw gezet, met telkens twaalf kandidaten. Uiteindelijk wordt de strijd beslecht tussen Chris Ellis, Bob Benny, Enny Denita, Lize Marke, Lieve Olga, Rina Pia, Staf Wesenbeek, Will Ferdy, Freddy Sunder, Jo Leemans en Jacques Raymond. Rina Pia eindigt derde met Er speelt een orgel, Lize Marke tweede met Luister naar de wind en Jacques Raymond eerste met Waarom, een liedje op tekst van Wim Brabants en muziek van Hans Flower. De drieëntwintigste maart 1963 staat Jacques in Londen op het podium van het “Eurovisiesongfestival” om daar de Belgische driekleur te verdedigen. In het totaal nemen zestien landen deel. Denemarken wint met Dansevise door het duo Grethe en Jörgen Ingmann. Jacques eindigt op de tiende plaats. Waarom vindt Jacques nog altijd niet het meest toegankelijke dat hij ooit gezongen heeft, maar hij voelde zich achteraf wel trots omdat hij tijdens die achtste editie het podium mocht delen met sterren als Françoise Hardy, Nana Mouskouri, Alain Barrière en Esther Ofarim.

Eenmaal terug thuis staat de telefoon niet stil. Optredens aan de lopende band, ook in Nederland en vooral Duitsland. Waarom wordt vlot gedraaid op de radio, maar geraakt niet in de Vlaamse Top Tien. Qua singles maken wij nadien kennis met de liedjes Ik blijf op je wachten en De lichtjes van de Schelde. Jacques wil internationaal doorbreken.

Platenproducer Louis Van Rymenant komt op de idee hem in het Engels te laten zingen en opteert voor een naam die internationaal klinkt, Ray Mondo. Probleem is dat hij als Jacques Raymond onder contract ligt bij Philips. Er moet dus sowieso voor een andere naam gekozen worden. Maanden lang blijven de mensen en de media geloven dat Ray Mondo een Amerikaanse zanger is met een voortreffelijke stem. Zeker wanneer het nummer You’re so sympatico op single verschijnt, geschreven door Fred Coots en Lester O’Keefe en op het Cardinal Records label van Rocco Granata uitgebracht. De eerste januari van 1965 staat Jacques, volgens Het Belgisch Hitboek en Ultra Top, met die single op de achtste plaats in de Top Dertig. Hij had daarin twee jaar eerder al onder de naam Ray Mondo op de twintigste plaats genoteerd gestaan met de single Gloria. In 1965 zingt hij zich als Ray Mondo opnieuw in de kijker, deze keer met een song van Clarence Lucas Song of songs, volgens velen één van de mooiste nummers die hij ooit heeft ingeblikt. Er is ook de single That train die hij samen met het orkest van Tony Vess inblikt. In 1965 is er de elpee “Ray Mondo” met in het totaal twaalf liedjes waaronder zijn bekendste Engelstalige singles alsook Ich liebe dich, Just to be with you again, If I loved you en Gloria in Excelsis Deo. Na een geslaagde tournee in de Skandinavische landen, lukt het hem in Duitsland te gaan optreden in diverse televisieshows, onder andere “Am Klavier in Studio Vier”, een populaire televisieshow van 1966 tot en met 1967 door het ZDF uitgezonden met daarin als vaste gasten de orkesten van Paul Kühn en Max Greger,  en “Zu gast bei Max Greger”. Jacques nam met dat orkest ook enkele specials op waaronder een programma volledig gewijd aan het repertoire van Glenn Miller en een met uitsluitend Franse klassiekers. Als Ray Mondo brengt hij nog de single Hey there uit, gekoppeld aan een cover van de hit I will, in 1966 Jezebel met op de B-kant Your face, het jaar nadien It must be her van Gilbert Bécaud en om af te ronden Some day. In 1967 is het Ray Mondoverhaal uitverteld. Dat schisofreen spelletje tussen Jacques en Ray leidde alleen maar tot misverstanden wanneer hij in het buitenland voor een optreden werd geboekt. Intussen weet natuurlijk vriend en vijand dat Ray Mondo, Jacques Raymond heet, en verdwijnt hij uit het zicht van de hitlijsten. Nederlandstalig is hij intussen als Jacques Raymond blijven opnemen en zijn de singletjes Lusteloos, Slotakkoord, Klokkenmelodie, Oh Donna Clara, Je liegt en Juke Box twist de revue gepasseerd.

Ondertussen was Jacques Raymond wat liedjesfestivals betreft zowat een vaste waarde bij de VRT geworden. In 1968 staat hij samen met Lily Castel, Hugo Dellas, Nicole Josy en Ann Christy in het “Casino van Knokke” om deel te nemen aan de “Europabeker voor Zangvoordracht”,  een internationale zangwedstrijd waaraan gerenommeerde artiesten of artiesten in wording deelnemen. Dat jaar kunnen wij genieten van Marty Wilde, Wayne Fontana, Pino Donaggio, Jacques Germain enz… Het is de Belgische ploeg die met de eer en de bloemen aan de haal gaat.  Jacques schittert er met zijn  vertolking van Songs of love. De eerste maart 1969 staat Jacques nog eens in de Vlaamse Top Tien, dit keer met Sylvie, goed voor een zesde plaats. Hij is helemaal terug van weggeweest wanneer hij de vierde juli j 1970 op vier geparkeerd staat met het zuiderse El Sol, door hemzelf geschreven samen met Rudy De Witt en Rocco Granata, met op de B-kant Dans de baci-boem. De eerste augustus bereikt Jacques daarmee de drieëntwintigste plaats in de Top Dertig (bron Ultra Top en Het Belgisch Hitboek). Jacques heeft blijkbaar de juiste sfeer en keuze te pakken, want de eerste januari 1971 staat hij op drie, deze keer met het op het Pimslabel uitgebrachte Nina, geschreven door Bill Parkinson, een up-tempo quickstep met een wat bombastische tekst, gekoppeld aan het nummer Hannibal. In de Top dertig staat hij de dertiende februari met die single op plaats zeventien.

Door een (on)gelukkig toeval zien wij Jacques Raymond in 1971 opnieuw opduiken op het podium van het “Eurovisiesongfestival”, deze keer aan de zijde van Lily Castel en dat ter vervanging van Nicole en Hugo, maar daar hoort enige uitleg bij. Willy Van der Steen van Cardinal Records, waar Nicole en Hugo in 1971 een platendeal mee hadden gesloten, beslist voor hen een liedje in te zetten dat hij niet meteen van bij de start  van “Canzonissima” wil aanvoeren. De derde oktober 1970 is op tv “Canzonissima” gestart met elf kandidaten waaronder Kalinka, Johnny White en Johan Stollz. Deze strategie blijkt een gouden zet, want uiteindelijk, ook al zijn Ann  Christy en Johnny White sterke tegenkandidaten, winnen Nicole en Hugo met Goede morgen, morgen. Zij weten nog precies dat zij bij Paul Quintens thuis werden ontvangen en dat hij hun het nummer op de piano voorspeelde. Zij voelden meteen aan dat dit hét lied zou worden en  niet zij alleen. Louis Neefs was er ook meteen weg van, hij had trouwens Nicole en Hugo aangepord dit lied zeker niet links te laten liggen omdat hij het zelf één van de betere composities van Paul Quintens en Phil Van Cauwenbergh vond. De  derde april 1971 heeft de zestiende editie van het “Eurosongfestival” in het “Gaiety Theatre” in Dublin (Ierland) plaats, gepresenteerd door Bernadette Ni Gallchoir. Alsof de duivel ermee gemoeid is, wordt Nicole net voor hun vertrek ziek. Zij krijgt geelzucht en moet verstek laten gaan. Haar vader wil nog dat Hugo in zijn eentje  naar Dublin gaat en dat Nicole nakomt, maar de dokter vindt dit onverantwoord en weigert op die wens in te gaan! Uiteindelijk besluit de VRT Jacques Raymond en Lily Castel naar Ierland te sturen. Jacques vindt achteraf dat hij een beetje onder dwang werd gezet en geen andere keuze had dan ja te zeggen. Hij moest ook wat tegen zijn zin onder leiding van Anton Peters de choreografie van Nicole en Hugo instuderen. Moeite voor niets, want toen ze in Dublin aan de beurt waren, bleek de beschikbare podiumruimte  veel te klein en bleef hun choreografie beperkt tot een paar houterige bewegingen. Al bij al deden Lily en Jacques hun uiterste best. Zij eindigden met achtenzestig punten veertiende op een totaal van achttien deelnemers. Monaco wint met Sévérine en Un banc, un arbre, une rue.

