Dana Winner

Anno 2013 kan Dana Winner er prat op gaan dat zij zo’n slordige veertig singles in Vlaanderen op haar palmares heeft staan en zo’n achttien albums, haar verzamel-cd’s meegerekend. Daarmee nestelt zij zich tussen artiesten zoals Will Tura en Willy Sommers terwijl haar carrière pas op het einde van de jaren tachtig een start nam.

Papa Vanlee werkte zijn leven lang bij de NMBS en belandde op het einde van zijn carrière in Hasselt, dicht bij zijn thuishaven in Kermt, waar de tiende februari 1965 zijn dochter Chantal werd geboren. Chantal kwam meteen tussen vier andere kinderen terecht: drie broers en een zus, vijf in het totaal. Mama Vanlee had dus de handen vol en bleef daarom actief op het thuisfront. Moeder hield eraan dat haar kinderen zouden voortstuderen. Chantal was van in het begin een halve jongen: kort haar, meestal in een broek gekleed en zo sportief als wat, kortom een echte tomboy. Het is een periode die zij nog altijd koestert. Papa had erg veel last van astma, maar dat belette hem niet vaak en veel te zingen. Op potten en pannen werd hij door zijn kroost daarbij begeleid. De familie was erg muzikaal. Zij belandden ofwel in de plaatselijke fanfare of het plaatselijke koor. Naast het luisteren naar muziek op de radio werden er ook platen gekocht, onder meer van The Beatles. Wanneer het enigszins kon, ging Chantal een optreden van Up With People bijwonen en daar kreeg zij de smaak van het zingen te pakken. Dit wou zij ook, zingen voor een groot publiek.

Chantal is een jaar of vijf wanneer zij in de kleuterklas een liedje mag zingen en dat wordt Mama van haar idool Heintje. Zij loopt lagere school in Kermt. In het derde leerjaar, zij is dan acht, sluit zij zich aan bij het koor van juffrouw Roosen, tachtig leden sterk.  Zij luisteren niet alleen misvieringen op, maar geven ook concerten, onder meer voor Armand Preud’homme in Peer. Tot en met haar zestiende blijft Chantal bij dat koor zingen. In het vijfde leerjaar krijgt zij zin om zich aan te sluiten bij het volleybalteam. Zij heeft niet door dat zij dit tot aan haar vierentwintigste verjaardag zal volhouden. Hier kan zij haar onstuimigheid gemakkelijk kwijt. Op een bepaald moment wordt die sport een passie en kan zij zich aansluiten bij de ploeg van Houthalen. Maar, Chantal is maar één meter en vijfenzestig centimeter groot, té klein dus, en het zingen wordt voor haar almaar belangrijker. Er moet gekozen worden. Het zingen kreeg toen al de bovenhand. Qua school valt haar keuze eerst op de “Zusters Ursulinen” in Herk de Stad waar zij zich vier jaar aardig thuisvoelt om dan te verhuizen naar de “Zusters Ursulinen” in Hasselt. Hier volgt zij de afdeling secretariaat-moderne talen. Op school valt zij op als een spring-in-het-veld die het maar moeilijk vindt om ‘s avonds nog achter haar boeken te gaan zitten om te studeren. “Een goede middelmaat” is een omschrijving die haar schoolse prestaties het best verwoordt.

Chantal heeft van kindsaf een drukke agenda. Op de lagere school trekt zij ook al naar de plaatselijke muziekschool om daar notenleer te volgen. In 1988 organiseert Radio 2 een zangwedstrijd waarvoor de leden van haar volleybalteam als een soort joke haar inschrijven. Halsoverkop gaat zij op zoek naar een geschikt nummer en laat haar keuze vallen op Amour défendu van haar toenmalig idool Mireille Mathieu. De eerste ronde van die zangwedstrijd heeft plaats in zaal Kermeta in Kermt. Chantal belandt uiteindelijk in het Cultureel Centrum in Hasselt in de finale. Haar sterkte is dat zij geen imitatie van Mireille neerzet, maar gewoon zichzelf blijft. Chantal zingt zich in een overvolle zaal naar de overwinning. Na dat Radio 2-verhaal gaat zij aan de zijde van een tiental artiesten, waaronder Ricky Fleming, optreden tijdens de “Springplanktournee” waarmee zij zeven culturele centra in Limburg aandoen. Tijdens deze tournee ontmoet zij John Terra die meteen doorheeft dat we hier met een echt zangtalent te maken hebben. Zij vertelt hem dat zij naast het repertoire van Mireille Mathieu ook dweept met de liedjes van Olivia Newton John en Abba. John aarzelt niet en stapt met haar naar muziekuitgever en producer Jean Klüger, want hij wil zo snel mogelijk met haar een plaat opnemen en dat wordt een cover van Top Of The World van The Carpenters dat in het Nederlands vertaald wordt als Op het dak van de wereld door Nelly Byl die bij Jean Klüger het merendeel van de teksten schreef voor de hits van Marva en Will Tura. De single wordt uitgebracht op het Topkapi label van Jean Klüger en belandt de eenendertigste maart van 1990 in de staart van de Vlaamse Top Tien. Voor Terra een bewijs dat haar stem aanslaat. Hij aarzelt dan ook niet haar datzelfde jaar op te nemen in de Limburgse ploeg van de Baccarabeker samen met de groep To Be Louise en Johnny Lynn. Een van de liedjes die zij daar zingt is Op het dak van de wereld samen met Amour défendu. Het is de Brabantse ploeg met daarin B.J. Scott, Eleonor Bernair en Samantha Gilles die met de overwinning gaat lopen. Voor Chantal, die intussen als Dana Winner in de markt wordt gezet, is het een leuke kennismaking met het medium televisie. Zij valt ook in de smaak bij VTM waar zij met haar eerste plaatje al tot Vlaamse Supertip in Tien om te zien was verkozen. Omdat zij van meet af aan door het publiek op handen wordt gedragen, aarzelen Ro Burms en Johan Verstreken niet haar als co-presentatrice te vragen voor hun programma “Fiestdag” bij Radio 2 tijdens de zomer van dat jaar.

Die periode bij Klüger levert Dana een stel aardige singles op, maar het zijn geen hitmakers. In volgorde worden dat: Zomernachten geschreven door Pino Marchese en Jean Klüger op tekst van Nelly Byl gevolgd door Ballalaïka’s van Jean en Nelly gekoppeld aan Een huisje in Montmartre van Will Tura met in 1991 het zuiderse Adios, ook al van de hand van Klüger en Nelly, om in 1992 die periode bij Klüger af te ronden met Wantrouwigheid. Alleen het singletje Adios vindt aarzelend de weg naar de Vlaamse Top Tien. Intussen had een deejay van Radio Benelux Dana een nummer laten horen van de Duitse zangeres Claudia Jung, Atemlos. Dit vindt zij meteen dé geschikte song voor haar. Maar Jean, behorend tot de bekende joodse uitgeversfamilie Klüger, is niet meteen gewonnen voor een van oorsprong Duitstalig nummer. En Dana wil zo graag. In die periode loopt zij bedrijfsleider Jos Eerdekens, een fan van haar vanaf het begin en een echte muziekliefhebber, tegen het lijf die haar vraagt om op te treden tijdens één van zijn bedrijfsfeesten. Zij besluiten iets later samen een team te vormen. John Terra blijft haar muzikaal volgen en stelt voor naar Erik De Blende te stappen, eigenaar van platenfirma Assekrem. Aan Marc Van Caelenberg wordt gevraagd de Nederlandse tekst te schrijven bij Atemlos. John neemt contact op met Duitsland om de originele muziekband in zijn bezit te krijgen, wat ook lukt. Dana moet alleen nog maar de Nederlandse tekst inzingen en klaar is kees.

Woordenloos wordt de titel. De productie is in handen van John Terra die ontzettend blij is wanneer hij merkt dat de single meteen naar de top van de Vlaamse Top Tien schiet, al moet Winner even strijd leveren met Bart Herman die op één staat met Ik ga dood aan jou  en daarmee in de zomer van 1993 drie weken na mekaar op één genoteerd blijft staan. In de hitlijst van Tien om te zien houdt Dana het bovenaan vier weken vol. Er worden méér dan vijfentwintigduizend exemplaren verkocht, goed voor goud! Die kennismaking met het succes smaakt naar nog. Woordenloos was niet alleen een keigoed nummer, maar de promotie daarrond was even belangrijk. Voor deze release had Assekrem alle zeilen bijgezet en Dana haar beste voetje. Jos Eerdekens wil opnieuw voor een cover van een Duitse hit gaan, deze keer een vertaling door Marc Van Caelenberg van Der alte Mann und das Meer van de Duitse zangeres Nicole die daar in 1982 een hit mee had gescoord. Elf jaar later wordt het in de versie De oude man en de zee voor Dana een dikke hit in Vlaanderen. Vier weken bovenaan de Vlaamse Top Tien en zeven weken aan de top in Tien om te zien. Ook deze keer een gouden schijf tegen de muur. Zonder dat zij er erg in heeft, wordt Dana binnen de kortste keren gekroond tot populairste zangeres in Vlaanderen, voor velen de opvolgster van Marva.

Dana wil koste wat het kost als opvolger een vertaling brengen van een oeroude song die zij kent in de versie van een bewerking door het Nederlandse tweetal Tol en Tol. Die haalden de inspiratie bij de traditional Can the circle be unbroken (by and by) dat in 1928 al op plaat was gezet door Frank & James McCrary die op hun beurt een hymne uit 1907 hadden herschreven. Later wordt het liedje bekend als Will the circle be unbroken. Ook deze keer wordt Marc Van Caelenberg als tekstschrijver aangetrokken die er Zeven regenbogen van maakt. De single wordt haar derde nummer één op rij: zes weken op één in de Vlaamse top Tien, zeven in Tien om te zien.

Het kan niet uitblijven of er wordt snel een album op de markt gebracht. Onder de titel “Regenbogen” brengt zij een samenbundeling uit van de singles die ze bij Klüger had uitgebracht en haar recente hits inclusief Zeven regenbogen. In het totaal gaan er 150.000 exemplaren van de winkels uit. Qua succes en vooral het aantal optredens wordt het op een bepaald moment teveel voor Dana. Zij beslist samen met Jos de optredens te beperken tot twee per dag, ook al zijn het meestal optredens met tape. Dana is als de dood voor een burn-out, zij wil niet té snel opbranden. Het geld dat zij met platen en optredens verdient, komt snel binnen.  Zij richt, op aanraden van Jos Eerdekens, dadelijk een bvba op en neemt een secretaresse in dienst en schrijft Jos in als haar permanente manager.  Dana weet dat zij geen zakenvrouw is en vertrouwt het runnen van haar bvba aan een accountant toe. Tijdens de uitreiking van de Gouden Ogen op VTM ontvangt zij in de maand februari 1994 een trofee in de categorie zangeres van ’93.

Met drie hits op zak wil Dana haar carrière fijner afstemmen. Zij knoopt met De Blende van haar platenfirma Assekrem een gesprek aan dat zij haar horizon wil verbreden en gaat ook een gesprek voeren met platenfirma EMI. Dana beschouwt Assekrem iets méér als een distributiefirma dan een echte platenmaatschappij, want tot slot van rekening hebben zij  en Jos de ideeën qua liedjeskeuze aangebracht. Dana wil ook een degelijk platencontract en natuurlijk klop je dan ook eens bij iemand anders aan om te polsen welke daar de voorwaarden en vergoedingen zijn. Uiteindelijk blijkt EMI de beste partner. Om dat contract in te kaderen, neemt Dana voor EMI als eerste album in 1994 “Mijn paradijs” op dat in de maand november van dat jaar gereleaset wordt.  Als opnamestudio wordt voor Galaxy in Mol gekozen met als producer Wilfried Van Baelen met wie zij later in het huwelijk zal treden. Theo Breuls mag meesleutelen aan de arrangementen. Het kleine paradijs, een liedje geschreven door Bart Van den Bossche samen met Guido Ceulemans, wordt de eerste single daaruit. De negende juli staat zij daarmee op één in de Vlaamse Top Tien. Wilfried gaat met haar op zoek naar een klassiek nummer en belandt bij een deel van Wolfgang Amadeus Mozart uit diens Concerto voor klarinet in A, K. 622. Wilfried arrangeert het adagio op een tekst geschreven door Ingrid Vloemans.

In het najaar van 1994 blijkt  Hopeloos en verloren in de hitlijsten een schot in de roos. Ten voordele van de behoeftige kinderen in Rwanda verleent Dana in de herfst van 1994 steun aan de actie “Dana maakt van elk kind een winner”. Bij de uitreiking van de Gouden Ogen door de kijkers van VTM zit er voor Dana opnieuw een trofee in als beste zangeres. Op het einde van 1994 krijgt Dana van haar platenfirma te horen dat er van “Mijn Paradijs” honderdduizend exemplaren werden verkocht, goed voor drie keer platina. Met Westenwind, een Nederlandse tekst van Herman Pieter De Boer op  de hit One way wind van The Cats, dat ook op die cd staat, heeft Dana bij ons nog maar eens een nummer één. In Nederland wordt het liedje ook opgepikt en belandt daar de tweeëntwintigste juli 1995 op de zeventiende plaats in de Top Veertig. Er wordt nadien als aardigheid ook een versie opgenomen samen met Piet Veerman van The Cats waarbij Dana in het Nederlands en Piet in het Engels zingt.

Opnieuw in een productie van Wilfried Van Baelen, met wie Dana intussen is gaan samenwonen, is er in 1995 het album “Regen van geluk”, qua verkoop opnieuw een voltreffer: twee keer platina en twee weken nummer één in de album Ultra Top Vijftig. Een eerste single daaruit wordt Vleugels geschreven door Alides Hidding, de voormalige frontman van de Nederlandse popgroep Time Bandits die in 1983 een dikke hit op het droge hadden met I’m specialized in you. Voor Vleugels zit er in de zomer van 1995 een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien in. Een plaats hoger is weggelegd voor de opvolger, Regen van geluk, eveneens van Alides en zijn Nederlandse collega Han Kooreneef. Een absolute meezinger wordt Geef de kinderen de wereld dat we kennen in de versie van Mireille Mathieu als Mille Colombes geschreven door Christian Bruhn op een tekst van Eddy Marnay. De Nederlandse vertaling is van de hand van Jeroen Le Compte. Louter afgaand op de resultaten in de BRT Top Dertig is dit haar grootste hit. De dertiende januari 1996 staat ze hier op zes en zal acht weken na mekaar in die lijst vertoeven. Op dit album leren we ook een andere Dana Winner kennen. Eén van haar favoriete luisterliedjes is 1000 keer neergepend door John Terra op tekst van Colette Demil. Voor de derde opeenvolgende keer rijft Dana ook in 1995 de trofee “Beste zangeres” binnen, goed voor een derde Gouden Oog. Zij mag datzelfde jaar ook de Zamu Award  in de categorie “Beste zangeres Nederlandstalig” in ontvangst nemen.

1996 wordt de zesde januari ingezet met een special tijdens De Muziekdoos op TV 1, een registratie van het concert dat zij eerder gaf tijdens de Diamond Awards. Op zoek naar een nieuwe invalshoek begint zij iets later aan haar eerste concerttournee. Wanneer haar vierde album “Waar is het gevoel”, wordt uitgebracht, is dat in de voorverkoop al gelijk goed voor platina. Omdat er niet gegokt wordt, blijft het productieteam ongewijzigd: Wilfried Van Baelen aan de knoppen in zijn vertrouwde Galaxy studio in Mol. Uitschieter op dit album en intussen een Winnerklassieker is haar versie van Ik hou van jou waarmee de Nederlandse zangeres Maribelle in 1984 voor Nederland deelnam aan het negenentwintigste Eurovisiesongfestival dat toen door Zweden gewonnen werd met Diggi-loo, diggi-ley gezongen door de groep Herreys. Maribelle eindigde op de dertiende plaats. Toch wordt als éérste single uit dat album gekozen voor Het kleine dorp, opnieuw een liedje geschreven door Alides Hidding, goed voor een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien. Ik hou van jou bereikt de negende november de zevende plaats in de BRT Top Dertig en is tot op de dag van vandaag een van de meest geliefde liedjes van Dana, een nummer dat ze tijdens haast elk concert hoort te zingen. In de Vlaamse Top Tien staat ze op twee. Na Ik hou van jou wordt Ver weg van Eden uitgebracht, een lievelingsnummer van Dana Winner dat in 1981 in Duitsland een nummer één werd als Jenseits von Eden gezongen door Nino de Angelo. De eer is aan Marc Van Caelenberg om de Nederlandse tekst te schrijven. In de BRT Top Dertig zit er eind 1996 voor dit nummer slechts een drieëntwintigste plaats in. In de Vlaamse Top Tien houdt ze midden december halt op vier. Méér dan de moeite waard om meerdere keren van te genieten is het nummer Als de zomer sterft, een pareltje uit de pen van Alides. Na enkele maanden is “Waar is het gevoel” goed voor dubbel platina. Van dit album wordt door VTM een special gemaakt en de zevende december 1996 integraal uitgezonden. Vijf dagen later staat Winner in Vorst Nationaal met een beresterk eindejaarsconcert. De pret kan niet op. In haar etagère prijkt van dan af een vierde Gouden Oog als “Beste zangeres” in Vlaanderen.

Van VTM krijgt zij in de loop van de maand februari 1997 een speciale award tijdens Tien om te zien voor de verkoop, tot dan toe, van méér dan een half miljoen albums. Diezelfde zender presenteert de zeventiende mei van dat jaar concertbeelden van “Dana Winner live in Vorst Nationaal” die enkele weken eerder al op video waren uitgebracht. Met Wilfried altijd in de buurt, niet alleen als haar toenmalige minnaar, maar vooral als haar producer, neemt zij in 1997 het album “Geef me je droom” op dat in oktober wordt uitgebracht. Dertien liedjes met als aardigheid een gospelmedley, het duet Vroeger bracht je bloemen, een vertaling van You don’t bring me flowers dat Neil Diamond samen met Barbra Streisand zong en  dat Dana  samen met de Zuid-Afrikaanse ster  Steve Hofmeyer opneemt. Op single zit er voor dat nummer in de Vlaamse Top Tien een tweede plaats in. En dan is er nog dat onbekend Abbanummer Put on your white sombrero dat zij in het Engels moet zingen, want de Abba-leden staan niet toe dat het liedje vertaald wordt.

En wordt er dan niet naar Duitsland gelonkt, hoor ik je al vragen! De eerste juni 1997 debuteert Dana op de Duitse televisie in het programma “Musik liegt in der Luft” met Ich hab noch 1000 Träume dat wij al kenden als Duizend mooie dromen. Gelijk wordt er ook een volledig Duitstalig album in de markt gezet “Wo ist das Gefühl”. Normaal probeer je de Duitse markt in te palmen met liedjes door Duitse componisten geschreven, maar Dana waagt haar kansen door haar Vlaamse hits naar het Duits te laten vertalen. Omdat zij bij de kijkers van VTM goed in de markt ligt, nemen die met haar een kerstconcert op dat de 24ste december wordt uitgezonden.

Het lijkt een gewoonte te worden, maar Dana blijft apetrots wanneer zij op het einde van de maand januari 1998 haar vijfde Gouden Oog in ontvangst mag nemen. In die feestelijke sfeer trouwt zij de derde juni met haar partner Wilfried voor de wet en de vijfde juni voor de kerk in haar geboorteplaats Kermt. Vrienden en kennissen worden die dag tussen 16.00 u. en 17.30 u. uitgenodigd voor een receptie in zaal Den Eyck te Kasterlee.

Haar platenfirma EMI, die ook een afdeling in Zuid-Afrika heeft, weet haar daar op een geslaagde manier aan de man te brengen. Tijdens de maand februari van 1998 had Dana ginder al een eerste keer kennis gemaakt met het publiek tijdens een concert in het State Theatre. Om het publiek aan haar kant te krijgen, brengt zij in de maand juni van 1999 het album “In love with you” uit en zet  er twee liedjes in het Afrikaans op: Altyd is en Droom van my geluk. Om hen ook met onze taal vertrouwd te maken, zingt Dana één van haar meest intieme liedjes 1000 keer. De respons is enorm en het album wordt met platina bekroond. Terug thuis blikt zij de cd  ”Ergens in mijn hart” in dat eveneens in 1999 uitkomt, goed voor drie singles: Ik zing vandaag een lied, Alles wat ik doe en Ik mis je adem. Wie goed oplet, heeft intussen door dat Dana zich almaar méér wil profileren als een albumartieste, dus niet meer mikkend op singlehits. Sommigen nemen haar dat niet in dank af en missen de zangeres van de echte schlagers zoals De oude man en de zee, maar Dana wil vooruit en niet blijven stilstaan. Geen wonder dat zij in de Vlaamse Top Tien tevreden moet zijn met een vierde en een vijfde plaats. Wij mogen niet vergeten dat haar manager Jos Eerdekens het intussen voor bekeken houdt. Het almaar groeiende succes van Dana in het buitenland wordt hem teveel. Hij wil zich ook intenser met zijn bedrijf bezighouden. Als nieuwe manager trekt Dana de Zuid-Afrikaan Deon Prinsloo aan die naar Vlaanderen afzakt en Dana trouw zal bijstaan.

Ook TV 1 lonkt naar La Winner en neemt met haar een special op, een soort unplugged, met daarin een aantal akoestische versies van haar bekendste songs. De 31ste januari 1999 kan het publiek in Vlaanderen daarvan genieten. Omdat haar succes in Duitsland aardig meevalt, verschijnt in de loop van de maand april van dat jaar de cd “Mein Weg…” met deze keer wél originele Duitse liedjes van de hand van Duitse componisten, onder andere Uwe Haselsteiner en Peter Grönvall. Het wordt een gezamenlijke productie met aan de knoppen manlief Wilfried Van Baelen, geflankeerd door Mike Ungefehr en Hartmut Pfannenmüller. De Duitse touch is hoorbaar aanwezig en mist zijn effect niet.

In gouden letters staat in Dana’s biografie de datum negen augustus 1999 genoteerd want dan wordt haar dochter Chinouk geboren. Twee maanden later viert zij haar 10-jarige carrière met de dubbel cd “Het beste van Dana Winner”. Goud is de onmiddellijke respons. Als cadeau voor de fans staat Dana de tiende en elfde december in Vorst Nationaal en maakt er gelijk een millenniumfeest van. VTM blikt alles in en zendt het concert de achttiende december integraal uit. Als extraatje wordt dat concert ook integraal op video uitgebracht. Diezelfde maand is zij in Vorst ook nog eens te gast tijdens de show “Holiday On Ice”, de spekgladde ijspret kan voor haar niet op! Omdat Zuid-Afrika het voorbije jaar zo gunstig had gereageerd, wordt ook ginder regelmatig opgetreden en wordt daar speciaal voor de fans in 2000 het album “Yours Forever” uitgebracht met ook deze keer weer enkele liedjes in het Afrikaans: Hou jy nog van my, Sproetjies en de bij ons al eerder geslaagde versie van L’amour ça fait chanter la vie waarmee Jean Vallée in 1978 in Parijs had deelgenomen aan de 23ste editie van het Eurovisiesongfestival en daar de tweede plaats had weggekaapt na de overwinnaar Izhar Cohen die met Abanibi de overwinning voor Israël had weggekaapt. Ook dit Winneralbum wordt in Zuid-Afrika met goud belegd.

Om de hongerige fans te stillen, beslist EMI de verzamelaar “Dana Winner Originele Hits” uit te brengen waarop ook haar allereerste liedjes die zij nog voor Klüger had opgenomen staan, samen met haar klassiekers zoals Westenwind, Hopeloos en Verloren en Ver weg van Eden. Zij aanvaardt in de maand september van dat jaar het meterschap van de actie A.P.M.A., de anti proefdieren mishandeling actie. Om ook  nieuw materiaal aan te bieden, is er in de maand november de cd “Licht en Liefde” met daarop composities van Marc Vanhie,  Marc Paelinck en Evert Verhees. Dana kiest deze keer voor een aantal poppy nummers. Zij heeft prima gegokt, want een tijd later krijgt zij van haar platenfirma een platina exemplaar toegestopt. Ik doe het voor jou en Licht en Liefde zijn terechte singlekeuzes al valt vooral het liedje Vaarwel vader op door zijn apartheid. “Licht en Liefde” is ook de titel van Dana’s theatertournee waarmee zij zo’n vijftien culturele centra bezoekt.

Qua management zit het Dana niet mee, want Deon Prinsloo krijgt heimwee en wil terug naar zijn geboorteland. Zijn plaats wordt in de zomer van 2001 door Paul Theeuws ingenomen. Voor de Zuid-Afrikaanse markt heeft Dana in de loop van de maand februari al haar derde cd opgenomen “Rainbows of Love”. De geijkte formule: in het Afrikaans Sewe reën boë, de Celine Dion topper Ne partez pas sans moi, het gevoelige Goodbye father en het toepasselijke Afrika. Voor de thuismarkt wordt er lang gewikt en gewogen. De voorraad nieuwe liedjes is op. Dana wil dolgraag haar lievelingsliedjes van haar favoriete artiesten van een eigen aanpak voorzien en gaat voor enkele suggesties aankloppen bij Jos van Oosterwijk van VTM. Die stelt voor zo’n vijftien klassiekers op te frissen en uit te brengen onder de titel “Unforgettable”. Liedjes in het Nederlands gezongen doen het anno 2001 niet meer zo goed in de hitlijsten, tenzij je Clouseau heet. Naast Let your love flow, Woman in love en Moonlight Shadows valt vooral het nummer Never Never Never op dat we al eerder kenden in de versie van Shirley Bassey en dat Dana voor de gelegenheid inblikt samen met Frank Galan die zijn deel in het Spaans mag kwelen. Het blijkt een meevaller te zijn, in de BRT Top Dertig de tweeëntwintigste september 2001 onderscheiden met een achtste plaats, voortgaand op de resultaten in die lijst een van haar meest succesvolle hits. Omdat dit concept goed in de smaak valt, volgt er onder de titel “Unforgettable” een tournee. Daarnaast staat Dana de achtste december 2001 nog eens live te schitteren in Vorst Nationaal.

Moest er sowieso een vervolg komen op “Unforgettable”? Dana laat dat in het midden, al had ze die twee albums liever samengebald gezien tot één sterke cd met een selectie van de sterkste nummers uit beide. In 2002 is er dus de opvolger “Unforgettable Too” met daarop het ijzersterke Plaisir d’amour, de haast onafscheidelijke Abba Medley en dan een paar eigenzinnige keuzes zoals Conquest of Paradise, It’s a Heartache en Against All Odds. De fans van het eerste uur en zelfs een aantal programmamakers fronsen de wenkbrauwen. De echte Dana Winner lijkt ver uit de buurt. Maar Dana wil ook deze kant van haar talent etaleren en toont zich als een zangeres pur sang, een vertolkster van liedjes die de status van evergreen allang hebben bereikt. Dit album wordt niet alleen bij ons met goud overladen, maar ook in Zuid-Afrika waar zij intussen de sterrenstatus heeft bereikt. In de maand maart van dat jaar gaat zij op tournee in Zuid-Afrika en treedt daar succesvol op in Bloemfontein, Sun City en Oudtshoorn. Nog steeds op zoek naar de geschikte manager wordt Paul Theeuws bedankt voor zijn bewezen dienst (Paul was té weinig zakenman) en wordt echtgenoot-producer Wilfried tijdelijk voor de zakelijke kar gespannen. Het management van Dana’s eigen label DW Records en de productie van haar concerten worden voortaan gestuurd door Griet De Blende, dochter van Erik van platenfirma Assekrem. In 2003 wordt “10 jaar Het allerbeste van Dana Winner” uitgebracht om te belichten dat Dana tien jaar op de concertplanken staat. Zeventien liedjes in het totaal met als ear catcher het duet Everything I do (I do it for you) samen met Lee Towers. In de maand juni van dat jaar wordt er eindelijk nog eens een Nederlandstalige single uitgebracht Mijn hart zingt van liefde geschreven door Tom Salisbury en Sias Reinecke op tekst van Marc Van Caelenberg. Dit is nog eens een Dana zoals de mensen haar graag horen, een tikkeltje schlager, meezingbaar en vooral opgewekt. Een liedje dat een mens blij stemt.

Voor de Duitse markt, die Dana zeker niet uit het oog wil verliezen, produceert zij de cd “Märchenland der Gefühle”, een selectie uit haar “Unforgettable” cd’s met daarop het opvallende Immer, immer wieder, de Duitse versie van Never, never, never dat zij samen met Frank Galan zingt, op single wordt gezet en bij onze oosterburen binnen de kortste keren de hitstatus verwerft. Ook voor de Deense markt wordt er een aangepaste cd samengesteld, eveneens met veel respons. Dat album “One Way Wind” zal ook in Zweden worden gereleaset waar Dana eveneens op veel reacties mag rekenen. De 22ste oktober van dat jaar geeft zij in het propvolle Sportpaleis van Antwerpen één van haar beste optredens ooit. Zij staat daar niet alleen op de planken, maar nodigt collega Belle Perez en de Franse pianovirtuoos Richard Clayderman uit om samen met haar te zingen. Op dvd worden in ons land de fans verwend met beelden van dat concert, “Dana Winner 10 jaar in concert”. Omdat zij erg veel van sfeer houdt geeft Dana in de staart van dat jaar ook nog een rist intieme concerten “Unplugged Kerstspecials”.

Het mag gewaagd lijken je collega’s te beoordelen, maar in 2004 gaat Dana toch akkoord met het voorstel van de VRT haar als voorzitter van de jury van “Eurosong” aan te stellen. 360 artiesten schrijven zich in, achtentwintig worden geselecteerd en verspreid over vier voorronden. De finale wordt een strijd tussen Natalia, Barbara Dex en Alides Hidding, Elsie Morais, Roxanne, Raf Van Brussel en Xandee die uiteindelijk met het liedje 1 life naar Istanboel in Turkije mag om daar onze Belgische driekleur te verdedigen. Zij eindigt op de tweeëntwintigste plaats. Winnares wordt Ruslana voor Oekraïne met Wild dances. Net als Will Tura bijvoorbeeld zal Dana nooit meedingen naar een plaatsje bij de geselecteerden voor het Eurovisiesongfestival, maar dat ter zijde. In 2004 staat zij op de affiche voor de derde editie van “Rimpelrock” in Kiewit-Hasselt samen met Johnny Logan. Drie jaar later opnieuw, deze keer met onder meer Helmut Lotti en Vicky Leandros, nog eens twee jaar later, dan met Clouseau en Billy Ocean en in 2013 samen met Engelbert Humperdinck en Gérard Lenorman. In november 2004 staat Zuid-Afrika opnieuw in haar agenda met deze keer een grote concerttournee: acht concerten, verspreid over twee weken. In de slipstream daarvan wordt ginder de cd “Thank you for the music” uitgebracht. Zij rondt dat jaar af met negen sfeervolle kerstconcerten waarin zij zowel typische kerstliedjes als haar eigen repertoire brengt.

Omdat zij almaar vaker haar stem wil laten horen zoals die echt klinkt, zonder franjes, trekt zij naar de theaters met het programma “Puur” waarmee zij veel lof mag opstrijken. Er zit ook een nieuw album in de pijplijn “Beautiful Life” waarvan de single Sail Away, geschreven door de gebroeders Paelinck, de voorbode is. Ook nu weer staat Wilfried Van Baelen aan het roer daarbij geruggesteund door Tjeerd van Zanen en Tom Salisbury. Wilfried heeft intussen het management doorgespeeld naar Gino Moerman die precies weet hoe hij Dana moet verder loodsen. Niet alle liedjes op dit album zijn Engelstalig: Stand Van De Maan en Tweede Jeugd laten horen dat zij haar moedertaal zeker niet vergeten is. Het wordt ook opgesmukt met haar Franse versie van Ik hou van jou, Je pense à toi. Zelfs in die taal bekt Dana uitstekend. Dat album “Beautiful Life” wordt ook iets later in Nederland, Zuid-Afrika, Duitsland en Scandinavië uitgebracht. Omdat haar provincie Limburg een schitterende concertzaal herbergt, treedt zij de 27ste november op in de Ethias Arena. Het einde van dat jaar kleurt zij nu eens niet in met optredens in enkele Vlaamse kerken, maar zij staat samen met het Galaxy Symphonic Orchestra op de planken tijdens een achttal tot in de kleinste details uitgewerkte kerstconcerten.

De singletjes Kijk om je heen en Het Dorp, oorspronkelijk van Jean Ferrat en bij ons bekend in de versie van Wim Sonneveld, kondigden het al aan, in 2006 komt er eindelijk nog eens een echte Dana Winner album op de markt “Als je lacht”. Kijk om je heen geraakt in de maand november 2006 tot op acht in de Vlaamse Top Tien, maar ook tot op acht in de BRT Top Dertig wat op zich een meer dan behoorlijke prestatie is. “Als je lacht”, de titelsong van haar nieuw album, is een bewerking van de latinoklassieker Ansiedad, ooit een evergreen voor Nat King Cole en nadien nog eens onder handen genomen door Viktor Lazlo. Als je lacht is ook genieten, als je er tenminste de juiste oren voor hebt, van een uitstekende productie, ook nu weer het werk van Wilfried Van Baelen. Als rode draad staat het begrip “tijd’” op deze cd centraal, een soort reactie op de drive en het hoge tempo waarmee de meeste mensen hun leven leven. Dana heeft intussen leren neen zeggen en haar tempo zelf bepalen, regelmatig leren halthouden. Zij kiest voor dit album een aantal teksten om u tegen te zeggen, geschreven door onder meer Stefaan Fernande en Tjeerd van Zanen. Leuk meegenomen is het liedje Zoals jij tovert met de tijd, een duet met de Nederlandse zanger Vinzzent. Haar Zuid-Afrika tournee krijgt een wrange bijsmaak wanneer organisator Marius de Lange aan de haal blijkt te zijn gegaan met de inkomsten. Louis van Wyckn manager van de Zuid-Afrikaanse zanger Steve Hofmeyer, koppelt haar in zijn thuisland aan zijn poulain. En met veel bijval. Ondanks het succes van de single Als je lacht die in de Duitse versie Wenn du lachst bij onze oosterburen een dijk van een hit wordt, geeft Dana Winner in de editie van Dag Allemaal van de zesde november van 2006 toe dat haar huwelijk met Wilfried Van Baelen erop zit. Zij zijn in alle stilte uit mekaar gegaan. Zij zal enkele jaren later een vaste relatie beginnen met werf-projectleider Marc Brouwers. “Wenn du lachst” is ook de titel van het nieuwe album van Dana dat in Luxemburg, Duitsland en Oostenrijk vaak de kassa zal passeren. Met de release van deze cd wordt ook aandacht besteed aan het feit dat Dana in Duitsland al tien jaar lang graag gehoord en gezien wordt. Diverse tv-optredens bevestigen dat.

2007 wordt een jaar van veel optreden: in Duitsland aan de zijde van Frank Galan, in Nederland met haar tournee “Ik hou van jou” en optredens in haar tweede thuisland Zuid-Afrika. In het fel gesmaakte Eén-programma “Zo is er maar één” zingt zij haar versie van Als de dag van toen van Reinhard Mey dat de meesten eigenlijk beter kennen in de onsterfelijke cover van Mama’s Jasje. Haar platenfirma EMI weet als geen ander dat de fans dol zijn op haar repertoire en brengen in de reeks “The Platinum Collection” een box uit met daarin drie cd’s boordevol gouden hits. Hierop zingt Dana zestig liedjes in vijf talen. Om dit album extra weerklank te geven, staan er in het najaar vijf grootse concerten op het getouw.

Op zoek naar een nieuwe wind beslist EMI niet meer aan te kloppen bij Wilfried Van Baelen, maar wel bij de Nederlandse producer, arrangeur en liedjesschrijver Edwin van Hoevelaak die onder meer Jeroen Van der Boom en Nick en Simon onder zijn vleugels heeft. Dana wil niet meer terugblikken, maar vooral vooruitkijken naar een nieuwe muzikale toekomst. Het verleden mag haar dan gemaakt hebben tot wat zij anno 2008 is, zij wil nieuwe paden bewandelen, vooral muzikale. Zij trekt naar de Rooftop Studio’s Holten in Nederland en gaat daar onder het toeziend oog van haar toenmalige manager Gino Moerman dertien liedjes inblikken voor haar nieuwe cd “Tussen nu en morgen” die in de maand november wordt geboren.  Edwin van Hoevelaak levert het gros van de songs. Als bonus track staat op deze cd het duet Als je alles weet gezongen door Dana samen met André Hazes die vier jaar eerder was overleden. Tussen nu en morgen wordt op single uitgebracht, al wordt het liedje Als jij me aanraakt vaker gedraaid op de radio en valt qua schoonheid en impact vooral het nummer Niet mijn gevoel op, volgens kenners één van de mooiste liedjes die Dana ooit heeft opgenomen. Het album wordt de hemel in geprezen. De Nederlandse pers omschrijft haar als de vrouwelijke Borsato en stellen het op prijs dat haar schlagergehalte zo goed als verdwenen is. Nederland is gulzig en boekt bij de start van 2008 vijfentwintig concerten met haar in de hoofdrol. Op het stadhuis van Aarschot ontvangt Dana Winner de “Golden Lifetime Award” die zij krijgt als blijk van waardering voor haar twintigjarige loopbaan. Ook in Duitsland wordt haar succesvolle verzamelaar in de reeks “The Platinum Collection” uitgebracht, aangevuld met twee nieuwe liedjes Soweit die Sehnsucht reicht en In meinen Armen. “Tussen nu en morgen” wordt vertaald voor de Zuid-Afrikaanse markt “Between now and tomorrow”. In Bokrijk wordt een nieuwe zaal in gebruik genomen “Hangar ’58″. Dana is de eerste die daar mag optreden en koppelt dat meteen aan het goede doel met name de actie “Een hart voor Limburg”.

2010 betekent de start van een nieuwe theatertournee “Een wereld vol verschillen” waarmee zij zowel door Nederland als Vlaanderen trekt. Het wordt geen groots uitpakken, integendeel. De puurheid en schoonheid van haar liedjes en haar stem staan centraal met op de achtergrond een bescheiden orkest en een fris decor. Als kers op de taart treedt zij met dit programma ook op in het Casino Kursaal van Oostende. Omdat de fans er maar niet genoeg van krijgen bundelt haar platenfirma veertig van haar grootste hits samen op het album “Alle 40″. In het Eén-programma “Vlaanderen Muziekland”, gepresenteerd door Geena Lisa,  zingt zij Laat ons een bloem van Louis Neefs en Het is een nacht van Guus Meeuwis. In alle stilte wordt dan al gewerkt aan de cd “Parels uit de Noordzee”. Haar vorig album is niet geworden wat zij ervan verwacht had en Dana keert terug naar de man die haar altijd goed heeft aangevoeld, Wilfried Van Baelen, en neemt in de haar vertrouwde Galaxy Studio in Mol elf klassiekers uit de Lage Landen op: Een lied voor kinderen van Dimitri Van Toren, Brussel van Johan Verminnen, C’est ma vie van Salvatore Adamo, Drie Zomers Lang van Conny Vandenbos, Wat een leven van Louis Neefs … De meningen zijn verdeeld, maar ook deze keer doet Dana haar ding, al vinden sommigen dat je van dergelijke liedjes hoort af te blijven. In “Hangar ’58″ op het Domein van Bokrijk blikt Dana op het einde van het jaar een kerstspecial in die iets later in Nederland en Vlaanderen op televisie zal te zien zijn.

De tournee “Parels uit de Noordzee” scoort zo goed, dat er begin 2011 een vervolg aan wordt gebreid. Toch moet Dana en haar entourage vaststellen dat de belangstelling voor haar concerten in Vlaanderen taant. De Nederlandse televisie beslist “Parels uit de Noordzee” in te blikken om later uit te zenden via Max TV. In het najaar van 2011 zijn die beelden ook op dvd verkrijgbaar. Anne TV in Vlaanderen zendt “Dana Winner Unplugged” uit, echt iets dat Dana na aan het hart ligt: haar liedjes zonder veel omhaal, puur en zo zuiver mogelijk brengen. In Zuid-Afrika neemt zij het liedje Life is beautiful op samen met Patrizio Buanne, goed voor een aantal concerten in Kaapstad en Johannesburg. Als eindejaarscadeau verschijnt eind 2011 het album en de dvd “Kerst met Dana Winner, live uit Bokrijk” met naast het klassieke repertoire liedjes als Amazing Grace, You raise me up en Sound of Silence. Ook in 2012 staan er tal van concerten op het getouw. Zij brengt daarin een mix van haar eigen hits, gekoppeld aan vroegere successen van Ann Christy, Will Tura, Louis Neefs enz… Omdat er lang wordt aangedrongen door de organisatoren zegt Dana ook ja om op te treden tijdens de zevende editie van het Schlagerfestival in de Ethias Arena in Hasselt met naast haar op de affiche: Sam Gooris, Frans Bauer, Willy Sommers, Bart Kaëll, Christoff, Jo Vally enz… Alsof het niet op kan besluit EMI nog maar eens een compilatie in de markt te zetten, deze keer  onder de titel “Triple Best Of”, goed voor zestig liedjes. Het album komt zowel in Nederland als in Vlaanderen op de markt.

Na een stilte die twee jaar duurt, pakt Dana in de maand juli van 2014 uit met een Engelstalige single The One geschreven door Gert Keppens en Marc Vanhie die ook voor de productie instaat. In interviews vertelt Dana dat deze single de voorbode is van een meertalige cd die op het einde van het jaar in de rekken moet liggen. “Bloom” ligt er in oktober met daarop tien nieuwe songs. Voor de fans is het even wennen. Dana pakt uit met liedjes in vijf talen: House of cards en Love song about me afgeleverd door Jud Friedman die ooit samenwerkte met Whitney Houston. Voorts Lied van hoop, Mein Wort, Tant d’amour à vivre, van de hand van Jérôme Attal die onder meer voor Johnny Hallyday en Vanessa Paradis schreef. Op dit album staat ook het nummer Niemand kan van Marc Vanhie en Stefaan Fernande en de half september 2014 verschenen single Hou vast geschreven door Erik Vlasblom en Jan Beuving. De zevenentwintigste september staat Dana met deze laatste op zeventien in de Vlaamse Top Vijftig. Zij pakt in haar woordje uitleg dat bij het album hoort uit met wat toelichting bij de titel: “Het is een mooi woord met een warme klank en een bijzondere betekenis, want bloom wil zoveel zeggen als open bloeien. Ik hou van dat beeld: een album met liedjes die open bloeien als de prachtige bloesem van een boom.” Op het album wordt Dana begeleid door het gerenommeerde Metropoolorkest uit Nederland onder leiding van Tom Bakker. Het album wordt in eigen beheer uitgebracht op haar label DW Records. Dit heeft als voordeel dat Dana haar eigen ding kan doen en geen compromissen hoeft te sluiten. Dana mikt met dit album duidelijk op een internationale tournee waarmee zij in maart en april 2015 door Zuid-Afrika trekt en aansluitend door Duitsland.

De  zeventiende juli 2015 verscheen Lief zo Lief, de nieuwste single van Dana Winner geschreven door Stefaan Fernande en Marc Vanhie. Op de Belgische Nationale Feestdag, 21 juli, nodigde Dana heel wat vrienden en familie bij haar thuis uit. In haar achtertuin namen ze een videoclip op bij deze song.

De negentiende november 2015 gaat de nieuwe theatertour van Dana van start “Leven vol liefde”. Dana breit daarin haar liedjes aan elkaar met pikante en grappige bindteksten. Zij vertelt vooral over haar ervaringen met de liefde die in vele gedaantes in haar leven opdoken: kalverliefde, haar eerste kus, passionele liefde, geflirt, romantiek, de valkuilen van de liefde enz. Zij zingt de mooiste liefdesliedjes  waarmee ze ons op tijd en stond zelfs weet te verrassen. Dana wisselt haar eigen klassiekers af met minder bekende songs uit haar liefdesrepertoire, met daarnaast ook oog en oor voor werk van anderen.

Eind november 2015 tekent Dana Winner een platencontract bij Universal Music Belgium. Hun general manager Patrick Guns daarover: “Dana Winner behoort al jaren tot de absolute top in Vlaanderen en Nederland en zij stond hoog op onze wenslijst van de te tekenen artiesten. Ons team is er trots op dat we een artieste met zo’n klasse en uitstraling een muzikale thuis kunnen bieden.

Traditiegetrouw gaat Dana eind 2015 ook on the road met een apart kerstrepertoire. Zo is zij van de zeventiende tot en met de zesentwintigste december te gast in Nederland en Vlaanderen met de show “Kerst met Dana Winner”, samen met met het koor De  Vaertsinger.

Maandag de elfde januari 2016 startte op VTM de tweede reeks van “Liefde Voor Muziek” (de opnamen hadden plaats in een kasteel buiten Porreres in Mallorca). In de eerste aflevering ging Dana Winner al meteen met de eer en de pluimen lopen. Haar Nederlandstalige versie van Sobrevivire van Belle Perez bewoog Belle zelfs tot tranen. Het nummer deed haar onwillekeurig terugdenken aan een niet zo fijne periode uit haar leven en dat weekte aardig wat emoties bij haar los. De dag nadien stond Dana met Weer Verder Gaan op de eerste plaats in de Belgische iTunes-downloadlijst. Een glansprestatie als je er rekening mee houdt dat David Bowie net was overleden en er massaal nummers van hem werden gekocht. Vorig jaar bracht de deelname van Stan Van Samang aan “Liefde Voor Muziek” heel wat teweeg en veroorzaakte een ware tsunami in zijn carrière. Dana weet waaraan zij zich de komende maanden mag verwachten. De drieëntwintigste januari staat Dana op één met Weer verder gaan in de Vlaamse Top 50.

De derde maart 2016 stelt Dana in het “Modemuseum” te Hasselt haar nieuwste album “Puur” voor. Het album is voor de release al meteen goed voor goud met méér dan tienduizend verkochte exemplaren in België. Vrijdag de elfde maart kwam ze  met haar gloednieuwe albumPuurop de eerste plaats binnen in zowel de Vlaamse als Belgische Ultratop lijst. De cd bevat de drie singles bekend van het programma “Liefde voor Muziek”: Weer verder gaan, Een zee vol dromen en One moment in time. Het album werd opgenomen met de begeleidingsband van “Liefde Voor Muziek”, onder leiding van Jeroen Swinnen.

Het effect van “Liefde voor Muziek” werkte nog lang na voor Dana Winner, want op zondag de 21ste augustus 2016 kreeg zij tijdens “Radio 2 Zomerhit 2016″, rechtstreeks uitgezonden op Eén en Radio 2 vanuit Blankenberge, uit handen van de Thuis-actrices Leen Dendievel en Marleen Merckx de prijs van “Beste Zangeres” en gaf daarmee haar medekandidaten Natalia, Emma Bale en Laura Tesoro het nakijken.

Vrijdag de 26ste november 2016 brengt Dana met het oog op Kerstmis een luxe editie uit van haar succesvolle album “Puur”. Op “Puur Deluxe” staan een aantal nieuwe tracks waaronder de opvallende nieuwe single De liefde wint, een geschikte boodschap voor de aankomende feestdagen. We herkennen in de melodie wellicht de Enya-song I dreamt I dwelt in marble halls, oorspronkelijk een aria daterend van 1843, geschreven door M.Balfe voor zijn opera “The Bohemian Girl”. Om dat lied een groter draagvlak te geven, riep Dana Winner de hulp in van Herman Van Rompuy. Die waagt zich aan een opmerkelijke parlando op Dana’s nieuwe single. Dana schreef het nummer naar aanleiding van de terreuraanslagen en het onpeilbare kinderleed dat daaruit voortvloeit.

De 17de november 2017 ligt Dana’s nieuwste album “Eerste Liefde” in de etalage. “Het album is een persoonlijke muzikale reis en ontdekkingstocht waarop ik de mensen graag wil meenemen,” aldus Dana. De titelsong is gelijk ook haar nieuwste single, een vertaling van Who’ll stop the rain van Creedence Clearwater Revival. “Dat nummer vat voor mij het verhaal van de plaat mooi samen,” zegt Dana. “Mijn eerste liefde was muziek en die liefde is door de jaren heen alleen maar gegroeid. Ik ben de jongste van vijf kinderen en dus werd ik dankzij mijn ouders, mijn zus en drie oudere broers geïnspireerd door zeer uiteenlopende muziekstijlen, uit verschillende periodes.” Voor dit album ging Dana speciaal samenwerken met Frank Vander Linde van De Mens. Hij vertaalde onder meer Nothing Else Matters uit 1991 van Metallica als Jouw Liefde Is Alles en San Francisco uit 1967 van Scott McKenzie werd, op aangeven van Dana, Nergens-huizen. Dat “Eerste Liefde” zo snel na haar met platina bekroonde cd “Puur” komt, heeft te maken met het gevoel dat Dana snel kreeg: dat ze op dat elan moest doorgaan. “Zoveel kansen om je carrière van nieuwe zuurstof te voorzien, krijg je als artiest niet elke dag. Na die doorstart, dankzij het VTM-programma “Liefde voor Muziek”, had ik het gevoel dat de mensen me herontdekt hebben en daar wil ik nu volop van genieten!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Mieke

In de Nederlandse hitlijsten komen we Mieke veel vaker tegen dan in de Vlaamse. Bij ons scoorde Mieke in de Vlaamse Top Tien meer dan twintig keer, maar slechts één keer in de Top Dertig; dat was in 1975 met M’n beste vriendin. In Nederland daarentegen stond Mieke tussen 1974 en 1985 acht keer in de Top Veertig genoteerd. Niet slecht voor een zangeres die, ondanks wat haar accent laat vermoeden, in Turnhout werd geboren. Op haar website lezen we: “De slordige 80.000 kilometer die Mieke jaarlijks aflegt om haar publiek tevreden te stellen met haar omvangrijk repertoire, maakt dat zij nog altijd tot de meest geliefde zangeressen van de Benelux behoort. Zij begon als een verlegen kindsterretje aan de hand van Pierre Kartner en is uitgegroeid tot de zelfstandige zangeres en vrouw die ze vandaag is. Dat die groei niet zonder slag of stoot is gegaan, mag duidelijk zijn. Waarvan getuige deze biografie.”

Ook al bracht zij het grootste deel van haar jeugd in de Antwerpse gemeente Arendonk door, toch wordt zij de achtste mei 1957 in Turnhout geboren als Maria Gijs. “We waren thuis met z’n zessen: twee zussen, Magda en Fien, en broer Danny. Bij ons was het altijd een gezellige boel, een soort zoete inval. Er sprong wel altijd iemand binnen, die wat kwam koffiekletsen of eens gezellig mee-eten. Ik ben een echt grensgeval, vandaar die Nederlandse tongval misschien. De familienaam Gijs hoor je wel vaker in de buurt van Retie en omgeving.” Mieke gaat niet graag naar school, dat hele schoolse gedoe sprak haar niet aan: “Zingen sowieso, of iets in de fotografie en/of bloemschikken en decoratie.” Het zingen zat er van kinds af aan in. Mieke weet nog best waar haar eerste noten klonken: “Dat was op school. Ik weet nog dat we met het schoolkoor zongen om de kerstvieringen voor te bereiden. Ik was een jaar of negen toen ik werd uitgekozen om als soliste te zingen. Ik zong daar Susa Nina, dat, raar maar waar, later ook mijn eerste single is geworden.” Dat muzikale had Mieke niet echt van huis uit. “Mijn moeder zong vaak wanneer ze aan het fornuis stond, dat wel. Mijn ouders kochten ook platen. Ik weet nog goed dat de Zangeres Zonder Naam vaste prik was wanneer er plaatjes werden gekocht. Mijn mama zong die allemaal mee en dan pinkte ik weleens een traantje weg als ik naar die teksten luisterde.”

 

Mieke is nog maar elf jaar wanneer zij in Arendonk deelneemt aan een voordracht- en zangwedstrijd. “Mijn vriendin Monique had ons ingeschreven. Zij zong De doddelaar van Eddy Smets en ik Mama van Heintje.” Haar ouders wilden niet mee omdat ze niet in verlegenheid gebracht wilden worden, mocht hun dochter daar een slechte prestatie neerzetten, maar Mieke keert met de beker naar huis terug. “Een week later was er een paar dorpen verder een soort Ontdek de Ster-wedstrijd en ik ging met mijn vader mee. Daar heb ik me zo’n jaar of twee mee beziggehouden en dat was voor mijn een goede leerschool.

Mieke wordt tijdens haar optreden regelmatig begeleid door Richard Van der Staey, bekend van de groep De Kadullen, die haar in contact brengt met platenfirma RCA. In 1971 brengt Mieke, zij is dan dertien, in België op dat label haar eerste single Susa Nina uit, gekoppeld aan Kerstliedeken. Zij werkt dan nauw samen met Ivo De Bie en Tim Visterin. In 1972 is er de single Tien rode rozen met op de B-kant Mammie, waar ben je. Of zij er toen een hit mee scoorde? Nee, en ook niet met de daaropvolgende 45 toerenplaat Fijn dat jij er bent. Mieke gaat almaar vaker optreden. Elke zondagnamiddag gaat zij onder andere in een kinderprogramma in dancing “‘t Lachriet” in Lichtaart optreden. Tijdens een van haar optredens wordt zij door een medewerker van Pierre Kartner opgemerkt. “Ik zong daar enkele liedjes en zo ontmoette ik daar op zekere dag iemand van het orkest van Pierre Kartner. Die nodigde me uit om ‘s anderendaags naar een optreden van Pierre te komen, waar het toenmalige kindsterretje Wilma optrad. Die liet het nogal eens graag afweten en ik moest maar langskomen. Dan kon ik in haar plaats mijn kans wagen. Ik zong de dag nadien in duet met Pierre Zou het erg zijn lieve opa. En de dag nadien stond hij met zijn entourage bij ons thuis op de stoep.

Voor de volledigheid van het verhaal in het kort Pierre Kartner even duiden. De dan 37-jarige Pierre, die als artiest ervaring had opgedaan in het trio The Lettersets, was nadien als plugger gaan werken voor platenfirma Negram alvorens vanaf 1967 als producer aan het werk te gaan. Ook als artiest bleef hij werkzaam, eerst als deel van het bekende tweetal Duo X en nadien als solist en vooral als Vader Abraham. Hij hielp als producer ook een aantal artiesten aan een geslaagde carrière, onder meer De Kermisklanten, Corry en De Rekels, die hij in 1970 de nummer één Huilen is voor jou te laat bezorgt, en de zangeres Wilma Landkroon, die op zeer jeugdige leeftijd als Wilma een bliksemcarrière wist op te bouwen. Levensliedjes worden haar handelsmerk, daarin geruggensteund door Pierre Kartner als haar producer en ook de schrijver van haar hits, waaronder de singles Een klomp met een zeiltje uit 1969 en Zou het erg zijn lieve opa, dat haar in 1971 in de Nederlandse Top Veertig een nummer één oplevert. Dat laatste was een duet dat zij samen met Pierre als Vader Abraham zong. In 1972 komt plots een einde aan hun samenwerking. Met Wilma gaat het van dan af bergafwaarts. Aan Paul de Leeuw vertelde ze uitvoerig over die periode: hoe zij op een bepaald moment in een kindertehuis belandt en iets later gearresteerd wordt wegens inbraak. In de loop van de jaren negentig waagt Wilma zich aan een comeback, maar zonder succes.

Geen wonder dus dat Pierre Kartner, na het stopzetten van zijn samenwerking met Wilma, op zoek is naar een nieuwe jonge zangeres en die vindt hij in de persoon van Mieke Gijs. Pierre heeft ervaring genoeg om niet meteen met haar de studio in te duiken, maar haar eerst klaar te stomen voor een eventuele carrière. Hij neemt haar mee op sleeptouw tijdens zijn “Vader Abraham Show”. “Mijn ouders keken heel erg op naar Pierre en vertrouwden hem ook. In die tijd stond thuis vaak Radio Veronica aan en daar passeerde zijn repertoire haast dagelijks. Niet vergeten, ik moest mee naar Nederland om aan m’n carrière te schaven. Mijn ouders vroegen even bedenktijd, want ze hadden nog drie andere kinderen om voor te zorgen, maar Pierre wist hen, doortastend als hij is, na een tijdje toch te overtuigen.” Miekes vader ruimt voldoende tijd in om samen met haar naar de diverse optredens te rijden, want Mieke is nog te jong om zelf achter het stuur te kruipen. Daar kroop veel tijd in en dus werd na een tijdje besloten dat Mieke, als het haar beter uitkwam, bij Pierre thuis en zijn gezin bleef overnachten. Tot aan haar huwelijk werd dit voor Mieke jarenlang haar tweede thuis.

Er wordt ook besloten Mieke voortaan professioneel te begeleiden. Pierre werkt ook stilaan aan enkele liedjes die hij Mieke wil laten opnemen en sluit voor haar een platendeal bij Dureco, waarvoor hij al diverse producties heeft verzorgd. Deze platenfirma, eerst in Amsterdam, later in Weesp gevestigd, beslist een zustermaatschappij op te richten, Elf Provinciën, met als doel uitsluitend Nederlandstalige liedjes en artiesten op de markt te brengen en daarnaast vooral accordeonplaten. In 1969 brengen zij op dit label de eerste elpees op de markt en houden dit tien jaar vol. Bekende artiesten die bij hen de revue passeren zijn: Ben Cramer, Jacques Herb, Corry Konings, De Gebroeders Brouwer en Pierre Kartner alias Vader Abraham.

Op het Elf Provinciën-label brengt Mieke in de maand oktober van 1973 het plaatje Wat een prachtige dag, een vertaling van de hit What a wonderful world, op de markt, dat zij in duet samen met Vader Abraham zingt. De negenentwintigste november van dat jaar schittert zij met dat liedje in de tv-show van Vader Abraham “In ‘t land van Bartje”. Het liedje was in de hitlijsten niet meteen je dat omdat volgens Pierre Mieke nog wat aan haar a-klanken moest schaven. Het mocht wat Hollandser klinken en daar werd dan, vooral tijdens optredens in het land, constant aan geschaafd.

Mieke is zeventien wanneer zij in 1974 haar eerste echte hit scoort met het door Pierre geschreven Een kind zonder moeder.Wat een nummer! Ik zing dat nog altijd. Toen ik het op die leeftijd zong, bracht ik het zonder er echt in te kruipen. Als ik dat nu zing, doe ik dat, moeder zijnde, wel. Mijn publiek kent dat lied van het eerste tot het laatste woord en zingt dat over de hele lengte mee.” Met die single geraakt zij tot op de twaalfde plaats in de Nederlandse Top Veertig. Een maand later wordt die single ook in Vlaanderen uitgebracht en belandt hij op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien. In de slipstream van dat succes produceert Pierre Kartner haar gelijknamige elpee met daarop twaalf liedjes, waaronder ‘n Kleine lappenpop, Aan het Spaanse strand, Wintertijd en Het nonnenkoor. Het levenslied is niet ver uit de buurt en bakent voor het merendeel ook het terrein af waarop Mieke zich de komende jaren zal bewegen. Het album levert haar binnen de kortste keren goud op. “Vreemd als ik daar nu op terugkijk, maar ik stond daar niet bij stil. Ik stond ook met m’n single op één, maar op de een of andere manier zei me dat weinig. Ik wou alleen maar optreden, zingen, mensen amuseren. Het was wel leuk dat ik tijdens een tv-optreden Rob de Nijs en Ben Cramer tegen het lijf liep, but that was it. Tijdens zo’n tv-optreden moesten ze me ook altijd komen zoeken, zoals bij de NOS bijvoorbeeld, waar ik in een andere studio liever de opname van een kinderfeuilleton bijwoonde. Ik had zat lef. Ik sprak iedereen aan en werd ook door haast iedereen herkend. Nu zou ik dat niet meer durven, maar toen wel.

Mieke liep toen nog school, de technische richting, in Arendonk. Maar na een tijdje werd dat onhoudbaar. Ze lag meer met haar hoofd op de bank te slapen dan aandachtig de les te volgen. Zij ging dan maar wat muziek- en zangles volgen en probeerde haar talenkennis wat bij te schaven. Het is voor haar ook almaar harder werken, want zij gaat de baan op met de shows van Vader Abraham, daarbij geflankeerd door artiesten als Corry Konings, Jacques Herb, Ria Valk, Hanny en De Rekels, De Kermisklanten enzovoort.

De negenentwintigste maart 1975 bereikt zij in Nederland de tipparade met Zondagskind, maar verder dan dat geraakt zij niet. Het tij keert in haar voordeel wanneer zij de twaalfde juli van dat jaar op de veertiende plaats in de Top Veertig staat te pronken met Zomertijd, een liedje dat voor de rest van haar carrière haast tijdens elk optreden zal opduiken. Tot dan toe trad Mieke haast uitsluitend op als onderdeel van de “Vader Abraham Show”. Zij weet zich een beetje los te weken van dat geheel en gaat stilaan ook solo optreden. “Ik had nog geen eigen band, maar er waren zo’n viertal orkesten waar ik vaak samen mee optrad. Ik denk dan vooral aan de Golden Bis Band en de Dennis Sweet Band. Die kenden m’n repertoire goed, kenden ook de geplogenheden in Nederland. Dus dat was wel fijn werken met hen“, aldus Mieke.

De volgende single M’n beste vriendin vinden wij in het najaar van 1975 op twaalf terug in de Top Veertig en hij geraakt in de Top Dertig in ons land de dertiende december tot op de vijfentwintigste plaats en zal daarmee de hoogste notering worden die Mieke voor de rest van haar carrière in die hitlijst zal scoren. Iets voordien heeft zij samen met Vader Abraham in Oostenrijk een kerstspecial ingeblikt, die niet alleen op tv maar ook op elpee een groot succes wordt en haar volgende gouden plaat. Dat jaar is er ook succes weggelegd voor haar album “Nu ik weet wat liefde is” met daarop naast haar hitsingles liedjes als Is er ‘n kans, Alles slijt behalve eenzaamheid, Onbekende jongen en Zusje droog je tranen vlug. Ook op dit album heeft Pierre Kartner de touwtjes stevig in handen.

Pierre heeft intussen duidelijk zijn stempel op het repertoire van Mieke gezet. Zij heeft hem intussen ook almaar beter leren kennen. “Pierre is een mens pur sang. Ook met zijn vrouw en zijn zoon Walter bouwde ik een hechte band op. Pierre droeg wel de broek. Hij kon al eens streng en moeilijk uit de hoek komen, maar ik was nog jong en zei vrij snel op alles ja. Wanneer hij een liedje voorstelde, nam ik dat ook meteen op. Ik stelde me daar geen vragen bij, want hij had als componist en producer al aardig wat bewezen, dus twijfelen aan hem deed ik niet. Ik moet ook toegeven dat ik toen nog niet zo bezig was met een ander genre dan dat ik zong. Ik dweepte met andere kindsterretjes zoals Heintje, Wilma, Nelleke en in Italië Robertino. Daarnaast ging stilaan mijn aandacht ook uit naar een Brenda Lee en Teresa Brewer en spraken de liedjes van The Bee Gees me wel aan. Dat Angelsaksische gedoe was aan Pierre niet besteed. Die hoorde alleen maar liedjes in de moerstaal in zijn oren klinken en daar ging hij dan ook voor, ook wat mijn platenrepertoire betreft.” George Baker had haar al eens aangeboden om op zijn wei te komen grazen en in het Engels te zingen, maar dat zag Pierre helemaal niet zitten. “Pierre was niet in de eerste plaats een zakenman“, weet Mieke daaraan toe te voegen. “Zijn vrouw hield de financiële kant in de gaten. Pierre hield zich alleen maar met het schrijven, produceren en zijn optredens bezig.”

Om nog eens echt te scoren is het voor Mieke wachten tot de eenendertigste januari 1976. Pierre Kartner vertelt Mieke met trots dat zij met het nummer Het leger van werkelozen op tien is aanbeland in de Nederlandse hitlijsten. Meteen erbij vermelden dat dit ook haar hoogste notering ooit is. Op dit nummer zingt Mieke niet alleen samen met Vader Abraham, maar worden zij begeleid door het in die tijd bekende accordeonduo De Kermisklanten. “Dat liedje was echt als grap bedoeld. Het was een echt carnavalsliedje. Wat Pierre niet verwacht had, was dat dit bij veel mensen in het verkeerde keelgat was geschoten. Vooral werklozen hadden er een probleem mee. Het weekte veel negatieve reacties los en dus werd na een aantal weken besloten het liedje uit de handel te nemen. Ik heb er niet om getreurd, want ik stond ook niet voor het volle pond achter dat liedje“, dixit Mieke.

Samen met Vader Abraham brengt Mieke drie maanden later het nummer Niet elke oester heeft een parel op de markt. In de zomer van 1976 is er haar solosingle Zomaar een dag in september, maar de Top Veertig blijft buiten bereik. Dat liedje is ook terug te vinden op haar album “Tussen dromen en ontwaken” met daarop nummers zoals Mijn engelbewaarder, Lieve moeder, Kermis, Vaya con Dios en Het dorpje.

De vraag dringt zich tijdens ons gesprek op: hoe lukt het een Vlaming in Nederland zoveel hits te scoren? “Ik denk dat dit alleen maar gelukt is door de niet-aflatende steun van Pierre. Ik begon vanuit het niets en dan is het vanuit Vlaanderen richting Nederland erg moeilijk om het daar te maken. Ik werkte met een Nederlandse songleverancier, een Nederlandse platenfirma die opnam in een Nederlandse studio met Nederlandse muzikanten. Liedjes die door Nederlandse promomensen bij de Nederlandse media gepromoot werden. De voedingsbodem was 100% Hollands.”

Er is ook geen Top Veertig weggelegd voor het liedje Santa Maria, tekst en muziek van Pierre Kartner, dat zij in de maand februari van 1977 in de markt zet. Het jaar dat zij twintig wordt, passeert zonder noemenswaardige prestaties op platengebied. Het jaar nadien lijkt Mieke zich te herpakken wanneer zij de eerste april van 1978 in de Nederlandse Top Veertig opduikt met het nummer Charlie Chaplin, een ode aan de bekende filmacteur en regisseur die op kerstdag 1977 was overleden. “Ik zing dat liedje nog altijd. Nu heb ik het verwerkt in een Kartner-medley samen met Een kind zonder moeder, Zomertijd en M’n beste vriendin. Het publiek wil dat zo en het zijn en blijven toch mijn bekendste nummers.” Om dat succes te verzilveren, wordt het album “Horen, zien en zingen” uitgebracht met daarop voorspelbare liedjes als Wat m’n grootvader zei, Morgen zal ik om je huilen, Laat me vrij zijn, De oude visser en Timmy, een vertaling van de Amerikaanse hit Tammy. Het album wordt opgenomen in de “M.C. Studio” in Nederhorst den Berg met aan het roer zoals steeds Pierre Kartner, die het merendeel van de liedjes aanreikt. “Pierre werkte altijd op dezelfde manier. Dan liet hij me weten dat hij aan een nieuw album voor mij bezig was, dus nieuwe liedjes aan het schrijven was. Ik was toch bij hem thuis. En als hij er dan eentje klaar had, repeteerden wij en hoorde hij meteen of het goed zat of niet. Iets later namen we het dan op, maar hij vroeg me nooit ofte nimmer of het liedje me wel aanstond. Maar ik stond er niet bij stil, want op m’n eerste plaat zong ik covers van Edith Piaf en Lucille Starr, en pas nu besef hoe mooi die wel waren.”

Het publiek weet wat het van Mieke mag verwachten en qua verkoop kan zij rekenen op haar schare trouwe fans, die ook trouw naar haar optredens blijven komen. Ook al is zij geboren in Vlaanderen, Nederland is haar grootste afzetmarkt. Kartner blijft liedjes voor Mieke schrijven en is ook leverancier voor haar album “Liefde doet soms pijn”, dat zij in 1979 inblikt. Hitsingles levert deze elpee niet op. Qua inhoud blijft zij trouw aan wat de fans van haar gewoon zijn: Mijn liefdesdroom, Ik verlang zo naar jou, M’n tranen zijn ook voor jou, Neem mij nog eens in je armen, Liefde doet soms pijn.

Het lijkt alsof Cupido aan haar deur is komen aankloppen en wat blijkt, de zeventiende oktober 1979 trouwt Mieke in het gemeentehuis van Arendonk met toenmalig VRT-regisseur Hugo Dewaersegger. Zij leerde hem kennen tijdens de tv-opnamen van het programma “De tijd van toen” met Jan Theys. “Hugo was regisseur van dat programma. Ik zong toen het liedje Een boeketje rode rozen. De luisteraars bepaalden dan via een wedstrijd of je de volgende uitzending opnieuw mocht langskomen. Ik stak met veel stemmen boven de rest uit. De keer daarop zag ik Hugo opnieuw en sloeg de vonk over. Vóór hem had ik wel vriendjes gehad, maar verder dan dat kwam het nooit, want Pierre ging zich ermee bemoeien en stelde me voor de keuze met hem verder te werken of voor dat vriendje te kiezen. Hij stond wel achter mijn Hugo-keuze, maar ja, ik was toen al bijna 23 en hij zag meteen in dat ik niet meer tegen te houden was.

Toeval of niet wat de titelkeuzes betreft, maar ook de singletjes die dan verschijnen liegen er niet om: Lekker, Want altijd komt de zomer weer en ook de titelsong van haar album Liefde doet soms pijn. Een jaar later wordt een vertaling van een Duits nummer van Ralph Siegel de titelsong van haar album “Dromenland”, dat eveneens op single verschijnt. Kartner reikt liedjes aan zoals Santo Domingo en Je kan in ‘t leven alles willen. In de Nederlandse Top Veertig is Mieke met Dromenland terug te vinden op de drieëndertigste plaats. Zij heeft ooit beter gescoord. Kartner heeft intussen als Vader Abraham zijn handen vol. Hij heeft er twee kanjers van hits op zitten. In 1976 staat hij in de hitlijsten met ‘t Kleine café aan de haven, dat hij aanvankelijk voor Imca Marina had geschreven, maar die vindt dat hij het zelf moet opnemen. Het liedje wordt internationaal een grote hit in de versies van James Last, Peter Alexander en Joe Dassin. Een jaar later scoort hij opnieuw gigantisch, deze keer met t Smurfenlied, waarvan wereldwijd achttien miljoen exemplaren worden verkocht. Pierre gaat zich als Vader Abraham almaar arroganter gedragen, vinden zijn vrienden van vroeger. “Ik vond niet, reageert Mieke snel, dat hij veranderde. Hij werd almaar meer door zijn vak opgeslorpt. Het ontbrak hem bijwijlen aan tijd. Hij moest vaak naar het buitenland. Hij stond op een bepaald moment op één in Mexico, zat vaak in Duitsland. Hij had ook minder tijd voor mij, maar ik ben van nature erg trouw en bleef, ondanks die hectische periode voor Kartner, aan hem gehecht.”

Pierre heeft het er moeilijk mee wanneer hij in de loop van de jaren tachtig merkt dat het niet meer van zo’n leien dakje loopt wat het scoren en schrijven van hits betreft. Hij heeft te vaak in de richting van het buitenland gekeken, zijn interesse was wat verdeeld en gokken op twee paarden bleek ook voor hem wat moeilijk en minder lonend.

Mieke is intussen van producer gewisseld: “Mijn man Hugo vond dat het misschien tijd was geworden om eens uit te kijken naar een andere producer. Verandering van spijs doet immers eten.” Dries Holten neemt de plaats van Pierre Kartner in. Dries was de jaren voordien bekend geworden als wederhelft van het duo Sandra en Andres, dat hij samen met zangeres Sandra Reemer vormde. Nadien scoorde hij samen met zangeres Rosy Pereira als het duo Rosy & Andres. Hij schreef ook liedjes voor anderen. Het is voor hem raak wanneer in Duitsland Cindy & Bert in 1973 goud scoren met het door hem geschreven Immer wieder Sonntags.Ik wilde graag eens iets anders. Pierre had het heel druk met zijn optredens in de slipstream van zijn succes met ‘t Smurfenlied en zo. Ik heb eerst nog even samengewerkt met Cees de Wit. Die schreef voor mij toen liedjes als Liefde doet soms pijn, Jij weet heel goed en Neem mij nog eens in je armen. En dan heeft mijn platenfirma me aan Dries Holten voorgesteld. Dat was een leuke periode.

Voor Mieke produceert Dries onder meer het album “Als ik jullie niet had”, dat in 1981 wordt gereleaset met als single daaruit Als ik jou niet had, een vertaling van een Duits nummer van Ralph Siegel en Bernd Meinunger, als Wenn ich dich nicht hätte bij onze oosterburen een hit voor Karl Gott. Op de B-kant is Mieke nog altijd trots, want daar staat Wals van de lente van de hand van Mari Trini. Veel meer dan een drieëndertigste plaats in de Nederlandse Top Veertig zit er voor Mieke niet in. In de Vlaamse Top Tien bereikt ze met dat nummer de achtste augustus een zesde plaats. Er werd gezocht naar een andere stijl. “Ik wist toen nog niet echt wat ik wou“, herinnert Mieke zich nog. “Dries had wel een duidelijke visie. Zo wilde hij mij bijvoorbeeld Ma vie laten zingen, maar ik kon die hoge noten niet halen. Dries zocht wel mooie liedjes, maar hield geen rekening met toonsoorten en zo. Ook toen nog durfde ik niet volmondig liedjes af te wijzen. Zij beslisten nog erg vaak in mijn plaats.” In een productie van Dries verscheen in 1980 de single Dromenland, gekoppeld aan Santo Domingo, en in 1981 De dierenband met op de B-kant Santa Barbara.

Aan die samenwerking met Holten komt in 1982 een einde. Pierre Kartner neemt de fakkel weer over en schrijft en produceert voor Mieke Ga naar die ander met op de keerzijde van de plaat Moeder je mag nu niet huilen. De vierde april 1984 wordt voor Mieke een echte hoogtijdag. Dan wordt zoon Bart geboren. Blijkt later dat hij helemaal niet muzikaal is en zich beter thuis voelt in de verkoop en zo. Hij heeft zich gespecialiseerd in het bouwen van Websites en webdesign.

Dureco besluit in 1981 al haar successen van de voorgaande jaren samen te bundelen op het album “De beste van Mieke”, goed voor zestien hits, beginnend met Wonderland en eindigend met Ik heb vandaag de zon besteld. Mieke sluit op dat moment een nieuwe platendeal en wel met het Philips-label. Het vreemde is dat die samenwerking haar geen hits oplevert.

Voor Mieke is het wachten tot in 1985 wanneer zij nog eens een behoorlijke hit scoort. Dat wordt het duet Zaterdagavond, een tekst van Pierre Kartner op Ich komm’ bald wieder van Cindy & Bert, bij onze oosterburen een regelrechte klassieker, geschreven door Kurt Feltz en Christian Bruhn. Voor deze gelegenheid wordt Mieke gekoppeld aan het talent van de op dat moment in Duitsland en Nederland populaire schlagerzanger Dennie Christian. Kartner verzorgt deze keer de productie. “Toen ik zwanger was van Bart, kwam ik Pierre vaak tegen in het land en hij bleef maar aandringen dat ik terug bij hem zou komen. Pierre en Harry Thomas, de gangmaker in de Benelux van de Duitse schlager en organisator van het ‘Schlagerfestival’ in Kerkrade. In Breda ontmoette ik Dennie Christian in het gezelschap van Pierre en Harry en daar en toen werd beslist dat we samen een duet zouden opnemen. We zagen dat beiden meteen zitten. Die match had het publiek ook meteen door en dat heeft zeker bijgedragen tot het succes.” In de Nederlandse Top Veertig geraken zij tot op de vijfentwintigste plaats. Kartner laat iets later spontaan aan Mieke weten dat zij aan een nieuw team toe is. Zijn plaats wordt ingenomen door Ad Kraamer, die van dan af haar producties in handen neemt en haar de geschikte songs aanreikt. Kraamer had als artiest onder de naam Marc Winter in de loop van de jaren zeventig enkele hits gescoord, waaronder De heilsoldaat in 1974. Maar hij voelt zich achter de knoppen in de opnamestudio beter thuis en zal zich de jaren nadien profileren als producer van onder meer André van Duin, de Zangeres Zonder Naam, De Deurzakkers, Guus Meeuwis & Vagant én Dennie Christian. Het lag dus een beetje voor de hand dat hij tuk was op die samenwerking tussen Dennie en Mieke. Er volgen dan een rist duetten zoals in 1985 Gelukkig zijn. Ad kende dat liedje als When the sun says goodnight to the mountain van Roy Fox and His Orchestra. Nederland bedenkt Mieke en Christian met een tweeëndertigste plaats in zijn Top Veertig. Het jaar nadien volgt Vakantie en Jij bent niet meer alleen van de hand van Ad, Peter Power, Robert Mekro, Hans van Wiggen en Ully Jonas. Met Vakantie pieken ze in de Top Veertig op de eenendertigste plaats. In 1987 worden stemmen van Mieke en Dennie gekoppeld aan die van Freddy Breck en Micha Marah in Wie gaat er mee, speciaal voor hen door Ad geschreven samen met Hans van Wiggen. Terugblikkend zegt Mieke over die samenwerking met Ad: “Hij stuurde me vocaal een bepaalde richting in waarbij mijn inspraak niet altijd gold. Hij gaf me dan een bandje dat ik het komende uur moest instuderen en dan werd er nadien gelijk opgenomen. Hij was wel een rustige man met wie ik goed kon praten, maar zijn manier van werken lag me niet zo.

In Nederland scheert het jaarlijks terugkerende “Schlagerfestival”, op het getouw gezet door de inmiddels overleden Harry Thomas, hoge toppen. Vanaf 1985 staat Mieke daar steevast op de artiestenlijst aan de zijde van Freddy Breck en Dennie Christian. Ook haar Vlaamse collega Micha Marah maakt er deel van uit. In 1986 neemt de TROS de tv-show “Dennie, Mieke, Freddy” op. Er verschijnt tevens de gelijknamige cd, die meteen met goud wordt bekroond. Hierop liedjes als Vrienden kom erbij, De wereld draait door, Monica, Vrijdagavond en Blonde meisjes. Dat smaakt naar nog. Voor de kerstviering van 1987 blikt de TROS met hen en samen met Micha Marah een kerstspecial in en wordt het album “Vrolijk kerstfeest” uitgebracht. Ook deze keer ligt de gouden status snel binnen handbereik. De fans kunnen meezingen met klassiekers als Gloria in Excelsis Deo, Nu zijt wellekome, Hoe leit dit kindeke, Stille nacht en Het wordt al donker. In 1988 wordt er door dit vierspan lekker gedanst en gezongen tijdens de nog altijd populaire Schlagermix met daarin de nummers Vanavond, Elke dag, Zeg ‘s schat, ‘t Is heerlijk om verliefd te zijn, Mooi is het leven en Niemand is zo goed en lief als jij verwerkt. Op het Qualitel-label is er in 1988 de verzamelaar “Het beste en het mooiste van Mieke” met daarop zeventien stroken. Op de bijbehorende hoes lezen we onder andere: “‘Het beste en mooiste van Mieke’ is de allesomvattende titel waaronder deze plaat is uitgekomen. Een schitterende selectie van bestaande Mieke-successen tezamen met een reeks nieuwe nummers zoals Kom maar in m’n armen schat, Alle kinderen, Dans nog één keer met mij en niet te vergeten haar meest recente single Kom weer terug bij mij.” U kijkt misschien vreemd op, maar Mieke voelde zich met die samenwerking niet zo in haar sas. “Met alle respect, maar die keuze er Micha aan toe te voegen, heb ik nooit goed begrepen. Micha klonk in mijn oren niet als een schlagerzangeres. Ik begrijp achteraf haar keuze wel, want zo kon ze ook voor een groot deel in Nederland optreden. Voor een groot deel is dat ook de reden geweest dat ik besloot stilaan mijn eigen weg te gaan, niet meer onder de hoede van Thomas te blijven werken.

Maar we moeten even terugkijken in de tijd, want intussen brengt Mieke onder de hoede van Ad Kraamer ook nog een rist soloplaatjes uit. In 1985 op het AKM-label Ik ben verloren, een vertaling van Hey, Joe McKenzie van Vicky Leandros door Ad. De negentiende oktober 1985 staat Mieke ermee op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien. Daar houdt Mieke precies een jaar later halt op tien met Ik laat je nooit meer gaan, dat Ad samen met Jack White en Hans van Wiggen schreef. Wanneer Céline Dion in 1988 het Euvovisiesongfestival wint met Ne partez pas sans moi, durft Mieke het aan daarvan een vertaling op te nemen. Kom weer terug bij mij staat de negenentwintigste oktober van dat jaar op tien in de Vlaamse Top Tien. “Ik ben Ad er nog altijd dankbaar voor dat ik dat mocht opnemen. Zonder dat hij er misschien erg in had, maar toen ik dit had opgenomen, wist ik dat dit het soort liedje was dat ik graag zong. Eindelijk kon ik laten horen dat ik een echte zangeres was en dat daar mijn toekomst lag.” Een bescheiden hit zit er ook in voor Vaya con Dios, want de zesentwintigste november 1988 vinden we Mieke met haar gelijknamige versie van Andrea Jürgens’ hit terug in de Vlaamse Top Tien.

Het hittij keert wanneer er op het einde van de jaren tachtig een einde komt aan de samenwerking met Ad Kraamer, Dennie Christian en Harry Thomas. Voor Mieke breken haar 100% Vlaamse jaren aan wat haar platen betreft. Zij gaat samenwerken met de in die tijd populaire producer Roger Baeten, die ooit onder zijn eigen naam een dikke hit had gescoord met Blijf je bij mij en in de jaren tachtig als B. Rodgers een stevige hit had met I feel so good. Roger was zich nadien gaan concentreren op het schrijven en produceren van liedjes voor Salim Seghers, Pascal Laurent en Danny Fabry. “Door die producties met die Vlaamse jongens was Roger me muzikaal al een tijdje eerder opgevallen. Zijn aanpak stond me wel aan en dus gingen we vooraf wat praten en besloten we een eerste plaatje uit te brengen.” Bij Roger kan Mieke dus met haar muzikale wensen terecht. Een eerste poging in 1990 wordt het door hem geschreven Neem me in je armen, maar de hitlijsten blijven voorlopig buiten bereik. Op het CNR-label is er het jaar nadien Vrij als een vogel, eveneens door Roger geschreven en opgenomen in de “Galaxy Studio” met aan de knoppen Wilfried Van Baelen, die we nadien zullen kennen als niet alleen de man, maar ook de producer van Dana Winner. “We hebben op een bepaald moment geprobeerd de aanpak te splitsen. In Nederland met Ad blijven voortwerken en in Vlaanderen met Roger, maar dat lukte van geen kanten, dus werd het Roger“, aldus Mieke. Roger voelt Mieke almaar beter aan en weet waar zij op dat moment zin in heeft, onder meer in een cover van de hit Chanson populaire van de Franse zanger Claude François, die daar in 1973 een grote hit mee scoorde. “We waren op vakantie in de Pyreneeën en daar waren toeristen die ons daarop attendeerden. Na al die jaren ben ik nog altijd blij met die keuze.” Roger schrijft er een tekst bij en trekt met Mieke naar de studio. Zij is maar wat blij wanneer zij ziet dat Vlinders in je buik de achtentwintigste juli van 1990 op de vierde plaats van de Vlaamse Top Tien genoteerd staat. Ook VTM nodigt haar graag uit voor een rondje “Tien om te Zien”. Die Vlaamse producties geraken echter niet in de Nederlandse Top Veertig. Met Roger neemt zij ook nog de single Om je hart te voelen slaan op, een vertaling van Pour un flirt van Michel Delpech door Jeroen Le Compte. Mieke blikt ook nog de single Breng me terug bij jou in.

Op zoek naar een geschikte manager en producer belandt Mieke in 1992 bij Marc De Coen, die een gerenommeerd theaterbureau runt en bij de massa bekend zal worden als manager van onder meer Günther Neefs. De platenfirma zag af qua budget af van een verdere samenwerking met Roger Het was platenfirma CNR die Mieke die via hun medewerker Bert Burm Mieke aan Marc gekoppeld. Marc schrijft speciaal voor Mieke samen met Gyuri Spies Waarom zou er vrede zijn en spoort haar in 1993 aan daarmee deel te nemen aan “Eurosong”. “Dit vond ik zalig. Die wedstrijd, die spanning. Nu zou ik het niet meer doen, ook niet meer durven. Maar toen vond ik het heerlijk om mee te maken.” Mieke komt in de tweede voorronde terecht samen met onder anderen John Terra, Nadia, Petra, Hugo Dellas en Christoff. Mieke wordt daarin tweede en stoot door naar de finale, maar het is Barbara Dex die dat jaar met Iemand als jij de vijftiende mei in Ierland mag aantreden, waar zij jammer genoeg op de laatste plaats eindigt.

In 1994 duikt Mieke nog eens in de Vlaamse Top Tien op wanneer Marc haar op plaat eenmalig koppelt aan Jo Vally in het nummer Soms is liefde…, een vertaling van Perhaps love, dat John Denver schreef en samen met Plácido Domingo had ingeblikt. “Vally zat in de platenstal bij Marc. Wij kwamen elkaar vaak tegen bij optredens en zo ging de bal aan het rollen. Ik weet nog goed dat dat samenzingen meteen klikte en dat we er veel mee voor tv hebben opgetreden, tot in Nederland toe. Het viel me telkens op dat onze stemmen goed matchten.” Met Marc gaat Mieke op zoek naar een ander genre, liedjes met iets minder schlagergehalte. Zij neemt een versie op van Laat me alleen, waarmee Rita Hovink in 1977 in de Top Veertig een behoorlijke hit had gescoord. Oorspronkelijk werd het nummer als Pazza idea door de Italiaanse zangeres Patty Pravo op plaat gezet. Wij kennen hier in Vlaanderen heel goed de nog latere versie van Mama’s Jasje, die daarmee drie jaar nadien op één staan in de Vlaamse Top Tien.

Mieke had intussen geleerd niet zo veel meer op die hitlijsten te mikken, het levenslied als genre wat af te bouwen en te zingen waar zij op dat moment veel zin in had, al verging haar dat zingen toen haar man Hugo de eerste januari 1995 op 42-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed. “Wij waren op vakantie in Marokko. Hugo was niet tevreden over het hotel. Hij had zich nogal druk gemaakt aan de balie en dan zijn we naar een andere locatie uitgeweken en toen is het gebeurd. Hugo was net bij de VRT vertrokken, hij had verlof zonder wedde genomen om zijn eigen bedrijf te kunnen opstarten, FTP, de technische tak van RTV. Eerst was er TV Kempen en iets later TV Mechelen. Een behoorlijk drukke klus en we wilden er even een weekje tussenuit. Maar het verliep anders dan verwacht.” Voor Mieke breekt een hectische periode aan. Zij wilde toch de zeilen van Hugo’s bedrijf strakgespannen houden. “We moesten wel, want we hadden ons huis zelfs in pand gezet om een peperdure montage-unit aan te kopen. Het overviel me allemaal, want tot dan toe had ik me daar allemaal niet zo mee beziggehouden. Gelukkig had ik mensen in mijn onmiddellijke omgeving die me goed gesteund en begeleid hebben. Voor mijn zoon Bart vond ik die periode verschrikkelijk. Een jongen van tien die z’n vader verliest. Maar we moesten verder en dan ben ik een tijdlang gestopt met zingen. We hebben FTP zo’n jaar of vier staande gehouden. RTV wou uitbreiden en dan hebben we ons bedrijf aan hen overgelaten.”

Mieke vindt extra steun bij haar manager Marc De Coen, die haar aanspoort haar carrière te blijven koesteren. In 1995 is er het op het Dureco-label het album “Voor jou”. Mieke krijgt daarbij de steun van Miguel Wiels, Werner Bellon, Paul Natte en Gyuri Spies. Zij laat deze keer diep in haar ziel kijken in liedjes als Zonder jou, Als ik leef leef ik voor jou, Zo zie ik je graag en Mooier kan het niet zijn. Marc neemt de productie voor zijn rekening. Mieke neemt op Marcs aanraden in 1996 deel aan “De Gouden Zeemeermin” met het oog op een selectie voor het “Eurovisiesongfestival”, maar wordt uiteindelijk uitgeschakeld. “Dat was geen goede zet, als je het nu bekijkt. Ik voelde me niet goed in mijn vel. Het overlijden van Hugo kleefde nog te sterk aan mij. Ik zong toen Op dit moment, een heel mooie song. Willeke Alberti zou het trouwens nadien nog opnemen. Ik zelf stond er niet echt toen ik het zong. Ik kon niet in dat lied kruipen.” Mieke voelt zich na het verlies van Hugo leeg en trekt zich terug uit de showbusiness.

In de cd-reeks “Wolkenserie” brengt haar voormalige platenfirma Dureco in 1997 de verzamelaar “Mieke” op de markt, goed voor een selectie van vijftien van haar grootste hits, uitgekozen door Hans Gouweloos. Dit album bevat tevens een overzicht van de producers met wie Mieke de voorbije jaren heeft samengewerkt: Pierre Kartner, Dries Holten en Cees de Wit.

Intussen is het contact met Marc warmer en intenser geworden. “Dat verliep heel voorzichtig, groeide stilaan. We gingen veel met elkaar om en dat werd ook almaar closer, intiemer. Tot we uiteindelijk levenspartners zijn geworden!” Marc blijft haar motiveren om ermee door te gaan. Hij produceert in 1998 het album “Mieke zingt Dolly Parton” met daarop twaalf hits van haar countryidool die zij in studio “The Groove” in Schelle opneemt. “De Nederlandse platenbaas Jaap Stoutenbeek was al geruime tijd op zoek naar een zangeres die dat aankon. Jaap had in 1986 al Partons ‘It’s all wrong, but it’s alright’ met zangeres Sherity opgenomen. Hij wou meer met dat repertoire. Naarmate de opnamen vorderden, kreeg ik de smaak weer te pakken en ging ik opnieuw graag zingen. Zo kwam ik stilaan weer op gang.” Mary Boduin vertaalt het merendeel van de teksten. Het is platenfirma BMG/Ariola die het album in de maand februari van 1998 in de markt zet. Als promotekst bij het album lezen we: “Het is een tijdje stil geweest rond zangeres Mieke. Na een moeilijke periode in haar privéleven, veroorzaakt door het overlijden van haar man, is ze terug met een nieuwe cd. Zoals de titel al doet vermoeden, zingt ze op deze plaat Nederlandse vertalingen van haar Amerikaanse collega Dolly Parton. Hartenbreker (Heartbreaker), Als ik ga (I will always love you), Jolien (Jolene) en Het licht van mijn twee ogen (You are) zijn enkele van de nummers die Mieke op een zeer aanvaardbare wijze naar zich toe heeft getrokken. De single Voor altijd samen (Christmas without you) is een duet met ex-Kayak-zanger Edward Reekers.” Mieke krijgt muzikaal op dit album de steun van onder meer Chris Peeters, Cel De Cauwer, Walter Metz, Bernie Bovens, Vincent Pierins, Alain Van Zeveren, Dany Caen en Henriette Willems.

 

In Nederland heeft Mieke intussen Jaap Stoutenbeek als manager onder de arm genomen. In België blijft het bureau van De Coen zich over haar ontfermen. Maar echt optreden zit er nog niet in. Na de release op het Pyramid-label van de single Zoiets als liefde, een cover van So was wie Liebe van Michelle, die zij in 2001 opneemt, en de positieve respons op dat nummer, krijgt zij weer zin om te gaan optreden. Zij ontmoet opnieuw Dennie Christian, met wie zij in 2002 het duet Ik ben verliefd, jij bent verliefd inzingt, uitgebracht op het Telstar-label. “Verschrikkelijk die keuze“, vult Mieke snel aan. “Zowel Dennie als ik vonden dat we daar stonden te zingen als twee overjaarse pubers. Pierre Kartner drong bij ons aan dit te doen. In de studio wrong het al, dat liedje was niet onze keuze. Zowel Dennie als ik voelden aan onze samenwerking niet nog eens te herhalen. Onze hits waren oké, maar nog eens pogen dat over te doen? Mocht het een terechte keuze zijn, dan wil nog eens nadenken, maar ik sta er zeker niet om te springen!

In 2004 staat Mieke dertig jaar op de planken. Er wordt door Dureco veel zorg besteed aan de driedelige cd “Dertig jaar Mieke, het complete hitoverzicht” met in het totaal veertig liedjes, waarvan er vier gloednieuw zijn: Een stukje blauwe hemel, In een wereld zonder jou, Daarom stuur ik jou een engel en Altijd verder. “Ik schrok van wat ik allemaal in al die jaren had ingeblikt. Ik heb alles nog eens beluisterd en merkte dat ik erg trots ben gebleven op die beginperiode met Pierre Kartner en dan die hoogtijdagen samen met Dennie Christian, toch twee ijkpunten in mijn carrière. Ik dacht er ook aan terug hoe ik op mijn zestiende optrad in Ahoy voor een publiek van zo’n zevenduizend mensen. Ik heb in zowat alle schouwburgen en bekende zalen in Nederland en Vlaanderen opgetreden. Als ik nu nog in Nederland promotie ga voeren, beschouwen ze me daar nog als een vedette. Ik word daar soms idolaat benaderd. Dat is toch wel een apart gevoel. Ik bloos er nog regelmatig door.” Als bonus is er bij dat feestalbum een dvd met daarop onder meer De Schlagermix, Kom maar in mijn armen schat en Kom weer terug bij mij. In het bijgevoegde boekje schrijft Skip Voogd: “De klinkende comeback van Mieke begint echter in het begin van de nieuwe eeuw, in 2001. Met haar single Zoiets als liefde haalt ze moeiteloos de muzikale voorpagina’s, wordt zij een veelgevraagde gast in verschillende programma’s van radio en televisie en krijgt zij niet lang daarna ook weer zin in zaaloptredens. Nu Mieke eind 2004 het dertigjarige artiestenjubileum viert, is dat reden voor een aantal feestelijke bedrijvigheden. Zo heeft de TROS de toezegging gedaan voor een televisiespecial, is Mieke weer druk in de weer met de theatershow waarmee ze Vlaanderen en Nederland doorkruist en verschijnt er een blijvende en tastbare herinnering aan ’30 jaar Mieke’ met het zeer zorgvuldig en met veel vakmanschap samengestelde dubbelalbum dat het complete overzicht presenteert van de sympathieke zangeres. Een album met als verrassende finale drie nieuw opgenomen nummers, ingeluid door In een wereld zonder jou, gevolgd door Daarom stuur ik jou een engel, een cover van Ich schicke dir jetzt einen Engel van de Duitse zangeres Michelle, en de Nederlandstalige versie van het door de jaren heen geliefde Spaanse lied Camino Verde. 30 jaar Mieke, ze zijn omgevlogen, maar tienduizenden fans in Vlaanderen en Nederland kijken nu al reikhalzend uit naar een volgend jubileum.”

In 2007 is er het album “Vliegen als een vogel” in een productie van Marc De Coen, met wie Mieke intussen is gaan samenwonen. Zij heeft de stap durven te zetten om zelf ook enkele teksten te schrijven. Aan de journalisten vertelt zij dat dit het soort album is dat zij altijd al had willen opnemen, met liedjes die haar na aan het hart liggen. Op dat album dertien songs met als singlekeuze een vertaling van de hit Boom bang-a-bang van Lulu, waarmee die in 1969 het “Eurovisiesongfestival” won. Vooral de Nederlanders zijn tuk op Miekes versie. Zij schreef overigens zelf de tekst. Ook de titelsong wordt op single uitgebracht. Mieke voelt zich als herboren en geniet weer met volle teugen van haar optredens. Op haar website lezen we over dit album: “Op het ritme van de wals zingt ze liedjes over liefde en het leven, klassiekers uit de countrymuziek, covers van Lulu, Bryan Adams en Cliff Richard. Ondanks de upgrading van haar repertoire blijft ze haar fans trouw. Geen hoempapa en toch meezingmuziek. Geen schlagers en toch Nederlandstalig. Composities die Mieke op het lijf geschreven zijn, afgewisseld met sprankelend vertaalde covers.” Uiteraard staat Marc De Coen in voor de productie en Peter Bulkens voor de perfecte mix. Voor dit album reikt Pierre Kartner De beste jaren van mijn leven aan en schrijft Salim Seghers Jij bent een schat van een man en Met mijn ogen dicht. Er is ook de Wals je met me mee door de nacht, een driekwartsmaatvertaling van de Cliff Richard-hit Bachelor boy.

De lente van Mieke begon dat jaar echter in mineur wanneer de vijftiende maart haar vader overlijdt. De eerste april 2007 siert Mieke de affiche van het “Schlagerfestival” in Hasselt. Maar het is voor haar niet makkelijk na de dood van haar vader amper twee weken eerder. Gelukkig vindt ze steun bij de collega’s die met haar het podium delen, onder anderen Christoff, Bart Kaëll, Sergio, Jo Vally, Laura Lynn, Luc Steeno, Freddy Breck én Benny Neyman. Mieke geraakt met hem aan de praat en ze beslissen om te gaan samenwerken. De dertigste mei nodigt Mieke Benny en zijn partner Hans bij hen thuis uit. “Nadien zagen we elkaar nog in Noordwijk en Wieze. De tiende november besliste Benny dat mijn man Marc voortaan het management van Benny in België voor zijn rekening mocht nemen. Toen ontstond het idee om de Bing Crosby en Grace Kelly-klassieker True love vertaald op te nemen als Neyman & Gijs. Iets later vernemen we dat hij kanker heeft. Aan zijn ziekbed in Soesterberg hebben we nog een kladversie van True love gezongen. Ons afscheid die dag bleek er een voor de eeuwigheid. Benny overleed de zevende februari 2008“, vertelt Mieke enigszins ontroerd, die dit moment voor de rest van haar leven intens met zich zal meedragen.

Mieke krijgt in 2009 opnieuw voeling met de hitlijsten wanneer zij verneemt dat het kwartet Zaterdagavond, dat zij voor de gelegenheid samen met Christoff, Lindsay en Dennie Christian vormt, vooral in Nederland op veel respons kan rekenen. De single wordt de achttiende september in de markt gezet en de derde oktober staat de single bij ons in de Vlaamse Top Tien op de derde plaats. “Wat mij zo raakt“, zegt Mieke enigszins getoucheerd, “is dat Christoff en Lindsay zo vaak tegen me zeggen dat ik hun tot voorbeeld ben geweest. Het was onder hun impuls dat we onze krachten hebben verenigd en onze vocale schouders onder het nummer hebben gezet. Jammer genoeg zijn we met dat nummer in Nederland weinig op tv verschenen, want Christoffs agenda liet dat niet toe.”

Dat samenzingen met anderen vindt Mieke erg leuk. Zij covert Wenn die ganze Welt noch heute untergeht van Kristina Bach en maakt er op een tekst van Liliane Saint-Pierre Naar het sterrenlicht van, dat ze samen met haar opneemt. De achtste augustus 2010 wordt de single in de markt gezet, maar hij doet geen stof opwaaien in de hitlijsten.

Na Vliegen als een vogel blijft het op platengebied vijf jaar stil. “Het overlijden van mijn vader, de ziekte van mijn moeder en van Marc wogen zwaar op mij. Ik wou even een adempauze inlassen. Ik ging niet op mijn lauweren rusten. Ik bleef liedjes zoeken, maar we namen er de tijd voor. Stap voor stap, keuze na keuze, namen we liedjes op met in ons achterhoofd dat ze elk apart singlewaardig zouden zijn. Op die manier is mijn volgende album ontstaan.” Dat wordt in 2012 op het Jazz Music-label “Ik zal er altijd voor je zijn”. Mieke is apetrots wanneer zij tijdens de voorstelling mag vertellen dat zij deze keer zelf het merendeel van de teksten heeft aangereikt. Voor haar vader, die zij nog steeds niet kan vergeten, schrijft zij speciaal De hemel mist nu een engel. Voor haar moeder, Maria Broeckx, die aan de ziekte van Alzheimer lijdt, schrijft zij Ik zal er altijd voor je zijn. “Dat was een melodie van Heike Fransecky en Andreas Goldmann waarop ik de tekst heb geschreven. Dat zat in mijn hoofd toen we op vakantie waren. Ik wou eerst een liedje schrijven over de relatie tussen mijn zoon Bart en mij, maar ik was zo druk bezig met mijn moeder dat de tekst willens nillens in die richting ging. Ik kon toen met mijn dementerende moeder nog praten en dat heb ik in die tekst verwerkt. De reacties van het publiek waren overweldigend. In Nederland vroeg men naar de singleversie, maar dat heb ik geweigerd omdat ik het nummer niet live kan brengen. In de studio lukte het, maar live, neen, liever niet.” Het bijbehorende boekje begint trouwens met de tekst: “Met één hand hou ik de hand van mijn moeder vast. In de andere hand mijn pen.” Aan haar man Marc draagt Mieke het nummer De liefde van mijn leven op. Kortom, het is een album dat nauw aansluit bij haar dagelijks leven. Op vraag van de “Alzheimer Liga” brengt zij het nummer Ik zal er altijd voor je zijn ook op single uit en neemt zij een gepaste videoclip op. Zij mag in de lente van 2012 in Tessenderlo prinses Mathilde ontmoeten, die meter is van de “Belgische Alzheimer Liga”. Miekes moeder zal de vijfde juli 2013 overlijden. Mieke kan dit verdriet plaatsen en neemt samen met Luc Van Meeuwen Samen kunnen we de wereld aan op. Mieke schreef deze tekst bij de hit Schön ist es auf der Welt zu sein uit 1971 van Roy Black en Anita. Op het album “Ik zal er altijd voor je zijn” vallen ook enkele liedjes op waarvoor Mieke steun kreeg van enkelen van haar collega’s. Met Liliane Saint-Pierre zingt ze het al eerder vermelde Naar het sterrenlicht, dat door Ment TV wordt opgepikt als de Ment Lieveling. En er is ook het nummer Happy Children of Tomorrow, dat Mieke samen met de a-capellagroep Voice Male inblikt en dat in het raam van de tv-show “One Europe” als hymne wordt gebruikt. Als dank voor de nauwe samenwerking met Pierre Kartner, die Mieke in 1973 mee op sleeptouw nam, neemt zij een nieuwe versie op van Mijn engelbewaarder, dat Pierre in 1976 speciaal voor haar schreef. Over dit album wil Mieke nog het volgende kwijt: “Dit is een album dat ik al heel lang wilde maken, maar omdat serieuze zaken als alzheimer toch wat moeilijker liggen, heb ik er lang over nagedacht hoe we dit zouden moeten aanpakken. Ik ben nu op een leeftijd dat deze onderwerpen me meer en meer bezighouden, mede ook door de ervaring met mijn moeder. Ik vind het heel belangrijk zo’n gevoelig onderwerp voor een groot publiek bespreekbaar te maken. Op het album staat ook een lied dat lange tijd op de plank is blijven liggen, een bewerking van de Groningse megahit van Ede Staal Het kan nooit zo donker zijn of het wordt weer licht. Dit lied had ik eigenlijk al veel eerder willen opnemen, maar door de plotselinge dood van mijn man Hugo was het lange tijd té emotioneel. Nu staat het op de cd en ben ik er zeer trots op. Uit respect voor Ede Staal heb ik zelfs een refrein in onvervalst Gronings gezongen. Met mijn goede vriend Bart Kaëll werd Onder de blauwe lucht van Parijs, een cover van Sous le ciel de Paris, opgenomen, een lied dat zeer speciaal is. Met hem bezing ik de vriendschap voor elkaar, vriendschap die respect vraagt voor het allesomvattende thema liefde, liefde in de meest brede zin van het woord, of dat nu tussen man en vrouw is, tussen twee mannen of twee vrouwen.” Mieke haast zich in haar voorwoord de fans gerust te stellen wat de sfeer van het album is geworden: “Toch denk ik, al met al, dat deze cd een heel gevarieerd album is geworden waarin het positieve overheerst. Ik wens u dan ook veel luisterplezier met dit nieuwe album dat met liefde is gemaakt, speciaal voor u.” Tijdens onze babbel geeft Mieke toe dat ze dit een van haar beste producties vindt. “Ik kan niet goed naar mijn eigen liedjes luisteren, maar naar deze wel. Mijn fans reageerden gretig. Zij moesten absoluut kwijt dat ze me in deze plaat helemaal herkenden. Voor hen ben ik de vrouw die ze op deze plaat haar verhaal horen zingen. Een erg flatterend compliment.”

In 2012 wordt er ook weer verzameld, deze keer in de cd-reeks “Heerlijk Hollands” op het Nederlandse Cloud-label. Twintig liedjes van Mieke, waaronder Een kind zonder moeder, Zomaar een dag in september, t Afscheid en Eindelijk vrij.

De tweeëntwintigste november 2014 brengt Mieke naar aanleiding van haar veertigjarige carrière op het Jaz-label het album “40 jaar hits – Het allerbeste van Mieke” uit met daarop veertig van haar meest bekende successen, beginnend met Een kind zonder moeder en eindigend met Een stukje paradijs. Op dat album ook twee liedjes die ze iets voordien op single had uitgebracht. Vooreerst Een lentedag, op single uitgebracht in de maand mei van dat jaar. Het is een tekst van Bart Herman op de melodie Any dream will do van Sir Andrew Lloyd Webber. En dan is er ook Mooie dromen, een duet van haar samen met Luc Van Meeuwen, geschreven door Wim Claes en Lee Castello, de achttiende oktober goed voor een zeventiende plaats in de Vlaamse Top 50. In de bijbehorende persmap van het album lezen wij: “Veertig jaar zit ze inmiddels in het vak en daar past natuurlijk een album bij dat een overzicht geeft van wat er in die veertig jaar zo’n beetje de spreekwoordelijke revue is gepasseerd. Nog steeds weet ze hits te scoren en treedt ze veelvuldig op. Op dit overzichtsalbum staan maar liefst zestig songs, voornamelijk haar meest populaire, maar ook een aantal waar vaak naar wordt gevraagd door haar grote schare fans. Dit alles aangevuld met zes nieuwe titels maakt deze box tot een bijzonder document. Deze 3cd-box zal ongetwijfeld de weg naar de liefhebber weten te vinden en nogmaals haar grote en veelzijdige talent onderstrepen. Dit overzichtsalbum laat een zangeres horen die haar eigen stijl trouw is gebleven, maar onderstreept ook de groei die ze als zangeres heeft doorgemaakt in die afgelopen veertig jaar.” Het album reist een hele tijd door de Ultratop Album 200 met als hoogste notering plaats 78 op de tweede mei 2015.

De achtste mei 2014 lezen we in Het Nieuwsblad: “Zangeres Mieke wordt vandaag 57 jaar. Samen met haar fans wil ze haar verjaardag vieren in dancing ‘De Bierhoeve’ in Poederlee. Mieke werd in Turnhout geboren op 8 mei 1957. Precies 57 jaar later wil de gevierde Kempense zangeres haar verjaardag vieren met de fans. Samen met zangers Luc Van Meeuwen en Ive Rénaarts presenteert Mieke haar verjaardagsshow van 14 tot 18 uur. Mieke stapte in 1973 als zestienjarige de showbusiness in met de steun van tekstschrijver en producer Pierre Kartner, beter bekend als Vader Abraham. Toen die het jonge zangeresje tijdens een show in Wuustwezel op het podium riep om samen de hit Zou het erg zijn lieve opa te zingen, was het hek van de dam. Meteen daarna volgde een eerste single, Wat een prachtige dag, in duet met Pierre Kartner. Het zou het begin zijn van een lange en succesrijke loopbaan. Mieke reeg de hits aan elkaar. Ook de samenwerking met buitenlandse artiesten als Dennie Christian en Freddy Breck was succesvol.

Mieke blijft op zoek gaan naar mooie nummers, ook al is het haar partner Marc De Coen die haar daarin aanmaant tot voorzichtigheid. Haar publiek moet immers blijven volgen, maar Mieke zet door. De elfde april 2015 staat ze op de veertiende plaats in de Vlaamse Top 50 met Een stukje paradijs, een vertaling van I’ve never been to me, een klassieker van de Amerikaanse zangeres Charlene op tekst van Mary Boduin. Verrassend zet Mieke samen met Luc Van Meeuwen in de loop van de maand juli Ik zou niet weten wat ik liever hebben wou op single, een frisse cover van het al even frisse I’m gonna knock on your door van Eddie Hodges. Mary Boduin vertaalt iets later ook Do you know where you’re going to, waarmee Diana Ross in 1975 al een hit scoorde, maar de originele versie dateert van twee jaar eerder en werd gezongen door Thelma Houston. Mieke maakt er En opeens van en geraakt de eenendertigste oktober tot op de twintigste plaats in de Vlaamse Top 50. Kenners geven toe dat haar stem naarmate ze ouder wordt almaar mooier klinkt. In de pers lezen we over En opeens: “Mieke heeft misschien wel het meest indringende lied uit haar lange carrière opgenomen. Een lied dat handelt over het verlies van hetgeen je het allerliefste is, je bloedeigen kind. ‘Ik moet er niet aan denken wat er met je gebeurt als dat lot je treft’, zegt Mieke. ‘Gelukkig is mij dat bespaard gebleven, het overkwam wel heel dierbare vrienden. Hun verdriet dat nooit meer zal helen, stemt vooral tot invoelen en meeleven.’ Mieke, zelf moeder van een zoon, weet hoe kwetsbaar je wordt wanneer op een dag een kind deel van je leven gaat uitmaken. ‘De zorg vanaf dag één met alle daarbij behorende angsten en de gevaren die op de loer liggen, flitsen dan bij tijd en wijle door je hoofd. Laat staan, wanneer het ergst denkbare je overkomt.’ Na diepgaande gesprekken met tekstschrijfster Mary Boduin ontstond de tekst. Het is integer geschreven en invoelbaar voor eenieder die ouder is. ‘Ik heb vanuit mijn diepste gevoel dit nummer ingezongen en hoop dat degenen die dit is overkomen, moed putten uit deze woorden. Eigenlijk is een nadere uitleg volledig overbodig.’ Duidelijk is wel dat Mieke op een punt is gekomen dat zij geen enkel onderwerp meer schuwt of uit de weg gaat. Die groei dwingt tot respect alom.

Woensdag de elfde mei 2016 wordt aan Mieke ‘s avonds in het “CC Gasthuis” te Aarschot de “Golden Life Time Award” uitgereikt. In zijn huldigingsrede zegt presentator Michel Follet het volgende: “Onze noorderburen hebben al jaren geleden de kaart van het onbezorgde, populaire, ja zelfs volkse Nederlandstalige lied getrokken en hebben daar geen gêne over. Wij lijken daar nog altijd moeite mee te hebben. Het hitpalmares van Mieke in Nederland liegt er dan ook niet om: in het ‘Top 40 Hitdossier’, een lijvig boek met cijfers en feiten, neemt Mieke een halve pagina in beslag, evenveel als Conny Vandenbos en Rob de Nijs. Dat zegt genoeg. Mieke is een gezelschapsmens. En dat verklaart wellicht ook haar vele opnames met anderen. Ze is een gedroomde duetzangeres, omdat haar stem bij zoveel andere timbres past. U moet daar maar eens op letten. Op een recent album zingt Mieke met Liliane Saint-Pierre, met Bart Kaëll en met Voice Male, en telkens vallen die puzzelstukken perfect in elkaar. Mieke geeft haar zangpartners keer op keer de ruimte. Zij legt er dat laagje overheen dat een liedje nog meer doet ademen. En dan zijn er die mooie samenwerkingen uit het verleden met Micha Marah, Dennie Christian, Freddy Breck en Vader Abraham. De jongste jaren zingt Mieke geregeld liedjes met Luc Van Meeuwen, en dat levert ook een aanstekelijke combinatie op. Zij is iemand die zich altijd ten dienste van de muziek stelt. Wat telt is het eindresultaat. Stem en muziek vermengen zich met elkaar: de stem als muziekinstrument. Daardoor weet je dat Mieke een rasechte zangeres is, een vakvrouw bij wie een lied altijd in veilige handen is. Eerlijk: ik ben al jaren dol op die stem vol tinten van Mieke. De elegantie waarmee ze een accentje mooi in een zin tot haar recht laat komen. De souplesse waarmee ze toonladders naar haar hand zet. De manier waarop ze een lied optilt naar een finale. Ik denk dat Mieke een gedroomde festivalzangeres is, die foutloos zingt ook onder zware druk. Deze ‘Golden Life Time Award’ zit gekneld tussen de twee halve finales van het ‘Songfestival’ en voor mij krijgt dit gebeuren alleen maar zijn geloofwaardigheid terug als er een liveorkest aan de voeten van de artiest ligt en als de videowall op af staat. Mieke, net als onze andere gehuldigden Samantha en Yasmine heb jij geen achternaam nodig. Dat maakt het zelfs extra handig: zo kunnen we jouw naam extra groot beitelen op het plaatje van onze award. En dat verdien je ten volle. De ‘Golden Life Time Award 2016′ hoort helemaal toe aan Mieke. Van harte! Twee weken later staat Mieke in de Vlaamse Top Tien met In voor- en tegenspoed, geschreven door de bekende Nederlandse componist Peter de Wijn.

In het najaar van 2016 zet Mieke, die almaar tukker wordt op haar samenwerking met Luc Van Meeuwen, een door haarzelf geschreven vertaling op plaat van Silbermond und Sternenfeuer van de Duitse zangeres Michelle, Volle maan, een sterrenhemel. In de maand oktober goed voor een tweeëntwintigste stek in de Vlaamse Top 50. In diezelfde hitlijst staan ze op plek 23 de vijftiende maart met het door Peter de Wijn geschreven Hou me even vast. Ook nu weer is de productie in handen van Marc De Coen.

En de toekomst, is Mieke daar veel mee bezig? Met graagte en veel liefde voor het vak wil zij blijven optreden en zingen: “Ik denk niet zo in hokjes. Dat heb ik geleerd in Nederland, waar veel minder onderscheid gemaakt wordt tussen het zogenaamd betere lied en de schlager. Ik ben blij met wat ik doe en mijn agenda staat vol. Ik voel de behoefte niet om met iets anders uit te pakken en de mensen zullen toch altijd het liefst mijn hits horen. Ik heb mijn handen vol en voel mij gelukkig zo.” Op onze vraag waarom, ondanks haar populariteit bij onze noorderburen, zij nooit heeft beslist om in Nederland te gaan wonen, antwoordt ze zonder al te lang na te denken: “Ik kom sowieso erg graag in Nederland. Mocht men het mij hebben voorgesteld op mijn achttiende, dan had ik misschien ja gezegd. Maar die vraag en dat voorstel kwamen er niet. Ik vind België trouwens een veel warmer land dan Holland. Mijn keuze is al lang gemaakt en ik hou het daarbij!”

De 21ste september 2017, bij het aanbreken van de herfst, ligt het nieuwe album “Parels” van Mieke in de winkel. Zij vond de tijd rijp om terug te keren  naar haar roots. Een titel die de lading volledig dekt. ‘’Eind vorig jaar kwam er een moment dat ik voor mezelf had beslist weer eens volop te gaan werken aan mijn solocarrière. Na een succesvolle samenwerking  met  collega’s als Liliane St.-Pierre en Luc van Meeuwen, vond ik het weer eens tijd geworden voor mezelf. Ik ben heel trots op het eindresultaat. Het voelt gewoon goed!” Mieke zingt onder meer Een stukje paradijs en Een lentedag. Daarnaast heeft zij toch weer enkele stroken vrijgehouden voor een paar duetten. Zo zingt zij deze keer samen met Bandit een drietal nummers, deels in het Nederland,  deels in het Engels, waaronder haar recente single Als Ik Eenzaam Ben en samen met Luc Van Meeuwen Eerste liefde.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

De Strangers

Het verhaal van De Strangers uit de doeken doen is geen sinecure. Door de jaren heen zijn de feiten wat vertroebeld en zijn er nogal wat slordigheden in hun verhaal geslopen. Er werd ook al eens aan de bezetting gesleuteld. Daarom als aanloop alvast een kort alfabetisch overzicht: Ernest Adriaensen, vervanger van René Van Laken; Alex Boeye, medeoprichter; Pol Bollansee, die in 1984 overleed; John De Wilde; Gust Torfs, die in 1964 de groep verliet; René Van Laken en Bob Van Staeyen. In 2002 zei, naar aanleiding van de viering 50 jaar Strangers, schepen voor Haven Marc Van Peel het volgende: “De Strangers, dat is Antwerpen, met al zijn plezante en astrante (plezierige en brutale, stoute) kanten.” Naar die kanten en facetten gaan wij de komende alinea’s graag op zoek.

Het boek “De Strangers compleet”, verschenen in 2014, pretendeert de historische feiten geen geweld aan te doen, zeker niet wat de beginjaren van De Strangers betreft. Zo lezen we over hun aanloopfase: “Gust Torfs heeft al als kind een speciale voorliefde voor alles wat met muziek te maken heeft en in de jeugdbeweging, waar hij zich als tienjarige bij aansloot, leert hij mandoline spelen. Daar maakt hij kennis met de veel jongere Alex Boeye, die dat ook absoluut wil kunnen. Alex krijgt dus les van Gust en dat wordt onder andere een liedje, eigen aan de jeugdbeweging, Hoog op de gele wagen. Nadat ze elkaar enkele jaren uit het oog waren verloren, loopt Gust, die ondertussen de accordeon heeft ontdekt, Alex opnieuw tegen het lijf op het Kiel.” Tijdens ons interview zegt Alex daar spontaan over: “Onze groep heeft, zoals zovele, een voorgeschiedenis. Ik word op zekere dag als zeventienjarige door Gust Torfs aangenomen als mandolinespeler in het muziekensemble van de KWB. Gust had me dat instrument aangeleerd. Vaste accordeonist van de band is John De Wilde. Hij vormt een accordeonduo met Gust en zij laten zich tijdens hun concerten tussendoor graag horen. Ik kon ook wat gitaar spelen en dat bracht Gust op het idee een trio te vormen. Hij vond dat er tussen de sketches door ook eens gezongen mocht worden. Op zoek naar een stem om ons geluid wat donkerder te kleuren, komen we terecht bij de warme baritonstem van Pol Bollansee. Ik had hem eerder horen zingen tijdens de mis. John had tijdens ons optreden aan de zijkant wat staan toekijken en vond dat zo leuk dat hij er ook bij wou. In het begin maakte ik bezwaar, want met z’n drieën samenzingen was al niet makkelijk, laat staan met z’n vieren. We konden niet vlot noten lezen. John bleef echter aandringen en we hebben hem er na lang zeuren als vierde lid bij genomen. Gelukkig maar, want John bleek vrij snel ook over een komische noot te beschikken en dat was graag meegenomen tijdens onze optredens. Maar er was een probleem: de leiding van de KWB wilde van een dergelijke aanpak niets weten. Stiekem werd er dan maar ten huize van Gust aan de Sint-Bernardsesteenweg op het Antwerpse Kiel geoefend. We zongen liedjes in de stijl van de in die tijd zeer populaire zanggroepen The Four Aces en The Mills Brothers.”

Het ligt voor de hand dat er aan hun repertoire gesleuteld moet worden en dat er een naam gekozen moet worden. Die varieert van The Melange Brothers en De Toogplakkers over The Mixed Boys tot en met The Strangers. De legende wil dat ze op dat idee kwamen door in het Nederlandse muziekblad Tuney Tunes te bladeren en te ontdekken dat aan de top van de toenmalige Amerikaanse hitlijsten Strangers in paradise uit de musical “Kismet” stond. In de Julius De Geyterstraat op het Kiel wordt er bij Pol intens geoefend. De vier heren verkiezen op aanraden van Alex vooral in het Engels en het Nederlands te zingen. Van liedjes in het dialect is dan absoluut nog geen sprake. Een duik in hun archief leert ons dat ze liedjes zingen als Waar kunnen we nog beter zijn?, Tell me why van The Four Aces en Iene-miene-mutte.

In de maand oktober 1952 staat hun debuut tijdens een bonte avond in zaal Familiekring gepland. Er wordt intens geoefend. Ze zingen namelijk drie- en vierstemmig en dat vergt toch de nodige voorbereiding. Liedjes zoals Un petit train, De vier jaargetijden en het Duitstalige Anneliese passeren de vocale revue. Het succes blijft niet uit. Het was in die tijd nog een soort nieuwigheid dat je een zanggroep op de affiche had staan. Daar werd gretig naar uitgekeken. Ze worden meteen uitgenodigd door de KWB van Hoboken, maar meneer pastoor gaat dwarsliggen. Hij vindt dat The Strangers bij het orkest horen. De groep gaat daar niet mee akkoord en een breuk is een feit: ze gaan als kwartet verder met de achttiende januari 1953 een geslaagd optreden voor het Rode Kruis van België.

The Strangers waagden zich ook aan het Engels, waarbij gospels niet uit de weg werden gegaan. “Dat was“, aldus Alex, “een genre dat ons van in het begin aansprak. We hadden regelmatig gospel over de radio gehoord en omdat ons dat aansprak, probeerden we of ons dat lag. Het sprak ook ons publiek aan, die zwarte muziek. Dat kwam ook omdat in Antwerpen The Golden Gate Quartet regelmatig optrad. We hadden snel door dat we ook die stijl aankonden.” In het begin begeleidde alleen Alex de jongens op zijn gitaar, maar daar is vrij snel John op gitaar bij gekomen. Ze schaarden zich tijdens hun optredens rond één microfoon en dat bleek in die tijd voor het publiek voldoende. “Hoe we dat toen hebben klaargespeeld, vragen we ons nog altijd af, maar het publiek mopperde niet, dus zal het wel goed geweest zijn, zeker!” Af en toe werd er zelfs in het Frans en gedurfd in het Spaans gezongen, een liedje als Maria Cristina bijvoorbeeld.

De zevende januari 1953 treden The Strangers met veel bijval op voor de plaatselijke KWB-afdeling in een feestzaal aan de Krugerstraat in Hoboken. “Toen mensen van de naburige parochies ons gingen boeken, ging de bal aan het rollen. Verenigingen uit Hoboken, Wilrijk enzovoort kwamen naar onze optredens kijken en nodigden ons op hun beurt uit om bij hen te komen zingen. Na verloop van tijd werd een groot deel van Vlaanderen ons podium. Wat in ons voordeel speelde, was dat we geduld hadden, we wilden niet in één klap bekend worden. Stap voor stap was voor ons meer dan oké. Het was ook zo dat het ons om het plezier te doen was. Wij repeteerden bijvoorbeeld liever dan dat we optraden. We oefenden na een tijdje niet meer bij Gust thuis, maar bij Pol. Die had ontzettend lieve en gastvrije ouders. Daar hing zo’n warme sfeer, die zullen we nooit vergeten. In de living hadden ze een tafelvoetbalspel staan, en na het repeteren konden we ons daarop uitleven“, dixit Alex.

De negende januari 1958 worden The Strangers door platenfirma Decca uitgenodigd om samen met producer Jean Vanhoren een eerste plaat op te nemen. Alex neemt weer het woord: “We hadden Jean leren kennen via zangeres Lina Cora, die we regelmatig tijdens onze optredens in het Antwerpse tegenkwamen. Op haar voorspraak kwamen enkele heren van platenfirma Decca naar een van onze optredens kijken en wezen ons Jean Vanhoren als arrangeur toe.” Zij spreken meteen af een Nederlandstalige versie in te blikken van Alone, een hit in die tijd voor onder anderen Petula Clark, The Shepherd Sisters en The Kaye Sisters, dat zij als Alleen op single uitbrengen met op de B-kant, op tekst van Will Ferdy, Tipitipitipso, in Duitsland een grote hit voor Caterina Valente. In de toenmalige hitlijsten staan ze de eerste mei 1958 op de twintigste plaats. Wanneer Domenico Modugno tijdens het San Remofestival in 1959 hoge toppen scheert met Ciao ciao bambina, nemen zij er gelijk een Nederlandstalige versie van op. Nog altijd in het ABN zingend! Ook Rocco’s Marina krijgt dat jaar een vaderlandse versie alsook de Duitse schlagerhit Kriminal Tango, bij onze oosterburen een hit voor het Hazy Osterwald Sextet. Zelfs Connie Francis’ Valentino is een coverpoging waard. The Strangers zingen dit samen met Lina Cora. Ze wagen zich ook aan Itsy bitsy teenie weenie van Brian Hyland.

In de hitlijsten bleken deze singletjes geen hoogvliegers. Volmondig geven The Strangers dan ook toe: “We waren al tevreden dat we een plaat mochten opnemen. Ons mengen in de keuze deden we niet. Wat ze ons in die beginjaren ook voorschotelden, we vonden het als amateurs een onnoemelijke eer dat we die liedjes konden inzingen. Toegegeven, tekstueel zater daar nogal wat draken bij. Of wat vind je van een tekst als: ‘Blijf op me wachten, Maria, blijf toch je zeeman steeds trouw. Als ik terugkom, Maria, blijf ik bij je en word je mijn vrouw’?” Off the record geven De Strangers jaren later volmondig toe dat Decca in die periode een soort miskleun voor hen was, niet zozeer qua samenwerking, maar vooral qua repertoirekeuze. Maar de verkoop zal wel meegevallen zijn, want tien jaar lang blijven The Strangers in het Nederlands de ene single na de andere uitbrengen.

Die allereerste, in het beschaafd Nederlands gezongen singletjes, zullen we later terugvinden op de cd “De Strangers – Al ons liekes, deel 19 & extra cd”. In het bijbehorende cd-boekje lezen we: “Deze cd werd volgepropt met dertig liekes, toen nog, The Strangers in het… Algemeen Nederlands. Inderdaad, de eerste 16 singles die The Strangers toen volzongen, werden gekweeld in een proper, afgeborsteld en mooi Nederlands. Zelf beschouwen De Strangers deze liedjes als hun pre-Strangers-periode, want, zoals ze zelf ooit zongen: ‘Het was maar toen we ontdekten dat onzen haring beter braadde in het dialect, dat de echte Strangers zijn geboren’. En hoewel sommige teksten, die tussen haakjes geleverd werden door professionele tekstschrijvers van de platenfirma, en de melodieën vrij aardig klonken, was het merendeel niet datgene waarop Vlaanderen zat te wachten.”

Onder impuls van Pols vader, die tussendoor eens een liedje zong van de Antwerpse zanger Frans Lamoen (een bekend volkszanger en voortrekker van liedjes in het Antwerpse dialect), schrijft Gust op zekere dag een tekst in het Antwerpse dialect. “Gust schreef op de melodie van Aba daba honeymoon, in 1914 al op plaat gezet door Collins & Harlan, in 1960 Sinjorentram. Niet met de bedoeling daar meteen mee te scoren of het op plaat te zetten, maar we zongen dat uiteindelijk ergens eens een keertje en het publiek reageerde meteen enthousiast. Ik moet zeggen, ik was daar niet zo blij mee, ik vond dat qua kwaliteit enkele trappen naar beneden. Maar onze ambities lagen toen nog niet zo hoog. We traden vaak op in achterafzaaltjes en daar in het dialect staan kwelen, deerde ons niet zo. Maar we liepen er niet zo hoog mee op. Stilaan begon ik me ook eens aan een tekst in het Antwerps te wagen en kreeg ik de smaak te pakken. Ik heb er me dan maar stilaan bij neergelegd“, aldus Alex.

Die herinnert zich ook nog heel goed de volgende stap. “We gingen onze optredens dan ook aanpassen. In het eerste deel zongen we onze Nederlandstalige liedjes (we noemden dat ernstige liedjes) en na de pauze konden we ons lekker laten gaan in het Antwerpse dialect. Jean Vanhoren woonde zo’n optreden bij en spoorde The Strangers aan die dialectliedjes op plaat te zetten. Daar moesten we toch even goed over nadenken. We vonden dat een soort afgang, een besmeuring van ons imago. We voelden ons ergens, zonder pretentieus te willen klinken, toch een vocaal kwartet met wat standing. Uiteindelijk stond ik alleen in die mening en gingen de andere drie jongens wel akkoord. Ik had toen inderdaad de groep in de steek kunnen laten, maar ik was door de jaren heen zo verknocht geraakt aan de groep dat ik me bij die uiteindelijke dialectkeuze heb neergelegd.

Na dus een rist plaatjes in het Algemeen Nederlands wordt unaniem besloten voortaan alleen nog in het dialect te zingen. Sinjorentram wordt dat jaar op het Decca-label ook op hun allereerste ep (een plaatje met vier songs) uitgebracht met daarnaast T.V. Truut, Da’s vast de leste keer en De sukkelèr. De eerste juni 1960 staan ze op de negentiende plaats met het door Al Van Dam geschreven T.V. Truut. Die eerste producties van The Strangers zijn in de hitlijsten nochtans geen echte toppers. Een meevaller wordt wel in 1963 hun ep “Charlestonnen”, waarin zij bekende standards verwerken zoals Margie, For me and my gal en Yes Sir, that’s my baby. Zij worden daarbij in de studio begeleid door het orkest van Jean Vanhoren.

In 1964 besluit Gust Torfs (overleden juni 1997) af te haken, maar hij blijft wel actief als raadgever en tekstschrijver. De officiële uitleg is dat Gust intussen verloofd was met een weduwe met twee kinderen. Hij was ook even out geweest door ziekte en had de indruk dat het met The Strangers wat bergaf ging. Hij besloot toen meer thuis te willen zijn en meer tijd aan zijn gezin te besteden.

Gusts plaats wordt door Bob Van Staeyen ingenomen, opvallend door zijn kale hoofd, zijn warme stem en zijn uitstekende gitaarspel. “Ik was muzikaal al bezig van in het begin van de jaren vijftig en ik kende The Strangers, zij het eerder oppervlakkig. Ik had intussen zelf een groep opgericht, The Comedians, maar die werd na een vijftal jaar opgedoekt. Dan ben ik bij een orkest gaan spelen, maar dat was heel hard werken. Dus toen Alex mij kwam vragen of ik niet bij The Strangers wilde komen spelen, hoefde ik niet lang na te denken. Ik was wel tweede keus – ik moet eerlijk zijn – want ze hadden de leadzanger van André Coucke and The Skyliners op het oog, maar die toonde geen interesse“, aldus Bob. Over hem zeggen zijn collega’s: “Bob kende als geen ander de knepen van het komische vak. Hij leverde met zijn haast Britse flegma een droogkomische bijdrage aan het knotsgekke Strangers-geheel. Denk maar aan de manier waarop hij zijn beruchte cowboymoppen vertelde. Hij was daarnaast een uitstekend gitarist en in het bezit van een aangeboren gevoel voor timing en ritme. In de omgang was hij altijd joviaal en hij vond zijn grootste plezier in een huiselijke sfeer te midden van zijn vrienden… en zijn fonoplaten.

In 1964 brengen The Strangers ook hun allereerste elpee “The Strangers” op de markt, met daarop de medleys Charlestonnen 1 en 2 (die waren iets voordien succesvol op een ep’tje uitgebracht) en liedjes als t Vuilventje en Pa, springt ni van ‘t dak af. Voor het merendeel zijn hun nummers vertalingen van bekende hits zoals Aba daba honeymoon, Bye bye blackbird en Sweet Georgia Brown. In de media merken we aan de commentaren dat een rist journalisten het moeilijk hebben met hun dialectkeuze. Volgens een deel van het journaille kan dat toch veel keuriger. In Gazet van Antwerpen lezen we dat er dan weer te veel gecoverd wordt, dat ze te weinig origineel uit de hoek komen. “Vocaal zijn de nummertjes vrijwel af, maar we zijn bang dat ze op het verkeerde spoor zitten. Onzes inziens moeten The Strangers zelf eigen nummers kunnen maken over onderwerpen die actueel zijn. Bijvoorbeeld over de sluiting van de benzinestations vanaf 20.00 uur, het graven van een tweede tunnel, de luchthaven van Antwerpen enzovoort. Het publiek is nu eenmaal gediend met het over de hekel halen van dingen en toestanden waar ze nauw bij betrokken zijn.”

Ook voor hun tweede elpee “… The Strangers”, uitgebracht in 1965, wordt gretig voor covers gekozen. Non ho l’età van Gigliola Cinquetti wordt Nee, nee lot da en Speedy Gonzales van Pat Boone Eufrazie Van Doemmelen. Dat jaar staan ze de eerste augustus op de elfde plaats in de hitlijsten met ‘k Hem geblèt, een vertaling van de Waalse hit J’ai pleuré van Claudia Sylva. Dat jaar lopen de bioscopen vol voor de film “Zorba de Griek” met in de hoofdrol Anthony Quinn. Een hoogtepunt in die film is wanneer Zorba de sirtaki op het strand danst. De Griekse groep Trio Hellenique scoort er in de Benelux en Frankrijk een hit mee en The Strangers zetten het als Zorba op plaat. Tijdens ons interview vertellen ze ons dat Gust het nummer kende in de versie van de Franse zangeres Dalida. Hij had haar daarmee op televisie gezien en was meteen verkocht om er een Strangers-versie van te maken.

De vijftiende november presenteren The Strangers hun duizendste optreden. “Ik weet nog goed“, zegt Bob, “dat toen ik erbij kwam, The Strangers twijfelden aan hun succes en hun voortbestaan. Gust had de groep verlaten en we zochten een ander houvast. Maar plots was er dat succes met ‘k Hem geblèt en Zorba, en het was alsof we een tweede adem hadden gevonden, alsof we een nieuwe lont hadden gestoken en we weer de kracht hadden om er met veel goesting en geloof tegenaan te gaan.”

Vanaf 1966 noemen The Strangers zich voortaan ook De Strangers (let op de schrijfwijze). “Ons imago werd almaar Vlaamser, ook ons repertoire. Dus het stond wat vreemd onze naam nog in het Engels te afficheren. Die keuze was trouwens onvermijdelijk geworden, we zongen immers uitsluitend voor mensen van hier. Er hing zelfs even een voorstel in de lucht om voor een totaal nieuwe naam te gaan, maar daar stonden ze bij onze platenfirma Decca niet achter“, herinneren Alex en Bob zich nog.

En dan is er de elpee “15 jaar Strangers” met daarop Merci Lowie als parodie op de hit Merci chérie van Udo Jürgens en op het biljartspel. In 1966 had Jürgens daarmee in Luxemburg de elfde editie van het Eurovisiesongfestival gewonnen. Graag gehoord op die elpee zijn  En dan is er de elpee “15 jaar Strangers” met daarop Merci Lowie als parodie op de hit Merci chérie van Udo Jürgens en op het biljartspel. In 1966 had Jürgens daarmee in Luxemburg de elfde editie van het Eurovisiesongfestival gewonnen. Graag gehoord op die elpee zijn Strangerstonnen 1 en 2. Naar aanleiding van hun vijftienjarige bestaan mogen zij hun eerste volwaardige tv-show op het getouw zetten en zij maken er van dan af ook een gewoonte van ieder jaar een parodie op het winnende Eurovisielied af te leveren. Dat was vooral een idee van hun vaste producer Al Van Dam, die als een kloek over zijn kuikens waakte wanneer het over zijn troetelkinderen De Strangers ging. Zij zullen hem later vergelijken met de Britse producer George Martin, ook wel de vijfde Beatle genoemd. Voor hen zal Al de vijfde Stranger worden. Als geen ander had Al – Fons voor zijn vrienden – een neus om internationale hits zoals hij dat noemde te “verstrangeren”. In het totaal zullen De Strangers tweeëndertig covers van winnende Eurosongliedjes inblikken. Bob herinnert zich nog dat die formule een schot in de roos was: “Dat heeft jaren goed gewerkt. Onze fans stonden meteen na een nieuwe editie van het Eurovisiesongfestival al klaar om onze nieuwe plaat te kopen, want ze wisten op voorhand dat we een week later in de winkel zouden liggen met een vertaling. Daar zat aanvankelijk geen echte strategie achter. Dat was gewoon omdat Non ho l’età en Merci chérie ons als nummer aanstonden. Het succes achteraf was natuurlijk meegenomen en een aansporing om met die formule de jaren nadien door te gaan.”

Wel niet uit het oog verliezen dat een groot deel van het Vlaamse publiek De Strangers wel kon verteren, maar dat de VRT er in die tijd niet zo tuk op was om De Strangers in haar playlist op te nemen, behalve dan Radio 2-producers als Jos Ghysen bij Omroep Limburg en Jos Baudewijn bij Omroep Antwerpen. In die Eurovisiesfeer brengen De Strangers, in een productie van Al Vam Dam, in 1967 het nummer Een paljaske van ne vent uit, een vertaling door Nini Warty van de hit Puppet on a string waarmee Sandie Shaw in Wenen dat jaar blootsvoets de twaalfde editie van het Eurovisiesongfestival wint. Met behoorlijk wat bijval zetten ze dat jaar ook Als ‘k 10 miljoen had op plaat, een bewerking van If I were a rich man uit de musical “Fiddler on the roof”.

De twaalfde januari 1967 staan De Strangers te glunderen in de Arenbergschouwburg, waar ze vanwege platenfirma Decca hun eerste gouden plaat in ontvangst mogen nemen voor de verkoop van meer dan honderdduizend singles. Ceremoniemeester van dienst is Radio 2-producer Jos Baudewijn. Ondanks dat succes lees je soms wat vreemde commentaren in de pers, bijvoorbeeld in Het Nieuwsblad: “Zijn De Strangers tevreden met hun repertoire? Nee, ze bekennen het niet ronduit, maar ze hebben weinig voldoening van hun werk. Ze liggen gekluisterd aan een publiek dat enkel goedkoop lachen wil en stilvalt als de groep een serieuze noot over de balk gooit.”

Eind 1967 ligt er opnieuw een langspeler in de rekken: “De Strangers + 1″. De fans zijn er tuk op, maar de pers kan het ook nu niet laten hen op de vingers te tikken. “Ook nu weer een schitterende samenzang, maar… de teksten. Laag-bij-de-grondse teksten zoals in Miljarde… da goot.” Zelfs producer van dienst Al Van Dam moet het ontgelden. Maar zowel hij als De Strangers lachen in hun vuistje, want diezelfde week duiken ze de Top Twintig binnen. Uit handen van de voorzitter van het Rode Kruis, Frédéric Osterrieth, krijgen ze een soort erekonde omdat zij zich al vijftien jaar inzetten voor de sociale dienst van de organisatie.

In 1968 pakken De Strangers uit met het album “De Strangers in stereo” met daarop de singlehit Camp. De derde augustus had dat liedje in de Top Dertig al op één gestaan in de versie van Sir Henry and his Butlers. Hun versie scoort zeer goed tijdens hun zaaloptredens. John maakt daar zijn pronkstuk van door tijdens de lange intro vanuit de zaal richting podium te stappen, al zingend “mè e stuk in z’ne kraag!”. Camp was de B-kant van de single D’harmonie van Boemmerskonte, een vertaling van de hit Abergavenny van Marty Wilde.

De Strangers worden in de loop van de maand maart 1968 uitgebreid met een vijfde lid, René Van Laken. “Was dat nodig? Alex viel even uit door een medische ingreep. Hij was een van onze gitaristen van dienst. We hebben René dan aangetrokken omdat die én gitaar kon spelen, én kon zingen. Toen Alex weer beter was, hebben we René dan toch maar wijselijk bij de groep gehouden“, aldus Bob.

In 1971 is er het album “Goe zot”, waarop zij twee grote Franse hits van dat moment vertalen: Butterfly van Danyel Gérard wordt Boterham mé gelei en Pour un flirt van Michel Delpech V’r de poen. Op die langspeler ook onder meer Goeie morge morge en Occupé.  Op dit album pakt Alex met zijn stem uit in een nogal opvallende vertaling van Le métèque van Georges Moustaki. Alex kruipt voor de gelegenheid in de huid van een zingende Algerijn als De gastarbeider. Het liedje gaat over de eerste generatie allochtonen die in ons land op een niet zo gepaste manier worden opgevangen en vooral aan hun lot overgelaten. Aan dit lied breien we verderop een door de media niet zo gesmaakt vervolgverhaal.

In 1972 verschijnt het album “Jubilee” met daarop de opvallende medley Strangers Spirituals, helemaal in het Engels gezongen, in de stijl zoals zij die in hun beginjaren graag etaleerden. Willy Sommers’ hit Weet je nog die slow belandt hier op vinyl als Wette nog die flaa. Er is ook de hit van Mouth & McNeal How do you do dat zij brengen als Alle Na Toe… Moemoe. Les plaisirs démodés van Charles Aznavour wordt plots Lijf tege lijf. Originele nummers zijn er ook, onder andere 4 slechte cowboys en Veur ‘t ongeluk gebore.

In diezelfde stijl van De gastarbeider brengen De Strangers in 1973 De ziekekas uit, van de hand van Frank Rover en Lex Colman, met deze keer het verhaal van een Marokkaan die in ons land aanbelandt en de voordelen van de sociale voorzieningen bezingt. Wanneer De Strangers dat tijdens een uitzending van “Binnen en Buiten” op een zondagnamiddag op Eén zingen, is ‘s anderendaags het hek van de persdam. Vooral Knack-journalist Johan Anthierens is in alle staten en schrijft: “Mag ik me even omdraaien en me onpasselijk voelen om zoveel melodieuze smeerlapperij?” Het liedje staat als B-kant op de single De wârrekvraa, een bewerking van De werkmens van Ivan Heylen, die bij Decca verschijnt en waarmee ze de twaalfde januari 1974 op vijf in de Vlaamse Top Tien staan. Die single staat ook op het album “De Strangers Meerderjarig”, dat in 1973 op de markt verschijnt met daarnaast nummers als Die van de laste, Nor den boerenbuiten, Onnozel’ muggen en Nor den opera, melodisch gebaseerd op Alle Menschen werden Brüder van Ludwig van Beethoven. Dat jaar worden ze gelauwerd met “De Gouden Lolly”, een onderscheiding voor hun humoristische aanpak.

De dertiende oktober 1974 prijken De Strangers op de Nekka-affiche samen met onder meer Rob de Nijs, Gerard Cox, Wim De Craene, Jan De Wilde en Zjef Vanuytsel. “Ik vermoed“, zegt Alex zonder lang na te denken, “dat ze ons vroegen, niet om onze doordeweekse hits in het Antwerps te zingen, maar wel naar aanleiding van liedjes als De gastarbeider en De ziekekas. Volgens de organisatoren liedjes, denk ik, met iets meer inhoud. Dus daarmee misstonden we niet op dat podium.

De Strangers beleven in de loop van die jaren zeventig hun hoogtijdagen: zes weken nummer één in 1974 met Schele Vanderlinde, een vertaling van Dalida’s monsterhit Gigi l’amoroso. Ik weet nog goed“, vertelt Bob, “dat de platenfirma de toelating had gekregen het liedje van Dalida te coveren, op voorwaarde dat we het pas zes maanden na haar release zouden uitbrengen. We zagen dat niet zitten. Hoe zou onze versie nog een eerlijke kans op slagen krijgen? We verkochten er uiteindelijk meer dan vijftigduizend exemplaren van.” “Het zal je toen maar overkomen zijn dat je in die tijd op school zat en Vanderlinde heette. Zo ontvingen we op zekere dag een boze brief van een nog bozere vader uit Lier waarin die zijn beklag deed dat zijn loensende zoontje op school door onze plaat extra gepest werd“, voegt Alex daar met een glimlach aan toe.

De Strangers, en dat beamen ze unaniem, hebben tijdens hun carrière heel veel te danken gehad aan Radio 2, waar ze zowat kind aan huis waren, onder meer bij Jos Ghysen. Het was hij die Gigi als eerste draaide en het maanden na elkaar op de zaterdagochtend in zijn “Te bed of niet te bed” niet meer losliet. Schele Vanderlinde staat niet voor niets de vijfde oktober 1974 op één genoteerd in de Vlaamse Top Tien en, hiep hiep hoera, de zesentwintigste oktober op twee in de Top Dertig. “We kunnen bij benadering niet meer tellen hoe vaak we live in ‘Te bed of niet te bed’ hebben opgetreden en zeker niet hoe vaak Jos ons daarin gedraaid heeft. De dertigste juni 1990 presenteerde hij in pretpark Bellewaerde zijn allerlaatste ‘Te bed of niet te bed’. Als dank hebben Gust en ik toen een aangepaste tekst op Schele Vanderlinde geschreven en live gezongen. Waarom Jos ons een warm hart toedroeg, hebben we nooit geweten, daar werd door hem met ons nooit over gepraat. Hij had nochtans geen speciale feeling voor Antwerpen of ons dialect. Dat Jos Baudewijn, producer bij Omroep Antwerpen, ons vaak programmeerde, was nog aan te nemen. Nee, nee, we zijn Jos Ghysen voor al die jaren zeer dankbaar gebleven, aldus Bob en Alex.

Ghysen koesterde eveneens, ook al vinden we die single niet meteen terug in de Vlaamse Top Tien, de vertaling die De Strangers maakten van Una paloma blanca van The George Baker Selection, dat als Oh mijnen blauwe geschelpte een graag gehoord nummer werd. Schele Vanderlinde is voor de volledigheid terug te vinden op hun dat jaar uitgebrachte plaat “Bloemmekee” met daarop het opvallende Zot van aa, een niet onaardige versie van Les divorcés van Michel Delpech.

Hoe kwam het toch dat die periode voor De Strangers zo succesvol was? “In die tijd liep er op de VRT een tv-show“, weten Alex en Bob nog goed, “met Henk van Montfoort en we hadden een deal met hem dat we daarin elke maand een nieuw liedje zouden brengen. Dat heeft zo’n halfjaar gelopen en het inspireerde ons om een tandje bij te steken. We scoorden geen hits, maar superhits.”

In 1975 brengt Decca het album “Het jaar van De Strangers” uit met vertalingen van toppers als Kung fu fighting oftewel Chop-Shoy fighting, Una paloma blanca en Voulez-vous coucher avec moi ce soir, door hen geserveerd als ‘t Jaar van de vrouw.Gust bleef“, vult Alex aan, “ondanks zijn afscheid in 1964 duidelijk aanwezig aan boord. Hij schreef immers het merendeel van de teksten. Godzijdank hield hij dat vol, want anders had ik in m’n eentje die tekstuele last moeten dragen. Gust lag aan de basis van een groot deel van onze successen. Het was wel zo dat Al Van Dam, Gust en ik regelmatig samenkwamen en samen besloten bij pot en pint welke liedjes in aanmerking kwamen voor een vertaling. Al had dan een stapeltje platen bij zich, ik had wat voorstellen op cassette opgenomen en aan de hand daarvan selecteerden we.” Alex brengt op deze plaat een, qua tekst, wat trieste versie van The last farewell van Roger Whitakker als ‘t Sleutelkind.

In 1976 ligt hun album “25 jaar” in de rekken met onder meer het speciaal voor deze gelegenheid door Al Van Dam geschreven huldelied Vijfentwintig (Hallelujah) en Naa moette traawe oftewel Save your kisses for me, het winnende nummer van het Eurovisiesongfestival. Het was de derde keer dat het festival in Nederland werd georganiseerd, deze keer de derde april 1976 in het Congresgebouw in Den Haag. Deze eenentwintigste editie werd gewonnen door de Britse groep Brotherhood of Man. 1976 is ook het jaar dat René de groep verlaat en dat zijn plaats door Nest Adriaensen wordt ingenomen, een van de meest gesmaakte grappenmakers van de groep.

De achttiende juni 1977 staan De Strangers drie weken op één met de single Dure koffie, hun interpretatie van A million in 1, 2, 3 van Dream Express. Zij hadden daar de maand voordien mee op het podium gestaan van het Eurvisiesongfestival in Londen en waren zevende geëindigd op een deelnemersveld van achttien landen. Dat was het jaar dat Marie Myriam voor Frankrijk scoorde met L’oiseau et l’enfant.

De eenentwintigste oktober 1977 klimt de groep naar de eerste plaats van de Vlaamse Top Tien met ‘k Heb spijt da’k ik ne vent zen, cover van Sorry I’m a lady van Baccara.

In 1978 durven De Strangers het aan op hun album “Zeg maar Strangers” een cover neer te zetten van Ça plane pour moi van Plastic Bertrand, dat zij recht voor de vuist vertalen als Punk. In het boek “De Strangers compleet” lezen we daarover als duiding: “In het midden van de jaren zeventig ontwikkelde zich een nieuwe jongerentegencultuur, de punk. Punk is Engels voor schorem en dat was wat veel mensen dachten dat de aanhangers van dat genre waren. Punk kenmerkte zich door een wantrouwen tegenover alle grote ideologieën en benadrukte meer de individuele autonomie. Dit uitte zich in de mode en de muziek die punkers aanhingen. De Strangers vertolken in Punk de weerzin van de gevestigde orde tegenover de punkers.” De twintigste mei 1978 noteren we Punk op één in de Vlaamse Top Tien. Op het hoogtepunt van de discorage nemen De Strangers de medley Egmont-disco op én het winnende Eurovisieliedje van dat jaar A-ba-ni-bi van Izhar Cohen & The Alpha-Beta, dat in hun versie Ni doeke-Mieke doen, nee nee wordt. Op dit album ook een van hun vele klassiekers en een succes tijdens hun liveoptredens, De broek van grootmoemoe oftewel Ragtime Piano Joe van Joe Straker. Ze pronken daar de achtentwintigste oktober mee op één in de Vlaamse Top Tien.

Trekker voor hun elpee “Te pakke of te late” uit 1979 op het GIP-label wordt Bij de rijkswacht, een vertaling door Frank Rover in een productie van Al Van Dam van In the navy van Village People. De achtentwintigste april 1979 staan ze ermee op één in de Vlaamse Top Tien en de zesentwintigste mei op dertien in de Top Dertig. Qua danspasjes werd er voor hun optredens meestal zelf ter plekke wat verzonnen, want een choreograaf hadden ze niet in dienst. Alhoewel, ooit, maar de juiste titel zijn ze kwijt, leerde Ronald Lee White hun enkele danspasjes aan, maar daar is het nadien dan ook bij gebleven. Op die nieuwe langspeler ook een cover van Born to be alive van Patrick Hernandez, Mager mor kapot. Qua bestverkochte Strangers-albums zal “Te pakke of te late” op de zesde plaats eindigen. In de marge vermelden dat De Strangers ook die andere hit van Village People, Y.M.C.A., bewerkten, maar O.C.M.W. was een vis die niet bakte, die niet aansloeg in de hitlijsten.

September 1980 is de geboortedatum van hun single Azzek nog zou trouwe, dat u misschien beter kent in de originele versie als Can’t stop the music, op de B-kant gekoppeld aan t Strand van ‘t St. Anneke, dat jaar een hit voor de Goombay Dance Band, die het in hun song hebben over Sun of Jamaica. De zevenentwintigste september staan beide nummers op één in de Vlaamse Top Tien. Wie die liedjes liever op één plaat in zijn verzameling heeft staan, is er de elpee “Troef!” op het Dureco-label.

Nog steeds in een productie van Al Van Dam verwennen De Strangers in 1981 de fans met de langspeler “30 jaar (g)oud”. Een rondvraag bij de fans leert ons dat dit album nog altijd een van hun meest gewaardeerde blijft. Daarop een geslaagde parodie van de wereldhit Stars on 45 naar een idee van de Nederlandse producer Jaap Eggermont. De Strangers besluiten een handvol typisch Vlaamse liedjes samen te smelten tot de medley Strangers on 45 met daarin bewerkingen van Oh Jefke is getrouwd, Moeder ma’k is piepe, Marie Plancher en Mie Katoen. Zowel de elpee als de single zijn voltreffers. Op 45 toeren staan ze de zeventiende oktober van dat jaar op één in de Vlaamse Top Tien en de veertiende november op acht in de Top Dertig. Op deze langspeler ook een cover, geschreven door Frank Rover, van de toenmalige hit Shaddap you face van Joe Dolce. Agget mor fret staat de vierde april op één in de Vlaamse Top Tien genoteerd en de achttiende april op vijftien in de Top Dertig. Een jaar later mogen De Strangers van hun platenfirma goud in ontvangst nemen voor het album “30 jaar (g)oud”. Meer dan 25.000 verkochte exemplaren. Ook voor de single Strangers on 45 wordt hun goud uitgereikt. Welgeteld 50.000 singles vonden een draaitafel en een thuis.

Een hulde aan het dialect brengen De Strangers in 1982 op hun album “Astemblieft” in M’n dialect: “Da d’heel schoon beschaafd, och da d’hoorde direct, da moet deurgaan veur deftig, of iet dat ‘r op trekt. Nee, ‘k kan oe verzekere, as’t moet zijn zwart op wit, m’n dialect da’s veur mij nog m’n schoonste bezit.

Intussen waren De Strangers als product echte voltreffers geworden. Samen met Al hadden zij vrij snel beslist elk jaar sowieso één album uit te brengen. De voorbestellingen scoorden altijd hoog. Voor de platenhandelaars waren De Strangers de kers op de taart. Zij hoefden vooraf niet eens te weten wat er nu weer op hun nieuwe elpee zou staan. Het recept was bekend en het sloeg aan. Nest was daarbij het commerciële brein binnen de groep. Hij hield het reilen en zeilen nauwgezet in de gaten en hield in het oog dat zij zeker niet van hun geijkte formule afweken. Zij mochten dan rotcommercieel klinken, professioneel bleven zij in hun aanpak wel. Trots waren zij dan ook toen zij als eerste Vlaamse artiesten met een “heuse cd” op de markt kwamen, nog voor Will Tura. In 1983 verrassen ze de fans met de cd “‘n Reuze plaat”. Opgelet, daarnaast zullen de vinylen versies nog geruime tijd geperst worden. Het lag voor de hand dat daarop ook hun hit Lot oew’ eige vraa toch nooit alleen zou staan, een cover van Save your love for me van Renée & Renato. Daarmee hadden ze de zesentwintigste maart al op één gestaan in de Vlaamse Top Tien en de negende april op de vijftiende plaats in de Top Dertig. Naast dat nummer op dat album songs als ‘n Italiaanse, Zatlap, Wa gon w’eten… en De zonnebank.

Door de jaren heen wisten De Strangers zich te omringen met een trouwe schare fans van jong tot oud. “We gingen daar op een correcte manier mee om“, weet Bob aan te vullen. “Je leerde daarmee om te gaan. Als we met onze partner op de dijk liepen in Blankenberge bijvoorbeeld, dan moest je kunnen verdragen dat je bijna om de twee minuten werd aangesproken. De mensen hielden je staande voor een foto of voor een babbeltje. Ieder van ons ging daar op een menselijke manier mee om. We gingen het niet bewust opzoeken, integendeel, maar het overkwam je en je leerde daarmee om te gaan.” Alex pikt daar spontaan op in: “Fans van De Strangers zijn een ras apart. Die zijn niet te vergelijken met fans van Yasmine, Will Tura of noem maar op. Het waren niet de mooiste meisjes die aan onze voeten lagen. Ze scheurden ook de kleren niet van ons lijf. Voor ons waren die fans eerder een soort vrienden die naar ons toe kwamen. Ik voelde het ook nooit aan dat die mensen ons stoorden of lastigvielen. Er werd ons in die periode vaak voorgesteld een fanclub op te richten, maar daar zagen we het nut niet van in. We hadden er trouwens de tijd niet voor om daar nog extra energie in te steken.”

Na lang aandringen van die fans om eens een echte partyplaat uit te brengen, is er in 1984 het album “Wat ‘e feestje” met daarop een heuse bambamedley met in die Strangers-bamba verwerkt Cielito lindo, Guantanamera en uiteraard La Bamba. Op die plaat ook Dikke Lou, waarmee ze de zestiende juni op één staan in de Vlaamse Top Tien. Het is een bewerking van Diggi-loo diggi-ley, waarmee de groep Herreys de vijfde mei van dat jaar het Eurovisiesongfestival had gewonnen. Na de rijkswacht is het in dit liedje de beurt aan de post. Voormalig staatssecretaris Paula D’Hondt kan er best mee lachen. Voor weekblad Story is dit de uitgelezen kans om op zoek te gaan naar de beste postbode. De laureaat wint onder andere een etentje samen met De Strangers. Onze lachspieren worden op dit album ook geprikkeld tijdens het luisteren naar Tuttefrutten, ‘k Gon slapen en ‘t Pelse beremutske.

1984 eindigt in mineur wanneer de groep verneemt dat de zesentwintigste december Pol Bollansee is overleden aan de gevolgen van een vijfde hartaanval. Al die jaren had Pol het beste van zichzelf gegeven. Bob vertelt: “Pol had een mooie lage stem, dat was meegenomen. Maar zijn sterkste kant was dat hij nog maar net op het podium stond of de mensen begonnen te lachen. Wij moesten ons daarvoor extra inspannen, bij hem gebeurde dat spontaan. Het publiek at uit zijn hand, hij was de hartelijkheid zelf.” Na het overlijden van Pol besluiten John, Alex, Bob en Nest met hun gevieren voort te zingen. Pol is immers onvervangbaar, zijn plaats zal nadien niet worden ingenomen. Als eresaluut aan hem brengt de groep in 1985 op het Dureco-label het album “Voor Pol… en alleman” uit, met daarop het speciaal voor hem geschreven Pol: het liedje voor de vrienden. Daarnaast in hun bekende stijl onder andere Terroristen-rock, ‘n Antwârpse griet, Ah… den boogie-woogie en Wa d’n griet, origineel te herkennen als Agadou dou dou. De zeventiende november klimmen De Strangers met dit nummer in singleformaat naar de eerste plaats van de Vlaamse Top Tien.

In 1985 gaat Alex Boeye even in zijn eentje zingen. “Dat gebeurde op aandringen van onze producer Al Van Dam, die toen in het Vlaamse muziekmilieu al tot een soort icoon was gekroond. Gedurende onze hele platencarrière is hij onze producer geweest. We brachten elk jaar een elpee uit en op elke elpee stond een zogezegd ernstig nummer. Omdat gebleken was dat de mensen daar goed op reageerden, zag Van Dam het zitten om een elpee op de markt te brengen met uitsluitend deze liedjes. Zelf was ik er niet zo gelukkig mee, want ik vreesde een beetje voor de reactie van de andere Strangers.” Het eindresultaat is de elpee “Helemaal alleen op z’n eentje”, verschenen op het Dureco-label, met in het totaal dertien ernstiger liedjes: Mensen, Veur Aa, Is da d’en al?, Nen bourgeois en uiteraard De gastarbeider.

We mogen bij dit alles niet vergeten dat De Strangers ook regelmatig naar het theater trokken met een avondvullende show. In 1984 is het – na “Jubilee”, “Bloemmekee” en “Strangeritis” – de beurt aan “Strangerestaurant”. Ze omschrijven het in hun programmaboekje als een dialekkernij voor dialectuelen. Ze dienen het programma op alsof het een meergangenmenu is. De tweede november 1985 is het opnieuw prijs in de Vlaamse Top Tien. Dan schitteren ze daar op één met ‘n Antwârpse griet, u wellicht bekender in de oren klinkend als London girls van Chas & Dave. Vrijdag de dertiende december zijn De Strangers te gast op het Koninklijk Paleis in Brussel naar aanleiding van de zilveren bruiloft van koning Boudewijn en koningin Fabiola. Ze zingen daar drie liedjes, waaronder Den dopper. John durft het aan om aan het aanwezige publiek te vragen of de doppers aan de linker- en de rest aan de rechterzijde wil gaan staan. Den dopper hadden ze in 1978 al opgenomen en het was een vertaling van The Melodians’ Rivers of Babylon, nadien succesvol gecoverd door Boney M. De Strangers staan met Den dopper de eerste juli 1978 op twee in de Vlaamse Top Tien.

Om hun palmares keurig aan te vullen noteren we ‘k Zen zo gère polies, een nummer één voor hen de veertiende juni 1986, het jaar dat Sandra Kim tijdens de eenendertigste uitgave van het Eurovisiesongfestival in Noorwegen met de overwinning aan de haal gaat dankzij het nummer J’aime la vie, waarvan dit een bewerking is. Dat jaar is er eveneens hun drieëntwintigste langspeelplaat “Goe gemutst”. Ook deze keer wordt de actualiteit niet geschuwd: het milieu, de vakantie, de lotto, de VRT, de TGV, Happart enzovoort. Het lied Zuid-Afrika spreekt boekdelen, net als Ik wil ‘n stad en Politieke-lieke. Naar gewoonte worden er in de media alsook in de Wetstraat weer wenkbrauwen gefronst bij het horen van een tekst als: “Ik vind Martens zijne kop te dik en De Croo da ‘s meer ‘ne musseschrik, de Verhofstadt is ‘n voze raap, monsieur Gol ‘nen aangekleden aap. ‘t Zèn gin nette… da moet gezee en op radio valt da dan nog mee, mor ge meu ze ni zien op tv. In Dehaene zien ‘k ‘nen olifant en in Eyskens ‘ne kommunikant, Coens ‘nen uitgetreden jezuïet, Tindemans kreeg zijn gezicht veur niet.”

De vijftiende januari 1986 voert Gazet van Antwerpen De Strangers op als striphelden in “Het daverend paradijs”. De tekeningen zijn van de hand van Dirk Stallaert, de tekst werd geschreven door Patrick Vermeir. Wegens gebrek aan succes blijft het bij die ene strip, die in 1987 in albumvorm gepubliceerd wordt.

De eenentwintigste maart 1987 staan De Strangers nog maar eens op één in de Vlaamse Top Tien, deze keer met n Rettepetet, een frisse versie van Reet Petite van de Amerikaanse zanger Jackie Wilson. Die hit is ook terug te vinden op hun dat jaar uitgebrachte album “35 jaar Strangers” met als opener Dan zal de beiaard spelen uit de Rubenscantate van Peter Benoit en voorts Eieren of joeng, een vertaling van Soldiers of love, waarmee Liliane Saint-Pierre in 1987 in Brussel aan het Eurovisiesongfestival deel had genomen en elfde eindigde. In verband daarmee, de zesde juni noteren we De Strangers op twee in de Vlaamse Top Tien met Wa d’hee die nen dikke nek, dat u makkelijker kan meezingen, vermoeden we toch, als Lass die Sonne in dein Herz, waarmee de Duitse groep Wind een tweede plaats had weten te bemachtigen tijdens dat Eurovisiesongfestival in ons eigenste Brussel. Als aardigheid op deze plaat zingen De Strangers samen met Eddy Wally O, wat ‘n kus.

De vierde juli 1987 zendt de VRT de televisieshow “35 jaar Strangers” uit. Naar aanleiding van dit feestelijk gebeuren ontvangen ze een “Gouden Brabo”, een soort Antwerpse Oscar. Radio 2-coryfee Lutgart Simoens steekt naar aanleiding daarvan in haar programma “Vragen staat vrij” de loftrompet. “De Strangers zijn sinjoren in hart en nieren. Al 35 jaar overeind, daar moet je sterk voor zijn, getalenteerd én uniek. Ze zijn volks, ijzersterke muzikanten met liefde voor hun stad, hun taal en met een oog voor situaties.” Onder meer haar en Jos Ghysen horen we aan het woord in het liedje Vijfendârtig. Datzelfde jaar zijn ze te gast bij de Nederlandse Mies Bouwman in haar populaire AVRO-programma “In de hoofdrol” met deze keer Willy Vandersteen als centrale gast. Het was eigenlijk Nest die op aanraden van Al Van Dam contact had opgenomen met de AVRO en hun had aangeboden als verrassingsact op te treden omdat zij Willy vrij goed kenden. De Strangers vinden het een hele eer voor de Nederlandse televisie te mogen optreden en voelen zich niet te beroerd die avond een smoking aan te trekken.

Op vrijdag de tweeëntwintigste januari 1988 ontvangen De Strangers in restaurant Biessenhuys de “Prijs van de Humor – Henry Baillien”, vervaardigd door de Tongerse kunstenaar Raf Verjans. Zij brengen dat jaar hun tachtigste single uit, Ik blijf hem gère zien, een bewerking van Will Tura’s Hij kan niet zonder jou. “Ons 25ste” wordt de voor de hand liggende titel van hun vijfentwintigste langspeler, die zij in 1988 releasen. De teksten worden geleverd door Alex, Gust en Louis Baret. De arrangementen zijn van de hand van Luc Smets en de productie werd zoals steeds verzorgd door Al Van Dam. Proper blijve, Ik ben ‘ne zoon van ‘ne migrant, Kieke-lieke, Lot ons stoppen met die komedie enzovoort laten horen dat De Strangers ook nu hun formule trouw zijn gebleven. Op die plaat ook Den Bompa, de herkenningsmelodie, geschreven door Al Van Dam, van de gelijknamige succesvolle VTM-serie naar het verhaal van Ruud De Ridder met in de hoofdrol Luc Philips. De opnamen beginnen in 1988 en de reeks loopt vanaf februari 1989 tot en met 1994.

Aan De Strangers wordt eveneens gevraagd de titelsong te zingen voor de al net zo succesvolle VTM-reeks “Benidorm”, die te bekijken is van 1989 tot 1992. “Dat ze voor ons kozen was eerder toeval“, relativeert Bob. We wisten toen al dat onze piek in de jaren zeventig lag, ze kozen ons zeker niet vanwege ons succes of omdat we zo goed konden zingen. We wisten dat er een tijd van komen is en een tijd van gaan. We stelden het daarom des te meer op prijs dat VTM ons uitnodigde om deze klus te klaren.” Alex wil omtrent hun tanende succes dit nog kwijt: “Ik vermoed, ik weet het bijna zeker, dat onze formule van hilarische teksten op bestaande hits te zetten aan sleet onderhevig was. De stijl van de liedjes, het tempo van de hitsongs was met de tijd ook veranderd. Vroeger bleven liedjes maanden na elkaar in de hitlijsten, klonken daardoor erg vertrouwd in de oren. De jaren nadien veranderde die trend. Na een paar weken waren de meeste hits al uit het oor en het oog verdwenen. Het loonde voor ons niet meer de moeite om zo’n hitsong nog te coveren, want de aandacht daarrond was al verdwenen tegen de tijd dat wij het op plaat hadden gezet.”

Wanneer Alex in 1989 te gast is bij VTM in het programma “Klasgenoten”, schuift hij even uit door tijdens dat programma wat ondoordacht en onvoorbereid te stellen dat hij de Antwerpenaren soms dikke nekken vindt: “Eerlijk gezegd kan ik niet zo goed om met die typische Antwerpse mentaliteit, dat neerkijken op al wat van over het water komt. De Antwerpenaar die overal komt, een grote bek opzet en weer weg is als er te werken valt, dat type, daar heb ik een hekel aan.” Die reactie wordt hem niet in dank afgenomen en er zijn zelfs fans die dreigen in de toekomst geen platen meer van hen te kopen. Achteraf probeert Bob – de rest is met vakantie – dat naar de media toe recht te zetten: “Wij zijn als Strangers dankzij het Antwerpse dialect bekend en populair geworden. Ik hoop dat dit niet het einde van De Strangers wordt.” Alex repliceert even later bij zijn terugkeer dat zijn woorden uit de juiste context zijn gelicht en dat zijn uitspraak overtrokken is. “Het is nooit mijn bedoeling geweest om mensen tegen de borst te stuiten. Ik was er in het begin niet zo mee opgezet dat De Strangers in het dialect gingen zingen. Ik vond dat toen een kwaliteitsvermindering. Ik persoonlijk was liever in het Nederlands blijven zingen. Ik heb daar in het begin zwaar aan getild, maar ik heb nooit beweerd dat ik het Antwerpse dialect minderwaardig vind.” Discussie gesloten. En de fans toonden zich vergevingsgezind.

Vanaf de zevende april 1991 spelen De Strangers, naar een idee van Herman Verbaet, de hoofdrol in de dertiendelige reeks “De Strangorianen”. Die reeks wordt op gang getrokken door een vijftig minuten durende pilootfilm geschreven door Ivan Heylen. De muziek is van de hand van Al Van Dam. De Strangers kruipen voor deze gelegenheid in de huid van vier paters van de fictieve kloosterorde der Strangorianen. Wanneer hun abt overlijdt, willen ze een reis naar Rome ondernemen om het graf van de Heilige Strangorius, stichter van hun kloosterorde, te bezoeken. In elke aflevering beleven ze een nieuw avontuur, waarmee ze het geld dat nodig is voor de reis proberen te verdienen. Helaas gaat het meestal mis en verliezen ze aan het eind van de aflevering het verdiende geld. In iedere aflevering wordt er één liedje gezongen op tekst van Gust Torfs. De reeks wordt ‘s zondags uitgezonden, vlak voor de populaire “Walters Verjaardagsshow” van Walter Capiau.

De Strangers verlenen in 1991 hun medewerking aan de VRT-actie “Veilig Verkeer”, gepresenteerd door Flor Koninckx. Thema van dat jaar is “Wel jong, niet gek”. Zij nemen voor deze gelgenheid het liedje Zie d’is wa da’k kan op, gebaseerd op de hit Zeil je voor het eerst van Bart Kaëll. Onderwerp van hun liedje zijn de weekendongevallen waarbij jongeren betrokken zijn.

Al die tijd was Al Van Dam hun onafscheidelijke producer. “Al was in de omgang een aimabele man. Die kon een aardig pintje verzetten, daar kon je makkelijk mee praten en hij was verzot op lekker eten. Daarnaast was hij een degelijke muzikant voorzien van een stel goede oren. Hij wist wat zou scoren, wat de mensen graag hoorden. Op zoek naar een modernere aanpak, een meer hedendaags geluid, werden almaar vaker de arrangementen door Luc Smets geschreven (zat voordien nog bij The Pebbles en Dream Express)“, aldus Bob. Volgens Alex was het wel degelijk Al Van Dam die Luc in de ploeg bracht. “Het was zo, en dat is niet echt geweten, dat Luc op veel van onze platen meezingt. Trouwens, ook Gust bleef nog jarenlang in de studio meezingen op onze platen. Eigenlijk hoor je dus geen vier, maar zes Strangers aan het werk, waarbij Luc vaak de hoogste noten voor zijn rekening nam. We moeten ook eerlijk toegeven dat in die periode ons succes wat aan het afnemen was, dat Dureco onze samenwerking aan de kant schoof en dat Luc almaar meer in het vizier kwam qua productie. Luc heeft ons dan richting Indisc geloodst, maar we scoorden toen al niet meer de successen zoals voordien.”

De achtste mei 1992 staan De Strangers veertig jaar op de planken, tijd om een overzicht van hun carrière te schetsen. Freddy Michiels wordt de auteur van het boek “De Strangers 40 jaar”, waarin hij, gespreid over honderdnegentig bladzijden, hun verhaal in geuren en kleuren neerzet. De vijfde juni van 1992 zijn De Strangers nog eens te gast bij de VRT, deze keer voor de uitzending van de show “40 jaar Strangers”. De eerste single die zij op het Indisc-label uitbrengen, is Veel te goe is half zot oftewel Ain’t no doubt van Jimmy Nail.

Iets later begaan De Strangers een flater vanjewelste. Het Vlaams Blok behaalde op zondag de vierentwintigste november 1991 een denderende overwinning en nodigt De Strangers een jaar later uit tijdens een groot feest in Hof Ter Lo. Daar zingen ze onder meer De ziekekas, een liedje dus over een Marokkaanse gastarbeider. Die aanwezigheid wordt hun niet in dank afgenomen. Zij worden in de nasleep daarvan letterlijk afgestraft. Het merendeel van hun optredens wordt afgelast. John De Wilde wil daar dit over kwijt: “Optreden voor het Vlaams Blok kon blijkbaar niet, maar in de 41 jaar voordien hadden we voor elke partij gezongen, van de CVP tot en met de Communistische Partij. Los van het hele incident vind ik het erg onrustbarend dat je onder het mom van politieke correctheid niet meer mag denken wat je wilt. Wij zijn zeker geen racisten. Mijn dochter is gehuwd met een Indonesische jongen en ik ben trots op mijn schoonzoon.” Alex voegt daar nog aan toe: “Ik vind het nog altijd een schande dat we voor dit optreden verketterd werden door de zogenaamde democratische partijen. Het cordon sanitaire bestaat trouwens nog altijd, daarover waakt de Belgische gedachtepolitie.” De Strangers zingen dit gebeuren walsend van zich af in het nummer Allemaal gebreken, een antwoord op de vraag of ze nu racisten waren of niet. Dit lied is als een soort testament ook terug te vinden op hun afscheids-cd.

Op radio en tv zijn De Strangers van dan af persona non grata. De gevolgen deinen in 1993 nog verder uit. In een soort wanhoopspoging brengen zij dat jaar als single de liedjes Hondepoep, een vertaling van Da doo ron ron van The Crystals, en Moktamee uit.

Vanaf 1994 brengen De Strangers hun singletjes niet meer op vinyl uit, maar uitsluitend op cd. De eerste in de rij wordt Linke Giekes, beter bekend als I got you babe van Sonny & Cher. Een scherpe tekst waarmee politici met de voornaam Guy (de Giekes dus), vooral Guy Spitaels en Guy Mathot, geen weg weten en dus ook niet kunnen lachen. Na een optreden in “Tien om te Zien” wordt de verkoop na zo’n achthonderd exemplaren afgeblokt. Onder politieke druk – zo wordt tenminste beweerd door de directie – bedankt platenfirma Indisc De Strangers voor bewezen diensten en staan zij op straat. Ook de troubles rond hun optreden voor het Vlaams Blok twee jaar eerder blijft hen blijkbaar achtervolgen. Zij vinden gelukkig onderdak bij Tune Records, een van de veel mindere goden. Ondanks hun geschonden blazoen vraagt de Antwerpse rederij Flandria voor hen een reclamesingletje op te nemen. Dat worden de liedjes Oep het Scheld’ gon veire en Wij gon veire, die wij beter kennen als The Wild Rover en Sailing.

In “Gazet van Antwerpen” lezen wij dat De Strangers anno 1995 helemaal terug van weggeweest zijn. Inpikkend op de verstrengde alcoholnorm van 0,5 promille releasen zij de medley Nul komma vijf met daarin verwerkt: Ein Prosit, Daarom blazen wij en Drij pinte, da’s te veel. Sinds 1991 hebben zij geen album meer uitgebracht. Nu, vijf jaar later, durven zij het nog eens aan met de full-cd “Dansen met…”, uitgebracht op het Rainbow-label. Daarop vooral oudere nummers met aangepaste teksten, aangevuld met het gloednieuwe Ongezondheidsrock. Er staat ook een houseversie van Bij de rijkswacht op. Als opener van die cd De kwakkelbak, dat rockers onder ons nog kennen als The Hucklebuck van The Royal Showband Waterford anno 1964. Ook graag gedraaid en regelmatig gehoord ‘n Nief voituur, een quickstepversie van de Amerikaanse klassieker I can’t give you anything but love.

“Tien om te Zien” bij VTM is hen opnieuw goed gezind en zij worden er met open armen ontvangen. Hun vijfenveertigjarige bestaan wordt in 1997 gevierd met de release van de dubbelaar “De Strangers – 45 liekes” met voor het merendeel nummers die tot dan toe op het Dureco-label waren verschenen en voor deze gelegenheid door Music Net verdeeld worden. Slechts zes liedjes zijn nieuwe producties. Zij bewerken dat jaar nog eens een winnend Eurovisiesongfestivalliedje: Love shine a light van Katrina & The Waves, dat bij hen De lottomiljonair wordt. Er is ook de single O.C.M.W., waarin we meteen Y.M.C.A. van Village People herkennen. De vierde juni 1997 overlijdt, geheel onverwacht, lid van het eerste uur Gust Torfs op 68-jarige leeftijd aan een hersenbloeding. Gust is er nog bij wanneer zij iets voordien in het Metropoliscomplex in Antwerpen hun ster krijgen toegewezen. “Het is nooit bij ons opgekomen om De Strangers een halt toe te roepen toen Gust overleed. We hebben dat wel even overwogen bij het overlijden van Pol, maar hebben toen beslist om door te zetten“, aldus Bob.

Inpikkend op de verkiezingen van 1999 kunnen De Strangers het niet laten een parodie daarop neer te zetten in Politieke-lieke gebaseerd op de hit Wonderful world van Sam Cooke. Een jaar later kunnen zij ook niet weerstaan om van dé hit van dat moment Anton aus Tirol van de Oostenrijkse dj Gerhard Friedl, beter bekend als DJ Ötzi, een vertaling neer te zetten die in hun taaltje Piet Snot wordt. De Strangers promoten zichzelf her en der door te beweren dat ze niet stuk te krijgen zijn.

In 2000 brengen De Strangers met de nodige trots de verzamelaar “De Strangers Goud” op de markt, verschenen op het ARS-label. Volgens hen de enige echte. Eindelijk al hun grote hits verzameld op één album, eenentwintig liedjes in het totaal, beginnend met Schele Vanderlinde over Dikke Lou en k Hem geblèt tot en met Sinjorentram en Den Bompa. De plaat valt in de smaak, want zowel VTM als VRT besteden er de nodige en gewaardeerde aandacht aan, onder meer in het in die tijd druk bekeken “De Rode Loper”.

In de maand april van 2001 laten De Strangers, ondanks succesvolle optredens in Riemst en Sint-Amandsberg, aan de pers weten dat zij het stilaan voor bekeken houden. Het is meer dan genoeg geweest. Zij willen hun geslaagde carrière stilaan afronden. In 2002, wanneer zij hun vijftigjarige bestaan vieren, willen zij in schoonheid afscheid nemen. “Dat was geen beslissing omdat we opgebrand waren of omdat niemand ons nog kende of aansprak. De mensen wisten nog heel goed wie De Strangers waren. Iedereen begreep ons. Onze gezamenlijke beslissing werd erg goed onthaald. Zo konden we, zoals we het hadden vooropgezet, in schoonheid eindigen. Fysiek voelden we ons nog goed, er mocht wat meer van het leven worden genoten. Maar we hielden er toch enigszins rekening mee dat iemand van ons in de nabije toekomst kon wegvallen. Dus waarom het verhaal nog rekken? We huiverden ook bij het idee dat de mensen ons als een stelletje ouderen op hun retour zouden beschouwen. We stonden dus unaniem achter deze beslissing“, dixit Bob. Alex knikt: “We vonden vijftig een mooi rond getal om daarmee dan ook letterlijk af te ronden. Ik weet ook dat we mentaal aan het einde van het bobijntje zaten. Het was zo goed als op. Uiteraard liet dat een leegte na, maar ik voelde het toch aan als een soort bevrijding. We bleven al die tijd ons best doen om ons optreden zo goed mogelijk te verzorgen, om geschikte teksten te schrijven. Die druk viel van ons af. En trouwens, wie houdt vijftig jaar stand op de Vlaamse podia?

Maar De Strangers zullen na die beslissing wel nog een liedje opnemen. Naar goede gewoonte ook deze keer een vertaling van de winnaar van het Eurovisiesongfestival. Deze keer Tanel Padar en Dave Benton with 2XL, die voor Estland in het openluchtvoetbalstadion Parken in Kopenhagen deelnamen met Everybody en met een score van 198 punten als eerste eindigden. Omdat er in het koningshuis een nieuwe spruit op komst is, pikken De Strangers daarop in en wanneer prinses Elisabeth wordt geboren, brengen zij gelijktijdig de single W’hadde wille wete uit. Het liedje kun je een week lang op het internet gratis downloaden. Over een promotionele stunt gesproken. Alex laat aan zijn kompanen weten dat hij nog een liedje of twintig in zijn schuif heeft liggen en of het geen goed idee is toch nog een cd uit te brengen met nieuwe songs.

De veertiende maart 2002 stellen De Strangers in de lokalen van Brouwerij De Koninck hun allerlaatste album “Ons leste… Nief” voor met daarop zesentwintig liedjes, waarvan er negentien nagelnieuw zijn. Voormalig Radio 2-producer Jos Baudewijn mag de honneurs waarnemen. Internationale songs als Mañana van Peggy Lee en Copacabana van Barry Manilow worden in een typische Strangers-sfeer verpakt en daarnaast ook popsongs als 50 ways to leave your lover van Paul Simon en I got you babe van Sonny & Cher. In Humo lezen we daarover: “En nu is er dus ook opvolging: De Nief Strangers. Bij elkaar gebracht door een talentenjacht van de lokale tv-zender ATV. Op initiatief van Carl Huybrechts. Ik heb het altijd verschrikkelijk spijtig gevonden dat De Strangers ermee opgehouden zijn. Ook al omdat de hits van de afgelopen twintig jaar zo een eigen Antwerpse versie gekregen hebben, aldus Carl. Elke wereldhit verdient het om verbeterd te worden met een Antwerpse tekst. Allee: I got a feeling van de Black Eyed Peas. En vooral: door met die teksten bezig te zijn, herontdek je het Antwerpse taalkundige cultuurpatrimonium. Er zijn zoveel woorden die verdwijnen.”

Bij hun voormalige platenfirma Dureco komen De Strangers tot een akkoord om een rist liedjes uit te brengen waarvan een deel nooit eerder op cd is verschenen. John heeft veel moeite gedaan om dit tot een goed resultaat te leiden. Maar wat blijkt? Uiteindelijk is de cd gewoon een blauwdruk van het verzamelalbum “45 jaar Strangers”, beginnend met Danke menselief en eindigend met Kerstlieke. Alex is in alle staten. Bij hun Nederlandse firma weten zij blijkbaar ook nog altijd niet dat zij al jaren zonder de Engelse “The” door het leven stappen.

De achttiende april 2002 treden De Strangers voor de laatste maal op in het Sportpaleis en dat tijdens “De Nekka Seniorennamiddag”. Op het podium worden zij geflankeerd door Della Bosiers, Jean Walter, Connie Neefs enzovoort. De achtste mei 2002 worden zij op het stadhuis ontvangen, waar burgemeester Detiège hen benoemt tot ambassadeurs van de stad Antwerpen. En dan is het tijd voor de finale! De veertiende mei treden De Strangers samen met de Boomse Bigband op in de Antwerpse Koningin Elisabethzaal. De show is maanden op voorhand uitverkocht. Ook nu zijn zij, na vijftig jaar ervaring, nog altijd bloednerveus om op te treden. Maar dat hoort erbij. Al hun grote hits passeren voor de laatste maal de muzikale revue. Wel niet vergeten dat zij vier dagen later nog speciaal voor de actie “Kom op tegen kanker” een benefietconcert geven in Serskamp. Ten voordele van de actie “Levenslijn” worden de vierentwintigste oktober 2002 een hoop rekwisieten aan kooplustige fans verkocht, goed voor drieduizend euro. Buiten een aantal optredens voor het goede doel verdwijnen De Strangers nadien uit het zicht. Alleen voor de hommage aan Stafke Fabri, de elfde januari 2007, en de viering “Antwerpen Zingt”, de tiende augustus 2008, maken zij graag een uitzondering.

De Strangers krijgen de 21ste november in het Casino van Knokke-Heist tijdens het gala “De Eregalerij” van Radio 2 en Sabam, samen met de familie Klüger, de trofee “Onvergetelijk” voor hun lange carrière.

In 2003 schenken De Strangers een deel van hun archief aan het Felix-Archief of het Stadsarchief Antwerpen, zodat geïnteresseerde Antwerpenaren en onderzoekers het daar kunnen ontdekken. Het archief is een uniek geheel dat teruggaat tot 1952 en omvat foto’s, programmabrochures en affiches, beeldopnames van optredens, de website, briefwisseling, opnames van optredens of interviews, teksten en nota’s van de liedjes… Hun liedjes geven dan ook een aparte kijk op de geschiedenis van de stad Antwerpen.

In 2005 worden al de elpees van De Strangers op cd uitgebracht in één grote verzamelbox, strikt gelimiteerd. De box “Al ons liekes” is goed voor negentien cd’s met daarop vierhonderdvijfentwintig liedjes, aangevuld met zestig pagina’s info en anekdotes. De eenentwintigste november van dat jaar ontvangen.

Ter ere van het Bal van de Burgemeester treden De Strangers in 2006 uitzonderlijk eenmalig nog eens op, noem het maar een soort herenigingsconcert, uit sympathie voor toenmalig burgemeester Patrick Janssens.

De eerste november 2007 brengen De Strangers tot eenieders verrassing een nieuwe cd uit op het AMC-label: “Ântwârpe ‘k zien a zoe geire”, een gezongen ode aan de stad die hun zo dierbaar is. Het album is een verzamelaar van eerder uitgebrachte liedjes over ‘t Stad zoals Nor den dierentuin, De Kennedy-tunnel en Borgerie-Borgerhout-Borgerocco, aangevuld met twee nieuwe, waaronder de heuse hymne Ântwârpe ‘k zien a zoe geire, een bewerking van Land of hope and glory van Edward Elgar door Luc Smets én met het gemengd koor Kilena onder leiding van Jos Daems, opgenomen in Studio The Groove.

De vierentwintigste februari 2011 gaat in De Roma in Antwerpen de komische revue “Azzek nog zou trouwen” in première met daarin zo’n zestig liedjes van De Strangers verwerkt en gebracht door de acteurs An Vanderstighelen, Ann De Winne, Daisy Thys, Marc Fransen, Sam Verhoeven en Luc Caals, die tevens instaat voor de productie. Het verhaal: drie mannen en drie vrouwen gaan op zoek naar liefde en hun ideale partner. Met vallen en opstaan ontdekken ze de voor- en nadelen van het andere geslacht. Wie draagt de broek en wie ligt onder de sloef? Wie denkt nu eens nooit: “Azzek nog zou trouwen, dan zou ik het anders aanpakken.” Kortom, een plezante kijk op het liefdesleven.

De achtste december 2011 liggen De Strangers in de cd-rekken met het album “Serjeuze Strangers zingen serjeuze liekes”. Het is een verzameling van eenentwintig liedjes waarin de serieuze Strangers diverse emotionele facetten rond persoonlijke en maatschappelijke thema’s bezingen. Op hun website lezen we daaromtrent: “De Strangers zijn natuurlijk bekend van hun ‘plezante nummerkes’, maar ze maakten er een erezaak van om jaarlijks een ‘serjeus lieke’ te maken. Het verzamelalbum van Alex uit de jaren tachtig ‘Helemaal alleen op z’n eentje’ werd een waar collector’s item. Intussen zijn er nieuwe liedjes verschenen, wat Bis-Art op het idee bracht om een nieuw verzamelalbum uit te brengen. Eenentwintig nummers werden verzameld, waarin ernstige Strangers op meesterlijke wijze diverse emotionele facetten rond persoonlijke en maatschappelijke facetten bezingen. Van Achter de gesloten deur (huwelijksperikelen) tot De gastarbeider (het migrantenprobleem uit de jaren zeventig) en Pol (het verlies van een te vroeg gestorven kameraad).

 

Eerder dat jaar werd door fans van De Strangers in samenwerking met hen de cd “De Strangers – Stoute liekes” op de markt gebracht. Dit album herbergt alle niet politiek correcte liedjes van De Strangers, gaande van Vivan de vakbond over ‘t Ministerie, Politieke-lieke tot en met Hipipapar. De Strangers hekelden de voorbije decennia meermaals de vaderlandse politiek met tientallen parodiërende teksten op bestaande melodieën.

Tot hun grote verbazing voeren De Strangers in de zomer van 2012 de Ultratop Album Tweehonderd aan met een dubbelaar die platenfirma Universal/ARS in de reeks “Back 2 Back” uitbrengt en waarin zij voor die gelegenheid gekoppeld worden aan de groep Katastroof, die op dat moment haar vijfendertigjarige bestaan viert. De zesentwintigste april lezen we daarover in De Standaard: “Het was twee keer kijken gisteren, toen de Ultratop­albumlijst binnenliep. Op nummer drie de nieuwste plaat van dEUS, op twee de Belgische beatmaker Netsky, dé sensatie van het moment, en dan op één: De Strangers & Katastroof. De platenbaas van de twee Antwerpse groepen, ARS Entertainment, heeft een maand geleden een dubbele compilatie-cd uitgebracht. Op de ene schijf staan de grootste hits van De Strangers, op de andere die van Katastroof, met Zuipe! en Met de wijven niks as last als bekendste wapenfeiten. Bassist en grappenmaker Ernest Adriaensens valt uit de luchtStaan wij écht op nummer één? Niet te geloven! En wij duwen Netsky van de hoogste plaats? Ocharme die jongen. Wij wisten niet eens dat die verzamelplaat was uitgebracht. Ik vind het wel een beetje jammer dat ze ons in die dubbelaar hebben gestopt met Katastroof. De Strangers hebben altijd geprobeerd om beschaafd Antwerps te zingen, niets vulgairs. Dat is met Katastroof wel wat anders. Maar goed, de platenmaatschappij had duidelijk gelijk. De cd ging al 5.500 keer over de toonbank. Ik zal er wel de centen van opstrijken. Al zal ik nooit met een Rolls-Royce kunnen rijden. De Strangers vroegen ochot 40.000 frank per optreden en dat moesten we nog verdelen onder ons vieren. Vier weken na elkaar zullen zij samen de hitlijst aanvoeren.

In 2012 schrijft Dave Sinardet, politicoloog en professor aan de Vrije Universiteit van Brussel, in het artikel “Wie is de beste Antwerpenaar?”, het volgende: “Hoe weet een Antwerpenaar dat de verkiezingen in aantocht zijn? Politici beginnen ongevraagd liedjes van De Strangers te zingen. De Antwerpse politici weteen zeer goed waarvoor De Strangers symbool staan: het volkse, authentieke en uiteraard chauvinistische Antwerpen uit de goeien ouwen tijd. En tegelijk zijn ze ook méér dan dat, want hun liedje Antwârpe groeide uit tot de Antwerpse Brabançonne. Velen in ‘t Stad hebben wel iets met De Strangers. Kortom, voor heel wat mensen zijn ze gewoon Antwerpen zelf. Verbindt een politicus zich met de juiste symbolen, dan kan hij/zij de door hem/haar gewenste associaties oproepen. En zo zijn De Strangers meer dan tien jaar na hun pensionering nog steeds politiek gegeerd.”

Qua elpeeverkoop kunnen De Strangers uiteindelijk terugblikken op een mooi resultaat. Bovenaan de lijst staat nog steeds “De Strangers 13 beste” (53.700 exemplaren), op twee gevolgd door “De Strangers dertig jaar goud” (42.500 exemplaren), op drie “Zeg maar Strangers” (32.990 exemplaren), op vier “De Strangers meerderjarig” (32.648 exemplaren) en op vijf “De Strangers goe zot” (32.488 exemplaren). Tijdens hun carrière stonden De Strangers met vijfendertig singles in de hitlijsten. Hun grootste hit is en blijft Schele Vanderlinde, gevolgd door Strangers on 45, en op drie staat Zorba. Qua verkochte aantallen staat de single Bij de rijkswacht eenzaam bovenaan met 83.590 verkochte exemplaren. In het totaal verkochten zij meer dan een miljoen platen en cd’s en namen ze zo’n 408 nummers op.

In de staart van hun verhaal misschien met plezier terugdenken aan Al Van Dam, die niet alleen de trouwe producer was van De Strangers, maar hen ook met zijn orkest jarenlang heeft begeleid. Na hem was het de beurt aan de orkesten van Flor Wade en Jacky Coppejans. Vergeten wij ook niet technicus Francis de Well te vermelden, die het merendeel van hun nummers inblikte. En dan is er ook nog hun allereerste producer Achilles Palmans, die van in het begin sterk in hen geloofde, en hun arrangeur van het eerste uur Jean Vanhoren, nadien afgelost door Benny Couroyer, en Luc Smets, die vanaf de jaren negentig voor hen schitterende arrangementen schreef.

Bij uitgeverij Artus Antwerpen verschijnt in 2014 het boek “De Strangers compleet”, geschreven door Alex Boeye, Nest Adriaensen, John De Wilde en Bob Van Staeyen, onder redactie van René Van Camp. Het boek telt vierhonderd pagina’s en bevat naast hun levensverhaal meer dan vierhonderd liedjesteksten in het Antwerpse dialect.

Op zondag de negenentwintigste november 2015 geven De Strangers nog eens een uniek minioptreden in Zaal Forum in Schoten. Opvallende aanwezige is oud-VRT-baas Cas Goossens, die er namens Marnixring Voorkempen Pater Stracke mee de Jozef Simonsprijs uitreikte aan Alex, Nest, Bob en John voor hun bijdrage tot verspreiding van de Vlaamse en Antwerpse cultuur. De Jozef Simonsprijs is genoemd naar een frontsoldaat en boegbeeld van de Vlaamse beweging uit de Voorkempen (1888-1948). De in Oelegem geboren schrijver en dichter schreef veel politiek beladen teksten, met als bekendste voorbeeld “Eer Vlaanderen vergaat”, waarin hij de geestelijke onderworpenheid van het Vlaamse volk hekelt in de periode voor de Eerste Wereldoorlog. Uit de speech van Dirk Verhaert onthouden we: “Zulke felle standpunten over Vlaanderen hebben De Strangers niet ingenomen. Ze wilden in de eerste plaats volks amusement brengen in de eigen taal, maar sneden daarbij wel vaak themas aan die de mensen echt bezighielden. Daarin waren ze erg straf. Tussen hun liefst 446 liedjes zitten er enkele die je als echt Vlaams kan bestempelen. Denk maar aan de Egmont-disco, maar zeker ook aan de stevige repliek aan het adres van Jacques Brel, die Vlamingen wandluizen en collaborateurs had genoemd.”

In 2016 beslissen een aantal fans de vzw “De Strangers v’r Altaaid” op te richten, met daaraan gekoppeld een attractieve website en met als doel het erfgoed van De Strangers voor het nageslacht te bewaren. Iets later wordt het project “Ântwârpe mè De Strangers” gelanceerd, een uitgewerkte stadswandeling met de vier heren als rode draad. Oktober 2016 ligt het boek, 132 pagina’s dik, in de winkel, geschreven door René Van Camp en uitgegeven door Artus. De vzw schrijft: “Omdat De Strangers de afgelopen 65 jaar het Antwerps en bij uitbreiding het Vlaamse publiek op een ludieke manier een spiegel hebben voorgehouden, willen wij als vereniging zonder winstoogmerk de liedjes van De Strangers levend houden. Wij willen dit doel bereiken door het organiseren van allerlei activiteiten, ruilbeurzen, lezingen en dergelijke. Ook het uitbrengen van zeldzaam materiaal op cd en dvd behoort tot de mogelijkheden.” We wandelen in dit boek aan de hand van de liedjes van De Strangers door de stad. Voor de anderstaligen, in dit geval diegenen die geen Antwerps praten, werden de originele teksten naar het Algemeen Nederlands omgezet. Dat boek verscheen iets later ook samen met de cd “Ântwârpe mè De Strangers”, met daarop de zestien liedjes die in het boek voorkomen plus twee nieuwe liedjes: Oosterweel en Da komt ammol goe. De groep ging naar eigen zeggen op zoek naar wat de mensen momenteel bezighoudt en kwam zo uit bij Oosterweel. Op de B-kant Da komt ammol goe op de tonen van 50 ways to leave your lover van Paul Simon. De single werd opgenomen in Studio Rockstarrecordings in Niel. Alain Van Zeveren stond in voor de arrangementen en Peter Bulkens voor de techniek. Daarnaast als bonusnummers Biografieke lieke en Danke menselief. Met de editie van dit boek wil de vzw ook een beetje het Antwerpse dialect in ere houden. Ze weten ook wel dat de Antwerpse teksten van de heren geen natuurgetrouwe weergave zijn van het gesproken Antwerpse dialect, maar eerder een mengeling van het Nederlands en het Antwerps. Er bestaat trouwens nog geen echte gestandaardiseerde Antwerpse spelling, al heeft Filip Camerman intussen wel de aanzet gegeven. In het boek lezen we: “De huidige generatie Antwerpse jeugd kent het oude dialect niet meer. Sinds de jaren negentig communiceren zowel de ouders als de grootouders steeds minder in het Antwerps met hun kinderen en kleinkinderen. Het huidige Antwerps is daardoor opgeschoven richting standaardtaal en geëvolueerd naar een bijgeschaafd dialect waarbij de Antwerpse zinsbouw nog wel wordt gebruikt. Hier en daar zitten er nog Antwerpse vervoegingen van werkwoorden in.”

De Strangers vormen binnen de Vlaamse muziek een apart verhaal. Ze hebben dat succes niet zomaar cadeau gekregen, want de radio en televisie stonden niet altijd te springen om hen te boeken of hun platen te draaien. Je kunt De Strangers dan ook niet schetsen zonder te vermelden dat ze soms laatdunkend werden benaderd. Niet iedereen lustte hun producties. In zijn boek “Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz” schrijft Manu Adriaens: “De Strangers brachten hun liedjes in het Antwerpse dialect, wat bij de toenmalige BRT niet door iedereen in dank werd afgenomen. Zo circuleerde in 1967 een nota van de radiodirectie waarin stond ‘dat de platen van De Strangers dienen gemeden te worden, wegens het slechte taalvoorbeeld dat zij de bevolking, inzonderheid onze jongeren, geven’!” De BRT krijgt lik op stuk wanneer De Strangers twee jaar later voor hun elpee “De Strangers in stereo” een persiflage neerzetten van het programma “Hier spreekt men Nederlands”, met Fons Fraeters, Joos Florquin en Annie Van Avermaet. Deze vijf minuten durende bijdragen hadden de bedoeling Vlaanderen Algemeen Beschaafd Nederlands bij te brengen. De Strangers zingen over Hier spreekt men… Antwârps. De tekst werd met de hulp van Alex geschreven door de Limburger Louis Verbeeck. “‘t Is anders dan het Nederlands van Annie, Fons en Joos, want het zijn lessen zonder hond en kosteloos.

En het was voor De Strangers al die jaren ook blijven doorbijten, want leven van hun muziek zat er niet in. Aan Vlamingen in de Wereld vertelde Alex daarover: “Alle leden van De Strangers combineerden hun muzikale carrière altijd met een fulltime job. We konden helemaal niet van onze optredens en van onze platenverkoop leven, we konden er in het beste geval onze sigaretten van betalen. Als we horen wat zogenaamde artiesten tegenwoordig verdienen, dan vallen wij achterover van het verschieten. Dat zijn bedragen waar wij alleen maar van konden dromen. Ons hoogtepunt lag in de jaren zestig en zeventig, en toen had je nog veel zogezegde bonte avonden, met een orkest, een presentator, een zangeres, een clown en met De Strangers. De organisatoren moesten toen een hele reeks medewerkers betalen. Nu zijn ze al content als ze de deejay kunnen betalen. We moesten er natuurlijk wel met vijf gezinnen van leven. De meeste mensen weten dat niet meer, maar tussen 1968 en 1975 is er altijd een vijfde Stranger geweest, René Van Laken. In 1964 verliet Gust Torfs De Strangers om familiale redenen, maar hij bleef wel nog teksten schrijven.

2017 wordt het Strangers-feestjaar bij uitstek. De achtste mei zal het vijfenzestig jaar geleden zijn dat de groep in 1952 werd opgericht. Zelf zullen de heren niet meer optreden, maar ze glunderen wanneer ze de initiatieven onthullen waarop ze speciaal geëerd zullen worden. In de maand mei hebben zij in het Felix-Pakhuis hun eigen tentoonstelling plechtig mogen openen in het gezelschap van schepen Caroline Bastiaens. Een honderdtal familieleden en fans kwamen naar de opening van de expo. De minitentoonstelling “65 jaar De Strangers” vertelt beknopt de geschiedenis van de Antwerpse groep, die wereldberoemd werd in Vlaanderen met het nummer Bij de rijkswacht. Je ziet oude foto’s en krantenartikels op de tentoonstelling, maar ook originele platen. Met behulp van QR-codes kun je via een tablet of smartphone luisteren naar De Strangers en de verhalen die ze vertellen bij de kijkboxen. De minitentoonstelling liep tot de achtentwintigste juli en was gratis te bezoeken.

De negende mei lezen we in Gazet van Antwerpen: “De krant lanceerde maandag een poll om uw drie favoriete De Strangers-liedjes te weten te komen. Na een totaalaantal van 2.450 stemmen is duidelijk dat het Antwerpse bloed zijn weg baant in de keuzes van de Gazet van Antwerpen-lezers. Antwârpe is met zijn 71% met voorsprong de onbetwiste winnaar. In zijn zog vervolledigen Schele Vanderlinde (48%) en Bij de rijkswacht (45%) de top drie.

 

Dinsdagnamiddag, de derde oktober 2017 wordt in het Sportpaleis tijdens “Houden van… Griffelrock” een speciale hulde gebracht aan De Strangers. Voice Male zal er een speciaal miniconcert van Strangers-liedjes brengen. Op zondagmiddag de tweeëntwintigste oktober organiseert Nekka vzw in samenwerking met De Roma om 15.00 uur en om 20.00 uur een ode aan 65 jaar De Strangers.

Vanaf december 2017 tot en met januari 2018 wordt een heropvoering gepland van de revue “Azzek nog zou trouwen” met daarin zestig liedjes van De Strangers verwerkt.

Wanneer Bob Van Staeyen terugkijkt op zijn leven bij De Strangers, stelt hij: “De Strangers maakten 37 jaar uit van mijn leven. Ik vind dat we ons best hebben gedaan. We waren geen geschoolde muzikanten, we deden het graag, en vergeet niet, we traden op naast onze vaste job. Ik heb wel spijt dat we in 2002 gestopt zijn, en wel vanwege de financiële voordelen. We verdienden in die tijd met De Strangers een aardig centje bij en dat viel nadien natuurlijk weg. Tijdens onze gloriejaren leefden we daar ook naar. We gingen vaker uit eten, vaker op reis, kochten eens iets extra‘s. Na De Strangers was het in het begin wat aanpassen, een beetje uitkijken.” Ook Alex pikt daar snel op in: “Er zijn er velen die denken dat we er gouden kranen aan hebben overgehouden, maar niets is minder waar. Ze mogen thuis komen kijken. Tijdens onze piekjaren verdienden we een dubbele wedde en dat was lekker meegenomen. We hebben wel nooit meegemaakt dat we, zoals dat op het einde van de jaren negentig het geval was, reuzengages konden binnenrijven. Naast het financiële aspect denk ik met weemoed wel nog eens terug aan de tijd toen we nog liedjes in het ABN zongen. Misschien hadden we in de jaren zestig op de kleinkunstkar moeten springen. Maar laten we eerlijk zijn. Hadden we voor die stijl gekozen, dan waren we nooit De Strangers geworden die we nu zijn. Dat staat als een paal boven water. Dat hadden we nooit hard kunnen maken. We hadden aan ons oeuvre misschien meer genoegdoening beleefd en overgehouden, maar uiteindelijk zijn we tevreden. Het is méér geworden dan ik in mijn stoutste dromen durfde te dromen. Vooral het feit dat we het publiek vijftig jaar hebben kunnen boeien, stemt me gelukkig. Sommige successen eindigden met een gouden plaat. Een paar hangen er tegen de muur, maar een hele rist staan nog aan de kant. Die zijn voor de kleinkinderen; dat Strangers-verhaal vertellen we hun ooit nog wel.

Laten we treffend en in de gloria hun verhaal afronden met de woorden van voormalig VRT-voetbalcommentator Rik De Saedeleer. “Voor mij zijn De Strangers Vlaams erfgoed. Als over een paar eeuwen sociologen willen weten wat de man in de straat in Vlaanderen zoal dacht over de meest verscheidene onderwerpen, dan moeten zij gewoon het complete oeuvre van De Strangers beluisteren. Want de levensechte volksfilosofieën van hen zijn verpakt in echt geestige teksten. En aangezien Antwerpen dan allang de hoofdstad van Vlaanderen is, kan het Antwerpse dialect hun ganse oeuvre enkel nog meer authenticiteit verlenen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Kris De Bruyne

Als we surfen naar de site van het Belgisch Pop en Rock Archief en daar Kris De Bruyne aanklikken, dan lezen we dat hij een van Vlaanderens meest getalenteerde singer-songwriters is. Kris is ook de allereerste singer-songwriter die voluit keihard elektrisch is gegaan. Dit werd later bevestigd door collega’s zoals o.a. Jean-Marie Aerts en Luc De Vos, waarover straks méér wordt verteld. In haar masterproef “De toe-eigening van de rockmuziek in België tijdens de jaren zestig” stelt Marieke Vangheluwe: “Begin jaren zeventig vonden rockmuziek en kleinkunst elkaar in artiesten zoals Raymond van het Groenewoud, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. Ze brachten een nieuw genre naar voren en ze hadden, net zoals de kleinkunstenaars voor hen, het gevoel dat wat ze deden het waard was om gebracht te worden. Ook Kris De Bruyne en Johan Verminnen getuigden van zelfvertrouwen, ze wilden immers breken met de regels van de kleinkunst en daarvoor was lef nodig. Lamp, Lazerus & Kris brachten een nieuw rockgeluid, maar daar was Vlaanderen nog niet helemaal klaar voor. Ze behaalden wel een toptienhit, maar hun elpee flopte. Toen Kris later solo ging, bleek zijn muziek beter aan te slaan. Verminnens muziek was een stuk rustiger, maar toch brak ook hij met de kleinkunst, door met elektrische versterking te gaan spelen. Deze drie artiesten bleken te weten wat ze wilden en probeerden zich zo weinig mogelijk door andere factoren te laten beïnvloeden. Dat getuigde al meteen van zelfvertrouwen.

Die aparte en vooral in zijn tijd daardoor in het oog springende Kris De Bruyne werd de twintigste maart 1950 in Antwerpen als vijfde kind in een gezin van zeven geboren, afwisselend jongen, meisje, jongen, meisje, jongen, meisje, jongen… Vader, Arthur De Bruyne, geboren de veertiende maart 1912, was onderwijzer die als pure hobby geschiedenisboeken schreef, gespecialiseerd in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en de repressie, en tevens journalist van “De Standaard” en “Gazet van Antwerpen”. Diens vader Emiel was harmoniecomponist en dirigent in het Kruibeekse Waasland en het Hollandse Gouda. En twee andere broers van Arthur, Juul en Albert, waren pianisten, componisten en organisten. Moeder De Bruyne was ook muzikaal, zij speelde graag piano. Daarover vertelt Kris ons: “Wat onze beide ouders ons hebben doorgegeven in vrijheid aan expressie, dat was van onschatbare waarde. We werden opgevoed in een klimaat van artistieke expressie, in literatuur, plastische kunst en muziek. Zo rijpten onze emoties haast vanzelfsprekend en kregen ze vorm. We leren van mekaar, vaak zelfs zonder woorden. Als kleuter al lag ik altijd, omdat ik zo slecht de slaap kon vatten, luidop verzonnen melodieën te zingen in bed. Ik denk dat daar mijn eigen planeet van klank en melodie is ontsprongen.” Aan tafel werd ten huize van De Bruyne dan ook nooit over koetjes en kalfjes gepraat, de gesprekken moesten karakter en inhoud hebben, ook wanneer de ooms en tantes op bezoek kwamen. Vader Arthur was een erudiet talent, maar hij moest vroeg gaan werken omdat zijn vader erg ziek was en er moest brood op de plank komen voor het kroostrijke gezin. Hij had intussen in zijn Kruibeke een meisje leren kennen, dat zo verliefd op hem was dat ze acht jaar lang op hem heeft gewacht vooraleer ze in het huwelijk konden treden en haar man zijn diploma van onderwijzer op zak had. Ten huize van De Bruyne in Mortsel heerste discipline en werden de kinderen devoot en katholiek opgevoed. Er waren strenge gezinsspelregels die gevolgd moesten worden. Met negen in een klein huis, is immers geen sinecure. Wat Kris aan zijn jeugd onder meer ook heeft overgehouden, is zijn liefde voor literatuur. Hij las aan de strekkende meter: Johan Fabricius, Willem Elsschot, Klaus Mann, Simon Carmiggelt, Jeroen Brouwers, tot en met Isaac Bashevis Singer, Charles Bukowski, Jerzy Kosinsky, Konstantin Paustovski…  “Veel van mijn songteksten vonden hun inspiratie in de boeken van vernoemde heren schrijvers!”, aldus Kris.

Kris is acht wanneer hij op de muziekacademie in Mortsel, net als zijn oudere broer Koen, notenleer en piano gaat volgen. Hier leert hij de opgelegde etudes van o.a. de Oostenrijkse componist Carl Czerny en tijdgenoten in de vingers krijgen. Hij geraakt verknocht aan de piano en aan de muziek van componisten als Franz Liszt en Jean Sibelius. Thuis stond in de voorkamer naast een buffetpiano ook een Dual-platenspeler. Daarop draaide Kris zijn eerste gekochte elpees, vooral klassieke platen met muziek van Bach en Sibelius en bluesmuziek van o.a. John Lee Hooker en Jackson C. Frank. Naast de piano geraakt hij door te luisteren naar de muziek van Woody Guthrie en Robert Johnson in de ban van de gitaar. Om dus een gitaar te kunnen kopen gaat hij tijdens de zomervakantie van 1964 twee maanden werken aan de Antwerpse dokken. Hij is dan nog maar veertien. In september 1964 schaft hij zich zijn eerste gitaar aan, kostprijs : zesduizend oude Belgische frank. Niet zo voor de hand liggend voor een jongen die vanaf het derde studiejaar aan het strenge Xaveriuscollege te Borgerhout bij de jezuïeten studeert, met een spartaanse educatie die hem voor de rest van zijn leven zal tekenen. Kris zegt nog steeds dat ze toen ’de onschuld uit zijn persoon hebben gerukt en schuld in de plaats hebben gezet’. Dat, en zijn katholiek-strenge opvoeding, maakte van hem stilaan een rebel die hij in sommige van zijn songs is gebleven.

Kris wordt bij de jezuïeten in zijn voorlaatste jaar lager middelbaar wegens onbuigzaam gedrag aan de deur gezet en gaat vervolgens naar het Sint-Norbertus-college in Antwerpen. Hier houdt hij zich gedeisd, want hij heeft met zijn vader afgesproken dat wanneer hij slaagt, hij naar het Sint-Lukasinstituut in Brussel mag, op kot nog wel. Tussen 1965 en 1966 treedt Kris regelmatig op in de klas, in de jeugdclubs en later in Antwerpse bruine kroegen, o.a. in het voorprogramma van Derroll Adams, met songs van Big Bill Broonzy, John Lee Hooker, Woody Guthrie én schoorvoetend met eigen Engelstalige en Nederlandstalige songs. Kris slaagt met glans in het Sint-Norbertus en mag dus op kot en naar Sint-Lukas. Daar zit hij dan als jonge knaap, vogelvrij, en bepaalt zijn eigen leven en toekomst.

Aan het Sint–Lukas volgt hij de afdeling plastische kunsten en grafiek, niveau A2. Hij zal niveau A1 wel aanvatten, maar niet afronden, want hij heeft dan al zijn eerste gouden plaat op zak. In zijn naschoolse tijd is Kris al volop met muziek bezig. Het toeval steekt een handje toe. Hij behaalt in 1968 de tweede prijs tijdens het “Skifflefestival van Hove”. Hij zingt daar onder meer een satirische bluesversie van het kinderliedje Klein Klein Kleuterke. Hij geraakt door de eerste selectie, maar moet dan uitpakken met twee andere liedjes. Die heeft hij niet, en dankzij de steun van jurylid Wannes Van de Velde mag Kris tot en met de finale onder meer zijn Kleuterke blijven zingen. De tweede prijs houdt in dat De Bruyne op het Cardinal-label van Rocco Granata zijn eerste single mag opnemen. Tijdens de opname van Kleuterke wordt Kris op bongo’s en wastrommeldozen begeleid door Luk Marynissen, zo simpel is dat. Als B-kant wordt gekozen voor De Lustmoordenaar - gecensureerd door de radio-omroepen - dat Kris samen met Dirk Verhaegen had geschreven. Tijdens diverse gesprekken nadien in de kantine van Sint-Lukas leert Kris, Guido Van Hellemont en Wim Bulens kennen. Hij komt te weten dat ze het duo “Lamp & Lazerus” vormen en voor zij het weten is het trio “Lamp, Lazerus & Kris” een feit. Ze tekenen een platenkontract bij Vogue International en nemen een complete elpee op met als producer Roland Verlooven en geluidstechnicus Paul Leponce, die zelfs al opnamen had gemaakt van Big Bill Broonzy! In alle LL&K-songs klinkt de ironie van het moment door. Kris hanteert hier de omgangstaal die er toen in zijn studentenmilieu werd gesproken. De Peulschil en De Onverbiddelijke Zoener werden meteen tophits. Omroep Brabant verzocht LL&K om een zaterdagse wekelijkse satirische radioshow in mekaar te steken, genaamd “De Peulschil”. LL&K schreven de scenario’s en waren tevens de stemacteurs ervan. Chris Van den Durpel zal in de jaren tachtig De Peulschil nog eens gebruiken als begintune voor het BRT-tv Jeugdprogramma. Maar na drie à vier jaar toeren in Vlaanderen én in Nederland, en een succesvolle elpee, houdt Kris het in deze combinatie voor bekeken.

Want De Bruyne wil weg uit het verstikkende parochiale kleinkunstmilieu, hij wil songs schrijven ’waarin iets gebeurt’, met meer inhoud, en gaat solo, wat in 1973 op het Vogue-label uitmondt in de titelloze debuutelpee met zijn toenmalige band: Mich Verbelen, Raymond van het Groenewoud, Firmin Michiels en Eddy Verdonck en Jan De Wilde als special guest op akoestische gitaar. We tellen tien liedjes waaronder Tangebeek Bos, Lied van de Lafaard, Het Tractaat en Grote Japie. Het werd wel een plaat zoals Kris ze op dat moment wou: loeiend hard en met woeste teksten. Hij kreeg de volle laag van pers en publiek, want dit soort muziek was ’totaal ongehoord’. Zowel tekst als muziek werden de grond in geboord. Het album wordt commercieel gezien een buitengewone flop, en wordt na vier weken uit de handel gehaald en vernietigd door de platenfirma. Tegenwoordig wordt dit album algemeen erkend als de allereerste Nederlandstalige rockplaat. Jean-Marie Aerts, producer van o.a. TC Matic, De Kreuners, Arno, Jo Lemaire, Absynth Minded, Urban Dance Squad, Gorki enz… zegt nog steeds heden ten dage dat met Kris’ eigenzinnige album de elektriciteit echt is uitgevonden in ons land.

Live doet De Bruyne zijn naam echter alle eer aan zoals we de vijftiende november in “Humo” lezen: “Hij kan het. We hebben in de Beursschouwburg eindelijk een écht concert meegemaakt, met een échte groep, die échte muziek maakte. Het was hartverwarmend in één avond een streep te zien trekken onder jaren Vlaams geklungel, en door de rekening van al die meelopers, na-apers en twijfelaars die het zo nodig vinden zich via muziek weetjewel te uiten. Wat Kris De Bruyne en zijn rotgetalenteerde groep (Mich Verbelen, Firmin Michiels, Raymond van het Groenewoud en Eddy Verdonck én een levend strijkkwartet) woensdagavond lieten horen en zien, was af. Daarom deze kreet: laat het niet bij deze ene keer blijven. Ga naar Kris De Bruyne kijken als hij in je buurt optreedt.” In “De Spectator” lazen we al iets eerder: “Zoals hij reeds op het festival van Affligem liet horen, bewees Kris De Bruyne nogmaals dat hij de meest prominente zanger is van het Vlaamse popfront. Hij heeft onbewuste présence, gesteund door de sterke opbouw en de teksten van zijn liedjes, die uitstekend begeleid worden door de mensen van zijn groep.”  In het bijbehorende boekje bij de cd-box “Kris De Bruyne 40 jaar Songs” schrijft Dirk Fryns daarover: “Uit die eerste nummers al kwam Kris tevoorschijn als een erg gevoelige, kwetsbare jongen. In de praktijk wilde zijn gedrag dat wel eens tegenspreken. Als zijn karakter weer eens opspeelde of iets indruiste tegen zijn rechtvaardigheidsgevoel, kon hij niets of niemand ontziend uit de bol gaan. Hij kon opvliegend zijn, een “rebel without a cause”. Van de andere kant maakten die uitbarstingen zijn présence op het podium ook geloofwaardig bij zijn steeds talrijker wordende publiek. Het kan geen kwaad voor een oprecht artiest te zingen vanuit zijn ontevredenheid, een zekere opstandigheid, ja zelfs ongeveinsde toorn. Dood aan alles wat voos en vals is! Engagement, een woord dat je niet ijdel gebruikte.”

Wanneer Raymond van het Groenewoud de band van Johan Verminnen verlaat om toe te treden tot de band van Kris, neemt Koen daar diens plaats in. Iets later gaat hij met broer Kris samenwerken en beslissen zij in samenwerking met studio “Madeleine & Mad Music” in Brussel de tweede soloplaat van Kris in eigen beheer op te nemen. Koen, een meester-concertpianist met een conservatoriumdiploma, eerste pianist bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen en docent aan het conservatorium van Antwerpen, na wie Kris enorm opkijkt. Op weg naar het conservatorium wordt hij op een dag aangereden door een tram. Hij ligt enkele dagen in coma, moet een tijd lang herstellen en beslist dan plotseling – vanuit het niets – zijn werk als concertpianist en docent de rug toe te keren. Hij koopt een heus draagbaar houten kerkorgel, met voetpedalen en al, gaat zich toeleggen op jazz en koopt daarbovenop een elektrische Fender Rhodes-piano. Gelukkig voor hen komen die opnamen de directie van Philips ter ore, meer bepaald die van Paul Moens, toonaangevende talentscout, die beslist het album in hun platenstal Philips uit te brengen. In 1975 verschijnt de elpee Ook voor Jou. Dat album verkoopt uitstekend en wordt goud, vooral dankzij de drie prachtige songs Vilvoorde City, ’s Nachts als het donker is, en Amsterdam dat in 2001 en in 2003 al werd genomineerd in de “Eregalerij”. Vrijdag de negende november 2007 wordt Amsterdam in het “Casino Kursaal van Oostende” definitief in de “Eregalerij” opgenomen, die avond samen met Ring, ring I’ve got to Sing van Ferre Grignard. Peter Cnop, overbuur van Kris in de Far West, jarenlang journalist bij Humo en nadien bij Knack, is een en al lof:Koen De Bruyne heeft een te rijke muzikale verbeelding om zijn arrangementen in het kopiewerk te laten stranden. De gelijkmatige aanpak en verwerking maakt van wat ik maar de Kris De Bruynenummers zal noemen, een prachtige suite, die tot de krachtigste werken behoort die er in dit taalgebied, en ook ver daarbuiten, te horen vallen. “Ook voor Jou” is een indrukwekkende plaat, waarmee Kris De Bruyne bevestigt wat iedereen al wel in hem had vermoed.” Kris weet nog precies hoe Amsterdam tot stand kwam. “Op zekere ochtend, het moet een uur of halfzeven zijn geweest, belt Jo Muylaert bij Kris aan, neemt plaats aan de piano van Kris en speelt enkele akkoordenreeksen voor die hem de nacht voordien te binnen waren geschoten. Op basis daarvan en zo’n vijftien minuten later is de songtekst Amsterdam geboren. Daarmee was de Vlaamse muziek in één klap een monument rijker.

Van Amsterdam verschijnen er nadien een aantal covers, onder meer in 1992 door Hans de Booij, in 1997 Mama’s Jasje, en Axelle Red in 2005, e.v.a.

Philips stelt al gauw voor dat Kris begint aan een nieuwe elpee die als werktitel Ballerina’s heet. De broers Koen en Kris zijn laaiend enthousiast. Kris zingt voor Koen in zijn huisje in Grimbergen een 15-tal songs voor waaruit ze samen een selectie maken. Koen is uiteraard de producer. Ze mikken op de Philips-studio’s in Nederland voor een drietal weken. Zo gezegd, zo gedaan. De opnamesessies lopen gesmeerd, maar Koen en Kris moeten in de weekends terug naar huis omdat ze beiden hun concerten te spelen hebben. In die periode – ze zitten nu halfweg de opnamen – sterft Koen totaal onverwacht aan een hersenbloeding, vijftien maanden nadat hun broer Joost, de kunstschilder, al was gestikt door CO2-vergiftiging in zijn schildersatelier. Koen was in die tijd een erg invloedrijke en talentvolle pianist, arrangeur, sessiemuzikant en producer die op heel wat groepen uit de jaren zestig en zeventig zijn stempel heeft gedrukt: Live, Carriage Company, Paul’s Collection, Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Ferre Grignard, Placebo, Johan Verminnen, Will Tura, Black Blood, Octopus, Funky Tramway en wereldtournees met Adamo, e.v.a. Kris zit in zak en as, en gaat op zoek naar een andere producer in het land, maar geen van hen durft het aan die verantwoordelijkheid van Koen over te nemen. Hij moet nog alle songs inzingen en staat er moederziel alleen voor. Zeer tegen zijn zin, de lol was er wel af. Dat inzingen, het mixen en de mastering belasten hem zwaar, de emoties zijn te groot, en hij zingt zijn songs totaal neutraal en ongeïnteresseerd. De anders zo lovende pers is deze keer snoeihard: “Ballerina’s van Kris De Bruyne is een mislukte plaat!. Kris voegt hier tijdens ons interview het volgende nog aan toe: “De platenfirma verplichtte me om die plaat af te werken, want nadat Koen overleden was, had ik er alle interesse in verloren. Het is en blijft zijn plaat. Ik was alleen maar de zanger van dienst!

Op zijn volgende elpee geproduceerd door Frans Ieven, bassist, producer, en radioman, brengt De Bruyne een eresaluut aan zijn beide broers. Hij noemt dat album Paprika, naar een van Joosts schilderijen. De song De Wrede God is een pure afscheidshommage aan broers Koen en Joost De Bruyne, de schilderkunstenaar, grafisch ontwerper en auteur. In het magazine “Billboard” van de zevende december 1979 vinden we als commentaar bij deze plaat: “Deze derde officiële elpee van Kris heeft lang op zich laten wachten. Naar gewoonte openbaart Kris zich als een autistisch, vaak sardonisch verteller van eigen en andermans leed, en met name tekstueel is hij in goeden doen. Zeer goede plaat, waar voor zijn geld.” Topsongs van dit album zijn eveneens Prachtig Nieuw Lief, Lydia d’ Ile d’ Yeu en Castelli di Cannero.

Na het overlijden van zijn beide broers is Kris er rotsvast van overtuigd dat het chronologisch nu de beurt aan hem is. Hij kan de spanning niet aan en vlucht in 1979 naar de US, Connecticut, New England! In zijn boek “In Essentie – Songs & Andere Bekentenissen” (Uitgeverij Lannoo, 2015), schrijft hij daarover: “De man met de zeis heeft me gespaard. Alles bij mekaar heb ik een kleine twee jaar in de USA doorgebracht, er gewoond, gewerkt, rondgetrokken, twaalf staten verkend. Gelukkig stond de dollar toen historisch laag, de benzine kostte haast niets en tot overmaat van plezier kwam mijn toenmalig lief Barbara me vervoegen. Om wat dollars bij te verdienen zette ik in The Fairfield County Gazette, Connecticut, een advertentie: “Young European couple is looking for domestic employment, speaking four languages”. Dat maakte daar serieus veel indruk.” Kris en Barbara worden aangenomen als housekeepers bij William Hammerstein in Bethel, Connecticut. William, die Kris “Bill” mocht noemen als zijn echtgenote er niet bij was, was de kleinzoon van het wereldvermaarde musicalcomponistenduo Rodgers & Hammerstein. En nog later, toen hij naar Wilton verhuisde waar hij de song Winter in Wilton schrijft, gaat hij werken als chauffeur voor “The Sandpiper Bookservice” in Ridgefield, Connecticut. Hij distribueert studieboeken en romans naar alle schoolbookfairs in New England, Connecticut, Maine, Vermont…

In januari 1981 keert Kris levend en gezond terug naar België terug. Hij is genezen. Maar hij wil op dat moment voorlopig niets meer met muziek te maken hebben en gaat twee jaar marketing en copyright studeren aan SRM/Stichting Reclame & Marketingonderwijs, Amsterdam. Twee jaar later richt hij het vennootschap “Acoustics NV” op, het allereerste audioproductiehuis in België. De Bruyne gaat nu opdrachtmuziek schrijven voor radio- en tv-commercials wereldwijd en muziek voor diverse soundtracks: Harry Kümel & Hugo Claus “A Day in Flanders”, bestemd voor de Kamers van Koophandel en de ambassades wereldwijd, Walt Disney Productions Benelux, Agfa Gevaert… Maar hij legt twaalf jaar later zeer tegen zijn zin de boeken neer, wegens wanbetaling door diverse klanten. Het gaat over een verlies van honderdduizenden Belgische franken.

Maar Kris gaat door, niets houdt hem tegen. In het najaar van 1984 gaat hij met zijn band opnieuw op toernee. In “Gazet van Antwerpen” lezen we: “Na jaren van Amerikaanse afwezigheid stond Kris De Bruyne dinsdag weer op een podium voor een première. En het was goed dat De Bruyne er weer stond. Hij is bij ons een van de weinigen die met een liedje een hele wereld van passie, frustratie, leven en dood kunnen scheppen”. Gelijktijdig is er de single Communication (Hart van Steen) en iets later de elpee “Kris De Bruyne Band”. Samen met Chris Peeters neemt hij de productie in handen en laat zich begeleiden door de muzikanten Jan Cuyvers, Jan Hulsens, Dirk Joris, Chris Peeters, Paul Michiels & Joanna Michel. “De Standaard” en “Het Nieuwsblad” schrijven: “De terugkeer van Van Het Groenewoud met “Habba” was een ontgoocheling. De Kreuners hebben zich dit jaar nog niet laten horen. Maar nu is er (plots) de Kris De Bruyne Band die in aanmerking komt voor de beste Nederlandstalige langspeelplaat van het jaar, en niet omdat er zo weinig concurrentie is. Er is weer hoop! ”. Massaal gedraaid is het nummer Je suis Gaga dat hij schreef samen met Chris Peeters en Abel Brantegem. Kris kan het zelf moeilijk geloven, maar de zevende december 1985 staat hij op één in de Vlaamse Top Tien. In de Ultratop is hem een veertigste plaats gegund. Tijdens ons interview benadrukt Kris dat het album “Kris De Bruyne Band” voor hem een mijlpaal is en blijft in zijn carrière, voor hem een duidelijke breuklijn met de vorige platen. Pas toen begon hij te begrijpen wat het is songs te schrijven: “Daar, bij die plaat, is mijn kunstenaarschap begonnen. Toen pas begreep ik hoe je je emoties moet structureren, hoe je realiteit kunt vermengen met fictie. Ik kreeg vanaf die plaat pas grip op mijn materiaal, daar waar het vroeger haast allemaal instinctmatig naar boven kwam.” Kris gunt zijn muzikanten alle eer. De band is zoals Wannes Van de Velde het zei : “Ne zanger is ne groep”.

Kris verrast in 1989 vriend en vijand op het Philips-label met het album “Oog in oog”. Productie: Kris zelf en twee van zijn broeder-muzikanten Jan Hulsens en Chris Peeters. In het totaal tien songs waaronder De Bodem van de Zee, Decolleté, De Vendetta en de ontroerende song Tijd om te gaan Slapen, dat werd gebruikt als muzikale slotapotheose van de acht uren-tv-reeks in regie van Frank Van Passel : “De Smaak van De Keyser”, 2008. Een jaar later op het Alpana-label volgt een Duitse versie van die elpee met “als titel Auge in Auge”. Dat levert vertalingen op als: Du, Windmühlen, Deine Augen en Alles für mich.

Samen met Chris Peeters, studiegenoot in Sint-Lukas, componeert Kris in 1990 de muziek voor de bijna drie uur durende en tweetalige documentaire “Janssen & Janssens draaien een film / Dupont & Dupond font du cinema – 25 years movie-madness from Flanders”, in regie van Robbe De Hert. Deze film geeft door middel van filmfragmenten en interviews met regisseurs als Harry Kümel, Roland Verhaevert en Guido Henderickx, acteurs waaronder Co Flower en Romain Deconinck, schrijvers-scenaristen zoals Ivo Michiels en Hugo Claus en de recensenten Maria Rosseels en Patrick Duynslaeger, een beeld van vijfentwintig jaar movie-madness in Vlaanderen. EMI Belgium bracht aansluitend een cd uit met de hoofdthema’s van de film, met een prachtige hoes van Bob De Moor.