Omdat Jacques in diverse talen kan zingen en vlot noten leest, wordt hij graag gevraagd door onze oosterburen. Begin jaren zeventig  loopt bij de ARD het populaire “Opas Hitparade” waarin Jacques in zo maar liefst tweeënvijftig afleveringen optreedt. Daarin worden liedjes opgediept uit de jaren dertig tot en met zestig. Het programma duurt slechts een half uur en wordt in de vroege vooravond regionaal uitgezonden tussen zes en zeven uur. Daarnaast werkt hij ook mee aan de reeks “Hitjournal”, geschoeid op dezelfde leest als “Opas Hitparade”, maar dan grootser aangepakt en met hier en daar ook internationale sterren.  Goede herinneringen bewaart Jacques vooral aan zijn optredens met onder andere Graham Bonney en Howard Carpendale, al moet hij er zich bij neerleggen dat de Duitse artiesten een hogere gage krijgen. Wegens persoonlijke omstandigheden kan Jacques zijn droom niet verwezenlijken in Duitsland te gaan wonen en daar een carrière uit te bouwen, maar op die persoonlijke troubles wil hij, ook na lang aandringen, niet verder ingaan.  Toch neemt hij in de loop van zijn verblijf in Duitsland acht singles op waaronder Träume ohne Tränen, Keine Freunde, Es ist so leicht dir treu zu sein, Ein kleiner Flirt en Ich sehe die Liebe in deinen Augen. Hij houdt aan zijn Duits avontuur uit die tijd tevens twee langspeelplaten over: “Tanztreff” uit 1977 en twee jaar later “Ich soll Sie vergessen”. Het is hard werken voor Jacques, want in de loop van de week zit hij vaak in Duitsland en in het weekend werkt hij hier zijn agenda af. Jacques is geen platenvedette, hij moet het steeds hebben van zijn live-optredens.

In 1972 neemt hij deel aan het  “Zangfestival van het Scheldelied” en wint met het door hemzelf geschreven Scheldestroom waarvoor hij de “Grote Prijs van de Stad Antwerpen” in ontvangst mag nemen. Hij staat ook op het palmares van de “Gouden Sirene”, een tornooi dat van 1969 tot en met 1976 in het “Casino van Middelkerke” wordt georganiseerd, bedoeld om het Belgische lied in ere te houden. Ieder jaar heeft er een Nederlandstalige en een Franstalige reeks plaats. In 1975 wint Vivi met Klatergoud, geschreven door Gerd Frank en Raymond Resmann, krijgt Will Ferdy de persprijs en gaat de prijs van het publiek naar Jacques Raymond voor zijn vertolking van het nummer Isabelle.

Intussen heeft zijn platenfirma ontdekt dat Jacques een pak meer singles verkoopt wanneer hij in het Engels zingt dan in het Nederlands. Geen wonder dat wanneer hij op televisie een aflevering van de Amerikaanse reeks “Love Boat” bekijkt, hij geraakt wordt door de kentune, gezongen door de Amerikaanse crooner Jack Jones. Jacques ziet wel wat in dit nummer, maar het is iets te kort om op single uit te brengen en dus gaat hij het bewerken. Hij stapt ermee naar zijn platenfirma, maar die ziet dat niet zitten en dus brengt Jacques het nummer in eigen beheer uit.  Eind januari 1982 staat hij met een softe discoversie van Love Boat in de Top Dertig. Omdat de reacties unaniem lovend zijn, brengt hij enkele maanden later een bewerking uit van Smile geschreven door Charlie Chaplin en scoort daarmee zelfs nog iets beter in die bewuste Top Dertig.  Hij blijft ook regelmatig in Duitsland optreden en wordt vanaf 1981 zowat de huiszanger van de big band van de Saarländischer Rundfunk. Hier beleeft hij de tijd van zijn  leven, want hij mag optreden aan de zijde van sterren als Peter Alexander, Mireille Mathieu, Freddy Quinn, Catherina Valente en haar broer Sylvio Francesco, Nana Mouskouri, Rex Gildo enz… Ook de Engelse diva Shirley Bassey heeft hem ontdekt en vraagt hem tot tweemaal toe op te treden in haar voorprogramma, een voorstel dat Jacques in dank aanvaardt.

Omdat zingen en live-optreden hem na aan het hart liggen, richt Jacques zijn eigen orkest op, het “J.R. Septet”. Wanneer Jan Theys voor Radio 1 zijn populair programma “De Tijd van Toen” presenteert, vraagt hij Jacques regelmatig om daarin zijn stem te laten horen. Intussen heeft hij ook kennis gemaakt met de Vlaamse zangeres Ingriani, in 1952 als Ingrid Van der Weken in Vrasene geboren. Zij nam deel aan het “Festival van het Nederlandstalige lied” en “Het Zangfestival van het Scheldelied” telkens met liedjes door Jacques geschreven. In 1974 scoort Ingriani een hit in de Vlaamse Top Tien met Tenerife, al worden de singles Mijn hart is een tuin in 1972 en Lady in 1975 nog beter onthaald. Na een tijdje gaan Jacques en Ingriani samen optreden. Het klikt zo goed tussen hen dat zij verliefd worden en in 1995 besluiten te trouwen. Van dan af zijn zij op het podium zo goed als onafscheidelijk. In 2004 staan zij samen op de affiche van “Houden Van” in het Antwerpse Sportpaleis waar zij de affiche delen met Liesbeth List, Willeke Alberti, Miek en Roel, De Vaganten, Johan Stollz en Bart van den Bossche en zijn zij iets later te zien in een gastrol in de soap “Familie” bij VTM. Hun samenzang is te horen op de albums “Samen” uit 2007 en “Op de Vlaamse Toer” met daarop veertien liedjes.

In 1996 wordt Jacques door de VRT gevraagd om de jury van “De Gouden Zeemeermin” voor te zitten met de bedoeling tijdens enkele live-uitzendingen vanuit het “Casino Kursaal van Knokke” een geschikte kandidaat te selecteren om deel te nemen aan het “Eurovisiesongfestival”. Er zijn vier preselecties, goed voor veertig kandidaten én een finale waarin Splinter tweede eindigt met Ik laat je nooit meer gaan en Lisa del Bo wint met Liefde is een kaartspel geschreven door John Terra.

De eerste februari 1997 viert Jacques zijn vijfendertigjarige carrière, uiteraard in het gezelschap van zijn echtgenote Ingriani en tal van muzikale collega’s. Hij leert Marc De Coen kennen die op de idee komt een aantal crooners uit de jaren vijftig en zestig bij mekaar te zetten, wellicht geïnspireerd door het succes van De Drie Tenoren (Carreras,Dominog en Pavarotti). Hij organiseert in  1999 een tournee met het trio “De Gouden Tenoren” bestaande uit Bob Benny, Jean Walter en Jacques Raymond. Om die tournee op gang te trekken, verschijnt er een single met daarop een medley van hun bekendste hits. In 2001 wordt Bob Benny vervangen door Johnny White. Drie jaar lang zullen zij met deze formule volle zalen lokken. In 1999 worden Jacques’ bekendste nummers verzameld op de cd “Het beste van Jacques Raymond” wat in 2002 nog eens wordt herhaald op het album “Jacques Raymond” in de reeks Diamond Collection.

In 2012 beslist Jacques om stilaan afscheid te nemen van zijn publiek. Hij plant tot en met 2014, het jaar dat hij vijfenzeventig wordt, een afscheidstournee onder de titel “Het Laatste Rondje”. Samen met zijn vrouw Ingriani, die veertien jaar jonger is dan hij, brengt hij een overzicht van zijn internationale carrière, daarbij geruggesteund door hun vaste begeleider Jean-Pierre Van Roye en de komische animator Jean Monnet. Van deze show brengt Jacques op vraag ook een kleinere versie samen met Ingriani en Jean-Pierre Van Roye. Tussendoor vertelt hij pittige anekdotes uit zijn vijfenvijftigjarige loopbaan. Zo treedt hij in 2013 onder andere op in het “CC De Ploter” in Ternat, in het “Cultureel Centrum” van Kuurne, in “Het Kusttheater” in Blankenberge en het “CC Den Tap” in Lendelede. Eind 2014 valt definitief het doek over een meer dan rijkgevulde carrière.

Donderdagavond de vierde februari 2016 wordt Waarom van Jacques Raymond tijdens een wervelende show in het Kursaal van Oostende opgenomen in “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam, een liedje op tekst van Wim Brabants en muziek van Hans Flower. De drieëntwintigste maart 1963 zong Jacques dit in het “BBC Television Centre” in Londen tijdens de achtste editie van het “Eurovisiesongfestival”. Waarom vindt Jacques nog altijd niet het meest toegankelijke dat hij ooit gezongen heeft, maar het is wel een liedje dat hem na al die jaren nog na aan het hart ligt. Waarom, dat reeds tijdens de eerste editie van “De Eregalerij” in 2000 werd genomineerd, werd in Oostende gezongen door het duo Mathieu en Guillaume.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Petra

Hoeveel gedaanten zij in een kwarteeuw heeft aangenomen, kan niemand zeggen. Ook zelf moet zij het antwoord schuldig blijven. Alleen van haar brandende Eurosongambitie is Petra zeker“, aldus Gunter Van Assche in een interview in “De Morgen” van zaterdag tweeëntwintig februari 2014. Petra hoopte toen met haar deelname aan “Eurosong” een plaats te kunnen reserveren  in de volgende editie van het “Eurovisiesongfestival” in Kopenhagen, maar dat verhaal draaide anders uit. Zij haalde voor de vierde keer bakzeil.