Dat jaar is er op het RCA-label Waarheen je ook mag Lopen, de Amnesty Internationalsingle gezongen door Angie Dylan, Kris Wauters, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. De productie is tevens in handen van Kris die samen met Wauters het nummer schrijft. De Bruyne covert dat jaar ook Bruce Springsteens Tougher than the Rest dat hij als Taaier dan de Rest vertaalt voor de cover-lp van Radio 1 “Neem je tijd”, plus Elvis Costello’s Girls Talk. Kris vertaalt die songtitel niet.

We moeten opnieuw drie jaar wachten voor Kris cd–matig nog iets van zich laat horen. Dat wordt op het Alora-label het album “Keet in de Lobby” dat hij laat producen door niemand minder dan Thé Lau! Thé twijfelde eerst omdat hij de bedoeling van Kris niet meteen begreep. Kris wou een plaat in de studio, maar net zo live klinkend als een heus concert. Met de monitors vlak voor alle muzikanten en vlak voor Kris. Overspraak? Daar zat Kris helemaal niet mee in. En Kris vond Thé daarvoor de meest geschikte man. Die ging nadien door de knieën en zorgt er samen met Kris voor dat dit een van de eerlijkste platen is geworden die Kris in al die jaren heeft afgeleverd. Het eindresultaat werd een harde elektrische plaat met twee elektrische gitaren op de voorgrond. “Dit is mijn meest agressieve plaat ooit “, zegt Kris met klem tijdens ons gesprek. Kris wilde met deze platen even komaf maken met het feit dat hij in sommige media de voorbije jaren werd neergezet als de “softe balladeer”. Met dit album wilde hij even een muzikale vuist maken. De tweede februari 1993 lezen we in “De Morgen” hierover: “Het is een voortreffelijke verzameling van een Vlaamse rocker die alleen nog een plaat maakt als hij werkelijk iets te zeggen heeft. Een voorbeeld dat tot navolging strekt.” Volgens “Het Nieuwsblad” is “Keet in de Lobby” de beste Kris De Bruyne-cd tot dan toe en in “Het Zondagsblad” lezen we dat Kris zichzelf opnieuw heeft uitgevonden. Naast de titelsong hoor je op deze plaat songs als: Winter in Wilton, Spanish Eyes, Waar ik voor Leef en Het Varken van de Hoge Venen. Als single uit dit album is er Das Leben ist so Schön (Kris de Bruyne’s Nachtmerrieblues Nr. 6).

In 1993 verschijnt op het Alora-label de dubbele verzamel-cd “Wedersamengesteld”, eenendertig van zijn tot dan toe bekendste songs, en pas dan merken velen hoeveel knappe songs Kris in de loop van al die jaren wel bij mekaar heeft geschreven en gezongen. Een jaar later is er het boek “Sire, Dit is Rock & Roll” – De 100 beste Belgische songteksten – Samengesteld door Kris De Bruyne & Stijn Meuris” (Dedalus, 1994). Met een voorwoord van beide heren. En met een prachtige cover van Ever Meulen !

In 1994 schrijft Kris in twaalf dagen tijd zestien nieuwe songs in het Ardense romantische piepkleine dorpje Mirwart, niet ver van Saint-Hubert. Alle zestien songs kwamen terecht op de gelijknamige cd “Mirwart”. De elfde mei schrijft Jacky Huys hierover in “Knack Weekend”: “Mirwart is een werkstuk waarop De Bruyne even vitaal klinkt als in de jaren zaliger en dat heeft minder met de harde rockgitaren te maken dan met de vlam binnenin. Anderen van zijn generatie slapen, zijn dood, zitten naast het zwembad of op een mansarde. Hij doet nog altijd mee.” Twaalf songs, waarvan de nummers Meisje in het Blauw, Schone Schijn en Voor je gaat moet je eerst Leren hoe je Komt op single een apart leven gegund wordt. Als hommage aan de man die als eerste in hem geloofde, schrijft Kris de Wannes Van de Velde Blues.

Op het Alora-label is er in 1995 een nieuwe versie van De Peulschil, deze keer met vrienden Kommil Foo/Raf & Mich. Ook op het Alora-label verschijnt in 1996 in een productie van alweer Chris Peeters het album “Van Mijlenver over de Grens”. In “Het Nieuwsblad” van de tweede november schrijft Jan de Vos daarover: “Op zijn recent verschenen cd grijpt Kris De Bruyne nadrukkelijk terug naar het muzikale recept waarmee hij omstreeks 1970 zijn eerste successen boekte: intimistische, akoestisch getinte liedjes met teksten over de mooie en minder mooie dingen des levens. De Bruyne in volle glorie dus!” Uiteraard is de akoestische gitaar van Kris en zijn band sterk aanwezig, maar het zijn de dobro van Fabricio Mancini en de Normandiër Gwénaelt Micault op bandoneon die de kleur van het album bepaald hebben.

Om zijn dertigjarige carrière in de bloemen te zetten, trakteert Kris zichzelf en zijn publiek in 1998 op het dubbelalbum “30 Jaar Zwervend bestaan”, een dubbel-cd waarop een deel van zijn eigen songs opnieuw wordt opgenomen, met o.a. het Frank Hellemont Strijkkwartet, Patrick Riguelle, Wigbert Van Lierde. De productie van deze dertig songs is in handen van Michel Bisceglia. De zeventiende december schrijft Dirk Steenhaut daarover in “De Morgen”: “Het lijkt een beetje vroeg: een artiest die op zijn achtenveertigste al uitgebreid begint om te kijken. Toch denkt Kris De Bruyne nog lang niet aan ophouden. Zelf spreekt hij ’t liefst over een tussentijdse balans, even stilstaan bij het verleden om daarna de toekomst nog vastberadener te lijf te kunnen gaan. “30 Jaar Zwervend bestaan” is trouwens een van de beste platen die hij ooit heeft gemaakt. Niet alleen blijkt uit het materiaal dat De Bruyne een erg getalenteerd liedjesschrijver is, die alleen in tijdgenoten als Jan De Wilde en Raymond van het Groenewoud zijn gelijke vindt, hij zingt ook beter en meer doorvoeld dan ooit. Maar er zijn nog meer tekenen van artistieke rijpheid, vooral in de teksten.” De songs Castelli di Cannero en Lydia d’île d’Yeu worden ook op single uitgebracht. Tegelijk is er ook het boek “30 Jaar Zwervend Bestaan” onder redactie van o.a. Denise Belmans, Herwig Deweerdt en uitgever Marc Vandepitte. Of zoals Jan De Wilde formuleerde: ”Dit is het liber amicorum van Kris”. Andere gastschrijvers zijn o.a. Herman Brusselmans, Eriek Verpale, Jan De Wilde, Bart Plouvier, Chris Peeters, Lamp (Guido Van Hellemont) & Lazerus (Wim Bulens), Jari De Meulemeester van de Ancienne Belgique, e.v.a.

In 2000 is er het album “Zakformaat XL No.1 ” dat Kris opneemt samen met Patrick Riguelle en Wigbert Van Lierde. Dit supertrio neemt op het CNR-label veertien songs op waaronder Nooit meer voor Altijd, Zeven zonden en Het leven is Kut, lievelingssong van Lucas Van den Eynde! Dit staat de tweeëntwintigste mei daarover in de “Financieel Economische Tijd” geschreven: “Bestaat er zoiets als een supergroep met een gezond relativeringsvermogen en een levensnoodzakelijke dosis humor? Heeft Vlaanderen een eigen Crosby, Stills & Nash en kan een gedeelde liefde en passie voor de gitaar het ego op een zijspoor schuiven? Blijkbaar wel wanneer je naar “Zakformaat XL No. 1″ luistert.”

In 2001 komt het album “Buiten de Wet” uit onder het label Culture Records, geproducet door het duo Michel Bisceglia en Mauro Pawlowski. Geen toegevingen aan de stille wetten van de radio en de commercie, maar gewoon stijfkoppig zijn eigen ding doen, is ook nu weer voor De Bruyne het uitgangspunt. In “De Morgen” schrijft Rudy Vandendaele recht uit zijn hart: Ik Lach mij Kapot is een van de mooiste Nederlandstalige songs die ik de afgelopen jaren heb gehoord: strak van compositie, melodieus, erg goed gezongen, en briljant in zijn eenvoud. Zo, dat moest er even uit. Kris De Bruyne heeft dit nummer samen met de befaamde Mauro Pawlowski geschreven. Het luidt veelbelovend zijn nieuwe cd “Buiten de Wet” in. En die belofte wordt ingelost.” Ook de nummers De Letter van de Wet, en Zo Simpel is Dat, vinden hun weg richting single. In “Knack Magazine” lezen we: “Songschrijven moet je De Bruyne natuurlijk niet meer leren. Kris is een man van de inhoud, laat anderen zich bekommeren om de vorm. Denk maar aan wat Thé Lau van The Scene deed op “Keet in de Lobby”. Op “Buiten de Wet” laat Mauro Pawlowski de nummers openbloeien. Klinkt de cd aangenaam, tekstueel is ze scherp. De Bruyne zingt over zelfmoord, god en balorigheid, maar ook over de zoete liefde.” In 2001 is er de gelijkekansenbeleid-cd “Groot Gelijk” waarop Kris te horen is met De letter van de wet. Op dat album horen we onder anderen ook Paul Michiels, Clouseau, Yasmine, Kommil Foo en Raymond van het Groenewoud aan het werk.

Twee jaar nadien start Kris aan een tournee samen met Dany Caen onder de muzikale noemer “De Schone & Het Beest”. Dany Caen, de mooiste Vlaamse vrouwelijke bluesstem ever, vooral bekend als backingzangeres bij o.a. Clouseau, Rob de Nijs, The Scabs, BJ Scott… Zij en Kris kennen elkaar al langer. Honderden uren hebben ze samengewerkt in opnamestudio’s voor cd-, theater- en spektakelproducties en voor radio- en tv-commercials. In het programmablad lezen we: “Twee in Eén” wordt een mengeling van bekende songs van Kris De Bruyne, een selectie van eigen en andere nummers van Dany Caen, en gloednieuwe, nog nooit eerder gehoorde songs. De individuele verschillen tussen De Schone & Het Beest vloeien in de loop van de avond op verraderlijke wijze in elkaar. Werkelijkheid wordt schijn, in dromen van realiteit. Of omgekeerd? Een vocaal en muzikaal huwelijk als een spiegel van de relatie bij u thuis.” Als aanloop naar die tournee is er de schitterende single Nieuwjaar in Brussel, een vertaling door Kris van de Poguessong Fairytale of New York.

In 2004 lanceert Universal de verzamelaar “Het beste van Kris De Bruyne”: elf klassiekers van Amsterdam tot en met Lieve Jacoba. Dat jaar werkt Kris ook mee aan de benefiet-cd “Te Gek”, ten voordele van de psychiatrische instelling “Sint-Annendael” te Diest. Hij schrijft en zingt samen met Mauro Pawlowski de song Al wie dit Hoort. Aan deze cd werken onder meer ook Roland, Patrick Riguelle, Guy Swinnen en Kathleen Vandenhoudt mee.

Het album “Westende Songs” wordt een jaar later gereleased op het LC Music-label en werd opgenomen in de ’Studio Toots’ van Radio 1. Het eindresultaat is een ongeveer zevenendertig minuten durende solo-cd. Producer van dienst is Jean-Marie Aerts: “Kris liet me weten dat hij de best klinkende Nederlandstalige akoestische cd aller tijden wilde maken en dan sta ik scherp”, onthulde Jean-Marie aan de Vlaamse media. Voorts vertelde hij: “Ik heb me klankgewijs laten inspireren door opnames van John Lee Hooker en Robert Johnson. De plaat klinkt meer bluesy dan heel wat bluesplaten. Alle eer daarvoor aan Kris.” “De Morgen” schrijft: “Het eerste wat aan de nieuwe cd opvalt, is de prachtige akoestische klank. Die sound vormt het perfecte contrapunt bij de prachtige liedjes die De Bruyne op zijn medemens loslaat. Hij krijgt daarbij spaarzame maar prachtige rugdekking van Patrick Riguelle, Henri Ylen en Filip Casteels. Als leuk toemaatje krijgen we ook twee bijdragen van Luc De Vos.” Ook “Knack” reageert lovend op deze release: “Met weinig middelen worden tonnen sfeer gecreëerd: geconcipieerd met zicht op zee is dit de blues en americana van aan de Vlaamse kust!” Voorts lezen we links en rechts: “Toch zijn De Bruynes liedteksten en gitaarspel niet bedolven onder overlappende geluidslagen, want de overdubs laten het sobere en eenvoudige karakter van de oorspronkelijke opnames intact. Zo wordt er voldoende ademruimte gegeven aan de zangpartijen, en komt de klemtoon automatisch op de tekstuele inhoud van de songs te liggen. Het al dan niet geslaagd zijn van een liedje hangt daardoor grotendeels af van de sterkte van de lyrics.”

2006 Groot Feest: Liesbeth List, Eva De Roovere, Lucas Van den Eynde en Kris De Bruyne gaan samen op tournee met het programma: “Kleinkunsteiland: uit liefde en respect”. Ze doen samen vijfenveertig uitverkochte culturele centra aan met Kris’ full band, in minder dan twee maanden en een half. Chef d’orchestre: Michel Bisceglia !

En de singer-songwriter blijft keihard werken. In 2007 staan er enkele speciale literaire lezingen op het programma met o.a. Jos Geysels, Karl Van den Broeck als vast panel in het reizend programma “OverLezen” waar Kris zetelt naast schrijvers als Leo Pleysier, Bernard Dewulf, Walter van den Broek, Bart Plouvier, Chika Unigwe, Gerrit Komrij en nog vele anderen.

De twaalfde januari 2008 start de eerste reeks jubileumconcerten “40 Jaar op Tournee”. Naar aanleiding daarvan wordt ook de release van de cd-box “40 jaar songs” gepland, een verzamelbox met zestig liedjes, verdeeld over vier cd’s, met op de vierde cd “specials”, nooit eerder verschenen outtakes, liveopnamen, demoversies van Hoe uit ik dan mijn Vrolijkheid, Waar ik voor Leef, Castelli di Cannero en De Aansteekster / Ik ben de Enige, de versie uit 1995 van De Peulschil en zijn allereerste single Klein Klein Kleutertje plus een allesomvattend booklet.

De tweede februari 2011 brengt Kris op het label Muziekuitgeverij, verdeeld door CNR, als vervolg op “Westende Songs” het album “La Matanza Songs” uit. De vijfde februari schrijft Bart Steenhout daarover in “De Morgen”: “Op dit album, geschreven in Spanje en Griekenland, illustreert de inmiddels zestigjarige Kris De Bruyne ten overvloede dat hij het vak nog steeds tot in de kleinste details beheerst. In Recht op Dank veegt De Bruyne met een vloeiende beweging alle verschillen tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars van tafel middels een goeie, catchy popsong, die intussen de weg naar de radio gevonden heeft. Maar ook als de toon wat melancholischer wordt, zoals in het sobere Belle de Braque / Balle de Break kun je er niet omheen dat De Bruyne nog steeds op topniveau staat. De arrangementen zijn subtiel en uitgepuurd, meestal opgebouwd rond akoestische gitaar en vleugelpiano, maar af en toe (in het aanstekelijke I Kori Mou bijvoorbeeld) duiken er blazers op om het geheel een speelse toets mee te geven. Zowel Lies Steppe als Neeka vervullen gastrolletjes, en met Mag je Nooit Jezelf Verliezen in de Nacht heeft De Bruyne John Martyns klassieker ’May You Never’ vertaald op een manier waar de Schot (die 2 jaar geleden overleed) trots op zou zijn. De twintigste plaat van Kris De Bruyne is een van zijn allerbeste!”

In 2013 brengt Kris bij Lannoo Campus, Leuven zijn derde boek “Hoe Mooi mijn Moeder Stierf”uit, ingeleid door professor Peter De Deyn en toegelicht door professor Wim Distelmans. Daaruit deze passage: “Dit is het verhaal van het laatste anderhalve jaar van het leven van mijn moeder Gabriëlla Van Broeck. Ze had gekozen voor euthanasie en deze werd uitgevoerd op vrijdag zeventien februari 2012 om twee uur ‘s middags, vier en een halve maand voor ze negenennegentig jaar zou zijn geworden. Lichamelijk was ze in het begin niet echt ziek, in enkele vingers had ze wel wat artrose, en in haar laatste maanden viel ze geregeld krachteloos op de grond, waarna ze slechts met veel moeite en pijn weer recht kon komen. Mijn moeder wist heel goed wat ze wilde. Geestelijk was ze helder en kerngezond, zelfs tot op de laatste seconde voor haar overlijden. Maar haar leven was geleefd. Haar verdriet was onmetelijk. Haar huwelijk was een complete ontgoocheling. Daarnaast heeft ze drie zonen moeten overleven, en twee van haar drie dochters, een schoondochter en drie kleinkinderen hadden jaren voordien bijna collectief alle contact met haar verbroken. Dit alles maakte haar psychisch lijden ondraaglijk. Op haar allerlaatste levensdag kreeg ze voor de eerste keer in haar leven twee prikjes na elkaar. Ze is hand in hand met mij en mijn vrouw Lieve met een glimlach en vol vertrouwen heengegaan. Ik ben heel blij dat ik moeders euthanasie heb mogen helpen verwezenlijken onder haar niet mis te verstane leiding, gezag en toezicht. Het was indrukwekkend om te zien hoe mooi mijn moeder stierf.

Begin 2013 gaat Kris weer op tournee met enkelen van zijn zingende collega’s. “Diep in Mij” wordt een eerbetoon aan de in 2010 overleden Yasmine. Het is een overzicht van haar hele oeuvre, op een manier zoals Hilde Rens (Yasmine) het gewild zou hebben: sober, doordacht, stijlvol. Met “Diep in Mij” herleeft Yasmines repertoire in al zijn facetten. In een eigentijdse arrangementen interpreteren Clara Cleymans, Barbara Dex, Gunther  Verspecht  en Kris De Bruyne de liedjes die Yasmine uniek maakten! Veel songs zingen ze vierstemmig. De veertiende februari had in “De Roma” in Antwerpen de première plaats, en de finale van de tournee eindigt, jawel, eveneens in “De Roma”.

En dan verschijnt er nog een vierde boek van de hand van Kris. Naar aanleiding van zijn vijfenzestigste verjaardag presenteert in de maand maart van 2015 Uitgeverij Lannoo “In Essentie, songs & andere bekentenissen”. Sabam schrijft op hun website daarover: “Die songs komen van een van onze meest legendarische singer-songwriters, de man die Klein Klein Kleuterke met zijn bluesversie een cultstatus bezorgde. Nooit eerder groef Kris De Bruyne, die op 20 maart 65 kaarsjes mag uitblazen en dit jaar maar liefst 45 jaar op de planken staat, zo diep naar de roots van zijn inspiratie.  In het boek (zijn vierde publicatie intussen) vertelt hij openhartig over het ontstaan van zijn songs en brengt hij een selectie van zijn beste liedteksten. Tot nog toe staan er duizend en een concerten, tweehonderdvijftig uitgebrachte songs en zeventien albums op de teller. Zijn evergreens behoren tot het collectief geheugen: De Onverbiddelijke Zoener, Lieve Jacoba, Amsterdam, Je suis Gaga, Tijd om te gaan Slapen, Waar ik voor Leef, Vilvoorde City e.v.a. sloegen een brug tussen kleinkunst en rock. Zo verwierf de rasmuzikant “die rock zingt, maar jazz denkt” een unieke positie, tot op vandaag door jong en oud gewaardeerd.” Kris voegt daar zelf aan toe: “Pas nu, tijdens het schrijven van dit boek, begint het me te dagen wat ik allemaal bij mekaar heb geschreven. Hoe geweldig de oogst schommelt van zeer donker tot zeer lichtgevend. Al die songs bulken van ironie, of van cynisme, van sarcasme zelfs. Maar evengoed vind ik er vaak blijheid, positivisme, hoop en geluk in terug.” Of om het met de woorden van zijn collega Patrick Riguelle te zeggen: “Kris is de architect van de eenvoud die zijn stem leent aan een lied dat zegt waar het om gaat!”

Wanneer Guido Belcanto in 2015 zijn album “Cavalier seul” uitbrengt, wordt daar als single Geef me Liefde uit gelicht, een nummer dat Guido voor deze gelegenheid samen met Stijn Meuris en Kris De Bruyne zingt. De zevende februari staan zij op de vierde plaats in de Vlaamse Top 50.

Een novemberavond in 2014. “Concertzaal Trix” in Antwerpen staat volgepakt met duizend jonge en oudere enthousiaste mensen die uitkijken naar Kris De Bruynes “Radio 1-Sessie” en tv-opnamen. Kris kan je als liedschrijver en werkgever niet verdenken van enige verzuchting naar meerdere eer en glorie van hemzelf. Hij is een lid van de musicerende bende, hij is een van de jongens, ijdel en nederig tegelijkertijd. Het is mooi om te zien hoe hij de schaduw durft op te zoeken op het podium en de schijnwerpers laat schijnen op zijn vijf geweldige muzikanten: Yves Baibay op drums, Wladimir Geels op bas, Patrick Deltenre op elektrische gitaar, Gijs Hollebosch op lapsteel, resonator en akoestische gitaar, en Dominique Vantomme op vleugelpiano & hammond. Mooi ook hoe hij hen tijdens het optreden een voor een even apart neemt in een warm en geestig gesprekje. En dan neemt hijzelf weer het voortouw, de artiest die zichzelf keer op keer opnieuw uitvindt”. Alzo omschreef Mark Lefever, radioman van o.a. Studio Brussel, Klara, Radio 1 het in het booklet van de dubbel-cd, die in november 2015  onder de titel “In Levende Lijve” wordt gereleaset. Hier hebben we voor het eerst de rasperformer Kris De Bruyne op twee glinsterende cd’s altijd binnen handbereik. Naast het “Radio 1 Sessies Concert”, waarvoor Kris als special guests koos voor samenwerkingen met Kommil Foo die Arme Lolita van over het Veld zingen, Patrick Riguelle in duet met Kris in Castelli di Cannero, Neeka in duet met Kris met Ik ben de Enige, Clara Cleymans in duet met Kris met Cirkels van Goud , Mauro Pawlowski die meesterlijk gitaar speelt met Kris tijdens Nul komma Nul, Klaas De Somer, zoon van Kris, en de vaste drummer van Tourist LeMC. Tussen haakjes : Hanna, de dochter van Kris, studeert in 2015 af aan de Kunsthumaniora, Antwerpen waar ze piano en bas heeft gestudeerd. Op de bonus-cd staan zeer merkwaardige opnamen van demo’s, nieuwe songs, en een nooit eerder vrijgegeven songversie, te weten ‘s Nachts als het Donker Is, samen mét Luc De Vos.

In de loop van 2015 verschijnt onder impuls van Kris De Bruyne het complete jazz-oeuvre van betreurde broer Koen, onder meer een nieuwe release van het album “Here comes the Crazy Man” van 1974. Kers op de muzikale taart zijn de nooit eerder vrijgegeven studio-opnamen van Koens Games en Four Grand Piano Improvisations. Kris bewaarde al die tijd in zijn muziekarchieven de analoge mastertapes van bovengenoemde studio-opnamen en coördineerde samen met het Belgische platenlabel SDBAN, Gent de productie van vinyl en dubbel-cd.

Vanaf de 10de november 2017 trekt Kris nog eens met veel zin de komende maanden naar het theater, deze keer met het project “Zijn mooiste liefdesliedjes”. Kris De Bruyne, Gijs Hollebosch en Yves Meersschaert zochten uit de 280 songs van Kris naar zijn vergeten liefdesliedjes. Die liedjes waarnaar de fans na afloop van concerten bleven vragen. Deze haast verloren schat van songs was verrassender en rijker dan het trio verwachtte en inschatte. Naast vergeten parels brengen ze ook enkele hits. Gijs, Yves & Kris toveren een magische sound te voorschijn die je nog nooit hebt gehoord. Zo spelen ze onder meer op dobro & slie, accordeon, mondharmonica, piano, akoestische en elektrische gitaar en op een echte Hammond. Ze wisselen met elkaar muzikale poëzie, oor voor detail en kracht uit, met als prachtig resultaat “Zijn mooiste liefdesliedjes”: liefde en blues, amore e dolore.

Over zijn toekomst zegt Kris zelf het volgende: “Ik heb in mijn leven eenentwintig albums uitgebracht. Na “Westende Songs” en “La Matanza Songs” heb ik mezelf verplicht de trilogie te beëindigen met een album dat ik eventueel “De Eerste Songs” zal noemen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Kris De Bruyne

 

Als we surfen naar de site van het Belgisch Pop en Rock Archief en daar Kris De Bruyne aanklikken, dan lezen we dat hij een van Vlaanderens meest getalenteerde singer-songwriters is. Kris is ook de allereerste singer-songwriter die voluit keihard elektrisch is gegaan. Dit werd later bevestigd door collega’s zoals o.a. Jean-Marie Aerts en Luc De Vos, waarover straks méér wordt verteld. In haar masterproef “De toe-eigening van de rockmuziek in België tijdens de jaren zestig” stelt Marieke Vangheluwe: “Begin jaren zeventig vonden rockmuziek en kleinkunst elkaar in artiesten zoals Raymond van het Groenewoud, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. Ze brachten een nieuw genre naar voren en ze hadden, net zoals de kleinkunstenaars voor hen, het gevoel dat wat ze deden het waard was om gebracht te worden. Ook Kris De Bruyne en Johan Verminnen getuigden van zelfvertrouwen, ze wilden immers breken met de regels van de kleinkunst en daarvoor was lef nodig. Lamp, Lazerus & Kris brachten een nieuw rockgeluid, maar daar was Vlaanderen nog niet helemaal klaar voor. Ze behaalden wel een toptienhit, maar hun elpee flopte. Toen Kris later solo ging, bleek zijn muziek beter aan te slaan. Verminnens muziek was een stuk rustiger, maar toch brak ook hij met de kleinkunst, door met elektrische versterking te gaan spelen. Deze drie artiesten bleken te weten wat ze wilden en probeerden zich zo weinig mogelijk door andere factoren te laten beïnvloeden. Dat getuigde al meteen van zelfvertrouwen.

 

Die aparte en vooral in zijn tijd daardoor in het oog springende Kris De Bruyne werd de twintigste maart 1950 in Antwerpen als vijfde kind in een gezin van zeven geboren, afwisselend jongen, meisje, jongen, meisje, jongen, meisje, jongen… Vader, Arthur De Bruyne, geboren de veertiende maart 1912, was onderwijzer die als pure hobby geschiedenisboeken schreef, gespecialiseerd in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en de repressie, en tevens journalist van “De Standaard” en “Gazet van Antwerpen”. Diens vader Emiel was harmoniecomponist en dirigent in het Kruibeekse Waasland en het Hollandse Gouda. En twee andere broers van Arthur, Juul en Albert, waren pianisten, componisten en organisten. Moeder De Bruyne was ook muzikaal, zij speelde graag piano. Daarover vertelt Kris ons: “Wat onze beide ouders ons hebben doorgegeven in vrijheid aan expressie, dat was van onschatbare waarde. We werden opgevoed in een klimaat van artistieke expressie, in literatuur, plastische kunst en muziek. Zo rijpten onze emoties haast vanzelfsprekend en kregen ze vorm. We leren van mekaar, vaak zelfs zonder woorden. Als kleuter al lag ik altijd, omdat ik zo slecht de slaap kon vatten, luidop verzonnen melodieën te zingen in bed. Ik denk dat daar mijn eigen planeet van klank en melodie is ontsprongen.” Aan tafel werd ten huize van De Bruyne dan ook nooit over koetjes en kalfjes gepraat, de gesprekken moesten karakter en inhoud hebben, ook wanneer de ooms en tantes op bezoek kwamen. Vader Arthur was een erudiet talent, maar hij moest vroeg gaan werken omdat zijn vader erg ziek was en er moest brood op de plank komen voor het kroostrijke gezin. Hij had intussen in zijn Kruibeke een meisje leren kennen, dat zo verliefd op hem was dat ze acht jaar lang op hem heeft gewacht vooraleer ze in het huwelijk konden treden en haar man zijn diploma van onderwijzer op zak had. Ten huize van De Bruyne in Mortsel heerste discipline en werden de kinderen devoot en katholiek opgevoed. Er waren strenge gezinsspelregels die gevolgd moesten worden. Met negen in een klein huis, is immers geen sinecure. Wat Kris aan zijn jeugd onder meer ook heeft overgehouden, is zijn liefde voor literatuur. Hij las aan de strekkende meter: Johan Fabricius, Willem Elsschot, Klaus Mann, Simon Carmiggelt, Jeroen Brouwers, tot en met Isaac Bashevis Singer, Charles Bukowski, Jerzy Kosinsky, Konstantin Paustovski…  “Veel van mijn songteksten vonden hun inspiratie in de boeken van vernoemde heren schrijvers!”, aldus Kris.

Kris is acht wanneer hij op de muziekacademie in Mortsel, net als zijn oudere broer Koen, notenleer en piano gaat volgen. Hier leert hij de opgelegde etudes van o.a. de Oostenrijkse componist Carl Czerny en tijdgenoten in de vingers krijgen. Hij geraakt verknocht aan de piano en aan de muziek van componisten als Franz Liszt en Jean Sibelius. Thuis stond in de voorkamer naast een buffetpiano ook een Dual-platenspeler. Daarop draaide Kris zijn eerste gekochte elpees, vooral klassieke platen met muziek van Bach en Sibelius en bluesmuziek van o.a. John Lee Hooker en Jackson C. Frank. Naast de piano geraakt hij door te luisteren naar de muziek van Woody Guthrie en Robert Johnson in de ban van de gitaar. Om dus een gitaar te kunnen kopen gaat hij tijdens de zomervakantie van 1964 twee maanden werken aan de Antwerpse dokken. Hij is dan nog maar veertien. In september 1964 schaft hij zich zijn eerste gitaar aan, kostprijs : zesduizend oude Belgische frank. Niet zo voor de hand liggend voor een jongen die vanaf het derde studiejaar aan het strenge Xaveriuscollege te Borgerhout bij de jezuïeten studeert, met een spartaanse educatie die hem voor de rest van zijn leven zal tekenen. Kris zegt nog steeds dat ze toen ’de onschuld uit zijn persoon hebben gerukt en schuld in de plaats hebben gezet’. Dat, en zijn katholiek-strenge opvoeding, maakte van hem stilaan een rebel die hij in sommige van zijn songs is gebleven.

 

Kris wordt bij de jezuïeten in zijn voorlaatste jaar lager middelbaar wegens onbuigzaam gedrag aan de deur gezet en gaat vervolgens naar het Sint-Norbertus-college in Antwerpen. Hier houdt hij zich gedeisd, want hij heeft met zijn vader afgesproken dat wanneer hij slaagt, hij naar het Sint-Lukasinstituut in Brussel mag, op kot nog wel. Tussen 1965 en 1966 treedt Kris regelmatig op in de klas, in de jeugdclubs en later in Antwerpse bruine kroegen, o.a. in het voorprogramma van Derroll Adams, met songs van Big Bill Broonzy, John Lee Hooker, Woody Guthrie én schoorvoetend met eigen Engelstalige en Nederlandstalige songs. Kris slaagt met glans in het Sint-Norbertus en mag dus op kot en naar Sint-Lukas. Daar zit hij dan als jonge knaap, vogelvrij, en bepaalt zijn eigen leven en toekomst.

 

Aan het Sint–Lukas volgt hij de afdeling plastische kunsten en grafiek, niveau A2. Hij zal niveau A1 wel aanvatten, maar niet afronden, want hij heeft dan al zijn eerste gouden plaat op zak. In zijn naschoolse tijd is Kris al volop met muziek bezig. Het toeval steekt een handje toe. Hij behaalt in 1968 de tweede prijs tijdens het “Skifflefestival van Hove”. Hij zingt daar onder meer een satirische bluesversie van het kinderliedje Klein Klein Kleuterke. Hij geraakt door de eerste selectie, maar moet dan uitpakken met twee andere liedjes. Die heeft hij niet, en dankzij de steun van jurylid Wannes Van de Velde mag Kris tot en met de finale onder meer zijn Kleuterke blijven zingen. De tweede prijs houdt in dat De Bruyne op het Cardinal-label van Rocco Granata zijn eerste single mag opnemen. Tijdens de opname van Kleuterke wordt Kris op bongo’s en wastrommeldozen begeleid door Luk Marynissen, zo simpel is dat. Als B-kant wordt gekozen voor De Lustmoordenaar - gecensureerd door de radio-omroepen - dat Kris samen met Dirk Verhaegen had geschreven. Tijdens diverse gesprekken nadien in de kantine van Sint-Lukas leert Kris, Guido Van Hellemont en Wim Bulens kennen. Hij komt te weten dat ze het duo “Lamp & Lazerus” vormen en voor zij het weten is het trio “Lamp, Lazerus & Kris” een feit. Ze tekenen een platenkontract bij Vogue International en nemen een complete elpee op met als producer Roland Verlooven en geluidstechnicus Paul Leponce, die zelfs al opnamen had gemaakt van Big Bill Broonzy! In alle LL&K-songs klinkt de ironie van het moment door. Kris hanteert hier de omgangstaal die er toen in zijn studentenmilieu werd gesproken. De Peulschil en De Onverbiddelijke Zoener werden meteen tophits. Omroep Brabant verzocht LL&K om een zaterdagse wekelijkse satirische radioshow in mekaar te steken, genaamd “De Peulschil”. LL&K schreven de scenario’s en waren tevens de stemacteurs ervan. Chris Van den Durpel zal in de jaren tachtig De Peulschil nog eens gebruiken als begintune voor het BRT-tv Jeugdprogramma. Maar na drie à vier jaar toeren in Vlaanderen én in Nederland, en een succesvolle elpee, houdt Kris het in deze combinatie voor bekeken.

Want De Bruyne wil weg uit het verstikkende parochiale kleinkunstmilieu, hij wil songs schrijven ’waarin iets gebeurt’, met meer inhoud, en gaat solo, wat in 1973 op het Vogue-label uitmondt in de titelloze debuutelpee met zijn toenmalige band: Mich Verbelen, Raymond van het Groenewoud, Firmin Michiels en Eddy Verdonck en Jan De Wilde als special guest op akoestische gitaar. We tellen tien liedjes waaronder Tangebeek Bos, Lied van de Lafaard, Het Tractaat en Grote Japie. Het werd wel een plaat zoals Kris ze op dat moment wou: loeiend hard en met woeste teksten. Hij kreeg de volle laag van pers en publiek, want dit soort muziek was ’totaal ongehoord’. Zowel tekst als muziek werden de grond in geboord. Het album wordt commercieel gezien een buitengewone flop, en wordt na vier weken uit de handel gehaald en vernietigd door de platenfirma. Tegenwoordig wordt dit album algemeen erkend als de allereerste Nederlandstalige rockplaat. Jean-Marie Aerts, producer van o.a. TC Matic, De Kreuners, Arno, Jo Lemaire, Absynth Minded, Urban Dance Squad, Gorki enz… zegt nog steeds heden ten dage dat met Kris’ eigenzinnige album de elektriciteit echt is uitgevonden in ons land.

Live doet De Bruyne zijn naam echter alle eer aan zoals we de vijftiende november in “Humo” lezen: “Hij kan het. We hebben in de Beursschouwburg eindelijk een écht concert meegemaakt, met een échte groep, die échte muziek maakte. Het was hartverwarmend in één avond een streep te zien trekken onder jaren Vlaams geklungel, en door de rekening van al die meelopers, na-apers en twijfelaars die het zo nodig vinden zich via muziek weetjewel te uiten. Wat Kris De Bruyne en zijn rotgetalenteerde groep (Mich Verbelen, Firmin Michiels, Raymond van het Groenewoud en Eddy Verdonck én een levend strijkkwartet) woensdagavond lieten horen en zien, was af. Daarom deze kreet: laat het niet bij deze ene keer blijven. Ga naar Kris De Bruyne kijken als hij in je buurt optreedt.” In “De Spectator” lazen we al iets eerder: “Zoals hij reeds op het festival van Affligem liet horen, bewees Kris De Bruyne nogmaals dat hij de meest prominente zanger is van het Vlaamse popfront. Hij heeft onbewuste présence, gesteund door de sterke opbouw en de teksten van zijn liedjes, die uitstekend begeleid worden door de mensen van zijn groep.”  In het bijbehorende boekje bij de cd-box “Kris De Bruyne 40 jaar Songs” schrijft Dirk Fryns daarover: “Uit die eerste nummers al kwam Kris tevoorschijn als een erg gevoelige, kwetsbare jongen. In de praktijk wilde zijn gedrag dat wel eens tegenspreken. Als zijn karakter weer eens opspeelde of iets indruiste tegen zijn rechtvaardigheidsgevoel, kon hij niets of niemand ontziend uit de bol gaan. Hij kon opvliegend zijn, een “rebel without a cause”. Van de andere kant maakten die uitbarstingen zijn présence op het podium ook geloofwaardig bij zijn steeds talrijker wordende publiek. Het kan geen kwaad voor een oprecht artiest te zingen vanuit zijn ontevredenheid, een zekere opstandigheid, ja zelfs ongeveinsde toorn. Dood aan alles wat voos en vals is! Engagement, een woord dat je niet ijdel gebruikte.”

Wanneer Raymond van het Groenewoud de band van Johan Verminnen verlaat om toe te treden tot de band van Kris, neemt Koen daar diens plaats in. Iets later gaat hij met broer Kris samenwerken en beslissen zij in samenwerking met studio “Madeleine & Mad Music” in Brussel de tweede soloplaat van Kris in eigen beheer op te nemen. Koen, een meester-concertpianist met een conservatoriumdiploma, eerste pianist bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen en docent aan het conservatorium van Antwerpen, na wie Kris enorm opkijkt. Op weg naar het conservatorium wordt hij op een dag aangereden door een tram. Hij ligt enkele dagen in coma, moet een tijd lang herstellen en beslist dan plotseling – vanuit het niets – zijn werk als concertpianist en docent de rug toe te keren. Hij koopt een heus draagbaar houten kerkorgel, met voetpedalen en al, gaat zich toeleggen op jazz en koopt daarbovenop een elektrische Fender Rhodes-piano. Gelukkig voor hen komen die opnamen de directie van Philips ter ore, meer bepaald die van Paul Moens, toonaangevende talentscout, die beslist het album in hun platenstal Philips uit te brengen. In 1975 verschijnt de elpee “Ook voor Jou”. Dat album verkoopt uitstekend en wordt goud, vooral dankzij de drie prachtige songs Vilvoorde City, ’s Nachts als het donker is, en Amsterdam dat in 2001 en in 2003 al werd genomineerd in de “Eregalerij”. Vrijdag de negende november 2007 wordt Amsterdam in het “Casino Kursaal van Oostende” definitief in de “Eregalerij” opgenomen, die avond samen met Ring, ring I’ve got to Sing van Ferre Grignard. Peter Cnop, overbuur van Kris in de Far West, jarenlang journalist bij Humo en nadien bij Knack, is een en al lof:Koen De Bruyne heeft een te rijke muzikale verbeelding om zijn arrangementen in het kopiewerk te laten stranden. De gelijkmatige aanpak en verwerking maakt van wat ik maar de Kris De Bruynenummers zal noemen, een prachtige suite, die tot de krachtigste werken behoort die er in dit taalgebied, en ook ver daarbuiten, te horen vallen. “Ook voor Jou” is een indrukwekkende plaat, waarmee Kris De Bruyne bevestigt wat iedereen al wel in hem had vermoed.” Kris weet nog precies hoe Amsterdam tot stand kwam. “Op zekere ochtend, het moet een uur of halfzeven zijn geweest, belt Jo Muylaert bij Kris aan, neemt plaats aan de piano van Kris en speelt enkele akkoordenreeksen voor die hem de nacht voordien te binnen waren geschoten. Op basis daarvan en zo’n vijftien minuten later is de songtekst Amsterdam geboren. Daarmee was de Vlaamse muziek in één klap een monument rijker. Van Amsterdam verschijnen er nadien een aantal covers, onder meer in 1992 door Hans de Booij, in 1997 Mama’s Jasje, en Axelle Red in 2005, e.v.a.

Philips stelt al gauw voor dat Kris begint aan een nieuwe elpee die als werktitel “Ballerina’s” heet. De broers Koen en Kris zijn laaiend enthousiast. Kris zingt voor Koen in zijn huisje in Grimbergen een 15-tal songs voor waaruit ze samen een selectie maken. Koen is uiteraard de producer. Ze mikken op de Philips-studio’s in Nederland voor een drietal weken. Zo gezegd, zo gedaan. De opnamesessies lopen gesmeerd, maar Koen en Kris moeten in de weekends terug naar huis omdat ze beiden hun concerten te spelen hebben. In die periode – ze zitten nu halfweg de opnamen – sterft Koen totaal onverwacht aan een hersenbloeding, vijftien maanden nadat hun broer Joost, de kunstschilder, al was gestikt door CO2-vergiftiging in zijn schildersatelier. Koen was in die tijd een erg invloedrijke en talentvolle pianist, arrangeur, sessiemuzikant en producer die op heel wat groepen uit de jaren zestig en zeventig zijn stempel heeft gedrukt: Live, Carriage Company, Paul’s Collection, Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Ferre Grignard, Placebo, Johan Verminnen, Will Tura, Black Blood, Octopus, Funky Tramway en wereldtournees met Adamo, e.v.a. Kris zit in zak en as, en gaat op zoek naar een andere producer in het land, maar geen van hen durft het aan die verantwoordelijkheid van Koen over te nemen. Hij moet nog alle songs inzingen en staat er moederziel alleen voor. Zeer tegen zijn zin, de lol was er wel af. Dat inzingen, het mixen en de mastering belasten hem zwaar, de emoties zijn te groot, en hij zingt zijn songs totaal neutraal en ongeïnteresseerd. De anders zo lovende pers is deze keer snoeihard: “Ballerina’s van Kris De Bruyne is een mislukte plaat!. Kris voegt hier tijdens ons interview het volgende nog aan toe: “De platenfirma verplichtte me om die plaat af te werken, want nadat Koen overleden was, had ik er alle interesse in verloren. Het is en blijft zijn plaat. Ik was alleen maar de zanger van dienst!

Op zijn volgende elpee geproduceerd door Frans Ieven, bassist, producer, en radioman, brengt De Bruyne een eresaluut aan zijn beide broers. Hij noemt dat album “Paprika”, naar een van Joosts schilderijen. De song De Wrede God is een pure afscheidshommage aan broers Koen en Joost De Bruyne, de schilderkunstenaar, grafisch ontwerper en auteur. In het magazine “Billboard” van de zevende december 1979 vinden we als commentaar bij deze plaat: “Deze derde officiële elpee van Kris heeft lang op zich laten wachten. Naar gewoonte openbaart Kris zich als een autistisch, vaak sardonisch verteller van eigen en andermans leed, en met name tekstueel is hij in goeden doen. Zeer goede plaat, waar voor zijn geld.” Topsongs van dit album zijn eveneens Prachtig Nieuw Lief, Lydia d’ Ile d’ Yeu en Castelli di Cannero.

Na het overlijden van zijn beide broers is Kris er rotsvast van overtuigd dat het chronologisch nu de beurt aan hem is. Hij kan de spanning niet aan en vlucht in 1979 naar de US, Connecticut, New England! In zijn boek “In Essentie – Songs & Andere Bekentenissen” (Uitgeverij Lannoo, 2015), schrijft hij daarover: “De man met de zeis heeft me gespaard. Alles bij mekaar heb ik een kleine twee jaar in de USA doorgebracht, er gewoond, gewerkt, rondgetrokken, twaalf staten verkend. Gelukkig stond de dollar toen historisch laag, de benzine kostte haast niets en tot overmaat van plezier kwam mijn toenmalig lief Barbara me vervoegen. Om wat dollars bij te verdienen zette ik in The Fairfield County Gazette, Connecticut, een advertentie: “Young European couple is looking for domestic employment, speaking four languages”. Dat maakte daar serieus veel indruk.” Kris en Barbara worden aangenomen als housekeepers bij William Hammerstein in Bethel, Connecticut. William, die Kris “Bill” mocht noemen als zijn echtgenote er niet bij was, was de kleinzoon van het wereldvermaarde musicalcomponistenduo Rodgers & Hammerstein. En nog later, toen hij naar Wilton verhuisde waar hij de song Winter in Wilton schrijft, gaat hij werken als chauffeur voor “The Sandpiper Bookservice” in Ridgefield, Connecticut. Hij distribueert studieboeken en romans naar alle schoolbookfairs in New England, Connecticut, Maine, Vermont…

In januari 1981 keert Kris levend en gezond terug naar België terug. Hij is genezen. Maar hij wil op dat moment voorlopig niets meer met muziek te maken hebben en gaat twee jaar marketing en copyright studeren aan SRM/Stichting Reclame & Marketingonderwijs, Amsterdam. Twee jaar later richt hij het vennootschap “Acoustics NV” op, het allereerste audioproductiehuis in België. De Bruyne gaat nu opdrachtmuziek schrijven voor radio- en tv-commercials wereldwijd en muziek voor diverse soundtracks: Harry Kümel & Hugo Claus “A Day in Flanders”, bestemd voor de Kamers van Koophandel en de ambassades wereldwijd, Walt Disney Productions Benelux, Agfa Gevaert… Maar hij legt twaalf jaar later zeer tegen zijn zin de boeken neer, wegens wanbetaling door diverse klanten. Het gaat over een verlies van honderdduizenden Belgische franken.

Maar Kris gaat door, niets houdt hem tegen. In het najaar van 1984 gaat hij met zijn band opnieuw op toernee. In “Gazet van Antwerpen” lezen we: “Na jaren van Amerikaanse afwezigheid stond Kris De Bruyne dinsdag weer op een podium voor een première. En het was goed dat De Bruyne er weer stond. Hij is bij ons een van de weinigen die met een liedje een hele wereld van passie, frustratie, leven en dood kunnen scheppen”. Gelijktijdig is er de single Communication (Hart van Steen) en iets later de elpee “Kris De Bruyne Band”. Samen met Chris Peeters neemt hij de productie in handen en laat zich begeleiden door de muzikanten Jan Cuyvers, Jan Hulsens, Dirk Joris, Chris Peeters, Paul Michiels & Joanna Michel. “De Standaard” en “Het Nieuwsblad” schrijven: “De terugkeer van Van Het Groenewoud met “Habba” was een ontgoocheling. De Kreuners hebben zich dit jaar nog niet laten horen. Maar nu is er (plots) de Kris De Bruyne Band die in aanmerking komt voor de beste Nederlandstalige langspeelplaat van het jaar, en niet omdat er zo weinig concurrentie is. Er is weer hoop! ”. Massaal gedraaid is het nummer Je suis Gaga dat hij schreef samen met Chris Peeters en Abel Brantegem. Kris kan het zelf moeilijk geloven, maar de zevende december 1985 staat hij op één in de Vlaamse Top Tien. In de Ultratop is hem een veertigste plaats gegund. Tijdens ons interview benadrukt Kris dat het album “Kris De Bruyne Band” voor hem een mijlpaal is en blijft in zijn carrière, voor hem een duidelijke breuklijn met de vorige platen. Pas toen begon hij te begrijpen wat het is songs te schrijven: “Daar, bij die plaat, is mijn kunstenaarschap begonnen. Toen pas begreep ik hoe je je emoties moet structureren, hoe je realiteit kunt vermengen met fictie. Ik kreeg vanaf die plaat pas grip op mijn materiaal, daar waar het vroeger haast allemaal instinctmatig naar boven kwam.” Kris gunt zijn muzikanten alle eer. De band is zoals Wannes Van de Velde het zei : “Ne zanger is ne groep”.

Kris verrast in 1989 vriend en vijand op het Philips-label met het album “Oog in oog”. Productie: Kris zelf en twee van zijn broeder-muzikanten Jan Hulsens en Chris Peeters. In het totaal tien songs waaronder De Bodem van de Zee, Decolleté, De Vendetta en de ontroerende song Tijd om te gaan Slapen, dat werd gebruikt als muzikale slotapotheose van de acht uren-tv-reeks in regie van Frank Van Passel : “De Smaak van De Keyser”, 2008. Een jaar later op het Alpana-label volgt een Duitse versie van die elpee met “als titel Auge in Auge”. Dat levert vertalingen op als: Du, Windmühlen, Deine Augen en Alles für mich.

Samen met Chris Peeters, studiegenoot in Sint-Lukas, componeert Kris in 1990 de muziek voor de bijna drie uur durende en tweetalige documentaire “Janssen & Janssens draaien een film / Dupont & Dupond font du cinema – 25 years movie-madness from Flanders”, in regie van Robbe De Hert. Deze film geeft door middel van filmfragmenten en interviews met regisseurs als Harry Kümel, Roland Verhaevert en Guido Henderickx, acteurs waaronder Co Flower en Romain Deconinck, schrijvers-scenaristen zoals Ivo Michiels en Hugo Claus en de recensenten Maria Rosseels en Patrick Duynslaeger, een beeld van vijfentwintig jaar movie-madness in Vlaanderen. EMI Belgium bracht aansluitend een cd uit met de hoofdthema’s van de film, met een prachtige hoes van Bob De Moor.

Dat jaar is er op het RCA-label Waarheen je ook mag Lopen, de Amnesty Internationalsingle gezongen door Angie Dylan, Kris Wauters, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. De productie is tevens in handen van Kris die samen met Wauters het nummer schrijft. De Bruyne covert dat jaar ook Bruce Springsteens Tougher than the Rest dat hij als Taaier dan de Rest vertaalt voor de cover-lp van Radio 1 “Neem je tijd”, plus Elvis Costello’s Girls Talk. Kris vertaalt die songtitel niet.

We moeten opnieuw drie jaar wachten voor Kris cd–matig nog iets van zich laat horen. Dat wordt op het Alora-label het album “Keet in de Lobby” dat hij laat producen door niemand minder dan Thé Lau! Thé twijfelde eerst omdat hij de bedoeling van Kris niet meteen begreep. Kris wou een plaat in de studio, maar net zo live klinkend als een heus concert. Met de monitors vlak voor alle muzikanten en vlak voor Kris. Overspraak? Daar zat Kris helemaal niet mee in. En Kris vond Thé daarvoor de meest geschikte man. Die ging nadien door de knieën en zorgt er samen met Kris voor dat dit een van de eerlijkste platen is geworden die Kris in al die jaren heeft afgeleverd. Het eindresultaat werd een harde elektrische plaat met twee elektrische gitaren op de voorgrond. “Dit is mijn meest agressieve plaat ooit “, zegt Kris met klem tijdens ons gesprek. Kris wilde met deze platen even komaf maken met het feit dat hij in sommige media de voorbije jaren werd neergezet als de “softe balladeer”. Met dit album wilde hij even een muzikale vuist maken. De tweede februari 1993 lezen we in “De Morgen” hierover: “Het is een voortreffelijke verzameling van een Vlaamse rocker die alleen nog een plaat maakt als hij werkelijk iets te zeggen heeft. Een voorbeeld dat tot navolging strekt.” Volgens “Het Nieuwsblad” is “Keet in de Lobby” de beste Kris De Bruyne-cd tot dan toe en in “Het Zondagsblad” lezen we dat Kris zichzelf opnieuw heeft uitgevonden. Naast de titelsong hoor je op deze plaat songs als: Winter in Wilton, Spanish Eyes, Waar ik voor Leef en Het Varken van de Hoge Venen. Als single uit dit album is er Das Leben ist so Schön (Kris de Bruyne’s Nachtmerrieblues Nr. 6).

 

In 1993 verschijnt op het Alora-label de dubbele verzamel-cd “Wedersamengesteld”, eenendertig van zijn tot dan toe bekendste songs, en pas dan merken velen hoeveel knappe songs Kris in de loop van al die jaren wel bij mekaar heeft geschreven en gezongen. Een jaar later is er het boek “Sire, Dit is Rock & Roll” – De 100 beste Belgische songteksten – Samengesteld door Kris De Bruyne & Stijn Meuris” (Dedalus, 1994). Met een voorwoord van beide heren. En met een prachtige cover van Ever Meulen !

 

In 1994 schrijft Kris in twaalf dagen tijd zestien nieuwe songs in het Ardense romantische piepkleine dorpje Mirwart, niet ver van Saint-Hubert. Alle zestien songs kwamen terecht op de gelijknamige cd “Mirwart”. De elfde mei schrijft Jacky Huys hierover in “Knack Weekend”: “Mirwart is een werkstuk waarop De Bruyne even vitaal klinkt als in de jaren zaliger en dat heeft minder met de harde rockgitaren te maken dan met de vlam binnenin. Anderen van zijn generatie slapen, zijn dood, zitten naast het zwembad of op een mansarde. Hij doet nog altijd mee.” Twaalf songs, waarvan de nummers Meisje in het Blauw, Schone Schijn en Voor je gaat moet je eerst Leren hoe je Komt op single een apart leven gegund wordt. Als hommage aan de man die als eerste in hem geloofde, schrijft Kris de Wannes Van de Velde Blues.

Op het Alora-label is er in 1995 een nieuwe versie van De Peulschil, deze keer met vrienden Kommil Foo/Raf & Mich. Ook op het Alora-label verschijnt in 1996 in een productie van alweer Chris Peeters het album “Van Mijlenver over de Grens”. In “Het Nieuwsblad” van de tweede november schrijft Jan de Vos daarover: “Op zijn recent verschenen cd grijpt Kris De Bruyne nadrukkelijk terug naar het muzikale recept waarmee hij omstreeks 1970 zijn eerste successen boekte: intimistische, akoestisch getinte liedjes met teksten over de mooie en minder mooie dingen des levens. De Bruyne in volle glorie dus!” Uiteraard is de akoestische gitaar van Kris en zijn band sterk aanwezig, maar het zijn de dobro van Fabricio Mancini en de Normandiër Gwénaelt Micault op bandoneon die de kleur van het album bepaald hebben.

Om zijn dertigjarige carrière in de bloemen te zetten, trakteert Kris zichzelf en zijn publiek in 1998 op het dubbelalbum “30 Jaar Zwervend bestaan”, een dubbel-cd waarop een deel van zijn eigen songs opnieuw wordt opgenomen, met o.a. het Frank Hellemont Strijkkwartet, Patrick Riguelle, Wigbert Van Lierde. De productie van deze dertig songs is in handen van Michel Bisceglia. De zeventiende december schrijft Dirk Steenhaut daarover in “De Morgen”: “Het lijkt een beetje vroeg: een artiest die op zijn achtenveertigste al uitgebreid begint om te kijken. Toch denkt Kris De Bruyne nog lang niet aan ophouden. Zelf spreekt hij ’t liefst over een tussentijdse balans, even stilstaan bij het verleden om daarna de toekomst nog vastberadener te lijf te kunnen gaan. “30 Jaar Zwervend bestaan” is trouwens een van de beste platen die hij ooit heeft gemaakt. Niet alleen blijkt uit het materiaal dat De Bruyne een erg getalenteerd liedjesschrijver is, die alleen in tijdgenoten als Jan De Wilde en Raymond van het Groenewoud zijn gelijke vindt, hij zingt ook beter en meer doorvoeld dan ooit. Maar er zijn nog meer tekenen van artistieke rijpheid, vooral in de teksten.” De songs Castelli di Cannero en Lydia d’île d’Yeu worden ook op single uitgebracht. Tegelijk is er ook het boek “30 Jaar Zwervend Bestaan” onder redactie van o.a. Denise Belmans, Herwig Deweerdt en uitgever Marc Vandepitte. Of zoals Jan De Wilde formuleerde: ”Dit is het liber amicorum van Kris”. Andere gastschrijvers zijn o.a. Herman Brusselmans, Eriek Verpale, Jan De Wilde, Bart Plouvier, Chris Peeters, Lamp (Guido Van Hellemont) & Lazerus (Wim Bulens), Jari De Meulemeester van de Ancienne Belgique, e.v.a.

In 2000 is er het album “Zakformaat XL No.1 ” dat Kris opneemt samen met Patrick Riguelle en Wigbert Van Lierde. Dit supertrio neemt op het CNR-label veertien songs op waaronder Nooit meer voor Altijd, Zeven zonden en Het leven is Kut, lievelingssong van Lucas Van den Eynde! Dit staat de tweeëntwintigste mei daarover in de “Financieel Economische Tijd” geschreven: “Bestaat er zoiets als een supergroep met een gezond relativeringsvermogen en een levensnoodzakelijke dosis humor? Heeft Vlaanderen een eigen Crosby, Stills & Nash en kan een gedeelde liefde en passie voor de gitaar het ego op een zijspoor schuiven? Blijkbaar wel wanneer je naar “Zakformaat XL No. 1″ luistert.”

In 2001 komt het album “Buiten de Wet” uit onder het label Culture Records, geproducet door het duo Michel Bisceglia en Mauro Pawlowski. Geen toegevingen aan de stille wetten van de radio en de commercie, maar gewoon stijfkoppig zijn eigen ding doen, is ook nu weer voor De Bruyne het uitgangspunt. In “De Morgen” schrijft Rudy Vandendaele recht uit zijn hart: “Ik Lach mij Kapot is een van de mooiste Nederlandstalige songs die ik de afgelopen jaren heb gehoord: strak van compositie, melodieus, erg goed gezongen, en briljant in zijn eenvoud. Zo, dat moest er even uit. Kris De Bruyne heeft dit nummer samen met de befaamde Mauro Pawlowski geschreven. Het luidt veelbelovend zijn nieuwe cd “Buiten de Wet” in. En die belofte wordt ingelost.” Ook de nummers De Letter van de Wet, en Zo Simpel is Dat, vinden hun weg richting single. In “Knack Magazine” lezen we: “Songschrijven moet je De Bruyne natuurlijk niet meer leren. Kris is een man van de inhoud, laat anderen zich bekommeren om de vorm. Denk maar aan wat Thé Lau van The Scene deed op “Keet in de Lobby”. Op “Buiten de Wet” laat Mauro Pawlowski de nummers openbloeien. Klinkt de cd aangenaam, tekstueel is ze scherp. De Bruyne zingt over zelfmoord, god en balorigheid, maar ook over de zoete liefde.” In 2001 is er de gelijkekansenbeleid-cd “Groot Gelijk” waarop Kris te horen is met De letter van de wet. Op dat album horen we onder anderen ook Paul Michiels, Clouseau, Yasmine, Kommil Foo en Raymond van het Groenewoud aan het werk.

Twee jaar nadien start Kris aan een tournee samen met Dany Caen onder de muzikale noemer “De Schone & Het Beest”. Dany Caen, de mooiste Vlaamse vrouwelijke bluesstem ever, vooral bekend als backingzangeres bij o.a. Clouseau, Rob de Nijs, The Scabs, BJ Scott… Zij en Kris kennen elkaar al langer. Honderden uren hebben ze samengewerkt in opnamestudio’s voor cd-, theater- en spektakelproducties en voor radio- en tv-commercials. In het programmablad lezen we: Twee in Eén” wordt een mengeling van bekende songs van Kris De Bruyne, een selectie van eigen en andere nummers van Dany Caen, en gloednieuwe, nog nooit eerder gehoorde songs. De individuele verschillen tussen De Schone & Het Beest vloeien in de loop van de avond op verraderlijke wijze in elkaar. Werkelijkheid wordt schijn, in dromen van realiteit. Of omgekeerd? Een vocaal en muzikaal huwelijk als een spiegel van de relatie bij u thuis.” Als aanloop naar die tournee is er de schitterende single Nieuwjaar in Brussel, een vertaling door Kris van de Poguessong Fairytale of New York.n samen op

In 2004 lanceert Universal de verzamelaar “Het beste van Kris De Bruyne”: elf klassiekers van Amsterdam tot en met Lieve Jacoba. Dat jaar werkt Kris ook mee aan de benefiet-cd “Te Gek”, ten voordele van de psychiatrische instelling “Sint-Annendael” te Diest. Hij schrijft en zingt samen met Mauro Pawlowski de song Al wie dit Hoort. Aan deze cd werken onder meer ook Roland, Patrick Riguelle, Guy Swinnen en Kathleen Vandenhoudt mee.

Het album “Westende Songs” wordt een jaar later gereleased op het LC Music-label en werd opgenomen in de ’Studio Toots’ van Radio 1. Het eindresultaat is een ongeveer zevenendertig minuten durende solo-cd. Producer van dienst is Jean-Marie Aerts: “Kris liet me weten dat hij de best klinkende Nederlandstalige akoestische cd aller tijden wilde maken en dan sta ik scherp”, onthulde Jean-Marie aan de Vlaamse media. Voorts vertelde hij: “Ik heb me klankgewijs laten inspireren door opnames van John Lee Hooker en Robert Johnson. De plaat klinkt meer bluesy dan heel wat bluesplaten. Alle eer daarvoor aan Kris.” “De Morgen” schrijft: “Het eerste wat aan de nieuwe cd opvalt, is de prachtige akoestische klank. Die sound vormt het perfecte contrapunt bij de prachtige liedjes die De Bruyne op zijn medemens loslaat. Hij krijgt daarbij spaarzame maar prachtige rugdekking van Patrick Riguelle, Henri Ylen en Filip Casteels. Als leuk toemaatje krijgen we ook twee bijdragen van Luc De Vos.” Ook “Knack” reageert lovend op deze release: “Met weinig middelen worden tonnen sfeer gecreëerd: geconcipieerd met zicht op zee is dit de blues en americana van aan de Vlaamse kust!” Voorts lezen we links en rechts: “Toch zijn De Bruynes liedteksten en gitaarspel niet bedolven onder overlappende geluidslagen, want de overdubs laten het sobere en eenvoudige karakter van de oorspronkelijke opnames intact. Zo wordt er voldoende ademruimte gegeven aan de zangpartijen, en komt de klemtoon automatisch op de tekstuele inhoud van de songs te liggen. Het al dan niet geslaagd zijn van een liedje hangt daardoor grotendeels af van de sterkte van de lyrics.”

2006 Groot Feest: Liesbeth List, Eva De Roovere, Lucas Van den Eynde en Kris De Bruyne gaan samen op tournee met het programma: “Kleinkunsteiland: uit liefde en respect”. Ze doen samen vijfenveertig uitverkochte culturele centra aan met Kris’ full band, in minder dan twee maanden en een half. Chef d’orchestre: Michel Bisceglia !

En de singer-songwriter blijft keihard werken. In 2007 staan er enkele speciale literaire lezingen op het programma met o.a. Jos Geysels, Karl Van den Broeck als vast panel in het reizend programma “OverLezen” waar Kris zetelt naast schrijvers als Leo Pleysier, Bernard Dewulf, Walter van den Broek, Bart Plouvier, Chika Unigwe, Gerrit Komrij en nog vele anderen.

De twaalfde januari 2008 start de eerste reeks jubileumconcerten “40 Jaar op Tournee”. Naar aanleiding daarvan wordt ook de release van de cd-box “40 jaar songs” gepland, een verzamelbox met zestig liedjes, verdeeld over vier cd’s, met op de vierde cd “specials”, nooit eerder verschenen outtakes, liveopnamen, demoversies van Hoe uit ik dan mijn Vrolijkheid, Waar ik voor Leef, Castelli di Cannero en De Aansteekster / Ik ben de Enige, de versie uit 1995 van De Peulschil en zijn allereerste single Klein Klein Kleutertje plus een allesomvattend booklet.

De tweede februari 2011 brengt Kris op het label Muziekuitgeverij, verdeeld door CNR, als vervolg op “Westende Songs” het album “La Matanza Songs” uit. De vijfde februari schrijft Bart Steenhout daarover in “De Morgen”: “Op dit album, geschreven in Spanje en Griekenland, illustreert de inmiddels zestigjarige Kris De Bruyne ten overvloede dat hij het vak nog steeds tot in de kleinste details beheerst. In Recht op Dank veegt De Bruyne met een vloeiende beweging alle verschillen tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars van tafel middels een goeie, catchy popsong, die intussen de weg naar de radio gevonden heeft. Maar ook als de toon wat melancholischer wordt, zoals in het sobere Belle de Braque / Balle de Break kun je er niet omheen dat De Bruyne nog steeds op topniveau staat. De arrangementen zijn subtiel en uitgepuurd, meestal opgebouwd rond akoestische gitaar en vleugelpiano, maar af en toe (in het aanstekelijke I Kori Mou bijvoorbeeld) duiken er blazers op om het geheel een speelse toets mee te geven. Zowel Lies Steppe als Neeka vervullen gastrolletjes, en met Mag je Nooit Jezelf Verliezen in de Nacht heeft De Bruyne John Martyns klassieker ’May You Never’ vertaald op een manier waar de Schot (die 2 jaar geleden overleed) trots op zou zijn. De twintigste plaat van Kris De Bruyne is een van zijn allerbeste!”

In 2013 brengt Kris bij Lannoo Campus, Leuven zijn derde boek “Hoe Mooi mijn Moeder Stierf”uit, ingeleid door professor Peter De Deyn en toegelicht door professor Wim Distelmans. Daaruit deze passage: “Dit is het verhaal van het laatste anderhalve jaar van het leven van mijn moeder Gabriëlla Van Broeck. Ze had gekozen voor euthanasie en deze werd uitgevoerd op vrijdag zeventien februari 2012 om twee uur ‘s middags, vier en een halve maand voor ze negenennegentig jaar zou zijn geworden. Lichamelijk was ze in het begin niet echt ziek, in enkele vingers had ze wel wat artrose, en in haar laatste maanden viel ze geregeld krachteloos op de grond, waarna ze slechts met veel moeite en pijn weer recht kon komen. Mijn moeder wist heel goed wat ze wilde. Geestelijk was ze helder en kerngezond, zelfs tot op de laatste seconde voor haar overlijden. Maar haar leven was geleefd. Haar verdriet was onmetelijk. Haar huwelijk was een complete ontgoocheling. Daarnaast heeft ze drie zonen moeten overleven, en twee van haar drie dochters, een schoondochter en drie kleinkinderen hadden jaren voordien bijna collectief alle contact met haar verbroken. Dit alles maakte haar psychisch lijden ondraaglijk. Op haar allerlaatste levensdag kreeg ze voor de eerste keer in haar leven twee prikjes na elkaar. Ze is hand in hand met mij en mijn vrouw Lieve met een glimlach en vol vertrouwen heengegaan. Ik ben heel blij dat ik moeders euthanasie heb mogen helpen verwezenlijken onder haar niet mis te verstane leiding, gezag en toezicht. Het was indrukwekkend om te zien hoe mooi mijn moeder stierf.

Begin 2013 gaat Kris weer op tournee met enkelen van zijn zingende collega’s. “Diep in Mij” wordt een eerbetoon aan de in 2010 overleden Yasmine. Het is een overzicht van haar hele oeuvre, op een manier zoals Hilde Rens (Yasmine) het gewild zou hebben: sober, doordacht, stijlvol. Met “Diep in Mij” herleeft Yasmines repertoire in al zijn facetten. In een eigentijdse arrangementen interpreteren Clara Cleymans, Barbara Dex, Gunther  Verspecht  en Kris De Bruyne de liedjes die Yasmine uniek maakten! Veel songs zingen ze vierstemmig. De veertiende februari had in “De Roma” in Antwerpen de première plaats, en de finale van de tournee eindigt, jawel, eveneens in “De Roma”.

En dan verschijnt er nog een vierde boek van de hand van Kris. Naar aanleiding van zijn vijfenzestigste verjaardag presenteert in de maand maart van 2015 Uitgeverij Lannoo “In Essentie, songs & andere bekentenissen”. Sabam schrijft op hun website daarover: “Die songs komen van een van onze meest legendarische singer-songwriters, de man die Klein Klein Kleuterke met zijn bluesversie een cultstatus bezorgde. Nooit eerder groef Kris De Bruyne, die op 20 maart 65 kaarsjes mag uitblazen en dit jaar maar liefst 45 jaar op de planken staat, zo diep naar de roots van zijn inspiratie.  In het boek (zijn vierde publicatie intussen) vertelt hij openhartig over het ontstaan van zijn songs en brengt hij een selectie van zijn beste liedteksten. Tot nog toe staan er duizend en een concerten, tweehonderdvijftig uitgebrachte songs en zeventien albums op de teller. Zijn evergreens behoren tot het collectief geheugen: De Onverbiddelijke Zoener, Lieve Jacoba, Amsterdam, Je suis Gaga, Tijd om te gaan Slapen, Waar ik voor Leef, Vilvoorde City e.v.a. sloegen een brug tussen kleinkunst en rock. Zo verwierf de rasmuzikant “die rock zingt, maar jazz denkt” een unieke positie, tot op vandaag door jong en oud gewaardeerd.” Kris voegt daar zelf aan toe: “Pas nu, tijdens het schrijven van dit boek, begint het me te dagen wat ik allemaal bij mekaar heb geschreven. Hoe geweldig de oogst schommelt van zeer donker tot zeer lichtgevend. Al die songs bulken van ironie, of van cynisme, van sarcasme zelfs. Maar evengoed vind ik er vaak blijheid, positivisme, hoop en geluk in terug.” Of om het met de woorden van zijn collega Patrick Riguelle te zeggen: “Kris is de architect van de eenvoud die zijn stem leent aan een lied dat zegt waar het om gaat!”

Wanneer Guido Belcanto in 2015 zijn album “Cavalier seul” uitbrengt, wordt daar als single Geef me Liefde uit gelicht, een nummer dat Guido voor deze gelegenheid samen met Stijn Meuris en Kris De Bruyne zingt. De zevende februari staan zij op de vierde plaats in de Vlaamse Top 50.

Een novemberavond in 2014. “Concertzaal Trix” in Antwerpen staat volgepakt met duizend jonge en oudere enthousiaste mensen die uitkijken naar Kris De Bruynes “Radio 1-Sessie” en tv-opnamen. Kris kan je als liedschrijver en werkgever niet verdenken van enige verzuchting naar meerdere eer en glorie van hemzelf. Hij is een lid van de musicerende bende, hij is een van de jongens, ijdel en nederig tegelijkertijd. Het is mooi om te zien hoe hij de schaduw durft op te zoeken op het podium en de schijnwerpers laat schijnen op zijn vijf geweldige muzikanten: Yves Baibay op drums, Wladimir Geels op bas, Patrick Deltenre op elektrische gitaar, Gijs Hollebosch op lapsteel, resonator en akoestische gitaar, en Dominique Vantomme op vleugelpiano & hammond. Mooi ook hoe hij hen tijdens het optreden een voor een even apart neemt in een warm en geestig gesprekje. En dan neemt hijzelf weer het voortouw, de artiest die zichzelf keer op keer opnieuw uitvindt”. Alzo omschreef Mark Lefever, radioman van o.a. Studio Brussel, Klara, Radio 1 het in het booklet van de dubbel-cd, die in november 2015  onder de titel “In Levende Lijve” wordt gereleaset. Hier hebben we voor het eerst de rasperformer Kris De Bruyne op twee glinsterende cd’s altijd binnen handbereik. Naast het “Radio 1 Sessies Concert”, waarvoor Kris als special guests koos voor samenwerkingen met Kommil Foo die Arme Lolita van over het Veld zingen, Patrick Riguelle in duet met Kris in Castelli di Cannero, Neeka in duet met Kris met Ik ben de Enige, Clara Cleymans in duet met Kris met Cirkels van Goud , Mauro Pawlowski die meesterlijk gitaar speelt met Kris tijdens Nul komma Nul, Klaas De Somer, zoon van Kris, en de vaste drummer van Tourist LeMC. Tussen haakjes : Hanna, de dochter van Kris, studeert in 2015 af aan de Kunsthumaniora, Antwerpen waar ze piano en bas heeft gestudeerd. Op de bonus-cd staan zeer merkwaardige opnamen van demo’s, nieuwe songs, en een nooit eerder vrijgegeven songversie, te weten ‘s Nachts als het Donker Is, samen mét Luc De Vos.

In de loop van 2015 verschijnt onder impuls van Kris De Bruyne het complete jazz-oeuvre van betreurde broer Koen, onder meer een nieuwe release van het album “Here comes the Crazy Man” van 1974. Kers op de muzikale taart zijn de nooit eerder vrijgegeven studio-opnamen van Koens Games en Four Grand Piano Improvisations. Kris bewaarde al die tijd in zijn muziekarchieven de analoge mastertapes van bovengenoemde studio-opnamen en coördineerde samen met het Belgische platenlabel SDBAN, Gent de productie van vinyl en dubbel-cd.

 

Vanaf de 10de november 2017 trekt Kris nog eens met veel zin de komende maanden naar het theater, deze keer met het project “Zijn mooiste liefdesliedjes”. Kris De Bruyne, Gijs Hollebosch en Yves Meersschaert zochten uit de 280 songs van Kris naar zijn vergeten liefdesliedjes. Die liedjes waarnaar de fans na afloop van concerten bleven vragen. Deze haast verloren schat van songs was verrassender en rijker dan het trio verwachtte en inschatte. Naast vergeten parels brengen ze ook enkele hits. Gijs, Yves & Kris toveren een magische sound te voorschijn die je nog nooit hebt gehoord. Zo spelen ze onder meer op dobro & slie, accordeon, mondharmonica, piano, akoestische en elektrische gitaar en op een echte Hammond. Ze wisselen met elkaar muzikale poëzie, oor voor detail en kracht uit, met als prachtig resultaat “Zijn mooiste liefdesliedjes”: liefde en blues, amore e dolore.

 

Over zijn toekomst zegt Kris zelf het volgende: “Ik heb in mijn leven eenentwintig albums uitgebracht. Na “Westende Songs” en “La Matanza Songs” heb ik mezelf verplicht de trilogie te beëindigen met een album dat ik eventueel “De Eerste Songs” zal noemen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Kris De Bruyne

 

Als we surfen naar de site van het Belgisch Pop en Rock Archief en daar Kris De Bruyne aanklikken, dan lezen we dat hij een van Vlaanderens meest getalenteerde singer-songwriters is. Kris is ook de allereerste singer-songwriter die voluit keihard elektrisch is gegaan. Dit werd later bevestigd door collega’s zoals o.a. Jean-Marie Aerts en Luc De Vos, waarover straks méér wordt verteld. In haar masterproef “De toe-eigening van de rockmuziek in België tijdens de jaren zestig” stelt Marieke Vangheluwe: “Begin jaren zeventig vonden rockmuziek en kleinkunst elkaar in artiesten zoals Raymond van het Groenewoud, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. Ze brachten een nieuw genre naar voren en ze hadden, net zoals de kleinkunstenaars voor hen, het gevoel dat wat ze deden het waard was om gebracht te worden. Ook Kris De Bruyne en Johan Verminnen getuigden van zelfvertrouwen, ze wilden immers breken met de regels van de kleinkunst en daarvoor was lef nodig. Lamp, Lazerus & Kris brachten een nieuw rockgeluid, maar daar was Vlaanderen nog niet helemaal klaar voor. Ze behaalden wel een toptienhit, maar hun elpee flopte. Toen Kris later solo ging, bleek zijn muziek beter aan te slaan. Verminnens muziek was een stuk rustiger, maar toch brak ook hij met de kleinkunst, door met elektrische versterking te gaan spelen. Deze drie artiesten bleken te weten wat ze wilden en probeerden zich zo weinig mogelijk door andere factoren te laten beïnvloeden. Dat getuigde al meteen van zelfvertrouwen.

 

Die aparte en vooral in zijn tijd daardoor in het oog springende Kris De Bruyne werd de twintigste maart 1950 in Antwerpen als vijfde kind in een gezin van zeven geboren, afwisselend jongen, meisje, jongen, meisje, jongen, meisje, jongen… Vader, Arthur De Bruyne, geboren de veertiende maart 1912, was onderwijzer die als pure hobby geschiedenisboeken schreef, gespecialiseerd in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en de repressie, en tevens journalist van “De Standaard” en “Gazet van Antwerpen”. Diens vader Emiel was harmoniecomponist en dirigent in het Kruibeekse Waasland en het Hollandse Gouda. En twee andere broers van Arthur, Juul en Albert, waren pianisten, componisten en organisten. Moeder De Bruyne was ook muzikaal, zij speelde graag piano. Daarover vertelt Kris ons: “Wat onze beide ouders ons hebben doorgegeven in vrijheid aan expressie, dat was van onschatbare waarde. We werden opgevoed in een klimaat van artistieke expressie, in literatuur, plastische kunst en muziek. Zo rijpten onze emoties haast vanzelfsprekend en kregen ze vorm. We leren van mekaar, vaak zelfs zonder woorden. Als kleuter al lag ik altijd, omdat ik zo slecht de slaap kon vatten, luidop verzonnen melodieën te zingen in bed. Ik denk dat daar mijn eigen planeet van klank en melodie is ontsprongen.” Aan tafel werd ten huize van De Bruyne dan ook nooit over koetjes en kalfjes gepraat, de gesprekken moesten karakter en inhoud hebben, ook wanneer de ooms en tantes op bezoek kwamen. Vader Arthur was een erudiet talent, maar hij moest vroeg gaan werken omdat zijn vader erg ziek was en er moest brood op de plank komen voor het kroostrijke gezin. Hij had intussen in zijn Kruibeke een meisje leren kennen, dat zo verliefd op hem was dat ze acht jaar lang op hem heeft gewacht vooraleer ze in het huwelijk konden treden en haar man zijn diploma van onderwijzer op zak had. Ten huize van De Bruyne in Mortsel heerste discipline en werden de kinderen devoot en katholiek opgevoed. Er waren strenge gezinsspelregels die gevolgd moesten worden. Met negen in een klein huis, is immers geen sinecure. Wat Kris aan zijn jeugd onder meer ook heeft overgehouden, is zijn liefde voor literatuur. Hij las aan de strekkende meter: Johan Fabricius, Willem Elsschot, Klaus Mann, Simon Carmiggelt, Jeroen Brouwers, tot en met Isaac Bashevis Singer, Charles Bukowski, Jerzy Kosinsky, Konstantin Paustovski…  “Veel van mijn songteksten vonden hun inspiratie in de boeken van vernoemde heren schrijvers!”, aldus Kris.

Kris is acht wanneer hij op de muziekacademie in Mortsel, net als zijn oudere broer Koen, notenleer en piano gaat volgen. Hier leert hij de opgelegde etudes van o.a. de Oostenrijkse componist Carl Czerny en tijdgenoten in de vingers krijgen. Hij geraakt verknocht aan de piano en aan de muziek van componisten als Franz Liszt en Jean Sibelius. Thuis stond in de voorkamer naast een buffetpiano ook een Dual-platenspeler. Daarop draaide Kris zijn eerste gekochte elpees, vooral klassieke platen met muziek van Bach en Sibelius en bluesmuziek van o.a. John Lee Hooker en Jackson C. Frank. Naast de piano geraakt hij door te luisteren naar de muziek van Woody Guthrie en Robert Johnson in de ban van de gitaar. Om dus een gitaar te kunnen kopen gaat hij tijdens de zomervakantie van 1964 twee maanden werken aan de Antwerpse dokken. Hij is dan nog maar veertien. In september 1964 schaft hij zich zijn eerste gitaar aan, kostprijs : zesduizend oude Belgische frank. Niet zo voor de hand liggend voor een jongen die vanaf het derde studiejaar aan het strenge Xaveriuscollege te Borgerhout bij de jezuïeten studeert, met een spartaanse educatie die hem voor de rest van zijn leven zal tekenen. Kris zegt nog steeds dat ze toen ’de onschuld uit zijn persoon hebben gerukt en schuld in de plaats hebben gezet’. Dat, en zijn katholiek-strenge opvoeding, maakte van hem stilaan een rebel die hij in sommige van zijn songs is gebleven.

 

Kris wordt bij de jezuïeten in zijn voorlaatste jaar lager middelbaar wegens onbuigzaam gedrag aan de deur gezet en gaat vervolgens naar het Sint-Norbertus-college in Antwerpen. Hier houdt hij zich gedeisd, want hij heeft met zijn vader afgesproken dat wanneer hij slaagt, hij naar het Sint-Lukasinstituut in Brussel mag, op kot nog wel. Tussen 1965 en 1966 treedt Kris regelmatig op in de klas, in de jeugdclubs en later in Antwerpse bruine kroegen, o.a. in het voorprogramma van Derroll Adams, met songs van Big Bill Broonzy, John Lee Hooker, Woody Guthrie én schoorvoetend met eigen Engelstalige en Nederlandstalige songs. Kris slaagt met glans in het Sint-Norbertus en mag dus op kot en naar Sint-Lukas. Daar zit hij dan als jonge knaap, vogelvrij, en bepaalt zijn eigen leven en toekomst.

 

Aan het Sint–Lukas volgt hij de afdeling plastische kunsten en grafiek, niveau A2. Hij zal niveau A1 wel aanvatten, maar niet afronden, want hij heeft dan al zijn eerste gouden plaat op zak. In zijn naschoolse tijd is Kris al volop met muziek bezig. Het toeval steekt een handje toe. Hij behaalt in 1968 de tweede prijs tijdens het “Skifflefestival van Hove”. Hij zingt daar onder meer een satirische bluesversie van het kinderliedje Klein Klein Kleuterke. Hij geraakt door de eerste selectie, maar moet dan uitpakken met twee andere liedjes. Die heeft hij niet, en dankzij de steun van jurylid Wannes Van de Velde mag Kris tot en met de finale onder meer zijn Kleuterke blijven zingen. De tweede prijs houdt in dat De Bruyne op het Cardinal-label van Rocco Granata zijn eerste single mag opnemen. Tijdens de opname van Kleuterke wordt Kris op bongo’s en wastrommeldozen begeleid door Luk Marynissen, zo simpel is dat. Als B-kant wordt gekozen voor De Lustmoordenaar - gecensureerd door de radio-omroepen - dat Kris samen met Dirk Verhaegen had geschreven. Tijdens diverse gesprekken nadien in de kantine van Sint-Lukas leert Kris, Guido Van Hellemont en Wim Bulens kennen. Hij komt te weten dat ze het duo “Lamp & Lazerus” vormen en voor zij het weten is het trio “Lamp, Lazerus & Kris” een feit. Ze tekenen een platenkontract bij Vogue International en nemen een complete elpee op met als producer Roland Verlooven en geluidstechnicus Paul Leponce, die zelfs al opnamen had gemaakt van Big Bill Broonzy! In alle LL&K-songs klinkt de ironie van het moment door. Kris hanteert hier de omgangstaal die er toen in zijn studentenmilieu werd gesproken. De Peulschil en De Onverbiddelijke Zoener werden meteen tophits. Omroep Brabant verzocht LL&K om een zaterdagse wekelijkse satirische radioshow in mekaar te steken, genaamd “De Peulschil”. LL&K schreven de scenario’s en waren tevens de stemacteurs ervan. Chris Van den Durpel zal in de jaren tachtig De Peulschil nog eens gebruiken als begintune voor het BRT-tv Jeugdprogramma. Maar na drie à vier jaar toeren in Vlaanderen én in Nederland, en een succesvolle elpee, houdt Kris het in deze combinatie voor bekeken.

Want De Bruyne wil weg uit het verstikkende parochiale kleinkunstmilieu, hij wil songs schrijven ’waarin iets gebeurt’, met meer inhoud, en gaat solo, wat in 1973 op het Vogue-label uitmondt in de titelloze debuutelpee met zijn toenmalige band: Mich Verbelen, Raymond van het Groenewoud, Firmin Michiels en Eddy Verdonck en Jan De Wilde als special guest op akoestische gitaar. We tellen tien liedjes waaronder Tangebeek Bos, Lied van de Lafaard, Het Tractaat en Grote Japie. Het werd wel een plaat zoals Kris ze op dat moment wou: loeiend hard en met woeste teksten. Hij kreeg de volle laag van pers en publiek, want dit soort muziek was ’totaal ongehoord’. Zowel tekst als muziek werden de grond in geboord. Het album wordt commercieel gezien een buitengewone flop, en wordt na vier weken uit de handel gehaald en vernietigd door de platenfirma. Tegenwoordig wordt dit album algemeen erkend als de allereerste Nederlandstalige rockplaat. Jean-Marie Aerts, producer van o.a. TC Matic, De Kreuners, Arno, Jo Lemaire, Absynth Minded, Urban Dance Squad, Gorki enz… zegt nog steeds heden ten dage dat met Kris’ eigenzinnige album de elektriciteit echt is uitgevonden in ons land.

Live doet De Bruyne zijn naam echter alle eer aan zoals we de vijftiende november in “Humo” lezen: “Hij kan het. We hebben in de Beursschouwburg eindelijk een écht concert meegemaakt, met een échte groep, die échte muziek maakte. Het was hartverwarmend in één avond een streep te zien trekken onder jaren Vlaams geklungel, en door de rekening van al die meelopers, na-apers en twijfelaars die het zo nodig vinden zich via muziek weetjewel te uiten. Wat Kris De Bruyne en zijn rotgetalenteerde groep (Mich Verbelen, Firmin Michiels, Raymond van het Groenewoud en Eddy Verdonck én een levend strijkkwartet) woensdagavond lieten horen en zien, was af. Daarom deze kreet: laat het niet bij deze ene keer blijven. Ga naar Kris De Bruyne kijken als hij in je buurt optreedt.” In “De Spectator” lazen we al iets eerder: “Zoals hij reeds op het festival van Affligem liet horen, bewees Kris De Bruyne nogmaals dat hij de meest prominente zanger is van het Vlaamse popfront. Hij heeft onbewuste présence, gesteund door de sterke opbouw en de teksten van zijn liedjes, die uitstekend begeleid worden door de mensen van zijn groep.”  In het bijbehorende boekje bij de cd-box “Kris De Bruyne 40 jaar Songs” schrijft Dirk Fryns daarover: “Uit die eerste nummers al kwam Kris tevoorschijn als een erg gevoelige, kwetsbare jongen. In de praktijk wilde zijn gedrag dat wel eens tegenspreken. Als zijn karakter weer eens opspeelde of iets indruiste tegen zijn rechtvaardigheidsgevoel, kon hij niets of niemand ontziend uit de bol gaan. Hij kon opvliegend zijn, een “rebel without a cause”. Van de andere kant maakten die uitbarstingen zijn présence op het podium ook geloofwaardig bij zijn steeds talrijker wordende publiek. Het kan geen kwaad voor een oprecht artiest te zingen vanuit zijn ontevredenheid, een zekere opstandigheid, ja zelfs ongeveinsde toorn. Dood aan alles wat voos en vals is! Engagement, een woord dat je niet ijdel gebruikte.”

Wanneer Raymond van het Groenewoud de band van Johan Verminnen verlaat om toe te treden tot de band van Kris, neemt Koen daar diens plaats in. Iets later gaat hij met broer Kris samenwerken en beslissen zij in samenwerking met studio “Madeleine & Mad Music” in Brussel de tweede soloplaat van Kris in eigen beheer op te nemen. Koen, een meester-concertpianist met een conservatoriumdiploma, eerste pianist bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen en docent aan het conservatorium van Antwerpen, na wie Kris enorm opkijkt. Op weg naar het conservatorium wordt hij op een dag aangereden door een tram. Hij ligt enkele dagen in coma, moet een tijd lang herstellen en beslist dan plotseling – vanuit het niets – zijn werk als concertpianist en docent de rug toe te keren. Hij koopt een heus draagbaar houten kerkorgel, met voetpedalen en al, gaat zich toeleggen op jazz en koopt daarbovenop een elektrische Fender Rhodes-piano. Gelukkig voor hen komen die opnamen de directie van Philips ter ore, meer bepaald die van Paul Moens, toonaangevende talentscout, die beslist het album in hun platenstal Philips uit te brengen. In 1975 verschijnt de elpee “Ook voor Jou”. Dat album verkoopt uitstekend en wordt goud, vooral dankzij de drie prachtige songs Vilvoorde City, ’s Nachts als het donker is, en Amsterdam dat in 2001 en in 2003 al werd genomineerd in de “Eregalerij”. Vrijdag de negende november 2007 wordt Amsterdam in het “Casino Kursaal van Oostende” definitief in de “Eregalerij” opgenomen, die avond samen met Ring, ring I’ve got to Sing van Ferre Grignard. Peter Cnop, overbuur van Kris in de Far West, jarenlang journalist bij Humo en nadien bij Knack, is een en al lof:Koen De Bruyne heeft een te rijke muzikale verbeelding om zijn arrangementen in het kopiewerk te laten stranden. De gelijkmatige aanpak en verwerking maakt van wat ik maar de Kris De Bruynenummers zal noemen, een prachtige suite, die tot de krachtigste werken behoort die er in dit taalgebied, en ook ver daarbuiten, te horen vallen. “Ook voor Jou” is een indrukwekkende plaat, waarmee Kris De Bruyne bevestigt wat iedereen al wel in hem had vermoed.” Kris weet nog precies hoe Amsterdam tot stand kwam. “Op zekere ochtend, het moet een uur of halfzeven zijn geweest, belt Jo Muylaert bij Kris aan, neemt plaats aan de piano van Kris en speelt enkele akkoordenreeksen voor die hem de nacht voordien te binnen waren geschoten. Op basis daarvan en zo’n vijftien minuten later is de songtekst Amsterdam geboren. Daarmee was de Vlaamse muziek in één klap een monument rijker. Van Amsterdam verschijnen er nadien een aantal covers, onder meer in 1992 door Hans de Booij, in 1997 Mama’s Jasje, en Axelle Red in 2005, e.v.a.

Philips stelt al gauw voor dat Kris begint aan een nieuwe elpee die als werktitel “Ballerina’s” heet. De broers Koen en Kris zijn laaiend enthousiast. Kris zingt voor Koen in zijn huisje in Grimbergen een 15-tal songs voor waaruit ze samen een selectie maken. Koen is uiteraard de producer. Ze mikken op de Philips-studio’s in Nederland voor een drietal weken. Zo gezegd, zo gedaan. De opnamesessies lopen gesmeerd, maar Koen en Kris moeten in de weekends terug naar huis omdat ze beiden hun concerten te spelen hebben. In die periode – ze zitten nu halfweg de opnamen – sterft Koen totaal onverwacht aan een hersenbloeding, vijftien maanden nadat hun broer Joost, de kunstschilder, al was gestikt door CO2-vergiftiging in zijn schildersatelier. Koen was in die tijd een erg invloedrijke en talentvolle pianist, arrangeur, sessiemuzikant en producer die op heel wat groepen uit de jaren zestig en zeventig zijn stempel heeft gedrukt: Live, Carriage Company, Paul’s Collection, Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Ferre Grignard, Placebo, Johan Verminnen, Will Tura, Black Blood, Octopus, Funky Tramway en wereldtournees met Adamo, e.v.a. Kris zit in zak en as, en gaat op zoek naar een andere producer in het land, maar geen van hen durft het aan die verantwoordelijkheid van Koen over te nemen. Hij moet nog alle songs inzingen en staat er moederziel alleen voor. Zeer tegen zijn zin, de lol was er wel af. Dat inzingen, het mixen en de mastering belasten hem zwaar, de emoties zijn te groot, en hij zingt zijn songs totaal neutraal en ongeïnteresseerd. De anders zo lovende pers is deze keer snoeihard: “Ballerina’s van Kris De Bruyne is een mislukte plaat!. Kris voegt hier tijdens ons interview het volgende nog aan toe: “De platenfirma verplichtte me om die plaat af te werken, want nadat Koen overleden was, had ik er alle interesse in verloren. Het is en blijft zijn plaat. Ik was alleen maar de zanger van dienst!

Op zijn volgende elpee geproduceerd door Frans Ieven, bassist, producer, en radioman, brengt De Bruyne een eresaluut aan zijn beide broers. Hij noemt dat album “Paprika”, naar een van Joosts schilderijen. De song De Wrede God is een pure afscheidshommage aan broers Koen en Joost De Bruyne, de schilderkunstenaar, grafisch ontwerper en auteur. In het magazine “Billboard” van de zevende december 1979 vinden we als commentaar bij deze plaat: “Deze derde officiële elpee van Kris heeft lang op zich laten wachten. Naar gewoonte openbaart Kris zich als een autistisch, vaak sardonisch verteller van eigen en andermans leed, en met name tekstueel is hij in goeden doen. Zeer goede plaat, waar voor zijn geld.” Topsongs van dit album zijn eveneens Prachtig Nieuw Lief, Lydia d’ Ile d’ Yeu en Castelli di Cannero.

Na het overlijden van zijn beide broers is Kris er rotsvast van overtuigd dat het chronologisch nu de beurt aan hem is. Hij kan de spanning niet aan en vlucht in 1979 naar de US, Connecticut, New England! In zijn boek “In Essentie – Songs & Andere Bekentenissen” (Uitgeverij Lannoo, 2015), schrijft hij daarover: “De man met de zeis heeft me gespaard. Alles bij mekaar heb ik een kleine twee jaar in de USA doorgebracht, er gewoond, gewerkt, rondgetrokken, twaalf staten verkend. Gelukkig stond de dollar toen historisch laag, de benzine kostte haast niets en tot overmaat van plezier kwam mijn toenmalig lief Barbara me vervoegen. Om wat dollars bij te verdienen zette ik in The Fairfield County Gazette, Connecticut, een advertentie: “Young European couple is looking for domestic employment, speaking four languages”. Dat maakte daar serieus veel indruk.” Kris en Barbara worden aangenomen als housekeepers bij William Hammerstein in Bethel, Connecticut. William, die Kris “Bill” mocht noemen als zijn echtgenote er niet bij was, was de kleinzoon van het wereldvermaarde musicalcomponistenduo Rodgers & Hammerstein. En nog later, toen hij naar Wilton verhuisde waar hij de song Winter in Wilton schrijft, gaat hij werken als chauffeur voor “The Sandpiper Bookservice” in Ridgefield, Connecticut. Hij distribueert studieboeken en romans naar alle schoolbookfairs in New England, Connecticut, Maine, Vermont…

In januari 1981 keert Kris levend en gezond terug naar België terug. Hij is genezen. Maar hij wil op dat moment voorlopig niets meer met muziek te maken hebben en gaat twee jaar marketing en copyright studeren aan SRM/Stichting Reclame & Marketingonderwijs, Amsterdam. Twee jaar later richt hij het vennootschap “Acoustics NV” op, het allereerste audioproductiehuis in België. De Bruyne gaat nu opdrachtmuziek schrijven voor radio- en tv-commercials wereldwijd en muziek voor diverse soundtracks: Harry Kümel & Hugo Claus “A Day in Flanders”, bestemd voor de Kamers van Koophandel en de ambassades wereldwijd, Walt Disney Productions Benelux, Agfa Gevaert… Maar hij legt twaalf jaar later zeer tegen zijn zin de boeken neer, wegens wanbetaling door diverse klanten. Het gaat over een verlies van honderdduizenden Belgische franken.

Maar Kris gaat door, niets houdt hem tegen. In het najaar van 1984 gaat hij met zijn band opnieuw op toernee. In “Gazet van Antwerpen” lezen we: “Na jaren van Amerikaanse afwezigheid stond Kris De Bruyne dinsdag weer op een podium voor een première. En het was goed dat De Bruyne er weer stond. Hij is bij ons een van de weinigen die met een liedje een hele wereld van passie, frustratie, leven en dood kunnen scheppen”. Gelijktijdig is er de single Communication (Hart van Steen) en iets later de elpee “Kris De Bruyne Band”. Samen met Chris Peeters neemt hij de productie in handen en laat zich begeleiden door de muzikanten Jan Cuyvers, Jan Hulsens, Dirk Joris, Chris Peeters, Paul Michiels & Joanna Michel. “De Standaard” en “Het Nieuwsblad” schrijven: “De terugkeer van Van Het Groenewoud met “Habba” was een ontgoocheling. De Kreuners hebben zich dit jaar nog niet laten horen. Maar nu is er (plots) de Kris De Bruyne Band die in aanmerking komt voor de beste Nederlandstalige langspeelplaat van het jaar, en niet omdat er zo weinig concurrentie is. Er is weer hoop! ”. Massaal gedraaid is het nummer Je suis Gaga dat hij schreef samen met Chris Peeters en Abel Brantegem. Kris kan het zelf moeilijk geloven, maar de zevende december 1985 staat hij op één in de Vlaamse Top Tien. In de Ultratop is hem een veertigste plaats gegund. Tijdens ons interview benadrukt Kris dat het album “Kris De Bruyne Band” voor hem een mijlpaal is en blijft in zijn carrière, voor hem een duidelijke breuklijn met de vorige platen. Pas toen begon hij te begrijpen wat het is songs te schrijven: “Daar, bij die plaat, is mijn kunstenaarschap begonnen. Toen pas begreep ik hoe je je emoties moet structureren, hoe je realiteit kunt vermengen met fictie. Ik kreeg vanaf die plaat pas grip op mijn materiaal, daar waar het vroeger haast allemaal instinctmatig naar boven kwam.” Kris gunt zijn muzikanten alle eer. De band is zoals Wannes Van de Velde het zei : “Ne zanger is ne groep”.

Kris verrast in 1989 vriend en vijand op het Philips-label met het album “Oog in oog”. Productie: Kris zelf en twee van zijn broeder-muzikanten Jan Hulsens en Chris Peeters. In het totaal tien songs waaronder De Bodem van de Zee, Decolleté, De Vendetta en de ontroerende song Tijd om te gaan Slapen, dat werd gebruikt als muzikale slotapotheose van de acht uren-tv-reeks in regie van Frank Van Passel : “De Smaak van De Keyser”, 2008. Een jaar later op het Alpana-label volgt een Duitse versie van die elpee met “als titel Auge in Auge”. Dat levert vertalingen op als: Du, Windmühlen, Deine Augen en Alles für mich.

Samen met Chris Peeters, studiegenoot in Sint-Lukas, componeert Kris in 1990 de muziek voor de bijna drie uur durende en tweetalige documentaire “Janssen & Janssens draaien een film / Dupont & Dupond font du cinema – 25 years movie-madness from Flanders”, in regie van Robbe De Hert. Deze film geeft door middel van filmfragmenten en interviews met regisseurs als Harry Kümel, Roland Verhaevert en Guido Henderickx, acteurs waaronder Co Flower en Romain Deconinck, schrijvers-scenaristen zoals Ivo Michiels en Hugo Claus en de recensenten Maria Rosseels en Patrick Duynslaeger, een beeld van vijfentwintig jaar movie-madness in Vlaanderen. EMI Belgium bracht aansluitend een cd uit met de hoofdthema’s van de film, met een prachtige hoes van Bob De Moor.

Dat jaar is er op het RCA-label Waarheen je ook mag Lopen, de Amnesty Internationalsingle gezongen door Angie Dylan, Kris Wauters, Kris De Bruyne en Johan Verminnen. De productie is tevens in handen van Kris die samen met Wauters het nummer schrijft. De Bruyne covert dat jaar ook Bruce Springsteens Tougher than the Rest dat hij als Taaier dan de Rest vertaalt voor de cover-lp van Radio 1 “Neem je tijd”, plus Elvis Costello’s Girls Talk. Kris vertaalt die songtitel niet.

We moeten opnieuw drie jaar wachten voor Kris cd–matig nog iets van zich laat horen. Dat wordt op het Alora-label het album “Keet in de Lobby” dat hij laat producen door niemand minder dan Thé Lau! Thé twijfelde eerst omdat hij de bedoeling van Kris niet meteen begreep. Kris wou een plaat in de studio, maar net zo live klinkend als een heus concert. Met de monitors vlak voor alle muzikanten en vlak voor Kris. Overspraak? Daar zat Kris helemaal niet mee in. En Kris vond Thé daarvoor de meest geschikte man. Die ging nadien door de knieën en zorgt er samen met Kris voor dat dit een van de eerlijkste platen is geworden die Kris in al die jaren heeft afgeleverd. Het eindresultaat werd een harde elektrische plaat met twee elektrische gitaren op de voorgrond. “Dit is mijn meest agressieve plaat ooit “, zegt Kris met klem tijdens ons gesprek. Kris wilde met deze platen even komaf maken met het feit dat hij in sommige media de voorbije jaren werd neergezet als de “softe balladeer”. Met dit album wilde hij even een muzikale vuist maken. De tweede februari 1993 lezen we in “De Morgen” hierover: “Het is een voortreffelijke verzameling van een Vlaamse rocker die alleen nog een plaat maakt als hij werkelijk iets te zeggen heeft. Een voorbeeld dat tot navolging strekt.” Volgens “Het Nieuwsblad” is “Keet in de Lobby” de beste Kris De Bruyne-cd tot dan toe en in “Het Zondagsblad” lezen we dat Kris zichzelf opnieuw heeft uitgevonden. Naast de titelsong hoor je op deze plaat songs als: Winter in Wilton, Spanish Eyes, Waar ik voor Leef en Het Varken van de Hoge Venen. Als single uit dit album is er Das Leben ist so Schön (Kris de Bruyne’s Nachtmerrieblues Nr. 6).

 

In 1993 verschijnt op het Alora-label de dubbele verzamel-cd “Wedersamengesteld”, eenendertig van zijn tot dan toe bekendste songs, en pas dan merken velen hoeveel knappe songs Kris in de loop van al die jaren wel bij mekaar heeft geschreven en gezongen. Een jaar later is er het boek “Sire, Dit is Rock & Roll” – De 100 beste Belgische songteksten – Samengesteld door Kris De Bruyne & Stijn Meuris” (Dedalus, 1994). Met een voorwoord van beide heren. En met een prachtige cover van Ever Meulen !

 

In 1994 schrijft Kris in twaalf dagen tijd zestien nieuwe songs in het Ardense romantische piepkleine dorpje Mirwart, niet ver van Saint-Hubert. Alle zestien songs kwamen terecht op de gelijknamige cd “Mirwart”. De elfde mei schrijft Jacky Huys hierover in “Knack Weekend”: “Mirwart is een werkstuk waarop De Bruyne even vitaal klinkt als in de jaren zaliger en dat heeft minder met de harde rockgitaren te maken dan met de vlam binnenin. Anderen van zijn generatie slapen, zijn dood, zitten naast het zwembad of op een mansarde. Hij doet nog altijd mee.” Twaalf songs, waarvan de nummers Meisje in het Blauw, Schone Schijn en Voor je gaat moet je eerst Leren hoe je Komt op single een apart leven gegund wordt. Als hommage aan de man die als eerste in hem geloofde, schrijft Kris de Wannes Van de Velde Blues.

Op het Alora-label is er in 1995 een nieuwe versie van De Peulschil, deze keer met vrienden Kommil Foo/Raf & Mich. Ook op het Alora-label verschijnt in 1996 in een productie van alweer Chris Peeters het album “Van Mijlenver over de Grens”. In “Het Nieuwsblad” van de tweede november schrijft Jan de Vos daarover: “Op zijn recent verschenen cd grijpt Kris De Bruyne nadrukkelijk terug naar het muzikale recept waarmee hij omstreeks 1970 zijn eerste successen boekte: intimistische, akoestisch getinte liedjes met teksten over de mooie en minder mooie dingen des levens. De Bruyne in volle glorie dus!” Uiteraard is de akoestische gitaar van Kris en zijn band sterk aanwezig, maar het zijn de dobro van Fabricio Mancini en de Normandiër Gwénaelt Micault op bandoneon die de kleur van het album bepaald hebben.

Om zijn dertigjarige carrière in de bloemen te zetten, trakteert Kris zichzelf en zijn publiek in 1998 op het dubbelalbum “30 Jaar Zwervend bestaan”, een dubbel-cd waarop een deel van zijn eigen songs opnieuw wordt opgenomen, met o.a. het Frank Hellemont Strijkkwartet, Patrick Riguelle, Wigbert Van Lierde. De productie van deze dertig songs is in handen van Michel Bisceglia. De zeventiende december schrijft Dirk Steenhaut daarover in “De Morgen”: “Het lijkt een beetje vroeg: een artiest die op zijn achtenveertigste al uitgebreid begint om te kijken. Toch denkt Kris De Bruyne nog lang niet aan ophouden. Zelf spreekt hij ’t liefst over een tussentijdse balans, even stilstaan bij het verleden om daarna de toekomst nog vastberadener te lijf te kunnen gaan. “30 Jaar Zwervend bestaan” is trouwens een van de beste platen die hij ooit heeft gemaakt. Niet alleen blijkt uit het materiaal dat De Bruyne een erg getalenteerd liedjesschrijver is, die alleen in tijdgenoten als Jan De Wilde en Raymond van het Groenewoud zijn gelijke vindt, hij zingt ook beter en meer doorvoeld dan ooit. Maar er zijn nog meer tekenen van artistieke rijpheid, vooral in de teksten.” De songs Castelli di Cannero en Lydia d’île d’Yeu worden ook op single uitgebracht. Tegelijk is er ook het boek “30 Jaar Zwervend Bestaan” onder redactie van o.a. Denise Belmans, Herwig Deweerdt en uitgever Marc Vandepitte. Of zoals Jan De Wilde formuleerde: ”Dit is het liber amicorum van Kris”. Andere gastschrijvers zijn o.a. Herman Brusselmans, Eriek Verpale, Jan De Wilde, Bart Plouvier, Chris Peeters, Lamp (Guido Van Hellemont) & Lazerus (Wim Bulens), Jari De Meulemeester van de Ancienne Belgique, e.v.a.

In 2000 is er het album “Zakformaat XL No.1 ” dat Kris opneemt samen met Patrick Riguelle en Wigbert Van Lierde. Dit supertrio neemt op het CNR-label veertien songs op waaronder Nooit meer voor Altijd, Zeven zonden en Het leven is Kut, lievelingssong van Lucas Van den Eynde! Dit staat de tweeëntwintigste mei daarover in de “Financieel Economische Tijd” geschreven: “Bestaat er zoiets als een supergroep met een gezond relativeringsvermogen en een levensnoodzakelijke dosis humor? Heeft Vlaanderen een eigen Crosby, Stills & Nash en kan een gedeelde liefde en passie voor de gitaar het ego op een zijspoor schuiven? Blijkbaar wel wanneer je naar “Zakformaat XL No. 1″ luistert.”

In 2001 komt het album “Buiten de Wet” uit onder het label Culture Records, geproducet door het duo Michel Bisceglia en Mauro Pawlowski. Geen toegevingen aan de stille wetten van de radio en de commercie, maar gewoon stijfkoppig zijn eigen ding doen, is ook nu weer voor De Bruyne het uitgangspunt. In “De Morgen” schrijft Rudy Vandendaele recht uit zijn hart: “Ik Lach mij Kapot is een van de mooiste Nederlandstalige songs die ik de afgelopen jaren heb gehoord: strak van compositie, melodieus, erg goed gezongen, en briljant in zijn eenvoud. Zo, dat moest er even uit. Kris De Bruyne heeft dit nummer samen met de befaamde Mauro Pawlowski geschreven. Het luidt veelbelovend zijn nieuwe cd “Buiten de Wet” in. En die belofte wordt ingelost.” Ook de nummers De Letter van de Wet, en Zo Simpel is Dat, vinden hun weg richting single. In “Knack Magazine” lezen we: “Songschrijven moet je De Bruyne natuurlijk niet meer leren. Kris is een man van de inhoud, laat anderen zich bekommeren om de vorm. Denk maar aan wat Thé Lau van The Scene deed op “Keet in de Lobby”. Op “Buiten de Wet” laat Mauro Pawlowski de nummers openbloeien. Klinkt de cd aangenaam, tekstueel is ze scherp. De Bruyne zingt over zelfmoord, god en balorigheid, maar ook over de zoete liefde.” In 2001 is er de gelijkekansenbeleid-cd “Groot Gelijk” waarop Kris te horen is met De letter van de wet. Op dat album horen we onder anderen ook Paul Michiels, Clouseau, Yasmine, Kommil Foo en Raymond van het Groenewoud aan het werk.

Twee jaar nadien start Kris aan een tournee samen met Dany Caen onder de muzikale noemer “De Schone & Het Beest”. Dany Caen, de mooiste Vlaamse vrouwelijke bluesstem ever, vooral bekend als backingzangeres bij o.a. Clouseau, Rob de Nijs, The Scabs, BJ Scott… Zij en Kris kennen elkaar al langer. Honderden uren hebben ze samengewerkt in opnamestudio’s voor cd-, theater- en spektakelproducties en voor radio- en tv-commercials. In het programmablad lezen we: Twee in Eén” wordt een mengeling van bekende songs van Kris De Bruyne, een selectie van eigen en andere nummers van Dany Caen, en gloednieuwe, nog nooit eerder gehoorde songs. De individuele verschillen tussen De Schone & Het Beest vloeien in de loop van de avond op verraderlijke wijze in elkaar. Werkelijkheid wordt schijn, in dromen van realiteit. Of omgekeerd? Een vocaal en muzikaal huwelijk als een spiegel van de relatie bij u thuis.” Als aanloop naar die tournee is er de schitterende single Nieuwjaar in Brussel, een vertaling door Kris van de Poguessong Fairytale of New York.n samen op

In 2004 lanceert Universal de verzamelaar “Het beste van Kris De Bruyne”: elf klassiekers van Amsterdam tot en met Lieve Jacoba. Dat jaar werkt Kris ook mee aan de benefiet-cd “Te Gek”, ten voordele van de psychiatrische instelling “Sint-Annendael” te Diest. Hij schrijft en zingt samen met Mauro Pawlowski de song Al wie dit Hoort. Aan deze cd werken onder meer ook Roland, Patrick Riguelle, Guy Swinnen en Kathleen Vandenhoudt mee.

Het album “Westende Songs” wordt een jaar later gereleased op het LC Music-label en werd opgenomen in de ’Studio Toots’ van Radio 1. Het eindresultaat is een ongeveer zevenendertig minuten durende solo-cd. Producer van dienst is Jean-Marie Aerts: “Kris liet me weten dat hij de best klinkende Nederlandstalige akoestische cd aller tijden wilde maken en dan sta ik scherp”, onthulde Jean-Marie aan de Vlaamse media. Voorts vertelde hij: “Ik heb me klankgewijs laten inspireren door opnames van John Lee Hooker en Robert Johnson. De plaat klinkt meer bluesy dan heel wat bluesplaten. Alle eer daarvoor aan Kris.” “De Morgen” schrijft: “Het eerste wat aan de nieuwe cd opvalt, is de prachtige akoestische klank. Die sound vormt het perfecte contrapunt bij de prachtige liedjes die De Bruyne op zijn medemens loslaat. Hij krijgt daarbij spaarzame maar prachtige rugdekking van Patrick Riguelle, Henri Ylen en Filip Casteels. Als leuk toemaatje krijgen we ook twee bijdragen van Luc De Vos.” Ook “Knack” reageert lovend op deze release: “Met weinig middelen worden tonnen sfeer gecreëerd: geconcipieerd met zicht op zee is dit de blues en americana van aan de Vlaamse kust!” Voorts lezen we links en rechts: “Toch zijn De Bruynes liedteksten en gitaarspel niet bedolven onder overlappende geluidslagen, want de overdubs laten het sobere en eenvoudige karakter van de oorspronkelijke opnames intact. Zo wordt er voldoende ademruimte gegeven aan de zangpartijen, en komt de klemtoon automatisch op de tekstuele inhoud van de songs te liggen. Het al dan niet geslaagd zijn van een liedje hangt daardoor grotendeels af van de sterkte van de lyrics.”

2006 Groot Feest: Liesbeth List, Eva De Roovere, Lucas Van den Eynde en Kris De Bruyne gaan samen op tournee met het programma: “Kleinkunsteiland: uit liefde en respect”. Ze doen samen vijfenveertig uitverkochte culturele centra aan met Kris’ full band, in minder dan twee maanden en een half. Chef d’orchestre: Michel Bisceglia !

En de singer-songwriter blijft keihard werken. In 2007 staan er enkele speciale literaire lezingen op het programma met o.a. Jos Geysels, Karl Van den Broeck als vast panel in het reizend programma “OverLezen” waar Kris zetelt naast schrijvers als Leo Pleysier, Bernard Dewulf, Walter van den Broek, Bart Plouvier, Chika Unigwe, Gerrit Komrij en nog vele anderen.

De twaalfde januari 2008 start de eerste reeks jubileumconcerten “40 Jaar op Tournee”. Naar aanleiding daarvan wordt ook de release van de cd-box “40 jaar songs” gepland, een verzamelbox met zestig liedjes, verdeeld over vier cd’s, met op de vierde cd “specials”, nooit eerder verschenen outtakes, liveopnamen, demoversies van Hoe uit ik dan mijn Vrolijkheid, Waar ik voor Leef, Castelli di Cannero en De Aansteekster / Ik ben de Enige, de versie uit 1995 van De Peulschil en zijn allereerste single Klein Klein Kleutertje plus een allesomvattend booklet.

De tweede februari 2011 brengt Kris op het label Muziekuitgeverij, verdeeld door CNR, als vervolg op “Westende Songs” het album “La Matanza Songs” uit. De vijfde februari schrijft Bart Steenhout daarover in “De Morgen”: “Op dit album, geschreven in Spanje en Griekenland, illustreert de inmiddels zestigjarige Kris De Bruyne ten overvloede dat hij het vak nog steeds tot in de kleinste details beheerst. In Recht op Dank veegt De Bruyne met een vloeiende beweging alle verschillen tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars van tafel middels een goeie, catchy popsong, die intussen de weg naar de radio gevonden heeft. Maar ook als de toon wat melancholischer wordt, zoals in het sobere Belle de Braque / Balle de Break kun je er niet omheen dat De Bruyne nog steeds op topniveau staat. De arrangementen zijn subtiel en uitgepuurd, meestal opgebouwd rond akoestische gitaar en vleugelpiano, maar af en toe (in het aanstekelijke I Kori Mou bijvoorbeeld) duiken er blazers op om het geheel een speelse toets mee te geven. Zowel Lies Steppe als Neeka vervullen gastrolletjes, en met Mag je Nooit Jezelf Verliezen in de Nacht heeft De Bruyne John Martyns klassieker ’May You Never’ vertaald op een manier waar de Schot (die 2 jaar geleden overleed) trots op zou zijn. De twintigste plaat van Kris De Bruyne is een van zijn allerbeste!”

In 2013 brengt Kris bij Lannoo Campus, Leuven zijn derde boek “Hoe Mooi mijn Moeder Stierf”uit, ingeleid door professor Peter De Deyn en toegelicht door professor Wim Distelmans. Daaruit deze passage: “Dit is het verhaal van het laatste anderhalve jaar van het leven van mijn moeder Gabriëlla Van Broeck. Ze had gekozen voor euthanasie en deze werd uitgevoerd op vrijdag zeventien februari 2012 om twee uur ‘s middags, vier en een halve maand voor ze negenennegentig jaar zou zijn geworden. Lichamelijk was ze in het begin niet echt ziek, in enkele vingers had ze wel wat artrose, en in haar laatste maanden viel ze geregeld krachteloos op de grond, waarna ze slechts met veel moeite en pijn weer recht kon komen. Mijn moeder wist heel goed wat ze wilde. Geestelijk was ze helder en kerngezond, zelfs tot op de laatste seconde voor haar overlijden. Maar haar leven was geleefd. Haar verdriet was onmetelijk. Haar huwelijk was een complete ontgoocheling. Daarnaast heeft ze drie zonen moeten overleven, en twee van haar drie dochters, een schoondochter en drie kleinkinderen hadden jaren voordien bijna collectief alle contact met haar verbroken. Dit alles maakte haar psychisch lijden ondraaglijk. Op haar allerlaatste levensdag kreeg ze voor de eerste keer in haar leven twee prikjes na elkaar. Ze is hand in hand met mij en mijn vrouw Lieve met een glimlach en vol vertrouwen heengegaan. Ik ben heel blij dat ik moeders euthanasie heb mogen helpen verwezenlijken onder haar niet mis te verstane leiding, gezag en toezicht. Het was indrukwekkend om te zien hoe mooi mijn moeder stierf.

Begin 2013 gaat Kris weer op tournee met enkelen van zijn zingende collega’s. “Diep in Mij” wordt een eerbetoon aan de in 2010 overleden Yasmine. Het is een overzicht van haar hele oeuvre, op een manier zoals Hilde Rens (Yasmine) het gewild zou hebben: sober, doordacht, stijlvol. Met “Diep in Mij” herleeft Yasmines repertoire in al zijn facetten. In een eigentijdse arrangementen interpreteren Clara Cleymans, Barbara Dex, Gunther  Verspecht  en Kris De Bruyne de liedjes die Yasmine uniek maakten! Veel songs zingen ze vierstemmig. De veertiende februari had in “De Roma” in Antwerpen de première plaats, en de finale van de tournee eindigt, jawel, eveneens in “De Roma”.

En dan verschijnt er nog een vierde boek van de hand van Kris. Naar aanleiding van zijn vijfenzestigste verjaardag presenteert in de maand maart van 2015 Uitgeverij Lannoo “In Essentie, songs & andere bekentenissen”. Sabam schrijft op hun website daarover: “Die songs komen van een van onze meest legendarische singer-songwriters, de man die Klein Klein Kleuterke met zijn bluesversie een cultstatus bezorgde. Nooit eerder groef Kris De Bruyne, die op 20 maart 65 kaarsjes mag uitblazen en dit jaar maar liefst 45 jaar op de planken staat, zo diep naar de roots van zijn inspiratie.  In het boek (zijn vierde publicatie intussen) vertelt hij openhartig over het ontstaan van zijn songs en brengt hij een selectie van zijn beste liedteksten. Tot nog toe staan er duizend en een concerten, tweehonderdvijftig uitgebrachte songs en zeventien albums op de teller. Zijn evergreens behoren tot het collectief geheugen: De Onverbiddelijke Zoener, Lieve Jacoba, Amsterdam, Je suis Gaga, Tijd om te gaan Slapen, Waar ik voor Leef, Vilvoorde City e.v.a. sloegen een brug tussen kleinkunst en rock. Zo verwierf de rasmuzikant “die rock zingt, maar jazz denkt” een unieke positie, tot op vandaag door jong en oud gewaardeerd.” Kris voegt daar zelf aan toe: “Pas nu, tijdens het schrijven van dit boek, begint het me te dagen wat ik allemaal bij mekaar heb geschreven. Hoe geweldig de oogst schommelt van zeer donker tot zeer lichtgevend. Al die songs bulken van ironie, of van cynisme, van sarcasme zelfs. Maar evengoed vind ik er vaak blijheid, positivisme, hoop en geluk in terug.” Of om het met de woorden van zijn collega Patrick Riguelle te zeggen: “Kris is de architect van de eenvoud die zijn stem leent aan een lied dat zegt waar het om gaat!”

Wanneer Guido Belcanto in 2015 zijn album “Cavalier seul” uitbrengt, wordt daar als single Geef me Liefde uit gelicht, een nummer dat Guido voor deze gelegenheid samen met Stijn Meuris en Kris De Bruyne zingt. De zevende februari staan zij op de vierde plaats in de Vlaamse Top 50.

Een novemberavond in 2014. “Concertzaal Trix” in Antwerpen staat volgepakt met duizend jonge en oudere enthousiaste mensen die uitkijken naar Kris De Bruynes “Radio 1-Sessie” en tv-opnamen. Kris kan je als liedschrijver en werkgever niet verdenken van enige verzuchting naar meerdere eer en glorie van hemzelf. Hij is een lid van de musicerende bende, hij is een van de jongens, ijdel en nederig tegelijkertijd. Het is mooi om te zien hoe hij de schaduw durft op te zoeken op het podium en de schijnwerpers laat schijnen op zijn vijf geweldige muzikanten: Yves Baibay op drums, Wladimir Geels op bas, Patrick Deltenre op elektrische gitaar, Gijs Hollebosch op lapsteel, resonator en akoestische gitaar, en Dominique Vantomme op vleugelpiano & hammond. Mooi ook hoe hij hen tijdens het optreden een voor een even apart neemt in een warm en geestig gesprekje. En dan neemt hijzelf weer het voortouw, de artiest die zichzelf keer op keer opnieuw uitvindt”. Alzo omschreef Mark Lefever, radioman van o.a. Studio Brussel, Klara, Radio 1 het in het booklet van de dubbel-cd, die in november 2015  onder de titel “In Levende Lijve” wordt gereleaset. Hier hebben we voor het eerst de rasperformer Kris De Bruyne op twee glinsterende cd’s altijd binnen handbereik. Naast het “Radio 1 Sessies Concert”, waarvoor Kris als special guests koos voor samenwerkingen met Kommil Foo die Arme Lolita van over het Veld zingen, Patrick Riguelle in duet met Kris in Castelli di Cannero, Neeka in duet met Kris met Ik ben de Enige, Clara Cleymans in duet met Kris met Cirkels van Goud , Mauro Pawlowski die meesterlijk gitaar speelt met Kris tijdens Nul komma Nul, Klaas De Somer, zoon van Kris, en de vaste drummer van Tourist LeMC. Tussen haakjes : Hanna, de dochter van Kris, studeert in 2015 af aan de Kunsthumaniora, Antwerpen waar ze piano en bas heeft gestudeerd. Op de bonus-cd staan zeer merkwaardige opnamen van demo’s, nieuwe songs, en een nooit eerder vrijgegeven songversie, te weten ‘s Nachts als het Donker Is, samen mét Luc De Vos.

In de loop van 2015 verschijnt onder impuls van Kris De Bruyne het complete jazz-oeuvre van betreurde broer Koen, onder meer een nieuwe release van het album “Here comes the Crazy Man” van 1974. Kers op de muzikale taart zijn de nooit eerder vrijgegeven studio-opnamen van Koens Games en Four Grand Piano Improvisations. Kris bewaarde al die tijd in zijn muziekarchieven de analoge mastertapes van bovengenoemde studio-opnamen en coördineerde samen met het Belgische platenlabel SDBAN, Gent de productie van vinyl en dubbel-cd.

 

Vanaf de 10de november 2017 trekt Kris nog eens met veel zin de komende maanden naar het theater, deze keer met het project “Zijn mooiste liefdesliedjes”. Kris De Bruyne, Gijs Hollebosch en Yves Meersschaert zochten uit de 280 songs van Kris naar zijn vergeten liefdesliedjes. Die liedjes waarnaar de fans na afloop van concerten bleven vragen. Deze haast verloren schat van songs was verrassender en rijker dan het trio verwachtte en inschatte. Naast vergeten parels brengen ze ook enkele hits. Gijs, Yves & Kris toveren een magische sound te voorschijn die je nog nooit hebt gehoord. Zo spelen ze onder meer op dobro & slie, accordeon, mondharmonica, piano, akoestische en elektrische gitaar en op een echte Hammond. Ze wisselen met elkaar muzikale poëzie, oor voor detail en kracht uit, met als prachtig resultaat “Zijn mooiste liefdesliedjes”: liefde en blues, amore e dolore.

 

Over zijn toekomst zegt Kris zelf het volgende: “Ik heb in mijn leven eenentwintig albums uitgebracht. Na “Westende Songs” en “La Matanza Songs” heb ik mezelf verplicht de trilogie te beëindigen met een album dat ik eventueel “De Eerste Songs” zal noemen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Helmut Lotti

Er wordt weleens gezegd dat muziek in je genen moet zitten. In het geval van Helmut Lotti is dat een waarheid die sluit als een bus. Zijn overgrootmoeder van vaderszijde was een mezzosopraan. Zijn grootvader van vaderszijde, Bart Lotigiers, was een sportjournalist die in de jaren vijftig en zestig chef sport was bij de krant Het Volk. In zijn vrije tijd wad hij druk beizg met zingen, want hij was een begenadigd tenor die zijn zangcarrière beëindigde als bestuurder van de “Opera van Gent”, die hij leidde van 1974 tot 1978. Er wordt beweerd dat Helmuts vader, Luc, nog beter zou zingen dan zijn zoon zelf.

Helmut werd de tweeëntwintigste oktober 1969 om vijf uur in de ochtend geboren in Sint-Amandsberg als de zoon van Luc Lotigiers en Rita Lagrou. Het was hun eerste zoon. Later wordt het gezin uitgebreid met de zonen Johan en Kurt. Wanneer hij zes is, scheiden zijn ouders en krijgt hij er nadien nog twee halfbroers bij: James en Anthony. Mama Rita ontdekt vrij snel dat zoon Helmut erg muzikaal is. Zijzelf speelt niet onaardig accordeon en piano en moedigt haar zoon aan zijn talenten te benutten. Zo vaak hij kan, luistert hij thuis naar de platen van zijn moeder: elpees van Engelbert Humperdinck en de orkesten Bert Kaempfert, The JR7 van Jacques Raymond en Helmut Zacharias. Deze laatste bepaalde voorzeker de voornaamkeuze van haar eerste zoon. Hoog in het vaandel droeg zijn moeder hét jarenvijftigidool Elvis Presley. Die zou een enorme indruk op Helmut nalaten. Met deze smeltkroes als muzikale bakermat begint Helmut op zijn zesde graag te zingen, de liedjes van bijvoorbeeld Jimmy Frey. Van opa Bart mag hij in de Gentse opera figureren in de operette “Friederike” van Franz Lehár. Hoe klein zijn bijdrage ook is, Helmut krijgt er de smaak voor het theater en het zingen voor een livepubliek te pakken.

Op zijn twaalfde, in 1982, gaat Helmut wat noetenleer volgen. Fietsen is iets wat Helmut ook graag doet en het liefst van al op een echte racefiets. Hij droomt op zijn vijftiende van een carrière als profwielrenner op te bouwen. Daar kon je geld mee verdienen. Zingen was meer iets wat je tussendoor deed, louter voor de ontspanning en de fun. Maar Helmut ontdekt te snel dat hij een controlefreak is, die niet genoeg guts heeft om een supersnelle sprint in te zetten en door de bochten te scheuren. Hij is en blijft een voorzichtig, aftastend ventje en dat speelt hem uiteindelijk parten in zijn korte wielrennerscarrière. Hij laat die droom varen, gelukkig maar, anders was hij nooit die succesvolle zanger van nu geworden.

Dan zich maar concentreren op het betere zangwerk. Op zijn vijftiende waagt Helmut zich gedurende een maand of drie aan een muzikale opleiding. Dan haakt hij af omdat hij het niet boeiend genoeg vindt, iets waarover hij later zijn spijt zal uiten omdat hij nooit een instrument heeft leren bespelen om zichzelf te kunnen begeleiden. Mama Rita blijft Helmut aanmoedigen en schrijft hem in 1989 in voor de Vlaamse preselecties van de Nederlandse “KRO Soundmixshow”, het razend populaire tv-programma met Henny Huisman. De Gentse Helmut moet helemaal naar Aarschot voor zijn preselectie. Dat is een speling van het lot: medewerker Luc Chaltin van “ABC-studio” uit Tremelo, vist hem op uit een zak vol cassettes van niet geselecteerden, nadat een kandidaat zich ziek heeft gemeld en ze op zoek moesten naar een vervanger. Helmuts cassette met Good Luck Charm erop wordt goed genoeg bevonden, maar hij krijgt de raad om een vocaler nummer te zingen in Aarschot. Dankzij dat advies gebeurt in Aarschot iets dat voor Helmut onvergetelijk blijft: hij zingt The Wonder of You en moet vlak na die performance al een bisnummer brengen van de jury, omdat het dak eraf gaat. Dat wordt Suspicious Minds, en op dat moment is het voor iedereen al duidelijk wie in Aarschot gaat winnen. Roland Beirnaert, de medewerker van ABC-studio die Helmut de goede raad over de nummerkeuze had gegeven, komt net na Helmuts optreden met hem praten over een samenwerkingsvoorstel. Hij wordt Helmuts manager. Luc Chaltin, de man die de cassette had opgevist, verzint voor Helmut de artiestennaam Kevin Leach en zal enkele maanden later met Helmut twaalf Engelstalige demo’s opnemen, die nooit op plaat verschijnen. Ondertussen gaat Helmut naar de Nederlandse soundmixshow met alweer een ander nummer van Elvis My Boy. Tot zijn eigen verbazing eindigt hij daar in de grote finale op tv de zeventiende april op een gedeelde derde plaats met veertien percent van de stemmen. ABC Studio stelt Helmut voor het liedje Love me, geschreven door Hans van Eijck, op te nemen. Zij nemen contact op met platenfirma BMG, die het wel ziet zitten op voorwaarde dat Helmut het in het Nederlands opneemt en dat onder de naam Helmut Lotti. Medewerker Roland Beirnaert zal zich als manager over de carrière van Helmut ontfermen. Mei 1989 ondertekent Helmut zijn contract bij BMG, dat door de komst van “Tien om te Zien” bij VTM voor een Nederlandstalig repertoire wil gaan. Helmut vertaalt zelf Love me en zet het als Kom nu op plaat. De derde juli ligt de single in de winkel en schiet pijlsnel naar de eerste plaats. De opvolgers Bij jou alleen en Waarom ik doen het even goed. Beide werden ook door Helmut en Hans van Eijck geschreven. De negentiende juni 1990 trouwt Helmut, ondanks zijn populariteit bij de Vlaamse meisjes, met Kimberly Grosemans. De twintigste juli krijgt hij van Radio 2 in Blankenberge de trofee “Zomerhit” in de categorie beste Nederlandstalig lied voor Bij jou alleen. In de maand oktober van dat jaar is er zijn eerste album “Vlaamse nachten”. De productie is in handen van Hans van Eijck en er wordt opgenomen in Studio Sander Bos en De Nootberg in Huizen en de Bullet Sound Studio in Nederhorst den Berg. In Sint-Niklaas wordt meteen de eerste Lotti Fanclub opgericht. Ook Vlaamse nachten verschijnt op single en wordt een regelrechte nummer één in de Vlaamse Top Tien. Hij ligt het Vlaamse publiek na aan het hart met als zichtbaar resultaat “Het Gouden Oog 1989″ als Vlaanderens populairste zanger en winnaar in de categorie “Hit van het Jaar” tijdens de “Gouden Bertjes 1990″, een organisatie van TV1.

De samenwerking met zijn manager Roland Beirnaert loopt niet gesmeerd. In 1991 komt aan die samenwerking al een einde. Intussen was Helmut manager Piet Roelen tegengekomen, die hem hier en daar wat bijstaat. Geketend door zijn contract aan manager Roland Beirnaert mondt dit uit in een rechtszaak. September 1994 wordt door de Brusselse rechtbank beslist dat Helmut en Roland elkaar een bepaalde som geld moeten betalen, wat uiteindelijk financieel op een nuloperatie uitdraait. Helmut voelt zich intussen al een tijdje een vrij man onder de vaderlijke vleugels van Piet Roelen, die hem met raad en daad zal bijstaan en Helmut adviseert grote kuis te houden en vooral tijdens interviews niet meer zo’n grote bek op te zetten. Helmut neemt namelijk niet graag een blad voor de mond en dat wordt hem door en in de media nogal kwalijk genomen.

Op vraag van regisseur Jan Verheyen neemt Helmut in 1991 voor de film “Boys”, met in de hoofdrollen onder meer Michael Pas en Francesca Vanthielen, What kind of friend op, een vertaling van de Turahit Het kan niet zijn. Inmiddels is de samenwerking met Hans van Eijck afgerond en gaat Helmut in zee met de meer pop geörienteerde Eric Melaerts, die niet alleen als producer werk levert, maar ook als arrangeur. Hijzelf, Bert Candries, Kris Wauters, Walter Mets en Yannick Fonderie zijn de muzikanten van dienst. Songs worden er geleverd door John Terra, Eric Melaerts, Penny Els en Lotti zelf. Er wordt op aanraden van Piet Roelen een duet opgenomen met Bart Kaëll, die ook onder Piets vleugels vliegt: Gek op haar, dat op single tot op een derde plaats geraakt in de Vlaamse Top Tien van de vijfentwintigste juli 1992. Ze is mijn lief doet het iets nadien één plaatsje beter.

Maar al te graag zingt hij Als je praat in je slaap, een vertaling van If you talk in your sleep, van zijn idool The King op de verzamelaar “Elvis Belgisch”.

Piet gaat zich intens met zijn poulain Helmut bezighouden en ziet er goud en zelfs platina in mocht Helmut bestaande Vlaamse klassiekers in een Engelstalig bad onderdompelen. Als aanloop vertaalt Helmut Is er een ander van John Terra en maakt er I should have known van. Als je goed luistert, hoor je dat zijn idool Elvis qua zangstijl nooit ver uit de buurt is. Als logisch vervolg is er het album “Memories” in een productie van Emile Elsen, opgenomen in de Galaxy Studio en de Dureco Studio. Technici van dienst zijn Wilfried Van Baelen en Sytse Gardenier. Intussen is de officiële Lotti Fanclub in Turnhout terechtgekomen. Vertaald worden onder meer de hits Sancta Maria van Bobby Prins, Ik ben verliefd op jou van Paul Severs en Iemand heeft je pijn gedaan van John Terra. Het concept was dus uitgewerkt door Piet Roelen, die zijn gelijk haalde, want “Memories” wordt met platina bekroond nadat het in de maand november van 1993 op de fans was losgelaten.

Goed voor goud wordt in 1995 het album “Just for you”, zijn tweede Engelstalige, eveneens door Emile Elsen geproduceerd. Er wordt in diverse studio’s ingeblikt, zoals Studio Crescendo en Sound Atelier in Bocholt. Why don’t you, I love you too en You and me, dat wij kennen als C’est ma vie van Salvatore Adamo, uit dit album belanden op single. Lotti mag van Piet ook etaleren dat hij in zijn eentje liedjes kan componeren zoals Fly away en I won’t be alone.

Maar Roelen wil meer, hij wil Lotti in de richting van de klassieke muziek sturen. Hij heeft de jaren voordien aardig in de gaten gekregen hoe de drie tenoren (Carreras, Domingo en Pavarotti) het publiek aan zich weten te binden met songs uit het licht klassieke repertoire, hij weet hoe goed Andrea Bocelli scoort én is een trouwe luisteraar van het bij Radio 2 op de zondagavond populaire “Funiculi Funicula”. Lotti liep al een tijdje rond met de idde pophits met groot orkest te zingen, liedjes van The Bee Gees, Tom Jones, Elvis Presley, The Beatles en hemzelf. Wim Bohets schrijft de arrangementen. Met het oog daarop organiseert Piet Roelen in de maand juli van 1994 in het “Casino van Knokke” én in Breda enkele concerten, waarbij Helmut de steun krijgt van een orkest van tweeënveertig muzikanten. Piet wil dat Lotti in Breda als kers op de taart zijn versie zingt van de op dat moment bekende hit Caruso van Lucio Dalla, dat het publiek op dat moment beter kent in de klassieke versie van Luciano Pavarotti. Na de uitvoering van Helmut krijgt hij van het aanwezige publiek een staande ovatie van zomaar liefst vijf minuten. Piet staat achter de coulissen en smeedt iets daarna het gedurfde plan Lotti met groot orkest te laten optreden met een repertoire van klassieke melodieën. Niemand, zelfs Lotti, gelooft hierin. Dit concept wordt de maanden nadien hier en daar uitgetest. Piets besluit staat vast, er komt een album met uitsluitend klassiekers opgenomen met een livepubliek. Er moet meteen sfeer in de lucht hangen. Omdat Piet zo zeker is van zijn stuk, vraagt hij niet eens aan platenfirma BMG hem financieel te steunen. Het is wel zo dat Piet intussen alles in uitgeverij heeft. Bij de verdeling van de rechten tussen componist, auteur, zanger en producer gaat hij met het leeuwenaandeel lopen. Lotti zal optreden met het versterkt Golden Symphonic Orchestra onder leiding van André Walschaerts (directeur van de muziekacademie van Heist-op-den-Berg). Wim Bohets wordt ingehuurd als arrangeur en vriend Peter Koelewijn als producer.

De vijftiende september 1995 hebben de opnamen plaats van “Helmut Lotti Goes Classic” in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. Vooraf werd er veel promotie gevoerd, onder meer via Radio Donna en het Radio 2-programma “Funiculi Funicula”. Piet krijgt de zaal vier keer na elkaar uitverkocht. De reden waarom er live wordt ingeblikt verklaart Piet als volgt: “Ik was bang van de studio. Technisch is alles er natuurlijk perfect, maar je verliest toch veel aan emotie. Hier nemen we vier opeenvolgende concerten op en kiezen we voor de beste fragmenten. Wat vreemd genoeg altijd de derde avond is!” Omdat beeld even belangrijk is, worden de concerten ook op video opgenomen. Het orkest bestaat uit tachtig muzikanten. Qua repertoire wordt er gekozen voor bekende songs en/of bewerkingen van klassieke melodieën. Een selectie daaruit: Santa Lucia, Funiculi Funicula, Ciribiribin, Caruso, O sole mio, La donna è mobile en Granada. Voor diverse liedjes schrijft Helmut een nieuwe tekst.

Wat niemand verwachtte, gebeurde. “Goes Classic 1″ wordt een bestseller. Op de teller staat na een tijdje het megagetal van 550.000 verkochte exemplaren. Gigantisch als je weet dat Michael Jackson jaren na elkaar met “Thriller” aan de top stond qua verkoop met een totaal van 360.000 exemplaren. In de slipstream van dat succes plant Helmut meteen een rist concerten: de dertiende december in de Stadsschouwburg van Antwerpen, de zes- en zevenentwintigste december in het Cultureel Centrum van Hasselt, de achtentwintigste december in het I.C.C. in Gent, de negenentwintigste december in de Stadsschouwburg van Antwerpen en de dertigste december in het Casino van Oostende.

Wallonië volgt wat de cd-verkoop betreft niet meteen, maar wel de Nederlanders. De tiende maart 1996 treedt hij daar live op in het Chassé Theater in Breda.

Omdat Piet door zijn jarenlange ervaring het klappen van de zweep kent, voelt hij aan de gigantische respons op het album en de concerten aan dat er meteen een vervolg gebreid moet worden. Opnieuw wordt de Koningin Elisabethzaal geboekt, deze keer van de negentiende tot en met de tweeëntwintigste september 1996. Piet weet ook dat je een gouden formule niet hoeft te veranderen. Ook deze keer is The Golden Symphonic Orchestra op de afspraak onder aanvoering van André Walschaerts en wordt Peter Koelewijn als producer ingehuurd. Ook al merk je dit niet meteen bij een eerste beluistering, qua repertoire zit dit album homogener in elkaar. Jaren later zal Helmut in een interview beamen dat hij dit zijn beste album in die reeks vindt. Op “Helmut Lotti Goes Classic 2″ staan evergreens zoals Amapola, Parlami d’amore Mariù, Valencia, Toreador, de Triomfmars uit Aïda, het bekende Duet uit De Parelvissers… Ook deze keer mag Helmut zich uitleven in de Engelse teksten; Piet staat Helmut zelfs toe zelf een liedje te schrijven dat perfect binnen het concept past: I don’t know why. Het succes van dat eerste album herhalen is haast onmogelijk, dat weten Helmut en Piet als geen ander. Toch gaan er van dit album 250.000 exemplaren de deur uit, alleen in voorverkoop al zo’n 200.000. Uiteraard wordt er ook een concerttournee op het getouw gezet, die de dertigste oktober 1996 in Haarlem van start gaat en de negende augustus 1997 in Oostende wordt afgerond.

Op kousenvoeten komt op zekere dag de manager van de Zuid-Afrikaanse platenmaatschappij Transistor Music bij Piet aankloppen met de vraag of de “Goes Classic 1″ niet in hun thuisland kan worden uitgebracht. Zo gevraagd, zo gedaan. Enkele maanden later mag Helmut ook daar zijn eerste gouden exemplaar in ontvangst nemen. Inmiddels hangt er thuis van de “Goes Classic 1″ een super exemplaar tegen de muur, goed voor twaalf keer platina oftewel méér dan zeshonderdduizend verkochte exemplaren. De gouden versies belandden al in een uithoek om plaats te ruimen voor het platina werk.

In de pers laat Helmut duidelijk horen dat hij niet de pretentie heeft een operazanger te zijn, laat staan iemand die met veel verve opera-aria’s brengt. Hij bewerkt ze juist om een zo breed mogelijk publiek van deze onsterfelijke melodieën te laten genieten. Daarom dat hij er ook vaak een tekst bij verzint die niet eens in de buurt van de originele komt, hij schrijft een tekst zoals hij voelt dat die bij de sfeer van het liedje past. Vanuit professionele hoek wordt gewaarschuwd dat Helmut wel voorzichtiger met zijn zangstem moet omspringen, dat hij niet gewoon is in dit register te zingen. En hoog uithalen doet Helmut voortdurend, zeker op zijn eerste twee klassieke albums. Een bezoekje aan een professionele arts zal hem leren vaker een toontje lager te zingen, zijn stem zal hem er eeuwig dankbaar voor zijn. De critici zal hij de mond blijven snoeren door voorop te stellen dat hij een popzanger is, niet meer of niet minder, en dat hij geen enkele ambitie heeft om hun heilige huisjes, lees operazalen, onveilig te maken.

Stilaan gaat ook Wallonië overstag en zien wij Helmut opduiken op foto’s naast Maurane, die haar klassieke voorkeur al liet horen in haar chanson Sur un prélude de Bach. Alleen krijgt zij iets te veel eer toegewezen door er niet bij te vertellen dat die oorspronkelijk geschreven werd door Riccardo Cocciante als Preludio di Bach. Intussen werd in Nederland de eerste “Goes Classic” ook al met platina bekroond.

Wanneer in april 1997 in Monaco de “World Music Awards” worden uitgereikt, staat Helmut op het erepodium samen met Céline Dion. Hij ontvangt daar de award “Best Selling Benelux Artist Worldwide”. De zeventiende mei kunnen wij dit van op de eerste rij meemaken dankzij een sfeerverslag dat VT4 die dag uitzendt.

28 oktober 1997: Lotti wordt die dag niet alleen achtentwintig, het is ook tijd om “Helmut Lotti Goes Classic 3″ in de markt te zetten. Deze keer wordt er opgenomen met het Kasteel Cleydael in Aartselaar als decor. Die opnamen vinden plaats van de zevende tot de tiende augustus. De beelden worden met graagte en gretigheid ingeblikt en later met evenveel graagte en gretigheid door de VRT en RTL uitgezonden. Helmut kan zich lekker uitleven in een rist klassiekers die hem na aan het hart liggen: La Paloma, Comme facette mammeta, Amazing Grace, Muss I denn, Stenka Rasin… Ook deze keer schrijft hij een pak teksten bij bekende songs én voegt er eentje eigenhandig aan toe: My love will never die. Er worden ook twee gasten uitgenodigd: zangeres Alice Libell en pianovirtuoos Jan Vayne. Ook deze keer is producer Peter Koelewijn van de partij, dirigeert André Walschaerts en verzorgt Wim Bohets de arrangementen. In voorverkoop gaan er al tweehonderdduizend stuks de perserijen uit, goed voor vier keer platina. In november zijn er al driehonderdduizend de deur uit en mag Helmut zes platina exemplaren aan zijn collectie toevoegen. In de pers lezen wij rond eindejaar dat zijn “Goes Classic 3″ het bestverkochte album van 1997 is geworden.

Helmut wordt geen rust gegund, want diezelfde maand augustus 1997 trekt hij naar Canada om daar het eerste goud voor zijn “Goes Classic 1″ (enkele maanden later wordt dat al een platina exemplaar) in ontvangst te nemen en met veel bijval op te treden in Montreal en Quebec. In Noord-Amerika wordt via PBS op tachtig kanalen zijn “TV Special” uitgezonden (bij ons vertoond als “Goes Classic 2″). De achttiende november mag hij, na een optreden tijdens “Der Goldene Löwe”, in het Gürzenich Theater in Keulen zijn eerste concert op Duitse bodem lanceren. Er zullen er de jaren erna ontelbare volgen, alle telkens tot de laatste stoel uitverkocht. Duitsland wordt zelfs op een bepaald moment Helmuts tweede vaderland. In november van dat jaar wordt Helmut goodwill ambassadeur voor UNICEF. De dertigste november zendt Eén zijn “Goes Classic 3″ uit. De Nederlandse televisie programmeert dat concert op de vijfde en achttiende december.

Als kers op de taart mag Helmut glunderend genieten van de show “Christmas in Vienna”, die de vijfentwintigste december wordt uitgezonden. Wij zien Helmut zingend naast wereldsterren als Placido Domingo, Riccardo Cocciante en Sarah Brightman. Dit geeft zijn carrière wereldwijd een extra boost. Begin januari lezen wij in de pers dat Helmut, na overleg met zijn echtgenote Kimberly Grosemans, besloten heeft in alle stilte uit elkaar te gaan. De jaren die volgen zullen voor Kimberly niet over rozen gaan, zij zal vaak negatief in de pers opduiken. Voor hun dochter Messalina evenmin. In een artikel dat in 2012 in de pers opduikt, geeft Helmut toe dat hij vooral een afwezige vader voor haar is geweest. Hij was voortdurend op tournee en het juridische getouwtrek na hun scheiding heeft hun contact erg vertroebeld. Toen hij in 2012, Messalina is dan al 21, het liedje Voed me op schreef, kon hij wat van zijn negatieve gevoelens kwijt en groeiden zij weer naar elkaar toe. “Land na land veroverd, maar nooit mijn eigen bloed. Veel te druk voor touwtjespringen of sprookjes voor het slapengaan. Ik schoot tekort met ongepaste spoed, van het eerste lief tot de laatste klas is me allemaal ontgaan! Ik werd nooit papa, wij werden nooit wij!”

Iets blijer van toon die maand januari 1998 is het bericht dat Helmut een “Zamu Award ’97″ krijgt overhandigd. Hij ontvangt ook nog maar eens een “Gouden Oog” van VTM als beste zanger. In de maand juli van dat jaar trekt hij naar Montreal, waar hem het ereteken van de stad wordt opgespeld en hij platina exemplaren ontvangt voor zijn “Classic-cd’s” en een platina video voor meer dan vijftienduizend verkochte exemplaren van zijn video’s.

Piet smeedt ondertussen snode plannen, muzikale dat wel, en besluit om de twaalfde, dertiende en veertiende augustus in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen de classicreeks af te ronden met “The Final Edition”. Ook deze keer zijn The Golden Symphonic Orchestra, Wim Bohets, Peter Koelewijn en André Walschaerts op post. Lisa del Bo mag hem flankeren tijdens Love is life, een bewerking van de Canon van Pachelbel. Voorts eigen interpretaties van Greensleeves, Pourquoi me réveiller, Plaisir d’amour, het Menuet van Boccherini, Danny boy en het Adagio uit het Klarinetconcerto van Mozart. Ook Piet Roelen zet zich aan het componeren en schrijft samen met Helmut How I wish. Helmut in zijn dooie eentje You’ll be my love. Een belangrijke stap in de verdere uitbouw van de carrière wordt zijn overstap van BMG naar platenfirma Polydor/Universal. BMG vangt achter het net omdat ze daar niet in de internationale carrière van Lotti geloven, zij aarzelen. EMI gaat in Duitsland met de eer lopen. Piet sluit de deal af in naam van zijn bedrijf Piet Roelen Productions. Die deal met Polydor moet wat opleveren, want het Amerika-avontuur alleen al heeft zo’n miljoen dollar gekost. Het zit Piet dan ook wat hoog dat op het moment van die overstap en de release van “The Final Edition” BMG België op de markt komt met de verzamelaar “Helmut Lotti Romantic 20 Unforgettable Ballads”, een verzameling van twintig in het Engels gezongen songs die Lotti eerder voor hen had opgenomen. Binnen de kortste keren bereikt deze cd de platina status. Een jaar later verschijnt het vervolg “Romantic 2 More Unforgettable Ballads” op de markt. Deze zet is begrijpelijk, want door de niet-verlenging van hun contract weet BMG dat zij door dat vroegtijdig ophouden van het Lottiverhaal miljoenen verliezen.

“The Final Edition” wordt door VTM op tv geëtaleerd: een eerste keer de eenentwintigste november 1998 tijdens “The Making Of” en de achtentwintigste november het concert zelf. Van het album zelf gaan er nog voor het einde van het jaar tweehonderdduizend exemplaren over de toonbank. Omdat het blijkbaar niet op kan, blikte Helmut intussen ook nog eens het “A Classical Christmas with Helmut Lotti” in, eveneens in de Romboutskathedraal in Mechelen. Alle bekende en gekende kerstklassiekers passeren hier de revue. Samen met kindsterretje Michael Junior zingt hij Panis angelicus. Speciaal voor deze cd schrijft Helmut It’s Christmas. De elfde december zendt VTM dit kerstconcert uit. Waar hij de nodige adem vandaan haalt, blijft voor ons een raadsel, want de twaalfde, dertiende, zestiende, zeventiende, achttiende en negentiende december is “Helmut in Concert” te zien in Vorst Nationaal. Omdat hij er zijn hand niet voor omdraait, maar er blijkbaar toch enorm van onder de indruk is, wanneer hij op levensgrote billboards zijn foto ziet afgedrukt, treedt Helmut de zestiende januari 1999 met veel bravoure op in de legendarische Avery Fisher Hall op Broadway in New York. Deze zaal maakt deel uit van het Lincoln Center For The Performing Arts, vaste thuisbasis van The New York Philharmonic, goed voor 2738 zitjes. In Amerika maakt Piet gebruik van de connecties die Paul Ambach van organisatiebureau Make It Happen daar door de jaren heen heeft opgebouwd. Ambach koppelt aan dat optreden in New York ook een concert in Boston. Beide geraken tot verbazing van heel wat critici uitverkocht. De Amerikaanse pers reageert door de bank gematigd. Toch vallen een aantal artikels op, onder meer in The Boston Globe : “Lotti Classic Repertory with a Chippendale’s Act”. Amerikanen vergelijken Lotti in dezen met sterren als Tom Jones en Liberace. Marketing doet in dezen méér dan zijn werk. In het totaal zal Helmut drie weken Canada en de USA toeren, in de USA alleen al goed voor negen concerten, waarvan acht volledig uitverkocht.

Helmuts concertagenda staat bol van de optredens. Tussen eind 1998 en het voorjaar van 1999 geeft hij negen concerten in België, veertien in Nederland, twee in Canada, twee in de USA, acht in Zuid-Afrika, acht in Duitsland, één in Zwitserland en één in Denemarken. Vooral Zuid-Afrika ligt Helmut bij dit alles na aan het hart. Zijn “Classics” zijn daar elk goed voor telkens tweehonderdduizend exemplaren. Vooral zijn optredens in Midrand in de buurt van Pretoria zal hij nooit vergeten. Kers op de taart is zijn optreden de elfde juni 1999 in de “Olympia” in Parijs. Ook hier wordt de steun van Make It Happen ingeroepen. Zij krijgen een halfjaar de tijd om het concert in de markt te zetten en aan te prijzen. Niet makkelijk, want Lotti heeft bij onze zuiderburen op dat moment nog geen enkele cd aangeboden. Daar wordt aan tegemoetgekomen door de negende maart “Goes Classic 3″ uit te brengen onder de titel “Helmut Lotti chante les Classiques”. Drie maanden later zijn er negentigduizend exemplaren van verkocht. Helmut is vervolgens te gast in de populaire tv-shows van Patrick Sébastien over Michel Drucker tot en met Jean-Pierre Foucault en Pascal Sevran. Eindresultaat: de Olympia geraakt tot de nok gevuld.

De zevenentwintigste juni van dat jaar, de pret kan blijkbaar niet op, staat Helmut te zingen in het Olympisch Stadion in München naar aanleiding van een benefietconcert, op het getouw gezet door niemand minder dan Michael Jackson ten voordele van het Nelson Mandela Kinderfonds en het Rode Kruis. Op de affiche staan onder meer ook Boyzone, All Saints, Luciano Pavarotti, Zucchero en Andrea Bocelli. Een optelsom op het einde van dat jaar leert hem en zijn management dat hij vier miljoen cd’s heeft versast. In ons land alleen al goed voor vierendertig platina en drie gouden platen.

In 1999 zet Helmut weer het record neer van bestverkochte album in ons land met zijn cd “Out of Africa”, in voorbestelling alleen goed voor meer dan honderdduizend exemplaren en meteen drie keer platina. De titel spreekt boekdelen: Afrikaanse klassiekers zoals Malaika, Shosholoza, Sarie Marais, Tula Tula en Pata Pata. Er is ook een cover van de bekende hit The lion sleeps tonight van The Tokens. Ook nu weer zijn Peter Koelewijn, The Golden Symphonic Orchestra en André Walschaerts te gast. Opgenomen wordt er in de Galaxy Studio in Mol en de Wisseloord Studio in Hilversum. Van eigen makelij zijn de liedjes Out of Africa, Minapendawe, dat Helmut samen met Will Tura schrijft, en African sunrise van de hand van Peter Koelewijn. Gezweet wordt er tijdens de opnamen van “Out of Africa” in Zuid-Afrika zelf. Deze keer is de show voor de eerste keer te zien op La Une, begin december. Wie het live wil meemaken, kan de zeventiende, achttiende en negentiende december 1999 terecht in Vorst Nationaal.

Samen met Toots Thielemans, Koen Wauters en Ingeborg zingt Lotti in het kader van de VTM-actie Levenslijn 2000 het lied Wondere reis, een cover van Wonderful life van Black in een productie van Eric Melaerts, dat negen weken op één blijft staan in de Vlaamse Top Tien, goed voor goud. Het album “Out of Africa” wordt enkele dagen later tijdens de “Zamu Awards” uitgeroepen tot het bestverkochte album van het voorbije jaar. En het blijft onderscheidingen regenen. Uit handen van justitieminister Marc Verwilghen en Europees commissievoorzitter Romano Prodi krijgt Helmut een platina award voor de verkoop van enkele miljoenen albums, een initiatief van IFPI (International Federation of the Phonographic Industry).

Met veel toeters en bellen wordt begin maart 2000 het boek “Helmut Lotti, het Succesverhaal” van muziekjournalist Thierry Coljon door uitgeverij Houtekiet aan de pers voorgesteld.

Privé heeft Helmut na zijn scheiding steun gevonden bij zijn nieuwe geliefde Carol Poe, een meisje uit Luik dat in Knokke woont. Angstvallig houdt hij haar voor de pers verborgen. Zijn voormalige platenfirma BMG wil nog een graantje van zijn succes meepikken en brengt begin 2000 de verzamelaar “Vlaamse Hits” op de markt met zijn vroegere hits zoals Bij jou alleen, Het meisje van de buren, Trein naar Oostende en Kom nu.

Ondanks een overvolle concertagenda blijft Helmut gul naar zijn fans toe en laat hen zeker niet op hun honger zitten. In 2000 is er het album “Latino Classics”. Er kan lustig worden meegezongen met zuiderse evergreens zoals Guantanamera, La Cucaracha, Cuando calienta el sol, La Bamba en Besame mucho. Van de hand van Paul Anka is er de hit Eso beso. Wij hoeven het team niet meer op te sommen, want alle getrouwen zijn ook deze keer van de partij. Never change a winning team geldt meer dan ooit. Het begint wat saai te lijken, want ook deze keer gaan er gemakkelijk tienduizenden cd’s in voorverkoop over de toonbank, nog voor de release al goed voor platina, acht weken aan de top van de Album Ultratop Vijftig. Toch zal Helmut achteraf toegeven dat hij vond dat er niet uit kwam wat erin zat. Productioneel vindt hij deze albums namelijk zowat het beste wat hij ooit heeft ingeblikt. In oktober is er de bijbehorende video en de achttiende november zendt VTM de reportage uit “The Making of Helmut Lotti Latino Classics”. Een week later wordt het hele album uitgezonden, voorzien van beelden die eerder in Mexico werden opgenomen. Vanaf de zesentwintigste december gaan zijn latinoconcerten in Vorst Nationaal van start, waarna het Forum in Luik, de Limburghal in Genk en de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen de revue passeren. Ook Nederland mag meegenieten van deze wervelende show, waarin ook Michael Junior als special guest optreedt.

De zestiende februari 2001 treedt Helmut in Oosterzele in het huwelijk met Carol Jane Poe. Carol heeft een Belgische moeder en een Amerikaanse vader. Zij ontmoette Lotti eerder toen zij haar vader, een opticien in Knokke, hielp bij het fotograferen van een wieleraankomst waar ook Helmut aanwezig was. Een jaar later ontmoeten zij elkaar opnieuw. Het klikt niet meteen, maar na een trip naar Parijs die eindigt aan het Gardameer, wordt vriendschap gesmeed. Via een zelfgeschreven liedje zal hij haar nadien vanuit Duitsland telefonisch ten huwelijk vragen. Het wettelijk huwelijk heeft op het gemeentehuis in Merelbeke plaats, waarna in de kerk in Landskouter, een gehucht van Oosterzele, het kerkelijk huwelijk wordt ingezegend. Aan de kerk merken wij zelfs Nederlandse en Duitse cameraploegen op, al staan er buiten amper vierhonderd kijklustigen opgesteld. Veel zullen wij de jaren nadien over hun relatie noch horen noch lezen. Al snel blijkt dat zij elk hun eigen leven gaan leiden. Carol begint met de financiële steun van Helmut met haar eigen duikschool Bubble & Dive annex winkel in Gentbrugge. Door zijn overdrukke agenda is Helmut amper thuis en moet zich steeds aanpassen wanneer hij nog eens in zijn eigen bed kan slapen. Het valt hem almaar vaker op dat hij en Carol niet dezelfde passie delen. Hij houdt niet eens van duiken. Ook hun karakters blijken uiteindelijk té ver uit elkaar te liggen. De negenentwintigste maart 2005 laat Piet Roelen via Belga weten dat Carol en Helmut een punt achter hun relatie zetten. “Beide partijen namen deze beslissing in alle vriendschap en willen die nu in serene stilte verwerken”, zo staat er te lezen. Gelukkig voor Helmut heeft hij veel uit zijn eerste scheiding geleerd, zodat zijn tweede scheiding hem contractueel minder problemen oplevert.

Dit even om dat verhaal in een paar alinea’s af te ronden en weer over te stappen naar Lotti’s carrière. Hij ligt in Duitsland erg goed in de markt en mag “Die Goldene Stimmgabel” in ontvangst nemen als beste vertolker van klassieke muziek en een “Amadeus Austrian Music Award”, in Oostenrijk de hoogst bereikbare prijs in de populaire muziek. In september 2001 ligt als verlengstuk van zijn vorige album “Helmut Lotti Latino Love Songs” in de winkel. Ook deze keer is Helmut apetrots over de productie, niet zo’n hoge score als hij met zijn classics gewoon was, maar tweehonderdduizend verkochte exemplaren is uiteraard nog altijd een resultaat om mee te pronken. Gekozen wordt er qua repertoire voor romantische songs als Cucurrucucu Paloma, Ave Maria no Morro, Amor, Quiereme mucho en Quizas quizas quizas. Een uitschieter en erg goed gezongen is en blijft Puerto Mont. De Galaxy Studio’s zijn ook deze keer de perfecte plek om in te blikken. De special “The Making Of” die VTM de eenentwintigste oktober 2001 uitzendt, laat een Lotti zien die met volle teugen geniet van zijn succes en van de liedjes die zijn stem erg goed liggen. De achtentwintigste oktober wordt het concert in de Limburghal in Genk ingeblikt en vermengd met beelden in Mexico opgenomen, die resulteren in de special “Helmut Lotti Latino Love Songs”. Wat opvalt is dat dit album in Oostenrijk gul onthaald wordt, goed voor de gouden status. Ook de gouden status voor dit album in Nederland, België, Zwitserland en Scandinavië. Een jaar later ontvangt Helmut “Die Goldene Feder” in de categorie “Unterhaltung”, een mediaprijs toegekend door een aantal hoofdredacteuren. Lotti mag voor de aanwezigen in zijn beste Duits speechen. Onder de aanwezigen niemand minder dan voormalig bondskanselier Helmut Kohl.

Het kon niet uitblijven of in deze reeks cover-cd’s moest en zou er eentje bij zitten van zijn idool Elvis Presley. Waarom geen album aan hem ophangen en voor de opnamen van de special ervan naar de woonplaats van The King trekken, daar waar het allemaal gebeurde: in Memphis, Nashville, Las Vegas en zijn geboorteplek Tupelo. Er wordt zelfs één nummer ingeblikt in de legendarische Sun Studio in Memphis, daar waar het Elvisverhaal in de jaren vijftig begon. Lotti wordt er begeleid door drummer D.J. Fontana en gitarist Scotty Moore. Dat levert schitterende en unieke beelden op voor de special “My Tribute To The King – The Documentary”. Die wordt de zestiende augustus om twintig over negen uitgezonden op VTM en om acht uur op Club RTL. Het album zelf wordt in de Galaxy Studio in Mol ingeblikt. Producer Peter Koelewijn is deze keer nergens te bespeuren. Zijn plaats wordt ingenomen door Wilfried Van Baelen en Helmut Lotti zelf. Toch zal Helmut in een later interview vertellen dat hij niet volledig akkoord ging met de liedjes die op het album zouden verschijnen. De keuze van Piet Roelen kreeg iets te veel de bovenhand. Piet hield eraan dat er vooral gegaan werd voor de Presleyklassiekers en die staan er dan ook op: Suspicious minds, Crying in the chapel, Are you lonesome tonight, Such a night, Heartbreak Hotel, Kiss me quick… Helmut kan het niet laten ook zelf iets te schrijven en dat wordt Thank you en If you were mine. Hij tekent voor zowel de tekst als de muziek. In de persmap lezen we: “Dit album is zoals het schilderij van René Magritte ‘Ceci n’est pas une pipe’. ‘My Tribute To The King’ is niet Elvis Presley.” Het album wordt de vijfde augustus 2003 voorgesteld in “Château du Lac” in Genval en tweetalig voorgesteld door Mark Uytterhoeven. Op de achterflap schotelt Helmut ons zijn concertagenda voor: de vijftiende augustus treedt hij in de Capitole in Gent op en iets later in het “Casino van Oostende”. Wij zullen hem pas terug op Belgische bodem zien de vierde januari 2003 in de “Limburghal” in Genk en de twaalfde januari in het “Forum” in Luik. Tussendoor spendeert hij het leeuwenaandeel van zijn tijd in Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland. Februari 2003 is weggelegd voor concerten in Denemarken en Finland. Hij verneemt tijdens de concerten door dat “My Tribute To The King” in België en Nederland met platina werd bekroond en in Duitsland en Zwitserland met goud. Hij komt tegemoet aan zijn weddenschap dat wanneer van dit album meer dan één miljoen exemplaren worden verkocht, hij zijn Saab Cabrio roze laat spuiten. In Duitsland ontvangt Helmut uit handen van kroonprins Filip de “Goldene Kamera”, een felbegeerde award als beste “classic-popzanger”. Ondanks de drukte dat jaar maakt Lotti graag tijd vrij om deel te nemen aan de eerste editie van “De Slimste Mens” op Eén, gepresenteerd door Bruno Wyndaele. . Hij mag zetelen naast Tom Lenaerts, Jo de Poorter, Siegfried Bracke, Bart De Pauw, Ben Crabbé en Alain Grootaers. Helmut houdt twee ronden stand. Erik Van Looy weet als gangmaker Helmut te strikken voor de editie van 2007, het jaar dat Helmut het vijf ronden volhoudt en tijdens zijn zesde ronde struikelt in de finale tegen de uiteindelijke winnaar Annelies Rutten. Wanneer in 2010 de speciale editie “De Allerslimste Mens ter Wereld” plaatsheeft (elke kandidaat moet minimaal voor de tweede keer deelnemen) strandt Lotti na zijn eerste ronde.

We mogen in dit overzicht  de prestaties van Helmut in de Top Dertig niet uit het oog verliezen. Een kort overzicht leert ons dat hij, om er een paar te noemen, de dertiende januari 2007 op twee staat met The most expensive girl, de negende november 1996 op drie met Tiritomba, de elfde januari 1992 op drie met What kind of friend, de vierde oktober 2008 op vier met Time to swing, de negenentwintigste juni 2002 op zes met Suspicious minds, op zeven de vijfentwintigste december 1993 met I should have known, op tien de drieëntwintigste augustus 2003 met Mandy enz. ( voor een volledig overzicht, zie de website van Radio 2).

Intussen worden er al druk voorbereidingen getroffen voor het volgende project. Piet Roelen bedenkt de titel “Pop Classics in Symphony”. De klassiekers in dit genre liggen gemakkelijk voor het rapen: Bohemian Rhapsody, A whiter shade of pale, Nights in white satin, Eloise, Sailing… Piet wil graag een internationale act aan Helmut te koppelen en dat wordt Sir Cliff Richard. Een poging om ook Engeland aan hun lijstje te kunnen toevoegen? Samen met Sir Cliff zingt Helmut Danny boy. Vertederend is het duet Sailing, dat Helmut zingt met de negenjarige Laura Seys. Deze keer doet de Grote Markt in Brussel dienst als decor. De tweeëntwintigste september wordt “Pop Classics in Symphony” aan de pers voorgesteld. Terug van weggeweest is producer Peter Koelewijn. Voor Helmut is daarmee de cirkel rond. Hij is aanbelandt bij zijn oorspronkelijke idee, popsongs zingen met een groot symfonisch orkest. Piet heeft dat blijkbaar goed onthouden en richt er de volle spots op. Qua concerten is de eerste helft van januari 2004 Vlaanderen aan de beurt met onder meer het “Sportpaleis” in Antwerpen en het “Koninklijk Circus” in Brussel. Tot aan de zomer treedt hij op in Zweden, Nederland, Oostenrijk, Finland en Canada. Regelmatig duikt in het voorprogramma zanger Freddie Birset op die het publiek met zijn vertolking van Franse klassiekers weet te begeesteren.

Apetrots is Lotti wanneer hij de dertiende september 2004 zijn nieuwe cd “From Russia with Love” in de Russische ambassade in Berlijn voorstelt. De Russische ambassade in België gaat als één man achter deze release staan. Er wordt opgenomen in de Fendal Sound Studio in het gezelschap van producer Peter Koelewijn. Wim Bohets tekent zoals steeds voor de arrangementen. Lotti schrijft eigenhandig de openingstrack “From Russia with Love”. In de persmap lezen wij: “Mineurakkoorden als de galop van een horde Kozakken, spoorslags over de steppen. Priegelende balalaika’s, geplukt uit de rijkversierde salons van de grootstedelijke paleizen. De zware nagalm van pure melancholie die uitdeint over de Siberische dorpen. Muziek uit een verloren gewaande tijd, gebundeld en bewerkt door Helmut Lotti.” Hij zegt over dit album zelf: “Wie naar deze cd luistert ontmoet mijn ware ik. Ik heb het gevoel dat die Russische traditionals uit mezelf komen. Dat ik misschien zelfs, diep geworteld, eigenaar ben van een Slavische ziel.” Hij zingt zich die Slavische ziel uit het lijf in nummers zoals Lara’s Theme, Otschi tschornije, Kalinka en Two guitars. Om het geheel een extra touch te geven, wordt hij vocaal begeleid door The Black Sea Cossacks Choir onder leiding van Peter Orloff. Tijdens de maand juli die aan de release voorafgaat, wordt er in Rusland de bijbehorende roadmovie ingeblikt, een megaproductie waaraan honderden figuranten deelnemen. Samen met muziekvirtuoos Andrej Kotov trekt hij door Rusland op het ritme van de Trans Siberian Express. Die reis levert onvergetelijke beelden op. Er wordt zelfs speciaal voor deze documentaire een echt Russisch dorpsfeest in scène gezet.

Uit handen van koning Albert II ontvangt Helmut eind 2004 de onderscheiding Grootofficier in de Leopoldsorde.

Helmut wil het onderste uit de kan halen wat zijn Russische avontuur betreft en spreekt met Piet af dat zij in 2005 geen nieuw album uitbrengen. Hij wil zich een jaarlang op het podium uitleven, zijn taak als goodwill ambassadeur van UNICEF ter harte nemen en werken aan het nieuwe cd-project dat stilaan de juiste vormen aanneemt. Hij snijdt 2006 aan met het liedje Love belongs to everyone, dat hij speciaal geschreven heeft voor de film “Dennis van Rita” van de Vlaamse regisseuse en actrice Hilde Van Mieghem. Piet Roelen maakt bekend dat Helmut intussen in alle stilte een punt heeft gezet achter zijn tweede huwelijk. Om de fans niet op hun honger te laten zitten, wordt er besloten een compilatie uit te brengen van zijn voorbije cd’s op het album “My Favorite Classics” met onder meer Santa Lucia, Auld Lang Syne, Greensleeves en als aanloop naar zijn nieuwste album de evergreens Moon River en How could I ever forget you. Bij dit album schrijft Helmut in het cd-boekje: “Eind september van dit jaar is het dan zover. Dan mag ik u het resultaat van de vele maanden schrijven, voorstellen. En het wordt nog méér, een dubbel-cd zelfs. Eén met eigen werk, een tweede vol met de beroemdste crooners die ik een persoonlijke interpretatie heb gegeven. En natuurlijk wordt het album opnieuw de aanzet van een reeks concerten.” Lotti houdt woord, want de dertiende september wordt zijn dubbelalbum “The American Way” en “My Way” aan de pers voorgesteld onder de gemeenschappelijke titel “The Crooners”, opgenomen in De Synsound Studio’s in Brussel. Helmut houdt de productie zelf in handen, daarin bijgestaan door Dan Lacksman. Voor “My Way” schrijft Helmut twaalf liedjes, waarvan het duet There’s a sparkle in your eyes, dat hij samen met de Nieuw-Zeelandse sopraan Hayley Westenra zingt, een pareltje is. Op “The American Way” zingt hij samen met Isabelle A True love en voor de rest topsellers zoals Hello Dolly, Caterina, Mona Lisa, Blue moon en That’s amore. Uiteraard wordt er ook een dvd ingeblikt, waarvoor zij deze keer richting Hamburg trekken om daar een plaatselijke pub helemaal om te bouwen tot een typische Amerikaanse bar met een maffiatintje die als decor dient voor zijn “My Way”-album. Voor “The American Way” wordt er voor enkele liedjes zelfs als decor naar het Italiaanse Toscane getrokken. Al dat werk loont, want “The Crooners” is in ons land alleen al goed voor dubbel platina. De special wordt de zeventiende december op VTM uitgezonden.

De eerste oktober 2006 had Helmut ook van zich laten horen tijdens de “0110-concerten”, georganiseerd in het kader van een actie voor meer verdraagzaamheid en tegen racisme, extremisme en zinloos geweld, op het getouw gezet door Arno, Tom Barman en Sioen. Die concerten hadden op vier locaties plaats: Antwerpen, Brussel, Gent en Charleroi. Helmut schrijft speciaal voor deze gelegenheid in het Gents dialect Oaster iets scheelt en zingt het samen met Frederik Sioen en Roland Van Campenhout.

Omdat Helmut een graag geziene gast is, ook in politieke milieus, wordt hij de vijftiende februari 2007 ontvangen door Guy Verhofstadt, de toenmalige Belgische premier, die hem een award overhandigt voor de massale verkoop van zijn cd’s zowel nationaal als internationaal. De teller staat dan op dertien miljoen exemplaren. Het is de enige award die nadien in zijn huis in Antwerpen een ereplaats zal krijgen. De rest van zijn edelmetaal krijgt een hoekje toegewezen op zolder. Over zijn relatie met Selina wordt niet meer gepraat. Zij heeft hem tijdens een tournee in Zuid-Afrika diets gemaakt dat zij een verdere relatie met Helmut niet meer ziet zitten. Onder meer hun leeftijdsverschil speelt een té grote rol. Geluk in de liefde lijkt voor Helmut voorlopig niet weggelegd. Omdat hij zich graag trakteert op een uitstapje, denk maar aan zijn samenwerking voor de cd “Viva Tura” (2005), waarvoor hij een Lottiversie neerzet van Vergeet Barbara, zingt hij met plezier Daar gaat ze voor het album “Braveau Clouseau” ter gelegenheid van 20 jaar Clouseau. In de maand september van 2007 vernemen wij dat Helmut tot over zijn oren verliefd is op journaliste Jelle Van Riet. Samen met haar telt Helmut het edelmetaal dat hij intussen verzameld heeft: vierentachtig gouden en honderdenvijf platina platen. Zijn allereerste “Goes Classic” is de bestverkochte cd aller tijden met op de teller voor ons land alleen al zevenhonderdachtenzestigduizend exemplaren. Op twee staat zijn “Goes Classic 2″, in het totaal goed voor zeshonderdnegenenzeventigduizend stuks. Toch zullen die platen in zijn huis geen ereplaats krijgen toebedeeld. Helmut legt uit dat hij zich in zijn woning graag als een gewoon mens beweegt en niet als een of andere wereldster.

Tijdens het Koningsfeest dat de vijftiende november 2007 gevierd wordt, zingt Helmut een opgemerkte versie van de Brabançonne, zoals dat een goede Belg betaamt, in de drie landstalen. Meteen nadien verschijnt daarvan een versie op single-cd. Op het einde van dat jaar maakt hij nog maar eens zijn koffers, deze keer voor de start van zijn “Wunschkonzert-Tournee” in Duitsland. Piet Roelen heeft een deal gesloten met hun platenfirma voor Australië, waar zijn albums in een aardig opeenvolgend tempo gereleaset worden (op het einde van 2009 zijn al zijn cd’s daar in een speciaal pakket verkrijgbaar).

Jelle Van Riet heeft inmiddels in de pers geschreven dat zij Helmut had ontmoet tijdens een interview. Maanden later ontmoet zij hem voor een tweede keer. Lotti heeft haar op Radio 1 gehoord in een programma met Friedl’ Lesage waarin Jelle aan het woord kwam naar aanleiding van de boekenprijs “De Gouden Uil Jeugdliteratuurprijs”, waarin Jelle een grote vinger in de pap heeft. Zij stelt zich tijdens dat interview erg kritisch op en dat spreekt Helmut wel aan: die durf, die spirit. Hij belt zijn persattaché met de vraag hem zo snel mogelijk haar gsm-nummer te bezorgen. Van het ene gesprek komt het andere en de rest van het verhaal leest als een sprookje. Jelle heeft speciaal voor Helmut tijdens een van hun eerste ontmoetingen een gedichtenbundel van Hugo Claus bij zich. Helmut trakteert haar op zijn beurt op een etentje. Van dan af bellen ze elkaar vaak, voeren lange gesprekken. Jelle woont een van zijn croonersconcerten bij (iets wat zij een tijdje voordien nog voor onmogelijk had gehouden) en hij trekt op concertreis met een boek van Tom Lanoye in zijn koffer.

Met man en macht wordt er naarstig aan het volgende album “Time to Swing” gewerkt, dat de twaalfde september 2009 aan de pers zal worden voorgesteld. Helmut heeft Piet gesmeekt nog wat liedjes te mogen leveren. Robbie Williams had het hem al voorgedaan, dus waarom zou hij zijn tanden niet zetten in swingende evergreens als Mack the Knife, Fever, Reet Petite, La mer, Danke schön en nog enkele doorbloeiers. Van zijn hand belanden er vier songs op deze cd: Heavenly match on earth, In the arms of a stranger, Around you en Time to swing. Dan Lacksman is opnieuw van de partij en er wordt opgenomen in zijn “Synsound Studio’s” in Brussel. Omdat hij graag duelleert, zingt hij samen met Clare Teal, drie jaar na elkaar verkozen tot beste jazzzangeres in Engeland, L.O.V.E., geschreven door Bert Kaempfert en een hit geweest voor onder meer Nat King Cole en Johnny Mathis. Het album werd in juni al voorafgegaan door de single Time to swing, die hij op de Amerikaanse ambassade in Brussel voorstelt. De single is meteen goed voor dertigduizend exemplaren én platina. Opvallend, want Helmut was al een tijdje geen singleartiest meer. De show “Time to Swing” wordt de achtste en negende augustus in “De Roma” in Antwerpen opgenomen, een historisch decor dat zeer goed aansluit bij de sfeer van het album. VTM zendt de veertiende december de special uit.

Zijn liefde met Jelle Van Riet blijkt elke storm te trotseren. Zij kondigen dolgelukkig én met trots aan dat zij de negende mei 2009 op “‘t Schoon Verdiep” van het stadhuis van Antwerpen in het huwelijk zullen treden. Om twee uur in de namiddag voor enkele intimi en een uur later voor het publiek, opgeluisterd met een groot volksfeest op de Grote Markt van Antwerpen.

Na zo’n twintig jaar Jan met de pet te hebben opgevrolijkt met walsen, bolero’s, evergreens en popklassiekers, besluit Lotti in 2010 dat het welletjes is geweest. Hij heeft twintig jaar de liedjes van anderen gezongen, op een aantal eigenhandig geschreven songs na. Hij besluit “definitief dat pluchen doek dicht te schuiven. Lotti trekt zich een tijdlang terug in alle stilte, in een pseudosauna, zijn thuis, gaat alles een plaats geven en vooral tijd voor zichzelf vrijmaken, de kostbare tijd die hij twee decennia lang aan zijn fans heeft besteed. Hij heeft er wel veel voor teruggekregen, vooral veel geld. Hij kan, mocht hij dat willen, rustig op zijn lauweren gaan rusten, maar daar voelt hij zich nog te jong voor. Dus gaat hij op zoek naar die muziek die hem na aan het hart ligt, of tenminste op zoek naar dat muzikale ei dat hij nog kwijt moet. Hij gaat daarbij doortastend te werk en komt uit bij het blootleggen van zichzelf in een rist liedjes die uiteindelijk op het album “Mijn hart & mijn lijf” belanden.

Op zoek naar een geschikte producer laat Helmut zijn netwerk compleet links liggen en gaat aankloppen bij een man die met plezier voor hem opendoet, al was het maar omdat werken met Helmut Lotti ook voor hem een uitdaging is, Stef Kamil Carlens. Vrij snel besluiten zij de idolen van Helmut in de koelkast te laten en op zoek te gaan naar de warme ziel van Lotti zelf. Hij mag zich laten gaan in liedjes die hij al jaren aan de goegemeente kwijt wil. Als tekstschrijver vindt Helmut een geweldige woordleverancier in de persoon van Bart Vanegeren, die intussen een vriend voor het leven van hem is geworden. Bij hem kan Lotti zijn ziel kwijt en Bart weet precies hoe hij die in degelijke teksten moet gieten. Zij schrijven samen negen nummers. Geert Hellings mag ook een liedje aanreiken en ook Jelle draagt bij aan een tekst. Het twaalfde liedje op het album is een eerbetoon aan Hugo Claus en de liefde.

“Mijn hart & mijn lijf” neemt Helmut op samen met een aantal onderlegde popmuzikanten zoals Nicolas Rombouts van Dez Mona, Bert Huysentruyt van Gorki, Geert Hellings van Stanton, Bjorn Eriksson van Maxon Blewitt en Wim De Busser van The Baboons en Zita Zwoon. Opperhoofd van dienst is dus Stef Camil, alias Zita Swoon himself, die de touwtjes strak in handen houdt, en dat is aan het eindresultaat te horen ook. Wanneer het album klaar is, voelt Helmut het aan alsof het zijn eerste is, al leert een optelsom ons dat het zijn achttiende is geworden. Het album wordt in de markt geprezen als: “Voor deze renaissance greep Helmut Lotti terug naar de essentie: zichzelf. Uit zijn twijfels en angsten, luim en lichtheid, hart en lijf puurde hij twaalf Nederlandstalige liedjes die samen een even ruw als eerlijk beeld schetsen van wie hij is: een lichtvoetige jongen met een donkere ziel. ‘Mijn hart & mijn lijf’ is een sprong in het diepe. Een sprong die Helmut Lotti moest wagen!”

Niet vergeten dat het album “Mijn hart en mijn lijf” nog in volledige samenspraak met Piet Roelen op het getouw werd gezet. Helmut is een livebeest en besluit met zijn nieuwe liedjes op tournee te gaan. Hij wil in een vijftal grote zalen optreden, maar Piet ziet het liever gespreid over Vlaanderen in een rist culturele centra, dertig in het totaal. Die concertreeks gaat de achtste maart 2013 van start in de Antwerpse Roma en eindigt de achtste juni in de Brusselse AB. Niet alleen het publiek, zijn fans, maar ook de media staan te popelen. In de Humo van dinsdag de achtste maart vertelt Helmut aan Diego Franssens: “Mijn voornaamste ambitie was ouder worden dan Elvis. Het is zover. Vanaf nu is ‘t alleen nog drugs, seks en rock-’n-roll. Toen ik dertig werd, maakte ik voor de eerste keer de balans in mijn leven op. Ik zou niet elk jaar meer een album uitbrengen, maar om de twee jaar. Dus niet langer elk jaar een tournee om die cd te promoten. Het werd een stuk gezelliger, maar ik voelde dat ik mezelf aan het herhalen was: deel twee van mijn toenmalige show was een soort ‘best of’ geworden en bleef zo een hele tijd, onveranderd. Er was wel een soort vrijheid, maar ik moest toch altijd binnen een opgelegd kader blijven en daar wou ik stilaan uit breken.” Heel lang heeft Helmut daarover zijn mond gehouden, ook naar zijn manager Piet Roelen toe. Na zijn album “Time to swing” ging Helmut diep nadenken en toen hij daarmee klaar was, kwam hij tot de vaststelling dat hij niets liever doet dan op een podium staan en zelf liedjes schrijven.

Aan journalist Jeroen Denaeghel van P-Magazine wil hij een paar weken verder kwijt: “‘Mijn hart & mijn lijf’ is mijn wedergeboorte. Zijn toupet en pitteleer liggen al een tijdje in de vuilnisbak, maar nu maakt Lotti ook komaf met zijn Tiritomba-verleden. Geen evergreens meer, maar een plaat met uitsluitend zelfgeschreven Nederlandstalige nummers.” Hij wijst er ons op dat hij voor zijn vierde album “Just for you” zo’n zeventig procent van de teksten zelf schreef, dus is hij met zijn nieuwste album niet aan zijn proefstuk toe. Hij wil koste wat het kost kwijt dat hij met zijn nieuwe cd alle commerciële paden links laat liggen en dat hij zich terdege bewust is van het risico dat hij neemt, een pak van zijn fans tegen de borst stuiten. Maar hij wil die stap zetten. Hij kan niet anders. Hij weet maar al te goed dat hij zich moet herpositioneren, zich een nieuwe plek moet zoeken in het Vlaamse muzieklandschap. Dat voelt soms akelig aan. Isabelle A en Kate Ryan zijn ook op een soort alternatieve zoektocht gegaan en kwamen wat bedrogen uit. Lotti weet dat hij tussen wal en schip kan belanden. Maar de steun die hij van Radio 1 van meet af aan kreeg, was voor hem een hart onder de riem. En dat Radio 2 inpikt, is ook een pak van zijn hart. Op beide zenders airplay te krijgen, is altijd een droom van hem geweest. Journalist Philippe Nuyts heeft zijn album aandachtig beluisterd en schrijft: “‘Mijn hart en mijn lijf’ is een moedige blik vooruit, méér dan een zoveelste gemakzuchtige blik achterom. Altijd toe te juichen. Het album verraadt nog veel marge en zal vooral live met een uitstekende begeleidingsband nog groeien. En het doet alvast lichtjes vermoeden dat die echte ‘classic’ bijna achttien jaar na die eerste concertreeks er wel eens in zou kunnen zitten over enkele jaren. Het is hem gegund.”

De achtste maart 2013 gaat de concertreeks “Mijn ziel & mijn lijf” dus in première in “De Roma” in Borgerhout. Meteen de dag nadien schrijft De Standaard het volgende: “Voor Lotti is het time to rock. Dit is geen fluwelen entertainer meer, maar een Vlaamse bluesman die zich voortbeweegt in het kielzog van The Rolling Stones. Lotti staat niet meer te heupwiegen als een Vlaamse Elvis, maar zit helemaal vastgeketend in de sound van zijn band die de groove als een verpletterende golf laat aanzwellen, met krijsende solo’s in een muur van chaos. De sterkte momenten waren die waarin hij de song was en vaak de meest uitgepuurde. Helmut treedt op samen met De Gieren: pianist Wim De Busser, gitaristen Bjorn Eriksson en Geert Hellings, basgitarist Nicolas Rombouts en drummer Bert Huysentruyt.” Een maand later lezen wij in Het Belang van Limburg: “De klankmix en de belichting lijdt soms aan onder- dan weer aan overconsumptie. De teksten zijn uitdagend en vragen om op cd nog eens herbeluisterd te worden. Deze show staat in schril contrast met de grandeur van zijn ‘Goes Classic’ en ‘Out of Africa’. Hier moet je wennen aan de haast gezellige intimiteit van het podium en dat kan wat oefening vergen.” Maar de loftrompet wordt niet door alle journalisten gestoken. De tiende juni 2013 lezen wij: “Kale Helmut Lotti krijgt geen halve zaal meer vol. Het nieuwe (haar)werk van Lotti doet het niet meer bij de fans. Bij zijn slotconcert in de AB, de achtste juni, kwamen slechts driehonderd mensen opdagen. Minder dan een halve zaal dus. En dat deed pijn bij de Tiritomba-zanger. Respons van Helmut in de pers: “Ik weet dat ik de oude fans ontgoochel met hetgeen waar ik nu mee bezig ben, maar ik had wel gedacht dat er sneller nieuwe mensen gingen komen, maar blijkbaar hebben die nog een probleem met het feit dat Helmut Lotti zo’n plaat heeft gemaakt. Ik denk dat als mijn plaat was gemaakt door een jonge band met een zanger die zij niet kenden, zij het veel beter hadden gevonden.” Toch lezen wij in datzelfde artikel iets verder: “Maar wel respect dat hij eens iets nieuws probeert en zich niet laat inpakken door zijn eigen publiek.” “Ik sta op het podium met de beste muzikanten van Vlaanderen. Het zou zonde zijn om daarmee te stoppen omdat het niet meteen bij iedereen aanslaat. De mensen moeten maar volgen!” De diehard fans zijn bij dezen dus gewaarschuwd. Toen recensent Johan Giglot Helmuts nieuwe album besprak, gaf hij, zonder het misschien echt zo te bedoelen, al de richting aan die Helmut na deze uitstap opnieuw moet inslaan. Het lijken haast profetische woorden: “Subtiliteit siert, net als de eenvoud. Helmut Lotti fluistert en streelt een hele plaat lang: tedere liefdesliedjes, sombere mijmeringen of dwarrelende fantasieën. De echte stemverheffingen die de zanger typeren, zijn zeer zeldzaam. In een uptempo countrynummer als Eeuwig duet grolt hij ‘ik wil je vanavond in bed’ en stijgt het energiepijl samen met de hormonenspiegel. Heel even komt die vibrerende falset toch boven. Eenzelfde gejaagde cadans horen wij in Veel te doen met een knipoog naar Herman van Veens Opzij, opzij. Het is de ironie en zelfs een lichte knipoog richting Kommil Foo die dit album wat zuurstof geeft, hoewel Lotti nooit in Absurdistan belandt. Op zijn album staan geen hits, geen singles, geen meezingers. Met ontbloot bovenlijf op de hoes toont Lotti zijn ware ik op een plaat die muzikaal dan misschien niet altijd even gemakkelijk klinkt, maar die wel alle gevoelens en emoties op een presenteerblaadje zet. Een album als dit zou elk zichzelf respecterend zanger eens moeten maken. Nu kan Lotti opnieuw meedraaien in de entertainmentkermis!” En of hij nog zo beroemd wil zijn als tijdens zijn hoogtijdagen? In Humo, daterend van de vijftiende december 2009, zei hij met het nodige sarcasme: “Beroemd zijn verveelt snel. Na veertien dagen heb je alle buiken en billen gesigneerd die er te signeren vallen, hoor! Het grappige is dat sinds ik mijn haarstukje heb afgedaan, ik op straat bijna niet meer herkend word, zeker niet in het begin. Zonder dat haar, die strik en die pitteleer bestaat Lotti niet. Veel mensen hebben nooit naar mij gekeken, maar naar een personage. Dat besef ik nu nog beter dan vroeger!”

De derde februari 2014 brengt Helmut in samenwerking met de organisatie Tutti Fratelli de single Armoe uit ten voordele van de actie Baby’s Tegen Armoede van het Kinderarmoedefonds. Hij schrijft dit nummer samen met Bart Vanegeren in een productie van Nicolas Rombouts. Twee weken later staat hij op twee in de Radio 2 Vlaamse Top Tien.

Eind oktober 2015 laat Helmut Lotti weten dat hij zo goed al verrezen is nadat hij de maanden voordien druk in de weer is geweest in “Studio Powertone” in Bonheide en “British Grove Studios” in Londen (eigendom van Mark Knopfler van Dire Straits) om daar de hand te leggen aan een nieuw album. Producer van dienst is Wouter Van Belle. De arrangementen heeft Helmut toevertrouwd aan de legendarische Andrew Powell die samenwerkte met onder meer The Alan Parsons Project, Kate Bush en John Miles. Als rode loper naar dat nieuwe album dat de zevenentwintigste november in de winkel zal liggen, lanceert Helmut de single Faith, hope and love. In de media lezen we dat de nieuwe cd een croonersalbum zal worden, dat niet alleen in België, maar ook in Duitsland, Zwitserland en Nederland zal worden uitgebracht.

Na zeven jaar afwezigheid maakt Lotti in het najaar van 2016 zijn comeback in Duitsland. Die markt is goed voor zo’n 90 miljoen potentiële fans. “Het heeft lang geduurd, maar het begon weer te kriebelen. Ik miste het podium. Ik wil graag opnieuw Helmut Lotti zijn. Ik kan niet wachten om weer in de schijnwerpers te staan.” Helmut sloot een platendeal bij RCA, goed voor een eerste single Faith, Hope and Love die vrijdag de 17de september in de Duitse winkels ligt. De 21ste oktober volgt “The Comeback Album”  dat reeds eerder in ons land verscheen onder de titel “Faith, Hope and Love” aangevuld met een aantal gloednieuwe songs. Vanaf 27 april 2017 start “The Comeback Tour”, goed voor 21 concerten in één maand tijd in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

Via Facebook laat Helmut Lotti de 15de januari 2017 weten dat hij een punt zet achter zijn huwelijk met Jelle Van Riet. “Voor mij wordt 2017 een jaar van belangrijke veranderingen. Zo ga ik hoofdzakelijk in Duitsland wonen, het succes van The Comeback Album en The Comeback Tour achterna. Een verhuizing die absoluut niets afdoet aan mijn trouw aan België, ik blijf zeker intens contact onderhouden met mijn Belgische fans. Mijn keuze gaat ook gepaard met spijt. Mede door mijn verhuizing scheiden de wegen van Jelle en mezelf. Een moeilijke en van verdriet vervulde beslissing. Daarom wil ik iedereen uitdrukkelijk vragen onze privacy te respecteren. Ik zal er verder het zwijgen toe doen en wil het houden bij de vaststelling dat ik terugkijk op bijna tien hoofdzakelijk mooie, boeiende en zeer intense jaren samen. Ik zal ze altijd koesteren”.

Op het moment dat Helmut Lotti druk bezig is met zijn “Comeback Tour” in Duitsland, laat hij de 5de mei 2017 via zijn manager Piet Roelen aan de media weten dat hij terug naar zijn heimat keert en dat met volle goesting. Hij neemt de 1ste november in ons land de vocale rode draad weer op met de release van zijn cd ” The Comeback Album” en geeft de 25ste november in de Koningin Elizabethzaal in Antwerpen een groots ” The Comeback Concert”, op de plek waar het voor hem de 15de september 1995 allemaal begon met zijn “Lotti Goes Classic”.

De 16de augustus 2017, 40 jaar na het overlijden van Elvis Presley, brengt Helmut Lotti een cover uit van The King uit 1972 I’ve got confidence. “Voor mij was de keuze voor I’ve Got Confidence snel gemaakt. Het is misschien niet meteen het meest bekende nummer van Elvis, maar het behelst voor mij wel perfect zijn geest en de drive die hij had. Ik breng nog steeds Elvis-nummers tijdens mijn concerten en zal dat ook blijven doen. Elvis Presley mag en zal nooit vergeten worden, en zolang zijn muziek leeft, leeft The King”. De 15de september zal zijn nieuwe cd “The Comeback Album” gereleased worden.

Dinsdag de 19de september 2017 wordt de nieuwe Loitt-cd “The comeback album” gereleased met uiteraard zijn nieuwste single I’ve Got Confidence  en de herwerkte nummers van het eerder uitgebrachte album “Faith, Hope And Love”. Daarnaast gloednieuwe covers  zoals Hallelujah, Bridge Over Troubled Water en You’ll Never Walk Alone. Ook voor dit album kroop Lotti in zijn componistenpen, met als resultaat A Lonely Road en Make-Believe. Hij stond er tevens op dat de Elvis-song My boy, waarmee het in 1989 voor hem allemaal begon in de Nederlandse Soundmixshow, voor het eerst in zijn versie op cd wordt uitgebracht.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Toots Thielemans

We zullen hem aankondigen zoals het bij een man van zijn status past: Baron Jean-Baptiste Frédéric Isidor Thielemans, in 2001 door koning Albert II in de adelstand verheven. De man die onsterfelijk werd dankzij zijn mondharmonica. Niet alleen te horen op platen en cd’s, maar ook in de titelsong van de tv-reeksen “Sesame Street”, “Witse” en “Baantjer”. Daarnaast in tal van soundtracks: “Midnight Cowboy”, “Jean de Florette”, “Head over Heels” en “Turks Fruit”, om er een paar te noemen. Voor “Turks Fruit” trok Toots naar de studio samen met het Metropole Orkest o.l.v. Rogier van Otterloo. In menige jazzencyclopedie duikt hij op aan de zijde van onder meer Oscar Peterson, Benny Goodman, Quincy Jones en Dizzy Gillespie. Ondanks die erestatus mogen we hem un ketje de Bruxelles noemen! De man van wie Quincy Jones ooit zei: “Toots, he goes for the heart and makes you cry… We have worked together more times than I can count and he always keeps me coming back for more…” Voorts noemt Quincy hem Stink, voor Toots een fantastische bijnaam: “Quincy says my music has the aroma of a black man who needs a shower.”

Toots kwam de negenentwintigste april 1922 ter wereld in de Brusselse volkswijk de Marollen als Jean-Baptiste Victor Frédéric Isidor Thielemans, waar zijn vader Bernard, een socialist, en moeder Armance aan de Hoogstraat het café ” ‘t Trapken af” uitbaatten. Op de zondagnamiddag trad daar altijd een accordeonist op. Jeanke, die als kind al aan astma lijdt, werd meteen door die klanken gegrepen. Op een oude schoenendoos speelde hij die accordeonist na en kreeg enkele dagen later een speelgoedtrekharmonica van zijn ouders. Toen bleek dat dat instrument hem goed lag, kreeg hij vrij snel een echte kinderaccordeon, die hij tot op het einde van zijn leven zal bewaren. Op het Vossenplein werd onze kleine virtuoos snel een publiekstrekker. Hij liep lagere school in Koekelberg. Het zijn vooral Franse liedjes die hij op zijn accordeon speelt, van jazz is dan nog geen sprake: de in die tijd populaire chansons van Charles Trenet, Josephine Baker en Edith Piaf. Zijn ouders runnen intussen een winkel, “Het Boerinneke” in Molenbeek, waar ze werkkleding fabriceren. Jean en zijn zeven jaar jongere zus Mariette proberen zich daar zo goed mogelijk staande te houden.

Na het zien van een film in de bioscoop met in de hoofdrol James Cagney waarin een adembenemend stukje mondharmonicamuziek opduikt, gespeeld door Larry Adler, besluit Jean zijn accordeon wat aan de kant te zetten en voortaan van de mondharmonica zijn lievelingsinstrument te maken. Hij beluistert zo veel mogelijk platen met virtuozen op dit kleine instrument zoals Borrah Minevitch & His Harmonicats. Hij probeert liedjes als Beer Barrel Polka en St. Louis Blues na te spelen. Wat zijn vrienden opvalt, is dat hij daarbij graag improviseert. Tussen al dat musiceren door heeft Jean nog de tijd om naar school te gaan. Na zijn middelbare studies trekt hij naar de “Université Libre de Bruxelles” om daar wiskunde te studeren. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gaat de universiteit dicht. In mei 1940 vlucht het gezin Thielemans naar Frankrijk. Jean is dan achttien. Zij gaan een tijdje in Masseret, in de buurt van Limoges wonen. Daar maakt Jean via een Engelstalige radiozender kennis met Amerikaanse jazz. Jean probeert met die voor hem nieuwe muziek mee te spelen. Eind augustus 1940 keert het gezin naar Brussel terug. Via een middenjury probeert Jean nadien voor zijn examen te slagen, maar hij heeft heel wat leeracherstand opgelopen en zijn intesesse gaat ook almaar meer richting muziek. Een leuke noot bij dit is dat Toots jaren later, in december 2001, van deze universiteit vanwege zijn wereldwijde verdienste de eretitel “doctor honoris causa”.

Jean weet nog goed dat hij pas echt door de jazzmicrobe werd bezeten, toen hij in 1942 op een grammofoon Louis Armstrong hoorde met Carry Me Back to old Virginny. In een nabijgelegen platenwinkel gaat hij op zoek naar meer van dat. Zo koopt hij onder de toonbank, want Amerikaanse muziek was door de Duitsers streng verboden, opnamen van Louis Armstrong met het in die tijd bekende kwartet The Mills Brothers. Jammer voor Jean, maar zijn entourage lust het geluid van zijn mondharmonica niet. Wanneer hij in 1943 in bed moet blijven, geveld door een longontsteking, daagt zijn vriend Gilbert Delange hem uit om zo snel mogelijk het nummer Hold Tight van Fats Waller op gitaar te leren spelen: het melodietje herkenbaar op één snaar spelen, volstaat. Binnen het kwartier lukt hem dat en die gitaar is als cadeau van dan af van hem. Zijn schoolvoorbeeld wordt de Belgische zigeunergitarist Django Reinhardt et Le Quintette du Hot Club de France (met violist Stéphane Grappelli).

Samen met andere muzikanten speelt Jean na de Tweede Wereldoorlog in Brusselse gelegenheden swingende dansmuziek. Tal van Amerikaanse artiesten komen naar Europa afgezakt om hier op te treden. Jean koopt ook almaar meer 78 toerenplaten en leert op die manier de muziek van Dizzy Gillespie en Charlie Parker kennen. Zij spelen “bebop”, vernieuwende muziek voor fijnproevers, want de doorsnee jazzliefhebber is er niet zo tuk op. Het is muzikant Herman Sandy die Toots aanraadt een vlotte roepnaam te gebruiken en dat wordt uiteindelijk voor Toots, naar de altsaxofonist Toots Mondello en trompettist Toots Camarata. Die kiest resoluut voor de jazzmuziek. In 1946 wordt Toots gitarist bij de amateurband Le Jazz Hot. Hij bespeelt dan al de elektrische gitaar. We vinden hem eenmalig  terug in het begeleidingsorkest van Bobbejaan Schoepen voor een gelegenheidsoptreden. Wanneer Bobbejaan jaren later naar Amerika trekt om daar optreden, zullen hun paden elkaar een aantal keren kruisen. Voor hun concerten in Brussel wordt Toots gevraagd door Franse sterren als Charles Trenet en Edith Piaf.

De jongste broer van Toots’ vader, Theo, woont in Miami. In 1947 is hij in Brussel op bezoek en nodigt Toots uit om een tijdje bij hem in Amerika te komen logeren. Dolblij reist hij af naar het land van de jazz. Zij reizen via Zuid-Frankrijk met het schip de MS Vulcania naar New York, vervolgens naar Washington en dan naar Theo’s thuishaven Miami, waar Toots in een jazzbar tijdens een jamsessie zijn kunnen mag etaleren. Daar aanwezig is journalist Bill Gottlieb van “The Washington Post”. Die is verbaasd dat die kleine Belg niet alleen behendig is op de gitaar, maar ook op de mondharmonica. Vooral die combinatie van beide valt hem op. Bill raadt Toots aan, wanneer hij terug in New York is, contact met hem op te nemen. Hij zorgt ervoor dat Toots kan optreden met de J.J. Johnson All Star Band in de “Three Deuces” in Manhattan. Het publiek is eerst afkerig van die Belg met zijn mondharmonicaatje, maar na enkele nummers gaat het door het dak. Na het optreden maakt Toots kennis met Billy Shaw, de toenmalige impresario van Benny Goodman, die Thielemans vraagt of hij hem vanuit België geen opnamen van hem kan opsturen. Die zijn er echter nog niet. Met enkele vrienden neemt Toots iets later in een Brusselse garage zijn arrangement op van de jazzklassieker Stardust. Hij voegt er zelfs een strijkkwartet aan toe. Die opname komt terecht bij trompettist Ray Nance, die Toots iets voordien in ons land had leren kennen na een optreden van Duke Ellington. Zij worden goede maatjes en Ray belooft Toots dat hij de plaat aan Benny Goodman zal bezorgen. Dat gebeurt in het najaar van 1948 op Goodmans kantoor aan 654 Madison Avenue in New York. Goodman is zo onder de indruk van Toots’ talent dat hij hem uitnodigt om vanaf de vijfde december van dat jaar, en dat voor een aantal concerten, mee te spelen in zijn band in het “Paramount Theater” in Manhattan. Maar Dame Fortuna is hem niet gunstig gezind, want hij krijgt geen werkvergunning en ook geen visum voor de USA. In de liefde heeft Toots meer geluk, want de negenentwintigste augustus 1949 trouwt hij met Netty De Greef. Hun liefde is oersterk. Netty weet dat hun huwelijk zal standhouden, ook al zal haar man vaak van huis zijn. Goodman neemt Toots in 1950 mee op zijn Europese tournee, te beginnen in “The London Palladium” en zo verder richting Italië, Zwitserland en Zweden. Toots mag dan deel uitmaken van Goodmans “All Star Septet”, aan de zijde van onder anderen Roy Eldridge en Zoots Sims. In Stockholm ontmoet hij de in die tijd invloedrijke altsaxofonist Charlie Parker. Wanneer Parker in de “Nalen-danshal” in Stockholm optreedt, mag Toots tijdens een onvergetelijke jamsessie meespelen.

Zweden wordt van dan af voor Toots een plek om lief te hebben en vaak naar terug te keren. De Zweden houden van Toots’ manier van spelen: zijn melancholische stijl spreekt hen aan. Zijn klankkleur lijkt sterk op diegene die  in hun folkloristische muziek ook te horen is. Zo zal Toots in die periode te horen zijn met Nalen Boogie, genoemd naar de bekende jazzclub in Stockholm..

In 1951 krijgt Toots zijn greencard in handen en mag voor een halfjaar in Amerika gaan werken. Hij gaat er samen met zijn vrouw Netty wonen op een schamel kamertje in een al even schamel hotel in de wijk Yonkers in New York. Om aan een greencard te geraken, moet hij dringend een job vinden. Hij kan er een versieren bij de Belgische Nationale Luchtvaartmaatschappij Sabena. Toots gaat daar werken op de pr-en verzendingsafdeling. Hij verdeelt onder meer reclamefolders over de vluchten naar Afrika en Amerika. Geen echt boeiende baan als je koste wat het kost jazz wilt spelen. Hij ziet geen andere uitweg, want Toots is nog niet in het bezit van zijn Union Permit van de Musicians Union, de strenge vakbond voor muzikanten. Je moet immers kunnen bewijzen dat je op dat terrein aan de bak komt. Voor Toots wordt het vaak heen en weer reizen. Telkens wanneer zijn visum vervalt, keert hij terug naar Europa om te wachten op een nieuwe greencard. Een permanent verblijf in Amerika zit er nog niet in. Pas de negentiende augustus 1957 accepteren de Verenigde Staten hem als Amerikaans staatsburger. Toots gaat dan op huisnummer 279 North Broadway, Yonkers, New York wonen. Hij heeft zijn Belgische nationaliteit opgegeven. Hij is, zoals hij het in zijn eigen woorden zegt, “een veramerikaniseerde Brusseleer”.

Toots Thielemans is van dan af regelmatig te vinden in jazzclub “Birdland” op Broadway en iets verderop in “Junior’s Tavern”. Hij begint schoorvoetend met een trio, een combinatie van harmonica, orgel en banjo, maar een succes wordt dat niet. Het is talentscout Tony Scott die Toots voorstelt aan de blinde Engels-Amerikaanse jazzpianist George Shearing. George is op zoek naar een vervanger voor zijn vaste gitarist Dick Garcia. Toots weet nog dat hij voor George zijn versie van Body and Soul speelde. Die is meteen onder de indruk. Hij belooft Toots de job als die binnen de week al de gitaarpartijen van Shearings repertoire kan spelen. Toots laat zien dat hij een rastalent is en slaagt met glans. Een week later maakt hij al deel uit van de band. Deze samenwerking, die van 1952 tot 1959 zal standhouden, wordt voor Toots een enorme leerschool. Hij neemt met Shearing tal van elpees op en leert op die manier ook de binnenkant van de hitlijsten kennen. De samenwerking met George is echter a tough one. Hij gunt Toots af en toe een solomoment, maar wanneer dat Toots te veel applaus oplevert, vervalt dat nummer bij het volgend optreden. Wanneer Toots’ vader doodziek wordt, staat George hem een bezoek aan België toe, maar dan wordt zijn plaats wel door een andere muzikant ingenomen. Toots blijft dan maar op post. Zijn vader overlijdt op zevenenvijftigjarige leeftijd. Om dat verlies te verwerken, schrijft hij Old Friend, waarvoor hij de melodie baseert op het klassieke Ave Maria. Werken met George Shearing was een hele opgave. Zo waren ze zo’n achtenveertig weken per jaar on the road. Financieel hield Toots, ook al hebben hij en zijn vrouw altijd goed kunnen cijferen, er geen bergen geld aan over, want de hotelkosten en maaltijden waren voor eigen rekening. Leden van The George Shearing Quintet vormden in die tijd, samen met muzikanten uit The Count Basie Band en het kwintet van Miles Davis, de gelegenheidsgroep Birdland All Stars, voor Toots het neusje van de muzikale zalm en zo’n beetje zijn speeltuin. Hier ontmoet hij Stan Getz, Billie Holiday, Sarah Vaughan en nog andere grootheden.

Wanneer Shearing zijn kwintet opdoekt, neemt Toots opnieuw contact op met zijn connecties in Zweden. Voortaan geraakt hij daar ruimschoots aan de bak. Hij maakt zich snel de taal eigen en treedt op in de revues van het komische duo Hasse & Tage. Hij scoort in Zweden een hit, al fluitend nog wel, met Whistle while you work, dat hij opneemt met hammondorganist Reinhold Svensson. Thielemans is daarnaast ook een graag geziene gast bij de bigband van de Duitse orkestleider Paul Kuhn, het thuisorkest van het Berlijnse radiostation Sender Freies Berlin.

Intussen had Toots al een rist soloplaten opgenomen. In 1955 op het het Columbia-label “The Sound” met daarop onder meer On the Alamo, Skylark, Sophisticated Lady en Stars fell on Alabama. Omdat Toots een aardig mondje kan fluiten, zich daarbij even behendig op de gitaar begeleidend, neemt hij voor ABC Paramount in 1964 het album “The whistler and his guitar” op, in een productie van Sid Feller. Zijn keuze valt deze keer op songs als Wives and lovers, Manhattan, Deep purple en Bluesette. Toen Toots in 1962 in de universiteit van Brussel optrad tijdens een show met jazzviolist Stéphane Grappelli, speelde hij in de kleedkamer die hij met hem deelde, een liedje dat eerder op improviseren leek dan op wat anders. Het was Stéphane die hem aanspoorde dat verder uit te werken. Uiteindelijk wordt het een jazzwalsje dat hij eerst Bleuet noemt, Frans voor korenbloem. Hij blikt het iets later in een studio in Stockholm in. De geluidstechnicus van dienst vindt dat het qua sfeer een beetje weg heeft van een musette: ” Let’s put an s between bleu and let’s call it Bluesette“. Het belandt op een single met op de B-kant Autumn Leaves en wordt zelfs in sommige landen een bescheiden hit. Ray Charles vindt de song zo goed dat hij hem van een Engelstalige tekst laat voorzien door Norman Gimbel. Zelfs Ella Fitzgerald neemt er een gezongen versie van op.

Het is de legendarische arrangeur en producer Quincy Jones die wel wat ziet in die combinatie van fluiten en gitaar en vraagt Toots zijn talent te lenen voor enkele soundtracks en begintunes van televisieprogramma’s, waaronder “The Bill Cosby Show” en “Sanford and Son”. Hij wordt wereldwijd gehoord wanneer hij de tune speelt voor de bekende Amerikaanse televisiereeks “Sesame Street”, geschreven door Joe Raposo. Qua soundtracks heeft Toots zijn stempel gedrukt door zijn opvallend harmonicaspel in “Midnight Cowboy” (1969), “The Getaway” (1972), “Turks Fruit” (1973) van de Nederlandse regisseur Paul Verhoeven, de Belgische film “Zware Jongens” (1984) en “Jean de Florette” (1986) met in de hoofdrol Yves Montand en Gérard Depardieu. Maar hoog in zijn vaandel draagt hij nog altijd zijn muzikale bijdrage aan de Zweedse animatiefilm “Dunderklumpen!” uit 1974, met animatie Beppe Wolgers en muziek van Toots. En nu we toch filmisch aan het opsommen zijn, mogen we zeker zijn herkenbaar geluid niet vergeten in de Vlaamse politieserie “Witse” en de Nederlandse misdaadreeks “Baantjer”. Op dit soort musiceren komt vanuit het jazzmilieu nogal wat kritiek, zeker wanneer Toots daarnaast ook gretig reclamespots gaat voorzien van het geluid van zijn, zoals Willem Duys het ooit noemde, broodje. Zij beschuldigen hem ervan dat hij zijn talent in de uitverkoop zet.

Keren we terug naar het einde van de jaren zestig, om precies te zijn naar 1969, wanneer Toots samen met de Braziliaanse zangeres Elis Regina de elpee “Aquarela do Brasil” opneemt. Hierop hoor je doorleefde versies van Wave, Você, Barquinho, Honeysuckle Rose en Canto de Ossanha. De bossanova had toen al zijn plaats gevonden in de jazzmiddens. Geen wonder dat iemand als Antonio Carlos Jobim een aparte plaats in zijn hart inneemt, de componist van evergreens als Desafinado, The girl from Ipanema en One note samba. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat Toots de jaren die volgen zal samenwerken met Braziliaanse sterren als Luiz Bonfa, Caetano Veloso, Astrud Gilberto en Chico Buarque. Een samenbundeling van hun kunnen kan je horen op de albums “The Brasil Project 1 & 2″, verschenen in 1992 en 1993, in een productie van Oscar Castro-Neves, die eveneens liet horen dat hij op een fantastische manier gitaar kan slepen. Hierop kunnen we genieten van onsterfelijke songs als Fruta boa, Manhã de Carnaval, Choro Bandido, Samba de uma nota so, Samba de Orfeu en O Cantador. Voor zijn bijdrage aan de Braziliaanse muziek wordt Toots in 2006 Commandeur van het Legioen van Eer van Brazilië. Hij ontvangt deze onderscheiding uit handen van muzikant Gilberto Gil, op dat moment minister van Cultuur.

Toots ging het ook soms dicht bij huis zoeken. Op het Philips-label is er in 1970 “Toots in Holland” met daarop bekende songs als Et maintenant, Midnight Cowboy, La mamma, My chérie amour en Theme from Peyton Place. Tony Vos en Gerrit den Braber zijn de producers van dienst en de Gentse dirigent Bert Paige leidt het studio-orkest. Vier jaar later blikt Toots, in een productie van de Nederlandse fluitist Chris Hinze, de elpee “Toots Thielemans, Philip Catherine and Friends” in. In 1984 neemt hij in de befaamde “ICP Studio” in Brussel het album “Your Precious Love” op. De première heeft plaats in een café op de Grote Markt van Brussel.

Een van de vele hoogtepunten in de carrière van Toots is wanneer hij in 1975 een telefoontje ontvangt van producer Phil Ramone met de vraag of hij zich snel vrij kan maken om even mee te spelen op het album “Still Crazy after All These Years” van Paul Simon. Het wordt een vluggertje, want Toots moet meteen nadien naar de luchthaven om op te treden tijdens het “Monterey Festival” . Hij mag zijn kunnen showen tijdens de opname van I do it for your love. Simon is zo onder de indruk dat hij Toots iets later mee op tournee uitnodigt en nog eens twee jaar later tijdens zijn tv-show “The Paul Simon Special”. Voor journalist Serge Simonart schetste Paul Simon in het weekblad “Humo” van de 23ste september 2016 Toots, na diens overlijden, als volgt:  ”Toots was a pleasure. Hij was altijd goedgeluimd, er zat geen gram slechtheid in hem. Hij bracht mij rust. Wij waren lange tijd min of meer buren in Montauk, op Long Island, en daar maakten we lange strandwandelingen, soms met onze vrouwen erbij. Hij was een slimme jongen. Hij lit zich niet beduvelen en koos graag de weg van de minste weerstand. Hij kende zijn waarde ook. Hij wist deksels goed dat no one could touch him. Als je wilde dat het perfect en inventief en warm klonk, was hij de man. Impeccable and soulful, een zeldzame combinatie. Het bracht hem in latere jaren een zekere innerlijke rust te weten dat hij de beste was.”

Nog zo’n hoogtepunt in de carrière van Toots is en blijft zijn bijdrage aan de plaatopname van de Amerikaanse pianist Bill Evans. In het najaar van 1978 zit hij met hem in de “Columbia Studio” in New York, daarbij geflankeerd door bassist Marc Johnson, drummer Eliot Zigmund en saxofonist Larry Schneider, voor de opname van het album “Affinity”. Producer van dienst is Helen Keane. De plaat opent met een instrumentale versie van Paul Simons I do it for your love, een suggestie van Toots. De plaat wordt begin 1979 uitgebracht op het Warner Bros-label.

Een Nederlandse productie wordt in 1980 op het CBS-label het album “Collage”, waarop Toots nauw samenwerkt met Nederlandse sterren als Thijs van Leer, Wim Overgaauw, Rogier van Otterloo, Louis van Dijk, Rita Reys en The Dutch Swing College Band. In de lente van 1983 vinden we Toots onder meer terug in de “Chelsea Sound Studio” in New York voor de opname van het album “An innocent Man” van Billy Joel, weerom een productie van Phil Ramone. Die staat erop dat Toots wordt ingehuurd om mee te spelen tijdens de opname van de song Leave a tender moment alone. Toots is iets later ook te horen en te zien in een liveopname van dat nummer tijdens een concert van Billy in Londen.

In 1981 wordt Toots Thielemans getroffen door een hersenbloeding: “Ik zou dertig optredens met de Amerikaanse jazztrompettist Dizzy Gillespie doen, maar dat ging niet door, want ik lag in het Lenox Hill Hospital in New York.” Zes maanden blijft hij uit de running. Toots at in die tijd te veel en leefde vrij onregelmatig, zoals hij ons tijdens ons interview vertelde. Hij had een veel te hoge bloeddruk: “Ik ben toen wat beter op mijn tellen gaan passen, een beetje meer van mezelf gaan houden, be myself, no more, no less…” Jaco Pastorius, de invloedrijke Amerikaanse basgitarist, belde Toots bijna elke dag tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis en hij zorgde er ook voor dat Toots zes maanden na zijn hersenbloeding mee reisde op tournee met hem naar Japan. Na zijn herstel stelt Toots vast dat zijn linkerhand niet meer goed mee wil en besluit voortaan wat minder vaak op de gitaar te tokkelen. Ook al lezen we het in veel bronnen anders, Toots zal tot 1998 nog frequent de gitaar ter hand nemen. Nadien speelde hij nummers als nummers Waltz for Sonny en Bluesette op zijn gitaar op het einde van zijn concerten.

Na zijn hersenbloeding wordt Tootsmotoriek almaar trager. In het boek ” Toots 90″ zegt hij daarover: “Bebop spelen gaat al lang niet meer. Te veel nootjes, te snel. Vroeger kon ik heel snel spelen. I was trying to impress. Zo speel ik nu niet meer. Misschien wil ik wel, maar ik kan het niet meer. In my mind, yes! Of course.” Toch willen we daarbij aanvullen dat Toots door de jaren heen de overbodige noten gaan schrappen in zijn muziek in zijn muziek is gaan schrappen. Hij vond die daardoor rijker klinken. Bebop was in de periode van de jaren vijftig reuze om te spelen, maar daarna liet hij zijn muziek eenvoudiger klinken, die daardoor moeilijker te vertolken werd. Ook Toots’ gehoor gaat jaar na jaar achteruit, een erfenis van zijn vader: “I am like an old athlete, die de filmbeelden van weleer terugziet. Als de sportman, die toen hij twintig was de honderd meter in twaalf seconden liep. Toen hij alles kon en het halen van nieuwe records hem geen moeite kostte. Nog steeds wil die atleet die snelle tijden maken, maar dat lukt niet meer.” Zijn talent kan hij erg goed omschrijven, zoals in een interview met het toonaangevende tijdschrift “Down Beat”: “I like to believe that my strong point is projecting emotion. People cry when I play Smile, Ne me quitte pas, What a wonderful world. I am very impressed with the hot guys today, but they don’t move me all the time.”

In de maand april van 1997 verschijnt naar aanleiding van de vijfenzeventigste verjaardag van Toots de verzamelaar “The Birthday Album” met in het totaal zestien nummers, waaronder Chanson de Victor, Waltz for Debby, Take Five en Preciso aprender a so ser.

April 1998 is er de cd “Chez Toots”, opgenomen in de “Plus XXX Studio’s” in Parijs. Toots ontvangt hier bekenden als Marcel Azzola, Oscar Castro-Neves, Philip Catherine, Dianne Reeves en Johnny Mathis. Op dit album Franse klassiekers, onder meer La vie en rose, Ne me quitte pas, Les moulins de mon coeur en Le temps des cerises. Een rustige plaat is het album “Toots Thielemans & Kenny Werner”, dat in 2001 verschijnt, volgens Toots de mooiste en beste die hij ooit heeft ingeblikt. Pianist en synthesizervirtuoos Kenny hoor je samen met Toots in een eerbetoon aan Michel Legrand en Frank Sinatra en voorts covers van composities van onder meer Herbie Hancock en Chick Corea. In de zomer van 2001 krijgt Toots op vrijdag de dertiende juli een speciale Edison tijdens de openingsavond van het “North Sea Jazz Festival” in de PWA Zaal in Den Haag. Die trofee wordt hem aan het einde van zijn optreden overhandigd door acteur Maarten Spanjer.  ”Wat, waar en met wie Toots Thielemans ook speelt, zijn geluid is direct herkenbaar”, aldus de jury over de wereldberoemde Belg. “De constante hoge kwaliteit en het diverse karakter van zijn muziek rechtvaardigt deze Edison.”

Nog zo’n kers op de muzikale taart is Toots’ optreden, de zestiende maart 2008, in de befaamde “Carnegie Hall” in New York. Aan zijn zijde Herbie Hancock, Paquito D’Rivera,Eliane Elias, Joe Lovano, Oscar Castro-Neves en Kenny Werner. Songs als There Will Never Be Another You, What a Wonderful World en Waters of March passeren de revue.

De zeventiende mei 2009 is Toots een van de vele gasten aan de voet van het “Atomium” in Brussel tijdens “Het Belgavox Concert”, een evenement van de vzw Belga-Vox, die er is gekomen op initiatief van wijlen Marc Moulin, Axelle Red en haar man Filip Vanes, Baloji Stephan Galon, Jan Hautekiet en Patrick Riguelle. De vzw wil bijdragen tot het versterken van de dialoog, het respect, het saamhorigheidsgevoel en de multiculturele diversiteit in België. Onder anderen Adamo, Arno, Daan, Rocco Granata, Axelle Red, Will Tura en Toots Thielemans treden die zondagnamiddag op tijdens een gratis volksfeest in het teken van de solidariteit. Dat najaar heeft in het “Sportpaleis” van Antwerpen de feestelijke vijfentwintigste editie plaats van “Night of the Proms”. De dan 87-jarige Toots wordt uitgenodigd om het podium te delen met OMD, Katona Twins, Sharon den Adel, John Miles en Roxette.

Naar aanleiding van zijn negentigste verjaardag brengt zijn platenfirma Universal in 2012 de verzamelaar “Toots Thielemans – The Best Of” op de markt met achtentwintig van zijn bekendste opnamen, waaronder de bekende thema’s uit “Baantjer”, “Witse”, “Turks Fruit” en “Midnight Cowboy” en songs als Marina, Smile, Ben, Honeysuckle Rose en Bluesette. Voor Toots wordt dit een jaar om nooit meer te vergeten. Zijn agenda puilt uit. Hij werkt een concertreeks af langs alle hoofdsteden van de Belgische provincie, brengt een live cd uit , een dvd met daarop een samenvatting van zijn meest recente reizen en concerten , een dvd van zijn concert in de “Opera van Luik” en het boek “Toots 90″ van de hand van René Steenhorst en Peter de Backer, uitgegeven bij Borgerhoff-Lamberigts met daarin zijn uitgebreide biografie, foto’s uit zijn privécollectie en statements van zeer goede, bekende bevriende muzikanten. Hij speelde datzelfde jaar twee fenomenale concerten in het uitverkochte “Lincoln Center” in New York City.

Dat jaar zet Toots zijn negentigste verjaardag extra glans bij met zijn deelname aan “Jazz Middelheim”, dat van de twaalfde tot en met de vijftiende augustus plaatsheeft in “Park Den Brandt” in Antwerpen. Toots treedt daar op vrijdag de zeventiende op samen met toetsenist Karel Boehlee, bassist Bart De Nolf en drummer Hans van Oosterhout. Wanneer het weekblad “Knack” in de maand april van 2012 op zoek gaat naar Toots’ persoonlijke top tien van zijn eigen producties, komt als winnaar de in 1992 op het Erato-label opgenomen cd “Martial Solal / Toots Thielemans” uit de bus. In “Knack” lezen we daarover: “De soul en de sound van Thielemans passen uitstekend bij het vernuftig geaccidenteerde muzikale parcours dat Solal voor hem uitstippelde. Toots is een expert op het gebied van harmonie en hoort en volgt moeiteloos de verkenningen van de pianist.” Twee jaar later, in de zomer van 2014, wordt als hommage aan Toots tijdens “Jazz Middelheim” – hij is tevens de peter van het festival – een speciaal concert op het getouw gezet, nadat Toots kenbaar had gemaakt definitief op rust te gaan, onder de noemer “The Music of Toots Thielemans” met een rist vrienden als Eliane Elias, Philip Catherine, Bert Joris en Kenny Werner. Tot ieders verbazing verschijnt Toots die avond heel even op het podium en krijgt het publiek gelijk muisstil tijdens zijn vertolking van What a Wonderful World. De kranten delen ‘s anderendaags die vreugde, maar omschrijven Toots als erg breekbaar.

Radio 2 heeft Toots altijd een warm hart toegedragen. Vrijdag de tiende november 2000 krijgt hij tijdens een eerbetoon in het “Casino van Knokke” een plaats in de “Eregalerij” voor zijn Bluesette, samen met Marina van Rocco Granata en Eenzaam zonder jou van Will Tura. In diezelfde “Eregalerij” wordt hij op donderdag de zevende februari 2013, samen met The Scabs en Bart Kaëll, zowat zalig verklaard in het “Kursaal van Oostende” tijdens de uitreiking van de award “een leven vol muziek”.

Aan erelintjes en onderscheidingen heeft Toots geen gebrek. In 1997 krijgt hij de eretitel commandeur in de orde van Leopold II, in 2001 verheft koning Albert II Thielemans tot baron. Bij zijn titel van baron hoort een wapenspreuk: “Be yourself, no more, no less“. Voor hem werd een uitzondering gemaakt en mocht hij omwille van zijn dubbele nationaliteit. Toots is trots op die spreuk. Hij heeft immers altijd in zichzelf geloofd. Hij krijgt in 2005 een nominatie als “Grootste Belg”. In Vlaanderen eindigt hij op de twintigste plaats, in Wallonië op de vierenveertigste. In 2008 krijgt Thielemans de titel “Jazz Master” van de National Endowment for the Arts, de hoogste onderscheiding die in de USA in de jazz wordt uitgereikt. Toots is de eerste Europeaan die deze eer te beurt valt. De elfde augustus 2009 mag hij de Concertgebouw Jazz Award in ontvangst nemen. In Vorst ligt sinds 2011 de Toots Thielemansstraat. Zij grootvader was hier ooit burgemeester. Toots mag terecht terugblikken op een fenomenale carrière. Citeren we in verband daarmee Lionel Ritchie letterlijk: “When I need a harmonica player, I called Toots up on the phone and he flew over to Los Angeles. I almost felt guilty because I wished I had more for him to play. He walked into the room, pulled out his harmonica and the first take is what you hear on the record. He is unbelievable, a very special guy.

Bij zijn afscheid in maart 2014 liet zijn management weten: “Toots wil zijn publiek niet teleurstellen, waardoor alle geplande concerten worden geannuleerd. Hij wenst te genieten van de rust die hij heeft verdiend. Hij kan terugkijken op een prachtige internationale en succesvolle carrière waarin hij vele uitdagingen is aangegaan en waarbij hij steeds uitblonk door zijn muzikaliteit! Hij wenst dan ook iedereen te bedanken voor alles wat ze hem gegeven hebben.”

Of zijn leven een mooi leven was, vroegen hem de journalisten René Steenhorst en Peter De Backer: “Ach, het was misschien te veel ikke-ikke. Zo ben ik nu eenmaal, een groot ego. Toch wel. Spijt erover kan ik niet hebben, iemand daarboven heeft dat kennelijk zo bedacht. Soms ben ik weleens jaloers op iemand als gitarist John Scofield, die grote feesten organiseert voor al zijn familieleden en vrienden. Maar zo ben ik niet.” In menig interview liet Toots graag in zijn ziel lijken: “ Ik ben een dankbaar en tevreden mens, want ik heb het geluk gehad twee fantastische vrouwen naast me te hebben: mijn eerste vrouw die aan kanker is overleden en nadien Huguette. En dan mag ik mijn teergeliefde zus Mariette niet vergeten, want ook zij is een schitterende vrouw.

Maandag de 22ste augustus 2016 overleed op 94-jarige leeftijd in zijn slaap Toots Thielemans in een Brussels ziekenhuis waar hij een maand eerder was opgenomen na een val. Manneken Pis betuigde die maandag, en ook ‘s anderendaags, eer aan hem door het dragen van een Tootskostuum en natuurlijk ook een mondharmonica. De stad Brussel opende diezelfde avond in de onthaalruimte van het stadhuis voor het publiek een rouwregister. Eerder die dag werd al bekend dat de stad Brussel om zes uur ‘s avonds op de Brusselse Grote Markt als eerbetoon aan Toots muziek uit zijn rijke repertoire zou laten weerklinken. Brussels schepen van Cultuur Karine Lalieux nodigde daarbij alle Brusselaars uit om samen van zijn oeuvre te komen nagenieten. In de internationale pers wordt Toots ‘s anderendaags terecht de hemel in geprezen. The Washington Post eert de roemrijke carrière van Thielemans en noemt hem de “jazz harmonica great”. The New York Times bestempelt hem  als een van de weinige muzikanten (een eer die hij deelt met onder meer Larry Adler) die een succesvolle carrière als harmonicaspeler wist uit te bouwen. In Engeland besteedden media uitvoerig aandacht aan zijn overlijden. The Guardian duidt hem als een van ’s werelds beste harmonicaspelers en citeert producer Quincy Jones die den Toots een van de grootste muzikanten van onze tijd noemde.

Zaterdag de 27ste augustus werd Toots tijdens een intieme plechtigheid in de Sint-Niklaaskerk van Terhulpen om 11.00u. begraven. Zeshonderd genodigden woonden de dienst bij. Buiten volgden vele anderen de plechtigheid op groot scherm. Op de tonen van “Bluesette” werd de kist de kerk binnengedragen. Premier Charles Michel zei dat we Toots oprecht merci moeten zeggen voor alles wat hij gedaan heeft: voor zijn muziek, maar ook voor de bekendheid van ons land. Op de uitvaartplechtigheid liet de Amerikaanse president Barack Obama een brief voorlezen, gericht aan Toots echtgenote . “Lieve Hugette, ik was diep bedroefd toen ik het heengaan van uw man vernam. Weet dat u de komende dagen in mijn gedachten zult zijn”. Deze brief werd voorgelezen door de Amerikaanse jazzpianist en componist Kenny Werner, een intieme vriend en collega van Toots. Aansluitend op de begrafenisplechtigheid werd Toots in intieme kring begraven op het ereperk van het kerkhof van Terhulpen. Na de dienst speelden beiaardiers in heel België “Bluesette”.