Petra werd als Petra De Steur de twintigste juni 1972 in Gent geboren. Zij is de jongste in een gezin van zes kinderen: vier broers en een zus. Haar jongste broer is een goede bassist die vaak bij diverse covergroepen speelt, een andere zus geeft gitaarles en is een jazz-zangeres. Dus Petra is niet de enige binnen het gezin De Steur die door de muziekmicrobe is gebeten. Daarnaast heeft zij nog twee broers die gretig aan muziekkwissen deelnemen. Zij groeit op in Ursel, een dorp tussen Gent en Brugge. Papa kwam aan de kost als zelfstandig voeger en ma zorgde voor haar drukke kroost. Thuis stond de radio vaak aan. Mama dweepte met Elvis Presley en Petra’s broers met Neil Diamond, Deep Purple, Blondie, Chic, Bruce Springsteen, kortom diverse genres zat.

Haar kleuteropleiding en haar lagere school volgt Petra in Ursel om voor haar middelbare studies naar Aalter te verhuizen, naar een katholieke school waar men erop staat dat er algemeen Nederlands wordt gepraat. Zij begint in de afdeling Latijn-Wiskunde, maar laat snel het rekenwerk vallen ten voordele van de combinatie Latijn met moderne talen. Op haar achttiende studeert zij af aan de humaniora, maar dan is zij al druk bezig met haar zangcarrière die iets vroeger van start is gegaan. Op een zekere ochtend in 1982, Petra is dan tien, vertelt haar zus dat die haar heeft ingeschreven voor een zangwedstrijd, ook al had Petra tot dan toe nooit echt gezongen voor een live publiek. Zus lief begeleidt haar op de gitaar tijdens die wedstrijd waar Petra een leuke versie neerzet van het populaire kinderliedje Wouter, het klein kaboutertje.  Verkleed als kabouter ontstaat daar al de goesting om zich voortaan als het maar enigszins kan tijdens haar optredens op te tutten en te verkleden. Omdat Petra die zangwedstrijd won, ging zij almaar liever live zingen en nam sporadisch hier en daar aan zangwedstrijden deel. Steeds vaker komt zij terecht in het in die tijd populaire circuit van de playbackshows waar zij optreedt met het nummer Gardian Angel van de Duitse groep Masquerade (Drafi Deutscher) en een attractieve choreografie om vrij snel over te schakelen naar de soundmixshows waar zij, begeleid door haar broer en zus, liedjes van Sandra Kim zingt, of bijvoorbeeld Streets of London van Ralph McTell én niet te vergeten de rustige nummers van Madonna. Zij belandt op zestienjarige leeftijd, getooid in een bloemetjeskleed,  in de Belgische finale van de “Henny Huysman Soundmixshow” met het nummer Live to tell van Madonna, samen met Helmut Lotti die op zijn beurt doorstoot naar de Nederlandse finale in 1989.

Tijdens één van haar optredens wordt Petra opgemerkt door een deejay van Radio S.I.S. die een stand hadden op de jaarmarkt in Maldegem waar zij een nummer van Madonna live staat te zingen. Dat optreden wordt via de radio opgepikt door Frank Delobel, op dat moment zakenpartner van producer Adriaan Van Landschoot. De vijfde juni 1988, Petra zal die datum nooit vergeten, wordt zij door Adriaan uitgenodigd voor een studiotest. Zij trekken met Adriaans witte Rolls Royce naar Studio Uptide in Zelzate. Petra is blozend verrast wanneer zij daar “I like sexy dancing” mag inzingen. Er wordt dadelijk beslist Petra in hun platenstal op te nemen, haar naam in het Engels uit te spreken en de letter p qua schrijfwijze te vervangen door de Griekse p. Sexy Dancing wordt op single uitgebracht. Petra neemt het zanggedeelte voor haar rekening en een jongen (wiens naam zij inmiddels vergeten is) mag het rapgedeelte voor zijn rekening nemen. In het VRT programma “Moet kunnen” mag zij zelfs haar eerste single komen voorstellen. Om voor de nodige afwisseling te zorgen, wordt vrij snel beslist beurtelings een liedje in het Engels en eentje in het Nederlands op te nemen. Vergeet niet, in 1989 gaat VTM van start met als één van hun meest succesvolle programma’s “Tien om te Zien”. Adriaan schrijft voor Petra de ballad Vrienden waarmee zij de vijfentwintigste februari op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien belandt. Van de hand van de tandem A. Larson, Phil Wilde en Phil Sterman verschijnt iets later op het Mouse Label het dancenummer Just let go en eveneens My heart rules over my head.

In 1989 breekt Petra in Vlaanderen definitief door dankzij haar deelname aan de Baccarabeker, een zangwedstrijd tussen de vijf Vlaamse provincies, voor het eerst op het getouw gezet in 1981. Elke provincie wordt vertegenwoordigd door een coach en drie artiesten. Petra maakt samen met Anne Mie Gils en Ann Komac deel uit van de Antwerpse ploeg. Limburg wordt het winnende team en Kathleen Vandenhoudt gaat zowel met de personality- als met de persprijs aan de haal.

Als opvolger wordt gekozen voor Vrij zijn, gekoppeld aan Eindeloos liefdesverhaal. Adriaan had dat liedje al een tijdje klaarliggen en zocht nog naar een geschikte stem om dit symfonisch gedragen nummer op te nemen. Met Eindeloos liefdesverhaal geraakt Petra tot op negen in de Vlaamse hitlijsten. Adriaan voelt dat zij een tandje moeten bijsteken. Hij werkt samen met Phil Wilde en Phil Sterman aan Laat me gaan, een vertaling van het eerder uitgebrachte Just let go. En deze keer is het raak! De elfde november 1989 staat Petra zowel op één in de Vlaamse Top Tien als in Tien om te Zien en bereikt zelfs de vijftiende plaats in de BRT Top Dertig. Ook onze noorderburen laten zich niet onbetuigd en bekronen haar single met een negentiende plaats in de Nederlandse Top Veertig. Om in te pikken op de nakende feestdagen blikt zij Vrolijk kerstfeest, gelukkig Nieuwjaar in, maar de respons is gematigd.

Om van het verworven succes te profiteren wordt in 1989 de verzamelaar “Petra” uitgebracht met daarop zes Engelstalige songs zoals Sexy Dancin’ en Just let go en zes Nederlandstalige: Verliefd zijn is… Vrij zijn en Eindeloos liefdesverhaalHet is opnieuw bingo wanneer in 1990 Jij daar! op single verschijnt. Niet alleen de Vlaamse Top Tien heet haar welkom, maar ook de Nederlandse Top Veertig. Met Jij daar! schuift zij bij onze noorderburen door naar de achtste plaats in de maand maart van dat jaar. Zij lanceert ook de singles: Speel niet met vuur, Verliefd zijn is en Ca va? Dankzij Laat me gaan/ Just let go mag Petra ook in het buitenland gaan optreden. Uiteindelijk zullen van dat nummer méér dan één miljoen exemplaren verkocht worden, meteen ook Petra’s grootste hit in haar carrière. Voor haar “a dream come true”. Zij houdt  voldoende tijd vrij om zich als een soort tomboy te voetballen en haar liefde voor dieren te uiten.

In 1991 is er de cd “De Hits” met daarop twaalf liedjes zoals Jij daar, S.O.S., Imprisoned thoughts en Jij bent zo mooi. VTM komt op datzelfde moment op de idee het album “Vlaanderen mijn land”  te compileren. In het totaal vijftien artiesten die bekende Vlaamse liedjes zingen. Raymond Van het Groenewoud mag uitpakken met zijn klassieker Vlaanderen boven, Tura met Vlaanderen mijn land, Jo Vally met Aan het Noordzeestrand, Johnny White met Het Schrijverke en Petra & Co met haar bewerking van het volksliedje Het loze vissertje. Zij staat erop dat het nummer in een dansante versie wordt gegoten. Het album doet gouden zaken en Petra’s single staat de vijftiende augustus van dat jaar op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. In het kielzog van dat succes volgen de singles: Vergeet me niet, Niets voor niets met op de B-kant Pas trop vite en Nooit zo dichtbij. Geen echte hoogvliegers in de hitlijsten, maar op die manier blijft zij in “Tien om te Zien” opduiken en dat is als artiest altijd lekker meegenomen. In 1992 besluit VTM een vervolg te breien aan “Vlaanderen mijn land” door een tweede volume in de markt te zetten. Yasmine zet haar tanden in Drie schuintamboers, Willy Sommers zingt Moederke alleen, Hans De Booy zingt samen met Wannes van de Velde het prachtige duet Lichtjes van de Schelde en Petra durft het aan een eigenzinnige versie te brengen van In een klein stationnetje, in de zomer van 1992 goed voor een notering in de Vlaamse Top Tien.