De 30ste januari 2017 heeft de Koninklijke Munt van België een zilveren munstuk van 20 euro geslagen ter ere van Toots. De voorzijde toont hem met een mondharmonica in zijn hand. Zijn geboorte-en sterftejaar worden vermeld, alsook zijn naam. Op de achterkant staat onder meer de muntwaarde vermeld. Er worden 5000 exemplaren geslagen die voor de prijs van 46 euro per munt verkocht worden.

Donderdag de 2de februari 2017 wordt Toots Thielemans  postuum gehuldigd met de “Lifetime Achievement Award” op de jubileumeditie van de Music Industry Awards of MIA’s, een initiatief van de VRT en Kunstenpunt. “Toots Thielemans is de beste artiest die ons land heeft voortgebracht. Hij is een man van vele verwezenlijkingen, maar zijn grootste verdienste is dat hij van de mondharmonica een hedendaags jazzinstrument heeft gemaakt.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Stef Bos

Stef Bos heeft een eigen plaats veroverd in de Nederlandstalige muziek. Hij neemt muzikale foto’s van uitzichten en inzichten. Hij gebruikt in zijn songs de kleuren van weemoed, ironie en lichtheid. Hij zoekt op de grens van de poëzie naar een schijnbare eenvoud.” Met deze tekst heet zijn redactie ons welkom op zijn website. Zijn biografie begint daar heel summier met: “In de beginne was er het cabaret.” En vervolgens in vogelvlucht zijn jeugd- en zijn studiejaren. Voor ons een aanleiding om Stef tussen zijn vele optredens door eens grondig aan de tand te voelen. Alleen is dat makkelijker gezegd dan gedaan, want die man heeft geen zittend gat, is drukbezet en niet altijd juist te lokaliseren. In een interview met “Libelle” zei hij daar in 2004 het volgende over: “Ik weet zelf niet meer waar ik het meest thuis ben. Het is voor mij qua gevoel hetzelfde. Als ik in het vliegtuig richting Zuid-Afrika zit, is het alsof ik naar Groningen rij. Op een gegeven moment gaat een land onder je huid zitten. Dat heb ik met België ook gehad: toen ik twintig jaar geleden naar Antwerpen trok, was ik verliefd op die stad als op een vrouw. Ik voelde: ik moet daar geweest zijn, misschien om het calvinistische, noordelijke, dat ook in me zit, een beetje los te maken. Op dat moment projecteer je je eigen verlangens op iets wat je niet kent. En net als je voelt: misschien heb ik het wel gehad, begint de liefde. Naar Zuid-Afrika trok ik voor het eerst tien jaar geleden, en het schakelpunt kwam er een paar jaar terug. Ik was er een keer of dertig geweest en vroeg me af: heb ik het nu niet gezien? Toen begon het pas. Ik begon de taal te spreken, in die taal te denken. Heel lang heb ik het gevoel gehad dat ik het leven ginder miste als ik hier was, en omgekeerd. Nu is het voor mij één geheel geworden. Ik zat vorige week in Kaapstad, en ik weet dat ik daar vroeg of laat ook voor langere tijd wil wonen.” In een ander interview wou hij over zijn verhuizing naar Vlaanderen het volgende kwijt: “De reden dat ik deels in België woon, is waarschijnlijk dezelfde als waarom ik naar Afrika ben gegaan: om me los te weken van waar ik vandaan kom. Om er na vele jaren uiteindelijk achter te komen dat je daar natuurlijk nooit echt los van komt. Bovendien voelde ik me in Nederland geïntimideerd, ik moest gewoon weg om mezelf te ontwikkelen. Toch zal ik in België altijd een buitenstaander blijven. Soms heb ik heimwee naar het Nederlandse Albert Heijngevoel: de openheid van de mensen, dat je mag zeggen wat je denkt. In België moet je de mensen eerst decoderen. Ik verlang soms terug naar Nederland, maar ik besef dat ik daar nooit weer echt zal kunnen aarden. Misschien dat ik daarom letterlijk op de grens woon.”

Stef werd de twaalfde juli 1961 in het Nederlandse Veenendaal geboren. Zijn vader Albertus Willem Bos was in het dagelijkse leven juwelier. Meteen na diens humaniora moest hij tijdens de oorlog onderduiken en kon zijn studies niet voortzetten, al had hij dolgraag theologie gestudeerd. Dankzij opa Bos, die textielvertegenwoordiger was, kwam papa eerst in een kledingbedrijf in Zwolle terecht, maar begon een tijdje later samen met zijn broer een juwelierszaak die erg goed liep omdat papa niet alleen een bekwaam vakman was, maar in eerste instantie een zeer betrouwbaar en consequent persoon. Het gezin Bos telt drie kinderen: Stef heeft een broer die tien jaar ouder is en een zus die drie jaar ouder is. Moeder Nel kreeg daarnaast nog drie miskramen te verwerken. Tijdens een interview voor “De Standaard” in 2012 naar aanleiding van het verschijnen van het boek “Door de ogen van mijn vader”, dat Stef Bos over zijn papa schreef, wilde die wel even het volgende over zijn zoon kwijt: “Op zijn zestiende wilde Stef naar de vakschool om goudsmid te worden en de zaak van mij over te nemen. Maar er was toen een heftig schandaal aan de gang in die school over het gebruik van heroïne. Ik vond dat hij daar beter mee wachtte.” Stefs oudere broer ging akkoord met die overname, op voorwaarde dat Stef hem dan één derde van de waarde zou uitbetalen. Daarop haakte Stef af en trok naar de havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) in Ede. Hier kwam hij terecht in een streng christelijke school waartegen hij zich ging verzetten. Stef trok zich toen al regelmatig terug op zijn kamer om daar iets te schrijven. Hij had intussen de verzen van Erich Kästner ontdekt, die spraken hem wel aan. Hij begon ook de werken van Kurt Tucholsky en Erich Mühsam te lezen. Vader Bos herinnert zich Stef als een jongen die graag zijn eigen gang ging. Een jongen die veel zat te lezen en naar muziek luisterde. Moeder Nel was een vrouw boordevol fantasie, dat moet Stef van haar geërfd hebben. Zij beschouwde vaak de winkel als een soort forum om de klanten het naar hun zin te maken. Toen hij begon op te treden, was zij er graag bij. Op haar sterfbed in 1998 moest zijn vader haar beloven die traditie voort te zetten, wat hij ook deed, tot hij het fysiek niet meer kon. Aanvankelijk dachten Stefs ouders dat hij in het theater zou belanden, maar Stef begon almaar meer liedjes te schrijven en uitgever Hans Kusters vond dat hij die dan maar gelijk zelf op plaat moest uitbrengen. In de winkel van Stefs vader komt op zekere dag de schrijver Hans Andreus langs en laat daar een kinderboek achter, “Mijnheer Pompelmoes”. Dat boek zou de aanzet betekenen tot het schrijverschap van Stef.

Stef is achttien wanneer hij in 1979 naar Utrecht gaat om daar voor leraar verder te studeren. Hier blijft hij graag ‘s nachts op om dan te schrijven, te tikken eigenlijk, op een oude Adler-tikmachine. Hier waant hij zich voor het eerst een echte dichter. Hij gedroeg zich ook een beetje pretentieus. Hij stuurde naar verscheidene uitgevers een verzameling versjes. “Te kreupel om te lopen“, zegt Stef daar jaren later over. Daarnaast geraakt hij geboeid door het fenomeen cabaret. Op school leert hij Chiel van Berkel kennen en richt samen met hem het duo Kaliber op. Toen viel het hem al op dat hij het was die altijd moest zingen. Zij nemen in de “TH Aula” te Delft in 1982 deel aan het cabaretfestival “Cameretten”, waar zij in de finale tweede eindigen en de prijs van het publiek in de wacht slepen. In 1984, wanneer Stef zijn lerarenopleiding heeft afgerond, verhuist Stef, met Chiel voorop, vanuit Utrecht naar Antwerpen om daar aan het “Hoger Instituut voor Dramatische Kunst” (Studio Herman Teirlinck) te gaan studeren. Stef krijgt hier les van onder meer Jean Blaute, Denise De Weerdt, Raymond van het Groenewoud en Johan Verminnen. Die leert hem de chansons van Brel, Brassens en Ferré kennen. Van Raymond onthoudt hij: “Ge moet zingen, wie dat ge zijt” en “Ge moet uw eigen stem vinden.” Dat viel Stef wel erg op, want hij was vooral op een romantische manier bezig met liedjes schrijven, bezig met te zijn wie hij dacht te moeten zijn om anderen, vooral meisjes, te imponeren. Die zoektocht en dat imponeren begon allemaal met dat ene liedje Is dit nu later. Bos studeert in 1988 af aan de afdeling kleinkunst. Met Chiel was Stef intussen een nieuw duo begonnen, Idioten Blozen Niet, dat in 1988 tweede wordt tijdens het “Amsterdams Kleinkunst Festival”.Vanaf 1988 tot en met 1990 gaat Stef acteren bij de toneelgroep “Oud Huis Stekelbees” in Gent. Daarmee staat Stef voor het eerst echt in de schijnwerpers. “Ik vond het niet zo makkelijk in het begin. Er zit een publiek voor je dat naar je kijkt. Ik begon me pas een beetje op mijn gemak te voelen, toen ik een tijd later begon te zingen en op te treden en te doen alsof ik thuis was, dat de mensen gewoon langskwamen om te kijken. Ik kom uit een gezin waar het niet vanzelfsprekend was dat je op een podium ging staan. Ik ben heel lang onzeker geweest of ik wel iets te vertellen had. Ik ben naar Antwerpen gegaan om de toneelschool te doen. Na verloop van tijd zag ik in dat het optreden an sich relatief is. Het is maar een heel klein onderdeel van het wereldgebeuren. Dat is een aangenaam uitgangspunt. Er zijn al zoveel dingen voor jou gebeurd en er zullen er nog zoveel na jou komen. Toen dat in mijn hoofd zat, ben ik me pas echt met muziek gaan bezighouden.”

In 1989 gaat Stef een tijdje samenwerken met Radio 2 als lid van “De ochtendploeg”, een licht satirisch programma tussen 6 en 8 uur. In die ploeg zaten ook nog Bart Van den Bossche en producer Erik Strieleman. Elke zondagavond werd in café “De Witte Arend” in Antwerpen de actualiteit besproken en de basis voor het programma gelegd. Op de achtergrond klonk steevast klassieke muziek. Voor Stef een belangrijke periode in de aanloop naar zijn carrière. Gert Verhulst en Hans Bourlon van Studio 100 vragen Stef in die periode of hij niet de titelsong wil schrijven van “Samson en Gert”. Een jawoord is vlug gegeven en in een en dezelfde moeite wordt Stef de rol aangeboden van Joop Mengelmoes, de Hollandse buurman van Samson en Gert. Hij mag het personage naar zijn hand zetten. Stef houdt deze deelname vol tot in 1992 om zich van dan af volledig met zijn carrière bezig te houden. Hij schreef wel een aantal liedjes voor Samson en Gert, waaronder Het Samsonlied, Er zit meer in een liedje en Samen delen.

Stef gaat ook voor anderen schrijven, onder meer voor zijn vriendinnetje Ingeborg, die hij tijdens zijn kleinkunstopleiding in Antwerpen had leren kennen. Ingeborg zingt tijdens de “Baccarabeker” in 1988, waar zij deel uitmaakt van de West-Vlaamse ploeg samen met Phil Graveyard en Clouseau, Te Weinig Kracht, dat Stef speciaal voor haar had geschreven. Dat liedje verschijnt iets later samen met het nummer Niemand op haar eerste single uitgebracht op het HKM-label, het platenlabel van muziekuitgever Hans Kusters, die ook de heren Clouseau en iets later Stef Bos onderdak verleent. Tijdens dat festival zingt Ingeborg ook Verlangen, eveneens geschreven door Stef en dat haar tweede single wordt, waarbij zij de vocale steun van Clouseau, lees Koen Wauters, krijgt. De VRT had meteen door dat Ingeborg wel wat in haar mars heeft en nodigt haar in 1989 uit om deel te nemen aan “Eurosong”, met in de finale onder meer Jimmy Frey, Expo, Dany Caen, Bart Van den Bossche, Angie Dylan en Boogie Boy. Clouseau eindigt tweede met het liedje dat iets later een gigantische hit zou worden, Anne, en Ingeborg wordt eerste met het door Stef Bos geschreven Door de wind. De zesde mei trekt Ingeborg in het gezelschap van Stef, die de tweede stem mag zingen, naar Lausanne in Zwitserland om daar tijdens de vierendertigste editie van het Eurovisiesongfestival de Belgische driekleur te verdedigen. Zij eindigt daar negentiende. Winnaar wordt de groep Riva voor Joegoslavië met Rock Me. Bij ons wordt Door de wind in een productie van Roland Verlooven op single uitgebracht en in de Vlaamse Top Tien de tweeëntwintigste april een nummer één. In 1990 lanceert Ingeborg haar eerste album met daarop niet alleen haar eerste hits, maar ook liedjes als Eeuwen geleden, Toiletje, Alles gaat voorbij en haar volgende single Zomer, waaraan zij een blij lentegevoel overhield, ook al speelt het liedje in op het naderende einde van de zomer. Ook deze keer tekst en muziek van Stef Bos in een productie van Roland Verlooven gekoppeld aan het nummer Ik wil geluk, eveneens van de hand van Stef.

Door zijn samenwerking met Ingeborg had Stef dus inmiddels Hans Kusters leren kennen, onder meer eigenaar van het HKM-label, die hem snel een contract aanbiedt bij zijn uitgeverij en platenfirma. In de maand november van 1990 ligt de eerste langspeler van Stef in de winkel. Producer van “Is dit nu later” is Roland Verlooven. Stef herinnert zich nog duidelijk dat dit de eerste tekst was die hij schreef waarin hij zich losmaakte van het cabaret en een meer persoonlijke weg insloeg. Een weg die de hoofdlijn zou worden van wat hij op papier zette. In de “Studio Impuls” te Herent wordt Stef bijgestaan door onder meer de muzikanten Marc Bonne, Yannick Fonderie, Eric Melaerts en Patrick Mortier. Dertien liedjes staan er op het album, waarvan Stef We doen het zelf samen met Roland Keyaert schreef. Het volgens velen meest opvallende nummer Papa staat de dertiende april 1991 op single op acht in de Vlaamse Top Tien. Tijdens een van onze vele babbels vertelde Stef me daarover het volgende: “Papa is het sterkste voorbeeld van het persoonlijke. Kijk, ik leef maar één keer en ik kan niet anders dan schrijven wat in m’n kop zit. Ik ben geen liedjessmid die een leuk thema vindt en daar een plezant liedje over kan schrijven. Bij mij wordt een liedje geboren. Dat schreef ik op ‘n zondagmiddag toen ik met mijn vader in een en dezelfde kamer zat en ik in de gaten kreeg hoe hij naar zijn handen zat te kijken. Hij haalde wat vuil onder zijn nagels vandaan. De manier waarop hij dat deed en zo zat te staren naar zijn handen, dat doe ik ook precies zo. Op dat moment werd ik er op de een of andere manier door aangegrepen en zo ontstond een soort liefdeslied voor een vader, want zo’n lied moet dan wel over méér gaan dan alleen maar “mijn vader”. Zowel mijn vader als ik hadden moeite om emoties te bespreken en dit nummer gebruikte ik om hem duidelijk te maken dat ik van hem houd, dit vooral ook vanwege de kanker waartegen mijn vader toen vocht. Toen ik het schreef, woonde ik al acht jaar in Vlaanderen en had enorm veel opgestoken van Johan Verminnen en Raymond van het Groenewoud, door wie ik in een muzikaal bad was terechtgekomen.” Papa is inmiddels een regelrechte Bosklassieker geworden. Vooraleer Stef het ging zingen en op plaat zetten, liet hij het op een dag op een cassettebandje aan zijn vader horen. Die voegde er na het beluisteren alleen maar aan toe: “Nou jongen, we zijn het niet in alles met elkaar eens, maar je hebt het beschreven zoals het is.” We zouden het haast uit het oog verliezen, maar met Papa staat Stef de tweede maart 1991 eveneens op acht in de Nederlandse Top Veertig. Op de vraag of hij Papa na al die jaren nog niet moe is om nog maar eens te zingen, antwoordt Stef gevat: “Helemaal niet. Sinds ik zelf vader ben geworden, verandert het licht dat op dat nummer schijnt. Het is een vreemde gewaarwording als een lied boven jezelf uitstijgt. Wat in dit geval gebeurd is. Het is een lied geworden dat voor anderen een betekenis heeft waardoor het niet meer alleen van mij is. Dat voel ik ook als ik het zing. Het is het lied dat mij heeft meegenomen op de reis die ik tot nu toe heb gemaakt. Het is ongetwijfeld het lied dat ik het meest heb gezongen. Want het verandert nog steeds door de lichtinval van de tijd. Ik zing het haast telkens totaal anders als ik het live breng. Toen mijn vader overleed, speelde ik het lied met gewoon andere akkoorden. Soms durf ik weleens een zin in de tekst te veranderen: “we komen elkaar na de dood nooit meer tegen” wordt dan “we komen elkaar na de dood misschien niet meer tegen”. Ik ben helemaal niet gelovig, maar het is op mijn leeftijd oninteressant om te zeggen wat de waarheid is.” In 2013 zal Antje Monteiro als antwoord de single Mama releasen. De vader van Stef overleed de elfde juni 2014 op 91-jarige leeftijd in het verzorgingshuis in Veenendaal, waar hij de laatste jaren verbleef.

Voor zijn eerste album “Is dit nu later” krijgt Stef in de maand mei van 1991 een Edison in de categorie “Nederlands populair”. Over dit album schrijft Stef in zijn boek “Alles wat was” het volgende: “Met dit album veranderde mijn leven van de ene dag op de andere. De anonimiteit die ik voor het schrijven zo aangenaam vond, het struinen door de stad, het observeren van mensen, het was gedaan. Nu werd ik geobserveerd. Hoorde hoe mijn naam achter mijn rug werd gefluisterd. Het streelde het ego van de zanger, maar de schrijver voelde er zich ongemakkelijk bij. De zanger zocht het spotlicht, de schrijver had de anonimiteit nodig.” Datzelfde jaar wordt hem in de maand februari door de stichting Conamus de Zilveren Harp toegewezen. Jaarlijks worden in die maand tijdens het “Harpen Gala” de Gouden Harp, Zilveren Harp en de Buma Exportprijs uitgereikt. De Zilveren Harp is een aanmoedigingsprijs voor beginnende artiesten.

Door het succes van Papa wordt het album “Is dit nu later” met dubbel platina bekroond. Dat vraagt dadelijk om een opvolger en dat wordt “Tussen de liefde en de leegte”, opgenomen in “Bullet Sound Studio 1″ te Nederhorst den Berg tussen de dertiende en de eenendertigste juli 1992. Stef voegt ter verduidelijking aan de titel van zijn album toe: “Ik ben altijd onderweg, ik leef onrustig en onzeker, tussen de liefde en de leegte.” De arrangementen van de plaat zijn in handen van de bekende Nederlandse muzikant Hans Hollestelle. Voor de productie tekent niemand minder dan Boudewijn de Groot, die het zelfs leuk vindt op de plaat hier en daar voor het achtergrondkoortje te zorgen. Een hele rist Nederlandse muzikanten mogen de studio bevolken. Een nummer dat opvalt is De Figuranten. Met Jan Van Rompaey had Stef afgesproken voor het programma “Zeker Weten” op de VRT-televisie een jaarlang de actualiteit te volgen en waar nodig er een lied over te schrijven. De oorlog in Joegoslavië en de Amerikaanse aanval in Irak zijn het vertrekpunt voor dit lied. De aanwezigheid van generaal Schwarzkopf met zijn beelddemonstraties van geleide raketaanvallen en de vluchtelingenstroom op de Balkan deden Stef in zijn pen kruipen. “Tussen de liefde en de leegte” levert hem opnieuw twee radiohits op, Jij bent voor mij en De radio, geschreven in opdracht van de VRT en ook graag geschreven omdat Stef van het mysterie van alleen maar een stem houdt: het voedt namelijk de verbeelding. Opvallend is dat beide nummers niet in de Vlaamse Top Tien opduiken. In 1993 ontvangt Stef voor zijn intussen met een platina exemplaar bekroonde album “Tussen de liefde en de leegte” de prestigieuze “Pall Mall Exportprijs”, een jaarlijkse Nederlandse prijs voor in het oog springend jong talent in de sector kunst en cultuur. De prijs bestond sinds 1978 en werd mogelijk gemaakt door SNS REAAL Fonds. Wegens de tabakswet werd de naam van de prijs gewijzigd. De oude naam was de Pall Mall Exportprijs, dit werd eerst de British American Tobacco Prijs. De latere naam, de Eerste Prijs, werd vanaf 2006 gebruikt tot 2010, het laatste jaar dat de prijs werd uitgereikt. De prijs had tot doel de ontwikkeling van jonge artiesten te bevorderen. De winnaar kreeg 15.000 euro en een replica van een beeld van Yvonne Kracht.

De vierde mei 1991 scoort Stef zijn enige nummereenhit in de Vlaamse Top Tien. Hij had iets voordien Breek de stilte samen met Bob Savenberg van Clouseau opgenomen. Bob schreef dit liedje samen met Stef op verzoek van Bobs zus Mieke, om met deze plaat haar autistische kind en de duizenden andere kinderen in Vlaanderen en Nederland te helpen. De opbrengst van deze plaat ging integraal naar de “Vlaamse Vereniging Autisme” en de “Nederlandse Vereniging Autisme”. Breek de stilte wordt tijdens de zomer van 1991 door Radio 2 tot “Zomerhit ’91″ gekroond. Papa ontvangt diezelfde avond de prijs van beste Nederlandstalige plaat. Van VTM mag Stef Bos dat jaar een “Gouden Oog” in ontvangst nemen als populairste zanger. In Vlaanderen laat hij het publiek met zijn talent kennismaken tijdens zijn eerste theatershows.

Omdat hij zoveel talent in zich heeft en graag links en rechts dat talent toetst aan diverse activiteiten, vertaalt en bewerkt hij in opdracht van het “Ballet van Vlaanderen” de musical “De man van La Mancha”. Stef schrijft alle Nederlandstalige teksten van de musical. Hij ging maar wat graag op dat voorstel in omdat zijn idool Ramses Shaffy de hoofdrol zou vertolken. De elfde oktober 1993 heeft de première plaats. Ramses zet een magistrale versie neer. Datzelfde jaar wordt Shaffy in Amsterdam door de zangers en acteurs in Amsterdam gevierd. Voor deze gelegenheid schrijft Stef De Kracht van de Onmacht.

In 1994 is er het nieuwe album “Vuur”. Intussen was Stef op zoek gegaan naar zijn herkomst, had hij zich ook wat ondergedompeld in andere culturen. Hij had een jaar eerder op een avond in Antwerpen op het terras van café “De Faam” de Zuid-Afrikaanse zanger Johannes Kerkorrel ontmoet. Iemand die, zo bleek uit hun gesprek, de confrontatie zocht met zijn eigen cultuur ten tijde van de apartheid. In Zuid-Afrika leerde Stef hun traditionele muziek kennen, vermengd met religieuze elementen. Een neerslag van dit alles horen we terug in veertien liedjes, waarvan De Hemel en Pepermunt speciaal geschreven werden voor het NCRV-programma “Baas boven Bos”. Voor zijn derde album “Vuur” neemt Stef de productie zelf in handen en selecteert als muzikanten de basgitaristen Evert Verhees en Flor Van Leugenhaeghe, toetsenist Marc De Boeck, gitarist Francis Wildemeersch en percussionisten Walter Metz en Eric Rits. Het album zal drie singles opleveren: Hilton Barcelona (Stef was daarnaartoe gereisd op uitnodiging van zijn muziekuitgever Hans Kusters, waar zij in het Hilton Hotel logeerden), Pepermunt en Awuwa, wat zoveel betekent als Zij wil dansen. Na hun gesprek in dat Antwerpse café hadden Stef en Johannes besloten een poging te ondernemen om het Nederlands en het Afrikaans samen te brengen in een lied, nadat dat jaren onmogelijk was, gezien de culturele boycot die er bestond. Stef schrijft dit nummer samen met Johannes (echte naam Ralph John Rabie) en Didi Kriel tijdens een vijfdaags verblijf in Johannesburg. De zeventiende juli 1993 prijkt Awuwa op de negende plaats in de Vlaamse Top Tien. Tijdens onze babbel geeft Stef toe dat hij Zuid-Afrika heeft leren kennen dankzij Johannes, die voor hem in dat continent een fenomenale gids is geweest en die hem in dat gebied de diverse culturen en complexiteit heeft leren kennen. “Als je zo’n land leert kennen via iemand die met een open vizier leeft en kijkt, dan kun je niet anders dan er verliefd op worden. Zonder Johannes Kerkorrel zou mijn leven er anders hebben uitgezien. Ik heb door hem leren inzien dat ik de onrust en onvoorspelbaarheid van Afrika nodig heb om mezelf te dwingen voorbij de grenzen te bewegen, mezelf in vraag te stellen. In Nederland en Vlaanderen kan ik dan weer op tijd en stond tot rust komen in die cocon van de goede geregelde orde.” Om nog even met dat Afrikaverhaal door te gaan. Hier leert Bos de in Sophiatown geboren zangeres Thandi Klaasen kennen. Op het HKM-label zal van haar in 1996 het album “Together as one” verschijnen, waaraan Stef samen met Johannes Kerkorrel zijn medewerking verleent. We horen Stef op dit album samen met Thandi onder meer in het aanstekelijke Two of a kind, dat de negentiende juli op single verschijnt. Nog even dit vermelden: van 1990 tot 2001 las Johannes wekelijks zijn column voor in het Radio 1-programma “Het einde van de wereld”. De twaalfde november 2002 overlijdt Johannes op 42-jarige leeftijd in Johannesburg.

In de maand oktober van 1995 is er het album “Schaduw van de nacht”. De keuze van Stefs muzikale evolutie sinds zijn eerste plaat was intussen duidelijk hoorbaar en leidde regelmatig tot een stevig gesprek met zijn platenbaas Hans Kusters, die voorzag dat het publiek van het eerste uur zou afhaken, dat ze van Stef zouden vervreemden. Hans kreeg gelijk, maar Stef kon niet anders dan nieuwe grenzen aftasten om het op die manier voor zichzelf interessant te houden. Nog steeds is Stef Hans dankbaar dat hij zijn eigen weg mocht gaan. Tijdens de zomer van 1995 kampeert Stef in de Nederlandse “Bullet Sound Studio” in Nederhorst den Berg en in de “Crescendo Studio” in Genk. Geflankeerd wordt hij daar door onder anderen gitarist Francis Wildemeersch, bassist Lené te Voortwis, bassist Bert Embrechts en accordeonist Marc De Boeck. Het merendeel van de liedjes schrijft Stef zelf. Het was geen gemakkelijke klus, want het schrijven van de teksten nam meer tijd in beslag dan voordien. Er was namelijk kritiek op zijn teksten opgedoken en Stef las die in een positieve zin, hij trok zich die aan en dat vertaalde zich in beter afgewerkte poëzie. Zijn albums worden van dan af beter in Nederland gesmaakt dan in Vlaanderen, waar uiteindelijk alles voor hem begonnen was. In die tijd werd het Engels ook almaar dominanter in de hitlijsten en was er voor het Nederlandstalige werk van Bos almaar minder plaats en aandacht. Door zijn ontdekking van Zuid-Afrika ging er voor Stef intussen een nieuwe wereld open. Zijn leefwereld werd ruimer. Hij ging Zuid-Afrika almaar meer als zijn derde thuisland beschouwen. In het liedje Zondag in Soweto zingt hij daar bijvoorbeeld over. Hij had dit liedje geschreven tijdens zijn verblijf in Zuid-Afrika toen hij aan het project met Thandi Klaasen werkte. Voor deze song was Stef op zoek naar een traditioneel zwart kerkkoor en kwam op een zondag in een kleine kerk van zinkplaten in Soweto terecht. Daar zong het Zion kerkkoor, met wie hij in de “Valley Studio” in Johannesburg Zondag in Soweto opneemt. Het album “Schaduw in de nacht” is voor Stef samen met zijn eersteling “Is dit nu later” de belangrijkste cd in zijn ontwikkeling tot op dat moment. De nummers Vrouwen aan de macht en Schaduw in de nacht worden de maanden nadien als singles uitgebracht. “Schaduw in de nacht” is ook de titel van de theatertournee waarmee Stef en zijn band van 1995 tot en met 1996 on the road gaan.

In 1995 is er de single Twee mannen zo stil, een duet dat Stef opneemt samen met zijn vriend Frank Boeijen. Stef lag in 1984 ziek in bed, luisterde naar de radio en hoorde Frank het nummer Zwart Wit zingen. Hij was er meteen door geraakt, niet alleen door het ritme, maar ook door zijn manier van zingen en vooral door de tekst, want ze hebben beiden een broertje dood aan racisme, populisme en materialisme. Door de jaren heen leerden ze mekaar beter kennen en waarderen. Ze groeiden beiden uit tot chansonniers van de Lage Landen. “Bij Stef“, zegt Frank, “kan ik thuiskomen, we zijn geestverwanten!” Van Boeijen leerde Stef door de jaren heen hoe je je zakelijk moet opstellen, niet alleen artiest zijn, maar ook zakenman. Twee mannen zo stil kwam tot stand na een optreden in Brugge waarna ze naar een restaurant trekken, waar Stef achter de piano plaatsneemt. De woorden van het nummer waren in Franks hoofd blijven hangen na de begrafenis van een vriend. Stef had zomaar ineens de noten erbij. In het gastenboek van het restaurant schreven ze de tekst verder uit en zetten er een punt achter toen de rijkswacht kwam vragen of het niet wat stiller kon. Geluidsoverlast, kan je nagaan.

Jacques Brel is iemand waar Stef enorm naar opkijkt. Hij treedt samen met Johan Verminnen, begeleid door pianist Michel Bisceglia, de dertiende en veertiende januari 1997 in de “Ancienne Belgique” en de elfde maart 1997 in het “Cultureel Centrum De Werf” te Aalst op tijdens de alom geprezen voorstelling “In het licht van de schaduw”, een hommage aan Jacques Brel naar aanleiding van diens overlijden twintig jaar geleden.

De achttiende oktober 1997 ligt het dubbelalbum “De onderstroom” in de winkels. De productie is deze keer in handen van Stef Bos en Bert Embrechts. Stef geeft toe dat wanneer hij hier in de Lage Landen geen verplichtingen had, hij op zoek ging naar een andere horizon. Niet alleen het uitzicht verandert dan, maar ook het inzicht. Het logische gevolg is dat deze nieuwe verzameling liedjes die sporen daarvan dragen. Samen met bassist Bert Embrechts ontstond de idee om een reis te maken van Kaapstad naar Johannesburg en onderweg liedjes te schrijven en die op te nemen met lokale muzikanten zoals Faith Kekana, Lucas Maree, Stella Khumalo, Louis Mhlanga, Wings Segana, Ray Phiri en anderen. Zijn vriendschap met Johannes Kerkorrel was in dezen erg belangrijk. Johannes zou een hechte vriendschap met Stef aanknopen en hem de liefde voor het Afrikaans bijbrengen. Over die periode zei Stef nadien het volgende: “Vanaf die ontmoeting met Johannes Kerkorrel was ik verkocht aan Zuid-Afrika en de schoonheid van het land. In die begindagen maakte ik met name veel muziek samen met zwarte muzikanten. We deelden een bezieling en leerden van elkaar. De muziek was spiritueel, zonder voor entertainment bedoeld te zijn. We maakten muziek vanuit onze buik, ik heb zoveel van ze geleerd. Dit resulteerde in de cd “De onderstroom”. Op deze cd hebben we talen vermengd. Juist doordat we elkaars moedertalen niet spraken, merkten we dat het bij muziek niet zozeer gaat om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Van daaruit ben ik later verder gegaan, steeds culturele grenzen overgegaan, met name zwarte culturen. Op dat moment had ik eigenlijk nog helemaal geen oog voor die ene taal die zo dicht bij mijn eigen taal ligt, het Afrikaans. Ik hoorde het om me heen, begreep er veel van, maar deed er niets mee. Langzaamaan begon ik het te integreren in mijn eigen muziek.” Op het einde van de lange reis werd het eerste deel van deze cd in de maand april in dat jaar 1997 in de “Valley Studio” in Johannesburg ingeblikt. Uit de mond van de band klonk het haast unaniem in die studio: “We have to celebrate our differences!” Tijdens de opnamen leerde Stef van de Afrikaanse muzikanten dat je nooit iets mag forceren. Als je lang genoeg de tijd laat, zoekt de melodie en de tekst zijn eigen bedding naar zee. Daar heeft Stef stilaan leren loslaten. Go with the flow. Het album werd uiteindelijk opgedeeld in twee: “De onderstroom 1″ en “De onderstroom 2″, in het totaal goed voor vierentwintig nieuwe liedjes. Deel twee van dit album werd in Antwerpen opgenomen en gemixt. Er werd bij Stef thuis gewerkt tijdens die ontzettend hete zomer, in het hart van de stad, op zijn zolder. In de Ultratop 200 Albums staat de cd de vijfentwintigste oktober op de veertiende plaats. De dag zal komen en De tovenaar verschijnen op single. “De onderstroom” is ook de titel van zijn nieuwe theatershow waarmee hij op stap gaat.

In de maand april 1998 brengt Stef zijn liedjesteksten gebundeld uit onder de titel “Meer dan papa”. Live optreden is naast het schrijven van liedjes zijn grootste genot. Daar kan hij zijn oeuvre het best etaleren. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat hij een rist hoogtepunten van die optredens in 1998 verzamelt op de dubbelaar “Stad en land”, een overzicht van hoogtepunten van de voorbije zes jaar. In het totaal zeventien liedjes die proberen een indruk te geven van de verschillende tournees en het karakter van elke tour. Er staan voor de aardigheid ook enkele nooit eerder opgenomen nummers op zoals Fake, Door de wind en Sophiatown. Er werd eerst getwijfeld of de bindteksten tijdens de nummers op de cd te horen zouden zijn of niet, maar omdat ze niet zo tot hun recht komen op deze plaat omdat de juiste sfeer ontbreekt, werden ze weggelaten.

Ook al is Stef vaak op reis en schrijft hij onderweg het merendeel van zijn liedjes, toch hebben de songs op het album “Zien”, dat in 1999 in de winkel ligt, met het thuisfront te maken. Afrikaanse klanken blijven hier achterwege. Bos kiest meer voor de sfeer van het chanson en dat is duidelijk te horen ook. Er wordt opgenomen in “Studio The Groove”. Stef omringt zich met een hele rist muzikanten, een tiental. In Reizen door de nacht is in de achtergrond Johan Verminnen te horen. Stef schrijft zijn liedjes almaar meer en vaker samen met anderen, met onder meer Bert Embrechts, Francis Wildemeersch, Gert Meert en Antony Boast. Met de meesten is hij vaak onderweg en dan leent de tijd zich regelmatig om samen liedjes te schrijven. Een absoluut hoogtepunt op dit album is de Bosklassieker Rue de Mouftard: “En ik laat je zien waar ik wou wonen, in de Rue de Mouftard, met de vrouw van mijn dromen, ik was negentien jaar, met de pretentie van een dichter die nog niets geschreven heeft en die alleen in zijn verbeelding tot de bodem heeft geleefd.” Op dit album laat Stef horen dat Jacques Brel hem na aan het hart ligt. Stef schrijft een Nederlandse tekst bij een van de bekendste liedjes van Brel, Jef. Voor het album in de rekken lag, was er de gelijknamige theatertour, goed voor negentig optredens. Tijdens die concerten doken vele nieuwe liedjes op, die uiteindelijk op dit album werden verzameld, vijftien in het totaal. Tijdens de vele repetities en de tour zelf kregen ze stilaan de vorm zoals ze op het album te horen zijn. Het nummer Ik heb gedronken werd gezamenlijk door de ganse band van dienst geschreven. Het wordt een manier van samenwerken die op de volgende albums almaar meer voorrang krijgt, teamwork. Die manier van werken, dat samenspelen heeft Stef sindsdien als zanger-liedjesschrijver een tweede leven gegeven.

In de maand november 2000, met het oog op cadeautjestijd, wordt Bos verzameld op de dubbelaar “Het beste van Stef Bos”, uitgebracht op het HKM-label en verdeeld door CNR. Het album is opgedeeld in tweeën: cd 1 “Noord” met daarop bekende liedjes als Papa, Breek de stilte en De radio, en cd 2 “Zuid” met daarop Afrikaanse nummers als Awuwa, Didi Mala en Johannesburg. De platenfirma had er wellicht meer van verwacht, maar de zestiende december houdt het album halt op de vijftigste plaats van de Ultratop 200 Albums. Stef zegt over deze cd: “Dit is een verzameling die een idee geeft van de weg die ik aflegde sinds ik eind jaren tachtig besloot dat ik vooral liedjes wilde maken, want ik voelde dat ik niet voor acteur of cabaretier in de wieg gelegd was. Elk liedje op deze plaat is een keten van associaties die ergens begint, een banaal nietszeggend voorval kan al voldoende zijn. Zoals een vader die op een zondagmiddag zwijgend zijn eigen handen bekijkt en opeens zie je jezelf terug. Elk lied heeft zo zijn oorsprong, maar moet die oorsprong ontstijgen om zichzelf te worden, zoals een mens. Pas dan kan een lied misschien iets teweegbrengen. Ik heb geleerd met vallen en opstaan en ik leer nog steeds. Aanvankelijk was alles direct wat ik schreef, daarna ging ik meer op onderzoek. Zo leerde ik dat je ook soms gewoon kunt beschrijven wat je ziet. Wie schrijft moet een vreemdeling willen zijn, een observator van zichzelf, de anderen en de wereld. Wie schrijft moet afstand kunnen nemen op zijn tijd van zijn tijd.”

Diezelfde maand november 2000 verschijnt de cd “Louis Neefs 20 jaar later”. Hierop zet Stef een niet onaardige versie neer van Neefs’ Martine. Dat album is een heuse meevaller en geraakt de zesde januari 2000 tot op vier van de Ultratop 200 Albums. Bos duikt de negentiende december ook op tijdens het herdenkingsconcert dat ter ere van Louis Neefs in het “Sportpaleis” op het getouw wordt gezet. In het totaal komen er die dinsdagavond twaalfduizend Neefsgetrouwen opdagen.

Daar waar Stef op het album “Zien” de Afrikaanse aanpak en verpakking wat achterwege liet, pakt hij op het volgende album “Van Mpumalanga tot die Kaap” weer lekker exotisch uit. Deze cd is het muzikale resultaat van de vele reizen die Stef door dit continent heeft gemaakt. Het is ook het eerste Bosalbum dat in 2001 zowel in België, Nederland als in Zuid-Afrika tegelijk werd uitgebracht. Er duiken, naast de vaste bende, ook enkele Afrikaanse muzikanten in de studio op, met name de gitaristen Louis Mhlanga en Tu Nokwe. Van de hand van Frank Boeijen is er het liedje Ingabilé. Een aantal tracks zijn liveregistraties die tijdens de zomer werden opgenomen, onder andere Zondag in Soweto, dat in het openluchttheater “KLeine Libertas” in Stellenbosch werd opgenomen, net als de nummers Witsand en De rivier. In het bijbehorende boekje schrijft Stef: “Het Afrikaans is een taal die betovert, het kan de werkelijkheid meer waarde geven. Het is een jonge taal die nog niet verzuurd is door taalunies en taalrechters. Ze hebben het wel geprobeerd tijdens de apartheid, maar de taal ging zijn eigen gang. Je moet de Capies maar horen en je weet dat deze taal leeft op straat en met zich laat spelen.” Zijn confrontatie met hun muziek was een soort shock, want daar sta je dan haast in je eentje als blanke. “Mijn eerste kennismaking met hun zwarte muziek”, zegt Stef, “was een openbaring van ongedwongenheid. Muziek is daar onderdeel van het dagelijkse leven, iedereen zingt, bijvoorbeeld te voet onderweg om de afstand naar de bestemming kleiner te maken dan hij is. Zo zijn deze liedjes ontstaan: geschreven met mijn ogen, reizend van noord naar zuid, van Mpumalanga tot die Kaap, door dit eindeloze land, vol tegenstellingen, waarvan ik steeds meer hou.”

Omstreeks 2001, wanneer Stef de veertig passeert, duikt hij meer en meer in het taoïsme, een Chinese filosofische en religieuze stroming. Het taoïsme gaat over hoe te handelen in het leven. Vanuit zijn protestantse opvoeding dacht hij tot dan toe te zeer in termen van goed en kwaad. Hij kwam tot de ontdekking dat ware woorden niet mooi zijn en mooie woorden niet waar. Die vaststelling maakte zijn hoofd vrij en bracht hem de nodige ontspanning. Hij leerde ook dat het in het leven gaat om de weg die je aflegt. “We maken allemaal een reis door het leven en nemen foto’s onderweg. Als zanger zijn jouw foto’s jouw liedjes. Een mens hoort zich te ontwikkelen in zijn eigen tempo. Sommigen leveren hun meesterwerk af als ze dertig zijn, anderen op hun zestigste.”

Stef wil ook meer op eigen benen staan en besluit in 2001 zijn samenwerking met Hans Kusters te beëindigen en start met een eigen platenlabel, Niemandsland. Hij bouwt ook zijn eigen studio om daar zijn eigen demo’s op te nemen. Vrienden die graag musiceren zijn hier altijd welkom. Commerciële doeleinden primeren in dezen niet voor Stef, al zal onder anderen Tine Reymer hier een van haar cd’s inblikken.

De negentiende mei 2003 is er het album” Donker en licht”. Sommige liedjes uit deze cd kwamen al tot leven tijdens zijn “Nu”-tournee in de periode van 2000 tot en met 2001 én in de daaropvolgende tournee “Niemandsland”, waarmee Stef vanaf 2002 van start ging. Liedjes als Kazazi en Liria ontstonden in Albanië, waar hij tweemaal naartoe trok. Stef reisde naar ginder samen met opticien Paul Luyf, die zich daar bezighoudt met de stichting “Oogproject Albanië”. De opbrengst van deze liedjes ging ook naar die stichting. Dit album werd geboren in een haast depressieve periode voor Stef. “Alle nummers op deze cd schreef ik drie jaar geleden. Ik voelde me toen als een kip zonder kop. In mijn naaste omgeving waren er kort na elkaar enkele dierbaren overleden: een vriendin, mijn moeder, een bevriende collega. Daar was ik niet goed van. Ik was echt knock-out. Ik kon wel functioneren en op een podium mijn nummers spelen, maar ik voelde diep in mij toch een leegte. Alsof er een zware steen op mijn maag lag. Nochtans ben ik van nature vrij optimistisch: dat heb ik van mijn moeder geërfd. Ik kon het echter allemaal niet meer opbrengen en kon geen richting in mijn leven meer bepalen. Bij elk overlijden moet je gewoon door een rouwproces. Je moet niet denken dat je na drie weken weer de vrolijke jongen kan uithangen. Zo werkt dat niet. Als je iemand verliest, blokkeer je even en moet je daar langzaam en in je eigen tempo overheen proberen te geraken. Bij mij heeft het anderhalf jaar geduurd voor ik dat besefte. Dood en verdriet hebben een plek in mijn leven gekregen. Nadien kroop ik recht en sindsdien dans ik weer. Die moeilijke periode is voorbij en ik voel me veel lichter. De laatste drie nummers van mijn nieuwe cd Verstild in steen, Van voor af aan en Ik mis jou gaan over dood en verval en schreef ik vrij vlot. Zij vormen als het ware een drieluik. Maar het duurde maanden voor ik het emotioneel aankon om ze ook echt te zingen op een podium.” Opvallend en oprecht op dit album is het liedje Niemandsland: “Maar ik verlang naar de toekomst, ik verlang naar een opstand, ik verlang naar bezieling, ik verlang naar de weerstand en naar de liefde die het waar kan maken, die het hart kan raken, die de muur kan slechten, die mijn hart kan raken.” Binnen de context van dit lied wou Stef toen aan de media het volgende kwijt: “Ik heb mijn plaats leren kennen, ook op het vlak van de liefde. Ik kon vroeger heel makkelijk verliefd worden en duizend kussen beschrijven in duizend smaken. Maar ik ben ook een individualist die op tijd en stond niet gestoord wil worden omdat hij wil schrijven. Schrijven blijft voor mij het heiligste van het heilige. Blijkbaar kan ik die twee werelden niet verenigen: schrijven en de ideale partner zijn. Ik ben al een tijdje niet meer verliefd geweest en dat is een goed teken. Ik leef eerlijker. Als je verliefd bent, wil je zoveel waarmaken. Maar je snijdt in je eigen vingers. Met een verliefde kop beloof je vaak heel veel, maar wat kan je nakomen? Ik heb met vier vrouwen een langdurige relatie gehad. En toen was ik telkens monogaam. Met alle vier heb ik nu nog steeds een tamelijk goed contact. Er zijn gelukkig geen vrouwen die ik haat. Ik ben blij dat ik in de liefde niet verbitterd hoef te zijn.”

2003 is een zeer productief jaar, want de vijfentwintigste oktober wordt het album “Jy vir my” gereleaset, met daarop livefragmenten van de tournee van een jaar eerder toen Stef met zijn band gedurende vier maanden door Zuid-Afrika trok en optredens gaf in de theaters van de universiteiten van Pretoria en Stellenbosch. Daarnaast trad hij ook op in Bloemfontein, Kimberley, Potchefstroom en Upington. Die optredens werden op een tweesporenbandopnemer vastgelegd waarvan voor dit album daaruit een selectie werd gemaakt, waaronder een aantal liedjes die Stef enkele maanden voordien in Zuid-Afrika had geschreven. Liedjes uit dit album die Stef na aan het hart liggen zijn: Waar slaap my liefde (een gedicht van Ingrid Jonker, waarop Stef tijdens zijn verblijf in Witsand op zijn gitaar de muziek schreef), Wagtyd (opnieuw een gedicht van Ingrid Jonker), Pelgrimsrus (geschreven op de dag dat een van zijn vrienden overleed) en Hillbrow (Stefs lievelingsliedje van Johannes Kerkorrel).

De twaalfde november 2005 staat Stef Bos in de Ultratop 200 Albums met “Ruimtevaarder”, uitgebracht op het Niemandsland-label. Die cd werd de zestiende september aan de pers voorgesteld. De liedjes ontstonden tijdens de voorgaande twee tournees: de solotour “Dichtbij” (2004) en de bandtour “Licht” (2004-2005). De eerste try-out van de theatertour werd gespeeld op de dag dat Theo van Gogh werd vermoord. Het zette Stef aan tot het schrijven van Het midden, een soort gesproken proloog. Een rustige, koele vertolking, waarbij de diepte en warmte van Stefs troubadourstem volledig ten dienste staan van de betekenis van de tekst: “Ik volg geen richting, ik volg geen weg, ik volg geen licht, ik volg geen ster, ik volg geen leider, ik volg geen vlag, volg alleen nog steeds mijn hart.” In de maand oktober van 2004 verschijnt bij Lannoo de bundel “Gebroken zinnen”, een bloemlezing bestaande uit gedichten, gedachten en die gecombineerd worden met illustraties in diverse (verf)technieken van de Zuid-Afrikaanse kunstenares Marriana Booyens. Het motto geeft eigenlijk het thema aan, opgedragen aan degenen die bestaan en degenen die bestonden.

Het liedje Het midden is ook het nummer waarmee het album “Ruimtevaarder” wordt ingezet. Het album wordt in de maanden mei en juli 2005 opgenomen in “Studio The Groove” te Schelle met aan de knoppen producer Peter Bulkens. Stef laat zich begeleiden door de gitaristen Martin de Wagter en Francis Wildemeersch, toetsenist Jan van Looy en bassist Roberto Mercurio. Hij wordt vocaal bijgestaan door Wes Lee en Stella Khumalo. Stef Bos tekent voor alle liedjes, behalve voor Wals der verliefden, die door Jan van Looy werd aangereikt. De elfde oktober is er bij uitgeverij “Lannoo” het boek “Alles wat was”, een verzameling liedteksten zoals het hoort van het allereerste begin tot en met de liedjes van de cd “Ruimtevaarder”. Op méér dan vierhonderd bladzijden staan alle liedteksten die Stef voor zichzelf en voor anderen schreef in die periode plús het persoonlijke commentaar van Stef Bos in cursiefjes erbij, inclusief foto’s, brieven, rekeningen enzovoort van verschillende mensen met wie hij heeft samengewerkt. Zo leren we dat hij onder meer Alle mooie vrouwen zijn zo lelijk schreef en dat het uiteindelijk bij Margriet Hermans terechtkwam. “Op een avond spraken we af bij Wouter Van Belle, in die tijd nog studiotechnicus. Tegen dat het licht werd hadden we bij hem thuis een demo opgenomen, Alle mooie vrouwen zijn zo lelijk, ik kreeg die zin en dat deuntje maar niet uit m’n hoofd. Toen Roland Verlooven, toenmalig producer van Margriet Hermans, bij toeval die demo hoorde, werd het bewerkt voor een vrouwelijke benadering en zong zij in 1990 Alle mooi mannen zijn zo lelijk.” Als extra achter in het boek vindt u de cd “Onvoltooid verleden” met solo-opnames van elf liedjes die voor het grootste gedeelte niet eerder werden opgenomen.

De twintigste augustus 2006 verschijnt bij uitgeverij “Niemandsland” het boek “Ja”. “Op het moment van schrijven ben ik niet bezig met het feit of zoiets voor een boek is bestemd, het moet er gewoon uit. Pas later, als ik door al die schetsen ga, bepaal ik waar ik verder aan zal werken. Begin dit jaar, toen de plannen van het boek concreter werden, wist ik ook dat ik het graag met één schilder vorm zou willen geven: Eric de Bruijn. Ik had Eric leren kennen via kameraad Frank Boeijen en was zeer gecharmeerd van zijn werk. Het werd een zeer aangename samenwerking.”

Vanaf de zevenentwintigste januari 2007 trekt Stef Bos op tournee met de show “Storm”, waarvoor hij de aftrap geeft in de “Ancienne Belgique” in Brussel. Daarover schrijft Joost Van Liefferinge het volgende: “Hoe optimistisch je ook bent over de relatie tussen Nederlanders en Vlamingen, het zijn meestal geen al te beste combinaties. Soms moet je echter inzien dat beide streken elkaar met liefde omarmen en veel met elkaar gemeen hebben. Een man die moeite noch kosten spaart om deze twee culturen nog dichter bij elkaar te brengen, is Stef Bos. Zijn nieuwste theatertour “Storm” combineert poëzie met muziek. Hoe het komt, weten we niet, want kenners kan je ons niet noemen. Maar de Stef Boshype leeft méér dan ooit in Vlaanderen. Wat we uit onze geschiedenisboeken wel hebben geleerd, is dat hij al lang hot is, de eerste theatertour van Stef Bos in de jaren negentig sloeg namelijk helemaal niet aan bij onze noorderburen, de Nederlanders vonden het te slap. Stef kwam zo bij de Vlamingen terecht, en wij vielen letterlijk al snel bij bosjes. Sindsdien is de bekendheid er niet minder op geworden en is Stef Bos eigenlijk nooit meer weggegaan uit ons hart.” Dat jaar is er ook de dvd “Rooi aarde, swart bloed”. Deze in Zuid-Afrika verschenen dvd bevat liveopnames van het concert in de Universiteit van Pretoria met als speciale gasten Amanda Strydom, Faith Kekana, Stella Khumalo en Wess-Lee. Als bonusmateriaal is er een intiem gesprek waarin Stef Bos het onder meer heeft over zijn liefde voor de Afrikaanse taal en een aantal muziekvideo’s: Het Avondland (met Koos Kombuis), Die taal van my hart (met Amanda Strydom), Pelgrimsrus (met UP Symfonieorkest), Zondag in Soweto (met Sibongile Khumalo) en Jy vir my. In 2007 is er ook het album “Anaïna” van de in Nederland wonende zanger Fernando Lameirinhas. Op deze cd staat het prachtige Hier. Op een zondagochtend ontmoet Stef tijdens een radioprogramma in Hilversum de in Portugal geboren Fernando. Het klikte meteen tussen hen en er werd besloten een liedje te schrijven. Dat gebeurde op een middag bij Stef thuis. Fernando met een gitaar en Stef met een klein Indiaas orgeltje op schoot. Het liedje werd opgebouwd rond die ene zin “Ik woon niet waar ik geboren ben“.

Niet verlegen om een aparte aanpak van zijn songmateriaal pakt Stef Bos in 2008 uit met een aantal demo-cd’s. Het eerste deel uit de demoserie verschijnt in de maand januari met de eerste versies van de nieuwe liedjes die tijdens de voorbije en nog lopende tournee ten gehore werden gebracht. De cd wordt verpakt in een kartonnen hoesje. Alle instrumenten op deze cd worden gespeeld door Stef Bos, Roberto Mercurio en René van Mierlo. “Elk lied heeft zijn eerste versie. Die versies ontstaan in mijn geval doorgaans thuis, waar na een dag werken en denken en zingen en schrijven het eerste idee wordt opgenomen op multitrack zonder al te veel technisch gedoe. De ziel van het liedje wordt gezocht met her en der een verdwaalde noot die misschien in de studio zou sneuvelen, maar ook met een onbevangenheid die je in een opnamestudio doorgaans niet vindt.” In maart wordt “Demo’s deel twee” aangeboden. “Een tweede verzameling van nieuwe liedjes in hun oerversie, meestal opgenomen op de dag dat de muziek ontstond en de tekst verder werd uitgewerkt. De versies werden thuis geschreven en vastgelegd tussen juli en november 2007 en zijn later in de repetitie en tourfase dikwijls van vorm veranderd. Zo gaan liedjes hun weg van de oorsprong naar een bestemming.” In december 2008 is het de beurt aan “Demo’s deel 3″. “Ook nu werd de eerste versie thuis opgenomen en gemixt. Het wordt langzaamaan een fijne traditie voor mij, aangezien ik op deze manier ook materiaal dat misschien nooit een officiële cd zal halen, toch het licht kan laten zien. Of een lied als Sneeuw, dat exclusief geschreven is voor de vzw Sint-Annendael, die de psychiatrie via de muziek uit de stilte wil halen. De opbrengst van dit lied op deze cd gaat dan ook naar hen“, aldus Stef Bos.

De tiende oktober 2008 verschijnt bij “Lannoo” het boek “Stillewe”, gemaakt in samenwerking met de Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenares Varenka Paschke. Het boek werd geboren gedurende een reis die zij samen maakten door Latijns-Amerika. Een reis die eindigde in Mexico tijdens de “Dia de Muertos”, een feest waarin de doden de eerste avond bij de levenden thuis op bezoek komen. De tweede avond gaan de levenden bij de doden op bezoek en vieren feest op de kerkhoven. Tijdens het feest neemt de dood alle gedaantes van het leven aan. Het macabere wordt menselijk, de hardheid zacht, de kilte wordt warm en de zwaarte wordt licht. Die samenwerking tussen Stef en Varenka werd méér. In “Het Laatste Nieuws” lezen we de achtentwintigste april 2009: “Zanger Stef Bos is tijdens een intieme plechtigheid in Zuid-Afrika in het huwelijksbootje gestapt met de veertien jaar jongere Zuid-Afrikaanse kunstenares Varenka Paschke, die ook de illustraties van zijn boek “Stillewe” maakte. Paschke is de kleindochter van de in 2006 overleden ex-premier en -president van Zuid-Afrika, Pieter Willem Botha. Dat meldt “Dag Allemaal”. Het nieuws van zijn huwelijk lekte uit omdat Stef zich schriftelijk excuseerde bij de toeschouwers die een ticket hadden gekocht voor zijn voorstellingen in Eindhoven en Hengelo. Beide voorstellingen werden verplaatst voor de huwelijksplechtigheid. Bos schreef toen in zijn boodschap: “Door een positieve noodtoestand in mijn privéleven heb ik voor het eerst in vijftien jaar twee voorstellingen verplaatst. Mijn excuses daarvoor. Maar positieve dingen in je privéleven mag je nooit uitstellen.”” Toen Stef haar ontmoette, was hij doodsbang dat hij zichzelf zou verliezen: “Voordat ik met haar samenleefde, koos ik situaties waar ik gemakkelijk uit weg kon. Maar dat is de kern van iemand graag zien: je helemaal overgeven in het volle besef dat je haar niet wil kwijt geraken. Dat is ook zo in de muziek. Als je je durft over te geven, schrijf je de mooiste en eerlijkste liedjes.” Met Varenka heeft Stef inmiddels twee kinderen: zoon Kolja en dochter Lorelai.

Op vraag van de NCRV schrijft Stef in 2009 twaalf liedjes over twaalf Bijbelse figuren. Hij gaat akkoord met deze opdracht, op voorwaarde dat hij los van het geloof, kerk en dogma’s kan schrijven, waardoor ze in een ander licht komen te staan en het mensen van deze tijd worden. De cd kadert binnen het crossmediale project “In een ander licht”, naar aanleiding van het 85-jarig bestaan van de NCRV in samenwerking met het Metropole Orkest o.l.v. Jules Buckley. Aan dit album, dat van de zevende tot en met de elfde september 2009 in Hilversum werd ingeblikt, werd eveneens meegewerkt door Fernando Lameirinhas, Frank Boeijen en JackoBond, die te horen zijn in liedjes als Lied van Prediker, Lied van Noach en Lied van Maria Magdalena. Heeft Stef dan sowieso iets met religie? “Ik kom uit een blijmoedige kerk. Synodaal, licht gereformeerd. We hadden in onze gemeenschap dominees die preekten over de liefde. Of tegen de neutronenbom. Wij waren thuis ook niet van die EO-gangers. Het evangeliseren heeft bij ons nooit centraal gestaan. Het ging om de bezieling, niet om de dogma’s. Toen ik wegbleef uit de kerk en de familie daar tijdens de koffievisite vragen over stelde, zei mijn vader: “Zolang die jongen maar achter een idee staat waarmee hij verder kan in dit leven, heb ik er geen problemen mee.” Ik denk dat de opstelling van mijn ouders ervoor heeft gezorgd dat ik nooit de behoefte heb gehad om mijn achtergrond te verloochenen. Bovendien zijn er uit het christelijk geloof ook mooie dingen ontstaan. Waarom zou ik daar afstand van moeten nemen? Je kunt toch wel van voetbal houden zonder lid te zijn van een club? Zo is de Bijbel voor mij niet meer dan een boek. Een prachtig boek, maar ik begrijp niet waarom er aan de Psalmen nog niet bijvoorbeeld De Steen van Bram Vermeulen is toegevoegd. De Bijbel zou veel meer een boek van en voor mensen moeten zijn.” Na al die jaren heeft Stef nog steeds de bijbel bewaard die hij van zijn vader kreeg met daarin als opdracht: “De liefde is ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade en gehecht aan het goede. Weest elkander in broederliefde genegen.” De Bijbel is en blijft voor Stef een onderdeel van zijn opvoeding en vorming. De cd verschijnt in een hardcover en de illustraties zijn van de hand van zijn echtgenote Varenka Paschke. Volgens Ultratop staat het album in Nederland op het einde van de maand oktober op de vierentwintigste plaats.

Tussen zijn vorige tournee en 2010 schrijft Stef zo’n vijftig liedjes bij mekaar die hij allemaal op cd wil uitbrengen. Een beetje als reactie op zijn voorstellingen, waarin hij een soort overzicht bracht van bekende nummers. Verandering daarin is welkom. Zijn platenfirma wil qua releases wat afremmen, maar dat ziet Stef niet zo zitten. Er mag wat vaart achter het produceren en uitbrengen van zijn nieuwe cd’s zitten. De achttiende maart 2010 is er het album “Kloofstraat”. Voor Stef is deze cd een soort van eindpunt, of zoals hijzelf zegt, een handtekening. Het maken van een plaat in het Afrikaans was een droom die hij al lang koesterde. Geboren in Nederland, een tijdlang in Vlaanderen gewoond en uiteindelijk in Zuid-Afrika aanbeland, in Kaapstad om precies te zijn. “Zuid-Afrika heeft sinds de jaren negentig zo’n grote rol in mijn leven gespeeld. Ik ben inmiddels met een Zuid-Afrikaanse vrouw getrouwd, mijn zoon is half Zuid-Afrikaans, we spreken dan ook Afrikaans thuis. Bovendien vind ik de Afrikaanse taal fenomenaal. Met name hoe dit in de gekleurde gemeenschappen wordt gesproken. De Edisonnominatie in Nederland voor mijn Afrikaanse cd was haast heel speciaal, omdat veel Nederlanders nog moeite hebben om de Afrikaanse taal los van apartheid te zien. Dat mijn Afrikaanse muziek zo gewaardeerd wordt in Nederland, betekent dan extra veel voor me. Ik vind Afrikaans een intrigerende taal. Sowieso is het voor mij, als Nederlander in Vlaanderen en Zuid-Afrika, erg bijzonder om te zien in hoeveel verschijningsvormen mijn taal zich openbaart.” Het album “Kloofstraat” werd in het najaar van 2009 in Nederland en Zuid-Afrika opgenomen met muzikale medewerking van Ton Snijders (toetsen), Martin de Wagter (drums), Roberto Mercurio (bas), René van Mierlo (gitaren), Emil Szarkowicz (viool/klarinet), Angelo Verploegen (trompet) en Frido ter Beek (saxen). In Zuid-Afrika voegden Melissa van der Spuy (toetsen), Dave Ridgway (bas), Kevin Gibson (drums) en de Februarie Susters (koor) hun bijdragen toe. Het artwork is van de hand van zijn vrouw Varenka Paschke. Ze maakte een aantal toepasselijke en ongekunstelde pentekeningen die de muziek perfect aanvullen. Een pluspunt is dat bij elk nummer, twaalf in het totaal, een stukje geschreven staat over het hoe en waarom het is geschreven in de gedachten van Stef. Zo is Kloofstraat een straat in Kaapstad, is Komatipoort een grensovergang tussen Mozambique en Zuid-Afrika en heeft Stef dat nummer daar ter plekke geschreven enzovoort. We merken dat Stef intussen meer een chansonnier is geworden dan een zanger. Het gaat bij hem meer om datgene wat hij te vertellen heeft, waarbij het musiceren en het zingen meer een vorm is geworden die hij daarvoor nodig heeft. De zesde februari krijgt Stef Bos in Pretoria, Zuid-Afrika, een prijs voor zijn bijdrage aan de Afrikaanse taal en muziek. Hij is daarmee de eerste buitenlandse singer-songwriter die deze eer te beurt valt. Die prijs en het album “Kloofstraat” sluiten mooi aan op de “Cape Connection-tour”, waarin Stef Bos onder meer de Nederlandse podia zal delen met onder anderen Fernando Lameirinhas, Louis Mhlanga en Régis Gizavo.

De zevende oktober 2010 is er in de cd-reeks “Demo’s”, deel 4. Deze cd bevat de eerste opnamen van de songs die in het voorjaar van 2009 geschreven zijn voor het project “In een ander licht”. De composities werden grotendeels met de band geschreven in het voorjaar van 2009 bij Stef thuis. Er is aan gewerkt met het idee dat het met een groot orkest geregistreerd zou worden. Veel van de muzikale ideeën van deze eerste opnames zijn dan ook herkenbaar in de versies die later met het Metropole Orkest zijn vastgelegd. Anderzijds staan deze oerversies volledig op zichzelf, soms zelfs in een totaal andere stijl en melodie. Daarbij zien enkele stukken die niet werkten met het orkest nu gelukkig het licht. Het gebeurt niet veel dat je met vijf mensen tegelijkertijd muziek componeert zonder dat de boel blokkeert.

De vijftiende april wordt de cd-reeks “Demo’s” aangevuld met het vijfde deel. Nieuw materiaal in de prille vorm verzameld op de drempel van vroeger en later. Onuitgebrachte stukken die Bos tegenkwam en die hij wilde laten horen. Stukken die soms ontstaan zijn door tv-projecten zoals dat met Ali B (Dingen gedaan) of interpretaties in samenwerking met de AVRO en het Metropole Orkest (De Steen van Bram Vermeulen en Lente me van Toon Hermans). Verder ontstond er ook nieuw werk in de aanloop naar de solo’s die Stef Bos speelde in Zuid-Afrika begin 2011 (Maan kyk na die wêreld en Moenie huil nie) en waren er nog onuitgebrachte stukken van de laatste twee voorstellingen die het licht wilden zien (Film zonder verhaal, Kracht van de onmacht en Força da mudança).

In 2011 laat Stef zijn begeleidingsband aan de kant en gaat een tijdje solo optreden. Muziek van de voorbije twintig jaar, herleid tot de essentie. Eén man, één stem en één piano. Stef slorpt je volledig op in zijn wereld. Deze keer heeft hij genoeg aan zijn piano, de kruk waarop hij zit én zijn liedjes. Tussen die liedjes door wordt er weinig gepraat, zijn de bindteksten haast zoek. Stef maakt deze keer wel ruimte om een verhaal te vertellen waar hij af en toe in de huid kruipt van een stand-upcomedian. Bijvoorbeeld over de olympische prestatie van zijn vrouw bij de geboorte van zijn zoontje of over de hernia die zijn eigen moeder overhield aan het feit dat Bos zelf ter wereld kwam met een grote vierkante kop.

De achtste oktober 2011 is er het nieuwe studioalbum “Minder meer”. Bos zingt nog eens in zijn moerstaal. Het album groeide vanaf 2009 op de diverse podia van Nederland en België. Op die podia werd vaak nieuw werk gespeeld. De band zelf bracht, vooral aan de muziek, veel in. Voor dit album trekken ze naar Nederland en wordt er gemasterd in de befaamde “Wisseloord Studio”. Qua begeleiding doet Stef een beroep op drummer Martin de Wagter, bassist Roberto Mercurio, gitarist René van Mierlo, toetsenist Ton Snijders en blazers Angelo Verploegen en Frido ter Beek. De meeste liedjes worden in één take opgenomen, zonder er nadien veel aan toe te voegen. Dat komt de zogeheten livesfeer alleen maar ten goede. Stef wil op deze manier een eerlijke en transparante kleur aan de cd toevoegen. Het liedje Minder meer, dat Stef samen met Roberto Mercurio schreef, wordt de eerste single. Het album zelf staat de negenentwintigste oktober op de zevenendertigste plaats in de Ultratop 200 Albums.

De zesentwintigste september 2014 presenteert Stef met de nodige trots wat hij noemt “zijn absoluut muzikaal hoogtepunt” tot nu toe. Hij heeft voor de cd “Mooie waanzinnige wereld” bewust gekozen om samen met de hele band te schrijven, vooral wat de melodie betreft. In de bijbehorende tekst schrijft Stef: “Voor de band ook de meest goddelijke manier om met muziek bezig te zijn.” Bos zelf geeft de nodige impuls door een tekst en een verhaal dat hij wil vertellen. Dan elkaar de ruimte geven om alle muzikale ideeën te spuien en op die manier gebeuren er in de studio ongelooflijke dingen als je dat allemaal samenvoegt. Niet voor niets is “Mooie waanzinnige wereld” voor Stef zijn allereerste echte bandplaat. Dit album komt tot stand in “Niemandsland Studio” met de muzikanten René van Mierlo, Steven Cornillie, Lené te Voortwis en Martin de Wagter. “Mooie waanzinnige wereld” vinden we de twintigste oktober terug op plaats veertig in de Ultratop 200 Albums. Met zijn “Mooie waanzinnige wereld” gaat Bos op tournee. Hij geeft de tweede oktober 2014 de aftrap in “Centrum Ysara” te Nieuwpoort. We maken hem de zevenentwintigste januari 2015 mee in het “Cultureel Centrum” van Hasselt en twee dagen later in “De Roma” in Antwerpen, en hij rondt de veertiende februari af in “CC Westrand” te Dilbeek. In het tijdschrift “Maxazine” schrijft journalist Norman van den Wildenberg over deze show: “In ongeveer 25 jaar tijd is Stef Bos uitgegroeid tot een van Nederlands beste, maar ook meest verrassende chansonniers. In zijn nieuwste show neemt Bos ons mee in een wereld waarin we blind zijn voor het onzichtbare. Niet eens metaforisch bedoeld, want met het onzichtbare bedoelt Bos dat we ons te weinig focussen op het mooie om ons heen. Verblind door wellicht de gemakzucht en de rijkdom van het Westen, weigeren we ons vaak te concentreren en te genieten van het kleine. Zoals een optreden in Eindhoven. “Mooie waanzinnige wereld” begint voor de fans van Bos wellicht wat tegendraads. Waar de deels in België, deels in Zuid-Afrika wonende Nederlander drie landen als zijn thuisland kan beschouwen, vangt de voorstelling aan met het Duitse volkslied. Wellicht een verwijzing naar het waanzinnige, wellicht om de toeschouwers op het verkeerde spoor te brengen, komt Bos met zijn mannen het toneel opgelopen in dit lied. Bos heeft het grote podium in Eindhoven voor één avond verbouwd tot een intiem ogend kroegpodiumpje en zo begint en eindigt hij de avond. In “Mooie waanzinnige wereld” verhaalt Stef de liedjes van zijn nieuwste gelijknamige album. Verdeeld over verschillende hoofdstukken en onderbroken door een dicht, een uitleg, een verhaal. En dat in al zijn eenvoud. Bos steekt de draak met zijn eigen liedjes en betrekt veelvuldig zijn kinderen bij het verhaal.” De eerste single uit het album is Beter mens, een lied dat eigenlijk geschreven is als een liefdeslied, over hoe iemand je op een andere manier naar de werkelijkheid kan laten kijken en bewust maken van de schoonheid van bepaalde dingen om je heen. Met de single Geloven staat Stef de vierentwintigste januari 2015 op twaalf in de Vlaamse Top 50. De veertiende februari komen we het nummer op de eenentwintigste plaats in de Radio 2 Top 30 tegen.

De drieëntwintigste januari 2015 is er het album “Kaalvoet”, opgenomen in onder meer “Shifty Studio” in Johannesburg en “Warrelwind” in Kaapstad. Veertien liedjes geschreven door Stef zelf, behalve Onder in my whiskeyglas, dat van de hand van K. Kombuis is en dat Stef in 2000 al op plaat had gezet. Op dit album mag Stef zich nog maar eens heerlijk in het Afrikaans uitleven. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij schrijft in het Afrikaans zoals een Vlaamse Nederlander gebekt is. Dat lezen we trouwens ook in de bijbehorende tekst bij dit album: “Hierdie versameling songs is gebore oppad deur die land, oppad deur die taal, oppad deur my kop en oppad deur die tyd. Dis ‘n liefdesverklaring aan Afrikaans wat vir my soos ‘n spieël is vir my moedertaal. Dis ‘n liefdesverklaring aan ‘n land met baie probleme, baie verskillende kulture en baie moontlikhede. Ek sal altyd skryf en praat en sing soos ‘n Vlaamse Nederlander. In my lirieke kyk ek na die land met die verwysingsraamwerk van ‘n ou uit die Lae Lande. Ek is ‘n buitestaander wat binne wil kom. ‘n Kaaskop wat ‘n hawe gevind het in die suide. Kaalvoet. Het album duikt hier mondjesmaat in de winkels op. De liedjes klinken qua begeleiding ook anders dan we van Stef gewoon zijn.

Bos is onstuitbaar productief op cd-gebied, want de achtste januari 2016 lanceert hij het album “Een sprong in de tijd”. Met dit album wil Bos zijn vijfentwintigjarige loopbaan vieren: met de blik vooruit en de voeten plat op de aarde van het nu. Zijn eerste hit Papa bleek het vertrekpunt te zijn voor een avontuurlijke weg waarbij Stef voortdurend een punt voorbij de horizon zocht. Van al die reizen in en buiten zijn hoofd deed hij in vele theatervoorstellingen verslag middels zo’n vierhonderd liedjes die klinken als een reisverhaal van een kleine mens in een grote wereld. Hij noemt “Een sprong in de tijd”, een verzameling muzikale foto’s in een wonderlijk avontuur met zijn band. Het valt op dat de liedjes door de bank teamwork zijn geworden. Hoe gevarieerd ook, ze klinken uiteindelijk als een geheel. Sinds 1984 vertoeft hij deels in Vlaanderen en schrijft zijn liefde voor dat land neer in Ik zie u graag. “Land van chaos en van schoonheid, land van bier en achterbaksheid, land van lang vervlogen tijden, land van vechters op kasseien, van frieten en bouletten, land van leven achter luiken, land van mensen die iets zeggen, met de kunst van het ontwijken, ik zie u graag.” Samen met dit nieuwe album verschijnt ook het boek “Mijn onmacht woont in woorden”. Het boek telt driehonderdvierentachtig pagina’s verpakt in een harde kaft met zwart linnen rug, gevuld met heel veel van Stefs liedteksten en gedichten van de afgelopen vijfentwintig jaar, door Bos zelf aan elkaar geschreven. Een boek waarin taal de rode draad is, of dat nu Nederlands, Vlaams of Afrikaans is. Hij is iemand die de verschillen viert. Hij kijkt terug naar wanneer en hoe zijn liefde voor taal ontstond, en neemt ons mee op de weg waarlangs duidelijk werd dat het beschrijven van wat hij dacht en voelde een noodzaak werd. Weg van de spotlights en terug naar de kern. Duidelijk is dat hij tijdens zijn studie kleinkunst aan de toneelschool diverse disciplines onderzocht, maar het schrijven de kern bleef. Op zijn reis ontdekte hij ook wat hij zeker niet wou. We lezen wie zijn inspiratiebronnen waren, en hoe hij het Franse chanson ontdekte, waarbij vooral de verbinding tussen tekst en persoonlijkheid hem, meer nog dan de muziek, intrigeerde. Dat de geschiedenis ook steeds een grote rol bleef spelen. En hoe hij met vallen en opstaan een lange weg aflegde voor hij wist wat hij echt wilde, en hoe teksten onderweg konden veranderen, en een tweede leven kregen. Op zijn album “Een sprong in het duister” laten de liedjes horen hoe breed Stef zich in die voorbije vijfentwintig jaar heeft ontwikkeld. Hij zoekt veelal de luwte van het theater om tot wasdom te komen en manifesteert zich minder daarbuiten. Hij werkt, zegt hijzelf, aan een repertoire als is het een fotoboek van een reis door de tijd. De liedjes worden opgenomen in “Studio Niemandsland” in Wachtebeke met als muzikanten gitarist René van Mierlo, toetsenist Steven Cornillie, bassist Lené te Voortwis en drummer Martin de Wagter, kortom twee Vlamingen en twee Nederlanders. Op de hoes staan deze vier heren samen met Stef keurig vermeld als makers van de twaalf liedjes die dit album sieren. De drieëntwintigste januari 2016 staat “Een sprong in de tijd” op de vijftiende plaats in de Ultratop 200 Albums. Vogelvlucht wordt de singlekeuze en piekt de negende januari op tien in de Vlaamse Top 50 en de dertigste januari op eenentwintig in de Radio 2 Top 30.

Stef blijft zoals steeds on the move. Vanaf de vijftiende januari 2016 gaat hij met “Een sprong in de tijd” op tournee: een hele poos door Nederland, om vanaf de veertiende april tot en met de eerste juni het publiek in Vlaanderen na aan zijn hart te drukken. Als hij voor enkele maanden in het noorden op tournee gaat, verblijft hij voor een poosje zonder zijn gezin en komen ze hem onderweg vergezellen. Het is meestal een periode van druk heen-en- weergereis. Tijdens de tournee “Een sprong in de tijd” blikt Bos terug en vooruit met een verzameling songs die zijn geschreven en/of uitgebracht tussen 1991 en 2016. Hij reist met het publiek in een teletijdmachine heen en weer van toen naar nu en verder. Over deze voorstelling schrijft de Nederlandse journalist Marnix Langeveld het volgende: “Wat vooral heel knap is, is dat Stef Bos ook in het vrije woord de aandacht van het publiek weet te grijpen. Bos is niet de eerste muzikant die een tour door het land aangrijpt om terug te blikken op een lange carrière. Maar hij is wel een van de weinigen die het aandurven om ook echt te kijken en te delen wat ze zien. Geen strak getrokken rimpel of ingehouden buik, maar juist trots op de imperfectie: de groeven en littekens die het leven hebben aangebracht. Of zoals Bos het verwoordt: “Er moet een hoek af.” Voor dat kijken en delen neemt hij ruim de tijd, waarmee hij zijn belofte aan de zaal dat het ‘een stichtelijke avond’ zou worden, waarmaakt. “Ik was weemoedig, maar ik had geen verleden. Nu heb ik een verleden, en ik ben nog nooit zo licht geweest.” Zijn aanpak roept op tot melancholie en mildheid. De muziek is bij tijd en wijle hypnotiserend. Toch wordt hij er zeker geen zacht ei van. Sterker nog: ook de oude rocker in hem lijkt te zijn opgestaan. Met de combinatie van ijzersterke teksten die rechtstreeks tot de ziel spreken en unieke muziekstijlen, is hij de Nederlandse Herbert Grönemeyer.”

Ook al is Stef iemand die open en bloot toegeeft dat hij het liefst van al thuis zit te schrijven en niet zo graag in het voetlicht staat, toch voelt hij zich de laatste jaren almaar beter thuis op een podium. Hij voelt dat nooit aan als werken of een verplichting. “Het is altijd een prettig avontuur om een liedje zo waarachtig mogelijk te brengen, maar ook de hang naar erkenning speelt bij het optreden een belangrijke rol. Diep vanbinnen blijf ik een jongetje dat indruk wil maken op het leukste meisje van de klas. Daarbij komt ook nog dat ik mensen graag wil vertellen wat ik heb meegemaakt, hopend dat ik daarmee iemand een plezier doe. En wat zo ongelooflijk fijn is, dat is dat je je op een podium nooit alleen voelt.

Van januari tot juni 2017 gaat Stef samen met zijn band weer toeren met de voorstelling “Wereldwijd”, ontstaan In een kleine werkkamer in Kaapstad aan de piano. Het is de broedplaats van een voorstelling die geboren is in Zuid-Afrika en vervolgens vanaf februari 2017 noordwaarts zal vliegen naar de Lage Landen. Vanaf zijn derde cd “Vuur” ontstond veel van zijn repertoire reizend door Europa en Afrika.
Dat repertoire en de reisdagboeken die hij onderweg volschreef vormen de basis voor een voorstelling die heen en weer beweegt tussen de binnen en de buitenwereld.
Het vreemde als een spiegel om jezelf te leren kennen. “Met alle informatiebronnen die tot onze beschikking staan hebben we de neiging de wereld kleiner te maken. Ik ook. Zo klein dat ik niet meer praat met degenen die naast me staat maar eerder op het scherm van mijn telefoon zit te kijken.Wat dat betreft, was het een bewuste zet om deze voorstelling te maken, ook om mezelf weer wakker te schudden uit mijn kleine wereld want grenzen zijn er om bij tijd en wijle gepasseerd te worden”, aldus Stef Bos. Zo zijn ze de 24ste januari live mee te maken in Kaapstad, de 1ste februari in het Nederlandse Veenendaal en de 16de februari in het Belgische Mol.

In een gesprek met schrijver-muzikant Tijn Touber vat Stef zijn toekomst als volgt samen: “Ik wil graag blijven vernieuwen, creëren, al weet ik dat er altijd wel iemand achter mij staat om het neer te schieten. Maar als ik stop met creëren, verval ik in een soort cynisme: wat heeft het allemaal voor zin? Dat is fnuikend. Als je echt wilt leven, moet je wel optimistisch zijn. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar door de jaren heen ben ik verschrikkelijk veel mensen op mijn pad tegengekomen die op dezelfde manier denken. Alleen hebben zij soms een minder grote mond en schreeuwen het wat minder hard van de daken.”

tekst en research Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Eva De Roovere

Eva De Roovere staat bekend als een van de mooiste stemmen van Vlaanderen. Het is een vrouw die van vele markten thuis is. Dat lazen we in de maand oktober 2012 nog maar eens in een artikel in De Standaard. Daarin gaf Eva toe dat ze ook een soort creatieve handigheid in de vingers heeft en er stilletjes van droomt om daar iets mee te doen: juwelen ontwerpen bijvoorbeeld. “Ik draag heel graag oorbellen, maar verlies ze altijd zo makkelijk. Een tijdje terug vroeg ik me af waarom ik er zelf geen zou maken. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Ik bestelde op internet een setje en ging aan de slag. Als ik er nu nog kwijtspeel, is dat niet zo’n ramp, dan maak ik er gewoon nieuwe. Als kind was ik al een onverbeterlijke prutser. Ik amuseerde mij met het in elkaar knutselen van kijkdozen. Daar meubeltjes en gordijntjes voor maken, was heerlijk. Dat is een gave: ik kan me enorm lang concentreren op kleine prullen. Uren aan een stuk, tot ik er suf van word. Soms is het al avond wanneer ik besef dat ik bijna een hele dag aan juweeltjes heb gewerkt. Als ik daarmee bezig ben, voel ik me weer kind. Het ontspant me enorm. Als ik zit te frullen, denk ik aan niets anders. Na een drukke week is zoiets een verademing.” Maar muziek voert in haar leven de boventoon, zo ook in dit verhaal waarin we proberen een overzicht van haar muzikale carrière te schetsen.

Eva werd de veertiende juni 1978 in Lier onder het gesternte Tweelingen geboren. “Ze zeggen van ons dat we een double face hebben en dat is wel zo. Ik zit aan de ene kant graag thuis knus in de zetel onder mijn dekentje, genietend van een of andere soap. Dan voel ik me gesetteld. Aan de andere kant heb ik ook een avontuurlijk trekje, ben ik iemand die risico’s wil nemen, op een podium wil staan en verre reizen wil maken. Dat botst weleens regelmatig: de ene kant in mij wil weg, op stap, en de andere kant wil graag knus thuiszitten. Ben ik bijvoorbeeld twee weken weg van huis, dan verlang ik weer naar het thuisfront.” Intussen is nu, jaren later, compleet veranderd. Eva is soms maanden weg van thuis. Zo verleef ze in de maanden mei en juni 2017 in de States.

Eva groeide als enig kind op in een ambtenarengezin. Moeder was bibliothecaresse in Grobbendonk met dit voordeel dat dochterlief zowat alle jeugdboeken heeft gelezen, en papa was boswachter. “Als kind kende ik vrij snel het verschil tussen een kastanjeboom en een berk. Ik ging vaak een frisse neus halen en ben dan ook echt een mens die de buitenlucht nodig heeft.” Qua muziek stond er thuis veel klassiek op. Haar ouders zijn dol op muziek trouwens. Geen wonder dat Eva op haar achtste al naar de muziekschool trok. Ze volgde daar een klassieke muziekopleiding. “Ik heb klarinet gevolgd vanaf mijn 8ste tot mijn 18de en viool vanaf mijn 15de tot mijn 18de.”

Haar voedingsbodem thuis was vrij breed, want daar leerde ze niet alleen opera waarderen, maar ook operette én kleinkunst. Van Boudewijn de Groot tot en met Miel Cools. “Daardoor is mijn muzikale smaak nogal genreoverschrijdend. Ik word eerder aangesproken door een liedje an sich. Als het goed zit, dan maakt het voor mij niet uit in welke stijl het gebracht wordt, ook al is dat punk of jazz“, aldus een bevlogen Eva. Tijdens haar tienerjaren was ze een hevige fan van The Cure en Nirvana. Later werden dat onder meer Tori Amos, Carla Bruni en Suzanne Vega. Ook Turkse en Marokkaanse muziek zal in de loop van de jaren nadien haar aandacht trekken. In haar tienertijd wanneer ze middelbare school loopt, gaat ze graag met vrienden en vriendinnen op stap. Dromen koesterde ze natuurlijk zoals elke puber. “Ik droomde er toen al van om actrice te worden, al wou ik als kind eerst dierenarts of architecte worden, maar sowieso nooit zangeres. Ik dweepte in die tijd met een acteur als Jan Decleir en de hele Vlaamse toneelscene. Ik was in de wolken trouwens toen ik hen leerde kennen toen ik me als studente inschreef aan het Herman Teirlinck Instituut. Pas na het slagen in 1996 voor mijn ingangsexamen kwam ik aan de weet dat mijn vader aan Studio Herman Teirlinck kleinkunst wou gaan studeren, dus meer de muziekrichting uitgaan, niet persé acteur worden, maar heeft dat nooit gedaan. Dus hij maakte geen bezwaar, wat mijn keuze betreft. Maar voor mij draaide het toch anders uit dan verwacht, want na mijn tweede jaar zagen mijn leraren in dat ik niet als actrice in de wieg was gelegd, maar eerder als zangeres of toch iemand die met muziek aan de bak zou komen. Ergens begreep ik dat wel, want ik ademde muziek. Mijn moeder zong thuis altijd, ik baadde als het ware in de muziek. Dat lag me dus beter dan acteren. Stilaan begon ik mijn eigen liedjes te schrijven. Die liet ik aanvankelijk door mijn vriendinnen zingen omdat ik vond dat die een mooiere stem hadden dan ik. Pas toen ik aan Studio Herman Teirlinck ging studeren, ben ik mijn liedjes zelf beginnen zingen. Meteen bleek dat ik over een leuke stem beschikte en ook toonvast kon zingen.”

In 1998 laat Eva, veel vroeger dan gepland, het Herman Teirlinck Insituut achter zich. Zij kreeg hier onder meer les van Wannes Van de Velde, die haar de knepen van het gitaarvaak probeerde bij te brengen. Eva had intussen via een affiche op een advalvasbord vernomen dat de folkgroep Kadril op zoek was naar een zangeres en zij vroeg aan Wannes, die Kadril behoorlijk goed kende van er samen mee op te treden, wat hij daar van vond. Hij raadde haar aan zeker aan de auditie deel te nemen.  Op die manier kon Eva haar stem wat oefenen en wat kennismaken met de folkmuziek. Via een auditie gaat men in 1998 bij Kadril namelijk op zoek naar een vervanging voor Patrick Riguelle, die andere oorden wou opzoeken. Kadril was in 1976 ontstaan uit de toenmalige jeugd- en natuurbeweging Wielewaaljongeren. In 1986 verschijnt hun eerste elpee. Ze evolueren stilaan richting folkrock. Eva slaagt tijdens haar auditie en mag de plaats van Patrick innemen. Vanaf april 1998 gaat zij als frontvrouw met Kadril op tournee. Zo schittert zij als 19-jarige op het podium van Dranouter, Winterfolk, Boterhammen in de Stad en leert zij samen met hen een deel van Europa kennen. Wanneer in 1999 het nieuwe album van Kadril verschijnt, dopen ze dat meteen “Eva”, waarop De Roovere onder meer Noten kraken en Van boord zingt, in een productie van Werner Pensaert. “Dat was van mijn kant even afwegen of we dat album zo wel zouden noemen. Maar we dachten aan de eerste vrouw uit het Genesisverhaal, Eva, en dit was het eerste Kadril-album met een vrouwenstem voorop, vandaar. Ze wilden trouwens het verschil maken met de stem van Patrick Riguelle en de mijne, dat moest duidelijk hoorbaar zijn“, dixit De Roovere. Aan journalist Walter Vanheuckelom vertelde ze jaren later over die periode: “Ik ben bij Kadril begonnen toen ik nog heel jong was en daar ben ik nog steeds blij om. Op die manier kon ik beginnen met roots- en folkmuziek en dat is toch de basis waarop wij hier muziek maken, en ook de Nederlandstalige teksten spraken me wel aan.” Tussendoor volgde Eva nog zang en piano aan Jazz Studio Tritonus in de De Vrièrestraat te Antwerpen (deze school is een privé-initiatief, opgericht door onder anderen Ondine Quackelbeen). Eva wil van vele walletjes eten en neemt in de maand januari 1999 deel aan het Leids Cabaret Festival met het programma “Eeef & Coo”, dat ze samen met Colette Notenboom bracht. Zij sleept daar als eerste Belg de overwinning en de rpijs van de jury in de wacht. Toen ze in het tweede jaar aan het Herman Teirlinck Instituut te horen kreeg dat ze gebuisd was, deelde Eva deze tegenslag met haar Nederlandse medestudente Colette, die toen ook net naar huis was gestuurd. Om niet bij de pakken te blijven zitten, steken ze de koppen bij elkaar en trekken richting Leiden. Na die overwinning zetten ze het programma “Mierenneuken” op het getouw, waarmee ze de daaropvolgende drie jaren veel in Nederland hebben opgetreden.

Haar voorliefde voor folk en vooral wereldmuziek kan Eva nog meer botvieren wanneer zij in 2001 aanbelandt bij de Belgische groep Oblomow. Folk en wereldmuziek is namelijk hun dada. “Ik was Kadril niet beu, maar ik wou geen jaren na elkaar datzelfde genre blijven zingen. Ik wou mezelf niet profileren als een folkzangeres. Dat klinkt misschien cru, want ik heb dat heel erg graag gedaan. Maar ik wou andere horizonten verkennen. En toen kwam Gerry De Mol langs met zijn project Oblomow. En het klikte.” De leden van de groep komen uit Vlaanderen, Turkije, Irak en Marokko, onder anderen: Berlinde Deman, Metin Toplar, Azzedine Jazouli, Laila Amezian en Gerry De Mol. “Het was Gerry die me belde. Hij had mijn telefoonnummer gekregen van iemand van Kadril. Hij vroeg me meteen op de vrouw af of ik niet wilde meedoen aan het project ‘Sporen’, aldus Eva. “Sporen” was een totaalproject waarin tekst, beeld en muziek samenvloeiden, zonder dat ze elkaar hoefden te illustreren. Het concert bracht de muziek van de eigen volkeren van Vlaanderen. De sporen die ze achterlaten, die wij hen meegeven, die ze dragen, die we volgen. De sporen uit Spaanse, Joodse, Engelse, Amerikaanse, Vlaamse, Nederlandse, Franse, Marokkaanse, Portugese, Braziliaanse, Turkse, Iraakse en eigen stadsculturen. De eigen composities zijn van Osama Abdulrasol, Mattias Laga en Gerry De Mol. Het concert was een suite van instrumentale en gezongen liederen. Enkele verhalen lopen door elkaar. Maar steeds in de achtergrond van migratie: weglopen, terugkomen, overleven, dromen, heimwee, verwachtingen, ontgoochelingen en feesten; en daar de sporen van meedragen, van rijker worden van mooie dingen, maar ook van lange tochten, gevangenzitten in het steeds weer weggaan en onderweg zijn. Van schoonheid creëren. Van iemand missen en iemand meenemen en iemand achterlaten. De verhalen werden afwisselend door de muzikanten en zangers verteld en afwisselend met projectie van teksten (Richard Minne, Nazim Hikmet, …) en vooral de foto’s die Patrick De Spiegelaere in Latijns-Amerika en Afrika nam. De foto’s hebben hun eigen verhaal. Soms neemt de projectie van foto’s en tekst de dynamiek over tijdens stillere instrumentale nummers. Het Sporen-project van Oblomow liep in november-december 2001 en januari 2002 live in samenwerking met Vredeseilanden. De negentwintigste november 2001 had de première plaats in CC Ter Rivieren in Deurne, daarna waren er optredens in Vooruit Gent, de Minnepoort in Leuven, De Doos in Hasselt, de Stadsschouwburg in Kortrijk en de Warande in Turnhout. Er is ook het album “Sporen”. Het jaar nadien scoort Oblomow veel lof in de pers door hun optreden op het Dranouter Festival. Twee jaar later is er het album “Ya’waaw”. De muziek komt deze keer uit Sefardische bodems, Arabo-Andalousische wortels, klassiek Arabische en Europese stammen en vertakkingen naar hedendaagse singer-songwriters, Kurt Weill en eigen werk. Voor Eva was dit project en die samenwerking weer een stap in de juiste richting.

Om zo veel mogelijk haar facetten aan bod te laten komen, is er in de maand februari van 2003 Eva’s samenwerking aan het project “Hamdallaye” van Vredeseilanden met muzikanten uit Vlaanderen en Senegal, en precies een jaar later het theaterproject “Jumbalaya” met daarin aandacht voor countryklassiekers. “Jumbalaya was een van de eerste projecten van Compagnie Maandacht (Maandacht is een organisatie met als doel een aantal creatieve geesten te bundelen om culturele initiatieven te realiseren. Zij willen een brug zijn tussen artiesten, pers en organisatoren om alzo muziek- en theaterproducties te ondersteunen). Ron Reuman en ik zijn al heel lang vrienden en collega’s, hebben elkaar leren kennen bij Kadril, en Ron heeft me toen gevraagd om te zingen, samen met Nathalie Delcroix en Chris Mazarese. Mijn eerste, maar zeker niet laatste, kennismaking met het zingen van countrymuziek“, aldus Eva. “Het is inmiddels zo lang geleden dat ik er niet veel meer over weet. Ik heb geen flauw idee waar de première plaatshad. Er is daar nog weinig info over terug te vinden. Wat ik wel nog weet is dat ik onder andere ‘Jerusalem Tomorrow’ van Emmylou Harris zong: ‘Man you should have seen me way back then. I could tell a tale, I could make a spin. I could tell you black was white, I could tell you day was night. Not only that I could tell you why’. Ik vond dat erg leuk om te zingen, vooral met dat zwaar Amerikaans accent. Voor dit project heb ik ook leren jodelen. Ik had dat nodig in het nummer ‘Cowboy’s Sweetheart’. Er zijn daar meerdere versies van: de originele is die van Patsy Montana, nadien opgepoetst door LeAnn Rimes, en bij ons in Vlaanderen op cd gecoverd door Sanne.

In de maand oktober van 2004 besluit Eva na zes jaar haar samenwerking met Kadril stop te zetten. Ook Oblomow blijkt een springplank te zijn naar het volgende, het project “Kleine Blote Liedjes”, een idee van Gerry De Mol samen met Eva. “Kijk, dat was gewoon de volgende stap waar ik naartoe wou groeien. Dat lag al veel dichter bij hetgeen ik als soliste wou gaan doen. Ik vertel ontzettend graag verhalen en dat kon in dit nieuwe project met Gerry al behoorlijk goed. Het was nog niet de perfectie die ik voor ogen had, maar het kwam alvast aardig in de buurt. Ik heb me altijd een soort zingende actrice gevonden, die de verhalen van anderen en van mezelf overbrengt op het publiek. Intussen zijn dat stilaan meer en vaker nog uitsluitend mijn eigen verhalen geworden.”

Gerry en Eva treden zelfs op tijdens het Aardklop Festival in Zuid-Afrika. “Kleine Blote Liedjes” is ook de titel van de cd die de zevende februari van 2004 bij Culture Records verschijnt. Het jaar voordien al opgenomen op diverse plaatsen, waaronder de Ecole de Clerheid in Clerheid en MotorMusic te Koningshooikt. In de studio krijgen ze muzikale ruggensteun van Gert-Jan Blom, Evi Baetens, Lode Vercampt en Joni De Mol. Naast een rist eigen songs zijn er liedjes te horen van Roberto Carlos, Kris De Bruyne, een bewerking van een menuet van Bach, Gillian Welch en Richard Thompson. De eenentwintigste februari staat het album op de zestiende plaats in de Ultratop Album 200. Graag gehoord en veel gedraaid uit deze cd is Op een hoopje, waarmee ze in 2004 zelfs op de eerste plaats eindigen in de Top 20 van het Radio 1-programma “Carte Blanche”.

We zouden het nog vergeten, maar Eva herinnert ons aan hun samenwerking met de Portugese fadozanger Pedro Moutinho voor het theaterproject “Het lied der rusteloosheid”, met daarop liederen op tekst van Herman De Coninck en de Portugese dichter Fernando Pessoa. In De Standaard lezen we, vijf dagen na hun opvoering van de veertiende januari 2005 in de Arenbergschouwburg, het volgende: “De Mol wilde de gedichten van De Coninck en Pessoa samenbrengen in het fadoprogramma dat hij al langer wilde maken. De verschillen en de gelijkenissen tussen de dichters en hun werelden van papier, vormen nu het uitgangspunt van ’Het lied der rusteloosheid’, dat afgelopen vrijdag in Antwerpen in première ging. Het samenbrengen van verschillende artistieke werelden is een van de specialiteiten van Oblomow, dat overigens evolueert naar een los-vaste groep van muzikanten die in wisselende bezetting met elkaar kunnen samenspelen. Voor ’Het lied der rusteloosheid’ staan tien artiesten op de scène. Met de cellist Lode Vercampt en de accordeonist Ivan Smeulders werkte De Mol al vaker samen, daarnaast werd voor de gelegenheid het klassieke koperblaaskwartet Os Desassossegos (De rustelozen) gevormd, speelt Pedro de Castro Portugese gitaar en vond men na een lange zoektocht de fadist Pedro Moutinho om de Portugese liedjes te zingen. Hij is de broer van de wereldvermaarde fadist Camané. Met zijn bijzonder mooie stem vertolkt Moutinho een paar fadoliedjes die in Portugal op de gedichten van Pessoa werden gemaakt, en de twee geslaagde nummers die De Mol daaraan toevoegde, Relogio en het slaapliedje Dorme, criança, dorme. Ook de liedjes met gedichten van De Coninck die door Eva De Roovere worden vertolkt, passen wonderwel in het geheel. In nummers als Liedje en Verjaardagsvers vallen tekst en muziek zonder meer samen. Andere teksten vereisen uitstapjes naar de jazz, verplichten tot een parlando of vragen om muzikale spielereien die de charmante humor van De Coninck kunnen vertalen.”

In 2005 is er ook de cd “Min & Meer” met deze keer veertien liedjes waarin Eva en Gerry worden bijgestaan door onder anderen Ivan Smeulders, Lode Vercampt, Wouter Vandenabeele, Vera Coomans en Luc Van Den Bosch. Gerry De Mol schreef zowat alle liedjes, behalve Blokje om, dat een vertaling is van The long way home van Tom Waits, en Teder hart, waarin je wellicht Les cœurs tendres van Jacques Brel zal herkennen. Van 2005 tot 2006 toert Eva samen met Liesbeth List, Kris De Bruyne en Lucas Van den Eynde met de liedjescarrousel “Kleinkunsteiland”. Het wordt een vocale zoektocht naar het betere Nederlandstalige lied. Eva zingt onder andere haar eigen Op een hoopje, Mia van Gorki en Van God los van Monza. Tijdens de voorstelling kunnen de aanwezigen ook genieten van Eva’s virtuositeit op de klarinet. Ook het verhaal met Gerry kent een einde: “Ik stelde na een tijdje vast dat ik de jaren voordien steeds had samengewerkt met mensen die ettelijke jaren ouder waren dan ik. Gerry bijvoorbeeld achttien jaar ouder dan ik en dan is je beleving van en je kijk op de wereld compleet anders. En ik werkte veel met mannen samen, die trouwens die muziekwereld aardig inpalmen, nog steeds. Ik was een vrouw van 28, die haar visie op de wereld eens wou laten klinken, wat méér op zichzelf gericht. Die anderen liepen me niet in de weg, hoor. Ze hebben me heel veel bagage meegegeven, maar ik wou eens op mijn eigen vleugels vliegen. Ik vond het hoogdringend tijd om volwassen te worden. Ik moest even, sterk uitgedrukt, de zogeheten vadermoord plegen, uit mijn luie stoel komen en bewijzen dat ik het ook zelf kon. Men hoefde niet meer te dicteren wat ik hoorde te doen, ik mocht het voortaan zelf bepalen en uitstippelen.

Omdat ze zo graag op eigen vleugels wil vliegen en alleen op jacht gaan naar succes, richt Eva in 2006 haar eigen begeleidingsgroep op en verrast ons de zesentwintigste augustus van dat jaar met de release van het album “De Jager”, in een productie van Jo Francken. “Ik wou met dit album een soort statement maken, zo van: dit ben ik nu, dit is wat ik wil doen, dit is mijn eigenste verhaal. De titel ‘De Jager’ draagt in zich een gevoel van iets wat ik wil najagen. Met name zelf iets bereiken, zelf een album maken, zelf aan liedjes sleutelen. Van nature ben ik dat ook, iemand die jaagt, najaagt, maar niet ten koste van anderen. Op de hoes heb ik me voor de gelegenheid in een bruidsjurk uitgedost, ik Eva De Roovere als de jagende bruid. Met plezier draaide ik het cliché om. Deze keer niet eens de man als de jager, maar de vrouw.” Eva had vooraf met Jo Francken enkele demo’s opgenomen en die was daarmee naar Universal België gestapt. Die waren erg enthousiast, ook al omdat ze Eva kenden van haar vorige projecten. Er moest wel snel boter bij de vis komen, dus zo snel mogelijk een studioalbum inblikken. Bekende namen in de studio tijdens de opname, onder anderen: Wigbert Van Lierde, Wim Punk, Hans Francken, Tom Vanstiphout en Ruben Block. Er wordt opgenomen in de studio’s MotorMusic en Galaxy. Drie liedjes schrijft Eva in haar dooie eentje: Om mee te slapen, Dat mag niet en Fantastig toch. Wat dat laatste betreft, dit is niet de hitversie waarmee ze als Slaap lekker in 2009 groots zal scoren. Het album zet in met Niemand zoals wij van Frank Vander linden. Eva over die samenwerking: “Ik vind Frank tekstueel sowieso heel sterk, dat stond buiten kijf. Hij heeft dat Vlaams rockgehalte. Ikzelf heb geen rockstem, maar ik hou wel van die stijl. Persoonlijk had ik op dat moment nog niet echt de kunst van het schrijven onder de knie en daarom had ik vooraf een lijstje gemaakt van mensen met wie ik wou samenwerken. Op het moment dat we met de opnamen begonnen, had ik vier liedjes kant-en-klaar zelf afgewerkt. Mijn management had Frank gevraagd of hij voor mij iets wou schrijven. Hij heeft er dan drie geschreven en die me op een demobandje bezorgd, zelf ingezongen. Daar zijn Niemand zoals wij en Zonde van de tijd van overgebleven. Raar maar waar, Frank kan goed schrijven vanuit de positie, de leefwereld van een vrouw.” Niemand zoals wij werd nadien geremixt, nadat het vooraf vaak op de radio was gedraaid en men het naar de zomer toe een wat frissere touch wou meegeven. Eva werkte voor het album ook samen met Luka Bloom, Tom Van Laere, die de titelsong schreef, en met Joost Zweegers met wie ze Emma schreef. Ik had de tekst al klaar en een vaag idee over de muziek, maar het schoot niet echt op en dan heeft mijn producer Joost getipt. We zijn toen letterlijk gaan samenzitten, met Joost al zingend aan de piano, en zo hebben we samen de klus geklaard. En ik moet eerlijk zeggen, dat gaf me op dat moment toch wel een ferme boost. Speels flirtend pakt Eva op dit album uit in het nummer Laat me je lied zijn: “Krijg je me niet op papier, ik help je graag op weg. Ja, ik ben je fantasie, maar dan levensecht. Laat me jouw…”

“De Jager” staat de negende september 2006 op de zesde plaats in de Ultratop Album 200. Uit dat album verschijnen achtereenvolgens op single: De jager, Laat me je lied zijn en Fantastig toch. “Ik schreef Fantastig toch ergens midden in de nacht. Ik schreef dat over mijn toenmalig lief en de tegenstrijdige gevoelens die dat met zich meebrengt. In amper twintig minuten was de klus geklaard. In de periode dat ik het schreef, had ik net zo’n fase dat ik in mijn liedjes graag woorden samentrok. Tederstrijdig in plaats van tegenstrijdig, dat soort vondsten. Fantastisch moest hier rijmen op lastig, vandaar. Je kan dat zo hebben, dat je iemand graag ziet, maar dat de relatie toch niet gemakkelijk gaat. Een soort haat-liefdeverhouding, daar gaat het eigenlijk over“, vult Eva aan. Op het album staat eveneens het nummer Anoniem, door haar geschreven samen met Joost Zweegers, Frank Vander linden en Nadia Hoeterickx, dat Eva iets later tijdens “Mooi! Weer de Leeuw” van Paul de Leeuw live zal brengen.

Na een tijdje wordt “De Jager” met goud bekroond. “Ik kan zelf niet zeggen hoe het komt dat dat album een gouden plaat is geworden en uiteindelijk triple goud, maar ik weet wel dat heel mijn hart erin ligt en dat ik er met een grote groep fantastige mensen hard aan gewerkt heb. Het is een zoektocht geweest naar een eigen geluid en een eigen verhaal en dat heb ik gevonden. En dat wil ik heel graag delen met anderen: het publiek, de muzikanten. Het liefst wil ik met mijn muziek de hele wereld zien, maar als ik iemand op de een of andere manier kan raken met de liedjes die ik maak, dan is mijn dag goed.” Voor de verzamelaars dit even vermelden, want anders vergeten we het, de vierentwintigste april 2017 verschijnt “De Jager” op vinyl, Universal Music Belgium 5743333. Met “De Jager” breekt Eva pas echt in Nederland door wanneer ze daar mag optreden in het voorprogramma van Ilse DeLange, goed voor vier Edisons en bij ons ook bekend als leadzangeres van The Common Linnets en hun Songfestivalnummer Calm after the storm.

In de maand juli van 2007 neemt Eva deel aan een experiment, op het getouw gezet door professor Beyens van de Antwerpse universiteit. Hij trok voordien al meermaals met zijn studenten naar Spitsbergen, een eilandengroep in de Noordelijke IJszee, ten noorden van Noorwegen. Het blijft er licht tijdens de zomer en ze onderzoeken of dat noorderlicht iets doet met de natuur en de dieren. Het opzet van deze wetenschappelijke expeditie naar het noordpoolgebied met zeven wetenschappers en zeven kunstenaars (Ramsey Nasr, Caroline Coolen, Tom Liekens, Eva De Roovere, Diego Franssens, Katleen Vermeir) was na te gaan wat de impact is van het oneindige landschap op onderzoek en inspiratie. Zij moesten het landschap op zich laten inwerken om te zien wat er dan gebeurt in zo’n onherbergzaam gebied. Krijgen die artiesten hier extra inspiratie, of juist niet? “Ik heb altijd gezegd dat ik zo veel mogelijk van de wereld wil zien“, aldus Eva. “Dus toen de vraag kwam, besefte ik: deze kans krijg ik maar één keer.” Vooraf lazen we in de pers dat aan dit experiment een vervolg gebreid zou worden in de Bourlaschouwburg in Antwerpen. Johan Terryn was immers op vraag van de universiteit van Antwerpen meegereisd om heel dat gebeuren op beeld vast te leggen. “In 2007 ben ik inderdaad samen met 7 wetenschappers en 7 kunstenaars naar Spitsbergen getrokken. Ik heb daar een docufilm gedraaid en die is inderdaad een maand na onze terugkeer in de Bourla vertoond, samen met liedjes van Eva en teksten van Ramsey. Het opmerkelijke aan deze voorstelling is dat Eva haar liedjes tijdens de vertoning van de film live brengt, daarbij voor de gelegenheid begeleid door de groep Backback. Dit Gentse trio maakt door de bank het soort jazz dat in het Belgische jazzlandschap te vaak afwezig blijft. Zij spelen rockjazz in de meest non-conformistische zin van het woord. Van die liedjes die Eva in verband met dit project schreef, is er eentje vereeuwigd op de cd “Kleur In E Mineur” van Radio 1, de vijftiende juni 2012 uitgebracht op het ARS-label. We hebben het over het werkelijk prachtige nummer Lichtbevroren dynamiet, dat Eva in alle eenvoud zingt, fluisterzacht begeleid door slechts één elektrische gitaar.

 In de loop van de maand augustus 2007 staat Eva op het podium van de achttiende editie van Boterhammen in het Park, Vlaamse muziek in hartje Brussel. Zij deelt die dinsdag de achtentwintigste augustus het podium van de prachtig gerestaureerde kiosk met Thomas Lauwers. Na het succes met haar eersteling “De Jager” is er de vijfentwintigste april 2008 op het Universal-label “Over & Weer”, ook deze keer in een productie van Jo Francken. Opgenomen wordt er in Studio Dam te Sint-Amands en in de Ace Studio te Aartselaar. Dit album is gegroeid tijdens de reizen van Eva naar Senegal, waar zij een rist fantastische mensen heeft ontmoet die zich inzetten om Senegalese vluchtelingen een degelijke en betaalbare opleiding te geven. In het bijbehorende boekje lezen we dat het dertiende lied Dertien gedownload kan worden. De opbrengst van die downloads gaat integraal naar Cheikh Oumar Sy, medeoprichter van Assape/Ceppe, een vereniging die wil verhinderen dat jongeren de oversteek naar Europa wagen en ervoor wil zorgen dat die jongeren kansen krijgen in hun eigen land. Met de opbrengst wil men de studenten van Oumar Sy een toekomst bieden in hun eigen mooie Senegal. Eva is ambassadrice van Assape/Ceppe. Voor deze cd klopt Eva nog eens aan bij de Zweedse zangeres Pernilla Andersson voor Zomer in Brussel en de titelsong Over & weer. Zij bedankt Tom Helsen voor Dank u wel meneer en vertaalt ze samen met Frank Vander linden I close my eyes van Shivaree. Twaalf liedjes in het totaal, waarvan Orpheus (ze schreef dit in haar kleedkamer toen ze moest wachten om op treden op de Nederlandse televisie in “Mooi! Weer de Leeuw”) de zeventiende mei 2008 in singleversie op zeven in de Vlaamse Top Tien staat, Zomer in Brussel daarin die kans mist, en Mijn ogen toe op single de zeventiende januari 2009 eveneens op zeven in die Vlaamse Top Tien belandt.

Intussen heeft de Nederlandse rapper Diggy Dex van Fantastig toch een rapversie gemaakt. Hij maakt er Slaap lekker (Fantastig toch) van. Diggy Dex is de rapnaam van de Nederlander Koen Jansen. “Ik hoorde Fantastig toch drie jaar geleden en vond het meteen een erg catchy riedeltje. Er zit ook een bijzonder mooie klank in Eva’s stem, maar ja, misschien klinkt voor ons Nederlanders dat Vlaamse accent altijd wel een beetje schattig en sexy.” Diggy’s versie maakte Eva plots wereldberoemd in Nederland. Toen ik die vraag binnenkreeg, hield ik mijn hart vast, want uiteindelijk gaan ze een beetje met je kind stoeien. Maar dat bleek erg mee te vallen. Diggy had het met respect voor het origineel gedaan en ik werd er meteen vrolijk van. Ik ben hem natuurlijk snel gaan googelen, want ik kende Diggy ook niet, maar zijn taalgebruik bleek erg goed bij dat van mij te passen. Diggy Dex heeft er zijn eigen verhaal bij gemaakt, maar zo zie ik het juist graag bij mijn liedjes. Ik hecht niet zo aan de oorspronkelijke betekenis, ik ben helemaal voor recyclage.” In Nederland wordt het nummer op 3FM tot megahit uitgeroepen en staat het bij hen de elfde juli 2009 op één. De zevenentwintigste juni 2009 staan Diggy en Eva op één in de Vlaamse Top Tien en de tweeëntwintigste augustus op twee in de Top Dertig, en dat vijf weken na elkaar.

Dit succes noopt Universal een nieuwe versie van het album “Over & Weer” op de markt te brengen, onder meer aangevuld met Slaap lekker, Om mee te slapen, Dertien en Jongens op brommers, een vertaling van Black boys on mopeds van Sinéad O’Connor. Daarnaast ook een dvd met daarop livebeelden van het optreden van Eva tijdens de “Radio 1-sessies” in het Amerikaans Theater, in een regie van Raf De Clercq. Eva wordt begeleid door gitarist Roeland Vandemoortele, bassist Dagobert De Smet, saxofonist Marc De Maeseneer en drummer Arnout Hellofs. We horen liedjes als De jager, Fantastig toch en Anoniem. Om het geheel compleet en aantrekkelijk te maken, staat op de dvd ook de videoclip van Slaap lekker (Fantastig toch).

Een frisse neus halen, doet Eva ook graag. Vandaar dat ze meteen ja zei toen ze in 2009 werd uitgenodigd voor de vijfde editie van Dranouter aan Zee in De Panne. De vijfentwintigste en zesentwintigste april werd het publiek daar vergast op enkele graag geziene en gehoorde gasten. Een blik op de affiche: Orquesta Buena Vista Social Club, Arsenal, Buscemi & The Michel Bisceglia Live Band, Billy Bragg, Selah Sue, Imperior De Percussion én Eva De Roovere. Voor deze vijfde editie wou de organistatie op zoek gaan naar een exclusieve affiche die een waar muzikaal feest op het podium zou ontketenen, en die belofte werd moeiteloos ingelost. In de zomer van 2009 staat Eva op het podium van Radio 2 in Westende tijdens “Zomerhit” om daar de trofee in de categorie “Nederlandstalig Lied” in ontvangst te nemen voor het nummer Zoals in dat ene liedje, waarvoor ze zowel de tekst als de muziek schreef. De veertiende februari had dit nummer al op zes gestaan in de Vlaamse Top Tien en het is ook te horen op de cd “Over & Weer”. In het kielzog van het succes met Slaap lekker ontvangen onze noorderburen Eva met open armen en gaat ze in Holland de concertante boer op. In de Nederlandse brochures lezen we: “Dit seizoen brengt De Roovere live de mooiste mengeling van ‘De Jager’, ‘Over & Weer’ én al wat nieuwe frisse ideeën. Ook nu volgt een selectie van de beste Belgische muzikanten haar overal. Maar toch zal het net weer íétsje anders zijn...” In de maand augustus van 2010 zingt Eva letterlijk de sterren van de hemel en ziet ze ook sterren wanneer ze opduikt tijdens het Pukkelpop Festival te Kiewit-Hasselt aan de zijde van Snow Patrol, de Noord-Ierse/Schotse alternatieve rockband met voorop zanger Gary Lightbody. In de pers lezen we: “Snow Patrol stond, net als vorig jaar, erg hoog op de affiche van Pukkelpop. En voor deze feesteditie hadden Gary Lightbody en co een inspanning gedaan. Zo waren er extra blazers en strijkers en trad Eva De Roovere op als special guest. Zij zongen het duet Set the fire to the third bar. Het Pukkelpoppubliek reageerde dolenthousiast!” De eerste juli van 2012 doet ze dat feestje met Snow Patrol nog eens over tijdens Rock Werchter en lezen we in Humo: “Ofwel wist u al dat Spanje druk bezig was om het EK te winnen, ofwel was u onder de indruk van wat Snow Patrol u vanavond serveerde. Wij vermoeden het tweede, want wat Gary Lightbody en zijn maats vanavond lieten zien, was op zijn minst een degelijk festivaloptreden. Tijdens Set the fire to the third bar een duet met Eva De Roovere zagen we links van ons een prille festivalliefde ontluiken en tijdens het intieme New York (met Ed Sheeran als gast) leek het alsof de twee vijftigers rechts van ons een jarenlange vete aan het bijleggen waren. Mooie momenten...”