In 1993 waagt Petra zich samen met Adriaan en Fred Bekky aan het schrijven van Ga Door, maar dit loopt met een sisser af, de single wordt weinig of niet opgepikt en mist ook een notering in de hitlijsten. Omdat VTM er nog zin in heeft, verschijnt in 1993 het derde volume in de cd-reeks “Vlaanderen mijn land” met daarop onder andere Bart Kaëll met Ik loop graag verloren, Ingeborg met Eindstation, Tony Servi met Terug in Vlaanderen, Stef Bos met Mijn stad en Petra met Vlaanderen mijn land, eenmaal op single uitgebracht, bekroond met een zesde plaats in de Vlaamse Top Tien van de maand juli 1993. Op het Mouse -label verschijnt de verzamelaar “Successen” met in het totaal zestien songs beginnend met Laat je gaan en eindigend met Geef me liefde, een nummer van Adriaan en niet te verwarren met Tura’s gelijknamige hit.

In een soort gulzige bui, of creatieve als je dat liever hoort, start Petra met haar entourage een nieuw danceproject op “Pep Art”. Geflankeerd door de tweelingbroers Jan en Piet,  probeert Petra een aanval te plegen op de internationale hitlijsten, maar verder dan die poging geraakt zij niet. De drieëntwintigste maart 1994 geraakt zij tot de tweeëntwintigste plaats in de BRT Top Dertig. Dat project verdwijnt  vrij snel om plaats te ruimen voor een nieuw project “D.S. Pee” wat staat voor De Steur Petra. Om het publiek wat extra’s te gunnen zien wij  Hilde Vaneeckhoutte, ex-lid van The Confetti’s, al dansend mee optreden. Zij proberen ons te amuseren met de medley Yes Sir met daarin de jazzy meezingers Yes sir, that’s my baby, Charleston en Jazzy rave. In 1994 is er als Petra ook nog een cover van de Amerikaanse hit Gimme little sign van Brenton Wood dat Petra in een Franse versie opdient als Ne me laisse pas comme ça.

Omdat nieuw bloed welkom is, beslist Petra in 1995 haar samenwerking met Adriaan Van Landschoot af te ronden. Zij gaat zich even bezinnen. Petra vindt snel onderdak bij platenfirma CNR en neemt samen met producer Phil Sterman een bewerking op van de Ann Christyklassieker Ik leef voor jou. De negenentwintigste maart 1996 staat zij op één in de Vlaamse Top Tien en is weer helemaal terug van even weggeweest. Dit nummer staat de vierde mei op de zevende plaats in de BRT Top Dertig en zal in die lijst voorlopig haar hoogste notering ooit blijven. In de zomer van dat jaar zet zij een bewerking van T’appartengo van Ambra op single als ‘k Beloof jou en krijgt in ruil daarvoor de tiende augustus een derde plaats in de Vlaamse Top Tien aangeboden. In de BRT Top Dertig zit er de eenentwintigste september een vijftiende plaats in voor haar. Samen met Phil Sterman schrijft Petra het behoorlijk poppy Vrij dat  makkelijk de Vlaamse hitlijsten haalt. De zevende december staat ze daarin op vijf genoteerd. In de BRT Top Dertig merken we dat er voor deze sinlge een drieëntwintigste plaats inzit.  Jij en ik doet het iets minder, maar Jawa! staat nogal snel in de Vlaamse Top Tien op acht. Niet dat je die resultaten meteen van de daken moest schreeuwen, maar Petra scoorde tenminste.

Omdat een verzamelaar nooit weg is, wordt in 1996 het album “Het beste van Petra” in de etalage gezet. Achttien van haar bekendste nummers uitgebracht op het CNR label. Het album zet in met Ik leef voor jou, passeert hits als Mooi is het leven, Het looze visschertje en Ga door en rondt af in schoonheid met Love is a chain en Ne me laisse pas comme ça. Er zit in de Album Top Vijftig voor Petra een negenentwintigste plaats in. Haar platenfirma geeft achteraf ruiterlijk toe dat zij er meer van verwacht hadden. Er volgt in 1997 de cd “Petra” met daarop haar meest recente singles verzameld en de nieuwelingen Als ik droom en Geen denken aan. Petra blijft hondstrouw aan producer Phil Sterman.

Wanneer Adriaan Van Landschoot in 2000 met zijn coverende boyband Dreamlovers van start gaat, huurt hij Petra in om de heren te leren zich attractief te bewegen op het podium. Met hen zal hij drie nummer één albums opnemen. Datzelfde jaar merken wij haar op als backing vocaliste tijdens de deelname van Gerlando aan de Waalse voorronde voor het Eurovisiesongfestival. Dit wordt echter geen meevaller en weer verdwijnt Petra in een deelse anonimiteit. Daar weet ze uit te ontsnappen wanneer zij de zeventiende augustus 2002 van zich laat horen in de BRT Top Dertig met een cover van What a feeling van Irene Cara, een nummer geschreven door de legendarische producer Georgio Moroder.

Twee jaar later wordt zij ingehuurd door de directie van “The Stage” in Antwerpen, een horecazaak in de buurt van het Centraal Station en de Keyserlei. “The Stage” is een art-deco pand volledig ingericht zoals een theater, inclusief een smaakvol restaurant. Tijdens het dineren kan je van een schitterende brok theater genieten. “Wonderland” is één van de producties waarin zij daar schittert, een eigentijdse versie van het sprookje “Alice in Wonderland”. Petra kruipt in niet minder dan zeven verschillende gedaantes: van de moeder van Alice over een rups tot en met Ceshire Cat. Zij wordt geflankeerd door een aantal bekenden uit de musicalwereld waaronder Myriam Bronzwaar, Jeroen Maes en Sasha Rosen. De musical wordt muzikaal ingevuld door bekende hits zoals Think van The Pointer Sisters, Que sera sera van Doris Day en Erotica van Madonna. Tussendoor wordt het publiek verwend met een culinair hoogstaand viergangenmenu. La Sakhra, alias Petra, wordt geboren, een act die zij samen met Patrick Hamilton en Vincent Pierins ontspint en op het getouw zet. Tijdens “Eurosong” in 2006 gooit zij hiermee hoge ogen. Zij moet in de finale alleen Kate Ryan laten voorgaan die met het nummer Je t’adore naar Athene mag afreizen, maar daar strandt in de halve finale.  Maar Petra zou Petra niet zijn, mocht zij haar project La Sakhra maar een tijdje in de picture zetten en dan weer verdwijnen. Toch brengt zij nog als volgende single in 2006 Tomorrow is not soon enough op single uit. Wanneer VTM dat jaar beslist een Big Brother-editie in te vullen met BV’s is Petra er als de kippen bij om mee te doen. Jo Planckaert zit in het huis samen met onder meer Ivan Heylen en Cynthia Reekmans. Wanneer op een bepaald moment Petra’s ex Javier De Rijcke binnenstapt, verlaat zij ogenblikkelijk het Big Brotherhuis. Zij had Javier leren kennen toen die nog deel uitmaakte van de boyband Dreamlovers.

Het Eén programma “Zo is er maar één” is Petra ook niet vreemd, want de 26ste januari 2007 wordt zij door Yasmine uitgenodigd om in de categorie “Liedjes van de Lage Landen” als La Sakhra haar versie neer te zetten van Terug naar de kust, dat wij bij ons heel goed kennen in de hitversie van Maggie McNeal. Een jaar eerder zong zij de vijfde mei in datzelfde programma haar versie van Het kan niet zijn van Will Tura in de categorie “Liedjes over Liefde”.

Tijdens de zomer van 2007 mag Petra het podium van “Het Witte Paard” in Blankenberge nog eens op. Daar stond zij eerder al in 1999. Een jaar later viert zij op diezelfde planken haar twintigjarige carrière tijdens de show “Crazy Again!”.

In de maand september van 2011 verrast Petra ons met het project “Ohoh7″, een overduidelijke knipoog naar James Bond. Door een negenkoppige band laat zij zich graag begeleiden in songs die wat met geheim agent 007 te maken hebben. Zij geven er een eigen draai aan zonder afbreuk aan de originele songs te doen. Thema’s die aan bod komen zijn: snelle auto’s, spionage, cocktails en knappe vrouwen. Visuele effecten en achtergrondinformatie moeten het geheel afronden.  Nostalgie viert bij deze hoogtij. En daar lust Petra wel pap van. Zij lanceert in 2013 een soort bigband offensief middels de knappe single If you were my man. Met een rist vrienden blikt zij een bijhorende clip in. Dit is Petra ten voeten uit. De jaren dertig lijken haar biotoop te zijn. Voor het einde van het jaar belooft Petra haar autobiografie “Alle sluiers af”. Zij wil op deze manier haar vijfentwintigjarige carrière in de bloemen zetten. Swingpop, de nieuwe stijl die zij met Patrick Hamilton en Vincent Pierins lanceren. In diezelfde stijl is er iets later de single Dance.