Op onze vraag of Eva De Roovere iemand is die zich ook thuis voelt op de Gentse Feesten (ze zal hier vaker optreden), toont ze ons de affiche van 2010. Dan hebben de Feesten van de zeventiende tot de zesentwintigste juli plaats op de net opgefriste Korenmarkt, waar de organisatoren op het grote podium willen hardmaken dat er alleen Nederlandstalige muziek wordt geserveerd. Zo kan het publiek er optredens bijwonen van onder anderen Kazzen & Koo, Andes en Jan De Wilde. Woensdag de eenentwintigste juli is het de beurt aan Eva, die merkt dat ze dankzij het succes van Slaap lekker (Fantastig toch) een wat nieuwer en jonger publiek aantrekt.

Eva kan het toeren niet laten en werkt samen met Nathalie Delcroix en Tine Reymer het project “Country Ladies” uit, dat ze, begeleid door Roland Van Campenhout, Wigbert Van Lierde, Ron Reuman en Axl Peleman, met veel succes tot bij het grote publiek brengen. Tom Heremans van De Standaard ging de dames bekijken en schreef er de drieëntwintigste september 2010 het volgende over: “Jongens, die meisjes kunnen zingen. Je mond valt open zodra ze, geheel a capella, hun samenzang op de zaal loslaten in de opener ‘More than a hammer and nail’, dat we ons niet beter gezongen herinneren van The Staple Singers. Je mond valt nog verder open wanneer Tine Reymer de lead voor haar rekening neemt in ‘Country in my genes’ van Loretta Lynn. Wat zou je nog acteren als je zo’n stem hebt? En zo gaat dat maar de hele avond door. Twee uur lang putten de dames uit een kleine eeuw muziekgeschiedenis, en nergens laten ze een steek vallen. Ons hart brak bijna toen we Nathalie Delcroix ‘Waiting around to die’ hoorden zingen. Datzelfde hart maakte een sprongetje toen Eva De Roovere begon te jodelen in ‘Cowboy’s sweetheart’. En die goddelijke samenzang, altijd: in het geweldige ‘White trash wedding’ van Dixie Chicks, in het verrassende ‘Pirate’s gospel’ van Alela Diane, en in het onvermijdelijke ‘To know him is to love him’. Een mens zou op den duur gewend raken aan al die stemmenpracht, maar gelukkig was er ook Roland Van Campenhout die af een toe een nummer voor zijn rekening nam met zijn gebroken geneuzel. Dat contrast werkte uitstekend in ‘Mama tried’ van Merle Haggard en in afsluiter ‘Angel band’.”

De dertigste april 2011 is er Eva’s nieuwe album “Mijn Huis”, waarmee De Roovere de zevende mei op de vijftiende plaats in de Ultratop Album 200 staat.  U hoort vooral heel veel Eva, maar ook arrangementen van Spinvis, teksten van onder anderen Piet Goddaer en Kit Hain en de aparte aanpak van de Nederlandse producer Reyn Ouwehand, samen de ideale ingrediënten voor een plaat vol verhalen. We kennen Reyn onder meer van zijn producties voor Kane en de Hermes House Band. Twaalf liedjes in het totaal, zowel in Nederland als in Vlaanderen opgenomen. “Dank aan Reyn voor veel meer dan ik hier kan uitleggen”, schrijft Eva die erg tevredne is over het eindresultaat. Het is een album geworden, waarvan de liedjes Mijn huis, Slaapt de zon en De keizer van de nacht elk apart op single belanden.  In Chocolat laat Eva zich gaan in de taal van Molière: “Pour me faire de l’effet chocolat au lait, pour me rincer la tête chocolat noisette, pour me remotiver chocolat glacé, pour pas que j’sois foutue chocolat fondu, pour tout recommencer chocolat allégé, pour refaire mon histoire chocolat noir.” In dezen een pluim op de schrijvershoed van Kit Hain en François Welgryn. Ook in het liedje Au cœur au corps laat Eva zich van haar beste Franse kant horen. Earcatchers – je mag ze ook oorsnoepjes noemen – op deze plaat en nu al goed om in het archief te bewaren, zijn de duetten Rechttoe en frontaal, samen met Thé Lau, en Antwerpen, dat een vocaal onderonsje is geworden tussen Piet Goddaer, alias Ozark Henry, en Eva. Niet voor niets voor velen een van de lievelingsnummers op deze plaat.

“Mijn Huis” is eveneens de titel van haar volgende theatertournee, waarin De Roovere haar publiek uitnodigt om binnen te kijken in haar gedachten, in haar teksten, in haar liedjes, kortom in haar muziek. Aan twee muzikanten heeft Eva deze keer méér dan steun genoeg: Karel De Backer en Tim Vandenbergh. “Deze tournee was voor mij een uitdaging, vult Eva aan. Ik wou bij de start van een nieuw seizoen meteen ook een ander geluid laten horen. Niet alleen liedjes uit mijn nieuwste album, maar daarnaast ook songs uit De Jager en Over & Weer. Met graagte trok ik ze voor deze gelegenheid een ander jasje aan.” De twintigste september heeft de première plaats in De Roma te Antwerpen, voorafgegaan door drie intieme en erg gesmaakte try-outs.

Het Antwerpse Sportpaleis vormt zaterdag de 30ste april 2011 het decor van de 18de editie van “Nekka Nacht”. Thé Lau & The Scene zijn de centrale gast van deze jaarlijkse hoogmis van Nederlandstalige muziek. Onder anderen Clement Peerens Explosition, Tom Barman, Arbeid Adelt!, Sarah Bettens, Stef Camil Carlens en Eva De Roovere spelen met veel plezier. De presentatie is in handen van Jan De Smet. Journaliste Sascha Siereveld noemde Eva na het bijwonen van die voorstelling “de nachtegaal van Gent” die het niveau wist op te krikken met een stevige aanpak van Fantastig toch en Thé Lau’s Brand dat Eva een nieuw jasje aanmeette. Jammer dat haar optreden zo kort was, maar wel beregoed. Ook Nederland staat weer te popelen om De Roovere met open armen te ontvangen. De zevenentwintigste maart 2012 start haar tournee “Mijn Huis” in Nederland in “De Kleine Komedie” in Amsterdam

, waar Eva met haar band optreedt. Nadien is Heerlen aan de beurt en het laatste weekend van de paasvakantie wordt iedereen in Wageningen verwacht. Het weekend voor de start van de Nederlandse tournee had Eva in Vlaanderen haar optredens van “Mijn Huis” volwaardig afgerond.

De zestiende november 2013 is er op het Universal-label het album “Viert”. Het album staat in de Ultratop Album 200 meteen op 21 genoteerd. “Van al mijn albums tot dan toe vind ik persoonlijk dit het beste. Je hoort heel goed hoe ik door de jaren heen ben geëvolueerd.” Deze cd werd door Luuk Cox geproduceerd en gearrangeerd door Luuk en Eva. Het blazersarrangement op Water is van Marc De Maeseneer. De muziek wordt gespeeld door Luuk Cox (toetsen, drums, bas, gitaren, percussie, programmatie), Arnout Hellofs (drums), Mirko Banovic (bas), Dominik Friede (gitaren), François Gustin (toetsen) & Marc De Maeseneer (saxen). Alles werd opgenomen in Trix Antwerpen door Luuk Cox, Studio La Frette Parijs door Nicolas Quéré, geassisteerd door Jonathan Ratovoarisoa, en ICP in Brussel door Luuk Cox, geassisteerd door Paul Edouard Laurendeau. Het geheel werd thuis gemixt door Luuk en gemasterd in New York door Fred Kevorkian. Of hoe internationaal een album kan zijn en klinken. Eva is ook deze keer zeer ijverig wat het aanleveren van nieuwe songs betreft: Hoe zou het zijn, Je raakt me, Schone schijn, Brekend glas en Luchtballon zijn van haar hand. Bij Dagen van niets kreeg ze de hulp van Mirko Banovic. Water schrijft Eva samen met Bob Neuwirth. De muziek van Onzichtbaar is van Marc De Maeseneer en de tekst van Eva. De tekst van Robin is van Ron Sexmith en de muziek van Eva, ook het gedicht dat gesproken wordt in Robin, is van Eva. Het deert me niet (I Don’t Mind) is een lied van Pieta Brown, Telefoon (The Call) is een nummer van Bob Neuwirth en Geen zorgen meer (Ain’t Gonna Worry No More) is van de hand van Peter Case. Veel dank gaat vanwege Eva uit naar alle schatten van mensen die meegewerkt hebben aan deze cd. Veel dank aan iedereen die in deze cd gelooft. Veel dank ook aan iedereen die gelooft in de kracht van muziek. Van dit album bestaat er een gelimiteerde versie met, naast de studio-opnamen, een liveregistratie van haar tournee 2011-2012 “Mijn Huis”. We horen liveversies van onder meer Mijn huis, Fantastig toch, Slaapt de zon en Dank u wel meneer.

In de schaduw van “Viert” verschijnt in de maand oktober 2013 de gedichtenbundel “Positron”, uitgegeven bij Poëziecentrum in Gent. Op Eva’s website lezen we daarover: “Positron is geschreven in studios tussen twee opnames in, tijdens autoritten, backstage voor en na concerten, voor vrienden en collegas, over alles en niets bijzonders, zomaar ergens en nergens tussendoor en gewoon voor mezelf. En nu dus ook voor u: een gedichtenbundel over verloren dagen, maskers, woestijnen en schaamhaar. Deze keer niet gezongen.” Om nog maar eens in Eva’s overdrukke agenda te bladeren: op vrijdagavond de negentiende juli 2013 staat ze bijvoorbeeld geprogrammeerd op het podium van het Hogeschoolplein te Leuven tijdens de vijfentwintigste feesteditie van Beleuvenissen. Op andere locaties kun je die dag optredens bijwonen van Natalia, Brahim, De Corsari’s en Kings of Pop. Een poppy entourage waarbinnen Eva zich best thuis voelt.

De initiatieven en projecten van De Roovere tot in het kleinste detail vermelden, is onbegonnen werk. We moeten ons binnen deze bio dan ook beperken tot een overzicht in vogelvlucht, waarin het nu volgende project wél wat aandacht verdient. Vooral bedoeld voor de Nederlandse markt bundelt Eva eind 2014, en de periode nadien, haar talent samen met dat van Hannelore Bedert. Af en toe wordt ook in Vlaanderen in die bezetting opgetreden. Daarover schrijft journalist Marc Vos na een voorstelling in de maand maart 2015 in CC Achterolmen te Maaseik: “Uitstekend concertje, maar wel wat kort. Mooie liedjes duren echter soms niet lang. Het intermezzo van Eva De Roovere – die ik de laatste tijd niet meer echt gevolgd had na haar eerste, zeer mooie soloplaat – was verrassend sterk, een beetje tegen mijn verwachting in. Normaliter treden de dames met deze duoformule enkel in Nederland op, maar voor Maaseik maakten ze graag een uitzondering, en wel omdat men het daar zo vriendelijk gevraagd had. En dat kunnen wij ons dan weer heel goed voorstellen… Theater Elckerlyc richt op zaterdag de tweede mei 2015 de spots op Eva en Hannelore, die voor de gelegenheid ook Barefoot & The Shoes en Jonas Voorter meebrengt. In Gazet van Antwerpen lezen we onder de hoofding “Twee zangeressen voor de prijs van één” het volgende: “Met vier albums en een dichtbundel op haar palmares heeft Eva De Roovere de voorbije jaren allerminst stilgezeten. Dat ze ook in Nederland op handen wordt gedragen, dankt ze aan haar samenwerking met countryzangeres Ilse DeLange en haar optreden in Mooi! Weer de Leeuw, de tv-show van cabaretier en zanger Paul de Leeuw. Ze drong ook door tot de Nederlandse hitlijsten met een rapversie van haar nummer Slaap lekker (Fantastig toch). Hannelore Bedert intussen goed voor drie spraakmakende full-cds won in 2007 de Nekka-prijs. Het leverde haar een jaar later een moment van glorie op tijdens Nekka-Nacht. Bedert concerteerde toen in het gezelschap van sterren als Bart Peeters en Ramses Shaffy. Vorig jaar nog werd ze genomineerd voor een MIA in de categorie Beste Soloartieste.” Hen beiden aan het werk zien, is volgens de media een buitenkans voor wie houdt van muzikaal vuurwerk. De persmap vult daaromtrent aan: “Deze unieke voorstelling met twee stemmen, twee vrouwen, twee verhalen moet je gezien hebben. Twee keer zoveel goede muziek in één voorstelling. Deze twee samen en toch apart: Eva De Roovere en Hannelore Bedert. In een uniek concert samen te zien. Met hun grootste hits, hun nieuwste moois. Van warm en zalvend tot stoer en staalhard. Twee keer zo veel voor de prijs van één. Fantastig toch?

De elfde januari 2016 gaat VTM van start met het tweede seizoen van “Liefde voor muziek”, met daarin deze keer Belle Perez, Ian Thomas, Dana Winner, Johannes Genard, Paul Michiels én Eva De Roovere, die er dit graag aan toevoegt: “Het was een positieve en toffe ervaring om aan dat programma te mogen meewerken. Toen ik het achteraf terugzag op tv, heb ik er ook nog van genoten. Het is wel straf, want men zet daar zeven mensen bij elkaar waarvan men denkt dat dat gaat werken, maar dat is niet evident. Het concept van het programma is zeer sterk. Ook heel leuk was dat er tussen de muzikanten onderling veel respect was voor ieder zijn werk. Omdat je allemaal met hetzelfde bezig bent, worden er ook banden gesmeed. Het was voor mij in ieder geval een heel toffe ervaring. Eva kwam achteraf ter ore dat zij op haar interpretaties een duidelijke De Roovere-stempel drukte. “Ja, ik weet het. Volgens mij komt het omdat ik ten eerste in die niche van het Nederlandstalige zit en ten tweede heb ik ook een eigen geluid gecreëerd in de loop der jaren. Neem nu Another round van Ian Thomas, een nummer dat in het geheel niet mijn stijl is. Ik vertaal dat omdat ik meestal in het Nederlands zing en ik zet daar een paar andere akkoorden onder en dan speel ik dat op gitaar. Dat ik zelf gitaar en piano speel, is wel een voordeel, omdat ik op die manier mij gemakkelijker een nummer eigen kan maken.” In de voorlaatste uitzending, op maandag de tweeëntwintigste februari 2016, staat Eva centraal. Belle Perez zingt dan De jager, Johannes Genard Orpheus, Dana Winner covert Laat me je lied zijn, Sioen Like that French Song en Ian Thomas zet het kot op stelten met Slaap lekker. Om af te ronden waagt Eva zich aan een Nederlandstalige versie van Heart Shaped Box van Nirvana.

Het ijzer moet je smeden als het heet is, vandaar dat de negentiende februari 2016 Eva door haar platenfirma Universal verzameld wordt. “Het beste uit tien jaar” met in het totaal twintig songs, beginnend met De jager en eindigend met Slaap lekker (haar duet met Diggy Dex). In het bijbehorende boekje neemt Eva de gelegenheid te baat enkele mensen te bedanken. “Mijn dank gaat uit naar mijn leermeesters op de muziekscholen van Herentals en Herenthout, Studio Herman Teirlinck en Jazz Studio Tritonus. Merci aan mijn ouders, familie en vrienden voor de onvoorwaardelijke steun. En last but not least: bedankt aan mijn publiek.” De vijfde maart staat de cd op de vierendertigste plaats in de Ultratop Album 200. Over haar liedjes was de jaren voordien al veel geschreven en werd er vaak geëvalueerd. “Ik vind het erg belangrijk dat de kwaliteit bij wat ik doe, blijft bovendrijven“, zegt Eva zelf. “Ik ben ontzettend kritisch voor mezelf. Als ik in m’n eentje dat niveau niet kan bereiken, dan voel ik me niet te beroerd om daar hulp voor in te roepen. Maar dan ga ik wel op zoek naar mensen die volgens mij al op dat hogere niveau staan.”

In de Ultratop Album 200 staat Eva De Roovere de twintigste februari 2016 op zeventien met haar nieuwste album “Chanticleer”, vijf dagen eerder uitgebracht op het label V2 Records Benelux. De song The City at the End of the Road had iets eerder als smaakmaker het album al op iTunes aangekondigd. Zo’n titel als “Chanticleer” vraagt meteen om uitleg. “Je kunt de titel op meerdere manieren vertalen,” volgens Eva, “maar hier staat het voor de naam van de haan Cantecleer, zoals in het middeleeuwse verhaal van ‘Van den vos Reynaerde’. We wilden een andere weg inslaan. Hoe mooi is het dat we daarin geslaagd zijn met een eeuwenoud woord.” Het is wel even wennen, want De Roovere verbaast haast iedereen met een volledig Engelstalig album in een productie van Peter Case, opgenomen in The Carriage House in Los Angeles. “Op dit album voel ik me vrij“, zegt Eva. “Ik reisde en nam persoonlijke en carrièrerisico’s om dit album te maken. Die risico’s zijn vertaald in vrijheid.” Het album is een verzameling van samenwerkingen met de Amerikaanse singer-songwriters Case, Cindy Lee Berryhill en Bob Neuwirth. “Bijna tien jaar geleden deed ik mee aan een songschrijversstage in Zottegem, waar ook Ellen Foley en Elliott Murphy waren uitgenodigd. ‘Song City’ heette dat, en je zat een week in afzondering om met anderen ideeën uit te wisselen en songs te schrijven. Daar kwam ik ook in contact met Bob Neuwirth, de vroegere tourmanager van Bob Dylan. Het klikte en al snel waren we samen aan het componeren.” Eva etaleert op deze plaat diverse stijlen: van folk tot hedendaagse rock en jazz, in functie van de liedjes. De pers is het erover eens dat het haar moed heeft gekost om van “Chanticleer” een all-American productie te maken. De Roovere ontwikkelde stilaan een smaak in Amerikaanse singer-songwriters. “Het begon met Billie Holiday en Ella Fitzgerald, verplaatste zich dan naar Suzanne Vega, vervolgens naar Tom Waits, totdat ik ineens samen was met een groep Amerikaanse singer-songwriters“, zegt ze. Aan journalist Walter Vanheuckelom geeft ze meer tekst en uitleg waarom ze voor het Engels koos. “Ik zong bij Kadril Nederlandstalig, maar ook in het Frans of het Engels. Ik schreef trouwens ook nummers in het Nederlands en het Engels. Op het moment dat ik solo ging, werden op de radio regelmatig nummers gedraaid uit ‘Kleine Blote Liedjes’, daarom hebben we met enkele mensen beslist om in het Nederlands verder te gaan. Het had ook helemaal anders kunnen lopen, want ik had thuis een schuif vol Engelstalige nummers en soms nam ik er daar eentje uit en vertaalde dat naar het Nederlands en plaatste dat op een album. Maar toen al vroeg ik me af of ik niet beter met al die nummers naar Amerika zou gaan om daar een album op te nemen in het Engels. De Amerikaanse songwriters die ik kende en waarmee ik regelmatig contact had, vertelden me dat als ik een groter publiek wou bereiken, ik in het Engels moest gaan zingen. Engelstaligen, Franstaligen of anderstaligen bereik je niet met Nederlandstalige muziek, bijgevolg gaan die mensen ook nooit naar een concert van je komen kijken. De songwriters waar ik mee samengewerkt heb op ‘Chanticleer’ zijn Amerikanen en ik pendelde al een tijdje tussen Los Angeles en België. Producer Peter Case, met zijn achtergrond van pop en rock, was voor mij de juiste persoon om dat album mee op te nemen. Hij heeft zijn sporen al verdiend door zijn werk bij The Nerves en The Plimsouls, en toen ik hem vroeg of hij producer wou zijn van mijn nieuwe album, kreeg ik dadelijk een positief antwoord. Het kostenplaatje om hier op te nemen of in Amerika kwam ongeveer overeen. Dus koos ik ervoor om ‘Chanticleer’ in Amerika op te nemen, om daar nieuwe ervaringen op te doen. Het was een heel toffe studio, waar ook Ben Harper regelmatig werkt.” De songs Pearl en Road to Liberty verschijnen elk nog eens apart in singlevorm.

Dat in het Engels zingen, zit Eva als gegoten, al voelde het, zoals we in de krant Metro lezen, in het begin een beetje als een debuut aan. “Dat is best leuk na vijftien jaar in het Nederlands te hebben gezongen. Daar kick je van op, dat houdt je alert. Ik heb hier en daar vooraf wat zaken uitgetest. Zo heb ik vier concerten gegeven in kleine clubs in Los Angeles. Je belt zo’n club op en vertelt de eigenaar dat je een plaat hebt opgenomen en dat je de songs wil brengen in zijn club. Je wordt er niet voor betaald en vaak speel je maar voor een man of tien, maar het is een zeer goede testcase. Je wil niet door de mand vallen voor een Engelstalig publiek en op zo’n moment sta je op scherp. Op een gegeven moment voelde het voor mij aan alsof ik in het Nederlands aan het zingen was. Toen realiseerde ik me dat het Engels en de nieuwe songs zeer dicht bij me lagen.”

De twaalfde maart 2016 treedt Eva in de Minard in Gent op om daar haar nieuwe cd voor te stellen. Zowel voor de fans als de pers is het een beetje aftasten wat het zal worden. Rudy Tollenaere schrijft daarover in Het Nieuwsblad: “Vreemd eigenlijk, dat de Minardschouwburg niet eens helemaal uitverkocht was voor het concert van Eva De Roovere, die in het verleden toch al bewees voor wat soort muziek ze stond. Vreemd ook, als je ‘Chanticleer’ door de zoekmachine van het internet jaagt, dat er nauwelijks interviews over die cd verschijnen. Terwijl het publiek in de Minard na de twee bisnummers maar bleef roepen en applaudisseren en De Roovere ter plekke met haar muzikanten moest overleggen welk nummer ze dan nog kon brengen. Tot iemand riep: ‘begin van voor af aan’. Wat ze ook deed, begeleid door The Whodads: Steven Janssens, Niels Verheest, Frederik Van den Berghe en Sjang Coenen. In De Standaard stelde Peter Vantyghem vast op: “De voorbije twintig jaar was Eva De Roovere een belangrijk gezicht in de Nederlandstalige pop. Is het daarom dat haar keuze om op haar nieuwe album in het Engels te zingen zo weinig aandacht krijgt? ’Chanticleer’ is geschreven en opgenomen in Los Angeles en is haar sterkste album sinds haar solodebuut, ’De Jager’ uit 2006. Maar de radio draait haar single niet en de Minard was niet uitverkocht. Iets verderop besluit hij: Eva De Roovere moet kiezen. Het brave moet eruit, de tanden moeten ontbloot, de lamme bindtekstjes geschrapt en het geheel moet even noodzakelijk aanvoelen als de drang naar vrijheid die uit de teksten spreekt. Ze liet soms goed voelen dat dat binnen de mogelijkheden ligt.”

Begin 2016 maakte Eva in haar agenda tijd vrij om zich in te zetten voor het project “Te Gek!?”, een initiatief van het Psychiatrisch Ziekenhuis Sint-Annendael uit Diest, dat al jaren tracht psychiatrische problemen in Vlaanderen bespreekbaar te maken. Eva zet hiervoor een voorstelling op het getouw samen met Dirk De Wachter, psychiater-psychotherapeut, en met gitarist Steven Janssens van The Whodads. Thema van hun voorstelling is “Liefde: een onmogelijk verlangen?”. Dat is ook de titel van het dan net verschenen nieuwe boek van Dirk De Wachter. De show gaat over de liefde, maar wel veel breder dan het boek van Dirk. Hij heeft het ook over wat hij meemaakt in zijn praktijk en het verdriet van mensen. Samen met Steven brengt Eva liedjes uit haar eigen repertoire, maar ook liedjes uit het wereldse oeuvre die met het thema te maken hebben. Zij leggen hun liedjes naast het verhaal van Dirk. Zo komen die twee aparte delen toch tot een geheel samen. “Tijdens de repetities vonden we het gegeven vooral grappig. Dirk is muzikant noch acteur en hij repeteerde zijn lezingen niet. Het wordt dus leuk om alles te ontdekken. Ik denk dat Steven en ik onze oren en ogen goed zullen moeten openhouden en aandachtig zullen moeten volgen waarover Dirk het zal hebben. Hij is iemand die vaak improviseert en dus moeten we ad rem kunnen reageren. Verwacht zeker niet de structuur tekst-lied-tekst-lied. Er zal zeker ook plaats zijn voor improvisatie“, vult Eva aan. Er wordt opgetreden in onder meer Wemmel, Beveren, Torhout en Antwerpen. Deze tournee was trouwens vrij snel uitverkocht.

Tussendoor tijdens ons interview de vraag hoeveel Eva van zichzelf in haar teksten wil blootleggen en of zij, wat dat betreft, een grens trekt. “Ik denk niet dat ik me tekstueel aan banden leg. Die liedjes geven me de kans dingen die ik misschien vanuit mijn opvoeding niet meteen in een gesprek durf of zal uiten, en omdat ik een beleefd meisje ben, dan wel durf te zeggen. Voor mij op dat moment een welgekomen uitlaatklep. Daarnaast is een liedjestekst een combinatie van waarheid en leugen, in die zin dat je de waarheid wat verbloemt, je maakt ze een beetje mooier, aantrekkelijker… Een filmscenarist doet dat ook. Die maakt iets wat hij of zij heeft meegemaakt wat boeiender door het verhaal op te tillen, attractiever voor te stellen. Het moet tenslotte spannend blijven.”

Om haar talent en veelzijdigheid met anderen te delen, laat Eva weten dat zij de achttiende en de vijfentwintigste april en de tweede mei 2016 in samenwerking met Dream Academy aan het Martelarenplein te Leuven een “masterclass songwriting” op het getouw zet. Onder anderen Frank Vander linden en Neeka gingen haar in dit initiatief voor. Het is de bedoeling dat tijdens deze sessies van telkens twee en een half uur Eva haar ervaring, inzichten, trucs en songschrijftips met de aanwezigen deelt. Er zijn wel een paar voorwaarden om hierbij aanwezig te mogen zijn: je moet minstens enkele basisakkoorden kennen en ook al eens een paar songs geschreven hebben. En Eva rekent op mensen met ambitie.

De negentiende september 2016 laat De Roovere op het V2-label horen dat ze het Nederlands niet verloren is met de single Façade. “Ik dacht: ik ga een beetje reizen. Leren tot waar m’n wereld reikt, maar daarvoor heb je ‘n paspoort nodig. Waar een speciale stempel in prijkt. Vroeger was toch alles anders. Vroeger was jij mijn vriendin, maar de regels zijn veranderd. Nu staan er muren tussen ons in. Vroeger was toch alles anders. Vroeger was jij mijn vriendin, terwijl ik jou altijd heb vertrouwd, heb jij een façade gebouwd.” De zevenentwintigste september 2016 verschijnt bij uitgeverij Lannoo haar essay “Ik is perfect”. In de persmap lezen we: “Perfectie is niet van deze wereld. Maar wie bepaalt dat? Wie beslist wat perfect is en wat niet? En waarom is die ene persoon perfect en die andere niet? Is perfectie goed of slecht? Of geen van beide? Perfectionisme, wordt dat bij de positieve eigenschappen gerekend? Moet ik blij zijn als iemand mij een perfectionist noemt? En als perfectie niet van deze wereld is, van welke wereld is ze dan wel? Op deze en meerdere vragen probeert Eva De Roovere een antwoord te vinden in tien persoonlijke brieven die ze schrijft naar vrienden, collega’s en idolen… De tiende oktober vertelt ze aan journaliste Veerle Beel in De Standaard daarover: Met perfectie kan het alle kanten uit. Zo kan een concert perfect zijn, terwijl de muziek toch net niet té perfect werd gespeeld.” Als je verder leest, merk je dat Eva klaar is om haar ziel bloter te leggen dan voordien, bloter zelfs dan in haar eigenste liedjes: “Ik heb een antwoord gevonden in transcendente meditatie. Tweemaal per dag zo’n twintig minuutjes stilzitten, terwijl je in jezelf je mantra herhaalt. Een mantra is als een voertuigje dat je ­verder naar binnen brengt. Op den duur lijken al je gedachten én je mantra te verdwijnen, en word je een bolletje bewustzijn dat als het ware gaat zingen naar jezelf. Het hoe van dat alles is voor de lezer niet zo belangrijk, zegt ze. Ik heb vooral willen beklemtonen wat het met mij doet. Ik ben er zowat een jaar geleden mee begonnen. Vanaf het eerste moment wist ik dat deel twee van mijn leven begonnen was. Het heeft me veel sterker gemaakt, als persoon. Want van nature ben ik nogal geneigd tot escapisme. Daarom heb ik bewust geen tv meer. Ik kijk graag naar een film of een goede serie, maar ik wil niet meer uren voor de tv liggen zappen. Dat vind ik zo hersenloos. Alcohol heeft hetzelfde effect, weet ik uit ervaring. Vanaf het eerste pintje of eerste glas verandert er iets in je persoonlijkheid. Voor veel mensen helpt het om wat socialer te zijn, wat niet per se slecht is. Maar ik ben liever helemaal mijn nuchtere zelf. Dat waardeer ik zo nu ik mediteer: dat ik bewuster in het leven sta. Ik verlies mezelf niet meer in nodeloos gepieker en getwijfel. Ik ben minder impulsief en laat me minder makkelijk uit mijn lood slaan. Het verrijkt mijn persoonlijke contacten: ik ben nu echt aanwezig, helemaal. Ik voel me geen toeschouwer meer van mijn eigen leven, ik sta er middenin. En ik heb het gevoel dat er nog rek op zit… Mensen die mij al langer kennen, zullen misschien zeggen: waar komt ze nu mee af? Ik beweer ook niet de waarheid in pacht te hebben. Ik spreek uit eigen ervaring. Ik heb altijd de neiging om te groeien. Volgens mij is het de enige manier om in het leven te staan. Altijd beter proberen te worden...”

 

Vanaf midden februari, en dat tot eind april 2017, gaat Eva zich opnieuw inzetten voor “Te Gek!?”. Deze keer met de theatertournee “Nerveuze Vrouwen”, die de zestiende februari in première gaat in Diest en die eerder in 2013 al eens thematisch aan bod was gekomen. Op het podium vier nerveuze vrouwen die stemmen horen in hun hoofd, denken in bochten en kronkels, zien wat wij niet zien. Wat doen die vrouwen samen op een podium? Ze zingen, ze zuchten en ze maken zich zorgen. Over de wereld en zichzelf. Ze vertellen u wat het is om verloren te lopen in de donkere kamers van hun gedachten, de weg kwijt te raken in hun kronkelige hersenen, op de dool te zijn tussen waan en werkelijkheid. Ze zingen het bloed vanonder je nagels, krabben aan je ziel en plukken de eelt van je emoties. De jongste nerveuze vrouw heet Ella Leyers. Samen met nerveuze moeder Tine Reymer en tierelierende Eva De Roovere zingt ze donkere duetten in coupletten, terwijl Inge Paulussen rondjes draait in waangedachten. Voor de teksten van deze voorstelling heeft Gerda Dendooven haar zinnen verloren en Hugo Matthysen heeft er zijn hoofd op gebroken. De regie is in handen van Els Dottermans. Paul Poelmans houdt de mannen van De Laatste Showband in het gareel. Zij spelen levend muziek. Aan Peter Vantyghem van De Standaard geeft Eva in verband met deze tournee en het thema toe: “Onbekende, nieuwe gebeurtenissen maken mij nerveus en onzeker, maar ze dagen me ook uit. Ik ben eens aangevallen in Gent, en ik reageerde door veel lawaai te maken. Met een fight-reflex verdrijf ik mijn angst. Zo groei ik als mens.” Sinds ze haar studie aan Herman Teirlinck heeft beëindigd, vertoeft De Roovere als muzikante voornamelijk onder mannen: “En mannen zijn het niet gewoon om te praten. Ik heb door deze productie ontdekt dat ik persoonlijk wel mensen kende die psychose hadden. Een van hen beschreef hoe haar zintuigen als het ware op 200 procent draaien. Dat herken ik meteen. Ik kan in een restaurant alle gesprekken rondom me volgen. Hoogsensitief? Ik hou niet van labels.” De songs uit deze productie en die van 2013 en 2015 staan verzameld op de cd “De mooiste liedjes uit Nerveuze Vrouwen & Manische mannen”. Het 2017-gezelschap van de “Nerveuze Vrouwen” opent het album met Als je er op begint te letten, een nieuw nummer geschreven door de altijd grappige Hugo Matthysen. Net zoals Een paling in een emmer witte wijn, dat wat verder op de cd terug te vinden is. Daarnaast vind je op deze compilatie nog veel andere originele opnamen van artiesten die al eerder een liedje schreven voor “Te Gek!?”. Zoals bijvoorbeeld het wondermooie Lore van Het Zesde Metaal en het nog altijd beklijvende Het komt voor in de beste families van Meuris.

Om voorlopig af te ronden, de vraag waar Eva het best in haar nopjes is: op een podium of in de studio? “Beide zijn zo anders. Ik ben meer een livemuzikante. Ik hoef niet eens een podium te hebben. Gewoon muziek maken, is oké. Veel muzikanten repeteren bijvoorbeeld niet graag, maar ik vind dat supertof. Een cd ligt vast. Je kan er niks meer aan veranderen. In de studio is het dan weer puzzelen met nummers. Je hebt het karkas van je nummer: tekst, melodie, akkoorden. En dan begint het. Je kan je liedje zingen, gewoon met een gitaar, maar voor een plaat mag dat toch wat meer zijn. Dus ga je er een beat onder zetten of een orgeltje. Echt knutselwerk, zoals ik vroeger een kijkdoos maakte. Muziek staat bij alles wat ik doe vooraan. Ik wil in wat ik doe als persoon bescheiden blijven, je hoeft niet zo op mij te letten, mijn liedjes zijn het belangrijkste, maar aan de andere kant sta ik live voor een publiek en denk ik: kijk naar mij. Het blijft een dubbel gevoel dat er altijd is.” Wordt sowieso vervolgd!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Raymond van het Groenewoud

Zelden is er iemand slechter geworden van een teveel aan duidelijkheid. Dus eerst wat data en feiten. Raymond van het Groenewoud werd geboren in Schaarbeek, een randgemeente van Brussel, op veertien februari 1950. Tegenwoordig wordt hij alom geprezen als een van de grootste en veelzijdigste Belgische muzikanten aller tijden. Een Belg dus, voor wie daar ooit aan twijfelde. Negeer de kleine v en h in zijn naam en ook zijn tongval met krullende r en soms doorschemerende harde g. Raymond woonde in Schaarbeek, Anderlecht en een resem Vlaamse gemeenten en steden. Zijn ouders waren wél Nederlanders.” Tot daar een alinea uit het boek “Raymond van het Groenewoud – In mijn hoofd”, geschreven door Martin Heylen en in 2011 uitgegeven door De Bezige Bij, Antwerpen.

Tot zijn zevende woonde Raymond in Anderlecht. In 1957 verhuist de familie richting Amsterdam-Zuid waar hij tot in 1959 verblijft. Intussen had zijn biologische pa het echtelijk dak verlaten en was ma gaan samenwonen met haar nieuwe geliefde Arnold Duitz, een activist binnen de Belgische communistische partij. Arnold had Nederlands bloed in zijn aders, Joods bloed ook. Mama Deborah Johanna Tak was eerst gehuwd met Joseph van het Groenewoud, maar tijdens dat huwelijk had ze haar interesse al voor Arnold getoond. Van zijn stiefvader leerde Raymond op de een of andere manier veel over politiek, leerde hij onder anderen Karl Marx kennen. In een later interview zegt hij over zijn stiefvader: “Hij had geen oog voor wie ik was. Hij was een koleriek, zwaar gefrusteerde man. Zelfs als hij milder gestemd was, bleef het uitkijken. Slaan deed hij niet, nee. Hij is ten onder gegaan aan astma, die psychologisch geduid werd. Op ‘t einde kwam hij bij me klagen: dat hij zo’n domerik was geweest bij het opvoeden.” Van zijn biologische vader erfde Raymond zijn gevoel voor muziek, zeker de technische kant van met muziek omgaan, al heeft hij het theatrale dat later in zijn liedjes zal opduiken dan weer helemaal van zijn moeder geërfd. Het feit dat hij voor een klein deel in Nederland heeft gewoond, heeft er zeker niet voor gezorgd dat hij in zijn liedjes een grote bek durft op te zetten, dat wijt Raymond eerder aan de esprit van de opvoeding en de aard van het beestje zelf. Hij gaat in Amsterdam naar de montessorischool en ervaart die tijd als heel plezant.

Pa, Joseph van het Groenewoud, vluchtte rond 1946 uit Nederland om niet te hoeven dienen in het Nederlandse leger in Indonesië. Hij dook onder in ons land en heette van dan af Nico Ooms, die toen hij ging optreden met vooral Latijns-Amerikaanse muziek, liever als Nico Gomez werd aangesproken. Het gevoel hier clandestien te verblijven, heeft lang aan zijn vader geknaagd. Raymond herinnert zich nog  hoe angstig pa was wanneer er werd aangebeld en de kans erin zat dat de militaire politie voor de deur kon staan om zijn vader op te pikken. Tijdens Raymonds verblijf samen met zijn moeder en stiefvader in Nederland kreeg hij pianoles van zijn buurvrouw, mevrouw Notenboom. Vanaf zijn derde was hij trouwens al in de ban van de muziek. Hij luisterde graag naar de liedjes die hij over de radio hoorde, vooral Radio Luxemburg. Via zijn oom Simon, de jongere broer van zijn moeder, raakt hij daarnaast snel in de ban van het voetbal. Ook zijn schoolmaatjes zijn in de ban van die sport. Van opa en oma krijgt hij een voetbal waarmee hij met zijn vriendjes uit de buurt ging spelen. Zijn grootouders betekenden veel voor hem en hebben zijn verblijf in Amsterdam tot een vrolijke periode gemaakt waaraan hij met veel blijheid terugdenkt.

Maar moeder miste het leven in België en keert in 1959 naar ons land terug, naar de Ter Rivierenlaan in Deurne. Zijn stiefvader had via een goede kennis een job gekregen als medisch afgevaardigde bij de Zwitserse firma Geigy. Op school was het hier aanvankelijk voor Raymond niet zo leuk, want hij werd er als “nen Hollander” bekeken. Om zich rap te integreren, ging Raymond zich zo snel mogelijk het Antwerpse dialect eigen maken. Van voetballen was er plots geen sprake meer. Op school moest er gestudeerd worden. Thuis was hij enig kind, op een bepaald moment zonder speelkameraden en zonder het gezelschap van opa en oma. Stilaan ontdekt hij het “Rivierenhof” waar er ‘s woensdagnamiddags gevoetbald wordt en ja hoor, hij mag meespelen.

Mama staat erop dat Raymond muziek gaat studeren, het leven is immers méér dan voetballen. Hij trekt op zijn achtste naar de muziekschool Van Poppel. Notenleer gaat er bij Raymond in als zoete koek. Hij mag gelijk een instrument kiezen en dat wordt de piano. Hij weet nog goed dat hij op het einde van het eerste jaar voor het eerst voor een livepubliek kan optreden. Hij speelt met veel verve  “De Koekoekswals” terwijl de stress hem in de benen schiet. Het jaar nadien trekt hij met de tram naar de Rooseveltplaats in het centrum van Antwerpen om daar de komende jaren voort te musiceren. Zijn ouders verhuizen intussen van een klein huisje naar een groter appartement aan de Van Havrelei in Deurne. De weinige keren dat hij naar zijn vader kan, ervaart Raymond als frustrerend: hij zag hem weinig en het klikte niet zo goed met zijn stiefmoeder, een relatie waaraan Raymond nog twee half broers en twee half zussen overhoudt.

Op school was Raymond een twijfelgeval, hij wisselde goede uitslagen af met minder goede. Het PMS adviseert zijn ouders hem voor zijn middelbare studies naar het atheneum van Berchem te sturen. Hier leert Raymond wat autoriteit en machtsmisbruik inhoudt. Het zal hem tekenen voor de rest van zijn leven. Raymond zoekt zijn heil dan maar in een wereld vol dromen waarin het voetbal én zijn superheld Pele centraal staan. Op muzikaal gebied gaan vooral The Beatles zijn jonge jaren kleuren, al van toen hij hen voor de eerste keer in 1964 She loves you hoorde zingen. Nadien volgen Roll over Beethoven en I want to hold your hand. Hij weet nog goed dat hij Twist and shout van hen op single kocht en zijn moeder dat ook een tof liedje vond. Op zijn veertiende kende Raymond al de Beatleshits fonetisch uit het blote hoofd. Naast The Beatles hield Raymond ook van The Animals en The Who en playbackte hun hits via de microfoon van zijn bandopnemer. Het bijzettafeltje in de living diende als piano. Hij is veertien en bezeten door de Angelsaksische popmuziek. Nadien zal Raymond gaan dwepen met grote jongens als Lou Reed, Leonard Cohen, Chuck Berry, Bob Dylan en Otis Redding.

Qua schoolprestaties lagen de scores minder goed. Aan journalist Wilfried Hendrickx vertelde hij: ” In de lagere school ging het spelenderwijs. Maar in het middelbaar wordt er van jou verwacht dat je je grootste inspanning thuis levert. En dat lukte me niet. Ik slaagde er niet in mij te concentreren. Er was daarbuiten zoveel spannends te beleven. Vreemd genoeg ben ik me later wel voor veel gaan interesseren zoals bijvoorbeeld voor geschiedenis en aardrijkskunde. Ik was simpelweg niet rijp om leerstof binnen te krijgen. Ik was opgetrokken uit dromen“. Raymond moet het tweede en vierde jaar overzitten, hij deed er in het totaal dus acht jaar over, en haalde uiteindelijk zijn einddiploma niet. In diverse interviews daaromtrent beschrijft hij zich als “een broekschijter”‘, iemand die niet het lef had, zoals zijn idool John Lennon, om tijdig de school te verlaten en voor de muziek te kiezen. “Ik schrok mij een ongeluk toen mijn ouders zeiden:”Hier houdt het op.Wij sponseren niet verder. Zoek het zelf maar uit”. Ik was totaal niet gewapend voor het leven zoals het is.”

Uiteindelijk slaat van het Groenewoud in 1969 de schooldeuren achter zich dicht. Intussen had hij er al een eerste groepje opzitten, The Sharks, maar met hen zal hij nooit optreden. In 1967 zijn er The AB’s, The Antwerp Boys, maar meer dan één vertoning zit er niet in.  In het weekblad Humo van zeven augustus 1980 gaat hij verder: “Daarna stapte ik over naar de wat hippere groep Why Not. Die vroegen me omdat ik orgel kon spelen en geen moeite had met A whiter shade of pale. Ik kon namelijk altijd wel wat respect afdwingen door mijn muzikale kennis. Ik haalde op het conservatorium altijd tien op tien voor melodisch dictee, wat onder andere betekent dat ik een zeer goed gehoor heb, dat ik vrijwel alles meteen kan naspelen. Tja, op repetities ben je dan wel gauw “Het Mannetje”. Why Not viel na twee optredens uit elkaar en toen ben ik bij een heus balorkest piano en orgel gaan spelen, en omdat ik het zo mooi vroeg, mocht ik uiteindelijk ook Gloria van Them zingen. Als we La bamba speelden hoefde ik niet mee te doen en dat vond ik zo vervelend dat ik een paar keer een ei bakte op het podium, groot succes, natuurlijk! De manager van zangeres Tilly heeft ons toen eens gevraagd wat demo’s te maken die dan in Duitsland zouden terechtkomen. Natuurlijk is daar nooit iets van gekomen, maar die demo’s hadden mij wel aan ‘t dromen gezet. Ik begon te geloven dat er ooit wel eens iets van zou kunnen komen. Op school dacht ik alleen nog aan mijn toekomst als muzikant. Daags na zo’n bal zat ik als een gek te geeuwen in de les “beschrijvende meetkunde” en al die witte krijtlijnen op dat bord dansten voor mijn ogen. Als het mijn beurt was om naar voren te gaan wist ik in de verste verte niet waarover die leraar het had. Ik heb het atheneum dan maar, zonder spijt, verlaten en ben muzikant geworden.” Pa schiet zijn zoon, nadat die eerst nog heel even in de band van Marva had gespeeld, te hulp en nodigt hem uit bassist te worden in zijn orkest. Nico was in de jaren vijftig en zestig in ons land en vooral in Latijns-Amerika bekend geworden met elpees met een overheersende mambo, chachacha- en bossa novatouch. Hij trad op onder de naam Nico Gomez. Hij werkte daarnaast vaak als arrangeur voor Adamo, Will Tura, Ingeborg, Theo Mertens, Frédéric François en Rita Deneve. Hij stichtte samen met Gaston Bogaert de Belgisch-Cubaanse groep The Chakachas die met Zuid-Amerikaanse muziek internationaal succes afdwongen. Denken we maar aan de hits Eso es el amor en Jungle Fever.Tussendoor speelde Gomez in de BRT-orkesten van Francis Bay en Freddy Sunder. Later zal hij hier en daar aan enkele platen van zijn zoon meewerken, onder meer La Bamba, te horen op de soundtrack van “Brussels by night” van Marc Didden. Spelen in de band van zijn vader was voor Raymond een goede leerschool. Hier leerde hij ook de knepen van het arrangeren die hem later goed van pas zullen komen. Raymond zal vaak vertellen dat hij zijn vader eeuwig dankbaar blijft voor deze kans die hij hem toen geboden heeft.

Na een tijdje bij pa gespeeld te hebben, gaat Raymond zijn eigen weg. Tijdens een opname samen met zijn vader in de studio van Jean Klüger, tipt deze hem dat hij misschien eens moet gaan aankloppen bij Johan Verminnen met wie Jean op dat moment samenwerkt. Johan was op zoek naar een goede muzikant en Jean wist dat Raymond wel wat in de vingers had. Hij gaat bij Johan aan de slag als pianist, gitarist en arrangeur. Hij is erg blij dat hij hier kon spelen en houdt ook van het stemgeluid van Johan. Die samenwerking botst echter vrij snel, want hier stonden twee sterke ego’s tegenover elkaar. Raymond voelt snel aan dat hij beter andere oorden kan gaan opzoeken. De nieuwe bassist van de band, Frans Ieven, loodst hem bij de VRT binnen en stelt hem voor aan toenmalig producer Jan Geysen die hem muziekjes laat schrijven voor het op dat moment populaire satirische programma “Dagboek” waaraan ook Paul Jacobs en Piet Piryns meewerkten. Raymond blijft hier een jaar lang aan de slag en zal in het totaal zo’n vijftig liedjes schrijven. In 1971 mag Raymond als verjaardagscadeau van zijn vader twee liedjes opnemen waaronder Will drama. Muzikanten van dienst zijn Freddy Rottier op drums, Ivan Desouter op bas en Raymond zelf aan de piano en het orgel. Will drama was een eendimensionale hekeling van het Will Turasyndroom, aldus Raymond. Hij had het moeilijk met het succes dat die Vlaamse zangers scoorden. Over het resultaat van zijn eerste opnamesessie was Raymond niet zo tevreden. Die liedjes zijn dan ook nooit op plaat verschenen.

In 1972 richt Raymond de groep Louisette op met in de line-up Bernard Vanderhaegen, de zanger van de Wemmelse groep ‘t Goeleve, die op zijn beurt basgitarist Jean Van Dooren bij de groep introduceert samen met drummer Eddy Verdonck van de groep Mad Curry en Erik Van Neygen. Raymond leert met veel geduld Erik de elektrische gitaar onder de knie te krijgen. Hij spoort hem ook aan de liedjes die hij tot dan toe in het Engels heeft geschreven, te vertalen in het Nederlands. Erik op zijn beurt leert Raymond dat het niet altijd verstandig is te pas en te onpas met je eigen mening te komen aandraven. Het heeft Raymond, zo vertelt hij ons, een stuk kalmer gemaakt. En die weg is hij sindsdien blijven volgen. Jouw mening doet nauwelijks terzake.  Op het Omega-label brengen zij in 1972 Maria, Maria ik hou van jou uit. Die opname is het tweede verjaardagscadeau van papa Nico voor zijn zoon. Pa neemt de productie voor zijn rekening en deze keer is het bingo. Wat Erik nooit zal vergeten, is dat Raymond hem de kans biedt het B-kantje Jij kunt beter gaan voor zijn rekening te nemen. De single blijkt té vernieuwend voor die tijd en slaat niet aan, commercieel gezien dus een regelrechte flop. Waar zij ook optreden, Louisette wordt vooral gezien als een vreemde eend in de muzikale bijt. Er worden amper drieduizend exemplaren van verkocht. In 1973 komt de volgende single Daddeemelee in de winkels terecht met op de B-kant 15 maart. Daddeemelee draagt Raymond op aan Eva Mentens, de mevrouw die hem als eerste in het liefdesleven zal inwijden. 15 maart is een liedje door Van Neygen geschreven en Erik vindt het nog altijd een mooie vriendschappelijke geste van Raymond dat zijn liedje op de B-kant belandde. Jammer, maar dit plaatje wordt een nog grotere flop dan hun eerste. De echte muziekliefhebber vindt de teksten niet je dat en de kwaliteit van de opname laat te wensen over. Ook de opvolger Zij houdt van vrijen doet het in 1974, ondanks enkele positieve recensies in de vakpers, niet goed. Intussen heeft Jean-Marie Aerts de plaats van Erik ingenomen. De muzikale smaak van Raymond en Erik verschillen te veel. Raymond dweept op dat moment met David Bowie en Roxy Music, terwijl Erik verzot is op Amerikaanse folk en country. Raymond komt ook almaar meer aan de bak als gegeerd sessiemuzikant die we in die tijd horen op platen van Kris De Bruyne en Zjef Vanuytsel.

Roland Klüger is blij verrast wanneer Raymond hem op zekere dag het liedje Mijnheer de postbode laat horen en gaat meteen akkoord om met Raymond een eerste solo-elpee op te nemen. “Je moest eens weten hoe gelukkig ik was” heet die eerste langspeler met daarop twaalf liedjes opgenomen in de “Morgan Studio’s” in Brussel en in 1973 uitgebracht op het RKM Label (Roland Klüger Music). Bekende jongens duiken in de studio op om Raymond te begeleiden: Bruno Castellucci, Jean-Marie Aerts en Mich Verbelen. De elpee wordt geen succes, al staan er sterke songs op als Bleke Lena, Middenstandsblues en Waar ik niet tegen kan. Mentaal zit het Raymond echter niet mee. Hij geraakt in een dipje en probeert te overleven door arrangementen te schrijven voor onder meer Cynthia Clay en Barry & Eileen (kennen we van de hit If you go). Pa zorgt dat hij hier en daar wat kan meespelen tijdens studiosessies. Hij gaat ook even meespelen bij de band van Kris De Bruyne.

In 1974 richt Raymond samen met Mich Verbelen, Stoy Stoffelen en Jean-Marie Aerts de  groep Bien Servi op. Na een poos wordt Jean-Marie vervangen door Jean Blaute en gaan de heren door het leven als The Millionaires. Er volgt in 1975, deze keer op het Philips-label, de langspeler “Ik doe niet mee”, goed voor twaalf liedjes waaronder als uitschieters Bierfeesten (als ik dit maar heb), De eerste minister en Ik wil de grootste zijn.  In de marge even vermelden dat Raymond Bierfeesten ooit aan Ann Christy heeft voorgesteld om op te nemen, maar zij is zo eerlijk hem te vertellen dat zij hem zo’n parel niet wil ontnemen en dat hij het beter zelf moet opnemen. Producer van dienst is de op dat moment populaire en gegeerde Nederlandse hitleverancier Hans Van Hemert. Die had in de jaren zestig samengewerkt met bekende popgroepen als Zen en The Motions en bezorgde nadien hits aan Mouth & MacNeal, D.C. Lewis, Liesbeth List en Ramses Shaffy. “Ik doe niet mee” werd wel geen plaat waaraan Raymond veel plezier beleefde. Van Hemert duldde niet veel inspraak. Raymond was en is nog steeds niet zo tuk op de arrangementen die Van Hemert schreef. Eén liedje op die plaat springt speciaal in het oor Janneman Robinson waarin Raymonds liefde voor Winnie the Pooh klinkt, hoofdpersonage uit de boeken van Alan Alexander Milne. Hij zal in interviews toegeven dat die fantasiewereld voor hem tijdens zijn jeugdjaren een openbaring was. Vooral de manier waarop de figuren door het boek heen leven, boeien hem, met een aparte voorliefde voor Konijn en Uil, en hoe dankzij die figuurtjes de gewichtigdoenerij en snoeverij van sommigen te kakken wordt gezet, iets wat hij later in zijn teksten ook met graagte zal doen. Raymond was zo’n jaar of zeven toen zijn moeder hem die verhaaltjes al voorlas, die hij later zelf op zijn beurt ging lezen om ze dan weer op zijn beurt aan zijn kinderen voor te lezen.

In 1976 gaat Raymond zijn vroegere kompaan Erik Van Neygen steunen wanneer die hem vraagt zijn eerste, titelloze elpee te producen, verschenen op het Parsifal-label, waarop twaalf liedjes met onder meer Eriks versie van Bleke Lena en voorts Vandaag, Vergeet, Voor haar en Alleen jou aan mijn zij. Dat jaar zien we Raymond ook driftig aan het werk tijdens de Gentse Feesten waar hij het publiek aan zich weet te binden met nummers als Gelukkig zijn en Bierfeesten.

Een jaar later wordt het album “Nooit meer drinken” gereleaset in een productie van Jean Blaute en met de muzikale steun van onder anderen Chris Joris, Mich Verbelen, Stoy Stoffelen, Berrie Jacobs en André Heyvaerts. Raymond heeft intussen een platendeal weten te versieren bij platenfirma EMI die hij voor een groot deel van zijn carrière trouw zal blijven. Aan tien liedjes heeft Raymond op deze elpee genoeg om zijn talent te etaleren. Liedjes als Zjoske schone meid (geschreven voor zijn toenmalige vrouw Joske Ceupens met wie hij drie jaar getrouwd blijft), Danielle, opgedragen aan zijn toenmalige nieuwe lief, Crazy pub, Winterochtend en het intussen tot een klassieker gebombardeerde Meisjes. Speciaal voor dit album werden er voor Meisjes nieuwe arrangementen geschreven. Vrij snel begint die single aan een bescheiden opmars in Vlaanderen. De twintigste augustus 1977 staat Raymond op twee in de Vlaamse Top Tien. Vreemd genoeg blijft de Top Dertig buiten bereik. De single laat voorgoed zijn sporen na en zorgt ervoor dat de naam van het Groenewoud niet meer weg te denken is uit de Vlaamse muziekwereld. Er bestaat ook een Franse versie van. Vreemd genoeg heeft hij het dan over Merde met op de B-kant Paroles en pratique. Net zoals Brussel aan de schoenzolen van Johan Verminnen kleeft, zo blijft Meisjes het eeuwigklevende stukje kauwgom voor Raymond. Voor velen is Meisjes de uiting van een  tijdgeest, een tijd waarin iedereen dacht dat alles kon, dat de wereld kon veranderd worden. In Meisjes klinkt Raymond ook op zijn best, vooral in een zin als “zeg dat Raymond van het Groenewoud het gezegd heeft“. Dit lied bewijst ook dat op het einde van de jaren zeventig het Vlaamse chanson meer maturiteit heeft verworven, meer body heeft gekregen. Nog zo’n uitschieter op die plaat is Italianen, zeker niet racistisch bedoeld, maar eerder een parodie op de typische belcantogetinte Italiaanse liedjes met, als het eventjes kan, hier en daar een mandoline op de achtergrond. Tijdens een opnamesessie waarvoor Raymond als muzikant was uitgenodigd door producer Roland Verlooven, daagde die de vooral jongere aanwezige muzikanten wat uit door te beweren dat de beste melodieën vooral door Italianen waren en worden geschreven. Als schoolvoorbeeld noemde hij O sole mio dat in de jaren zestig tot een grote hit werd gezongen door Elvis Presley als It’s now or never. Omdat Raymond nog een nummer nodig had voor zijn nieuwe elpee, besloot hij op een namiddag eens een echt melodieus liedje te schrijven. Met die opmerking van Roland in zijn achterhoofd werd het “Italianen hebben zin voor melodie, Hare Krishna, Traviata, Napoli!” En vervolgens scharrelde Raymond, zoals hij in ons interview vertelde, alle bestaande clichés over Italianen bij mekaar, en de rest was kinderspel. Diezelfde Roland Verlooven vertelde ons op zijn beurt tijdens een gezellig etentje in Keerbergen dat Raymond een van zijn grootste idolen is: “Van het Groenewoud schrijft in een paar zinnen waarvoor ik als componist honderd liedjes nodig heb!”

In 1978 brengen Raymond en De Millionaires het gelegenheidsprogramma “Omdat ik Vlaming ben”. Dat jaar is er vrij snel een opvolger voor de succesvolle plaat “Nooit meer drinken” en dat wordt, opnieuw in een productie van Jean Blaute, “Kamiel in Belgie”, een liveplaat met de volledige steun van De Millionaires. Geen extra bezetting met een pak aanvullende muzikanten, neen, een rechttoe rechtaan registratie van een rist bekende liedjes waaronder Gelukkig zijn en Maria, Maria, ik hou van jou en het amusante Vlaanderen boven. Dat liedje had Raymond opgenomen voor een tv-programma. Maar dat er smalend over koning Boudewijn werd gezongen, kon volgens toenmalig VRT-producer Bob Boon niet door de beugel en het lied werd gelijk afgevoerd. In Vlaanderen boven exposeert Raymond niet zijn onvoorwaardelijke liefde voor Vlaanderen, maar is het eerder een ironische liefdesverklaring. Op een bepaald moment zingt hij zelfs “Vlaanderen buiten!”, als lanceert hij hier een anti-Vlaamse slogan, maar de daaropvolgende zin “waar de vogeltjes fluiten” laat duidelijk horen dat hij de Vlaamse natuur liefheeft als geen ander. Vlaanderen boven staat niet alleen op het livealbum “Kamiel in België” (uitgebracht – zij het wat tegen de zin van Raymond in, want hij vindt niet gauw dat een liveplaat geslaagd kan zijn – op dringend verzoek van zijn platenfirma), maar verschijnt eveneens op single waarmee hij de vijftiende juli 1978 op één piekt in de Vlaamse Top Tien. Hij schreef dit liedje, gezien door de ogen van een Nederlander, zijn milieu dus. Het is een opsomming van wat Vlaanderen hem op dat moment biedt: “Waar er mossel met friet is, waar er kip aan het spit is, waar de kerk in ’t midden staat, waar de purperen hei bloeit en het geld in het zwart vloeit, waar men nauwelijks Nederlands praat, waar een diploma geen zin heeft en de koning geen kind heeft, waar de schuimwijnkoningin defileert, waar het volk goedlachs is en een vuist zonder kracht is.” In de BRT Top Dertig zit er de negentwintigste juni als hoogste notering een achtentwintigste plaats in. Kamiel, want het kind moet een naam hebben, is de naam van een fictieve hond die in het leven van Raymond opduikt op het moment dat hij het beu is om traditionele liedjes te schrijven. Hij wou vooral niet té voor de hand liggende dingen neerpennen. Kamiel is dan ook geboren in een hoekje van Raymonds absurditeit. De vijfde juni 2002 neemt Raymond ter gelegenheid van de zevenhonderdste verjaardag van “De Guldensporenslag” een bewerkte versie van Vlaanderen boven op waaraan twaalf bekende Vlaamse zangers en zangeressen meewerken, onder anderen Wll Tura, Sergio, Belle Perez, Bart Peeters en Sarah. De diverse hitlijsten blijven deze keer buiten bereik. In 1978 worden De Millionaires, De Centimeters. In die bezetting schitteren ze op het podium van Torhout-Werchter naast halfgoden als The Runaways, Gruppo Sportivo, Talking Heads, Dr. Feelgood, Nick Lowe en Dave Edmunds.

Zij laten voor de eerste keer op vinyl iets van zich horen in 1979 op de plaat “Ethisch reveil” waarvoor ook deze keer Jean Blaute de productie op zich neemt. Wij tellen negen liedjes waaronder Aalst (stad mijner dromen), Markies de Sade, Jaloers en Trek het je niet aan. De term ethisch reveil staat eigenlijk voor het streven naar herstel van de christelijke ethiek, een bewoording in Nederland geïntroduceerd door de toenmalige minister van Justitie Dries van Agt. Humo van de elfde september van dat jaar is vol lof over deze plaat. “Ja ik weet het: te veel lof is als look in een brakke maag: hij stinkt. Maar er is dan ook nooit een lp van eigen kweek geweest, die zo geklonken heeft, die zo uitblinkt door inventieve arrangementen, sterke nummers, magistrale muzikale techniek als deze “Ethisch reveil”. Raymond speelt Reeds!“. Aldus de journalist van dienst, die zonder blikken of blozen van het Groenewoud tot de Vlaamse Lou Reed kroont. De drieëntwintigste juni staat Trek het je niet aan op twee in de Vlaamse Top Tien, geschreven, als trouwe Bob Marleyfan, in een rocksteadyritme (maakte in 1966 in Jamaica nogal opgang), op het moment dat hij in Erembodegem (Oost-Vlaanderen) woont. Hij voelde de ongezonde druk van zijn platenfirma om nog maar eens een rist succesvolle songs neer te pennen. In zijn omgeving kende hij een mevrouw die veel werd afgesnauwd, zich continu op haar kop liet zitten en met haar voor ogen schrijft hij Trek het je niet aan. Op die plaat ook een ode aan Nonkel Frans. Raymond daarover in een babbel met Humo: “Mijn Nonkel Frans is een man die ik ontzettend graag hoor praten en die altijd van alles op de hoogte is, kwam op een dag met nog maar eens zo’n sterk verhaal aan over “Hoe daar in Engeland toch weer iets gebeurde, die vier gasten, de Beatles, dat zou toch iets fameus gaan worden”, en hij wapperde met “De Standaard”, waar de Beatles op pagina één stonden, wat, zeker in die tijd, op zich al een wonder was. Ik heb die foto urenlang bekeken en ik had het zitten, voorgoed. Zonder ooit een noot van de Beatles gehoord te hebben. Later heb ik een eepee gekocht met aan één kant I’ll get you en Roll over Beethoven en aan de andere It won’t be long en I wanna hold your hand. Van Roll over Beethoven was ik ziek, zo goed vond ik dat. Daarna kocht ik de single Twist and shout en Boys. Twist and Shout vond ik het beste wat ik ooit gehoord had.” In hun zomeragenda staat Torhout-Werchter weer genoteerd met deze keer op de affiche The Bintangs, Kevin Coyne, Tom Robinson Band, Talking Heads, Dire Straits en Rory Gallagher. Raymond is nooit vergeten dat er backstage een bikkelharde strijd werd gevoerd voor een ereplaats op het podium. Hij en de Centimeters waren intussen wereldberoemd in Vlaanderen en hadden dat ook aan de organisator, Herman Schueremans, laten weten, die daar eerst mee akkoord ging tot de dag zelf wanneer enkele “Amerikaanse pipo’s” (Raymonds eigenste woorden) lieten weten dat hun poulains voorrang moesten krijgen. Raymond wou eerst rechtsomkeer maken, maar zag in dat hij dat niet hard kon maken en heeft dat feit dan maar diplomatisch opgelost. Fans gaan in dat geval altijd voor.

Is het om onze oosterburen te plezieren, geen mens die het weet, maar in 1980 verschijnt er een Duitstalige elpee van Raymond Groenewoud und die Centimeters. Tien liedjes waaronder Sie ist fort, Mutter, Kieler Dealer en Mädchen. Veel hebben we er toen in de media niet over gelezen. Het feit dat het bij die ene release is gebleven, zegt méér dan genoeg. Raymond is de Duitse taal niet machtig, studeert het dan maar keurig fonetisch in, en gaat met die beperkte kennis van de Duitse taal op promotietournee in Duitsland. Dat is toch het plan, maar hij vindt dat “a bridge too far” en daarmee is het project op voorhand al een doodgeboren kind.

1980 wordt een jaar om met een gouden pen in zijn dagboek te noteren. Bij een zonnig weer en in een presentatie van John Peel en Guy Mortier sieren Raymond en De Centimeters het podium van “Pinkpop” in Geleen. Hij steelt daar de show voor de ogen van andere goden als The Jam, J. Geils Band, The Specials, Joe Jackson Band en Garland Jeffreys. Als geen ander weet Raymond als een volleerd showman het publiek te bespelen, vijftigduizend man sterk. Vooral zijn hartverscheurende versie van Je veux de l’amour dreunt na al die jaren nog na. Met de meezinger Maria, Maria, ik hou van jou zet hij het publiek helemaal naar zijn hand. Je veux de l’amour is oorspronkelijk een lied van de Canadese zanger Robert Charlebois. Hij weet niet meer precies of hij het voor de eerste keer op televisie zag bij Marc Didden thuis of privé, maar Raymond wilde er sowieso een extra dimensie aan toevoegen, een tandje bij schakelen, er iets meer punch aan geven dan Charlebois in de originele versie doet. Kwa thema en melodie blijft Raymond erg dicht bij het oorspronkelijke. Het lied gaat over een zanger die terugblikt op zowel de hoogte- als de dieptepunten in zijn carrière. Die zanger is maar naar één ding op zoek in zijn leven: liefde. De wanhoop overstijgt bij momenten én de tekst én de melodie, klinkt uiteindelijk als één grote schreeuw, die we al iets eerder hoorden in Meisjes. Puristen merken op dat hij die dag tijdens het zingen van Meisjes vooral op zijn moeder stond te roepen, al houdt zo’n opmerking hem niet bezig. Hij schrijft dat op het conto van wie hem wil ontleden, maar zelf gaat hij nooit op zoek naar de dieperliggende achtergrond van het hoe en het waarom van een liedje of zijn manier van staan te zingen. Op single staat Je veux de l’amour de achtentwintigste juni 1980 op één in de Vlaamse Top Tien. In de BRT Top Dertig vinden we de single de zestiende augustus op de tiende stek terug. De negentiende juli prijkt Raymond in de Nederlandse Top Veertig op achttien. Pas elf jaar later zal hij helemaal bovenaan staan, maar dat verhaal is voor later. Met het oog op het succes van Je veux de l’amour verschijnt in Nederland op het Odeon-label het album “Leven en liefdes” met op de A-kant zes live-uitvoeringen van zijn bekendste hits tot dan toe, waaronder Meisjes en Vlaanderen boven en op de B-kant zes studio-opnamen met onder meer Mama moet komen, Brussels by night en uiteraard Je veux de l’amour.

Raymond was, omdat toch even tussendoor te aan te stippen, een man van “wonen” op vele plaatsen, als kind al, heen en weer reizen tussen pa en ma en zijn stiefvader. Al lachend merkt hij tijdens onze babbel op dat hij zijn leven lang vaak zo diep in gedachten zit verzonken, dat hij dikwijls niet eens weet waar hij verblijft!

In 1981 neemt Raymond het zuiderse en zeer dansante Chachacha op. In de jaren tachtig werd de chachacha beschouwd als een van de favoriete dansjes van pa en ma, want in de jaren vijftig was dit samen met de mambo en de rock je van hét. Volgens het dansboekje is de chachacha een Cubaanse dans, gecreëerd door de Cubaanse orkestleider Enrico Jorin. Met Chachacha, in een productie van Jean Blaute en begeleid door De Centimeters, wou Raymond zijn eigen muziek en succes wat relativeren en deed dat door op een verzoenende manier de latinomuziek van zijn vader, Nico Gomez, feilloos in een dansbare melodie te gieten. Op zijn beurt mag pa bij zijn zoon komen meespelen tijdens de opname van één van diens grootste hits. Van al de tot nu toe uitgebrachte singles van Raymond scoorde Chachacha het hoogst. Op de B-kant staat Het verschil met mijn vriend Jan. In de BRT Top Dertig staat Chachacha de twaalfde december 1981 op vijf en in de Vlaamse Top Tien de eenendertigste oktober op één. Vader Gomez zet het in 1982 samen met The Copacabanas op zijn album “Latin Dance Hits” dat bij de firma Music for Pleasure verscheen. De eenentwintigste november 2002 wordt Chachacha tijdens een muzikaal festijn in het “Casino van Knokke” toegevoegd aan de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam. Ook gelauwerd die avond: Zo mooi, zo blond en zo alleen van Jimmy Frey en Zeven anjers, zeven rozen van Willy Sommers.

Dat luid meezingen met zijn hits, vooral in Nederland, dat soms meebrullen door een behoorlijk beschonken menigte, doet Raymond besluiten voorlopig niet meer live op te treden. Hij moet aan zijn werknemers, De Centimeters dus, laten weten dat de heren voortaan muzikaal vreemd mogen gaan. Naar aanleiding daarvan vertelt hij tijdens onze babbel dat hij wel vaker last heeft van zijn moody gedrag, wat hij tegelijkertijd als een zegen beschouwt. Door die spanning tussen zijn ups-and-downs gebeurt er veel meer, is hij veel creatiever in zijn artistieke bestaan. Die stemmingswisselingen zorgen ervoor dat hij een sabbatperiode inlast. Hij kan een poosje mee met dingen die nu eenmaal horen bij het populair -zijn en optreden voor een grote massa, maar na een tijdje heeft hij van die hele heisa en drukdoenerij schoon genoeg en heeft dan dringend nood aan een periode van rust waarin hij van dat alles wat afstand kan nemen. Voor een tijdje dan toch! Raymond heeft zin in een paar zijsprongen waaronder de productie van de plaat “Waar de lampen in de klinken blinken”, de debuutplaat op het EMI-label van Kamargurka en de Vlaamse Primitieven. Acht keer pure parodie en dat lust Raymond op dat moment wel. Een jaar later kloppen The Employees bij hem aan en gebruikt hij zijn kunsten als producer tijdens de cover van Play with fire van The Rolling Stones met op de B-kant Rich and famous, verschenen op het Antler-label. De bekende Nederlandse gitarist Harry Sacksioni vraagt Raymond of hij geen zin heeft in een paar akoestische optredens waarop hij graag ingaat en levert de nummers Hoogste tijd en Willoos voor Harry’s nieuwe plaat “Nachtjournaal”. Raymond zingt op de plaat mee met zijn eigen nummers en kruipt zelfs virtuoos achter de piano. Heeft het wat met de geboorte te maken van zijn zoon Jasper of gewoon omdat hij er zin in heeft, maar in 1983 gaat Raymond in op de uitnodiging van Radio 2 Omroep Brabant om twee liedjes te schrijven voor het album “Er komt geluid uit het behang”, naar het gelijknamige kinderprogramma. Die liedjes zijn Een slechte film en In de gracht.

In de maand september van 1983 heeft tijdens het filmfestival van San Sebastian de wereldpremière plaats van de film “Brussels by Night” van regisseur Marc Didden. Het is een soort stadsfilm die zich hoofdzakelijk in het Brusselse nachtleven afspeelt en in schril contrast staat met de op dat moment in Vlaanderen populaire plattelandsdrama’s van eigen makelij. Met deze film weet Marc Didden als regisseur door te breken samen met zijn regieassistent Dominique Deruddere. De titel van de film ontleent Marc Didden aan de gelijknamige song van Raymond van het Groenewoud die dat in 1979 al samen met De Centimeters voor het album “Etisch reveil” had ingeblikt. Voor alle duidelijkheid, Didden heeft zijn film niet aan de inhoud van het liedje Brussels by night opgehangen. Voor de soundtrack schrijft Raymond een rist nieuwe nummers waaronder Sandy, Schijten, Het gras is nat en Hallo…soms ben ik verlegen. Tijdens het “Festival van San Sebastian” kaapt de film de “prijs van beste debuut” weg en de zilveren trofee “Spaanse Federatie van Ciné-Clubs”. Een jaar later volgt de onderscheiding “outstanding film of the year” tijdens het “Filmfestival van Londen”.

Van de veertiende november tot en met de vijfde december 1984 vinden we Raymond aan het werk in de “Wisseloord Studio’s” in Nederland in het gezelschap van producer Hennie Vrienten naar een voorstel van Jo Govaert, toenmalig manager bij EMI België. Raymond heeft op dat moment vrede met die keuze omdat hij zich vooral met de content van de plaat wil bezighouden. Dat resulteert uiteindelijk in het album “Habba!” dat in 1985 wordt uitgebracht.  Qua backing vocals krijgt hij zelfs de steun van de diva’s Fay Lovsky en Mathilde Santing. Tien liedjes met onder meer een ode aan de Fietsbel en Ludo Coeck, verder het klankrijke Habba habba hoek hoek en het wat gewaagde Haile Selasie, maar dat het gewaagd was, had Raymond in het begin niet meteen door. Op de dag dat hij het schreef, had hij alleen maar een soort woordenspielerei voor ogen, meer niet. Bij de consequenties daarvan stond hij niet stil. Omdat hij een reggaeritme in gedachten had, kwam hij bij Selasie terecht. Haile was ooit keizer van Ethiopië en wat Raymond goed onthouden had, door de rastafaribeweging beschouwd als de reïncarnatie van Jezus. Bob Marley schreef ooit als eerbetoon aan hem Iron Lio Zion. De tekst “Eigenlijk heette Haile Selassie Albert Vandenbossche, maar was dat wel een goeie naam voor een rastaman, vooral met vibraasjens, eigenlijk was hij op vakantie in Ethiopië waar men hem totaal niet correct voor een keizer nam“, geeft meteen al aan dat Raymond het nogal speels bedoelde, maar zo werd het op dat moment niet door iedereen gehoord en beoordeeld. Het hoeft ons niet te verwonderen dat de plaat een mix is van pop en reggae en als je aan reggaeliedjes denkt, gezongen in je moerstaal, dan denk je onverwijld aan Hennie Vrienten en Doe Maar. Dat was dan ook de kritiek die snel volgde, dat het té zeer Doe Maar-achtig klonk. Twistpunt tijdens de opame was trouwens dat Vrienten de muzikanten van Raymond niet sterk genoeg vond en op zoek ging naar muzikanten van zijn keuze. Om elkaar niet op de spreekwoordelijke pik te trappen, werd er dan maar fiftyfity geselecteerd en dat vindt Raymond achteraf bekeken nog steeds een keuze van noch vlees noch vis, wat op die plaat ook te horen is. Vaak geprogrammeerd op de radio, en intussen een van Raymonds vele hits, is Stapelgek op jou.  De tweede november 1985 staat hij met deze single op twee in de Vlaamse Top Tien. Raymond schreef dit nummer samen met Kries Roose die ook voor Clouseau, Jan de Wilde en Get Ready zal schrijven. De eerste oktober van dat jaar krijgt hij van Sabam de “Hit-Trofee 1984″.

In 1986 wordt Raymond nog maar eens vader, deze keer van Leander. Hij is ook muzikaal erg productief, want hij lanceert in een productie van Hans De Backer het album “Ontevreden”, een plaat vol muzikale uitersten, gaande van het ingetogen en lang uitgesponnen Wat een fijne dag tot het Tin Pan Alley-achtige instrumentale Puppet Chou en in een soort bubblegumklinkende stijl geschreven Dommer kan het niet. The Archies hadden hier zeker een lekkere kluif aan. De studio wordt bevolkt door zo’n zeventien muzikanten die af en toe hun leuke inbreng mogen laten horen. De symfonische aanpak die hij voor de nabije toekomst in zijn hoofd heeft, is hier al hoorbaar, er mag in de studio al wat gestreken worden tijdens Wachten op de wagen in de nacht. Het lied dat ons het meest is bijgebleven, is Sire, rock en roll. “Sire, ik hou van rock en roll, sire, ik kan er niets aan doen, m’n ogen tranen, m’n hart schiet vol, ik hou écht van rock en roll“. In de hitlijsten wordt er niet op gereageerd, maar het is tijdens liveoptredens wel een blijver.

In 1987 besteedt Raymond tijd aan het schrijven van muziek voor de film “Crazy love” van Dominique Deruddere, gebaseerd op het werk van Charles Bukowski. De film is een zoektocht naar liefde. In de hoofdrollen zien we onder anderen Josse De Pauw, Geert Hunaerts en Michael Pas. Het scenario is van de hand van Dominique Deruddere en Marc Didden. Zij bedachten, met goedkeuring van Bukowski, een groot deel van het verhaal zelf. De film kreeg onder meer de “Joseph Plateauprijs” voor beste Belgische film en beste originele muziek. De negende september van dat jaar staat van het Groenewoud op twee in de Vlaamse Top Tien met het zeer dansante Calypso ce soir dat hij speciaal laat kruiden door de producer van dienst Lou Deprijck, die voordien met Two Man Sound al had laten horen hoe Latijns-Amerikaanse muziek hoort te klinken, door Raymond voor de gelegenheid vertolkt met een stevige knipoog naar pa Nico Gomez.

Je zou hem er niet misschien niet verwachten, maar in 1988 vinden we Raymond terug in het “Casino van Middelkerke” tijdens de “Baccarabeker” als coach van de West-Vlaamse ploeg die dan ook nog eens met de overwinning gaat lopen dankzij het talent van Ingeborg, Phil Graveyard en Clouseau. Koen weet nog goed dat Raymond op een dag kwam luisteren in hun toenmalige repetitiekot, de garage van hun geluidsman Pascal Braeckman in Halle. Raymond had een paar partituren bij zich met enkele songs die hij wilde voorstellen. Grote paniek, niemand kon notenlezen, maar ook niemand wou voor de ogen van Raymond afgaan. Een moment voor Clouseau om nooit te vergeten. Op hun repertoire stond verder onder andere Alleen met jou en Verlangen dat in duet met Ingeborg werd gezongen. Voor de rest zongen ze ook mee met enkele reggaeliedjes begeleid door Phil Graveyard. Kris herinnert zich dan weer dat het er in het begin slordig aan toe ging, maar toen de ze kordaatheid hadden opgemerkt waarmee John Terra zijn Limburgse team door de halve finale loodste, herpakten zij zich en gingen zelfs om twee uur ‘s nachts enkele danspasjes instuderen en een a-capellaversie in van Ze zit inoefenen. Ingeborg werd op haar beurt bekroond met de personalityprijs. Dat jaar schittert Raymond aan de zijde van Jan Decleir en Bea Van der Maat in de theaterproductie “De brand in Brel”. Jacques Brel was tien jaar voordien, de negende oktober, overleden. In “Humo’s Pop Poll” staat hij in 1988 op één. Ten voordele van het Rode Kruis neemt Raymond in 1988 in een productie van Johan Kerckhof het nummer M’n goeie ouwe Rode Kruis op. “Ik heb vertrouwen in dit huis waar men van medeleven bruist, een toevlucht voor een vreemde luis, m’n goeie ouwe Rode Kruis“. De dertiende augustus stond hij nog op drie in de Vlaamse Top Tien met Intimiteit uit het album “Intiem” opgenomen in “Studio Jet” in Brussel.  Raymond schreef Intimiteit bewust om een deel van zijn publiek te behagen dat zijn spielereien graag lust en niet zozeer zijn rockende repertoire. Raymond merkt tijdens onze babbel op dat hij weet dat zijn ernstige aanhang het jammer vindt dat hij dit doet. Omdat het zo makkelijk in hem opwelt, het zo vlot klinkt en melodisch vergelijkt hij het met zijn mozartiaanse kant, zonder zich op het niveau van deze klassieke componist te willen tillen. Hier en daar heeft hij op zijn manier Eine kleine Nachtmusik geschreven. Hij heeft, vindt hijzelf, met Mozart gemeen dat de muziek die hij schrijft wel oké is, maar op tijd en stond ook met halfgare creaties op de proppen mag komen. Intimiteit schreef Raymond op weg van de Kempen naar Brugge na een vrij luidruchtig optreden samen met Roland Van Campenhout. Het optreden suisde nog na in zijn oren, toen als een soort geschenk uit de hemel, met tekst en al, het liedje in hem opborrelde. Hij is speciaal langs de kant gaan staan om het op te schrijven en het nadien thuis verder af te werken. Op die vrij rustige plaat “Intiem”, ook liedjes als Zo graag dicht bij jou, het opvallende De lotgevallen van Engelbert Humperdinck en het door Kamagurka geschreven Weg met Boudewijn (Leve Fabiola). Ook vaak gedraaid uit dat album is Omdat ik van je hou dat op single de achttiende maart 1989 op tien belandt in de Vlaamse Top Tien. Het nummer werd geïnspireerd door een toenmalig lief van Raymond dat tuk was op Latijns-Amerikaanse muziek. Puur voor de lol schreef hij, vooral om zichzelf uit te dagen, een liedje in Mexicaanse stijl. De melodie kwam vrij vlot en voor de tekst ging hij bewust op zoek naar romantische woorden omdat de melodie er nu eenmaal om vroeg en omdat hij er bewust geen weerhaken aan wou toevoegen, kortom het niet stukmaken zoals hij dat normaal wel deed. Omdat ik van je hou is een van de meest gecoverde liedjes van Raymond, want nadien zal het op cd worden gezet door onder meer Mama’s Jasje, Free Souffriau en Guido Belcanto. Het album werd met een niet overdreven budget ingeblikt. Het was vooral dankzij de goodwill van heel wat van Raymonds collega’s dat de setlist behoorlijk omvangrijk oogt. Nog een uitschieter op die plaat is Hallelujah, ze is van mij, origineel van de hand van Ray Charles. Die zette het in 1957 als Hallelujah I love her so op plaat voor zijn debuutelpee op het Atlantic-label, in een productie van de legendarische producer Jerry Wexler. Raymond kent het ook in de versie van The Animals. In een wat verloren moment lukte het hem behoorlijk snel er een Nederlandstalige tekst bij te schrijven. Is het ook zo dat in zijn eigen liefdesrelatie zijn lief exclusief van hem is? Raymond geeft eerlijk toe dat daarbinnen geen plaats is voor een derde persoon. Hij schept graag een band waarin het belangrijk is dat zij met hun tweetjes zijn. Dat verknocht-zijn aan mekaar consumeert hij al jaren als bijzonder hevig, met als nadeel dat het na een tijdje kan opgebrand zijn, wat hij aan den lijve meermaals ondervonden heeft.

Omdat het kind een naam moet hebben, doopt hij zijn vaste begeleidingsgroep bestaande uit Rik Aerts, Walter Mets, Kries Roos en Hans De Backer, De Vlaamse Mustafa’s. Vanwaar die naam? Hij had tijdens de Gentse Feesten de Britse groep 3 Mustaphas 3 gezien. Begin 1990 is er de verzamelaar “Meisjes”. Nog voor de cd in de winkel ligt meteen goed voor goud, méér dan vijftienduizend exemplaren vooraf besteld. Vlaanderen boven staat verzameld op dat album samen met onder andere de titelsong, Bleke Lena, Stapelgek op jou, Chachacha en het vaak over de radio te horen Ik ben de man. Die macho staat de eerste september van dat jaar op acht in de Vlaamse Top Tien. Omdat het hem na aan het hart ligt, schrijft hij nog maar eens de muziek voor een film, deze keer voor “Sailors don’t cry” van Marc Didden met in de hoofdrollen Hilde Van Mieghem, Josse De Pauw en Johan Leysen. De titelsong schrijft Raymond samen met Elisa Waut met wie hij het nummer samen inzingt en dat in singleversie op het Ariola -label verschijnt.

Voor het album “Neem je tijd”, naar het gelijknamige programma van Radio 1, covert en vertaalt Raymond in 1990  I want you van Elvis Costello als Ik wil je en Ces gens-là van Jacques Brel als Dat slag volk. Roland Van Campenhout vraagt hem of hij niet wil meewerken aan diens album “The last tribe” waarvoor Raymond onder andere mee de arrangementen schrijft. Als vanouds vliegt hij er live weer in. Hij pakt in dat jaar ijzersterk uit met Liefde voor muziek. In de bioscoop had hij tien jaar eerder samen met zijn moeder de film “The Blues Brothers” gezien in een regie van John Landis met in de hoofdrollen Dan Aykroyd en John Belushi en was hem vooral die scène bijgebleven waarin James Brown als dominee een gospelceremonie leidt. Hem trof meteen hoe dat helemaal anders klonk en oogde dan die stroeve erediensten bij ons. Volgens Raymond mag er bij ons in de kerk wat meer passie en soul aan bod komen. Liefde voor muziek was al een hit tijdens zijn liveoptredens. Voor Raymond is dit nummer rock-’n-roll, pure ADHD, heerlijke waanzin. Alleen kon hij het in de studio niet laten klinken zoals hij wou. Waar vind je überhaupt een gospelkoor dat keurig in het Nederlands kan zingen? Maar na veel plak- en knipwerk in de montagecel en de backingstem van Sofie als extra steun, is die gospel toch geslaagd te noemen op plaat geraakt. De zestiende februari 1991 staat het nummer op één in de Vlaamse Top Tien en de zesde april op één in de Top Dertig. Ook in Nederland is het goed raak met deze single, daar mag hij de achttiende augustus op één in de Top Veertig prijken.

“Sensatie” is de titel van het in “Studio Jet” opgenomen album dat van het Groenewoud in 1992 neerzet. Naast De Vlaamse Mustafa’s doet hij tijdens de opnamen een beroep op onder anderen Hugo Mathysen, Peter Despiegelaere, Wilfrido Delvalle, Bart Quartier en Evert Verhees. Zestien liedjes sieren de plaat die inzet met Mustafa omdat Raymond in een mustafaperiode verkeerde. Na al die jaren kan hijzelf nog altijd niet goed uit aan de inhoud van die song en vanuit technisch oogpunt bekeken, is hij helemaal niet trots op dat lied. Het wordt misschien duidelijker als je weet dat De Vlaamse Mustafa’s in die tijd met Mustafa hun optredens begonnen en er een verdoken soundcheck in zit, want het nummer is instrument per instrument opgebouwd. Leuk meegenomen voor de geluidsman om het geluid tijdens de uitvoering nauwkeurig af te stellen. Er wordt op deze plaat ook lekker op los gerockt, onder andere in Razernij (met dank aan Lou Reed) en Total Loss en daarnaast ingetogen gespeeld en gezongen in liedjes als Eerlijkheid, Sensatie en Je zou eens moeten weten. Tekstueel mag Raymond zich nog eens laten gaan in het nonsensicale Torremolinos. Behoorlijk platgedraaid, mogen we zeggen, is Warme dagen. Raymond koestert nog steeds de dagen waarin het leven geen problemen schijnt te bieden. Dat waren vroeger vooral de vakanties die de wat saaie schooldagen onderbraken en waarin je er alleen maar kommerloos moest voor zorgen dat je luchtbed was opgeblazen en dan richting het zuiden met daar een zwoele avond op een zuiders terras. Die single releases worden niet in echte hits omgezet. Voor Warme dagen zit er de twintigste juni 1992 in de Vlaamse Top Tien een zesde plaats in, in de Ultratop een bescheiden veertigste. Wanneer Clouseau in 1992 uitpakt met hun album “Doorgaan” zijn ze apetrots te kunnen melden dat Raymond twee songs voor hen heeft geschreven, Verlangen en Vanavond ga ik uit. Sinds de “Baccarabeker” kende Raymond Koen en Kris vrij goed. Wat Raymond achteraf bekeken beter niet had gedaan, was vooraf aan Koen vragen waar zijn muzikale voorkeur naar uitging. In het geval van Koen is dat meestal Amerikaans getinte hardrock. Met die kennis begon Raymond spontaan aan het schrijven van Vanavond ga ik uit. Hij is zo eerlijk om nu toe te geven dat het niet het perfecte lied is om door Koen gezongen te worden. Verlangen had Raymond nog in de kast liggen om zelf op te nemen, maar hij stond het met graagte aan Clouseau af.

Samen met Harry Sacksioni en Frank Boeijen, die net beslist heeft solo verder te gaan, plannen ze een aantal concerten in Nederland en België. Boeijen hapt graag toe, want hij ziet in hun gezelschap een Laaglandse versie van Crosby, Stills & Nash. Dit “supertrio”, zoals ze zichzelf durven te noemen, doet in februari en maart 1993 ruim twintig uitverkochte theaters aan. Om wellicht aan de vraag van de fans tegemoet te komen, brengt EMI de verzamelaar “De rug van het doosje” uit met daarop de oeroude versie van Maria, Maria ik hou van jou, liedjes die hij voor “Neem je tijd” van Radio 1 had geschreven en ingeblikt, enz. Dit album maakt deel uit van een verzamelbox met daarin negen eerder verschenen platen, eindelijk dus op cd! Omdat vreemdelingenhaat in het dagboek van Raymond niet voorkomt, verwoordt hij zijn stellingname tegen racisme in het lied L’étranger c’est mon ami waarvan hij een exemplaar aan de koninklijke commissaris van migrantenbeleid, Paula D’Hondt overhandigt. Datzelfde jaar worden de Mustafa’s bedankt voor hun bewezen diensten.

Van het Groenewoud wil al een tijdje bewijzen dat rock en klassieke strijkers erg goed bij elkaar passen, als je maar de juiste arrangementen schrijft. Voor hem zijn dat op dat moment leuke uitstapjes om de zogeheten monotonie te doorbreken. Hij prijst zich een gelukkig mens die zowat alles gedaan heeft wat je op muzikaal vlak kunt presteren: in cafés zingen, in het theater, op Pinkpop, Torhout-Werchter én dus nu ook met een stel strijkers achter zich. Door de jaren heen heeft hij geleerd dat allemaal aan te kunnen en daar is hij nog steeds trots op. De twaalfde november 1993 begint hij aan een rist concerten onder de titel “De minister van ruimtelijke ordening” met als begeleiders Cesar Janssens op drums, Vincent Pierins op bas, Tom Daniels op synthesizer en Bertus Borgers op sax. Deze heren verzamelt Raymond als De Straffe Mannen.. Hij wou het op dat moment qua begeleiding een beetje intiemer na al die drukte en heisa die het succes, vooral in Nederland, van zijn hit Liefde voor muziek met zich had meegebracht. Live waren die haast tumultueuze toestanden niet meer te harden. De verpakking, de aanpak moest dringend kleiner, het moest weer te vatten zijn. Raymond mag dankzij deze bezetting eindelijk nog eens optreden voor een luisterend publiek. Hoogtepunten van die tournee horen we op het album “De minister van ruimtelijke ordening” met een symfonische Raymond tijdens Alles is ijdelheid en Het ruisen van de wind. Deze invalshoek is zo’n succes dat er ook een tournee in Nederland volgt. Met De Straffe Mannen wordt er niet alleen symfonisch opgetreden, maar ook stevig gerockt, wat op menig Vlaams podium in die tijd een lucratieve zet blijkt te zijn. Van het Groenewoud kan de cinema niet uit zijn hoofd zetten en dat hoeft ook niet, want hij schrijft de soundtrack voor “Walhalla” van regisseur Eddy Terstall, een thriller die de achtste juni 1995 in première gaat. Er verschijnt ook een cd met daarop veertien liedjes uit die prent waaronder Walhalla, Het walsje van Marie, Somers voetbalt, Varkenskop en Miss Tanga. Raymond start dat jaar ook met een nieuwe theatervoorstelling “De minister van Landsverdediging”. De derde oktober 1996 gaat de film “Laagland” van regisseur Yolanda Entius in première. Voor deze film, met in de hoofdrollen onder anderen Tom Jansen, Lineke Rijxman en Marcel Musters, schrijft Raymond onder andere zijn meesterwerk Twee meisjes. Zelfs hij vindt de structuur een beetje bizar, al voelt hij wel aan dat niet iedereen het had kunnen schrijven, het is echt iets van hem. HIj vertelde ons tijdens ons interview dat hij het op een rustige, zonnige namiddag schreef tijdens een vakantie aan het Lago Maggiore. Hij was toen verliefd op een stewardess, Nana, en ging, als hij wat tijd had, dicht in haar buurt in Milaan logeren. Zo trokken ze er op zeker moment op uit, richting Lago Maggiore, waar hij op het strand indommelde en na zijn siësta met een melodietje in zijn hoofd zat. Hij had geen dictafoon bij de hand en bleef het liedje in zijn hoofd herhalen tot hij uren later terug op zijn hotelkamer belandde.

Twee meisjes steekt in zijn oeuvre boven alles uit en werd niet zomaar zijn zoveelste hit. Gelukkig maar, want daarvoor klinkt het te kostbaar. Van 2007 tot 2011 staat Twee meisjes telkens op één in de lijst “100 op 1″ dat Radio 1 uitzendt, op de voet gevolgd door Ne me quitte pas van Jacques Brel, die het in 2012 op die eerste plaats van Raymond eventjes overneemt. In 2013 voert Raymond de lijst weer aan, deze keer op de hielen gezeten door Als ze lacht van Yevgueni om in 2014 de duimen te moeten leggen voor Mia van Gorki die dan de top mag aanvoeren. In zijn boek “Belpop – de eerste vijftig jaar” schrijft Jan Delvaux: “Twee meisjes toont dat de eigen taal bijna altijd wint op het terrein van de echte dingen des levens. De teksten die iedereen kent en/of belangrijk vindt, zijn in het Nederlands. Zeer velen hebben een Nederlandstalig nummer tussen hun favorieten aller tijden.” Jan Hautekiet vult die uitspraak van Jan aan met: “Het is weinig artiesten gegeven om in hun latere periode nog iets toe te voegen aan hun oeuvre wat de rest in die schaduw kan stellen“. Vergeten we niet dat Raymond zesenveertig is wanneer hij Twee meisjes schrijft. Het nummer staat ook te pronken op zijn album “Ik ben god niet” dat de achtste februari 1996 verschijnt, opgenomen in de vertrouwde “Studio Jet”. Producer van dienst is Johan Kerckhof. De begeleiding is bewust klein gehouden wat de sfeer extra in de hand speelt en de cd een livesfeer meegeeft. Ik ben god niet schrijft Raymond omdat hem iets dwarszat in zijn toenmalige relatie. Hij werd daarin te veel opgeëist, hij had daarnaast ook nog zijn carrière die hij moest invullen en waaraan hij tijd moest besteden. Die bespiegelingen schrijft hij neer als volgt: “Dit zal je wel verbazen, ik kan niet alles aan, ik ben nogal eenvoudig uit mijn lood te slaan, ik veeg niet elk obstakel fluitend van de baan, wie had dit ooit gedacht, zoveel bescheidenheid, ik heb niet overal voor alles tijd.” Of Raymond iets met God heeft? Wel iets met de schepping als zodanig en hij heeft geen enkele moeite die god te noemen. Moeder Natuur kan net zo goed. De line-up in de studio wordt weer gevormd door de vier basismuzikanten en naargelang de bruisende ideeën het vragen, wordt er een hammondorgel B3 of een Wurlitzerpiano aan toegevoegd. Op het album staat ook het funky Niet huilen en het bijna elf minuten durende Wie zingt er dit lied. Dat jaar krijgt hij van het Vlaamse weekblad Panorama een “Gouden Prosper” voor zijn gehele oeuvre. Op TV2 wordt de negentiende februari “Je moest eens weten hoe gelukkig ik ben” uitgezonden, een documentaire over het fenomeen van het Groenewoud. Naast zijn tournee als minister van landsverdediging waarmee hij zowel door Vlaanderen als Nederland trekt, ook nog in 1997, maakt hij tijd vrij om samen met zijn collega Fernando Lameirinhas (Jess & James) diverse culturele centra te passeren met hun voorstelling “Vlaamse soul en eigentijdse fado”. Raymond zorgt voor de Vlaamse kruiding en Fernando voor de Portugese saudade.

Blijkbaar krijgen de fans er nooit genoeg van en weet Raymond steeds een nieuw publiek aan te boren dat in zijn repertoire geïnteresseerd blijft, want in 1997 brengt zijn platenfirma EMI de verzamelaar “Liefde voor muziek” op de markt met daarop zesendertig tracks, beginnend met de titelsong en eindigend met Zanger zonder meer. Voor Marc Didden is de eer weggelegd om bij elk liedje een anekdote of het ware verhaal te schrijven. In de Album Top Honderd geraakt hij de negenentwintigste november 1997 echter niet hoger dan de dertigste plaats.

Een trapje hoger staat hij wanneer hij samen met het Steylaerts-kwartet door Vlaanderen trekt met zijn tournee “De minister van cultuur”. De strijkersarrangementen werden door Raymond keurig zelf uitgeschreven én bedacht. De dertigste april mag hij ‘s avonds ceremoniemeester spelen tijdens “Nekka Nacht ’99″ in het Sportpaleis van Antwerpen. Hij deelt daar het podium met The Clement Peerens Explosition, Boudewijn de Groot, De Mens, Willem Vermandere, Stef Bos, Geert Hautekiet, Johan Verminnen en Dirk Denoyelle. Zij coveren met veel zin voor fantasie tal van zijn bekendste liedjes. Jean Blaute produceert Raymonds nieuwste album “Tot morgen”, opgenomen tijdens de maanden juni en juli 1998 in “Studio Synsound” te Laken. Technicus van dienst is Dan Lacksman. Jean-Marie Aerts doet nog eens mee samen met onder meer Jan De Smet, Karel Steylaerts, Ronny Mosuse en zijn zoon Leander van het Groenewoud. De plaat zet in met de opvallende zin “Elke morgen dat ik mijn ogen open, zou het zonder zorgen moeten zijn!“. De reacties op het album  zijn verdeeld, zeker als het lied Harde Porno de revue passeert.: “Ja en nee, is dat niet prachtig? Eerst van voor en dan van achter, naar de bron, is dat niet machtig? Kijk eens aan, ik word weer drachtig. Hier zit ik met m’n fluit in m’n vuist, voor de tv, we gaan samen uit, in opwinding, fluit in m’n vuist, voor de tv, we gaan samen uit.” Raymond beaamt nog maar eens tijdens onze babbel dat hij iets tegendraads heeft, maar niet te allen tijde, want dit lied vindt hij terecht geschreven. Hij wordt er nog altijd niet goed van als hij menig BV in Vlaanderen de kop ziet draaien wanneer hun de vraag wordt gesteld of ze ook naar porno kijken. Dat hypocriete gedoe daarrond, die gespeelde afstandelijkheid naar het onderwerp toe, die ontkenning daaromtrent, noopte hem dit nummer te schrijven. In dit liedje bekent hij kleur: ” Ja, ik kijk als BV ook wel eens naar porno!” Zonder het te willen, komt hij in zijn songs soms uit de hoek als een moralist. Hij herkent daarin duidelijk zijn moeder, die had ook altijd zoiets van haar mening te moeten uiten. Dus duidelijk genetisch bepaald, al hoeven we er in het geval van Harde Porno niet méér achter te zoeken dan dat het maar een liedje is.  In zijn gewone omgang met mensen zal Raymond zich nooit zo scherp uiten, dan gaat hij omzichtiger te werk. Hij wil dan zijn entourage zo weinig mogelijk lastigvallen met zijn mening. Harde porno is trouwens een dubbeltje op zijn kant. Tijdens feestelijke liveoptredens is het een schot in de roos, maar in culturele middens waar hij zich wat hoort te gedragen, is het haast uit den boze.  Uit het album “Tot morgen” verschijnen Een beetje tederheid (cover van Try a little tenderness), Foei foei foei, In mijn hoofd en Bij jou te zijn op single. Van het Groenewoud is het inmiddels gewoon geraakt dat de hitlijsten door de bank een eind uit de buurt blijven.

Een beetje bruinen lukt hem vrij aardig wanneer hij in de zomer van 1999 met De Straffe Mannen, nog straffer gemaakt door de aanwezigheid van Jean Blaute op toetsen en Thomas Vanelslander op gitaar, de zonnige podia op stapt. Die combinatie is niet vol te houden, want Jean Blaute heeft de handen vol met onder andere zijn platenlabel “Needrecords” en Bert Embrechts neemt de plaats in van bassist Vincent Pierins. Wanneer de dertiende november prins Filip en Mathilde d’Udekem d’Acoz hun verlovingsfeest organiseren, speelt Raymond samen met De Straffe Mannen als openingsdans op hun feest een cover van Eric Claptons Wonderful tonight. Naar aanleiding van Raymonds vijftigste verjaardag verschijnt in 2000 een overzicht van zijn songteksten in het boek “Je veux de l’amour”. In zijn voorwoord uit zijn Nederlandse collega Boudewijn de Groot zijn waardering voor Raymond. Die zegt op zijn beurt daarover in een interview met Het Belang van Limburg: “Hem neem ik au sérieux in zijn waardigheid en soberheid. Om dan te moeten lezen dat hij zich zo kan laten gaan in zijn appreciatie voor mijn werk, daar ben ik van gepakt. Daar heb ik meer aan dan aan het feit dat een collega een lied van mij zingt.” Bij dat boek zit ook een cd met daarop elf liedjes waaronder Mijnheer de postbode, Het gras is nat, Vrouwen en Wijd en zijd. Het boek, dat tweehonderdzesenvijftig pagina’s telt, werd uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar. In 2000 levert Raymond de muziek voor de film “Iedereen beroemd” van Dominique Deruddere, die de twaalfde april in première gaat met in de hoofdrollen Eva Van der Gucht, Josse De Pauw en Werner De Smedt. Raymond zingt onder meer Lucky Manuelo, Asjeblief en Ik neem je mee. De film zal het jaar nadien een Oscarnominatie krijgen als “Beste niet-Engelstalige film”.

Tijdens de maand april 2001 vinden we Raymond met zijn begeleiders op het “Nasionale Kunstefees” in het Zuid-Afrikaanse Oudtshoorn. Om zijn niet-zittende gat voldoende bewegingsvrijheid te gunnen, trekt hij met het oog op een nieuwe release afwisselend naar “Studio du Manoir” in het Franse Léon en “Studio Caraïbes” in Brussel om daar zijn nieuwste album “Een jongen uit Schaarbeek” in te blikken met de productionele steun van Christine Verschorren. Raymond had al met haar samengewerkt voor de soundtrack “Iedereen Beroemd”. Je kunt dit album gerust een zelfportrettering noemen. De productie blijkt een positieve match, want samenwerken met een vrouw werkt Raymonds haantjesgedrag in de hand en hij geeft dan ook van bij de eerste noot het beste van zichzelf. Of de liedjes met haar wat te maken hebben, laten we in het midden: Je t’aime, Zo zot van haar, Ik ben blij en Ik hou van haar, spreken tot de verbeelding. Een parel om te koesteren is en blijft de titelsong Een jongen uit Schaarbeek dat heel frêle wordt neergezet door Pol Depoorter op akoestische gitaar, Karel Ingelaere op viool, Yves Cortvrint op altviool en Karel Steylaerts op cello. Het wordt haast engelachtig gezongen door Sarah Bettens met Raymond op de accordeon en de piano. “Een jongen uit Schaarbeek” is ook de titel van de theatertournee waarmee Raymond en zijn groep tot en met 2003 on the road gaan. In het weekblad Knack schrijft Eddy Hendrix hierover ” In Een Jongen uit Schaarbeek spreekt méér dan ooit Raymonds dualiteit: de nar die ontevredenheid spuwt, de getormenteerde ziel die zichzelf uitlacht. Tristesse en melancholie gaan zowel tekstueel als muzikaal voortdurend hand in hand. Schokkerige en cabareteske nummers wisselt hij af met levensliederen met een afwijkend chromosoom. Raymond is de man die je laat geloven dat het leven walgelijk zwaar en tegelijk vederlicht is.”

Waar hij de tijd vandaan heeft gehaald, weten we niet, maar in 2002 wordt zijn derde zoon Luca geboren. Over de respectievelijke moeders van zijn kroost komen we nooit veel te weten, maar daarover straks iets meer. Zijn kersverse zoon Luca zal hij op dat moment niet veel zien, want hij mag meteen zijn koffers pakken richting Maleisië, Thailand en Singapore. Hij gaat daar een pak Vlamingen die ginds verblijven, proberen Vlaanderen boven aan te leren.

Raymond heeft publiek nodig. Hij moet regelmatig op tournee en richting het theater. Geen titel is hem daarbij te gek of te vreemd om die tournee in een vorm te gieten. Deze keer heet de dekkende vlag “Schweinhund”. De negentiende januari 2004 lezen we daarover in De Standaard: “Schweinhund is een geheven middelvinger aan de wereld, maar tegelijk een smeekbede om contact. Het is een evocatie van dag en nacht, van ontbinding en samenkomen. Het gaat over wat hem drijft. Zoals hij in het beginlied zingt: ,,Het komt nooit goed, en juist daarom: doorgaan!” Eenentwintig en tweeëntwintig mei 2004 staat van het Groenewoud samen met zijn publiek te genieten van zijn optredens in de “Arenbergschouwburg”. We lezen in hun programmablad: “Omdat er maar één is, met een schatkist van 400 tijdlozeliedjes. Er is er maar één zoveel tegelijk en hij laat geen register ongeopend. Laat u beroeren door zijn heldere kijk en enig geluid. Raymond maakt elke avond een andere mix, ontstaan in de opwelling van het moment. Deel in z’n blijdschap, z’n wanhoop en z’n liefde. Raymond van het Groenewoud: zang en gitaar, Cesar Janssens op drums, Bert Embrechts, bas en Thomas Vanelslander, gitaar”.

Of van het Groenewoud wat met Sinatra heeft? Als je het ver gaat zoeken wel, want The Voice nam ooit My way op, geschreven door Paul Anka op een melodie van Claude François en dat was het nummer Comme d’habitude dat Raymond in 2004 op plaat zet als Zoals gewoonlijk, in een arrangement van Peter Vermeersch. Dat nummer is tegelijk ook de opener van zijn cd “Ballades” die de vierentwintigste oktober 2004 in de winkels ligt. Het is de zoveelste “best of” met deze keer een selectie van zijn mooiste trage nummers plus vier eerder onuitgegeven opnamen. Bij de achttien liedjes geeft Raymond in de bijsluiter telkens zijn persoonlijk commentaar.

Dinsdag veertien februari 2005 krijgt van het Groenewoud in de “Ancienne Belgique” in Brussel een “Zamu Award” aangeboden. Hij wordt die avond voor zijn volledige carrière in de bloemetjes gezet en krijgt uit handen van Johan Verminnen en Brussels minister Guy Van Hengel een Lifetime Achievement Award. Hij was daar eerder al in de prijzen gevallen tijdens de Zamu Awards ’94, ’98 en ’99 in de categorieën auteur/componist en zanger Nederlandstalig. Of het door die Lifetime Achievement Award komt of niet, maar op zijn volgende album wil Raymond als “Mr. Raymond” worden aangesproken. De productie is deze keer in handen van Peter Vermeersch met technische bijstand van Michel Andina. “Studio Jet” is de vertrouwde plek waar er tijdens de zomermaanden juni en juli wordt opgenomen. Er worden twee versies van dit album op de markt gebracht: eentje met vijftien liedjes en eentje met een bonus-cd, speciaal voor de fans, met acht liedjes extra. Van het Groenewoud slaat tweemaal de ogen ten hemel en dat in Het nummer van God en Jezus was sexy. Het titelnummer Mr. Raymond staat de negenentwintigste oktober 2005 op negen in de Vlaamse Top Tien. Het album zelf vinden we de vijfde november terug op de vijfentwintigste plaats in de Album Top Honderd. Op dit album vinden we ook het nummer Schweinhund terug.

De zevenentwintigste februari 2008 lezen we in De Standaard: “Het Vlaams parlement heeft woensdag een gouden erepenning uitgereikt aan Will Tura, Raymond van het Groenewoud, Dirk Brossé en Tom Barman. Deze vier artiesten werden gelauwerd omdat ze zich verdienstelijk hebben gemaakt in de hedendaagse muziek. Het Vlaams parlement reikte eerder al gouden erepenningen uit voor economie, beeldende kunst, wetenschap, literatuur en sport. Ditmaal koos het Vlaams parlement voor het thema “hedendaagse muziek”. “Meer dan welke cultuurvorm ook, treft muziek de mensen recht in het hart”, zei Vlaams parlementsvoorzitter Marleen Vanderpoorten in haar toespraak. Raymond Van het Groenewoud zit al 38 jaar in het vak. Hij brak door in 1977 met Meisjes en bouwde intussen een groot en zeer gevarieerd repertoire op.”. Dat jaar is er het feestelijk album “Feest! Live”, liveopnames (de derde live-cd in zijn carrière) die de twaalfde januari en de twaalfde maart 2008 waren ingeblikt tijdens optredens in “CC De Herbakker” te Eeklo en “PC Arenberg” in Antwerpen. Als earcatcher is er de versie van Je veux de l’amour samen met Jan Decleir en staan er op het album drie liedjes die nooit eerder op cd zijn verschenen: Hoe zie ik eruit, Geweldig en Kip aan ‘t spit. Dit album wordt via intekening in een luxe verpakking de vierentwintigste mei exclusief in “De Morgen” aangeboden. Diezelfde tracks verschijnen ook in de winkels op de cd “Live zoals het is”, in het totaal elf liedjes en Komaan met dat lijf als bonustrack dat de tiende mei op zeven in de Vlaamse Top Tien genoteerd staat.

Qua auteursrechten moet het lekker aantikken, want in 2011 verschijnt op het EMI-label de driedelige verzamelaar “Omdat ik van je hou”, samengesteld door de Nederlandse muziekkenner Vic van de Reijt. Zestig schone liedjes in het totaal, beginnend met Maria, Maria ik hou van jou en eindigend met Het gaat om ons. De verzameling is ingedeeld in: cd 1 “Meisjes”, cd 2 “Twee meisjes” en cd 3 “Ik hou van Hollanders”. Voor verzamelaars is het leuk dat je bij elk liedje terugvindt op welke plaat het voor de eerste keer opdook. Vic schrijft in zijn voorwoord: “Zestig jaar is Raymond geworden, op veertien februari 2010. Deze driedubbele cd met zestig hoogtepunten uit zijn oeuvre is zijn verjaardagscadeau. En, omdat hij van ons houdt, deelt hij dit cadeau met zijn hard core-fans (die eigenlijk alles al hebben), met zijn vrienden en alle overige muziekliefhebbers in België en Nederland (ook al kennen die meestal maar één verzoeknummer)“.

Aan Martin Heylen vertelt hij openhartig in diens boek “Raymond van het Groenewoud-In mijn hoofd” dat in 2011 verschijnt, dat hij in zijn leven drie keer getrouwd is. Zeven keer is hij begonnen aan een relatie die hij au sérieux nam. De grote en blijkbaar standhoudende liefde in zijn leven is zijn relatie met voormalig VRT-journaliste Sigrid Spruyt met wie hij al een heel tijdje omging voordat hun relatie in 2004 in de rioolpers uitlekte. Zij zijn beiden BV’s, maar zij konden hun relatie tot dan toe goed onder de radar houden. Om eventuele roddels en misverstanden uit de weg te ruimen, maakt Raymond dat jaar tijdens het tv-programma “De laatste show” op Eén hun relatie officieel bekend. De zesde april 2009 treden zij tijdens een plechtigheid op het stadhuis in Brugge in het huwelijk. Eind november 2010 verlaat Sigrid definitief de VRT om al haar tijd in het gezelschap van haar man door te brengen. Uitgerekend dat jaar ontvangt van het Groenewoud samen met Willy Sommers van Radio 2 en Sabam tijdens het gala van “De Eregalerij” in het Casino Kursaal van Oostende een award voor “een leven vol muziek”.

De eenendertigste oktober 2011 mogen we weer een nieuwe release in ontvangst nemen. Dan is er het album “De laatste rit”, al zullen we die titel maar niet te letterlijk nemen. Opvallend is meteen de hoes, een houtskooltekening ontworpen door de Belgische kunstenaar Rinus Van De Velde. We worden op tien nummers getrakteerd. In de loop van de maanden mei en juni werd er opgenomen in “Motormusic Studio” te Mechelen. Zijn platenfirma EMI laat weten: “Niemand minder dan Admiral Freebee is achter de knoppen gekropen voor Raymonds laatste worp. De invloed van de Antwerpse bard is al duidelijk te horen in de prima single Goeiemorgen Ouwe Rotkop. De triomfantelijke gitaarintro refereert aan het betere werk van Tom Van Laere, maar Raymond zet de song wel helemaal naar zijn hand en mag zo weer een klassieker aan zijn reeds indrukwekkende oeuvre toevoegen.” Raymonds zoon Leander mag hier en daar muzikaal bijspringen. De plaat zet in met Aan de meet waarop Raymond voortreffelijk aan de piano wordt begeleid door Bart Van Caenegem. Hier mijmert hij op zijn breekbaarst over de dood, muzikaal enkel ondersteund door een piano. Ook Kind Van Het Weekend ontroert. Het nummer is geschreven voor zijn jongste zoon van negen, uit een vorige relatie, en beschrijft de onmacht van de gescheiden vader. In de pers niets dan lovende kritieken, want dit album behoort voor velen tot zowat het beste dat hij ooit heeft ingeblikt. Goeiemorgen ouwe rotkop klimt de zeventiende december 2011 naar de twaalfde plaats in de Radio 2 Top Dertig. De eenendertigste december komen we de single op zeven tegen in de Radio 2 Vlaamse Top Tien. Uit datzelfde album verschijnt ook Jouw liefde op single, maar zonder te scoren.

Begin 2013 lanceert EMI nog maar eens een livealbum van Raymond, “Live in de AB” met in het totaal dertien liveregistraties van bekende nummers zoals Aan de meet, Chachacha, Brussels by night, Maanlicht en Kind van het weekend. Dat concert werd daar de zeventiende april 2012 ingeblikt. De rotsvaste ritmesectie bestaat uit drummer Cesar Janssens en bassist Mich Verbelen (ooit nog bij De Centimeters, nadien lang uit beeld), even vaste klanten zijn toetsenist Pieter Van Bogaert en zoon-duivel-doet-al Leander, maar ongewoon is toch Frank Vander linden op gitaar (Bruno De Groote, de vaste RvhG-gitarist, kon die ene avond in de AB toevallig niet). Trompettist Carlo Nardozza schittert in Brussels by night en het achtergrondkoortje bestaat uit Naïma Joris (vroeger bij Isbells), Loesje Maieu (van Blackie & the Oohoos) en Isolde Lasoen, Flip Kowlier en Senne Guns! In de lijst met Belgische albums vinden we “Live in de AB” in de maand januari 2013 op plek negentien, in de Album Top Tweehonderd blijkt plek eenenvijftig de hoogst haalbare score.