In 2014 wil Petra haar kansen nog eens wagen tijdens “Eurosong” met het oog op deelname aan de negenenvijftigste editie van het “Eurosongfestival”. “Eurosong” wordt op Eén uitgezonden en gepresenteerd door Peter Van de Veire en Eva Daeleman. In de professionele jury zetelen Jef Martens, Ruslana, Piet Goddaer en Bart Peeters. Petra wordt in de pers nog maar eens geëtaleerd als de artieste met de duizenden looks. Geen kat weet nog in welk vakje ze thuishoort. Zij wil het spreekwoord “drie maal is scheepsrecht” ontkrachten en neemt voor de  vierde keer deel. Wij sommen nog eens op: in 1993 met Ga door waarmee zij halthoudt op de tiende plaats. Vreemd, want Petra staat dan op haar hoogtepunt. Ga door was op dezelfde leest geschoeid als haar grootste hits. Vlaanderen is blijkbaar niet echt rijp voor haar looks. Muziekminnend Vlaanderen mag haar namelijk bewonderen in een lichtgekleurd kostuum en latexkapsel.  In 1999, Petra is dan uitgedost in een wat onthullend kleedje met vrij kort haar en een act waarin zij een rups verwerkt,  neemt zij deel met  Diep in mijn huid, goed voor een zesde plaats. Marcel Vanthilt breekt haar af tot tegen de grond en kan het niet laten haar een “kunstig beschilderde vormkip” te noemen. Petra kan die kritiek moeilijk verwerken en houdt zich een tijdje gedeisd. Als La Sakhra, wat zoveel betekent als Petra in het Hebreeuws,  in een jaren dertig outfit verrast zij ons in 2006 met het nummer  Wonderland, goed voor een tweede plaats en in 2014 met het door onder andere Paul Drew en Greig Watts Killer Touch, gekoppeld aan een heel opvallende act, maar zij struikelt al in de eerste halve finale. Het liedje klinkt doordeweeks en middelmatig. Zij scoort amper 75 % en wordt uitgesloten voor verdere deelname.  Zij is er als de kippen bij om aan de pers te melden dat zij er haar slaap niet voor zal laten. Nochtans blijven de twitterende verbale aanvallen aan haar adres niet achterwege: strekenwijf op prepensioen, carrièreloos niemendalletje, provinciale travestie-act enz… Haar reactie: “Ik heb een olifantenvel gekweekt. Dat moest wel. Ik ben nu al jarenlang het mikpunt van spot! Sommige mensen zijn nu eenmaal slecht van inborst of weigeren hun verstand te gebruiken. “Jammer voor haar vroegere mentor Adriaan Van Landschoot die het niet kan laten haar in Dag Allemaal van bij de start van Eurosong 2014 al te kronen tot de uiteindelijke winnaar. Maar het eindresultaat ziet er anders uit. In de finale belandt Eva Jacobs met Nothing is impossible op de derde plaats, de groep Bandits met One op de tweede en de Waalse zanger Axel Hirsoux op de eerste met Mother. Petra blijft achter met een pak vragen, vooral over de commentaren van de vakjury. De nieuwe formule houdt namelijk in dat de artiest zelf het deelnemende liedje niet mag kiezen, dat wordt door de vakjury zelf aangeboden. De jury knapt vooral af op haar act en op het feit dat zij nu niet meteen de beste zangeres is. Reactie van Petra: “Ik heb me misschien wat laten intimideren door de experts. Er was ook wat tijdsdruk en ik dacht bij mezelf dat het beter was om niet in discussie te gaan. Ik kan overigens goed om met opbouwende kritiek, maar deze keer kon ik met hun commentaar minder overweg. Ze zaten maar wat te wauwelen en durfden me achteraf zelfs niet recht in de ogen te kijken.”

Petra bijt door en brengt in maart 2014 I can feel it uit op het Globe label geschreven door Patrick Hamilton, Vincent Pierins en Guy Ballaert. De verwarring is groot, want zij keert daarmee terug naar haar dance roots. De negen levens en elfendertig gedaanten die haar in de media worden toegedicht, worden daarmee pure realiteit. Haar liefdesleven heeft Petra altijd behoorlijk buiten de schijnwerpers kunnen houden, al heeft zij er intussen wel een aantal relaties opzitten. Aan kinderen heeft zij wel gedacht, maar nooit de geschikte man gevonden om zich als gezin te settelen. Naast Javier De Rijcke had zij ooit een verhouding met Mario die tien jaar stand hield en ook met schrijver Steven De Smet, een relatie die eveneens tot het verleden behoort. In 1999 ging Petra na haar Eurosongavontuur aan de slag als verantwoordelijke bij modeketen H&M waar zij nog steeds bedrijvig is.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Jelle Cleymans

Het zal je maar overkomen dat je tegen Clara Cleymans mijn zus mag zeggen, tegen actrice Karin Jacobs, bekend van haar rol als Karen in “Wittekerke” en Paula in “Stille Waters”,  mijn moeder en tegen musicus Jan Cleymans mijn vader. Jelle komt uit een gul nest. Zowel papa als mama Cleymans waren enig kind en erfden de gewoonte vrijgevig met cadeautjes om te springen, geen grootse dingen, maar wel klein en fijn. In dit nest werd Jelle de achtste augustus 1985 geboren. Voordien waren zowel de ouders van papa als van mama al gescheiden, dus die warmte heeft hij wel van meet af aan moeten missen, al heeft dat gemis nooit echt sporen nagelaten, ook niet toen hij negentien werd en zijn ouders besloten dat hun relatie er op zat en elk zijn eigen weg ging.

Pa was gek van jazz en probeerde die liefde zoveel mogelijk aan zijn kinderen door te spelen vooral wanneer zij in de auto zaten, muziek van saxofonisten zoals Joshua Redman en The Brecker Brothers. Mama bleef trouw aan Radio 3, de latere Klarazender. Jelle zelf dweepte in zijn kindertijd met Bart Peeters. Hij sloeg haast geen enkele aflevering van “De Droomfabriek” over en was een trouwe fan toen Bart samen met The Radios de baan op ging, al begreep Jelle niet altijd wat zij in het Engels stonden te zingen. Het klonk in elk geval erg leuk. Als kind was hij ook gebiologeerd door alles wat met Kuifje te maken had en verzamelde zowat alles wat betaalbaar binnen zijn bereik lag, tot een dekbed toe. Zijn allereerste plaat die hij zelf kocht was toen hij twaalf was, een verzamelaar van de Britse popgroep Wet Wet Wet. Maar bij de aankoop van platen voerde jazz de boventoon met voorop funky namen als Maceo Parker, Horace Silver en Art Blakey. Een wat vreemde keuze voor een puber wiens vrienden in die tijd naar Studio Brussel en aanverwante zenders luisterden. Al die tijd leidde hij met zijn zus Clara een vredig bestaan. Af en toe werd er al eens gekibbeld, maar door de bank waren zij rustige, zeer brave kinderen. Toen Jelle zestien werd, heeft zijn moeder hem eigenhandig richting kroeg geleid zodat hij daar met zijn vrienden eens een pint zou gaan pakken, anders blééf hij thuis zitten. Clara trok naar het Lemmensinstituut waar zij als intern verbleef, dus haar onstuimige jaren heeft zij zeker niet samen met broer Jelle gedeeld. Op zijn negentiende gingen hun ouders dus uit elkaar, maar voor Jelle achteraf bekeken zeker geen triest moment. Hij voelde zich opgelucht dat zij uit elkaar gingen, hun wederzijdse behoeften lagen te ver uit mekaar en het bracht rust in huis. Mama maakte graag verre reizen, voor papa was een trip naar Spanje al een hele onderneming. Om maar één verschil aan te duiden. Intussen hebben zij beiden een nieuwe partner die hun veel beter ligt en voelen zijn ouders zich erg gelukkig en gaan nog steeds warm om met hun kinderen. Na die scheiding schreeuwde Jelle het wel van de daken dat eeuwige liefde en trouw niet bestond en ook nooit zal bestaan, al roept hij dat nu, zeker onder zachte dwang van zijn huidig lief, met de nodige nuances en zou het kunnen dat de eeuwige liefde er ook voor hem wel eens zou kunnen inzitten.

Omdat muziek Jelles ding is, gaat hij als kleuter naar “De Kleine Beer”, een school die zich duidelijk profileert op het domein van muzikale vorming in de Molenstraat in Antwerpen en komt daar drie jaar na elkaar terecht onder de veilige vleugels van juffrouw Sonia, die hij na al die jaren nog regelmatig ontmoet. Toen al merkte juf Sonia op dat Jelle goed kon zingen. Op zijn achtste stelt de arts bij Jelle een erge vorm van psoriasis vast, een chronische auto-immuunziekte met een versnelde deling van de hoorncellen in de opperhuid als gevolg, kortom schilfertjes en rode vlekken van kop tot teen. Als kind krijgt Jelle onder meer af te rekenen met een duidelijk zichtbare rode vlek op zijn aangezicht, iets dat zijn schoolkameraadjes als vies bestempelen, maar waarmee hij leert leven. Hij houdt er gelukkig geen complex aan over. Wel weet hij dat hij zich voor de rest van zijn leven met zalfjes zal moeten behelpen en dagelijkse medicatie. Regisseurs in Vlaanderen weten intussen ook dat zij aan Jelle niet hoeven te vragen of hij in ontbloot bovenlijf of in adamskostuum op de set wil verschijnen, want dan zal hij vriendelijk bedanken voor die rol.

Na zijn kleuterjaren trekt Jelle naar de “Silo Musica” in de Lange Ridderstraat in Antwerpen, een basisschool die vooral de klemtoon op muzikale vorming legt met daarbij veel zorg voor de totale persoonlijkheid van het kind in functie van zijn aanleg en interesse, met daarnaast ook aandacht voor vakken als taal en wiskunde. Hier leert Jelle vanaf het eerste leerjaar notenleer, vanaf het derde leerjaar moet iedereen blokfluit spelen. Ritmiek en leren correct zingen staat ook wekelijks op het programma. Vanaf het vijfde leerjaar mocht je als je dat wou aanvullend naar de muziekschool met dit voordeel dat de muziekschool naar jou toekwam, in de lokalen van de Silo Musica zelf, na de gewone lesuren. Het leuke hieraan was volgens Jelle dat zij muziekstukken instudeerden waarmee zij nadien uitpakten tijdens schoolconcerten die de kerst- en paasvakantie vooraf gingen en die georganiseerd werden op locaties zoals de handelsbeurs of in een of andere kerk. Vooral het samen musiceren, was leuk en ook dat de oudere leerlingen hun virtuositeit mochten etaleren. In het geval van Jelle was dat op de klarinet.

Intussen was de familie Cleymans verhuisd van Antwerpen naar de gemeente Walem in de buurt van Mechelen en moest Jelle voor zijn middelbare studies willens nillens een andere school kiezen. Gekozen wordt er voor het lyceum in de Caputsteenstraat in Mechelen waar op dat moment cultuur in het schoolprogramma niet voorop staat, voor Jelle een harde noot om te kraken en het is meteen aanpassen geblazen. Hij is gelukkig een goede leerling en kiest voor de richting latijn-moderne talen en zal zes jaar later zijn diploma met veel verve behalen. In het begin viel de tucht hem zwaar, maar achteraf bekeken is hij blij dat hij die leerschool met succes heeft mogen ervaren.  Hier leert hij van meet af aan met kritiek omgaan, in de pas lopen en orde op zaken stellen, iets dat voor hem als sloddervos zijnde een hele opgave bleek te zijn. Op het einde van zijn middelbare studies is Jelle compleet in de ban van het vak geschiedenis. Zijn leraar geschiedenis van toen wil hem in die richting duwen, maar het succes ligt bij de overgang van het vijfde naar het zesde al op de loer en Jelle moet voor een totaal andere richting kiezen, die van de showbizz en het amusement. Maar dat verhaal gaan we stap voor stap vertellen.

Acteren zit er voor hem al vroeg in. Deels omdat mama als actrice die theaterwereld goed kent, veel connecties heeft en het handig is om de zoon van… te vragen. Die jongen is namelijk heel aai- en kneedbaar, leert snel en voelt aan wat acteren is. Zo zien wij hem in de rol van de kleine Pieter in de soap “De Kotmadam”, mag hij de rosse spelen in “Lilli en Marleen” en flankeert hij Gaston Bergmans in één van zijn shows. Het gaat Jelle makkelijk af. Het wordt al wat ernstiger wanneer hij in 1997, hij is dan twaalf, gevraagd wordt om de rol van Gavroche te spelen in de Vlaamse versie van de schitterende musical “Les Misérables” aan de zijde van zijn zus Clara en met Hans Peter Janssens in de hoofdrol. Hier voelt Jelle dat hij voor de musical gemaakt is, dit genre ligt hem, hoe jong hij ook is. Hier mag hij niet alleen zingen, maar ook acteren en af en toe een beetje dansen, al zal hij daar nooit in uitblinken. Iets later is hij te horen in het programma “Voeten Vegen” bij Radio 1 en vraagt Rob Vanoudenhoven hem voor een aflevering van de “XII werken van Vanoudenhoven”. Iedereen krijgt het na een tijdje door dat Jelle voor vele karren te spannen is. In 1999 vraagt regisseur Filip Van Neyghem hem voor de rol van Steef in de verfilming van het boek “Blinker en de bakfietsbioscoop” van Marc De Bel. Jelle mag acteren aan de zijde van onder meer Warre Borgmans, Chris Lomme en Nathalie Meskens.

Het hek is pas echt van de dam wanneer hij in 2002 door Studio 100 wordt benaderd om mee te werken aan “Spring”, een jeugdserie uitgezonden op Ketnet. Die reeks gaat over een groep jongeren die in en rond dansschool Spring verblijven en die zichzelf en de wereld ontdekken. In de zomer van 2002 wordt met de opnames begonnen. Jelle speelt zes seizoenen lang de rol van Evert Van Bellum met voorts in die cast onder andere Herman Boets, Annemarie Picard, Kobe Van Herwegen en Timo Descamps. Bij de kinderen wordt deze reeks meteen een groot succes, zo groot dat de bedenkers Danny Verbiest, Hans Bourlon en Gert Verhulst beslissen de band Spring op te richten, platen te gaan opnemen en on tour te gaan. Alleen worden voor deze aanpak andere mensen gekozen: Jelle is muzikaal genoeg en mag blijven, geflankeerd door Anneleen Liègeois, Cara Van der Auwera en Dami Corlazzoli. Hans en Gert schrijven de teksten en Johan Vanden Eede levert de muziek. Hun eerste single Spring staat de dertiende maart 2003 acht weken na mekaar op één in de Ultra Top Vijftig en wordt met platina bekroond. De daaropvolgende single Jong staat de vijfde juni op één en is iets later goed voor goud. In het totaal zal Spring drie albums uitbrengen: “Spring”, “Vrije Val” en “Open je hart”. De ervaring die Jelle hier opdoet, is met geen euro’s  te betalen, al krijgt hij het op zijn  heupen wanneer Gert in 2004 besluit Spring in te zetten tijdens de preselecties van Eurosong. 360 artiesten schrijven zich in, 28 worden er geselecteerd. Die worden verdeeld over vier voorronden met daarin telkens zeven artiesten. Spring belandt in de derde voorronde met het liedje Jan Zonder Vrees en eindigen derde. Hun voorronde wordt gewonnen door Roxane met Television Game. Jelle zag die deelname van in het begin niet zitten. Voor Gert was het pure fun en voor Jelle pure ernst. Hij wilde niet geloven dat een groep die zich profileerde als een band voor jonge tieners thuishoorde op het podium van het Eurovosiesongfestival. Gelukkig slagen zij niet in de voorronde, waarmee het songfestivalverhaal van Jelle niet verteld is, want in 2005 en 2006 zal hij samen met Ilse Van Hoecke instaan voor de presentatie van “Eurokids”, iets waar hij nu met tegenzin op terugkijkt. Hij vindt zich nog steeds geen presentator, eerder een sidekick die liever achter de schermen commentaar levert over wat er reilt en zeilt dan zelf in de spots te staan.  Maar op Ketnet scoort Jelle groots: in 2004 en 2005 wordt hij door de jonge kijkers tijdens de uitreiking van de “Kids Awards” verkozen tot “Spetter” van het jaar.

Omdat hij graag zowat alle genres zingt en muziek niet al teveel in hokjes wil indelen, zingt hij in 2005 zijn eigen versie van Viva el amor die te horen is op de cd “Viva Tura”, de tweede augustus gereleaset naar aanleiding van Tura’s 65ste verjaardag.

Cleymans voelt zich behoorlijk in zijn sas wanneer hij in 2006 tijdens de mei-aflevering van “Zo is er maar Eén” op Eén zijn versie mag neerzetten van Welterusten meneer de president, een klassieker van Boudewijn de Groot. Het coveren van Nederlandstalige klassiekers zit hem dan al in het bloed. Gebeten door dit succes doet hij dat een jaar later nog eens over, zij het deze keer met Papa van Stef Bos.  Zijn uitvoering wordt diezelfde avond tot mooiste versie gekozen in de categorie “Over Mannen”. Datzelfde jaar mag Jelle plots een streepje volwassener worden, want hem wordt de rol aangeboden van Bert Gorissen in de bioscoopversie van “Windkracht 10, Koksijde Rescue”. Hier moet hij een tandje bijsteken, want hij mag opdraven aan de zijde van kleppers als Kevin Janssens, Veerle Baetens, Koen de Bouw en Warre Borgmans.  In de bioscoop wordt deze filmversie een absolute hoogvlieger dankzij de aanwezigheid van méér dan tweehonderdduizend bezoekers.

Zijn geluk kan niet meer stuk wanneer hij van de negentiende mei tot de zeventiende juni 2007 de hoofdrol krijgt voorgeschoteld in de musical “Kuifje-De Zonnetempel”. Eindelijk mag hij in de huid kruipen van zijn idool en zet, omdat hij Kuifje tot in de kleinste details aanvoelt, een méér dan geloofwaardige interpretatie neer die hem iets later de musicalprijs van beste mannelijke vertolker zal opleveren. Die wordt in samenwerking met Radio 2 de 24ste september uitgereikt in de “Zuiderkroon” in Antwerpen. Ook regisseur Frank Van Laecke valt in de prijzen. De muziek is van de hand van Dirk Brossé en het script van de Nederlandse cabaretier Seith Gaaikema. In het totaal zullen méér dan tweehonderdvijftigduizend bezoekers de kassa passeren.