De 65-jarige van het Groenewoud, actief op rust, staat de zevende mei 2015 in volle glorie op het podium van de AB in Brussel. Journalist Dirk Steenhout schreef daarover: “Tot onze grote verbazing trad Van het Groenewoud dit keer niet op in de grote zaal van de AB, die hij zonder moeite had kunnen uitverkopen, maar wel in de veel kleinere Club. Een bewuste keuze, zo bleek, want back to basics leidt doorgaans tot meer speelplezier en zo kwam de artiest dus terecht op een plek waar hij het publiek, haast letterlijk, kon ruiken. Raymond en zijn vierkoppige band, waarin we, behalve zijn zoon Leander (op gitaar, toetsen en percussie), ook oudgedienden als bassist Mich Verbelen en drummer César Janssens aantroffen, toonden zich zeer in hun sas. De zanger kwam zelfs regelmatig op de proppen met grappige, zelfrelativerende terzijdes, zowel tijdens als tussen zijn nummers.

Begin 2015 worden we verrast met de maxisingle Schandalig content, met voorts Coumba, van de hand van Rudy Gomis, en nieuwe akoestische versies van Omdat ik van je hou en Maanlicht. De veertiende februari staat Schandalig content op vijf in de Vlaamse Top 50. De eenentwintigste maart komen we het nummer op zestien tegen in de Radio 2 Top Dertig.

Zondag 26 juli 2015 mag Raymond opnieuw “De Gentse Feesten” afsluiten. We zouden beter schrijven, maandag 27 juli, want hij kruipt pas als hekkensluiter om halftwee in de ochtend op het podium. De duizenden aanwezigen liepen er na tien dagen feesten, afgepeigerd en uitgeregend bij. Maar van het Groenewoud heeft er volop zin in en neemt pas een eerste break na drie uur musiceren en ambiëren. Raymond was het na vorige actes de présences in Gent aan zichzelf verplicht er de beuk in te gooien en er een soort marathonoptreden van te maken. Na vijf uur het beste van zichzelf te hebben gegeven, zet hij om kwart voor zeven zijn laatste nummer. Als hommage aan zijn Gentse copain Luc De Vos jaagt de deejay van dienst Mia door de boxen. Het publiek wordt er zowaar muisstil van. Vreemd dat er deze keer nog zo’n marathonconcert in zat, want in 2005 lazen we in De Standaard dat het dat jaar de laatste keer was dat van het Groenewoud zo’n lange set als afsluiter had gespeeld. Hij vond zijn optreden toen “je van hét”, iets wat je niet meer hoort over te doen uit angst dat het geen meevaller zal worden. Maar je merkt het, met Raymond weet je maar nooit!

In Humo van dinsdag de elfde augustus 2015 laat hij ons weten dat het tussen hem en Sigrid nog altijd grote liefde is: “De komst van Sigrid heeft mij enorm veel deugd gedaan, dat kan ik alleen maar bevestigen. Ik vind haar een bijzondere vrouw, een bijzonder mens. Ze kwam net op het juiste ogenblik. Ik ben door haar verwend. Haar zich naar mij toeplooien, heeft er vooral mee te maken dat ze wil dat het eeuwige kind Raymond het naar zijn zin heeft. Ik weet het: de feministen steigeren, maar ik lach erom. Sigrid kan perfect zonder mij. Als ze zich naar mij toeplooit, doet ze dat vanuit haar natuurlijke superioriteit. Dat is pas klasse. Haar gulheid ook: ze geeft voortdurend.”

In de loop van de maand september 2015 verscheen via platenfirma Warner een nieuwe radioversie van Omdat ik van je jou. In een e-mail liet Raymond ons daarover het volgende weten:”Omdat ik van je hou is, waar ik ook ga en speel, een klassiek en beklijvend nummer, voor veel jong en oud, en favoriet in de lijn van Twee meisjes, Gelukkig zijn en Ik zal jouw man zijn. Ongelukkig genoeg heb ik het in 1988 opgenomen met mijn nonchalante balmuzikantbenadering, kortom, banaal arrangement, banale produktie. Begin van deze eeuw heeft de in Amsterdam wonende Portugees Fernando Lameirinhas er een fantastische draai aan gegeven, zodat de mogelijkheden van het lied ineens tenvolle werden benut. Van de nieuwe versie hebben we ooit, tussen de soep en de patatten, een opname gemaakt in de “Motormusic Studio” in Mechelen. Juist omdat er geen druk was, denk ik, is er een tijdloze opname van gekomen. Zelden of nooit was ik zo content van een zangpartij. Nadat ik dat twee jaar lang aan het beseffen was, heb ik er nog een accordeonpartij aan toegevoegd, of liever, Gwen Cresens, “Koning van de Accordeon”, heeft dat gedaan. Ook nog wat fijn stemmenwerk afgerond, met onder meer de hulp van zoon Leander. Nu ik vind dat het lied nu pas z’n volle recht wordt gedaan, lijkt het me echt wel de moeite om het voor te stellen aan de mensen van de radio. Naar m’n bescheiden mening is het van een universele en tijdloze schoonheid. Voor minder gaan we niet. “

Eind 2015 doekt Raymond zijn orkest op en besluit vanaf 2016 solo te gaan. “Mama, kijk, zonder handen, zonder andere muzikanten”. Op verzoek van velen: Raymond geheel alleen, aan zijn piano, de liedschrijver, de dromer in de theatershow “Kreten en gefluister”. De veertiende januari 2016, heeft in “De Roma” te Borgerhout de première plaats. Menig cultureel centrum bloklettert: “Grijp nu de kans om een icoon uit de Belpop-geschiedenis met een arsenaal aan klassiekers in de vingers van heel dichtbij mee te maken“. In “De Standaard” lezen we ‘s anderendaags: “Raymond lijkt er met de jaren alleen maar gevatter en grappiger op te worden, want  hij freewheelde er de hele avond op los. Met zijn songs én zijn bindteksten kreeg hij de Roma aan het lachen, zingen en zelfs huilen. Meer dan eens speelden de gestripte versies van de liedjes daarin een doorslaggevende rol. De sobere begeleiding op gitaar of piano maakte dat de teksten veel directer binnenkwamen“.

De vijftiende januari 2016 ligt het album “De Jeugd, Vertegenwoordigd” naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de groep De Jeugd van Tegenwoordig, de Nederlandse rapformatie die in 2005 doorbrak met Watskeburt?, waarop verschillende Nederlandse en Belgische artiesten tien liedjes van De Jeugd Van Tegenwoordig coveren, waaronder Trigger Finger, Daan, Guus Meeuwis, Frank Boeijen en Raymond Van Het Groenewoud die zich op zijn geheel eigen wijze aan Deze Blanke Jongen Komt Zo Hard waagt.

Radio 1 organiseerde in de maand oktober van 2016 samen met het Nederlandse Radio 5 en de Taalunie “De Lage Landenlijst”. Deze gemeenschappelijke muzieklijst met de beste nummers uit Vlaanderen en Nederland is een primeur in de radiogeschiedenis. Sinds maandag 3 oktober konden luisteraars uit Vlaanderen en Nederland hun stem uitbrengen op een suggestielijst van 100 nummers. Op zaterdag 15 oktober presenteerde Jan Hautekiet samen met Hans Schiffers van Radio 5 van 9.00 u. tot 18.00 u. de radiouitzending  vanuit Baarle-Nassau, pal op de grens van Vlaanderen en Nederland.  De luisteraars van Radio 1 en de Nederlandse zender NPO Radio 5 verkozen “Pastorale” van Ramses Shaffy en Liesbeth List tot het mooiste nummer van “De Lage Landen”. “Twee meisjes” van Raymond van het Groenewoud bereikte de vierde plaats.

Raymond is in de wolken! De 19 april 2017 laat hij aan de media weten dat er een musical in de maak is, gebaseerd op zijn grootste hits. Deze musical  “Meiskes en jongens” in een regie van Sébastien De Smet en gebaseerd op een ouder stuk van theatermaker Arne Sierens, zal in het najaar van 2018 in première gaan. Raymond mag voor het merendeel op zijn lauweren rusten. “Ik hoef niet veel te werken”, vertelt hij aan de pers,” ik heb wel beloofd dat ik speciaal voor deze musical één nieuw nummer zal schrijven.” Wordt sowieso vervolgd.

Op 18 mei 2017 is het exact veertig jaar geleden dat Raymond van het Groenewoud zijn single “Meisjes” uitbracht. Om deze mijlpaal te vieren verschijnt op 19 mei 2017 Raymond’s nieuwe album “Allermooist Op Aard” met daarop nieuw geschreven werk, enkele opgefriste en herwerkte parels én een heel bijzondere en hedendaagse versie van “Meisjes”, ondertussen een van de bekendste Nederlandstalige nummers aller tijden. In die tijd bracht het heel wat ophef teweeg en werd het dé grote doorbraak voor Raymond in Vlaanderen.  Om deze mijlpaal te vieren, nam Raymond een heel bijzondere en hedendaagse versie op van “Meisjes”.  Elf hedendaagse, straffe en goed zingende meiden vormen samen een vrouwenkoor dat de nieuwe versie van de alom bekende meezinger van klank voorziet: Slongs Dievanongs, Tine Reymer, Lara Chedraoui, Hannelore Bedert, Lady Linn, Sofie, Monique X (Grazzhoppa), Chantal Kashala, Sandrine Van Handenhoven , Naima Joris en Loesje Maieu.

Om veertig jaar “Meisjes” en de release van het album “Allermooist Op Aard” te vieren, geeft Raymond op 18 mei 2017 in zaal “De Roma” in Antwerpen de aftrap van de clubtoer “40 jaar Meisjes” die tot eind juni 2017 door Vlaanderen zal lopen tot. Op dat album nieuw geschreven werk, enkele opgefriste en herwerkte parels én die bijzondere versie van “Meisjes”. Het album werd in de maand januari in Motormusic in Mechelen ingeblikt. Raymond kreeg daarbij de steun van een rist collega’s. Zo zingt hij onder meer samen met Stef Bos “Bostella”, met Koen Wauters “Zij houdt van vrijen”, met Jan Decleir “Geen ontkomen aan” en met Charlotte Schoeters “Vrede zal heersen”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Wim Soutaer

De zesentwintigste april 2014 vierde Wim Soutaer tijdens een eenmalig concert in het Cultuurcentrum “De Plomblom” in Ninove zijn tienjarige carrière. Hij kreeg daarbij de steun van The Soulbrothers waarvan hij al een tijdje deel uitmaakt, samen met Charles Van Domburg (frontman The Magical Flying Thunderbirds) en Vincent Goeminne (frontman Plane Vanilla en The Dinky Toys), begeleid door Bram Raeymaekers, Bert Gielen en Gilles Dandelooy. “Het is vooral op vraag van mijn fans dat dit concert er kwam. Ik treed tegenwoordig vooral op samen met The Soulbrothers – ons repertoire bestaat hoofdzakelijk uit covers – maar de fans wilden mijn eigen liedjes nog eens horen. Tijdens mijn concert bracht ik uitsluitend een selectie uit mijn drie soloalbums, alleen maar Nederlandstalige liedjes.” Met die liedjes begon het voor Wim dus in 2004. Tijd om terug te blikken!

Wim werd de zevenentwintigste juni 1974 te Halle geboren in een gezin van drie kinderen. Eerder werden zijn zussen Kathy en Sanne geboren. Het huwelijk tussen Jean-Claude, zelfstandige, en Jacqueline Grinaert, televerkoper bij Puratos, is geen lang leven beschoren, want wanneer Wim zeven wordt, scheiden zijn ouders. Wim kent nochtans een zorgeloze jeugd. Thuis klinkt er vaak muziek. Er worden platen van onder meer The Platters, The Bee Gees, Neil Diamond en Billy Joel gekocht. Hij gaat naar de kleuter- en een deel van de lagere school in Huizingen. Vanaf het derde leerjaar tot aan zijn middelbare studies vinden wij hem terug op de schoolbanken in het atheneum te Halle. De middelbare school volgt hij vanaf het eerste tot en met het vijfde jaar in het “Sint-Niklaasinsituut” in Anderlecht (de grootste katholieke Nederlandstalige school in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en voor het laatste jaar van de middelbare afdeling keert hij terug naar het atheneum aan de A. Demaeghtlaan in Halle. Studeren is niet echt zijn ding, maar hij sport graag en komt in diverse schoolploegen terecht. Om zijn ouders te plezieren gaat hij voortstuderen. Aan de V.U.B. het eerste jaar rechten, dan het eerste jaar psychologie, vervolgens één jaar interieurvormgeving, maar hij heeft er geen zin in. Dan maar op zoek naar werk en dat wordt een verhaal van twaalf stielen en dertien ongelukken. Via de avondschool volgt hij de cursussen kok en privédetective. Hij kan aan de slag bij de brandwacht van Volkswagen in Vorst, wordt vertegenwoordiger van een firma die jeans levert aan onder meer Carrefour, hij probeert het ook als technicus bij Vinçotte, een firma gespecialiseerd in het meten van uitlaatgassen en trekt voor één jaar naar de politieschool, maar moet afhaken omdat zijn vakantiedagen op zijn en hij koste wat het kost wil deelnemen aan “Idool”.

Dat geeft ons de kans om even terug te blikken op de muzikale ambities van Wim toen hij op zijn zevende al meezong met de liedjes die hij kende van de film “Ciske de Rat”. Hij zong graag, maar had zeker niet de intentie of ambitie om ooit zanger te worden. Hij volgt twee jaar lang ‘s avonds notenleer en leert tussendoor wat gitaar spelen. Tijdens zijn middelbare studies in Anderlecht, Wim is dan zestien, richt hij met enkele schoolmakkers State of Mind op. Hun eerste optreden is een schoolvoorstelling tijdens een actie ten voordele van Burundi.  Diezelfde middag wordt er snel in het muzieklokaal nog geoefend en iets later mogen ze het publiek entertainen samen met nog een paar andere acts. De drummer van dienst is muzikaal onderlegd en de anderen hebben na een jaartje gitaarspelen in de vingers. Zij brengen, naast eigen songs, hits van Pearl Jam, Pantera, Nirvana en Metallica, kortom hardcore rock. De groep houdt zich vijf jaar staande. Samen met drummer Mich vormt Wim nadien, aangevuld met de gitaristen Anton en David en bassist Koen, de groep Bodhi. Hun grote voorbeelden zijn Stereophonics, Foo Fighters en Faith No More. Wim heeft dan de schooldeuren achter zich dichtgetrokken en heeft samen met drummer Michaël Vanboterdael, zijn volledige naam, in 2000 Rick’s Café in Lot geopend. Daar oefenen ze vaak met de groep Bodhi en treden daar ook regelmatig op. Zij nemen deel aan “Rockvonk” en bereiken de halve finale. In een poging om te scoren tijdens “Humo’s Rock Rally” stranden zij in de kwartfinale. Zeven jaar lang blijft Bodhi zich laten gelden. Intussen had Wim via avondschool wat piano en notenleer gestudeerd, maar niet langer dan ‘n jaar.  Voor de fun komt Bodhi tegenwoordig nog eens samen om hier en daar op te treden. Het café wordt in 2003 opgedoekt wanneer Wim na zijn deelname aan “Idool” besluit als zanger verder door het leven te stappen.

In 2000, Wim is dan zesentwintig, neemt hij met enkele vrienden uit Lot die hem begeleiden, deel aan de “Soundmixshow” van VTM. Hij zingt op dat moment vooral het repertoire van zijn idolen Billy Joel en Elton John. Hij bereikt uiteindelijk de finale waar hij vierde wordt met een cover van Easy van Faith No More. Sonny O’Brien wint die editie met haar versie van Because you loved me van Céline Dion.

De eenendertigste augustus 2002 treedt Wim in het huwelijk met verpleegster Axelle Reunes dat vijf jaar later, de zevenentwintigste maart 2007, gezegend wordt met de geboorte van dochter Emma. Wim voelt zich zelfverzekerd genoeg om in 2003 zijn kans te wagen tijdens de eerste editie van “Idool” dat door VTM zal worden uitgezonden. Hij schrijft zichzelf in via internet. Hij trekt voor een eerste keer naar de auditie in Gent. Daar staan meer dan duizend kandidaten te wachten. Wim moet die avond nog optreden en besluit op zijn stappen terug te keren. Maar hij had zich ingeschreven via internet en via die weg krijgt hij opnieuw een uitnodiging voor een volgende preselectie enkele dagen later. Ook hier is het weer wachten en aanschuiven. Wim zingt daar een nummertje van Billy Joel, maar geraakt niet door de auditie. Twee dagen later wordt hij gebeld met de melding dat de jury de video met hem herbekeken heeft en dat zij besloten hebben hem toch te selecteren. Alles is nieuw voor Wim en ook voor VTM, want het is de eerste editie van “Idool”. Hij mag dus door naar de volgende selectie en daar wachten honderd geselecteerde kandidaten in de “Capitool” in Gent. Hij zingt Uptown  Girl van Billy Joel en Faith van George Michael en mag door naar de feitelijke wedstrijd. “Idool” wordt in het najaar van 2002 door de presentatoren Kris en Koen Wauters gelanceerd. De jury bestaat uit: Jan Leyers, Bart Brusseleers van platenfirma BMG, Jean Blaute en Nina De Man. Uiteindelijk blijven er vijf groepen van telkens tien kandidaten over, die het in de halve finales live tegen elkaar moeten opnemen. Per keer vallen er twee kandidaten af, zodat uiteindelijk tien mogelijke winnaars de finale bereiken. De eer is aan de kijker om de negende mei 2003 tijdens een live-uitzending uit te maken wie met de beker mag gaan lopen. Het wordt kiezen uit Stéphanie Lambrechts, Tabitha Cycon, Caroline Vyncke, Cindy Huysentruit, Tom Olaerts, Chris D Morton, Brahim Attaeb, Wim Soutaer, Natalia Druyts en Peter Evrard die met de overwinning naar huis gaat. Nadien zal Peter nog deelnemen aan “World Idol” waar hij derde wordt, maar het echt waarmaken in Vlaanderen lukt hem niet. Die eer gaat vooral naar Natalia die nadien de ene hit na de andere zal scoren. Op weg naar de finale zingt Wim onder meer Honesty van Billy Joel en geraakt zo tot in de finale waar hij derde wordt (29,4 % van de stemmen).

Wim Soutaer is in de wolken dat hij eindelijk een zangcarrière kan opstarten en mag meteen een platencontract op zak steken. Toch drong het, achteraf beschouwd, niet echt tot hem door, want er werd de weken nadien veel in zijn plaats beschikt. Hij is maar wat blij dat hij al een eerste keer te horen is op de verzamelaar “Greatest moments- Idool 2003″. Op dit album zingt hij Afscheid dat vijf jaar eerder al een hit was geweest voor de Nederlandse groep Volumia, geschreven door Xander de Buisonjé. Jan Leyers raadt Wim aan voortaan in het Nederlands te zingen, omdat deze taal zijn stem erg goed ligt.

Wim beslist in zee te gaan met Bob Savenberg (ex-drummer Clouseau) als manager. Bob zal ook mee aan de wieg staan van het fenomenale succes van Natalia. De eerste single op het Ariola/BMG-label wordt Allemaal, geschreven door Edwin Schimscheimer, Walter Mannaerts en Wim zelf in een productie van Ronald Vanhuffel, die ook de platen voor Volumia produceerde, en Peter Bulkens. Het nummer was oorspronkelijk gebaseerd op een promospot die “Dag Allemaal” had laten schrijven. Wim is niet tevreden over de tekst en dringt aan zelf een poging te mogen wagen. Zijn probeersel wordt goedgekeurd. De negentiende juli staat hij ermee op één in de Vlaamse Top Tien. Tijdens de laatste aflevering dat seizoen van “Tien om te Zien” mag Wim een gouden plaat in ontvangst nemen. Hij is zo fier als een gieter wanneer hij ook nog eens merkt dat hij helemaal tot boven in de BRT Top Dertig geraakt en drie weken aan de top blijft staan van de Ultratop 50 singles. Van Radio 2 mag hij tijdens “Zomerhit 2003″ de trofee van ” Het beste lied” in ontvangst nemen.

Ariola wil voortmaken en het ijzer smeden als het heet is. Zij gaan op zoek naar een rist geschikte nummers en eind oktober 2003 ligt Wims eerste album in de rekken “Een nieuw begin”. Voor de productie worden Peter Bulkens en Ronald Vanhuffel aangetrokken. Er wordt opgenomen in “The Groove” in Schelle. Muzikanten van dienst zijn onder anderen: drummer Herman Cambré, basgitarist Vincent Pierins, gitarist Eric Melaerts, organist Bert Gielen, akoestische gitaar Ronald Vanhuffel enz… De kersverse fans krijgen dertien liedjes voorgeschoteld. Elf nummers werden samen met Xander de Buisonjé geschreven. Tijdens “Idool” had Wim Afscheid van Volumia gezongen en omdat hem dat zo goed lag, werd er besloten met hun frontman Xander samen te werken. Ik hoor bij jou, geschreven door Wim samen met Roland en Xander die tijdens de opname ook op de piano tokkelt, wordt de tweede single. De negenentwintigste november vinden we Wim daarmee terug op de tiende plaats in de Top Dertig. Wim kan niet wegstoppen dat zijn stijl erg aanleunt bij die van Clouseau. Zijn stem gelijkt wat op die van Koen. Hij bereikt de vijftiende november van dat jaar de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Intussen heeft hij vernomen dat zijn eerste single Allemaal de platina status heeft bereikt.  Het album “Een nieuw begin” wordt eerst met goud, vervolgens met platina bekroond. Vlaanderen is een nieuwe ster rijker! Uit dat album volgt nog Voor altijd op single, waarmee hij de achtentwintigste januari 2004 de negentiende plaats in de Top Dertig bereikt.

Om hun samenwerking te bekronen, geven Xander en Wim de zevende april 2004 samen een uitzonderlijk concert in de “Arenbergschouwburg” in Antwerpen. De song Wat zou je doen van de hand van Xander geschreven samen met Vincent Pierins wordt de volgende single uit zijn eerste cd. Negen weken lang zal Wim ermee in de Vlaamse Top Tien staan met op de vijftiende mei 2004 de tweede plaats als hoogste notering. In de Top Dertig zit er de vijfde juni een drieëntwintigste plaats in.

De zestiende augustus 2004 pakt Ariola uit met het tweede album van Wim  “Twee”. Er wordt wijselijk niet van productie- en schrijversteam gewisseld. Wim trekt met de ploeg naar Frankrijk waar Xander een buitenverblijf heeft en daar worden de meeste nummers bij mekaar geschreven. Wim mag zich uitleven in songs als: Goud, Alles wat ik wil, Geluk en Verloren liefde. Als voorloper op het album wordt Kom bij mij gekozen. Voor Wim zit er niet meer in dan een achtste plaats in de Vlaamse Top Tien. Zonder woorden doet het beter, want de vijfentwintigste september prijkt Wim ermee op de vijfde plaats in de Vlaamse hitlijsten en iets later op twintig in de Top Dertig. Wims concertagenda staat inmiddels propvol. Zelfs de casino’s aan de Vlaamse kust zijn zijn territorium geworden. Begin september mag Wim uit handen van platenbaas Bart Brusseleers van Ariola/BMG een gouden exemplaar ontvangen. De fans en de media laten weten dat Wim op dit album gekozen heeft voor een duidelijker profiel, verder weg uit de schaduw van Clouseau. Ik heb je lief is het vervolgverhaal qua singles. Qua clip reist Wim naar Miami om daar leuke beelden te schieten voor de bijbehorende videoclip. Hij gaat ginder zelfs optreden in een Belgische club. Van die reis wordt een muziekspecial gemaakt “Wim Soutaer in Miami” en de derde december door VTM uitgezonden. Achteraf wordt er van deze special ook een anderhalf uur durende dvd op de markt gebracht. Toch wordt die aanpak niet omgezet in een hoge notering. Met deze ballade stoot Wim niet verder door dan de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien. Met de laatste single uit dit tweede album Kijk eens om je heen wordt er, ook al zit er méér power in dan in de vorige, niet beter gescoord. Wel duikt het nummer de negentiende maart 2005 op de eenentwintigste plaats op in de Top Dertig.

De elfde februari 2005 heeft in het Cultureel Centrum “De Meent” in Alsemberg de première plaats van Wims nieuwe tournee door Vlaanderen. Hij stelt ook zijn nieuwe zevenkoppige band voor. Wanneer Will Tura de tweede augustus 2005, 65 jaar wordt, verschijnt er als verrassing het album “Viva Tura”. Wim wordt gevraagd of hij geen cover wil maken van Tura’s Iedereen heeft iemand nodig, een nummer dat Will al in 1978 had opgenomen. Diezelfde zomer staat Soutaer de dertiende augustus op de affiche van “Marktrock” op de Oude Markt in Leuven. Hij mag daar de aftrap geven!

Iets later scheiden de wegen van Wim Soutaer en zijn manager Bob Savenberg. Hij vaart verder met aan het roer een goede vriend van Bob, Niels William. Die heeft na zijn K3-avontuur, Vlaanderen voor een tijdje verlaten en is de Zuid-Afrikaanse zon gaan opzoeken. Hij heeft daar het talent van de populaire zanger Kurt Darren ontdekt. Hij laat Wim een cover  inblikken van diens Hemel op Tafelberg. Wim maakt er Die zomer gaat nooit voorbij van en staat daar de vierentwintigste juni mee op de vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. De vijftiende juli 2006 wordt de zestiende plaats in de Top Dertig bereikt. De zevenentwintigste augustus prijkt Wim op de deelnemerslijst van “Dancing on ice”. Hij zet zich week na week samen met zijn professionele danspartner Joëlle Bastiaans keihard in om een mooi ogende presentatie neer te zetten. Hij is dan ook erg ontgoocheld wanneer hij als vijfde deze wedstrijd moet verlaten. Dat programma wordt simultaan uitgezonden via VTM en RTL4 aan mekaar gepraat door Francesca Vanthielen en Martijn Krabbé. De uiteindelijke finale die de vijftiende oktober plaatsheeft, wordt gewonnen door Staf Coppens samen met Monique van der Velden. Tijdens de uitzending mag Wim gedurende twee minuten zijn grootste hit Allemaal zingen, terwijl schaatser Kevin Van der Perren er een oogstrelende choreografie on ice heeft bij verzonnen. Dit slaat erg aan, ook in Nederland. Daar hoopt Wim, ook al omdat hij zijn nummers samen met Xander had geschreven, door te breken, maar zijn platenfirma wil daar niets van weten en brengt zijn album in Nederland niet uit.

De elfde januari 2007 ziet het er even niet goed uit voor Wim. Hij wordt geveld door een herseninfarct en meteen opgenomen in het ziekenhuis. Zo staat het in de pers vermeld, maar eigenlijk was het een dubbelwandige ader die gescheurd was. Wim was iets voordien tijdens “Dancing on ice” op zijn hoofd gevallen en enkele weken later ook nog eens tijdens zijn skivakantie. Hij zat gewoon thuis in de zetel toen het gebeurde. Gelukkig was zijn toenmalige vrouw Axelle, die verpleegster is, bij hem en die aarzelde niet de 100 in te schakelen. Na enkele weken rust, is Wim weer de oude en gaat opnieuw optreden. De zeventiende februari 2007 staat Wim op zeven in de Vlaamse Top Tien met De wereld draait door geschreven door Ellert Driessen die ook nummers schreef voor Marco Borsato. Het was een idee van Niels William om Ellert in te schakelen. In de Top Dertig moet Wim tevreden zijn met een zesentwintigste plaats. Hij huist intussen bij platenfirma ARS/Universal. De wereld draait door is niet meer te vergelijken met de liedjes die Soutaer in het begin van zijn carrière zong. Een maand later worden Wim en zijn vrouw Axelle de trotse ouders van hun eerste kindje, dochtertje Emma. Ellert Driessen schrijft ook de volgende single, het uptempo Ze kent me geproduceerd door David Poltrock. De zevende juli staat hij ermee op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien, de achtentwintigste juli op zeven in de Top Dertig. De negende februari 2008 scoort Wim nog eens lekker in die Top Tien, deze keer met een cover van de Nederlandse hit 1000 manieren van Bastiaan Ragas. In “La Riva” in Antwerpen wordt de videoclip opgenomen. Het nummer doet het ook goed in de Top Dertig, daar bekroond met een zevende plek. Hij gaat die maand ook van start met de tournee “Een avond met Wim Soutaer” waarvan een deel van de opbrengst naar enkele goede doelen gaat. Dat coveren gaat hem blijkbaar goed af, want hij scoort vier maanden later opnieuw een hit in de Vlaamse Top Tien en wel met Slaap je hier vannacht van Axel Devries, ook deze keer goed voor een tweede plaats. In de Top Dertig terug te vinden op plaats zestien. Met dit nummer zingt hij zich ook in de kijker bij Radio 2 en mag  ”Zomerhit 2008″ de trofee van “Het beste lied” in ontvangst nemen. Wat niemand meer had verwacht gebeurt toch. De drieëntwintigste augustus 2008 staat Wim nog eens op één in de Vlaamse hitlijsten. Hij schrijft de Nederlandse tekst bij All Summer Long van Kid Rock dat hij vertaalt als Heel de zomer lang en dat hij in duet opneemt samen met Willy Sommers. In de Top Dertig houden ze halt op de achttiende plaats. Dat nummer is ook de opener van zijn nieuwe album “Dichterbij” dat in de loop van de maand september wordt gereleaset met in het totaal vijftien liedjes waaronder ook de soloversie van Heel de zomer lang. Ellert Driessen schrijft het merendeel van de liedjes en neemt ook het gros van de productie voor zijn rekening. Achteraf bekeken had Wim toch wat meer verwacht van die samenwerking, hij had vooral zelf meer willen inbrengen.

In de loop van de maand februari 2009 gaat Wim qua management en boekingen scheep met Ilia Beijers en vindt onderdak bij het bedrijf “Piet Roelen Entertainment”. In de maand mei van dat jaar vernemen we in de pers dat na acht jaar huwelijk er definitief een einde is gekomen aan de relatie tussen Wim en Axelle. Zij hadden die al een poosje geleden on hold gezet toen Wim toegaf dat hij een verhouding had met een showbizzcollega, maar na een tijdje probeerden hij en zijn vrouw het opnieuw. Tevergeefs, zo bleek! Hij woont momenteel samen met Kim Ghyselinck in Erpe-Mere. Voor Radio 2 blikt hij datzelfde jaar het Gordellied Zoveel te doen in. Naast die versie van Wim worden er nog drie andere opgenomen, respectievelijk door Nicole & Hugo, Bart Peeters en Mama’s Jasje. Met Bart Grinaert neemt hij in de maand oktober van 2009 als Dave Lambert & Housetrap featuring Liam South het door henzelf geschreven Music for Peace op.

In 2010 wordt Wim peter van de Rode Kruiscampagne “Bloed geven voor het leven”. Gedurende de zomer van dat jaar schittert hij van de zeventiende juli tot de zesde september in de revue in het “Witte Paard” in Blankenberge aan de zijde van onder meer Katrina van Katrina and the Waves, Katy Satyn en Dimitri Verhoeven. Er is ook zijn nieuwste single (Ik wil vanavond met je) Dansen. Het is de vertaling van Esclavo de sus besos van David Bisbal uitgebracht op het Piet Roelen-label en verdeeld door CNR. Er zit echter niet meer dan een achtste plaats in de Vlaamse Top Tien van de maand september in. In de Top Dertig maakt hij dat enigszins goed met een vijftiende plaats. Er wordt niet gescoord wanneer Wim in de maand april van 2011 op het Dragon Room-label het nummer Verleden tijd uitbrengt, geschreven door hemzelf samen met Bart Grinaert, die ook de productie voor zijn rekening neemt. Die song vinden wij terug op de verzamelaar “Radio 2 Zomerhit 2011″ samen met One Two Three van Hooverphonic, De keizer van de nacht van Eva De Roovere en Viva De Romeo’s van De Romeo’s. Voor dit album zit er een veertiende plaats in de Album Top Vijftig in. Ook wordt er niet gescoord wanneer Wim in de maand juni 2012 op de proppen komt met het door Ellert Driessen geschreven en geproduceerde Jij en ik.

Wim trekt op een bepaald moment door Vlaanderen samen met Charles Van Domburg  (bekend van The Magical Flying Thunderbirds) en Vincent Goeminne (bekend van Plane Vanilla en The Dinky Toys) als The Soulbrothers en hun show “Back to the future”. Muzikaal worden ze bijgestaan door Bram Raeymaekers op drums en Gilles Dandelooy en Bert Gielen op toetsen. Zij prijzen zich aan als muzikale topklasse met een stomende set waarbij iedereen gegarandeerd uit zijn dak gaat. Hun show is een mix van pop, disco, funk, schlagers, dance, r&b en hier en daar zelfs wat drum-’n- bass. Grote bekenden als Martin Solveig, David Guetta, Duck Sauce en Black Eyed Peas zijn hun zeker niet vreemd. Ook de hits van Kings of Leon en Robbie Williams passeren de revue. Interactie met het publiek en een stevige dosis humor zorgen voor een onvergetelijk event.

In 2013 is het tien jaar geleden dat Wim doorbrak dankzij “Idool”. Om zijn jubileum te vieren, lanceert hij de zevenentwintigste september een nieuw project, Dakota. “Nu ik tien jaar als artiest bezig ben, had ik veel zin om nog een keertje terug te grijpen naar hetgeen ik deed vooraleer ik Nederlandstalig zong, namelijk Engelstalige pop-rock. Mijn eerste single Perfect Holiday is klaar en ik breng het uit onder de naam Dakota. Ik heb bewust gekozen voor een andere naam, anders wordt het te verwarrend voor mijn fans. Ik zie wel wat het wordt. Misschien kan ik nu wel een poosje in het Engels mijn ding doen. Ook een combinatie met het Nederlands zie ik zitten. Dakota is nieuw en bovendien klinkt het vers. Maar het publiek mag beslissen. Ik weet helemaal niet of er vanuit hun hoek de nodige appreciatie komt voor deze muziek. Geloof me, dit is de stijl die ik zelf graag hoor en doe.”

De zesentwintigste april 2014 viert Wim in Ninove zijn tienjarige carrière. Hij belooft daar aan zijn fans dat hij naast The Soulbrothers opnieuw veel aandacht zal besteden aan zijn solocarrière. De zeventiende januari 2015 zet platenfirma Dragon Room een nieuwe single in de markt. Het wordt Ik hou van ‘t leven, een vertaling van de hit Can’t take my eyes off you, oorspronkelijk opgenomen door de Amerikaanse zanger Frankie Valli en in 1982 een hit voor de Amerikaanse discogroep Boys Town Gang.  De vierde juli piekt hij op vierentwintig in de Vlaamse Top 50 met de door hemzelf geschreven ballade Niets zonder jou, in een productie van Bert Gielen. In menig interview laat Wim weten dat hij in de toekomst meer en meer zijn eigen nummers zal schrijven en minder nummers van anderen zal inblikken.

De veertiende juni 2016  viert de wereld “Bloeddonordag”. Het Rode Kruis wil langs die weg zijn donoren bedanken en stelt voor de gelegenheid een nieuwe wervingsvideo voor. Acht BV’s: Wim Soutaer, Hilde De Baerdemaeker, William Boeva, Marleen Merckx, Roos Van Acker, Vital Borkelmans, Gella Vandecaveye en Jef De Smedt, gaan daarin op zoek naar gelijkgestemde zielen en stellen het nieuwe bloedlied voor.

Wims eerste grote hit Allemaal uit 2003 krijgt anno 2017 een facelift. De 27ste februari van dat jaar verschijnt er een cover door Alpha Party (Andreas De Zutter & Vincent De Craene) en de enige échte Dj F.R.A.N.K. De nieuwe versie werd door Wim Soutaer volledig zelf opnieuw ingezongen. Allemaal heeft anno 2017 een flinke hedendaagse upgrade gekregen, zonder afbreuk te doen aan het origineel, waardoor de originele schrijvers Edwin Schimscheimer en Walter Mannaerts volledig akkoord gingen met deze nieuwe versie.

De 6de mei 2017 geeft Wim een groots concert in de “Wieze Oktoberhallen” te Lebbeke. Die avond zingt Soutaer zijn meest bekende liedjes én een rist gloednieuwe. Als smaakmaker lanceert hij de 3de april de single Nummer 1, een cover van de Duitse hit Nummer Einz van de groep Stereoact. Het nummer, in een productie van Ben Gielen, werd geschreven door onder anderen Daniel en Christoph Cronauer. De Nederlandstalige tekst is van de hand van Soutaer zelf.  De bijbehorende videoclip werd door Gill Quisquater geproduceerd, de zoon van Sergio.  Nummer 1 is alvast de  opwarmer voor Wims nieuwe album, zijn eerste in negen jaar tijd, dat nog dit jaar gereleased zal worden.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Marc Brillouet & Daisy Lane

 

 

 

 

 

Isabelle A

Op Lotti’s album “The Crooners” had hij oog en oor voor een paar collega’s, onder meer Isabelle A, die met hem een aangepaste versie van de Cole Portersong True love zingt, dat we oorspronkelijk met z’n allen kennen in de onsterfelijke versie van Bing Crosby en Grace Kelly, die het samen zingen in “High Society”, een film uit 1956 in een regie van Charles Walters en met daarin eveneens in een glansrol Frank Sinatra.

Negentien jaar later, om precies te zijn de vijfentwintigste mei 1975, werd in de Gentse volksbuurt de Muide in het arbeidersgezin Adam Isabelle geboren. Isabelle herinnert zich nog goed dat zij er vaak nors bij liep, zij keek altijd kwaad. Haar mama wees haar daar vaak op. Een auto hadden zij niet. Zij gingen overal te voet naartoe, Isabelle vaak aan de hand van haar vader, met wie zij een erg goede band had. Zij waren thuis behoorlijk verwend. Papa was gezegend met vier dochters, dus aan vrouwelijke aandacht geen tekort. Isabelle had alles wat haar hartje verlangde. Maar haar ouders waren niet rijk, zij waren arbeiders: papa was dakwerker en mama poetsvrouw. Zij zouden jaren later scheiden. Vooral met haar moeder bleef Isabelle nadien contact houden omdat zij niet graag had dat mama alleen thuis zat. De familie Adam woonde in een migrantenbuurt. Isabelle kwam goed overeen met een Marokkaans meisje dat daar woonde. Thuis klonk de hele dag muziek. Pa en ma kochten vaak plaatjes. Hun keuze was heel gevarieerd: Claude François, Boy George, Madonna, Sandra Kim. Als de liedjes maar hitgevoelig waren. Vooral Isabelle had er oren naar. Zo goed zelfs, dat zij het merendeel van die liedjes feilloos kon nazingen. Geen wonder dat zij op haar twaalfde meedoet aan een soundmixshow in Zele. Wij schrijven februari 1987. Zij wint en wordt daar aangesproken door producer Marc Van Beveren, die wel wat ziet zitten in een singletje met haar. Dat wordt het kerstliedje De troika, uitgebracht op Colour Record. Tegelijkertijd neemt Isabelle tijdens de maand november van dat jaar deel aan de finale van “De Nationale Soundmixshow”, georganiseerd door Joepie/Dag Allemaal en gepresenteerd door Walter Capiau. Ook nu wint Isabelle, deze keer met On my own van Nikka Costa. De toenmalige BRT vraagt haar om het kinderprogramma “TV Tam Tam” te presenteren, een programma dat zich richt tot kinderen van zeven tot en met vijftien jaar. Zij interviewt daarin jongeren over diverse thema’s. Telkens wordt aan dat thema een nieuw liedje gekoppeld. Die liedjes vind je terug op het album “Liedjes uit Tv Tam Tam”, dat op het Colour Recordlabel in 1989 wordt uitgebracht. Daarop nummers zoals Vooruit met de geit, Winnen en verliezen, Liever iemand dan niemand en Alarm in de darm. De songs worden geschreven door Jan De Vuyst, Peter Gillis en Peter Gistelinck. Vergeten we niet dat Isabelle dan pas veertien jaar is. Intussen is Van Beveren ook haar manager geworden en maakt hij van haar tv-bekendheid dankbaar gebruik om haar als tienerzangeresje en als Isabelle A te lanceren, daarbij denkend aan het immense succes van Sandra Kim van enkele jaren voordien. Als eerste nummer wordt gekozen voor het liedje Alleen, geschreven door Luk Smets, Lieven Coppieters en Jan De Vuyst, maar dat singletje slaat niet aan. Te jong met op de B-kant Friends together lukt ook niet.

Maar Jan heeft een beter idee, klopt aan bij Peter Gillis en Peter Bauwens en komt op de proppen met Hé, lekker beest, dat meteen een hit wordt én de doorbraak voor Isabelle forceert. De single is na een tijdje goed voor platina. In 1990 staat Hé, lekker beest twee weken boven aan de Vlaamse Top Tien en blijft weken na elkaar op één staan schitteren in “Tien om te Zien” bij VTM. Isabelle besluit haar middelbare studies af te sluiten en tekent een leercontract als haarkapster. Zij is vijftien wanneer zij smoorverliefd wordt op een jongen die daar ook een opleiding volgt. Maar die blijkt un homme à femmes te zijn, een soort playboy op wie meerdere meisjes hun oog hebben laten vallen. Zij besluit hun relatie tot een mooie vriendschap te beperken, zo verstandig is zij wel. Door haar opleiding heeft Isabelle meer vrije tijd om op te treden. Intussen wordt afgesproken dat Marc Van Beveren haar carrière op de voet zal volgen en haar zal begeleiden. Voor Hé, lekker beest krijgt Isabelle de “Hittentit-trofee”, een Gentse onderscheiding, én een “Gouden BeRTje” in de categorie erotiek, wat erop wijst dat zij fysiek meer dan zomaar in het oog springt.

Er wordt meteen uitgekeken naar een opvolger en dat wordt het liedje Ik weet wat ik wil, geschreven door Marina Verbrugghe samen met Peter Bauwens en Peter Gillis, dat in de maand maart van 1991 in de Vlaamse Top Tien de plak mag zwaaien. Dan volgt Blank of zwart, geschreven door Jan De Vuyst, Peter Bauwens en Peter Gillis. De Afrikaanse tekst die in het liedje opduikt, wordt gezongen door Eduard Buadee. Ik weet wat ik wil is in 1991 een leuke zomerhit voor Isabelle. Datzelfde jaar verschijnen al die liedjes op de elpee/cd “Isabelle A”, uitgebracht op het Colour Recordlabel en verdeeld door CNR Records. De plaat wordt door Ronald Vanhuffel, Peter Gillis en Peter Bauwens geproduceerd. Het is Eric Melaerts die het merendeel van de arrangementen schrijft en ook de gitaarpartijen voor zijn rekening neemt. Opgenomen wordt er in Studio Top in Gent tussen de eerste december 1990 en de dertigste april 1991. Het album is binnen de kortste keren goed voor platina. Datzelfde jaar begint Isabelle A met de opname van de volgende cd “Zeventien” met ook deze keer arrangementen van Eric Melaerts en liedjes geschreven door Peter Gillis, Peter Bauwens, Jan De Vuyst en Ingrid De Vos. Als muzikanten wordt een beroep gedaan op onder meer bassist Bert Candries, drummer Michael Schack, enkele violisten en Peter Bauwens, die de piano en het orgel bespeelt. De productie is in handen van Peter Gillis en Peter Bauwens. In het totaal elf liedjes, waarvan de nummers Ik heb je nodig en Zeventien het als single erg goed doen. Beide gaan er in het voorjaar van 1995 twee keer met een eerste plaats in de Vlaamse Top Tien vandoor. Er wordt uit dat album ook gekozen voor het liedje Weet je nog als single, maar hoger dan een zesde plaats zit er niet in.

In 1992 wordt Isabelle A door Radio 2 aangezocht om het Gordellied in te zingen en een jaar later neemt zij met Koen Wauters het nummer Gelukkig zijn op, een cover van de Ann Christyhit, in het raam van de actie “Kom op tegen Kanker”. Zij snijdt 1993 aan met een nieuw album, opnieuw in een productie van Peter Bauwens en Peter Gillis, “Jij doet mij leven!” De beide Peters leveren de hits in samenwerking met Jan De Vuyst. Er wordt opnieuw opgenomen in Studio Top in Gent en het album wordt deze keer verdeeld door Indisc. In het achtergrondkoortje duiken bekende namen op: Patrick Riguelle, Piet Van den Heuvel en Ingrid Simons. Het liedje Wondermooi wordt als single uitgebracht, goed voor een tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. De volgende singletjes daaruit Jij mag altijd op mij rekenen en Sarah doen het iets minder, net als het nummer Helemaal alleen, dat ook uit dit album wordt gelicht. Het is wél zo dat Jij mag altijd op mij rekenen vaak over de radio te horen is. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat het liedje wordt bekroond met de prijs voor “Beste Belgische Productie” tijdens “Zomerhit” in 1993. Voor het stripfiguurtje Babydoll leent zij maar al te graag haar stem op vraag van de tekenaars Antoine Bomon en Ginette Cooman.

Tijdens de uitreiking van de Zamu Awards in 1994 ontvangt Isabelle A een prijs in de categorie “Zang Nederlandstalig”. Thuis bij een nieuwe platenfirma, BMG Ariola Belgium, lanceert Isabelle in 1994 de cd “Isabelle A”. Er wordt opgenomen tussen de eerste februari en de dertigste juni in de vertrouwde Studio Top in Gent, waar de eigenaars Peter Gillis en Peter Bauwens ook instaan voor het merendeel van de songs met ook deze keer tekstuele bijstand van Jan De Vuyst én Poppa Doq. Als uitvoerend producer tekent nog steeds Marc Van Beveren, maar tussen hem en Isabelle botert het al een tijdje niet meer. Zowel zijzelf als haar ouders blijven zich afvragen waar al het geld dat met de platen en optredens verdiend wordt, naartoe gaat. Isabelle is die situatie grondig beu, zo beu zelfs dat zij regelmatig tijdens de opnamen van de plaat uit boosheid en frustratie de studio plots verlaat. Zij laat haar ouders ook weten dat zij liever alleen gaat wonen. Het mag hilarisch klinken, maar uitgerekend op dat moment wordt als single voor het nummer Ik laat je nooit meer gaan gekozen.

Omdat Isabelle ook wel eens wat anders wil en graag creatief is, waagt zij zich aan een zijsprong door het danceproject Interactiv op het getouw te zetten samen met Theresa Platteau en Prince Far Out. Op het BMG Ariolalabel brengen zij in 1994 de single Slam uit. Iets later wordt de naam verlengd tot Interactiv Force om geen verwarring te creëren met een groep met dezelfde naam. De veertiende mei van dat jaar staat Isabelle met Interactiv op de achtste plaats in de BRT Top Dertig. De voorbije jaren is zij er maar twee keer in geslaagd daarin als Isabelle A met twee singles in de top tien te geraken: in 1990 tot op de vierde plaats met Hé, lekker beest en in 1991 tot op zes met Ik weet wat ik wil. In 1995 zingt zij het liedje De hemel vol sterren, bestemd voor het album “Spelers en Drinkers”, dat wordt uitgebracht naar aanleiding van de vijfentwintigjarige carrière van Johan Verminnen. Zij zingt ook de titelsong van de TV1-soap “Thuis”. Door de breuk met Marc Van Beveren verdwijnt Isabelle A voor een hele tijd uit het gezichtsveld van de hitlijsten. Er mogen tot nader order geen platen meer worden opgenomen en uitgebracht. Zij zet nochtans in de herfst van 1996 het liedje Eén voor één gaan lichten uit op cd, maar dat nummer over verdwenen en vermoorde meisjes verschijnt niet in de handel. Datzelfde jaar wordt zij door TV1 gevraagd om onder aanvoering van Felice op te duiken in het vrouwenteam van het succesvolle “Swingpaleis”, waarin zij het opnemen tegen een vijfkoppig mannenteam. Isabelle A voelt zich hier heel goed thuis en beleeft, ondanks de strubbelingen met haar manager, mooie momenten. Zij wordt in de roddelbladen letterlijk halfnaakt in haar aantrekkelijk blootje gezet aan de zijde van Willy Sommers wanneer zij met hem een relatie begint. Willy is drieëntwintig jaar ouder dan zij. Vlaanderen moet even slikken. Nu zij erop terugkijkt, geeft zij toe dat zij toen op zoek was naar iemand die haar begreep en vooral steunde. Een oudere man dus, een vaderfiguur. Eind 1997 komt aan hun verhouding een einde. Intussen is Isabelle A verliefd geworden op Raf Van Brussel, die zij in het team van “Het Swingpaleis” beter heeft leren kennen. Raf vraagt haar om op te treden in het voorprogramma van zijn op dat moment bekende groep Sunny Side Up. Ook deze relatie duurt niet lang. Na een tijdje wordt niet alleen Sunny Side Up opgedoekt, dat voorzichtig scoorde met hits zoals She makes me happy en Up into the sky, maar is ook het sprookje uitgezongen.

Inmiddels zijn de troubles tussen Marc Van Beveren en Isabelle A wat opgehelderd. Het wordt voor haar een zware financiële dobber, want zij moet een pak geld ophoesten, maar mag wel opnieuw platen opnemen. In 1998 is er het album “Hemels” in een productie van Miguel Wiels en Peter Gillis. Naast vaste tekstleverancier Jan De Vuyst duiken nieuwe namen op: Evert Verhees, Miguel Wiels, Alain Vande Putte en Lieven Coppieters. Eric Melaerts mag weer arrangeren en naar goede gewoonte op de gitaren tokkelen. Isabelle A wil laten horen dat zij meer volwassen is geworden en anders wil klinken. De singles Hemels en Dansen voor jou laten dat duidelijk horen. Zij moet wel vaststellen dat zij de hoogste plaatsen in de Vlaamse Top Tien mag vergeten. Zij heeft intussen besloten een nieuwe manager aan te trekken, ondanks haar wantrouwen na haar samenwerking met Marc Van Beveren. Zij gaat schuilen onder de vleugels van Valère Pieraerts, manager van onder meer Clouseau, Vanessa Chinitor, Get Ready en Sam Gooris. Haar singles worden vooral radiohits, gretig opgepikt door Radio 2 en vooral Radio Donna, waar zij kind aan huis lijkt te zijn. Om voldoende geld te verdienen om zo haar schulden af te lossen, gaat zij veel bijklussen. Zo duikt zij op in de tv-programma’s “Lalala live” van Bart Peeters en “De Notenclub”. Dit laatste is een succesvol programma op TV1 dat in 1998 van start gaat met de pianisten Danny Wuyts en Miguel Wiels, gepresenteerd door Kurt Van Eeghem en vervolgens door Anja Daems.

Een jaar later neemt zij op vraag van de VRT met haar groep Natural High, bestaande uit de zangeressen Viola en Nathalie, deel aan de selecties van “Eurosong”. Met hun song Finally belanden zij op de voorlaatste plaats in de finale. Zij houdt aan dit avontuur een bittere nasmaak over. Isabelle blijft dit na al die jaren nog steeds als een dieptepunt in haar carrière beschouwen. Haar platenmaatschappij dwong haar tot die deelname. Zij voelde zich op dat moment erg gestresseerd en werd door de jury nogal hard aangepakt. De groep Natural High stond nog niet op punt en dat heeft de genadeslag gegeven. Isabelle blijft echter niet bij de pakken zitten. In 2000 ligt de single Wish van Miguel Wiels featuring Isabelle A in de winkel. Miguel schreef dit nummer samen met Peter Gillis en Alain Vande Putte. Ook deze keer blijft het verwachte succes uit. De single geraakt niet hoger dan de zevenentwintigste plaats in de Ultratop Dertig. Isabelle beslist in een soort paniekreactie voortaan in het Engels te zingen en noemt zich Isabelle Adam. Zij is het grondig beu als “dat meisje van Hé, lekker beest” voort te gaan. Zij wil ook door de jongeren graag gezien en gehoord worden. Isabelle brengt in een productie van Hans Francken het nummer Calling out your name, geschreven door Liz Winstanley en Oskar Paul, op single uit. Ook deze productie wordt geen hit. Voor de reeks cd’s die in de slipstream van het succes van “Het Swingpaleis” worden uitgebracht, neemt zij voor het zesde volume samen met Raf Van Brussel, William Reven en Sandy als The Magic Stars het nummer A brand new day op, een cover van deze bekende song uit de musical “The Wiz”. Intussen heeft zij een platencontract getekend bij Magic en zet voor hen in 2003 Baby baby op plaat. Zij hoopt dat het liedje aanslaat en dat zij weer veel kan optreden, maar de resultaten blijven benedenmaats. Datzelfde jaar probeert zij samen met K-Styles een hit te versieren met het nummer My guy, maar dat lukt ook niet echt. Zij komt even op adem wanneer zij in 2005 samen met Will Tura, Mama’s Jasje en Voice Male het Gordellied Reik elkaar de hand mag zingen.

Op het moment dat zij de wanhoop nabij is, duiken Evert Verhees en Jan De Vuyst op met Ik heb hem zo lief. Als Isabelle A en weer zingend in het Nederlands, duikt zij daarmee bij de start van 2006 opnieuw in de Vlaamse Top Tien op. Zeven weken na elkaar blijft zij daar op de eerste plaats staan glunderen. Isabelle A is back in town, zo lijkt het! In de maand september van dat jaar presenteert zij ons een cover van de Franse hit Même si tu revenais van Claude François, dat zij in een productie van Hans Francken als Zelfs al kwam je terug op plaat zet. In de Ultratop belandt zij daarmee de zestiende september op de zesentwintigste plaats. Tijdens het tv-programma “Zo is er maar Eén”, gepresenteerd door Yasmine, brengt Isabelle een bewerking van de Vlaamse klassieker Lieve kleine piranha van Gorki. Voor de actie “Levenslijn” van VTM neemt zij in 2006 samen met Sandrine, Wouter, Udo, Barbara Dex en Reborn het nummer Iedereen wereldkampioen op, een vertaling van Tell me what it takes van Soulsister in een productie van Eric Melaerts en uitgebracht op het ARS-label.

Piet Roelen komt bij haar aankloppen met de vraag of zij niet wil meezingen met Helmut voor zijn cd “The Crooners”. Het wordt een dubbelalbum met twaalf originele liedjes door Helmut zelfgeschreven en twaalf covers van onder meer Caterina, That’s amore, Moon River en True love, dat Isabelle A in duet met Helmut zingt. Het jaar daarop, in 2007, zingt Isabelle tijdens het succesvolle “Zo is er maar Eén” op Eén haar versie van Ik ga dood aan jou van Bart Herman. De zeventiende maart van dat jaar gaat bij VTM het muziek-spelprogramma “De Foute Quiz” van start, gepresenteerd door Sergio. Het programma is opgebouwd rond twee teams, tijdens het eerste seizoen aangevoerd door Evi Hanssen en Isabelle A. Wanneer in het najaar van 2007 de hommage-cd “Braveau Clouseau” op de markt verschijnt, horen we daarop Isabelle samen met Gorki en hun versie van de Clouseauhit En dans. Het album is goed voor goud! Die samenwerking met Gorki smaakt naar meer. Isabelle trekt haar stoute schoenen aan en verrast in de maand mei van 2008 vriend en vijand met het album “De macht der gewoonte”. In de studio’s Pink Flamingo in Sint-Niklaas en de ICP Studio in Brussel neemt zij onder de leiding van producer Alex Callier (Hooverphonic) twaalf liedjes op, geschreven door onder anderen Sarah Bettens, Luc De Vos, Stijn Meuris, Tom Pintens, Mauro Pawlowski en Alex Callier zelf. Zij stelt de eenendertigste mei in de AB in Brussel haar album aan de media voor. Iets later staat zij te glunderen op het podium van “Marktrock” in Leuven. Voor de fans van het allereerste uur wordt deze alternatieve Isabelle A even wennen. Het liedje Onder de sprei van Stijn Meuris wordt een veel gedraaid nummer uit die cd. Uit het album “De macht der gewoonte” worden nadien ook de nummers Karavaan en Hou je nog van mij als singles uitgebracht. Voor Hou je nog van mij maakt regisseur Guy Goossens (regisseur van de film “Frits & Freddy”) een clip waarin hij Isabelle tijdens enkele bed- en badscènes voorzichtig naakt laat verleiden.

Het liedje Onder de sprei ligt haar na aan het hart omdat zij hierin haar emoties kan blootleggen. Meer dan eens heeft zij zich door de liefde laten gidsen, de liefde die haar ook meer dan eens blind maakte. Vergeten we niet dat zij ooit smoor was op Armando, de broer van Marco Borsato. Tijdens een feestje van Radio Donna werden zij snel verliefd op elkaar en door de media meteen tot droomkoppel gebombardeerd. Vergeten wij ook niet haar relatie met tv-presentator Philippe Quatennens. Daarnaast wordt zij vaak door emoties zoals boosheid, angst, verdriet en geluk gedreven. Zij denkt daarbij aan haar ouders en vooral aan haar vader, die haar als kind vaak vertroetelde. Zij was een echt papa’s-kindje dat veel liefde en aandacht nodig had en ook kreeg. Zij vormden met z’n allen een echt knuffelgezin. Toen zij vanaf haar elfde in snelheid werd gepakt door haar zangcarrière, dreef het gezin en dat geluk uit elkaar omdat zij nog zelden thuis was. Zij werd volop geleefd door haar succes. Tijd voor vriendinnen had zij niet meer. Isabelle ging gebukt onder een enorme druk, maar haar manager leerde haar dat zij het ijzer moest smeden wanneer het heet is. Zij voelde zich een soort wonderkind, specialer dan de rest. Zij vertrouwde haar manager in die tijd blindelings. Toen zij en haar ouders vaststelden dat haar succes niet aan haar bankrekening was te merken, moesten zij besluiten dat zij na al die jaren bedrogen was. Dat was voor haar een zeer harde noot om te kraken. Marc had haar enorm opgelicht. Er werd nooit een contract ondertekend, maar daar stelde niemand zich in het begin vragen bij. Hij ging er zonder blikken of blozen met alles vandoor. Er komen advocaten aan te pas, maar over het ware gebeuren en de stand van zaken wil Isabelle niets lossen, wat het verhaal erg verdacht maakt. Wij zullen er wel nooit het fijne van te weten komen, alleen dat het Isabelle veel geld heeft gekost, want zij moest de jaren daarop heel wat schulden aflossen. In ons interview vertelde ze mij dat die gebeurtenis voor altijd het grootste verdriet in haar leven zal blijven. Zij heeft hier wel uit geleerd dat zij voortaan liever alles zelf regelt, de touwtjes zelf in handen houdt. Aan dit alles heeft zij overgehouden dat zij soms nog door echte downs overmand wordt. Zij is en blijft na dat alles ook erg wantrouwig. Zij is al vrij schuchter van nature, maakt niet zo gemakkelijk contact met buitenstaanders, klapt nogal snel dicht. Alleen wanneer zij op een podium staat, valt die schuchterheid weg. Maar het gaat almaar beter, zij staat almaar sterker in haar schoenen en heeft haar verlegenheid naar het achterplan geschoven. Van zichzelf vindt zij dat zij enorm sterk staat, dat zij veel kan incasseren. Koppigheid is haar slechtste karaktereigenschap. Zij gaat dolgraag naar de bioscoop met een voorliefde voor romantische films en voor acteur Eddy Murphy, omdat zij zo heerlijk met hem kan lachen.

Begin 2008 leert Isabelle A de Antwerpse muzikant Hans Forceville kennen, die tot dan toe bij groepen als Sweet Coffee en La Gazz speelde en samenwerkte met de dj’s Carl Cox en Marco Bailey. Hans is ook eigenaar van de productiestudio Hanson. Hij en Isabelle vormen sinds die ontmoeting een vast koppel en mogen in de maand september van dat jaar aankondigen dat zij de trotse ouders zijn van hun zoon Storm. (Uit een vorige relatie heeft Hans reeds twee kinderen.)

Sinds 2012 maakt Isabelle deel uit van de cover-partyband The Expendables, bestaande uit de Belgische topmuzikanten zanger-gitarist Filip Bollaert, toetsenist Pedro Gordts, drummer Joost Van den Broeck en bassist Carlo Van Belleghem. Voordien werd de eer om als frontzangeres te fungeren door Sofie Van Moll waargenomen. Isabelle brengt tijdens de show “Isabelle A Gets Expendable” een mix van covers van recente hits, klassieke meezingers en dansnummers, waarbij de klemtoon vooral op “ambiance” wordt gelegd. Hits van Lady Gaga, Christina Aguilera, The Black Eyed Peas en INXS passeren met veel animo de revue. In Story lazen wij in de maand november van 2013 dat Isabelle A naar het voorbeeld van De Romeo’s van plan is een meidengroep op te starten samen met ex-”Familie”-actrice Anneke van Hooff en ex-Lasgozangeres Evi Goffin. Uitgangspunt van dit opzet: de muziek die zij brengen, moet heel dansbaar zijn. Zij willen vooral ambiance brengen en hun publiek entertainen. Met voorkeur voor vrouwenmedleys waarmee zij hun publiek aan het dansen kunnen brengen. Nieuwe nummers worden met evenveel plezier aan hun repertoire toegevoegd. In de volgende editie van Story lazen wij dat als groepsnaam voor “De Grietjes” werd gekozen. Wij kwamen meteen aan de weet dat de drie grieten zich als gewone vrouwen in de vocale strijd willen gooien en niet als babes. Wanneer in de zomer van 2014 Goffin zich zwanger meldt, wordt haar plaats tijdelijk ingenomen door Silvy De Bie. Een paar maanden eerder, de tweeëntwintigste maart, stonden de dames nog op twee genoteerd in de Vlaamse Top Tien met Sprong in ‘t maanlicht, geschreven door Alain Vande Putte, Peter Gillis en Patrick Rydman. Samen met Guy Balbaert en Joris Devos schrijft Isabelle de opvolger Ons verhaal, waarmee De Grietjes de elfde oktober op vier genoteerd staan in de Vlaamse Top Vijftig.

In 2016 staat Isabelle A 25 jaar op het podium. De zesde juni zegt ze daarover in “Het Nieuwsblad”: “Ik ben best tevreden met hoe het gelopen is, maar ik droom wel nog van een theatertour waar de mensen nog eens komen luisteren naar al die mooie Isabelle A-hits. Zo krijgt mijn carière toch nog een happy end. Ik heb in mijn schuif ook nog een massa demo’s liggen met heel toffe nummers in mijn typische stijl. Het zou leuk zijn om daar nog eens iets mee te doen, maar hits scoren hoeft niet meer. Dat brengt toch niets meer op.” Isabelle A was een tijdje gestopt met live-on-tape optredens, maar is sinds kort weer te boeken. Vooral op vraag van enkele schlagerfestivals hier en daar treedt zij weer op samen met een verrassingsact.

De editie “Liefde voor muziek” van 2017 heeft voor Isabelle A geen windeieren gelegd. Na de uitzending van maandag de 24ste april, met daarin aandacht voor covers van een aantal van haar bekendste liedjes door onder meer Natalia, Clouseau, Lady Linn en Josje Huisman, blokletterden de kranten: “Isabelle A maakt nog voor de zomer haar comeback!” En dat wordt schakelen naar een zesde versnelling, want haar platenfirma Universal wil over een paar maanden haar nieuwe album releasen. Uitkijken sowieso, want de voorbije tien jaar verscheen er geen nieuw songmateriaal van haar. Daarop uiteraard ook de nummers die Isabelle A in “Liefde voor Muziek”bracht. Dinsdag de 25ste april domineerden haar liedjes al de Top Tien van iTunes met als meest in het oorspringend haar eigen cover van “Une belle histoire” van Michel Fugain, “Een mooi verhaal”, naast haar vertolkingen van “Eyo” en “I’ve only just begun”.

Dinsdag de 20ste juni 2017 verschijnt Isabelles A’s nieuwe single Glad IJs op het CNR-label, een vertrouwde samenwerking voor haar met tekstschrijver Jan De Vuyst. Deze single nam Isabelle op samen met de muzikanten uit het programma “Liefde voor muziek”, in een productie van Jeroen Swinnen en dat als aanloop naar haar nieuwe album dat de 7de juli wordt gereleased.

Woensdag de 5de juli 2017 stelt Isabelle A, na bijna negen jaar, haar nieuwe studio-album voor “Zo zal het zijn”. De titel zegt waar het op staat: “Ik trok naar de studio om daar samen met producer Jeroen Swinnen helemaal mijn ding te doen. Hij wist op voorhand welke richting ik wou inslaan“, aldus een enthousiaste Isabelle. Haar album ademt de sfeer van het Franse chanson, te horen in liedjes als De Liefde, Mijn beste vriend en ik en Als ik nee zeg, dat Sarah Bettens speciaal voor haar schreef. Drie liedjes die ze in “Liefde voor muziek”zong, staan ook op de nieuwe cd, alleen heeft Isabelle ze opnieuw ingezongen, deze keer met iets minder stress in de keel. “Ik ben erg trots op mijn plaat en geef me zelf een score van bijna een 9 op 10. ik ben ook blij dat de spanning wat is weggeëbt, nu ik weet dat er nog een album zal komen. Ik droom al luidop van een tour in de culturele centra waar mijn liedjes heel goed tot hun recht zullen komen. Ook de oudere, al zou ik die wel in een intiemer kleedje willen stoppen.”

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Rocco Granata

“Dertig jaar geleden wou ik stoppen met m’n carrière”, dat vertelde Rocco Granata in september nog aan de verzamelde pers naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag. “Persconferenties geven, promotie voeren, optreden, ik ben het zo beu als koude pap, maar ergens doe ik het nog zo graag!” En als klap op de vuurpijl stelde hij ook nog eens zijn nieuwste cd “Ricominciamo” voor. 2008 is voor Rocco een waar feestjaar. Hij is niet alleen zeventig geworden, maar zijn onafscheidelijke Marina viert haar vijftigste verjaardag en hij is veertig jaar met zijn Rosie getrouwd.

Rocco, afgeleid van de naam Rochus, Granata is een rasechte Italiaan, geboren de zestiende augustus 1938 in Figline Vegliaturo, een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Hij gaat nog wel eens terug naar dat dorp, waar hij dan ‘s nachts in zijn eentje gaat wandelen en herinneringen ophalen, want overdag lukt dat niet, dan wil iedereen dat hij een kopje koffie komt drinken of een hapje mee-eten. In dat dorp woonde een kunstsmid die drie smederijen had en een dochter, en die werd verliefd op een van de kunstsmeden die daar werkte, papa Granata. Hun gezin werd met één dochter en één zoon gezegend. Die zoon Rocco werd streng opgevoed. Zijn ouders duldden niet dat hij op straat rondslenterde met zijn vrienden en stuurden hem daarom naar zijn peter, die kleermaker was. Hij leerde daar knoopsgaten maken en knopen aannaaien. Maar dat boeide hem niet, hij was liever met muziek bezig. Rocco is zeven jaar wanneer hij van de dirigent van de plaatselijke fanfare muziekles krijgt, zijn moeder betaalt dat. Maar lang houdt hij het daar niet uit, want hij is een snelle leerling. Genieten van een optreden door de plaatselijke fanfare is voor Rocco op dat moment jé van hét. Als ze na een concert in het café wat gaan uitblazen, mag hij hun instrumenten vasthouden en betasten. Hij herinnert zich nog hoe in zijn dorp zich op zekere dag mevrouw Maria Cristina als eerste een radio aanschafte, meteen na de oorlog was dat, in 1945. Bij haar thuis muziek meepikken was het liefste wat Rocco deed. Aan het einde van de jaren veertig trekken heel wat Italiaanse mannen naar het buitenland omdat ze gehoord hebben dat ze daar meer geld kunnen verdienen dan in hun thuisland. Sommigen verhuizen naar Venezuela en Brazilië, anderen naar Canada en Argentinië en een hele rist gaan zich in Belgio vestigen. Als Rocco zijn lagere school bijna heeft afgerond, hij is dan negen, besluit zijn vader in ons land te komen werken omdat hij hier veel meer kan verdienen. Drie keer zoveel. Papa Granata had het plan opgevat om in ons land een jaar keihard te werken en met dat geld in hun Italiaans dorp zelf een smederij op te starten. Maar dat ene jaar worden er twee, de eenzaamheid wordt te groot en vader besluit de hele familie te laten overkomen. Rocco ging er niet mee akkoord dat papa naar België trok. Hij blijft een tijdlang behoorlijk boos op zijn vader. Hij uit dat pas veel later in het liedje Paisellu miu. Vooral het gemis van zijn vader speelt hem parten. En plots liggen er tickets op tafel en vraagt papa Granata of de hele familie niet voorgoed naar ons land komt afzakken. Rocco vindt het erg dat hij zijn vrienden ginder moet achterlaten en in een vreemde wereld terechtkomt waar hij niet eens de taal verstaat. De familie Granata gaat in de Kwikstaartstraat in Waterschei wonen. Hier worden ze spaghettivreters genoemd, het woord racisme moet nog worden uitgevonden. Ze passen zich aan en Rocco gaat in zijn gemeente naar de lagere school. Het eerste Nederlandse woord dat hij daar leert, was voetballen, iets wat hij graag doet. In de kerk van Waterschei wordt hij misdienaar, waardoor hij door de leraren graag gezien is. Een brave jongen dus! Wat verderop, in Genk, volgt Rocco muziekles. Opvallend is dat papa zijn zoon een accordeon koopt, maar hij staat erop dat zijn zoon nooit muzikant wordt, professioneel toch niet.

Tot zijn vijftiende loopt Rocco school, plots wil hij niet meer voortstuderen. Papa wil niet dat zijn zoon mijnwerker wordt. Vespa’s zijn op dat moment erg in de mode, daar voelt Rocco wel een band mee. Op zekere dag stopt hij aan een garage in de buurt van het Casino van Beringen en daar mag hij meteen als leerjongen aan de slag. Het is meegenomen dat de eigenaar dol is op muziek. Hij is een Joegoslaaf die in zijn vrije tijd ook muziek speelt, al ziet hij met tegenzin dat Rocco voor, na en ook tijdens zijn werk iets té vaak met muziek bezig is. Drie jaar houdt Rocco het vol in die garage. Zijn leercontract is dan afgelopen en de maat voor de baas meer dan vol. Dat constant met muziek bezig zijn, kan niet meer door de beugel. En die beugel vult zich stilaan met geld, ook al verdient Rocco in die garage amper negentien frank per uur. Geen geld om te verbrassen, maar zoals dat toen de gewoonte was, om thuis keurig aan pa af te geven, die gelijk bij de bank een rekening voor Rocco opent. Vooral links en rechts in diverse cafés muziek spelen doet zijn spaarrekening aangroeien. Dat bracht in die tijd zo’n 250 frank per avond op. Pa komt wel eens luisteren, maar zeggen of het goed of slecht klinkt, geraakt niet over zijn lippen. Om live muziek te maken, had je een beroepskaart nodig en die werd Rocco als allochtoon geweigerd. Op risico van betrapt te worden, blijft hij toch stijfkoppig voortspelen. Pas wanneer hij zijn eerste hit scoort, krijgt hij die beroepskaart. Voor Rocco is die eerste weigering iets wat hem tot de dag van vandaag hoog zit, dat hij als buitenlander minderwaardig werd behandeld.

Op zekere dag komt een Duitse muzikant uit de buurt, Horst Schröder, Rocco vragen of hij niet in zijn kwartet wil meespelen. Hij moet op zijn accordeon hun toenmalige zangeres begeleiden in, hou je vast, operetteliederen uit “Im weissen Rössl”. Naast Rocco speelt nog een Vlaamse jongen uit de buurt en een Hongaar op bas. Het is het moment dat hij beetje bij beetje zijn eerste liedjes begint te schrijven: thuis bij mama aan een kleine tafel met als grote droom ooit een bekend operacomponist te worden. Zijn eerste belangrijke stap in de muziekwereld zet hij als hij zich inschrijft voor het liedjesfestival “La Rondinella d’Oro” (De Gouden Zwaluw) in Luik, waar hij het door hem zelfgeschreven È primavera zingt. Rocco eindigt op een gedeelde eerste plaats samen met een lokale zanger die koste wat het kost in de prijzen moest vallen. Die avond speelt Rocco voor een uitgelaten publiek al de basis van wat enkele dagen later Marina zal worden. Toen al bood zich iemand aan die veel geld op tafel wilde leggen om dat liedje in zijn uitgeverij te krijgen, maar Rocco weigert. De inspiratie voor Marina kreeg Rocco toen hij met zijn orkest in een café in Molenstede in de buurt van Diest speelde, waar de kusjesdans vaak op het menu stond. Hij liep niet zo hoog op met die gewoonte, het kwam hem zelfs de strot uit. Op zekere avond is het weer prijs. Het publiek blijft maar aandringen. In samenspraak met zijn drummer zet Rocco een liedje in dat meer op een improvisatie lijkt dan op wat anders. De maat is 2/4, daar kun je immers ook op stappen, net als op zo’n doordeweekse kusjesdans. Alleen moet hij nu nog een tekst verzinnen. Tegen de muur van dat café hangt een poster van het sigarettenmerk “Marina” en daarmee is de titel van een wereldhit in wording geboren. Let wel dat het vooral nog behelpen is, want Marina zal tekstueel pas later in de studio tijdens de opname van het nummer in de juiste vorm worden gegoten.

Marina droeg Rocco dus niet op aan zijn eerste lief, want die heette Wilma, hij was toen nog maar zeventien. Ook niet aan het eerste meisje dat hij zoende, want die was van Winterslag en heette Elza. Maar voor een vaste relatie had Rocco toen nog geen tijd. Rocco’s liedjes genieten veel bijval tijdens zijn optredens. De mensen vragen almaar vaker of die liedjes niet op plaat staan. Gelukkig heeft Rocco net een contract voor drie maanden getekend bij Jules Nijs, verdeler van jukeboxen en uitbater van dancing De Witte Molen in Aarschot, die via zijn firma een opname kan versieren in de Decca Studio’s in Jette met Achilles Palmans als producer. In twee uur tijd worden samen met het International Quartet twee nummers ingeblikt: Manuela en Marina. De opname van Marina verloopt heel chaotisch, want Rocco heeft zijn tekst nog niet klaar. Tijdens de opname vult hij gaandeweg woorden aan, tot groot ongenoegen van de producer, die dit puur tijdverlies vindt. Een studio kostte toen negenhonderd frank per uur. Maar wonder boven wonder zijn twee uur later beide songs ingeblikt. Manuela wordt de A-kant, maar al snel is duidelijk dat het publiek voor het B-kantje kiest en wordt Marina als hit gepromoot. In het begin moet Rocco zelf met zijn single van café tot café gaan leuren. Er worden driehonderd exemplaren geperst, maar die zijn snel uitverkocht. Rocco klopt bij diverse cafés aan om Marina in de jukebox te krijgen en die manier van promoten loont uiteindelijk. Marina wordt een groot succes en door de familie Van Hooghte in hun uitgeverij ondergebracht. Rocco moet wel een deel van de uitgave aan hen afstaan, iets wat hij nog altijd de grootste fout vindt die hij ooit begaan heeft, maar je kon toen niet anders. Maar in het begin van de jaren zeventig wordt Jos Van Hooghte ziek, zijn uitgeverij komt in de aanbieding en zo kan Rocco de uitgavenrechten van Marina terugkopen.

In de zomer van 1959 staat Marina in ons land op één. Intussen had ook de Nederlandse zanger Willy Alberti het nummer opgenomen en was het via een piloot van KLM tot in Amerika geraakt, waar het in zijn versie op de markt komt. In de maand november van 1959 staat Alberti in de Amerikaanse hitlijsten op de tweeënveertigste plaats. Dat originele singletje is inmiddels twaalf euro waard. Dankzij Jos Van Hooghte, die ook een uitgeverij in Amerika bezit, kan ook de singleversie van Rocco in de States worden gereleaset op het in die tijd bekende Laurielabel en zo bereikt hij in de maand november 1959 de twaalfde plaats in de Cash Box Top 100 en de eenendertigste in Billboard’s Hot One Hundred. Rocco’s singleversie kun je momenteel in Amerika voor zo’n veertien dollar op de kop tikken, tenminste als je de oorspronkelijke versie op het Laurielabel nr. 3041 vindt. In diverse landen krijgt Marina nadien het label evergreen opgekleefd. In zijn memoires over president John Fitzgerald Kennedy schrijft de kok van het Witte Huis dat de president Marina regelmatig floot als hij goedgeluimd was en in de biografie van wielrenner Fausto Coppi lezen we dat op de dag dat hij werd begraven, over de Italiaanse radio de hele dag treurmuziek te beluisteren was én Coppi’s lievelingsliedje Marina.

Ook tijdens de allereerste editie van “De Eregalerij”, een organisatie van Radio 2 en Sabam, gaat het wereldsucces van Marina niet aan het oor van de jury voorbij en wordt deze evergreen voorgoed vereeuwigd, op vrijdag de tiende november 2000 in het Casino van Knokke. Rocco staat die avond glunderend op het podium samen met nog twee andere grote kleppers uit de Vlaamse muziekwereld. Will Tura, die die avond in de prijzen valt met Eenzaam zonder jou, en Toots Thielemans met Bluesette. Diezelfde avond kregen Bobbejaan Schoepen en La Esterella een ereplaats voor “een leven vol muziek”.

Snel na zijn succes in de States kreeg Rocco een miljoenencontract aangeboden om voor onder meer Alan Freed te gaan werken. Zo mag hij in de befaamde Carnegie Hall in New York op het podium staan met Connie Francis in het voorprogramma en zit hij in de show van Tab Hunter en Tommy Sands. Maar de managers hebben nogal wat problemen met de artiest Granata. Die jongen moet dringend een keurig pak en een glamoureuze act worden aangemeten. Hij moet een snelcursus Engels volgen en een stoomcursus podiumtechniek. Hij verdwijnt in een smokingpak, leert statig het podium op lopen, keurig het applaus in ontvangst nemen, al even keurig buigen…, maar dat en al die contractuele verplichtingen voelt Rocco als een keurslijf aan. Ed Sullivan belooft hem dat als hij voor Kerstmis in de top drie belandt, hij een plaats krijgt in zijn razend populaire tv-show, maar zo ver geraakt hij niet en dus krijgt hij ook niet de vijfduizend dollar die Sullivan hem beloofd had. En dus keert Rocco maar al te graag naar Vlaanderen terug.

Hier is het hek helemaal van de dam. Rocco incasseert per optreden met zijn kwartet vijfentwintigduizend frank. De eerste storting van Sabam komt binnen, goed voor twee miljoen frank, een fenomenaal bedrag in die tijd, dat papa Granata meteen op Rocco’s bankrekening stort. Bij zijn terugkeer wacht hem ook een aantrekkelijk contract uit Duitsland. Daar worden in 1960 van Marina alleen al 1.050.264 exemplaren van Rocco’s versie verkocht en nog eens een half miljoen van de Duitse versie van Will Brandes. In 1960 wordt er een Marinafilm opgenomen met naast Rocco bekende sterren zoals Rex Gildo, Silvio Francesco en de operettester Renate Holm. Deze film wordt de start van een hele rist successen bij onze oosterburen met onder meer liedjes als Du schwarzer Zigeuner, Melancholie (gebaseerd op het Wiegenlied van Johannes Brahms) en Tango d’amore. Uitschieter is Buona notte bambino, een top 3-hit in 1963. Oorspronkelijk heeft Rocco dit nummertje in het Italiaans geschreven, maar de Duitse versie wordt een grote meevaller, niet alleen in Duitsland, maar ook bij ons in Vlaanderen en in Nederland.

Vergeten we niet dat na het succes van Marina er uiteraard snel nog een aantal singles in het Italiaans worden uitgebracht zoals Oh oh Rosi, Julia en Carolina, dai. Met dat laatste staat hij in 1961 op het podium van het vermaarde liedjesfestival van San Remo, waar Rocco als finalist op de achtste plaats eindigt. Winnaar is Al di là, gezongen door Luciano Tajoli. Twee jaar later is Rocco al dat rondreizen meer dan zat. Ook het samenwerken met platenbazen en zo zint hem niet meer. Hij verdraagt geen baas boven hem. Hij start een eigen muziekuitgeverij “Granata Music” én een eigen platenfirma “Cardinal Records” omdat hij zag dat er in ons land veel artiesten rondliepen zonder een vast platencontract en hijzelf ook niet echt iemand vond die in zijn muziek geïnteresseerd was. Op een bepaald moment heeft hij veertig mensen in dienst. Ondanks het feit dat hij een Italiaan is die niet perfect onze taal spreekt, richt hij zich vrij snel op het betere Vlaamse lied met in zijn platenstal artiesten als De Elegasten, Will Ferdy en Marva, voor wie hij de meeste hits schrijft. Op zekere dag wordt hij getipt door platenhandelaar Govaerts in Hasselt dat er in hun stad een geweldige kleinkunstzanger rondloopt, maar een die aan geen platencontract kan geraken. In een kleine studio in Hasselt worden vijftien liedjes ingeblikt en de eerste kleinkunstelpee van Miel Cools met onder meer Boer Bavo wordt een schot in de roos. Goed bevriend wordt Rocco met Louis Neefs, voor wie hij liedjes gaat schrijven, onder meer Wat een leven. Op een bepaald moment adviseert Louis Rocco een impresariaat op te richten waar hun eigen artiesten geboekt kunnen worden. In 1965 starten ze met SBO, Show Business Office. Twee jaar later blijken ze geen licentie te hebben voor een dergelijke opdracht en wordt die firma ontbonden. In 1965 krijgen ze een tip van de vader van Jean Blaute, die in Zottegem een platenwinkel uitbaat, dat hij een jonge gast kent die talent zat heeft. Die jongen blijkt Marijn Devalck te zijn. Op dat moment is Adamo erg populair en Marijn wil het in het Frans proberen. Rocco gaat akkoord en verzint de artiestennaam Marino Falco. Hij scoort met liedjes als Je n’ai plus mon papa, Ma première cigarette en Laisse-moi seul. En dan is er het succes en de samenwerking met Marva. In 1967 neemt ze deel aan “Canzonissima” met Een eiland in groen en blauw, een liedje van Rocco op tekst van Phil Van Cauwenbergh, genomineerd in 2000 in “De Eregalerij”, net als Het liedje van de zee, ook een melodie van Rocco, deze keer op tekst van Will Ferdy. Bij Cardinal Records scoren voorts De Elegasten met Wat heb je vandaag op school geleerd, Kris De Bruyne met Klein klein kleuterke, Leen Persijn met Sinds ik jou ken en Jacques Raymond, die als Ray Mondo het internationaal probeert waar te maken met een song als Youre so sympatico. In de marge mogen we niet vergeten te vermelden dat het Rocco is die veel later, we zijn dan al in 1991 aanbeland, het talent onderkent van Sarah Bettens, die hij als eerste een kans gunt, die ze ook met beide handen aangrijpt. Rocco heeft haar mee gelanceerd. Nog dagelijks krijgt hij vele demo’s toegestuurd, maar vriendelijk wijst hij ze alle van de hand. Echt talent is dun gezaaid, zo weet hij als geen ander, en investeren in talent doe je niet zomaar.

De vijftiende augustus 1965 treedt Rocco tijdens een privéfeestje bij een gegoede familie op waar de dochter des huizes als gastvrouw mag aantreden. Dat knap meisje blijkt de dochter van een geneesheer te zijn die in Leuven Germaanse talen studeert. Rocco is meteen verliefd, maar er komt pas een vervolg aan die lovestory wanneer hij haar een jaar later in Leuven opnieuw ontmoet. Samen met haar vriendin zijn ze toen iets gaan drinken. Opnieuw gaat er een jaar voorbij tot ze hem op zekere dag belt met de vraag of hij al getrouwd is en of hij niet eens langs wil komen. De zeventiende oktober 1968 trouwen ze. Rocco is net dertig geworden. Twee jaar later wordt hun zoon geboren en nadien zijn dochter Jessica (zij was ooit betrokken bij de Switelbrand in Antwerpen). Zij zou psychologie studeren en op het kantoor van haar vader gaan werken.

Maar terug naar de carrière van Rocco. Ondanks zijn internationale successen is hij ons land niet vergeten. Hij heeft inmiddels door dat hij met Nederlandstalige liedjes beter op de Vlaamse markt kon inspelen. In 1961 had hij al bijval gescoord met zijn versie van Het Noordzeestrand, een oude hit van Jan Verbraeken, maar begin jaren zeventig heeft hij, nadat zijn succes in Duitsland was gaan tanen, pas écht de Vlaamse smaak te pakken. De negentiende september 1970 horen we Rocco in de Vlaamse Top Tien op één met het door hemzelf geschreven Sarah, waarmee hij enkele weken later op drie staat in de BRT Top Dertig. In die tijd was hij de Nederlandse tekstschrijver Marius Johannes McPhail tegen het lijf gelopen, met wie hij drie hits op rij schrijft. Eerst is er zoals steeds de melodie en dan de tekst: Lieve Heer heb medelij, Jessica, opgedragen aan  zijn dochter en vervolgens Zomersproetjes. Jessica staat de twaalfde februari 1972 op drie geparkeerd in de BRT Top Dertig. De maand voordien, de achttiende december 1971, staat Granata met dit liedje op één in de Vlaamse Top Tien. Zomersproetjes staat begin december in de Top Dertig 1972 op zeven, de drieëntwintigste september al op één in de Vlaamse Top Tien. Voor Lieve Heer heb medelij is er de zestiende juni 1973  een zestiende plaats weggelegd in de BRT Top Dertig en de maand voordien een derde in de Vlaamse Top Tien. Het zijn niet stuk voor stuk liedjes waar Rocco nu nog echt fier over is, ook niet over de meeste liedjes die die periode voorafgingen, maar hij moest nu eenmaal commercieel blijven en dat viel hem soms wat zwaar, want zijn hart lag toen al bij het chanson en de jazz. Na die Vlaamse successen wil Rocco opnieuw internationaal gaan, wat hem uitstekend lukt met de elpee “Twenty fantastic Italian songs”. Rocco is back on the road. Ook de instrumentale elpee “Paradiso” wordt een meevaller en bewijst dat Rocco het vooral van de kracht van zijn eenvoudige melodieën moet hebben, liedjes die je dadelijk raken, ook die zonder woorden.

Precies dertig jaar na zijn eerste wereldsucces met Marina scoort Rocco in 1989 opnieuw een nummer één met dezelfde song, maar dan in een newbeatversie. Hij klopt daarvoor aan bij zijn buurman Serge Ramaekers, de man achter het Europese succes van Confetti’s. Het is nog steeds dezelfde zanger die je hoort, dezelfde accordeon, maar het ritme is aangepast en opnieuw goed voor een wereldhit. Om te beginnen in ons land. De vierentwintigste juni staat Rocco op één in de BRT Top Dertig. Van Duitsland en Oostenrijk, over Mexico, Chili en Argentinië tot in Italië toe, waar de single negen weken lang op één genoteerd staat. Dit succes spoort Rocco aan de cd “That’s amore” in te blikken, een album dat zowel in Brazilië als in Rusland verkrijgbaar is.

In 1998 krijgt Rocco behoorlijk wat media-aandacht voor zijn speciale kerstshow waarmee hij in de Ancienne Belgique op de planken staat. In maart 2000 mag Rocco een Zamu Lifetime Achievement Award in ontvangst nemen voor zijn hele carrière, een eer die hij deelt met onder meer Toots Thielemans, Adamo, Arno en Bobbejaan Schoepen. Die carrière heeft hem door de jaren heen geen windeieren gelegd, maar daarover zwijgt Rocco het liefst in alle talen. Alleen Ludwig Verduyn slaagt er in 2003 in zijn boek “Showbizz in Vlaanderen” in om een tipje van de financiële sluier op te lichten. In de top 20 van rijkste artiesten, met Piet Roelen op kop, staat Rocco op de zeventiende plaats met een geschat vermogen van 1,329 miljoen euro dankzij Cardinal Records en Granata Music Editions. Hij heeft volgens Verduyn ook belangrijke investeringen in vastgoed, onder meer via de vennootschappen Granimmo en Tomychri. Zijn geld heeft hij al die jaren goed belegd, net zoals papa hem dat van in het begin had geleerd. Zuinig zijn, want je weet maar nooit!

Intussen zijn we in 2005 aanbeland. Rocco heeft zo’n jaar of twee aan zijn achtenzestigste album “Paisellu miu” gesleuteld, een cd die hij altijd al had willen opnemen. Hij werkt samen met die andere Italiaan Michel Bisceglia, volgens Rocco een van de beste arrangeurs in ons land, een genie en een muzikant in hart en nieren. Een zaligheid om mee te musiceren. Met tweeënveertig muzikanten trekt Rocco naar Studio Crescendo van zijn Italiaanse vriend Pino Guarraci. De cirkel is rond. Hier zitten drie zonen van Italiaanse mijnwerkers gezellig samen hun ding te doen. Dat inspireert! Er wordt ook een beroep gedaan op enkele solisten die al lang hun sporen hebben verdiend: Custódio Castelo, Jo Lemaire en Toots Thielemans. Over het prijskaartje dat daaraan vasthangt, wil Rocco niets loslaten. Op dit album presenteert Rocco zich als een doorgewinterd chansonnier die zingt zoals hij gebekt is, in het dialect van zijn geboortestreek Calabrië.

Niet zo voor de hand liggend vindt Rocco dat hij de laatste jaren almaar vaker met zijn succes geconfronteerd wordt. Hij weet immers maar al te goed dat het vroeger anders was, alsof hij buiten de schijnwerpers stond. Zijn prestaties werden vaak doodgezwegen. Maar hij is geen man die verbitterd achteromkijkt. “Misschien is het dat wel wat me jong houdt”, zegt hij. Optreden doet hij nog graag, heel graag. Zo gaat hij weer op tournee door Vlaanderen met een programma waarin hij Braziliaanse ritmes combineert met zijn oude hits. “Zolang er niet te veel versterkers aan te pas komen, als het maar eerlijk kan, zachtjes. Niet alleen de begeleiding moet zacht zijn, ik moet mijn liedjes bijna kunnen fluisteren”, want een chanteur à voix is Granata nooit geweest, ook al is elke Italiaan zo’n beetje als een belcantozanger in de wieg gelegd.

“Ik kan niet zo tegen luide muziek”, vertelde Rocco ons. “Op kousenvoeten wil ik wel nog musiceren, nog zo lang mogelijk, want ik heb plannen zat.” Rocco heeft als zanger altijd zwart willen klinken. Ooit zei Toots Thielemans van hem dat hij de Italiaanse blues in zich heeft en dat flatteerde Rocco. Jazz is momenteel een genre dat zijn voorkeur wegdraagt. “Ik hecht me nochtans te zeer aan de traditionele opbouw van een lied: een intro, een couplet, een refrein, een middenstuk en dan afronden. Maar improviseren kan ik wel, al zal ik nooit een echte jazzman wezen.” Maar zingt hij zelf niet in Buona notte bambino “Alles was man will, kann man nicht haben”. Alhoewel, in 2008 ging nog een wens van hem in vervulling, namelijk de release van het album “Ricominciamo”, voor velen hét ultieme Granata-album. Hier klinkt Rocco zoals hij echt is, minder commercieel dan vroeger. Dit album klinkt relaxed omdat Rocco niets meer hoeft te bewijzen, hij kan eindelijk zijn ding doen met die mensen om hem heen die na aan z’n muzikantenhart liggen. Of hij nu weer de baan op wil om dit album aan te prijzen? Liever niet, want daar heeft hij een broertje dood aan: aan promotie voeren, naar recepties gaan. Soms wil Rocco niemand zien. Hij is ook geen terrasjesmens. Hij houdt liever van de eenzaamheid. Lintjes en andere onderscheidingen hoeft hij ook niet. Aan hem is geen adellijke titel besteed: ridders en baronnen zijn een ander soort mensen dan hij. “Als de mensen mijn muziek maar graag horen, ben ik méér dan tevreden.”

Maar laten we eerlijk wezen, de award die Rocco in het Casino van Oostende kreeg voor “een leven vol muziek” heeft hij meer dan verdiend. Misschien een beetje laat, als we eerlijk mogen zijn. Misschien, zo mijmert hij, ben ik altijd een té populaire jongen geweest. Ik heb altijd en voor iedereen tijd willen maken, want we zijn toch maar gewone mensen! In een interview met De Standaard zei hij wat die bekendheid betreft: Er is maar één grote artiest. We noemen hem God, Boeddha of Allah, maar eigenlijk kennen we hem niet.

De zestiende augustus 2008 werd Rocco zeventig. Of hij zich oud voelt? In zijn hoofd wel. Hij kan al lang niet meer alles doen wat hij wil. Hij zou nog willen leren schilderen, nog beter jazz leren spelen, beter worden dan hij in het golf spelen is, want dat kan hij naar het schijnt als een echte pro. Op zijn graf wil hij geschreven zien: Ik heb niet alles kunnen doen wat ik wou, maar stop hem dan niet eerst in een kist, want sinds hij in een lift heeft vastgezeten, heeft hij last van claustrofobie. Dolgraag zou hij nog professor etymologie willen worden omdat de oorsprong van woorden hem zo fascineert. Dieper ingaan op het leven, dat boeit hem ook erg, iets meepikken van de levensfilosofie van de jezuïeten, al zou hij in scherp contrast daarmee willen dat hij niet meer hoefde te denken, dat zijn hersenen hem, al was het maar voor even, met rust lieten. Maar wel met mooie gedachten als herinnering zoals aan dat moment waarop hij zijn eerste plaat in ontvangst mocht nemen en zijn naam op het etiket zag staan, de ontmoeting met zijn vrouw, zijn zoontje en dochter geboren zien worden.

In 2010 ondergaat Rocco in het Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis in Aalst een hartoperatie nadat artsen bij hem enkele lekkende hartkleppen hebben ontdekt. Hij herstelt volledig en trakteert zichzelf op het album “Rocco con Buscemi” met daarop eigenzinnige versies van La vita è bella, Oh oh Rosie en Mambo Italiano. Buscemi is het pseudoniem van de Belgische dj Dirk Swartenbroekx die in diverse stijlen, zoals lounge, house, jazz, afrobeat en drum-’n-bass, knappe albums aflevert. “Rocco con Buscemi” wordt voor Rocco zelf een soort muzikale kers op de taart. Het liedje O Sarracino uit dit album wordt zelfs een hit. In de Radio 2 Top Dertig vinden we het de zesde augustus 2011 terug op de vijfde plaats. Hij verneemt van regisseur Stijn Coninx dat hij volop bezig is met de voorbereidingen van een film waarvoor het leven van Rocco Granata de basis vormt, het verhaal van een migrant die er als geen ander in geslaagd is van zijn leven een sprookje te maken. Het wordt daarnaast ook een universeel verhaal over wat mensen allemaal doen om respect, liefde en warmte te vinden. Voor deze verfilming werd in 2008 al scenariosteun toegezegd door het Vlaams Audiovisueel Fonds. Vier jaar later gingen de opnamen van start. Een deel van de film wordt in Calabrië opgenomen en daarnaast ook scènes in Beringen en op enkele andere locaties in Limburg. De rol van Rocco wordt vertolkt door Matteo Simoni en die van Rocco’s vriendinnetje door Evelien Bosmans. Daarnaast zien wij ook Luigi Lo Cascio, Donatella Finocchiaro, Chris Van den Durpel en Warre Borgmans. De muziek is van de hand van Michel Bisceglia. Stijn Coninx schreef het scenario samen met Rik D’hiet. Op het filmfestival van Montréal gaat “Marina”, in een productie van Peter Bouckaert en Eyeworks in coproductie met de gebroeders Dardenne en het Italiaanse Orisa, de tweeëntwintigste augustus 2013 in première, waar “Marina” is geselecteerd als onderdeel van het prestigieuze “World Greats”-programma in officiële selectie. Twee maanden later is de film in de Belgische bioscopen te zien.

Tijdens de opname van “Rocco con Buscemi” leert Rocco Enrique Noviello kennen, een Argentijnse straatmuzikant die hij eerder in de straten van Antwerpen had horen spelen. Enrique was in 2002 al vanuit Argentinië in Antwerpen neergestreken en had de groep El Juntacadáveres opgericht, waarmee hij in het Antwerpse de triphoptango had gelanceerd. Enrique is daarnaast ook erg goed onderlegd in la murga, een zeer populaire muziekstijl in Argentinië en Uruguay, vaak gehoord tijdens het carnaval. Samen met Noviello neemt Rocco in 2013 het album “Argentina” op, een mix van Italiaanse liedjes gekruid met suave nu-bossanovamuziek. Tijdens de opnamen van het album “Argentina” kreeg Rocco de muzikale steun van Los Auténticos Decadentes, de bekendste murgaband in Argentinië. Het nummer El Murguero uit dit album wordt een onverwachte radiohit.

In 2014 wordt vanaf de eerste augustus in de Genkse Vennestraat 197 “Rocc-O-rama” ingericht, een pop-upexpo over Rocco Granata. Die tentoonstelling heeft plaats in de voormalige discobar waar Rocco zijn eerste vijfentwintig singletjes verkocht. Er staat onder meer een oude jukebox, een creatieve tijdslijn van Rocco’s leven in een schitterend decor waar de bezoeker met een levensgrote afbeelding van Rocco op de foto kan. Vrijdag de veertiende november 2014 geeft Rocco in C-Mine Cultuurcentrum in Genk de aftrap van zijn definitieve afscheidstournee. Een laatste keer zal hij de Vlaamse concertzalen in vuur en vlam zetten. Hij zal daarvoor uit zijn onmetelijk oeuvre zijn bekendste liedjes kiezen, aangevuld met pakkende beelden die naar zijn geliefde geboortestreek verwijzen. Hij zal tevens fragmenten brengen uit zijn album “Rocco con Buscemi”. Hij wordt tijdens deze tournee begeleid door een orkest onder leiding van Michel Bisceglia.

Voor de rest van zijn verhaal gunnen wij Rocco Granata nog veel succes en tijd voor zijn vele liefdes: zijn liefde voor Verdi en Puccini, voor treinen en stations, voor Italiaanse koffie, zijn liefde voor de schilders van de Latemse school, voor kamillethee, voor Francis Ford Coppola, voor Portugal en Lissabon in het bijzonder, voor Italiaanse auto’s, basilicum, pasta en rode wijn en vooral zijn liefde voor … rust en stilte!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Bri

De Kreuners

Het “Belgisch Pop-en Rockarchief” noemt De Kreuners Vlaanderens eerste succesvolle Nederlandstalig zingende Belgische rockband. Reeds in 1973 was de toen achttienjarige Walter Grootaers, thuis omringd door vijf broers, bezeten door Amerikaanse en Britse rock. Studeren interesseerde hem niet. “Ik heb niet eens de middelbare school afgemaakt. Ik ben een van de weinige gelukkigen die nooit de stress van een studententijd hebben gekend“, antwoordt hij lakoniek op de vraag welk diploma hij tegen de muur heeft hangen. Op zijn negende trekt hij naar de muziekschool om daar slagwerk te leren, want drummer worden was zijn grote droom. Walter krijgt snel de kans om bode te worden bij Radio 2 Omroep Antwerpen en neemt die job met beide handen aan. Hij fungeert daar ook een beetje als discothecaris, voor een muziekliefhebber als hij een muzikale hemel op aarde. Walter komt in contact met platen van Zjef Vanuytsel en Miel Cools, maar hijzelf dweept met Velvet Underground, Lou Reed… Wat hier in Vlaanderen aan muziek wordt gemaakt, vinden Walter en zijn vrienden maar weke koek. Zelfs Raymond van het Groenewoud vinden zij op dat moment niet je van het, een mening die hij later stevig zal bijstellen. “Mijn rockhelden toen waren The Stones en The Kinks. In het begin waren er ook nog Elvis Costello, Boomtown Rats, The Stranglers en de opkomende newwavebands“, aldus Walter. Vrij snel lanceert hij de idee om Britse rock in onze moerstaal te zingen. Hij probeert dat  samen met gitarist Ronny Leyzen uit in de groep War (een afkorting  van het woord verwarring). Zij brachten een soort rockcabaret naar hun voorbeeld Frank Zappa. War werd uitgebreid tot de groep Rockorgaan. Een belangrijke inbreng kwam toen al van gitarist Luc Imants. “We bekeken dit op een speelse manier, vooral omdat we er geen toekomst in zagen. Het toenmalige Nederlandstalig rockgebeuren namen we niet ernstig” weet Walter nog heel goed. “Ik wou vooral een groep naar Angelsaksisch voorbeeld waarbij wel een frontman hoorde, maar dan zoals je dat zag bij The Rolling Stones en The Kinks bijvoorbeeld. Ik weigerde toen al een zanger te zijn met achter zich een begeleidende groep. Het moest klinken, als een geheel. Ik voelde me alleen maar goed als ik een zanger binnen een groep was. Wat ook een rol gespeeld heeft – daar denk ik de laatste tijd vaak aan- is dat ik uit een gezin van zes kinderen kwam. Ik had behoefte aan een gemeenschapsgevoel, de reden ook dat ik niet solo ben gegaan. Ik heb die interactie met een band sowieso nodig.”

In de maand augustus hadden Walter en zijn vrienden in Bilzen een onvergetelijke punkdag meegemaakt met optredens van Elvis Costello, The Damned en The Clash. Ze hadden hun ding gevonden.Op dat moment schrijft Humo een wedstrijd uit voor rockgroepen. Er wordt besloten zich in te schrijven. Dan werd er gezocht naar een naam. Iemand suggereerde Deus Ex, Luc Imants bedacht de naam Tapis Plain, maar na lang discussiëren werd uiteindelijk, op aangeven van Ronny en Luc, geopteerd voor De Kreuners. Met die naam kan je twee kanten uit: kreunen van de pijn, maar ook kreunen van genot. Tijdens Humo’s eerste “Rock Rally” in 1978 maken Walter en zijn kompanen als De Kreuners behoorlijk wat indruk, waarmee de basis van hun typische sound was gelegd. In 1978 traden zij voor het eerst op tijdens een van de preselecties in “Zaal Lux” te Herenthout. Op het podium gitaristen Erik Wauters en Luc Imants, bassist Herman Maes en drummer Jef Van den Broeck. Zij moesten als laatste groep optreden. Zij zongen toen onder meer De Lamp, een Nederlandstalige versie van The Hard Way van The Kinks. Zij stonden erop rock te brengen in het Nederlands, ook al waren zij opgegroeid met muziek van The Rolling Stones, Lou Reed, The Stooges, The Small Faces en David Bowie. “Wat Raymond van het Groenewoud toen bracht, beschouwden wij als Nederlandstalige kleinkunst. Wij wilden gaan voor Nederlandstalige rock“, aldus Walter Grootaers. “Op dat moment werd ons heel vaak de vraag gesteld waarom wij koste wat het kost in het Nederlands wilden zingen. Maar het was mijn ding. Ik wou bewijzen dat je net zo goed in het Nederlands als in het Engels kan rocken. Niet in het keurig Nederlands, ons lukte dat alleen in het Vlaams. We hebben een wat hoekige taal, maar als je wilt, swingt die als de pest. Trouwens, ik denk in het Vlaams, ik leef in het Vlaams, dus als ik me wil uitdrukken, graag in mijn moedertaal.” Livemuziek maken werd snel hun uithangbord. De finale had plaats in de Brusselse “Beursschouwburg”. Over hen schreef Marc Didden toen: “Hun songs staan er en zanger Walter Grootaers, die bij de schifting in Herenthout als een duivel tekeerging, heeft het.” Dat optreden werd geen makkie. Het was pas hun tweede en ze stonden stijf van de zenuwen. Het was de groep Once More die met de prijs en de eer ging lopen. Het publiek was vooral gecharmeerd door de energie die de groep uitstraalde. De Kreuners klonken behoorlijk punky met een knipoog naar The Ramones en The Buzzcocks.

En waar bleven de platen? Het publiek gelooft er in, maar De Kreuners zelf nog niet. Een aanbod van IBC, een onderafdeling van EMI, wordt van de hand gewezen. Zij willen het iets kleiner aanpakken. Walter brengt met zijn groep hun eerste single in eigen beheer uit, zoals hij het wou, in het Nederlands. Rock was de muziek van de straat en die hoorde je hier in Vlaanderen in onze taal te zingen. Veel kritiek, want de kenners vonden dit niet kunnen, Walters ambities leken hun té onrealistisch. Nummer 1 (release maart 1980 ), geschreven door Walter Grootaers en Luc Imants,  wordt in de Londense “Matrix Studio” in een productie van Jean-Marie Aerts opgenomen. Er waren op dat moment in Vlaanderen geen geschikte studio’s om die rocksound in te blikken. Trouwens, het Britse pond stond toen vrij laag. Om de huurprijs van de opnamestudio laag te houden, werd er afgesproken ‘s nachts op te nemen. Aan die opname in Londen hangt nog een verhaal vast dat Jan Van Eyken met plezier aanhaalt in zijn boek “De Dikke Van Eyken” dat in 2012 verschijnt. “In diezelfde studio’s repeteerde op dat moment de punkband The Members. Tussen de opnamen door verbroederden de twee groepen in het cafetaria en ‘s avonds maakten ze de Londense binnenstad onveilig. Maar er was ook wederzijds respect tussen De Kreuners en The Members. Toen zij in 1982 een stomende set op het dubbelfestival Torhout/Werchter speelden, werden Walter, Erik en ik uitgenodigd om samen met hen op het podium een paar nummers te spelen. Hoe dan ook: in de interviews die volgden op dat optreden verklaarden The Members meermaals dat ze De Kreuners de beste band ter wereld vonden. Een paar maanden eerder had Bruce Springsteen nog hetzelfde over The Members gezegd.

Die eerste single Nummer 1 moet toen om en nabij de zestigduizend Belgische frank hebben gekost. Ze nemen tegelijkertijd ook Nee Oh Nee op. Tijdens De Radio 2 “Zomerhit 80″ krijgen ze de prijs voor het beste groepsdebuut. Hun line-up is dan: zanger Walter Grootaers, gitaristen Erik Wauters en Luc Imants, drummer Patrick Van Herck en bassist Herman Maes. Erik heeft de plaats van Ronny ingenomen met wie het niet zo goed meer klikte. Het was vooral het gitaargeluid van Erik (deed bijwijlen denken aan U2-gitarist The Edge) dat Walter snel deed beslissen hem in de groep op te nemen. De tweede single, het Kinks-achtige Nee Oh Nee van de hand van Walter Grootaers en Erik Wauters, is eveneens een productie van Jean- Marie Aerts en verschijnt ook in eigen beheer. Een klein detail: Nick Tesco, de zanger van The Members, zingt mee als backing op Nee Oh Nee. De negenentwintigste november 1980 staan zij op de negende plaats in de Vlaamse Top Tien. De single geldt nog steeds als een echte klassieker. Een tournee met Rick Tubbax & The Taxi’s volgt. Dat klinken als bijvoorbeeld The Kinks lieten De Kreuners snel vallen. Wanneer ze tijdens een repetitie merkten dat een nummer nogal sterk leek op een buitenlands voorbeeld, belandde het snel in de vuilnisbak. De Kreuners wilden van in het begin zo identiek mogelijk klinken.

Met twee hits op zak kon het niet uitblijven of de platenfirma’s zouden dan toch reageren. Warner Bros kwam met het mooiste aanbod op de proppen. A & R- manager was toen Herman Schueremans en het is helemaal zijn verdienste dat De Kreuners bij hen onderdak vonden. “De platenwereld had op dat moment geen interesse in Nederlandstalige muziek. Wij traden regelmatig op in Zaal Lux op de Markt te Herenthout, geleid door de Maf Brothers (onder meer Gust Spruyt, Frank Horemans en Herman Rosiers) en daar liepen we Herman Schuermans tegen het lijf die daar vaak binnensprong. De Maf Brothers investeerden mee in onze eerste plaat die we gingen opnemen in de Matrix Studio in Londen. We brachten die plaat in eigen beheer uit, verdeeld door Warner Brothers en waar op dat moment Hermans Schuermans werkte en die geloofde van meet af in ons.” Herman wist de toenmalige platenbaas met harde klappen op de onderhandelingstafel bij Warner, Ted Sikkink, van hun kunnen te overtuigen, wat resulteerde in de elpee “’s Nachts kouder dan buiten”. Voor de opnamen van “‘s Nachts kouder dan buiten” is geen geld om opnieuw naar Londen te trekken en dus wordt gekozen voor de “ICP-studio” in Brussel, met ook deze keer Jean-Marie Aerts achter de knoppen. Twaalf opnamedagen waren nodig om de klus te klaren. In het totaal worden er twaalf songs ingeblikt. “Ik had aan Jean Marie Aerts, de producer, de opdracht gegeven mijn stem tijdens de mix niet vooraan te plaatsen, maar te laten opgaan in de groep, te laten klinken als één geheel. Ik nam bewust platen mee naar de studio om te laten horen dat ik niet wou dat het klonk zoals op de platen van Boudewijn de Groot, maar wel zoals die van Ray Davies en The Kinks. Zou wou ik ook dat onze eerste plaat klonk, mijn stem moest een beetje naar de achtergrond, opgaan in het geheel van de groep. Achteraf beschouwd zijn we daar misschien iets te extreem in geweest in die keuze.” Die eerste plaat werd beoordeeld als een nogal koude bedoening: harde gitaarmuziek, metaalklanken en een ruwe aanpak. Meteen reageert Walter met: “Dat was ook de bedoeling. We waren geïnspireerd door de new wave en de post punk. We behoorden tot de cool generation, maar met voldoende aandacht voor power, want we wilden in eerste instantie als een rockgroep klinken.  Wanneer iets later de synthesizer zijn intrede zal doen, besloten we meteen dat instrument als een taboe te beschouwen. Later duikt het sporadisch hier en daar op, maar met mondjesmaat, alleen maar om hier en daar in een nummer een muzikaal tapijtje te gebruiken. De synthpop die tijdens de jaren 80 hoogtij zal vieren,  heeft onze groep dan ook nooit aangesproken.

Qua succes loopt het zo’n vaart dat De Kreuners op de affiche van het dubbelfestival Torhout-Werchter prijken samen met Dire Straits, Robert Palmer en The Cure. In Torhout mag TC Matic het feest op gang trekken, in Werchter De Kreuners. Gevolg: hun album gaat méér dan dertigduizend keer over de toonbank. Goud! Een Vlaamse supergroep was geboren. Het levert hun ook tijdens “Zomerhit 81″ de prijs voor de beste Belgische elpee van het jaar op. Hun eerste album zou hun platenfirma geen windeieren leggen, het werd een onverhoopt succes. De Kreuners konden eindelijk hun prijs opdrijven zonder daarmee hun livereputatie te schaden. Uit het album ” ‘s Nachts kouder dan buiten” verschijnt in 1981 de single Zij heeft stijl. “Dat nummer schreef ik naar aanleiding vaan een modeshow die ik op televisie had gezien. Ik had geen bepaalde vrouw voor ogen, maar wou het toch ophangen aan enkele meisjes die ik toen persoonlijk kende. Het bizarre aan die song is dat ik er nooit tevreden over ben beweest. Ik weet nog goed dat ik eerst de intro had die ik snel op een cassetje opnam. Zittend aan tafel schreef ik de tekst en klaar was Kees. Het was in nog geen tien minuten klaar, een vluggertje dus. Nadien heb ik het samen met Luc afgewerkt.” Niet meteen vertaald in een hoge hitnotering, want er zit maar een dertigste plaats in de Top Dertig in. In de Vlaamse Top Tien bereiken ze de dertigste mei wel de tweede plaat. Intussen werd Jan Van Eyken de nieuwe basgitarist bij De Kreuners. Jan speelde tot dan toe bij de Zaventemse groep The Strings. Aanvullend wil Jan er dit aan toevoegen: “Ik speelde in een fantastische punkband The Strings. We waren echte rebellen die luide rockmuziek combineerden met catchy pophooks en strakke drumlijnen. Die gouden combinatie had ons niet alleen de hitsingle Chicago, maar ook een stevige fanbasis opgeleverd. De Kreuners hadden dat gemerkt en vroegen ons of we zin hadden om als vast voorprogramma te fungeren. The Strings en ik waren natuurlijk superblij met dat aanbod. Zeker toen we hoorden dat we voor, tijdens en na de shows gratis mochten drinken. Op het einde van die tournee besloot ik bij De Kreuners te gaan spelen en liep het verhaal met The Strings op de klippen.” Kan Walter dit nog wat toelichten? “Jan speelde gitaar en op een bepaald moment waren we op zoek naar een nieuwe bassist. Tijdens de auditie duikt Jan op, tot onze verbazing met een basgitaar onder de arm. Pas maanden later vertelde hij ons dat hij in nog geen twee weken tijd ons hele repertoire had beluisterd en zich de baspartijen eigen had gemaakt. Wanneer een jaar later Luc Imants de groep verlaat, wordt Jan als gitarist naar voren geschoven. We hadden meteen door dat Jan de meest muzikale van de bende was. Jan is dan ook de enige niet-autodidact, die had de knepen van het vak op een serieuze manier geleerd. Ik had van mijn achtste tot mijn dertiende noten en zo geleerd, maar veel had ik daar achteraf niet aan. Toch moet ik eerlijk bekennen dat de meeste riffs van slaggitarist Erik Wauters komen. Daardoor heeft Erik ook voor een groot deel het geluid van onze beginperiode bepaald.”