De wind zit Jelle méér dan voordelig in de zeilen. Bij de aanvang van 2008 speelt hij op zeker wanneer hij ja zegt tegen het aanbod de rol van Jens te vertolken in de Eén soap “Thuis”. Hij weet dat hij hier niet echt zal doorgroeien als acteur, maar hij kan stilaan het Ketnetjuk van zich afschudden samen met zijn Studio 100-imago en werken naar een meer volwassen publiek toe, want in zijn achterhoofd bruist de idee om eindelijk zijn eerste solo album in te blikken, muzikaal eindelijk zijn eigen ding te doen. Omdat hij over geen eendagsijs wil lopen, trekt hij voorzichtig met zijn moeder naar het theater. Die schrijft al een tijdje gedichten waarvan Jelle een deel op muziek zet. Kindergedichten die uitmonden in de boeken en theaterproducties  ”Op een surfplank naar de maan” en “Foetsie” en die op het platenlabel van het Davidsfonds eveneens op cd te verkrijgen zijn.

Toch knoopt Jelle zijn relatie met Studio 100 opnieuw aan omdat hij vriendelijk en beleefd, zonder rancune dus na zijn eerder afhaken, gevraagd wordt voor de rol van Jan de Meeter in de musicalversie van “Daens” op tekst van Allard Blom, muziek van Dirk Brossé en in een regie van Frank Van Laecke. De zware kanonnen worden bovengehaald met in de cast grote namen als Lucas Van den Eynde in de rol van priester Daens, Jo de Meyere als bisschop Stillemans en Annie Mie Gils als Nora Scholiers. De vierde oktober 2008 gaat de première van start in het voormalige postgebouw van Antwerpen X. Pas de achtste februari 2009 heeft de laatste voorstelling plaats. Dit maakt dat met zo’n tweehonderdduizend bezoekers “Daens” op de tweede plaats eindigt na de Vlaamse musicalversies van “Les Misérables” en “The Phantom of The Opera”.

Intussen blijft Jelle knutselen en frutselen aan wat zijn eerste volwaardige cd moet worden, maar hij wil vooraf nog wat extra ervaring opdoen in het theater vooraleer hij met zijn eigen liedjes naar het publiek durft te stappen. Jelle gaat in het voorjaar van 2010 door Vlaanderen toeren met de theatershow “Kleinkunsteiland”, een productie van Aja, met eveneens aan boord Lucas Van den Eynde, Jackobond en Maggie McNeal. Twee mannen en twee vrouwen brengen een totaalprogramma met daarin een waaier van muzikale en tekstuele pareltjes, kortom humor als kleinkunst, met liedjes van Toon Hermans, De Nieuwe Snaar, Kommilfoo en Wim Sonneveld. Het publiek lust er pap van!

Jelle is van zovele markten thuis dat hij de 23ste april de affiche siert van “Houden Van/Griffelrock”. Samen met hem staan die dag Micha Marah, Liliane Saint-Pierre, Peter Schaap, Bart Kaëll, Nicole en Hugo, Vader Abraham en Luc Appermont op het podium van het Sportpaleis in Antwerpen. Die show is zo’n succes dat er een extra voorstelling in de voormiddag wordt ingelast.

Jelle is artistiek zo goed op dreef dat hij het aandurft zijn eerste eigen album te lanceren en dat wordt voor hem een datum om nooit meer te vergeten, de zeventiende september 2010. Wij mogen gelijk in zijn privéwereld kijken, want als titel kiest hij voor het recht voor de raapse “Naakt doe ik de afwas”. Niet alleen zijn zus Clara vertelt zonder blikken of blozen dat zij er geen moeite mee heeft in haar blootje te acteren, al beperkt Jelle zijn naaktheid  tot de kuise, huiselijke kring. Met de single Naakt doe ik de afwas, waarvoor Jelle graag in zijn pen is gekropen, scoort hij de negentiende juni 2010 een derde plaats in de Vlaamse Top Tien. In de VRT Top Dertig zit er een elfde plaats in. Hoe graag hij ook covert tijdens zijn vele live optredens des te meer  hij erop staat voor dit album alles in zijn eentje te schrijven, zowel de tekst als de muziek. Hij gaat opnemen in de Sandlane Recording Facilities, een moderne studio in het Nederlandse Rijen. Muzikale steun krijgt hij in deze van toetsenist Florejan Verschueren, gitarist David Middelhoff, drummer Joost Kroon en saxofonist en klarinettist Jan “Papa” Cleymans. Manager van dienst Wim Schuer kijkt vanaf de zijlijn toe en ziet dat het goed is. In zijn voorwoord dat bij het plaatje hoort, schrijft Jelle fier: “Dit is de droom die je wil dromen ‘s nachts. Dit is mijn plaatje!” Ook al zit hun driejarige relatie er op, toch draagt Jelle deze cd op aan zijn voormalige vriendin Katrien De Bruyn. Op dit album hoor je overduidelijk dat Bart Peeters en zelfs Robert Long, zij deze laatste vaag in de verte, aanwezig zijn en hun sporen hebben nagelaten. Jelle geeft grif toe dat hij duidelijk nog op zoek is naar een eigen stijl, maar dat hij koppig heeft doorgezet om een album neer te zetten waar hij honderd procent achterstaat. Hij brengt het uit op zijn eigen label Mannen op de Maan zodat hij aan geen enkele firma toegevingen hoeft te doen, niet bewust naar een hitje hoeft toe te schrijven. “Al koopt geen kat het, ik ben blij dat ik dit plaatje heb kunnen afleveren” beweert hij met de nodige overtuiging. Omdat Jelle zijn liedjes aan de man wil brengen, koppelt hij aan dit album gelijk een theatertournee. De zeventiende september 2010 heeft in het Cultureel Centrum “‘t Aambeeld” in Aartselaar de première plaats. In de pers lezen wij de dag nadien: “Jelle swingt. Jelle popt. Jelle rockt. Jelle is ingetogen. “Als een soort hulde aan zijn vader die hem niet alleen op de plaat, maar ook live begeleidt, draagt hij die avond het liedje Papa, ik lijk steeds meer op jou op. Intussen wordt op de radio zijn singeltje Naakt doe ik de afwas met graagte gedraaid. Hij vertelt die première-avond aan zijn publiek ook dat hij vijf jaar lang aan het album heeft geschreven en vooral veel heeft geschrapt. Voortdurend twijfelend of hij wel de goede drive en groove te pakken had. Die avond bewijst hij in elk geval van wel!

Van de zevende april tot de vijftiende mei 2011 duikt Jelle opnieuw het theater in, deze keer met de musicalversie van “Tien kleine negertjes” gebaseerd op de gelijknamige thriller van Agatha Christie in een regie van Bruno Van Heystraeten. Plaats van actie “Het Fakkeltheater” in Antwerpen met aan zijn zijde: Jan Schepens, Door Van Boeckel en An Vanderstighelen. Van de vijftiende tot en met de dertigste december van dat jaar mag hij deel uitmaken van een uniek gebeuren. Hij staat samen met zijn zus Clara en met zijn moeder Karin Jacobs op de planken van de “Stadsschouwburg van Antwerpen” te glunderen in de musical “Fiddler on the Roof”. Lucas Van den Eynde mag schitteren in de rol van Tevje.

Zijn relatie met Studio 100 blaast hij nog maar eens nieuw leven in wanneer hij de eerste april 2012 opduikt in de musical “Robin Hood” en dat geflankeerd door onder meer Free Souffriau, Koen Crucke, Walter Baele en Patrick Onzia. Schitterende decors, mooie kostuums en prachtige muziek maken er een heuse familiehappening van. Afgetrapt wordt er in de “Stadsschouwburg van Antwerpen” om nadien op te treden in het “Kursaal van Oostende” en de “Grenslandhallen” in Hasselt. Samen met zijn zogeheten bloedbroeder Jonas Van Geel, met wie hij jaren eerder de covergroep Mannen op de Baan had opgericht, beslist hij die formule op te poetsen, hun repertoire aan te passen en op stap te gaan als Cleymans en Van Geel. Met veel schwung brengen zij covers aan de man die in heel Vlaanderen gesmaakt worden. Hun eigenzinnige interpretaties van onsterfelijke Nederlandstalige hits zet de zaal meteen in lichterlaaie. Klassiekers van Clouseau, Frank Boeijen, Borsato, Rob de Nijs en Raymond van het Groenewoud passeren in deze de feestelijke revue, aangevuld met spitsvondige interacties door de heren Jelle en Jonas. Zij beloven in hun bijgaande folder dat het dak er sowieso af gaat!