In 1982 wordt als volgende single voor een cover gekozen. Walter vertaalt Dancing with myself van Gen X, oftewel Billy Idol en Generation X, geschreven door Billy Idol en Tony James. Billy bracht het in 1980 uit op het Chrysalis-label. De eerste mei zit er voor De Kreuners  en Ik dans wel met mezelf een derde plaats in de Vlaamse Top Tien in. Tijdens de zomermaanden juni, juli en augustus van dat jaar trekken De Kreuners samen met Jean-Marie Aerts naar de “ICP Recording Studio’s” om daar het album “Er sterft een beer in de Taïga” in te blikken. Deze keer goed voor tien songs. Enkele maanden later ligt de single Cous-Cous Kreten in de winkel, geschreven door Walter en Luc Imants. Het verhaal gaat terug naar de tijd dat Walter nog discothecaris was bij Radio 2 Omroep Antwerpen. Hij kende daar een meisje van Marokkaanse afkomst dat meer binding had met de Vlaamse leefwereld dan met haar eigen cultuur. Zij had een heel strenge vader die erg vasthield aan de eeuwenoude Berbertraditie. Zij wordt tegen de zin van haar familie verliefd op een Vlaamse jongen en moet samen met hem een aantal jaren ondergedoken gaan samenwonen. Ook die Vlaamse jongen vond bij hem thuis geen steun omdat ze ook daar tegen die relatie gekant waren. De Marokkaanse moeder en haar dochters hielden in het geniep contact met haar, maar haar broers en vader werden in het ongewisse gelaten. De bruid heeft tot aan de dood van haar vader moeten wachten om eindelijk officieel te kunnen trouwen. Kortom het verhaal over immigranten en hoe moeilijk het is voor hen om zich hier aan te passen. In dit liedje hoor je de vocale inbreng van het Algerijnse meisje Sabah. De zesde november van dat jaar stijgen De Kreuners daarmee naar de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. De 23ste november 2002 lezen we in De Standaard over dat nummer: “Plots waren we voor iedereen links en doken er Vlaams Blokkers op bij onze concerten die het nodig vonden om op fluitjes te gaan blazen als we Couscous kreten speelden. Ze vergaten één ding: op zo’n P.A.-installatie staat een volumeknop waar je gewoon een draai aan kunt geven. Na een paar optredens, toen ze merkten dat ze er toch niet bovenuit kwamen, hebben ze het opgegeven. Mensen kwamen ons vertellen dat ze ontgoocheld waren omdat we tegen het Vlaams Blok waren. En ze hadden nochtans twee lp’s van ons. Ik heb die mensen altijd aangeboden om ze weer terug te kopen, maar dat hoefde dan weer niet. De mensen zijn niet zo fanatiek. Als je vijf minuten de tijd neemt om met hen te praten, dan merk je dat ze bereid zijn om te luisteren. Want daar gaat het nu juist om: niemand heeft ooit naar hen willen luisteren. De mondigen in onze samenleving, alle intellectuelen en pseudo-intellectuelen dus, hebben in de jaren tachtig en begin jaren negentig het laken volledig naar zich toe getrokken en de rest is in de kou blijven staan. En de grootste vergissing van allemaal is nog dat we de kiezers van het Vlaams Blok gestigmatiseerd hebben.”

Het jaar daarop staan De Kreuners de 16de april op vier in diezelfde lijst, maar dan met de opvolger Layla, een liedje opgedragen aan Walters dochter uit zijn toenmalige huwelijk met Tina Coucke. ” Er sterft een beer in de Taïga” wordt door de pers als een volwassen plaat omschreven, eentje die hun muzikale status van dat moment nog verstevigt. Op het album laat Walter ook iets van zijn verdriet horen na het op de klippen lopen van zijn zevenjarig huwelijk. Beest uit dat album  is in dat opzicht geen mis te verstaan nummer. “Je bent een beest. Je maakt me bang. Je boorde me de grond in omdat je van me hield. Noem het de zachte moord. Ik zat allang geknield. Je moest en zou me krijgen, want je bent een beest.” Niet dat de Top Dertig tilt slaat, want daar is voor die Vlaamse rock blijkbaar nog geen plaats. Pas tien jaar later zal het tij keren. Toch wordt ook hun tweede album goud. Vele muziekkenners zijn het er roerend over eens dat deze plaat nog altijd hun beste werk bevat. Er is op dat moment volop sprake van een Kreunersmania. Opvallend is dat ondanks hun uitsluitend Nederlandstalig repertoire De Kreuners ook welkom zijn in Wallonië en Frankrijk. Zij spelen in Parijs en op het festival “Le Printemps de Bourges” in Zuid-Frankrijk. “Les Kreunères sont arrivés” was voor de groep in die dagen dan ook een gesmaakte kreet. Die slogan klonk ook in volle zalen in Louvain-la-Neuve, in Charleroi tot in Parijs. In het Waalse onderwijs werden hun teksten gebruikt tijdens de les Nederlands. Achteraf geeft Walter wel eerlijk toe dat hun Franse avontuur niet heeft opgeleverd wat zij ervan verwacht hadden. “Maar we hebben ons daar wel kostelijk geamuseerd!” Ook stonden er optredens in Zweden en Zwitserland op het programma. Aan een Engelstalig album zoals Clouseau er twee inblikten, hebben ze zich nooit gewaagd, al was er enige belangstelling van Virgin Canada. Grootaers reisde zelfs naar Toronto om daar met de toenmalige producer van Bryan Adams de zangpartijen op te nemen, maar hun platenfirma in België ging uiteindelijk niet akkoord en dus werd dat avontuur afgeblazen. In Keulen brachten De Kreuners enkele dagen door in de studio samen met producer Cony Plank, bekend als producer van onder meer Ultravox en enkele Duitse bands.

Nederland omarmde De Kreuners niet zoals ze eerst verwacht hadden. Het was single na single vechten tegen de bierkaai en het succes van Doe Maar. Geen Hollander die behoefte had aan een Vlaamse groep die in hun eigen taal zong. Wel hadden zij een grote aanhang in Amsterdam. Ooit speelden ze daar vijf dagen na elkaar in diverse clubs in de binnenstad. Het ging daar gezellig aan toe, iets te gezellig soms. Walter herinnert zich nog een optreden waar iedereen stond te blowen in een dichte mist van cannabis. Dat optreden bleef maar aanmodderen omdat Walter zich haast geen enkele songtekst meer herinnerde. Gelukkig bleek de organisator achteraf dolenthousiast en werd er een nieuw contract ondertekend voor een volgend optreden. Zingen en spelen in bakvolle biertenten zat er ook in. Daar wou men, naast hun hits, rockende covers horen, en dat zagen Walter en zijn trawanten niet zo zitten. Later zou ook blijken dat hun platenfirma in Nederland geen poot had uitgestoken om hun mogelijke succes te verzilveren. Daarover vertelt Walter in het boek “Wit-Lof from Belgium” aan Gust De Coster en Geert De Bruycker: “De Nederlandstalige afdeling van onze platenfirma Warner heeft ons gewoon in de ijskast gestopt. Die Hollanders hadden zelf net geïnvesteerd in enkele artiesten en wilden daar eerst de nodige return van zien. Het zou nochtans gelukt zijn, want onze optredens in Nederland hadden succes. De mensen kwamen ons na het concert vragen waar ze nou eigenlijk onze elpees konden kopen.”

Hier bij ons daarentegen palmden De Kreuners intussen ook de pop-polls van 1983 in zonder moeite. Snel goud werd het in september 1983 uitgebrachte album “Natuurlijk zijn er geen Alpen in de Pyreneeën”, wat je enigszins mag vertalen als “Geen spijkers op laag water zoeken”.  Jean Marie Aerts was intussen bij TC Matic het mooie weer gaan uitmaken, dus werd naar een nieuwe producer uitgekeken en dat werd Sylvain Vanholme, in een vorig leven lid van The Wallace Collection en nadien van Two Man Sound. Sommigen beweren dat door de inbreng van Sylvain een aantal nummers qua muzikale bezetting een beetje overdone is, al beweert Walter dat het voor een groot deel ook lag aan het te snel beginnen aan een nieuwe elpee. “We hadden langer moeten repeteren en de muzikale ideeën beter moeten uitwerken“, geeft hij toe. Het eindresultaat zijn tien songs. In de bezetting merken we, naast de vaste crew, toetsenist Werner Pensaert op. Slechts één song wordt op single uitgebracht, het door Walter en Erik geschreven Kom terug, ik mis je. De achtentwintigste januari staan ze ermee op acht in de Vlaamse Top Tien. De fans genieten van het album als van een portie zoete koek. “Kreun-o-bic-tour” is de titel van een serie optredens georganiseerd door het Cultureel Jongeren Paspoort. Maar liefst 35.000 fans laten horen dat ze van De Kreuners  nooit genoeg kunnen krijgen. Die fans hebben inmiddels de nummers Het regent meer dan vroeger en Kom terug ik mis je tot heuse Kreunersklassiekers gekroond. Zij zorgen dat het album binnen de kortste keren de gouden status bereikt. “Rond die periode trok ik naar Canada waar ik een gesprek had met de bekende producer Stan Meissner. We hadden een rist songs in het Engels vertaald en die man zag het wel zitten om met ons samen te werken. Nu zaten we hier vast bij platenfirma Warner en ginder was er interesse van de concurrerende firma Virgin. Warner Belgium ging meteen dwarsliggen.” Met hangende pootjes keert Walter naar Vlaanderen terug, al ging dat verdriet snel over en hadden De Kreuners achteraf gezien geen spijt dat die deal nooit is doorgegaan.  Er zit ook goud in petto voor het daaropvolgende album, het haast voor de hand liggende “Weekends in België”, uitgebracht in 1984. De Kreuners vertellen in de slipstream van dit succes dat de plaat, ondanks die geweldige meevaller- de plaat wordt uiteindelijk met platina bekroond- niet wordt bijgeperst, want ze lassen een sabbatjaar in. Zij hebben acht jaar onafgebroken opgetreden en snakken naar rust.

De pers is niet altijd unaniem laaiend enthousiast over De Kreuners, zeker niet de conservatieve. Zo waarschuwt journalist Louis De Lentdecker in “De Standaard” in het midden van de jaren 80: “Moeders houdt uw dochters binnen, want De Kreuners spelen binnenkort in uw dorp“, en dat als reactie op de Kreunershype die op dat moment uit zijn voegen barstte. Maar de jongens trokken zich daar heerlijk niets van aan en speelden de pannen van het dak. Walter daarover: “Wij vonden De Lentdecker, God hebbe zijn ziel, want de brave man is dood, een kwal. Hoe vileiner hij over ons schreef, hoe leuker wij het vonden, want dat was een teken dat we goed bezig waren. Eric Van Rompuy bestempelde ons als volksvreemde cultuur. We lagen in een deuk toen we dat lazen. Later is hij nog minister van Cultuur geworden, Eric Van Rompuy, een barbaar nota bene. We tilden niet zwaar aan dat soort domme uitspraken, maar het geeft aan hoe ze ons probeerden te marginaliseren. ”

We schuiven twee jaar op in de tijd en komen terecht bij de release in 1986 van het album “Dans der Onschuld”. De Kreuners zijn intussen van platenfirma veranderd en brengen op het Polygram/Mercury-label hun plaat uit voor het merendeel geproduceerd door Jean Blaute en een aantal nummers door Jean-Marie Aerts. In de studio wordt Walter omringd door bassist Marc Van Puyenbroeck, drummer Marc Bonne, gitaristen Jan Van Eyken en Erik Wauters en zangeres Fay Lovsky. Drie nummers uit dit album belanden op single: Jongens hebben geluk, het stevig rockende Voor Wat het Waard Is en Deserteren. Alleen deze laatste belandt in de Vlaamse Top Tien: de tiende mei 1986 op plaats negen. “Dans der onschuld’” is hun meest intimistische album dat ze ooit inblikten. Wij onthouden dan ook de sfeervolle ballads Dans der onschuld en Chihuahua. Polygram was ondertussen hun platenfirma geworden en die bleken niet goed hun huiswerk te hebben gemaakt. De verhoopte verkoopcijfers werden niet gehaald. Het leek alsof De Kreuners ineens passé waren. Hun werd zo haast aangepraat er stilaan mee op te houden. Ook binnen de groep rommelt het almaar vaker en regelmatig wordt aan de bezetting gesleuteld wat het samenspel zeker niet in de hand werkt. De jaren 80 waren voor de Belgische rock ook geen gemakkelijke periode. De muzikale smaak werd koeler. Het publiek ging minder bewegen. De Kreuners moesten het hebben van een zeer levendig publiek. Nu lieten groepen als The Smiths en The Sisters of Mercy meer van zich horen. Muziek maken werd plots een bloedernstige bedoening. Die sfeer kenden De Kreuners niet. “En we hebben het geweten” vertelt Walter ons. ” Plots gingen alle deuren voor ons dicht en zag je steeds dezelfde groepen tijdens diverse festivals op het podium optreden. Onze hoogtijdagen waren zo goed als voorbij.”

Een soort tweede hitadem en vooral veel energie vindt de groep als ze drummer Ben Crabbé in huis halen. Ben werd 12de november 1962 te Tienen geboren en begon als drummer bij de Leuvense groep The Singles, maar die hielden het niet zo lang vol. Nadien ging hij bij diverse groepjes drummen, onder meer Big Pill. Tijdens de preselecties van het “Eurovisiesongfestival” in 1983 speelde hij op het podium bij Pas de Deux. In mei 1987 komt hij bij De Kreuners terecht, maar kwantitatief zaten ze toen op een dieptepunt, ze waren nog erg weinig met muziek bezig. Naast bij Romeo Spinelli drumde Ben in zijn vrije tijd – omdat De Kreuners zo weinig optraden – ook bij Elisa Waut. Zijn  eigen groep Rusty Thomas Band slokte veel tijd op, nadien omgedoopt tot Ben Crabbé and the Floorshow. “Toen Ben bij ons naar de auditie kwam”, aldus Walter Grootaers, “vertelde hij ons dat hij een enorme fan van De Kreuners was en zeker al zo’n tachtig optredens van hen had bijgewoond. Hij kende alle versies uit het hoofd. Dat varieerde van de singleversie over de langspeelversie tot en met de liveversie. Iemand met een ongelooflijk muzikaal geheugen dus. Een nummer groeit nu eenmaal je op tournee gaat en Ben kon dus meteen op die ritmische kar springen.” Ben kan dit alleen maar beamen: “Ik was eerst gevraagd om eenmalig mee te spelen als vervanger en inderdaad vroeg ik toen zij gezellig samen wilden oefenen of het de lp- of de singleversie moest zijn. Ik vond dat normaal, ah ja ik was voorbereid, maar zij lagen in een deuk. Zij wisten daar blijkbaar niks van Ik was dus altijd fan geweest van hun muziek én de plezierige attitude van de band en ineens klikte dat wonderwel. Na een paar vervangingen ben ik in ‘86 vast ingelijfd en we waren vertrokken.” Over zijn kunde als drummer wil Ben dit nog kwijt: “Ik hoor bij de top in tweede klasse. Ik kan behoorlijk drummen, maar zeker niet fantastisch. Maar dat heeft ook geen belang. Het gaat erom wie de beste drummer is voor welke groep. Ik zou bijvoorbeeld geen goede drummer zijn voor Toto. Dat technische niveau is te hoog voor mij. Anderzijds, een drummer van een hoog technisch niveau moet natuurlijk wel nog goede nummers mogen spelen.” Bens geheugen was binnen de korste keren een soort gespreksonderwerp binnen De Kreuners. Jan Van Eyken daarover: “Mijn cognitieve functies vallen in het niet wanneer ik ze vergelijk met die van mijn goede vriend Ben. Zijn hoofd is namelijk een bodemloze feitenput. Elk woord of weetje dat hij tijdens zijn drukke leven tegenkomt, slaat hij meteen op in een van de vele archiefkasten van zijn brein. Het straffe is dat hij diezelfde weetjes ook weer moeiteloos tevoorschijn tovert.” Naast zijn gedrum bij diverse bands was Ben in 1983 kind aan huis geworden en vooral gebleven bij de VRT. Dat jaar ging hij bij Studio Brussel van start met het programma “Bingo”. Vanaf 1987 werd de televisie zijn vaste werkstek en werd hij wereldberoemd in Vlaanderen toen hij vanaf de 5de september 1994 “Blokken”ging presenteren.

1990 wordt een zeer druk jaar voor De Kreuners, want ze traden zomaar liefst honderdzestig keer op. Naast Ben werd intussen ook bassist Berre Bergen met open armen ontvangen. Berre oftewel Robert werd de 24ste november 1962 te Diest geboren. Hij had bij De Kreuners al enkele keren bassist Marc Van Puyenbroeck vervangen die bij Soulsister ging spelen. Berre leerde het vak van uitmuntend bassist bij The Scabs en was binnen De Kreuners de jongste muzikant, ook de knapste en dus een aantrekkelijke waarde binnen de groep. Hij werd de lieveling van de jonge meisjes en zo boorden De Kreuners een ook jonger publiek aan. “Met Berre en Ben erbij klonk onze ritmesectie plots veel strakker. Berre kwam uit het rockmilieu en hij vulde samen met Ben bijzonder goed de tweede en derde aan. Vocaal zaten we plots op rozen. Het was voor mij plots heel aangenaam samen met hen naar de juiste stemverdeling te gaan zoeken.” “Voor mij was Berre niet alleen een heel getalenteerde muzikant. Hij was ook een echte vriend”, zegt Jan Van Eyken. “Ik heb Berre eigenlijk losgeweekt bij The Scabs, zo ergens tussen 1988 en 1990. Hij had toen al bij The Scabs een en ander op zijn actief met nummers als Matchbox Car.” “Dat klopt“, vult Walter Grootaers aan. “Wij waren op zoek naar een bassist voor De Kreuners en Berre is auditie komen doen. Dat klikte binnen de tien minuten. Zijn komst gaf onze groep een serieuze boost. Hij was een meester in het uitwerken van een idee door daar dingen van hemzelf aan toe te voegen. Berre had een belangrijke inbreng bij het schrijven van nummers, vooral wat tweestemmige samenzang betreft. Berre was een kei in het bedenken van degelijke zangpartijen. Communiceren was nu niet zijn sterkste punt, hij was een stille jongen, maar met een groot hart.” Die vocale match is ook Ben Crabbé bijgebleven: “Tja, wij zochten en vonden soms de haast perfecte stemmencombinatie omdat de stemmen van mij en Berre wonderwel samengingen. Hij klonk wat scherper, ik wat dieper, maar we blendden. Soms zijn we daar goed in geslaagd en dan denk ik meteen aan een song als Zo Jong en de uitgebreide mix van onze stemmen in Ik wil je. Den Berre en ik op ons best.” In het boek “De Dikke Van Eyken” lezen we dat tegen die tijd Mauro Pawlowski een grote fan van De Kreuners was geworden. Mauro zou iets later bekend worden als muzikant bij K’s Choice, Channel Zero en dEUS. Hij reed op zekere dag met zijn fiets naar de sporthal van Heusden-Zolder om daar een soundcheck van De Kreuners vanop afstand mee te maken. Via een openstaand dakvenster kon hij kijken naar de opgestelde instrumenten. Toen hij zag dat een bloedmooi meisje achteraf met Jan in de backstage verdween, stond Mauro’s besluit vast. Hij zou koste wat het kost gitarist worden én mooie meiden versieren.

In 1989 nemen De Kreuners een nieuwe versie op van Cous-cous kreten, deze keer samen met bekende  Vlamingen en politici met als doel de vereniging Koloriek te helpen en hun standpunt tegen het almaar stijgende racisme nog maar eens te onderstrepen. Gelukkig duikt er op het einde van de jaren 80 VTM op en het programma “Tien om te Zien” waarin er, naast schlagers, ook plaats was voor Nederlandstalige rock. Nederlandse rockgroepen als Tröckener Kecks en The Scene kwamen daarin zelfs aan bod. Er wordt een nieuwe elpee ingeblikt “Hier en Nu”, opgenomen in de studio’s “Impuls” en “Jet”. “Vraag me niet hoe het kwam, maar de vlam sloeg in de pan. We kregen er weer zin in en dat loonde en vertaalde zich in een méér dan geslaagde plaat” reageert Walter spontaan tijdens onze babbel. Producer van dienst is Jean Blaute. De bezetting klinkt ook anders dan op de vorige plaat: bas en zang Berre Bergen, drums Ben Crabbé met hier en daar steun van drummer Walter Mets, gitaristen Erik Wauters en Jan Van Eyken, toetsenist Jean Blaute, saxofonist Henri Eylen en zang Walter Grootaers. Platenfirma van dienst is deze keer EMI en die gaan er stevig tegenaan. De plaat zelf puilt uit van de hitgevoelige songs. De release valt samen met het duizendste Kreuners-concert. Uiteindelijk worden er méér dan honderdduizend exemplaren (vier keer platina) van verkocht. Intussen hadden ze ook geleerd de Top Dertig in te palmen. Een echte radiohit wordt Verliefd op Chris Lomme door Erik en Walter geschreven. “Bijna was het “Ik ben verliefd op Marieke” geworden, daarmee verwijzend naar de rol die Chris speelde in het legendarische VRT-programma Schipper naast Mathilde (liep van 1955 tot 1963)“, weet Walter nog met grote zekerheid. “Tijdens een verloren moment werd daar met De Kreuners onderling over gepraat die tijdens enkele heruitzendingen met die soap hadden kennisgemaakt. Ik weet nog goed dat ik toen met zijn ouders in Duitsland woonde en af en toe naar mijn grootouders in Lier kwam, waar we dan bij de buurman naar die heruitzendingen gingen kijken, want die man had een televisietoestel. Ik kickte toen al op Marieke, want ik vond dat een schoon meisje en met dat beeld in ons achterhoofd heb ik die song geschreven. Jaren later hebben we Chris Lomme en ik samen op de tonen van dat liedje op het podium gedanst en heeft ze mij als dank eens stevig geknuffeld.” De 5de augustus 1989 staat de single op vier genoteerd in de Vlaamse Top Tien. Ook nu blijft de Top Dertig buiten hitbereik. Een dijk van een hit halen ze echter op het droge wanneer ze beslissen Ik wil je in de singlemarkt te zetten. De 17de maart 1990 staan ze trots op één in de Vlaamse Top Tien. De 12de mei zit er eveneens een nummer één in de Top Dertig in. Er wordt in voorbestelling meteen goud gescoord met de verzamelaar “Het Beste van De Kreuners”. “Aan “Ik wil je” hebben we lang liggen sleutelen” volgens Walter. “Het nummer bestaat uit diverse lagen, ook qua opbouw van stemmen, en om die juist te krijgen was geen sinecure. Aan de basis van het nummer ligt Jan Van Eyken, maar ik kreeg dat refrein maar niet in de juiste vorm gegoten. Dat heeft me weken en bloed en tranen gekost om dat tot mijn tevredenheid af te ronden. Ik baseerde mijn tekst eerst op de melodie die naderhand als tweede stem werd gebruikt. Maar we hadden door dat die de song niet kon dragen. Dan hebben we voortgeborduurd op de stuwende melodie die Jan op zijn gitaar speelt en zijn we op de sloganeske toer gegaan, zodat het refrein een scanderende touch meekreeg. Pas nadien zijn we de strofen gaan afwerken.

De Kreuners blijken met hun Nederlandstalige rock voor organisatoren een alternatief voor de doorsnee Vlaamse artiesten. Door een wat misplaatste uitspraak van Walter omtrent “Tien om te zien”, groeit deze uitschuiver uit tot een heuse rel en een soort VTM-boycot met een behoorlijk lange nasleep. VTM kon niet achterblijven en moest sowieso Ik wil je in hun etalage plaatsen, lees “Tien om te Zien”. De wrevel met VTM-producer Jos Van Oosterwijck wordt bijgelegd. Wat in hun stoutste dromen tot dan toe nooit was opgedoken Ik wil je gaat vijftigduizend keer over de toonbank. De single wordt door Radio 2 gekroond tot “Zomerhit 1990″. Ik wil je zal de jaren nadien door Swoop, Guus Meeuwis, Sasha & Davy en nog vele anderen gecoverd worden. Nog eens vier maanden later geraakt Zo jong de 7de juli 1990 tot op twee in de Vlaamse top Tien en de 11de augustus tot op 12 van de Top Dertig. “Ook dit was een vluggertje. We zaten in de studio de laatste hand te leggen aan ons nieuwe album en de platenfirma drong aan op een nummer dat het zeker zou doen, iets wat het publiek meteen zou aanspreken. Berre had nog een idee in zijn achterhoofd, grijpt naar zijn akoestische gitaar en zingt iets in de stijl van so long om op die manier toch enkele klanken te hebben om het al wat zingbaar te maken. Jan komt er gelijk bij zitten en ik, die op die so long wil inpikken, trek me even terug in een aparte ruimte en schrijf daar in een mum van tijd de tekst bij mekaar.” De twintigste oktober van dat jaar noteren we de single Maak me wakker op 3 in de Vlaamse Top Tien en de 17de november op 18 in de Top Dertig. Die maand prijken De Kreuners ook op de affiche van het “Diamond Awards Festival” in het Sportpaleis van Antwerpen, naast grote namen als Duran Duran, Kylie Minogue, Kim Wilde, Roch Voisine en Milli Vanilli. Volgens Ben Crabbé is Ik wil je voor De Kreuners wat Kom van dat dak af is voor Peter Koelewijn. Ik wil je werd in Nederland door tal van groepen gecoverd.

Er wordt in 1991 opnieuw goud gescoord en dat al in voorbestelling met de verzamelaar “Het Beste van De Kreuners”. Marc Brabant, rockjournalist en ooit producer bij Radio 1, schrijft dat jaar “Het boek”. Hierin schetst hij gedetailleerd de dan dertienjarige geschiedenis van Vlaanderens eerste echte supergroep. De successen, de teleurstellingen, de drank en de vrouwen, de ups en de downs. “De Kreuners lieten altijd uw oren tuiten”, zo lezen we op de achterflap.

In 1992 is er het album “Knagend vuur”. Ook deze keer wordt er opgenomen in de “ICP Studio’s”. Vocale steun wordt er geleverd door Mich Van Hautem, Patrick Riguelle en Danny Caen. Tien liedjes in het totaal geproduceerd door Jean Blaute. Manager Alain Grootaers houdt een oogje in het zeil. Liever alleen krijgt een tweede leven op single, maar in sterk contrast met de vorige, blijft de Top Tien uit het zicht. Dit nummer en Vanavond en vannacht zijn nochtans songs die de echte fans blijven koesteren, wat niet wegneemt dat het album door de bank een donkere indruk nalaat. De harde kern koestert, naast de vermelde singles, van in het begin songs als Help me door de nacht en De hemel nooit beloofd. In de Vlaamse Top Tien vinden we de single In de zin van mijn leven de eerste februari op vier terug.

Tot eind 1993 wordt er getourd en dan beslissen De Kreuners nog maar eens een jaartje te rusten. Voor Walter het moment om met de steun van The Gonnabee’z (onder meer drummer Jan Cuyvers, bassist Marc Rosso en toetsenist Pieter Van Bogaert), een solo-cd op te nemen met daarop een song als De Hoola Hoola Boys, oorspronkelijk van  Warren Zevon, Als ik ‘s nachts door Veerle rijd van Noordkaap, Van een andere soort van Steve Earle en Ik weet ik heb je pijn gedaan van Jan De Bruyn. De productie is in handen van Jan Cuyvers en Marc Rosso. De opnamen hebben plaats tijdens de maanden april en mei in “Studio Impuls” te Herent. Grootaers stelt het album aan de verzamelde pers voor op het racecircuit van Terlaemen.

In 1995  pakken De Kreuners op het EMI-label uit met de oerdegelijke rockplaat “De Kreuners”, hun stevigste ooit. Qua noteringen niet meteen een regelrechte hoogvlieger, want in de Ultratop Album 200 zit er niet meer in dan een 31ste plaats. De productie is ook deze keer in handen van Jean Blaute die met de band nog maar eens naar de “ICP Studio’s” in Brussel trekt. De Kreuners tekenen gezamenlijk voor zowat alle songs met uitzondering van Wat komen moet dat komt, oorspronkelijk van The Headboys. Drie singles zullen volgen, maar zonder hitresultaat: Er komt een tijd, Vergeet het maar en Wat komen moet dat komt. In de pers lezen we dat de plaat erg koppig klinkt, De Kreuners blijven eigenwijs hun ding doen, desnoods tegen de gangbare stromingen in.  ”Blijkbaar lees ik te weinig als het over ons gaat, want dat is me toen volledig ontgaan” aldus een wat verraste Walter. “Het is wel zo dat we bikkelhard koppig waren en dat we altijd ons ding zijn blijven doen. Geen enkele trend had vat op ons. De pers wou ons, zeker aan het begin van de jaren negentig, in een vakje stoppen. Toen spraken we binnen de band nog maar eens af daar niet aan mee te doen, ons daartegen te verzetten. We zijn net het tegenovergestelde gaan doen en ons blijven afzetten tegen die hokjesmentaliteit. Natuurlijk waren we van dan af wereldvreemd voor de samenstellers van Studio Brussel en de journalisten van “De Morgen”. Op onze manier ontgroeiden wij die mentaliteit. Wij zeiden onderling: “Als Humo en het zogenaamd betere journaille ons neerhaalt, so fucking what! We hadden toen de onmetelijke arrogantie te pretenderen dat we hen niet nodig hadden: de pers heeft ons nodig, wij hen niet. En het rare is, daar sta ik zoveel jaren later, nog steed achter, want als je de pers nodig hebt, dan ga je sowieso toegevingen doen, dan ga je bij hen proberen in hun smaak te vallen. Wij gaven aan niets toe en bleven inderdaad koppig ons eigen ding doen.” Die korte titel van het album “De Kreuners” was een statement. “We wilden niet terugdenken aan wat voorbij was.  We hadden die heerlijke hoogtijdagen(jaren), de beginnende jaren negentig, net achter de rug. Elk jaar zo’n honderdvijftig concerten gespeeld. Daar wilde vooral ik een streep onder trekken en niet meer in functie van uitsluitend die optredens en dat succes gaan werken. We kwamen overeen af te stappen van het constante touren. We gingen alleen nog spelen als we daar goesting in hadden. We wilden ervoor zorgen dat er geen sleet op kwam, dat ons verhaal niet te snel verteld was. We wisten dat we van dan af van De Kreuners niet meer konden leven, want we deelden alles door vijf.  We besloten daarom daarnaast ook ons eigen ding te gaan doen. Het gekke is dat de jaren die zouden volgen, met onder meer onze concerten in het Sportpaleis, de boel pas echt zou losbarsten.”

Live gaan De Kreuners er dus zoals afgesproken een tijdje beheerst, maar nog altijd stevig tegenaan, met telkens tijdens de zomermaanden van 1995 en 1996 zo’n veertigtal concerten. Het jaar 1997 houden De Kreuners vrij om hun feestjaar voor te bereiden, want het jaar daarop staan ze twintig jaar op de planken, tijd voor de dubbelaar”De Kreuners Pure Pop”, een concentraat van achtentwintig songs. Vrijdag de 24ste april 1998 treden De Kreuners ‘s avonds op in “Flanders Expo Gent” tijdens “Nekka Nacht”. Zij delen daar het podium en de affiche met onder meer Freek de Jonge, Mama’s Jasje, Günther Neefs, Dirk Blanchart, Jo Lemaire en Rob de Nijs. De zomer van 1998 wordt onafgebroken gespeeld op zowat alle festivals, een feest voor de liefhebbers van stevige meezingbare rock. Het publiek blijkt er maar niet genoeg van te krijgen. Qua successen bleef het stil op het hitfront: “We zagen er de noodzaak niet meer van in om hitgevoelige songs uit te brengen”, repliceert Walter gevat. “Ik heb nog steeds de pretentie dat wanneer we ons met de band gedurende 2 weken zouden afsluiten, we na die periode met een full-cd zouden terugkomen plus één of  twee hits.  Eigenlijk zijn we, als ik eerlijk mag zijn, nooit met het scoren van hits bezig geweest. Stonden ze hoog genoteerd, des te beter, maar het was geen must. Wij focusten ons nooit op singleverkoop, we moesten het hebben van het succes van onze albums. Na onze tweede single en bij de lancering van onze eerste elpee, voelden we al waar in de toekomst het accent zou liggen. ”

In een interview voor “De Standaard” laat Walter in 2002 aan journalist Koen Sonck bijna het achterste van zijn tong zien: “Ik heb periodes gekend waarin ik de controle over mijn leven, vooral mijn privéleven dan, dreigde te verliezen. Gek genoeg waren het altijd periodes waarin het met De Kreuners heel goed ging. Ik heb het daar met Erik Wauters vaak over gehad. Als De Kreuners goed draaiden, lag ons hele privéleven ondersteboven en als het minder goed ging met de groep, dan ging het privé weer veel beter. Je zou kunnen zeggen dat het de tol van het succes was, te veel optredens, mensen verwaarloosd, enzovoort. Maar zo simpel was het niet. Ze zeggen weleens: als je opkomt, dan vergeet je alles. Dat klopt niet. Ik kon hoogstens tijdens een paar nummers mijn persoonlijke problemen vergeten, daarna sloop het toch weer in mijn hoofd. En dan denk je weleens aan stoppen, vooral in het begin, want je kunt er niet van leven en je bent een stuk van je privéleven kwijt. Jong zijn, muziek maken en gelukkig zijn: dat is blijkbaar een onmogelijke combinatie. Je hebt nog niet de maturiteit om alles te kunnen relativeren. Toen we begonnen, was ik 22, ik had een dochter van drie en ik was gescheiden. Tja, als je dan een slag van de hamer krijgt, dan krabbel je maar moeilijk recht. Maar uiteindelijk kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan. Een paar maanden later merk je dat je weer nummers aan het schrijven bent en weer zin krijgt om op het podium te kruipen.”

Voor De Kreuners wordt het almaar moeilijker hun agenda’s op mekaar af te stemmen. Ben Crabbé is een populaire tv-vedette geworden en daar moet Walter Grootaers niet voor onderdoen. Begonnen als presentator bij VT4 en nadien razend populair bij VTM en Kanaal 2 (“Wie wordt miljonair”,”Big brother”, “Fear factor “). Daarom wordt er in 2001 op kleine schaal getourd. Zij lassen nog maar eens een sabbatjaar in om zich voor het volle pond te concentreren op 2003 om dan groots uit te pakken met “25 jaar Kreuners”. De eerste januari is er op het EMI-label al de verzamelaar “25 jaar Het beste van De Kreuners”, een overzicht aan de hand van twintig van hun bekendste nummers. De 25ste en 27ste april mogen ze het beste van zich laten horen tijdens “Nekka Nacht 2003″. In een interview geeft Grootaers toe dat rockveteranen door de bank niet al te goed omgaan met hun leeftijd, het ouder worden dus: “Dat klopt. Ik lach nog altijd met The Rolling Stones als ik hen bezig zie, maar toch blijf ik een grote fan van hen. Zelf laten we binnen de groep dat ouder worden gewoon gebeuren. We zijn nu eenmaal wie we zijn. We hebben lang getwijfeld of De Kreuners jazz moesten gaan spelen met speciale akkoorden en zo, maar ik kan dat genre vocaal niet aan. Dus blijven we maar gewoon Nederlandstalige rock spelen. Blues, daar hebben we ook nog aan gedacht“, zegt Walter grimlachend, “omdat dat goed past bij ouwe mannen.” Op het podium tijdens “Nekka Nacht 2003″ in het “Sportpaleis” in Antwerpen, naast De Kreuners, Thé Lau, Gorki, De Mens, Urban Trad, Bram Vermeulen, Armand, De Flandriens, Jo Lemaire en Scala die een hulde brengen aan De Kreuners. Zij stellen daar ook hun nieuwste album voor “1978″ oftewel “Een negen zeven acht” voor, ingeblikt in de “ICP Studio” in Brussel onder aanvoering van producer Jean Blaute en goed voor twaalf nieuwe liedjes. De nummers Ja, Lust slaapt nooit en Meisje Meisje belanden na een tijdje op single. Alleen deze laatste geraakt in de Vlaamse Top Tien en wel de twaalfde april tot op de 3de plaats. In de VRT Top Dertig staat de single de negentiende april op plaats 27. Het album zelf geraakt de zeventiende mei op de dertiende plaats in de Ultratop 200 albums. Een uitgebreide tournee brengt De Kreuners op zowat elk Vlaams podium. Voor de fans is het weer smullen. Via een speciale actie lanceert “Het Laatste Nieuws” in 2003 de bondige cd “Het beste van De Kreuners”, goed voor dertien van hun meest geliefde hits. Het kan dat jaar niet op, want ze zijn ook aanwezig bij “The Night of The Proms” tijdens de editie in Antwerpen wordt aan hen hulde gebracht  door onder anderen John Miles, Toto, INXS en En Vogue. De Kreuners treden als verrassingsact op, net als Clouseau en Natalia.

In 2004 en 2005 staan de XXL-concerten in het “Sportpaleis” van Antwerpen op het getouw. “De Kreuners XXL 2004″, het concert op 6 maart in het Antwerpse Sportpaleis, was snel volledig uitverkocht. Walter Grootaers voelde zich positief getoucheerd toen de pers het had over tijdloze nummers: “Je bent daar zelf nooit op die manier mee bezig. Wel met de klassiekers van anderen, zoals van The Rolling Stones en Bob Dylan. Stuk voor stuk tijdloze nummers. Plots begint de pers dat ook van onze nummers te zeggen en spreken jongeren ons daarop aan. Hoe geweldig ze onze nummers wel vinden. Als jongens van Soulwax ons daarop attenderen, sta je daar toch even van te kijken. Tijdens die edities van XXL kregen we daar voor de eerste keer een duidelijke kijk op. Zestien- tot achttienjarigen die uit volle borst met onze liedjes staan mee te zingen die al hits waren nog voor hun geboorte. Pas dan besef je pas goed hoe fantastisch dat is. Dat geeft een heel apart gevoel, alleen kan je niet duiden waarom. Maar dat laten we met graagte aan anderen over om die klus te klaren.

Vanwege het succes besloten De Kreuners en PSE om de 5de maart 2005 opnieuw een Kreuners XXL-concert te organiseren. Het leek als vanouds. Backstage hielden de heren het vrij rustig.  ”Er werd in de coulissen nooit overdreven gefeest, behalve na het laatste concert van een tournee. Je kon je dat doodgewoon niet permitteren. Als je je na een optreden laat gaan, haal je het optreden van de dag nadien niet. Zo simpel is dat. Op het podium dreven wij op energie en waren we na zo’n optreden blij dat we wat konden uitblazen. Dan praatten we ook wat na omdat we nooit echt tevreden waren. En dat is nooit veranderd.”, aldus Grootaers. In de herfst van dat jaar verschijnt voor de allereerste keer een dvd van De Kreuners op de markt. “De Kreuners live 2005″ is een weergave van hun Sportpaleisoptreden. Je voelt als het ware de kolkende chemie tussen de groep en het publiek. Zestienduizend toeschouwers en de pioniers van de Vlaamse rock, filmisch gebundeld in een uniek document. De puzzel past perfect in mekaar: tijdloze muziek, een prachtige lichtshow, een opvallend decor, een uitbundige sfeer en… twee jaar later een hulde in het “Casino Kursaal” van Oostende als kroon op het werk. Geoefend hadden de jongens genoeg tijdens hun erg gewaardeerde theatershow. Het werd een rondrit langs de Vlaamse theaters en schouwburgen waar de toevallige theaterbezoeker nu eens de kans kreeg De Kreuners aan het werk te zien tijdens hun bekende en gekende klassiekers én een paar muzikale verrassingen. We konden hen op een bepaald moment zelfs akoestisch aan het werk horen. Voor De Kreuners een aparte ervaring, want een zittend publiek is toch wat anders dan een meehossende massa.

De 31ste maart en de 1ste april 2006 worden De Kreuners door Felice uigtenodigd deel te nemen aan de zevende editie van “Het Swingpaleis live on Stage” in het Sportpaleis van Antwerpen. Naast onder meer Kate Ryan, Udo en Gene Thomas treden die avond ook Ultravox, Midge Ure en Alphaville op.

Hun meest recente prestatie is de Nederlandtalige versie van Down under, de wereldhit van de groep Men at Work uit 1982. Het is het themalied voor “Outback Luke”, het tv-programma dat Lien Van de Kelder vanaf de 8ste oktober 2007 op Vijftv presenteerde. De Kreuners waren maar wat enhousiast toen Radio 2 hen samen met Sabam uitnodigde om op vrijdag de 9de november in het “Casino Kursaal” van Oostende hun een livetime achievement award te overhandigen voor een leven vol muziek. “We hebben niet de gewoonte om achteruit te kijken, maar voor de Eregalerij staan we toch even stil bij onze geschiedenis. Je moet trouwens niet denken dat we er nu een punt achter zetten. Beschouw het maar als een start voor de volgende dertig jaar. 2008 wordt een druk feestjaar voor ons. We vieren ons dertigjarig bestaan met een zomertour. Van eind april tot half september spelen we vooral op de grootste festivals. En dan zijn er ook de nieuwe nummers “, aldus Walter Grootaers. “Dat was ook zo, dat zat in ons hoofd en dat meenden we op dat moment oprecht. Alleen heeft de toekomst daar anders over beslist en heb ik de jongens proberen te overtuigen om er dan toch maar vroeger mee op te houden.” In 2007 beslisten De Kreuners al Berre Bergen om gezondheidsredenen te vervangen. Zijn plaats wordt ingenomen door bassist Axl Peleman, bekend van zijn eigen bands Ashbury Faith en Camden. Over zijn komst wil Walter dit snel kwijt: “Na het vertrek van Berre was het even hard zoeken naar de juiste bassist. Die vonden we wel pas twee jaar later in de persoon van Axl. Na tien seconden meespelen met de band  hadden we gelijk door dat dit de juiste man op de juiste plaats was. De band was met zijn steun compleet.

Over het ooit afscheid nemen en het opdoeken van De Kreuners werd tussendoor hier en daar eens gepraat. In 2008 zeiden ze daarover in een babbel met P-Magazine: “We denken er weleens aan om ermee door te gaan tot we sterven. Maar let op, we hebben er ooit een punt achter willen zetten. In de periode van 1988 tot en met 1989 gaven een we een vijftiental afscheidsoptredens. Maar na het laatste concerthebben we besloten om er toch maar mee door te gaan. Niet lang nadien waren we al opnieuw nummers aan het schrijven. En sindsdien is ophouden nooit meer ter sprake gekomen.” Maar daar denken ze in 2008 niet aan, integendeel, er mag weer feestgevierd worden. Dat jaar verschijnt op het EMI-label de driedelige cd “30 jaar De Kreuners”: een cd met al hun grote hits, plus het album “Weekends in België”, eindelijk op cd én “De kelder-tapes” met daarop onder meer Vader Moeder Appelspijs dat in 1996 al eens op single verscheen, Verlegen met Frank Vander linden, het muzikale grapje Wij zijn De Kreuners, ooit opgenomen in de thuisstudio van Jan Van Eyken, Uit de bocht met Herman Brusselmans enz. In amper vier weken tijd wordt het album met goud bekroond. De 26ste maart reikt minister-president Kris Peeters, De Kreuners tijdens een concert in Haasrode een Vlaams ereteken uit met de woorden: “De Kreuners zijn voor Vlaanderen wat The Chieftains en The Dubliners voor Ierland zijn. Zij belichamen over vele generaties de echte ziel van de dynamische, grappige, ontroerende  en levende Vlaamse aard.” Eind april wijdt Humo een uitgebreid artikel aan hen: “De Kreuners behoren tot het Vlaams cultureel erfgoed. Hun gimmicks zijn inmiddels even voorspelbaar als doeltreffend: nonkel Walter hanteert nog altijd zijn microfoonstandaard als gitaar, Ben Crabbé gooit drumstokjes in het publiek, Erik Wauters is ‘Keith uit de Kempen’ en Jan Van Eyken voelt zich tijdens een gitaarsolo niet te beroerd voor een klapke met een roadie. Relatief nieuw is Axl Peleman, sinds twee jaar de vervanger van Berre Bergen op bas.” De 17de juli laten ze zich lekker gaan tijdens “Beleuvenissen” op de Oude Markt in Leuven. Dit concert wordt op VTM uitgezonden. De 17de en de 31ste oktober 2008 staan Walter en de zijnen in de “Lotto Arena” te Antwerpen voor twee keer “De Kreuners 30 jaar”. Op het podium: Walter Grootaers, Erik Wauters, Jan Van Eyken, Ben Crabbé en Axl Peleman. Journalist Bert Hertogs schreef daarover: “Overdonderd. Dat waren we na ruim drie uur De Kreuners. Dertig liedjes, voor elk jaar een. Dat de groep ontzettend groeide tijdens hun zomeroptredens, wisten we al. We zagen hen namelijk meer dan een puike prestatie neerzetten in Hemiksem tijdens het “Casa Blanca Festival” en tijdens “Maanrock” in Mechelen. Maar wat ze nu presteerden, was misschien wel het strafste dat we ooit te zien kregen. Straffer nog dan de twee edities van “De Kreuners XXL” in het Sportpaleis. Faut le faire!

In de maand november kunnen we op Canvas in een aflevering van “Belpop” genieten van een Kreunersspecial. In de context daarvan doopt Radio 2 de 17de oktober tot officiële Kreunersdag, met een ganse dag de beste Kreunerssongs met daarnaast vele interviews, weetjes en een heuse Kreunersquiz.

In de slipstream van “Dertig Jaar Kreuners” volgden tal van interviews. Toen journalist Johan Heyerick aan Ben Crabbé vroeg welk concert hem het meest is bijgebleven, antwoordde hij: “Ik zou er niet één uitpikken, maar eerder een periode. In 1989 speelden we op Marktrock, net na Clouseau die toen pas waren doorgebroken. De volgende dag stond in alle kranten tot wat voor hysterische taferelen dat optreden had geleid. Wel, ik verzeker je dat we Clouseau die avond naar huis hebben gespeeld. Maar in de kranten stond daar geen woord over. Een jaar later draaide Paul Jambers zijn beruchte reportage over Clouseaumania opgenomen tijdens een concert in Zwevegem.  Wat Jambers toen niet heeft getoond, is dat wij die avond na Clouseau optraden en dat het bij ons nog straffer was. Dat wij vaak niet naar waarde werden geschat door de media, heb ik altijd een beetje vreemd gevonden. Jean Blaute heeft het ooit perfect verwoord: ” Iedereen is tegen De Kreuners, behalve mensen.” Jammer genoeg moet ik hem grotendeels gelijk geven. We worden vaak onderschat.

De 24ste april 2010 noteren we De Kreuners in de VRT Top Dertig op de vijftiende plaats met het door Jan Van Eyken geschreven Das wat ik zeggen wou, in de Vlaamse Top Tien de zevenentwintigste februari al goed voor een zevende stek. Dit nummer vinden we terug op het op 15 maart uitgebrachte album “Jonge Honden” dat de 27ste maart op twaalf staat in de Ultratop 200 albums. Ook de nummers America, geschreven door Rick Tubbax, Jan Van Eyken en Frank Vander linden en Mag ik je voelen van de hand van Jan en Rick uit dit album belanden op singleformaat, maar zonder in de buurt van de Vlaamse Top Tien te geraken. De 8ste mei doen De Kreuners de “Grenslandhallen” in Hasselt aan met hun tournee “Veel lawaai” waarmee ze on the road zijn. Tijdens deze tournee maken Walter Grootaers en zijn gevolg alleszins gebruik van het podium om hun nieuwe album ‘Jonge honden’ te promoten.

De 23ste maart 2012 publiceert Jan Van Eyken bij uitgeverij Borgerhoff en Lamberigts het boek ” De Dikke Van Eyken”. In de persmap lezen we: “Samen met De Kreuners speelde hij vierendertig jaar lang voor tienduizenden fans. Bovendien behoort een hoop van zijn songs tot het erfgoed van de Vlaamse rock. Jan is niet alleen een muzikaal talent, hij is ook een straffe verteller. In dit boek diept hij de strafste anekdotes uit zijn jaren on the road met De Kreuners op, samen met hopen how-to’s, lijstjes, bizarre weetjes en toogpraat-tips voor elke rock-’n rollliefhebber.”

Na vierendertig jaar gooien De Kreuners de handdoek in de ring“, staat er de vierentwintigste maart in “Het Belang van Limburg”. Diezelfde krant bloklettert “Liever vijf jaar te vroeg stoppen dan twee weken te laat“, aldus Walter Grootaers die van al die jaren volop genoten heeft: “Ik wil ze op een rij zien staan, de andere mannen van zevenenvijftig die hebben moge meemaken waarvan ik heb genoten. Met vijanden kan je niet in een groep spelen. Maar je hoeft ook niets elkaars beste vrienden te zijn. Wat ook een grote rol speelde in mijn beslissing was het feit dat mijn vrouw een drukke baan heeft als CEO van Endemol die onder meer instaan voor de productie van The Voice. De optredens met De Kreuners an sich waren niet dominant in de beslissing ermee op te houden, maar alles wat er daarnaast nog bij komt kijken en ik wou vooral meer tijd hebben om met mijn kinderen bezig te zijn, hen te zien opgroeien en mijn vaderlijke duit in het zakje te doen.”

Zaterdag de 23ste juni 2012 heeft “TW Classic” in Werchter plaats met naast De Kreuners op de affiche Kaiser Chiefs, The Scabs, Lenny Kravitz en Sting. Het heeft de heren behaagd er dan toch mee op te houden. Op de vrijdagen zeven en veertien en op de zaterdag vijftien december 2012, telkens om halfnegen ‘s avonds, nemen De Kreuners in het Antwerpse Sportpaleis definitief afscheid van hun fans. Niet voor niets krijgt dat concert de titel mee “De Laatste Kreun”. “Jongens, jongens, deed dat veel pijn” weet Walter nog heel goed. “Bijna 35 jaar van ons leven hadden we daarin gestoken en weloverwogen werd daar dan een punt achter gezet. We hadden samen veel lol beleefd, maar privé hebben we daar ook door geleden. We zijn diep gegaan en dat leverde prachtige songs op, zonder die diepgang hadden we die nooit kunnen schrijven. Naarmate we ouder werden droegen we elk onze goed gevulde rugzak mee. Persoonlijk ben ik een heel gevoelig iemand die niet snel zijn verleden uitgomt. Al het positieve en al het negatieve heb ik heel diep beleefd. Dat eindpunt in onze carrière werd op een waanzinnig hoogtepunt gezet. Ik heb nadien een uur nodig gehad vooraleer ik uit mijn kleedkamer wilde en durfde te komen.” In “Het Laatste Nieuws” lazen we de achtste december daarover: “In een uitverkocht Antwerps Sportpaleis hebben De Kreuners gisterenavond de aftrap gegeven van een reeks van drie allerlaatste concerten. Bijna 20.000 trouwe fans juichten Walter Grootaers en co toe tijdens hits als Layla en Ik Dans Wel Met Mezelf. Voor het concert van volgende week vrijdag zijn er nog een duizendtal tickets beschikbaar, het allerlaatste concert de dag nadien is hopeloos uitverkocht. Voorprogramma De Mens bracht het Sportpaleispubliek gisterenavond al aardig in de juiste stemming, maar toen De Kreuners het podium beklommen brak het feest pas echt los. Na 34 jaar zijn de fans de band duidelijk nog niet beu, maar Grootaers wil naar eigen zeggen nog kunnen stoppen op een hoogtepunt. Special guest van dienst was gisterenavond Koen Wauters die twee nummers, één van Clouseau, een van De Kreuners zelf, kwam meezingen. De attractie van de avond bleek echter het verzamelen van een honderdtal vrouwelijke fans op het podium, die even mee mochten feesten met hun eeuwige idolen. Naast Ik Wil Je scoorden De Kreuners in Vlaanderen nog verschillende hits zoals Layla, Zij Heeft Stijl, Nee Oh Nee en Verliefd Op Chris Lomme. Materiaal genoeg om uit te kiezen voor een laatste concertreeks en daarom zal de groep op elk van de drie avonden in het Sportpaleis een enigszins andere setlist brengen.

“De Laatste Kreun” is ook de titel van de driedelige cd die op het EMI-label wordt uitgebracht, een overzicht van al hun hits en klassiekers, in het totaal goed voor een selectie van eenenvijftig nummers, beginnend met Ik wil je en eindigend met Kverlang. De 19de januari 2013 staat de cd op de derde plaats in de Ultratop 200 albums. Het jaar voordien hadden ze daarin de eenendertigste maart al op negentien gestaan met de liveplaat “”Live in Zwortegem” met daarop liveregistraties van hits als Cous-Cous kreten, Zo Jong, Maak me wakker en Zij heeft stijl.

De 7de februari 2016 overleed Berre Bergen. Hij werd 53 jaar en stierf in het bijzijn van zijn familie in een ziekenhuis in Herentals aan een jarenlang aanslepend longemfyseem. Berre was gehuwd met Larissa Ceulemans, voormalig lid van de groep Def Dames Dope. “Voor mij“, zegt Walter, “was Berre een fijne man om mee samen te werken, maar erg gesloten, zeer introvert. Ik blijf hem onthouden als een keiharde werker die als er gerepeteerd moest worden, er ook stond en eenmaal in de studio de perfectie wou nastreven. Hij had geen enkel probleem wanneer de producer erop stond een nummer een aantal keren over te doen. Het was ook bijna altijd Berre die met ideeën aankwam wanneer een tweede stem aan bod moest komen. Dat kleurde vaak heel goed met die van Ben. Ik heb twee Berres  gekend: die van de periode voor zijn vrouw Larissa en die samen met haar. Dankzij haar kwam zijn zachtere kant meer naar boven, hij sloot zich naar ons toe minder af wat vaak uitmondde in heel plezante gesprekken. Ik had er dan ook geen enkel probleem mee wanneer hij op een bepaald moment zijn eigen ding wilde gaan doen en zijn periode bij De Kreuners voor bekeken hield.”

Of De Kreuners eraan denken nog eens samen op te treden? “Zelf terugdenken aan de tijd met De Kreuners doe ik weinig, maar we worden er wel vaak mee geconfronteerd“, reageert Walter overtuigd en krachtig. “Mijn eigen kinderen beginnen nu pas in te schatten wat een impact De Kreuners in Vlaanderen hadden en wat we teweegbrachten. Heel veel mensen, vooral organisatoren, porren ons voorzichtig aan of we niet opnieuw zouden willen beginnen. Ooit was ik een soort singer-songwriter, maar nu nog mijn ei dringend kwijt willen, is niet aan de orde. Ik deed het trouwens nooit alleen dat schrijven, we schreven als groep vaak samen, deelden constant ook onze ideeën, steeds vertrekkend van de muziek, zelden of nooit van de tekst. Ik moet toegeven dat ik die interactie met Jan, Erik en de rest van de jongens soms wel mis, vooral dat creatieve proces, maar meteen duidelijke plannen om opnieuw on the road te gaan, zijn er niet en zitten momenteel ook niet in de pijplijn.” Ben Crabbé klinkt een beetje ontgoocheld als we naar een reünie polsen. “Ik persoonlijk heb nooit gevonden dat we moesten stoppen. Golden Earring was daarin altijd mijn voorbeeld: geplande speelmaanden en dan rust en vervolgens een nieuw initiatief enz… Voor mij mocht dat Kreunersverhaal nog jaren zijn blijven voortduren, maar Walter had niet zoveel zin meer meer en dat moet je respecteren. Wij hebben Sergio als vervanger nog overwogen, maar dat is niet doorgegaan. De Kreuners hebben 27 jaar lang mijn leven mee bepaald, dus ik heb geen seconde spijt van onze inzet en ben erg blij met de duizenden concerten, echt hé, en de ongelofelijk goede sfeer die er bijna altijd was.”

En wat met de gouden platen en de vele awards van De Kreuners, beste Walter? “Die hangen aan geen enkele muur, die staan thuis beneden in een doos in de kelder. Ik heb geen plakboeken met artikels of foto’s en zo. Voor mij gold, en dat is nog steeds zo, zeker in mijn huidige politieke loopbaan als schepen, een wijze uitspraak van Confucius, een filosoof uit het oude China, “Het verleden is als door een donker bos wandelen met een lantaarn op je rug.”Als je alleen maar met je verleden bezig bent, loop je overal tegenaan.  Dus die memorabilia van De Kreuners zijn aan mij niet zo besteed. Wel koester ik mijn platencollectie en de vele boeken die ik door de jaren heen over muziek heb verzameld. Gelukkig voor mijn kinderen heeft mijn oudste dochter Layla het nodige bijeengehouden en kunnen zij er nu volop van nagenieten.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane &Marc Brillouet

 

 

 

Philippe Robrecht

In zijn boek “Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz” omschrijft Manu Adriaens duidelijk de bedoeling van Philippe Robrecht. “Bart Van den Bossche, Philippe Robrecht en Bart Herman traden dan wel af en toe op in ‘Tien om te Zien’, maar timmerden toch vooral aan een carrière op lange termijn.” Tegen deze achtergrond horen wij het verhaal van Philippe dan ook te vertellen. Of hij in zijn opzet geslaagd is, zal de komende alinea’s blijken.

Philippe werd de tweede januari 1966 als Philippe Robberecht in Zele geboren als jongste kind in een gezin van drie. Hij heeft nog twee oudere zussen. Philippe komt niet uit een muzikaal gezin. Vader, gediplomeerd ingenieur, had het druk met zijn beroep als verzekeringsmakelaar. “Ik kom niet, zoals sommigen, uit een muzikaal nest. Pa speelde tijdens zijn jeugdjaren in de plaatselijke harmonie, maar had verder geen muzikale ambities. Thuis werd er ook niet over muziek of zo gepraat. De radio stond wel aan en af en toe werd er al eens een plaat gekocht. Maar ik had geen fanatieke oudere zussen die me hun idolen of zo hebben leren kennen of hun favoriete liedjes. Ik hoor vaak van mijn collega’s dat ze van thuis uit via een oudere broer of zus veel over muziek hebben opgestoken. Maar in mijn geval was dat niet zo. Ik herinner me wel dat ik thuis regelmatig op de pick-up het nummer In the Summertime van Mungo Jerry hoorde. Mijn moeder had dat op een zondag ergens gekocht. Maar als ik er nu op terugkijk, was de aankoop van vinyl beperkt tot mondjesmaat“, aldus Philippe Robrecht.

Philippe liep school in Zele. “Ik ben daar gebleven tot mijn ouders naar Lokeren zijn verhuisd. Mijn zussen woonden toen al niet meer bij ons in. Ik was dus het enige kind dat meeverhuisde en heb daar in Lokeren dan ook alles meegemaakt. Dat was mijn biotoop. Ik liep daar school, ik had daar mijn vrienden, ik speelde daar in de buurt voetbal enzovoort.” In Lokeren komt Philippe voor zijn hogere middelbare studies terecht in de afdeling Latijn-wetenschappen aan het Sint-Lodewijkscollege. “Ik moet zeggen dat het op het vlak van studeren meeviel. Zeker tot en met de lagere graad zette ik me erg in, ik werkte er hard voor. Dat had als gevolg dat ik daar in de hogere graad wat voordeel uit kon puren, ik hoefde nooit te panikeren wat mijn punten betrof. Geen herexamens of zo, ik heb die weg zonder veel hindernissen kunnen afleggen.

Na mijn middelbare studies was de eerste reflex die ik had mij met muziek bezighouden. In die tijd waren newwavegroepen drukdoende. Die muzikanten hadden hun eigen studio’s, waren van opleiding vaak ingenieur en dat zag ik ook wel zitten. Industrieel ingenieur worden was mijn eerste doel. Maar binnen enkele maanden had ik door dat die cijfers en die cursussen niet mijn ding waren. Eigenlijk had ik dat al moeten weten na mijn opleiding Latijn-wetenschappen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik toen op mijn zeventiende qua studiekeuze een naïeve keuze heb gemaakt. Ik ben even gaan zitten, heb diep nagedacht en ben toen een algemene pedagogische opleiding gaan volgen, met name die van onderwijzer. Ik heb mijn diploma vlot behaald en ben dadelijk in het bijzonder onderwijs beland. Niet toevallig, maar ik heb daar bewust voor gekozen. Vooral kinderen met gedragsmoeilijkheden en in het bijzonder autistische kinderen houden me sindsdien jaar en dag bezig. Die kinderen voorthelpen, daar haal ik mijn allergrootste voldoening uit.” Niettegenstaande zijn zangcarrière is Philippe deze roeping al die tijd trouw gebleven. “Ik ben erg blij dat ik, ondanks mijn zangcarrière, binnen dat domein van het onderwijs mijn draai heb gevonden, dat ik daar een groot deel van m’n ei kwijt kan. En dat ik me vooral op dat terrein heb kunnen bekwamen. Ik ben immers niet het soort leraar dat kickt op een hoog klasgemiddelde. Ik voel me eerder gelukkig wanneer ik leerlingen met problemen over de schreef kan trekken en achteraf kan zeggen dat ik mijn steentje daartoe heb bijgedragen. Die begeleiding is meebepalend voor de verdere toekomst van die jonge mensen en voor mij persoonlijk een voedingsbodem voor mijn graad van voldoening.

De basis voor zijn zangcarrière werd al op zijn twaalfde gelegd en zeker twee jaar later, toen hij zijn eerste gitaar kocht en zijn eerste eigen liedjes tokkelde. Maar de juiste piste om door te stoten naar het conservatorium om daar een degelijke muzikale opleiding te genieten, ontbrak compleet. Achteraf heeft Philippe daar geen spijt van, want hij houdt nog steeds zielsveel van de combinatie van het lesgeven en muziek maken, naast zijn dagelijks bestaan met zijn gezin en zijn job. “Ik heb ooit mensen volledig zien gaan voor die muziek, een bewuste keuze weliswaar, maar zij moesten krampachtige stunts uithalen om toch maar te overleven. Ik ben blij met de keuze die ik toen gemaakt heb. Op een ontspannen manier met mijn gezin omgaan. Af en toe op reis gaan en op een geheel vrijblijvende manier muziek spelen.”

Op jonge leeftijd speelt hij bij de groep Selfservice. “Met hen speelden we stokoude sixtiescovers. De roots van zovele muzikanten. Bijna simultaan begonnen we met het groepje Guilt. Totaal andere koek, want hier speelden wij uitsluitend eigen werk en waren we fier dat wij in het voorprogramma van onder anderen Johan Verminnen en 2 Belgen mochten optreden. De affiches waarop onze naam als zestienjarigen prijkt, koester ik nog steeds. Zo traden we tweemaal op tijdens de ‘Lokerse Feesten’.” De groep valt wat later uiteen omdat enkele leden willen voortstuderen. Dus gaat Philippe op eigen houtje verder. “Een deel van de leden ging niet voor het volle pond voor de muziek. Bij mij was dat wel het geval. Zij gingen bijvoorbeeld andere oorden opzoeken en voortstuderen. Ik ging me meer bezighouden met het inblikken van liedjes, me interesseren voor de technische kant van dat inblikken enzovoort.” Philippe begint thuis op zijn achttiende aan het uitbouwen van een geluidsstudio waar hij naast microfoons en mengpanelen ook een synthesizer installeert en op die manier tijdens zijn opleiding van onderwijzer toch kan blijven liedjes schrijven en musiceren. Hij gaat ook stilaan met zijn gitaar optreden. Dan zingt hij eigen interpretaties en bewerkingen van bekende songs van Tom Waits, Sting, Nick Cave en Billy Joel. Songs geschreven door echte singer-songwriters. “Ik nam die liedjes en probeerde daar een eigen touch aan te geven. Ik kneedde ze een beetje naar mijn eigen goesting. Waar het enigszins kon, ging ik mezelf ook aan de piano begeleiden. Ik liet me daarbij inspireren door pianist-zanger Norbert Detaeye (trad vaak op met The Jeggpap New Orleans Jazz Band), al zal de gitaar door de jaren heen almaar meer mijn voorkeur wegdragen.

Philippe trekt van huis weg en gaat in een piepklein huisje aan de Durme, een zijrivier van de Schelde, in Lokeren wonen. Hij woont daar alleen met om zich heen het gezelschap van enkele schapen, een bokje, een hond en een stel kakelende kippen.

Dat huisje werkte zeer inspirerend. Philippe wil dolgraag een plaat opnemen en merkt aan de hand van zijn demo’s dat hij in 1991 genoeg materiaal heeft voor een ganse cd. De plaatselijke visboer heeft weet van Philippes plannen en tipt op zekere dag manager Roland Beirnaert, die meteen in hem gelooft en hem motiveert met zijn liedjes naar buiten te treden. Met zijn digitale cassette stappen zij naar BMG/RCA en die happen toe. Zij beloven Philippe een budget van anderhalf miljoen oude Belgische frank, een budget waar tegenwoordig een beginnend artiest alleen maar van kan dromen. Er wordt in 1992 beslist in de “Galaxy Studio” in Mol op te nemen, onder het toeziend oog van Wilfried Van Baelen. Als eerste single wordt gekozen voor Aan de overkant. “Ik schreef dat in mijn huisje aan de Durme. Piepklein, vijf meter bij vier. Twee verdiepingen, niet hoger. Ik had een hond in m’n buurt en buiten schaapjes, geiten, een bok, wat kippen en een kalkoen. De rode draad in het nummer is dat het gras aan de overkant altijd groener is. Ik was zo creatief dat ik meteen een hele rist liedjes kon voorleggen, gelijk goed voor een volledig album.” Philippe laat zich tijdens de opnamen begeleiden door zijn eigen groep: drummer Dany De Coninck, bassist Patrick Bonne, gitarist Stef Huybrechts, saxofonist en extra toetsenist Dirk De Schoenmaker en toetsenist Frank Tomme. Producer Wilfried Van Baelen vindt dat zij voor een vijftal nummers zeker violen moeten inzetten. Niet alleen Magie, maar de ganse cd klinkt erg à la Alan Parsons zoals die in die tijd samen met zijn Alan Parsons Project klonk. Philippe wil die sfeer zo dicht mogelijk benaderen en met het budget waarover hij beschikt, moet dat wel lukken. Zonder blikken of blozen trekken zij naar Londen om daar samen met The London Symphony Orchestra de strijkerspartijen op te nemen. “Er waren een aantal nummers die dat aankonden, die extra ruggensteun. Die verdroegen dat ze door die orkestrale begeleiding breder gingen klinken. Die knipoog richting Alan Parsons was daar zeker op zijn plaats en werd ook door Wilfried goed aangevoeld. Joris Van den Hauwe heeft toen schitterend werk geleverd. De vioolpartijen prachtig uitgeschreven zodat het orkest de partituur gewoon moest inspelen. Sommigen trokken niet eens hun jas uit bij manier van spreken. Die klus daar in Londen was snel en vakkundig geklaard.” Als extra muzikanten wordt voor de opname van het album “Magie” ook een beroep gedaan op onder meer trompettist Jef Coolen, trombonist Leo Nuyts en percussionist Chris Lembrechts. Omdat Philippe niet meteen gedoodverfd wil worden als een Vlaamse hitleverancier, schrijft hij bewust het nummer Zonder jou, dat als tweede single wordt gereleaset, maar zonder enige respons in de Vlaamse Top Tien. “Ik wou een nummer met ballen zoals dat heet. Ik meen nog goed te weten dat ik dat op mijn gitaar componeerde. Het la- en het re-akkoord speelden qua basis een grote rol toen ik het nummer schreef. Ook de frasering daarrond maakte dat ik snel doorhad welke kant ik met die song uit moest. Ik voelde meteen aan de ik geen diepgravende tekst hoorde te schrijven, minder diep dan toch dan sommige andere op die plaat. Ik zat toen wel al met de angst fout geprofileerd te worden. Ik wilde niet doorgaan voor een soort doordeweekse Vlaamse zanger. Ik wou me etaleren als iemand die samen met zijn ploeg authentiek werk afleverde. Toewerken naar een album, dat ook zo inblikken en dat dan ook live gaan spelen.”

Robrecht schrijft een streepje Vlaamse muziekgeschiedenis door in 1993 de titelsong van zijn album Magie op single uit te brengen. Deze song draagt niet de meisjesnaam zoals sommigen onterecht denken, maar gaat over de betovering, de magie waarin je verkeert wanneer je verliefd op iemand bent. “Ik schreef dat in mijn voormalig kolenhok waar ik intussen een studiootje op poten had gezet, gezeten aan mijn Rhodes-piano. De beat, het steeds terugkerende ritme, de akkoorden die door elkaar lopen, had ik van in het begin al in mijn hoofd en het krijgt in de song zelf overduidelijk de bovenhand. Ik wist van meet af aan ook dat de bridge en het refrein extra power nodig hadden en dat de drums een vooraanstaande rol zouden spelen.” De dertiende maart 1993 staat Philippe met dit nummer op drie in de Vlaamse Top Tien, de vierentwintigste april op achttien in de Top 30. Hij heeft daarmee de nodige verwachtingen ingelost en ook zijn eigen toekomst wat voorspeld. Ook “Tien om te Zien” ontdekt hem en gunt hem een derde plaats in hun wekelijkse erelijst. Als klap op de vuurpijl krijgt hij dat jaar de trofee van beste solodebuut tijdens Radio 2 “Zomerhit”. De programmamakers hebben intussen Magie gretig gedraaid en hun oor laten vallen op Vurige tongen, waarmee Philippe de twaalfde juni 1993 op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien belandt. In de Top 30 is het nummer goed voor plek zestien. “Ik merkte in het dagelijkse leven dat er om me heen veel werd gepraat, ook in mijn schoolomgeving. Zodra iemand de rug had gekeerd, werd er over hem of haar gepraat, niet altijd in de positieve zin.

Waar hij voor gevreesd had, gebeurt. Hij wordt voor een hitleverancier aangezien en dat is nou net datgene wat hij niet nastreeft. “Toen mij her en der die eer te beurt viel van prijzen in ontvangst te mogen nemen, ging ik angstvallig waken over mijn muzikale toekomst. Hoe raar dat ook mag klinken. Daarin was ik anders dan de doorsneerest. Sommigen noemen dat koppig zijn, maar ik bestempel dat liever als vastberaden. Mijn manier van verwerken is altijd hetzelfde gebleven, is nooit veranderd. Ik was toen een soort hype die in diverse situaties belandde. Zo’n Radio 2-trofee stemde me wel blij, ik was op dat moment ook fier en heb die prijs ook veilig opgeborgen, maar ik bleef zeker niet stilstaan. Ze moesten me wel niet vragen voor handtekeningensessies, een fanclub oprichten. Dat was niet mijn kopje thee.” Van het album “Magie” gaan er achttienduizend exemplaren over de toonbank.

Samen met zijn liveband, waar hij ontzettend trots op is, gaat hij in het najaar van 1993 op tournee tijdens “De Magische Theatertour”. “Dat was voor ons vanaf nul beginnen. We moesten het metier al spelend leren. Het is niet omdat je door een hit op een bepaald moment als een soort monument wordt bekeken, dat het live spelen je zomaar vlot afgaat. Ik had toen al voor ogen dat ik een 100% livecarrière wou opbouwen.” Zijn groep was zo hecht en zo goed op elkaar ingespeeld dat ze de sound van het album erg goed konden benaderen. “Dat was van in het begin ons opzet. Live moesten we kunnen neerzetten en waarmaken wat op ons album te horen was. Ik zeg het met de nodige trots: we hebben dat dan ook nadien altijd kunnen waarmaken.” In 1993 trad Philippe zo’n vijftig keer op voor televisie. Hij slaagt er tevens in de goegemeente diets te maken dat hij dus geen doordeweekse Vlaamse zanger is. Opdracht geslaagd! Samen met zijn groep werkte hij, net zoals The Beatles en The Rolling Stones dat deden, naar een album toe, onderweg songs schrijvend om die dan op het gepaste moment in de studio in te blikken. Daar kon Philippe intens van genieten. “Dat populair zijn in die tijd ging, zoals ik daarnet al aangaf, zo goed als aan mij voorbij. Maar die onvergetelijke momenten zoals daar in Londen bijvoorbeeld of het inzingen nadien in de studio, van die momenten kan ik nu nog nagenieten. Het feit alleen al samen te werken met op-en-top beroepsmuzikanten of mensen die het vak door en door kenden, daar kon ik best van genieten. Daar deed een mens het voor.”

Robrecht meet zich nadien snel een heel eigen imago aan en blijft bewust uit de schijnwerpers van de gemakkelijke populariteit. “Ik wou verder evolueren als muzikant, vertolker, zanger. Ik wist toen al dat ik stap voor stap verder zou evolueren. Verder richting anders klinkende songs, anders klinkende albums. Ik ging niet zomaar de dagen, maanden en jaren nadien Magie en Vurige tongen als een soort bandwerk etaleren. Ze kwamen aan bod als het moment daar was, als het binnen dat optreden paste. In die beginperiode toen ze in de hitlijsten stonden uiteraard vaker dan nadien.”

In 1994 is er het album “Hoopvol”, dat met de nodige centen ook deze keer in de “Galaxy Studio” in Mol wordt opgenomen met opnieuw aan het roer Wilfried Van Baelen. “Ik moet eerlijk bekennen dat er, na het succes van het album ‘Magie’, van BMG niet al te veel druk was dat succes te herhalen, of ik heb dat toch niet zo gevoeld. ‘Hoopvol’ was geen verzameling van een aantal liedjes, maar eerder een conceptalbum, over een wereldstad, een clochard, over Columbus die de indianen uitroeide, over oorlog en vrede. Dus dagelijkse thema’s met veel minder klemtoon op de liefde. Ik vond dit een sterk album, wat anderen er ook van mogen denken. Wat ik achteraf eerlijk moet bekennen, is dat het succes van een album grotendeels afhangt van het succes van die ene broodnodige hitsingle. Ik was zo naïef te denken dat ik een volwaardig albumartiest kon zijn. Zovele jaren later denk ik dat dat nog altijd kan, maar niet in Vlaanderen. Persoonlijk vind ik nochtans dat het nummer Hoopvol iets bijzonders met zich meedraagt, terwijl mensen me vertelden dat ze het een prachtig album vonden, behalve dan het nummer Hoopvol. Zo zie je maar. Ook het nummer Kijk me niet aan koester ik nog altijd. Ik passeerde in Brussel op een brug in de buurt van het Klein Kasteeltje een zwarte man in een veel te grote sjofele jas. Die blik in zijn ogen en het me een beetje schuldig voelen naar die hulpeloze man toe, heeft de inhoud van dat lied bepaald.”

Naast de vaste groep spelen op het album “Hoopvol” onder anderen hoboïst Joris Van den Hauwe, hoornisten Rik Vercruysse en Katrien Vintioen en tubaspeler Franky De Leersnijder mee. Als single wordt er gekozen voor Fatsoen, waarin Philippe zijn terughoudendheid verwoordt wanneer hij op school zijn oog op een meisje laat vallen en haar niet meteen durft aan te spreken omdat zijn fatsoen in de weg zit. De zesentwintigste maart staat het nummer op drie in de Vlaamse Top Tien en de zestiende april op plek 40 in de Top 30.

In de loop van 1994 zit zijn samenwerking met zijn manager Roland Beirnaert erop. Intussen heeft Philippe ingezien dat hij het niet kan waarmaken uitsluitend een albumartiest te zijn. Vlaanderen is daar blijkbaar te klein voor. Er hoort op tijd en stond een hitsingle te worden afgeleverd om talk of the town te blijven en gevraagd te worden hier en daar op te treden in enkele radio- en tv-progamma’s. Op zoek naar hitsingles worden de nummers ‘k Heb nu geen zin en Ben je vergeten op single uitgebracht. Maar echt scoren doen ze niet. Ook de single Oorlog en vrede blijkt snel een slag in het water te zijn.

Na twee albums weigert Philippe nog verder te werken met BMG/RCA. De directie is niet geïnteresseerd in wat Philippe live on stage brengt, zeker niet het repertoire dat hij daar wil neerzetten, en dus haakt Philippe af. “Ik weet nog dat de directie geen oren had naar mijn liveprestaties. Dat liet hen siberisch. Dat deed voor mij meteen de deur dicht en ik zag er het nut dan ook niet van in dat gesprek langer te rekken dan nodig.” Meteen klopt Koen Van Bockstal bij hem aan de deur, toenmalig verantwoordelijke bij MCA. “Ik werd bij hun firma de eerste Nederlandstalige artiest. Die beloofde ons eerst zes albums, dan twee en uiteindelijk… niets meer. De directie in Londen staat niet achter zijn voorstel. Hij mocht het contract niet tekenen en was plots niet meer geïnteresseerd in Vlaams talent. Pas op, ik stond daar toen met de opnamen voor ons volgende album ‘Vertrouwen’, waar we al druk mee bezig waren en waar BMG een njet voor had gegeven, en dan dat avontuur met MCA. Het prijskaartje bedroeg toen ook al meer dan een miljoen frank. We zaten al in zo’n vergevorderd stadium dat we niet op onze stappen konden terugkeren.

Philippe trok voor zijn album “Vertrouwen” niet naar de “Galaxy Studio”, maar naar “Studio Crescendo” in Genk met als hoofdtechnicus Pino Guarraci, een blinde Italiaanse pianist. Pino kan er prat op gaan platenproducties te hebben afgeleverd voor Voice Male en Jo Lemaire. Philippe vult aan: “Wij hadden die studio eerder toevallig leren kennen. We kregen van de VRT een opdracht die we snel moesten klaren en zij hadden die studio in Genk geboekt. Zodoende leerden wij Pino kennen. Die samenwerking klikte en smaakte meteen naar nog.” De productie zelf houdt Philippe deze keer echter in eigen hand. Hij krijgt tijdens de opnamen steun van de muzikanten Patrick Mortier, Ronny en Robert Mosuse, Dany Caen en Patrick Riguelle. Met die opnamebanden onder de arm trekt Philippe, ondanks die eerdere tegenslagen, vol goede moed naar de platenfirma’s Polydor en EMI, maar hij houdt halt bij Dureco omdat hij valt voor het warme onthaal en begrip van de toenmalige manager Arthur Praet. “Ik ging bij mijn keuze echt voor de man in kwestie, niet zozeer voor de platenfirma. Hij was een warme, zeer gedreven en muzikale man. Die keuze beklaag ik me nog steeds niet en onze contacten zijn na al die jaren nog altijd even hartelijk.”

Philippe moet wel snel vaststellen dat de promotie die BMG/RCA voor hem voerde niet meer herhaald zal worden. “Het viel me toen op dat we geen hits meer scoorden. De radio draaide ons wel, maar er werd geen intense promo meer gevoerd zoals ten tijde van BMG. Dat raderwerk viel wel stil“, aldus Philippe, die kwaliteit wil blijven afleveren. Radiomakers waren en zijn het er nog altijd over eens dat je zijn platen zonder blikken of blozen kunt programmeren. Hoor m’n lied is in 1995 de eerste single die het daglicht mag zien. Maar zoals wij al eerder vermeldden, geraakt geen enkele single van hem nog in de Vlaamse Top Tien, al rouwt Philippe daar niet om. Airplay krijgt hij nog steeds genoeg. Met Zeg het maar wordt nog eens geprobeerd de singlemarkt in te palmen, maar het blijft bij een vergeefse poging. Hij krijgt in 1995 tijdens een huldeconcert, vijf jaar na het overlijden van Wim De Craene, in Wetteren de “Wim De Craene-Prijs” overhandigd. Hij gaat ook weer op stap, deze keer met zijn theatervoorstelling “Op Visite”. Van 1996 tot en met 1997 gaat hij de boer op met zijn show “De stoet van verlangens” met de steun van de Nederlandse groep De Dopegezinde Gemeente, Vera Coomans en Guido Belcanto.

Met het oog op een nieuw album gaat hij zijn nieuwe liedjes eerst uittesten tijdens zijn tournee “Storm”, die uitmondt in het gelijknamige album dat in de maand mei 1997 in de winkels ligt. Philippe trekt voor de opname naar de Dureco-studio in het Nederlandse Weert. Hij wordt daar omringd door een twaalftal muzikanten. De productie is deze keer in handen van Gert-Jan Blom en het wordt verdeeld op het Dureco-label, op aanraden van zijn toenmalige kapitein van de ploeg Arthur Praet. “Dat was“, volgens Philippe, “nu net het leuke aan die samenwerking met Arthur. Die man ontlastte me van veel. Hij koos de medewerkers, gaf ook tips qua muzikanten en dat werkte positief. Hij was een soort coach voor mij. Bij het album ‘Storm’ gingen we dan ook een heel andere kant uit dan bij het album ‘Magie’. In plaats van in een hypermoderne studio te gaan opnemen, trokken we voor een veel kortere periode intens naar een wat oudere, maar meer authentieke. We werkten daar met oudere microfoons. We namen in amper vijf dagen tijd een volledige cd op. Oké, de Dureco-studio in Weert had een degelijke reputatie opgebouwd. We werkten daar met de juiste drive, we voelden alles en elkaar perfect aan. Het voordeel was dat we toen al met de tournee ‘Storm’ on the road waren. We speelden zo’n achttien voorstellingen na elkaar en daardoor hadden de liedjes zich al meester van ons gemaakt toen we in de studio aankwamen. En dat hoor je. Niet voor niets noem ik in het bijbehorende boekje bij de cd Arthur Praet de kapitein met naast hem Gert-Jan als gids.” Twaalf nieuwe liedjes sieren deze cd met muzikale steun van onder meer Gert Meert, Peter Buytaert, Gert-Jan Blom, Marcel Cuypers, Menno Daams en Sjoerd Dijkhuizen. De livesfeer en het professionele samenspel krijgen dus de bovenhand. Alles zat al een tijdje lekker in de vingers, want voorafgaand aan de opnamen vonden er achttien voorstellingen plaats. De muzikanten speelden zo goed als alles uit hun blote hoofd en die directheid hoor je ook op de plaat. Philippe klinkt donker, maar schrijft en zingt wél de liedjes die hem na aan het hart liggen, waarvan het schitterende Storm, dat een van zijn mooiste songs ooit blijft, en Bas bij R.E.M. op single verschijnen. Storm schoot Philippe op een nacht in zijn bed plots door het hoofd. Het was zo’n schitterende inval dat hij niet anders kon dan opstaan en het nummer in één ruk neerschrijven. “Het probleem met mensen die schrijven is dat ze ‘s nachts hun hersens niet on hold kunnen zetten. Je wordt plots wakker met turbulentie in je hoofd. Bij Storm overkwam me dat ook. Ik ben naar beneden gegaan en schreef bijna smekend: ‘Verlos me van de storm, ik hou het niet meer uit, laat de zee bedaren, ik zit vast in de kajuit.’” Opvallend op dat album zijn ook de integere ballads De onschuld, Feest en Donker.Donker is een soort nummer dat je schrijft wanneer je emotioneel kwetsbaarder bent dan anders. Ik kijk in dit liedje vooruit op mijn eigen liefdesleven, mijn eigen emotionele wereld. Ik kijk even vooruit om dan een flashback in te lassen. Het is een soort reis die ik maak waarin mijn eigen gevoelens centraal staan. Dat maakt het intenser… ‘We maken weinig tijd voor romantiek, die drempel hebben wij niet overschreden, al hielden we van wijn en klassiek, we hebben nooit aan de haard gezeten. We hebben beiden veel te hard gewerkt, de jaren zijn daardoor voorbijgevlogen. Ik heb van ouder worden niets gemerkt, we hebben onze leeftijd niet gelogen.’”

Wanneer het Koninklijk Ballet van Vlaanderen in 1998, twintig jaar na het overlijden van Jacques Brel, uitpakt met het theaterstuk “Brel Blues”, wordt Philippe een van hun uithangborden, samen met Jo Lemaire. In dit stuk van de hand van Elliot Tiber en André Ernotte duiken er negentien Brelchansons op. Het levert Philippe in de pers onnodige kritiek op. “Een weg bewandelen die niet meteen de zijne is”, wordt bijvoorbeeld in De Morgen een beetje laatdunkend becommentarieerd. Philippe wuift dit weg: “Ik leg dat naast me neer. In Nederland, waar men de cast niet eens kende, speelden we voor bomvolle zalen. We kregen staande ovaties. Ik ga me dan zeker niet storen aan een journalist die niet kan verdragen dat… Kijk, ik wil mijn zin hieromtrent niet eens afmaken.”

Datzelfde jaar gaat Robrecht in op een uitnodiging van NCRV Radio om samen met het Metropool Orkest vorm te geven aan een Brelproject waaraan ook Liesbeth List meedoet en met wie Philippe een duet mag zingen. Omdat Robrecht almaar vaker met Frank Boeijen wordt vergeleken, van wie Philippe vooral in de jaren tachtig een fan was, beslist platenfirma BMG/Ariola in 1998 in de reeks “Face to Face” Frank op één album te koppelen aan Philippe. Het wordt een overzicht van hun tot dan toe grootste hits en het album wordt een lekker meegenomen succes. Frank bracht al jaren in de Lage Landen een genre dat niet druk gebezigd werd en Philippe vond dat er ook in Vlaanderen ruimte was voor Nederlandstalige poprock. Clouseau liet hier en daar nog wat ruimte onbenut en hij probeerde dat op zijn manier in te vullen. “Frank is een respectabele artiest, een man die me boeide omdat we iemand van zijn allooi hier bij ons in Vlaanderen niet hadden. Hij was voor mij een soort schoolvoorbeeld. Ik begreep niet goed waarom er in ons land niet iemand was opgestaan die in die richting was geëvolueerd. Tot een duet met ons beiden is het niet gekomen, maar we werden wel ongevraagd door de platenfirma gekoppeld op dat album ‘Face to Face’. Het bewijst nog maar eens hoe de commerciële geest van die heren in elkaar zit en hoe een soort faire afspraak onbesproken en onbenut werd gelaten.”

Samen met Jo Lemaire is Robrecht in 1999 te horen tijdens enkele Piaf-voorstellingen in de AB. Datzelfde jaar is er zijn vijfde cd “Dwarsligger”, hem qua titel op het lijf geschreven. En kijk, Robrecht is opnieuw onderdak gaan zoeken bij platenfirma BMG. “Het waren de jongens van Kommil Foo, Raf en Mich Walschaerts, die me erop wezen dat de nieuwe baas bij BMG in stilte een fan van me was. Bleek die man ook nog in mijn buurt te wonen. Die man hield zich wat op afstand, gezien mijn eerdere minzame relatie met zijn firma. Ik ben dan maar op hem afgestapt. We komen tot een akkoord, maar wat blijkt? Na een maand verlaat die man het pand en kom ik bij wat mindere goden terecht.” Philippe trekt in de maand juni van dat jaar nog maar eens naar de “Crescendo Studio” in Genk met Pino Guarraci aan de knoppen en staat zelf in voor de productie, waarvoor hij een beroep doet op de muzikanten Peter Buytaert, Nico Manssens, Marc De Boeck en Koen Hellemond. De arrangementen worden uitgewerkt door Michelino Bisceglia. Als bonustracks staat Philippe erop liveversies neer te zetten van Emma, Storm, Fatsoen en Magie, ook een beetje op vraag van het Davidsfonds, dat dit album in zijn catalogus wil opnemen. De titelsong belandt als enige keuze op single. Enigszins hitgevoelig is het nummer Laatste lied. Geen toevallige keuze qua titel, want dit wordt wel degelijk het laatste liedje dat hij als Philippe Robrecht zal schrijven. Met de nodige energie en decibels gaat hij er nog eens stevig tegenaan in Begin van ‘t einde en Neem me mee, al gaat onze persoonlijke voorkeur uit naar het jazzy getinte Onderweg. Er volgt haast voor de hand liggend de theatershow “Dwarsligger”. Vanaf oktober 1999 tot en met de maand mei 2000 gaat Philippe samen met Vera Coomans de baan op in de productie “Gezongen romans”. Tijdens de zomer laat hij duidelijk horen, zoals hij dus met Laatste lied aangaf, dat hij als Philippe Robrecht geen zin meer heeft om zijn eigen songs te brengen. Hij gaat zich verbergen achter een rist nevenprojecten. Zo is hij in 2001 te horen in de theatershow “Ode”, een hommage aan verdwenen stemmen, waaraan ook Wigbert, dirk Blanchart, Kathleen Vandenhoudt, Sabien Tiels, William Reven en Tony Gyselinck meewerken. In zijn eigen studio houdt hij zich bezig met producties voor de groepen Triolone, met daarin zijn muzikale vrienden Peter Verhelst, Steven Van Looy en Nico Manssens, Hydra en Oeda. Hij richt uit lieverlee, gezien zijn avontuur met diverse platenfirma’s in het verleden, ook zijn eigen label op, Jamala (genoemd naar zijn dochters Janne, Marie en Lauranse). “Ik wist dat ik met die keuze mijn eigen koers te varen, de slagkracht en impact van die grote platenfirma’s moest missen, maar ik had er dat voor over. Ik wou niet meer meedoen aan die beslissingen en soms betweterij van die platenbonzen. Bij de media kende ik intussen mensen genoeg bij wie ik mijn producties zelf kon gaan afgeven. En we zien dan wel wat het wordt“, aldus een vastberaden Philippe Robrecht. Hij neemt in zijn “Robert Universal Studio” in Zele, waarnaar hij al een tijdje geleden is teruggekeerd, zijn album “Robrecht” op. Er wordt nog maar eens met klem gevraagd hem niet meer als Philippe Robrecht aan te kondigen; die persoon behoort voor hem tot een ver verleden. “Ik had het gevoel dat er in mijn carrière een breekpunt was aangebroken. Bewust staat er op het album ‘Dwarsligger’ de song Laatste lied. Ik wou de frustraties van me afschrijven dat de kansen via de media op dat moment zeer mager waren. Je werkt samen met een team anderhalf jaar aan een project waarvan je denkt dat de luisteraar er wat aan zal hebben. En dan ben ik achteraf boos dat je niet eens een echte kans krijgt om het aan je publiek voor te stellen. Niet eens de melding dat er een nieuw album van mij op de markt is… ‘Dit is m’n laatste lied, me bekeren doe je niet. Ik keer terug naar wie ik ben geweest. Dit is m’n laatste lied, me beklagen doe ik niet, de nieuwe helden staan voor je klaar.’” Robrecht laat zich wél nog omringen door zijn ouwe getrouwen: Nico Manssens, Steven Van Looy, Peter Buytaert en Bert Van Laethem. Als gasten treden ook Dirk De Caluwé op dwarsfluit en Leen Plaetinck als zangeres op, met wie hij het nummer Zonde der dans schrijft, dat tevens op single wordt uitgebracht. Voor de rest tekent hij voor al de songs, behalve het nummer Dagboek, dat hij samen met dirk Blanchart heeft geschreven. Het is een nogal folkgetint album waarbij opvalt dat de radio vooral het nummer Vogelvrij oppikt. Philippe zingt hier dan wel op dit album in het Nederlands, maar wat weinigen weten is dat hij eigenlijk pure folkrock wou brengen en dan nog wel in het Engels gezongen. Hij had trouwens een gans album in zijn hoofd zitten, uitgeschreven in die taal. Het nummer Vleugels bijvoorbeeld op het album “Robrecht” schreef hij eigenlijk onder de titel Wings, maar op weg met die liedjes naar een uitgever beseft Philippe maar al te goed dat hij dit niet moet doen. Die uitgever beaamt trouwens meteen wat Philippe al had vermoed. Hij blijft voortaan zijn moedertaal trouw. Een kleine noot bij het liedje Vleugels. Philippe schreef de basis daarvoor op een vroege ochtend in een houten hotel op een rustige plaats in Frankrijk en werkte het nadien verder uit tijdens een reis naar Senegal samen met Radio 2.

Om bij dit alles het theater niet uit het oog te verliezen, gaat Robrecht deze keer in zijn eentje op stap met als enig gezelschap zijn gitaar tijdens de voorstelling “Ankers”. Hij brengt de muzikale ankerpunten uit zijn carrière in een haast naakte versie. Het wordt een mix van eigen songs, aangevuld met vocale hoogtepunten van Wim De Craene, Louis Neefs en Zjef Vanuytsel, overgoten met Engelstalig werk van Elton John, David Bowie, Randy Newman en U2. Hij brengt al die songs puur en onversneden.

Op het einde van die tournee last hij in 2004 een rustpauze in, een zes maanden durende sabbat waarin hij wat bijtankt, ook een hoop spanning loslaat. “Het kwam niet mijn strot uit, maar fysiek en mentaal zat ik er even door. Ik wou loskomen van alles, loslaten zoals dat heet. Geen burn-out of zo, want schrijven lukte me nog vrij goed. Ik had ook nog een aantal nevenprojectjes lopen, had heel wat optredens afgewerkt. Een mens moet af en toe op adem komen en naar adem happen en dit was zo’n moment. Ik zat en zit nooit stil. Er kwam ook nog eens mijn eigen studio bij. Het was even op. Ik wou tijd vrijmaken om te sporten, te ontspannen met vrienden en dierbaren. Weekends werden plots echte weekends. Ik kwam tot het besef wat heropladen is en dat op zich deed veel deugd. Je moet dat niet uitstellen en dan zes maanden de riem afleggen. Je moet dat voortaan in je agenda inlassen.”

Intussen had Philippe samen met zijn kompaan De Wiene de groep Ballathum opgericht, waarin zij hun gezamenlijke liefde voor de Ierse muziek etaleren. Aanvullend worden zij op fiddle bijgestaan door Jo Temmermans. Ierse traditionals worden met veel verve en animo aan de man gebracht. De voorbije jaren was Philippe regelmatig naar Ierland afgereisd om daar het nodige materiaal op te snorren, songs van The Pogues, Christy Moore, The Dubliners en zovele anderen. Zij ontwijken de ambiance niet en zwepen hun publiek op om vooral mee te zingen en als het kan mee te stampen. Het livebeest Robrecht komt eindelijk aan zijn trekken. Na een tijdje en een dosis succes wordt de groepsnaam verlengd tot Ballathum XL. Omdat hij ook tuk is op bekende uptempo songs, ontleend aan de popmuziek, start Philippe met de groep The Roberta’s. Zij brengen hits van ZZ Top, The Police, Simple Minds, R.E.M., David Bowie, Talking Heads enzovoort. De klemtoon wordt niet zozeer op een onberispelijke uitvoering gelegd dan wel op geweldige sfeer. Muzikanten van dienst zijn, naast Philippe Robrecht, Peter Buytaert en Nico Manssens, die zichzelf de markt in prijzen als een groep die oude favorieten brengt, maar dan in een gebalde versie. Niet voor niets staan in hun agenda’s optredens vermeld tijdens “Marktrock” in Leuven, “Maanrock” in Mechelen, de “Gentse Feesten” en de “Fonnefeesten” in Lokeren.

Omdat optreden voor een publiek het liefste is wat Philippe doet, verschijnt er als een soort visitekaartje van zijn livekunde in 2005 het album “Robrecht live”, opgenomen de zeventiende juli op het Sint-Baafsplein tijdens de “Gentse Feesten” met liveversies van liedjes als Magie, Dwarsligger, Storm, Eva, Anne- Marie en het haast onafscheidelijke Vurige tongen. Op dit album krijgen wij een overzicht van de songs die hij tussen 1992 en 2002 over zes cd’s had verspreid. Qua begeleiding krijgt hij daarbij de steun van toetsenist Pino Guarraci, met wie hij intussen een nauwe band heeft gesmeed. “Het opzet op ‘Robrecht live’ was ramen en deuren nog eens openzetten en een bundeling brengen van wat we tot dan toe bijeen hadden gesprokkeld. Laten we eens genieten en profiteren van de energie die we de voorbije jaren geleverd hebben. Uiteindelijk werd dat een heel dankbaar initiatief. Ik voelde toen aan dat we naar de toekomst toe daar een groot stuk van gaan behouden om live te spelen. De herkenbare en meest geliefde nummers gaan we blijven behouden als ankerpunten tijdens onze concerten. Aanvullen natuurlijk met nieuw werk, want we blijven schrijven en renoveren. Hoe dat precies in zijn werk moet gaan, is voor mij nog een open vraag. Wordt het meer banjo en gitaar of halen we er in de breedste zin van het woord een toetsenist bij? Er mag me iemand daarin bijstaan in die beslissing, die me een beetje raad geeft, maar de eindbeslissing daaromtrent neem ik toch liever zelf.”

In 2007 zien wij Robrecht op Eén opduiken in het populaire “Zo is er maar één”, waar hij zijn versie mag brengen van de Bots-hit Zeven dagen lang, hem als het ware op zijn folklijf geschreven. Datzelfde jaar zien wij hem op het podium van “Houden Van” in het Antwerpse Sportpaleis, deze keer met nog maar eens een muzikale zijsprong van hem, De Purperen Heidenen, bestaande uit Philippe op bas, De Wiene op gitaar en Picqueur op klarinet en accordeon, alle drie al spelend en zingend in volkse, tijdloze en meeslepende liedjes én met de nodige dosis humor. Omdat het goedlachse graag voorrang krijgt, hapt Robrecht gretig toe wanneer acteur Mathias Sercu hem vraagt voor zijn theatershow “Staf Steegmans & De Ideale Omstandigheden”. Mathias, alias Staf Steegmans, kruipt in de huid van onder anderen Claude François en Ramses Shaffy om op een afwisselende manier hulde te brengen aan de disco, het levenslied enzovoort. De band, onder leiding van Bart Picqueur, brengt vertolkingen van Du, Save the last dance for me, I will survive en veel meer van dat, met optredens door onder meer Lieven Debrauwer, Jits Van Belle, Maaike Cafmeyer en Tom Van der Schueren. Diezelfde Mathias nodigt Philippe ook uit om mee te werken aan “Mathias Sercu en de Grote Meneren”, waarmee zij van 2009 tot 2011 op tournee gaan. Er wordt hulde gebracht aan popiconen zoals Elvis Presley, Bob Dylan, Elvis Costello, Roy Orbison en Michael Jackson met de muzikale en vocale steun van onder anderen Bart Picqueur, Peter Buytaert, Bjorn Verschoore en Philippe Robrecht zelf. Veel plezier beleeft hij ook aan zijn show “Robrecht & Fie”. Zanger Fie trad al eerder regelmatig op bij The Roberta’s en omdat het publiek zo tuk is op zijn stem, besluit Robrecht samen met hem en zijn Gibsongitaar de zalen in te trekken en dompelt het publiek onder in een bad van songs van Coldplay, The Kooks, Kings of Leon en Snow Patrol, stevig en zeer eigenzinnig gebracht en verpakt.

Omdat het onderwijs hem enorm na aan het hart ligt, biedt hij speciaal voor het lager en secundair onderwijs de educatieve show “Van Ukelele tot Contrabas” aan, waarin hij op een zeer aantrekkelijke en begrijpelijke manier de leerlingen laat kennismaken met de meest gebruikelijke snaarinstrumenten.

De eerste maart 2012 verrast Robrecht ons met zijn achtste album. Hij was intussen in alle rust liedjes blijven schrijven, in hoofdzaak tijdens zijn zomervakanties aan het water in zijn geliefde Ierland. Hij bundelt elf liedjes samen op de cd “Eiland”, een album waarvan je de teksten haast kunt lezen als een roman. Die liedjes kwamen haast organisch, impulsief tot stand, geschreven zoals ze in hem opborrelden, eerlijk geschreven. Zij vormen één verhaal, zijn erg autobiografisch, vertellen het zoeken naar, het dromen van, maar tevens het vasthouden aan. Het album wordt ook in Ierland ingeblikt samen met Gavin Ralston, die we nog kennen van zijn samenwerking met The Dubliners en The Waterboys. Ierland ligt Robrecht na aan het hart. Op zijn eiland daar komt hij tot rust. In een lokale pub van een van zijn Ierse vrienden treedt hij regelmatig op, gewoon akoestisch, en dan valt het hem op hoe het aanwezige publiek meteen aandachtig luistert. Je hebt er niet eens een p.a. voor nodig. Die liefde voor de Ierse muziek draagt Robrecht al sinds zijn jeugd met zich mee, die zit haast in hem verankerd. Ook de traagheid van het leven ginder ligt hem wel. Op het album “Eiland” leeft Robrecht zich uit in songs als Parels, Oude liefde, Sporen, Ver van hier en Gaan we door. In muziekuitgever Hans Kusters vindt hij een man die als één blok achter zijn project staat. Hij was het die Robrecht aanspoorde een soort snoepje, een ear candy, aan het album toe te voegen. Dat werd het nummer Ocean, een Engelstalige versie van zijn meest bekende song Magie, hier gezongen door Luke Murray. Als single wordt gekozen voor het nummer dat de lading van de cd volledig dekt, Maakt het wat uit. Er volgt een concertreeks in duo met Peter Buytaert. Het worden stuk voor stuk optredens die bol staan van gitaren en klankkleuren. Gestart wordt in maart 2012.

Om zijn vijftigste verjaardag extra in de verf te zetten, plant Robrecht in het voorjaar van 2016 een rist exclusieve concerten onder de noemer “Gold”. Hij brengt daarin al zijn favoriete songs: The Beatles, Pink Floyd, zijn geliefde singer-songwriters, solo met gitaren en piano. Robrecht belooft ons een bijzonder persoonlijk, maar gevarieerd programma voor een luisterend publiek dat weet wat genieten is.

“Robrecht & Fie” is zo’n grote meevaller dat de concertagenda tot in het late najaar van 2016 voor een groot deel met dit project ingevuld staat. Vanaf februari 2017 staan er een rist kleine concerten gepland, klein qua bezetting, onder de noemer “Als Philippe Robrecht”. Hij treedt deze keer op omringd door zijn gitaren en begeleid door een piano. Robrecht mikt op een zittend, luisterend publiek. De set duurt zo’n 75 minuten en bevat tal van zijn liedjes in een bewerking van het moment, met de blik van vandaag op liedjes uit verschillende tijden. Daardoor komt het verhaal nog sterker tot uiting en klinkt zijn stem breekbaarder dan ooit. Philippe haalt al de liedjes die hem dierbaar zijn uit de kast: Onder de sterren en de maan, Vurige tongen, Anne-Marie, Oude liefde, Magie...

Midden 2017 verrast Philippe Robrecht zijn fans en zelfs zijn naaste omgeving door zich voortaan in Ierland te gaan vestigen. Zijn verhaal in Vlaanderen lijkt daarmee uitverteld, of toch voor een tijdje. Op onze vraag of hijzelf nog iets daaraan wil toevoegen, mailde hij ons het volgende: “Vrienden van de muziek, vrienden van het Nederlandstalige lied. ‘Wat heb ik een tijd gehad’, zing ik in Grafschrift, uit mijn meest recente album ‘Eiland’, opgenomen in Ierland. En dat is volmondig hoe ik terugkijk op alles wat ik heb mogen doen, namelijk muziek maken in de meest ruime betekenis, hongerig aftastend wat allemaal kan, geen uitdaging te veel. Ik heb me bijzonder vrij gevoeld en gedragen binnen het speelveld. Ik vond niet dat bepaalde dingen ‘moesten’, ik vond vooral dat alles kon en dat mijn ‘drive & goesting’ de richting moesten bepalen. Voor sommigen paste ik niet in het plaatje dat zij in hun hoofd hadden… Dat leek me eerder hun probleem. Dat er andere manieren zijn om via muziek, zeker met mijn start, populariteit en omzet te genereren, hoef je me niet vertellen, dat is vanzelfsprekend. Even vanzelfsprekend was het voor mij om geen rol te spelen die vreemd aan me was. Ik was ‘te nemen of te laten’. Authenticiteit was en blijft heilig voor me, tegenover de muziek, jezelf, muzikanten, technici, de media en andere betrokkenen. Neen, dit is geen afscheid, wel een bladzijde om in zekere zin… Wij zetten de stap naar Ierland omdat ik mijn hoofd wil vrijmaken voor meer muziek, alweer in de breedste zin van het woord: schrijven, opnemen, optreden. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Ik heb er vooral veel goesting in, zeker in een omgeving die meer dan inspireert. Spreek me gerust aan wanneer iemand originele muziek of liedjes zoekt. Spreek me gerust aan wanneer iemand zijn liedjes wil opnemen op het schoonste eiland van de Ierse westkust, Inishbofin. Mijn R & C STUDIO (Relax & Create) is er, met een compleet nieuwe opname-set-up, helemaal klaar voor.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Ingeborg

Bij VTM lag Ingeborg jarenlang goed in de markt, de laatste jaren vertoeft zij liever in esoterische sferen dan op een podium of in een of andere hitlijst. Zij kan terugblikken op een rijkgevulde carrière en koestert nog altijd een aantal dromen. In interviews geeft zij grif toe dat zij politiek groengekleurd is, dat zij zich vaak perfect gelukkig voelt, dat we hier in dit leven staan om iets te leren over liefde, dat zij een perfecte mix is van haar beide ouders, dat zij het beschouwende van haar vader heeft en het expressieve van haar moeder, dat Jezus, Saint Germain, Maria en Boeddha haar spirituele helden zijn, dat zij Raymond van het Groenewoud zo menselijk echt vindt, dat zij haar zoon Robin eerlijkheid, openheid en eigenwaarde wil meegeven. Leuk om te weten, maar laten we beginnen bij het begin!

Ingeborg werd de vijftiende oktober 1966 als Ingeborg Thérèse Marguerite Sergeant in Menen geboren. Zij heeft een zes jaar oudere zus en drie broers. Mama was verpleegkundige die haar heil in Congo wou gaan zoeken, maar zij kwam onderweg de liefde van haar leven tegen en borg die droom dan maar op. In haar vrije tijd zong mama ontzettend graag, maar ging daar door omstandigheden nooit in verder, wat zij toch wel ergens jammer vond. “Mijn moeder is ooit auditie willen gaan doen bij het toenmalige N.I.R. en dat tijdens haar verpleegstersopleiding, maar de directrice van het internaat gaf mijn moeder geen toelating om daaraan deel te nemen. Daar heeft ze haar leven lang spijt van gehad“, aldus Ingeborg. “Wanneer ze tijdens familiefeesten zong, merkte je bij ons moeder altijd een sfeer van weemoed. Je zag zo dat ze dat graag deed.” Moeder zong dan Emmène-moi danser ce soir en Dag vreemde man, met misschien de notie in haar achterhoofd dat zij het als zangeres nooit had kunnen waarmaken. Maar ja, met vijf kinderen en een drukke zaak had ze duidelijk andere dingen aan haar hoofd.

Samen met haar man richtte moeder Sergeant een zaak op, gespecialiseerd in binnenhuisinrichting. Muzikaal passeerden thuis sterren als Elvis Presley en Frank Sinatra weleens de revue, net zoals de succesjes van de dag. Ingeborg groeide ook op met het gezelschap van Radio 2 op de achtergrond en de klassieker “Vragen staat vrij” op de zondagavond met tijdens het luisteren al wat weemoed in de schoenen, want ‘s anderendaags moest zij weer naar school. Weggerukt van huis, zo voelde dat aan, want zij zat dus op internaat. In Watervliet loopt zij tot het vierde leerjaar lagere school om nadien naar het Sint-Jozefsinstituut in Brugge te trekken. Op haar vijftiende wil zij naar de toneelschool, maar dat kon in die tijd nog niet en dus trekt zij naar de Katelijnestraat in Brugge om daar aan de Academie voor Schone Kunsten plastische kunsten te gaan volgen. “Ik was op school geen hoogvlieger, maar wel een harde werker om toch maar bij de middelmaat te horen. Ik voelde toen al aan dat die algemene vakken niet echt mijn ding waren. Dat kwam pas later tijdens mijn opleiding aan het Herman Teirlinck Instituut. Dat mijn uiterste best doen heeft me veel parten gespeeld. Ik heb onderweg, als ik nu terugkijk, te weinig genoten van het leven. Ik was te zeer bekommerd om het resultaat en dat zette een rem op het genieten. Mijn ouders verplichtten me niet daartoe, ik deed het echt voor mezelf en uit een soort eergevoel. Mijn broers daarentegen konden veel beter genieten van het leven dan ik.”

Aan de kunstacademie leert zij naar het leven te kijken, vooral aandachtig naar de wereld om haar heen. “Dit was voor mij, zeker na die periode in het strenge internaat, een verademing. Ik had daar nochtans zelf voor gekozen omdat ik in de winkel vaak was afgeleid, ik kon daar door de drukte om me heen niet studeren. Op de academie viel er iets van me af. Ik voelde me vrijer en leerde daar anders kijken naar de dingen en het leven. Ik keek kunstzinniger naar de wereld, naar mijn omgeving. Zelfs de schaduwen op de muren om me heen vielen me op. Dat was zo zalig dat je daar op die school in getraind werd. Je leerde er anders met licht om te gaan bijvoorbeeld, er vooral anders naar te kijken.

Ingeborg genoot er intens van dat zij kon tekenen en schilderen. “Vreemd, maar tegenwoordig doe ik dat niet meer. De leraars van toen aan de academie voelden blijkbaar snel aan dat tekenen en schilderen niet echt mijn ding was en dat mijn hart verlangde naar het theater. Gelukkig hielden ze daar rekening mee in hun beoordeling en wisten zij dat mijn opleiding daar maar een soort passage was naar mijn uiteindelijk doel. Gek, want intussen is er een opleiding drama bij gekomen die er in mijn tijd niet was.” Die liefde en die drang naar het Herman Teirlinck Instituut was er al lang: “Telkens als ik die bekende passage in de film “Singin’ in the rain” met Gene Kelly zag, wist ik het zeker: de wereld van het theater en vooral de musical moest ook mijn wereld worden. Het feit dat mensen in die film, ondanks die regen, konden dansen en zingen, dat raakte me als kind al. Die betovering van musical heeft me van in het begin gefascineerd. De combinatie van het zingen en de dansante verpakking sprak me erg aan. Het merken dat er meer tussen hemel en aarde gebeurde dan ik tot dan toe ervaren had, was voor mij een openbaring.” Bij Ingeborg was er toen nog geen sprake van spiritualiteit, maar het weten dat je de hemel op aarde kan creëren, was je van het, dat het leven veel meer is dan alleen maar eten, werken en slapen. Zij kon dat toen nog niet zo precies benoemen als nu, maar ze voelde het wel zo aan. “Ik kribbelde toen al gevoelens en indrukken neer op papier. Ik vond een tijd geleden nog een dagboek terug van toen ik dertien was en daar schreef ik vooral over de dingen die ik daarnet opsomde. Pas op Herman Teirlinck ben ik echt beginnen te schrijven en daar ontdekte ik dat wat ik van binnenuit schrijf, vanuit mijn diepste ik, voor mij ook de mooiste teksten oplevert.”

In 1984 is het dan zover, zij mag op haar achttiende naar het Hoger Instituut voor Dramatische Kunsten in Antwerpen, beter bekend als het Herman Teirlinck Instituut, waar zij in 1988 met grootste onderscheiding afstudeert. Mama was zo enthousiast en ondersteunend dat zij met haar zus en Ingeborg naar de auditie trok en zo fier als een gieter was dat haar dochter werd toegelaten. “We moesten vooraf getest worden en ze straalde van geluk dat ik geselecteerd werd, want ze had de uren voordien mensen zien passeren die om de beurt waren afgevallen. Op het einde van de dag kwam ik naar buiten en zette een triest gezicht op. Moeder in paniek met in haar achterhoofd het voorstel dat ik dan maar psychologie moest gaan studeren. Maar wanneer ik haar vertelde dat ik erbij was, klonk er een duidelijke bevrijdende yes. Vanaf dan heeft mijn moeder heel sterk met me meegeleefd. Mijn vader vertrouwde erop dat het allemaal wel in een goede plooi zou vallen.” Haar selectie schrijft Ingeborg nog altijd toe aan een dosis geluk. “Zeker dat. Ik heb altijd het gevoel dat ik vanuit het universum goed begeleid ben, mijn leven lang. Dat er een soort engelbewaarder met me meeliep. Alleen kon ik dat toen nog niet zo benoemen, ik was daar toen helemaal niet mee bezig. Daar zat trouwens ook een dosis overtuiging in. Ik had al mijn hobby’s zoals pianospelen, ballet enzovoort daarop afgestemd. Ik stapte ook niet binnen bij die jury met een dosis pretentie. Ik straalde wel veel goesting uit om toegelaten te worden, dat dit mijn ding was, mijn biotoop. Dat enthousiasme moet bij hen in het oog zijn gesprongen. En dat dan nog eens aangevuld met een dosis bijval, geluk.”

Dat eerste jaar was wel degelijk afzien. “In het begin had ik zoiets van: joepie, ik ben er, maar het werd heel snel erg confronterend. Ik zat plots op kot in een grote stad waar ik niet durfde te ademen, want ik kwam vanuit het groen. Ik hield daar letterlijk op straat mijn adem in. Ik moest plots keurig praten, want de Antwerpenaars verstonden geen West-Vlaams. En dan was er die moordende druk dat je na een eerste evaluatie in december toch nog overboord kon vallen en vervolgens ook nog eens in juni. Dus dat hele eerste jaar was figuurlijk nagelbijten. En plots werd ik ook geconfronteerd met al mijn beperkingen. In het begin voelde ik me erg tekortschieten. De directeur zei toen ook tegen me dat hij zag dat ik een lange weg moest afleggen, dat ik van ver kwam. Vooral omdat er een rist Nederlanders bij mij in de klas zaten en die kwamen veel meer ongeremd over. Ik merkte ook aan mijn bewegingen hoe beperkt mijn lichaam kon zijn. Op een bepaald moment dacht ik dat ik in een gekkenhuis was aanbeland. Als we ons bijvoorbeeld moesten inbeelden dat we wolken of sterren waren en dat dan moesten uitbeelden. Toen heb ik snel geleerd dat het veel makkelijker is in een situatie te duiken, dan toeschouwer te blijven en je dat allemaal aan te trekken. Ik moet wel eerlijk bekennen dat me dat pas achteraf heel duidelijk is geworden. Ik ben daar dus letterlijk gekneed en verlost geworden.

Hier werd Ingeborg dus als eenvoudige deerne, afkomstig uit een al even eenvoudig dorp in West-Vlaanderen, naar alle hoeken van de toneelkamer gestuurd. Gelukkig voelde zij zich goed begeleid door iets of iemand van hierboven die het positief met haar voorhad. Toen al was dit een gevoel dat haar niet losliet en waar zij zich pas vele jaren later intens op zou gaan toeleggen. Die stress van dat eerste jaar werd in het tweede jaar gecompenseerd door er met wat meer gemak en plezier aan te beginnen. Ingeborg koos toen definitief voor de richting kleinkunst. “In het eerste jaar zat ik nog in de richting toneel. In dat tweede jaar ging het er gemoedelijker en vrijer aan toe. Ik vond daar snel een gelijkgestemde ziel