De achtste februari 2013 wordt Jelles tweede kind geboren, zijn album “Welk oog en hoeveel tranen?”, een gevleugelde uitspraak van actrice Ann Petersen als reactie op de vraag van een regisseur of zij in een volgende scene niet kan huilen. Deze keer draagt Jelle het album op aan zijn moeder Karin Jacobs. Hij schrijft: “De mooiste verhalen zijn diegene die zweven tussen waarheid en fictie. Verhalen die door het enthousiasme van hun vertellers zo werden aangedikt, dat niemand de oorspronkelijke versie nog kent. Verhalen die hun leven leiden zoals een boekhouder dat in een tarzanvel zou doen. Dit geldt ook voor de anekdote rond wijlen Ann Petersen. Niemand die nog weet hoe het precies is gegaan en toch blijft iedereen het vertellen. Ik hou daarvan”. Ook deze keer schrijft Jelle alle teksten en bijhorende muziek, behalve het liedje Toyota Camry dat hij van Paolo Conte leent. Nu wordt er opgenomen in AudioWorkx Recording Studio in Hoogeloon. David Middelhoff mag voor de arrangementen zorgen. Als muzikanten draven op: PieterJan Cramer van den Bogaart, Joost Kesselaar, Carlo Mertens, Nico Schepers, Martijn Bosman, Frank Deruyter en uiteraard Jan “Papa” Cleymans. Tijdens de editie van “Radio 2 Zomerhit” 2013 krijgt hij de award van “Beste Nederlandstalig lied” van dat jaar voor de single Welk oog en hoeveel tranen?, een bluesy ballad waarin Jelle flirt met de Nederlandstalige schlager, de grootmeester André Hazes waardig. Jelle stond met de singleversie de tweede maart 2013 niet voor niets op één in de Vlaamse Top Tien. In de VRT Top Dertig geraakt hij de drieëntwintigste maart tot op de negentiende plek. In 2014 trekt hij van Vlezenbeek over Malle tot in Kontich met de akoestische versie van zijn erg gesmaakte theatershow “Welk oog en hoeveel tranen?” en blijft soaplievend Vlaanderen hondstrouw dagelijks charmeren in zijn onafscheidelijke soap “Thuis”.

Naar aanleiding van de herdenking van “De Groote Oorlog” in 2014 zetten Studio 100 en Telenet de spektakelmusical “14-18″ op het getouw in een regie van Frank Van Laecke op muziek van Dirk Brossé. De hoofdrollen zijn weggelegd voor onder meer Free Souffriau, Jo De Meyere, Mike Verdrengh én Jelle Cleymans. De première heeft plaats op 20 april in de “Nekkerhal” in Mechelen. De cast mag zich uitleven op een speelvak van 18.000 vierkante meter. Deze productie mag rekenen op een enorme belangstelling! In het totaal hebben er 173 voorstellingen plaats.

In de loop van de maand juni 2015 brengt Jelle het door hemzelf geschreven nummer Kevin Janssens niet op single uit. De twintigste juni staat hij daarmee op zestien genoteerd in de Vlaamse Top 50.

Van vrijdag eenentwintig augustus tot en met zondag vijf september treedt Jelle Cleymans in de “Festivalhal Donkmeer” te Berlare op aan de zijde van Hans Peter Janssens en Peter Van de Velde in “The Story of Sacco & Vanzetti”, een aangrijpende musical over twee Italianen die naar Amerika emigreren in de hoop op een beter leven. Maar hun droom blijkt een luchtbel en eindigt op dramatische wijze. Een waargebeurd verhaal dat leidde tot wereldwijde protesten. De muziek is van de hand van Dirk Brossé naar een secenario van Allard Blom in een regie van Frank Van Laecke. De makers willen met deze musical duidelijk de gevoelens en emoties in beeld brengen. Het verhaal is een smeltkroes van allerlei thema’s zoals verrechtsing, manipulatie, onrecht, macht, doodstraf, idealisme. Thema’s die tot op de dag van vandaag in onze maatschappij zeer actueel zijn. In het totaal staan van deze musical twaalf opvoeringen gepland.

De achtste augustus 2015 wordt Jelle dertig. Tijd om zich wat te bezinnen, eens om te kijken. Hij schrijft een rist liedjes die hij inblikt in de “AudioWorkx Studio” te Hoogeloon en de “Markenbinnenstudio’s” te Retie. De tiende oktober zet hij zijn derde album “Napoleon XXIII” in de markt. Napoleon XXIII is een twijfelaar. Nochtans is hij vastberaden geboren. Volgens zijn moeder zelfs met een helm op zijn kop. De twijfel moet er dus geruisloos ingeslopen zijn. En het wordt erger. Hoe meer toeren rond de zon, hoe meer vragen hij zich stelt. Heeft het leven hem al goed bediend? En bediende hij het leven wel genoeg? Wat moet een mens in godsnaam met “sleur”? En waarom schrijft die dekselse Jozefien nu niet terug? Maar hij sust zich met de gedachte dat vragen stellen gezond is en alleszins niet schadelijk voor de bloeddruk. Of toch? Twijfel. De titels spreken voor zich: Verlaat me nooit, Die zus van mij, Hoedster voor mijn hart Jelle heeft iets met bloot, want na Naakt doe ik de afwas, is er deze keer het onthullende Naakt ben je mooier dan je moeder. “Napoleon XXIII” is ook de titel van de tournee waarmee hij naar het theater trekt, daarbij begeleid door pianist Alano Gruarin, gitarist Patrick Steenaerts, bassist Peter Verhaegen, drummer Philippe Kerkhofs en saxofonist Jan “papa” Cleymans.

Triest nieuws voor de fans van Thuis op Eén. De tiende november 2015 laat Jelle uitgebreid aan de pers weten dat hij stopt met zijn rol als Jens van Frens. Hij stapt na acht jaar uit de serie: “Ik had het gevoel dat ik te hard bezig was met gewoon mijn job te doen. Op zich is daar niks mis mee, maar soms mag het ook iets meer zijn.” Jelle was drieëntwintig toen hij ermee begon. “Intussen ben ik een totaal ander iemand. Ik had almaar meer de indruk dat ik steeds minder kon bijleren op de set. Opstappen is dan een logische beslissing“. Jelle vertelt ons ook dat hij dolgraag een Vlaamse versie wil neerzetten van de Nederlandse talkshow “De Wereld Draait Door”. “Ik heb de juiste aanpak kant en klaar in mijn hoofd zitten, maar die hou ik nog even voor mezelf!

Met het oog op onze Vlaamse feestdag op 11 juli 2017 schreef Jelle Cleymans voor Radio 2 en “Vlaanderen Feest” een vrolijk, aanstekelijk lied met de voor de hand liggende titel Vlaanderen feest in een productie van Wouter Berlaen.   “Ik vond het erg fijn om te doen. Het was mijn bedoeling om een meezinger te schrijven waarin Vlaanderen in al zijn facetten aan bod komt”, aldus Jelle. En daar hoort ook een clip bij waarvoor Cleymans naar enkele bekende plaatsen in Vlaanderen, zoals Antwerpen, Knokke en De Muur van Geraardsbergen trok. Enthousiaste omstaanders die zin hadden om mee te dansen en te zingen, duiken op in deze aanstekelijke clip. Vanaf donderdag de 15de juni was het nummer digitaal verkrijgbaar en te beluisteren op radio2.be

Vanaf de 28ste september tot eind december 2017 trekt Jelle Cleymans naar het theater met “Zing-vecht-huil-bid-lach-werk en bewonder”, een hommage aan Ramses Shaffy. Hij wordt daarbij vocaal omringd door Bert Verbeke, Riet Muylaerts en Della Bosiers en instrumentaal begeleid door een trio onder leiding van Dirk Schruers die tevens de jazzy arrangementen schreef, die het geheel een aparte touch meegeven en de teksten extra tot hun recht doen komen.  De avond is één lange gezongen biografie, want Shaffy schreef heel wat liedjes over zijn eigen leven. Normaal zou ook Liesbeth List optreden, maar zij werd in laatste instantie (wegens dementie) door Della Bosiers vervangen. Uiteraard passeren de klassiekers Shaffy, Laat me, We zullen doorgaan en de Pastorale de revue.

De 27ste december 2017 wijdde Lieven Van Gils een ganse uitzending van “Van Gils & gasten” aan 20 jaar Ketnet met onder meer als gasten Samson en Gert, ex-wrapster Ilse Van Hoecke en de toenmalige lievelingsband van Steven Van Herreweghe, Spring, met daarin Damian Corlazzoli, Cara Van der Auwera en Jelle Cleymans. De 29ste en 30ste november en de 4de en 5de december vierde Ketnet zijn 20-jarig bestaan tijdens Throwback Thursday in het Sportpaleis van Antwerpen waar onder andere Spring eenmalig optrad.

Van 3 tot en met 15 april 2018 is Jelle te zien in de musical “Zoo of life” in een regie van Luc Stevens. De musical is een organisatie van de zoo van Antwerpen. In de persmap lezen we: “Laat je onderdompelen in dit ontroerende, passievolle en magische musicalspektakel voor en door de fans van de zoo. Spectaculaire decors, prachtige kostuums en een liveorkest in de nieuwe Koningin Elizabethzaal. Je wil het niet missen. Het zal je hart verwarmen.” Naast Jelle kan je ook genieten van de stemmen en het acteertalent van onder anderen Janine Bisschops, Sandrine, Barbara Dex, Peter Thyssen en Nele Goossens. De muziek werd geschreven door Sam Gevers.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet