Take Five

Dave Brubeck stelde in de loop van zijn carrière vaak vast dat jazzmusici hun publiek niet genoeg uitdaagden om vaker op zoek te gaan naar avontuurlijke ritmes. Dat is precies wat hij deed toen hij het nummer Take Five in handen kreeg. In 1959 was hij druk bezig met zijn nieuwe album “Time Out”, het jaar dat Miles Davis op de proppen kwam met “King of blue” en John Coltrane met “Giant Steps”. Er gebeurde veel op jazzgebied, er werd geëxperimenteerd, maar volgens Brubeck werd er nog te vaak in de maat 4/4 gespeeld. Na een reis naar Turkije had hij besloten ritmisch wat meer te gaan switchen op zijn volgende plaat. Hij had daar een groep straatmuzikanten aan het werk gezien en hij wou iets van hun manier van spelen, zoals hij dat had gehoord tijdens de vertolking van een zeybekdans (populair in Centraal en Zuid-Turkije) ook in zijn muziek toepassen: eens een keertje bijvoorbeeld spelen in de maat 9/8.

Tijdens de zomer van 1959 trekt Dave naar de opnamestudio samen met altsaxofonist Paul Desmond, contrabassist Eugene Wright en drummer Joe Morello. Producer van dienst is Teo Macero. De elpee moet een experimenteel album worden, dat was het uitgangspunt. Er moet ritmisch voortdurend worden afgewisseld: 6/4, 9/8 en ook 5/4. De directie van zijn platenfirma Columbia Records fronst de wenkbrauwen en stelt zich daarbij toch een aantal vragen. Ze gaan uiteindelijk akkoord op voorwaarde dat Dave in het voorjaar van 1959, samen met zijn kwartet, eerst het album “Gone with the wind” uitbracht, een elpee met daarop bekende Amerikaanse songs als Swanee River, Georgia on My Mind, Basin Street Blues en Ol’ Man River. Het album werd in twee dagen tijd, de tweeëntwintigste en drieëntwintigste april, ingeblikt.

Drummer Joe Morello speelde hier en daar tijdens een optreden af en toe een solopartij in de maat 5/4 en stelde vast dat het publiek daar nogal enthousiast op reageerde. Daarom had hij voor de nieuwe plaat aan Dave voorgesteld dat hij een nummer in dat tempo zou schrijven. Dave aarzelde, maar Paul Desmond ging akkoord. Ook al staat hij genoteerd als de componist van Take Five, toch blijkt het geen eenmanswerk te zijn geweest, want buiten twee belangrijke ideeën was het vooral de samenwerking van het kwartet dat tot het eindresultaat heeft geleid.  Paul had twee losse thema’s bedacht die Dave tot een geheel smeedde. De titel Take Five was een idee van Brubeck zelf. Het nummer stond na twee takes definitief op band, maar Desmond wou er niets van weten. Hij vond het maar niets.

Brubeck hield voet bij stuk en het nummer kreeg een ereplaats op het album “Time Out”. Nu nog het probleem van de hoes oplossen, want ook met die keuze ging de directie niet akkoord. Die was ontworpen door de vaste ontwerper bij Columbia Records, de Hawaïaanse kunstenaar S. Neil Fujita. Gelukkig kreeg Brubeck steun van de toenmalige grote baas van Columbia Records Goddard Lieberson, die voor honderd procent achter dit album stond. De veertiende december 1959 wordt de elpee in de markt gezet. De kritiek is niet mals, maar het publiek is er weg van. Binnen de kortste keren is de eerste persing uitverkocht. Twee nummers steken boven de rest uit, het opvallende Blue Rondo à la Turk en Take Five. De singlekeuze valt meteen op Take Five, want Blue Rondo duurde te lang om op single te worden gereleaset, de dj’s zouden die toch nooit draaien. Iedere doordeweekse muziekliefhebber werd meteen gegrepen door de drumsolo die in het midden van het nummer opduikt. Het had nochtans niet veel gescheeld of die was ertussenuit geknipt. De single geraakt zelfs tot in de poplijsten en staat in de maand maart van 1961 op de vijfentwintigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. De plaat was trendsettend voor een rist jazznummers die in de maat 5/4 zouden volgen.

Het album “Time Out” werd een van de bestverkopende jazzelpees ooit. Dave was daar erg trots op, ook al moest hij bij zijn firma vechten tegen de bierkaai omdat het album onder meer bol stond van de nieuwe nummers: “Well, they were wrong. It worked. And you have to be in tempos that the public can dance to. Well, they couldn’t dance to most of Time Out unless you got into some dance halls where people could dance to 5/4 and they did dance to it. So it’s exposure. And also they didn’t want a painting on the cover. I was breaking a whole bunch of rules.”

Het kwartet kwam niet onder het succes uit, want tijdens hun daaropvolgende concerten stond Take Five steevast op hun repertoire. De vrouw van Brubeck, Lola, schreef iets later een tekst op Take Five, onder meer gezongen door Carmen McRae.  Paul Desmond componeerde later een variant op Take Five, Take Ten.. In 1962 zette Richard Anthony een gezongen Franstalige versie op plaat als Ne boude pas

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

Maria Elena

In 1933 componeerde Lorenzo Barcelata de evergreen Maria Elena die hij opdroeg aan Maria Elena, de vrouw van de toenmalige president van Mexico, Portes Gil.  Het was S.K. Russell die dit liedje van een Engelse tekst voorzag en de negentiende maart 1941 nam Jimmy Dorsey dit liedje op plaat op.  Het wordt zijn derde million seller na  Amapola en Green eyes. De plaat blijft zeventien weken na mekaar een echte bestseller met een top 1-notering als kroon op Dorseys jaarprestatie én op het palmares van zijn orkestzanger Bob Eberle.

In 1958 voegt de Franse operettezanger Luis Mariano Maria Elena aan zijn repertoire toe, maar het zou toch wachten zijn tot 1963 vooraleer het nummer een echte wereldhit zou worden. Het zijn twee Braziliaanse gitaristen die van Maria Elena een onsterfelijke versie neerzetten: Muçaperé en Erundi, geboren in een gezin van veertien kinderen, zonen van het stamhoofd van de indiaanse Tabajarastam, wonend in Cearà in het noordoosten van Brazilië. In 1932 wordt hun wat afgezonderd gelegen stam bezocht door een regiment van het Braziliaanse leger. Die slaan daar de volgende zes maanden hun kamp op. De priester die met hen is meegereisd, doopt de kinderen en geeft hun Spaanse namen. Zo worden Muçaperé en Erundi, Natalicio en Antenor Lima, genoemd naar de aanwezige legercommandant. Wegens de aanhoudende droogte beslist hun vader Mitanga te voet met het ganse gezin, in het kielzog van de terugkerende soldaten, richting Rio de Janeiro te stappen, tweeduizend kilometer ver, om daar hun heil te zoeken. Onderweg klussen ze wat bij en geraken aan eten door te jagen en vis te vangen. Ze zijn de Portugese taal niet machtig en hebben evenveel moeite om met geld om te gaan. Het verhaal wil dat Natalicio en Antenor onderweg een gitaar vinden die daar iemand had achtergelaten en geraken erdoor begeesterd. Na drie jaar bereiken ze pas in 1936 Rio de Janeiro. Intussen hebben ze eigenhandig op de gitaar leren tokkelen en zingen een aantal traditionele liedjes die ze van hun ouders geleerd hadden. Zij maken zich de Portugese taal eigen en Natalicio en Antenor verfijnen hun optreden en gaan in bars en cafés in Rio optreden als Los Indios Tabajaras om op die manier aan geld te geraken. Zij dossen zich uit in hun traditionele kleurrijke klederdracht en geraken stilaan bekend in Zuid-Amerika. Na het zien in 1945 van de film “A song to remember”, in een regie van Charles Vidor, over het leven van Frédéric Chopin, geraken de jongens begeesterd door klassieke muziek en gaan zich meer toeleggen op het bespelen van de klassieke akoestische gitaar. Eerst spelen ze thuis de platen na die ze kopen en Natalicio leert in zijn eentje noten lezen.  Hij bouwt ook eigenhandig een gitaar waarmee hij hoge noten kan spelen, hoger dan op een normale akoestische gitaar.

Na een optreden voor “Radio Cruzeiro do Sul”, tekenen ze in 1945 een contract bij platenfirma RCA. Pas in 1954 scoren ze hun eerste grote hit Pajaro campana. Zij nemen daarnaast ook composities van Chopin, Heitor Villa-Lobos en Rimskyi-Korsakov op. Zij sleutelen steeds meer aan hun optreden. In het eerste deel spelen ze in kleurrijke klederdracht Zuid-Amerikaanse muziek en na de pauze, uitgedost in smoking, hun klassieke repertoire.

 

In 1958 nemen Los Indios Tabajaras voor RCA het album  ”Sweet and Savage”  (nr. LSP 1788) op met daarop het nummer Maria Elena. Op de elpee hoor je hen uitsluitend op hun akoestische gitaren.  Zij worden nadien uitgenodigd om in New York op te treden tijdens “The Ed Sullivan Show” en krijgen een deal om twaalf weken op te treden in  de radioshow van Arthur Godfrey, maar hun plaat raakt kant noch wal. Tegen 1960 keren ze ontgoocheld naar Rio de Janeiro terug.

Het is echter wachten tot 1963 vooraleer Los Indios Tabajaras wereldbekend worden met Maria Elena. Dat liedje werd dat jaar gebruikt door het New Yorkse radiostation WNEW om er hun nieuwsberichten mee te beginnen en te eindigen. Dit was een idee van radioproducer Mike Comito. Er is zoveel vraag naar Maria Elena dat RCA besluit het in Noord-Amerika op single uit te brengen. Deejays pikken de plaat op en in de maand september van 1963 staan Los Indios Tabajaras ermee op zes in de Amerikaanse Top Honderd. In Engeland zit er zelfs een vijfde plaats in de Top Veertig in. In het totaal worden er méér dan anderhalf miljoen exemplaren van verkocht en met goud bekroond. Het jaar nadien wordt het nummer Always in my heart  verkozen als hun volgende single, maar het nummer geraakt in de States niet verder dan de vierentachtigste plaats. In de nasleep van dat succes treden zij de jaren die volgen zo’n twintigmaal op in de Amerikaanse “Johnny Carson Show” en spelen samen met grote symfonische orkesten. Op hun concertlijst prijken zo’n veertig landen. Al die tijd worden ze gemanaged door Marcel Ventura.

In 1964 maken we hier bij ons in de Benelux met hen kennis wanneer zij optreden voor de Nederlandse televisie tijdens het “Grand Gala du Disque”.

Je zou Los Indios Tabajaras als een soort onehitwonders kunnen bestempelen, maar gedreven als ze waren, bleven ze platen uitbrengen en profileerden zich meer en meer als een elpeegroep. In het totaal namen Los Indios Tabajaras achtenveertig albums op. Hun aandacht ging daarbij vooral uit naar het op plaat vastleggen van easylisteningmuziek met veel oor voor bekende evergreens zoals: Begin the beguine,  You are always in my heart ,  Blue moon en  Amor.

In 1979 verschijnt bij RCA in de reeks ” The Originals” de elpee Maria Elena met daarop twaalf van hun bekendste successen en met een introducerend woord op de hoes van Skip Voogd. Wanneer Antenor zich datzelfde jaar terugtrekt, besluit Natalicio verder op te treden samen met zijn Japanse vrouw Michiko Mikami. Zij is van opleiding een klassiek geschoolde concertpianiste. Uit liefde voor haar man en om samen met hem te kunnen optreden als gitaarduo, studeert zij vijftien maanden onafgebroken om het gitaarspel in de vingers te krijgen. Twee jaar later brengen ze samen het album “Beautiful sounds” op de markt.

Natalicio wordt een tijdje later ziek en overlijdt in 2009.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

The String-A-Longs

Tijdens de jaren 50 droomden tieners luidop van een eigen rockgroep. Daar waar hun ouders er in hun tijd alleen maar van durfden te dromen, werd het voor hen, met een paar dollars op zak, almaar gemakkelijker om versterkers en gitaren op de kop te tikken. Dat was ook het geval voor enkele tieners in Plainview, Texas. Hier hadden Richard Stephens en Keith McCormack zich elk een gitaar aangeschaft en hun vriendje Aubrey de Cordova was de gelukkige bezitter van een basgitaar. Hun eerste groepje, The Patio Kids, werd snel werkelijkheid. In  1957 werd het trio een kwintet en noemden ze zich voortaan The Rock ‘n’ Rollers. Intussen hadden ze hun groep uitgebreid met drummer Charles Jay Edmiston en gitarist Jimmy Torres.

Ze mochten een demo maken voor een radiostation in Amarillo en die opname viel zo mee dat het officieel op het Ven-label werd uitgebracht. Keiths moeder was zo in de ban van de carrière van haar zoon dat ze haar spaarcenten in een professionele opname investeerde. Die vond plaats in de studio’s van Norman Petty in het stadje Clovis. Charles hield het toen net als drummer voor bekeken en werd vervangen door Don Allen nadat de groep nog eens van naam had gewisseld. Voortaan zouden ze zich verkopen als The Leen Teens.Tijdens hun eerste sessie bij Norman Petty die drie uur duurde, namen ze twee songs op: So shy en Dreams about you. Petty kon een deal versieren bij Imperial Records, maar die eerste single flopte volledig. Drie jaar lang bleven de jongens nummers inblikken, maar Petty had moeite om ze gereleaset te krijgen.

In 1960 waren er opnieuw opnamesessies gepland, maar deze keer moest hun zanger Keith McCormack verstek laten gaan omdat hij niet bij stem was. Petty stond erop dat de jongens toch langskwamen en presenteerde hun een eigen instrumentaal nummertje Wheels. Even opmerken dat Wheels enkele weken voordien geweigerd werd door de belangrijkste gitaargroep die Petty in huis had, The Fireballs. Enkele maanden later, na de opname, kregen de jongens een brief van Norman Petty dat ze voortaan als The String-A-Longs geadverteerd zouden worden.

Oorspronkelijk hadden Richard Stephens en Jimmy Torres het nummer geschreven onder de titel Am I asking too much. Op de B-kant van de single stond een compositie die Wheels heette, geschreven door Norman Petty. Toen de single gereleaset werd, bleken de etiketten op de single fout gekleefd en werden beide titels verwisseld . Am I asking too much (geschreven dus door Norman Petty), was Wheels geworden en omgekeerd. Het gevolg was dat ook de schrijvers van de twee songs verwisseld werden. Toen Wheels (Am I asking too much dus) een grote hit werd, claimde Norman Petty doodleuk de auteursrechten, ook al had hij het niet geschreven. Toppunt is dat hij na een lange juridische strijd ook nog deels gelijk kreeg. Sedertdien is hij officieel een van de auteurs, samen met Richard Stephens en Jimmy Torres. Mocht je op zoek gaan naar beide nummers, je vindt die op de verzamelaar “Wheels”, in de maand oktober 2009 uitgebracht op het Ace-label.

Petty had intussen een aanbod gekregen van Warwick Records om gelijktijdig twee singles uit te brengen. Aanvankelijk weigerde Petty omdat Warwick de kwalijke reputatie had achteraf slechte betalers te zijn, maar toch waagden ze het erop. Wheels werd nu uitgebracht met als B-kantje Am I asking too much, alsook het nummer Tell the world met als ommekantje For my angel. De beide B-kantjes waren gezongen versies van liedjes die ze al eerder hadden ingeblikt. Wat niemand verwacht had, gebeurde toch. Binnen de kortste keren stond Wheels in 1963 in de Amerikaanse Top Vijf en iets later werd het zelfs een hit in Engeland  (daar uitgebracht op het London-label). Niet dat ze geen concurrentie te duchten hadden, want de hitlijsten stonden bol van instrumentaaltjes zoals Ja-Da van Johnny and his Hurricanes, F.B.I. van The Shadows en Riders in the sky van The Piltdown Men.

Wheels werd een wereldhit voor The String-A-Longs met een totaalverkoop van 7 miljoen exemplaren. Billy Vaughn had intussen met zijn orkest ook een versie uitgebracht, maar die deed het alleen beregoed in Duitsland. De andere landen tipten liever op de pretentieloze versie van The String-A-Longs. Wheels werd in Nederland de debuutsingle van The Jumping Jewels uit Den Haag. Zij haalden in Nederland de hoogste regionen in de Top Veertig. De jongens beaamden dat zij het nummer gecoverd hadden van Billy Vaughn, al lijkt hun gitaarstijl op die van The Shadows.

Het hitverhaal van the String- A- Longs zou nochtans snel zijn uitverteld. Hun opvolger Brass buttons geraakte tot op de vijfendertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred en de daaropvolgende single Should I klom niet hoger dan de tweeënveertigste. De platendeal met Warwick werd in 1962 opgedoekt. De firma was, ondanks het succes met Wheels , in financiële problemen geraakt. Toch zouden er nog een tiental singles volgen, onder meer uitgebracht op het Dot-label. Voor de groep zelf leek hun succes ook niet zo rooskleurig, want veel verdienden ze niet aan hun optredens. De meer lucratieve deals, zoals televisieoptredens en tournees in het buitenland, werden steeds door Norman Petty afgewezen om redenen die de groep nooit heeft kunnen achterhalen.

Na wat heen-en weergesleur, bracht Petty de groep onder bij Dot Records en daar werd als single voor het nummertje Twist watch gekozen, geschreven door Jimmy Torres. Het werd een meevaller en dus volgden nog andere releases  waaronder  Spinnin’ my wheels, Mathilda en Summertime. We mogen aannemen dat rond 1965 Petty besloot geen nummers van The String-A-Longs meer uit te brengen. Hij vroeg wel drie jaar later aan Keith McCormack om Jimmy Gilmer als zanger bij The Fireballs te vervangen en daar zou Keith ook de volgende zes jaar blijven. Mocht u opnamen in het bezit hebben van The String-A-Longs in 1969, gereleaset op het Atco-label, weet dan dat die nummers gewoon door The Fireballs werden ingespeeld, een truc waarvan sommigen beweren dat Norman Petty die wel vaker gebruikt zou hebben. In een interview merkte Keith ooit op dat mocht Petty de trends hebben gevolgd, The String-A-Longs heel wat meer hits hadden gescoord, maar Petty bleef halsstarrig vastgeklit aan die ene formule en dat werd zowel hen als The Fireballs uiteindelijk fataal.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Sanne

Sanne was zeventien toen zij regelmatig optrad met onder andere liedjes van één van haar idolen Linda Ronstadt. Geen haar op haar hoofd dat er toen aan dacht full time zangeres te worden, want Sanne wilde gaan voortstuderen aan de universiteit. Optreden voor een publiek was voor haar op dat moment niet meer dan een hobby. Later zou ze zich echter volledig kunnen uitleven in de talrijke concerttournees langsheen de culturele centra die ze gaf met haar man Erik Van Neygen. In zijn boek  ”Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse Showbizz” herhaalt auteur Manu Adriaans tot tweemaal toe dat hij Sanne, vooral wat de jaren negentig betreft, als de mooiste stem van Vlaanderen beschouwt.

Sanne werd als Sandra Denotté en als enig kind de tweeëntwintigste maart 1973, de dag dat Will Tura trouwde, in Bornem, gelegen op de rechteroever van de Schelde in de buurt van Puurs en Sint-Amands, geboren. Papa was in Bornem geboren, mama in Sint-Amands. Tot hun veertiende waren ze beiden naar school geweest. Nadien gingen zij werken in het bedrijf van papa’s schoonbroer. Zijn zus was gehuwd met een zakenman, eigenaar van wat nu is uitgegroeid tot Spiessens NV. de grootste speciaalzaak voor rotanmeubelen in de Benelux. Papa maakte daar meubelen op maat. Na de geboorte van Sandra bleef mama thuis werken in het atelier dat achter het huis was gelegen. Mama herstelde daar rotanstoelen en bekleedde de meubels waar het nodig was. Na de geboorte van Sandra besloten haar ouders het bij die ene dochter te laten. Papa had altijd van een dochter gedroomd, dus die had hij nu en mama kwam uit een gezin van twaalf kinderen en wist wat haar alleenstaande moeder zich daar voor had moeten ontzeggen. Sandra kende een onbezonnen jeugd, al stelt de dokter wanneer zij  twee is een taaie ontsteking aan de urineleiders vast. Die dwingt haar tot haar achtste levensjaar haast voortdurend antibiotica te slikken. Mentale sporen laat dat bij haar niet na.  Sanne ontplooit zich als een echte tomboy die graag stoeit met haar vriendjes, want vriendinnetjes kan zij op één hand tellen. Gespeeld wordt er langs de oevers van de Schelde. Gezongen wordt er ook, thuis door mama, die de ganse dag naar de radio luistert, verliefd is op Duitse schlagers in het algemeen en liedjes van de Zangeres zonder Naam in het bijzonder. Mama houdt ook veel van het repertoire van country zangeressen als Linda Ronstadt en Emmylou Harris. Die liefde voor mooie zangstemmen en countrymuziek geeft zij graag door aan haar dochter. Sandra op haar beurt zingt al van in de tweede kleuterklas. Zij trekt in die tijd elke dag naar de Sint-Vincentiusschool in Branst, een dorpje pal naast Bornem gelegen. Sandra, die we vanaf nu maar Sanne zullen noemen, herinnert zich nog tekst en melodie van het eerste liedje dat zij zong Liedje van de postman. Daar bestaat zelfs nog een cassette-opname van. Ook zingt zij in de kerk tijdens de eerste communieviering. Zingen was toen al voor haar een soort tweede natuur, maar er bij haar op aandringen dat zij daaraan voort moest werken, deed niemand. De lagere school glijdt rustig aan haar voorbij. Van huis uit staat eenvoud hoog in het vaandel en in die sfeer van eenvoud voelt Sanne zich op haar best. Zij zal trouwens de rest van haar leven die eenvoud zoveel mogelijk trouw blijven.

Sanne is een prima leerling met altijd goede schoolresultaten. Ook als zij na de Sint-Vincentiusschool in Branst op haar twaalfde overstapt naar het Instituut Onze-Lieve-Vrouw Presentatie gelegen aan het Kardinaal Cardijnplein in Bornem. Sanne volgt de afdeling Latijn-Wiskunde. Zij treedt vanaf haar veertiende hier en daar sporadisch op tijdens soundmixshows die in de jaren tachtig erg in waren.  Met haar vriendin zingt zij I know him so well uit de musical “Chess” erg bekend in de hitversie van Barbara Dickson en Elaine Page. Op haar vijftiende leert zij tijdens een soundmixshow Helmut Lotti kennen die toen nog optrad als Elvisimitator met opvallende bakkebaarden. Een tijdje later zal hij haar vragen mee te zingen in zijn backinggroepje wanneer hij met zijn eerste hit “Kom nu” op de proppen komt.

Sanne besluit in 1989 deel te nemen aan de VTM Soundmixshow. Zij zingt The Winner Takes It All van Abba, maar geraakt niet tot in de halve finale. Een keerpunt voor Sanne, zowel privé als carrièrematig, wordt haar optreden de vierde november  1989 wanneer zij tijdens het fanbal van Eric Flanders, die net een hit had gescoord met Zo moet mijn meisje zijn, in Puurs in de provincie Antwerpen een aantal covers zingt, onder meer Blue bayou van Linda Ronstadt en Stand by your man van Tammy Wynette. Omdat Sanne niet zo met het verleden leeft, is zij het merendeel van haar repertoire van toen zo goed als vergeten. Wat zij wel goed onthouden heeft is dat Erik Van Neygen die avond na haar mag optreden. Zij kende hem toen al als de zanger van de betere liedjes. Hij volgt haar performance vanuit de coulissen en is meteen gecharmeerd door haar stem. Sanne herinnert zich nog in detail dat hij in de kleedkamer voor de spiegel stond met een groene kam om zijn golvende haren in de juiste plooi te leggen en haar met zijn  mooie ogen warm aankeek. Een afspraak maken doen zij die avond niet. Een paar weken later ontmoeten zij elkaar opnieuw wanneer Sanne in het koortje van Helmut Lotti mag optreden tijdens een opname van “Tien om te Zien” in Denderleeuw.  Erik vraagt aan Sanne of zij hem niet een cassette kan sturen met enkele liedjes die zij heeft ingezongen. Dat worden onder andere Een vriend van Margriet Hermans en een liedje van Micha Marah. Na het beluisteren, neemt Erik meteen contact op met Sanne, want hij droomt er al jaren van een duet op te nemen met een goede zangeres, maar de geschikte stem daarvoor heeft hij tot nu toe niet gevonden. Erik nodigt Sanne thuis uit en samen beluisteren zij enkele nummers en bespreken een eventuele samenwerking die er ook heel vlug komt, want Erik had tijdens een vakantie in Joegoslavië Dome Moj van Meri Cetinic opgepikt, in 1989 de inzending voor het liedjesfestival in Split, zeg maar de “Baccarabeker” van de Balkan. Meri is een zeer populaire zangeres, in Split geboren, nu gelegen in het huidige Kroatië. Samen met Willy Smets had Erik de tekst  voor Veel te mooi klaargestoomd. Erik zingt Sanne het liedje eerst voor en meteen na hem mag zij inpikken. Er wordt vrij snel beslist dat zij gaan samenwerken en Veel te mooi als duet gaan inzingen in de studio. Op weg naar die bewuste studio voelt Sanne zich zeer onwennig, op van de zenuwen. Zij moet overgeven, ziet er lijkbleek uit en voelt zich naar Erik toe nogal onaantrekkelijk. Maar die angst blijkt ongegrond, want na een take of twee is Veel te mooi een feit. De single wordt meteen door het publiek opgepikt. Acht weken lang voeren Erik en Sanne de Vlaamse Top Tien aan, negen weken na mekaar op één in de hitlijst van “Tien om te Zien”, één week op één in VTM’s “Super Top Vijftig”, goed voor méér dan zeventigduizend verkochte exemplaren. Voor Erik en Sanne worden het drukke maanden van veel interviews weggeven en optreden, soms tot acht keer in één weekend. Achter de schermen wordt het snel duidelijk dat Erik en Sanne twee handen op één buik zijn. Niet alleen muzikaal, maar ook mentaal kunnen zij het goed met elkaar vinden. Zij groeien snel naar elkaar toe en worden verliefd. Voor Erik geen gemakkelijk periode, want hij wil zijn huwelijk niet zomaar overboord gooien. Maar de liefde overwint alles en daarop vormen zij geen uitzondering. Voor de roddelpers zijn zij hét ideale koppel, een hapklare brok. In een interview met Humo zei Sanne daar een tijdje later het volgende over:  “Voordat onze relatie een item werd in de pers, was er nog nooit op zo’n manier over het privéleven van Vlaamse artiesten geschreven. Wie met wie omging, daar werd voordien niets over gemeld, al was het nog zo bekend in het milieu. Dat soort schroom leggen journalisten nu alleen nog aan de dag voor homorelaties in de Vlaamse showbizz. Iedereen weet wie homo is en zich als hetero voordoet, maar daar wordt met geen woord over gerept”.  Wanneer zij in 1990 hun eerste hit scoren is Erik negenendertig en Sanne achttien. Het cliché een oude bok lust wel eens een groen blaadje duikt meermaals op in de media. Het was snel gegaan. In november 1989 ontmoeten zij elkaar voor het eerst. Iets later nemen zij Veel te mooi op. Wanneer dat tegen de zomer van 1990 een dikke hit is, moeten zij in het weekend haast constant ergens optreden. Zij zien elkaar heel vaak en groeien snel naar elkaar toe. Mama Denotté is de eerste die het in de gaten heeft en praat er met Sanne over. Maar de liefde tussen Erik en Sanne groeit zo snel en wordt zo sterk dat zij het niet willen verbergen, ook niet voor de pers. In de maanden september en oktober van 1990 duiken zij om de haverklap in de boekjes op. Erik heeft het er moeilijk mee omdat hij gehuwd is en twee kinderen heeft. Wat hem en Sanne overkomt, schrijft hij nadien van zich af in liedjes als Nooit meer bang en Schim in dit huis. Marc Van Caelenberg voelt hen erg goed aan en verwoordt hun gevoelens perfect in de liedjes Ademloos en Huis aan het water die hij voor hen schrijft. Het zijn liedjes die Erik tot de mooiste uit zijn repertoire rekent.

Na het succes van Veel te mooi is er de door Erik gezongen single Het spijt me, een vertaling van het nummer  Oprosti, in 1990 in Joegoslavië een hit voor Doris Dragovic. De dertiende oktober 1990 staat Erik met Het spijt me op één in de Vlaamse Top Tien, wat hij samen met Sanne twee maanden later nog eens overdoet met Aan mijn darling dat wij in Vlaanderen voordien al kenden in de originele versie van Will Tura. In 1990 duikt Sanne op in de Oost-Vlaamse ploeg tijdens de Baccarabeker in Middelkerke. Zij vormt samen met The Sunriders en Bert De Corte een hecht team. De winnende ploeg wordt Brabant bestaande uit B.J. Scott, Eleonor Bernair en Samantha Gilles. Dat jaar krijgt Sanne van VTM een “Gouden Oog” als populairste zangeres van dat moment, nadat zij van Radio 2 tijdens Zomerhit de trofee kreeg voor het beste debuut van het voorbije jaar.

Na hun eerste lading hits nemen Erik en Sanne in 1991 in alle vriendschap afscheid van Assekrem en stappen over naar BMG/RCA. Ze gaan meteen aan de slag met de opnames van Sannes eerste soloalbum “Veel liever” waarvan Erik de producer is. Het album, opgenomen in de Studio Spell van Cees De Wit in het Nederlandse Weert, verschijnt reeds in 1991. Gearrangeerd wordt er door Jerome Munafo en Theo Breuls die eerder zijn stiel had geleerd bij Telstar onder de dominante vleugels van Johnny Hoes. Erik schrijft speciaal voor haar O liefste, samen met Willy Smets Plaats in mijn leven en met Marc Van Caelenberg het schattige Martijn. Er wordt ook vertaald, songs van Betsy Cook en Linda Thompson, van Jackson Browne, Rodney Crowell en Zrinko Tutic. Een gouden hit is weggelegd voor hun nummer één duet Aan mijn darling van Will Tura, gevolgd door Oostendse wind dat als single onthaald wordt op een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien tijdens de lente van 1991.

Maar BMG dringt ook meteen aan op een album met hun tweetjes en dat wordt in 1991 “Mee met de zon”. Duetten en sololiedjes wisselen elkaar af. Er wordt onder aanvoering van Erik als producer opnieuw opgenomen in Studio Spell in Weert met als muzikanten onder andere: Theo Breuls, Eric Melaerts en Jerôme Munafo. Naast de bestaande fanclub van Erik  “Vriendenkring Erik Van Neygen” in Drongen, komt er nu ook een fanclub van Sanne. In 1991 wordt er nog eens lekker gescoord wanneer Erik en Sanne het duet Alles gaat voorbij opnemen dat in 1970 in Duitsland als Alles geht vorbei een succes was geweest voor Jürgen Renfordt. De veertiende december staan Erik en Sanne op vier in de Vlaamse Top Tien. Het jaar daarop stijgen zij eveneens naar vier, deze keer met Wat je diep treft, opnieuw een nummer van Erik’s idool Will Tura. Tura had in Vlaanderen in de jaren zeventig al gescoord met dit nummer.

In 1993 brengt Sanne op het BMG label het album “Details” uit, ook deze keer opgenomen in Studio Spell in het Nederlandse Weert. Erik neemt alweer de productie voor zijn rekening en vertrouwt de arrangementen met veel plezier en vertrouwen toe aan Theo Breuls. Er wordt een aardig stukje gecoverd: liedjes van Rodney Crowell, Zrinko Tutic, Hugh Moffat en Charlie Black. De Nederlandse teksten zijn van de hand van Marc Van Caelenberg. Er staan ook nieuwe liedjes op zoals Leentje en Zet aan dat ding. Het kan niet anders of Sanne zingt enkele duetten samen met Erik zoals Verdronken Vlinder van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, op single goed voor een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. Een dijk van een hitsingle uit dat album wordt Het huis dat tussen rozen stond, oorspronkelijk een Italiaans liedje van Adriano Celentano Il ragazzo della via Gluck. Adriano nam dit al op in 1966 en het werd het jaar nadien een Franse klassieker in de versie van Françoise Hardy als La maison ou j’ai grandi. De zesde maart 1993 schittert Sanne met haar versie op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien. Je voetstap wordt de tweede single uit dit album waarmee Sanne in de zomer van dat jaar tot op drie belandt in de Vlaamse hitlijsten. Vrij snel verschijnt het jaar nadien haar derde solo album “Zand”, eveneens opgenomen in Studio Spell in Weert met ook deze keer Erik als producer. Marc Van Caelenberg en Erik reiken een rist nieuwe songs aan zoals Het zandkasteel, Welterusten, Moe, De kolderzolder en Vrede is. Er wordt uiteraard ook vertaald zoals Ik zag haar ik zag jou, oorspronkelijk Boulevard de la Madeleine en in die versie een succes voor The Moody Blues. Leuk is Sannes versie van Ik zou wel ‘s willen weten van Jules De Corte en haar fel gesmaakte cover van de Franse hit Céline van Hugues Aufray. Eenmaal op single uitgebracht staat dit liedje de achtste oktober 1994 op twee in de Vlaamse Top Tien. In 1995 is het verzamelen geblazen wanneer hun bekendste successen gecompileerd worden op het album “Veel te mooi, de mooiste Erik & Sanne”.

Om hun relatie extra in te kleuren, geven Erik en Sanne op achtentwintig oktober 1996 hun ja-woord. Hun liefde werd het jaar voordien, de vijfentwintigste oktober, bekroond met de geboorte van hun dochter Maartje. Er wordt ook een nieuw album geboren “In één woord”. Never change a winning team and a winning place, dus er wordt ook deze keer in Weert opgenomen met Erik aan de knoppen en Theo Breuls als arrangeur. Erik Melaerts tokkelt mee op de gitaar, Berni Bovens is de drummer van dienst en er is de vocale steun van onder andere het kinderkoor Avanti. Van de hand van Claude Lemesle vertalen Erik en Marc Van Caelenberg Lange weg dat de eerste singlekeuze wordt, goed voor een tiende plaats in de Vlaamse Top Tien. Pal in de hitroos schiet Sanne met haar versie van The power of love, de  zesentwintigste augustus 1996 goed voor de hoogste notering in de Vlaamse hitlijsten. Van Land van ons twee hangt er intussen thuis een gouden versie tegen de muur, net als trouwens van het duettenalbum “Mee met de zon”, het album “De mooiste van Erik en Sanne”, “Vertrouwen” en “De Fantastische Expeditie” en platinum voor “Details” en “Veel liever”. Op datzelfde album durft Sanne het ook aan haar eigen interpretatie neer te zetten van Ziggy dat wij eerder al kenden in de uitvoering van Céline Dion. Dochter Maartje vindt dit tot nu zowat het mooiste liedje dat haar moeder ooit op plaat heeft gezet. Als kroon op dit alles scoren Erik en Sanne in 1997 nog eens lekker met De laatste bolero, twee jaar voordien in Duitsland als Der letzte Bolero een stevige hit voor Die Flippers. Een schlager, dat wel, al slagen Erik en Sanne erin het net een niveau hoger te tillen. Misschien een beetje overbodig, maar voor de fans leuk meegenomen, is het album “Live” dat datzelfde jaar in de rekken ligt, met daarop live versies van songs als De Colores, Mijn enige hoop, De Canadees en Blijf nog even. “In één woord” is ook de titel van de theatertournee waarmee Sanne in 1997 door Vlaanderen trekt. Het jaar nadien klopt Studio 100 bij haar aan om te vragen of Sanne de hoofdrol niet wil vertolken in de musicalversie van “Sneeuwwitje”. Tekst en muziek worden geleverd door Hans Bourlon, Gert Verhulst, Dannie Verbiest en Johan vanden Eede. Medespelers worden onder andere Aimé Anthoni, Frank Aendenboom en Anne Mie Gils. Een overtrokken verhaal in de pers is het feit dat Sanne op een bepaald moment in de musical een intieme kus moet delen met collega-acteur Chris Van Tongelen. Zij vindt de manier waarop dit moet gebeuren niet passend in een kindermusical en weigert dit. De media smullen ervan.  Kathleen Aerts, die wij kennen als lid van K3, zal een paar keer haar rol overnemen.  In de pers wordt Sanne een tijdlang als een preutse tante afgeschilderd overdreven afgeschermd door haar echtgenoot. Jaren later kijkt Sanne met de nodige afstand op dit voorval terug. Om het met haar eigen woorden te zeggen: “Toen ik Erik in het begin leerde kennen werd ik afgeschilderd als een lolita, een hoertje,  en plots word ik tot de meest preutse non van Vlaanderen gebombardeerd!” Voor haar was deze periode erg zwaar, zowel mentaal als fysiek. Sanne heeft een dubbele hernia en speelt met behulp van injecties nog enkele voorstellingen maar moet dan noodgedwongen stoppen. Het wordt even stil rond hen, heel stil. Enkel de populaire animatiefilm “Anastasia” van 20th Century Fox waarbij Sanne het jaar voordien reeds de opnames deed en met plezier haar stem leende aan het hoofdpersonage Anastasia, komt in deze periode in de cinemazalen en later op DVD. Ons leek het bij de release vreemd, maar in 1998 besluit de marketingafdeling van BMG Sanne in de cd-reeks “Face to Face” te koppelen aan Johan Verminnen, twintig tracks in het totaal, tussen beide artiesten eerlijk verdeeld.

Voor hun nieuw album “Onderweg” kloppen Erik en Sanne in 1999 eens aan bij een stel andere muzikanten: Rik Aerts, Rens Van der Zalm, die al op de eerste plaat van Erik meespeelde,  Thierry Crommen, Paul De Poorter en het strijkkwartet van Mark Steylaerts. Opgenomen wordt er in de maand april  in de “Arts Sound Studio” in Helchteren. Er worden ook enkele liedjes afgeleverd door Marc Vanhie die wij nog kennen als boegbeeld van de popgroep The Bet. Meer dan behoorlijk gedraaid bij Radio 2 is het folkgetinte duetje De Wilford van Marc Hauman waarvoor er graag in het dialect gezongen wordt. In 2000 is het tijd om Sanne te verzamelen. Dat gebeurt op het album “Tien Sanne”, het beste uit tien jaar Sanne. Als toetje is er voor de fans en voor wie het lust de hitmedley met daarin Martijn, Zeg het aan niemand, Domenico en Je voetstap.

Ook al draagt Sanne net als Erik het Nederlands zeer hoog in haar vaandel toch komt er in 2003 een anderstalig album, opgenomen in de Motormusic studio in Koningshooikt. Dat wordt “Cowboy’s Sweetheart”. Erik had Virgin platenbaas Firmin Michiels het voorstel gedaan een album op te nemen met Sanne, eventueel in het Engels, Frans, … waarbij ze zouden samenwerken met iemand uit het rock- of folkgenre, bijvoorbeeld Roland Van Campenhout. Firmin was onmiddellijk enthousiast en belde Roland tijdens deze eerste bespreking meteen op. “Fantastisch! Dat doe ik graag!”, antwoordde Roland zonder nadenken. Voor deze plaat kreeg Sanne ook de muzikale steun van Marc Bonne, Michel Bisceglia, Wigbert Van Lierde, Yannic Fonderie en Nico Schepers. Erik had in 2000 al aangekondigd dat zij genoeg duetten hadden gezongen en dat het stilaan tijd werd dat Sanne eens een andere kant van haar kunnen liet horen. Sanne had het al een hele tijd moeilijk met het feit dat hun duetten, vaak heel rustige country- of folk getinte ballades, bijna stuk voor stuk hits werden, en hierdoor door de media onlosmakelijk als schlagers werden beschouwd. Alsof een hit in Vlaanderen in de jaren 90 of 2000 enkel schlager kan zijn. Ze vond dit ook erg voor Erik terwijl hij toch in het verleden de zanger was van de betere liedjes en teksten. De titelsong Cowboy’s Sweetheart is van de hand van Bob Miller en Patsy Montana. Daarnaast zingt Sanne songs van onder meer Mac David, Emmylou Harris, Hank Cochran, Buffy Saint-Marie en Georges Delerue. Opvallend is ook dat er in ‘t Frans, Le tourbillon, en zelfs in het Turks wordt gezongen. Dat laatste omdat zij op school bevriend was met een Turks meisje die haar het liedje Elimde Sise aanleerde. De platenfirma brengt de plaat naar de radio met een witte hoes, zonder foto, alleen de titel. Naar de zangeres hebben de radiojongens even het raden. Aanvankelijk uit iedereen lovende kritiek, maar wanneer bekend wordt dat het Sanne is die zingt, zijn de meningen plots verdeeld. Het album geraakt in de Ultra Top Vijftig niet hoger dan de veertigste plaats en is na twee weken al uit die hitlijst verdwenen. “Wat vooroordelen al niet kunnen doen, hé!” lacht Sanne en gaat verder met waarmee ze op dat moment samen met onder andere manlief bezig is, namelijk de hommageconcerten “Ann Christy 20 jaar later”, georganiseerd naar aanleiding van de twintigste verjaardag van het overlijden van Ann Christy.

In 2004 verschijnt tijdens de maand november op het Assekrem label de verzamelaar “Wijsjes, walsen en bolero’s oftwel 15 jaar alle hits”, de bekendste duetten van Erik en Sanne. Die plaat wordt zo goed onthaald dat Erik en Sanne besluiten opnieuw samen te gaan optreden.  Naar aanleiding van hun vijftienjarige carrière als duo wordt er de tiende september 2005 op de Grote Markt in Sint-Niklaas uitbundig gevierd in het gezelschap van Miek & Roel, Roland, Liesbeth Liszt en Bart Herman.

En verzamelen doen ze maar al te graag ten huize Van Neygen. In de maand juni van 2006 verschijnt er op het AMC label de cd “Vroeger en nu volume 1″, een eerste selectie waarin wordt teruggeblikt op de voorbije zestien jaar. Daarop geeft Erik in het boekje dat bij die cd hoort toe dat tijdens dat eerste optreden van Sanne in Puurs, zij hem een gesigneerde foto vroeg en dat hij toen per vergissing de foto opdroeg aan Sanny. Enkele weken later stond zij opnieuw aan zijn kleedkamer met de vraag nog eens een foto voor haar te signeren, maar dan opgedragen aan Sanne. Hij eindigt ook met te vermelden dat het een ongelooflijk geschenk is om met zo’n ongeslepen parel als Sanne te mogen zingen en … te leven! Zestien liedjes staan op dat album om dit te onderstrepen, beginnend met Koop van alles tot en met Drunken sailor, een cover van deze traditional, in de sixties al opgefrist door Ferre Grignard. Omdat de reacties lovend zijn, koppelt Sanne daar in de maand november van 2006 het vervolg aan vast “Vroeger en nu volume twee” met ook nu weer zestien liedjes, deze keer beginnend met Weer naar huis om in schoonheid af te ronden met Away in a manger, een van de oudste kerstklassiekers. Dochter Maartje is op deze plaat samen met papa en mama te horen in Een kindeke lag. Sanne mag deze keer een woordje plaatsen en schrijft: “Plotseling besef ik dat mijn liedjes van iedereen zijn. Dat mensen er gelukkig van worden. Dat sommige liedjes bij iemand, die ik niet persoonlijk ken, herinneringen oproepen. Herinneringen die niet de mijne zijn. En dan word ik ontzettend nieuwsgierig…Ik kan echt genieten van verhalen en herinneringen van mensen. Dus doe me een plezier, schrijf of mail me jouw verhaal. Ik wil ze echt horen!”

Om stevig door te kunnen stappen, noteren wij in 2008 het album “Parfum Tzigane”. Getroffen door de muziek van de film Gadjo Dilo dromen Erik en Sanne ervan om een plaat te maken in de gipsysfeer, vooral na het samen schrijven van het nummer Kleine Maartje waarbij Erik onmiddellijk een arrangement met echte zigeunermuzikanten in zijn hoofd hoort. Via het Roemeens huis in Brussel komen ze dan terecht bij Raluca Patuleanu, die hen het kruim van de in België verblijvende Hongaarse en Roemeense zigeunermuzikanten leert kennen. Erik, die de productie doet laat zich assisteren door de getalenteerde Wigbert Van Lierde en trekt met de ganse bende, zes muzikanten sterk, naar studio Motormusic in Koningshooikt.  Voor Erik wordt dit zowat zijn levenswerk. Alles moet wijken voor dit project. Zijn zigeunermuzikanten kunnen een fantastische sfeer neerzetten – als ze er zin in hebben – maar niet allen zijn ze klassiek opgeleid en dus moet er ontelbare uren gerepeteerd worden om de nummers feilloos op plaat en op het podium te kunnen neerzetten. Deze periode vergt erg veel van hem en die stress zal hem nadien nog nadelig parten spelen. Het valt op dat Sanne intussen de pen ter hand heeft genomen en samen met haar man naarstig nummers heeft geschreven voor deze toch wel aparte plaat. Oh Maria wordt als lokkertje in de markt gezet. De respons op het album is méér dan behoorlijk al is het toch wel even wennen na al die speelse en lichtvoetige liedjes van voordien. Toch keren zij de rug niet naar hun vorig repertoire, integendeel. Erik lust van huis uit graag een portie degelijke schlagers en is in de wolken, want hij mag tijdens het Schlagerfestival op 3, 4 en 5 april 2009 in de “Ethias Arena” van Hasselt de affiche delen met zijn idool Will Tura met voorts op de affiche Laura Lynn, Willy Sommers, Christoff en De Romeo’s.

Erik en Sanne waren intussen scheep gegaan met Patrick Vandewattijne, een tijdlang manager geweest van Laura Lynn. Die zorgt ervoor dat zij nauw gaan samenwerken met producer Phil Sterman. Er wordt opgenomen in de Cook Studio met muzikanten als Eric Melaerts, Jean Blaute, Vincent Pierins en Frank De Ruyter. Patrick houdt eraan als single uit te pakken met een cover van Nacht kommt die Erinnerung van de Duitse schlagerzanger Herman Frey. ‘s Nachts komt de herinnering wordt als voorbode van het  album  “Vertrouwen” in de markt gezet. Maar het ongeluk loert dan al om de hoek. Na de terugkeer uit Frankrijk van een tiendaagse vakantie wordt Erik de elfde juli 2009 ‘s ochtends getroffen door een hersenbloeding. Hij wordt in allerijl opgenomen in het ziekenhuis waarna hij dringend aan rust toe is. Intense revalidatie moet ervoor zorgen dat hij snel weer beter wordt.  Op dat moment beslissen Erik en Sanne het na de zomer qua optredens rustiger aan te doen. Ondanks al die tegenslagen ligt de vijftiende september hun nieuw album “Vertrouwen” in de winkel als extraatje bij het weekblad Story. Voor een meerprijs van € 6,90 krijgen de Storylezers het gloednieuwe album van E&S. Méér dan 10.000 lezers schaffen zich het album aan. Nadien komt het ook nog aan full price in de winkels. Erik en Sanne zijn weer hot en in het Stadhuis van Sint-Niklaas krijgen ze een gouden album uitgereikt.  Er wordt op dit album aardig gecoverd, onder andere Ich zeige dir mein Paradies van Andrea Jürgens, Ein Leben lang van Helmut Frey, Zwei weisse Pferde van Nic en de titelsong Vertrouwen is een vertaling van Vertrauen van de Kastelruther Spatzen.  Erik en Sanne trekken voor heel even duidelijk de kaart van het lichtere genre. Wat niemand verwachtte, gebeurt toch. In de zomer van 2010 wordt Erik tijdens een optreden in Gits getroffen door een tweede hersenbloeding. Tien dagen na mekaar hadden zij daar opgetreden. Na die nieuwe bloeding was Erik toch naar Zuid-Frankrijk afgezakt, maar daar voelde hij dat het zo niet verder kon. Terug thuis stellen de dokters op een scan vast dat er zich een tweede bloeding heeft voorgedaan, op een andere plaats dan de eerste keer, ditmaal ten gevolge van een gesprongen cavernoom. Erik moet elke vorm van spanning vermijden. In de maand september beslissen Erik en Sanne na rijp overleg definitief met optredens te stoppen, maar houden dat nog even stil omdat zij in de maand november de unieke kans krijgen aangeboden in Amerika te gaan opnemen en die kans wil Erik met beide handen aanpakken. Zij gaan opnemen in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin, Texas met als producer Carrie Rodriguez. Weg zijn de schlagers, er wordt duidelijk gekozen voor countrygetinte songs zoals Jas met duizend kleuren van Dolly Parton, Jouw naam van Chip Taylor en De wind in het riet van Graham Parsons. Ook Sanne en Erik reiken liedjes aan samen met Willy Smets en Marc Van Caelenberg. Er wordt zelfs een nieuwe versie van Veel te mooi ingeblikt. Erik en Sanne worden in de studio omringd door gerenomeerde sessiemuzikanten zoals Luke Jacobs, Brannen Temple, Joel Guzman en violiste Carrie Rodriguez. Zij is in hoofdzaak een singer songwriter, dochter van countryster David Rodriguez en kent het klappen van de zweep. Het album “De fantastische expeditie”  wordt de twaalfde juni 2012 aan de pers voorgesteld. Na een tijdje melden Erik en Sanne op hun website met de nodige trots aan hun fans dat het album méér dan tienduizend keer aan de man werd gebracht.

Zondag de dertigste september 2012 geven Sanne en Erik in “De Roma” in Borgerhout hun laatste optreden. De zaal zit nokvol. Zij laten zich omringen door een aantal bekenden waaronder Miek en Roel, soliste Carrie Rodriguez samen met gitarist Luke Jacobs. Ook dochter Maartje mag heel even laten horen dat zij voor een groot deel de stem van haar mama heeft geërfd. Vanaf nu zijn hun ogen gericht op de carrière van hun dochter. Op hun eigen ENS (Erik en Sanne) label, opgericht in 2004, verdeeld door CNR, brengt Maartje Van Neygen haar album “Eerste dauw” uit. Erik heeft de productie volledig in handen genomen en opgenomen wordt er in de studio van Phil Sterman. Het eerdere in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin opgenomen My Songbird wordt eveneens aan het album toegevoegd. Erik mag dan zelf niet meer optreden, schrijven doet hij nog steeds samen met zijn echtgenote. Zij leveren beiden het merendeel van de nummers. Erik zal voortaan ook het management van Maartje voeren. De vurigste droom is dat zijn dochter het in de muziekwereld zal waarmaken en dat Sanne op haar beslissing terugkomt en opnieuw zal optreden, al is het in duet met hun dochter! Dat konden wij de 31ste februari 2014 al meemaken in “De Lork” in Boortmeerbeek waar Maartje een van haar eerste concerten zong daarbij op het podium vergezeld door mama Sanne. We hoeven niet te vertellen dat het publiek dolgelukkig reageerde. Of dit naar méér smaakt, laten wij voorlopig in het midden, want Sanne is en blijft eigenzinnig in haar beslissing, al heeft zij hier en daar al laten horen: “Zeg nooit, nooit!”

 

En ja hoor, zij keert terug naar het podium, voor even toch.  Op 14 maart 2015 is het precies 25 jaar geleden dat Erik en Sanne hun doorbraak-hit Veel te mooi opnamen. Voor Erik vooral mag dit niet zomaar ongemerkt voorbijgaan. 28 en 30 april staan hij en Sanne op het podium van het Sportpaleis in Antwerpen tijdens “Houden van… Griffelrock” met vijfentwintig liedjes die we met z’n allen kennen en voor een groot deel kunnen meezingen: Het huis dat tussen rozen stond, Land van ons twee, Aan mijn darling, Ticket naar Eden en natuurlijk Veel te mooi. Erik en Sanne nodigen ook een aantal collega’s uit waaronder: John Terra, Heintje, Jo Vally, presentator Luc Appermont en natuurlijk hun dochter Maartje Van Neygen.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

Luc Steeno

Luc werd de achtentwintigste juni 1964 in Leuven geboren in een gezin van drie kinderen: hij, een tien maanden jongere broer en een zus die pas zestien jaar later arriveert. Over een nakomertje gesproken. Papa had een tuinbouwbedrijf, een erfenis van zijn vader: groenten kweken voert de boventoon. Niet alleen mama hielp mee in het bedrijf, ook de kinderen staken regelmatig een handje toe. Luc herinnert zich nog goed dat er thuis naast praten over groenten vaak en veel naar muziek werd geluisterd, waarbij Radio 2 dé favoriete zender was. Er klonk dus veel Vlaamse muziek ten huize van Steeno. Papa had geen tijd om platen te kopen, maar wanneer Luc twaalf wordt en naar aanleiding van zijn plechtige communie een platendraaier cadeau krijgt, worden de eerste singles en elpees gekocht, en laat de eerste plaat er toch geen van Will Tura zijn, van die dag af het grootste idool van Luc. Ook de platen van Marva en Willy Sommers vallen bij hem in de smaak. Luc gaat niet alleen naar liveoptredens van Will Tura kijken, maar zingt thuis luidruchtig mee met de liedjes van zijn idool met een haarkam als microfoon, pal voor de spiegel, om toch maar te zien dat hij zich ook vlot beweegt.

Lagere school loopt hij in zijn geboortedorp Haasrode, Oud-Heverlee, om nadien naar de Paters Jozefieten aan de Oude Markt in Leuven te trekken om daar aan het Drievuldigheidscollege de middelbare school te volgen, richting economie-moderne talen. Luc is een jaar of negentien wanneer er notenleer op zijn menu verschijnt. Hij volgt pianoles privé, maar een echte virtuoos zit er niet in. Die lessen verliepen nogal stroef. Luc mag dan ostentatief dwepen met Nederlandstalige liedjes, de hits van Boney M., ABBA en The Dolly Dots gaan bij hem ook vlotjes naar binnen. In de loop van de jaren tachtig worden playback- en soundmixshows almaar belangrijker. Wie zich toen als zanger wilde profileren, moest via hier de revue passeren. In 1985 zet het tienerblad Joepie “Talent ’85″ op het getouw. Luc schrijft zich in en wordt met zijn versie van Tura’s Vergeet Barbara finalist. Het jaar nadien is er de “Story Soundmixshow”. Luc had toen al in het Leuvense een bescheiden bekendheid opgebouwd als imitator van Will Tura. Om zijn show te verfijnen, gaat hij op zoek naar een volgspot. In het krantje Passe-Partout ziet hij een annonce van een verkoper die, zo blijkt tijdens een gesprek, het geluid verzorgt voor de soundmixshow die Story organiseert. Die man tipt Luc Steeno dat ze genoeg kandidaten hebben, maar dat er te weinig Nederlandse liedjes in het aanbod zitten. Luc ziet het meteen zitten om zich in te schrijven. Die man neemt contact op met het organisatiebureau Benelux, dat de show ondersteunt, én met presentatrice Micha Marah, en de deal is geklonken. Luc stoot na de voorronde en de halve finale in mei 1986 door naar de finale in het Alpheusdal in Berchem en wint die finale met zijn vertolking van Vergeet Barbara. In het kielzog daarvan volgen een hele rist optredens in de Storykaravaan, is er een platencontract bij Telstar én… moet Luc onder de wapens. Hij wordt ingelijfd bij de luchtmacht, waar hij dienstdoet als chauffeur van wacht gekazerneerd in Brustem bij Sint-Truiden. Een tijdje later wordt hij overgeplaatst naar het munitiedepot in Meerdaal, een paar kilometer van zijn ouderlijk huis verwijderd. Wanneer Luc dringend moet optreden, zorgt zijn commandant ervoor dat hij verlof krijgt. Al bij al wordt zijn legerdienst geen al te groot struikelblok in zijn nog prille carrière. In augustus mag hij zijn eerste plaatje opnemen, Hoe lang blijft liefde duren. De maand nadien ligt zijn allereerste single in de winkel, een liedje dat Will Tura speciaal voor Luc had geschreven op tekst van Jeroen Lecompte. Plaatselijk wordt het plaatje een succes, maar daar blijft het bij. De opvolger Iets grijzer, iets wijzer, een nummer van John Terra, slaat wél aan! Voor de volgende single stapt Luc over naar platenfirma Centropa, waar hij een nummer van Frank Michael vertaalt, Als ik het vond. Luc is iets later te gast in het programma “Te Bed of Niet Te Bed” van Jos Ghysen.

En kijk, zijn carrière krijgt daardoor een flinke boost. Guy Beyers, de toenmalige echtgenoot van Micha Marah, wordt de manager van Luc. Guy laat Luc een Duits liedje van Jean Frankfurter coveren, Ich brauch’ dich jeden Tag ein bisschen mehr, een toenmalige hit van Andy Borg, door Guy vertaald als Ik mis je elke dag een beetje meer. Guy had de originele geluidsband gekocht. Luc is niet zo wild van die keuze, maar Guy dringt aan en het nummer wordt toch op single uitgebracht. Het is meteen raak, vooral dankzij een optreden in “Tien om te Zien”, waarmee VTM in 1989 haar start niet gemist had.

De carrière van Luc is gelanceerd. Die van Sandra Kim, die bij hetzelfde artiestenbureau als Luc zit, is tanende. Waarom haar bekende naam niet aan die van Luc gekoppeld? Het kan hun carrière alleen maar van pas komen. Gekozen wordt voor een oude hit van Amen Corner uit 1968, Bend me, shape me, vertaald als Bel me, schrijf me. Luc wordt in september 1990 door het Belgisch koningshuis uitgenodigd om samen met Sandra te komen zingen tijdens de viering “40 – 60″, een muzikale hommage aan wijlen koning Boudewijn. Ze brengen Ik hou van mijn land, J’aime mon pays, een liedje dat Sandra Kim al eerder op een van haar albums had gezet. Dit is voor hen beiden qua publiciteit meer dan meegenomen. Pa en ma Steeno zijn apetrots. Met die wind in de zeilen brengt Luc in het najaar van 1990 het album Wat moet ik zonder jou op de markt in een productie van Pino Marchese, Luigi Bongiovanni en Stan Verbeeck met daaruit als singlekeuzes: Voor jou, geschreven door Salim Seghers, Liefde is en de knaller Holiday. Dat liedje had Luc tijdens een vakantie in Mallorca meegepikt. Je hoorde dat ginder in haast elke discotheek en het was oorspronkelijk een hit van de Duitse zanger Klaus Densow, die er op dat moment als Holi-Holiday een vakantiehit mee scoorde. Een deel van dat succes herhaalt Luc wanneer hij twee jaar later door Mark Uytterhoeven voor diens tv-programma “Het Huis van Wantrouwen” wordt gevraagd een parodie op dat nummer te zingen. Luc brengt in de laatste aflevering een aangepaste versie van Holiday met de slagzin Yo de mannen yo, een van de vele kreten die in dat programma gelanceerd werden. Luc scoort er een voltreffer mee. Tussendoor worden lk leef voor jou alleen en het duet Niets is mij teveel, dat hij samen met Micha Marah zingt, met aardig wat bijval op single uitgebracht.

In de zomer van 1992 krijgt Luc van Radio 2 de “Zomerhittrofee” voor zijn wellicht grootste hit Hij speelde accordeon, een nummer geschreven door John Terra op tekst van Jan Theys. Bij de release mag Luc meteen optreden in het programma “Ochtendkuren” van Luc Verschueren en Dirk Somers én de hittrein is alweer vertrokken. Acht weken na elkaar voert Luc de Vlaamse Top Tien aan. De dertiende juni staat hij daar al op één. In de Ultra Top 50 staat hij de vijfentwintigste juli op tien. Dat zal voor de rest van zijn carrière daarin zijn hoogste notering blijven. Nadien is het de inmiddels betreurde Bart Van den Bossche die Luc aan zijn volgende single mag helpen, Ik geef je alles.

Om in 1993 zijn album “Liefde wint het toch altijd” oogverblindend aan te prijzen, verzint zijn manager Guy Beyers een mediastunt. Samen met zijn collega’s Luc Caals, Marleen en Micha Marah vliegt Luc met de verzamelde pers op zaterdag de zestiende oktober naar het Egyptische Hurghada om daar in een nomadenkamp onder een loodzware zon en tussen de kamelen zijn album te lanceren. Hurghada is een toeristische trekpleister aan de Rode Zee die in de reisbrochures als “The Red Sea Riviera where the sun shines the year around” wordt aangeprezen. Leuk meegenomen voor de reisorganisator die de hele stunt bekostigt. Met Marleen zingt Luc op dat album het duet Een zomer ging voorbij, er is de titelsong Liefde wint het toch altijd, geschreven door Salim Seghers, en dé absolute uitschieter Ga dan, dat Luc voor het eerst had gehoord in het café “La Dolce” in Brussel. Het is de patron die Luc met het nummer …Dann geh doch van de Duitse zanger Howard Carpendale laat kennismaken, die daar in 1978 al een hit mee had gescoord. Op tekst van Guy Beyers wordt het een van de grootste hits die Luc zal scoren, een blijver ook! Luc viert iets later zijn vijfjarige carrière met een geslaagd optreden in de Elisabethzaal in Antwerpen met als eregast Will Tura. Vervolgens is er in 1994 de single De Rode Duivels gaan naar Amerika. Achteraf volgens Luc een gemiste kans. John Terra had een erg leuke melodie geschreven, alleen werd het fout geproduceerd. Qua ritme té opgeklopt. Hadden ze het wat rustiger verpakt, dan had er volgens Luc een grotere hit in gezeten.

Luc wil de touwtjes almaar meer in eigen handen houden. Hij zet zich voor zijn nieuw album “Liedje(s) van de liefde” samen met Miguel Wiels aan het schrijven. Het openingsnummer heet niet voor niets Met twee. Opgenomen wordt er in de BSB Studio in Brussel. Pino Marchese neemt de arrangementen voor zijn rekening en Marc François de mixing. Er staat ook een liedje van Pierre Kartner op, Dat zomerse gevoel, maar het meest beklijvend is en blijft Africa Hakuna Matata. Luc had in Kenia een aantal natuurparken bezocht en wilde die indrukken in een liedje vertalen en voorgoed vasthouden. Samen met zijn manager Guy Beyers komt Luc tot een akkoord dat hij naar een andere platenfirma mag overstappen. Zij zijn wat op elkaar uitgekeken. Dat wordt Play That Beat, bekend door hun producties met artiesten zoals Get Ready en Mama’s Jasje. De zoon van Guy, Ilia, wordt Lucs nieuwe manager. Luc wil aan kwaliteit winnen, meer tijd in de studio doorbrengen, langer aan de nummers sleutelen, hij wil cd-hoesjes met daarop de liedjesteksten enzovoorts. Een onbetaalbare zet op dat moment in de carrière van Luc qua exposure wordt het moment waarop hij in het najaar van 1996 mag meedoen aan het megasuccesvolle TV1-programma “Het Swingpaleis” met aan het roer de legendarische Felice, alias Dré Steemans. Vijf dames nemen het al zingend, gekscherend, provocerend… op tegen vijf heren. Luc ontpopt zich in dit team als een sympathieke, vlotte gast met wie je gezellig een avondje kunt stappen. Luc weet zijn wat houterige gedrag en zijn stroefheid van zich af te schudden op het moment dat de camera aanstaat. We leren hem kennen als een goedlachse kerel die plezier maken hoog in het vaandel draagt.

De eerste single bij Play That Beat wordt De molen op het plein, een song van John Terra waarmee gepoogd wordt een schlager af te leveren, maar dan een met iets meer inhoud dan gewoonlijk. De reacties zijn echter matig. De volgende single wordt a lucky shot, eentje waar ze snel bij moeten zijn. Frank Michael staat in 1997 torenhoog in de Waalse hitlijsten met Toutes les femmes sont belles. Lucs platenfirma weet dat ook Danny Fabry plannen heeft om dat nummer te vertalen en dus wordt er in zeven haasten naar een nieuwe studio overgestapt, The Groove in Schelle onder aanvoering van Peter Bulkens, waar Mooi zijn alle vrouwen wordt opgenomen op tekst van de in die tijd drukbezette Marc Van Caelenberg. Luc is in de wolken, want zijn versie wordt razendsnel met goud bekroond. Er volgt in de loop van 1998 het album “Geen dag meer zonder jou”, dat in Rome aan de pers wordt voorgesteld, kwestie van qua release in het oog en het oor te blijven springen, met daarop een paar covers zoals A la Espagnola van John Terra en Hopeloos van Will Tura. Marc Van Caelenberg vertaalt ook de Duitse hit Mädchen mit den traurigen Augen van Bata Illic uit 1976 als Dan gaan de lichten aan. Ook dat nummer wordt op single een succes.

Wat die Duitse hits betreft. In 1991 had Harry Thomas, de toenmalige gangmaker achter het Duitse “Schlagerfestival” in Kerkrade in Nederland en manager van onder meer Dennie Christian, geprobeerd de carrière van Luc Steeno bij onze oosterburen op gang te trekken. Luc neemt een Duitse versie op van Hij speelde accordeon, treedt daarmee op tijdens het festival, maar nadien heeft hij daar nooit meer iets van gehoord, voor een groot deel waarschijnlijk te wijten aan het feit dat Harry op het einde van 1991 plots overleed. Luc, die van snelle wagens houdt, ontsnapt de elfde november 1996 aan de fatale gevolgen van een zware slipper en wordt tijdens de nacht van de achtentwintigste maart 1999 in het centrum van Brussel het slachtoffer van een heuse carjacking. Iets nadien wordt naar aanleiding van tien jaar Luc Steeno in een productie van John Terra in The Groove het album Elke dag denk ik aan jou ingeblikt: twaalf nummers, waaronder als aardigheidje een Engelstalige cover van To know him is to love him van Phil Spector en voor het overige liedjes aangereikt door Roland Verlooven, Peter Van Laet en uiteraard John Terra, die op dat moment veel liedjes samen met Daniel Ditmar schrijft. Er worden uit dat album een sliert singles gelicht: Zonder jou, Eleonore, Geen vreemde meer, Elke dag denk ik aan jou, Zeven dagen lang en Wanneer.

We schrijven het jaar 2000. “Tien om te Zien” is gestopt en vele Vlaamse artiesten merken dat aan hun platenverkoop. Play That Beat gaat zwaar schrappen in zijn artiestenstal. Bart Kaëll, Willy Sommers en Luc Steeno moeten op zoek naar een andere platenbaas. Samen met Ilia Beyers richt Luc een eigen label op, BSM (Beyers-Steeno-Music), maar dat wordt zoekwerk om de juiste muzikale balans te vinden. Zij brengen enkele singletjes uit zoals In Marbella en Alicia Madonna bella, maar hoogvliegers worden het niet. In 2001 maakt Luc Steeno samen met enkele BV’s deel uit van een speciale editie van “Big Brother”. Tot het team behoren onder meer Brigitta Callens, Jean-Pierre Van Rossem, Sam Gooris, Eddy Planckaert en Harry Van Barneveld. In 2002 sluit Steeno een platendeal met Warner Brothers. Die stellen Eric Melaerts als producer aan, die wel wat ziet in het vertalen van een handvol hits uit de jaren zestig: J’entends siffler le train van Richard Anthony, Oasis van Toto Cutugno, Bachelor boy van Cliff Richard, Ma belle amie van Tee Set, maar ook covers van Vlaamse klassiekers, waaronder Als je de taal van de liefde verstaat, Samen een straatje om en Annemarie. In de maanden maart en april van dat jaar trekt Luc met een liveshow naar de culturele centra van onder meer Bornem, Tongeren, De Schakel in Waregem en De Minnepoort in Leuven. Luc mag dan wel opnemen met de meest gerenommeerde studiomuzikanten, het verhoopte succes blijft uit. Zij blijven qua repertoirekeuze té ver uit de buurt van de geijkte Steenoformule: de schlagergevoelige liedjes blijven uit en dat weet Luc ook wel! Ilia Beyers kan het niet langer aanzien en zet eindelijk zijn idee waarmee hij al een tijdje rondloopt, op de rails: een album afleveren waaraan meegewerkt wordt door drie bekende zangers, een muzikaal triootje dus. De keuze valt op Willy Sommers en Lisa del Bo, onder het toeziend oog van Piet Roelen, de bekende manager van onder meer Helmut Lotti, die als goede vriend van Ilia en Lisa zijn schouders onder dit project wil zetten. Mieke, Freddy Breck en Dennie Christian hadden het hun jaren voordien als gelegenheidstrio al voorgedaan, het is een formule die werkt. Als titel van het album dat in 2003 wordt gelanceerd, wordt gekozen voor “De Mooiste Duetten & Meer” met daarop versies van Islands in the stream, Cinderella Rockefella, Sun of Jamaica, Vluchten kan niet meer, Sing C’est la vie... Voor de productie staat Peter Koelewijn in, die de jaren voordien voor Piet Roelen de cd-reeks “Lotti Goes Classic” had geproduceerd.

De vijftiende januari 2005 viert Luc zijn vijftiende jaar als succesvol artiest in Vlaanderen. Luc heeft snel door dat hij op de hittrein die het “Schlagerfestival” van VTM blijkt te worden, moet stappen. De dertigste en eenendertigste maart en de eerste april van 2007 gaat in de Ethias Arena in Hasselt dat schlagerfestival van start. Twee jaar later staat Luc opnieuw op de affiche en sindsdien is hij zogoed als onlosmakelijk met dit festival verbonden. In 2009 vindt hij de tijd meer dan rijp om het album “20 jaar Luc Steeno” uit te brengen met daarop zevenendertig van zijn grootste hits, beginnend met Leun maar op mij tot en met Alicia Madonna bella, verdeeld over twee cd’s.

Intussen heeft de nieuwe baas van Universal België, Patrick Busschots, Luc aan het werk gehoord en wil hem koste wat het kost in zijn platenstal, ook al huist Luc op dat moment nog bij CNR, waarvoor hij het liedje Neem me een keer in je armen heeft opgenomen, een vertaling van Mes mains sur tes hanches, dat snel een nummer één wordt in de Vlaamse Top Tien. De tweeëntwintigste januari 2011 staat Luc bovenaan. Hij wil dolgraag als concept een cd uitbrengen met uitsluitend vertalingen van hits van Salvatore Adamo, maar CNR aarzelt en… ARS gaat met de idee en het album lopen, dat wordt ingeblikt in een productie van Phil Sterman. Het merendeel van de vertalingen is van de hand van Lieve Decock, de echtgenote van Phil. Op de luxe-editie van “Luc Steeno zingt Adamo” vertolkt Luc zestien vertalingen van bekende Adamoklassiekers zoals C’est ma vie, Les filles du bord de mer, Petit bonheur, Inch’ Allah en Amour perdu. Dit album zal uiteindelijk singles opleveren als Jij alleen, waarmee Luc de vijfentwintigste februari 2012 op de tweede plaats van de Vlaamse Top Tien belandt, M’n klein geluk, goed voor een nummer één, en Ik hield van jou. In de pers lezen we links en rechts dat dit een Luc Steenoproduct is geworden “hors catégorie”. De videoclip van Jij alleen, een vertaling van C’est ma vie, die hij opneemt met onder anderen Lindsay en de dames Sugarfree als attractieve ruggensteun, wordt een van de favoriete clips bij Ment TV. De zestiende maart 2013 staat Luc op één in de Vlaamse Top Tien met Ik voel me goed, een vertaling van Freedom come, freedom go, ooit een hit voor The Fortunes. In de slipstream van het Adamoalbum verschijnt in de maand mei van 2013 op aanraden van zijn manager Ilia Beyers de cd “Luc Steeno zingt Claude François” met daarop vertalingen van hits zoals Cette année-, Le mal aimé, Chanson populaire, Même si tu revenais, en er is ook een Clo Clo Medley. Het album duikt begin mei meteen de Ultratop Album Vijftig binnen en vat daar post op de vierde plaats. In het totaal zou de cd meer dan twee en een halve maand in die lijst genoteerd blijven. Als single valt de keuze op Het wordt nooit meer als toen, een vertaling van J’y pense et puis j’oublie, dat op zijn beurt een vertaling is van de Amerikaanse song It comes and goes van Burl Ives. De keuze viel op het repertoire van Clo-Clo omdat het in 2013 vijfendertig jaar geleden was dat deze Franse megaster plots om het leven kwam.

 

In 2014 staat de viering vijftig jaar Luc Steeno in de steigers. Luc hoopt dat hij bij ARS kan en mag blijven, maar dat hangt van de nieuwe directie af. De achtentwintigste juni, de dag dat hij vijftig wordt, geeft Luc in CC “De Zandloper” in Wemmel een jubileumconcert om zijn verjaardag extra glans bij te zetten en dit feest vooral met zijn fans te kunnen delen. Hij weet intussen van zichzelf na al die jaren wel dat hij niet de beste zanger in Vlaanderen is, maar wel dat hij tot de beste entertainers in ons land behoort, hij weet hoe hij een volle zaal op zijn hand moet krijgen. Zelf dweept hij met mooie zangstemmen. Hij koopt niet alleen hun cd’s, maar staat er ook op om hen live aan het werk te zien: Barbra Streisand, Whitney Houston, Céline Dion en Lara Fabian. In een gulzige droom Luc een duet met die dames laten zingen? Daar zouden wij met zijn allen een prachtig verhaal aan overhouden. Doen dus!

De zevenentwintigste mei 2014 lanceert Luc zijn nieuwste single Diep in je ogen, die hij tot verrassing van velen uitbrengt als duet samen met Laura Lynn. Het is de vertaling van Oh mi amor van Tony Christie. Hij kondigt bij de release aan dat hij het tijdens de zomermaanden op diverse Vlaamse podia samen met haar zal zingen. Luc viert de achtentwintigste juni zijn vijftigste verjaardag en brengt naar aanleiding daarvan het album “25 jaar hits” uit, een cd met daarop twee bonustracks én vijf nieuwe nummers, waaronder Diep in je ogen, dat op dit album ook in een soloversie te beluisteren is. Niet zo’n meevaller voor Luc wordt de release van Dicht bij jou, een nummer van Alan Ward en Will Tura, waarmee Luc slechts tot op de tweeëntwintigste plaats in de Vlaamse Top 50 geraakt.

Op zijn website laat Luc tijdig weten dat hij zondag de elfde januari 2015 speciaal voor zijn fans in “Hotel Courtyard” in Brussel een nieuwjaarsbrunch organiseert met daaraan gekoppeld een exclusief optreden. Wij lezen ook dat hij de zeven-, acht- en negenentwintigste maart en de vierde april zal optreden tijdens het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt. Begin 2015 stapt Luc over naar een nieuwe platenfirma, het ‘Vlaamse Sterren’-label van CNR Records. Samen met Luc’s management Globe Entertainment beloven zij garant te staan voor een mooi muzikaal vervolg op Luc’s eerdere succesalbums “Luc Steeno Zingt Adamo” (2012), “Luc Steeno Zingt Claude François” (2013) en zijn jubileumalbum “25 Jaar Hits” dat vorig jaar verscheen. Het eerste wapenfeit van de nieuwe samenwerking is Luc’s nieuwe zomersingle De Zomer Van Je Leven. Kenners horen er wellicht meteen het nummer La Camisa Negravan Juanes in terug. Het originele nummer werd een grote hit in 2004, met de hulp van Bart Herman schreef Luc er een nieuwe zomerse tekst voor en producer Phil Sterman zorgde voor een geslaagd arrangement. De dertiende juni noteren we Luc op de zesde plaats in de Vlaamse Top Vijftig en de vierde juli op de eenentwintigste plaats in de Radio 2 Top Dertig.

Woensdag de 24ste juni 2015 wordt in het gezelschap van Will Tura tijdens een persconferentie in Blankenberge de cd “Vlaanderen zingt Tura” voorgesteld. Speciaal voor dit album neemt Luc een cover op van Tura’s hit Speel Bouzouki.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Bart Van den Bossche

Ben je op zoek naar blije, vlotte liedjes, dan kun je altijd terecht bij Bart Van den Bossche. Meezingers, meedeiners, het lijkt alsof hij ze zo uit de mouw kon schudden. Johan Verminnen speelde ooit een belangrijke rol in zijn carrière, waarover zo meteen meer! Hij wordt soms vergeleken met de vader van het Franse chanson, Charles Trenet, ook wel “le fou chantant” genoemd. Charles was iemand die het moest hebben van speelse liedjes als Il y a d’la joie en Boum, een liedje dat Bart trouwens zou vertalen. Dat gekke, dat speelse vinden we ook terug in Barts grootste hit De heuveltjes van Erika, al stemde die associatie hem niet altijd vrolijk, alsof er nooit een ernstige noot in zijn liedjes klinkt. Dit verhaal om dat eindelijk recht te zetten.

Bart werd de zeventiende april 1964 in Oostende geboren. Papa was eerst onderwijzer en nadien verzekeringsinspecteur en moest voor zijn werk met zijn gezin in Kortrijk gaan wonen. Het gezin is drie kinderen rijk. Bart heeft nog een oudere broer en een oudere zus. Het was Barts oudere broer die veel platen kocht, vooral folkgetint. De nieuwe albums van onder meer Neil Young, Jim Croce, Donovan, Joan Baez, Pink Floyd, Uriah Heep, maar ook de elpees van Boudewijn de Groot en Zjef Vanuytsel. In de plaatselijke bibliotheek ontdekt Bart het repertoire van Bob Dylan en Steely Dan. Hij ging elke zaterdagochtend vijf elpees lenen waarmee hij een week zoet was. Op die manier leerde hij veel genres en artiesten kennen en legde hij onbewust de basis voor zijn latere carrière. Wat hem vooral aansprak waren liveconcerten. Thuis hadden ze een steengoede hifi-installatie, opgesteld in een aparte kamer, en daar kwamen die opnamen tot hun volste recht.

In het Sint-Amandscollege in Kortrijk volgt hij eerst de lagere school en aansluitend de afdeling Latijn-wetenschappen (met de hakken net over de sloot) en maakt tussendoor tijd vrij voor muziekles. In die periode leert hij op de academie niet alleen notenleer, maar ook gitaar spelen en begint hij zijn eerste liedjes te schrijven. Op school ontmoet hij vrienden die zonder muzikale opleiding op een amateuristische manier met de gitaar omspringen, met een plectrum tokkelen (wat op de academie verboden is) en die hun eigen songs schrijven en vooral dat laatste spreekt Bart erg aan. Dat is ook het moment dat hij met zijn schoolmaat Reinout Van de Putte het duo Sheppherd opricht. Liedjes in het Engels zingen was toen de boodschap. Gillende meiden maakten het merendeel van hun publiek uit en dat lustten zij wel. Na zijn middelbare school wil Bart dolgraag naar het Herman Teirlinck Instituut. Hij wil zanger worden, live optreden, maar merkt snel dat je daar de nodige bagage voor nodig hebt. Pa en het PMS zien hem echter liever naar het conservatorium in Brussel gaan om daar een theateropleiding te volgen. Op die manier krijgt hij een diploma op zak en kan nadien lesgeven. Hij trekt dan maar naar het toelatingsexamen met Senne Rouffaer als voorzitter van de jury en wordt samen met twee medestudenten aanvaard. Na één jaar haakt Bart af omdat hij té moe was tijdens de les. Hij ging in Leuven tot in de vroege ochtend werken om geld te verdienen. Hij maakt vervolgens een ommetje via de K.U.L. waar hij als vrije student de richting kunstgeschiedenis volgt. Hij was zijn leven lang al gebiologeerd door kunst, vooral door de renaissanceperiode. Na dat jaar belandt hij in 1986 uiteindelijk waar hij thuishoort, het Herman Teirlinck Instituut, waar hij les krijgt van onder anderen Raymond Van het Groenewoud en Johan Verminnen. Bij hem in de klas zitten Stef Bos, Michael Pas, Filip Peeters, Ingeborg en Peter Van Den Begin. Op zekere dag organiseert Raymond samen met zijn studenten een soort try-out, een programma waarin elk zijn liedjes mag brengen. Raymond nodigt kennissen en familieleden uit en ook enkele mensen uit de platenindustrie. Alleen, de studenten zijn hier niet van op de hoogte. Na de voorstelling wordt Bart aangesproken door Paul Govaerts die met hem een plaatje wil opnemen. Hij wil een van de liedjes die hij heeft gehoord Overstuur meteen inblikken. Bart had dat geschreven terwijl hij op school op de piano zat te improviseren,  het vloeide als het ware uit zijn pen. Paul staat erop dat zij Verminnen als producer vragen en die gaat onmiddellijk akkoord. Met veel hoempapa en in een soort fanfarestijl wordt Overstuur ingeblikt met de muzikale steun van enkele vrienden van Verminnen: Bert Candries en Walter Ertvelt. Het plaatje wordt in de media goed ontvangen, maar bereikt geen enkele hitlijst.

Ook al had hij zichzelf beloofd nooit mee te doen aan liedjeswedstrijden, toch laat Bart zich verleiden om in 1988 deel te nemen aan de “Baccarabeker” in het “Casino van Middelkerke”. Johan Verminnen is coach van de Brabantse ploeg bestaande uit Angie Dylan, Alain Tant (van Luna Twist) en een Spaans duo dat in laatste instantie afhaakt. Johan komt bij Bart aankloppen of hij hem niet uit de nood wil helpen. De West-Vlaamse ploeg met daarin Ingeborg, Clouseau en Phil Graveyard gaat met de overwinning lopen. Ingeborg krijgt eveneens de personalityprijs. Bart zorgt dat hij zich vooral in de kijker zingt.

Samen met Angie Dylan, Ingeborg en Clouseau zien we Bart Van den Bossche een jaar later bij de VRT opduiken in de editie van “Eurosong”. Bart eindigt daar samen met Anne Mie Gils op een gedeelde derde plaats. Hij brengt het door hemzelf geschreven De kracht van een lied. Tijdens die haast legendarische uitzending wordt Clouseau tweede met Anne, meteen ook de start van hun fenomenale carrière, en Ingeborg wint met Door de wind waarbij ze vocaal in de achtergrond gesteund wordt door haar toenmalige partner Stef Bos. De zesde mei 1989 staat Ingeborg in het Zwitserse Lausanne tijdens de 34ste editie van het “Eurovisiesongfestival” Door de wind te kwelen. Zij eindigt negentiende. De groep Riva gaat voor Joegoslavië met de overwinning lopen dankzij het liedje Rock me. Net als Overstuur levert De kracht van een lied Bart ook deze keer een radiohit op.

Wat we niet mogen vergeten te vertellen, is dat Bart een tijdlang close met Stef Bos heeft samengewerkt. Op zoek naar werk kwamen zij op de idee als cabaretgroep De verschrikkelijke ventjes een programma in mekaar te knutselen en dat werd “Wachten op Heidi”. Zo’n programma moest anderhalf uur duren en dus werden er ook liedjes gezongen. Ze hadden snel door dat er twee sterke ego’s samen op één podium stonden en dat dat niet kon blijven duren. Vrij snel gaan ze nadien elk hun eigen weg. Radio 2-producer Erik Strieleman heeft Bart aan het werk gezien en vraagt hem deel uit te maken van het team van het populaire ochtendprogramma “De ochtendploeg”. Hij gaat ook reportages maken voor de Radio 1-programma’s “Het Vermoeden” met Betty Mellaerts aan het roer en “Het Vrije Westen” gepresenteerd door onder anderen Bruno Wyndaele en Geertje De Ceuleneer.

In 1990 stelt Bart sneu vast dat hij zonder platencontract zit en toch zijn liedjes wil vereeuwigen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en belt Walter Ertvelt op, dan al bekend als producer van artiesten als Claire, Ann Christy, Johan Verminnen, Hans De Booij enzovoort. Er wordt rond de tafel en de piano gezeten en besloten aan de slag te gaan met als resultaat een platencontract bij CNR en een eerste single Ga met me mee waarvoor ook deze keer Johan Verminnen als producer wordt aangetrokken. De zevende september 1991 walst Bart met dit liedje door de Vlaamse Top Tien naar de tweede plaats. Zijn geluk kan niet op, want de aanvragen om op te treden stromen binnen. Hij is ook trots dat hij met dit singletje tot op de negentiende plaats in de Top Dertig geraakt. Ga met me mee schreef Bart op het eiland Kreta tijdens een vakantie met zijn vriendin. Hij had haar eerst lief gevraagd of hij zich een namiddag mocht afzonderen om in zijn eentje in een smoorverliefde bui zijn gevoelens in een tekst en melodie te vereeuwigen. Noot: dat lief wordt iets later gedurende vijftien jaar zijn eerste vrouw en samen zullen ze vier kinderen krijgen: Arno, Toto, Kobe en Milly. Terug thuis is hij doodverlegen om dit nummer aan iemand te laten horen: nogal oppervlakkig en lichtvoetig qua tekst en dat dan nog eens verwerkt in een walsende meezinger. Op aanraden van Johan Verminnen wordt het zijn eerste keuze uit een lichting nieuwe liedjes. Ga met me mee wordt door Radio 2 in 1991 tijdens “Zomerhit” ook nog eens extra gelauwerd. Het was zo dat Bart Ik blijf bij jou als A-kant had geschreven en dat Ga met me mee de B-kant zou worden. Maar daar wilde de toenmalige baas van CNR niets van weten. Er wordt dan de deal gemaakt dat Ga met me mee eerst op single verschijnt en dat Ik blijf bij jou de opvolger wordt. Deze slow bereikt de vijftiende februari 1992 de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien. Opgelet dat je dit nummer niet verwart met de gelijknamige single van Günther Neefs. Bart schreef dit liedje toen hij na een afmattend optreden laat in de nacht thuiskwam, nog vol adrenaline, en bij het drinken van een glas wijn zijn emoties in dat nummer kwijt kon. Ga met me mee zal in 2000 in Nederland een hit worden in de versie van Jop die het als Jij bent de zon op single uitbrengt.

Beide nummers zijn terug te vinden op het in 1992 als een soort best of uitgebrachte allereerste album “Bouillon de charme” in een gezamenlijke productie van Johan Verminnen, Walter Ertvelt en Bert Candries. Opgenomen wordt er in de loop van de maand december 1991 in Studio Impuls met Marc Maerschalck als technicus en in Studio Powertone in Mechelen. Qua muzikanten treden Tars Lootens, Stoy Stoffelen, Dany Caen en Johan Vandendriessche voor het voetlicht. Van dat album gaan méér dan vijftienduizend exemplaren de deur uit, gelijk goed voor goud. Een rist liedjes schrijft Bart samen met onder anderen Bert Candries, Johan Verminnen en Patrick Hiketick. Vlot gedraaid op de radio worden Opa is gek en Saartje zeventeen, maar de absolute uitschieter op dit album is de intussen tot klassieker gebombardeerde De Heuveltjes van Erika waarvoor Zaki de tekst mocht aanreiken. Zaki had die doorgespeeld aan Walter Ertvelt die het iets later doormailt naar Bart. Had Bart tijdens zijn opleiding nooit een cabaretvorming genoten, dan had hij dit zeker nooit ingeblikt. Die flikkerende, fonkelende tekst inspireerde Bart meteen tot die blije, opgewekte melodie die hij in amper een kwartier tijd bij mekaar schreef. Het liedje heeft Bart opgenomen als een parodie op de schlagerliedjes, op de carnavalhits. Vandaar dat het gelegenheidskoortje zich tijdens de opname lekker mag laten gaan. Dat koortje bestaat onder meer uit Peter Van Den Begin en Stef Bos. Voor hen was dat toen “erover”, muzikaal gezien kon dit eigenlijk niet door de beugel, maar parodiërend zit het precies op zijn plaats. Alleen: noch de platenfirma, noch het publiek heeft het nadien zo begrepen en is dit liedje op de een of andere manier foutief aan Bart blijven kleven. “Tien om te Zien” likkebaarde omdat hij bij hen op het podium stond.

Op een bepaald moment maakt Johan Verminnen de vergelijking tussen Charles Trenet en Bart Van den Bossche en schotelt hem een liedje voor van deze Franse chansonnier Boum waarvan Bart op zijn beurt een rockende versie maakt. Johan en Walter Ertvelt knutselen en frutselen samen met Bart aan de tekst en zetten iets later Boem als single in de markt. De 22ste mei 1993 prijkt Bart ermee op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien en de negentiende juni op de negenendertigste in de Top Vijftig. Bart merkt tijdens zijn liveoptredens dat ook dit melodietje er bij het publiek ingaat als zoete koek. Datzelfde jaar verschijnt zijn tweede album “Wakker”, opgenomen in Studio Impuls in Herent en Studio Crescendo in Genk, met ook deze keer als producers Johan Verminnen, Bert Candries en Walter Ertvelt. Bert mag ook voor de arrangementen zorgen. Bart schrijft in zijn eentje liedjes als: Mieke Moeke, Arno, De Boom, Vergeten te leven en De Gokker en schrijft voor de rest samen met Johan en Walter. Muzikaal wordt er op deze plaat intens samengewerkt met Roland Van Campenhout die graag zijn gitaren en bluesharp laat klinken. Drie singles pogen de Top Tien te bereiken: De Boom, Arno en De Sprookjeswet, maar Bart moet vaststellen dat hij zijn greep op die Vlaamse Top Tien stilaan verloren heeft. Arno, een liedje opgedragen aan zijn zoon, laat Bart nog op zijn fuifbest horen, maar de overige twee klinken erg beheerst. Het is blijkbaar zoeken naar de juiste formule.  Bart had zich de twee jaren voordien niet zo goed gevoeld in het milieu van “Tien om te Zien” en dito tv-programma’s. Hij heeft vaak genoeg zijn hits staan playbacken in discotheken en zo, maar hij heeft een degelijke opleiding genoten en kan die daar niet kwijt. Hij wil bewust de andere kant uit en voelt snel dat hij daardoor aan populariteit moet inboeten, de hitlijsten een beetje vaarwelzeggen. Samen met Verminnen en Ertvelt wordt besloten de poenpakkerij achterwege te laten en zich te concentreren op de toekomst, op een carrière die wat langer kan meegaan met als doel theatertournees en optredens met een degelijke band. Oktober 1993 trekt Bart naar de zalen met de theatershow “Wakker”.

Bart voelt aan dat er een kleinkunstrevival in de lucht hangt en pakt tijdens “Boterhammen in het park” uit met een rist kleinkunstklassiekers die hij daar brengt. Het publiek is dolenthousiast. Hij verzamelt die liedjes in het programma “Bart & De Bosschen van Vlaanderen” met daarin parels uit een kwarteeuw Nederlandstalige pop en chanson. Hij zingt liedjes als Jan Klaassen de trompetter, Hop Marlène, Jimmy, Blanche en z’n peird en Houten kop. Ambiance moest vooropstaan. Bart gaat de uitdaging zelfs aan met zijn groep in cafés te gaan spelen tot in de vroege uurtjes. De “Gentse Feesten” zien hem met deze formule graag langskomen. Hij zal daar vier jaar na mekaar de Korenmarkt platspelen. Hij was daarmee Mama’s Jasje een straatlengte voor al zijn die zo slim dat wél op plaat uit te brengen en is het voor Bart natuurlijk te laat om die nummers nog in te blikken. Een gemiste kans, zo blijkt achteraf. In 1995 zijn er de singles ‘k Heb bijna alles waarin hij op een reggaeritme zijn geluk van dat moment uitzingt én De zee met telkens Leo Caerts jr. op accordeon en Stoy Stoffelen op drums. Geboren worden in Oostende en elk jaar met je ouders naar zee trekken, moest uitmonden in het alleszeggende De zee. Die liedjes belanden beide op het album “Kermis in de hel”. Verminnen haakt bewust af omdat hij vindt dat Bart op eigen vleugels moet leren vliegen. Bart is blij, want hij wil eindelijk wel eens zijn eigen visie doordrukken en zijn eigen muzikanten ook eens laten meespelen. Er wordt opgenomen in “Bert’s Studio”. De productie is in handen van Rudi Genbrugge die ook de arrangementen voor zijn rekening neemt. Het album blinkt uit door een contrastrijke keuze, een beetje manisch-depressief. Bewust schrijft hij het liedje Als ik het niet meer weet om zich tijdens een dip aan te kunnen optrekken. Een voltreffer uit dit album wordt Oh Jolie, tekst en muziek van Bart himself. Het heette aanvankelijk Oh Marie, maar dat vond Bart te plat. Hij dacht tijdens het schrijven aan cajun en de songs van Daniel Lanois en diens hit Ma jolie Louise, en zodoende. Vreemd genoeg beperkt dat succes zich tot de radio en zijn liveoptredens. De Vlaamse Top Tien blijft ook nu buiten bereik.

Juni 1995 tekent Bart een contract bij VTM. Hij is op zoek naar een vast inkomen, een contract dat wat geld oplevert. Vanaf de zesde februari 1996 duikt hij bij VTM op in het programma “Videodinges”, de Vlaamse versie van “America’s Funniest Home Videos”. Dat programma was in 1990 al gestart met Frank Dingenen, nadien dus afgelost door Bart. Samen met Bert Candries schrijft Bart een nieuwe begingeneriek die hij ook zelf zingt. Hij zal dit programma blijven presenteren tot in 2004 wanneer het door VTM wordt afgevoerd. Vooraf had Bart een gesprek met Johan Verminnen en die raadde hem vaderlijk en wijselijk af toe te zeggen. Hij waarschuwde Bart dat alle culturele centra zouden afhaken. Bart kiest voor de zekerheid, voor het geld, waardoor hij zijn kinderen een beter bestaan kan gunnen en zich eindelijk een nieuwe auto kan aanschaffen en niet nog eens een aftandse tweedehands. Deemoedig moet Bart achteraf het hoofd buigen en toegeven dat Verminnen gelijk had. Vele zogeheten culturele instanties haken af. Iemand die voor VTM werkt en dan nog “Videodinges” presenteert, kleurt niet ernstig genoeg om in hun centra op te treden. In ons interview geeft hij eerlijk toe dat hij het met deze wetenschap in zijn achterhoofd nooit meer zou doen. Dit is en blijft een duistere pagina in zijn dagboek, een foute zet. Bart heeft al het vertrouwen waaraan hij jaren had gewerkt in enkele rake klappen verloren. En na een tijdje geraken ook de centen op. Gelukkig heeft hij er een bescheiden woning aan overgehouden, een vast onderdak voor zijn gezin. In het najaar van 1996 brengt hij het door hemzelf geschreven Ik heb je pijn gedaan op single uit. In de Ultratip zit er een zeventiende plaats in, maar toen voelde Bart al aan dat de Vlaamse Top Tien deze keer ver uit de buurt zou blijven. In 1997 wordt het verzamelalbum “Gouden momenten” uitgebracht. Hem wordt gevraagd dat jaar het Gordellied te leveren. In het VTM-programma “Vlaanderen Boven” fungeert hij tijdens de drie zomermaanden als vliegende reporter. April 1998 ligt de verzamelaar “Gouden Momenten volume 2″ in de winkel.

Zijn samenwerking met Walter Ertvelt wordt afgerond. Intussen heeft Bart al intens gewerkt aan wat volgens hem zijn mooiste album ooit moet worden: “Het houdt nooit op”. De productie is deze keer in handen van Rudi Genbrugge en de plaats van opname wordt “GR Statements” in Berchem. Eind december 1997 duikt Bart de studio in tot ergens eind januari 1998. Hij komt naar buiten met elf degelijke songs. In het bijhorende boekje schrijft hij ter verduidelijking: “Het gebeurt niet vaak dat een platenbaas je zegt dat je een cd mag maken zoals je het zelf wilt. Geen druk om hits te scoren, geen herhaling van vroegere hits, gewoon een mooi geheel met songs om naar te luisteren. Zo’n kans is een zegen voor elke liedjesmaker. Ik denk dat we woord hebben gehouden. Het is geen gemakkelijke bevalling geweest, want er was geen excuus meer. Wat u nu in uw handen hebt, is het beste dat wij op dit moment met de middelen waarover we beschikken, kunnen maken. Ik ben enorm trots op de muzikanten en iedereen die zijn ziel in dit kleinood heeft gestoken. Ik hoop dat ook uw ziel er niet onbewogen bij blijft en dat het nooit mag ophouden.” Die muzikanten zijn onder meer: Jean-Philippe Komac, Mirko Banovic, Jo Mahieu, Mark Vanhie, Peter Van Woensel en Paul Van Laere. Bart zet zich aan het schrijven samen met Rudi Genbrugge die de muziek en de arrangementen aanreikt. De sfeer is er eentje van een jazzy intimiteit waarbij de muzikanten volledig tot hun recht kunnen en mogen komen. Bart ruimt op dit album plaats in om Blanche en zijn peird van Willem Vermandere op te nemen en covert Moeilijk van The Scabs. Een liedje dat op radio wordt vertroeteld is Kaakjes dat echter niet op single verschijnt. Die eer vallen Waar woont de liefde, Moeilijk en Het houdt nooit op wel te beurt. Bart kan voortaan geboekt worden via Theaterbureau King.

VTM biedt Bart een nieuw programma aan “Kok & Co”, een kookduel tussen twee BV’s. Vanaf de derde juni 1999 is er bij VTM “De dag van 100.000″ waarin kandidaten de uitdaging aangaan om in één dag honderdduizend frank op een ludieke en extravagante manier uit te geven. De betere Nederlandstalige muziek mag hij aan de man brengen in een programma uitgezonden door “Radio Mango” (eerder een regionale radio in West-Vlaanderen) het tweede radioproject van de Vlaamse Media Maatschappij. Naast Bart kun je daar luisteren naar bekende stemmen als Michel Follet en Anne De Baetzelier. In 2007 wordt de zender opgekocht door Concentra Media Group en omgedoopt tot “Nostalgie”.

Oktober 1999 is er opnieuw een verzamelaar, deze keer “10 jaar Bart Van den Bossche”. Hij gaat bij onze noorderburen langs om daar de coryfeeën Armand en Dimitri van Toren aan te porren samen met hem op tournee te gaan. Niet alleen Vlaanderen mag van hun talent genieten, maar ook Nederland. Iets verderop dat jaar trekt hij rond met Bart Herman, Miek en Roel, Miel Cools en Dimitri van Toren tijdens “De Complete Kleinkunst Collectie Live”. Geen wonder dat hij ons in 2002 trakteert op het album “De zotte avond” met daarop een selectie van zestien klassiekers uit de Lage Landen, gaande van Hallo hier ben ik dan, Ieder met z’n vlag, Wat heb je vandaag op school geleerd, Joke, Tante Emma en Adem mijn adem. Het album, naar een idee van Luc Vander Schelden,  wordt uitgebracht op het Magic-label in een productie van Bert Candries die ook de arrangementen schrijft. Er wordt muziek gemaakt door onder anderen Jo Mahieu, Frank Tomme, Mich Van Hautem, Pascale Michiels, Stef Corbesier en Ivan Vermeer. Op single belanden de liedjes De massa, Jan Klaassen de trompetter, Beestjes en Hallo hier ben ik dan. Ook deze keer blijft de Vlaamse Top Tien telkens buiten bereik. VTM blijft hij trouw. Vanaf juli 2002 praat hij grappige momenten uit hun archief aan mekaar in “Glimmer & Glatter”. Dat jaar is hij ook gestart met zijn event-design-bedrijf “Bravissimo”. Dat bedrijf specialiseert zich in het organiseren van grote feesten voor bedrijven. Events als “De gouden schoen”, “De kristallen fiets” en “100 jaar Neos” zijn enkele van hun grootste realisaties. De meest spraakmakende televisiemomenten zet Van den Bossche op een rij tijdens het programma “Het jaar van Bart De Rijke” op 24 en 31 december 2003.

Een jaar later presenteert hij op dinsdag 20 april 2004 “Houden van…” met op de affiche: Liesbeth List, Jimmy Frey, Willeke Alberti, Jacques Raymond, Johan Stolz, Miek en Roel en dat in een drie uur durende show. Hij doet dat het jaar nadien in “‘t Sportpaleis” van Antwerpen nog eens over met deze keer aan zijn zijde: Miel Cools, Gerard Cox, Nicole & Hugo, Elly & Rikkert, Mieke, de Elegasten, Samantha en Ed Kooyman & Herman Van Haeren. VTM vraagt Bart of hij op het einde van dat jaar het spelprogramma “Puzzeltijd”, naar een idee van Joop van den Ende, voor zijn rekening wil nemen. Hij zal dit tot eind januari 2009 blijven presenteren. In 2006 trekt hij naar het theater met “Midlife!”, een programma dat hij samen met Luc Guinée brengt. Die verzorgt samen met Rudi Genbrugge de muzikale begeleiding. Luc en Bart zijn jarenlang bevriend en stellen hun vriendschap en de waarheid tijdens deze voorstelling scherp in vraag. Dit wordt een schoolvoorbeeld van echt muziektheater. Omdat zijn liedjes aansporen tot meezingen, mag hij in 2008 op 4, 5 en 6 april optreden tijdens het door VTM gelanceerde “Schlagerfestival” in de “Ethias Arena” in Hasselt naast grote namen als: Frans Bauer, Laura Lynn, Garry Hagger, Johnny White, John Terra en Jo Vally. Van 28 juni tot 13 juli schittert Bart in de Vlaamse versie van de dansmusical “Fame”. Hij staat samen met Guillaume Devos en Anne Mie Gils op de planken en dat in Antwerpen, Gent en Oostende. Datzelfde jaar is er de single Embé.

Wanneer Bart wordt gevraagd om als belspelpresentator te worden ingezet, kan hij niet vermoeden dat dit in 2011 met een sisser zal aflopen. Hij hapt gretig toe omdat hij op zoek is naar financiële zekerheid. Hij heeft intussen een nieuwe partner gevonden in Karin Oostens. Hij zorgde met haar voor hun nieuw samengesteld gezin waar naast zijn vier kinderen ook nog de drie kinderen van Karin, Linus, Amber en Maya, deel van uitmaakten. Niets wijst erop dat het belspelletje fout kan lopen, want VTM had groen licht gekregen van de Kansspelcommissie, maar uiteindelijk wordt het uit de ether gehaald nadat in het programma “Basta” beweerd werd dat het spel op bedrog berust. “Basta” was een programma op Eén dat in mekaar werd gebokst door de Neveneffecten: Jonas Geirnaert, Lieven Scheire, Koen De Poorter en Jelle De Beule. De zeventiende januari 2011 besteedden zij aandacht aan het bedrog in belspelletjes. Twee dagen na die uitzending kondigt VTM aan geen belspelletjes meer uit te zenden. Bart is achteraf helemaal niet te spreken over de afluisterpraktijken die de Neveneffecten hanteerden om achter de zogeheten waarheid te komen.

Eind februari 2012 zet Bart nog eens een nieuwe single in de markt, het door hem samen met Rudi Genbrugge geschreven en ook door henzelf geproduceerde Als het maar lekker is. Het liedje is een meezingertje, maar weet het Vlaamse publiek in de verste verte niet te bekoren. In een productie van Patrick Hamilton brengt het accordeonduo The Sunsets samen met Bart einde zomer 2012 een nieuwe versie uit van De heuveltjes van Erika. De tweeëntwintigste september staan ze ermee op zes in de Vlaamse Top Tien en op vijf in de Radio 2 Vlaamse Top Tien.

Totaal onverwacht overlijdt Bart Van den Bossche de zesde januari 2013 aan de gevolgen van een hartslagaderbreuk. Hij is amper 48 jaar. Iets later brengt platenfirma EMI de dubbelaar “Bart Van den Bossche volledig verzameld” op de markt met in het totaal veertig van zijn bekendste liedjes. Walter Ertvelt schrijft als begeleidende tekst: “Bart heeft authentieke, ontroerende liedjes gezongen met het hart van een echte volkszanger die de mensen gaarne zag en als entertainer iedereen een goed gevoel wou meegeven. Herinneringen aan hem zullen in die tijd niet spoorloos verglijden en verdwijnen, want liedjes blijven. Deze verzameling die Bart heeft nagelaten, wordt opgedragen aan: Ilse, Arno, Toto, Kobe en Milly & Karin, Amber, Maya en Linus.”

tekst en research:Marc Brillouet

©2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

De beginjaren van de Vlaamse Nederlandstalige muziek

Je kan dat verhaal beginnen met haast dezelfde woorden zoals de Bijbel begint: “In het begin was er niets” of tenminste zogoed als niets. In de jaren dertig vierden, net zoals in het buitenland, ook bij ons de swing en de bigbands hoogtij. Wij hoefden daar internationaal gezien niet voor onder te doen. Wij mochten in die tijd gerust uitpakken met de bands van Stan Brenders, Jean Omer en Fud Candrix. Stan had zijn stiel bij Fud geleerd en werd in 1936 zelfs aangesteld als dirigent van het NIR Jazzorkest, een job die hij tot 1944 zou behouden. Candrix was afkomstig van Tongeren en was zo goed in zijn vak dat de BBC zelfs op een bepaald moment haar oog op hem lieten vallen. Vanaf 1930 werd de amusementsmuziek, die tot dan toe vooral live viel te genieten, opgeslorpt door de komst van de radio en de grammofoon. Platen werden almaar vaker gekocht, zij het dan nog op 78 toeren. In de betere cafés en restaurants was de eer aan de strijkorkestjes en/of pianisten om de aandacht en het applaus op te strijken, vooral dan met bewerkingen van hoofdzakelijk licht klassieke thema’s zoals operette- en opera-aria’s. Het waren de hoogtijdagen van de tearooms en de salonorkesten. In zalen als de “Ancienne Belgique” in Antwerpen, Gent en Brussel werden revues aan de lopende band op het getouw gezet. Tijdens de zomeruren werd het amusement naar de Belgische kust verlegd met populaire zalen en horecazaken in Blankenberge, Oostende en Knokke.

Over de radio hoorde je in die jaren dertig hoofdzakelijk klassieke muziek, veelal live in de studio’s gespeeld. Een ander belangrijk programmaonderdeel was het “gesproken dagblad”. Vlaamse vedetten die zich in de kijker zongen, waren er nog niet echt. Wij luisterden in die tijd vooral gretig naar Franse chansons. Toen dweepten wij met artiesten als Léo Marjane, Lucienne Boyer, Tino Rossi, Charles Trenet en Alibert en met liedjes als Parlez-moi d’amour, Je suis seul ce soir en Le plus beau tango du monde. Belangrijk op de radio was ook het aandeel van onze zingende noorderburen met voorop Lou Bandy die met Zoek de zon op Vlaanderen luidkeels deed meezingen. Immens populair was ook het Nederlandse orkest The Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman en met als vocale trekpleister de Belgische zanger Marcel Thielemans. Al net zo populair was het orkest The Skymasters onder leiding van Bep Rowold. Ook populair in die tijd was de zingende broer van Lou Bandy, Willy Derby, met meedeiners als Daar bij die molen, Heidewitzka en ‘t Schooiertje. Het meezinggehalte lag hoog en tekstueel werd er vaak met de smartlap geflirt. Ook Louis Davids en zijn zus Heintje passeerden met graagte de Vlaamse huiskamer. Een geval apart was de Joodse zanger Bob Scholte die tijdens de Tweede Wereldoorlog met lede ogen moest aanzien hoe zijn hele familie naar het concentratiekamp in Auschwitz werd gedeporteerd om nooit meer terug te keren. Hij was de enige overlevende en werd bij ons bekend door zijn AVRO-programma “De bonte dinsdagavondtrein” en plaatjes als Twee ogen zo blauw, O Florentijnse nachten en Moeder mijn. Het merendeel van die liedjes waren vertalingen, vreemd genoeg voor die tijd vaak van Duitse origine.

Tijdens de oorlogsjaren hield de vijand er niet van dat er in onze cafés en concertzalen Angelsaksische muziek werd gespeeld, laat staan gezongen. Ook Franse liedjes waren nogal taboe. Vlaamse liedjes mochten dan weer wel en uiteraard Duitse successen. In die oorlogsjaren zocht de Vlaming graag vertier in de bioscoop en daar lieten de Duitsers vooral hun eigen producties toe. De film “Die grosse Liebe” uit 1942 bijvoorbeeld met in de hoofdrol Zarah Leander is een schoolvoorbeeld van Goebbels aanpak om de propagandamachine op volle toeren te laten draaien én natuurlijk dé uitgelezen kans om hun Duitse idolen op het witte doek te laten schitteren. Moeilijk om te begrijpen misschien, maar wij Vlamingen genoten, ondanks hun afkomst, met volle teugen van een Duitse diva als Marika Rökk.

Van Vlaamse muziek was er tijdens die oorlogsjaren weinig sprake. Wie toen professioneel aan de bak kwam, moest natuurlijk zorgen dat er brood op de plank kwam. In opdracht van de Duitsers trokken sommige Vlamingen richting oosterburen. Onze Vlaamse diva La Esterella was zo iemand die, vreemd genoeg, tijdens die jaren veertig vooral in het buitenland furore maakte, vooral bij onze collega’s van de BBC. Pas in de jaren vijftig zou ze, gegangmaakt door uitgever Jean Klüger, aan een heel succesvolle carrière in Vlaanderen beginnen. Zij zong zich gelijk onsterfelijk met Oh Lieve Vrouwe Toren. In 1943 probeerde Bobbejaan Schoepen van zich te laten horen, al profileerde die zich niet uitsluitend als zanger, maar vooral als entertainer, professioneel amuseur. Vier jaar later scoorde hij zijn eerste hit met De jodelende fluiter die ervoor zorgde dat hij de Vlaamse Roy Rogers werd genoemd. De overige collega’s van hem uitten zich eerder als volleerde crooners, al geldt die omschrijving nog het meest voor zangers als Jean Walter die met zijn warme stem en zijn knappe uiterlijk menig Vlaams vrouwenhart in vervoering kon brengen. Hij werd ontdekt door Arthur Mathonet, de toenmalige baas van de “Ancienne Belgique” die hem aan Jacques Klüger voorstelde. Klüger stond erop dat zijn Vlaamse artiesten in hun eigen taal zongen. Jean Walter sloeg meteen aan met liedjes als Tulpen uit Amsterdam, Heel lang en Venetië. Ook zoetgevooisd en een echte chanteur à voix volgens de regels van de Italiaanse belcanto was Bob Benny.  Hij pakte vocaal graag uit met nummers zoals Een gitaar in de nacht, Bij jou was alles zo mooi en Geef aan je vrouwtje. In 1951 brak Will Ferdy door met de schlager Ziede gij me gère, maar drie jaar later gooide hij het roer om door voor het chanson te kiezen op een Franse leest geschoeid. Hij durfde het in 1954 aan Het regent in de straten op plaat te zetten, wat hem een behoorlijke dosis aan populariteit kostte. Maar hij zette door en zou een van onze eerste echte chansonniers worden en blijven. Niet voor niets de “prins van het Vlaamse lied” genoemd, want hij zong erg heimatgebonden nummers, was Jan Verbraeken met liedjes als De stille Kempen en Noordzeestrand. Jan werkte vaak samen met zangeres Yvonne Henneco en met Marcel Hellemans.  Verbraeken werd qua populariteit op de hielen gezeten door de zingende postbode Ray Franky die vooral de danstenten en parochiezalen platkreeg met meedeiners als Oh Heideroosje, Zing signorita zing voor mij en Mi Carmencita. Tekstueel hadden die liedjes niet zoveel om het lijf. Het waren door de bank vaak vertalingen van buitenlandse successen, al groeide er stilaan een lichte voorkeur voor nieuw materiaal.

In 1953 doken de eerste televisietoestellen in Vlaanderen op en werd het NIR de grootste concurrent van onze Vlaamse artiesten. De mensen gingen ‘s avonds niet meer op stap en bleven tijdens de weekends liever in hun luie zetel naar dat nieuwe technische wonder kijken dan in een of andere zaal een revue of bonte avond mee te maken. Een ster die zowat alles aan die tv te danken heeft en zich daar uitstekend thuis voelde, was Jo Leemans. Zij zou zich almaar meer als de diva van de Vlaamse televisie profileren, daarbij geruggesteund door het orkest van Francis Bay met wie zij in Vlaanderen tal van concerten gaf.  In januari 1955 verschijnt in Vlaanderen de eerste hitparade en dat in het tienerblad “Song Parade” met in die allereerste editie op één Geef mij maar Amsterdam gezongen door de Nederlandse koning van de smartlap Johnny Jordaan. Dat tijdschrift “Song Parade”, opgericht door Jan Torfs, werd stiekem gesponsord door producer Albert Van Hoogten van het platenlabel Ronnex. Dat de hitlijsten daardoor enigszins gekleurd klonken, hoeft geen betoog. Torfs vond dit onfair en begon op eigen houtje met het muziekblad “Jukebox” dat in mei 1956 voor de eerste keer in de kiosk lag. Qua titels in de toenmalige hitlijsten was het, vanuit huidig standpunt bekeken, vaak huilen met de pet op: Zet je vanachter, Lowieke, Zeg Thérèse, In ‘t stamcafé en Charel waren de weinig flatterende Vlaamse titels van weinig beklijvende liedjes. Bij de start van de jaren vijftig werd het merendeel van die melodietjes nog op 78 toerenplaten uitgebracht. Stilaan kwam daar verandering in door de komst van de 45 toerenplaat oftewel het singletje. De opkomst van de jukebox werkte die opmars in de hand. Merken als Rock-O-La, Wurlitzer en vooral Seeburg waren helemaal in. Het hek was helemaal van de dam toen Seeburg in 1955 de Select-O-Matic op de markt bracht, een jukebox die thet mogelijk maakte tweehonderd singletjes te stockeren. Daar waar bij het begin van de radio de liveorkesten het voor het zeggen hadden, wonnen de platen almaar meer aan belang. De muziekindustrie had intussen het medium radio ontdekt en probeerde op die manier haar producties beter te promoten. Met de komst van de hitparade hadden ze een houvast om het belang en de impact van hun materiaal te tonen en te laten horen.

Iemand die als het ware aan de jukebox gekluisterd zat, was Will Tura. Net als Schoepen begonnen als een soort jodelend wonderkind, alleen had Will méér zin om in de stijl van Nat King Cole te zingen, maar zijn platenbaas Jean Klüger besliste daar anders over. Will ging vanaf 1957 liedjes coveren van The Everly Brothers en evergreens als Amapola. Achteraf een periode waar hij niet graag op terugblikt. In 1962 is hij zowat het breekpunt in de Vlaamse muziek. Hij schrijft eigenhandig op tekst van Ke Riema dé Vlaamse klassieker bij uitstek Eenzaam zonder jou die hij op aanraden van zijn broer Jean een beetje in de lijzige stijl van Nat King Cole zingt. Met dat plaatje begon Tura niet alleen met de bouw van zijn keizerrijk, maar zette hij een soort mijlpaal neer in de Vlaamse lichte muziek.

In 1959 slaagde een naar België uitgeweken Italiaan erin Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten. Rocco Granata schreef de wereldhit Marina en kon nadien zijn  succes vooral in Duitsland verzilveren met onder meer een kanjer als Buona notte bambino. Het was hij die in de loop van de jaren zestig het als allochtoon aandurfde wat andere platenfirma’s onaangeroerd lieten, namelijk in  zee gaan met artiesten als De Elegasten, Miel Cools, Will Ferdy, Marino Falco en vele anderen. Artiesten die stuk voor stuk kozen voor wat we voorzichtig de “betere Vlaamse muziek” zullen noemen: betere producties, betere teksten, aanleunend bij wat in die tijd snel zou uitmonden in het kleinkunstgenre. Op een bepaald moment ging Rocco zakelijk zelfs samenwerken met Louis Neefs. Louis was ook al op het einde van de jaren vijftig van start gegaan en werd tijdens een crochetwedstrijd door Ke Riema ontdekt die hem op haar beurt voorstelt aan Jacques Klüger. In 1960 weet Louis haast elke Vlaming in te palmen met Mijn dorp in de Kempen en zet vervolgens een rist klassiekers neer om u tegen te zeggen, waaronder Wat een leven, Ik heb zorgen, Jennifer Jennings en Laat ons een bloem.

Sommige zangers durfden het in die tijd aan met Tura in concurrentie  te gaan. Ook al was Jimmy Frey liever voetballer geworden en ambieerde hij nadien een carrière als zanger in Frankrijk, toch slaagde hij er bij zijn terugkeer naar Vlaanderen in hier furore te maken met liedjes als het door Bobbejaan Schoepen geschreven Ik geloof en vooral in 1968 met Zo mooi, zo blond en zo alleen, daarbij gesteund door het talent van Jess & James.  Zowel Louis als Jimmy durfden het ook aan,  en dat in tegenstelling tot Will Tura, deel te nemen aan zangwedstrijden als het “Eurovisiesongfestival” en de nationale selectie voor die populaire liedjeswedstrijd “Canzonissima” die in 1963 op televisie van start ging. De selecties voor “Canzonisssima” begonnen al in het najaar voorafgaand aan de eigenlijke uitzending van het  “Eurovisiesongfestival”. Zo begon de tweeëntwintigste oktober 1962 de selectie voor de finale van 1963. Nogal wat artiesten hebben hun bekendheid aan die selecties te danken. We denken aan: Ronny Temmer, Johan Stollz, Marc Dex, Liliane, Micha Marah, Kalinka, Johnny White, Hugo Dellas, Lily Castel, Ann Christy enz… Over hen en hun collega’s vind je een pak info op onze website. Die wedstrijd maakte dat de Vlaamse zangers in de loop van de jaren zestig ondanks de opmars van de Angelsaksische popmuziek, met voorop The Beatles, toch een leuke plek wisten te veroveren in onze hitlijsten. “Canzonissima” bleef onder die titel op het scherm opduiken tot in 1972. Het jaar nadien werd gekozen voor de benaming “Liedjes voor Luxemburg” en vanaf 1975 definitief voor  ”Eurosong”.

De Vlaamse zangeressen moesten in die jaren zestig iets harder aan de weg timmeren dan hun mannelijke collega’s en dat kwam vooral doordat de muziekbusiness voor het merendeel een mannelijke aangelegenheid was. Achter de schermen was het een mannenbastion bestaande uit macho muzikanten, producers, uitgevers, liedjesschrijvers, managers, promojongens enz… Veel zangeressen voelden zich geroepen, maar weinigen waren uitverkoren. Je had eendagsvliegen als Peggy, Suzie en Anita, maar vaak bleef het bij een hit. Toch waren er uitzonderingen op die regel, denken we maar aan Marva die een soort vrouwelijke Will Tura genoemd mag worden, gegangmaakt door dezelfde uitgever als Tura, Jean Klüger, die intussen samen met zijn broer Roland de fakkel had overgenomen van hun intussen overleden vader. Marva werd eerst door Rocco Granata op gang getrokken die voor haar liedjes schreef als Een eiland in groen en blauw en Het liedje van de zee. Klüger bezorgde haar nadien een haast onsterfelijke status met liedjes als Rozen in de sneeuw en Oempalapapero. Nog zo’n vrouwelijke klasbak uit die tijd is Liliane Saint-Pierre die ooit het genoegen had onder de vleugels te werken van de legendarische Franse zanger Claude François, maar door omstandigheden in Frankrijk niet kon doorbreken,  hier haar draai vindt en behoorlijk van zich af bijt tijdens het “Eurovisiesongfestival” in 1987 met Soldiers of love. Het duurde echter een hele tijd voor zij haar lot in eigen handen kon en durfde te nemen en daarmee de toon zette voor heel wat zangeressen die na haar aan de bak kwamen.

En dan was er nog de “Knokke Cup” die in 1958 door de directie van het Casino van Knokke werd bedacht naar aanleiding van de wereldtentoonstelling dat jaar in Brussel met als insteek een zangcompetitie op internationaal niveau. Het jaar nadien ging de eerste editie van start in nauwe samenwerking met de VRT-televisie, vrij snel gecapteerd door tal van buitenlandse zenders. Die wedstrijd werd in de markt gezet onder de benaming “Europabeker van het Chanson”. Die titel werd snel veranderd in “Europabeker voor Zangbeurt” en vervolgens “Europabeker voor Zangvoordracht”. Vrij stroeve titels die in de wandelgangen werden afgekort tot de “Knokke Cup”. Die wedstrijd hield stand van 1959 tot en met 1973. Er kwamen telkens zes landen aan bod. De Belgische ploeg bestond steeds uit zowel Vlaamse als Waalse artiesten. Tal van zangers en zangeressen van bij ons maakten naam en faam dankzij deze wedstrijd. Sommigen hadden die uitstraling niet echt nodig omdat zij bij ons hun sporen al verdiend hadden zoals Louis Neefs en Liliane Saint-Pierre, maar er waren een hele rist artiesten die door de VRT werden klaargestoomd om aan deze cup en nog tal van andere buitenlandse liedjeswedstrijden deel te nemen: Lize Marke, Lily Castel, Frieda Linzi, Hugo Dellas, Kalinka, Tonia, Maurice Dean, Ann Soetaert, Jacques Raymond enz… Zij waren geen hitmakers, maar wisten jaren stand te houden door hun deelname aan diverse internationale concours.

Plots waren daar de jaren zeventig. Marva en Tura hadden intussen hun vaste plaats in de Vlaamse showbizz veroverd. Nu was het de beurt aan een nieuwe lichting, waarvan er een paar aardig wisten stand te houden. Voorop het Vlaamse tieneridool bij uitstek Willy Sommers die met zijn eerste single al gelijk een Vlaamse klassieker neerzette: Zeven anjers, zeven rozen. In zijn kielzog doken een rist collega’s op die eveneens een aanval inzetten op de Vlaamse Top Tien. Paul Severs met Ik ben verliefd op jou, Salim Seghers  met Verlaat me nooit en Roger Baeten met Blijf je bij mij om er een paar te noemen. Het waren ook de jaren van John Terra die in 1968 voorzichtig van start ging met Franstalige liedjes om in 1973 de kanjer Iemand heeft je pijn gedaan neer te zetten. Onthouden wij ook de opkomst van de kleinkunst met een wat poppy en/of rockende inslag zoals daar waren de luisterliedjes van Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Kris De Bruyne en Wim De Craene. Het was ook de tijd dat er namen in de hitlijsten opdoken als Bobby Ranger die zich in de hitlijsten zong met Klappen, stampen, fluiten, Joe Harris met Ik wil ‘n knoopje aan je bloesje zijn en Drink rode wijn,  John Horton met Zo jong en Bobby Prins met Sancta Maria en Toe kom in m’n armen.  De jaren zeventig waren eveneens de jaren waarin de dames luidruchtig van zich lieten horen met voorop diva Ann Christy en haar evergreens Dag vreemde man en Gelukkig zijn.  Zij deelde graag het podium met vrouwelijke collega’s als Rita Deneve, Yvette Ravell en Samantha die door omstandigheden een internationale hit aan zich zag voorbijgaan toen zij uitpakte met Eviva España. Wie kent de liedjes Een rozerode appelboom en Alle Schotten van Truus, de toenmalige geheime liefde van Willy Sommers, en Hasta la vista manaña en Sweetheart my darling van Cindy?

Tijdens die gouden jaren zeventig dachten wij in Vlaanderen dat het succes van de lichte muziek in onze moedertaal niet meer stuk kon. Maar daar brachten de jaren tachtig stevig verandering in. Het was de tijd van de Angelsaksische aanpak in Vlaanderen. Plots leek het alsof je in het Engels hoorde te zingen om er bij te horen. Groepen als The Bet, Scooter, The Machines enz… hadden het voor het zeggen. Sommige Vlaamse artiesten sloegen ook die angelsaksische weg in. Iemand als Danny Fabry bijvoorbeeld. Hij pakte uit met covers als Please be careful with my heart, Just a little smile en I remember you. Roger Baeten nam toen platen op onder de naam B. Rodgers en scoorde met een nummer als I feel so good. Wie trouw bleef aan de Nederlandse taal moest qua succes in de hitlijsten en qua airplay bij de VRT behoorlijk inboeten, al konden de meesten toen wél makkelijk terecht bij de vrije zenders die in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond schoten.

Bij ons waren er in de loop van de jaren tachtig ook muzikanten die hun Engelstalige pijlen op het buitenland richtten. Technotronic scoorde zelfs ver buiten onze landsgrenzen met Pump up the jam, daarin nagevolgd door een act als The Confetti’s die met The sound of C een monsterhit scoorden en het duo Soulsister dat zich tot in de Amerikaanse charts liet horen met The way to your heart. Tot dan toe was het slechts een aantal Belgische artiesten gelukt om bij één van onze Europese buren van zich te laten horen. Ik laat daarbij even de prestaties van Jimmy Frey, Samantha en Willy Sommers achterwege om onze aandacht te vestigen op onder meer de Brusselse studiogroep The Chakachas die met Eso es el amor en Jungle Fever hoge ogen gooiden in het buitenland, net als De Vogeltjesdans naar een idee van producer Louis Van Rijmenant die het pikte van de Zwitserse accordeonist Werner Thomas. Er was ook hét voetballied bij uitstek Olé olé olé olé van Roland Verlooven (de man achter de carrières van Willy Sommers, Bart Kaëll, Margriet Hermans enz…). En de meezinger De Boerinnekesdans van de hand van Louis Marischal die tijdens Expo 58 aan een internationale opmars begon en Bluesette van onze legendarische jazzvirtuoos Toots Thielemans. Vergeten we zeker niet een aantal artiesten van bij ons die het in de periode tussen 1960 en 1985 een lange tijd in onder andere Amerika wisten vol te houden. Anni Anderson en Maurice Dean traden wereldwijd op in de grootste casino’s en concertzalen met de bekendste artiesten en orkesten als Bert Kaempfert, James Last en Max Greger. Tony Sandler trok in 1963 naar Amerika waar hij in de casino’s van Las Vegas duo vormde met Ralph Young en met hem bleef samenwerken tot in 1987.

Wou je tijdens die jaren tachtig dan toch koste wat het kost in je moerstaal kwelen, dan het liefst van al op een rockende manier met het nodige gitaargeweld ertussendoor. De Kreuners hadden dat snel door, net zoals Raymond van het Groenewoud, gekroond tot ontwerper van de Vlaamse rock- ‘n-roll, en Arbeid Adelt die er desnoods de punk bij haalden om zich in de kijker te zingen. De Vlaamse lichte Nederlandstalige muziek werd geleidelijk afgevoerd richting reanimatiekamer om daar na intensieve zorg pas opnieuw tot leven te komen toen VTM in februari 1989 vanuit Vilvoorde van start ging en de muziek van eigen bodem nieuw leven inblies met “Tien om te Zien”. Wij maakten de opkomst mee van sterren als Bart Kaëll, Margriet Hermans, Luc Steeno, Isabelle A, Jo Vally enz… Sommige iconen van destijds vonden er hun tweede hitadem met voorop vaandeldragers Willy Sommers, Paul Severs, ja zelfs Will Tura. Niemand kon op dat moment vermoeden dat we aan de vooravond stonden van de fenomenale carrière van Helmut Lotti en Clouseau!

 

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

De Nashville Sound

Waar wij in onze contreien houden van meezingers, schlagers en dito hits,  hebben ze in Amerika hun onafscheidelijke countrymuziek. Er is geen enkel genre, de soul even buiten beschouwing gelaten, dat zo eigen is aan de Amerikaanse cultuur als country. Het is en blijft de muziek van de man in de straat, al moesten een pak countryartiesten in de loop van de voorbije decennia met lede ogen vaststellen dat de country hier en daar een eigen weg zocht en het vaak met clichés overladen genre opgepikt werd door artiesten die het een meer hedendaagse touch gaven. Niet voor niets ontstond het begrip “new country” met sterren als LeAnn Rimes, Keith Urban, Tim McGraw, Sugarland, Blake Shelton enz… Deze vernieuwing was niet het eerste teken aan de wand dat men in Nashville op zoek was naar iets nieuws. In het midden van de jaren vijftig werd het fundament gelegd van wat snel bekend zou worden als “The Nashville Sound”. Die term dook voor het eerst op in 1958 in een artikel in het blad “The Music Reporter” dat gewijd was aan Jim Reeves.

De jaren veertig werden gedomineerd door de in 1942 door countryzanger Roy Acuff en Wesley Rose opgerichte muziekuitgeverij “Acuff & Rose”. Zij waren beiden verzot op de klassieke countrystijl meestal gedragen door de fiddle en de steel gitaar. Toen zij op zekere dag Hank Williams ontdekten, was hun broodje gebakken en konden zij rustig de miljoenen dollars incasseren die vrij vlot op hun bankrekening terechtkwamen. Wesley Rose, die voordien een bediende was bij “Standard Oil” in Chicago, had de plaats van zijn vader na diens overlijden in 1954 overgenomen. Wesley kende niets van de muziekbusiness, maar leerde de stiel sneller dan eender wie. Hij en Roy zagen het niet zo zitten toen zij hoorden dat iets verderop er enkele heren bezig waren met de country een nieuw geluid te geven. Acuff & Rose vonden dat echte country moest klinken zoals het hoorde, daar bestond een formule voor en daar hoorde je niet aan te sleutelen. In de loop van de jaren zestig zullen wij trouwens merken dat de term country breed geïnterpreteerd kon worden. Zeker toen zangers als Glen Campbell, Frank en Nancy Sinatra, Dean Martin en zelfs Ray Charles hun tanden in het genre gingen zetten, werd het bijna onmogelijk om het genre af te lijnen, laat staan het degelijk te omschrijven. In Billboard’s Hot One Hundred van 1968 telden we zomaar liefst elf countrygetinte hits.

Om nu de term “Nashville Sound” in een soort definitie te gieten, kunnen we ons het best beperken tot: het is muziek opgenomen in Nashville met een ontspannen sfeer als eindresultaat, een soort easy listening met een nogal gladgepolijste (lees geproduceerde) manier van zingen en musiceren. Het was vooral op verzoek van de deejays dat de country een beetje meer zoetgevooisd werd aangepakt. Zij vroegen vaak naar een wat softere aanpak van een countrysong. De pathos bleef bewaard, de vaak tranerige sfeer waarin die liedjes tekstueel werden gegoten bleef overeind. Er moest trouwens sowieso passie op het menu staan. Huilebalken waren méér dan welkom. De typisch nasale sfeer van zingen die zo eigen was aan de traditionele country, moest stilaan plaatsruimen voor een warme stem als bijvoorbeeld die van Jim Reeves.

Zonder dat ze er in Nashville erg in hadden klonken hun producties almaar zachter en zachter. Wat opvalt is dat zij ook een overstapje maakten van de typische countryelementen naar de pop. Dat huwelijk klikte perfect en zorgde voor een nieuw geluid. De “Nashville Sound” stond of viel met de begeleiding en daarvoor werden de allerbeste beroepsmuzikanten aangetrokken. Het neusje van de muzikale zalm kwam richting Nashville afgezakt om daar tijdens sessies die er aan de lopende band plaatshadden, hun virtuositeit te etaleren.  Méér dan graag gevraagd en gehoord waren: gitarist Chet Atkins, saxofonist Boots Randolph, pianist Floyd Cramer, drummer Buddy Harman en bassist Bob Moore. Sommige muzikanten zoals Atkins en Cramer ontwikkelden hun eigen stijl en bouwden stilaan aan een solocarrière. Die sessiemuzikanten werden vrij snel de echte sterren in Nashville. Per jaar verdienden zij zo’n slordige 50.000 dollar, konden een mooi huis bouwen en reden rond in de meest luxueuze Cadillacs. Zij waren zulke onderlegde en gedreven muzikanten dat zij de studio binnenstapten, even naar de melodie luisterden, een minuut of tien met de partituur meespeelden of zelf ideeën aanbrachten en gelijk de definitieve versie op band afleverden. Deze sfeer en manier van werken, maakte een groot deel uit van de “Nashville Sound”. Het was alsof zij de  zangers in kwestie vleugels gaven zodat zij zelfs beter gingen zingen. Het ging er gemoedelijk aan toe, in tegenstelling tot de vaak stressy sfeer in bijvoorbeeld New York of Chicago.

Stilaan zagen we ook dat het niet zozeer de artiest was die verkocht, maar dat de song zelf even belangrijk werd, misschien nog belangrijker. Voordien volstond het een naam als Lefty Frizzell, Hank Williams of Kitty Wells op de hoes te zetten en de mensen kochten de plaat. Daar kwam in de loop van de jaren zestig verandering in. Het valt wel op dat in het begin de countryzangers door de bank hun eigen materiaal afleverden, zij schreven het merendeel van hun songs zelf. In de loop van de jaren zestig gingen de artiesten zich meer met hun carrière bezighouden: liveshows, tv-optredens, radio-interviews enz… Daar werden ze rijkelijk voor betaald. Zij lieten dan ook almaar vaker het schrijven aan vakmensen over. Neem bijvoorbeeld Jim Webb die Glen Campbell aan hits hielp zoals Wichita Lineman en By the time I get to Phoenix.

De “Nashville Sound” bood die countryzangers die graag in een croonersachtige stijl zongen steeds méér de kans om hun liedjes aan de man te brengen. Die stijl van zingen stond de popfans beter aan. Vooral het gebruik van strijkers en een gladgepolijste productie zorgden ervoor dat de country in Amerika en ook daarbuiten aan populariteit won. Het waren vooral de producers Chet Atkins, Owen Bradley en Don Law die de grondleggers genoemd mogen worden van de “Nashville Sound”. Zij omringden zich stilaan met een vaste groep studiomuzikanten waardoor zij in staat waren een meteen herkenbaar geluid te creëren. Die groep zou snel bekend worden als “The Nashville A-Team”. Het gebruik van een achtergrondkoor werd ook een must. In dezen waren groepen als The Jordanaires en The Anita Kerr Singers toonaangevend. Kenners menen te mogen aanstippen dat het nummer Gone dat Ferlin Husky in het najaar van 1956 opnam kan dienen als schoolvoorbeeld van hoe de “Nashville Sound” in die beginperiode hoorde te klinken, al zijn er dan weer anderen die menen dat Don’t be cruel dat Elvis Presley hier in de maand juli van 1956 inzong het startsein betekende van die nieuwe sound. Tijdens die beginjaren krijgen we hits voorgeschoteld als: Fraulein van Bobby Helms, Please Help Me I’m Falling van Hank Locklin, Hello Walls van Faron Young, I Fall To Pieces en Crazy van Patsy Cline en Four Walls van Jim Reeves.

Producer Owen Bradley richtte in Nashville zijn eigen studio op “Bradley Film & Recording Studio”. Hij had dit gebouw samen met zijn broer Harold in 1954 gekocht en een jaar later omgebouwd tot een film- en geluidsstudio.  In de maand november van 1955 nam Marty Robbins hier zijn versie op van Singing The Blues. Bradley wou dat zijn studio een apart geluid produceerde en construeerde zelf zijn befaamde “Quonset Hut”. Zij kochten een gegalvaniseerde stalen hut van het Amerikaanse leger die vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Die plantten zij achter hun studio neer om daar concerten enz… op film in te blikken. Na 1955 brachten zij hier ook hun eerste opnamestudio in onder. Hun apparatuur en manier van opnemen, sloeg meteen aan en zij werden veel gevraagd door de platenfirma’s Decca en Columbia. Het is hier dat Owen van start ging met Brenda Lee en met haar een meteen herkenbare sound neerzette. In 1961 verkopen zij die studio aan Columbia Records. Bradley had intussen langs Bender’s Ferry Road een oude farm gekocht met het oog daar voor zijn oudste zoon een studio te bouwen waar hij een uitgeversmaatschappij kon huisvesten en een demostudio bouwen. Tegen 1965 was de studio een volwaardig feit en bekend als  ”Bradley’s Barn”. Het was Loretta Lynn die hier in 1967 haar hit Don’t come home a-drinkin’ with Lovin’ on Your Mind opnam. Van dan af was er geen tegenhouden meer aan. Per dag hadden er minstens vier opnamesessies plaats. Tegen 1970 waren er zo’n duizend de revue gepasseerd en hadden een rist gouden countryhits opgeleverd. Het Britse folkduo The Beau Brummels zouden er hun legendarische album “Bradley’s Barn” inblikken.

Chet Atkins, een beetje jaloers op die allereerste studio van Owen Bradley, ging in 1956 aankloppen bij de directie van zijn platenfirma RCA om zo snel mogelijk een eigen studio te bouwen in Nashville en dat werd de befaamde “RCA Studio B” naar een ontwerp van hun toenmalige opnamemanager Bill Miltenburg. Producers Chet Atkins en Steve Sholes mochten beiden hun zegje doen wat het ontwerp van de studio betreft die in vier maanden tijd werd gebouwd, inclusief de aanpalende kantoren. Kostprijs 37.515 dollar. In 1960 werden de gebouwen uitgebreid en kon Elvis Presley arriveren om er meteen zijn grootste hits op te nemen, méér dan tweehonderd songs in het totaal. Een van hun beste technici was Bill Porter die in 1959 betrokken was bij de opname van een van de grootste hits die hier in “Studio B” werden ingeblikt The Three Bells van The Browns (Engelse vertaling van Les Trois Cloches van Edith Piaf en Les Compagnons de la Chanson).  Het was Porter die vond dat er dringend aan het geluid gesleuteld moest worden. Hij ontwierp de zogeheten “Porter Pyramids”, plafondtegels die hij in een pyramidevorm sneed en ze op die manier aan het plafond bevestigde. Het gaf een unieke sound aan de opnamestudio. Hij markeerde ook, na grondig onderzoek en metingen, bepaalde plaatsen in de studio waar de muzikanten moesten gaan staan om op die manier de beste opnamekwaliteit te bereiken.

Als eerste mocht Don Gibson van deze verbetering gebruik maken toen hij hier zijn elpee “Girls, Guitars and Gibson” opnam. De studio zelf bleef actief tot in 1977 en werd dan door de toenmalige eigenaar Dan Maddox aan “The Country Music Hall of Fame” geschonken zodat toeristen ook nu nog een bezoek aan deze legendarische studio kunnen brengen. Tegenwoordig maakt die ook deel uit van “The Belmont University” en kunnen studenten hier de basistechnieken qua registratie komen aanleren.  Bij mijn bezoek aan deze studio stond ik versteld hoeveel hits hier in die twintig jaar werden ingeblikt: The End of The World van Skeeter Davis, Green Green Grass of Home van Porter Wagoner, Detroit City van Bobby Bare, Oh Lonesome Me van Don Gibson, Only the Lonely van Roy Orbison, Honey van Bobby Goldsboro, All I have to do is dream van The Everly Brothers enz… De hoogtijdagen lagen tussen 1957 en 1977 met in het totaal méér dan 35.000 opgenomen songs waarvan er zo’n duizendtal in de hoogste Amerikaanse hitregionen terechtkwamen. Ook even noteren dat de studio in 2002 terechtkwam in handen van platenproducent Mike Curb die bleef samenwerken met “The Country Music Hall of Fame”.

Rond 1964 kreeg de “Nashville Sound” concurrentie vanuit Bakersfield waar Buck Owens aan een opvallende stijl had zitten sleutelen en was er in de hitlijsten de opmars van de Britse beatgroepen met voorop The Beatles. In Nashville hadden ze daarnaast twee van hun grootste boegbeelden verloren tijdens een vliegtuigongeval: Jim Reeves en Patsy Cline. Op zoek naar een nog betere verpakking van hun songs gingen de smaakmakende producers van dienst in Nashville hun producten nog méér accentueren en schoven zij ook almaar méér in de richting van de popmuziek. Deze stijl werd vrij snel “countrypolitan” genoemd. Die heren waren Glenn Sutton en Billy Sherrill met voorop sterren als George Jones en Tammy Wynette die maar al te graag  in Studio B van Columbia Records opnamen. Glenn en vooral Billy dreven de country meer en meer in de middle-of-the-roadrichting, duidelijk bedoeld voor een zo breed mogelijk publiek. Vooral Sherrill moest voor die keuze bakken kritiek slikken, maar het leverde een pak dollars op en daar was het toch vooral om te doen. Vooral het feit dat hij een countrylegende als George Jones dat pad op stuurde.  Eveneens in dat straatje pasten Charley Pride, Lynn Anderson en Charlie Rich en hun onafscheidelijke hits The Most Beautiful Girl in The World, Rose Garden en Kiss an Angel Good Morning.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Richard Anthony

Vraag me niet waarom, maar als ik aan mijn oudste zus Chris denk, denk ik meteen aan Franse chansons. Dat ligt misschien  voor de hand omdat vrouwen en het Franse chanson een closere band hebben dan wij mannen. Het was vooral in de jaren zestig dat thuis door mijn oudste zus Franse singletjes op de draaitafel belandden. Voorop sowieso Salvatore Adamo. Dat stond buiten kijf. Maar die verstond Nederlands en kon zich in onze moedertaal uitdrukken. Dus dat was nog iemand van bij ons. Daarnaast vonden ook echte Franse artiesten hun weg naar onze pick-up: Françoise Hardy, Johnny Hallyday, Hervé Vilard, Enrico Macias, Hugues Aufray, Christophe én niet te vergeten Richard Anthony. Ik zie dat singletje nog voor me. Het was een Belgische persing, want in Frankrijk werden geen singletjes met twee songs geperst. Daar had de EP, ook wel extended play genoemd, de bovenhand gekregen, een 45-toerenplaatje met vier nummers. Twee liedjes dus op die ene single van mijn zus: Donne moi ma chance en op de B-kant Après toi. Ik heb vooral die B-kant gedraaid, bleek nadien een vertaling te zijn van The Next Time van Cliff Richard. En dat deden de Fransen graag in die tijd, buitenlandse hits naar hun Franse hand en tong zetten. Met voorop Richard Anthony, de kampioen in het vertalen van wereldhits. Hij veroverde er niet alleen Frankrijk mee, maar ook een groot deel van de rest van Europa en Canada.

De dertiende januari 1938 werd Richard Anthony als Ricardo Btesh in Caïro geboren, de hoofdstad van Egypte, een stad met méér dan acht miljoen inwoners. De stad ligt aan de oostelijke oever van de Nijl, in het noorden van Egypte. Papa was een Syrische textielhandelaar die voor zijn firma vaak naar het buitenland moest. Mama was de dochter van de Britse ambassadeur Samuel Shashoua Bey in Irak. Politieke onlusten in Egypte dwingen zijn ouders te verhuizen. Zij wijken uit naar Engeland waar Richard op zijn negende aan het prestigieuze “Whittingehame College” in Brighton gaat studeren. Hier zingt hij mee in het koor en ontdekt daar dat hij een niet onaardige stem heeft. In 1949 wijkt het gezin uit naar Argentinië, want daar woont familie van papa Btesh. Met de boot “The Andes” reizen zij in de zomer van dat jaar af naar Zuid-Amerika. Hier gaat Richard in Buenos Aires enkele jaren naar het “Collegio Ward”. Geen wonder dat die jongen op vrij jeugdige leeftijd al aardig wat talen spreekt. In 1951 verhuizen zijn ouders nog maar eens een keer, deze keer gaan zij in Parijs wonen. Hij schrijft zich in aan het Lycée Janson-de-Sailly, een school waar de rijkeluiskinderen naartoe worden gestuurd, gelegen in het zestiende arrondissement in Parijs. Hij rondt hier zijn middelbare studies af en probeert na lang aandringen van zijn vader de eerste kandidatuur rechten. Op zijn zestiende geraakt Richard, die door zijn ouders Dicky wordt genoemd, enorm onder de indruk van de sopraansaxofoon en wordt een grote fan van Sidney Bechet die hij in de Parijse jazzclubs aan het werk kan zien. Zijn ouders moeten in 1956 nog eens verhuizen, deze keer richting Milaan. Richard weigert mee te gaan en gaat samenwonen met zijn liefje Michelle die ook zijn eerste vrouw wordt. Zij krijgen drie kinderen: Nathalie, Jérôme en Johanne. Omdat er brood op de plank moet komen besluit hij vertegenwoordiger te worden in koelkasten bij de firma Frigeco. Zijn  vrouw wil financieel niet afhankelijk van hem zijn en gaat in Parijs in de boetiek van Jacques Esterel werken. Richard is nog maar negentien wanneer hij als saxofonist terechtkomt in diverse jazzclubs, onder meer in de “Vieux Colombier”, eigendom van Claude Wolff die later de man van Petula Clark zal worden. Richard gaat er prat op dat hij zes talen spreekt en is weg van Angelsaksische muziek. Hij is niet zo dol op de rock-’n'-roll die op dat moment hoogtij viert, maar eerder weg van zangers als The Platters en Paul Anka. Richard   is door het dolle heen wanneer hij zich een kleine bandopnemer kan aanschaffen. Hij neemt op dit toestel in 1957 zijn eerste liedje op, Tell me that you love me, een cover van een hit van Paul Anka. Via een uitvlucht- hij vertelt dat hij een vriend heeft die een demobandje heeft opgenomen, maar te verlegen is om het zelf voor te stellen- slaagt hij erin monsieur Jacques Poisson te ontmoeten, platenbaas bij Pathé. Hij begrijpt dat Richard als tiener dol is op rock -’n- roll, maar hij weet ook dat de Fransen chauvinistisch genoeg zijn om die Engelstalige hits liever in hun eigen taal te horen zingen. Er wordt dus vertaald. Ook zocht elk Europees land trouwens een soort blauwdruk van de rockende Elvis Presley. In Engeland is dat Cliff Richard, in Italië Adriano Celentano en in Frankrijk Richard Anthony. Vergeten we niet dat er op dat moment nog niet echt sprake is van Johnny Hallyday. Richard covert vooral blanke Amerikanen. Als eerste plaatje Paul Anka’s You are my destiny dat in zijn versie Tu m’étais destinée wordt. Hij neemt ook een versie op van Buddy Holly’s Peggy Sue. In Frankrijk is het de gewoonte vier liedjes op één single uit te brengen, de zogeheten eepeetjes. Hij koppelt die twee liedjes aan Betty Baby en Suzie Darling. Op de hoes staat vooraan Rock’n Richard. Zijn platenfirma EMI wil hem absoluut als de eerste Franse rocker lanceren. Gelukkig staat op de achterkant zijn volledige naam Richard Anthony.

Het blijft zoeken naar de geschikte song. De derde gok wordt de goede. Richard zingt in 1959 Nouvelle Vague, een vertaling van Three Cool Cats van Leiber en Stoller, een hit in Amerika voor The Coasters. Hij kiest als producer Christian Chevallier die heel wat jazzplaten heeft ingeblikt. Die kiest op zijn  beurt voor gerenommeerde jazzmuzikanten zoals Christian Garros, Maurice Vander, de vaste pianist van Claude Nougaro, én het zanggroepje van Ward Swingle dat iets later wereldbekend zal worden als The Swingle Singers.  Richard koppelt Nouvelle Vague op eepee aan de nummers Personalités (Personality van Lloyd Price), J’ai rêvé (Dream Lover van Bobby Darin) en Pauvre Jenny (Poor Jenny van The Everly Brothers). Onder druk van Pathé neemt Richard geen ruwe rock -’n- rollcovers op. Zijn platenfirma is bang dat de Franse fans dan zullen afhaken. Hij wil wel wat anders en durft het aan de spiritual Jericho in te blikken samen met een liedje van zijn orkestleider Christian Chevallier en Claude Nougaro Au fond de mon coeur. De fans vinden het maar niets. Hij is bij dezen dus gewaarschuwd. Pas met zijn zesde plaatje geraakt hij weer in de hitlijsten. Hij covert Itsy Bitsy Teenie Weenie van Brian Hyland. De clip die bij dat liedje hoort, wordt opgenomen door de Franse regisseur Claude Lelouch (bekend van de films “Un homme et une femme” en “Vivre pour vivre”). Ook Johnny Hallyday en Dalida nemen er een versie van op, maar die van Richard wordt het meest gedraaid en gekocht. Zijn platenfirma Pathé krijgt almaar meer tegenstand te verduren van de nog jonge firma Barclay opgericht door de muziekfanaat en playboy Eddie Barclay. Om zich in de kijker te zingen, neemt Richard op het einde van 1960 zijn eerste langspeler op. Hiermee meet hij zich de status van vedette aan. Twee maanden later wordt in Frankrijk het eerste rockfestival georganiseerd en wel in het “Palais des Sports” in Parijs met op de affiche Frankie Jordan, Johnny Hallyday en Les Chaussettes Noires. Het blijkt een schot in de roos, met in de maand juni snel een vervolg met nu face à face Johnny Hallyday, Eddy Mitchell en Richard Anthony. Dat festival wordt een groot succes, maar Richard krijgt almaar meer concurrentie te verduren. Binnen zijn eigen platenstal wordt Dick Rivers en zijn begeleidingsgroep Les Chats Sauvages gelanceerd. Qua hits blijft het succes voor Richard wat uit die op het einde van de zomer van 1961 een paar weken vakantie neemt. Wanneer hij terugkeert, merkt hij dat er vanuit Amerika een nieuwe dansrage is overgewaaid, de twist. Chubby Checker heeft er een grote hit mee te pakken. Het kan niet uitblijven of er moet een Franse versie van gelanceerd worden. Johnny Hallyday is hem voor. Richard probeert het succes nog wat aan zijn kant te krijgen door een Engelstalige versie in te blikken, maar tevergeefs. Hij moet ook heel wat kritiek slikken. Hij wordt in de Franse pers al smalend Le Tino Rossi du rock ‘n’roll genoemd en Le père tranquille du twist.  Voor de Franse pers is het een uitgemaakte zaak. Johnny Hallyday is de Franse blauwdruk van Elvis en niet Anthony.

Op zijn derde elpee, uitgebracht in de zomer van 1963, gaat hij op zoek naar een nieuwe invalshoek. In een soort wanhoopspoging komt hij op de proppen met een vertaling van de instrumentale jazzhit Take Five van The Dave Brubeck Quartet Ne boude pas. Hij heeft intussen ook gemerkt dat Hugues Aufray een vertaling heeft gemaakt van 500 miles away from home, een Amerikaanse folksong bewerkt door Bobby Bare. Die versie van Aufray zet in Frankrijk niets in beweging, maar die van Richard Anthony, die er een soort croonersversie van maakt, veroorzaakt een ware tsunami. Richard kende dat liedje nog vanuit zijn kindertijd toen zijn Engelstalige moeder dat vaak zong. Hij had het al een paar keer voorgesteld om op te nemen, maar zijn platenbazen weigeren. Zo’n rustig nummer zal zijn imago als rocker schaden. Uiteindelijk gaan zij toch akkoord. Zijn platenfirma gelooft echter niet zo in de kracht van J’entends siffler le train en kiest J’irai twister le blues als A-kant. Maar zij krijgen ongelijk. J’entends siffler le train raast in sneltreinvaart naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten. Hierbij denkt Richard terug aan de tijd dat hij in Argentinië elke dag de trein moest nemen om tijdig op school te geraken. Zij woonden namelijk dertig kilometer buiten Buenos Aires. Het nummer werd in 1961 al opgenomen door The Journeymen met in die groep onder meer Scott McKenzie en John Phillips. Het jaar daarop zal het in Amerika gecoverd worden door The New Christy Minstrels en Peter, Paul and Mary. Op de eepeerelease vinden we voorts vertalingen van Lover Please en Crying in the rain. In de zomer van 1963 wordt J’entends siffler le train bij ons bekroond met een derde plaats in de Belgische hitlijsten. In Nederland gaat dat nummer aan de top veertig voorbij, maar hij scoort daar wel enkele maanden later met de opvolger Donne moi ma chance, een vertaling van Too late to worry van Babs Tino. Maar ik moet even terug, want hij neemt eerst nog een beetje ondoordacht een vertaling op van de Braziliaanse hit Desafinado van Antonio Carlos Jobim dat hij vertaalt als Faits pour s’aimer. Een stijl die hem niet zo ligt. Ook Sacha Distel en Petula Clark zetten er hun tanden in.

Met zijn achttiende eepee scoort hij wél sterk, met daarop onder meer het daarnet al genoemde Donne moi ma chance. Hij neemt daarvan ook een Italiaanse versie op die het daar beregoed doet. Zijn platenfirma wil bliksemsnel inpikken op zijn succes en lanceert meteen een vierde langspeler. Die plaat staat bol van de singlehits. Er is een vertaling van Cheat Cheat van Johnny Cymbal dat in het Frans een hit wordt als Tchin Tchin. It’s my party van Lesley Gore klinkt in de taal van Molière C’est ma fête en Then he kissed me van The Crystals wordt Et je m’en vais. Zijn Italiaanse versie Cin Cin wordt een boem in Italië. Hij zal achtentwintig weken lang met dat nummer in de Italiaanse hitlijsten opduiken. Die Italiaanse versie zal het ook in het najaar van 1964 een lange tijd volhouden in de Duitse hitparade. Qua concerten staan er zo’n driehonderd optredens op de teller. Hoe hij het klaarspeelt weet niemand, maar hij slaagt er ook nog in zijn brevet als piloot te behalen en mag met zijn eigen toestel vliegen.

Intussen wordt de concurrentie almaar groter. Claude François heeft zich bij de rij hitmakers aangesloten samen met Sheila en Sylvie Vartan. Ook Françoise Hardy behoort tot de elite van Franse hitzangers. Met haar staat hij de 7de november 1963 voor de tweede maal op de planken van de Parijse “Olympia”. De maand nadien wandelt hij de Britse hitlijsten binnen met Walking alone en zal daar vijf weken koninklijk resideren, want zo voelt hij zich. Met het geld dat binnenstroomt kan hij zich een privéjet permitteren en een villa in Saint-Tropez en Marbella. Hij pompt zijn geld in een hotel op Jamaica en koopt en passant ook nog een huis in de vallei van de Chevreuse, een chalet in Crans en een rist motoren, auto’s en een plezierjacht. Wanneer The Beatles bij de start van 1964 de “Olympia” vereren met een optreden mag Anthony samen met hen op de foto en vist Johnny Hallyday wat die eer betreft achter het net.

Op die opmars van Franse vedetten lijkt geen rem te staan. Anthony moet in de hitlijsten voortaan opboksen tegen nieuwkomers zoals: Frank Alamo, Les Surfs, France Gall en Michèle Torr. Zijn volgende langspeler, die in 1964 wordt gereleaset, staat ook deze keer vol geslaagde covers. Een perfecte keuze wordt zijn vertaling I only want to be with you van Dusty Springfield. A présent tu peux t’en aller klimt torenhoog in de Franse hitlijsten. In Engeland laten Gerry and The Pacemakers stevig van zich horen met onder meer de musicalklassieker You’ll never walk alone. Anthony zingt in zijn thuisland Rien que toi pijlsnel naar de gouden status. Swinging on a star, een hit in Amerika voor Big Dee Irwin en Little Eva, wordt A toi de choisir en Boys Cry van Eden Kane Les garçons pleurent. In onze Belgische charts laat Anthony luid genoeg van zich horen met achtereenvolgens telkens een stevige notering voor C’est ma fête, Chin Chin, A présent tu peux t’en aller, Rien que toi en A toi de choisir. In Nederland houden ze hun lippen stijf op mekaar en wordt er niet meer meegezongen.

Wanneer in de zomer van 1964 de Franse hitlijsten worden ingepalmd door achtereenvolgens Gigliola Cinquetti met Non ho l’età en Bobby Solo met Una lacrima sul viso, twijfelt Anthony niet lang om ook eens wat te gaan snuffelen in de Italiaanse muzikale schatkist. Daar ontdekt hij Il mio mondo van Umberto Bindi en maakt er Ce monde van. Iets eerder, in de maand april, had Richard Anthony nog eens in de Britse top veertig gescoord en wel met If I loved you uit de musical “Carousel” van Richard Rodgers en Oscar Hammerstein. Voortbordurend op zijn succesformule blijft Anthony samen met zijn platenfirma grasduinen in het aanbod internationale hits. Zo neemt hij What’s new Pussycat van Tom Jones op en Jamais je ne vivrai sans toi, zijn succesvolle vertaling van de monsterhit You don’t have to say you love, me van Dusty Springfield. Via de Parijse tekstschrijver Fernand Bonifay leert Anthony Je me suis souvent demandé kennen. Fernand heeft dat liedje geleend bij Bobbejaan Schoepen die het had opgenomen onder de titel Ik heb me dikwijls afgevraagd. ichard zou het nummer ook als A veces me pregunto yo opnemen en in die Spaanse versie werd het een grote hit in Argentinië. In de marge vermelden we dat in 2008 Bobbejaan Schoepen Ik heb me dikwijls afgevraagd als duet samen met Axelle Red op cd uitbrengt.

Anthony had net zoals zovelen zijn typische gewoonten. Het is misschien leuk die tussendoor eens te overlopen. Zo wou hij nooit ontbijten. Hij zou die schade tijdens de dag wel inhalen door overvloedig te schransen. Hij had wel meerdere vreemde gewoonten. Zo stond hij erop dat zijn orkestleider zijn haar knipte. Het liefst van al liep hij op blote voeten rond. Wanneer hij teksten voor zijn liedjes schreef, deed hij dat bij voorkeur ‘s nachts. Hij was een trouwe lezer van Paris Match en ging er prat op dat hij sinds het eerste nummer alle edities in huis had. Hij was dol op Belgische frieten. In verband daarmee vermeld ik nu al, vooruitlopend op ons verhaal, dat hij op het einde van de jaren negentig in “Studio Musiclab” in Brussel met gitarist  Kevin Mulligan, bassist Pino Marchese, trompettist Patrick Mortier en de zangeressen Sonia Pelgrims, Mieke Aerts en Dany Caen een rist van zijn oude hits opnieuw heeft ingezongen. Hij had een broertje dood aan het kijken naar zichzelf tijdens een televisieoptreden. Hij vindt zichzelf geen aantrekkelijke man en lelijk op welke foto dan ook. Toch neemt hij zelf graag foto’s van anderen met zijn onafscheidelijke Polaroid. Tijdens zijn hoogtijdagen ging hij graag op stap en deed niets liever dan in de nightclubs die hij bezocht de aanwezigen de nieuwste modedansjes aanleren die hij in Londen had opgepikt. Wanneer hij moest optreden, deed hij dat pas met een gerust hart wanneer hij vooraf met zijn orkest een uur had kunnen repeteren. Hij deed niets liever dan voor zijn optreden op de drums te roffelen om zich op die manier wat af te reageren. Voor zijn orkestleden was niets te veel. Hij stond erop dat ze piekfijn waren uitgedost en op de beste instrumenten speelden. Hij had er trouwens het geld voor. Tijdens zijn hoogtijdagen was hij steenrijk. Hij dacht toen vaak terug aan de tijd dat hij zijn job als vertegenwoordiger had opgegeven en een ganse week niets anders te eten had dan spaghetti. Hij weet nog goed dat toen hij zijn eerste centen verdiende hij zich meteen een karabijn kocht, een jongensdroom die hij sinds lang koesterde. Toen hij multimiljonair werd, had hij succes bij de vrouwen genoeg. Hij hield van het spel van verleiden en was vooral tuk op blondines met blauwe ogen. Hij schoor zich tweemaal per dag en dat uitsluitend elektrisch. Hij was een twijfelaar en nam ruim de tijd vooraleer hij iets nieuws kocht. Toch stond hij erop dat, toen hij het zich kon permitteren, in zijn huis een studio werd gebouwd met alles erop en eraan zodat hij niet telkens zijn huis hoefde te verlaten, wilde hij een demoversie inblikken. Hij kocht ook een serie instrumenten waaronder een hammondorgel, een saxofoon, een drumset en een reeks gitaren.

Oké. Dat als verstrooiing tussendoor, maar nu voort met ons verhaal. Richard Anthony kreeg tijdens de jaren zestig bij EMI een stevige vinger in de pap en mocht regelmatig op hun kosten afreizen naar hun opnamestudio in Londen, met name naar de “Abbey Road Studio’s”. Daar neemt hij in 1965 het album “A Londres” op met daarop uitsluitend Engelstalige songs: The girl from Ipanema, Crying in the rain, You’ve lost that lovin’ feelin’, Autumn leaves, Love letters in the sand enz… Een nummer dat zo’n beetje uitspringt boven de rest is All my life en dat verdient wat extra uitleg om maar aan te geven hoe Richard in die tijd te werk ging. In 1967 levert hij namelijk zijn grootste hit af Aranjuez mon amour oftewel All my life. Méér dan tien miljoen exemplaren zouden er wereldwijd van verkocht worden. Twee jaar eerder verbleef Richard Anthony, zoals zo vaak dus, op uitnodiging van zijn platenfirma EMI, in een suite in het Londense “Hilton Hotel”. In zijn Londense suite ontving hij veel van zijn persoonlijke vrienden. Hij was vaak uithuizig, wat zijn relaties  niet in de hand werkte. Soms had hij ook last van eenzaamheid. Dan trok hij zijn jas aan en ging wat kuieren langs de Thames. Op zekere avond passeert hij de “Royal Albert Hall” en hoort de mensen enthousiast praten over het bijgewoonde concert. Dat doet hem nog maar eens beseffen dat hij zich eigenlijk alleen maar bezighoudt met commerciële niemendalletjes die geen eeuwig leven beschoren is. Hij komt al wandelend op de idee een van zijn klassieke lievelingsmelodieën, het andante uit het Concierto de Aranjuez van Rodrigo, op zijn manier te bewerken. Terug in zijn hotel, het is dan vier uur ‘s ochtends, belt hij zijn arrangeur Tony Osborne en legt meteen zijn idee op tafel. Die waarschuwt Richard dat hij eerst toelating nodig heeft van de componist Joaquin Rodrigo voordat hij het nummer mag bewerken en er een Franse tekst op laat schrijven. EMI besluit een versie op te nemen en daarmee naar Rodrigo te stappen. Anthony krijgt vijfendertig strijkers van The London Philharmonic tot zijn beschikking, maar een goede gitarist vinden is wat anders. Via een vriend kunnen ze een zeventienjarige gitarist uit Manchester overhalen om naar Londen af te zakken en daar de akoestische solopartij voor zijn rekening te nemen. De opname met deze piepjonge gitarist valt zo mee dat hij spontaan een staande ovatie krijgt van de opnametechnici en het voltallige orkest. EMI laat Anthony weten dat deze productie een pak geld gaat kosten en vraagt hem of hij wel zeker is van zijn idee. Met een list loodst hij tekstschrijver Guy Bontempelli naar zijn buitengoed in Chevreuse, hem in de waan latend daar een gezellig weekend  door te brengen, niet wetend dat Anthony hem zo lang opgesloten zal houden tot hij met een geschikte tekst voor zijn concerto op de proppen komt. Wat iedereen vreest, lukt toch. Met dit materiaal en zijn demoversie onder de arm vliegt Anthony naar de blinde componist in Madrid. Op een oude platendraaier beluisteren hij en Rodrigo deze opname terwijl hij er de tekst bij zingt en de meester is zo onder de indruk dat hij niet lang hoeft na te denken om Anthony toelating te geven deze versie op vinyl uit te brengen. Internationaal wordt Aranjuez mon amour een enorme hit met vooral veel bijval in Zuid-Amerika. In Frankrijk echter zijn de reacties minder enthousiast,  daarom dat EMI France op de keerzijde van de plaat het opgewekte Les mains dans les poches zet,  dat veel meer airplay krijgt.

Tot zover deze gedetailleerde uitleg bij een van zijn meest gewaardeerde platen. 1966 is in Amerika zowat het jaar van The Mamas and The Papas en dat is Richard niet ontgaan. Hij covert twee van hun grootste hits. Monday Monday wordt Lundi Lundi en California Dreaming, La terre promise. Die nummers schitteren ook op zijn volgende elpee met daarnaast een geslaagde versie van de hit Sunny van Bobby Hebb. Twee jaar eerder had Richard bij ons in Vlaanderen voor de laatste keer gescoord. Dat was met Ce monde. Nadien zou hij in onze hitlijsten nooit meer opduiken, ook niet meer in de Nederlandse noch Engelse top veertig waarmee zijn lied, internationaal gezien, was uitgezongen. In Frankrijk probeert hij het in 1967 met een vertaling van Let’s go to San Francisco van The Flower Pot Men. Dat wordt Il faut croire aux étoiles. In 1970 begint hij aan zijn laatste jaar samenwerking met EMI waarvoor hij sinds 1958 onafgebroken platen heeft ingeblikt. Hij rondt die samenwerking af met de hits L’an 2005, een bewerking van In the year 2525 van Zager and Evans, en met behoorlijke tubes zoals Na na hé hé espoir en L’arche de Noé. In Spanje gaat het hem wél voor de wind. Hij koopt er niet alleen een kasteel, maar scoort daar enorm met Señora la dueña dat we in onze contreien kennen als Lady d’Arbanville van Cat Stevens. De Franse versie is voor rekening van Dalida. Velen beschouwen zijn vertaling van Lily the Pink van de Engelse groep Scaffold als een duidelijk teken dat hij zijn greep op de Franse hitlijsten compleet verliest ook al scoort hij nog sterk met Le Sirop Typhon. Het wordt een nummer één in de Franse hitlijsten van de maand mei 1969 wanneer hij David-Alexandre Winter voorafgaat die op twee staat met Oh Lady Mary.

Dan breken de jaren zeventig aan. Richard slaat de EMI-deur achter zich dicht en wil herbronnen, een tweede hitadem vinden. Hij gaat songs opnemen voor onder meer platenfirma Trema. Privé zit het hem nogal tegen en passeren er nogal wat vrouwen de revue. In 1970 scheidt hij van Michelle en gaat samenwonen met Josiane. Hij trekt zich met haar terug in hun villa in Saint-Paul-de- Vence. Hij brengt een tijdlang alleen maar singles op de markt onder andere Maggy May, een vertaling van de gelijknamige hit van Rod Stewart. Hij scoort nog eens een echte hit en dat in 1974 met Amoureux de ma femme dat in 1966 tijdens het San Remo festival in de versie van Caterina Caselli als Nessuno mi puo giudicare hoog scoorde. In de maand oktober van dat jaar staat hij met dat nummer op de derde plaats, voorafgegaan door Claude François met Le téléphone pleure en Serge Lama met Je suis malade. In de maand januari van het jaar daarop brengt hij nogmaals een bezoek aan de Franse hitlijsten deze keer met Station Service, een Franse aanpak van de Turtles-hit She’d rather be with me, die er acht jaar eerder internationaal mee scoorden.

Waarom precies weet ik niet, maar ik ben toen in die tijd nogal wat singles van hem gaan verzamelen, al waren dat niet meteen zijn grootste successen. Zo draai ik af en toe nog eens zijn vertaling van All by myself van Eric Carmen dat hij in 1976 opnam als Je n’ai que toi, een nummer dat, zeker productioneel, geslaagd mag worden genoemd. Het jaar daarop brengt hij het wat speelse Chansons de 10 sous op de markt, evenals zijn vertaalde versie van Abrazame van Julio Iglesias, Embrasse moi. Na jaren alleen maar singles te hebben gereleaset is er in 1977 nog eens een album. “Non Stop” is de titel, uitgebracht op het Atlantic-label en opgenomen in de “Island Studio” in Londen met arrangementen van onder meer Jean-Claude Petit waarvan ik alleen vooral de nummers J’irai, Embrasse moi en Que ma vie soit faite d’amour heb onthouden. Opvallend is dat Anthony na al die jaren nog goed bij stem is. Hij geeft achteraf wel toe dat hij geen feeling had op dat moment met het discogenre dat dan hoogtij viert. Een jaar later keert hij Frankrijk de rug toe en gaat met zijn nieuwe liefde Sabine in Los Angeles wonen. Hij wil zich daar vooral als producer profileren. Hier neemt hij onder andere Indian Summer op, een bewerking van L’été Indien van Joe Dassin. Dat avontuur mislukt.  Hij keert vier jaar later naar Frankrijk terug en wordt daar door de politie opgewacht. De Franse staat aast op een pak achterstallige belastingen. Anthony mag het jaar daarop drie dagen in de gevangenis gaan logeren, maar kan het snel op een akkoord gooien met de fiscus.

Hij sluit, los daarvan, opnieuw een platendeal met EMI. Op dat moment is het een hype, in de slipstream van Stars on 45, medleys op de markt te brengen. Ze besluiten in 1982 een livemedley van zijn grootste hits te releasen onder de titel 12 tubes. Hij neemt ook Minuit op, zijn versie van Memory uit de musical Cats. In de vaste overtuiging dat hij nog kan rekenen op een grote schare fans en dat er nog geld te verdienen valt met zijn oude hits, besluit EMI een verzamelbox uit te brengen van 10 cd’s met in het totaal driehonderd nummers van hem. Tot ieders verbazing is die box na een paar maanden goud! In 1998 is er zijn autobiografie “Il faut croire aux étoiles”. Hij staat dat jaar veertig jaar op de planken en viert dat met een groots optreden in “Le Zénith” in Parijs. Het kost nochtans moeite hem terug op het podium te hijsen, want hij lijdt aan obesitas en is té beschaamd om zich nog aan zijn publiek te vertonen.

Vanaf 2006 gaat Richard Anthony vier jaar lang op tournee met de show “Age tendre et tête de bois”. Hij treedt daar op samen met onder anderen: Alain Delorme, Patrick Juvet, Sheila en Hervé Vilard. Er is een matineevoorstelling en een soiree, telkens goed voor vijfduizend dolenthousiaste fans die uit volle borst meezingen. Zij stellen wel vast dat hij zich bijna niet meer kan bewegen, regelmatig op een barkruk moet gaan zitten tijdens het zingen en moeite heeft met zijn ademhaling, dus ook met zijn stem. Hij begint aan een streng dieet en slaagt erin vijftig kilo te vermageren. In 2009 stellen de dokters darmkanker vast. Hij herstelt traag. Hij probeert tijdens dat herstel de tijd te doden door zijn tweede autobiografie te schrijven “Quand on choisit la liberté”. Hij schrijft zo veel mogelijk van zich af. Het wordt een regelrechte bestseller. Hij duikt ook almaar vaker op tijdens televisieprogramma’s en lijkt als herboren. De drieëntwintigste november 2011 wordt hij door de toenmalige minister van Cultuur Frédéric Mitterrand onderscheiden met de medaille “L’Ordre des Arts et des Lettres”. De twaalfde februari 2012 treedt hij op in een tot de nok gevulde “Olympia”.

De Franse pers wou altijd weten of hij met Johnny Hallyday op goede voet leefde. Hij antwoordde daar een paar jaar geleden nog op: “Il n’y a jamais eu de guerre entre lui et moi, ni avec qui que ce soit d’autre, d’ailleurs. C’était un coup monté par les maisons de disques et par la presse pour faire de la publicité, en faisant parler et ça marchait. Nous, on était bras dessus, bras dessous, avec un but commun: défendre notre musique. J’allais voir Johnny sur scène. J’essayais de lui piquer des trucs en spectacle, mais c’était difficile. Il est tellement exceptionnel. Timide et sauvage comme je suis, je n’ai jamais été une bête sur scène. Je suis plus à l’aise en studio que sur scène. Ce qui m’a sauvé les années passées c’est les tubes que les gens chantaient avec moi. “

In het totaal is Richard Anthony viermaal getrouwd en heeft negen kinderen. Hij stond eenentwintig keer op de eerste plaats in de Franse hitlijsten en is daarmee tussen zijn Franse collega’s de absolute recordhouder. In het totaal nam hij zo’n zeshonderd liedjes op en verkocht méér dan zestig miljoen platen. Het meest spijt heeft hij dat hij op de top van zijn carrière méér dan driehonderd dagen per jaar uithuizig was en zijn kinderen daardoor te weinig heeft gezien. Het heeft ook zijn relaties zwaar belast. Schrik van de dood heeft hij niet, al gelooft hij niet in een hiernamaals, want hij heeft een hekel aan alles wat ook maar enigszins met religie te maken heeft. Het geld heeft hij al die jaren rijkelijk laten rollen. Negen kinderen onderhouden kost aardig wat euro’s. Hij hield van mooie auto’s, had zijn privévliegtuig, bezat dure villa’s in Grimaud, Crans, Gassin, Saint Paul-de-Vence, Marbella, Los Angeles enz… Tot aan zijn dood woonde hij de laatste jaren  in een bescheiden woning langs de avenue de Vallauris in Cannes. Hij is méér dan tevreden met het leven dat hij heeft geleid en met de vele successen die hij heeft gescoord. Hij heeft altijd met de beste muzikanten kunnen werken, de beste orkesten in de beste studio’s. Meestal in Londen. Hij geeft wel toe dat hij niet als zanger in de wieg is gelegd. Hij kikt niet zo op het in de schijnwerpers staan. Dat heeft hem best moeite gekost al die jaren. Liever zocht hij de intimiteit van de studio op. Hij leeft ook liever in de schaduw van het succes. Hij voelt zich geen echte ster, hij wil op die manier zeker niet vergeleken worden met Johnny Hallyday. Zijn hoogtijdagen begonnen in 1962 met J’entends siffler le train en werden in 1967 afgerond toen hij nog eens groots uitpakte in de hitlijsten met Aranjuez mon amour. Trots is hij dat hij de enige Franse artiest is die ook vaak in het buitenland heeft gescoord. Zo stond hij op nummer één in de hitlijsten in Portugal, Zwitserland, België, Argentinië, Chili, Iran, Duitsland en Italië. Hij heeft platen opgenomen in het Frans, Arabisch, Italiaans, Spaans, Engels en het Duits. Hij heeft er vrede mee dat hij in de Franse muziekwereld vaak wordt aangeduid als “le père tranquille du rock”.

Richard Anthony overlijdt na een lange strijd rond tien uur ‘s avonds op zondag de negentiende april 2015 in Pégomas (Alpes -Maritimes) op 77-jarige leeftijd, omringd door zijn geliefden, aan kanker. In 2010 was bij hem al darmkanker vastgesteld.  Hij werd de vierentwintigste april in intieme kring in Cabris begraven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Paul Anka

Anka werd de 30ste juli 1941 als eerste kind van Andrew en Camelia Anka in Ottawa, Canada geboren. Zijn ouders waren van Syrische afkomst. Zij baatten daar het restaurant “The Locanda” uit op Laurier Avenue, vlak tegenover het Canadese parlementsgebouw.  Zij stonden van in het begin volledig achter de plannen van Paul om zanger te worden. Johnnie Ray en Frankie Laine zijn zijn idolen. Met hen in zijn achterhoofd gaat hij muziek studeren. Voor school moet hij op zekere dag een boekbespreking maken van de roman “Prester John” van John Buchan. Daarin komt een Afrikaans dorp voor Blaauwildebeestefontein. Hij is nog maar dertien, maar Paul schrijft er een liedje over en noemt het Blau Wilde De Veest Fontaine.

Pauls plannen om dus zanger te worden, krijgen vaste vorm wanneer op zekere dag “IGA Food Stores” een wedstrijd organiseert met als inzet een reis naar New York. Je kan winnen door zo veel mogelijk stickers van het merk in te zamelen. Hij wint die wedstrijd voor zijn regio en mag samen met veertig andere winnaars per trein naar New York reizen. New York is een complete cultuurshock voor hem. “This is what I want, this and my music!” wordt meteen zijn hoofddoel.

Tijdens de zomervakantie trekt hij naar uncle Maurice in Californië. Maurice is operazanger. Paul hoort daar de hele dag niets anders dan operamuziek. Zijn oom, die tevens acteur is,  treedt op dat moment op in het stuk “Bullfight” in “The Pacific Playhouse” in “La Cinema” in Santa Monica. Paul wil wat geld bijverdienen en mag daar snoepgoed verkopen tijdens de pauze. Iets verderop ligt de muziekwinkel “Wallach’s Music City” waar Paul op zekere dag het plaatje Stranded in the Jungle van The Cadets ontdekt. Op het hoekje staat de naam van platenfirma Modern Records, Culver City, California vermeld, met de auto een kwartier van de woonplaats van oom Maurice verwijderd. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij Jules en Joe Bihari die samen met hun zus die platenfirma, incluis studio, zijn opgestart. Hij laat hun zijn zelfgeschreven Blau Wilde De Veest Fontaine horen en tot zijn verbazing stellen ze voor dat Paul het samen met The Cadets mag opnemen. Als producer gaat Paul Anka samenwerken met nieuwkomer Ernie Freeman die iets later de platen van Bobby Vee zal produceren alsook de hit Strangers in the night van Frank Sinatra. Samen met Ernie bereidt Paul alles voor en twee weken later blikt hij Blau Wilde De Veest Fontaine in met op de B-kant de cover I Confess. Scoren doet het liedje niet, er worden in het totaal zo’n drieduizend exemplaren van verkocht. Op zijn vijftiende is Paul Anka een eerste ontgoocheling rijk en keert terug naar Canada.

Op school vindt Anka steun bij zijn leraar John Topelko van The Fisher Park High School (Paul zingt hier in het schoolkoor) die hem aanmoedigt door te zetten om zanger te worden. Paul treedt in zijn stad inmiddels op in clubs en voor diverse lokale radio- en televisiestations. Men ziet wel dat er talent in die jongen schuilt. Hij heeft ook een baantje als journalist weten te versieren bij de plaatselijke krant “Ottawa Citizen”. Maar zijn korte trip naar New York blijft Paul door het hoofd spoken. Hij is zo in de ban van die stad dat hij honderd dollar van zijn vader leent en in het gezelschap van de Canadese groep The Rover Boys en met vier eigen liedjes die hij in de loop van 1956, begin 1957 heeft geschreven, naar New York terugkeert. The Rover Boys leren hem de juiste weg te vinden in New York en spelen hem enkele adressen door. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij producer Don Costa van ABC-Paramount Records. Vergeet niet dat Paul nog maar vijftien is. Later zal Costa in een interview die eerste ontmoeting als volgt omschrijven: “There we were, jammer into my office listening to little Mr. Five-by-Five pounding out the songs. It was like the movie “Words and Music” about Rodgers and Hart. Paul was Mickey Rooney playing Larry Hart. Everything frantic, hammed up, overplayed: but he had something“. Paul is niet groot, zijn haar ziet er niet uit, maar hij heeft veel drive en weet Costa te imponeren. Die is niet  zozeer onder de indruk van Pauls stem, dan wel van de kwaliteit van zijn liedjes. Costa laat meteen Anka’s ouders naar New York overvliegen om daar een plantencontract te ondertekenen. Het contract wordt ondertekend door Pauls ouders, producer Don Costa en door enkele leden van de ABC-directie: Irwin Garr, Larry Newton en de grote baas Sam Clark. Zij komen overeen dat Paul in New York blijft wonen, daar liedjes gaat schrijven waarvoor hij een maandelijkse vergoeding krijgt van honderd dollar. Omdat Costa vindt dat Anka’s stem nog te wensen overlaat, stuurt hij hem meteen naar een zangpedagoog en laat hem ook wat extra notenleer volgen.

In de maand mei van 1957 staat Anka samen met het orkest van Don Costa in de Capitolstudio in New York. Paul wordt begeleid door vier muzikanten: gitarist Bucky Pizzarelli, pianist Irving Wexler, drummer Panama Francis en bassist Jerry Bruno. Qua backing vocals wordt hij begeleid door drie zangers en drie zangeressen. Costa ontpopt zich tot een geweldig arrangeur die Paul een pak knepen van het vak leert en volgens Anka een van de beste arrangeurs is die Amerika ooit gekend heeft. Diana wordt het eerste liedje dat zij opnemen, geschreven voor Diana Ayoub waar Paul tot over zijn oren verliefd op is. Hij had haar voor het eerst in het oog gekregen tijdens een kerkdienst en kon haar niet uit zijn hoofd zetten. Hij is vijftien, zij negentien en werkt op dat moment als secretaresse in het kantoor van The Royal Canadian Mountain Police in Ottawa. Hij maakt avances, maar Diana laat Paul meteen voelen dat zij er niet mee is opgezet. Hij vertaalt zijn verdriet meteen in een liedje ” I’m so young and you’re so old, this my darling I’ve been told”.

Tijdens de opname van Diana staat Don Costa erop dat Don’t gamble with love ook wordt ingeblikt en gelijk de A-kant van de single wordt. Paul gaat niet akkoord, maar Costa heeft het voor het zeggen, al zal snel na de release blijken dat Anka gelijk heeft. Paul kan het niet laten meteen na de opname in de studio een briefje naar Diana Ayoub te sturen:” Well, in twenty hours I’ll be releasing my new record. I helped pick out the instruments and the feel and all the arrangements are great! You want me to tell you what it’s called? ” Diana”. It’s favored as the hit record by everyone, they said it is a different sound and it’ll be the one. Now listen, don’t say a word or I’ll… I’ll just kiss you if it sells, because you started it“. Vreemd genoeg zal Paul Anka wanneer zijn Diana iets later een dikke hit is geworden en Ayoub toenadering zoekt, niet op haar verzoek ingaan en haar de rug toekeren.

De vijftiende juni 1957 wordt Diana op single uitgebracht, de negende september staat Diana op één in Billboard’s Hot One Hundred. Paul is de maand voordien net zestien geworden.  Er volgen snel optredens in de populairste shows: “The Ed Sullivan Show”, “American Bandstand”, “The Milton Berle Show”. Meteen wordt ook een tournee op het getouw gezet die in de maand september in het “Paramount Theatre” in New York begint en eindigt in de maand november in “The Mosque” in Richmond, Virginia. Op de affiche staan naast Paul Anka: The Drifters, The Eberly Brothers, Clyde McPhatter, Frankie Lymon and The Teenagers, LaVern Baker, Buddy Holly and The Crickets en Chuck Berry. Papa Anka wil niet dat zijn zoon zomaar meereist en voelt zich pas gerustgesteld wanneer hij met Irv Feld onderhandelt dat die niet alleen Pauls manager, maar ook begeleider wordt.

Opvallend is dat Diana in Engeland de negende augustus, een maand eerder dus, op één staat dan in Amerika. Bij ons in Vlaanderen zit er voor Paul in de loop van de maand oktober een tweede plaats in. Eveneens een tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig een maand later. In 1963 zal Anka een vervolg schrijven op zijn liefdesverhaal  en dat wordt Remember Diana, maar blijft zonder succes. Voor zijn album “Amigos” neemt Ricky Martin  in duet met Paul Anka een versie op.  In 2006 doet Anka dat nog eens over samen met Adriano Celentano die het liedje van een nieuwe tekst voorziet.

Na het succes met Diana wordt Paul  in Ottawa als een ware held ontvangen. In het begin van zijn carrière houden zijn ouders zich met de boekingen en de financiële kant van de zaak bezig, maar dat wordt zo tijdrovend dat iets later Irvin Feld, Pauls manager wordt. Omdat de familie Anka hun zoon in het oog wil houden, verkopen ze hun restaurant in Ottawa en verhuizen naar New Jersey. Paul besluit de school te laten voor wat ze is en zich alleen nog maar met zijn carrière bezig te houden. De opvolger van Diana wordt I Love You Baby dat hij de vierde september 1957 samen met het orkest van Don Costa inblikt. Tijdens die maand trekt hij op tournee in “The Biggest Show of Stars” samen met Buddy Holly, The Everly Brothers, The Drifters, The Crickets en Chuck Berry. De single I Love You Baby wordt eerder koel onthaald, maar met  You Are My Destiny hijst Anka zich stevig in het hitzadel en bepaalt daarmee de stijl waarin hij wil verdergaan.  Hij geraakt tot op de zevende plaats van de top 100 met  Tequila en  Get A Job in de charts als stevige concurrenten. You Are My Destiny had hij de zevenentwintigste september van 1957 al samen met Don Costa in New York opgenomen. De vierde november wordt I’d Have To Share, eveneens een song van Paul, opgenomen.  Wat hem van zijn collega’s op dat moment onderscheidt, is dat hij zo goed als al zijn liedjes zelf schrijft. Daarbij imiteert hij niemand. Hij heeft een unieke stijl ontwikkeld zowel van componeren als van zingen. Paul wil zijn nummers nog wat meer kracht geven en weet zijn producer over te halen extra violen en blazers te gebruiken. Hippe teksten als be bop a lula en doobedoowop laat hij achterwege. Die zijn te zeer tijdgebonden en dat verklaart misschien ook waarom zijn nummers langer meedraaien. Daarom ook dat hij artiesten als Frankie Avalon, Fabian en Bobby Rydell overleefd heeft. Bij hem komt alles rechter uit het hart en hij heeft iets minder glitter en glamour nodig. De vijfde februari 1958 neemt Paul samen met Don Costa Let the Bells Keep On Ringing op en iets later de nummers It’s Time To Cry en Crazy Love. Tijdens de maand augustus van dat jaar blikken zij in de Bell Sound Studio in New York de nummers Lonely Boy, Something Happened, Your Love en Put Your Head On My Shoulder in. De eerste juni van 1959 wordt Lonely Boy op vijfenveertig toeren uitgebracht en levert iets later Anka’s tweede nummer één op. Met dit liedje is hij te horen en te zien in de film “Girls Town” van regisseur Charles Fr. Haas samen met Mamie Van Doren, Ray Anthony en Mel Tormé. Ondanks die nummer één wordt het een droevig jaar voor Paul, want zijn moeder overlijdt op 39-jarige leeftijd.

Hij krijgt de top van Billboard’s Hot One Hundred opnieuw in zicht na de release van Put Your Head On My Shoulder, een nummer twee in de maand september van 1959 met in de slipstream daarvan nog meevallers als  It’s time to cry (plaats vier) en Puppy Love (een liedje over zijn mislukte liefdesrelatie met zangeres Annette Funicello geraakt tot op de tweede plaats) dat in de jaren zeventig een gouden hit wordt in de versie van Donny Osmond.  In 1960 worden er zes singles van hem gereleaset. Alleen het nummer My Home Town bereikt daarvan de top tien (een zesde plaats). Dan wordt het een jaar wachten vooraleer Anka nog eens in die top tien halt houdt en wel met het vlotte  Dance On Little Girl dat hij al de eerste februari van 1961 in Los Angeles samen met het orkest van Sid Feller had opgenomen,  inclusief het nummer Tonight, My Love, Tonight. Voor dit laatste had hij zich laten inspireren door de aria Caro Nome uit de opera “Rigoletto” van Giuseppe Verdi. Hij brengt zijn grootste hits tot dan toe uit op de elpee “Paul Anka Sings His Big 15″, een album dat hem meervoudig goud oplevert en wereldwijd een bestseller wordt. Als opvolger van die elpee brengt hij in de zomer van 1960 het album “Paul Anka Swings For Young Lovers” uit. Als jongste entertainer in de States neemt hij live in de befaamde “Copacabana Club” in New York het album “Anka at The Copa” op. De release van deze plaat gaat gepaard met een grootse publiciteitscampagne.  Om zijn oudere fans wat te plezieren neemt hij een uptempo versie op van de Rodgers en Hammersteinklassieker Hello Young Lovers.

De 13de november 1961 laat ABC-Paramount weten dat zij een punt achter hun samenwerking zetten en stapt Anka over naar RCA die hem een meer lucratieve en wereldwijde deal aanbieden.  In het contract staat wel dat hij al zijn ABC-hits voor hen opnieuw moet opnemen, wat hij ook doet, maar het is een beslissing waar hij later heel veel spijt van heeft. Vreemd is dat die overstap hem ook niet de hits oplevert die hij verwacht had. Nog driemaal zal hij de top twintig bereiken. Love Me Warm And Tender dat hij de twintigste november van 1961 in de RCA Studio A in New York City samen met het orkest van Ray Ellis opneemt, geraakt in de maand maart van 1965 tot op de twaalfde plaats van de top honderd. A Steel Guitar And a Glass of Wine wordt de derde april 1962 in New York City opgenomen. De single bereikt in de zomer van 1962 de dertiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. En dan is er nog het nummer Eso Beso geschreven door Noel en Joe Sherman als een soort parodie op de bossanova die op dat moment als nieuwe muziekstijl vanuit Brazilië opgang maakt. Die single wordt de derde november 1963 uitgebracht en is goed voor een negentiende plaats. Enkele maanden voordien, in de maand februari, was hij getrouwd met het Franse model Anne de Zogheb. Zij is de dochter van een Libanese diplomaat. Zij zullen samen vijf kinderen krijgen. Wanneer hij de single Did You Have a Happy Birthday uitbrengt, laten The Beatles die ook stilaan de States aan het inpalmen zijn tijdens een televisie-uitzending weten dat zij het nummer maar niks vinden en zij krijgen nog gelijk ook, want de single geraakt in Billboard’s Hot One Hundred niet hoger dan een negenentachtigste plaats. Anka maakt op het einde van dat jaar een optelsom die hem vertelt dat hij in zes jaar tijd met vierendertig singles, acht keer in de top tien heeft gestaan waarvan twee keer op één en wel met Diana en Lonely Boy. Wat hij dan nog niet weet is dat hij zich in alle stilte mag klaarmaken voor een heuse comeback.

Intussen gaat het Paul Anka internationaal wél goed voor de wind met vooral in Duitsland veel bijval en ook in Italië waar hij met een single als  Ogni Volta (een verkoop van drie miljoen exemplaren) op enorm veel respons kan rekenen. Eén klein detail misschien: van 1964 tot 1966 heeft Paul Anka ook in Italië gewoond omdat hij een enorme affectie had met dit land. Hij wordt stilaan ook songleverancier voor zogeheten concurrent-collega’s als Tom Jones die hij de hit She’s a lady bezorgt, en Frank Sinatra krijgt van hem My Way cadeau. Bij dezen maak ik graag wat plaats vrij om het juiste verhaal uit de doeken te doen.

In 1967 richtte Claude François, die ook een zeer goede neus voor zaken had, zijn eigen platenmaatschappij “Flèche Productions” op. Op dit label verschenen niet alleen zijn eigen platen, maar ook die van Patrick Topaloff en Alain Chamfort. Als eerste single op dit label verschijnt het nummer Comme d’habitude. Wanneer Claude François in 1978 sterft, houdt het label op te bestaan, maar zal zijn zoon Claude François Jr. een nieuwe firma oprichten “Société Flèche Productions” en zich over de muzikale erfenis van zijn vader ontfermen. Het eigenlijke verhaal van Comme d’habitude begint in het piepkleine dorpje Megève, gelegen in het Franse departement Haute-Savoie in de regio Rhône-Alpes,  waar Jacques Revaux woont. Hij schrijft in de maand februari 1967 een slow die hij de Engelse titel For me meegeeft. Jacques stelt het liedje aan een aantal zangers voor waaronder Claude François, maar niemand reageert enthousiast. Maar intussen merkt Cloclo dat een aantal liedjes die Jacques geschreven heeft, het erg goed doen in de Franse hitlijsten. De 27ste augustus van dat jaar nodigt hij hem uit op zijn buitenverblijf Moulin de Dannemois. Aan de rand van zijn zwembad beluistert hij samen met Jacques het liedje For me en dringt er bij Jacques op aan de melodielijn wat aan te passen. Hij wil er ook een andere tekst bij, eentje die nauw aansluit bij zijn eigen leven en vooral bij zijn net afgesprongen liefdesrelatie met de Franse zangeres France Gall. Collo staat erop dat in de tekst het zinnetje:  “j’me lêve et je te bouscule” voorkomt. Met die idee stapt hij naar tekstdichter Gilles Thibaut. Die maakt er Comme d’habitude van.

In de maand december van 1967 klimt Claude François met Comme d’habitude in de Franse hitlijsten naar de negende plaats om een maand later op 1 te belanden. Maar een grote hit zit er niet in, dat voelt hij zelf wel aan. Een maand later zakt hij al naar de twintigste plaats en verdwijnt even snel als hij gekomen is. Op dat moment scoren in Frankrijk The Beatles sterk met Lady Madonna en Jacques Dutronc met Il est cinq heures Paris s’éveille.

Tijdens de zomermaanden van 1967 huurt Paul Anka in Mougins, een dorpje in de buurt van Cannes, een vakantieverblijf. Zittend aan het zwembad met zijn toenmalige vrouw Anne en hun kinderen hoort hij over de radio Comme d’habitude. Anka is niet alleen zanger, componist, maar ook eigenaar van muziekuitgeverij Spanka Music. Hij is er altijd op uit goede melodieën op de kop te tikken waar hij nadien wel iets mee zal aanvangen. De zeventiende december van dat jaar heeft hij in het “Plaza Hotel” in Parijs een afspraak geregeld met de bekende Franse uitgever Eddie Barclay. Hij vraagt hem of hij de rechten kan kopen van Comme d’habitude. Barclay geeft toe dat het nummer in Frankrijk niet echt goed gescoord heeft en maakt geen enkel bezwaar, integendeel. Terug thuis in New York heeft Anka er niet meteen plannen mee en stopt het nummer in zijn schuif. Iets later treedt hij op in het “Fontainebleau Hotel” gelegen in de buurt van Miami Beach in Florida. Frank Sinatra is op dat moment bezig met de opnamen van een film. Hij nodigt Anka uit samen met hem te gaan dineren. Hij vertelt tijdens dat etentje dat hij de showbizz zat is en zich wil terugtrekken. Het succes met The Rat Pack (Dean Martin en Sammy Davis Jr.) is tanende en de FBI zit hem nog steeds op de hielen voor zijn vermeende relatie met de maffia. Bij hun afscheid vraagt Sinatra of Anka voor hem geen liedje wil schrijven. Hij wil als afscheid namelijk nog een laatste elpee opnemen. Na hun ontmoeting vliegt Anka terug naar zijn appartement in New York en zet zich daar aan het schrijven. Hij haalt uit zijn schuif Comme d’habitude en met die melodie in zijn hoofd begint hij om één uur ‘s nachts te schrijven. Hij zet zich achter zijn IBM elektrische typemachine en tikt als eerste zin  “and now the end is near and so I face the final curtain“. Vier uur later staat My Way op papier (de titel was er meteen).

Waar haast nooit iemand het over heeft, is dat David Bowie in de jaren zestig een tekst heeft geschreven op de melodie van Comme d’habitude  Even a food learns to love. Bowie schreef “There was a time, the laughing time, I took my heart to every party. They’d point my way  ”"How are you today? Will you make us laugh? Chase our blues away?”… Bowie werkte in die tijd voor een muziekuitgever in Denmark Street in Londen en schreef deze tekst met in zijn achterhoofd de in die tijd bekende zanger-acteur Anthony Newley. Er bestaat een demoversie waarop je Bowie zijn tekst hoort zingen over de Franse tekst van Claude François heen, hij zingt dus gewoon met het plaatje mee. David heeft het nummer nooit definitief opgenomen. Zijn eerstvolgende single Space Oddity in 1969 betekent trouwens Bowies grote doorbraak.

Augustus 1968. Anka weet dat Sinatra aan een reeks optredens bezig is in “Caesar’s Palace” in Las Vegas. Hij heeft een ontmoeting met The Voice geregeld en laat hem My Way horen. In zijn bekende koele stijl zegt Sinatra dat hij akkoord gaat en het nummer zal inblikken. De zevende december 1968 belt Paul Anka, Claude François met de melding dat Sinatra het door hem geschreven Comme d’habitude zal opnemen. Uiteraard is Cloclo in de wolken. De dertigste december 1968 trekt Sinatra naar de “Oceanway Recording Studio” in Hollywood, Los Angeles en neemt daar in één take My Way op. De arrangementen worden geleverd door Don Costa en producer van dienst is Sonny Burke. Terug thuis belt hij meteen Paul Anka op en laat hem via de telefoon de opname horen. Anka is zo onder de indruk van het resultaat dat hij in tranen uitbarst. De achtentwintigste maart 1969 verschijnt My Way in Amerika op single. Vreemd genoeg wordt het nummer geen hoogvlieger, terwijl het een van de bekendste en meest geliefde songs van Sinatra zal worden en blijven. Er zit voor My Way in Billboard’s Hot One Hundred niet meer in dan een zevenentwintigste plaats.

“My Way” is ook de titel van het album dat Sinatra in 1969 uitbrengt. Daarop zingt hij een aantal popklassiekers zoals Yesterday van The Beatles, Mrs. Robinson van Simon & Garfunkel en nog een bekend Frans chanson, Ne me quitte pas van Jacques Brel dat Rod McKuen had vertaald als If You Go Away. In de maand december van 1970 zal Paul Anka voor de eerste keer in Parijs Claude François ontmoeten. Een hartelijke samenkomst met veel woorden van dank aan het adres van Anka die ervoor gezorgd heeft dat de bankrekening van Cloclo aardig is aangedikt. Sinatra zelf zal François nooit persoonlijk ontmoeten.

Ook Jacques Revaux heeft aan de auteursrechten van My way veel verdiend. Jacques was eind jaren vijftig begonnen als zanger en was regelmatig te zien in films van Jacques Demy. Hij richt samen met Régis Talar in 1969 platenlabel Tréma op. Zij zullen tal van liedjes schrijven en op hun label uitbrengen van onder anderen Hervé Vilard, Charles Aznavour, Johnny Hallyday, Dalida en Michel Sardou.  Jacques Revaux is ook de man die de muziek leverde voor die andere Franse megahit Les lacs du Connemara dat hij samen met Michel Sardou schreef.

In 1973 neemt Frank Sinatra nog een Frans nummer op waarvoor Paul Anka de tekst levert. Oorspronkelijk heet Let Me Try Again,  Laisse moi le temps geschreven door Michel Jourdan op een melodie van Claude Vasori. Claude Vasori is de echte naam van de Franse orkestleider en arrangeur Caravelli. Paul Anka schrijft er een Engelse tekst op samen met Sammy Cahn.

Op het einde van de jaren zestig bolt Paul Anka in de hitlijsten uit. Hij start 1969 met een geslaagde cover van de Jesse Belvinhit Goodnight My Love en houdt het bij coveren op In The Still Of The Night en Sincerely. Inmiddels heeft hij ook door dat hij het muzikaal over een andere boeg moet gooien. De tijden zijn veranderd, hij is allang geen tieneridool meer. Hij gaat zich meer en meer profileren als singer-songwriter wat we voor een eerste keer horen wanneer hij in 1971 het nummer Do I Love uitbrengt. Niet meteen een hoogvlieger, maar toch goed voor een drieënvijftigste plaats in de top honderd. Tot eenieders verbazing, en het meest die van hemzelf, staat hij met Having My Baby de 24ste augustus 1974 op de eerste plaats van de hitlijsten. Hij heeft daarmee Paper Lace van de top verdrongen die daar een weekje hadden postgevat met The Night Chicago Died. Anka had intussen zijn deal met platenfirma RCA niet vernieuwd en was nadien een beetje op de dool geraakt. Buddah Records was niet je dat, daar had hij niet echt gescoord. Hij heeft nu een kersverse deal bij United Artists te pakken en die willen er hun schouders wel onder zetten. Toen Anka hun in demovorm (You’re) Having My Baby liet horen, hielden die toch even hun adem in. Zij hadden schrik dat dit wat vrouwonvriendelijk klonk en in het verkeerde keelgat zou schieten. Maar de Amerikaanse Vrouwenorganisatie vindt dit nummer nou net een pluspunt. In hun oren klinkt het als het lied van een trotse vader die hoopvol uitkijkt naar de geboorte van zijn kind. Het krijgt een nog mooiere invalshoek wanneer blijkt dat Anka het als een ode aan zijn vrouw heeft opgedragen met wie hij op dat moment vier kinderen heeft. Tijdens een optreden in Lake Tahoe, Californië had hij het plan opgevat daar een liedje over te schrijven. Hij had net kennisgemaakt met een zangeres uit die buurt, Odia Coates. Anka regelt een auditie met haar in zijn thuishaven Las Vegas. Hij besluit voor Odia een aantal liedjes te schrijven. Zij is in de studio aanwezig wanneer hij  Having My Baby opneemt, oorspronkelijk bedoeld als solonummer. Op aanwijzen van een medewerker van United Artists besluit Anka het nummer te bewerken en er een duet van te maken. Het succes van (You’re) Having My Baby en die samenwerking met Odia Coates valt zo goed mee dat hij samen met haar ook de volgende single One Man Woman/ One Woman Man opneemt dat in het najaar van 1974 op de zevende plaats in de Amerikaanse Top Honderd staat.

Om zo veel mogelijk geld op zijn eigen bankrekening te krijgen, had Paul jaren eerder zijn eigen muziekuitgeverij “Spanka Songs” opgericht. Op die manier kreeg hij tegen het midden van de jaren zestig de controle over méér dan vierhonderd songs. Hij had al die tijd ook oog en oor voor nieuw talent. Zo hielp hij de heren John Prine, Corey Hart  en Steve Goodman een handje én dus Odia Coates die vanop de eerste rij getuige mocht zijn van zijn immense comeback. Die was er ook gekomen dankzij de interesse in het schrijverstalent van Paul Anka. Vooral zijn platenfirma United Artists gelooft daar sterk in en spoort hem aan nog meer eigen nummers op plaat te zetten. Op dat label scoort hij nog twee toptienhits: I Don’t Like To Sleep Alone en Times Of Your Life. In 1976 neemt hij een van mijn lievelingsnummers op Anytime, maar hij voelt toch aan dat hij stilaan weer zijn greep op de hitlijsten verliest. Er zit niet meer dan een drieëndertigste plaats in de top honderd in.

Na een aantal jaren voor United Artists te hebben gewerkt en nog maar eens een ommetje te hebben gemaakt via het RCA-label voor wie hij de singles This Is Love en I’ve Been Waiting For You All Of My Life opneemt, keert Paul Anka in 1983 terug naar CBS en ziet dat meteen beloond  met de hitsige  Hold Me Till The Morning Comes waarvoor hij de vocale steun krijgt van niemand minder dan Peter Cetera van de succesvolle groep Chicago die de backing vocals voor zijn rekening neemt.  Niet dat het zo’n gigantische hit wordt, want het nummer houdt halt in de staart van de top veertig, maar hij krijgt goede kritieken en koppelt er een geslaagde elpee aan vast. Tussendoor ook vermelden dat Paul Anka muziek voor een aantal films heeft geschreven waaronder “The Longest Day” waarin hem een kleine rol wordt toebedeeld, voor de Louis Mallefilm “Atlantic City” en “The Gospel Singer”. In 1962 vragen de producers van  “The Tonight Show” met als sterpresentator Johnny Carson, de kentune van dat programma te schrijven. Dit zal Paul geen windeieren leggen, want de show was een heel lang leven beschoren.

Anka is tevens een gehaaid zakenman die nog altijd miljoenencontracten weet te versieren met duurbetaalde optredens in “Bally’s Grand Resorts” in Atlantic City en “Foxwoods Casino” in Connecticut. Als vader van vijf dochters (Amelia, Anthea, Alicia, Amanda en Alexandra) weet hij zich goed omringd en dat inspireert hem om almaar voort te doen. Een optelsom leert ons dat hij ongeveer vijftig miljoen platen verkocht moet hebben en dat hij méér dan negenhonderd liedjes heeft opgenomen waarvan hij het merendeel zelf schreef. Hij werd  dan ook niet voor niets opgenomen in “The Songwriters Hall of Fame”. In 1998 bewijst hij zijn schrijverstalent nog maar eens op het album “A Body of Work” waarop hij het duet Do I Love You samen met zijn dochter Anthea zingt en de overige vocale steun krijgt van onder meer Patti LaBelle, Barry Gibb en Celine Dion. Via een technisch trucje hoor je Paul in duet met Frank Sinatra in My Way. Voor de productie krijgt hij de steun van zijn vriend-producer David Foster.

In 2000 scheidt Paul Anka van zijn  vrouw Anne de Zogheb. Acht jaar later trouwt hij met Anna Aberg. Samen krijgen zij een zoon, Ethan, maar na twee jaar loopt dat huwelijk al op de klippen. In 2006 neemt hij samen met de Italiaanse ster Adriano Celentano een remake op van Diana. Anka is vooral trots op zijn meer recente albums zoals “Classic Songs-My Way” dat hij in 2007 uitbrengt om op die manier zijn vijftigjarig jubileum als artiest te vieren. Hij zingt dertien van zijn bekendste hits samen met grote rocksterren zoals Bryan Adams, Cyndi Lauper, Foreigner, Duran Duran, Billy Joel en Bob Seger. Drie jaar eerder had hij de cd “Rock Swings” uitgebracht met daarop rocknummers in aangepaste versies zoals Smells Like Teen Spirit van Nirvana, True van Spandau Ballet en It’s A Sin van The Pet Shop Boys. Paul Anka is ook de man die Michael Bublé zo goed als ontdekte en hem de nodige duw in de rug gaf door onder meer diens debuutalbum te producen. Intussen is ook bekend dat Paul Anka  This Is It voor Michael Jackson schreef. Met het oog op de kerstdagen brengt hij in 2011 het album “Songs of December” uit met daarop de bekendste kerstsongs in een jazzy bewerking.

Tijdens de zevende auditie van “Rimpelrock” staat Paul Anka de tiende augustus 2008 op het podium in Kiewit-Hasselt samen met The Three Degrees, Frans Bauer, Laura Lynn, Rocco Granata en Middle of The Road.

Wij zullen ons Paul Anka niet alleen als zanger herinneren, maar vooral als hitleverancier en zo voelt hij zich ook. Dat had hij snel door, zelfs toen hij op 15-jarige leeftijd nog maar net begonnen was: ” After I’d had a few hits I knew I was a writer, and with writers, the power is always in the pen. When I started writing for Buddy Holly and Connie Francis, I felt that it made me different for people. They would say ‘ Hey! You can write. As a writer you can fall back on something!” . In 2013 brengt platenfirma Bear Family nog een verzamelalbum op de markt onder de titel “Dianacally Yours” met daarop geremasterde versies van zesendertig Anka hits, beginnend in 1957 met Diana en eindigend in 1962 met A Steel Guitar and A Glass of Wine, een hebbeding voor wie graag kennismaakt met een van de grootste tieneridolen uit de tijd van de Amerikaanse highschoolrock, maar dan eentje die de verdienste heeft het leeuwenaandeel van zijn hits zelf te hebben geschreven.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015  Daisy Lane & Marc Brillouet

The Chiffons

Meidengroepen is geen fenomeen dat in de jaren tachtig ontstond. In de jaren vijftig waren er al dames die luidruchtig van zich lieten horen, dames als The Fontane Sisters, The Chordettes en The McGuire Sisters, en aan het begin van de jaren zestig was het hek helemaal van de dam, want toen was het plots “in” in een meidengroepje te zingen. Vooral gekleurde dames hadden het toen plots voor het zeggen in de hitlijsten: The Ronettes, The Supremes, The Shangri-Las,The Vandellas en niet het minst The Chiffons, drie boezemvriendinnen die schoolliepen in Upper Manhattan en The Bronx. Songschrijver Ronnie Mack wist dat deze vier dames – want even later werd ook Sylvia Peterson bij de groep ingelijfd – in hun vrije tijd graag zongen en toen hij een paar liedjes klaar had liggen, trok hij zijn stoute schoenen aan en vroeg hen op de vrouw af of ze geen zin hadden om in de studio een paar van die liedjes in te zingen. Tijdens een eerste sessie die amper één uur duurde, namen Judy Craig, Barbara Lee, Patricia Bennett en Sylvia Peterson zo veel mogelijk songs op als binnen dat korte tijdsbestek mogelijk was.

Nadien ging iedereen gewoon naar huis, de dag daarop naar school en na een paar weken waren ze Ronnie Mack zo’n beetje vergeten. Hij hen niet, want met die demo’s trok hij naar diverse platenfirma’s tot hij op zekere dag bij de firma terechtkomt van Hank Medress en Phil Margo, leden van The Tokens. Die zien wel wat in dit project. Er wordt meteen studiotijd ingehuurd en omdat er geen geld meer over was om muzikanten te reserveren, beslisten The Tokens zelf voor de begeleiding te zorgen.  He’s so fine is het eerste nummer waar naarstig aan gewerkt wordt. De intro doo lang, doo lang, doo lang moet de aandacht trekken en de rest leek achteraf kinderspel, want voor de dames er erg in hadden, stond het liedje op single en de 30ste maart 1963 op één in Billboard’s Hot One Hundred.

He’s so fine zou in 1970 nog onderwerp van discussie worden toen de uitgeverij van Ronnie Mack een proces aanspande tegen George Harrison van The Beatles omdat zijn hit My sweet Lord verrassend sterk op de melodielijn van He’s so fine leek. Harrison ging furieus in de tegenaanval en beweerde dat hij toen hij het liedje schreef alleen maar het begin van Oh happy day van The Edwin Hawkins Singers in zijn hoofd had. Maar al dat geruzie baatte niet. Vijf jaar later besliste judge Richard Owen dat Harrison wel degelijk een deel van zijn winst aan Ronnie Mack moest afstaan. Als grap zetten The Chiffons in 1975 My sweet lord op single die je kan terugvinden op de cd “The Chiffons greatest recordings”, in 1990 uitgebracht op het Ace-label.

Maar terug naar 1963. Na het succes met He’s so fine brachten The Chiffons een liedje uit dat Little Eva net van de hand had gewezen One fine day. Let vooral eens op de opvallende piano-intro, gespeeld door Carole King die met haar compositie The Chiffons aan een tweede gouden plaat hielp. ‘n Beetje in de stijl van hun concurrenten The Crystals, brengen The Chiffons Uptown op de markt en vervolgens When the boy’s happy, the girl’s happy too. Het vreemde is dat ze dat laatste, net als de single The block, releasen op het Rust-label onder een andere groepsnaam, namelijk The Four Pennies, maar zonder veel stof te doen opwaaien. Stilaan lijkt het erop dat The Chiffons na een jaar aan het uitbollen zijn. I have a boyfriend haalt nog net de top veertig, maar Sailor Boy moeten we al achteraan in de Top Honderd van 1964 gaan zoeken. Maar 1966 zou voor The Chiffons weer een fantastisch jaar worden. Op zeven mei werd immers het door Doug Morris en Eliot Greenberg geschreven Sweet Talking Guy op single gelanceerd, een plaatje waarmee ze inpikten op de toen allesoverheersende Motown-Sound. In Amerika werd het een toptienhit en in Engeland twee keer een hit: op eenendertig in de Britse top veertig in 1966 en op vier in 1972. Zo omstreeks 1967 waren de hoogtijdagen van de meidengroepen in Amerika voorbij. Toch deden The Chiffons moeite om nog goede singles af te leveren zoals: Open your eyes en Teach me now, maar ja wat wil je, de beat had de hitlijsten stevig in haar greep en de muzikale smaak was stilaan ook helemaal anders gekruid.

Out of this world en Stop, look and listen waren de laatste singles waarmee The Chiffons nog tot in de staart van de Amerikaanse Top Honderd geraakten. In 1970 had Judy Craig The Chiffons verlaten. De vijftiende mei 1992 overlijdt aan de vooravond van haar vijfenveertigste verjaardag Barbara Lee aan een hartaanval. Craig stapt daarop opnieuw in de groep en gaat met hen de baan op. Iets later houdt Sylvia Peterson het voor bekeken en wordt vervangen door Connie Harvey, die het na een tijdje in haar eentje wil proberen. Wanneer Patricia Bennett besluit het rustiger aan te gaan doen, spreekt Judy Craig met haar dochter en een nichtje van haar af dat zij voortaan als The Chiffons zullen blijven zingen en optreden.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Rock around the Clock

Terecht mag je zeggen dat als je een breuklijn wil aanduiden in de muziekgeschiedenis tussen amusementsmuziek en pop, je de single Rock around the clock van Bill Haley als een mijlpaal mag nemen om die grens te trekken. Je kunt zelfs spreken van muziekstijlen voor en muziekstijlen na deze plaat die door velen als allereerste rocksingle in de geschiedenis van de lichte muziek wordt beschouwd.

Wanneer Bill Haley zich met muziek gaat bezighouden, is er geen duidelijke richting die hij uit kan. De hoogtijdagen van de bigbands liggen achter hem en de nieuwe jazz die je links en rechts kan horen, slaat slechts aan bij een minderheid. Bill wordt thuis met muziek grootgebracht. Zijn vader speelt banjo en zijn uit Engeland afkomstige moeder tokkelt voortreffelijk op de piano. Bill zelf is een grote fan van de radioshow van de in de jaren dertig en veertig populaire countryzanger Gene Autry. Van zijn ouders krijgt Bill op zekere dag een akoestische gitaar en gaat zich specialiseren in het jodelen. Hij heeft echter met een probleem te kampen en dat is dat hij aan één oog blind is. Hij verstopt die handicap achter een lange, over zijn voorhoofd hangende haarlok. Bill woont op dat moment nog bij zijn ouders in Chester waar hij onder andere op de markt voor een dollar of vijf liedjes gaat zingen, naar het schijnt behoorlijk tegen zijn zin. Hij is namelijk nogal schuchter van aard. Maar om aan geld te geraken, besluit Bill toch fulltime zanger te worden. De blanke gemeenschap in zijn regio is erg dol op country & western. Op zekere dag ontmoet hij, na een optreden, Hank Williams in hoogsteigen persoon. Zij geraken behoorlijk bevriend met elkaar. Hank geeft Bill een paar broodnodige tips mee en leert hem een aantal typische akkoorden. Op aanraden van Hank trekt Bill naar New Orleans waar hij kennismaakt met de boogie woogie en de dixieland.

Intussen was Bill Haley een tijdje gaan optreden bij The Downhomers en iets later bij The Saddlemen. Na een paar plaatjes die hij had ingeblikt, maar waarmee hij nergens aan de bak komt, laat staan succes scoort, keert hij bij het begin van de jaren vijftig naar zijn geboorteplaats Chester terug en trekt opnieuw bij zijn ouders in. Gelukkig voor Bill was daar net deejay Lew Pollard met een radiostation begonnen. Op aanraden van zijn vader solliciteert hij en krijgt er een job als presentator-discothecaris aangeboden. Omdat er nogal wat rhythm & blues platen gedraaid werden, kwam Bill op de idee country met rhythm & blues te mixen. Deze mengeling slaat aan en Bill mag als zesentwintigjarige in 1951 samen met zijn vaste begeleidingsgroep The Saddlemen zijn eerste succes inblikken Rocket 88. Dat nummer was in de maand april al een dikke hit geweest voor Jackie Brenston samen met Ike Turner die het samen ook geschreven hebben. Pas echt doorbreken doet Bill een jaar later met Rock this Joint en het countrygetinte Icy Heart. De deejays zijn vooral weg van het eerste nummer. Binnen de kortste keren worden er vierhonderdduizend exemplaren van aan de man gebracht. Aangekomen in Nashville, mag Bill in de loop van de maand oktober 1953 meteen optreden in het bekende radioprogramma  “Grand Ole Opry”.

Er moet dringend wat aan zijn imago worden gesleuteld. De countrystijl moet wijken voor een meer moderne look. Geen bakkebaarden meer en ook geen countryboots. De groep heet voortaan Bill Haley and His Comets. De zestiende mei 1953 is een datum die zij nooit zullen vergeten, want dan geraken zij met Crazy Man Crazy tot op de zestiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Iets later krijgt Bill van uitgever James E.Myers alias Jimmy DeKnight een nummer aangeboden dat hij samen met Max C. Freedman had geschreven Rock around the Clock. Velen twijfelen aan dat co-auteurschap en vermoeden dat Max het alleen schreef. Bills platenfirma Essex weigert hierop in te gaan. Gelukkig voor Bill loopt zijn contract net af en hij sluit een platendeal bij Decca die wél wat in het nummer zien. De twintigste maart 1954 stond Sonny Dae al in de studio samen met zijn groep The Knights om een versie van Rock around the Clock op te nemen, maar de twaalfde april is het de beurt aan Bill die in de “Pythian Temple Studio” in New York zijn versie vereeuwigt. Bill Haley and His Comets blikken samen met producer Milt Gabler, die eerder al met Louis Armstrong en Ella Fitzgerald had gewerkt, de songs Thirteen Women en Rock around the Clock in. Gabler houdt vol dat Thirteen Women sowieso de A-kant moet worden. Gitarist van dienst is Danny Cedrone die wel vaker als sessiemuzikant werd ingehuurd door Bill. Tien dagen na deze opname overlijdt Cedrone op 33-jarige leeftijd aan de gevolgen van een ongelukkige val van de trappen en zal dus niet het succes van Rock around the Clock meemaken. De eerste release wordt geen echte hit, maar Bill krijgt een nieuwe kans en neemt Shake, Rattle and Roll van Charles Calhoun op. Dat was iets eerder al op plaat gezet door Louis Jordan, maar de versie van Bill is een stuk sneller. In de loop van de maand oktober 1954 staat Bill ermee op de zevende plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

Met de volgende singles Dim, dim the lights en Mambo rock zal Haley nadien opnieuw de Top Twintig inpalmen. Muziekuitgever James E. Myers blijft erg geloven in het hitpotentieel van Rock around the Clock. Hij stuurt tweehonderd singletjes naar de bekendste regisseurs en producers die Hollywood rijk is in de hoop dat het in een of andere soundtrack zal opduiken. En zijn droom wordt werkelijkheid. In de lente van 1955 wordt in een regie van Richard Brooks de film  ”Blackboard Jungle gelanceerd met in de hoofdrollen Glenn Ford, Anne Francis en Louis Calhern. Het echte verhaal wil dat Glenn en Richard Rock around the Clock vonden in de platencollectie van Glenn’s zoon die dat plaatje iets eerder gekocht had. De plot gaat over een leraar die met agressieve studenten krijgt af te rekenen. De film zet gelijk in met het liedje Rock around the Clock. De vonk slaat meteen over op het jeugdige publiek en binnen de kortste keren wordt de singleversie opnieuw in de rekken gezet. De negende juli 1955 staat Rock around the Clock op 1 in de Amerikaanse charts en zal het daar acht weken na mekaar uithouden. Dat jaar wordt voor hem echter geen om in te kaderen, integendeel.  Zowel zijn vader, zijn moeder als zijn zus overlijden en zijn vrouw baart een niet-levensvatbaar kind.

De prent “Blackboard Jungle” zette een nieuwe trend, namelijk die van de rockfilm. Dat succes wordt snel aangevuld wanneer producer Sam Katzman en regisseur Fred F. Sears, Bill Haley and his Comets centraal plaatsen in de film “Rock around the clock” met in de hoofdrollen Alix Talton en Johnny Johnston. In die film treden ook de legendarische deejay Alan Freed, The Platters en het Ernie Freeman Combo op. In de slipstream volgt ook nog “Don’t Knock the Rock”. Haley staat erop dat zijn muzikanten meedelen in het financiële succes. Hij koopt voor elk van hen een heuse Cadillac en trakteert zichzelf op een jacht dat hij toepasselijk “Comet” noemt en waarmee hij zich op zee tijdens een of andere visvangst lekker kan uitleven. Intussen brengen zij de singles Razzle-Dazzle, Two Hound Dogs en Burn That Candle uit.  Nog één keer kan Bill het succes van Rock around the Clock op vinyl evenaren, of toch in de buurt ervan geraken, met de single See You Later Alligator. De veertiende januari 1956 wordt die vijfenveertigtoerenplaat gereleaset en enkele weken later staat Bill ermee op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred.

Nadien zal hij tussen 1956 en 1974 nog zestien keer in de Amerikaanse Top Honderd opduiken met singles als: Hot Dog Buddy Buddy, The Saints Rock ‘n Roll, Rip It Up, Choo Choo Ch’Boogie en Skinny Minnie. De laatste keer in de maand maart 1974 met Rock around the Clock en dat dankzij het in die tijd populaire feuilleton “Happy Days”.

Vreemd genoeg blijven nadien de  echte hits voor Bill Haley and His Comets achterwege. Zij komen wel erg goed aan de bak dankzij hun vele live-optredens. In de jaren zestig treden zij regelmatig in Europa op, met name in Engeland, en profiteren daar van de rock and roll revival. Zo is er in 1967 het onvergetelijk optreden in het “Alhambra Theater” waar zij samen met de Spencer Davis Group optreden, luid aangemoedigd door de Britse jeugd. Toch voelt Haley dat hij er niet meer echt bij hoort en er eigenlijk ook nooit “echt” bijgehoord heeft, want collega’s als Elvis Presley, Little Richard, Buddy Holly en Chuck Berry worden in het rock and roll milieu hoger naar waarde geschat. Haley geraakt aan de drank en houdt er een hevige vorm van paranoia aan over. De negende februari 1981 wordt hij getroffen door een hartaanval. Hij overlijdt in zijn woning in Harlingen, Texas.

Als eerbetoon worden Bill Haley and His Comets in 1987 opgenomen in de “Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland.

In 1979 neemt de Belgische groep Telex een erg trage versie van Rock around the Clock op die in Engeland tot op de vierendertigste plaats in de Top Veertig geraakt.

tekst en research: Marc Brillouet

©2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Will Tura

Méér dan veertig jaar is Will Tura de koning van de Vlaamse showbizz. Het is een eretitel waar hij zich een beetje onwennig bij voelt, als zou hij zich vorstelijke allures moeten aanmeten. Maar er mag ridder Arthur Blanckaert op zijn naamkaartje staan en hij heeft zijn eigen wapenschild. In een gesprek met Wilfried Hendrickx voor Humo vertelde Will in 2012 dat hij de duurte van zijn carrière niet toeschrijft aan zijn talent waaraan hij nog altijd twijfelt, maar aan zijn beroepsernst en aan zijn noeste werklust. “Taai volhouden is een soort West-Vlaams arbeidsethos”.

Will Tura werd de tweede augustus 1940 in Veurne geboren als vierde van vijf kinderen. Niemand kon toen vermoeden dat hij het grootste fenomeen van de Vlaamse muziekwereld zou worden. Als Will naar zijn vader had geluisterd, was hij toneel- of filmacteur geworden. Zijn papa, die overdag schrijnwerker was (hij werkte als grensarbeider in Frankrijk), speelde in het amateurtoneel en werd de Humphrey Bogart van Veurne genoemd. Zijn droom was niet dat Will een gevierd zanger zou worden, maar wel dat hij ooit zou te zien zijn op het witte doek. Het had dan ook niet veel gescheeld of in 1959 zou Will te zien zijn geweest in de Frans-Belgische film ‘Gejaagd door de nacht’. Maar halverwege de opnamen kregen de regisseur en de producer ruzie en ging het hele project de mist in.

Will koesterde één grote droom: zanger worden. Zijn vader vond dat geen ernstige stiel, maar moeder geloofde wel in het talent van haar zoon. Op school was Will geen held, maar hij werd wel gewaardeerd wanneer hij op zijn accordeon het koor begeleidde. Voor die accordeon hadden zijn ouders een tijdje haast het brood uit hun mond moeten sparen, maar ze wisten toen al dat Arthur door muziek bezeten was. Op jonge leeftijd stapt hij naar de muziekschool. Dat slorpt hem helemaal op, dat bezig zijn met noten én liedjes schrijven. Mama Blanckaert had zo graag dat Will in het orkest van Francis Bay zou terechtkomen. In 1951 staat Will op de affiche van “Cinema Eldorado” in Veurne in de revue van Walter Richard. Het is Walter die  de artiestennaam Will Tura bedenkt en ontdekt dat Will aardig kan jodelen en dat was in die tijd een attractie apart. Iets later leert Will, Harry Cogge kennen, een West-Vlaams accordeonleraar en leider van het orkest ‘De Nachtvlinders’. Die geeft Will accordeonles en zodoende krijgt hij een plaats in het orkest! De Nachtvlinders spelen graag jazzy en bluesy muziek en dat ligt Will wel. Na een tijdje kan hij zo goed accordeon spelen dat hij links en rechts prijzen wegkaapt. Hij was toen een jaar of vijftien. Het waren de jaren dat in Vlaanderen sterren als Jean Walter, La Esterella, Bob Benny en Bobbejaan Schoepen het voor het zingen hadden.

Will weet nog zeer goed dat toen Bobbejaan in Veurne optrad, hij de jonge Tura in de gaten kreeg, hem op het podium uitnodigde, hem een cowboyhoed opzette en hem liet meejodelen. In 1953 komt Will als zanger-gitarist in Freddy’s Dansorkest terecht. Tijdens een crochetwedstrijd van “Radio Kortrijk” wordt Will, die intussen les volgt aan de conservatoria van Gent en Oostende, ontdekt door Jo Deensen. Will gaat almaar méér zijn eigen weg en passeert nog even de orkesten van André Coucke en Marcel Sterckx vooraleer hij in 1957 muziekuitgever Jacques Klüger ontmoet. Hij had intussen ook piano leren spelen én gitaar. Wanneer hij maar enigszins de tijd heeft, schrijft hij liedjes. Het wordt snel duidelijk dat dat zijn dada zal worden, songs schrijven. Hij had aan het conservatorium de voorbije drie jaar aardig wat bijgeleerd: hij kan vlot noten lezen en improviseert graag. Wanneer hij nu op zijn oeuvre terugblikt, stelt hij vast dat ruim tachtig procent van zijn repertoire uit eigen songs bestaat.

Het kon niet lang uitblijven of Will zou zijn eerste plaatje opnemen Bye bye love, een cover van een nummer 1-hit van The Everly Brothers. Het was in die begindagen echt zoeken naar de juiste Turaformule. Dat ging stap voor stap dankzij singles als Amapola, Oh paardenstaart en Blauwe Kimono om uiteindelijk te resulteren in dé Turahit bij uitstek Eenzaam zonder jou, een liedje dat hij geschreven had tijdens een zomervakantie op een caféterras in Zuid-Frankrijk  met als werktitel I feel so lonely en met  een toenmalig vriendinnetje in zijn  achterhoofd. Hij had welgeteld zes bierviltjes nodig om de eerste flarden van het nummer onder een zomerse zon neer te krabbelen. Achteraf schreef  Ke Riema er een tekst op.  Na vijf jaar lang de ene single na de andere te hebben gereleaset, had Will in 1962 eindelijk zijn eerste nummer één te pakken. Geduld oefenen en blijven volhouden, loonde. Plots werden Wills dromen ook werkelijkheid. Hij ging zich door dat succes almaar meer als een professional gedragen, hij begon de ernst van zijn vak in te zien.

Will was met Eenzaam zonder jou niet aan zijn proefstuk, want eerder had hij al liedjes geschreven, een instrumentaal nummer zoals Tender passion dat  door Willy Albimoor op piano werd opgenomen en later nog op de succesvolle cd “Janu plays Will Tura volume 1″ als Nooit laat ik je gaan werd gezet, en het nummertje A lonesome heart dat door trompettist Theo Mertens op plaat werd uitgebracht. Will had snel door dat hij na dat succes met Eenzaam zonder jou snel een opvolger moest klaarhebben. Tijd om met zijn imago bezig te zijn had hij niet. Op plaat had hij een hit met een slow, maar op het podium rockte hij net zo stevig als Johnny Hallyday en Cliff Richard. Toen Jacques Klüger in 1962 overleed, moest Will voortwerken met diens zoon Jean, een jongeman die amper twee en een half jaar ouder was dan Will. De vaderfiguur viel weg, maar er kwamen nieuwe, frisse ideeën in de plaats. Jean voelde ook aan dat ze snel met een nieuwe hit op de proppen moesten komen. De opvolger van Eenzaam zonder jou, Ik wacht op jou,  houdt halt op een tweede plaats in de hitlijsten, maar Je liegt staat in 1963 binnen de kortste keren op nummer één. Will vindt de tijd ook rijp om met een eigen orkest te starten, het Tura Sextet, later de Tura Band. Het zou paginarovend zijn, mochten we dieper ingaan op de jarenzestighits van Will. Daarom een kort overzicht van zijn allergrootste: Draai dan 797204 (1964), Als de zomer weer voorbij zal zijn (1964), Heimwee naar huis (1966), Arrivederci Maria (1966), El Bandido (1966), Mijn winterroosje (1967), Viva el amor (1968), Angelina  (1968), Het kan niet zijn, (1969) , Hetgeen je niet krijgen kan (1969) en Liefdeverdriet (1969).  De laatste vijf  bereikten elk de eerste plaats. Steeds was er eerst de muziek en pas dan  de tekst. Vaak schreef Will na een optreden enkele flarden van de melodie die hem op dat moment te binnen schoten op een stukje papier of zong het in op cassette. Nadien werkte hij het thuis verder uit aan de piano. Soms schoot hem een idee te binnen wanneer hij in de auto op weg was terug naar huis. Nog voor het slapengaan noteerde hij dan de basismelodie snel op papier of stopte hij onderweg en speelde langs de graskant of op de pechstrook enkele fragmenten ervan op de gitaar. Wanneer hij op vakantie was had hij altijd een studiegitaartje bij de hand. Zo schreef hij ooit in een of ander Spaans vakantieoord Arrivederci Maria.

Op het einde van de jaren zestig voelt Will dat hij leeg is, zijn batterij is plat. Een bezoek aan de dokter leert hem dat hij hoogdringend aan rust toe is. Een vakantie op Palma de Mallorca helpt hem er weer bovenop. Hij voelde het al eerder aankomen. Hij was bij het minste opgejaagd, snel geprikkeld. Fysiek kon hij niet meer, maar zijn mentale sterkte dreef hem voort. Gelukkig voelt hij zich na twee weken als herboren en kan de rode draad weer oppikken en nieuwe liedjes schrijven samen met Nelly Byl. Will had namelijk sinds  zijn eerste hit samen met zijn producer het schrijverstalent van Nelly ontdekt. Zij was het die in 1963 het countryliedje Lonesome 7-7203 vertaalde als Draai dan 797204. Het zou het begin worden van een lange en vruchtbare samenwerking. In de jaren zestig schreef  ze vooral vertalingen van Engelstalige liedjes waarvan Jacques Klüger de rechten had gekocht en zo leerde ze almaar beter teksten schrijven. Nelly werkte  in die periode ook voor Marva, Jimmy Frey, Ann Christy en Rita Deneve. Het vreemde wat haar samenwerking met Will betreft, is dat ze elkaars deur nooit hebben platgelopen. Zij werkten heel vaak met cassetjes.  Het liefst schreef Nelly romantische teksten. Ze had dan ook liever gehad dat Will wat meer over zichzelf had verteld, dat zou voor haar gemakkelijker zijn geweest, dat zou haar iets meer inspiratie hebben gegeven. Zijn vrouw Jenny geeft haar daarin gelijk: “Will is zeer introvert“, zegt ze, “Hij leeft heel vaak in zijn eigen wereldje, maar daar heb ik me intussen al lang aan aangepast!”.

Niet alleen muzikaal gaat het Will in de jaren zeventig  voor de wind. De vierde juli 1971 ontvangt de inmiddels naar Brabant uitgeweken zanger de titel van ereburger van zijn geboortestad Veurne. Privé zit het hem ook mee, want tijdens een privéfeestje van zijn producer Jean Klüger in 1971 leert hij Jenny Swinnen kennen. Datzelfde jaar scoort hij weer een nummer 1, deze keer met Zonneschijn om het jaar daarop opnieuw stevig uit te halen met de single Aan mijn darling. Twee jaar later, de eenentwintigste maart 1973,  trouwt hij met Jenny. Een dag later heeft in de privékapel van “‘t Goudkasteeltje” te Buizingen de kerkelijke plechtigheid plaats. Als geste naar zijn fans toe neemt hij het nummer Verboden dromen op en die belonen hem op hun beurt met een tweede plaats in de top dertig. De jaren zeventig kabbelen rustig voort met vocale uitschieters zoals: Als je vanavond niet kan slapen, Doña Carmela en Goodbye Elvis, een single die hij opneemt naar aanleiding van het overlijden van een van zijn grootste idolen Elvis Presley. In heel wat interviews had Will intussen duidelijk laten horen  dat hij ook dweepte met het talent van Frank Sinatra en wellicht zijn grootste voorbeeld op muzikaal gebied Nat King Cole.

Het aanreiken van liedjes gebeurde altijd in samenspraak met Jean Klüger. Will reikte meestal de melancholische songs aan, Jean meer de up-tempo songs. Will is snel ontroerd, erg kwetsbaar ook. Wanneer hij schrijft, is het vaak in mineur. Romantiek en melancholie liggen bij hem dicht bij mekaar zoals bijvoorbeeld in het liedje Linda, voor hem persoonlijk nog altijd een van zijn favorieten, zeker tekstueel.  “Doch nee dit is de waarheid niet, maar je hebt nog zo’n verdriet dat ik jou onmogelijk zeggen kan waar ik gisteren Linda zag en hoe stralend mooi ze was in de armen van een andere man. Linda denkt aan jou niet meer!”

In 1975 gaat voor Will alweer een droom in vervulling. Hij treedt als eerste Vlaamse zanger op in Vorst-Nationaal. Dat jaar, de eenentwintigste november, wordt zijn dochter Sandy geboren (16 oktober 1974 was haar broer David al geboren). Omdat Will Tura altijd oog en oor heeft gehad voor nieuw talent organiseert hij samen met BRT 2 West-Vlaanderen in 1975 de zangwedstrijd “Tura’s talententocht”. Voor zijn sociale inzet als zanger ontvangt Will vier jaar  later de Dag Hammerskjöldprijs.

In een interview met TV-Express quoteerde Will zijn prestaties tijdens die jaren zeventig met een zes op tien. Eén puntje méér dan de jaren zestig omdat hij intussen de nieuwe studiotechnieken beter onder de knie had gekregen. Hij mocht ook vaker in Londen opnemen en werd daar overweldigd door de enorme vooruitgang die er op dat terrein werd geboekt! Hij sluit de jaren zeventig af met onvervalste Turahits zoals:  Huisje in Montmartre, In mijn caravan en het intussen haast onsterfelijk geworden Zij gelooft in mij.

Gelukkig bleven ook de fans in Tura geloven, want in de loop van de jaren tachtig ging het almaar bergaf met de Vlaamse zangers, ze geraakten in een diep dal verzeild. Het bleef wachten tot het einde van de jaren tachtig en tot de komst van VTM en een programma als ‘Tien om te zien’ om uit dat slop te geraken. Will bleef echter overeind door zijn vele liveoptredens met als hoogtepunten in 1985 Marktrock in Leuven en zijn erg gesmaakte concerten in Vorst–Nationaal. Will probeert ook de muzikale trends van die tijd juist in te schatten. Hij gaat op zoek naar een eigentijdse sound die al meteen in 1980 te horen is op een van de grootste hits uit zijn carrière Hopeloos waarmee hij haast onverwacht tot op de tiende plaats van de Nederlandse top veertig geraakt. Een ereplaats is voorzien voor de synthesizer. Een hit scoren bij onze noorderburen was hem voordien alleen maar gelukt met Eenzaam zonder jou (hoogste notering drieëntwintigste plaats in de maand juni 1963) en Draai dan 797204  (hoogste notering een tiende plaats in de maand mei 1964). Hopeloos schrijft Will samen met Nelly Byl. Jean Klüger neemt de productie in handen en zorgt voor een stevige backing onder meer geleverd door de gitaristen David Briggs, Fred Newell en Paul Worley. Uit Parijs laat Klüger toetsenist Wally Badarou overkomen om Tura op synthesizer te begeleiden. Badarou werkte samen met onder andere Level 42, Joe Cocker en Herbie Hancock, dus een krak op zijn terrein. Het jaar daarop presteert Will iets dat nog geen enkele Vlaming hem tot dan toe had voorgedaan. Hij treedt acht avonden na elkaar op in een compleet uitverkochte ‘Passage 44’, een Franstalig bastion in hartje Brussel. Hij laat zich op het podium bijstaan door het “Toppop Ballet” van Penney de Jager en tijdens twee liedjes wordt hij zelfs begeleid door een klassiek strijkkwartet. Bij dat alles dacht hij vaak aan zijn lichtend voorbeeld Gilbert Bécaud. Hij had hem ooit live meegemaakt in de Olympia in Parijs en sinds die dag was Bécaud voor hem dé norm. Het vakmanschap heeft hij een beetje van hem afgekeken. De dynamiek die Gilbert in zijn optredens stak, de afwisseling qua songkeuze en genres zouden Will blijvend inspireren. Dat Bécaud zich daarbij zelf aan de piano begeleidde, was voor Will een punt van herkenning, hij voelde zich op dergelijke details nauw met hem verbonden.

In de loop van de jaren tachtig scoort Will Tura tweeëndertig hits. Ook nu weer een greep uit dat hitaanbod: Het leven is als toneel (1981), De Rode Duivels gaan naar Spanje (1982), Vergeet Barbara  (1984),  Geef me liefde (1989) en Mooi  het leven is mooi (1989), een liedje dat hij zittend  in zijn rolstoel moet opnemen, want hij heeft enkele maanden voordien een ernstig ongeval gehad. Dat liedje wordt, dankzij de komst van Tien om Te Zien, een van zijn grootste hits in die jaren tachtig. Volgens kenners blijft echter Ik mis je zo (1984) uit die periode nog altijd een van zijn mooiste nummers.

Wills artistiek quoteringscijfer voor die jaren tachtig is  een acht op tien  omdat hij zijn songs veel interessanter vindt vanaf het moment dat  Steve Willaert  er  als arrangeur wordt bijgehaald. Steve gaf Wills composities een méér Amerikaans getinte muzikale touch. Zijn nummers klinken van dan af meer up-to-date! In diverse interviews laat Will aanvoelen dat hij niet meer terug wil naar het niveau van Winterroosje en Mannen van de nacht hoezeer die liedjes hem ook na aan het hart blijven liggen. Een blijvende waarde, ook tijdens die jaren tachtig, is zijn vaste producer Jean Klüger. Jean blijft  een prachtkerel om mee samen te werken: vriendelijk, aangenaam in de omgang, heel muzikaal, kritisch positief ingesteld. Hij weet maar al te goed hoe Will zich haast uitsluitend door groot talent tijdens die moeilijke jaren tachtig overeind heeft gehouden. Wanneer Will vijfentwintig jaar op de planken staat, trakteert hij de fans op de elpee “25 jaar Tura” en gunt zichzelf een opname in het mekka van de countrymuziek Nashville, een uitstapje dat hij in 1984 nog eens herhaalt, om daar samen met The Jordanaires en de voormalige muzikanten van Elvis Presley, Scotty Moore en D.J. Fontana, het album “Tura zingt Elvis Presley” in te blikken.

Niet alleen op muzikaal, maar vooral op persoonlijk vlak, moet Will tijdens die jaren tachtig méér dan eens op de tanden bijten. Hij verliest niet alleen zijn vader, maar ook zijn broer Jean-Marie en zijn trouwe vriend Digno Garcia sterven. Als een soort afscheidscadeau schrijft Will nog voor Digno tijdens diens ziekteperiode het prachtige La luna de Asuncion (Asuncion is de hoofdstad van Paraguay – Digno was voordien lid van het trio Los Paraguayos), een liedje dat Digno ondanks zijn ziekte, koste wat het kost zelf nog op plaat wil uitbrengen en dat Will zelf tien jaar later goud zal  opleveren. In 1994 staat Will inderdaad met Hemelsblauw maar liefst twaalf weken aan de top. Vier jaar eerder had gans Vlaanderen er al voor gezorgd dat zijn vijftigste verjaardag niet onopgemerkt zou voorbijgaan! Tijdens een groots opgezet Radio 2-feest in Blankenberge wordt hij geurig  in de bloemen gezet en brengen heel wat Vlaamse rockers hulde aan hem op de cd “Turalura”, wat enkele van zijn hitparadecollega’s nog eens overdoen op het album16 voor Tura”. Will pakt ook uit met het méér dan geslaagd te noemen project “Tura in Symfonie”, live opgenomen in Vorst Nationaal samen met het BRTN Filharmonisch orkest en groot gemengd koor onder leiding van Fernand Terby. Opmerkelijk blijft ook de vocale aanwezigheid van Tura tijdens de uitvaart van koning Boudewijn in 1993 waar hij Hoop doet leven en  Ik mis je zo vertolkt! Naast al die triomfen wordt hij persoonlijk geconfronteerd met het overlijden van de zoon van zijn zus, zijn schoonvader, zijn moeder (1995)  én zijn broer Staf (1998). Gelukkig is er zijn muziek die hem over dit leed heen helpt. And the hits they keep on comin’: Met rock ‘n roll in mijn hart (1991), de West-Vlaamse rap Moa ven toh! (1992), het al eerder genoemde Hemelsblauw, La Melodia (1995) en het aan zijn broer Staf opgedragen  Alleen gaan (1998).

In 2002 verrast hij voor- en tegenstanders met het album “De mooiste droom”. Voor deze cd die zowat zijn duurste productie ooit zal worden en die hij in Londen in de Abbey Road studio’s gaat opnemen samen met de wereldvermaarde London Philharmonic orchestra onder leiding van Dirk De Caluwé, schrijft hij eigenhandig twaalf songs op teksten van onder meer Jan Savenberg, Bart Peeters en Dirk Blancke. Een volgende droom die hij realiseert is een gospel – cd met daaraan gekoppeld een gospeltournee die zijn hoogtepunt vindt in de “Tura Gospel Special” op zondag 14 december 2003 in het Sportpaleis van Antwerpen waar Will geflankeerd werd door  topmuzikanten als Steve Willaert, Kevin Mulligan, Jody’s Singers, een gospelkoor en enkele speciale gasten.

En Will wil van geen ophouden weten. “Ik zal altijd graag blijven zingen. Zolang de mensen ervan genieten, blijf ik doorgaan. Tot het moment dat ik voel dat ik live niet meer mee kan. Dan zal ik rustig nog wat liedjes blijven opnemen en me vooral als componist profileren. En voorts sta ik klaar voor de nabije toekomst. Ik blijf bezig met de sound van het moment, probeer zo goed mogelijk met de technische evolutie in de studio’s mee te gaan, maar vooral probeer ik mijn publiek trouw te blijven, want zonder hen was ik nooit de Will Tura geworden”,  zoals die de tiende november 2003 in het “Concertgebouw” van Brugge tijdens het Gala van de Eregalerij door al die fijne collega’s in de muzikale bloemen werd gezet! Twee jaar later viert Will zijn 65ste verjaardag met onder andere de cd “Viva Tura”. In 2007 zet hij met twee symfonische concerten, opgeluisterd door het Vlaams Radio Orkest, in Vorst Nationaal zijn vijftigjarige carrière in de kijker. Met het album “Dank U Vlaanderen” wil Tura de fans bedanken met een aantal nieuwe nummers, aangevuld met diverse verrassende covers. Al even verrassend is het album “Onvergetelijk” dat hij in 2009 in het Hilton Hotel in Brussel aan de pers voorstelde. Zijn firma liet ons toen weten dat het zijn 138ste album is, rijkelijk gevuld met covers van zijn grote idolen Nat King Cole, Dean Martin en Frank Sinatra in zowel de originele als Nederlandstalige versie. Songs van hemzelf hadden eerder al een internationale uitstraling gekregen. Ooit was er zelfs sprake van dat Aretha Franklin It takes a lot of love zou opnemen. Jammer voor Will wou haar producer een eigen tekst aan het liedje toevoegen terwijl dat al op naam van de Britse schrijver Jill King stond. En dus ging dat verhaal niet door. Maar geen getreur, want bekende sterren zoals Betty Curtis en Caterina Valente, Malcolm Roberts én zelfs The Four Aces hadden eerder al liedjes van hem ingeblikt.  Van één ding heeft Will spijt, dat hij de kans die de Britse producer Norman Newell hem ooit bood om in Londen te komen wonen en daar aan zijn carrière te schaven, fout heeft ingeschat. Will wou boter bij de vis en dat kon Newell hem niet garanderen, ook al werkte hij met sterren als Shirley Bassey. Die zekerheid zat er niet in en die had Will zo graag gehoord, want Vlaanderen was zijn werkterrein. Will heeft nooit willen gokken, ook toen niet!

In 2008 worden 100 hits van Tura verzameld in de cd-boxWill Tura 100 hits”. Wanneer Will twee jaar later zeventig kaarsjes mag uitblazen, wordt dat rijkelijk gevierd en in de bloemen gezet met voorop zijn biografie geschreven door zijn dochter Sandy. De VRT wijdt aan hem een aflevering in de reeks Belpop en het weekblad Humo komt op de proppen met de cd “Turalura 2″ met daarop een reeks covers door hedendaagse artiesten. Er wordt muzikaal van jetje gegeven door Customs, Arno, Mauro, The Van Jets en Daan die zich door Triggerfinger laat begeleiden tijdens zijn versie van de Turaklassieker Ik lieg dat hij een jaar of tien eerder op een rommelmarkt had gevonden in de originele singleversie. De donkere ziel die achter  de tekst schuilt, sprak Daan wel aan. Will kende hij al een tijdje omdat hij een joggende Tura regelmatig  tegenkwam terwijl Daan al wandelend in datzelfde bos nadacht over een of andere nieuwe song. De veertiende maart 2011 brengt Free Souffriau haar album “Gewoon Free” op de markt. Het merendeel van de liedjes wordt door haar man Miguel Wiels samen met Alain Vande Putte geschreven. Speciaal voor haar schrijft Will Tura samen met Bart Peeters het liedje Symfonie dat deze cd mag sieren. Steve Willaert tekent voor het arrangement.

In een productie van Steve Willaert brengt Will in 2012 het album “Ik ben een zanger” op de markt met daarop uitsluitend composities van hemzelf op tekst van Dennis Peirs. Het meest in het oog en het oor springend is het nummer Vrede waarop Tura zich laat begeleiden door Triggerfinger. Will is eerlijk genoeg om aan de pers te vertellen dat het zijn ego streelt dat deze jongens met hem wilden samenwerken. Het zet meteen de toon van dit nieuwe album. Tura slaat een andere weg in, weg van het commerciële, hij omarmt een jongere generatie met wie hij close gaat samenwerken. De titelsong is meteen de eerste single waarin Will zijn dankbaarheid wil uiten voor al die jaren dat hij van zijn publiek een zanger mocht zijn. Beluister het zeker niet als een afscheidslied, want daar is hij volgens zijn eigen zeggen nog niet aan toe. Voor het eerst neemt hij een echte videoclip op in een regie van Hans Pannecoucke. Will besluit om voortaan zijn concerten met dit lied af te sluiten.  Vervolgens is er als tweede singlekeuze Zeg nooit waarmee Tura tot op de zesde plaats van de Top Tien geraakt, waarin Will laat horen dat hij in het leven blijft geloven. Het is een lied dat een positieve boodschap uitstraalt.  Nadien volgt nog de single  In de schaduw van de maan. Will schreef dit samen met Bart Herman en dan kan het niet anders dan dat dit een countrysong is geworden, een genre dat beide heren erg na aan het hart ligt. Het is een nummer dat Will graag zingt omdat het vlot klinkt. Dat hij hier een daar aan Bruce Springsteen dacht toen hij het opnam, mogen wij nu wel weten. En dan is er ook nog de single Winter, maar die blijft uit de buurt van de Vlaamse hitlijsten. Winter is een liedje met een opvallende tekst “Wanneer ik terugkijk op mijn leven, de tijd heeft nooit een dag op mij gewacht. Er is zo veel wat mij is bijgebleven, ik herinner mij nog elke dag”.

Will geeft toe dat het als een soort afscheidslied klinkt, al is het daar, net zoals hij in het liedje Ik ben een zanger laat horen, nog te vroeg voor. Het is een lied op tekst van Peter van Noort en muziek van Frank Verkooyen. Het is het soort liedjes dat Will momenteel het liefst zingt, hij voelt dat de mensen hem zo het liefst horen. Hij mag wat filosoferen. Hij heeft trouwens een pak van die herinneringen maar al te graag gebundeld in het kijkboekWill Tura Een Leven in Beeld”, een fotoalbum samengesteld door Will Tura en dochter Sandy Blanckaert en uitgegeven bij uitgeverij Lido. Die foto’s vertellen het verhaal van een man die zijn leven lang aan de muziek heeft gewijd: méér dan tienduizend optredens staan op zijn actief, soms tot achtentwintig optredens per maand mét orkest. Want zo hoorde het. De fans hoor je in de watten te leggen. Bij Tura krijgen ze altijd waar voor hun geld. Na een optreden keren de mensen tevreden naar huis terug, dat is voor hem altijd het uitgangspunt geweest en gebleven. Zijn moeder heeft hem immers altijd voorgehouden dat je van hard labeur niet dood zal gaan. Dat Will een deel van zijn rijkdom aan zijn fans te danken heeft, vergeet hij nooit. Hij weet dat hij goed geboerd heeft. Hij is altijd zorgzaam met zijn geld omgesprongen. Werken hoeft hij al lang niet meer, hij kan op beide oren slapen, maar zijn drang om muziek te blijven maken en die muziek met zijn publiek te delen, zal voor hem een stimulans zijn om er nog jaren mee door te gaan. Toen Wilfried Hendrickx hem als slot van hun interview in Humo vroeg hoe Will zijn leven zou quoteren, antwoordde hij: “Met een acht. Is dat hovaardig? Ik denk het niet. Ik voel me boven alles dankbaar voor het leven dat ik heb mogen leiden. Zéér dankbaar. Ja, doe mij maar een acht!”. Is er dan niets dat hij mist? Misschien wel, want lazen we de veertiende juli 2012 in De Morgen niet: “Mocht het vandaag stoppen, dan zou ik toch wel iets missen. Ik dank de hemel en het publiek. Ik heb alles gedaan en alles mogen doen: behalve een film maken.” Maar hij weet ook wel dat, zoals de Fransen dat zo lyrisch kunnen zeggen, “on ne peut pas être et avoir été”. Tura zou vandaag niet zijn wie hij is, mocht hij vroeger anders geleefd hebben of zijn leven een ander verloop hebben gekend.

December 2012 is er de single Alleen gaan, een vertaling van Comme d’habitude van Claude François dat Will al eens eerder had opgenomen, maar dat hij nu aflevert in duet met Andrei Lugovski, die net als hij onderdak heeft gevonden bij platenfirma Universal en zich daar goed thuis voelt. In de zomer van 2013 lanceert Will de single Een vrouw zoals jij, een song die hij schrijft samen met Frank Verkooyen en Peter van Noort en zoals steeds geproduceerd en gearrangeerd door zijn vaste rechterhand Steve Willaert. Will was op zoek om tijdens zijn concerten een eigentijds dansnummer te kunnen brengen. Hij schreef dat met in zijn achterhoofd de discohit Alexandrie, Alexandra van Claude François, een van zijn grote idolen. In februari 2014 is er de single Waar je ook maar bent die Will schrijft in samenwerking met Ingrid Mank die wij kennen van nummers van Clouseau, Sandrine en Natalia én in samenwerking met Bob Neuwirth die wij mogen linken aan Stan Van Samang en Eva De Roovere. Will schrijft duidelijk liedjes daarbij geholpen door een jongere garde.  Zat nummertjes heeft hij ingeblikt met het oog op een goede score in de hitlijsten, hij wil nu een beetje koppig zijn eigen ding doen. Waar je ook maar bent klinkt anders dan de rest, veel meer punch, een ander tempo met een open doekje voor gitarist Kevin Mulligan die er de nodige drive aan geeft.

De vierentwintigste april 2014 verschijnt het dubbelalbum “Liefde”, Tura’s mooiste liedjes over de liefde. Op de hoes die bij het album hoort, schrijft Will het volgende: “Terwijl het compileren van een “Tura’s grootste hits” cd nooit moeilijk is (in de Top Duizend van Radio 2 staan liefst tweeëntwintig van mijn liedjes!) en een rock’n'roll plaat, country album, gospel cd of  ”de mooiste slows” ook niet, was de selectie voor deze cd moeilijk. Ik moest het bij veertig liedjes over liefde houden: niet zo gemakkelijk wanneer er méér dan honderd bestaan. Ik heb na uren zitten tobben, besloten om er de belangrijkste uit te selecteren: Eenzaam zonder jou of Ik mis je zo moeten erbij, maar ook enkele minder bekende pareltjes hebben hun weg gevonden naar deze dubbele cd!” Quando mi amor is er zo een, geschreven door Kevin Mulligan en Evert Verhees op tekst van Frank Dingenen, en Lief, na zoveel jaar dat Will schreef op een tekst van Ernst van Altena.

De vijfde december 2014 overleed koningin Fabiola. Zij werd de twaalfde december in de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal in Brussel begraven. Op het einde van de plechtigheid zong Will als afscheid een aangepaste versie van Hoop doet leven. De zevende augustus 1993 had Will Tura tijdens de begrafenis van koning Boudewijn dat lied al eens gezongen. Op vraag van het hof en volgens de laatste wens van Fabiola ging Will graag een tweede keer op dit verzoek in. Daarover zei hij aan de Vlaamse pers: “Ik denk dat ze mij gevraagd hebben vanwege de link tussen Fabiola en Boudewijn. Twintig jaar geleden heb ik Ik mis je zo voor Boudewijn gezongen en Hoop doet leven voor koningin Fabiola. Zij wilde toen iets hoopgevends horen.” De media meldden diezelfde avond nog dat koning Filip tijdens het beluisteren van Hoop doet leven duidelijk een traan wegpinkte.

23 december 2014 mag Will het jaar feestrijk afronden tijdens de uitreiking  in het “Waasland Shopping Center” in Sint-Niklaas door Dirk Van der Auwera, marketingdirecteur bij Universal, van een platina award voor de verkoop van méér dan twintigduizend exemplaren van het album “Back to Back”, Tura gekoppeld aan Christoff, dat zijn platenfirma begin november in de markt had gezet naar aanleiding van de dubbelconcerten op zondag 1 maart 2015 in het “Ethias Theater” in Hasselt en op zaterdag 27 juni 2015 in het “Casino Kursaal” van Oostende. In een mum van tijd waren die concerten uitverkocht. Vandaar dat tijdens de uitreiking van de award, Tura met trots kon meedelen dat er een extra editie komt van “Will Tura en Christoff in Concert” en wel op 19 juni in het  ”Casino Kursaal” van Oostende.

David Vandyck droomde er allang van een album in te blikken met daarop uitsluitend nummers van zijn idool Will Tura. In het voorjaar van 2015 stuurt David het bericht de wereld in dat hij met trots het album “David Vandyck zingt Will Tura” zal releasen met daarop uitsluitend bewerkingen van de hits van de maestro zelf. Samen met Dennis Peirs heeft Will zelfs een nieuw nummer voor deze gelegenheid geschreven.

Naar aanleiding van moederdag, de tiende mei 2015, verschijnt de verzamelaar “Mama-Liedjes over Moeder” met daarop 15 liedjes gaande van de Italiaanse klassieker Mama over La Mamma van Charles Aznavour tot en met het lievelingsliedje van Tura’s moeder Le chanteur de Mexico gezongen door Luis Mariano.

Eind mei 2015 verschijnt op het Jean Klügerlabel het album “Will Tura Best of – Radio 2 Collectie” met daarop Tura’s grootste hits, van Hemelsblauw tot en met Eenzaam zonder jou met als toetje een bonus cd met daarop acht karaokeversies. Binnen de kortste keren staat de cd in de top tien van de album charts.

In de loop van de maand juni 2015 verschijnt Wills nieuwste single Viva la vida. Hij stelt dat nummer voor in “Café Corsari” op woensdag de 10de juni dat voor deze gelegenheid, als eerbetoon aan de keizer van het Vlaamse lied, wordt omgedoopt tot “Café Tura”. In de Radio 2 Top Dertig staat Will de zevenentwintigste juni op negen. De zevende juni zit er in de Vlaamse Top 50 een zevende plaats in. Naar aanleiding van Tura’s 75ste verjaardag, brengt Universal Music/Top Act Music op 29 juni het album ‘Vlaanderen Zingt Tura’ uit. Christoff, Bart Kaëll, Willy Sommers, Lissa Lewis, Gene Thomas, Laura Lynn, Bart Herman, Lindsay, Lisa Del Bo, Yannick Bovy, Luc Steeno, Jo Vally en De Romeo’s brengen een ode aan Will met een eigen versie van hun favoriete Turasongs. Op woensdag 24 juni wordt het album officieel voorgesteld op de persconferentie van Radio 2 in de “Belgium Pier” in Blankenberge in aanwezigheid van Will en enkele artiesten die op het album zingen.  Radio 2 zet die dag Will in de bloemetjes naar aanleiding van zijn verjaardag.

Dan volgen nog een paar concerten met als hoogtepunt, de tweede augustus, op de dag van zijn verjaardag op de Grote Markt in Veurne zijn verjaarsdagsconcert. “Daar kijk ik enorm naar uit. Ik heb er op de Grote Markt ook een concert gegeven toen ik vijftig werd. Nu wordt het op Eén uitgezonden en daar ben ik toch wel wat ongerust over, want mijn concerten werden tot nu toe nog nooit live uitgezonden. Langs de andere kant vind ik dat wel spannend.” Vanaf de derde augustus hangt Will voor een tijdje zijn gitaar aan de wilgen. Hij zal een tijdje geen concerten meer geven om meer tijd aan zijn vrouw en kinderen te besteden. Hij blijft wel componeren en wil dolgraag aan een musical werken, een droom die hij zeker nog wil realiseren. Om zijn verjaardag extra glans bij te zetten, verschijnt in de derde week van de maand juli “Will Tura”, een luxe-verzamelbox op groot elpeeformaat met daarin eenentwintig cd’s en vijf dvd’s. In deze box ook een uniek boek met daarin foto’s en verhalen uit Wills carrière en privéleven.

In Humo van dinsdag 28 juli 2015 vertelt Tura aan journalist Rudy Vandendaele:” Ik ben niet bang voor het zwarte gat, want daarvoor is mijn carrière te bevredigend geweest. Ik ben voldaan. De zanger Will Tura zal er ongetwijfeld mee ophouden, maar ik zou willen dat de componist Arthur Blanckaert blijft bestaan. Ik wil me dan ook verder ontplooien als componist. Voor de rest heb ik me uiteraard voorgenomen om vanaf twee augustus aanzienlijk minder op te treden, wat nog altijd iets anders is dan stoppen. Ik zou het zoals oudere Amerikaanse artiesten willen aanpakken: af en toe nog een keer optreden, maar dan wel in de allerbeste omstandigheden, in de beste zaal. Laat ik zeggen dat ik mijn prestige wil ophouden. Maar zelfs al moet ik er morgen om één of andere reden radicaal mee kappen, dan nog zal ik tevreden op mijn carrière terugkijken. Ik ben blij dat ik zo veel heb mogen meemaken en blij dat ik hier nog zit.”

De tiende november 2003 kreeg Will Tura tijdens de “Eregalerij” van Radio 2 en Sabam al een ereplaats voor een leven vol muziek. Donderdag de eenentwintigste januari 2016 krijgt hij tijdens de negende editie van de Music Industry Awards de Lifetime Achievement Award voor zijn unieke loopbaan. In de pers lezen we: ” De keizer van het Vlaamse lied draait al enkele decennia mee in de Vlaamse muziekwereld en heeft een oeuvre om u tegen te zeggen. Tura stond intussen al meer dan negenduizend keer op podium en werd door zijn collega’s door de jaren heen geëerd met twee Turalura Tribute-cd’s”. Ook al had hij bij zijn75ste verjaardag aangekondigd dat hij het stilletjesaan ging doen, toch komt Tura eind januari op de proppen met het nieuwe album ” Klein Geluk” en met het nieuws dat hij in de loop van 2016 opnieuw on the road zal gaan. Op “Klein Geluk” prijken twaalf nummers in diverse genres, die Tura op zijn geheel eigen manier inkleurt. “Muziek is veel te mooi om je maar tot één genre te beperken“, aldus Will. “En daarom presenteer ik op deze cd  al die prachtige stijlen waar ik zo van hou: jazz, rock, crooning, country, chanson enz… Ik heb me volledig kunnen uitleven!” Bij de cd zit ook een bonus-dvd, met daarop het verjaardagsconcert dat Tura afgelopen zomer in Veurne gaf om zijn vijfenzeventigste verjaardag te vieren.

De zestiende januari 2016 duikt Will, we weten niet precies voor de hoeveelste keer, de Vlaamse Top 50 binnen, deze keer met de romantische ballade Valentijn, geschreven door Dennis Peirs en Alex Guitar.

De feestpret kan voor Tura blijkbaar niet op. Woensdag de twintigste januari 2016 kreeg hij als allereerste op het Brussels stadhuis de titel van “Brussels Ketje”, een nieuwe eretitel die de stad voortaan jaarlijks zal uitreiken. Will is afkomstig uit Veurne , maar uit  liefde voor zijn vrouw Jenny verhuisde hij definitief naar Brussel. Van de gelegenheid maakte Will gebruik om zijn nieuwe album “Klein Geluk” voor te stellen, met de bemerking dat het zeker niet zijn laatste zal zijn en dat hij jaarlijks nog zo’n keer of tien zal optreden.

Vrijdag de elfde februari 2016 maakt Gert Verhulst van Studio 100 bekend dat er een opvolger komt van de spektakelmusical “14-18″. Niemand minder dan Will Tura en Steve Willaert zullen de muziek van de nieuwe musical componeren. Die vertelt het verhaal van het verzet in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Het is altijd mijn droom geweest om voor een productie als deze de muziek te mogen componeren. Dit project is voor mij ook enigszins emotioneel geladen, aangezien ik geboren ben in 1940 en de musical zal draaien om WOII“, aldus Will Tura. De première is voorzien op zeven oktober 2018, honderd jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog én het moment waarop helaas de kiem voor de Tweede Wereldoorlog werd gelegd.

Nadat Will Tura de vierde november 2014 reeds zijn ster onthulde op de Walk of Fame in “Plopsaland” De Panne, krijgt hij maandag de 27ste juni 2016 een ster op de Walk of Fame van de permanente expo “De Sixties” in Bokrijk. Vorig jaar was het trouwens de beurt aan Paula Sémer die, na Luc Appermont en Zaki, haar ster mocht onthullen. Wills “sixties identiteitskaart” zal aan het aanwezige publiek worden voorgesteld zodat het de jaren zestig kan herbeleven, gezien door de ogen van Tura en dat onder meer aan de hand van boeiende verhalen die hij uit die periode vertelt. Zijn getuigenis zorgt voor een extra interactieve belevenis.

Tura weet van geen ophouden en gelukkig maar, want zaterdag de 23ste september 2017 gaf hij een van zijn beste live-concerten ooit en wel in de AB in Brussel. Aan “Het Nieuwblad” vertelde hij daarover: “Ik was in topvorm. Dat zal je horen op het live-album dat van dit concert is gemaakt. Mijn uitvoering van Alleen Gaan, ter ere van mijn broer Staf, behoort to het beste wat ik ooit heb  gezongen. En luister ook zeker naar It takes a lot, dat Aretha Franklin nooit op plaat heeft uitgebracht en ik nu in duet met Natalia zing.” Tura zong in het totaal 32 songs en kreeg daarvoor in ruil zeven staande ovaties. Het album “Live in de AB” ligt vanaf  vrijdag de 10de november in de winkel. In het voorjaar van 2018 plant Tura nog een zestal concerten en als hij het als 77-jarige nog aankan, zal hij er eventueel nog drie aan toevoegen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Sergio

Op Wikipedia wordt hij omschreven als een Vlaamse zanger en televisiepersoonlijkheid, op zijn eigen website sergio.be verwelkomt hij ons als de grootste Vlaamse entertainer. Een grote bek opzetten en niet verlegen om zichzelf duidelijk te laten horen, is Sergio nog altijd niet verleerd. Hij haalde de voorbije jaren vaker de pers met opmerkelijke uitspraken en beloftes dan met zingen en entertainen, wat hij de jaren voordien wel uitstekend deed. In 2010 tijdens zijn deelname aan “Expeditie Robinson” omschreven zijn collega-deelnemers hem als een cafébaas die liever lui dan moe was. Het jaar voordien, de negende april, had Sergio in Lommel zijn café The Kings geopend met de belofte dat hij een concept had uitgewerkt met de bedoeling om enkele weken later met datzelfde concept in Diest en nadien nog op andere locaties een aantal cafés te openen. Veel zaakvoerders fronsten toen al de wenkbrauwen. Tijdens “Expeditie Robinson” zorgden de deelnemers ervoor dat de exit van Sergio snel beklonken was. Bij de start van 2012 blokletterden de kranten dat Sergio twintig kilo wilde gaan afvallen in Benidorm. Hij wilde naar het Spaanse dorpje Villajoyosa in de buurt van Benidorm trekken om daar tijdens een periode van vier maanden twintig kilo af te slanken. Hij vatte het plan op er aan cardiofitness te doen en uit de buurt van de frituren te blijven. Geen probleem, want die zijn daar mondjesmaat te vinden. Twee maanden later lezen we in diezelfde kranten dat “een dagelijks frietje eten volgens Sergio niet zo ongezond kan zijn”. Hij laat weten dat zijn manier van feesten, eten en drinken indruist tegen alle gezondheidsadviezen, maar dokters en diëtisten maken ons daaromtrent veel wijs, aldus onze bourgondiër. Hij zal het ons allemaal uitleggen in zijn biografie waaraan hij druk bezig is en waarin hij geen blad voor de mond zal nemen. Ook niet over zijn eigen leven, waarin hij vaak geluk heeft gehad. Het eerste jaar dat hij met de auto reed, kreeg hij zeven ongevallen. Twee keer kroop hij daarbij door het oog van de naald. Vijf maanden later laat hij ons in het najaar van 2012 weten dat die autobiografie er niet komt. In Spanje heeft hij zich bedacht omdat de details die hij kwijt wil té intiem zijn en hij geen mensen wil kwetsen. Hij neemt die feiten liever mee in zijn graf, al gunnen we hem nog een lang leven, zeker sinds hij eind 2012 besloten heeft zijn zangcarrière nieuw leven in te blazen.

Sergio werd als Serge Quisquater de vijfde juli in 1965 geboren. ADHD had toen nog geen naam, maar een rustige jongen kon je hem moeilijk noemen. Thuis was het niet zo makkelijk voor zijn ouders om hem op te voeden. Mama had een kapsalon en papa runde een interieurbedrijf dat hij op latere leeftijd aan Sergio’s broer overlaat. Sindsdien verdelen zij hun tijd tussen Spanje, Tenerife of hier dicht bij huis. Sergio heeft nog twee broers (drie en zes jaar jonger dan hij) en een aangenomen broer. In de jaren tachtig was zijn moeder voorzitster van de organisatie “Hulp aan Roemenië”, die zich vanuit België inzette voor het Roemeense volk ten tijde van de Ceaușescurevolutie. Zij ging daar op regelmatige basis weeshuizen bezoeken en die kinderen kwamen op vakantie in ons land. De achtjarige Christian was zo iemand die af en toe bij hen inwoonde en omdat het telkens intriest was om hem terug te sturen, besloten zijn ouders om hem definitief te adopteren. Dat klikte van in het begin en nu nog steeds zijn ze onder elkaar onafscheidelijk.

Sergio opvoeden was geen makkie, want dat werkte bij hem als een rode lap op een stier. Tot zijn vijftiende was hij een kind zoals een ander, maar van dan af interesseerde de school hem niet meer. De straat werd deels zijn biotoop, de straat werd zijn tweede thuis. De hele tijd bij je vrienden vertoeven, Sergio deed niets liever. Alles wat niet mocht, was nou net leuk om wél te doen. Zijn ouders hadden ook geen tijd om zich veel met de kinderen bezig te houden. Trouwens, zijn jongere broers werden grotendeels door de grootouders en een tante opgevoed. Nu kijkt hij daar met gemengde gevoelens op terug. Zijn schoolpad verliep erg hobbelig. Na een tijdje geraakte hijzelf het noorden kwijt. Hij begon aan de kleuterklas in Linden om tot en met het vierde studiejaar aan de lagere school aldaar te blijven. Nadien verhuist hij samen met zijn boezemvriend naar het Kleine RMS in de Vaartstraat in Leuven. Nadien stapt hij over naar het Klein Atheneum in de Naamsestraat in Leuven, waar hij de eerste twee jaar de afdeling Latijn volgt. Maar dit is niet zijn ding. Hij verhuist vervolgens naar de sportschool aan de Vildersstraat in Hasselt, waar hij als intern wordt ingeschreven. Na anderhalf jaar moet hij wegens slecht gedrag de school vroegtijdig verlaten en keert hij terug naar Leuven, waar hij zich inschrijft aan het Lyceum in de Parkstraat. Hier volgt hij de afdeling handel. Hij slaagt niet en moet voor de derde keer het derde jaar overzitten. Intussen is hij naar de sociaal-technische afdeling overgestapt.

Quisquater voelt op een bepaald moment almaar meer dat hij tot bepaalde kringen niet wordt toegelaten, dat men op hem neerkijkt als iemand die tot de basse classe behoorde. Een jongen die zich ei zo na op het terrein van de marginaliteit beweegt. Zijn vrienden zijn door de bank ook ouder dan hij. Het zijn niet meteen moeders braafsten. Buiten de lijntjes kleuren, geeft hun een adrenalinestoot. Voor hij het weet, belandt Sergio in een andere sociale klasse. In het magazine “Hallo” zei hij de twaalfde april 2014 daarover: “Dat is iets wat ik tot de dag van vandaag met me meesleep. Waar ik ook kom, vinden ze me aanvankelijk een vriendelijke jongen, maar het duurt niet lang voor ik iets zeg of doe wat de andere aanwezigen choqueert. Mijn gedrag past zelden in het voorziene kader, dat krijg ik er nooit meer uit. Ik voel dat veel mensen daarop afknappen. Ik trek me dat aan. Ik zal niet zeggen dat ik met een minderwaardigheidscomplex kamp, maar dat wordt me soms wel opgedrongen. Dat voel je aan kleine dingen wanneer ze mij niet uitnodigen op ons feestje, omdat zij schrik hebben dat ik zat word en er dan niets meer met mij is aan te vangen. Leuk is dat niet. Ik ga geen namen noemen, maar ik heb al meegemaakt dat ik niet werd uitgenodigd voor een reüniefeestje van een tv-programma waaraan ik had meegewerkt.”

Sergio’s vader hoopte dat zijn zoon wel zou kalmeren wanneer hij zijn dienstplicht moest vervullen, maar in de kazerne in Lombardsijde kennen zij hem nog altijd als een lastige rekruut. Hij kreeg daar een opleiding artillerie. Temmen lukte niet, want vanaf de eerste dag ging Sergio al dwarsliggen en mocht hij het eerste weekend in de kazerne doorbrengen. Omdat hij niet echt van hout pijlen wist te maken, gaat Sergio na zijn legerdienst met de financiële steun van pa een taverne uitbaten in Linden. Dat is aanvankelijk een rustige zaak voor rustige mensen, zoals zijn vader dat ook wil, maar dat zint Sergio niet. Hij begint er muziek te draaien en binnen de kortste keren wordt taverne Brazil een soort discotheek. Hij is drieëntwintig wanneer hij zijn eerste plaatje Quando quando uitbrengt, ooit een hit voor Tony Renis en Engelbert Humperdinck, met op de B-kant een cover van Don’t go down to Reno, een hit voor Tony Christie. Hij neemt vervolgens voor het Rainbowlabel het nummer Lady I love you op. Het zijn geen singletjes die potten breken. Het mag vreemd lijken, maar ondanks zijn ruwe bolster dweept Sergio met crooners zoals Tom Jones en Engelbert Humperdinck, een zangstijl die hem wel ligt. Zijn muzikale smaak is trouwens gevormd door zijn vader, die dolgraag naar crooners en Paul Anka luisterde. Als kind koos hij daar niet voor, maar hij pikte het thuis op, ook al heeft hij eerder een rockhart. Dat maakt dat hij zich in vele muzikale genres thuis voelt. Of hij nu met dEUS zou moeten samenzingen of met Laura Lynn, dat maakt hem geen zier uit. Ooit heeft hij zangles genoten in de Rue des Bouchers in Brussel bij dezelfde zanglerares als Dani Klein, maar na zes maanden had Sergio er schoon genoeg van en ging zich een eigen stijl aankweken.

Wanneer in 1989 VTM van start gaat, lijkt het Sergio wel wat om op te treden in “Tien Om Te Zien”, wat hem lukt met zijn derde single In de sterren staat geschreven, een chanson van Julien Clerc en Etienne Roda-Gil waarvoor Serge zelf de Nederlandstalige tekst schrijft. De single wordt getipt voor de Vlaamse Top Tien, maar het is toch nog even wachten. Het lukt ook niet met de single Nooit meer, geschreven door Rudolf van der Molen en Louis Jans, met op de B-kant een liedje van Burt Blanca op een tekst van Johan Verminnen Jij bent alles wat ik hebben wou, de vierde single waarmee Sergio ook al aan zijn vierde platenfirma toe is. Na Indisc wil CBS met hem wel een gokje wagen, maar het blijft een verhaal van gokken en weinig winnen.

De muzikale zon begint te schijnen wanneer Sergio op het einde van 1994 de in Tienen geboren zangeres Sandy Boets opnieuw ontmoet. Hij kende haar al van toen zij als achtjarige optrad tijdens de soundmixshow met liedjes van Whitney Houston. Toen al viel hem op wat voor een goede stem zij had. Zij kwam ook wel eens langs in de Brazil. Daar weet Sergio Sandy te overhalen om haar zangtalent in betere banen te leiden. Hij besluit haar manager te worden. Hij wil haar eerst als soliste lanceren, maar op aanraden van hun liedjesleverancier Marc Paelinck, die vindt dat Sandy als vijftienjarige daar nog te jong en niet matuur genoeg voor is, wordt besloten dat Sergio en Sandy een duo zullen vormen en daarmee is Taste of Joy geboren. Dat wordt beslist tijdens een uitgebreid diner in een restaurant in Mol. Marc Paelinck en Ronald Buersens zullen het songmateriaal aanreiken. Er wordt semisoft van wal gestoken met het nummer You’re my baby, dat op veel airplay kan rekenen. Een volgende stap is de single You’ve got to try, die met een dansante aanpak echter niet goed genoeg is voor een notering in de BRT Top Dertig. Ook de opvolger Together forever, een niet onaardige ballad, geraakt niet tot in onze nationale hitlijst. Het is ook de titel van hun eerste langspeler, die de vijfentwintigste september 1995 in de Stadsschouwburg van Leuven wordt voorgesteld. Tijdens hun optreden worden Sergio en Sandy door zes muzikanten en vier professionele dansers omringd. Op basis hiervan worden zij geselecteerd om deel te nemen aan het “Golden Stage Festival” in Roemenië, waar zij derde eindigen op een deelnemersveld van zesentwintig landen. Van dan af wordt Taste of Joy in Roemenië een graag gezien tweetal. Omdat in Canada een groep huist die ook Taste of Joy heet, wordt vanaf 1996 beslist als Touch of Joy verder te gaan en leveren Marc Paelinck en Ronald Buersens hits af zoals Don’t give it up en Keep on moving. Sergio mag telkens meetekenen als coauteur. Een tweede plaats in de Ultratop 50 wordt bereikt met de single Enjoy, goed voor goud, net als het gelijknamige album met daarop de hitsingle Please don’t go, bekroond met de Radio 2 “Zomerhittrofee” als beste productie van 1997. Niet dat Marc en Ronald plots betere nummers schrijven, de mixing wordt steviger en moderner aangepakt. Het jaar nadien is er het al even succesvolle album “Dance to the rhythm” met daarop de hits Feel all right, Give me freedom en I’m on fire. Als een soort hese Tom Jones weet Sergio zich met veel power door de nummers heen te zingen met Sandy als vocale balans. Hier en daar steken geruchten de kop op als zou de groep ermee willen ophouden. Dat valt extra op wanneer Sergio in 2000 solo op de proppen komt met het nummer Allez allez allez, speciaal voor hem geschreven door Marc Vanhie en Kris Wauters in het raam van de deelname van de Belgische voetbalploeg aan “Euro 2000″. Een liedje met ballen, mogen we wel stellen. De achtste april van dat jaar klimt Sergio ermee naar de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Als Touch of Joy drukken zij de geruchten over een eventuele split de kop in met hun album “Don’t say it’s over” met daarop de megahits I can’t let you go en Fox on the run, een cover van een oude hit van The Sweet. Met toestemming van hun platenfirma mogen zij op dit album elk ook hun soleerkunst etaleren: Sandy in het nummer Bizarre en Sergio onder meer in de Neil Diamondcover Hello again. In 2001 is er hun verzamelalbum “The Greatest Hits”. Datzelfde jaar wordt hem door de carnavalsvereniging De Koekerellen van Hasselt de onderscheiding “Orde van de Humor Zonder Grenzen” uitgereikt. Om dat Touch of Joyverhaal keurig af te ronden, ook nog vertellen dat er tussen 2000 en 2003 een soort pauze wordt ingelast waarin zowel Sergio als Sandy solo aan de weg timmeren om in 2003 in schoonheid afscheid te nemen met de single Be ready, geschreven door Piet Van Den Heuvel, Lex De Groot en Roel De Ruijter, uitgebracht op het ARS-label, verdeeld door Universal en goed voor een zevenentwintigste plaats in de Ultratop 50.

Sergio heeft al een tijdje door dat hij niet alleen graag zingt, maar ook graag presenteert en entertaint. Tijdens een optreden in de Carré in Willebroek voor “De Muziekdoos”, een programma van Eén, wordt hij aangesproken door toenmalig VRT-producer amusement Joannes Thuy. Voordien had Sergio voor Ketnet het jongerenprogramma “Tripties” gepresenteerd, een uitzending waarin hij jongeren reistips meegaf, bedoeld voor uitstapjes in Belgische steden en regio’s, én in 1999 het Eén-programma “Vliegende Start”, waarin hij, bijgestaan door Phaedra Hoste, koppels voor een week op reis stuurde en dat zeven afleveringen lang. In 2000 mag hij zich als presentator uitleven in het programma “Kaviaar met pruimen”. Hierin mag Sergio zich als een wat onbeschaafde jongen in de beschaafde wereld inleven, in de beau monde, op bezoek in exclusieve hotels en mondaine kuuroorden. Iets later mag hij schitteren in het tv-programma “Het Rapport Quisquater”, waarin Sergio op een eigenzinnige manier terugblikt op het grote en kleine nieuws van de voorbije week.

Omdat hij het zingen niet kan laten en geen uitdaging hem te groot is, schrijft Sergio zich in 2002 in voor “Eurosong”. Van de 351 ingezonden nummers worden er 28 geselecteerd. Tijdens vier voorronden wagen telkens zeven artiesten hun kans. Zo horen wij Wuyts & Schepens, Kim Kay, Wim Leys en Iris hun beste beentje voorzetten, maar het is uiteindelijk Sergio@The Ladies die ons land mogen vertegenwoordigen in Tallinn, de hoofdstad van Estland, waar vierentwintig landen deelnemen. Sergio eindigt er met het liedje Sister op de dertiende plaats. Gewonnen wordt er door Letland met I wanna, gezongen door Marie N. The Ladies bestaan uit drie Nederlandse zangeressen: Ibernice MacBean, Ingrid Simons en Jody Pijper. In ons land wordt Sister voor Sergio een dikke hit met een derde plaats in de Ultratop 50 als hoogste notering. Hij laat zich in Vlaanderen ook begeleiden door zijn stevige liveband The Big Bang. Wij kunnen hen onder andere meemaken tijdens “Marktrock” in Leuven iets later in 2003. Sergio neemt het jaar voordien in de Galaxy Studio in Mol samen met producer Marc Paelinck het album “Road to freedom” op, waarvan de titelsong ook nog een behoorlijke hit wordt. Tijdens de opname van dat album laat Sergio zich onder meer begeleiden door het meisjeskoor Scala. Als voetnoot aanhalen dat Sandy – je weet wel, die andere helft van Touch of Joy – in 2004 naar het “Eurovisiesongfestival” mag als Xandee met het nummer 1 life, ook geschreven door Marc en Dirk Paelinck, die daarmee een tweede Eurokans krijgen. Xandee stoot in Istanboel wel door naar de finale, maar eindigt daar samen met Ierland op een gedeelde voorlaatste plaats. Oekraïne wint met Ruslana en het nummer Wild dances.

In 2002 blikt Sergio samen met Walter Grootaers het Big Brotherlied Ontdek jezelf in, bestemd voor het derde seizoen van “Big Brother”. Intussen was Sergio door burgemeester Vranckx van Lubbeek vereerd met de titel ereburger van zijn gemeente. De veertiende oktober 2006 staat hij op de planken van het Cultureel Centrum in Hasselt tijdens “Night of the Classics” met zijn muzikaal project “I’m the King”, waarin hij zich kan uitleven in nummers van Tom Jones, Frank Sinatra en Neil Diamond. Hij voelt zich iets eerder, de vijfde mei van dat jaar, al erg goed in zijn sas wanneer hij tijdens het Eén-programma ” Zo is er maar één” Zij gelooft in mij van zijn idool André Hazes mag zingen. Paul Michiels wint die aflevering met zijn versie van De roos van Ann Christy. De tweede februari 2007 zien we Sergio opnieuw in dat programma opduiken, deze keer met zijn versie van Vindegij mijn gat, oorspronkelijk een nummer van The Clement Peerens Explosition.

Vanaf 2004 tot 2007 presenteert Sergio het populaire spel “Fata Morgana” voor Eén, een spel waarin hij samen met een BV een rist uitdagingen afwerkt. In 2007 beslist hij over te stappen naar VTM. Hij presenteert voor hen de Vlaamse variant van het Nederlandse spelprogramma “Stenders Late Vermaak”, “De Foute Quiz”. Twee teams van Vlaamse BV’s nemen het tegen elkaar op in diverse rondes. Er wordt met de vaste teamleaders Ronny Mosuse en Kürt Rogiers gespeeld. Leuke combinaties passeren op die manier de VTM-revue: Jo Vally en Deborah Ostrega, Luc De Vos en Tiany Kiriloff, Bart De Pauw en Koen Wauters, Dina Tersago en Tom Waes, Rick de Leeuw en Benny Neyman… In 2007 is er ook het programma “Ranking the Stars”, ook al een Nederlands succes, waarin Sergio tien dames op de rooster mag leggen. Zo genieten we van enkele intieme details van Kelly Pfaff en Tanja Dexters en wordt actrice Sandrine André de winnares met wie Sergio in 2006 een aflevering had gewonnen van het programma “Just The Two Of Us” en waarin hij met haar Never tear us apart zingt, bekend in de versie van Natalie Imbruglia en Tom Jones. Van september tot en met december 2007 presenteert hij aan de zijde van Francesca Vanthielen “Sterren Op Het IJs”, waarin Vlaamse sterren het opnemen tegen Nederlandse, zoals Dean tegen Greet Rouffaer en Dirk Tieleman tegen Leen Demaré.

Als zanger laat Sergio zich in 2007 horen met het nummer Ik laat je los, geschreven door Vincent Pierins en Patrick Hamilton, waarmee hij tot op de zevende plaats van de Vlaamse Top Tien geraakt. Hij meldt aan de pers dat hij zich in de toekomst graag wil profileren als de Vlaamse André Hazes. In 2008 schrijft hij samen met Vincent Pierins en Patrick Hamilton het liedje Your guiding star, waarmee E.F.R., Escape From Reality, een project rond Wouter De Clerck, op aanraden van Sergio deelneemt aan “Eurosong”, dat door Ishtar gewonnen wordt met het nummer O julissi, waarmee zij echter tijdens het Eurovisiesongfestival in de Servische hoofdstad Belgrado niet verder geraken dan de halve finale. Het festival wordt dat jaar gewonnen door Rusland met Believe, gezongen door Dima Bilan.

Zoals eerder al vermeld, neemt Sergio in het voorjaar van 2009 in Lommel het café”Cambrinus” over en tovert het om tot “The Kings”. Sergio is dan drieënveertig. Zijn exclusiviteitscontract bij VTM is afgelopen en wordt niet verlengd. Jaren later geeft hij in een interview met Het Belang van Limburg toe dat het een foute beslissing was om de VRT achter zich te laten. “Ik heb met die overstap een enorme fout gemaakt, want nogal wat mensen die toen bij VTM aan het roer stonden, hebben het spel niet correct gespeeld. Tot op de dag van vandaag krijg ik verwijten omdat ik dat zo openlijk zeg, maar zij weten goed dat ik maar één honderdste van de volledige waarheid vertel. Het enige wat ik heb gedaan, was voor mezelf opkomen in een periode dat de beslissingsmakers van VTM me simpelweg lieten uitdoven. Ik kon geen kant op, want ik was contractueel aan hen gebonden. Men heeft me tot op het einde in het ongewisse gelaten.” Sergio is ontgoocheld dat hij niet meer aan de bak komt in televisieland en gaat zijn tijd in zijn café stoppen, althans dat is aanvankelijk de bedoeling. Hij straalt weer even wanneer hij in 2010 door de organisatoren van “Rimpelrock” wordt gevraagd om in de voetsporen van Felice ,die jammer genoeg de negende oktober 2009 was overleden, de presentatie van het festival voor zijn rekening te nemen. Hij is door het dolle heen wanneer hij verneemt dat, naast Laura Lynn, Frans Bauer en Robin Gibb, Engelbert Humperdinck top of the bill is, met wie hij op zijn twintigste nog een keertje is gaan stappen omdat zijn toenmalige manager op dat moment Humperdincks roadmanager was.

Het zingen verliest Sergio noch uit het oog noch uit het oor. Op Showbizzsite.be lezen wij de negende januari 2013 dat Sergio nieuwe plannen smeedt. Hij ging samen met zijn vrouw en Bart Herman en diens partner regelmatig op reis. Dan werd er druk bijgepraat en uit een van die gesprekken distilleerde Bart dat Sergio en zijn echtgenote hun zoon erg misten, die op dat moment in Amerika studeerde. Zonder dat Sergio het wist, giet Bart deze gevoelens in een liedje, dat hij in demoversie aan Sergio laat horen, die er zo door geraakt is dat hij beslist het meteen op plaat te zetten. Als producer wordt John Terra verkozen omdat Sergio hem niet alleen een vakman vindt, maar ook een van de betere zangers in Vlaanderen. Met Je eigen leven staat Sergio de derde maart 2013 op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Enkele maanden later verrast hij ons met de opvolger Ik kan niet zonder jou, geschreven door John Terra samen met Jan De Vuyst en uitgebracht op het label Globe Entertainment van Ilia Beyers, in wiens artiestenstal Sergio dan ook huist. De tiende augustus 2013 bereikt hij daarmee de vijfde plek in de Vlaamse Top Tien. Medio 2014 beslist Sergio om zijn café The Kings in Lommel, dat hij eerder van de hand wilde doen, nieuw leven in te blazen. Een overnemer is er niet komen opduiken, dus neemt hij het heft opnieuw in eigen handen. Het is het enige overgebleven danscafé in Lommel en hij hoopt er genoeg volk te lokken. “Ambiance maken” wordt het hoofddoel van zijn opzet. Ten huize van Quisquater wordt het dus weer wikken en wegen om de kerk in het midden te houden. Zijn vrouw Sofie, met wie hij in 1990 in het huwelijk trad, baat twee parfumwinkels uit: één in Scherpenheuvel en één in Leuven. Overdag is zij van huis weg en Sergio vaak ‘s avonds. Hij weet als geen ander dat zij veel offers heeft moeten brengen om met hem samen te leven. In al die jaren dat zij samen zijn, hebben zij moeilijke periodes gekend die zij samen overwonnen hebben, grotendeels te danken aan de onvoorwaardelijke liefde van Sofie.

Aan een televisiecarrière denkt Sergio niet meer. Hij heeft veel geld verdiend, maar hij heeft het iets te gemakkelijk laten rollen, hij had spaarzamer moeten zijn. Qua gevoelens heeft zijn carrière tot nu toe zijn sporen nagelaten: de ene dag voelt hij zich happy, de andere dag wat neerslachtig. Maar hij wil niet té negatief over zichzelf praten. Wij moeten wat hij zegt met een korreltje zout nemen, vooral als hij over zichzelf praat. En misschien mag het wat dat betreft een tikkeltje anders: “Ik probeer me soms wel naar mijn leeftijd te gedragen, maar ik vrees dat ik altijd wel een klein kind zal blijven.”

Zo gelukkig als een kind is hij wanneer hij met trots kan vertellen dat hij op zondag de veertiende september 2014 voor de eerste keer in zijn carrière een nummer één scoort en dat met Alleen bij jou, geschreven door Bart Herman in een productie van John Terra. Hij staat helemaal bovenaan in de allereerste aflevering van “De Vlaamse Ultratop 50″, die Radio 2 van dan af uitzendt op zondagnamiddag van 16.00 u. tot 18.00 u., gepresenteerd door Christoff. Sergio voelt zich enigszins gevleid wanneer hij door Studio 100 gevraagd wordt om de rol van Vreselijke Sven voor zijn rekening te nemen in de musical “Wickie de Viking” samen met onder meer de twaalfjarige Remi De Smet en Dirk Bosschaert. De voorstellingen hebben vanaf de vijfde april tot en met de derde mei 2015 plaats in de  ”Plopsa Theaterzaal” in Adinkerke, het “Ethias Theater” in Hasselt en de “Stadsschouwburg” in Antwerpen. Eind februari stopt Sergio definitief met het uitbaten van zijn café “The Kings” in Lommel en steekt al zijn energie in het afwerken van zijn Nederlandstalige album, dat hij in de loop van dat jaar op de markt wil brengen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

Dark Side of The Moon – The Album

Toen wij in de loop van de jaren negentig op bezoek waren in de “Abbey Road Studio’s” in Londen kwam het gesprek met toenmalig general manager Ken Townsend automatisch terecht bij twee belangrijke albums die daar werden ingeblikt: “Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band” van The Beatles en “Dark Side of The Moon” van Pink Floyd. Tussen beide ligt er een verschil van vijf jaar. The Beatles blikten hun meesterwerk in 1967 in en Pink Floyd in 1972. Zij konden volgens Ken Townsend toen gebruikmaken van de nieuwste opnametechnieken die “Abbey Road Studio’s” in 1972 te bieden had: analoge synthesizers, multisporen-bandopnemers en net als The Beatles maakten ook zij gretig gebruik van tape-looping. Zij werden daarbij enorm geholpen door technicus en producer van dienst Alan Parsons die de ervaring die hij daar opdeed iets later zal gebruiken voor zijn Alan Parsons Project. Met “Dark Side of The Moon” waren Pink Floyd als progressieve Britse band niet aan hun proefstuk toe, want dit werd hun negende studio-album. Deze elpee klinkt bijwijlen net zo apart en bizar als al hun voorgaande. Dit is er wél een om in te kaderen en een die  tot  de bestverkochte popalbums ooit behoort.

In Engeland werd Pink Floyd aanvankelijk door velen nog als een undergroundgroep beschouwd, een die graag buiten de gangbare muzikale lijnen kleurde. In 1967 scoren zij een paar van hun grootste hits, hoe vreemd dat ook mag klinken. De dertigste maart van dat jaar staan zij op de twintigste plaats in de Top 40 met Arnold Layne en drie maanden later met See Emily Play. Opvallend is dat beide nummers op geen origineel album van hen staat, tenzij op enkele Amerikaanse versies en enkele compilaties. Beide songs werden geschreven door de leider van de groep Syd Barrett die op dat moment helemaal in de ban was van de psychedelische rock. De groep Pink Floyd werd opgericht nadat Bob Klose, Roger Waters, Nick Mason en Rick Wright eerder al geëxperimenteerd hadden met groepjes als Sigma 6, The Meggadeaths, The Screaming Abdabs en The Abdabs. In 1964 komt Syd Barrett bij de band en omdat er al een groep bestaat met de naam The Abdabs noemen ze zich een tijdje The Tea Set. Vervolgens wordt gekozen voor The Pink Floyd Sound, verwijzend naar twee van hun favoriete bluesmuzikanten Pink Anderson en Floyd Council. Uiteindelijk wordt de groepsnaam ingekort tot Pink Floyd.  Syd Barrett haalt er snel bassist Roger Waters bij die hij nog kent als  schoolmakker toen hij in Cambridge studeerde. Aanvankelijk speelt Pink Floyd vooral rhythm-and-blues, maar schakelt geleidelijk aan over op psychedelische muziek. Tijdens hun liveoptredens vallen vooral de “spaced out solo’s” op, lang uitgesponnen improvisaties. Wanneer zij hun eerste album “The Piper at the Gates of Dawn” opnemen, zijn zij nog met vier: Syd Barrett, Roger Waters, Nick Mason en Robert Wright. In die bezetting treden zij regelmatig op in het Londense circuit: “The Marquee Club”, de “UFO Club” en “The Roundhouse”. Opvallend waren toen al de surrealistische teksten van Syd Barrett. Pink Floyd speelt vaak in het voorprogramma van Jimi Hendrix wat hun populariteit ten goede komt. Barrett geraakt snel verslaafd aan lsd en schrijft onder invloed van deze hallucinerende drug ellenlange psychedelische songs. Zijn geestelijke gezondheid gaat snel achteruit wat de overige leden ertoe dwingt hem te ontslaan, niet alleen als songleverancier, maar ook als muzikant. Hij wordt in de maand januari 1968 door gitarist David Gilmour vervangen. Van dan af zal Roger Waters het merendeel van de songs aanbrengen. Hij kiest voor een stevige sound en schrijft songs die een breder publiek aanspreken. Daardoor verliezen zij wel een deel van hun eerste aanhang die deze grootsere aanpak niet lusten.

Pink Floyd begint almaar meer te experimenteren, vooral in de studio. De teksten worden eenvoudiger en het instrumentale mag meer op de voorgrond treden. In Engeland zijn hun albums telkens goed voor goud of platina: “Ummagumma”, “Atom Heart Mother”, “Meddle” en “Obscured by Clouds”. De zestiende maart 1973 leveren zij in Engeland het album “Dark Side of the Moon” af.

Dark Side of The Moon” is min of meer een synthese van en een etaleren van wat Pink Floyd tot dan toe had laten horen op hun albums “Ummagumma” en “Meddle”. Op “Dark Side of The Moon” wordt zo meesterlijk met de technische mogelijkheden en het instrumentarium die de “Abbey Road Studio’s” op dat moment te bieden hebben, omgesprongen dat Pink Floyd een fantastisch resultaat neerzet. Journalisten omschrijven het album bij het verschijnen als dé ultiemste space-rockplaat van dat moment. Vooral het schrijverstalent van Roger Waters en het puike gitaarwerk van David Gilmour maken het album tot eentje om in te kaderen. In het toonaangevend popblad “Rolling Stone” lezen wij bij het verschijnen: “There is a certain grandeur here that exceeds mere musical melodramatics and is rarely attempted in rock.” Plots worden popplaten een soort kunstwerken en zijn de liefhebbers en vooral de fijnproevers niet meer tevreden met platen die gevuld worden met snel ingeblikte populaire deuntjes. Die toon was reeds eerder gezet door The Beatles met het daarnet al aangehaalde “Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band” en “Pet Sounds” van The Beach Boys. Pink Floyd riep op een of andere manier de losgeslagen punk een halt toe. Niet voor niets droeg op een bepaald moment hun voorman Johnny Rotten een T-shirt met als opschrift “I Hate Pink Floyd.” Aanvankelijk heette “Dark Side of The Moon”, “Eclipse: a piece for assorted lunatics” en geldt nog altijd als een schoolvoorbeeld van een conceptalbum. De thema’s in de songs gaan over dood, geld, oorlog en tijd. De nummers lopen in elkaar over waardoor de eenheid en saamhorigheid van de songs niet verloren gaat.

De zeventiende maart 1973 wordt “Dark Side of The Moon” ook in de States uitgebracht. De elpee zal daar doorstoten naar de eerste plaats, maar het daar slechts één week uithouden. Dat resultaat staat in schril contrast met het eindresultaat, want pas 741 weken later, met andere woorden veertien jaar nadien, zal het album uit de Amerikaanse Album Top Tweehonderd verdwijnen, waarmee alle bestaande records werden verpulverd. Nu nog worden er jaarlijks honderdduizenden exemplaren verkocht en het album behoort met het grootste gemak tot de twintig bestverkochte albums aller tijden. In latere interviews zal Roger Waters toegeven dat zij met dit album de max hadden bereikt. Ook al scoren zij met “Wish You Were Here” in 1975 opnieuw een nummer één en is de daaropvolgende kanjer “The Wall” eveneens een nummer één waard, toch is en blijft “Dark Side of The Moon” een popmonument.

Twee nummers uit dit album zullen op single verschijnen. Money wordt de zevende mei 1973 als single gereleaset.  De song heeft als thema het kapitalisme en hoe geld ons leven bepaalt. Waters stond erop dat tijdens het nummer er constant geluiden opduiken die naar geld verwijzen zoals rinkelende munten en een kasregister. De albumversie duurt 6:22, maar wordt speciaal voor de singleversie ingekort tot 3:59. Vreemd genoeg wordt het nummer in de Britse Top 40 geen hit. In Amerika, waar de groep in die periode gigantisch populair is, klimt Money naar de dertiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Noch in Nederland, noch in België maakt de single aanspraak op een hitnotering. Als tweede single wordt de vierde februari 1974 het nummer Time uitgebracht, een opvallende strook op het album omdat die inzet met twee minuten lang niets anders dan tikkende en slaande klokken die Alan Parsons na heel wat puzzelwerk aan mekaar had geregen. Er is ook een koortje te horen met zangwerk van Doris Troy, Lesley Duncan, Liza Strike en Barry St. John. Op het album duurt het nummer 7:01, op single herleid tot 3:33. Ondanks die inspanning zal de single gekoppeld aan het prachtige Us and Them nergens echt aanslaan. Het zal alleen maar een pak liefhebbers aanzetten tot de aanschaf van de elpee met een van de meest opvallende en unieke hoezen van dat moment, ontworpen door fotograaf Storm Thorgerson van firma Hipgnosis en George Hardie die op de idee kwamen een prisma met een kleurrijke lichtstraal tegen een zwarte achtergrond te gebruiken.

De bestverkochte single ooit voor Pink Floyd is Another brick in the wall part 2 uit hun succesvolle album “The Wall” uitgebracht in 1979. Van die single worden niet minder dan vier miljoen exemplaren verkocht.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Guido Belcanto

In zijn welkomstwoord op zijn verzamel cd ”Liefde, Lust en Leed schrijft Guido Belcanto dat het nooit zijn intentie is geweest zanger te worden. “Ik heb het gevoel”, zo schrijft hij,” dat ik altijd een zanger ben geweest en dat al vanaf mijn geboorte”. Die vond de 23ste mei 1953 plaats. Guido  August Constancia Versmissen, want dat is zijn echte naam, werd in Turnhout in een gezin van vijf kinderen geboren. Zijn ouders, August Versmissen en Maria Vanhaute, baten in de buurt van de kerk van Wortel het  café ” In de verzekering tegen de dorst” uit, waar Guido niets liever doet dan naar de plaatjes op de jukebox luisteren. Aan hun café is ook een winkeltje verbonden waar je tabak, wasproducten, soepgoed, aardappelen enz… kan kopen. Zijn vader soliceert een tijdje later bij het bedrijf Brepols dat speelkaarten produceert en klimt daar op tot personeelschef. Van zijn moeder erft Guido zijn muzikaliteit, maar ook zijn liefde voor de romans van Guy de Maupassant. Mama was daar dol op. Voor zijn middelbare studies gaat Guido naar het Sint-Jozefscollege bij de paters jezuïeten. Zijn moeder vindt dat Guido een slimme jongen is en stuurt hem naar de Latijn-Griekse humaniora. Hier leert hij met taal omgaan, de juiste woorden gebruiken. Maar Guido is allesbehalve een briljante leerling. Hij geraakt met de hakken net over de sloot. Hier ontdekt hij wel twee van zijn grootste talenten: voetballen en zingen. Hij belandt als sopraan in het schoolkoor onder leiding van pater Renaat Dumont. Voor die man is het koor niet alleen zijn passie, maar ook een prestigezaak. Er moet dus juist en goed gezongen worden. Guido behoort onmiddellijk bij de voorzangers, een elite groepje van vijf binnen het koor én een enorme boost voor zijn zelfbeeld. Omdat hij zich een buitenbeetje voelt, kiest hij in het voetbalteam voor het doel als favoriete speelplek. Als doelman moet je immers een beetje opvallen, een beetje gek zijn. Hier voelt hij zich buitengewoon goed op zijn plaats. Zijn schooltijd is voor hem de beste weg naar de anarchie. Hij is maar wat blij als hij op zijn achttiende de school mag verlaten. Hij wil niet meer voortstuderen, integendeel, hij wil een café beginnen. Guido wil ook zingen, zo vaak en zoveel mogelijk. Hij neemt deel aan diverse zangwedstrijden waar hij een in het oor springende vertolking geeft van Le Moribond van Jacques Brel. Daarnaast dweept hij ook met de Franse zanger Renaud en Bob Dylan. Wat hem zo aantrekt in die twee is dat zij geen geschoolde zangers zijn, zij hebben veel op eigen houtje geleerd net zoals die Amerikaanse blueszangers. Guido is een jaar of vijftien wanneer hij zich zijn eerste instrument aanschaft, een Hohner mondharmonica. Zijn repertoire beperkt zich tot het spelen van Op de purp’ren heide en When the saints go marchin’ in. Twee jaar later maakt hij zich het gitaarspel eigen. Hij koopt de elpee “Let’s work together” van blueszanger Wilbert Harrison en door mee te spelen met die plaat leert Guido als autodidact aardig op de snaren tokkelen. Samen met zijn broer Dirk die drie jaar jonger is dan hij en wél gitaarles heeft gevolgd, vormt hij een countryduo waarbij Hank Williams de leidraad wordt. Iets later ontmoeten zij Ivo Staes uit Wortel en met hem richten zij het trio “Riverboat Shuffle” op waarin zij hun voorliefde voor de muziek van Chuck Berry maar al te graag etaleren in jeugdclubs en cafés in het Turnhoutse. Guido voelt dan al de drang om zelf liedjes te gaan schrijven. Eén van zijn eerste songs heet Paperless Toiletblues. Hoe onnozel de titel ook mag klinken, het sterkt hem in de overtuiging dat hij gemakkelijk schrijft en dat voor hem inspiratie voor het grijpen ligt.

De plannen om met een café te beginnen, bergt Guido snel op en hij gaat aan de slag in de fabriek bij zijn vader. Zijn moeder is daar niet blij mee en weet hem aan te sporen opnieuw te gaan studeren. Zij heeft gehoord dat van de zesentwintig jongens die in de klas van Guido afstudeerden er achttien voor de afdeling geneeskunde hebben gekozen en haar zoon voor een ambitieloos bestaan. Na lang aandringen gaat hij in op haar verzoek, nadat zij hem beloofd heeft dat hij eerst een maand op vakantie mag in Londen waar Guido, zo vertelt hij later, voor het eerst kennismaakt met de hoeren. In de straten van Soho geraakt hij gefascineerd door deze dames van lichte zeden.  Hij leert daar ook de homoliefde kennen door zijn ontmoeting met een zekere Bernard. Toen al wist Guido dat hij zich van binnen eerder als een vrouw voelt, zich graag als een vrouw kleedt, maar hij durft dat aan niemand te vertellen. In Londen woont hij op Wembley een concert bij van  Bo Diddley, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Little Richard en Chuck Berry, niet voor niets zijn grote helden. Na zijn ongelooflijk avontuur in Londen trekt Guido zoals beloofd naar de Universiteit van Gent, maar hij houdt dat daar maar een maand vol, keert naar huis terug en vindt een job in een tuinbouwbedrijf in Beerse, een tiental kilometer van Turnhout vandaan. Na een goed jaar ontdekt hij dat dit niet zijn biotoop is, hij voelt zich geen arbeider, dat milieu ligt hem niet. Hij gaat met volle moed opvoedkunde niveau A 1 studeren aan de Schola Paramedicorum in de Nerviërsstraat in Antwerpen. Hier leert Guido ook het uitgaansleven kennen onder andere “De Muze” trekt hem aan en het café “De Groene Michel” op de Grote Markt, “Het Pannenhuis” en “De Kroeg” op het Conscienceplein.  Ook de alternatieve cafés in de havenbuurt spreken hem duidelijk aan én niet te vergeten de rosse buurt in het Schipperskwartier, voor hem het Sodom en Gomorra. Ondanks al dat fraais en die dagelijkse verleidingen, behaalt Guido toch zijn diploma van gegradueerde in de orthopedagogie. Hij heeft meteen een job te pakken als opvoeder in het jongenstehuis Ivo Cornelis in Weelde Statie, een stevige steenworp van Turnhout verwijderd. Dat opvoeden houdt hij maar een paar maanden vol, want zijn roeping om zanger te worden is té sterk. Hij betreurt het ook dat hij zijn geliefde stad Antwerpen te snel de rug heeft toegekeerd. Maar eerst moet hij onder de wapens. Hij speelt zijn twijfelachtige seksuele geaardheid uit, wat niet lukt en wordt dus goedgekeurd. Dan zich maar als gewetensbezwaarde laten registreren. Hij belandt de daarop volgende twintig maanden in de Belgische Mediateek in Antwerpen, een uitleen discotheek. Twee vliegen in één klap: hij mag zich met zijn hobby bezighouden en hij mag terug naar zijn geliefd Antwerpen keren. Guido voelt zich hier de koning te rijk. Voor duizend frank per maand huurt hij een appartementje op de hoek van de Provinciestraat en de Plantin en Moretuslei. Hij is op dat moment nog vrijgezel en pas tweeëntwintig jaar.

Guido komt in 1975 al zingend en musicerend stevig aan zijn trekken in het inmiddels door hemzelf opgericht groepje  Speedy King and His Feetwarmers. Het orkestje is zes man sterk met voorop zijn jongere broer Dirk. Omdat de meeste leden in Herentals wonen, wordt dat ook hun oefen- en thuisbasis. Zij voelen zich vooral in het café- en jeugdclubcircuit erg in hun sas.  Rock ‘n’ roll uit de fifties maakt hun repertoire uit.  Zij krijgen succes en Guido verliest stilaan zijn schroom die hij tegenover de meisjes had. Hij begint hun aandacht graag te lusten. Een hoogtepunt in hun vierjarig bestaan is het feit dat zij in 1978 de finale behalen van “Humo’s Rock Rally” in de Beursschouwburg in Brussel. Zij nemen ook een elpee op “Breaking up the house” en nemen vijfhonderd persingen mee naar huis. Als Guido er nu naar luistert schaamt hij zich diep. De plaat klinkt ruw en onaf. Hij compenseert die ontevredenheid met een aantrekkelijk lief, de 24-jarige Annemarie. Hij gaat bij haar inwonen. Hij is vooral geraakt door haar intelligentie. Zij neemt hem mee op reis naar New York en Parijs.  Met haar komt zijn seksleven ook op gang. Zijn echte geaardheid houdt hij angstvallig voor zich. Na vier jaar is Annemarie hun relatie beu en zet er een punt achter. Het duurt even voor Guido zich kan herpakken. De muziek wordt weerom zijn grootste troost.

Samen met zijn broer Dirk, met Jakke de Zeeman, Ludo Janssens en Bob Campenaerts, een ontzettend goede drummer, richt hij The Gigolo’s op. Vanwaar die naamkeuze? Hij wil vrouwen vooral dienen, als een soort gigolo. Muzikaal zweren zij vooral bij rockabilly zoals  die door de in die tijd furore makende Stray Cats werd neergezet. Mocht je je enig idee willen vormen hoe dat moet geklonken hebben, luister dan eens naar Guido’s latere versie van That’s All Right Mama. Zij delen het podium met onder meer The Kids, De Kreuners, Scooter en TC Matic. Drie jaar zal dat verhaal duren. Intussen houdt Guido een cafeetje annex feestzaaltje “De 1000 Appeltjes” open in de buurt van de Paardenmarkt. Na een jaar geeft hij er de brui aan. Hij heeft geen zin om de rest van zijn leven naar het gelal van inhoudloze zuipers te luisteren.  Hij is dan zevenentwintig en wil een nieuwe richting uit. Guido heeft ook ontdekt dat hij zich het best in vrouwenkleren thuis voelt en het als travestiet moeilijk heeft om ongedwongen met vrouwen om te gaan. Hij besluit voor het volle pond zanger te worden, niet meer met Engelse liedjes, maar in zijn eigen moerstaal met een voorliefde voor het levenslied en de smartlap. Samen met accordeonist Jakke de Zeeman gaat hij met een oude Vauxhall als vervoermiddel de baan op, gepakt en gezakt met een repertoire dat varieert van Edith Piaf, Bobby Prins, de Zangeres Zonder Naam en liedjes van hemzelf. In Antwerpen wordt in “Den Hopsack” de zangwedstrijd “De Eerste Nacht van de Smartlap” georganiseerd. Hij en Jakke zijn de uiteindelijke winnaars. Zij voelen zich als de apostelen van het levenslied. Zij moeten wel doorbijten, want niet iedereen lust hun stijl. Nu eens worden ze op applaus onthaald, dan eens zit er niet meer in dan wat boegeroep. Hij tilt echter het genre van het levenslied van het begin af aan op een hoger niveau door er zijn ziel in te leggen en door met het genre ernstig om te springen. Stilaan ontdekt hij ook dat hij met zijn stem en liedjes mensen weet te beroeren en besluit fulltime met zijn job bezig te zijn.  Het is dan ook dat hij een goddelijke stem vanuit de hemel hoort zeggen:” Guido Belcanto, uit de geur van pisbakken, bier en parfum, uit de nevelen van deze doorzopen oorden zult gij opstijgen en tevoorschijn treden als de nieuwe vaandeldrager van het levenslied! Gij zijt de uitverkorene die de verloren gegane traditie van de smartlap zult herstellen. Gij zult het genre van de definitieve ondergang redden. Ga mijn zoon en verkondig uw boodschap tot het bittere einde”. Guido beschouwt zijn vak van dan af als een ware roeping.  Hij zingt dan wel liedjes in de stijl van Johnny Hoes en aanverwanten, maar tekstueel staan zijn liedjes veel sterker. Hij zingt ook over totaal andere thema’s: zelfmoord, prostitutie, sadomasochisme, travestie.  Het publiek moet er wel aan wennen. Dit is een stijl tot dan toe ongehoord. Dat hij een Belcantoformule zou hebben bedacht, vindt Guido nog altijd een onterechte opmerking. Het kwam allemaal vanzelf, niet vooraf uitgedokterd. Steeds vaker wordt hij in het bruinekroegencircuit in Antwerpen uitgenodigd. Hij gaat op zoek naar een geschikte band om hem te begeleiden. Hij klopt aan bij accordeonist Ludo Tips en gitarist Richard Dielen. Ludo Dockx wordt na enig zoekwerk zijn bassist. Zij moeten ook een naam hebben. “Het Orkest Mijner Dromen” lijkt Guido méér dan geschikt.  Hij noemt zich voortaan Guido Belcanto. Guido klinkt vrij behoorlijk Italiaans, Belcanto is dan ook snel verzonnen.

Omdat hij enorm geboeid is door het theater en enige vorm van glitter en glamour hem niet vreemd is, pakt hij in 1985 uit met een eigen theatershow “Guido Belcanto en het Orkest Zijner Dromen, een recital van levensliederen voor mensen in hun volwassenheid”. Zijn eerste optreden lanceert hij in het “Theater Paljas” in de buurt Zurenborg op de grens tussen Berchem en Borgerhout nabij de Dageraadplaats, goed voor vijftig zitplaatsen. Hij plant tijdens de maand april van 1985 zes optredens verspreid over twee weekends. In het publiek herkent hij mensen van de VRT zoals Nora Nys, Fred Claes, Kurt Van Eeghem, Walter Zinzen en Jan Geysen. Zij bestempelen hem snel als een fenomeen. Hij wordt in de media neergezet als een rariteit, een zonderling, een curiosum. Tot zijn eigen verbazing wordt hij gevraagd om op te treden tijdens “Marktrock” op de Oude Markt in Leuven. Ook de platenfirma’s ontdekken hem snel, maar durven hem geen contract aan te bieden, want het Vlaamse lied scheert op dat moment geen hoge toppen. De VTM-jaren zijn nog niet aangebroken. Hij heeft ook zijn imago niet mee. Als ongeschoold muzikant roeit Guido met de riemen die hij op dat moment voorhanden heeft en legt een pak kritiek naast zich neer.

Belcanto is al vijfendertig wanneer hij in 1989 zijn eerste platendeal weet te versieren en dat wordt het album “Op Zoek Naar Romantiek”. In eigen beheer had Guido die liedjes al veel eerder opgenomen, maar zijn platenfirma EMI is zo vriendelijk die opnamen over te kopen en officieel in de markt te zetten. Titels als Rode Lampen en Kom mee naar boven laten niets aan de verbeelding over. Een radiohit wordt het nummer Op het zeildoek van de botsauto’s, intussen uitgegroeid tot een Vlaamse klassieker. In dit liedje denkt hij terug aan de tijd dat op het Robsonplein in Turnhout de jaarlijkse kermis neerstreek. Vooral de muziek die ze daar draaiden, liet bij hem sporen na. Liedjes van Roy Orbison, Adamo, Françoise Hardy, Tom Jones. De grootste muzikale sensatie uit die jaren zestig blijven voor hem echter The Beatles en The Rolling Stones, een keerpunt in de populaire muziek. Nog altijd vindt hij dat die plaatjes uit zijn jeugd de top zijn, dat de muziek nadien nooit meer hetzelfde niveau heeft bereikt en dat het sindsdien met de populaire muziek steeds verder bergaf is gegaan.

Liedjes over gebroken harten voeren op Guido’s eerste album van meet af aan de boventoon. Door Lou Deprijck (bekend als producer van de hit Ca plane pour moi en van de groepen Two Man Sound en The Hollywood Bananas) wordt hij in 1989 gevraagd om deel te nemen aan de Baccara Beker in het “Casino van Middelkerke” als lid van de Brabantse ploeg. Hij vormt een team samen met Boogie Boy en Kathleen Vandenhoudt die zowel de personality- als de persprijs in ontvangst mag nemen, maar de Brabantse ploeg valt echter buiten de prijzen. Eindwinnaar wordt de Limburgse ploeg met Ignace, Erik Goossens en Ann De Winne.

Belcanto heeft intussen een sterke relatie aangeknoopt met Ottilia. Na een tijdje blijkt zij zwanger te zijn van hem. De derde oktober 1991 brengt zij hun zoon Tobias ter wereld. Drie jaar later, de 25ste augustus, wordt zijn tweede zoon Floris geboren. Iets later belandt hij in een zware depressie. Hervallen is een betere woordkeuze, want het was hem al eerder overkomen. Het is zijn zus Hilde die de ernst van de zaak onderkent en hem in het ziekenhuis van Turnhout laat opnemen.  Die depressie zal vier jaar lang zijn leven domineren. In de zomer van 1997 kruipt Guido stilaan uit een diep dal en wordt het leven draaglijker. Hij geeft toe dat hij tot dan toe in zijn leven de hoogste toppen heeft bereikt, maar ook door de diepste dalen heeft gelopen.

Een jaar later koppelt zijn platenfirma EMI hem aan het productietalent van Henny Vrienten, ex-Doe-Maar-fenomeen. Zij trekken naar Studio Zeezicht te Spaarnwoude in Nederland, maar dat blijft voor Guido tot op de dag van vandaag een miskleun. ”Plastic Rozen Verwelken Niet” levert dertien liedjes op waaronder Vlammetjes het erg goed doet, maar Guido houdt er een kater aan over. This is not his cup of tea. Qua arrangementen heeft hij voor dat album samengewerkt met Dick Van der Harst en dat was wél een meevaller, zo’n goeie zelfs dat Dick niet alleen de arrangementen, maar ook de productie voor zijn rekening neemt voor het volgende album “Plaisir d’amour” dat in 1992 in de winkel ligt. Er wordt deze keer in België opgenomen, in de DK Studio in Destelbergen. Muziek en teksten worden ook deze keer door Guido afgeleverd en nu is hij wel tevreden. Slechts één liedje verschijnt op single Evelyne waarmee de platenfirma aangeeft dat zij Belcanto niet als een single-artiest willen profileren. De theaters, zowel in België als in Nederland, zien hem almaar liever langskomen. Vooral zijn unieke aanpak charmeert de organisatoren én het publiek. Belcanto is en klinkt uniek!

In Studio Impuls neemt Guido van de eerste tot en met de vijftiende september van 1993 het album “Zeerover zonder boot” op. Als producer doet hij deze keer een beroep op Patrick Riguelle die er een rist gastmuzikanten bij haalt zoals Jean Blaute en Dirk Versmissen. Uiteraard speelt Guido’s eigen band mee op dat moment bestaande uit accordeonist Ludo Tips, saxofonist Jan Cleymans (vader van  Jelle en Clara), gitarist Lieven Demaesschalck en drummer Filip Dejaeger. Vaak gedraaid worden de liedjes Verleden Tijd en De Schipbreukeling die ook als single hun weg naar het publiek vinden.  Na deze plaat wordt het wat stiller rond Guido Belcanto, ook al blijft hij optreden. Met een knipoog naar Dante is er pas drie jaar later het album “La Comédie Humaine”, nog steeds uitgebracht op het EMI Label. Er wordt opgenomen in de oude drukkerij Jac Lamoen in Berchem tijdens de maand mei 1996. Deze keer neemt Guido de productie zelf in handen zodat hij het roer wat beter in de hand kan houden. In een devote bui schrijft hij Nader tot u mijn God en mag voor de rest van het album de passie weer hoogtij vieren zoals in Noche de la pasion en Mr.William dat door EMI ook op cd-single wordt uitgebracht. Belcanto is daarmee aan zijn vijfde album toe. Tijdens een interview vertelt hij ons dat hij dit als zijn meest pessimistische plaat beschouwt. Deze liedjes stralen weinig optimisme uit.

Zijn begeleidingsgroep “Het Orkest Zijner Dromen” wordt opgedoekt en Guido gaat zich vanaf 1998 omringen met een nieuwe band die hij “De Libido’s” noemt met als bezetting: gitarist, pianist Lieven Demaesschalck, accordeonist, organist Danny Heylen, bassist Dominique Osier, saxofonist Walter Baeken en drummer Benny Dom. Zij besluiten meteen een album in te blikken “Man van Lichte Zeden” in een productie van Rudi Gentbrugge. De opname heeft deze keer in de GR Statements Studio in Antwerpen plaats. Het publiek kiest vrij snel als uitschieter voor het nummer Puntschoenen & een Zonnebril gekoppeld aan Zou je van mij houden. Intussen weten wij dat hij als hypergevoelig mens vatbaar is voor depressies waarmee hij in 1993 al hevig strijd had moeten leveren. Hij schreef die ervaring toen trouwens van zich af in het liedje Mr. William, zijn bewerking van Monsieur William van Léo Ferré. In 1998 brengt uitgeverij Houtekiet onder de titel “Gina Divina” zijn liedjesteksten chronologisch gebundeld in boekvorm uit. Belcanto beschouwt het als een eer en een respect voor zijn schrijverstalent. Hij poseert ongegeneerd in een vrij suggestieve vrouwelijke pose op de cover van het boek.  Gina Divina is de naam die hij aan zijn vrouwelijke alter ego geeft. Hiermee out hij zich definitief als travestiet. In Vlaanderen praat hij daar ongegeneerd over wanneer hij op de radio te gast is bij Chantal Pattyn die hem er in alle rust over laat spreken. Hij durft zich eindelijk te outen. Guido voelt zich daardoor bevrijd en  verschijnt nadien almaar vaker in het openbaar in vrouwenkleren. Samen met Bram Vermeulen trekt hij in de herfst van dat jaar door Vlaanderen en brengt in een twaalftal zalen het programma “Literair Café” waarin zij beiden hun liedjesteksten in de spots zetten.

In het theater pakt hij steeds vaker uit met erotische liedjes en verhalen. Zijn tournee heet niet voor niets “Verhalen van Liefde, Lust en Genot”, een muzikale reistocht doorheen zijn fantasiewereld. Opnieuw met de oude drukkerij Jac Lamoen (broer van de legendarische Antwerpse volkszanger Frans Lamoen) als decor wordt tijdens de maand november van 2001 het album ”Tache de beauté” opgenomen. Er komen ook koperblazers aan te pas en de stem van Tine Embrechts als ruggensteun. Guido gaat zelf achter de knoppen en de mengtafel zitten. EMI heeft hij als platenfirma intussen vriendelijk en beleefd de groeten gestuurd. Hij brengt zijn nieuw album op het Culture Label uit. Vanaf april tot juni van dat jaar schittert hij als Rocky in “De Rocky Horror Show” op het getouw gezet door het NTG. Regisseur van dienst is Stany Crets. Naast Guido staan ook Maaike Cafmeyer en Koen Van Impe op de planken van de KNS in Gent.

“Koning en Clochard” is niet alleen de nieuwe titel van de cd die in 2004 verschijnt, maar ook de titel van een boek met daarin columns van zijn hand. Een soort overzicht van wat hij bij platenfirma EMI de voorbije jaren heeft opgenomen wordt in 2006 op de cd “Chansons Vécues” aangeboden waarop onder andere de al eerder aangehaalde versie van That’s All Right Mama waarmee Elvis zich in het begin van zijn carrière in de aandacht zong en waarin Belcanto zijn liefde voor de rockabilly laat horen.

Vanaf 2008 gaat Guido op pad met een gloednieuwe show “Balzaal der gebroken harten”. Hierin zingt hij liedjes, daarbij begeleid door een keus Decap-Orgel, goed voor een extra dosis nostalgie en sentiment. Hij vindt ook onderdak bij een nieuwe platenfirma Evil Penguin Records uit Mechelen.  Samen met de producers Nicolas Rombouts en Steven Maes knutselt Guido een opvallend album in mekaar. Dat krijgt de gulle titel Ik zou mijn hart willen weggeven. Er wordt opgenomen in de Motor Music Studio in Koningshooikt. Veel gedraaid op de radio en een cd-single waard, is het opvallende Waarom altijd dat katholieke denken?. Hij covert Half a Boy, Half a Man, een bekende song van Nick Lowe en maakt er Half een man en Half een vrouw van of hoe een zelfportret kan klinken. Zijn platenfirma is zo trots op deze plaat dat zij het aan de pers slijten als ” le nouveau Belcanto est arrivé”. Zij presenteren hem als “De koning van het Vlaamse levenslied, de chroniqueur van de gebroken harten, de volkszanger, de variété-artiest pur sang én de zwervende romanticus”. Guido voelt zich de complete rock ‘n’ roll chansonnier. Weg met het imago van deels man, deels vrouw. Hij wil compleet overkomen: gerijpt als mens en rijk aan ervaring. Vol trots stelt hij vast dat zijn publiek verjongt. De jonge garde heeft hem ontdekt. In Nederland noemen zij hem graag “de Serge Gainsbourg van het buurtcafé”. Belcanto is dan wel 57, hij beleeft de tijd van zijn leven. In de pers lezen wij dat onze noorderburen hem zien als een muzikale kruising tussen Herman Brusselmans en Johnny Cash, waarmee we maar al te graag De Volkskrant deels citeren, of ook nog ” de Vlaamse kruising tussen André Hazes en Ramses Shaffy”. De 21ste oktober 2011 verschijnt zijn album “Een man als ik”. De hoesfoto spreekt boekdelen. Weg met het verwijfde! Hier staat een man keurig in pak én met das. Guido laat zich muzikaal omringen door zijn opgefriste band met daarin: Geert Hellings, Nicolas Rombouts, Lieven De Maesschalk en Bert Huysentruyt. An Pierlé wordt bereid gevonden vocaal met hem te duelleren in het nummer Toverdrank. Voor de productie wordt Jo Francken ingehuurd die voordien al zijn sporen had verdiend door zijn samenwerking met Bart Peeters, Buurman, Milow en Admiral Freebee. Kenners hoeven niet lang te luisteren om dit album de hemel in te prijzen als “het beste Belcanto product ooit”. Belcanto is zo trots als een pauw wanneer zijn platenfirma hem vertelt dat de cd ook in Nederland wordt uitgebracht.

 

De koning van de melancholie, zoals journalist Bart Steenhaut hem in de Morgen noemde, pakt in 2013 uit met de derde editie van ” Balzaal der gebroken harten”. Die had hij ons eerder al in de theaters voorgeschoteld met name in 2008 en 2010. Deze keer pakt Guido grootser uit dan voordien met op het podium als adembenemende ruggensteun een heus Decapdraaiorgel. Voorts wordt hij geflankeerd door pianist/accordeonist/componist Martinus Wolf, gitarist Lieven Demaesschalk en actrice Tine Embrechts die zich in deze productie ontpopt als een fantastische zangeres en geweldige danseres, die zich niet alleen amuseert met de liedjes van Guido zelf, maar ook sfeer brengt met enkele cabaretliederen en nighclubstandards. Belcanto en Tine zingen trouwens enkele opvallende duetten zoals De wilde roos en Surabaya Johnny en die ook te beluisteren zijn op het album “Balzaal der gebroken harten”. In 2014 brengt Guido het gelijknamig album uit op Evil Penguin Records inclusief de dvd “Guido Belcanto en het magische Decaporgel” met daarop als oorsnoepjes voor wie het graag lust de instumentale nummers Prélude romantique en Ik zou je mijn hart willen geven. Tine mag, slower dan slow, een cover zingen, Het einde van de wereld, een vertaling van de hit The end of the world van Skeeter Davis.

 

Begin 2015 is er het album “Cavalier seul” met daarop in het totaal tien nieuwe songs in een productie van Jo Francken, opgenomen in Studio Caporal en Studio Dam. Er wordt gemusiceerd door onder meer drummer Maarten Moesen, bassist Nicolas Rombouts, gitaristen Geert Hellings, Filip Wauters en Lieven De Maesschalck, toetsenist Thomas De Prins en violist Andries Boonen. Guido levert een behoorlijke brok eigen liedjes, maar gaat voor Iemand met wie je vreemd ging aankloppen bij Stefaan Fernande en Frank Vanderlinden en covert Omdat ik van je hou van Raymond Van het Groenewoud. Bart Peeters vertaalt voor hem Marilou van Los Van Van en Guido op zijn beurt schrijft een Nederlandse tekst bij Adios Lounge dat we kennen in de versie van Tom Waits. Het publiek en de media reageren heel spontaan op Geef me liefde dat Guido samen met Jan de Smet, Kris De Bruyne en Stijn Meuris zingt. Het duikt zelfs op in de Vlaamse Top 50 bij Radio 2. Vrijdag 27 februari staat hij met het gelijknamig concert op het podium van de “Ancienne Belgique” in Brussel. Het wordt een optreden wars van modetrends, stroomopwaarts en zonder compromissen. Belcanto, intussen 62, wordt intussen in de media officieel bestempeld als de populairste Vlaamse “volkszanger” én zo hoort hij het graag!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Bobby Prins

Niet alle Vlaamse artiesten hebben het decennia lang volgehouden. Sommigen kozen er zelfs voor op een bepaald moment een punt achter hun zangloopbaan te zetten, denken we maar aan Marva en Ronny Temmer. Anderen timmerden in alle stilte voort aan hun carrière, ook al bleven de grote hits uit. Dankzij een schare trouwe fans bleven ze al die tijd optreden en in de schaduw van de Vlaamse Top Tien singletjes en albums opnemen. Zo iemand is Bobby Prins. Weekend na weekend staat hij wel ergens op een Vlaams podium te zingen of in een of andere studio liedjes in te blikken. De term “vergane glorie” is aan hem zeker niet besteed!

Bobby werd als Jozef Troonbeeckx de negentiende juli 1947 in Itegem in een gezin van drie kinderen geboren. Pa was vloerder die na een dag van hard labeur als ontspanning graag ‘s avonds thuis accordeon speelde. Hij stond erop dat zijn drie zonen muziek zouden studeren, maar alleen Bobby bleek muzikaal te zijn. Op het einde van zijn lagere school in Heist-op-den-Berg gaat Bobby noten leren en probeert het bespelen van de accordeon zo goed mogelijk in de vingers te krijgen. Hij is zo bezeten door muziek en dat instrument dat hij niet meer wil voortstuderen. Op zijn dertiende heeft Bobby al een eerste prijs accordeon op zak.

Hij had intussen ook de gitaar ter hand genomen én ontdekt dat hij een aardig mondje kon zingen. Dankzij dat talent komt hij bij het orkest The Hit Boys terecht en iets later bij het in die tijd bekende begeleidingsorkest van Marcel Sterckx. Marcel was ooit in het Mechels café van zijn ouders als accordeonist begonnen. Hij ging op zijn zestiende aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen muziek studeren. Op zijn twintigste begint hij met een eigen orkest en begeleidt niet alleen Vlaamse sterren zoals Will Tura, Rina Pia, Louis Neefs en Rita Deneve, maar ook buitenlandse artiesten waaronder Udo Jürgens, Freddy Breck, Hervé Vilard en Rudi Schuricke. Negenendertig jaar lang zal Marcel leerkracht notenleer blijven aan het conservatorium van Mechelen en leraar muziek aan het Scheppersinstituut. Hij geeft in die periode les aan onder meer Paul Michiels, Jan Leyers, Eric Melaerts en Robert Groslot. Bij The Hit Boys doet Bobby Prins aardig wat ervaring op.

In 1965, Bobby is dan achttien, neemt hij zijn eerste plaatje op Een gitaar en een zomernacht. Méér dan wat plaatselijk succes zit er op dat moment niet in. Maar Bobby wil méér. Hij wil met een eigen orkest optreden en richt in 1972 “The Sound Express” op. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij Telstar, de platenfirma van Johnny Hoes. Zij kiezen voor het liedje Sancta Maria met op de B-kant Twee bloedrode rozen. Hierbij moeten we toch wat rechtzetten, want op de hoes staan als de auteurs Johnny Hoes en Jean Kraft vermeld als zouden zij de originele schrijvers van Sancta Maria zijn, maar dat klopt niet.  In 1962 bracht Petula Clark immers op het Vogue label de single Romeo uit begeleid door het orkest van Peter Knight. Op de B-kant staat het liedje Pardon pour notre amour dat de Franse versie blijkt te zijn van Sancta Maria en geschreven werd door Alfredo Corleto en Palmeiro onder de originele Portugese titel Perdao para dois en als eerste op plaat gezet door Cauby Peixote. Datzelfde jaar brengen Florence Passy en Dario Moreno het eveneens op single uit. Een verdere zoektocht leert ons dat een jaar eerder het liedje al op een Frans eepeetje van Luis Mariano was aanbeland. Dus pretenderen dat het origineel door Bobby Prins werd ingezongen, is niet waar. Wat wél klopt is dat Bobby met zijn versie de 27ste januari 1973 op de drieëntwintigste plaats van de Top Dertig staat. Hij zal zes jaar moeten wachten om er nog eens in op te duiken.

Dankzij die hit wordt Bobby samen met zijn orkest een veel gevraagd artiest. Met Hoes heeft hij een deal gesloten elk jaar twee singles en een elpee uit te brengen. Het lukt Bobby echter niet te beseffen dat het succes aan zijn kant staat. Jaren later dringt dat pas goed tot hem door. In een productie van Johnny Hoes en arrangeur Jean Kraft brengt Bobby in de loop van de jaren zeventig een rist singletjes op de markt zoals: Bella signorita, De kleine prins, Bianca en in 1977  Toe meisje neem de telefoon. Op zekere dag ontmoet Bobby een vroegere vriend van hem, Luc Derdin, die na een lang gesprek Bobby weet te overtuigen over te stappen naar een andere platenfirma, Monopole van Jean Lambrechts die, ook al zit Bobby op dat moment nog onder contract bij Johnny Hoes, met hem het nummer Te Jong van Noël Lambré inblikt. Johnny kan zijn eigen oren niet geloven wanneer hij weken later hoort dat zijn singletje de 29ste december 1979 op één staat in de Vlaamse Top Tien. Dat was hem zelfs met Sancta Maria niet gelukt. Voor de arrangementen van zijn hits kan Bobby rekenen op het talent van Chris Peeters en de productie van Luc Derdin. Nog tijdens het succes met zijn Vlaamse liedjes krijgt Monopole in de gaten dat alleen maar in het Nederlands zingen niet zaligmakend is.

De vrije zenders duiken links en rechts op, ontdekken een pak golden oldies en programmeren maar wat graag Engelstalige plaatjes. Inpikkend op die vraag besluiten ze met Bobby ook eens een nummer in het Engels uit te brengen en dat wordt in 1979 I fought the law waarmee de Amerikaanse zanger Bobby Fuller in 1966 al een hit had gescoord. Het is nog niet meteen je dat qua resultaat, maar met de opvolger Pretend, een cover van de Carl Mannhit, is het wél bingo. De tweeëntwintigste maart 1980 staat Bobby op 17 in de Top Dertig en scoort daarmee in die lijst zijn grootste hit ooit. Een pak van die Engelstalige hits vind je terug op de cd “The Bobby Prins Rockers of the Sixties”. Gesterkt door de overtuiging dat dit de weg is die Bobby moet blijven bewandelen, afwisselend Nederlands- en Engelstalige liedjes uitbrengen, beslissen ze het nummer Toe kom in mijn armen te releasen. De derde mei 1980 verneemt Bobby van zijn platenfirma dat hij opnieuw op één staat in de Vlaamse Top Tien. Ook de volgende single Alleen is maar alleen wordt een dikke hit. Ook in de Top Dertig zijn die twee nummers terug te vinden.

In 1981 kan Bobby met trots terugblikken op de voorbije maanden. Het succes kan niet meer stuk, zo lijkt het tenminste. Maar de realiteit is anders. Er ontstaat onenigheid binnen zijn begeleidingsgroep. Bobby beslist met pijn in zijn hart “The Sound Express” na twaalf jaar op te doeken. En daar blijft het niet bij. Bobby lag nog altijd onder contract bij Johnny Hoes. Die had al die tijd met lede ogen staan toekijken hoe Bobby onder de vleugels van Monopole de ene hit na de andere in Vlaanderen scoorde. Hoes laat het daar niet bij zitten, trekt naar de rechter en Bobby wordt in het ongelijk gesteld. Dat kost hem uiteindelijk zoveel geld dat hij in 1985 failliet wordt verklaard. Nochtans blijft hij intussen platen opnemen. Hits worden onder meer Mona Lisa, Lover Please, Mockin’ Bird Hill en Mandolins in the Moonlight en dat om de fans van zijn Engelstalige liedjes te plezieren. In de Vlaamse Top Tien vinden we hem terug met hits zoals Marinaio, Ik zal die avond nooit vergeten, Zomerzon en Maria Magdalena.

Bobby kan de druk niet meer aan, zeker niet de beslommeringen die het opdoeken van zijn orkest en het proces met Johnny Hoes met zich hebben meegebracht. Hij wordt depressief en geraakt verslaafd aan de peppillen. Bobby kan het niet meer aan live op te treden. Zijn gouden jaren blijken voorbij te zijn. Hij neemt wel nog plaatjes op zoals het door hemzelf geschreven Ik zit in een cafeetje. Hij scoort in 1985 zelfs nog twee behoorlijke hits in de Vlaamse Top Tien met achtereenvolgens Bel me op als je eenzaam bent en Als kleine kinderen. Twee jaar later vindt hij de moed om opnieuw te gaan optreden. De fans hebben hem gelukkig niet in de steek gelaten. Bobby ziet het weer helemaal zitten, maar is toch teleurgesteld als hij merkt dat hij ondanks de komst van VTM en “Tien om te Zien” geen comeback kan forceren. Ook de hitlijsten blijven buiten bereik. In 1996 krijgt hij tijdens een partijtje joggen een hartaanval en moet revalideren. Optreden zit er dan niet meer in. Maar Bobby herpakt zich. Een jaar later is er het album Terug van weggeweest!!!. Hij heeft in de Nederlandse platenfirma Vincent Producties een nieuwe bondgenoot gevonden. Op dit album covert Bobby golden oldies zoals Ask me en I’m yours van Elvis Presley, Eighteen Yellow Roses van Bobby Darin en Hurt van Timi Yuro. Er is ook de opvallende cover Ik bewonder jou van Johnny Lamers waarmee hij vooral bij de Nederlandse zenders scoort. Het ijzer smedend terwijl het heet is brengen ze de verzamelaar “Bobby Prins door de jaren heen…” uit, 32 van zijn grootste hits op een dubbelaar. In 2000 neemt hij voor platenfirma Paprika Records het album “Niets ter wereld kan ons schelen” op met niet onaardige versies van Bimba Bella, Pledging My Love, De winter was lang en A woman in love. Met producer Manfred Jongenelis blikt hij een jaar later eveneens de cd “Memories” in met daarop zestien stroken lang covers van onder meer Memories are made of this, Een huisje in Montmartre, I’ll never fall in love again en In the Misty Moonlight. De producties klinken dan wel niet meer zo afgeborsteld als bij Johnny Hoes, toch geniet Bobby met volle teugen van zijn herwonnen succes. In 2008 is Bobby, die zo te zien zijn hart aan de Nederlanders verpand heeft, toe aan het album “Een hartje van goud”. Ook nu weer een mix van Engels- en Nederlandstalige liedjes. De twintigste oktober 2005 schetst VTM in het programma “2 X anders” een portret van Bobby Prins.

Met het nummer Oh Gerda brengt Bobby in 2010 hulde aan zijn kersverse Nederlandse bruid Gerda Clé (hij trouwde met haar de 28ste augustus 2010 op de dag van haar verjaardag). Dat is  terug te vinden op zijn cd “Liefde en Romantiek”. Gerda en Bobby leerden elkaar tien jaar eerder kennen tijdens een optreden. De fans krijgen het nummer voor de eerste maal te horen tijdens zijn fanbal dat hij de 30ste oktober in de grote sporthal “De Zoerla” in Zoerle-Parwijs organiseert. Bobby treedt daar op met zijn eigen orkest. De 2de augustus 2012 wordt Bobby 65 en hij viert dat in zaal “De Rozenberg” in Oud-Heverlee samen met het showorkest Muzikantenstad van Eddy De Vos, de Popkoning, De Melando’s, Luc Van Meeuwen en Salim Seghers. Eind 2012 verschijnt bij Jesa Productions “Een album vol dromen” in een productie van Laurens van Wessel, die onder meer Frans Bauer produceert, en Jeannot Heeren. In amper drie weken tijd worden er méér dan drieduizend exemplaren van verkocht. Voorafgaand aan dat album scoort Bobby bij onze noorderburen nog een hit met de single Zo helder blauw. In 2013 pakt hij uit met de gloednieuwe show “Bobby Prins, een halve eeuw op de planken”. Aangespoord door zijn fans brengt Bobby in 2013 op het VNC Label (Vincent Producties) het album “Ik heb je zo nodig” uit, geproduceerd door Johan Hense met daarop liedjes zoals Als een meisje moeder wordt, Jouw mooie blauwe ogen, Ik heb je zo nodig en Wil je met me dansen.

Woensdag 2 april 2014 ontvangt Bobby Prins in het “CC Gasthuiskapel” in Aarschot de “Golden Lifetime Award”, de oscar van het Nederlandstalig lied, uitgereikt door de gemeente Aarschot, naar aanleiding van zijn vijftigjarige carrière. Extra leuk voor Bobby is dat dit gebeurt tijdens de tiende editie van dit evenement. De voorbije jaren ontvingen onder meer Eddy Wally, Jo Vally, Will Tura, Dana Winner en Rob De Nijs deze prijs. Om deze gebeurtenis extra in de verf te zetten, geeft Bobby op vrijdag 23 mei 2014 tijdens het “Retrofestival” in een spiegeltent in Bonewijk, Aarschot een uniek liveconcert.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

De calypso

Wanneer we het over de muziek in de jaren vijftig hebben dan denken we meteen aan de rock and roll. We vergeten nogal snel dat de dansmuziek tout court toen nog erg in was. De hoogtijdag van de swing en de big bands lag net achter de rug, maar de mensen bleven tijdens het weekend zin hebben om de dansbenen te strekken. Het valt op dat vooral de latinodansen erg in trek waren. De mambo had zo zijn aanhangers met voorop de geweldige orkesten van Xavier Cugat en Perez Prado, er werd ook met veel graagte de chachacha gedanst én niet te vergeten de calypso.

Voor de oorsprong van de calypso moeten wij naar de Caraïben, bestaande uit de Caraïbische Zee en de Noord-Atlantische Oceaan in de buurt van de Bahama’s, vroeger aangeduid als West-Indië. Tot de Caraïben behoren landen en regio’s als Barbados, Curaçao, de Dominicaanse Republiek en Jamaica. De bakermat van de calypso ligt in Trinidad en Tobago, twee eilanden behorend tot de Kleine Antillen,  waar deze Afro-Caribische muziek graag werd gedanst en gespeeld. De naam calypso duikt voor het eerst op in de jaren dertig en zou etymologisch afkomstig zijn van kaiso, een samentrekking van de woorden ka isu. Er bestaat ook een theorie dat het woord een verbastering is van het Franse woord carrouseaux, dat op zijn beurt caliso werd uitgesproken en vervolgens calypso. De Franse eigenaars van suikerrietplantages en hun slaven uit de Franse Antillen hadden dus ook hun taal meegebracht. Niet voor niets dat in het begin de calypso vooral in het Creools werd gezongen. Het ritme lag vrij hoog. De vertolkers van die liederen werden aanvankelijk chantuelles genoemd, nadien calypsonians. In het begin zongen de zwarten die liederen op de plantages om zich af te reageren op hun meesters. Later dook de calypso almaar vaker op tijdens feesten zoals het carnaval dat de Fransen hadden geïntroduceerd en dat twee weken voor Aswoensdag van start gaat. De  slaven hadden dit feest gretig overgenomen om zich te kunnen uitleven. Vooral na de afschaffing van de slavernij in 1834 nam de populariteit van de calypso en het carnaval toe.

Lovey en Lionel Belasco waren zowat de eersten die calypsoplaten opnamen, vooral instrumentale nummers. De eerste hoogtijdagen van de calypso liggen tussen 1920 en 1930. Het genre won vooral aan stijl en vorm. Méér en méér dienden de gezongen liederen als een soort muzikale krant. Daarin werd commentaar geleverd op de binnenlandse politiek en het sociale leven. Ook werd de historiek van het eiland in die liederen geschetst. Op een bepaald moment ging de politie zich met de lyrics bemoeien, vooral wanneer ze té kritisch van inhoud waren. De censuur liep op een bepaald de spuigaten uit. Kilo’s platen die niet door de beugel konden, werden gelijk in zee gedumpt. Geen wonder dat er in de loop van de jaren dertig calypsosongs in New York werden opgenomen door uitgeweken calypsozangers. Op die manier kwam dit genre de deejays in Amerika ter ore en geraakte het stilaan verstrengeld met de Amerikaanse popmuziek. Denk maar aan die bekende hit van The Andrews Sisters Rum and Coca-Cola, oorspronkelijk een liedje van Lord Invader die samen met Lord Kitchener en Attila The Hun het genre definitief op poten zette.

De peetvader van de populaire calypsomuziek in de States mogen we toch wel Harry Belafonte noemen. Hij zette een klassieker neer als Day-O, een traditioneel volksliedje uit Jamaica dat bekend werd als Banana Boat Song. Zijn elpee “Calypso” uit 1956 werd een gigantisch succes en schoof méér dan één miljoen keer over de toonbank. Stilaan gingen Amerikaanse folkgroepen als The Brothers Four en The Kingston Trio de calypso in hun repertoire verwerken, liedjes als Jamaica Farewell en Yellow Bird. Ook songs als Mary Ann en Jump In The Line werden regelrechte klassiekers samen met het door Belafonte gepopulariseerde Man Smart, Woman Smarter. Daarnaast werden vooral Byron Lee, The Mighty Sparrow en The Merrymen populaire gangmakers van het genre. In de puur commerciële sector waagde onder meer het Duitse dansorkest Roberto Delgado zich aan één of andere bewerking van zo’n calypsohit.

Nog even dit! Op een bepaald moment smelten de soul en de calypso samen tot de soca waarin een discodrum en een dominerende bas voor de dansante aanpak zorgen.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Lisa del Bo


Lisa werd als Reinhilde Goossens de negende juni 1961 in Mopertingen, in de buurt van Bilzen geboren. Mopertingen ligt in het zuiden van Haspengouw in de provincie Limburg. Is eigenlijk een voorschoot groot, dus beweren dat iedereen Reinhilde in haar dorp kent, staat als een paal boven water. Zij deelt die bekendheid met een andere dorpsgenote, politica Frieda Brepoels. Lisa, zo zullen we haar maar blijven aanspreken,  woont nog altijd in haar geboortehuis. Zij is zo’n honkvast type  dat zij  de roots  uit haar jeugdjaren altijd met zich meedraagt, als een soort eresaluut aan haar ouders. Over een hecht en warm gezin gesproken! Thuis waren er vijf meisjes en een jongen, de oudste in die rij van zes. Zij blijven één hechte familie waarin ieder telkens op de ander kan blijven rekenen. Papa heeft zijn hele leven lang hard gewerkt. Hij was chef ijzervlechter die onder meer zijn inzet en kunnen mocht etaleren tijdens de bouw van het viaduct in Vilvoorde. Hij deed niets liever dan in de kerk meezingen in het gregoriaans koor. Nou meezingen, pa was er voorzanger. Hij hield dat vol tot hij drieëntachtig werd, goed voor een leven van zeventig jaar vol gregoriaanse muziek. Lisa liep school, twee straten verder dan waar zij woonde. Toen al deed ze niets liever dan zingen met een speciale voorkeur voor het liedje Lieve Maan van Nelleke. Nelleke Brzoskowski uit het Nederlandse Bakel in de provincie Noord – Brabant scoorde er in Vlaanderen in 1968 een dikke hit mee en toerde nadien een jaar of vijftien rond met The George Baker Selection. Lisa zelf was toen zeven, zat in het eerste leerjaar en zong dat voor Moederdag samen met haar zusje Arlette. Het was immers mama Goossens die het plaatje voor haar dochters gekocht had.

Vanaf haar twaalfde, zij zat toen net in de eerste middelbare, ging Lisa elke week samen met haar zussen Lutgarde en Arlette, op aandringen van papa, naar het koor in Mopertingen waarin vooral oudere dames en heren meezongen. De jongeren mochten vooral schitteren met Kerstmis wanneer zij met hun jonge sopraanstemmetjes Stille Nacht en Adeste Fideles aanhieven. Voor haar middelbare studies was Lisa intussen naar Bilzen verhuisd. Zij trok daar elke dag met de bus naartoe. Maar zij studeerde niet graag. Na drie jaar houdt zij het daar voor bekeken en gaat naar de handelsschool in Hoeselt. Zij is achttien wanneer zij haar studies afrondt en aan de slag gaat als secretaresse bij een bouwpromotor. De nieuwe pastoor van Mopertingen die rond die tijd aan de slag gaat, ziet in Lisa de perfecte dirigente voor het kinderkoor “Do Re Mi”. Lisa gaat op zijn voorstel in en zal dat uiteindelijk twintig jaar blijven volhouden. Pas iets later zal zij tweemaal per week naar de muziekacademie in Genk trekken om daar notenleer onder de knie te krijgen. Anderhalf jaar lang volgt zij daar ook de opleiding klassieke zang. Lisa is niet eens eenentwintig wanneer zij met haar jeugdliefde Joske trouwt.

Thuis oefende zij samen met haar neef Luc Stevens die erg goed gitaar speelde liedjes die zij onder andere tijdens huwelijksmissen zongen. Liedjes van Joan Armatrading, maar ook en vooral I don’t know how to love him uit de musical Jesus Christ Superstar. Geen haar op Lisa’s hoofd dacht er toen aan een zangcarrière uit te bouwen. Via Luc leert Lisa de groep Lush kennen voor wie zij hier en daar eens iets inzingt. Lush scoorde op het einde van de jaren zeventig een hitje met Aber jetzt kommen die Kanonen. Toetsenist van de groep is Patrick Renier. Op zijn aandringen, gaat Lisa zich als zangeres bij de groep aansluiten. Het wordt veel repeteren, maar echt optreden, laat staan hits scoren is er niet bij. Intussen was Lisa zwanger van haar tweede kind en zij wordt voorzichtig door de groep aan de kant geschoven. Luc Stevens was intussen ook verhuisd naar Denderleeuw om daar een eigen zaak op te starten, maar met Patrick bleef Lisa goed contact houden en regelmatig optreden tijdens trouwplechtigheden. Patrick Renier spoort Lisa aan deel te nemen aan de VTM Soundmixshow , maar daar heeft Lisa geen oren naar. Haar man blijft aandringen en uiteindelijk geeft Lisa toe. De eerste selectie vond plaats in Heusden-Zolder waar Lisa Ik leef voor jou van Ann Christy zingt. Zij wordt niet geselecteerd. Na de geboorte van haar tweede kind had Lisa een complete metamorfose ondergaan. Zij kleedde zich speels en kleurig en liep rond met rood geverfd haar. Die look zorgde er mede voor dat zij door de jury niet geschikt werd bevonden. Omdat er kandidaten tekort waren, neemt Lisa iets later deel aan een selectie in Hoogstraten waar Piet Roelen de productie in handen heeft en John Terra in de jury zit. Ook deze keer wordt het niks. Een week later belt VTM haar op met de vraag of zij geen ander liedje wil zingen, want zij vinden Lisa een té leuke verschijning op televisie om haar niet te laten meezingen. Dat ander liedje wordt What’s a woman van Vaya Con Dios. Lisa schrikt zich een hoedje, maar gaat toch intens oefenen en is maar wat blij wanneer zij aan de wedstrijd mag deelnemen. Jaren later, de vijfde februari 2015, zal zij in het “Casino van Oostende” dit nummer opnieuw zingen, deze keer als hommage aan Dani Klein van Vaya Con Dios die die avond  een award ontvangt voor een leven vol muziek. Tijdens die Soundmixshow heeft Lisa geen enkele ambitie om te winnen, maar wil wel niet afgaan voor de kinderen van het koor, want dat had zij heel erg gevonden. In de finale neemt zij het op tegen onder andere Nico Verboven die Blue Hotel van Chris Isaak zingt, Andrew De Herder als Buddy Holly met Oh Boy en Gene Thomas met Never tear us apart van Inxs. Onthouden wij wel dat Lisa toen nog altijd optrad als Reinhilde Goossens.

Na die overwinning dringt Patrick Renier die als producer-arrangeur in de studio van Jack Rivers in Tongeren werkte aan om bij hen een plaatje op te nemen. Aanvankelijk wil Jack, Lisa managen, maar dat ziet zij niet zo zitten. Pas wanneer Piet Roelen aandringt, gaat zij akkoord. Er wordt beslist een eerste single uit te brengen en wel op het Indisc Label. Er wordt gekozen voor een vertaling van Madame van Claude Barzotti op een Nederlandstalige tekst van Jan Theys in een productie van John Terra Maar nu, wat moet ik zonder jou is een eerste, maar zeer voorzichtige poging. In het kielzog van haar overwinning, moet Reinhilde, die intussen Lisa del Bo wordt genoemd, almaar vaker optreden. Lisa was de voornaam van haar moeder en omdat Reinhilde knap oogde, lag Bo ook wel voor de hand. Dat lusje Del moest van het geheel een naam maken die ook vlot bekte. En zo was Lisa Del Bo geboren, naar een idee van Piet Roelen. Ook al werkte zij toen al parttime, zo kon het niet verder. Met verdriet in haar hart neemt zij afscheid van haar werkgever. Tijdens diverse interviews achteraf vertelde Lisa ons dat zij die periode als zeer verwarrend ervaarde. Zij was volledig het noorden en de kluts kwijt. De liedjes die zij moest inblikken, stonden haar niet aan. Iedereen wilde van haar een ster maken, maar op de een of andere manier lukte het niet. Een nummer waar zij ook niet achter stond was Liefde geschreven door John Terra op een nummer van de Italiaanse componist Enzo GhinazziGhi. Lisa was toen al overgestapt naar platenfirma Columbia. Lisa had het gevoel dat het liedjes waren die ver van haar eigen ik stonden. Zij had er geen binding mee. Heel even wordt er een beroep gedaan op Hans Van Eyck die voor Lotti enkele aardige hits bij mekaar had geschreven. Samen met Terra en Jeroen Lecompte schrijft hij Jij bent niet dezelfde gearrangeerd door Pino Marchese.

In 1993 neemt Lisa deel aan Eurosong met het oog op het Eurovisiesongfestival. Er zijn vier voorrondes en een finale. Lisa bereikt de finale samen met onder andere Bart Herman, Mieke, Wim Ravell en Wendy Van Wanten. Barbara Dex gaat met de overwinning aan de haal en trekt naar Millstreet in Ierland waar zij laatste zal eindigen met het nummer Iemand als jij. Lisa staat in de finale tijdens Eurosong met Vlinder, een nummer geschreven door Marius Degeest, een dichtende stadssecretaris van de gemeente Hamont-Achel, en Emile Elsen, een Nederlander die in Kaulille woonde en graag nog wat liedjes schreef en in zijn thuisstudiootje inblikte. Op aanraden van Piet Roelen wordt dit liedje naar voren geschoven. Lisa is tijdens de finale bloednerveus, want zij stond inmiddels al drie jaar op het podium en had nog niet veel bereikt.  Met Vlinder geraakt Lisa tijdens de finale tot op de derde plaats en met de uptempo singleversie staat zij de vijfde juni 1993 op drie in de Vlaamse Top Tien. Van datzelfde duo neemt zij enkele maanden later het nummer Ergens op dat in het vroege najaar van 1993 een redelijk succes wordt. Als opvolger wordt gekozen voor een liedje dat Emile samen met Helmut Lotti  (toen ook al onder de vleugels van Piet Roelen) had geschreven Leef nu met een lach. De zesentwingtigste maart 1994 mag Lisa daarmee de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien inpalmen, maar dan ook niet meer dan dat. Piet zorgde dat Lisa voldoende aan de bak kwam. Hij had een eigen orkest The Golden Bis Band en daar trad Lisa in die tijd erg vaak mee op.

Ook al hield zij in het begin de boot wat af omdat zij niet wilde mislukken, schrijft Piet Lisa del Bo in 1996 in voor de preselecties van “De Gouden Zeemeermin” en dat met het oog op deelname aan het Eurovisiesongfestival in Oslo, Noorwegen. Lisa gaat eerst met Fonny Peeters samen op zoek naar nieuwe nummers, maar John Terra was dit ter ore gekomen en die wil zijn kans ook wagen. John schrijft op zijn gitaar de basis van wat Liefde is een kaartspel moet worden. Aanvankelijk had hij er flarden Franse woorden op gezet. Aan Daniël Ditmar vraagt hij er een Nederlandse tekst bij te schrijven.  Er worden vier preselecties georganiseerd met in het totaal veertig kandidaten. Tijdens de finale in het Casino Kursaal van Knokke, gepresenteerd door Michel Follet, passeren onder andere Splinter, En Zo, Peter Van Laet, Sabien Tiels en Doran de revue, maar het is uiteindelijk Lisa die met Liefde is een kaartspel de finale wint. De achttiende mei staat Lisa de ziel uit haar lijf te zingen. Zij eindigt in Oslo op de zestiende plaats. In het totaal namen er drieëntwintig landen deel. Eimear Quinn die voor Ierland deelneemt, zorgt met The Voice voor een verrassende overwinning. Dankzij dit liedje krijgt Lisa van het “Nationaal Museum van de Speelkaart” de eretitel van ambassadrice van de speelkaart opgespeld. Met de single Liefde is een kaartspel eindigt Lisa haast voor de hand liggend op de eerste plaats in de Vlaamse Top Tien en zal zeven weken na mekaar op één postvatten in Tien om te Zien. Er worden ook anderstalige versies van gemaakt: Comme au jeu de cartes, Liebe ist ein Kartenspiel en Love is like a card game. “Lisa del Bo” is ook de titel van het eerste album dat van haar op de markt komt met in het totaal veertien liedjes waaronder de singles die zij al eerder had uitgebracht en het duet This World Today Is A Mess met Helmut Lotti dat wij eerder al kenden in de hitversie van Donna Hightower. Dit nummer wordt dat jaar ingezet voor de VTM campagne “Levenslijn”. Als eindejaarsgeschenk wordt deze cd opnieuw uitgebracht, nu aangevuld met vier kerstliedjes waaronder Stille Nacht en Ding Dong. In de zomer van 1996 trekt zij ook naar Bosnië om daar de Belgische Blauwhelmen een hart onder de riem en de wapens te steken. Voor haar eerste cd wordt Lisa goud overhandigd. Lisa heeft thuis een kantoor waar zij zich regelmatig terugtrekt om haar liedjes in te studeren en te oefenen en daar siert die plaat één van de vier muren naast andere gouden exemplaren van latere producties en onvergetelijke momenten op diverse foto’s vereeuwigd.  Lisa waakt erover dat in de overige kamers niets van haar carrière te bespeuren valt. Thuis is en blijft zij gewoon Reinhilde en is de glitter en glamour behoorlijk ver uit de buurt.

Tussen 1996 en 1998 zijn er de singles Morgen, een cover van Tell him,  Roosje geschreven door John Terra, Ding Dong en Alleen voor jou. Van al deze singles wordt Morgen de grootste meevaller, een vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien in de zomer van 1996. Als een geschenk uit de hemel is er in 1998 Eenzaam zonder jou van Will Tura. Voor zijn album Dag en Nacht  had Bart Kaëll op aanraden van zijn toenmalige producer Peter Koelewijn dat nummer al ingezongen met de Nederlandse zangeres Glennis Grace nadat Ruth Jacott voor de eer had bedankt. Peter vond ook dat het met een reggaeritme moest worden ingeblikt. Dit moest en zou op single worden uitgebracht, maar dat zag Piet Roelen dan weer niet zitten omdat hij aanvoelde dat de agenda’s van Bart en Glennis op mekaar afstemmen voor problemen zou zorgen. Dan maar aan Lisa gevraagd dat duet opnieuw in te zingen en kijk, het was de juiste gok! De eenendertigste januari van dat jaar staan Lisa en Bart samen op één in de Vlaamse Top Tien. Wat haast niemand weet, is dat aan Bart vooraf niet werd gevraagd om dit in te zingen. Lisa deed dit tijdens een verloren uurtje buiten medeweten van Bart om. Zij trok naar Nederland en ontmoet daar voor de eerste keer Peter Koelewijn met wie zij iets later nog veel zal gaan samenwerken. Mocht het inzingen niet lukken, dan was er niets aan de hand en zou er verder over gezwegen worden. Na een half uurtje inzingen staat Lisa’s partij erop en een dag later laat Piet het aan Bart horen die eveneens in de wolken is over het eindresultaat. Qua boekingen en optredens ging dat vrij vlot om Lisa voor een tijdje aan Bart te koppelen, want Bart huisde toen nog in dezelfde artiestenstal als Lisa, bij Piet Roelen dus. Lisa verzorgde dan het voorprogramma van Bart en nadien zongen zij op het einde hun nummer één. Lisa geeft nu nog volmondig toe dat dit de mooiste periode uit haar carrière was.

Voor de volgende hit moeten we de klok even terugdraaien, naar 1996 toen Lisa De Gouden Zeemeermin won. Als prijs kreeg zij van de directie van het Casino Kursaal een optreden in hun zaal aangeboden, maar Lisa had op dat moment niet voldoende repertoire om zo’n show gevuld te krijgen. Dus werd dat project uitgesteld. Lisa gaat op aanraden van Piet op zoek naar nummers die zij graag zou willen zingen en laat die arrangeren voor orkest. Daarmee legt zij onbewust al de basis voor de liedjes die zij nadien zal inblikken. Daniël Ditmar schrijft de Nederlandse tekst bij de hit Mit siebzehn hat man noch Träume van  Peggy March die daar in 1965 bij ons al een stevige hit mee had gescoord. In de Vlaamse Top Tien wordt de single wel getipt, maar geraakt niet genoteerd. Dat belet Piet niet, die intussen met Helmut Lotti gigantisch had gescoord met hun project Lotti goes classic,  voor Lisa het project “Best of The Sixties” op het getouw te zetten. Piet wist dat je met een goede kapstok en goede covers ver kon geraken, héél ver. In 1948 nam Edith Piaf samen met Les Compagnons de la Chanson Les trois cloches op dat The Browns iets later als The Three Bells in de markt zouden zetten. Die hitversie uit eind 1959 doet Piet beslissen het nummer aan het album “Best of The Sixties”  toe te voegen. Met Peter Koelewijn aan het roer wordt de plaat in de Fendal Sound Studio’s in Nederland ingeblikt. Aan de getalenteerde Hans Hollestelle wordt gevraagd de arrangementen te schrijven. In 1999 is het album een feit nadat de Drie Klokken op single niet hebben gepresteerd wat ervan verwacht werd. Het vreemde is dat Lisa plots een album artieste wordt. Voor “Best of The Sixties” is vrij snel goud weggelegd. Gekozen wordt er voor covers van hits als Santa Domingo, Zwei kleiner Italiener, Muss I Denn en Que Sera. Het publiek lust hier wel pap van. Als bonustrack zingt Lisa samen met Helmut het duet Sprakeloos gebaseerd op het Canon in D van Johann Pachelbel naar een tekst en idee trouwens van Helmut. Dit nummer had Lisa een jaar eerder gezongen voor het album “Helmut Lotti goes Classic, The Final Edition”, toen in het Engels als Love is Life. Van het album “Best of The Sixties” gaan er vijfentwintigduizend exemplaren over de toonbank, tevens goed voor goud.

Zo’n gouden plak verdient een vervolg en dus werd er een vervolg aan gebreid met de cd “Best of The Fifties”. Aan de productiestaf werd er niets gewijzigd. Gekozen werd er voor covers van Never on Sunday, Sweetheart, my darling, La Mama, Melodie d’amour, Die Gitarre und das Meer en My Happiness, want Lisa had al die jaren al een enorm zwak voor de Amerikaanse zangeres Connie Francis. Als singles wordt er gekozen voor Nooit op zondag en Sweetheart my darling, maar ook deze keer blijkt dat het publiek eerder voor het album dan voor de singles kiest. Wat niemand durfde te dromen, gebeurt toch. “Best of The Fifties” wordt niet alleen goud, maar ook nog eens platina. En dus… wordt er als vervolg gekozen voor “Best of The Forties”. Hier gaat Piet voor door het vuur, want voor Lisa hoeft dit niet zo nodig. Zij heeft geen affectie met die periode. Als voorloper wordt in 2001 de cover Bei mir bist du schön van The Andrews Sisters in de markt gezet. Daarnaast staan er op dat album covers van Mona Lisa, Tennessee Waltz, Lili Marleen, Rum and Coca Cola en Baby Face. Alsof Lisa het juist had aangevoeld, dit album en deze keuze lust het publiek minder. Misschien ook qua concept te zéér op zeker gespeeld.

In het “Casino van Knokke” had Lisa er stilaan een traditie van gemaakt daar jaarlijks een concert te geven. Tijdens het concert in 2000 waren ook enkele verantwoordelijken van EMI Duitsland aanwezig. Die hadden iets eerder Helmut Lotti al ontdekt en wilden nu wel eens een kans met Lisa wagen. Voor de Duitse markt wordt het album “Wo sind die Zeiten- Das Beste der 40′er” gereleaset. Het is niet meteen raak bij onze oosterburen, zeker niet het eerste jaar, het was voor hen nog even wennen. Om de markt in te palmen gaat Lisa drie maanden mee op tournee met Helmut Lotti. In Luxemburg wordt van het jaren veertigverhaal een volledige special ingeblikt voor de Duitse televisie én ook te zien in Oostenrijk en Zwitserland. Lisa mag er veel gaan optreden en krijgt aardig wat televisieoptredens aangeboden, maar het verhoopte succes bleef toch uit. Lisa bleef op haar honger zitten, want zij wou dolgraag een plaat opnemen met countryklassiekers, maar dat plan bleef jammer genoeg voor haar in de koelkast zitten. Piet gaf eerder de voorkeur aan een ander idee. Bij hem op stal stonden ook Willy Sommers en Luc Steeno en geef toe die konden anno 2003 ook wel een duwtje in de rug verdragen. Piet koppelt hen op één album aan Lisa en dat wordt de cd De mooiste duetten en meer. Als producer wordt ook deze keer Peter Koelewijn aangetrokken. Ook deze keer zal en moet er gecoverd worden: Something Stupid, Sing c’est la vie, Sun of Jamaica, Let it be me…Tussen Heist en de Ardennen wordt de singlekeuze, maar verder dan een negende plaats in de Vlaamse Top Tien van de zomer van 2003 geraakt het drietal niet. Ook de nummers Sing c’est la vie en Ruis op de lijn worden op single-cd gezet, maar op niet erg veel applaus onthaald.

VTM scoort anno 2008 aardig met het programma “Sterren op de dansvloer” en dus vindt Piet Roelen het wel een leuk idee om een cd vol te stouwen met dansante liedjes en vraagt daarvoor advies van dansleraar Guy Jottay die Lisa inwijdt in de geheimen van de dansmuziek. Omdat het aantal maten per minuut voor dansers erg belangrijk is, wordt daar tijdens de selectie van de geschikte songs behoorlijk rekening mee gehouden. Uiteindelijk wordt het album “Dansen, plezier voor twee” een selectie van chachacha’s, foxtrots, Engelse walsen, quicksteps enz… Covers krijgen ook deze keer voorrang met voorop hits als Pepito, Blanket on the ground, Boom Bang a Bang, Paper Roses en Shout. 

In 2009 vinden we Lisa op het CNR label met als single een nummer van Wim Soutaer en Phil Sterman In jouw ogen, erg schlager getint. We hoeven niet vreemd op te kijken, want twee jaar eerder schitterde Lisa al in de Ethias Arena van Hasselt op de affiche van het Schlagerfestival. Die kerst geeft zij ook onder de titel “Kerst in Vlaanderen” enkele gesmaakte kerstconcerten. In 2010 mag Lisa tijdens de Virga Jessefeesten in Hasselt gastvrouw zijn van het toch wel unieke Virga Jesseconcert. Zij brengt met deze feestelijke geburen als achtergrond het gospelalbum My Special Prayer uit met daarop klassiekers zoals Stand By Me, What a Friend I Have in Jesus, Amazing Grace, Swing low Sweet Chariot. Opvallend op dit album is het Pie Jesu van Gabriel Fauré. Bij de bonuseditie vinden we zes liederen terug van de Mariale ommegang in Hasselt.  Drie jaar later is er de single Hemelhoog, geschreven door Juan Guerrero samen met Patrick Renier die ook de productie voor zijn rekening neemt. Patrick is daarmee back in town. De single geraakt in 2012 tot op twee in de Vlaamse Ultra Top Tien. Een wat vreemde keuze wordt Hoe moet ik verder? de vertaling door Cliff Vrancken van Je l’aime à mourir van Francis Cabrel en dat Shakira iets eerder al had gecoverd,  dat Lisa als kerstsingle samen met Femke and The Big Sisters had ingeblikt. Femke had iets eerder in Armenië ons land vertegenwoordigd met Een kusje meer tijdens Junior Eurosong en zong samen met The Big Sisters oftewel haar zusjes Ymke en Anke.

In 2012 staat er bij Lisa vijftig jaar op de teller. Aan de pers laat zij weten dat dat iets doet met een mens. Het is voor haar alsof zij voor een nieuwe richting in haar leven kiest. In 2005 was haar vader na een langdurige spierziekte overleden. In 2011 neemt zij definitief afscheid van haar moeder. Lisa bedankt Piet Roelen voor zijn bewezen diensten en gaat met Patrick Renier in zee die tot dan toe de carrière van Belle Perez in goede banen had geleid. Lisa is intussen oma geworden van Jonah, zoontje van haar dochter Krisia. Zij beslist samen met haar man Joske en dochter Krisia voortaan het management in eigen handen te nemen en richt het bureau ThijBo op. Krisia en zoon Eli werken trouwens in het bedrijf van hun vader dat gespecialiseerd is in veiligheidscoördinatie, energieadvies en de keuring van waterafvoer in de bouwsector. Van de hand van Bart Herman neemt zij het country rockende De liefde van je leven op. Lisa klinkt anders dan we de jaren voordien van haar gewoon waren. Patrick Renier schrijft in 2012 voor haar samen met Cliff Vrancken Als zijn  lied weerklinkt dat we inmiddels beter kennen als De Clochard. De twaalfde mei piekt het nummer op vijf in de Vlaamse Top Tien. Met iets meer power klinkt even later Zo ken je mij al lang geschreven door Patrick Renier samen met Juan Guerrero en Edmée Daenen. Deze singles worden stuk voor stuk uitgebracht op het APR label van Patrick Renier, verdeeld door CNR. Haar vorige singles zijn trouwens verzameld op het album “Helemaal Lisa” dat eind juni 2013 wordt gereleaset.

In het vroege najaar van 2014 pakt Lisa naar aanleiding van de herdenking van de start van haar carrière, 25 jaar geleden, uit met een vertaling van het nummer Calm after the storm waarmee het Nederlands duo Common Linnets op de tweede plaats eindigde tijdens het Eurovisiesongfestival van dat jaar. Daniël Ditmar nam de vertaling voor zijn rekening en maakte er Stilte na de storm van. Om het nummer een apart cachet te geven nam Lisa het op samen met haar 25 jaar geleden geboren enige zoon Eli. De dertiende september 2014 staat Lisa & zoon op twee in de Vlaamse Top Vijftig.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Johnny White

Een van de meest populaire televisieprogramma’s in de jaren zestig was de liedjeswedstrijd “Canzonissima”. U kon er donder op zeggen dat wanneer de uitzending begon er hoogstens nog een hond of kat op straat liep en zelfs die bleven na een tijdje gezellig binnen. Grote bezieler achter dit gebeuren was producer Bob Boon die niet alleen het orkest van Francis Bay bij de VRT een grote kans had gegeven, maar eveneens het groot festivalorkest van Fernand Terby. “Canzonissima” was een kijkcijferkanon omdat het een leuke en een bijwijlen bitse strijd liet zien tussen diverse artiesten, vaak opgeklopt in de media. Er was niet alleen een vakjury, maar daarnaast ook een publieks- en een persjury. Die tegen mekaar uitspelen was een geniale vondst. De winnaar van de voorrondes had dit voordeel dat hij of zij de volgende aflevering met het winnend liedje mocht terugkeren. Na drie keer kwam het nummer automatisch in de finale terecht en het liedje dat die finale won, werd naar het Eurovisiesongfestival van dat jaar gezonden om daar de Belgische driekleur te verdedigen. Johnny White viel nooit die eer te beurt al nam hij zowel in 1966 , 1968 als in 1971 deel aan “Canzonissima”, maar dat verhaal is voor zo meteen, we stappen eerst indiscreet de verloskamer binnen.

Van bij zijn geboorte, de dertiende juni 1946 in Scherpenheuvel, moet Johnny Wittevrouw in de gaten hebben gehad dat je met zo’n naam geen hoge ogen gooit in de showbizz. Maar daar maakte zich toen nog niemand druk om.  Papa, geboren in Scherpenheuvel, kwam aan de bak als mecanicien en was behoorlijk muzikaal onderlegd. Net zoals zijn echtenote, geboren in het Limburgse Schulen, speelde hij graag accordeon. Zij hadden beiden muziek gestudeerd, konden vlot noten lezen en mama zong daarbij ook nog graag. Muziek klonk er de ganse dag in huis, want de radio stond steevast op Radio 2 afgestemd. Er werden ook regelmatig platen gekocht. In 1958 verhuist de familie Wittevrouw naar Brussel waar zijn ouders een frituur-restaurant gaan uitbaten. Zij staan erop dat hun zoon perfect tweetalig is en sturen hem naar een Franstalige school. Intussen blijft Johnny thuis meezingen met de platen van de Engelse crooners Tom Jones en Engelbert Humperdinck en daarnaast Shirley Bassey, Gilbert Bécaud en Charles Aznavour.

Johnny gaat eerst naar de technische school in Schaarbeek afdeling automechanica, maar hij komt niet zo goed overeen met één van de leraren daar en houdt het vrij snel voor bekeken. Begin jaren zestig stapt Johnny over naar de kappersschool in Vilvoorde waar in 1962 talent wordt geronseld om deel te nemen aan een plaatselijke crochetwedstrijd voor scholen.  Dat hoeven zij  de zestienjarige Johnny geen twee keer te vragen. Zijn medestudenten weten intussen dat hij een aardig nootje kan zingen en stimuleren hem om sowieso mee te doen. Pas wanneer Johnny in de halve finale belandt, durft hij het aan zijn ouders te vertellen. Johnny stoot in 1963 door naar de finale en wint met zijn versie van La Novia (Het Huwelijk), geschreven door de Chileense zanger Joaquin Prieto. Het zou in Engeland als The Wedding in de versie van Julie Rogers een dikke hit worden. Gesterkt door die overwinning weet Johnny, die intussen het diploma van dames- en herenkapper op zak heeft,  dat hij geen barbier wil worden, maar wél zanger. Die overwinning bezorgt hem een platendeal en hij gaat zich voor  een tijdje nestelen onder de vleugels van Jules Nijs die voordien nog had samengewerkt met Rocco Granata. Hij trekt met Nijs naar de platenstudio om daar Serenade in Portugal op te nemen voor diens eigen platenlabel “Show Records”.  Johnny is sprakeloos als hij daar aankomt en ziet dat er een orkest klaarzit van tachtig muzikanten. Het nummer is gearrangeerd door niemand minder dan de Spaanse orkestleider Waldo de Los Rios. Er volgen nadien nog een viertal singletjes waaronder J’ai lu, Ik droom van jou en Wunderbar, maar het zijn geen hoogvliegers, integendeel. Er komt in 1965 een einde aan die samenwerking met Jules Nijs en Johnny komt in contact met Achilles Palmans van het platenlabel Decca die hem toevertrouwt aan hun succesvolle producer Al Van Dam.

Er wordt bij Decca  in 1965 voorzichtig van wal gestoken met het liedje Pimpinella. Er gaan iets méér dan duizend singletjes van de deur uit. Johnny ziet het wel zitten bij Decca. Hij laat ook van zich horen tijdens het Heizelfestival ’65 én in het populaire tv-programma “Echo”. Als tweede single bij Decca covert hij een  nummer waarmee Caterina Caselli in Italië furore had gemaakt tijdens het “San Remofestival” Nessuno mi puo guidicare, in die taal ook gecoverd door Gene Pitney, door Johnny vertaald als Veroordeel me niet met op de B-kant Ik kijk maar alleen naar jou. Dat wordt veel gedraaid door Mike Verdrengh tijdens het “Soldaten Halfuurtje”. Johnny zit op dat moment in het leger om zijn dienstplicht te vervullen. Hij volgt op dat moment ook muziekschool om daar wat notenleer en vooral dictie onder de knie te krijgen.

Met het oog op een eventuele deelname aan het “Eurovisiesongfestival” neemt Johnny in 1967 deel aan “Canzonissima”. Tien kandidaten worden geselecteerd: Kalinka, Anneke Soetaert, Rita Deneve, Marva, Chris Wijnen, Hugo Dellas, Jimmy Frey, Louis Neefs, Ronny Temmer en Johnny White. Johnny zingt daar onder andere de nummers Hey Hey Meisje dat iets later op single verschijnt en Als mijn liefde dat het B-kantje wordt, maar bereikt niet de finale. Die wordt gewonnen door Louis Neefs met Ik heb zorgen geschreven door Phil van Cauwenbergh en Paul Quintens. Louis zal in Wenen de zevende plaats bereiken. Dat jaar wint Sandie Shaw de twaalfde editie van het Eurovisiesongfestival met Puppet On A String.

Op dat moment werkt Johnny nauw samen met manager René Ingelberts die ook de belangen van zangeres Tonia regelt. Johnny aarzelt niet zijn eigen orkest The Wings op te richten. Na singles als Als ik nou ‘ns rijk was en Heel m’n leven, bedankt Johnny, René voor bewezen diensten en gaat een trapje hogerop samenwerken met Robert Bylois, oprichter van het “Benelux Theater” en dé manager achter Salvatore Adamo en Robert Cogoi. In Vlaanderen werkt Bylois op dat moment ook samen met Ann Christy. Op zekere dag krijgt White het nummer Weisse Perlen in handen, geschreven door Peter Laine, alias Marcel Peeters, en Ke Riema. Decca gaat niet meteen akkoord met die Duitstalige keuze. Maar Johnny dringt aan en trekt naar de studio samen met het orkest van Peter Laine. Dankzij een tv-optreden van Johnny in het raam van het “Radio – en Televisiesalon” in Antwerpen waarbij hij begeleid wordt door het orkest van Francis Bay en daar onder andere het nummer Weisse Perlen zingt, is er meteen na die uitzending vraag naar dat nummer. Voor de B-kant wordt gekozen voor het liedje Man muss zum Tanzen gehen. Johnny is de koning te rijk wanneer hij de tweeëntwintigste november 1969 ziet dat zijn single tot op de twaalfde plaats in de Top Dertig is geraakt.

De concertorganisatoren ontdekken in Johnny White stilaan een echte performer, een rasechte zanger die ook een graag geziene gast wordt bij diverse internationale liedjesfestivals zoals in 1969 tijdens het “Festival International de la chanson Française” waar hij de prijs van het publiek in de wacht sleept. Van het “Festival in Palma de Mallorca” keert hij dat jaar terug met de persprijs op zak én de single Flamme bleue, geschreven door Al Van Dam en Jan Theys met op de B-kant Tu, ne t’en vas pas. Onvergetelijk voor hem wordt zijn deelname in 1969 aan de in de tijd razend populaire “Europese Beker voor Zangvoordracht” in het Casino van Knokke. Anton Peeters is dat jaar coach van de  Belgische ploeg met daarin naast Johnny White, Samantha, Herman Elegast, Josiane Janvier en Ronny Temmer. België eindigt derde en Herman Elegast krijgt de prijs van de Minister van Nederlandse Cultuur voor het beste Nederlandstalige lied. Eindoverwinnaar wordt het Spaanse team  met in hun rangen onder andere de in die tijd bekende zanger Peret (hit Borrequito).

Johnny, die vlot tweetalig is, wordt door de RTBF gevraagd om in 1970 deel te nemen aan “Chansons Euro 70″, de Waalse tegenhanger van “Canzonissima”. De RTBF is dat jaar aan zet om een landgenoot naar het “Eurovisiesongfestival” te sturen. Uiteindelijk wint Jean Vallée met Viens l’oublier. Hij zal de eenentwintigste maart van dat jaar in Amsterdam achtste eindigen. Eindoverwinnaar wordt Ierland die Dana hebben afgevaardigd met All Kinds Of Everything. Niet alleen Johnny White nam deel aan die Waalse preselectie, maar ook Ann Christy die even vlot met de Franse taal kan omspringen. Johnny houdt er een prachtige  single aan over, het door A.  Hoppe en Peter Laine geschreven Quand on est amoureux door Decca op vijfenveertig toeren uitgebracht met op de ommekant Formidable. Met bescheiden trots geeft Johnny pas jaren later toe dat hij onder meer met dat nummer op één heeft gestaan in de Canadese hitlijsten. Opscheppen mocht in die tijd niet, daar lustte de Vlaamse pers geen pap van en zijn manager Robert Bylois vond dat toen ook maar beter zo.

In 1971 staat Johnny met veel verve te zingen tijdens het “Festival van Mexico”. Dat jaar is het de beurt aan de VRT om een geschikte kandidaat naar het Eurovisiesongfestival af te vaardigen. Gezocht naar het geschikte liedje wordt er via het tv-programma “Canzonissima” met deze keer negen deelnemers waaronder Kalinka, Johann Stollz, Ann Christy, Micha Marah, Mary Porcelijn, Joe Harris, Kate’s Kennl, Ron Davis, Nicole en Hugo en Johnny White. Johnny zingt onder meer Je maakt me stapelgek, Te mooi om waar te zijn en Verloren hart, verloren droom. Nicole en Hugo gaan echter met de overwinning lopen en zouden de derde april naar Dublin trekken in Ierland was het niet dat zij wegens ziekte verstek moeten laten gaan. Hun plaats wordt ingenomen door Lily Castel en Jacques Raymond die met Goedemorgen, morgen, een nummer van Philippe van Cauwenbergh en Paul Quintens, op de veertiende plaats eindigen. Monaco gaat met de overwinning lopen dankzij Séverine en Un banc, un arbre, une rue.

Johnny White eindigde in deze editie van “Canzonissima” op de derde plaats met Verloren hart, verloren droom. Peter Laine schreef het op tekst van Ke Riema in zijn villa in ‘s -Gravenwezel, speciaal met het oog op Johnny’s  deelname. Nadat Verloren hart, verloren droom maandenlang in competitie bleef tijdens “Canzonissima”, kan het niet uitblijven of het liedje wordt op single uitgebracht. 115.000 exemplaren gaan ervan over de toonbank. Vreemd genoeg heeft Johnny daar nooit een gouden plaat voor gekregen, ook niet voor Weisse Perlen en Quand on est amoureux.  Decca zag daar het nut niet van in en wilde vooral bij de belastingen geen slapende honden wakker maken, aldus Johnny White. Verloren hart, verloren droom ligt Johnny zo  na aan het hart dat hij het jaren later  van diverse nieuwe versies zal voorzien! In 2003 wordt Verloren hart, verloren droom voor eeuwig opgenomen in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam en dat tijdens een gala georganiseerd in het Concertgebouw van Brugge.

De fanclub van Johnny White telt ten tijde van het succes van Verloren hart, verloren droom vijfduizend leden. Zijn band wordt op dat moment gerekend tot één van de beste in ons land met, naast drie achtergrondzangeressen, in de voorste gelederen trompettist Jef Coolen en Luc Smets van de voormalige The Pebbles.  Zij treden zowel op in Vlaanderen als in Wallonië. Decca staat er in die jaren op dat Johnny in de beste studio’s opneemt met de beste orkesten. Hij trekt daarvoor ofwel naar de studio’s in Londen of in Parijs. Er worden door Decca kosten noch moeite gespaard. Robert Bylois blijft Johnny ook programmeren tijdens grote concerten in binnen- en buitenland: Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland liggen vlot binnen handbereik. Het geluk lacht hem helemaal toe wanneer hij in die periode op tournee mag samen met Gilbert Bécaud en Shirley Bassey. Hij is op bezoek in Parijs om daar voor “Europe Nr. 1″ een twaalftal liedjes live in te blikken als hij in de kleedkamers zijn groot idool Gilbert Bécaud tegen het lijf loopt. Na wat heen en weer gepraat en tot de vaststelling komen dat zij met dezelfde geluidsinstallatie werken, besluiten zij samen op tournee te gaan met de geluidsinstallatie van Johnny, maar wel ieder met zijn eigen geluidstechnicus. Johnny mag optreden in het eerste deel van het concert, het voorprogramma, en als aardigheidje tijdens het optreden van Bécaud met hem in duet  L’important c’est la rose zingen. Shirley Bassey leert hij van dichtbij kennen tijdens het “Festival van Mexico” waaraan ook Ray Conniff en Malcolm Roberts deelnemen. Hij voelt zich dadelijk thuis in deze internationale entourage.

Na het immense succes met Verloren hart, verloren droom blijft Johnny  meteen nadien opduiken in de Vlaamse Top Tien met achtereenvolgens: Morgen is morgen, De allermooiste dag en Goodbye of tot weerziens. In al deze liedjes blijft hij componist Peter Laine méér dan trouw. In de maand juni van 1973 wordt Johnny in Scherpenheuvel op het hoogste schavotje gezet om zijn tienjarige carrière te vieren. In het midden van de jaren zeventig merkt Johnny maar al te goed dat de live-optredens aan belangstelling inboeten. Er wordt almaar vaker geopteerd voor playback of soundmix. Hij houdt daar niet van en besluit zijn geld te investeren in enkele nightclubs: de “Dallas” in Brussel, “The Victory” in Mechelen en “De Cactus” in Antwerpen. Hier kan hij naar hartelust live optreden met orkestjes die hijzelf samenstelt. In de “Dallas” treedt hij haast elke dag op met een band van negen muzikanten en dat lokt veel volk. Johnny had eerder al de smaak te pakken gekregen door samen met Ann Christy en Hugo Dellas in enkele bekende Brusselse clubs op te treden en omdat die sfeer en dat nachtleven hem wel aanstond, besloot hij zelf de stap naar die nightclubs te wagen. Johnny leert hier een totaal ander publiek kennen, mensen met geld, bazen van grote bedrijven die hem uitnodigen om tijdens hun privéfeesten op te treden. Johnny werkt in die periode vaak met Roemeense orkesten omdat die degelijk en vooral goedkoop zijn. Johnny heeft intussen een repertoire opgebouwd van zo maar liefst zeven talen en daar scoort hij in dat milieu erg goed mee.

Na jaren voor Decca platen te hebben opgenomen, stapt White in 1972 over naar het CBS label om daar liedjes in te blikken zoals Deze dag, gekoppeld aan Duizenden nachten, Monsieur le vagabond, Als een dwaas, Kom terug en Ik zie een traan. In 1978 komt hij terecht bij het Omega label, een sublabel van Decca, en covert voor hen Je pense à toi van Eric Charden. Ik denk aan jou geraakt in de Vlaamse Top Tien tot op de derde plaats en mogen we daarom rekenen tot één van zijn bekendste successen.   Omdat in die periode disco hoogtij viert, neemt hij in een productie van Al Van Dam het discogetinte Les millions d’Arlequins op.

Het “Eurovisiesongfestival” laat Johnny niet los. In 1981 organiseert de VRT “Eurosong” waarvoor zesendertig kandidaten worden geselecteerd waaronder Della Bosiers, Jef Elbers, Jo Vally, Gene  Summer, Stella, Cindy, Nancy Dee, Mark Manuel enz.. Ook Johnny mag zijn kans wagen en doet dat met Op dat kamertje, maar Johnny raakt met dat liedje kant noch wal. Het is Emly Starr die met Samson, geschreven door Kick Dandy en Penny Els, met de overwinning gaat lopen en naar Dublin trekt om daar de vierde april onze Belgische kleuren te verdedigen. Zij eindigt tijdens die zesentwintigste editie van het Eurovisiesongfestival op de dertiende plaats. De overwinning gaat naar Groot-Brittannië en Bucks Fizz met Making Your Mind Up.

In 1982 brengt CBS de elpee “Johnny White 1962-1982″ uit met daarop veertien bekende nummers van hem waaronder Quand on est amoureux, Verloren hart verloren droom, Ma poupée, Weisse Perlen en Alle wegen leiden naar Rome. In 2007 zet Sony/BMG hiervan een cd-versie in de markt, maar opgelet, want er staan ook liedjes op die hij in de jaren nadien heeft ingeblikt. Het valt ons trouwens op dat er qua datering van Johnny’s  repertoire niet altijd nauwkeurig te werk is gegaan en dat Johnny – dat merkten wij tijdens ons interview – het na al die jaren ook niet meer zo precies weet te dateren.

Na een tijd doet Johnny zijn drie nightclubs van de hand. Maar “De Cactus” geraakt niet vlot van de grond. De nieuwe baas neemt in de loop van de maand april 1987 contact op met Johnny met de vraag of hij geen twee weken live wil komen zingen om de boel terug op gang te krijgen én de oude klanten opnieuw te lokken. De dertiende april, een zondag,  staat Johnny tussen het publiek te zingen wanneer op een bepaald moment een man plots zonder enige aanleiding een wapen op hem richt en hem in de buik schiet. Achteraf blijkt deze man een rijke 74-jarige diamantair uit het Antwerpse te zijn die in een depressie verkeert. Enkele maanden voordien was zijn drieëntwintigjarige dochter verongelukt. Deze affaire wordt in de pers op een nogal onfrisse manier uitgebreid geëtaleerd en berokkent Johnny’s carrière heel wat schade. Er werd onder andere geblokletterd dat het een afrekening betrof binnen het milieu. Johnny geraakt na die aanslag in een coma en moet nadien maanden revalideren. Een jaar later overlijdt zijn moeder. Dit gebeuren had haar diep getroffen, temeer omdat Johnny op dat moment bij haar inwoonde.

In 1989 loopt Johnny White, Hans Kusters tegen het lijf. Hans is eigenaar van muziekuitgeverij HKM (Hans Kusters Music). Zij kenden mekaar al van in de jaren zeventig. Op zekere dag stapte toen W. Couwenberghe bij Hans binnen met een door hemzelf geschreven liedje Nu geen tranen. Hans speelt dat op zijn beurt door aan platenproducer Jean Huysmans die op dat moment bezig is met nummers op te nemen samen met Johnny White in opdracht van zijn toenmalige platenfirma CBS. Aan Michel Detry wordt gevraagd er een Franse tekst bij te schrijven Toi qui reviens. Nu geen tranen belandt niet alleen op single, maar staat ook op de elpee “Johnny White ’72″ samen met liedjes als Maar waarom, Geen geweld en Maar jij ging heen. Dus méér dan vijftien jaar later komen Hans en Johnny mekaar opnieuw tegen. Johnny woont op dat moment op een appartement in Brussel. Hans liep al een tijdje rond met de idee een Vlaamse André Hazes te lanceren en hij vindt Johnny daarvoor de geknipte zanger. Als eerste single brengen zij het nummer Jij weet wat liefde is van de heren Toto en Serpière op de markt. Johnny had dat al een tijdje achter de hand gehouden, maar er nog geen geschikte platenfirma voor gevonden. Hans brengt het nummer uit op zijn HKM label. De zestiende december 1989 staat Johnny ermee in de Vlaamse Top Tien en klimt daar naar de achtste plaats. Ook VTM, dat net is opgestart, toont interesse.  Als tweede single wordt gekozen voor het nummer Je eerste liefde geschreven door Theo Scheveneels en Jean Bural. Tot zijn groot ongenoegen moet Hans Kusters vaststellen dat de jaren en platen die volgen van de media geen steun krijgen, ook al gelooft hij sterk in het zangtalent van Johnny White. Johnny zat natuurlijk met een zware erfenis: hij was in de loop van de jaren tachtig qua management niet goed begeleid. Dat had zijn  sporen nagelaten en ook privé liep het voor Johnny niet van een leien dakje. Toch weet hij opnieuw van zich te laten horen met een drietal singles die het in het eerste deel van de jaren negentig niet onaardig doen: Merci Chérie van Udo Jürgens en Méditeranée geschreven door Sergio Popovski en Djorje Novkovic. Naar aanleiding van Johnny’s dertigste verjaardag als artiest brengt HKM in 1996 de verzamelaar “30 jaar Johnny White” op de markt. Dat hadden zij vijf jaar eerder ook al gedaan met het album “25 jaar Johnny White”. Qua nieuwe nummers dringt Hans tijdens hun samenwerking niets op aan Johnny. Hij mag zelf kiezen uit het ruime aanbod dat in zijn uitgeverij voor handen ligt. Intussen had Hans, Fred Bekky aangetrokken als producer. Er wordt niet alleen gecoverd zoals Is this the way to Amarillo van Tony Christie, Het schrijverke van Will Ferdy, This is the moment dat Garry Hagger als Het mooiste moment al had ingeblikt, maar er worden ook nieuwe composities ingeblikt zoals het door Johnny samen met Fred geschreven Once In a Million. In 2001 is er op het HKM label het uitgebrachte album “Blijf je bij mij” naar de gelijknamige Vlaamse klassieker van Roger Baeten die door Johnny opnieuw wordt ingezongen samen met een medley van de grootste hits van zijn idool Gilbert Bécaud. Datzelfde jaar is er ook het album “Dromen” dat Johnny opneemt in Studio Dello in Arendonk. Johnny krijgt daarbij de muzikale steun van trompettist Jef Coolen, arrangeur Walter De Loose en de zangeressen Ingrid Servaes en Marjan Berger. Dertien nieuwe liedjes geschreven door Walter De Loose op teksten van Claudia Nieuwenhuizen, Jean Bural en Mary Boduin. Hij neemt ook Zeven dagen, zeven nachten op geschreven door Jacques Raymond samen met zijn echtgenote Ingriani.  Intussen runt Johnny sinds 1988 tijdens de weekends met veel succes zijn club “De Oude Hoeve” langs de Mannenberg in Scherpenheuvel. Deze zaak is niet alleen een discotheek, maar tevens een taverne en restaurant. Hij was met veel plezier terug naar zijn geboorteplaats gekeerd. Die locatie zal iets later ook bekend worden als “The Johnny White Club”. Hier treedt niet alleen Johnny live op, maar geeft hij vooral jong talent maar al te graag een kans.

Omdat hij ondanks zijn vele pogingen en vele releases niet het verhoopte succes bereikt, beslist Hans Kusters in 2005 de samenwerking met Johnny White af te ronden. Enkele maanden eerder startte Kusters op zijn HKM label de cd-reeks “Diamond Collection” met daarin verzamelalbums van Marijn Devalck, Hans De Booij, Ingeborg, Marcel De Groot, Walter De Buck, Filet D’Anvers en ook Johnny White. Op het album van Johnny in het totaal zestien liedjes die reeds eerder op cd waren te verkrijgen.

Fysiek gaat het niet zo goed met White. Hij voert een ongelijke strijd met  obesitas gekoppeld aan diabetes. Hij had eerder al diverse keren geprobeerd van zijn zwaarlijvigheid af te geraken, maar dat eiste zijn tol. Vier jaar eerder was hij op korte tijd zevenendertig kilo afgeslankt, een drastische poging die we nauwgezet konden volgen in de VT4-docusoap “De weegschaal”. Dat was ook de periode dat hij samen met Jean Walter en Jacques Raymond optrad als het trio “De Gouden Tenoren” waarin hij de plaats van Bob Benny had ingenomen. Ook het nachtleven begint almaar meer sporen na te laten. Vanaf 2006 wordt Johnny door de artsen werkonbekwaam verklaard en krijgt hij uitkeringen uitbetaald door het ziekenfonds. Dit houdt in dat hij niets extra’s mag bijverdienen. Maar Johnny blijft zingen. De elfde juni 2006 viert hij feest, want hij staat dan vijfenveertig jaar op de planken. Hij viert dat in bistro “De Jongste Telg” in Boechout. Hij deelt die avond het podium met Liliane Saint-Pierre, Garry Hagger, Ricky Fleming, Samantha en Johan Stollz. Ook Will Ferdy en Tony Servi passeren die avond de revue. Er is ook de release van zijn  nieuwste album “Heel m’n leven” in eigen beheer uitgebracht op zijn J. White Records, verdeeld door Reli Records. Ook deze keer levert Walter De Loose een rist liedjes met daarnaast zijn versie van La Quête van Jacques Brel en I Wish You Love van Charles Trenet. Het gerecht houdt Johnny al die tijd nauwgezet in het oog en gaat zich na een tijdje met zijn bijverdiensten bemoeien. Begin 2011 spreekt een rechter het vonnis uit. Sinds 2006 heeft Johnny namelijk méér dan 132 keer opgetreden en heeft die nevenactiviteiten niet, zoals dat verplicht is,  aan de adviserende geneesheer van het RIZIV gemeld. Johnny had intussen al 41.297,13 euro van het RIZIV opgestreken plus  die extra’s van zijn optredens. Ook al beweert Johnny in de rechtszaal dat hij zich de voorbije jaren van geen kwaad bewust was, toch veegt de rechter die argumenten van tafel en wordt Johnny veroordeeld tot zes maanden gevangenis die hij, gezien dit een minimumstraf is, niet hoeft uit te zitten. Wel een zware dobber voor hem is dat hij niet alleen die 41.297,13 euro moet terugbetalen, maar daarbovenop ook nog eens 27.500 euro boete. Het was trouwens niet de eerste keer dat Johnny in aanraking kwam met het gerecht. Nadat hij in de maand april 2008 nog op de affiche had gestaan van het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt samen met onder anderen Eddy Wally, Jo Vally, Christoff, Bart Van den Bossche en John Terra, valt in de maand juni het parket bij hem binnen in zijn discotheek, “The Johnny White Club” in Scherpenheuvel, op dat moment uitgebaat door een 37-jarige Roemeense vriend samen met diens vriendin en haar zus.  De speurders van de Federale Gerechtelijke Politie treffen boven de dancing van Johnny White vierhonderd cannabisplanten aan, daar gekweekt door de man aan wie Johnny zijn discotheek annex  woonruimte op dat moment verhuurt. Johnny woont op het ogenblik van de feiten  boven de taverne, pal naast de discotheek. Hij ontkent echter elke betrokkenheid en wordt later door de onderzoeksrechter in deze zaak vrijgesproken.

In de maand september van 2013 verschijnt van Johnny eindelijk nog eens een nieuw album “Nieuwe Dromen” dat hij opneemt in de studio van Freddy Danau in Herne samen met muzikant en producer Henri Spider. Vrij snel worden daaruit twee singletjes gereleaset die door de fans méér dan gewaardeerd worden: Waarom en Morgen wordt alles anders. De concertagenda van Johnny geraakt weer goed gevuld en met volle moed stapt hij 2014 binnen, maar lang zal hij er niet van kunnen genieten. Maandag de dertiende januari wordt Johnny in de namiddag geveld door een hartaanval. Hij wordt meteen opgenomen in het ziekenhuis van Aalst voor een kijk-operatie, maar overlijdt tijdens  het onderzoek. Geen hulp kan meer baten. Johnny is zevenenzestig jaar geworden. Zaterdag de achttiende januari 2014 wordt hij in de basiliek “Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel” begraven. Ruim elfhonderd aanwezigen brengen hem een laatste groet waaronder Margriet Hermans, Luc Appermont, John Terra, Nicole en Hugo, Liliane Saint-Pierre en Jimmy Frey. Normaal moest de week nadien zijn nieuwste single Vlei je zachtjes in mijn armen worden uitgebracht, maar zijn platenfirma D & V beslist meteen na het vernemen van zijn overlijden de release uit te stellen tot een latere datum om dan het nummer uit te brengen als een laatste eerbetoon aan één van de beste crooners die Vlaanderen ooit gekend heeft.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

Jo Leemans

Jo werd de dertiende augustus 1927 als Josephine Verbustel in Mechelen geboren. Zij werd mevrouw Leemans toen ze huwde met Marc Leemans van het dramatisch gezelschap van het NIR. Haar vader was eerst rijkswachter in Eupen-Malmédy, maar ging nadien in Mechelen wonen. Hij gaat in Willebroek aan de slag bij de firma ASED, Ammoniac-Synthétiques et Dérivés, een Italiaans bedrijf met een Franse naam. Papa spreekt een aardig mondje Duits en vlot Frans en krijgt de job van conciërge toegewezen. Als Jo drie jaar is, stelt de arts vast dat ze polio, kinderverlamming, heeft. Medicijnen en massages moeten haar over die handicap heen helpen. Haar vader is het die haar elke dag, op aanraden van de arts, masseert alsof zijn eigen leven ervan afhangt, maar het helpt. Het enige dat Jo eraan overhield, is dat haar linkerbeen wat korter is dan haar rechter. Net hersteld van die polio, stelt de arbeidsgeneesheer van de fabriek vast dat Jo aan astma lijdt. Om die aanvallen binnen de perken te houden, trekken haar ouders naar een geneesheer in Brussel en naar een longspecialist in Mechelen. Die behandelingen hebben haar ouders veel geld gekost. De aankoop van een eigen huis moet daardoor vaak worden uitgesteld. Jo kan door haar ziektes niet meespelen met de andere kinderen. Ze wordt een buitenbeentje en gaat zich daardoor concentreren op andere dingen: veel lezen, meezingen met haar moeder waardoor muziek voor haar belangrijk wordt, vooral omdat ze in die periode veel naar de radio luistert. Ze had een intens contact met haar jongere nichtje Yvonne Verhelst die later als producer een toonaangevende carrière bij de VRT zou opbouwen. Ze worden zo’n beetje elkaars zusje. Haast elke vakantie brengen ze samen door. Ze liepen vaak hetzelfde gekleed. Yvonnes mama kocht de stoffen en Jo’s mama naaide. Samen met Yvonne zong Jo veel en omdat in die familie veel Frans werd gesproken, kenden ze het Franse chanson haast uit hun blote hoofd. Haar vader wil dat Jo naar een Franstalige kostschool gaat zodat ze op haar achttiende bij hem in de fabriek een job kan krijgen. Het wordt Les Carmélites de Saint Joseph in Marche-les-Dames. Hier leert Jo ook paardrijden en tennissen. Ze verblijft er maar één jaar, want dan breekt de oorlog uit. Omdat Jo toch enige opleiding moet genieten, stuurt haar vader haar naar de beroepsschool afdeling snit en naad. Jo doet wat er van haar verwacht werd, maar houdt aan die schoolopleiding zo goed als niets over. Na vier jaar behaalt ze met moeite haar diploma.

Ze had al lang een voorliefde voor muziek en trekt vanaf haar zeventiende naar het Antwerps conservatorium. Ze is in die tijd een grote fan van de Belgische sopraan Clara Clairbert, van 1920 tot 1950 de prima donna van de opera in Brussel.  Aan het conservatorium  ontdekten haar professoren dat Jo wel eens een geslaagde coloratuursopraan zou kunnen worden, maar het noodlot slaat weer toe. Op zekere dag kan Jo niet meer bewegen. Negen maanden zit ze thuis aan haar bed gekluisterd. Nadien moet ze opnieuw leren lopen. Het conservatorium kan ze dus vergeten. Ze had intussen wel leren houden van de melodieën die de Amerikanen tijdens de Tweede Wereldoorlog in hun kielzog hadden meegebracht. Tijdens de oorlog pikt ze via de BBC pakken liedjes op zoals It Had To Be You en The More I See You. Jo denkt dat ze haar liefde voor het zingen van haar moeder heeft geërfd, want die zong graag en vaak. Jo komt ook uit een heel muzikale familie waar ‘s zondags piano werd gespeeld en gezongen. Haar neef werd later de bekende pianist José Desoleil die een taverne uitbaatte waar nadien La Esterella en Johnny White hun eerste noten zouden zingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Jo verliefd geworden op het geluid van The Ramblers. Telkens als zij  hen hoorde, begon ze luidkeels mee te zingen. Zingen maakte haar blij! Ook acteren deed ze graag en zo kwam ze in 1946 terecht bij het amateurgezelschap De Moedertaal in Mechelen. Ze speelden hier onder meer De gebroeders Karamazov van Dostojevski. Jo vertolkt de rol van Grusjenka. Voor de andere hoofdrol hadden ze een beroepsacteur nodig en zo kwamen ze terecht bij Marc Leemans in de rol van Dimitri. Ze worden verliefd en trouwen met elkaar. Op zekere dag komt Marcs collega Jef Burm bij hen thuis langs samen met pianist Jef Trappeniers. Omdat Jo zelf graag wat piano speelt, staat bij hen thuis een buffetpiano. Trappeniers begint te spelen waarop Jo spontaan al zingend inpikt met I’m In The Mood For Love.

Omdat ze zo’n goede stem heeft, sporen Burm en Trappeniers haar aan zich in te schrijven voor een auditie bij het N.I.R. (voormalige VRT). Jo slaagt met 18,5 punten op twintig. In het cabaretprogramma “Kop en Staart” zingt ze The High and The Mighty en zo wordt ze meteen opgemerkt door producer Bob Boon en dirigent Francis Bay die ze jaren eerder had ontmoet en gehoord in taverne De Royal in Mechelen, toen nog samen met zijn combo.  Platenfirma Philips is op zoek naar een degelijke zangeres. La Esterella is  daar de grote ster, maar ze willen ook eens iemand anders horen.  Het is Jaap Streefkerk die haar vrij snel een platencontract aanbiedt. Jaap was ook bekend onder zijn artiestennaam Steve Kirk en was in die tijd een gewaardeerd  jazzpianist. Een van de eerste plaatjes die Jo voor Philips opneemt is Heimwee, een cover van de toenmalige hit van Freddy Quinn met op de B-kant Dat hartje met onze namen dat vaak gedraaid wordt en het startschot betekent van Jo’s zangcarrière. Ze mag ook opnamen maken samen met Bob Benny die toen aan een geslaagde solocarrière was begonnen.  In Vlaanderen gaat in de maand oktober  van 1953 de Vlaamse televisie van start. Het wordt een medium dat Jo erg goed ligt.

Jo wordt van 1956 tot 1964 de vaste zangeres bij het amusementsorkest van Francis Bay. Dat zal een solocarrière niet in de weg staan, al wordt Jo vaak aan anderen gekoppeld zoals aan De Strangers en vooral aan Bob Benny met wie ze tal van elpees en eepees heeft ingezongen. Jo wordt stilaan een vocale blauwdruk van de Amerikaanse ster Doris Day, a girl next door. In 1956 maakt Jo die vergelijking waar door op aanraden van Jaap Streefkerk  Que sera sera in te zingen, een liedje dat Doris in de film ‘The man who knew too much’ zong. Jaap heeft snel door dat Jo hetzelfde stemtimbre als Doris heeft. Hij koopt meteen de rechten voor ons land en blikt ‘s nachts, samen met het orkest van Francis Bay, het nummer in. Het wordt meteen een gigantische hit voor Jo. In het kielzog van dat succes trekt ze samen met Francis Bay die op vraag van Bob Boon voor de VRT intussen een eigen amusementsorkest had opgericht, op pad. Geen dorp in Vlaanderen of ze hebben er ooit samen opgetreden.

Het publiek is overal dolenthousiast. Vooral omdat ze het orkest en Jo goed kennen van de vele tv-programma’s waarin ze optreden. Pech voor Jo wordt de dag dat Jaap op zesenveertigjarige leeftijd overlijdt. Jo is er zeker van dat mocht hij langer hebben geleefd, ze ook grotere hits zou hebben gescoord. Die blijven nadien niet uit, want ze wordt bij Philips gekoppeld aan de Nederlandse musicus-producer Pi Scheffer, bekend van zijn werk als dirigent bij The Skymasters en het Metropoolorkest,  die samen met haar liedjes opnam zoals: Diep in mijn hart, Weet je nog wel, Als sterren flonkerend aan de hemel staan en dat samen met het orkest van Jack Bulterman die ook een grote vinger in het succesverhaal van The Blue Diamonds had. Maar Pi blijft niet lang, want Philips wil een Vlaming aan bod laten komen en dat wordt Louis Maréchal, de man van de hit De Boerinnekensdans. Begrijpelijk dat Francis Bay niet zo tevreden is over die keuze. Francis was namelijk de man van wie Jo zowat alle kneepjes van het vak leerde. Hij was haar mentor. Zij zouden in die periode een reeks chacha’s opnemen, maar Francis wil met Louis niet samenwerken. Samen met Bay en zijn orkest is Jo er bij wanneer ze door het N.I.R. tijdens de Expo in 1958 groots in de etalage worden gezet. Ze treden tot drie keer per week op tijdens die wereldtentoonstelling in Brussel. Ook zijn ze van de partij tijdens het verlovingsfeest van koning Boudewijn en koningin Fabiola. Wat Francis, Jo nooit heeft vergeven, is dat ze zijn orkest op zekere dag in de steek laat.

Jo wil andere horizonten verkennen. Ze is het beu om overal in het land op bals te gaan zingen. Zij krijgt de vraag van Henk van Montfoort om een musical op televisie te gaan spelen die speciaal voor hen geschreven is en daar heeft ze veel zin in en in  het verder uitbouwen van haar solocarrière. We noteren het jaar 1964. Jo en Francis werken nadien nog wel samen, maar zijn affectie stond sinds dat afscheid op een laag pitje.

Jo Leemans gaat dan vaak optreden met het BRT-festivalorkest onder leiding van Fernand Terby. Zij krijgt er een stel violen bij en dat vindt ze zalig. Ze nemen veel Amerikaanse songs op, maar ook swingende Nederlandstalige liedjes. Samen met zijn bigband trekt Jo op tournee door Kopenhagen, Helsinki, Stockholm en Frankfurt waar ze concerteren voor méér dan zevenduizend man. Ze zingen tal van musicalmelodieën. Jo wordt op het podium afwisselend geflankeerd door Lily Castel, Freddy Sunder en Maurice Dean. Dat duurt van 1965 tot eind jaren zestig. Intussen blijft Jo platen opnemen, maar de vinylsuccessen bleven uit. Zij ontpopt zich ook tot een vakkundige televisiepresentatrice. In Nederland heeft Karel Prior haar charme ontdekt en biedt haar aan het maandelijks Avro muziekprogramma Scala te presenteren. Bij ons is ze te zien in een aantal tv-musicals waaronder ”Muziek voor twee” en “Het ministerie is beledigd” en in haar tv-show “Zien naar Josefien”. “Canzonissima” maakt haar in Vlaanderen wereldbekend, eerst als soliste met onmogelijke liedjes zoals Er zweeft een engel. Francis Bay zag dat niet graag, want hij had schrik dat als ze zou scoren, hij haar kwijt zou zijn als vaste zangeres van zijn orkest. De producers besluiten Jo dan maar als streng jurylid te profileren. Vlaanderen staat vaak op zijn kop, want Jo is een flapuit en kan er verbaal  stevig tegenaan gaan. Marc Dex wordt door haar  niet ontzien, al wordt zijn liedje Oh Clown een dikke hit. Jo vindt het maar een smartlap waarmee je niet naar het Eurovisiesongfestival kan. Noem haar maar de Marcel Vanthilt van toen.   Jo was trouwens goed vertrouwd met internationale festivals. Zo nam ze op het einde van de jaren vijftig samen met Frieda Linzi deel aan De Gouden Gondel in Venetië .

In de loop van haar leven heeft Jo altijd een goed contact met haar collega’s onderhouden. Zo zal ze nooit haar vriendschap met Louis Neefs vergeten. Tien jaar lang traden ze vaak samen op. Jo nam hem mee op tournee in Nederland en in Duitsland. Hun  stemmen pasten perfect bij elkaar. Ook haar bewondering voor Ann Christy is ons allen bekend .

In 1970 scheidt Jo van haar man Marc Leemans. Zij krijgt almaar vaker last van astma-aanvallen. Jo lijdt erg onder de stress van haar scheiding en ze heeft net in Willebroek de taverne ‘Que sera’ geopend. De zakelijke beslommeringen zijn er teveel aan. Haar arts raadt haar aan een droge en zonnige plek op te zoeken en dat wordt Benidorm. De eerste twee jaar pendelt Jo tussen Alicante en Vlaanderen, tot haar dat te zwaar wordt en ze besluit definitief in Spanje te gaan wonen. Samen met haar nieuwe vriend Ivan, een jongen uit Schaarbeek, betrekt ze een huis aan de Avenida Belgica. Omdat je niet van de liefde alleen kan leven, neemt Jo de job aan van gerante in nightclub The Brussels op de eerste verdieping van het Belroy Palace in Benidorm. Het kon niet uitblijven of iets later zingt Jo hier de sterren van de Spaanse hemel. Tweemaal per week treedt ze op voor een volle tent. Zij mag ook zingende collega’s uit Vlaanderen uitnodigen: Johan Stollz, Nicole en Hugo, Eddy Wally, Will Ferdy… Maar Ivan kan niet aarden in Benidorm en keert naar België terug. In zijn plaats komt Peter. Net zoals Ivan tien jaar jonger dan Jo. Maar dat loopt niet van een leien dakje.

In 1983 staat Jo met beide voeten en samen met Peter terug in Vlaanderen, in Sint-Niklaas om precies te zijn waar ze taverne “De Koets” opstart.Het is collega Jacques Raymond die Jo getipt had dat die zaak leegstond en wel iets voor haar zou kunnen zijn. Maar dat avontuur wordt een regelrecht fiasco. Jo is iets te veel zangeres en iets te weinig manager. Peter laat het geld graag rollen en op het einde van het verhaal schiet er van Jo’s spaargeld niet veel meer over. Jo staat ook nog eens voor anderhalf miljoen frank borg bij de brouwer. Details over dat verhaal kan je lezen in het boek Jo Leemans, de vlucht terug dat Marianne De Baere en Marijke Libert in 1998 over haar schreven. Na tien maanden staat Jo opnieuw in Benidorm. Daar gaat ze voor een winkel in leder en bont, modeshows presenteren zodat ze haar Spaanse villa kan onderhouden. Fysiek zit het niet mee. Met haar astma gaat het niet beter en Jo lijdt daarnaast ook nog eens aan osteoporose. Ze breekt niet alleen haar pols, maar ook haar been. Op zekere dag wordt er in haar huis ingebroken en gaan de dieven aan de haal met haar collectie juwelen ter waarde van drie miljoen frank. Weg dus dat appeltje voor de dorst. Intussen had de Belgische brouwer haar huis in Spanje laten aanslaan omdat Jo haar achterstallige taverneschulden niet betaald kreeg. Die woning was ze dus ook kwijt. In het najaar van 1989 keert Jo definitief naar Vlaanderen terug en gaat op een appartementje in Heist- aan-Zee wonen.

Ondanks haar jarenlange verblijf in Benidorm, blijft haar hechte band met haar nicht Yvonne Verhelst behouden. Die had al eerder in Jo een talentvolle, goedlachse, gezellige radiopresentatrice ontdekt,  rad van tong en boordevol feitenkennis van de lichte muziek. Wie is niet vertrouwd met Jo’s Radio 1 – programma’s “ 78-toerentijd” en  ”Weet je nog wel?”. Vanaf september 1992 presenteert Jo Leemans bij Studio Brussel samen met Jo De Poorter het zondagochtendprogramma  ”De tafel van Jo en Jo”. In 1999 stapt zij over naar Radio 2 waar ze een tijdlang samen met Julien Put “Het Spiegelpaleis” voor haar rekening neemt en iets later is ze bij Radio 2 met haar muzikale verhaaltjes te horen in “Het Land van de glimlach” aan de zijde van Michel Follet.

Jo blijft nadien nog geruime tijd zingen en weet met haar behoorlijk goed intact gebleven stem tal van senioren te bekoren. Naast de al eerder vernoemde hits, blijft Jo stevig  in ons muzikaal geheugen gebeiteld met successen als:  Weet je nog wel die avond in de regen, Morgen, Heimwee en Het allermooiste ter wereld. Geen wonder dat ze tijdens de eerste editie van de Eregalerij van Radio 2 en Sabam in 2000 in het Casino van Knokke genomineerd wordt voor haar vertolking van het liedje  Welkom thuis, een nummer van Jean Evans en Lieve Van Steyvoort. In 2001 krijgt zij in diezelfde Eregalerij samen met Will Ferdy een Ereplaats voor een leven vol muziek. Daarnaast ontving Jo al eerder in 1998 de “Paul Vandenbussche Prijs” 45 jaar VRT (zowel voor haar radio- als televisiebijdragen).

Aan de zijde van Will Ferdy vertolkt Jo in de lente van 2009 de hoofdrol in de kortfilm “My Donna” van regisseur Nicolaas Rahoens. Die prent, die in Oosterzele werd opgenomen, gaat de 31ste augustus van dat jaar in première. Op het Beneluxfilmfestival krijgt de film onder meer de prijs van beste actrice, voor Jo Leemans dus. Op het Red Rock Filmfestival in het Amerikaanse Utah wordt de film met de eerste prijs Best Experimental Narrative Short onderscheiden. In de maand december van 2012  treedt de dan 85-jarige Jo nog op in de Lotto Arena in Antwerpen in “De Samson en Gert Kerstshow”. Aan het blad “TV Familie” vertelt Jo dat ze moet rondkomen met een pensioen van € 700. Zij betrekt een bescheiden sociaal appartement. Een verblijf in een rusthuis kan zij zich niet permitteren. Gelukkig is er de steun van haar trouwe vrienden en familieleden.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

To know him is to love him

Toen in 2007 door platenfirma Universal het album ” Back to black” van Amy Winehouse in een luxe-editie werd uitgebracht, bleef ons oor vrij snel stilstaan bij één van de extra toegevoegde songs To know him is to love him van The Teddy Bears dat Amy het jaar voordien heel sober live had opgenomen, begeleid door een akoestische gitaar, meer niet. Wij weten intussen niet of Phil Spector, de man die het schreef, er een oordeel over geveld heeft en de mening van Amy over haar toch wel aparte versie kunnen we ook niet meer achterhalen, maar wél het enige echte verhaal dat achter dit liedje schuilgaat.

Spector zit tegenwoordig achter slot en grendel nadat hij in 2009 veroordeeld werd voor moord op Lana Clarkson in zijn huis in Alhambra, California in 2003. Lana was een soort mislukte nachtclubzangeres op wie Phil zijn zotte kuren kon botvieren. Hij was daarvoor al jaren bekend in het muzikantenmilieu om zijn ongecontroleerde uitspattingen in de studio en velen schuwden hem  voor zijn onvoorspelbare ups-and-downs die vaak de spuigaten uitliepen. Spector werd tot levenslang veroordeeld en zit opgesloten in The Corcoran State Prison.

 

Phil is van Joods – Russische afkomst en werd tweede kerstdag 1939 in de Bronx, New York geboren. Papa was een mislukt zakenman die tien jaar later zelfmoord pleegt. In 1953 verhuizen moeder en zoon naar Los Angeles. Hij gaat studeren aan de “Fairfax High School” waar hij samen met enkele medestudenten zijn liefde deelt voor het doowop geluid. Hij kende die stijl van zingen via hits als Gloria van The Crowns en Earth Angel van The Penguins. Tussen zijn toenmalige schoolgenoten merkt Phil nogal wat muzikanten in spe. Zanger Marshall Leib, saxofonist Steve Douglas die later op heel wat hits van Spector zal meespelen en drummer Sandy Nelson die een aantal solohits zal scoren waaronder het bekende Teen Beat. Op de nabijgelegen “Roosevelt High School” leert hij songwriter Lou Adler kennen samen met Bruce Johnston die we jaren later zullen terugvinden bij The Beach Boys. Zij zijn allen gek van zowat iedere single die op de DooTone en Specialty labels verschijnen.  Op die labels waagden in die tijd honderden, vooral  zwarte groepen, hun kans. Phil en zijn vrienden deden niets liever dan aandachtig naar die platen luisteren om ze vervolgens zo precies mogelijk na te zingen. Zij waren wel zo creatief om stilaan hun eigen liedjes te gaan schrijven.

Eén van die songs die Spector schrijft, is To know him is to love him. Hij baseerde zich voor de titel op het opschrift dat op het graf van zijn vader stond “To know him was to love him”.  Hij richt samen met Leib en Annette Kleinbard, medestudenten aan de Fairxfax High School, het groepje The Teddy Bears op, zo genoemd naar de gelijknamige hit van Elvis Presley. De taken worden mooi verdeeld: Annette mag- zij het tegen haar zin, want zij houdt niet van het liedje- de zanglijn voor haar rekening nemen terwijl Leib de backings zingt en Phil op de gitaar tokkelt. Aan Sandy Nelson wordt gevraagd in de achtergrond summier op de drums te roffelen. Phil neemt als achttienjarige de rol van producer op zich. Zij produceren in de lente van 1958 een demootje en krijgen na een auditie door eigenaar Lew Bedell van het Era label een contract aangeboden. Voor de definitieve opname die zij in de “Gold Star Studio” inblikken voor nog geen 75 dollar dubt Phil de zangpartij. Als B-kant wordt de song Don’t you worry my little pet opgenomen. In de maand augustus van 1958 wordt de single op het Era/Dore label uitgebracht. Omdat er voorzichtig van wal wordt gestoken worden er aanvankelijk maar vijfhonderd singles geperst. De plaat valt mondjesmaat in de smaak, maar een maand later wordt die hier en daar door enkele deejays, onder andere van radiostations in Noord-Dakota en Minnesota, opgepikt en kan de opmars naar de top van de Amerikaanse charts beginnen. Tegen half september 1958 zijn er zo’n twintigduizend exemplaren verkocht. Vooral hun optreden op de negenentwintigste oktober 1958 in de populaire tv-show “American Bandstand” van Dick Clark betekent hun grote doorbraak. De eerste december prijkt To know him is to love him op één in Billboard’s Hot One Hundred. Een paar weken later staan er anderhalf miljoen verkochte exemplaren op de teller. Het liedje klinkt zovele jaren later nog steeds als moet je het met zijden handschoenen in de porseleinkast plaatsen, té broos om zo maar ergens open en bloot te etaleren. Het staat  in schril contract met Spectors “wall of sound” die hij zal opvoeren in kanjers als You’ve lost that lovin’ feeling van The Righteous Brothers en River Deep-Mountain High van Ike en Tina Turner.

In Engeland doet de single er een aantal weken over om op het einde van de maande december 1958 tot op twee te geraken in de Britse Top Veertig.

Dat het liedje op grote schaal een hit werd, verbaasde zowat iedereen. Het is helemaal geen rocksong, je kan het ook geen echte slow noemen die smeekt om gedanst te worden. We weten zeker dat Phil toen al wist dat het nummer geen lang leven beschoren was in die zin dat hij het jaren nadien niet aandurfde het door één van zijn artiesten te laten coveren.

Spector wil na het succes van To know him is to love him zo snel mogelijk verlost geraken van het contract met Dore en neemt als tweede single Wonderful Loveable You en Till You’re Mine op. Hij sluit meteen nadien een deal met Imperial Records voor wie zij de elpee “The Teddy Bears Sing” opnemen. Aanvankelijk krijgt Spector slechts één week de tijd om te registreren, maar hij hield koppig vol en mag dan toch twee weken aan die plaat sleutelen om liedjes als Unchained Melody, My Foolish Heart, True Love en Tammy in te blikken. Hij wordt echter in de loop van die periode door zijn platenfirma als producer ontslagen omdat hij te veel noten op zijn zang heeft en vervangen door producer Jimmy Haskell. Dat album raakt uiteindelijk kant noch wal en enkele maanden later wordt de groep ontbonden. Annette geraakt wat later betrokken bij een zwaar auto-ongeval, herstelt en brengt iets nadien op het Imperial label de single Alibi uit onder de naam Annette Bard, zonder succes echter en gaat dan platen opnemen en songs schrijven als Carol Connors.

Phil Spector  is erg in zijn gat gebeten alss hij achteraf vaststelt dat hij slechts drieduizend dollar heeft ontvangen van de twintigduizend dollar waar hij meent recht op te hebben. Hij zal er in de toekomst nauwlettend op toekijken dat hij financieel beter tot zijn recht komt én dat hij zich toch maar best  niet meer als zanger profileert, maar wel als producer.

Voor hun elpee “True Love Ways” nemen Peter & Gordon in 1965 een bewerkte versie op van To Know Him Is To Love Him, zij passen de tekst aan en brengen het met succes op single uit als To Know You Is To Love You met op de B-kant I Told You So. Producers van dienst zijn Dave Dexter Jr. en John Burgess.  Peter & Gordon geraken er in de Britse Top Veertig mee tot op de vijfde plaats. Op het album  “Vinton” dat Bobby Vinton in 1969 uitbrengt in een productie van Billy Sherrill is de song eveneens te horen. Bobby zal het dat jaar ook op single uitbrengen met een vierendertigste plaats als hoogste notering in Billboard’s Hot One Hundred. Vergeten we vooral niet de beeldschone versie die de dames Dolly Parton, Linda Ronstadt en Emmylou Harris onder aanvoering van producer George Massenburg inzingen voor hun album “Trio”. Op single wordt het nummer, gekoppeld aan Farther Along,  in de maand januari 1987 uitgebracht. In de Amerikaanse countrycharts bereiken de dames de hoogste regionen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Wannes Van de Velde


Wannes Van de Velde was mijn god“, zo vertelde Kris De Bruyne aan Manu Adriaens toen die hem ging interviewen voor zijn boek ‘De complete kleinkunstgeschiedenis’. “Wannes is zo goed dat ik niet eens meer hoor dat hij in zijn  dialect zingt. Ik heb dan ook als een soort eresaluut aan mijn ontdekker (Wannes zat in de jury toen Kris furore maakte op het skiffle festival van Hove) het lied  Wannes Van de Velde blues geschreven. Ik heb lang geaarzeld om het nummer op te nemen en ik heb hem eerst een versie laten horen, want stel je voor dat hij het niet lustte. Wannes heeft van de slag twee jenevers gedronken en een sigaartje gerookt. Een groter compliment kun je van hem nauwelijks krijgen”.

 

Wannes  werd de negenentwintigste april 1937 als Willy Cecile Johannes Van de Velde in Antwerpen geboren en groeide daar op in de Zirkstraat in het Schipperskwartier, dicht bij de haven, in een echte volksbuurt. De familie woonde boven een Spaanse winkel “Le comptoir de Valence”, een huis dat nog altijd bestaat en tegenwoordig “El Valenciano” heet. Zijn vader Jaak was een graag gehoord zanger  en ook zijn grootvader was een bekende bard in de cafés in de buurt. Van hen leerde Wannes zijn eerste liedjes: gewone straatliedjes over alledaagse dingen, makkelijke melodietjes die je meteen kon meezingen.

Maar Wannes wou kunstenaar worden, schilder. Op zijn vijftiende trekt hij naar de academie voor plastische kunsten. Tussendoor leert hij klassieke gitaar bij Ilse Laforce en nadien flamencogitaar bij Sabas Gomez y Marin, een Andalusiër die in Antwerpen was gestrand. Begin jaren zestig komt Wannes bij het dans- en zangensemble van Nino de Flandes terecht waar hij de rol van flamencogitarist op zich neemt.

Iets later stapt Willy, want van Wannes is dan eigenlijk nog geen sprake, het podium op als saxofonist,  speelt jazz in de kroegen in de buurt van de Antwerpse Stadswaag en ruilt dat instrument nadien almaar vaker in voor de flamencogitaar. Op dat moment is er ook een ware folkrevival aan de gang en is het zanger Ewan MacColl die hem inspireert meer in die richting te stappen. Iets  later horen we hem volksliedjes staan zingen  in een kelder in de Antwerpse Wolstraat daarbij begeleid door violist Flor Hermans.

Ik ben beginnen zingen uit onmacht” zo schrijft Wannes in zijn boek ‘De klank van de stad’. “Men leek te hebben gezworen dat alles wat aan het vroegere Antwerpen herinnerde voorgoed moest verdwijnen om plaats te ruimen voor een vage vooruitgangsgedachte. Ik heb me de teloorgang van mijn ‘oude kant’ erg aangetrokken, was erdoor aangeslagen, heb er nachten van wakker gelegen. Maar wat had ik, een schilderke van niks, tegen domheid in te brengen? Niemendalle! Of toch… Bestond er geen traditie van spotliederen? Waren in een niet eens zo ver verleden de plaatselijke liedjeszangers niet de spreekbuis van de machtelozen? Ik besloot in het spoor te treden van de triviale dichters van weleer. Ik ging op zoek naar mensen (muzikanten) die me op mijn nieuwe reis wilden vergezellen. Ik wilde eerst en vooral een accordeonist vinden, want ik wilde niet vervallen in het cliché van de chansonnier-met-gitaar. Ik vond Bernard Van Lent. In diezelfde periode leerde ik op een luie zomernamiddag in café Pannenhuis, Walter Heynen kennen, student dwarsfluit, harmonie en contrapunt aan het conservatorium. Hij was meteen gewonnen voor de idee het zieltogende volkslied nieuw leven in te blazen. En in het licht van de zomerzon werd het eerste eindje gesponnen van een draad die nog steeds verder loopt.

Wannes’ eerste liedjes ontstaan uit liefde voor zijn stad. Hij hoopt met zijn teksten een kleine invloed te kunnen hebben op de vernielzucht door de domheid van machtsgeile potentaten, hij hoopt met zijn liedjes hun vernielzucht wat te kunnen milderen. In 1966 brengt Wannes en zijn groep hun eerste elpee op de markt  “Wannes Van de Velde”. Op dat moment komt hij nog aan de kost als etalagist in een groot warenhuis. Van die elpee worden vierduizend exemplaren verkocht wat hem de moed geeft zijn job op te geven en voltijds zanger te worden.  Zijn liedjes worden een mengeling van nostalgie en verbouwereerdheid. Antwerpen is niet meer wat het was. Wannes wijkt uit naar de rand van de stad en kiest vervolgens voor een zwerversbestaan. Hij is intussen een veelgevraagd artiest geworden, zowel door de media als door diverse theatergezelschappen waarvoor hij schrijft. Hij wil echter leven zonder die drukte, zonder telefoon, zonder agenda. Zelfs een huisnummer hindert hem.

Vanaf 1973 wordt het erg stil rond Wannes. Vier jaar later is hij er terug met de elpee  “Ne zanger is een groep” met daarop liedjes als  Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten, Mijn mansarde en het intussen tot een klassieker uitgegroeide Ik wil deze nacht in de straten verdwalen. Hij schreef dat liedje in 1974 voor de film “Home sweet home” van regisseur Benoît Lamy, een driesterrenfilm over een bejaardentehuis waar de bewoners in opstand komen tegen de betuttelende manier waarop met hen wordt omgesprongen. Zij zetten het op een lopen en belanden in een café waar de jukebox het walsje Ik wil deze nacht speelt. De melodie werd door Walter Heynen gecomponeerd en Wannes schreef de tweetalige tekst. Dit liedje werd niet voor niets genomineerd tijdens het “Gala van De Eregalerij” dat de tweeëntwintigste november 2001 plaatshad in het “Casino van Knokke”.

Wannes zal voor heel wat producties de muziek schrijven. Samen met een collectief jonge acteurs, de Internationale Nieuwe Scène en de Italiaanse regisseur Arturo Corso creëert hij de voorstelling ‘Mistero Buffo’ (een samensmelting van monologen van Dario Fo en door Wannes bewerkte Italiaanse volksliederen). Hij werkt ook mee aan diverse VRT-producties als “Het chanson” (1987), “Canto Flamenco” (1987)  en “Vive le Geus” (1988) en  schrijft de muziek voor de film “De Witte” van Robbe De Hert. Daarnaast was hij ook lesgever aan “Studio Herman Teirlinck”, vertaalde Richard The Third van William Shakespeare in het Antwerps dialect en werkte intens mee aan de “IJslandsuite” (1984) van Dree Peremans  en “Het zwarte goud” (1987),  over het mijnwerkersleven.

Stilaan kon Wannes rekenen op algemene erkenning, wat niet voor de hand liggend was toen hij in de jaren zestig begon, want de intelligentsia uit die tijd waardeerden niet dat hij in het Antwerps dialect zong. Intussen was zijn pionierswerk door iedereen algemeen aanvaard. Op artistiek vlak steeg hij boven de meeste collega’s uit. Hij beschouwde zijn vak als een ernstige bezigheid, hij zong met een haast academische ernst die hij op het podium nooit verloor. Als hij in het Antwerps zong , klonk het nooit hilarisch, het was haast een voordracht in zijn eigen streektaal. In 1984 kreeg hij de eerste persprijs van de Toeristische Federatie van Brabant voor zijn column “Mooie dag te…” verschenen in Knack waarvoor hij regelmatig schreef. Hij kreeg vijf jaar later de “Szukalski Award”, in 1993 de prijs “Gilbert Van Geert”, in 1994 de “Sabam Prijs” en het jaar nadien de “Zamu Award”. Wannes genoot van deze eer die hem te beurt viel, maar hij bleef naarstig doorwerken en liedjes opnemen, gebundeld op diverse elpees en cd’s: “In de natuur wou ik gaan leven” (1978),  “Stadsgedachten” (1982), “Tussen de lichten” (1986) , “De zwarte rivier” (1990), “Café met rooi’ gordijnen” (1993) en “Kleuren van steden” (1995). In 1992 neemt Wannes samen met Hans de Booije De lichtjes van de Schelde op, een liedje van zijn collega Bobbejaan Schoepen waarmee hij zelfs in de hitlijsten geraakt. Drie jaar later verliest hij zijn trouwe kompaan Walter Heynen. Het jaar daarop trekt Wannes op tournee met een jazzkwartet en blikt in 1999 een uniek album in met Roland Van Campenhout .

Wannes wordt ziek. De dokters stellen in 2000 leukemie vast. Hij  moet noodgedwongen het podium achter zich laten, maar levert het jaar nadien de bundel “Flamencoschetsen” af waarin hij vertelt over zijn grote liefde voor dit muziekgenre. In 2005 voelt Wannes zich zo goed als genezen en start met zijn groep bestaande uit gitarist Jan Wellens, violiste Gilberte Van den Plas, violist Stefan Wellens en contrabassist Ben Faes de tournee “In de maat van de seizoenen” waarvan  in 2006 de gelijknamige  cd verschijnt met liedjes als Havenstad, In de lege dagen en Hier is em terug. Voor dat album schreef Paul Rans als hoestekst: “Wannes weet de oude meesters beter te appreciëren dan gelijk wie, misschien omdat hij zelf een hedendaagse meester in zijn vak is. Elk lied is een pareltje dat moet gehoord worden, maar dat net zo goed mag gelezen worden. Wannes laat zich kennen als heel poëtisch en gevoelig . Een muzikale Don Quichot zoals hij ironisch over zichzelf zingt. Hij kijkt naar de wereld en naar het leven en ziet niet alleen ellende en verzuring waartegen hij terecht fulmineert. Hij ontwaart ook de poëzie in dagelijkse dingen, landschappen, stadsgezichten tafereeltjes. Wannes herinnert er ons aan dat we beter moeten kijken, verder moeten denken en intenser moeten leven. Maar hij preekt niet, hij zingt zijn liedjes en ze zijn heerlijk om naar te luisteren”.

Wannes behoorde tot een generatie die nog volledig in het dialect werd opgevoed. Nederlands sprak hij alleen op school. Hij wilde in zijn liedjes niet per se het dialect verdedigen, maar hij zong in de taal waarvan hij elke nuance en grammaticale finesse beheerste. Het dialect was zijn gesproken taal! De wijk “Klein-Antwerpen” waar Wannes woonde, heeft een naar hem genoemde reus. Op de hoek van de Breughelstraat met de Lange Leemstraat ligt het door hem bezongen “Café Breughel”. Sommigen beschouwden hem ad vitam als de stadsdichter van Antwerpen. Het staat buiten kijf dat hij als geen ander menig acteur en kleinkunstenaar in Vlaanderen en Nederland blijvend heeft geïnspireerd.

Wannes overleed de tiende november 2008.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Wendy Van Wanten

Het is nooit mijn betrachting geweest om de mensen te tonen hoe intelligent ik wel ben. Daar gaat het toch niet om?” vertelde Wendy Van Wanten aan journalist Manu Adriaens toen hij haar interviewde voor zijn boek ‘Ik hou van jou – het verhaal van de Vlaamse showbizz’, “‘t Is trouwens ook niet voor de bekendheid dat ik zing. Want ik gééf liever aandacht dan dat ik er krijg. Geven en nemen, zo zit het leven toch in elkaar. Gun me dus ook mijn sprookje“. Haar sprookje heeft zij gekregen. En de prins die bij dat sprookje hoort?  Dat is een dubbeltje op zijn kant waar wij nog altijd het raden naar hebben of zij hem ooit gehad heeft.

Wendy werd als Iris Vandenkerckhove de zesde februari 1960 in Oostende geboren. Zij is een nakomertje. Haar moeder is al 43 wanneer zij Iris ter wereld brengt. Papa is een strenge man, werkzaam bij de opsporingsbrigade van de politie. Eenmaal buiten zijn werksfeer is hij echter iemand die zich graag amuseert en feestviert. Familiefeesten zijn aan hem méér dan besteed. Thuis wordt er graag naar muziek geluisterd. Iris geraakt niet alleen verknocht aan het Franse chanson, maar luistert even graag naar de platen van Nat King Cole en iets later naar haar favoriete zangeres Barbra Streisand. Aan het atheneum in Oostende volgt zij de afdeling Latijn-Wetenschappen en is daar zo’n beetje een uitblinker. Zingen deed zij toen ook al, als lid van het Oostends Tonadakoor waarmee zij vaak aan wedstrijden deelneemt en ze scoren nog ook. Na de middelbareschoolopleiding begint Iris met een opleiding medisch secretaresse. Zij volgt daarin haar twaalf jaar oudere zus Annie die als medisch secretaresse haar zus het goede voorbeeld had gegeven. Met Annie heeft Iris een sterke band opgebouwd. Haar zus woont op dat moment in De Haan en vaak neemt Iris de tram om bij haar zus te gaan overnachten. Zij is dan gehuwd met een maître d’hôtel die tijdens de week in Kortrijk blijft werken en vaak houdt Iris haar gezelschap. Annie houdt al die tijd haar zus goed in de gaten en is bij momenten zelfs strenger dan hun eigen moeder. Ondanks dat breekt Iris plots haar studies af, want zij wil fulltime model worden. In 1979 overlijdt haar moeder plots. Iris is dan nog maar negentien en heeft ook geen zin meer om verder te studeren. Zij ziet even de zin van het leven niet meer in. Sinds die dag moet zij opletten uit de buurt van doemdenkerij te blijven. Om dat te compenseren, besluit zij model te worden, de wereld van de glitter en de glamour op te zoeken. Zij wordt model bij het bureau “Models Office” in Oostende. De meesten onder ons zullen het niet meer weten of toen zelfs niet opgemerkt hebben, maar Iris bouwt tussen 1979 en 1989 een internationale carrière op en verschijnt in bekende modebladen zoals Vogue, Elle en The American New Look. Zij wordt ook uitgenodigd voor modeshows in München, Parijs en Düsseldorf.

Dat modellenbestaan belet Iris intussen niet in haar vrije tijd te zingen. Zij wordt in 1986 door Johan Verminnen gevraagd om samen met Roland en Curt Lawrence deel uit te maken van de Brabantse ploeg tijdens de “Baccara Beker” in het Casino van Middelkerke. De ploeg gaat met de overwinning lopen en Iris mag ook de pers- en personalityprijs in ontvangst nemen. Over een entree in de showbizz gesproken! Uiteraard liggen de platenfirma’s tijdens die “Baccara Beker” op de loer op zoek naar nieuw talent. Iris sluit een deal met BMG/Ariola die, wetend dat zij tuk op Franse chansons is, haar meteen in 1987 een Frans liedje laten opnemen Panne de coeur, een tekst van haarzelf op muziek van Takis Critzelis. Iets later is er het singletje Je suis amoureuse met de op de B-kant In the face of love. Iris is in de wolken wanneer zij dat jaar in het voorprogramma van Gilbert Bécaud mag optreden. In 1988 neemt zij Laissez-vous rêver op gekoppeld aan Wake Me. Intussen is zij bij platenfirma CNR aanbeland. Alle singletjes worden dan nog onder de naam Iris uitgebracht.

Op dat moment loopt er op de Nederlandse televisie het ophefmakende programma “De Pin Up Club”. Het was een soft-erotisch programma dat één keer per maand werd uitgezonden in een productie van Jef Rademakers. Die bedacht ook de rubriek waarin brieven van lezers werden beantwoord door… Iris, voor de gelegenheid herdoopt als Wendy Van Wanten. Niet alleen Nederland valt voor haar wulpse charmes, maar vooral de Vlaamse mannen. Iris voelt zich ontzettend goed in dat nieuwe personage. Zij kan haar aangeboren schuchterheid op deze manier makkelijk verbergen. Op de vraag om volledig uit de kleren te gaan, antwoordt zij krachtig neen, maar het hek is wel definitief van de dam.

Niet dat haar personage als erotisch wordt ervaren, trekt Wendy aan, maar wel dat zij de kans mag en moet grijpen om als zangeres door te breken. Wanneer zij in 1990 van de VRT een “Gouden Bertje” in ontvangst mag nemen als populairste tv-figuur, maakt zij van de gelegenheid gebruik haar eerste single als Wendy Van Wanten aan het publiek voor te stellen en dat wordt het liedje Bij jou zijn geschreven door Paul Vermeulen en Marc Dex. Samen met Stan Verbeeck hebben zij van het begin af aan in haar talent geloofd en geniet zij vanaf het begin ook het volle vertrouwen van hen beiden. Bij jou zijn bereikt in 1991 net de tiende plaats in de Vlaamse Top Tien. Zes maanden later valt de keuze op Kijk eens diep in mijn ogen, een duet dat zij opneemt samen met Willy Sommers, geschreven door Roland Verlooven. De eenentwintigste september staan zij op één in de Vlaamse Top Tien. Je kan het een gewiekste zet noemen, maar als opvolger kiest zij voor het liedje Iemand dat zij samen met haar zoontje Dylan opneemt, al heeft het singlekopend publiek daar niet echt oren naar. Ook niet naar liedjes zoals Holiday Love, Ik zie je graag en Altijd samen met jou die ook op haar eerste album “Verliefd” staan dat in 1991 op het CNR label wordt uitgebracht. Wanneer Herr Seele en Kamagurka op tv verschijnen met de TV1-reeks “Lava” wordt Wendy in de tweede reeks uitgenodigd om daarin de rol van Emmanuela te spelen. Om van de Wendyhype mee te profiteren, duikt haar personage op in het stripalbum “De Poenpakker” rond de figuur van Jean-Pierre Van Rossem, getekend door Erik Meynen.

Omdat zij alle kansen wil grijpen die haar geboden worden, neemt Wendy, die op dat moment al gemanaged wordt door Danny De Waele, in 1993 deel aan de preselecties voor het Eurovisiesongfestival. Zij zingt Zonder Verklaring en stoot daarmee door naar de finale die gewonnen wordt door Barbara Dex met Iemand als jij waarmee Barbara in Millstreet in het graafschap Cork op de vijfentwingtigste, kortom de laatste plaats eindigt. Dat jaar wint Ierland met In Your Eyes gezongen door Niamh Kavanagh. Wendy treurt er niet om, want zij wordt door Frank Dingenen gevraagd de rol van schooldirectrice Josiane Vanthilt te vertolken in de comedy- en jeugdreeks “Meester, hij begint weer!” Wat velen uit het oog hebben verloren, is dat Wendy op vraag van Tony Berk van Dino Music in de Fendal Sound Studio in Loenen aan de Vecht samen met producer Peter Koelewijn twee Engelstalige covers opneemt: Patrick, mon chéri  en Drunken Sailor, beide verdeeld op het Dino Label, maar zonder brokken te maken. Nadien belandt Wendy bij platenfirma Centropa van Guy Beyers die voor haar samen met Pino Marchese Ik zie je graag schrijft, maar een echte hit wordt het niet. Omdat Playboy blijft aandringen en er een mooie duit op tafel voor over heeft, legt Wendy zich in alle zedigheid in een fotoreportage gebaseerd op haar stripalbum ei zo na naakt neer. Er mag immers wat aan de fantasie worden overgelaten.

Samen met haar manager besluit Wendy, omdat de echte hits uitblijven, op zoek te gaan naar een nieuwe producer en die vinden zij in de persoon van Jack Rivers met wie zij de grootste hits in haar loopbaan zal scoren. Op tekst van Dennis Peirs, alias Jo met de Banjo, en gebaseerd op de hit Avant de nous dire adieu van de Franse zangeres Jeane Manson blikt zij Blijf nog één nacht in. In de maand september van 1994 staat Wendy er vier weken na mekaar mee op de eerste plaats van de Vlaamse Top Tien. Vervolgens kiest zij voor een vertaling van Wrap Your Arms Around Me van Agnetha Fältskog dat als Sla je arm om me heen graag gedraaid wordt, zelfs door Radio 2. Of zij daarbij aan prins Laurent moet gedacht hebben, laten wij in het midden, maar de pers krijgt haar ontmoeting met hem tijdens een modedefilé in Parijs in de gaten en koppelt beiden dolverliefd aan mekaar tot groot ongenoegen van het Belgische Hof. Dat gerucht komt een tijdje later wat in de schaduw te staan door het succes dat zij scoort met Verborgen Verdriet, een bewerking van de klassieker La Paloma dat Wendy eerst niet ziet zitten, maar na lang aandringen van Jack Rivers toch opneemt. Zij krijgt dat jaar voor die prestatie de trofee “Radio 2 Zomerhit” cadeau. Iets later zit er opnieuw een nummer één in voor Wendy wanneer zij Kiss me goodbye opneemt, een cover van die bekende hit van Petula Clark. Op het CNR label verschijnt het album “Verborgen Verdriet”, gearrangeerd door Patrick Renier met in het achtergrondkoor Sabien Tiels en Yvan Brunetti en gitaarwerk van Eric Melaerts. Dat album gaat zomaar liefst dertigduizend keer over de toonbank en maakt van Wendy in Vlaanderen een gevierde ster.

Omdat zij en haar manager in de gaten hebben dat Diana Ross en Julio Iglesias in 1996 een dijk van een hit te pakken hebben met All Of You laten zij Yvan Brunetti de Nederlandstalige tekst schrijven en besluit Wendy Voor eeuwig en altijd als duet op te nemen samen met de in die tijd zeer populaire Jo Vally. Een derde plaats in de Vlaamse Top Tien is de eindscore. Haar vroegere platenfirma Centropa wil nog een graantje meepikken van haar succes en brengt in een verdeling van Dino Music Belgium het album “Proef me” uit met daarop eerder opgenomen liedjes zoals Mooi Vlaanderen, Ik zie je graag, Ik wil niet kiezen en Zonder verklaring. Antwoorden op de vraag of Wendy ook in Nederland scoort, is simpel, want dat is kortweg “neen”. Voor haar rol in de film “Berncastle” van regisseur Rob Van Eyck ontvangt Van Wanten dat jaar tijdens het Filmfestival van Gent “De Pallieterprijs”. Tijdens de zomer scoort zij een redelijke hit met Hoor je het slaan van mijn hart, een vertaling van Yvan Brunetti van de klassieker Cuando calienta el sol. Dat coveren gaat Wendy blijkbaar goed af, een trend die zij op het album “Kom Dichter” doorzet met vertalingen van hits zoals This Strange Effect, Show Me Heaven, Blue Bayou, Move Closer en This Is My Song. Deze keer worden er vijftienduizend exemplaren van verkocht. Het album is al goud in voorverkoop.

Samen met het orkest Il Novecento zingt Wendy in de maand mei van 1997 in het Sportpaleis van Antwerpen een rist klassiekers van haar idool Barbra Streisand. Of zij daarmee verder springt dan haar vocale stok lang is, is voor discussie vatbaar. Zij zal dat repertoire nadien nog in diverse formules op het podium neerzetten.  Op zoek naar een geschikt concept brengt Wendy Van Wanten die nog steeds onder de vleugels van Jack Rivers schuilt de cd “13 Bolero’s” uit, dertien vertalingen door Yvan Brunetti van een dozijn plus één latino ballads die elk stuk voor stuk hun degelijkheid door de jaren heen bewezen hebben: Verliefd en Laat mij maar dromen dat op single in de maand juli van dat jaar tot op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien geraakt. Kus me toch, een vertaling van Besame Mucho, bereikt op single in diezelfde hitlijst zelfs de tweede plaats.

Omdat zij zich in covers van bekende hits het best thuis voelt en daarbij ook evergreens en standards niet uit het oog verliest, komt Wendy in 1998 op de proppen met de cd “Denk aan mij”. Merk op dat aan het team niet wordt gesleuteld. Jack Rivers blijft producen, Yvan Brunetti blijft de teksten leveren en Patrick Renier blijft de songs arrangeren. De keuze valt deze keer op Chanson d’amour van The Manhattan Transfer, Acropolis Adieu van Mireille Mathieu, Amapola dat we in die tijd kennen van Nana Mouskouri, Gigi l’amoroso van Dalida enz…Op dat album staat ook het duet You’ve really got a hold on me dat zij samen met Johnny Logan zingt. In de kranten lezen we dat Wendy op het privédomein van prins Laurent werd betrapt, maar ook deze keer weigert ze elk commentaar. Tot in 1999 worden de platen van Wendy verdeeld door firma Arcade. Om in schoonheid van hen afscheid te nemen, wordt het dubbelalbum “Best Of” in de markt gezet: negenentwintig hits met als bonus het nummer If You Want. Dat wordt een voorsmaakje van het plan dat Wendy inmiddels heeft uitgewerkt om van koers te veranderen en in het Engels te zingen. De singles Heaven en Why Tell Me Why zijn daar getuigen van.

Tijdens de maand februari 2000 viert Wendy haar veertigste verjaardag met een gala in het Casino van Middelkerke. Vol trots kondigt zij aan dat zij in blijde verwachting is. Die wordt dadelijk gekoppeld aan haar vermeende romance met prins Laurent, al zal haar zoon Dylan later aan het Nieuwsblad vertellen dat haar manager Danny De Waele de echte vader is. Zes maanden later wordt in Oostende Clément geboren. Om die geboorte extra luister bij te zetten neemt zij de single Little Wonder, Klein Wonder op. Moeder of niet, the show must go on, zo nodig zelfs dat Wendy er niet voor terugdeinst in de zomer van 2001 drieënzestig keer na mekaar in “Het Witte Paard” in Blankenberge op te treden. Omdat er ook aan de fans en de hitlijsten gedacht moet worden, covert zij Tweedle Dee, Tweedle Dum van The Middle of The Road als Kom Met Me Mee. Waar naartoe? Wel richting preselecties Eurosongfestival. Zij waagt in 2002 nog eens haar kans, deze keer met Forever Yours en dat onder haar eigen voornaam Iris. Foute gok, want ook al wordt zij derde tijdens de halve finale, de eindronde haalt zij niet. In het Casino van Oostende zingt zij iets later onder leiding van Rudolf Werthen een aantal bekende opera-aria’s. Critici durven zich lovend uit te laten over haar prestaties. Omdat organisatoren haar zo op een andere manier leren kennen, wordt zij uitgenodigd om een van de hoofdrollen te vertolken in de musicalversie “Romeo & Julia”. Zij zingt er de rol van Lady Capuletti, de moeder van Julia. De verkoop wordt een hit, maar dat fijn gevoel krijgt een stevige deuk wanneer zij verneemt dat haar zoon Dylan levensgevaarlijk gewond geraakt tijdens een verkeersongeval. In de lente van 2003 stellen de dokters vast dat Dylan volledig zal herstellen. “Romeo & Julia” blijft intussen volle zalen lokken en wordt afgeklokt met op de teller méér dan honderdvijftigduizend bezoekers.

Met Vader Abraham neemt zij het duet Er klinkt muziek door de nacht op. Zo weten wij weer dat Wendy Van Wanten het Vlaamse lied niet schuwt. Wendy is ook een gevierde tv-figuur. Zo is zij te zien in het VTM-programma “Puur Toeval” waarin Luc Appermont een variante presenteert op zijn populair Radio 2 -programma “De Zoete Inval”. Zij krijgt ook een rol in zowel de zomer – als winteredities van de shows “Caals & Van Vooren”. Daarmee is haar agenda tot en met januari 2004 gevuld. Ook Studio 100 heeft haar talent ontdekt en speelt haar de rol van heks toe in de musical “De Kleine Zeemeermin”. Van die musical verschijnt tevens een cd-versie. De hitlijsten liggen andermaal binnen handbereik. In 2005 verrast zij iedereen met haar  versie van Heart of Glass van Blondie in een productie van Jack Rivers, vertaald door Marco Ottati als Ooit het gevoel. De plaat wordt door APR Works Records Belgium uitgebracht. Gefocust op het repertoire van Gilbert Bécaud zet zij een aantal recitals neer, gewijd aan het oeuvre van de populaire Franse zanger die in 2001 was overleden.  Samen met de in Nederland wat in onmin geraakte bariton Marco Bakker geeft Wendy op het einde van dat jaar een aantal kerstconcerten. Omdat zij graag een danspasje plaatst, deinst Wendy er niet voor terug bij de start van 2006 de dansschoentjes aan te trekken voor het VTM-programma “Sterren op de dansvloer”. Zij heeft een goede danspartner gevonden in haar Nederlandse coach Aerjen Mooijweer. Zij heeft wel intussen definitief afscheid moeten nemen van haar partner en vriend Danny De Waele die de vijftiende januari 2006 zijn strijd tegen kanker heeft verloren. Aan hem verliest zij een grote steun.

Omdat die populariteit op televisie Wendy wel ligt en zij VTM een warm hart toedraagt, wordt zij de centrale gaste in het programma “Wie wordt de man van Wendy?” waarmee zij zich hier en daar in de Vlaamse pers nogal wat kritiek op de hals haalt alsof zij zoals elke gewone vrouw geen man aan de haak kan slaan. Haar vaste vriend is nog maar net overleden en zij gaat al op zoek naar iemand anders. In het weekblad Humo van de vijfentwintigste april 2006 reageert zij kort van stof wanneer de reporter opmerkt dat zij via dit programma een soort comeback wil forceren. Het zou één grote reclamestunt zijn, bedoeld om La Wendy weer in de markt te heisen. Het grote verwijt in de pers is dat zij de kans om zich als Iris te profileren laat liggen en haar rolletje als Wendy Van Wanten blijft uitspelen. Onecht, puur fake dus. Niet getreurd, Frans Vancoppenolle wordt tijdens de uitzending van de zestiende november 2006 de gelukkige. Hij wordt iets later ook haar manager. Tijdens de maanden vooraf neemt Wendy een volledig Engelstalig album op “Woman In Love” met naast deze hit van haar idool Barbra Streisand songs zoals If You Leave Me Now van Chicago, Nights in White Satin van The Moody Blues, When I Need You van Leo Sayer en dat in een productie van Patrick Hamilton. Het album, opgedragen aan de overleden Danny De Waele, wordt op het ARS label uitgebracht dat zich de jaren nadien vooral zal toeleggen op Vlaams zangtalent. De tiende november wordt uit die full-cd de single Woman in Love gereleaset en bereikt vrij snel de Ultra Top Twintig. Twee weken later wordt met het oog op de eindejaarsfeesten haar gelijknamig album in de etalage gezet.

2007 wordt de start van de docusoap “Wendy & Verwanten” die op de vrijdagavond zo’n achthonderdduizend kijkers aan VTM weet te binden. Tot die verwanten behoren Dylan en zijn vrouw Katrijn, Clément, Franske en de hond Prutske. Tijdens de Straussconcerten op het domein van het Kasteel van Groot-Bijgaarden laat Wendy horen dat zij ook het operetterepertoire aankan. In december van dat jaar deelt zij mee dat zij opnieuw zwanger is. In mei 2008 bevalt zij van dochter Estelle. Om dat te vieren neemt zij de single Wonderen op, speciaal voor haar geschreven door Vader Abraham, goed voor een derde plaats in de Vlaamse Top Tien. De negende november van dat jaar stelt zij haar fonkelnieuwe cd “Durf te geloven” voor, een titel naar haar hart, want als zij ooit iets gedurfd heeft dan is het wel dat: geloven en blijven dromen en geloven dat die dromen ook uitkomen. Haar man, tevens haar manager, laat weten dat zij geen deal hebben kunnen sluiten met haar platenfirma ARS, ook geen financiële, en dat hun samenwerking wordt stopgezet. Wendy brengt haar album “Durf te geloven” dan ook in eigen beheer uit. Ook nu is de productie in handen van Patrick Hamilton.

“Kijk eens diep in mijn ogen” is de titel van haar autobiografie die in 2009 bij uitgeverij Roularta van de persen rolt, 168 pagina’s dik.  Om die release te promoten en extra in de verf te zetten, verschijnt de single Voor altijd en is zij naar haar vroegere platenstal Centropa teruggekeerd. Labelmanager Guy Beyers wordt haar manager, haar man Frans wordt haar roadmanager. Zij neemt ook een vertaling op van Il tape sur des bambous van Philippe Lavil, Hij is zo beroemd in een productie van haar vroegere producer Jack Rivers. Het jaar daarop viert zij haar vijftigste verjaardag en het feit dat zij twintig jaar op de planken staat. Zij doet dat met een concert in het Casino van Middelkerke. Twee jaar later zien we haar in alle bescheidenheid optreden in de intimistische theatertournee “Wendy Intiem” waarmee zij in het Casino Kursaal van Oostende van start gaat. Zij zingt, alleen begeleid door pianist Bart Buyle, liedjes die zij altijd graag had gezongen, aangevuld met een rist anekdotes. Als hulde aan haar man Frans en hun relatie brengt zij in 2011 het nummer Jij bent mijn leven uit, een vertaling van My Little Lady van The Tremeloes.

In Studio Manfred Recordings in het Nederlandse Etten-Leur neemt Wendy in de loop van 2013 nummers op bedoeld voor het album “Wendy zingt Dalida”, haar hommage aan deze bekende Franse zangeres. Manfred Jongenelis heeft de productie in handen en schrijft ook de arrangementen. Patrick Vandewattijne wordt als executive producer aangeduid. Muzikanten van dienst zijn onder meer Martijn De Laat, Bert Meulendijk en Nadia Mampaey. In haar voorwoord schrijft Wendy: “Wachten doet verlangen en geduld wordt altijd beloond! Ik ben trots dat ik jullie kan laten genieten van mijn nieuw album. Er werd al veel over gepalaverd, maar nu is ook tot mijn grote voldoening de daad bij het woord gevoegd!” Die daad zet zij om in covers van de bekendste Dalidaklassiekers vertaald door Peter Van Noort: Vlieg je mee, Gigi l’Amoroso, Oma gaat naar de disco. Het duet Paroles, Paroles dat Dalida samen met Alain Delon opnam, zingt Wendy Van Wanten voor deze gelegenheid samen met Winsor Harmon beter bekend als Thorne uit de soapserie “Mooi en meedogenloos”. Midden mei 2014 wordt Zomerdagdromen op single uitgebracht, een latinoklassieker die wij beter kennen als Besame mucho. Eerder werden al de liedjes Wat ik voel voor jou en Wat een avond op single uitgebracht. Dalida is voor haar een voorbeeld van doorzetten, ondanks de vele tegenslagen die zij in haar carrière moest verwerken. Wendy vergelijkt het met haar leven waarin zij vooral door de pers zwaar werd aangevallen, onder meer naar aanleiding van haar vermeende relatie met prins Laurent die eind 2013 nog maar eens werd opgerakeld. In 2014 pakt Wendy uit met de traditional Dit wordt mijn dag dat zij leent van Alexander Vertinski die het als Dorogoi dlinnoyu op plaat had gezet. Manfred Jongenslis neemt niet alleen de Nederlandse tekst, maar ook de productie voor zijn rekening.

De eerste mei 2014 heeft in “Het Fakkeltheater” in Antwerpen de try-out plaats van het theaterstuk “Calendar Girls” gebaseerd op deze bekende blootkalender. Wendy acteert aan de zijde van onder anderen Lulu Aertgeerts, Marleen Merckx, Karin Jacobs, Ann De Winne en Leah Thys.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Reach Out I’ll Be There

Toen The Four Tops eind 1966 in Londen arriveerden voor een live optreden in “The Saville Theatre” waren zij aangenaam verrast door het enthousiasme waarmee het publiek hun nieuwe song Reach Out I’ll Be There onthaalde. Hun leadzanger Levi Stubbs was zo onder de indruk van die ontvangst dat hij meteen nadien een nieuwe deal sloot voor een concert in Engeland enkele maanden later toen zij konden uitpakken met hun volgende hitsingle Standing in the shadows of love.

De zevenentwintigste juli 1966 legden The Four Tops in “Studio A Hitsville U.S.A.” de laatste hand aan wat een van hun grootste hits zou worden Reach Out I’ll Be There. De jaren voordien waren bij Motown echte hoogtijdagen geweest waarin niet alleen grote hits werden gescoord, maar waarin ook de studio’s werden gemoderniseerd, van de meest recente technische snufjes voorzien en dat was te horen ook. Popmuziek was inmiddels, vooral dankzij de steun van The Beatles, volwassener geworden. In 1966 pakten zij uit met een elpee die een mijlpaal betekende in de wereld van de popmuziek “Revolver”, daarop van antwoord gediend in Amerika door The Beach Boys met “Pet Sounds”. In Amerika werd ook de soul meer matuur. De studio’s gingen almaar meer hun stempel zetten. Denken we maar aan The Muscle Shoals Studio, de Stax Studio in Memphis en de Motown Studio’s in Detroit.

Toen het gouden schrijverstrio van Tamla Motown Eddie Holland, Lamont Dozier en Brian Holland met het nummer Reach Out I’ll Be There bezig waren, wisten zij niet dat zij de grootste Tamla Motown hit ooit in Engeland zouden afleveren. Het verhaal wil dat Brian en Lamont zij aan zij aan de piano zaten toen zij dit schreven en in die song op zoek gingen naar het antwoord op de vraag “Wat willen vrouwen eigenlijk van hun partners?” Zij hadden al een dergelijke oefening uitgeprobeerd in het nummer Ask The Lonely. Achteraf gaven Holland en Dozier toe dat zij zich qua titel hadden laten inspireren door Reach Out For Me dat Burt Bacharach en Hal David al in 1964 hadden geschreven en waarmee Dionne Warwick toen een hit scoorde. Wanneer er in die jaren zestig bij Tamla Motown songs werden opgenomen, moest dat zo snel mogelijk, bijna in een ijltempo. Er werden daar letterlijk hits aan de lopende band ingeblikt. Iedereen keek dan ook verbaasd dat toen The Four Tops in de studio arriveerden zij pas twee uur later de klus hadden geklaard. Achter de microfoon stonden Levi Stubbs en zijn kompanen: Abdul Fakir, Renaldo Benson, Lawrence Payton en als backings The Andantes (Jackie Hicks, Marlene Barrow en Louvain Demps). Na méér dan honderdtwintig minuten geconcentreerd zingen, vonden de producers van dienst Brian en Lamont het oké. Een van hun eerdere hits I Can’t Help Myself  bijvoorbeeld dat zijn enkele maanden voordien hadden ingezongen, stond in twee takes op band, terwijl dat met de opvolger It’s the Same Old Song nog sneller ging.

Op zoek naar een opvallende intro voor Reach Out I’ll Be There kwamen de heren producers op de idee gewoon met hun beide handen op een houten stoel te kloppen om op die manier de beat wat te accentueren en de fluit die je aan het begin hoort, wordt bespeeld door de dertienjarige Danya Hartwick. Die intro wordt zogezegd gedragen door de funky bas van James Jamerson, maar dat verhaal klopt niet, want uiteindelijk zal zijn inbreng niet gebruikt worden, maar wel de partij die Carol Kaye voor haar rekening nam. Zij weet ons nog te vertellen dat haar baspartij werd uitgeschreven door Gene Page die later zowat alle arrangementen voor Barry White zal neerpennen. De rest van de begeleiding wordt geleverd door de alomtegenwoordige studioband The Funk Brothers. Levi Stubbs, die tot dan toe altijd de leadvocals voor zijn rekening nam, stond weigerachtig tegenover dit avontuur. Hij had liever dat iemand van de jongens de klus deze keer zou klaren, maar daar wilden Holland en Dozier niets van weten. Zij wisten dat Levi erg hoog kon uitpakken met zijn stem. Hij had dat al eerder laten horen in een song als I Can’t Help Myself en zij wilden dat hij dat deze keer nog eens overdeed. Een goede vondst van Levi, die uiteindelijk toch toegeeft en graag zijn tanden in het nummer wil zetten, is dat hij vooraleer hij het refrein inzet met een opzwepende “hah” begint. Dat geeft het nummer meteen een lekkere drive.

Wij merken aan de producties uit die tijd dat er bij Tamla almaar meer gedacht wordt in termen van arrangementen. De nummers worden steeds beter in de diepte uitgewerkt. Ook durven de producers al eens vaker van  tempo te wisselen binnen één song, dat maakt het muzikale avontuur alleen maar spannender. De songs klinken daardoor ook minder vlak. Qua productie mogen we bij Reach Out I’ll Be There spreken van een soort “real wall of sound” zoals Berry Gordy Jr. later zal toegeven. Dat hadden zij leuk afgekeken van Phil Spector die op geen instrument méér of minder keek tijdens zijn producties, alleen gingen ze bij Motown vaak op zoek naar eenvoudige, goedkope middelen zoals dat klappen met de handen op een houten stoel of het slaan met een hamer tegen een doodgewone fietsketting. Het was uiteindelijk het effect dat telde!

De achttiende augustus 1966 wordt Reach Out I’ll Be There in Amerika op single uitgebracht, gekoppeld aan Until You Love Someone. De vijftiende oktober staat het nummer op één in Billboard’s Hot One Hundred nadat het The Association en hun nummer één Cherish aan de kant werd geschoven. De negenentwintigste oktober worden The Four Tops afgelost door Question Mark & The Mysterians die op hun beurt bovenaan mogen staan met 96 Tears. De dertiende oktober staan The Four Tops in Engeland op één te glunderen. Het zal voor hen bij die ene keer blijven dat zij in de UK helemaal boven in de Top Veertig staan. In Nederland belandt Reach Out I’ll Be There de vijftiende oktober op de achtste plaats in de Top Veertig en bij ons de negentiende november op plaats tien in de Top Dertig.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Will Ferdy

Tijdens de allereerste editie van “De Eregalerij” in het Casino van Knokke in 2000 werd Will Ferdy genomineerd voor zijn liedje Christine. Een jaar later mocht hij tijdens het tweede gala een “Ereplaats voor een leven vol muziek” aan zijn palmares toevoegen. Nog eens drie jaar later, in 2004, werd Christine definitief toegevoegd aan de Eregalerij van Vlaamse klassiekers. Dat palmares is gevuld met een hele rist liedjes die voor het merendeel op plaat en/of cd zijn bewaard. In de loop van zijn carrière nam Will drieënveertig 78-toerenplaten op, zeventig singles, achtenveertig elpees, zevenendertig cd’s én zijn een groot deel van zijn bekendste liedjes op zo’n vijfenvijftig compilatie-albums terug te vinden. Ferdy heeft dus een rijk gevulde, vaak eigenaardige, carrière achter de rug. Hij heeft niet de reputatie een hitmaker te zijn. Zijn liedjes braken pas jaren later door, maar dan werden het ook blijvers, doorbloeiers, echte Vlaamse evergreens. Van Christine en Het Schrijverke werden intussen immers méér dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht. In zijn boek “Ik hou van jou” omschrijft Manu Adriaens, Will Ferdy als een menselijke combinatie van vakmanschap, integriteit en moed.

 

Will werd de negende maart 1927 als Werner Ferdinande in Gent geboren, hetzelfde jaar als Jo Leemans! Hij had nog een zus die zeven jaar ouder was dan hij. Voor hem was nog een zusje geboren, maar die overleed op driejarige leeftijd. Geen wonder dat toen Werner werd geboren hij door zijn moeder van ‘s morgens tot ‘s avonds werd bepamperd en vertroeteld uit angst dat hem toch maar iets zou overkomen. Werner zong reeds als kind. Hij had een mooie sopraanstem en het was vooral zijn vader die hem in dat zingen aanmoedigde. Tino Rossi en Joseph Schmidt waren zijn voorbeelden en idolen. Wanneer hij in de bioscoop de  film “Ein Stern fällt vom Himmel” met Joseph Schmidt in de hoofdrol ziet,  gaat hij meteen nadien thuis de titelsong nazingen  in een soort Duits waarvan Goethe stevig de wenkbrauwen zou fronsen. Will herinnert zich nog goed hoe hij haast elke dag aan de radio gekluisterd zat om toch maar niks te missen van een recital van de Italiaanse tenor Beniamino Gigli, live uitgezonden vanuit de opera in Gent.  Maar dat zingen hield hem toen niet echt bezig, hij koesterde nog geen plannen daaromtrent.  Hij kampte trouwens met enorme plankenkoorts. Hij was té bedeesd om voor een publiek op te treden. Pa was tekenaar bij het Ministerie van Openbare Werken en had graag gezien dat zijn zoon in zijn kielzog zou meevaren. Dat interesseerde hem helemaal niet. Eigenlijk wou hij liever missionaris worden, hij had op film van hun avontuurlijk bestaan al iets mogen voorproeven. Hij komt aan de kost als klerk bij de firma “Vynckier & Co” aan de Nieuwe Vaart in Gent, producent van bakelieten kastjes en dito toebehoren voor elektriciteitsinstallaties. Tijdens één van hun personeelsfeestjes mag Werner optreden en het is één van de bedienden, madame Irène, die vindt dat hij de voornaam Werner maar moet inruilen tegen Will, dat klinkt beter. Ferdinande vindt zij ook maar niets en dat wordt Ferry. Will Ferry was daarmee geboren. Hij is negentien wanneer hij het “Will Ferry Gezelschap” opricht. Hun eerste voorstelling dateert van de maand oktober 1945 wanneer zij op de planken staan met “Schlagerparade 1945″. Het gezelschap bestaat op dat moment uit: Will Ferry, Reddy Clems en Lil Larant, muzikaal begeleid door het orkest van Bob James. Toen waren het nog geen revues, maar eerder cabaretprogramma’s die er gebracht werden. Na een poosje blijft alleen Ferry over, maar weet het gezelschap in stand te houden door op zoek te gaan naar nieuw talent. Er wordt qua bezetting vlot gewisseld. Passeren, naast Will,  onder meer de revue: Danny Norton, hoofdanimator en regisseur van het gezelschap, Frank Corry, Jean Laurel en Wim Bakker,  de humoristen van de groep, en Jackie Wilking, de conferencier en zanger van fijnzinnige levensliedjes. De oudste van de groep telt niet méér dan tweeëntwintig lentes. Zij brengen naar Nederlands voorbeeld avondvullende revues. In het ledenblad “Katholiek Jonge Wacht” van de dertiende januari 1946 lezen wij dat Will Ferry met een nieuwe voorstelling uitpakt “Morgen gaat het beter” begeleid door het orkest Optimist en met Herman Roger, Marc Timor en Leo Lamon, om maar aan te geven dat ook nieuw talent in die revues een kans kreeg.

Die voorstellingen bestonden voor het merendeel uit eigen werk, wat dan ook hun grootste verdienste in die tijd was. Zij stonden erop dat het dialect aan de kant werd geschoven en dat er  ”beschaafd Nederlands ” werd gesproken. In 1947 neemt Will voor een tijdje afscheid omdat hij onder de wapens moet. Hij had eerder al een paar keer opgetreden in het militair hospitaal van Gent waar een aanwezige kolonel beloofde ervoor te zorgen dat Will tijdens zijn legerdienst bij de Welfare terechtkomt, de culturele ontspanningstroepen van het Belgische leger, waar hij de smaak van het zingen pas echt te pakken krijgt en besluit van zingen zijn beroep te maken. Binnen de Welfare treedt hij vaak in Duitsland op voor de daar verblijvende Belgische militairen en hun families. Hij wordt tijdens zijn optredens begeleid door orkesten bestaande uit muzikanten die op dat moment ook hun dienstplicht volbrengen, onder andere Walter Vandersmissen. Het repertoire van Will bestaat hoofdzakelijk uit liedjes van Charles Trenet en Luis Mariano. Bij de Welfare leert hij eveneens pianist Roland Thyssen kennen met wie hij uren aan een stuk liedjes instudeert en met wie hij zijn zangtechniek perfectioneert.   In 1948 zwaait Will af en keert naar het theater terug met “Schlagerparade 1948″. Op het programmablaadje van toen lezen wij “Het Ferry Gezelschap stelt voor: “Schlagerprade 1948″, een avond met ons! Een kleinkunstrevue in vierentwintig taferelen met medewerking van de grote vedette van het lied Will Ferry, aan de vleugel begeleid door Roland Thyssen en het amusementsorkest Joe Stepman. Voorts Danny Norton, Jane Andrea, Frank Corry, Jean Laurel, Wim Bakker en Jackie Wilking”.

Voor zo’n avond betaalde je toen vijf frank, het programmaboekje inbegrepen. Will gaat ook gedurende drie maanden aan de slag als presentator-zanger in de Antwerpse “Ancienne Belgique”. Hij mag daar bekende artiesten aankondigen zoals: Rina Ketty, Line Renaud, André Claveau, Lucienne Boyer én niet te vergeten onze eigen La Esterella die daar zo’n beetje kind aan huis is.  De “Ancienne Belgique” is voor Will een echte leerschool. Hij leert hier de showbizz ook achter de schermen kennen. Will treedt dus onder de naam Will Ferry op, maar om verwarring met de Nederlandse auteur Ferry te vermijden, noemt hij zich voortaan Will Ferdy. Hij heeft intussen muziekuitgever Jacques Klüger een bezoekje gebracht die hem in contact brengt met de Franssprekende Emile Deltour, op dat moment artistiek directeur bij het platenlabel Decca. Na een proefopname wordt beslist dat Will het liedje Nacht over Java van de Nederlandse componist Jack Bess op een 78- toerenplaat mag uitbrengen met op de B-kant het door hemzelf geschreven Filomeentje. Als producer gaat hij van dan af nauw samenwerken met Achilles Palmans. Will gaat ook live optreden als solozanger. Mama gaat altijd mee om onder andere zijn programmaboekjes te verkopen. Papa houdt zich voorlopig nog op de achtergrond. Hij heeft namelijk schrik dat zijn zoon door het publiek niet aanvaard zal worden en hij wil dat niet meemaken.  Pas jaren later, wanneer Will een echte vedette is geworden, komt pa af en toe eens langs tijdens een optreden. Hij gaat zelfs na een tijdje de fanmail van Will beantwoorden. Wat die angst betreft: het heeft jaren geduurd vooraleer Will zich op de bühne thuis zal voelen. Hij vreesde al van het begin af dat het publiek hem niet goed zou vinden, zijn liedjes niet zou lusten. Wegens die angst staat hij vaak verkrampt op het podium wat zijn charisma dan weer niet ten goede komt.

Met de regelmaat van een klok blijft Will op het einde van de jaren veertig platen uitbrengen. De liedjes an sich zijn geen hoogvliegers, maar het publiek reageert behoorlijk enthousiast. Bij de oude molen, ‘tMeisje van de buren, Zend hen nog eens een briefje, Moesjemamie moedertje zoet en Voorbij worden graag beluisterd. In 1951 krijgt Will Ferdy van zijn producer Achilles Palmans een plaat voorgeschoteld Steppin’ out, gespeeld door Lenny Dee op hammondorgel en geschreven door Billy Starr, met de vraag er een tekst bij te verzinnen, want in de balzalen is dat nummer in de instrumentale versie al een echte hit.  Via uitgever Jacques Klüger komen zij iets later te weten dat Jan Verbraeken er intussen ook een tekst voor geschreven heeft. Er wordt beslist dat zij beiden hun versie op plaat zetten. Voor Verbraeken wordt het een niemendalletje, voor Will Ferdy zijn eerste grote hit. Hij maakt van Steppin’ Out de meezinger Zie-de ge me gère. Het nummer wordt zo’n succes dat hij er meteen een gelijknamige show aan vastkoppelt waarmee hij de boer op gaat. Rijk is Will van die hit niet geworden, want hij kreeg geen royalties uitbetaald. Hij kreeg voor de opname een vergoeding van 500 Belgische franken en daarmee was de kous af en achteraf wat auteursrechten. In die tijd ging Will vaak op tournee met een nagenoeg vast gezelschap: het duo Berry met daarin Jenny en Roger Bracke, het danskoppel Harry en Lauretta, de komiek Theo Daese en orkestleider en pianist Emiel Verwilst.  Met zijn plaatjes blijft hij voorlopig het voorzichtige en voorspelbare pad bewandelen, liedjes zoals: Matroosje, Madeleintje, Jalouzie, Rozen zo rood, De meisjes van hier, Lady of Spain, M’n schatteke, Carolientje enz… allemaal op achtenzeventig toeren uitgebracht. Daarmee weet hij zich in de eerste helft van de jaren vijftig te omringen met een stevige en trouwe aanhang, al blijft hijzelf dwepen met het Franse chanson. Zijn voorkeur gaat uit naar een zanger als Charles Trenet. Die bracht pittige liedjes mét inhoud. In zijn  stoutste dromen wil Ferdy de Vlaamse Trenet worden. Maar na een tijdje gaat hij toch op zoek naar een eigenheid en zorgt ervoor dat Will Ferdy almaar meer herkenbaar wordt.

In 1953 heeft Will Ferdy de typetjes Peterke en Pépé gecreëerd, die iets later worden opgevolgd door Peterke en Pol. Die typetjes die hij met de nodige stemwisselingen brengt, vergen veel van zijn stembanden en hij ziet zich jaren later genoodzaakt ze in de kast op te bergen. Dat Peterke was eerder toevallig ontstaan toen hij op zekere dag in Bazel-Waas moest optreden, daarbij begeleid door pianist Emiel Verwilst. Op een bepaald moment zingt Will het door hemzelf geschreven Suzy is Française en geraakt op het einde van het liedje compleet zijn tekst kwijt. Om zich uit die nare situatie te redden, brabbelt hij een paar stopwoordjes na mekaar, daarbij denkend aan een nummertje van zijn  collega Suzy Marleen die op haar repertoire een nummer had staan waarin zij een fabel vertelt met de stem van een klein meisje. Zonder erbij na te denken, begint Will met de stem van een kleine jongen wat nonsens uit te slaan en merkt dat het publiek daar enthousiast op reageert. Vanaf dat moment was Peterke geboren.

In 1954 neemt hij in een weldoordachte poging het ernstiger nummer Het regent in de straten op. Hij wil méér voor het betere lied gaan. Hij moet echter die stijl om succes te blijven scoren blijven combineren met zijn schlagertjes. Het publiek geraakt daardoor het noorden kwijt en haakt deels af.  In 1955 breekt hij bescheiden door in Nederland wanneer hij in de shows van Wim  Sonneveld mag opduiken. Sonneveld treedt in het Kurhaus in Scheveningen op. In het eerste deel mag Will de planken en het applaus delen aan de zijde van Conny Stuart, Joop Doderer en de Amerikaanse zanger Freddy Hamilton. Hij had daarvoor al samen met Wim opgetreden in het theater “DeLaMar” in Amsterdam. Dat theater had Wim in 1952 nieuw leven ingeblazen. Het zou later bekend worden omdat Sonneveld en Wim Kan hier hun nieuwjaarsconferences brachten.

Op platengebied is de periode 1954-1960 niet echt vermeldenswaard. Wimpels in de masten, Een soldaat, Land aan de Noordzee, De schoonste liefde enz… leveren niet één keer een hit op. In 1957 is er op het Philips label in een laatste poging om te scoren nog de single Calypso Italiano, een vertaling van een liedje van Lou Monte door Erik Franssen en Van Aleda. Will komt financieel gelukkig aan de bak door zijn optredens voor VRT- radio in cabaretprogramma’s als “Kop en staart” en “Weg met de zorgen”.

Na een tijdje weigert Will qua plaatopnamen halsstarrig nog langer alledaagse, hitgevoelige liedjes uit te brengen, dus zet zijn platenfirma hem op non-actief. Tussen 1957 en 1960 zijn er in zijn discografie dan ook geen opnamen terug te vinden. In 1960 is Ferdy helemaal terug van een aantal jaartjes weggeweest. Op het Champ label brengt hij in 1960 de eepee (een single met vier tracks) “Liedjes uit Will Ferdy’s One Man Show ’60″ uit met daarop Appelhistorie, Geld Geld Geld, De duivel en Het Schrijverke. Will Ferdy wil koste wat het kost het gedicht “Het Schrijverke” van Guido Gezelle op muziek zetten en op plaat uitbrengen, maar geen enkele firma heeft er oren naar. Op dit label worden in die tijd ook de singletjes van Rocco Granata uitgebracht met wie hij hier nader kennismaakt. Rocco duikt trouwens zo meteen nog in dit verhaal op. Met het oog op het Eurovisiesongfestival zoekt de VRT in 1963 een geschikt nummer voor deelname aan dit intussen immens populaire liedjesfestival.  Er wordt geselecteerd uit negen voorronden met telkens twaalf kandidaten. Deelnemers zijn onder andere Bob Benny, Enny Denita, Freddy Sunder, Jean Walter, Jo Leemans en Will Ferdy. Zes kandidaten betwisten de finale: derde wordt Rina Pia met Er speelt een orgel, tweede Lize Marke met Luister naar de wind en eerste Jacques Raymond met Waarom. Will Ferdy viel onderweg vrij snel uit de boot. In Londen eindigt Jacques Raymond de drieëntwintigste maart 1963 op de tiende plaats. Denemarken wint met het nummer Dansevise gebracht door Grethe en Jörgen Ingmann.

In 1964 vertaalt Will Le moribond van Jacques Brel en neemt het op in een productie van Eric Smets op het Delta Label, in de maand maart van 1961 opgericht door de Nederlander Hans Kellerman. Op dit label worden ook de liedjes van onder meer Marc Aryan en Alberto Cortez verdeeld. Vaarwel Emiel wordt vaak door de programmasamenstellers gedraaid, maar geraakt niet in de Vlaamse Top Tien. Intussen had Rocco Granata, om precies te zijn de achttiende augustus 1962, zijn eigen muziekuitgeverij opgericht “Granata Music Edition” en in 1964 zijn eigen platenlabel “Cardinal Records” opgericht. Op dit label zullen Louis Neefs, Miel Cools, Marva, De Elegasten en veel later Sarah Bettens hun liedjes uitbrengen. Rocco tikt ook Will Ferdy op de schouders met de vraag of hij niet bij zijn platenstal wil komen. In 1965 brengt Ferdy op dat label De stervende opnieuw uit, gekoppeld aan drie nieuwe liedjes: De molens van het Vlaamse land, ‘t Was in Ieper of in Veurne en Van Brugge naar Damme. Een deel van die liedjes werd  samen met het orkest van Francis Bay opgenomen.

De golden sixties worden voor Will Ferdy letterlijk zijn gouden jaren  met als gouden uitschieter Christine, van de eerste tot de laatste letter en noot een waargebeurd verhaal. Een liedje dat eigenlijk over zijn homofiele relatie ging, maar je outen kon en mocht in die tijd niet. Will schreef het liedje toen hij zijn vriend na een jarenlange relatie weer terugzag. De tekst is letterlijk een weergave van zoals de situatie zich toen tijdens die ontmoeting voordeed. De naamkeuze is louter toevallig en het bleek achteraf een goede gok te zijn, want waar Will ook optreedt, dat liedje blijft aan hem kleven, het is een vaste waarde geworden in zijn repertoire. Ook dit liedje produceerde Will samen met Eric Smets. Jaren later verschijnt pas de definitieve versie van Christine op cd onder de titel Mijn vriend. Zo had het al die jaren in het hoofd van Will rondgespookt en zo was het in eerste instantie ook bedoeld. Het was voor hem een hele bevrijding toen hij dit in deze versie aan zijn fans en de rest van Vlaanderen kon laten horen. In 2000 verschijnt er op zijn eigen label WFP Records een cd met daarop zes verschillende versies van Christine: de officiële versie, die in het Engels, het Frans, het Duits, het Gents en de parodie Christine Nu, alle in een arrangement van Bert Müller.

Na Christine pakt Will in 1966 op het Cardinal label uit met het lied Belijdenis dat hij samen met Al Rimont had geschreven. Dat liedje was al vijf jaar eerder op het Olympia Label op de eepee “Poëtische liedjes” verschenen met daarnaast ook de nummers: Zusterke Begijn, Avond in de haven en Die avond en die roze. In 1966 wordt de driejaarlijkse prijs “De Grote Prijs Will Ferdy” voor het eerst op het getouw gezet. Achter deze competitie scharen zich De Gazet van Antwerpen en Cardinal Records. Veertig kandidaten traden toen op in acht steden. Per stad werd dadelijk één winnaar aangeduid die bekroond werd met een zilveren medaille en gelijk doorstootte naar de halve finale. Vijf geselecteerde kandidaten betwistten uiteindelijk de overwinning in een boeiende finale. Uitgangspunt van deze prijs was een zoektocht naar degelijk Nederlandstalig talent. De eerste editie wordt door Ronny Davis gewonnen. De laatste editie had in 1988 plaats met de jaren tussendoor als bekende winnaars: Frank Dingenen, Jan Puimège en Raf en Mich Walschaerts, beter bekend als Kommil Foo.

Zelf heeft Will nooit om prijzen verlegen gezeten. In 1967 ontvangt hij met trots “De Eugeen De Ridderprijs” van Sabam voor zijn totale oeuvre. In 1968 neemt hij samen met het orkest van Francis Bay de elpee “Ferdy ‘ 68″ op met in het totaal dertien liedjes met als uitschieter zijn versie en aangepaste tekst van Het Vlakke Land van Jacques Brel. Ook de nummers Ik verlang naar jou en Liever lief zijn uit dat album zullen snel nadien op single worden uitgebracht. In 1970 brengt platenfirma Arcade het album “De beste van Will Ferdy” op de markt. Omdat de Nederlandse taal hem na aan het hart ligt en hij zich ontzettend inzet om de Nederlandse taal de plaats te geven die haar toekomt, neemt Will in 1971 een ganse elpee op met uitsluitend composities van zijn vechtende evenknie, wat betreft de Vlaamse kwestie zullen wij het maar even noemen, Armand Preud’homme. Het album heet dan ook toepasselijk “Will Ferdy zingt Armand Preud’homme”. Twaalf bekende liedjes van deze Limburgse componist met als single Mijn heerlijk Kempenland. Op deze plaat, die door Rocco Granata zelf geproduceerd wordt, krijgt hij de steun van het orkest van Francis Bay en de Bob Boon Singers.

De vierde december 1970 praat Will in het programma “Inspraak” op VRT-televisie ongedwongen en openhartig over zijn homoseksualiteit die hij al die jaren voordien angstvallig had verzwegen. De gevolgen van die outing zijn niet te overzien. Vele organisaties laten hem vallen. Het aantal optredens daalt zienderogen. Zijn platenverkoop heeft er niet echt onder te lijden, vooral omdat de nationale omroep hem blijft programmeren. Zijn toenmalige vriend kan de belangstelling in de media echter niet aan en verbreekt uit angst hun relatie. Ferdy belandt in een zware depressie. Die depressie blijft maanden aanslepen, maar Will blijft optreden en tussendoor de liedjes humor verkopen. Dit blijkt achteraf de beste therapie om er bovenop te geraken. Naast het podium ziet hij het echter niet meer zitten. Een dokter raadt hem aan een behandeling met injecties te beginnen. Die kuur werkt wonderwel, al heeft Ferdy nooit geweten wat hem precies werd toegediend. Na een tijdje voelt hij zich supergelukkig ook al was er op dat moment geen nieuwe liefde in zijn leven. Het is alsof hij naar het leven kijkt door een roze bril. In de slipstream daarvan brengt hij in 1972  op het Philips label het album “Ik ben van ver teruggekomen” uit, twaalf liedjes die hij samen met jazzmuzikant Eddie Defacq schrijft. Er wordt opgenomen met het combo van Roland Thyssen en producer Jean Darlier.  Twee jaar later is er de elpee “Ferdy ’74″ met daarop de single Kom dans met mij en een vertaling van La jalousie van Henri Salvador. Datzelfde jaar is er de verzamelaar “Ferdy zingt Jacques Brel… en Ferdy”, een selectie van vertalingen van Brel en door hemzelf geschreven chansons. Van dit album worden er méér dan vijfentwintigduizend exemplaren omgezet, goed voor goud!

In 1975 neemt hij in het Casino van Middelkerke deel aan “De Gouden Sirene” (voor het eerst georganiseerd in 1969), op het getouw gezet om het Belgische lied een extra duw in de rug te geven en vooral de auteurs en uitvoerders aan te moedigen. Dat jaar wint Vivi met Klatergoud geschreven door Gerd Frank en Raymond Resmann, krijgt Jacques Raymond “de prijs van het publiek” toegewezen en wint Will Ferdy “de persprijs”. In de marge vermelden we dat deze reeks ook in Wallonië georganiseerd werd, in 1973 door Will gewonnen met het liedje Ainsi soit-il waarvoor hij de “Sirène d’Or” kreeg uitgereikt evenals de interpretatie-wisselbeker “Challenge Michel Toussaint du Ministre de l’Education Nationale”. In 1976 brengt hij in een productie van Al Van Dam op het Herba label de elpee “Peterke-mijn fiets en vele andere fratsen” uit. Datzelfde jaar is er ook het album “Will Ferdy recital ’76″ met daarop ook de stem van Yvette Ravell en is er de plaat “Mijn concerto voor jou- Brugse Reien”. In het totaal twaalf liedjes in een productie van Jean Darlier met op dat album de Franse versie van La mer van Charles Trenet. In 1978 zet hij zijn dertigjarige carrière in de vinylen bloemen met de elpee “30 jaar Will Ferdy – Omdat daar niemand wacht” met daarop naast de titelsong Omdat ik niet verlang, Birdy en L’abbaye des dunes.  

Will is blij verrast wanneer hij in 1980 van Radio 2 Omroep West-Vlaanderen de kans krijgt om het programma “Zilverdraden tussen goud” te presenteren. Drie jaar later glundert hij opnieuw wanneer hij van het Ministerie van Nederlandse Cultuur de “Medaille Pro Musica ” (hij vierde dat jaar zijn 35-jarig zangjubileum) in ontvangst mag nemen  en geridderd wordt in de kroonorde. Op platengebied is er de release van het album “Meegaan met je tijd” en “Mijn liedjes volume 1″, een overzicht van zijn bekendste liedjes opgenomen tussen 1948 en 1983. Met het door hemzelf geschreven Ik hou van jou, je t’aime tant, ich liebe dich scoort Will Ferdy in het najaar van 1984 na al die jaren nog eens een dikke radiohit. De vijftiende december van dat jaar staat hij met dat nummer op één in de Vlaamse Top Tien. De tweeëntwintigste juni van het daaropvolgende jaar vinden wij hem in diezelfde hitlijst op de zevende plaats terug met Een wals van duizend tellen. Wie een beetje thuis is in het repertoire van Jacques Brel vermoedt meteen dat dit een vertaling is van diens La Valse à mille temps. Het jaar nadien zal hij nog twee keer in diezelfde Top Tien opduiken en wel met Zo af en toe en Dag winter, telkens goed voor een zevende plaats. Nadien lijkt het alsof die hitlijsten hem niet meer lusten. Dan is het qua hitnoteringen over and out.

Méér over zijn leven en zijn carrière  komen we in 1987 aan de weet  in zijn autobiografie ” Zo ben ik nu eenmaal”. Twee jaar later verschijnt het vervolg “De waarheid”. In de zomer van 1990 brengt het Hebra Label de cd “Will Ferdy gisteren, vandaag en morgen” uit. Achttien liedjes die een bondig overzicht geven van het repertoire dat Will de voorbije jaren bij mekaar heeft gezongen. In 1991  is er het derde deel van zijn levensverhaal “De moeilijke jaren”. De erkenning voor zijn talent  blijft aanhouden, want in 1993  ontvangt hij van Sabam het “Fuga-beeldje” voor zijn grote inzet voor het betere Vlaamse lied. Datzelfde jaar wordt hij de tiende december gevierd voor zijn vijfenveertigjarige carrière. Om dat talent extra in de verf te zetten, pakt BMG in 1995 in de reeks “De Atomische Jaren” uit met “De eerste successen van Will Ferdy”, een overzicht van de hits die Will in de jaren vijftig scoorde met onder meer Het regent in de straten, Abadaba, Mijn schatteke, Istanbul en Zie- de ge  me gère. Duidelijk hoorbaar  een andere Will dan wij intussen gewoon waren geworden. Gepusht door het succes van deze verzamelaar en om hem in een juist daglicht te stellen, is er het jaar nadien de verzamelaar “De grootste toppers van Will Ferdy” met: Het schrijverke, Christine, Het Vlakke Land, De stervende en Belijdenis. In zijn voorwoord schrijft Luc Arys bij deze plaat  ”Terwijl Will Ferdy zijn carrière met succes blijft uitbouwen, zijn wij bijzonder verheugd deze verzameling van uiterst waardevolle liedjes uit de voorbije jaren te kunnen aanbieden. De meeste ervan verschenen nog niet eerder op cd”. En de fans zijn er blij mee. Die zijn ook blij wanneer zij in 1994 Will bij Radio 2 horen opduiken in de rol van Mielke in de succesvolle radioreeks “‘t Koekoeksnest”.

In 1996 gaat Will even door de knieën. Een hartoperatie blijkt nodig om hem opnieuw kaarsrecht te krijgen. Het mag cynisch klinken, maar dat jaar is er het album “Ik ben er ook nog!”, achttien liedjes gearrangeerd door Paul Vermeulen en Chris Peeters en uitgebracht op zijn eigen label WFP Records. Een jaar later viert hij in de Antwerpse “Arenbergschouwburg” op de zesentwintigste november zijn zeventigste verjaardag in het gezelschap van een pak zingende collega’s. Hij staat dan ook uitgerekend vijftig jaar op de planken en krijgt daarvoor van Sabam een eremetaal. Omdat er zoveel vraag naar is, brengt platenfirma Silver Star in 2002 de albums “Will Ferdy, de pionier van het Vlaamse lied volumes 1 en 2″ uit. Omdat Will Tura en andere goden regelmatig in Vorst Nationaal optreden, ziet Will Ferdy dat ook wel zitten wanneer hij in 2004 tijdens het nieuwjaarsconcert van de Vlaamse Federatie van Socialistische Gepensioneerden mag optreden. Van die gelegenheid maken een aantal collega’s gebruik om hem nog maar eens te eren.

Will weet van geen ophouden. Zo is er in het vroege voorjaar van 2005 de cd “Ik dacht ik heb mijn tijd gehad”, opgenomen in de DK recording studio van Rudy De Keyser. Producer van dienst is zoals zo vaak Eric Smets. Wij maken kennis met zijn nieuwe vaste begeleider, de in 1980 in Gent geboren toetsenist Jürgen De Smet. Samen met Jürgen schrijft hij voor dit album een aantal nieuwe liedjes: Ik vraag metelkens af, Deze melodie en Beetje bij beetje. Hij vertaalt ook de evergreen Les feuilles mortes en You needed me dat ooit een hit was voor de Canadese zangeres Anne Murray. Een jaar later is er het album “Will Ferdy & Jürgen De Smet, En de jaren gingen voorbij”. Op de binnenhoes lezen wij:   ”De vraag wordt mij vaak gesteld of ik er nog lang mee doorga. En dan antwoord ik dat ik het zal doen zolang ik het goed doe. Ik heb voorbeelden genoeg om mij aan op te trekken: Charles Trenet, Toon Hermans, Charles Aznavour, Frank Sinatra…”.

Zijn verjaardag vormt vaak een kapstok om er een nieuwe plaat aan op te hangen. Zo was er in 2002 toen hij vijfenzeventig werd het album “In wel en wee” met als extraatje een opnieuw opgenomen versie van zijn eerste grote hit Zie-de ge me  gère, deze keer in een quickstep-arrangement van Bert Müller, én het Engelstalige April Showers.  Met een roze strikje eromheen mag Will het in de zomer van 2006 meemaken dat hij uit handen van Robert Long de titel van “Mister Gay” overhandigd krijgt. Die prijs werd in het leven geroepen door het Nederlandse maandblad “Gay Krant”. Reeds eerder waren Paul de Leeuw en Jos Brink tot “Mister Gay” uitgeroepen. In 2007 wordt Ferdy tachtig en viert dat met het album “Will Ferdy 80, een leven vol muziek”. Twintig tracks met als hekkensluiters de sketches Peterke ga eens op die stoel staan en Flup de facteur. Het jaar nadien glimlachen wij even nostalgisch wanneer wij Will aan de zijde van Jo Leemans zien opduiken in het Eén-programma “Zo is er maar Eén” met hun versie van “Het kleine café aan de haven” van Vader Abraham. De tiende oktober staat  hij op de planken van de Bourlaschouwburg als feestvarken tijdens het galaconcert  ”60 jaar Will Ferdy”.  Er is dan ook het album “Voor elk moment – 21 gouden liedjes uit zijn zestigjarige loopbaan”, een compilatie met daarop zijn  mooiste liedjes waarop hij terecht trots mag zijn.

In 2013 besluit Will Ferdy om tegen de zomer van 2014 een definitief punt achter zijn carrière te zetten. Hij zal dan zevenentachtig zijn. Hij wil in schoonheid afronden en doet dat met de theatertournee “Nu en Toen”, daarin begeleid door toetsenist Jürgen De Smet. De negende maart 2013 brengt hij nog het album “Nu en toen” uit met daarop nieuwe liedjes als Liefde heeft duizend namen en Die vriendschap van jou.

Eind december 2014 brengt Pact-Producties in “De Bathyscaaf” in Aalst de toneelproductie “Ferdy” naar een idee van Danny Cobbaut over de moeilijke jaren 60-70 in de carrière van Will. Vier acteurs belichten telkens een facet uit die periode, gebaseerd op het gelijknamig autobiografisch boek van Will. De zestien geplande voorstellingen waren in een mum van tijd uitverkocht.

De vijftiende januari 2015 heeft in het “Centrum voor Beeldexpressie ” de première plaats van de kortfilm “Embras” van regisseur Ward De Waele met aan de zijde van Will, Dirk Lajoie, Griet Debacker, Jet Vergaert en Lily Castel.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Bart Herman

Je kan hem krijgen in alle maten en gewichten, Bart Herman. Zes formats heeft hij in de aanbieding waarmee hij desnoods tot bij je thuis in je living wil optreden. Er is anno 2013 het theaterprogramma “Drie akkoorden en de waarheid”. Hierin laat hij horen hoe hij sinds zijn eerste hit Ik ga dood aan jou tot nu is geëvolueerd.  We zien Bart als een artiest pur sang. Met zijn vijfkoppige band is hij ook te smaken in het programma “Bart Herman in concert”. Daarnaast treedt hij op vraag ook “live on tape” op en zingt dan zijn bekendste nummers. In 2013 liep een tijdje zijn theatershow “20 jaar later” met daarin een overzicht van zijn twintigjarige carrière die in 1993 van start ging. Wij kunnen ook van “Bart Herman solo” genieten. Niet alleen van zijn liedjes, maar eveneens van zijn boeiende, intieme verhalen die de man Herman zonder schroom blootleggen. En tot slot zijn  er “De Huiskamerconcerten”. Hij komt maar al te graag bij je thuis optreden: Herman, zijn gitaar en zijn onafscheidelijke liedjes.

Bart wordt de veertiende februari 1959 als een echt liefdeskind op Valentijnsdag in Wevelgem geboren. Zijn tien maanden oudere broer is zeer muzikaal en hij heeft nog een zus die zeven jaar jonger is dan Bart. Papa Frans was aanvankelijk onderwijzer, passeert de centrale examencommissie met glans om nadien muziekpedagoog te worden. Muziek heeft Bart met de paplepel meegekregen, want zowel zijn vader als zijn grootvader waren uitstekende muzikanten. Papa Frans heeft een groot deel van zijn leven muziekles gegeven aan kleuterleiders en aan regenten. De liedjes in de handboekjes “Doremi” die door uitgeverij Averbode gepubliceerd werden, zijn van de hand van Frans Herman. Mama staat ook voor de klas als leraar Nederlands, gespecialiseerd in dictie. Bart gaat tijdens zijn jeugdjaren dan ook dolgraag naar de dictie- en voordrachtles, liever dan dat hij met muziek bezig is. Thuis stond altijd muziek op. Er ging geen dag voorbij of er werd naar muziek geluisterd. Bart leert op die manier door de jaren heen zowat alle klassieke componisten kennen met een voorkeur voor Mozart. Over pop werd er niet gesproken en zeker niet naar geluisterd. Wie wel nog door de beugel konden, waren Willem Vermandere en Boudewijn De Groot. De kleuterafdeling en de lagere school volgt Bart aan het Sint-Amandscollege Zuid in Kortrijk waar ook Bart Van den Bossche les volgt. Wanneer Bart naar het vijfde leerjaar overgaat, verhuist de familie Herman naar Sint-Niklaas waar Bart ook de eerste twee jaar van zijn middelbare schoolopleiding volgt om nadien naar Wetteren te verhuizen waar hij de overige vier jaar van zijn middelbare studies vervolledigt. Dat vergt veel aanpassingsvermogen, maar hij geraakt toch zonder problemen aan zijn diploma.

Papa Herman was onder meer directeur van de muziekschool in Roeselare waar Bart vanaf zijn zevende naartoe trok. ‘s Woendags en ‘s zaterdags wordt daar sowieso veel gezongen. Hij zingt als een voorbeeldige jongen ook in het kerkkoor. Daarnaast is Bart in zijn vrije tijd een hevige sportbeoefenaar met maar één droom en dat is turnleraar worden. Maar de betavakken zoals wiskunde en scheikunde zijn niet zijn favoriete leervakken en hij weet na een tijdje dat hij naar een andere hogere opleiding moest uitkijken en dat wordt de licentie Germaanse talen al twijfelt hij enkele dagen voorafgaand aan zijn inschrijving nog of hij geen acteur wil worden, maar pa en ma kunnen hem dat uit zijn hoofd praten. Tijdens zijn universitaire opleiding aan de universiteit in Leuven last Bart voldoende tijd in om tussendoor piano en gitaar te spelen. Noten lezen en schrijven heeft hij nooit geleerd. Hij speelt nog altijd louter op het gehoor. Met enkele van zijn studiegenoten Peter Peyskens, Philippe Cnudde, Herman De Rijcke en Luc Vanderhaeghen richt Bart Herman de groep Penthouse op met een voorliefde voor Engelstalige rock. Dat resulteert in 1983 in het album “Neighbour fool” uitgebracht op het Colour Label, geproduceerd door Herwig Duchateau en Marc Van Beveren, de latere manager van Isabelle A, en met als songs onder andere Party Moods, So long ago en Neighbour fool dat ook op single verschijnt. Hun stijl klinkt een beetje punk, vermengd met new wave. In Leuven, waar Bart in 1981 was afgestudeerd en werkzaam was aan de afdeling sinologie en Engelse literatuur, heeft hij de Britse Belg Simon Smith ontmoet en zij ontdekken dat zij beiden gefascineerd zijn door country rock en richten de groep “White Line Fever” op, zo genoemd naar een van de bekendste songs van de Amerikaanse Flying Burrito Brothers. Hun repertoire varieert van Jim Reeves tot en met Billy Ray Cyrus, zelfs een country getinte Bruce Springsteen. Zij treden vaak op in clubs waar Amerikanen die hier werken zich na hun uren komen ontspannen. Daar houden zij zo’n twee à drie optredens per week aan over. Als kers op de taart wonnen zij in 1984 “The Euro Country Music Award”. Hierdoor gaan zij heel vaak in Nederland spelen waar in bepaalde circuits countrymuziek gekoesterd wordt. Om nog wat méér pure country te spelen, richt Bart de “Bandanna Band” op en met die nieuwe muzikanten slaagt hij erin een tournee los te peuteren in Zuid-Spanje. Hier doet Bart niets liever dan als een heuse Presley impersonator een regelrechte Elvisimitatie neer te zetten. Zij worden jaren na elkaar vaak en graag gevraagd tijdens zomerfestivals.

Op zekere dag krijgen zij bezoek van enkele producenten uit Miami die op zoek zijn naar meertalige zangers. Zij moeten niet alleen Nederlands, maar vooral Engels, Frans en indien mogelijk ook Duits kunnen spreken. Tijdens de auditie zingt Bart drie liedjes en wordt er van hem een interview in vier talen afgenomen.  Bart blijkt voor hen de geschikte man te zijn. Twee weken later trekt hij naar San Juan in Puerto Rico om daar aan boord te gaan van een cruiseschip. Er wordt een heuse show op het getouw gezet met een voltallig Canadees orkest, een zangeres, een goochelaar met daar bovenop zes dansers en danseressen als oogstrelende ruggesteun. En dus Bart als zanger! Zij brengen vijf maal per week, tweemaal daags, een gevarieerde show, telkens onder een andere hoofding. De ene keer een Franse show, vervolgens een Griekse, dan een rock ‘n roll show en dan weer eens een latino show. Deze periode is voor Bart een geweldige leerschool waar hij vooral leert met beide voeten op de grond te blijven staan, zeker niet te gaan zweven. Bart verblijft als member of the crew een half jaar in de Caraïben en nadien een half jaar op de Baltische Zee. Wanneer Bart op zekere dag van Guadeloupe naar Amsterdam vaart, waar zij twee weken aangemeerd blijven, werkt hij enkele optredens af in Vlaanderen, onder meer eentje in een restaurant op Place Montgomery in de buurt van het VRT-gebouw in Brussel. Bart trad daar heel puur op met piano en gitaar. Hij ontmoet daar Olivier Verhaeghe, een Franstalige producer, die hem voorstelt na zijn cruise-avontuur contact op te nemen om eventueel een plaat op te nemen. Drie maanden later zit het zeevaartavontuur van Bart erop, neemt opnieuw contact op met die producer en mag zijn eerste single opnemen. Wij schrijven dan 1990 en als eerste nummer neemt Bart voor Private Live Records het nummer Wat ik voel op met op de B-kant Ogen van lood. Het werd geschreven door pianist Jan Deglinne die Bart nog kende uit de tijd van de Bandanna Band op tekst van Roland Persoons. In 1992  wordt Bart door het boekingskantoor van Jacques Vermeire gevraagd of Bart niet exclusief bij hen wil komen met als gevolg dat hij tijdens de zomer van dat jaar het muzikale aandeel mag verzorgen in de show die Jacques Vermeire en Luc Verschueren aan de kust verzorgen, zesentwintig in het totaal. Dat was letterlijk hard werken en lachen geblazen en voor Bart een zomer om nooit meer te vergeten. In de nasleep van die show treedt Bart Herman op het einde van 1992 op in de oudejaarsavondshow “Oei Jacques” op Eén. Hij brengt dat jaar ook nog het stevig rockende Marie- Christine uit, geschreven door hemzelf samen met Erim Imhauser, Vito Lucente, Wim Claes en Chris Hileman. Iets later is er de ballade Jij bleef waar je was, een nummer van de hand van Eric, Vito, Bart en Johann  Boonen.

Geen enkele single scoort in de hitlijsten, maar Bart verliest de moed niet. Jef De Bie, de roddelende haarkapper uit het Radio 2 programma Roddelradio van Dirk Somers, werd een tijd lang de manager van Bart Herman. Zij beslissen dat Bart zich in 1993 inschrijft voor Eurosong. Samen met Vito Lucente, Johan Boonen en Eric Imhauser schrijft hij zittend aan de piano Ik ga dood aan jou. Het merendeel van die heren is dan ook nog eens Franstalig. Het is Johan’s idee om het gezegde Ik ga dood aan jou te gebruiken, een haast niet Nederlands klinkende uitdrukking. Van de pers krijgt hij daarvoor trouwens nadien lik op stuk. Tijdens vier voorronden passeren een hele rist Vlaamse artiesten de revue. In de finale blijven er twaalf kandidaten over. Van de vakjury krijgt Bart het maximum van de punten, maar het publiek kiest voor Barbara. Lisa Del Bo eindigt derde met Vlinders, Bart Herman tweede en winnares wordt Barbara Dex met Iemand als jij. De vijftiende mei zingt zij in Millstreet in Ierland tijdens de 38ste editie van het Eurovisie Songfestival en eindigt op de laatste plaats. Winnares wordt de Ierse zangeres Niamh Kavanagh met In Your Eyes. Voor Bart wordt die editie van Eurosong wél een succes. Ook al zag hij die deelname niet zitten, toch produceert Olivier Verhaeghe de singleversie van Ik ga dood aan jou die binnen de kortste keren op één staat in de Vlaamse Top Tien. Hij zal daar vijf weken na mekaar blijven postvatten. De vierentwintigste april staat Bart zelfs op twaalf in de Top Dertig. Van Radio 2 krijgt Bart tijdens “Zomerhit” de trofee van beste song van dat jaar overhandigd. Olivier Verhaeghe staat erop dat Bart ook een Engelstalige versie opneemt en dat wordt I would die for you. Vreemd genoeg slaat die versie aan in Wallonië.

Met hetzelfde team worden elf songs geschreven voor het album “Metropool” dat in 1993 op het Alora Music Label wordt uitgebracht, verdeeld door Polygram, met daaruit de singles Nooit, Alles valt stil, Ilona en Angela. Zij spraken ‘s avonds af, schaarden zich rond de piano en nadien rond de tafel en schreven in samenspraak een ganse cd vol. Bart brabbelt eerst zijn teksten in het Engels, een soort Engels dat nergens op slaat, en werkt dan vooral met Johann samen aan de Nederlandstalige teks waarbij zij ervan uitgaan dat de muziek voor zich moet spreken.  In de maand april van dat jaar wordt er ingeblikt in de studio’s “PLR Impuls” en “Pyramide”. Bart krijgt de steun van muzikanten als Marc Cotens, Ben Dassie, François Garny, Philippe Mobers, Wim Claes enz… Alleen het nummer Nooit geraakt in de Top Tien, staat op acht de eenentwintigste augustus 1993. Tijdens de “Zomerhiteditie” van 1994 mag Bart voor het liedje Ilona de trofee in ontvangst nemen van beste Nederlandstalige opname. Van die dag af zal hij in Radio 2 voor de rest van zijn carrière een trouwe bondgenoot vinden. In 1983 was Lara de toenmalige Zuid-Afrikaanse vriendin van Bart en haar zus heette Ilona. Bart was dat al die tijd zo’n mooie naam blijven vinden, dat hij niet anders kon dan er een liedje over te schrijven. Het enige liedje op dat album “Metropool” dat hij in zijn eentje schreef. Uit respect voor Lara en om de kerk in het midden te houden, zal Bart later ook een liedje aan Lara opdragen. Het duurt wel enkele jaren vooraleer “Metropool” met goud wordt bekroond, dat was in 1997. Over een traag succes gesproken. Bart wordt door VTM gevraagd om op te duiken in het panel van “Vakantiekriebels”, een dagelijks magazine tijdens de zomermaanden.

In 1995 worden in opdracht van Olivier Verhaeghe, Eric Imhauser en Vito Lucente aangeduid als producers van het album “Aquarius”. Met leden van zijn toenmalig orkest trekt Bart naar de “PLR Studio”. Aan het schrijversteam wordt niet veel gewijzigd behalve dat Wim Claes die in de band van Bart speelt ook mag meeschrijven. Twaalf liedjes in het totaal. De eerste single wordt Waterman dat wel op voldoende airplay kan rekenen, maar niet aanslaat in de Vlaamse Top Tien. Ook niet de volgende singles Foto’s, Het is voorbij en Lang voorbij. De vierde mei stelt Bart het album in primeur aan de pers voor. VTM vraagt hem om op het einde van dat jaar als gast mee te spelen in de populaire reeks “Wittekerke”. De televisie ontdekt de kwaliteiten van Bart als presentator. Voor VT4 presenteert hij vanaf de derde februari 1996 tot en met de achtste mei 1996  ”Doet ie het of doet ie het niet?” naar een succesformule bij de Vara vanaf 1988 gepresenteerd door Peter Jan Rens. In jeans pak en met zijn onafscheidelijke gitaar op schoot in een of ander station prijkt Bart op de hoesfoto van zijn derde album “Café de la Gare” begeleid door onder andere Frank Michiels, Leo Caerts, Wim Claes en Kris Wauters. Bart schrijft het merendeel van de liedjes zelf of in samenwerking met Wim Claes, Jan Deglinne en Marc Lambin. De eerste single daaruit wordt het heerlijk countrygetinte Lieve dromer. In opdracht van Olivier Verhaeghe neemt Richard Drachman de productie voor zijn rekening. Bart aast allang niet meer op een plaats in de Vlaamse Top Tien. Hij krijgt méér dan voldoende airplay, treedt vaak op en voelt zich als een vrije vis in het al even vrije water. Hij vertaalt de hit Elle a les yeux revolver van de Franse chansonnier Marc Lavoine en zingt badend in een overvloed van galm Ogen van lood. Intussen mogen we dit nummer als een Hermanklassieker beschouwen, ook al is het nummer niet van zijn hand. Van zijn collega Marc Lambin, die een tijdje de spil was van de groep Biljarten na half negen, leent hij het nummer Z’is in mijn hoofd dat de volgende single wordt. In een poging om een publiek te bereiken dat geen albums koopt, wordt ook Mijn hart is nu van jou op single aan de man gebracht. Van Bart is intussen geweten dat hij graag een pintje lust. Hij schrijft vanuit die ervaring  Als ik drink.  ”Wat ik drink gaat naar mijn hoofd. Had ik niet mezelf beloofd dat ik me vandaag helder voelen zou? Is het slecht of is het goed? Ik ga te rade bij mijn bloed dat zegt: “Ik voel wel wat voor jou”.

Omdat Bart een enorme bewondering koestert voor Jean-Jacques Goldman die eerder al was doodgeknuffeld door Céline Dion gaat hij in 1997 toelating vragen om twaalf liedjes van hem te vertalen, wat resulteert in het album “De slag van mijn hart” geproduceerd door Olivier Verhaeghe en opgenomen in diens studio Private Live in Brussel. Aanvullende muzikanten zijn Gilbert Delsire, Siska Ducheyne, Phillippe Beaulieu, Gabrielle Page en Sylvain Godenne. Als eerste single wordt gekozen voor Als je morgen weggaat dat Goldman schreef voor Laurent Pagny die in Frankrijk met Si tu veux m’essayer een behoorlijke hit scoorde. Naar aanleiding van de release van het album zendt Eén de drieëntwintigste november een special rond Bart Herman uit. De negentiende december 1997 en de elfde april 1998 duikt Bart op in de rol van Pontios Pilatus in de musical “Jesus Christ Superstar” in Vorst Nationaal. Een jaar later levert Bart zijn vijfde album af “Hacienda” met daarop in texmexstijl liedjes als Blijf hier vannacht, gebaseerd op een Mexicaans studentenlied. Als eerste single hieruit is er het countrywalsje Ma. Dat levert mainstreammuziek op net zoals Zo lang als ik leef. Misschien mogen wij “Hacienda” tot zijn tot nu toe minst opgemerkte cd rekenen. Is zelfs niet op i-tunes te vinden, geraakte door de jaren heen een beetje verloren tussen de muzikale plooien. Bart heeft intussen zijn muzikale evenknie gevonden in de Nederlandse kleinkunstenaar van het eerste uur Dimitri Van Toren met wie hij op tournee gaat onder de vlag “Is liefde wel genoeg”, in het totaal goed voor zo’n honderdtwintig voorstellingen, en met wie hij in 2000 de single Kijk es in de spiegel opneemt. Hij is daarmee de drieëntwintigste september van dat jaar op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien terug te vinden. Met Dimitri was hij al te zien en te horen sinds 1998 in het theaterprogramma “De Komplete Kleinkunst Kollektie” samen met Miek en Roel en Miel Cools. Bart staat ook open voor de voorstellen van zijn collega’s. Wanneer Willy Sommers op aanraden van zijn producer Roland Verlooven bij Bart gaat aankloppen met de vraag of hij geen rist Franse hits wil vertalen voor zijn album “Alleen de liefde overwint”, gaat Bart meteen akkoord.

Van verbazing kijkt haast iedereen op wanneer hij de zevenentwintigste januari 2001 op één belandt in de Vlaamse Top Tien met Slaap mijn kind, van de eerste tot de laatste noot en woord van de hand van Bart in een productie van Francis Goya. Slaap mijn kind levert Bart in 2001 tijdens Zomerhit de trofee op van beste Nederlandstalig lied van dat jaar. Dat liedje wordt meteen toegevoegd aan het album “Bart Herman Verzameld” met daarop negentien van zijn meest bekende liedjes. Het is eveneneens te beluisteren op zijn zesde cd Ver Gezicht dat een jaar later in de rekken ligt. Intussen hadden de singles daaruit Herfst en Vergezicht café de revue gepasseerd. Herfst duikt heel even in de staart van de Vlaamse Top Tien op, maar is snel uit het zicht verdwenen. Bart ging voor dit album samenwerken met de Waalse gitarist Francis Goya die de meesten nog wel zullen kennen van zijn wereldhit Nostalgia. Francis brengt Bart qua arrangeurs in contact met bekende jongens zoals Ralp Benatar en Tars Lootens. Zowel Francis als Tars spelen mee op het album alsook Evert Verhees, Fabrice Mancini en Pierre Michaud, om er een paar te noemen. Het album staat bol van de ballads en het countrysfeertje is nooit ver uit de buurt. Naast Slaap mijn kind levert dit album alvast nog een Hermanklassieker op Mama, je hebt gisteren gehuild. Wanneer Bart in 2003 vierenveertig jaar op zijn levensteller ziet verschijnen, brengt hij het album “Bartstocht (langs route 44)” uit. Het wordt een overzicht van zijn levensweg tot dan toe, via liedjes als Gitana Maria en Regen die ook op single verschijnen. Francis Goya is als producer nergens meer te bespeuren, maar wel duikt Wim Schuer op in zijn verhaal daarbij geflankeerd door muzikanten zoals Mike Smeulders, Patrick Steenaerts, Geert Waegeman en Jan Hulsens. Het album straalt een warme en folky sfeer uit, al wordt er hier en daar stevig muziek gemaakt. Het bombastische, theatrale krijgt nergens nog een kans. In 2004 worden de fans verwend met de verzamelaar “De Singles” uitgebracht op het AMC Label. Al zijn singles zijn overzichtelijk te beluisteren op één album. Een deel van die singles waren tot dan toe nog moeilijk te vinden, tenzij jij een trouwe fan van het eerste uur was.

En dan slaat plots het noodlot toe. Bart moet noodgedwongen op de knieën. Bij hem wordt keelkanker vastgesteld. Het roken wordt van af dan streng verboden. Hij duikt een tijdje onder, maar probeert na een half jaar weer recht te kruipen, wat hem ook lukt. Hij gaat vooral live optreden. Samen met piano-en accordeonvirtuoos Mike Smeulders trekt hij langs de theaters met het programma ” Gele Rozen”, brengt hij een overzicht van zijn carrière tot dan toe in ” Vergezicht café” en is hij samen met Dimitri van Toren te zien in het programma “Ik heb het over jou”. In 2005 is er het album “Tuimelkruid” dat hij aan zijn ouders opdraagt met als begeleidende tekst: “Tijdens het schrijven van het Tuimelkruidverhaal werd mij plots het zwijgen opgelegd. Voor even maar, zo bleek, want ik mocht het afmaken”. Het album verschijnt op het Plansjee label en verdeeld door CNR. Producer Patrick Steenaerts is deze keer van dienst en er wordt ingeblikt in studio Audioworkx te Hoogeloon. Tekst en muziek worden door Bart zelf aangereikt met uitzondering van het liedje Ti Vorrei dat kortelings in een Napolitaanse schatkist als studentenlied was ontdekt en dat Bart dolgraag in het Wevelgems dialect vertolkt, én Zonder meer te mooi dat hij samen met Patrick Hamilton schrijft en dat ook meteen op single opduikt. Op de achtergrond horen wij de instrumentale inbreng van onder andere Nils De Caster, Wouter Berlaen, Cesar Janssens en Nico Schepers. Het album klinkt heel gevarieerd, voor de één daardoor boeiend, voor de ander mist het een hoorbare rode draad.  Bart is maar wat blij dat hij ondanks zijn gevecht met de kanker, mag blijven voortleven. In de zomer van 2005 mag hij zijn vocale kunsten vertonen op het Hogeschoolplein in Leuven tijdens “Marktrock”. Een jaar later treedt hij op tijdens “Houden Van” in het Antwerps Sportpaleis aan dez zijde van Margriet Hermans, Juul Kabas, Rocco Granata, Jean Walter, Lia Linda en Willy Sommers. Nog een jaar later zien en horen wij hem op Eén tijdens “Zo is er maar één” waar hij zijn versie laat horen van Blanche en zijn peird van Willem Vermandere. Zonder de hulp van wie dan ook schrijft Bart van de eerste tot de laatse strook al de liedjes voor zijn album “Schatterhand” met een duidelijke verwijzing naar Old Shatterhand uit de Winnetouverhalen van de Duitse westernauteur Karl May. Zowel de hoes als de inhoud van het album laten Bart op zijn country-best horen. Omdat je nu eenmaal singletjes op de markt moet brengen om de aandacht te blijven trekken en in de stiekeme hoop dat je toch in een of andere hitlijst zou kunnen aanbelanden, verschijnen Van de wijs, De zus van Godelieve en Winterslaap op single. De zus van Godelieve blaakt van speelsheid en had net zo goed door The Mavericks op plaat kunnen gezet worden, een knipoog naar de speelse Tex-Mexstijl. In de zomer van 2007 gaat Bart aan de slag tijdens het evenement “Song City”. Acht songsmeden, vier internationale en vier nationale,  worden een week lang opgesloten en moeten een rist liedjes schrijven met als enig doel de méést ultieme song neer te pennen. Songsmeden van dienst waren toen: Elliott Murphy, Garland Jeffreys, B.J. Scott, Wigbert, Milow en Bart Herman naar een idee van Luc Standaert die toen werkte voor de afdeling VRT Publishing.  De 29ste juni lieten zij in het park van het Egmontkasteel te Zottegem het beste van hun kunnen horen en tevens het eindresultaat.

In 2008 vraagt Radio 2 of Bart niet het gordellied wil schrijven en dat wordt Onderweg met jou dat hij als een duet zingt samen met Barbara Dex, ook al zo’n Vlaming die tuk is op country. Van zijn platenfirma Plansjee mag Bart voor zijn vijftigste verjaardag in 2009 het verzamelalbum Uit de mist samenstellen. Uit zijn oeuvre tot dan toe kiest hij zeventien liedjes met als bonustracks de akoestische versie van Ik ga dood aan jou én het daarnet genoemde gordellied Onderweg met jou. Bart schrijft in het bijhorend boekje dat hij dit album als een geschenk, een cadeau beschouwt, in de allereerste plaats een presentje aan zichzelf. Hij vindt ook dat hij de voorbije jaren de rock ‘n roll iets teveel uit het oog en het oor is verloren. Intussen is de mist opgetrokken en roept hij met luide stem ” hail hail rock and roll!” Hij haalde ook een aantal liedjes uit het vergeetboek vandaan, uit de mist zoals hij het zelf zegt, die niet altijd door de media werden gekoesterd, maar die hem na aan zijn hart liggen. Voor eeuwig en altijd, Pistols at dawn en Elite soldaat begonnen op die manier aan een tweede leven. Voor het theater broedde hij op de idee een nieuwe show te lanceren ” My Sun Selection”, een ode aan de jongens van het legendarische Sun Label in Memphis die hem sterk hebben beïnvloed: Jerry Lee Lewis, Johnny Cash, Carl Perkins, Elvis Presley… Als trekhaak voor die productie brengt hij een cover op de markt van Johnny Cash Guess Things Happen This Way, geschreven door Jack Clement. Hij blikte ook Great balls off fire van Jerry Lee Lewis in, maar merkt aan de reacties uit zijn kennissenkring dat Vlaanderen niet zit te wachten op covers van iconische klassiekers uit de Sunstudio. Daar hoor je af te blijven en dus beslist Herman die idee en dito cd maar op te bergen en in de kluis te houden tot een latere datum. Guess Things Happen This Way is wel als bonustrack terug te vinden op het daaropvolgend album “Vlinders, passie, stille tranen” met als opvallende tracks Mijn hart is nu van jou en Alleen vooruit.

In 2012 mag Bart terecht staan glunderen op het podium van het Casino Kursaal in Oostende wanneer zijn nummer Ik ga dood aan jou een ereplaats krijgt in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam. Hij verneemt iets later dat hij in de editie van de “1000 klassiekers” van Radio 2 dat jaar met dat gelauwerde nummer op de vierentachtigste plaats is geëindigd. Hij is ook een beetje trots wanneer hij in interviews de aandacht kan vestigen op het feit dat hij ook voor anderen liedjes heeft geschreven: Wim Leys, Herbert Verhaeghe, De Romeo’s, Luc Steeno, Willy Sommers, Amaryllis Temmerman, Barbara Dex, Liliane Saint-Pierre, Dana Winner, Gene Thomas, Peter Van Laet, Stratovani, Davy Gilles, Edje Ska, Tatyana Storm. In een haast hoorbare stilte had hij zich al die tijd op die manier beziggehouden met een echte songwriter te zijn die zelfs voor de schlager zijn neus niet ophaalt. Dat merkten we maar al te goed wanneer Sergio in 2013 onverwacht een hit scoorde met het door Bart geschreven Je eigen leven. Twee jaar eerder had hij ter nagedachtenis aan het overlijden van wielrenner Frank Vandenbroucke het nummer Lied van de sterren opgenomen in een productie van Wim Claes samen met Franks vriend Nico Mattan. Het nummer deed menigeen de wenkbrauwen fronsen, maar Bart Herman bleef onverwijld achter die keuze staan en maakte er ook een Franse versie van Chanson des étoiles. In 2012 is er nog eens een volledig nieuw album “Drie akkoorden en de waarheid”, deze keer op het door Bart intussen zelf opgerichte Matador label in een productie van de Nederlandse producer Gabriël Peeters en opgenomen in Studio Uncle Gave’s in Eindhoven. De titel van het album geeft  aan dat dit eenvoudige, simpele liedjes zijn die door een gewone muzikant op zijn gewone gitaar makkelijk gespeeld en gezongen kunnen worden. Muzikale steun is er deze keer van Bart Jan Baartmans, Joost van Es, Lesley van der Aa en The Charles Bouquet Horns. Bart schrijft ook deze keer, met hier en daar de steun van Patrick Hamilton, al de nummers zelf. De plaat klinkt alsof ze in Nashville werd ingeblikt, zeker het nummer Senorita Zita, al gaat onze absolute voorkeur uit naar songs zoals Friends forever en Vader die zeker tot de mooiste mogen gerekend worden die Bart ooit geschreven heeft.

Op het einde van de maand oktober 2013 verrast Bart Herman ons met de single Man in de spiegel die hij samen met de Nederlandse groep De 3J’s opnam. Tussen hen en het trio was stilaan een goede band gegroeid die haast moest uitmonden in een samenwerking. In een persbericht meldde Bart daarover: “Voor mij is het een hele eer dat ik met de 3J’s een nummer heb kunnen opnemen. Ik ken natuurlijk hun muziek en kan je zeggen dat wat zij maken van een uitzonderlijke waarde is. Geloofwaardige teksten en melodieën zijn hun handelsmerk en dat is iets dat ons bindt. Wij hebben twee jaar geleden samen een showcase gedaan. Het klikte zodanig goed dat deze Man in de spiegel de uitloper is geworden van een mooie vriendschap en samenwerking.” Man in de spiegel staat trouwens  ook op het album “Dichter bij de horizon” dat van de 3J’s de achtste november 2013 in België en Nederland op de markt kwam.  De zevende februari 2014 is dat nummer ook te horen op het nieuwe album van Bart “Bartje zoekt het geluk”. Die titel heeft hij ontleend aan de kinderboekenreeks van de Nederlandse auteur Anne de Vries. Hiermee geeft Bart aan dat hij een optimist is, die zeker niet wil kankeren, zeker niet de zwarte kant van het leven graag opzoekt. Over dementerende ouderen schrijft hij in het liedje Mama, moeke, ma en dé West-Vlaamse uitdrukking bij uitstek ‘t Zwin deur de bjetten (gebruikt als je op een wilde manier de bloemetjes graag buitenzet) vereeuwigt hij in het gelijknamige liedje. Dit album neemt Bart ook deze keer op met de Nederlandse producer Gabriël Peeters in “Studio Uncle Gabe’s” in Eindhoven. Een speciale dank gaat uit naar onder andere Kris Kristofferson, John Steinbeck, Tony Soprano en Liesbeth Meert die hem tijdens het schrijven geïnspireerd hebben. Dit album levert Bart ook ‘n bescheiden hit op en een meezinger eerste klas. De 23ste augustus 2014 staat hij op vijf genoteerd in de Vlaamse Top Tien met Bartje (is een leuke naam)

Als publiekslieveling van menige culturele centra start Bart vanaf twintig september 2014 met zijn theatershow “Bart zoekt het geluk”. Naast oude nummers, zingt hij ook een rist liedjes uit zijn recente gelijknamige cd. Hij treedt op met een vierkoppige bezetting: mandoline, piano, accordeon en percussie. Als vanouds tokkelt hijzelf op de gitaar. In zijn achterhoofd speelt mee dat op dat moment Sergio op één staat in de Vlaamse hitlijsten met het door Bart geschreven Alleen bij jou, voor Sergio de eerste nummer één in zijn carrière. Intussen verschijnt de vierde oktober 2014 Zusterliefde op single en de zeventiende januari 2015 Mama, moeke, ma. Deze keer blijven de hitlijsten buiten bereik. Hij verrast de fans op Valentijnsdag, de veertiende februari 2015, met het honderd procent countrygetinte Den 1ste bieper.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Unchained Melody

Dat een liedje meermaals een hit kan worden, kan je afleiden uit het succes dat Unchained Melody te beurt viel. De song was al een eerste keer een hit in 1955 toen de melodie in de film “Unchained” opdook. Het nummer kreeg meteen een Oscarnominatie en er verschenen dat jaar zo maar liefst negen verschillende versies op plaat waarvan van het orkest van Les Baxter met de grootste eer ging lopen, een nummer één in “Billboard’s Hot One Hundred”. De vocale eer ging naar Al Hibbler die met zijn singleversie een verdienstelijke derde plaats wist te versieren. Unchained Melody behoort wereldwijd tot de meest gedraaide songs van de voorbije decennia. Het nummer is tegenwoordig een regelrechte hit in “Australian Idol”, “American Idol”, “The X Factor” enz… Vraag aan de eerste de beste voorbijganger of hij/zij dat nummer kent, negen van de tien keer krijg je een bevestiging als antwoord. Er bestaan zo’n duizend verschillende versies van Unchained Melody al blijft die van The Rightheous Brothers bovenaan staan mét stip! Op het Bear Family Label verscheen in 2014 de cd “I hunger for your touch, Unchained Melody” met daarop eenendertig versies van deze popklassieker waaronder Roy Hamilton, Charlie Rich, The Blackwells, Gene Vincent, Ray Conniff, The Lettermen, David Allan Coe, Max Greger en Pat Boone. De film “Unchained” werd in de bioscoop geen hoogvlieger. De film ging in een regie van Hall Bartlett de negentiende januari 1955 in première. Het is mogen wij wel zeggen een vijfenzeventig minuten durende B-film waarin grote sterren ontbreken. De cast bestaat uit Chester Morris, Barbara Hale, voetbalster Elroy ‘Crazylegs’ Hirsch en Todd Duncan. De muziek werd geschreven door de zeer succesvolle filmcomponist Alex North (echte naam Isadore Soifer), goed voor vijftien Oscarnominaties waaronder: “Who’s afraid of Virginia Woolf”, “Spartacus” en “2001: a space Odyssey”. Uiteindelijk moest hij zich tevredenstellen op het einde van zijn carrière met een lifetime achievement award. Hy Zaret zorgde voor de tekst. Zijn echte naam was Hyman Zaritsky.

In de originele film hoor je Unchained Melody regelmatig in een instrumentale versie tussen de diverse scènes opduiken. Wanneer het lied in de film gezongen wordt, heet het echter Lonely River. Die titel verwijst waarschijnlijk naar de lyrics ” lonely river flows to the sea, to the sea”. In de film zelf hoor je Todd Duncan zingen, en na één minuut zit het nummer er al op. Vreemd genoeg was voor de film “Unchained” in 1955 geen succes weggelegd, maar wél voor de muziek, want het nummer had gelijk een Oscarnominatie te pakken. Alleen  moest het tijdens de uitreiking de duimen leggen voor Love is a many splendoured thing uit de gelijknamige film van Henry King met in de hoofdrol William Holden. Het was nadien jaren wachten vooraleer Unchained Melody nog eens in de hitlijsten opdook. In 1963  in de obscure versie van Vito and the Salutations, een mannelijk doowopkwintet uit Brooklyn, en twee jaar later in die van The Righteous Brothers. Bill Medley en Bobby Hatfield waren daarmee niet aan hun proefstuk toe, want hun single Little Latin Lupe Lu had het al uitstekend gedaan in de hitlijsten en platina werd het toen zij in 1964 met platenproducer Phil Spector in zee gingen en de popklassieker You’ve lost that lovin’ feeling inblikten. Spectors “wall of sound” werd het muzikaal uithangbord van The Righteous Brothers. Die opnametechniek werd ook gebruikt tijdens Unchained Melody dat vreemd genoeg eerst als B-kant van de single Hung on You verscheen, maar het platenkopend publiek koos unaniem voor de B-kant. Alle eer qua zangwerk gaat deze keer naar Bobby Hatfield. Bill hield zich afzijdig en nam de productie voor zijn rekening, al heeft Phil Spector die jarenlang onterecht op zijn actief geschreven. Toch werd Unchained Melody géén nummer één en moesten beide heren zich met een vierde plaats (1965) in de Amerikaanse Top Honderd tevredenstellen. In 1990 zongen The Righteous Brothers zich met dit nummer opnieuw in de belangstelling toen het opdook in de film “Ghost”, een regelrechte kaskraker in een regie van Jerry Zucker met in de hoofdrollen Patrick Swayze, Demi Moore en Whoopie Goldberg, die voor haar bijrol een Oscar in de wacht sleepte. Omdat hun vorige hit You’ve lost that loving feelin’ vier jaar  voordien was gebruikt in de soundtrack van de film “Top Gun” en hun vroegere platenfirma negeerde hun originele singleversie opnieuw uit te brengen, stapt Bill Medley deze keer naar Curb Records en neemt samen met Bobby een nieuwe versie op. Door het overweldigend succes van “Ghost” wordt echter de originele versie van Unchained Melody wél uitgebracht zodat de twee versies in de hitlijsten te horen zijn, met een lichte voorkeur voor het origineel en met als gevolg een hernieuwde belangstelling voor het duo dat hun optredens snel ziet aangroeien net als hun bankrekening. Las Vegas zal voortaan  hun thuis- en werkbasis worden. In 2003 traden The Righteous Brothers toe tot “The Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland. Bobby Hatfield overleed de vijfde november 2003. tekst en research: Marc Brillouet © 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Ann Christy

De carrière van Ann Christy liep niet van een leien dak. Daar heeft ze deels zelf voor gekozen. Ze sloeg  immers niet de gemakkelijkste weg in, integendeel, ze wou zich niet zomaar koste wat het kost overgeven aan de commercie. Haar koppigheid, of beter gezegd haar vastberadenheid, hebben haar een unieke plaats in de Vlaamse showbizz opgeleverd. De pers die haar vroeger wel eens de grond durfde in te boren, tilt haar nu hoger dan ze in de loop van haar carrière ooit heeft meegemaakt. “Over de doden niets dan goeds” is op haar zeker van toepassing.

Ann werd de 22ste september 1945 als Christiane Leenaerts in de kraamkliniek in de Antwerpse Vinkenstraat geboren. Papa was scheepselektricien, mama Hélène huisvrouw en nicht van de bekende Vlaamse schrijver Jef Geeraerts. Vijf jaar later, de 28ste januari 1951, mag de familie Leenaerts de geboorte van Jeanine aankondigen. Een derde dochter, Yvonne, wordt de 22ste juni 1952 geboren. Daarmee is de stamboom niet compleet, want de 6de november 1962 wordt broertje Walter geboren, Ann is dan al zeventien. Toen al had Ann geleerd zich in haar eentje bezig te houden. Zij was immers vijf jaar ouder dan zus Jeanine die erg goed opschoot met haar zusje Yvonne. Papa Jean wil dat zijn dochters snit en naad volgen. Christiane zal als eerste die beroepsafdeling kiezen. Naar de muziekschool gaan, vindt pa overbodig. Christiane moet eerst studeren en haar opleiding afronden. Telkens Christiane wat afleiding nodig heeft, gaat ze bij haar grootmoeder spelen. Die ziet niets liever dan dat Christiane zich verkleedt en toneel speelt. “Hier liggen de wortels van mijn carrière” zou Ann Christy later aan de pers vertellen. Zij voelt zich ook goed bij bompa, haar grootvader langs vaderszijde. In 1961 rondt Christiane haar opleiding snit en naad af en komt ze aan de kost als verkoopster in schoenwinkel Brevitt op de Keyserlei in Antwerpen. Zij blijft hier in dienst tot in 1965. Zaakvoerster Aline Laga ontdekt dat Christiane mooi kan zingen en stimuleert haar om in haar vrije tijd aan crochetwedstrijden mee te doen. In 1965 zingt ze in hotel Eden in Blankenberge Poupée de cire, poupée de son van France Gall. De Franse taal ligt haar nog niet zo goed.

Iets later komt ze terecht bij de Antwerpse groep The Adams opgericht door Adam Hoptman, een jongen van Poolse afkomst. De overige leden zijn naast drummer Marc Hoyois, Marc Royers en Teddy Grundland. De groep vindt dat Christiane een artiestennaam moet kiezen. Zij splitst haar voornaam in twee, keert de volgorde om en noemt zich voortaan Ann Christy. In het orkest speelt drummer Marc Hoyois , van huis uit Franstalig. Ann en Marc worden op slag verliefd. Er wordt van dan af door haar veel Frans gesproken. Die taal zal vooral in het begin van haar carrière een grote rol gaan spelen. Ann ontmoet op zekere dag muziekuitgever en platenproducer Jean Meeusen. In de Brussele studio Madeleine neemt hij met Ann een vertaling op van een Duitse hit van Manuela Kussen onder regenbogen met op de B-kant Twee schaduwbeelden met in het achtergrondkoor Fred Bekky en Bob Baelemans van The Pebbles.  De single zelf blijft onopgemerkt. Als tweede plaat worden twee Franse chansons ingeblikt Alors dis-moi en Mon coeur est fou. Ann houdt er niet van dat zij door de  pers als een kruising tussen Dionne Warwick, Sandie Shaw en Timmy Yuro beschouwd wordt. Zij vindt dat zij een eigen stemgeluid heeft, zij klinkt als Ann Christy en niemand anders.

Intussen heeft Ann, Milo De Coster ontmoet, toen al manager van Liliane Saint – Pierre, maar die samenwerking is van korte duur. Beiden gaan de baan op in een en dezelfde show. Als stunt laat Milo, Liliane haar haar groen verven en dat van Ann blauw. Ann ergert zich, om even bij die kleur te blijven, blauw. In 1966 houdt ze het bij De Coster voor bekeken. Zij gaat op zoek naar een nieuwe manager en dat wordt Robert Bylois, ontdekker van Salvatore Adamo. Die ziet in Ann een soort Piafachtige zangeres. Bij hem  voelt Ann zich veel beter thuis. In de maand november van 1966 mag ze twee weken lang in het voorprogramma van Adamo in de Ancienne Belgique in Brussel optreden. Uiteraard wordt er verkozen in het Frans te zingen wat op het einde van de jaren zestig singles oplevert als  Le garçon que j’aimais (hiermee wint ze de “Camera d’argent”),  L’amour nous a quitté  en  Parce qu’une fleur. Ann weet de Walen met haar stem en haar liedjes te charmeren, zo goed zelfs dat men in Wallonië denkt dat ze iemand van hen is terwijl wij Vlamingen menen dat ze een Waalse zangeres is. Ann zingt graag in Wallonië omdat ze daar gerespecteert wordt. Het publiek luistert aandachtig, wat je van de Vlamingen niet kan beweren. In juni 1967 is Ann te horen in “Le parapluie des vedettes”, een populair festival in Hoei, naast artiesten zoals: André Brasseur, Françoise Hardy, Udo Jürgens en Johnny Halliday. Adamo is zo tuk op haar stem dat ze de 25ste november 1968 aan zijn zijde in het Nouveau Théâtre in Luxemburg mag staan.

Ann, die om geen uitspraak verlegen zit , vertelt aan een reporter dat  “een zanger of zangeres in wezen een prostitué is die om liefde schreeuwt ”. Zij voelt zich op het podium goed thuis in de speciale, vaak onthullende kleren  die modeontwerpster Ann Salens voor haar creeërt. Qua repertoirekeuze ligt het zoch goed in haar vel voelen iets moeilijker. Ann was in Wallonië ook bekend geworden dankzij het programma “Villes-Vacances” van de RTB waar de populaire presentator Jean-Claude Menessier haar regelmatig uitnodigt. In Vlaanderen is het  wachten tot in 1968 wanneer ze aan de Knokke-Cup deelneemt. Van de 12de tot de 18de juli is ze daar samen met zes teams van  zes Europese landen te gast: Nederland, Frankrijk, België, Duitsland, Frankrijk en Italië. Coach van de Belgische ploeg is Anton Peters. In het team krijgt Ann het gezelschap van Nicole Josy, Lily Castel, Hugo Dellas en Jacques Raymond. In de finale neemt het Belgische team het op tegen het Duitse. Met veel overtuiging zingt Ann Le garçon que j’aimais en The Saga of Bill Bailey. België gaat met de overwinning én de beker lopen. Tijdens de finale van “Caméra d’argent” in Luik wordt Ann eindwinnares en sleept tevens de Sabamprijs in de wacht. Hugo Dellas wordt tweede.

In 1969 gaat Ann in Frankrijk met Roger Whittaker en Pierre Perret op tournee. Voor EMI neemt zij onder leiding van producer Jeff De Boeck de singles L’amour nous a quitté en Parce qu’une fleur op. Ann ontdekt ook het belang van het Eurovisiesongfestival. Zij neemt in 1970 immers deel aan de Waalse selectie met Le temps, le vent en eindigde daarmee in de halve finale. Het is Jean Vallée die wint en met Viens l’oublier naar Amsterdam mag. Winnares dat jaar wordt Dana met All kinds of everything. Ann breekt het jaar nadien in Vlaanderen door met het nummer  Dag vreemde man dat in 1969 al geschreven was door Willy Crombé op een tekst van Mary Boduin, maar niemand had er oren naar. Ann zag het liedje wel zitten en neemt er in 1971 mee deel aan “Canzonissima”, de selectie voor het songfestival met in het totaal tien deelnemers en negen voorronden. Zij deelt het podium met onder meer Kalinka, Johnny White en Johan Stollz. Ann zingt in de loop van die preselectie drie liedjes: De kinderen rond mijn huis, Een zilveren kooi en in de finale Dag vreemde man. Mary had een knappe tekst geschreven zoals alleen zij dat kan: je boek, je krant, je sigaar. Je warme sloffen naast ons bed. En je pleziertjes eens per week. De pijn wanneer je me ontweek”.  Nicole en Hugo winnen met Goeie morgen, morgen en Ann wordt met Dag vreemde man tweede. Daarmee heeft Vlaanderen haar definitief ontdekt en sluit Ann een warme vriendschap met Mary Boduin die ook nog eens vlak in haar buurt blijkt te wonen. Hun contact is niet frequent, maar wel intens. Mary beschouwt Ann de jaren dat ze met elkaar omgingen als haar oudere zus, ook al was Ann een aantal jaren jonger. Mary merkte later op dat ze veel te druk bezig met alles en nog wat was om vaker met Ann om te gaan en meer voor haar te schrijven. Zij hadden ook snel door dat ze beiden nogal droefgeestig van aard waren en mekaar qua gemoedsstemming eerder naar omlaag dan naar omhoog trokken.

Na haar deelname aan Canzonissima in 1971 duikt Ann op in haast alle festivals die georganiseerd worden, onder meer het prestigieuze Yamaha-festival in Tokyo tot en met zangwedstrijden in Sopot (Polen) en Bratislava (het toenmalige Tsjechoslowakije). Zij staat zelfs met Charles Aznavour en Catherina Valente op het podium om tijdens een intercontinentaal festival in Caracas (Venezuela) de Europese kleuren te verdedigen. In 1972 zingt Ann Liever dan de zonneschijn tijdens het Festival van Athene. Het werd geschreven door Paul Quintens en Phil Van Cauwenbergh. Zij herinneren zich nog goed dat Ann een uitstekende zangeres was, maar met iets te weinig lef en charisma om tijdens zo’n festival rijkelijk in de punten te vallen. Zij bleef het zangeresje dat ons steeds aan Edith Piaf deed denken. Of dat in de jaren zeventig nog scoorde, valt te betwijfelen. In 1973 vinden we Ann op het festivalpodium in Split terug. Zij eindigt vijfde. Hier en daar hoor je sommigen opmerken dat zij daar niet altijd op haar plaats is, hoe goed zij vocaal ook uit de verf komt. Misschien ligt haar niveau te hoog en wordt er niet altijd gewaardeerd wat ze op het podium neerzet.

In 1975 is het weer raak voor Ann Christy tijdens “Eurosong” dat “Canzonissima” vervangt als selectiewedstrijd voor het Eurovisiesongfestival. De BRT heeft maar liefst zeventig liedjes geselecteerd die, gespreid over zeven halve finales, op televisie geëtaleerd worden. Daarom dat er met de selecties al in november 1974 begonnen werd, in een presentatie van Luc Appermont. Uiteindelijk schieten er tien finalisten over onder wie Luc Bral, Magenta, Connie Neefs en The Lollipops. Ann Christy wint met Gelukkig zijn, opnieuw een liedje van Mary Boduin die deze keer niet alleen de tekst, maar ook de muziek voor haar rekening neemt.  Mary werkte toen voor een reclamebureau. Ze hadden een melodietje nodig voor een commercial voor Levi Jeans. Thuis in haar werkkamer bedenkt Mary de melodie en verzint er gelijk een Engelse tekst bij. Zij speelt dat in op haar bandopnemer, zichzelf daarbij begeleidend op de piano en de dwarsfluit. Mary weet dat Ann zich voor Eurosong heeft ingeschreven en laat haar eerder toevallig dat demootje horen met dus dat nieuwe liedje. Ann is er meteen weg van. Mary moet eerst aan haar baas Jim McCredie vragen of die geen bezwaar heeft dat ze het liedje aan Ann geeft en de rest van het verhaal is ei zo na vaderlandse geschiedenis geworden. Het was nochtans niet zo gemakkelijk voor Mary om voor Ann te schrijven die al vaak aan de pers had laten weten dat ze zich niet thuis voelde op kermisbals en ook niet tot het kamp van de kleinkunstenaars wilde behoren. Zij viel er tussenin. De 22ste maart 1975 schittert Ann op het podium van St. Eriks Mässan Alvsjoe in Stochholm tijdens de 20ste editie van het Eurovisiesongfestival gepresenteerd door Karin Flack. In het totaal nemen 19 landen deel. Ann eindigt op de vijftiende plaats. Die uitslag komt zwaar aan bij haar. Zij had zoveel van dit festival verwacht. Mary weet nog dat Ann op tenminste een vijfde plaats had gerekend. Zij wou hier haar internationale doorbaak forceren.  Grote overwinnaar wordt Nederland met Ding-a-dong gezongen door de groep Teach In. Ann had aanvankelijk ook haar twijfels over Gelukkig zijn, zij vond het ‘iets té deftig’ klinken voor die tijd, jaren waarin songs meer glitter en glamour moesten hebben om op te vallen. De BRT verplichtte haar de eerste strofe en refrein in het Nederlands te zingen en de rest in het Engels. Ann vindt dat niet kunnen, maar gehoorzaamt, zij het zeer tegen haar zin. Wat velen in die tijd niet wisten, is dat Gelukkig zijn over een lesbische liefde gaat, in dit geval tussen die van Mary en haar toenmalige vriendin. Zich outen was toen nog “not done”, dus dan maar de schijn hoog houden. Gelukkig zijn geraakt in de Vlaamse Top Tien snel op de eerste plaats en zal daar zes weken na mekaar blijven glinsteren. Er wordt ook een Franse L’histoire du bonheur en een Duitse versie Wenn keiner mehr zu dir steht opgenomen. Er wordt eveneens een versie volledig in het Engels ingezongen Could it be happiness onder meer terug te vinden op het album “Ann Christy in English” dat in 1998 op het AMC Label werd uitgebracht.

Na het succes van Gelukkig zijn wordt onder aanvoering van producer Roland Klüger de gelijknamige elpee opgenomen.  Hierop zijn de hits Blablabla en  Blij bij jou te zijn terug te vinden. Het regent optredens. Organisatoren willen Christy op hun affiche. Zij moet ook op veel bals optreden. Ook daar geeft Ann zich helemaal, zij is achteraf compleet op wanneer zij naar de kleedkamer trekt. Zij is telkens erg gestresseerd als zij live moet zingen.  Zij wordt ook erg onzeker wanneer de geluidsinstallatie te wensen overlaat of wanneer het orkest niet je dat is.  Ann was een perfectioniste voor wie het almaar beter kon. Als iets fout liep, nam ze vaak de schuld op zich. Vaak was zo’n balpubliek ook helemaal niet in haar geïnteresseerd en dat wou Ann dan niet aan haar hart laten komen. Zij gaf dan het beste van zichzelf om die mensen toch maar van haar talent en de schoonheid van haar liedjes te overtuigen. Steeds op zoek naar die waardering en bevestiging. Op het thuisfront wordt voor haar zoon Benjamin door haar zus Yvette gezorgd. Dat was voor Ann een hele geruststelling. Op haar zus kan ze vertrouwen. Het buitenland lonkt. Ann trekt naar Engeland om daar opnamen in Londen te bespreken. Maar haar entourage gaat dwarsliggen. Ann braaf naar Vlaanderen terug.

Zij trouwt de vierde augustus 1973 met de drummer van de band, haar grote liefde Marc Hoyois. Het feest heeft plaats in “‘t Seyenhof” in Itegem. De negende januari 1974 wordt hun huwelijk gezegend met de geboorte van zoon Benjamin. Zij gaan in de Dageraadstraat in Elsene wonen. Datzelfde jaar brengt Roland Klüger op zijn platenlabel RKM twee nummers van Ann in het Nederlands uit: Waarom schrijft hij niet? en Hij. De verkoop valt tegen. Toch wordt Ann in “Humo’s Pop Poll” opnieuw verkozen tot zangeres van het jaar. Zij zou trouwens van 1974 tot en met 1978 elk jaar die prijs in de wacht slepen. Qua optredens heeft Ann het niet gemakkelijk. Gelukkig zorgt Marc financieel voor enige stabiliteit. Ann staat inmiddels tien jaar op de planken en vindt dat zij eigenlijk nergens thuishoort. Zij geeft toe dat zij zich te snel laat intimideren, dat zij zich nog vaak in een hoekje laat duwen. Ook de stress voor elk optreden heeft ze nog niet onder controle en dat stoort haar. Zij mist ook een professionele entourage en aanpak  in Vlaanderen, het blijft hier vaak bij amateuristisch geknoei.

Privé heeft Ann het niet zo gemakkelijk. Zij wil die situaties in haar liedjes verwoorden en speelt die thema’s door aan haar tekstschrijvers:  Ik mis hem zo in 1975, Ann is dan net dertig,   geschreven door Nelly Byl op muziek van Tony Romeo met arrangementen van Ralph Benatar en John Sluszny in een productie van Roland Klüger en  In rook vergaan, een hit van Abba My love, My Life in 1976 vertaald door Penny Els. De inhoud liegt er telkens niet om! Aan Story vertelt Ann een jaar later dat zij, ondanks al de teleurstellingen in haar leven, blijft vechten. Zij wil haar teleurstellingen in haar liedjes blijven verwoorden. Zij wil dwarsfluit leren en mime om zich op die manier op het podium beter uit te drukken. Zij houdt er rekening mee dat zij met haar plannen en teksten op tegenstand zal stuiten, maar dat sterkt haar in haar voornemen. Op dat moment heeft ze het zwaar door het plotse overlijden van pianist Koen De Bruyne die enkele maanden voordien op 32-jarige leeftijd was overleden. Koen was een van de weinige vrienden die Ann kende, zij leefde erg gesloten, ver van de glitter en de glamour van de showbiss verwijderd. Twee jaar later vertelt zij in het blad Familie dat zij veel te gevoelig is, snel geraakt. Zij wijt dat deels aan haar sterrenbeeld Maagd. Wanneer Ann drieëndertig wordt, laat zij weten dat ze van de speelse liedjes af wil. Zij wil van haar songs meer een soort open biecht maken. De liedjes mogen voor haar part dromeriger klinken, liefst minder realistisch. Het wordt eerder een soort escapisme waar ze naar snakt, een weglopen uit de werkelijkheid. Privé is Ann een gesloten type, veel vrienden heeft zij niet. Zij is erg veel met zichzelf bezig. Ook altijd beleefd, vredelievend zelfs. Small talk is aan haar niet besteed, bij haar moet elk gesprek inhoud hebben. Zij wikt haar woorden voortdurend uit angst iemand te kwetsen, dit maakt haar soms minder spontaan. Wanneer zij boos wordt, huilt ze, uit onmacht. Schreeuwen deed ze zelden of nooit.

Speciaal voor Ann Christy heeft Gerrit den Braber in 1976 voor haar  Ik neem vandaag de trein geschreven. Oorspronkelijk heet het nummer What I’ve got in mind, geschreven door Jack Clement en dat jaar door de Amerikaanse countryzangeres Billy Joe Spears op plaat gezet. Ann hield er niet van, zij vond de tekst té mager qua inhoud. Het wordt wel in Vlaanderen in 1976 een hit in de BRT top dertig. En zo gebeurde het zo vaak: een groot deel van haar hits lagen haar niet na aan haar hart, maar het publiek was er weg van. In 1977 mag Ann eindelijk in een musical schitteren, een vervulling van een grote droom! Zij treedt als Helena op in “Midzomernacht ‘ 77″, een productie van het Mechels Miniatuur Theater in een bewerking van “Midzomernachtsdroom” van William Shakespeare. De muziek is van de hand van Pieter Verlinden op teksten van zijn vrouw Rita Van Dievel. Wie ook in die musical meezingt is Marijn Devalck die op dat moment erg goed en close met Ann kan opschieten. Hij weet nog goed dat Ann snel doorhad dat het theater niet haar ding was, daar lag haar roeping niet. Aan het Zondagsblad geeft zij toe dat dit in haar carrière de zoveelste ontgoocheling was. Volgens haar had in die productie veel meer gezeten. Eind jaren 70 , begin jaren 80 gaat de verkoop van Vlaamse singles gestaag naar beneden. Ook de platenmaatschappij van Ann Christy gelooft er niet meer in, ook niet meer in haar. Die paar Vlaamse artiesten die toen nog scoren, zingen een heel ander genre.Toch stapt Ann stijfkoppig verder. Zo staat ze erop het door de Canadees Dan Hill geschreven Hold on op te nemen. Toevallig belandt deze single bij de Tros die het meteen tot paradeplaat bombardeert. Geen hit echter bij onze noorderburen, want de distributie  was niet op een eventueel succes voorbereid.

Al hebben Roland Klüger en Mary Boduin kosten noch moeite gespaard om van de elpee “Bravo” een waardige opvolger van het album “Gelukkig zijn” te maken, toch flopt die langspeler compleet. Liedjes zoals  Op safari zonder jou en  Mijn oma kunnen het mislukken van de verkoop niet doen kantelen. Roland ziet Ann niet als een single- of elpee-artieste, maar wel als een zangeres die het live moet waarmaken. Ook voelt hij snel aan dat Ann haar eigenheid wil bewaren. Zij was in die tijd de complete tegenpool van Marva die wél luisterde naar het advies van haar producers. Ann werd ook tijdens haar leven niet zo vaak op de radio gedraaid. Pas later is die hele hype ontstaan en is men met haar gaan dwepen op een manier dat het soms erg overdreven overkwam, alsof sommige radiomakers achteraf iets hadden recht te zetten. Op een bepaald moment wil Ann voluit voor het chanson gaan, maar daar was Vlaanderen niet rijp voor. Roland Klüger wijt dan ook een deel van haar zoektocht aan een overgrote dosis twijfel. En niemand kon haar overtuigen van het tegendeel. In 1978 keert Roland Klüger met groot nieuws terug van een Amerikaanse zakenreis. Hij heeft de toelating op zak dat iemand van zijn firma twee liedjes van Bob Dylan mag inzingen. Jean Blaute is producer van dienst. Het wordt voor Ann Christy een Dylansingle met op de A-kant Walk Out in the Rain en op de B-kant If I Don’t Be There by Morning. Jean Blaute beschouwt dit nog altijd als één van zijn betere producties en eentje om in te kaderen. Na deze productie stopt de samenwerking met Roland Klüger en stapt Ann over naar Henri Heymans de baas van IBC  (International Bestseller Company), een sublabel van EMI.

Het tij keert wanneer Ann De roos opneemt, een vertaling van The Rose van Bette Midler door Johan Verminnen. Meteen nadat ze de film van regisseur Mark Rydell gezien had, wou ze het nummer op plaat zetten. Het is Johan Verminnen die de originele tekst van Amanda McBroom mag vertalen. Jean Blaute is opnieuw producer van dienst. Hij overtuigt haar het heel sober te brengen. De roos wordt tegen alle verwachtingen in een gigantische radiohit. Ann lijkt in 1980 terug van weggeweest. Met het orkest The Roots geeft zij een recital in het Casino van Middelkerke. Zij treedt daar op voor een bomvolle zaal en kan achteraf haar geluk niet op. Een jaar later doet ze op dezelfde datum dat concert met The Roots in het Casino van Middelkerke nog eens over. De boekingen voor optredens lopen intussen weer vlotjes binnen. Zij begint aan een tournee in diverse culturele centra. Zij lanceert na het liedje Als je wil, zal ik blijven dat in 1979 op single was verschenen, het jaar daarop het discogetinte Made For Love gezongen in het Engels. In 1981 wordt er slechts één single gereleaset Jij en ik in een productie van Charles Dumolin van het duo Lester en Denwood. Ann ziet almaar meer in dat de liedjes die ze brengt anders klinken dan de rest, de mensen wellicht minder aanspreken dan de doordeweekse hits van haar collega’s.  Zij gaat op het einde van dat jaar op zoek naar een nieuwe platenfirma. Vrijdag de 16de april 1982 begint ze aan een reeks van vier concerten met de première in het “Cultureel Centrum van Berchem”. Nadien volgen nog Waregem, Sint-Niklaas en Machelen. Enkele maanden later belandt zij in het ziekenhuis. Zij merkt dat zij vaginaal vaak bloed verliest. De gynaecoloog stelt een tumor op de baarmoeder vast. Voor zij aan de behandeling begint, neemt ze met Fred Bekky nog snel enkele nummers op: Ik leef voor jou, Zal ik je ooit nog zien? en Waarom? De achtste juli wordt Ann geopereerd. Zowel de baarmoeder als de eierstokken worden verwijderd. Door een gebrek aan voldoende optreden en inkomsten kan zij haar sociale bijdragen niet betalen en ook geen aanspraak meer maken op de sociale zekerheid. Zij dient alle medische kosten zelf te betalen. De 22ste september 1983 wordt Ann achtendertig. Op het einde van die maand belandt zij door een fibrose opnieuw in het ziekenhuis. Om haar financieel bij te staan, organiseren haar collega’s de 23ste december 1983 in “‘t Seyenhof” van Joe Harris de benefietavond “Een lied voor Ann”. Er wordt gezongen door Joe Harris, John Terra, Sofie, Johan Verminnen, Lia Linda, Mieke enz… Die avond brengt 180.000 frank in het laatje. Maar man Marc heeft de dokters moeten beloven dat hij haar niet vertelt dat zij kanker heeft, dan zou zij te snel de moed verliezen.   Zij blijft vechten in de hoop dat ze zal genezen. IJdele hoop zo blijkt.

Ann sterft op dinsdagavond de zevende augustus 1984 in het UZ van Jette. Zij is achtendertig. Zij wordt op maandagvoormiddag de dertiende augustus in de Sint-Martinuskerk van Meise begraven, gevolgd door de crematie in Ukkel en  de asverstrooiing op het gemeentekerkhof van Meise. De zesde oktober staat Ann op één in de Vlaamse Top Tien met Waarom? geproduceerd door Fred Bekky. Noteren we dat Ann in 2008 in de “1000 Klassiekers” bij Radio 2 met De roos, Queen en hun Bohemian Rhapsody van de eerste plaats verstoot. Ook “De Top 80 van de jaren 80″ zal zij bij Radio 2 meermaals met dat nummer aanvoeren. Van Ann zullen na haar overlijden een rist albums verschijnen, waaronder voor de fans een aantal hebbedingetjes: “Ik deed alsof het mij niet raakte” met het mooie Zal ik je ooit nog zien met The Roots en een akoestische versie van Dag vreemde man. Eveneens in 2006 is er op het V2 Records label de verzamelaar “Het beste-met onuitgegeven nummers”. Datzelfde label brengt in 2008 het album ” Zo was er maar één uit” met daarop een reeks live–opnamen en  de anderstalige Won’t you come home Bill Bailey en La musique à papa. Een jaar later is er de cd “Uniek” waarvan we vooral onthouden Could it be happiness en Walk out in the rain en als kers op de taart in 2010 “Back to Back”, Ann Christy gekoppeld aan haar eveneens overleden collega Yasmine.

In 1985 trouwt haar man Marc Hoyois met Liliane Saint-Pierre. Hij zal de vierde juli 2010 op 64-jarige leeftijd overlijden aan de gevolgen van prostaatkanker.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Erik Van Neygen

Zij hebben het altijd moeilijk met Van Neygen gehad, de journalisten, want waar moet je die man klasseren, in welk hokje hoort die nu thuis? In 1982 schreef Marc Mijlemans in Humo: ” Erik Van Neygen is geen tieneridool, geen rockfiguur, geen variété-artiest. Gewoon een zanger, slaat dat ergens op? Het zal wel moeten, vrees ik!” In die zin liep hij toen zowat parallel met Ann Christy die er ook niet in slaagde onder één vlag te varen waardoor zij tijdens haar leven niet kon genieten van het succes dat zij verdiende. Toeval of niet, in 1982 traden Ann Christy en Erik Van Neygen samen op tijdens een concerttournee waarmee zij heel wat culturele centra in Vlaanderen aandeden. Toen Manu Adriaens voor uitgeverij Globe zijn boek “De complete kleinkunstgeschiedenis” schreef, dook daar de naam van Van Neygen al in op, alsook in het boek “Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz” dat Manu enkele jaren later voor Standaard Uitgeverij schreef. Om maar aan te geven dat Erik zich in vele muzikale huisjes thuisvoelt. In menig interview heeft Erik vaak aangegeven dat hij alleen maar muziek maakt die hij in de eerste plaats zelf graag hoort, hij houdt niet van één bepaald genre en hij wil zeker niet in een eng keurslijf gestopt worden. Tijdens zijn  jeugdjaren hield hij niet alleen van pop en country, maar net zo goed van Vlaamse zangers. Hij trok zelf met veel plezier naar optredens van Will Tura, wat zijn tienervrienden weigerden te begrijpen. Een optreden van Tura in 1971 in zaal “Select” in Schepdaal is Erik altijd bijgebleven. De manier waarop Tura zich toen omringde: met een degelijk orkest, met een professionele geluids- en lichtinstallatie. Dat liet zo’n indruk op Erik na dat hij jaren later, in 1990,  de toenmalige hit van Tura Aan mijn darling van een eigen versie voorzag. Klasseer Erik dus zeker niet onder de unieke noemer “brenger van het betere lied”, want als hij ergens een bloedhekel aan heeft dan zeker aan die term.

Erik wordt de eerste mei 1951 in Anderlecht geboren. Thuis is het een vrij drukke bedoening: twaalf kinderen in het totaal waarvan Erik de vierde telg van het gezin uitmaakt. Het gezin bestaat uit acht jongens en vier meisjes. Papa Van Neygen was in Dilbeek een plichtsgetrouwe onderwijzer die echt voor zijn vak leefde. Mama had de handen vol met haar gezin. Thuis werd er elke zaterdagavond aandachtig geluisterd naar het in die tijd populaire radiocabaretprogramma “Met Kop en Staart” met daarin onder andere Renaat Grassin alias ‘t Ketje en Will Ferdy. Thuis stond er ook een pick-up waarop papa, vreemd genoeg, naar hartenlust platen draaide van De Zangeres zonder Naam en Johnny Hoes. Erik luisterde op zijn transistorradio het liefst naar de hits van het moment: Elvis Presley, Paul Anka, Cliff Richard enz… Zijn oudere broer Etienne studeerde in Leuven en kwam op zekere dag thuis met het verhaal dat hij een ongelooflijk optreden had meegemaakt van “Het Kleinkunsteiland” waar artiesten passeerden als Miel Cools, Kor Van der Goten, Louis Verbeeck, Jos Ghysen enz… Een verzamelelpee met hen was voor Erik de aanzet om zich meer voor dit genre te interesseren.

Naar de kleuterklas ging Erik in Dilbeek, naar de Sint-Annaschool om precies te zijn. Zijn lager onderwijs volgde hij aan de Gemeentelijke Jongensschool, eveneens in Dilbeek, waar hij in het vierde en vijfde leerjaar zijn vader als onderwijzer kreeg. Uit die tijd herinnert hij zich nog dat zij op vakantie naar zee gingen en dat hij achteraan in de auto droomde dat hij Elvis was. Hij hield niet meteen van Elvis als rocker, maar wel als zanger van prachtige ballads zoals Are you lonesome tonight en It’s now or never. Dat was ook de tijd dat Eriks broer Etienne klassieke gitaarles volgde. Erik mocht tussendoor ook eens op dat instrument tokkelen. Hij is twaalf wanneer hij bij Madame Martin in Dilbeek privé klassieke gitaar gaat volgen. De populaire akkoorden leert hij in zijn eentje. Hij trekt op dat moment naar het Sint-Pieterscollege in Jette waar hij de afdeling Latijn-Grieks aansnijdt met in diezelfde klas Johan Verminnen. De meeste jongens kwamen uit een goed afgeschermd burgerlijk milieu. Daar wilde Johan niets van weten, hij was eerder een linkse rakker uit een arbeidersmilieu en dat sprak Erik wel aan.  Erik weet nog goed dat hij en Johan vanaf de eerste dag over muziek praatten. De eerste spreekbeurt trouwens die Erik gaf, was er eentje over kleinkunst en dat vond Johan geweldig. Van huis uit dweepte Johan, dankzij zijn oudere broers, met de kleppers van het Franse chanson. Naarmate de jaren vorderden, kwam daar voor hen beiden de interesse bij voor de folk en de blues. Toen Erik in de loop van de jaren zestig ging dwepen met de Amerikaanse countryrock moest Johan twee keer slikken. Country was in zijn oren en ogen iets té rechts. Dat genre paste niet in zijn wereldbeeld. Erik keek erg op naar Johan die zowat de leider in de klas was, een echte provo. In een Amerikaanse stock had Johan zich een legervest aangeschaft waarin hij graag paradeerde en hij durfde het aan zich als eerste op school in een jeans te hijsen. Johan genoot van het leven, maakte graag plezier en nam het studeren niet zo ernstig. Een jaartje overzitten was hem dus niet vreemd. Zij blijven op dezelfde school, alleen stapt Erik onderweg over naar de afdeling Latijn-Wetenschappen. Verminnen richt onderweg het groepje Klaverke op samen met Luc Verhaeghen en Luk Van der Straeten. Het kon bijna niet anders of die vriendschap tussen Johan en Erik, hij was toen een jaar of zestien, moest ook resulteren in een groep en dat werd Motten Drizzle (motregen) met naast Erik en Johan een tijdje later  Leon Lamal. Als The Beatles zich zo mogen noemen, dacht Johan, dan is Motten Drizzle, motregen, ook toegelaten. Muzikaal waren het in de loop van de jaren zestig de hoogtijdagen van Ferre Grignard en Donovan. Ring Ring I’ve got to sing van de Ferre was voor hen op dat moment een schoolvoorbeeld hoe zij wilden klinken. Daarnaast zongen zij ook eigen liedjes in het Nederlands zoals het door Johan geschreven Stad van staal en beton. Erik genoot in die tijd met veel plezier van de muziek die gemaakt werd tijdens het “Folk & Jazzfestival” in Ninove. Hier maakte hij voor het eerst kennis met Miek en Roel die in die tijd begeleid werden door gitarist Roland Van Campenhout. Die gedroegen zich zo’n beetje als echte hippies badend in een psychedelisch sfeertje en dat zinde Erik en Johan wel. Roland had toen ook een eigen bluesgroep waarin hij muzikaal oosterse elementen aanbracht naar het voorbeeld van The Beatles die in India hun licht waren gaan opsteken. Motten Drizzle wordt helemaal in de sfeer van de late jaren zestig gehuld. Erik weet nog dat zijn moeder van de kleurrijke voering van een van haar jassen voor hem een felgekleurd hemd naaide. De muziek die zij speelden was vooral skiffle. Johan nam binnen de groep de taak van zanger voor zijn rekening en Erik, de knapste van de groep, zorgde voor de vrouwelijke aanhang. Er werd vooral lokaal opgetreden, in Wemmel en Dilbeek. Meisjesscholen waren erg in trek en vormden een dankbaar publiek.  Mechelen was op dat moment al het buitenland voor hen. Van Motten Drizzle bestaan geen plaatopnamen, het was gewoon een groepje dat veel leute en plezier uitstraalde, daar was het de bandleden in eerste instantie om te doen. Na de poësis, de vijfde klas van de klassieke humaniora, zal Johan afhaken. Zij zijn hem in het Sint-Pieterscollege liever kwijt dan rijk. Hij trekt naar Studio Herman Teirlinck waar zijn broer lesgeeft, maar de directeur stuurt hem wandelen. Johan neemt vervolgens deel aan het toegangsexamen aan het Conservatorium in Brussel en slaagt. Hij zal daar in eerste instantie dictie en voordracht volgen.

Na zijn middelbare studies trekt Erik naar Sint-Thomas in Brussel waar hij van 1969 tot 1972 de opleiding regent Nederlands-Engels-Duits volgt. Omdat muziek Van Neygen dan al zeer na aan het hart ligt en daar de meeste aandacht naar uitgaat, doet Erik er een jaartje langer over dan gepland. Meteen na het behalen van zijn diploma gaat hij aan de slag in het onderwijs, eerst als interimaris voor de klas, maar de meeste jaren op het secretariaat van het “Sint-Janshof Buso” aan de Sint-Jansstraat in Mechelen, het buitengewoon onderwijs. Dat was makkelijker te combineren met zijn carrière als zanger. Hij hield dit achttien jaar vol tot in 1990 wanneer hij met Veel te mooi hoge ogen zal gooien.

Erik is erg tuk op countrymuziek zoals wij al vermeldden en vindt tijdens zijn regentaatsopleiding een goede maat in zijn klasgenoot Serge Demol die in 1966 begonnen was bij de coverband Buddy & The Shamrocks en met hen de single Paris For Me had opgenomen met op de B-kant What Kinda Man. Naast studeren schiet er nog wat tijd over om de vrienden van Serge te ontmoeten en omdat Erik als enige fingerpicking – gitaar en bottleneck kan spelen, wordt hij gevraagd zich bij hun groep Pendulum aan te sluiten. Die band bestond naast Serge uit Firmin Michiels, die later bij Kris De Bruyne zal spelen, en Louis Van Oost, contrabassist, later vervangen door Mich Verbelen, die nog later bij Raymond Van het Groenewoud zou spelen. De overige bandleden zijn steelgitarist Arthur Huysveld en drummer Ton Derriks, later vervangen door Mike De Smedt.  Arthur was erbij gekomen nadat hij een artikel over hen had gelezen in “Het Laatste Nieuws” geschreven door Jari Demeulemeester. Arthur vond dat hij als steelgitarist sowieso in Pendulum moest gaan spelen.  Bij Pendulum voelt Erik zich thuis omdat hij in deze periode ook zijn eerste liedjes begint te schrijven. Pendulum krijgt snel een heel eigen geluid en een platendeal bij Philips waar Bart van der Laar hun producer wordt. In 1970, zij treden dan al vaak op, nemen zij het nummer It’s a Beautiful Day op geschreven door Serge in de stijl van de Amerikaanse bands The Byrds, The Band  en The Flying Burrito Brothers. In een repetitielokaal kwam It’s a beautiful day geleidelijk aan tot stand. Serge was ook een hevige fan van The Everly Brothers en droomde ervan een liedje op te nemen met twee zangstemmen die perfect op elkaar waren afgestemd. Serge nam de hoge stem voor zijn rekening terwijl Erik met zijn warme lage stem voor het vocale contrast zorgde. Op een bepaalde dag krijgen zij van het in die tijd populaire programma Echo de vraag of zij geen reportage mochten maken over hen. Zij krijgen de gelegenheid een demobandje op te nemen van hun nummer It’s a beautiful day in de RKM studio’s van Roland Klüger waar op dat moment promoman Bart Van der Laar passeert. Die is zo in de ban van die song dat hij hun voorstelt er een degelijke versie van in te blikken. In de studio Madeleine in Brussel wordt de definitieve versie opgenomen, vrij nieuw voor de tijd qua bezetting: twee akoestische gitaren, een bas en een steelgitaar met voorop de solostem van Serge aangevuld met de tweede stem van Erik. Enkele weken later staat It’s a Beautiful Day op single met op de ommekant For You, geschreven door Erik.  Fan van het eerste uur was Johan Verminnen die het een prachtig nummer blijft vinden, ook een geschikte radiohit. In zijn boek “Wit-lof from Belgium” omschrijft Gust De Coster It’s a Beautiful Day zelfs als één van de mooiste singles uit de Belgische popgeschiedenis. Het singletje werd inderdaad grijsgedraaid zodat het de derde juli 1971 tot op de tweeëntwintigste plaats van de BRT top dertig geraakte. De opvolger Early Morning Rain gekoppeld aan Cajun Music bleek in 1971 jammer genoeg geen geslaagd vervolgverhaal. De hoge verwachtingen konden niet worden ingelost en  de groep werd nadien vrij snel ontbonden. In 1974 kwam Serge nog op de proppen met een nieuwe line-up van Pendulum met ondermeer Jelle Nachtergaele en de Brit John Colston. A Song For You met op de B-kant Here We Go Again werd de wereld ingestuurd, maar zonder veel respons! Later zou Serge ook nog de groep Transit oprichten met wie hij in 1977 het album “First Ride” afleverde.

Na  Pendulum komt Erik in 1972 terecht bij de groep Louisette die Raymond van het Groenewoud had opgericht met voorts in de line-up Bernard Vanderhaegen, de zanger van de Wemmelse groep ‘t Goeleve, die op zijn beurt basgitarist Jean Van Dooren bij de groep binnenhaalt samen met drummer Eddy Verdonck van de groep Mad Curry. Raymond speelde voordien piano bij de band van Johan Verminnen en bas in de groep van zijn vader Nico Gomez, maar wil zijn eigen koers varen. Raymond leert met veel geduld Erik de elektrische gitaar onder de knie te krijgen. Hij spoort Erik ook aan de liedjes die hij tot dan toe in het Engels heeft geschreven te vertalen in het Nederlands. Op het Omega label brengen zij in 1972 het nummer Maria, Maria ik hou van jou uit. Die opname was een verjaardagscadeau van  papa Nico Gomezvoor zijn zoon. Pa neemt de productie voor zijn rekening. Wat Erik nooit zal vergeten is dat Raymond hem de kans biedt het B-kantje Jij kunt beter gaan voor zijn rekening te nemen. Die single is heel vernieuwend, té vernieuwend eigenlijk voor die tijd en slaat niet aan, commercieel gezien een regelrechte flop. Waar zij ook optreden, Louisette wordt vooral gezien als een vreemde eend in de muzikale bijt.  Er worden amper drieduizend exemplaren van hun eerste single verkocht. In 1973 komt de single Daddeeemelee van Louisette in de winkels terecht met op de B-kant 15 maart. Dat laatste is een liedje geschreven door Erik zelf en hij vindt het nog altijd een mooie vriendschappelijke geste van Raymond dat zijn liedje op de B-kant belandde. Jammer, maar dit plaatje wordt een nog grotere flop dan hun eerste. De echte muziekliefhebber vindt de teksten niet je dat en de kwaliteit van de opnamen laat te wensen over. Ook de opvolger Zij houdt van vrijen doet het in 1974 ondanks enkele positieve recensies in de vakpers niet goed. Intussen heeft Jean-Marie Aerts de plaats van Erik ingenomen. De muzikale smaak van Raymond en Erik verschilde te veel. Raymond dweept op dat moment met David Bowie en Roxy Music, terwijl Erik droomt van folk en country. Raymond komt ook almaar meer aan de bak als gegeerd sessiemuzikant die we in die tijd horen op de platen van Kris de Bruyne en Zjef Vanuytsel.

Erik Van Neygen kiest ervoor solo te gaan. Hij sluit een platendeal met de Brugse firma Parsifal Record Company, net opgericht door Gilda Behaeghel en Nico Mertens. Parsifal was toen al een bekend theaterbureau dat ook regelmatig Pendulum boekte voor optredens. Op het Parsifal label zou trouwens Urbanus met veel succes zijn eerste elpee uitbrengen. Erik mag van hen het door hemzelf geschreven Heel Alleen op single uitbrengen, gekoppeld aan Ik weet niet. Erik financierde deze opname zelf en vroeg Raymond om beide nummers te producen. Op de hoes zien wij een lang behaarde en besnorde Erik Van Neygen de fans recht in de ogen kijken. De muzikanten van dienst werden door Raymond bij elkaar gezocht. In de zalen treedt Erik graag met zijn gitaar akoestisch op, daarbij op fluit begeleid door zijn broer Jos, op gitaar door Mich Van Sever, die later naam zal maken als instrumentenbouwer, en op piano door Vincent Rouffaer, zoon van de in die tijd bekende acteur Senne Rouffaer. In 1976 volgt er op het Parsifal label het eerste album “Erik Van Neygen”  in een productie van Raymond van het Groenewoud die als muzikanten onder andere Marc Alleyns, Rens Van der Zalm, Stoy Stoffelen, Jean-Marie Aerts en Mich Verbelen aantrekt. Op deze langspeler liedjes als Vandaag, ‘t Is echt wel goed, Jacky, Vergeet en Voor haar. In het kielzog van die plaat staat Erik in 1975, begeleid door onder andere Mich Verbelen, Stoy Stoffelen en  Jean-Marie Aerts, op het podium van “Nekka-Nacht”. Hij zingt er een vertaling van Midnight Cowboy dat op een fluitconcert wordt onthaald, onterecht lezen wij ‘s anderendaags in De Standaard. Achteraf vernam Erik dat de onvrede van het publiek te wijten was aan de gebrekkige geluidsinstallatie, die ontoereikend was om een band, volledig bestaand uit akoestische instrumenten, te versterken. Voorts op de affiche: Johan Verminnen, Herman Van Veen, Kris De Bruyne en de op dat moment in Geel wonende Nederlandse fluitist Thijs Van Leer. In 1975 trouwt Erik met Suzanne. Zij is een hevige fan van Erik. Zij onmoetten elkaar tijdens een optreden. Twee dochters zullen hun huwelijk verrijken: Liesje en Laura. Liesje zal er later voor zorgen dat Erik als opa twee kleindochters rijk wordt. Dit huwelijk zal standhouden tot Erik in 1989 Sanne ontmoet en er na een tijdje voor kiest met Sanne verder door het leven te stappen.

In 1977 produceert John het liedje Als ik wegging, een Nederlandstalige bewerking van Erik van de countrysong I wonder what she’ll think about me leaving van de Amerikaanse countrylegende Merle Haggard. Het liedje slaat niet aan in de Vlaamse Top Tien, maar daar maalt Erik niet om. Het nummer wordt wel genomineerd voor “Zomerhit” van Radio 2. Daar leert Erik collega Wim De Craene kennen, die hem voorstelt zijn volgende plaat te produceren. Hij stapt met Erik naar platenfirma Decca die op hun Omega International Label de single Spoedbericht, oorspronkelijk een nummer van Tom Jans en door Erik van een Nederlandstalige tekst voorzien, uitbrengen.  Van Neygen tekent zelf voor de B-kant Ik wil je niet storen. In de studio wordt hij onder andere bijgestaan door Jean-Marie Aerts en dus producer van dienst Wim De Craene. De arrangementen zijn van de Waalse muzikant-producer John Sluszny, zoon van de bekende klassieke concertpianist Naum Sluszny die in de jaren vijftig nog deel uitmaakte van de jury van de “Koningin Elizabethwedstrijd” voor piano. John werkt in die tijd veel voor de firma van de familie Klüger. Jean was dan wel waarnemend producer, John zat vaak aan de knopjes. Hij stond als producer garant voor heel wat opnamen van Marva en Will Tura. John Sluszny blijft Eriks vaste producer en arrangeur voor vele jaren.

Bij de programmamakers wordt Erik Van Neygen intussen al aangeduid als de zanger van het zogeheten betere lied, ook al had en heeft hij nog steeds een enorme hekel aan die term. Wel aanstippen dat een notering in de Vlaamse Top Tien nog altijd buiten bereik blijft. Maar niet voor lang, want in 1979 brengt Erik met veel bijval de single Stille Brieven uit. Hij was op dat moment op zoek naar een liedje dat tegelijkertijd ook de titelsong van zijn elpee zou worden. Die plaat moest een pakkende titel hebben. Na veel wikken en wegen wordt dat Stille brieven. Pas dan is Erik eerst de tekst en daarna  de melodie gaan schrijven.  Die past helemaal in de stijl van de toenmalige Mexicaans getinte Amerikaanse country songs van o.a. Linda Ronstadt en Jimmy Buffett. Erik is altijd op zoek geweest naar mooie melodieën, iets dat hem snel de bijnaam “de Benny Neyman van Vlaanderen” opleverde. Toen hij Stille Brieven schreef, werkte Erik nog op het secretariaat van zijn school en had volgens eigen zeggen nogal wat tijd om weg te dromen. Stille brieven sloeg in die tijd tekstueel meteen aan bij het Vlaams publiek dat daardoor ongemerkt aan het fantaseren werd gezet én hij was erg geliefd door de moeders van Raymond Van het Groenewoud en Jean Blaute die van dan af zowat zijn grootste fans werden. De dertiende oktober 1979 geraakt Stille Brieven tot op de zevende plaats in de Top Tien en wordt door de VRT zo goed als grijsgedraaid. Hij staat op dat moment op stal bij platenfirma Racoon, opgericht door André Van Miert, broer van Karel Van Miert, waar Erik zich behaaglijk thuis voelt. Erik had André tijdens een optreden waar André instond voor het geluid wat beter leren kennen. André voelt meteen aan welke muzikale richting Erik uit wil. In een productie van hem neemt Van Neygen in 1980 het felgesmaakte Als je trein vertrekt op, geschreven door Erik met arrangementen van John Sluszny en als muzikale steun in de studio de strijkersgroep onder leiding van Albert Spéguel. Er is dat jaar ook het album “Alles Gaat Door” met daarop liedjes als Bijna Beroemd, Naar Amerika en De Hemel Is Ver, met de wondermooie strijkers van laatstgenoemde. Dit lied wordt trekker van het album Alles gaat door“. Erik werkt op dat moment met manager Valère Pieraerts en bijna terzelfder tijd krijgt hij zijn eerste grote platencontract aangeboden. De hele ploeg van Ariola gelooft rotsvast in Erik Van Neygen. Zij beslissen de vorige albums opnieuw uit te brengen en sparen kosten noch moeite voor de opnames van het album “Hotel Stil Verdriet. Naast de titelsong, waarvan de tekst geschreven werd door rockjournalist Marc Didden, vallen vooral Voor vader en Verre vrienden op. Een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien kaapt Van Neygen weg in de zomer van 1981 wanneer hij het nummer Telkens weer uitbrengt, een song van Doc Pomus op tekst van Willy Smets. Erik zal nog een tweede elpee opnemen voor Ariola: Nooit meer alleen. Uit die plaat wordt als single onder andere het nummer Sarah gelicht, een vertaling door Erik samen met Willy Smets van een Italiaans liedje van Toto Cutugno. In 1983 zingt Erik het door hem eerder opgenomen De hemel is ver  in duet met Ann Christy in het tv-programma met Marva. Hij weet nog goed dat wanneer hij dit zong het liedje vereiste dat zij elkaar diep in de ogen keken en dat dat voor hem moeilijk was omdat hij voor Ann geen gevoelens koesterde. Later wanneer hij met zijn grote liefde Sanne duetten zal zingen, vindt hij dat zalig om te doen. Ik stip hier al aan dat Erik in 2004 zijn bijdrage zal leveren aan een reeks hommageconcerten die in de maand september op het getouw worden gezet om de twintigste verjaardag van het overlijden van Ann Christy te herdenken.

Wegens muzikale meningsverschillen stapt Erik in 1984 weer over naar het RACOON label en brengt de elpee Met kloppend hart uit. Wij steken een positieve duim op wanneer Van Neygen in 1984 de klassieker Trains and Boats and Planes van de heren Burt Bacharach en Hal David covert als Havens en stations. Een wat eigenzinnige keuze die ervoor zorgt dat Erik niet onder één vlag vaart, maar graag voor muzikale veelzijdigheid gaat. Erik is een grote fan van Claude François en kende het liedje eigenlijk in de Franse coverversie van Clo Clo Quand un bateau passe. Samen met John Terra schrijft Erik Liefde en vriendschap. Het album  Met kloppend hart wordt verdeeld door Philips. Wij horen Terra de backingvocals voor zijn rekening nemen. Het album wordt door Radio 2 tijdens Zomerhit ’85  bekroond als beste Nederlandstalige elpee.

Vanaf 1985 zoekt Erik onderdak bij platenfirma Assekrem en begint hij samen te werken met Jeroen Le Compte, zoon van de op dat moment beruchte Knokse arts Herman Le Compte. Samen met Jeroen schrijft Erik in 1985 een van zijn mooiste nummers Praten in je slaap. In de studio blijft Erik dwepen met zijn vaste begeleidingskern: Bruno Castellucci, Annemie Nuyens, Jef Coolen enz… De volgende single wordt Ik wil jou die wij ook terugvinden op het album “Desperado in de stad” dat in 1986 wordt gereleaset. Producers van dienst zijn Erik Van Neygen en Erik De Blende. Datzelfde jaar viert Erik zijn  tienjarige solocarrière met een liedjesrecital in het “Mechels Miniatuur Theater”.

Heel anders klinkt Erik Van Neygen wanneer hij scheep gaat met producer Theo Breuls voor zijn album “Op weg naar huis”. Breuls was jarenlang vaste producer bij Telstar, het platenlabel en studio van de Nederlandse schlagerkoning Johnny Hoes. Dat hoor je opvallend aan de eerste single die uit dat album wordt gelicht Ogen zeggen méér dan woorden, een liedje door Erik samen met Willy Smets geschreven werd. De single wordt vaak gedraaid wat resulteert in een achtste plaats in de Vlaamse Top Tien in de zomer van 1987. Het nummer Luister eens naar ons werd opgenomen samen met het Knapenkoor Groenendaal. Twee andere nummers uit dat album Vanavond schrijf ik jou een brief en De herinnering blijft doen het ook goed bij de fans en de programmasamenstellers. Diegenen die Van Neygen alleen onthouden hebben van zijn eerste langspelers fronsen bedenkelijk de wenkbrauwen. Dit is een Van Neygen die niet vies is van frisse, opgewekte en schlagergetinte Vlaamse liedjes. Voor velen wordt dat even wennen. Niet voor Erik zelf, want die is van vele muzikale markten thuis. Hij gaat in 1988 zelfs een liedje produceren voor zangeres Marleen die voordien met Pierre Kartner had samengewerkt. Marleen staat op dat moment ook bij Assekrem op stal. Erik produceert en schrijft voor haar Neem m’n tranen met je mee.

Een keerpunt én een mijlpaal in het leven van Erik Van Neygen, zowel privé als carrièrematig, wordt de vierde november  1989 wanneer hij tijdens het fanbal van Eric Flanders, die net een hit had gescoord met Zo moet mijn meisje zijn, in het dorp Puurs in de provincie Antwerpen een optreden meemaakt van de zestienjarige Sandra Denotté, beter bekend onder haar artiestennaam Sanne. Zij zingt onder meer Blue bayou van Linda Ronstadt en Stand by your man van Tammy Wynette. Erik moet die avond na haar optreden. Sanne kende hem toen al als de zanger van de betere liedjes. Hij volgt haar performance vanuit de coulissen en is meteen gecharmeerd door haar stem. Sanne weet nog goed dat zij Erik in de kleedkamer terugzag waar hij voor de spiegel met een groene kam zijn golvende haren in de juiste plooi probeerde te leggen en haar met zijn  mooie ogen warm aankeek. Een afspraak maken doen zij die avond niet. Een tijd  later ontmoeten zij elkaar opnieuw wanneer Sanne in het koortje van Helmut Lotti mag optreden tijdens een opname van “Tien om te Zien” in Denderleeuw.  Erik vraagt aan Sanne of zij hem niet een cassette kan sturen met enkele liedjes die zij heeft ingezongen. Dat worden onder andere Een vriend van Margriet Hermans en een liedje van Micha Marah. Na het beluisteren, neemt Erik meteen contact op met Sanne, want hij droomt er al jaren van een duet op te nemen met een goede zangeres, maar de geschikte stem daarvoor heeft hij tot dan toe niet gevonden. Erik nodigt Sanne bij hem thuis uit en samen beluisteren zij enkele nummers en bespreken een eventuele samenwerking die er ook heel vlug komt, want Erik had tijdens een vakantie in Joegoslavië Dome Moj van Meri Cetinic opgepikt, in 1989 de inzending voor het liedjesfestival in Split, zeg maar de “Baccarabeker” van de Balkan. Meri is een zeer populaire zangeres, in Split geboren, nu gelegen in het huidige Kroatië. Samen met Willy Smets had Erik de tekst  voor Veel te mooi klaargestoomd. Erik zingt Sanne het liedje eerst voor en meteen na hem mag zij inpikken. Er wordt vrij snel beslist dat zij gaan samenwerken en Veel te mooi als duet gaan inzingen in de studio. Veel te mooi wordt meteen opgepikt door het publiek. Acht weken lang voeren Erik en Sanne de Vlaamse Top Tien aan, negen weken na mekaar op één in de hitlijst van “Tien om te Zien”, een week op één in VTM’s “Super Top Vijftig” en goed voor méér dan zeventigduizend verkochte exemplaren. Niet alleen muzikaal, maar ook mentaal kunnen Erik en Sanne het goed met elkaar vinden. Zij groeien snel naar elkaar toe en worden verliefd. Voor Erik geen gemakkelijke periode, want hij wil zijn huwelijk niet zomaar overboordgooien. Maar echte liefde overwint alles en daarop vormen zij geen uitzondering. Voor de roddelpers vormen zij hét ideale koppel. Wanneer zij hun eerste hits in 1990 scoren, is Erik negenendertig en Sanne achttien. Het cliché een oude bok lust wel een groen blaadje duikt meermaals op in de media. Wat hun beiden overkomt, schrijft Erik nadien neer in liedjes als Nooit meer bang en Schim in dit huis. Marc Van Caelenberg verwoordt hun gevoelens mooi in de nummers Ademloos en Huis aan het water die hij voor hen schrijft. Het zijn liedjes die Erik tot de mooiste uit zijn repertoire rekent.

In de nasleep van het succes van Veel te mooi neemt Erik Het spijt me op, een vertaling van het liedje Oprosti, in 1990 in Joegoslavië een hit voor Doris Dragovic. Oprosti betekent ook letterlijk Het spijt me. Erik en Sanne zouden van Dragovic nog enkele liedjes vertalen waaronder Dans met mij door de nacht en Zeg het aan niemand. De dertiende oktober 1990 staat Erik met Het spijt me op één in de Vlaamse Top Tien wat hij samen met Sanne twee maanden later nog eens overdoet met Aan mijn darling dat wij in Vlaanderen voordien al kenden in de originele versie van Will Tura.

De gouden combinatie Erik en Sanne belet Erik niet om af en toe solo verder te gaan. Hij wordt vanaf dan ook manager en vaste producer van Sanne.  In 1990 brengt hij op het Assekremlabel de plaat Het huis aan het water uit met daarop de felgesmaakte single Ademloos geschreven door het door Erik ontdekte talent Marc Van Caelenberg, die vanaf dat moment zowat de vaste tekstleverancier van Erik en Sanne wordt en nadien doen andere artiesten ook een beroep op hem. Theo Breuls mag voor de arrangementen tekenen. Na deze platen nemen Erik en Sanne  in alle vriendschap afscheid van Assekrem en stappen over naar BMG/RCA. Erik bezorgt Sanne daar een fantastisch artiestencontract. Haar eerste soloalbum wordt platina. Alles wat het koppel verder aanraakt verandert in goud of platina.  Algauw komt er het duettenalbum “Mee met de zon”. Duetten en sololiedjes wisselen elkaar af. Theo Breuls blijft arrangeur. Er wordt opgenomen in Studio Spell in Weert met als muzikanten onder andere: Theo Breuls, Eric Melaerts en Jerôme Munafo. Naast de bestaande fanclub van Erik  ”Vriendenkring Erik Van Neygen” in Drongen, komt er nu ook een fanclub van Sanne. Als single wordt er meteen getipt op Geen Zorgen, vertaling van de hit Dream Lover van Bobby Darin. In 1991 wordt er nog eens lekker gescoord wanneer zij het duet Alles gaat voorbij opnemen dat in 1970 in Duitsland al een succes was geweest voor Jürgen Renfordt Alles geht vorbei. De veertiende december staan Erik en Sanne op vier in de Vlaamse Top Tien. Het jaar daarop stijgen zij eveneens naar vier, deze keer met Wat je diep treft, opnieuw een nummer van Eriks idool Will Tura. Tura had in 1970 al eens raak geschoten met dit nummer. Ook graag gehoord is het duet Verdronken Vlinder, een cover van die bekende klassieker van Boudewijn De Groot op tekst van Lennaert Nijgh, voor Erik en Sanne in de Vlaamse hitlijsten goed voor een vijfde plaats.

 

Erik houdt niet alleen van muziek, maar ook van kunst, vooral schilderkunst boeit hem enorm. Met de nodige trots opent hij in 1993 zijn kunstgalerij gelegen in Hamme Zogge. De jaren voordien was Erik op zekere dag in Sint-Martens-Latem in contact gekomen met galerij-eigenaar Oscar De Vos die hem het werk van Martin Wallaert leert kennen. Dat ene aangekochte schilderij werd al vlug een collectie van vijftig die Erik niet allemaal in eigen huis kon etaleren. Dus werd er overgestapt naar een galerij zoals Erik ooit in de jaren tachtig in Amsterdam had bezocht waar werk van Herman Brood hing tentoongesteld. In het weekend kon je in de galerij van Erik  van vrijdag tot en met zondag telkens terecht van 14.00 u. tot 17.00 u. Vijftien jaar lang zal Erik deze galerij blijven uitbaten. Tijdens deze periode maakt Sanne haar studie voor onderwijzeres af en behaalt met glans haar einddiploma om nadien ook voor de klas te gaan staan. In haar bio kan je lezen hoe zij dit beroep met hart en ziel uitoefent en hoe het voor haar vaak een strijd is om te moeten kiezen tussen een zangcarrière en die als lerares.

Om hun relatie extra glans te geven, geven Erik en Sanne elkaar het jawoord op achtentwintig oktober 1996. Hun liefde was het jaar voordien, de vijfentwintigste oktober, bekroond met de geboorte van hun dochter Maartje. Als kroon op dit alles scoren zij in 1997 nog eens lekker met De laatste bolero, twee jaar voordien in Duitsland als Der letzte Bolero een stevige hit voor Die Flippers. Een schlager, dat wel, al slagen Erik en Sanne erin het net een niveau hoger te tillen. Datzelfde jaar pakt platenfirma Mercury/Polygram in hun reeks “Master Serie” uit met de verzamelaar “Erik Van Neygen 1979-1984″, een overzicht vanaf de hit Stille Brieven tot en met Havens en Stations.

Voor hun album “Onderweg” kloppen Erik en Sanne aan bij een stel nieuwe muzikanten: Rik Aerts, Rens Van der Zalm, Thierry Crommen, Paul De Poorter en het strijkkwartet van Mark Steylaerts. Opgenomen wordt er in de maand april 1999 in de “Arts Sound Studio” in Helchteren. Op deze plaat een schitterende versie van Ticket to Heaven van Dire Straits door Erik vertaald als Ticket naar Eden. Er worden ook enkele liedjes afgeleverd door Mark Vanhie die wij nog kennen als boegbeeld van de popgroep The Bet. Méér dan behoorijk gedraaid bij Radio 2 is het folkgetinte duetje De Wilford van Marc Hauman waarvoor er ook eens in het dialect gezongen mag worden. Twee jaar verder is er het album “Vroeger en later”, een verzamelaar uitgebracht door hun vroegere platenfirma Assekrem. Ook een verzameling, maar dan van hun duetten, wordt het album “Wijsjes, walsen en bolero’s oftewel 15 jaar alle hits” eveneens op het Assekremlabel. Naar aanleiding van die 15 jaar wordt er de tiende september 2005 op de Grote Markt in Sint-Niklaas uitbundig gevierd in het gezelschap van Miek & Roel, Roland, Liesbeth List en Bart Herman. Om stevig door te kunnen stappen noteren wij in 2006 de duetten Koopvanalles en k Heb je lief om twee jaar later aan te belanden bij het album “Parfum Tzigane”. Getroffen door de muziek van de film ”Gadjo Dilo” dromen Erik en Sanne ervan om een plaat te maken in de gipsysfeer. Vooral na het samen schrijven van het nummer Kleine Maartje waarbij Erik onmiddellijk een arrangement met echte zigeunermuzikanten in zijn hoofd hoort. Via het Roemeens huis in Brussel komen ze dan terecht bij Raluca Patuleanu, die hen het kruim van de in België verblijvende Hongaarse en Roemeense zigeunermuzikanten leert kennen. Erik, die de productie doet, laat zich assisteren door de getalenteerde Wigbert Van Lierde en trekt met de ganse bende, zes muzikanten sterk, naar studio Motormusic in Koningshooikt.  Voor Erik wordt dit zowat zijn levenswerk. Alles moet wijken voor dit project. Zijn zigeunermuzikanten kunnen een fantastische sfeer neerzetten – als ze er zin in hebben – maar niet allen zijn ze klassiek opgeleid en dus moet er ontelbare uren gerepeteerd worden om de nummers feilloos op plaat en op het podium te kunnen neerzetten. Deze periode vergt erg veel van hem en die stress zal hem nadien nog nadelig parten spelen. Het valt op dat Sanne intussen de pen ter hand heeft genomen en samen met haar man naarstig nummers heeft geschreven voor deze toch wel aparte plaat. Oh Maria wordt als lokkertje in de markt gezet. De respons op het album is méér dan behoorlijk al is het toch wel even wennen na al die speelse liedjes en lichtvoetige liedjes van voordien. Toch keren zij de rug niet naar hun vorig repertoire, integendeel. Erik lust van huis uit graag een portie degelijke schlagers en is in de wolken, want hij mag tijdens het Schlagerfestival op 3, 4 en 5 april 2009 in de “Ethias Arena” van Hasselt de affiche delen met zijn idool Will Tura met voorts op de affiche Laura Lynn, Willy Sommers, Christoff en De Romeo’s.

Erik en Sanne waren intussen scheep gegaan met Patrick Vandewattijne, een tijdlang manager geweest van Laura Lynn. Die zorgt ervoor dat zij nauw gaan samenwerken met producer Phil Sterman. Er wordt opgenomen in de Cook Studio met muzikanten als Eric Melaerts, Jean Blaute, Vincent Pierins en Frank De Ruyter. Patrick houdt eraan als single uit te pakken met een cover van Nachts kommt die Erinnerung van de Duitse schlagerzanger Helmut Frey. s Nachts komt de herinnering wordt als voorbode van het  album  ”Vertrouwen” in de markt gezet. Patrick verzint meteen een nieuw genre om zijn poulains in de kijker te plaatsen “de kleinkunstschlager”. Dat project komt ergens wat ongelegen, omdat Erik volop bezig was met “Parfum Tzigane”. Erik smijt zich met volle goesting in deze tweestrijd: aan de ene kant zijn zigeunerproject boordevol eigen liedjes en aan de andere kant de gepolijste schlagers. Zo heeft hij het graag, van meerdere walletjes kunnen snoepen. Maar deze dynamiek heeft ook een keerzijde. Het ongeluk loert dan al om de hoek. Erik en Sanne vertrekken met hun dochter eind juni 2009 voor tien dagen met vakantie richting Zuid-Frankrijk. De tiende juli komen zij ‘s avonds laat terug thuis aan. ‘s Anderendaags hebben zij een optreden in het Cultureel Centrum van Zoutleeuw. Erik wil dat koste wat het kost nog voorbereiden, zijn e-mails doornemen enz… Om half acht ‘s ochtends voelt hij een onhoudbare pijn in zijn hoofd. Hij wil dat wegwuiven, maar Sanne neemt het ernstig en zorgt dat hij op de spoedafdeling aanbelandt waar de dokters een hersenbloeding vaststellen meteen nadien gevolgd door een beroerte. Erik is hoogdringend aan rust toe. Ontspanningstherapie moet ervoor zorgen dat hij snel weer beter wordt.  Op dat moment beslissen Erik en Sanne het na de zomer qua optredens rustiger aan te doen. Ondanks al die tegenslagen ligt de vijftiende september hun nieuw album “Vertrouwen” in de winkel als extraatje bij het weekblad “Story”, die zelf voorstelden de kosten voor de hele productie te dragen. Dat was een uniek aanbod waar Erik en Sanne heel blij mee waren en dat ze niet aan zich wilden laten voorbijgaan zeker ook omdat de grote hits van voordien een beetje achterwege waren gebleven. Voor een meerprijs van € 6,90 krijgen de Storylezers het gloednieuwe album van E&S. Meer dan 10 000 lezers schaffen zich het album aan. Nadien komt het ook nog aan full price in de winkels. Erik en Sanne zijn weer hot en in het Stadhuis van Sint-Niklaas krijgen ze een gouden album uitgereikt. Naast originele nummers, geschreven door Erik en Sanne zelf, staan er op dit album ook Nederlandstalige bewerkingen van Duitse liedjes, onder andere Ich zeige dir mein Paradies van Andrea Jürgens, Ein Leben lang van Helmut Frey, Zwei weisse Pferde van Nic en de titelsong Vertrouwen, een vertaling van Vertrauen van de Kastelruther Spatzen.

Wat niemand verwacht, gebeurt toch. In de zomer van 2010 wordt Erik getroffen door een tweede hersenbloeding. Tijdens een optreden in Gits krijgt Erik weer te kampen met hevige pijn in het hoofd. Hij zet het optreden gewoon voort en vertrekt diezelfde avond nog op vakantie richting Zuid-Frankrijk. Daar zit er niets anders op dan tien dagen in bed te blijven liggen. Terug thuis stellen de dokters op een scan vast dat er zich een tweede bloeding heeft voorgedaan, op een andere plaats dan de eerste keer, ditmaal ten gevolge van een gesprongen cavernoom. Met de eerder gestelde mogelijke diagnose RCVS , reversible cerebral vasospasm syndrome, met als belangrijkste symptoom een onhoudbare,  kloppende pijn, wordt nu geen rekening meer gehouden. Erik moet elke vorm van spanning vermijden.

In 2011 wil Sanne hem – na al deze ellende – een onvergetelijk verjaardagscadeau bezorgen voor zijn 60ste verjaardag. In het geheim contacteert ze alle muzikanten van Pendulum, Raymond Van het Groenewoud en Johan Verminnen voor een eenmalige reünie. Het wordt een schitterend concert. Een paar dagen later wordt Erik geopereerd aan 2 hernia’s in de nek in de hoop daarmee een deel van de pijn te kunnen wegnemen. Hoewel perfect uitgevoerd brengt deze operatie geen soelaas. De komende maanden werken Erik en Sanne de uitgestelde concertreeks af met groot succes. Overal uitverkochte zalen! Maar de stress en de inspanningen die deze concerten onvermijdelijk met zich meebrengen wegen zwaar.

 

In de maand september van 2011 beslissen hij en Sanne om op 30 september 2012 hun laatste concert te geven. Ze denken eraan om ook nog een allerlaatste single als afscheid op te nemen. Maar in de maand november 2011 krijgen ze de unieke kans aangeboden in Amerika te gaan opnemen en die kans wil Erik met beide handen aanpakken. Zij gaan opnemen in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin, Texas met als producer Carrie Rodriguez. Weg zijn de schlagers, er wordt duidelijk gekozen voor countrygetinte songs zoals Jas met duizend kleuren van Dolly Parton, Jouw naam van Chip Taylor en De wind in het riet van Graham Parsons. Ook Sanne en Erik reiken liedjes aan samen met Willy Smets en Marc Van Caelenberg. Er wordt zelfs een nieuwe versie van Veel te mooi ingeblikt. Erik en Sanne worden in de studio omringd door gerenommeerde sessiemuzikanten zoals Luke Jacobs, Brannen Temple, Joel Guzman en violiste Carrie Rodriguez. Zij is in hoofdzaak een singer-songwriter, dochter van countryster David Rodriguez die het klappen van de zweep kent. Wie Jouw naam beluistert, hoort dat Erik heel dicht in de buurt komt van een liedje als Stille Brieven. Hij beseft dat de cirkel rond is. Hij heeft het dan ook niet echt moeilijk om samen met de release van het album “De fantastische expeditie”  dat de twaalfde juni 2012 aan de pers wordt voorgesteld, duidelijk te stellen dat zij er stilaan mee gaan ophouden. Ook Sanne staat volledig achter die beslissing.  Enkele maanden na de release van het album delen  Erik en Sanne op hun site met de nodige trots aan hun fans mee dat het album méér dan tienduizend keer aan de man werd gebracht.

Zondag de dertigste september 2012 geven Sanne en Erik in “De Roma” in Borgerhout hun laatste optreden. De zaal zit nokvol. Erik laat zich omringen door een aantal bekenden waaronder Miek en Roel, die hun een gouden plaat uitreikten voor meer dan 10 000 verkochte exemplaren van “De Fantastische expeditie”, en soliste Carrie Rodriguez samen met gitarist Luke Jacobs. Ook dochter Maartje mag heel even laten horen dat zij voor een groot deel de stem van haar mama heeft geërfd. De dag nadien ziet Erik heel even het zwarte gat voor zich opdoemen, maar herpakt zich snel, duikt in zijn hobby als kunstliefhebber en gaat zich ernstig bezighouden met de carrière van zijn dochter die in 2013 op hun eigen ENS (Erik en Sanne) label, opgericht in 2004, verdeeld door CNR, haar album “Eerste dauw” aflevert. Erik heeft de productie volledig in handen genomen. Opgenomen wordt er in de studio van Phil Sterman. Het eerdere My Songbird geregistreerd in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin wordt eveneens aan het album toegevoegd. Erik mag dan zelf niet meer optreden, schrijven doet hij nog steeds en dat samen met Sanne. Zij leveren beiden het merendeel van de nummers. Erik heeft ook ENS Music opgericht zodat hij voortaan het management van Maartje onder volledige controle heeft. De grootste droom die hij nog  koestert is dat Maartje het in de muziekwereld zal waarmaken en dat Sanne op haar beslissing terugkomt en opnieuw zal optreden, al is het in duet met hun dochter. En mocht het enigszins kunnen dat hij zelf nog eens mag en kan optreden, want hoop doet nu eenmaal leven!

En ja hoor, hij keert terug naar het podium. Op 14 maart 2015 is het precies 25 jaar geleden dat Erik en Sanne hun doorbraakhit ” Veel te mooi” opnamen. Voor Erik mag dit niet zomaar ongemerkt voorbijgaan. 28 en 30 april staan hij en Sanne op het podium van het Sportpaleis in Antwerpen tijdens “Houden van… Griffelrock” met vijfentwintig liedjes die we met z’n allen kennen en voor een groot deel kunnen meezingen: Het huis dat tussen rozen stond, Land van ons twee, Aan mijn darling, Ticket naar Eden en natuurlijk Veel te mooi. Erik en Sanne nodigen ook een aantal collega’s uit waaronder: John Terra, Heintje, Jo Vally, presentator Luc Appermont en natuurlijk hun dochter Maartje Van Neygen.

Inmiddels lijkt het dat Erik terug is van weggeweest. De 24ste januari 2017 lanceert hij nog eens een nieuwe single. Genieten van het leven schreef hij samen met zijn vrouw Sanne. Erik hield zich de voorbije jaren hoofdzakelijk bezig met productiewerk en liedjes schrijven voor dochter Maartje. Hij kreeg de voorbije maanden de vraag om een aantal akoestische solo-optredens te verzorgen en zo vond hij de kracht terug om deze nieuwe solosingle op te nemen. Hij dook hiervoor de studio in samen met de muzikanten Rens Van Der Zalm, Julien Metten en Filip Martens. Erik stond zelf in voor de productie en Sanne nam de backing vocals voor haar rekening. Erik Van Neygen gaat in het najaar van 2017 op tournee met “The Vintage Club”. Samen met Roel Van Bambost en Hans De Booy. Zo stonden ze de 6de oktober al te zingen en te musiceren in GC “De Muze” van Meise. Drie decennia kleinkunstenaars samen op één podium, drie singer-songwriters brengen hun songs van de vorige eeuw. Ze bewijzen daarmee dat mooie muziek tijdloos is. U herkent ongetwijfeld vele nummers, maar u zal ook vergeten pareltjes ontdekken. Alle drie hebben ze een verhaal te vertellen, elk in zijn eigen stijl, folk, country en chanson. Ze brengen ook een nummer van hun grote idolen. Ze begeleiden zichzelf en elkaar, ondersteund in een akoestische bezetting door twee muzikanten (gitaar en piano). De 4de november 2017 is er als smaakmaker de single Fiets, een cover van Girl on a bicycle van Ralph McTell, dat al eerder vertaald werd door Herman Van Veen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I heard it through the grapevine

30 november 1968 was het groot feest ten huize van Tamla Motown. Die dag stonden Diana Ross and The Supremes op één in de Amerikaanse Top 100 met Love Child. Zij zouden twee weken na mekaar aan de top prijken. Toen vond Marvin Gaye het welletjes en nam de fakkel zeven weken na mekaar over met de grootste hit die hij in zijn carrière zou scoren en dat met het door Norman Whitfield en Barrett Strong geschreven I heard it through the grapevine, een Motownklassieker met een toch wel aparte geschiedenis.

Er wordt constant over het hoofd gezien dat precies een jaar eerder Gladys Knight and The Pips een hit hadden gescoord met hun versie van I heard it through the grapevine. Dat was de zestiende december 1967. Zij zouden echter niet op één geraken, want daar stonden The Monkees vocaal op te scheppen met hun Daydream believer en namen The Beatles het meteen van hen over met Hello Goodbye. Gladys moest tevreden zijn met een tweede plaats in de Top 100, maar dan wel drie weken na mekaar en dat was dan toch een muzikale zalf op de zere wonde. I heard it through the grapevine was hun derde single voor Tamla Motown en zij wisten van meet af aan dat het een ijzersterk nummer was. Toen zij de demoversie in handen kregen, zetten zij alles op alles om er een geweldige versie van te maken. De plaat kwam binnen op de vierenzeventigste plaats in de charts en deed er acht weken over om naar de tweede stek door te stoten. Door dit succes kregen Gladys Knight and The Pips almaar meer optredens aangeboden. Gladys vond het dus niet leuk toen zij een jaar later hoorde dat Marvin Gayes versie zou worden vrijgegeven. Zij was niet zozeer boos op Marvin die zij alle succes gunde, maar wel op platenbaas Berry Gordy Jr. die Marvins versie niet een jaar of twee later had uitgebracht zodat zij nog wat van hun succes konden profiteren. Gladys weet nog goed dat zij met de groep in de lounge van het “Flamingo Hotel” in Las Vegas zaten toen zij het nieuws vernamen dat Marvin Gaye op één stond, de plek die zij het jaar voordien ook zo graag had ingepalmd.

De idee voor het liedje ontstond toen tekstschrijver Barrett Strong langs Michigan Avenue in Chicago wandelde en de mensen regelmatig de uitdrukking “I heard it through the grapevine” hoorde gebruiken. Grapevine is in deze context een verwijzing naar de telegraaf. Het wordt als een soort slang gebruikt om te verwijzen naar nieuwtjes, roddels eigenlijk, die men via via heeft opgevangen. En die term verwerkte Barrett dus in I heard it through the grapevine, een song over een man die zich door zijn vriendin bedrogen voelt nadat hij aan de weet is gekomen via praatjes die her en der de kop opstaken dat zij hem met iemand anders bedriegt.

De zesde augustus 1966 nam Norman Whitfield de song voor het eerst op met Smokey Robinson and The Miracles en had hij ook plannen om het met The Isley Brothers in te blikken. Maar die opname heeft nooit plaatsgehad. Berry Gordy Jr. vindt die versie van Smokey niet sterk genoeg om als single uit te brengen en zijn wil is wet! In 1968 duikt die song wel op op hun elpee “Special Occasion”. Een volgende poging is de versie die hij in het vroege voorjaar  van 1967 opneemt met Marvin Gaye die Berry Gordy Jr. ook niet je dat vindt én de derde poging is die met Gladys Knight and The Pips. Die versie mag van Berry Gordy Jr. dus wél op single verschijnen.

Maar laten we ons nu even concentreren op de hitversie van Marvin Gaye. De derde februari 1967 neemt Marvin Gaye zijn eerste versie op van I heard it through the grapevine, maar Norman Whitfield is verre van tevreden. Er volgen nog vier pogingen. Die van de tiende april is bingo. De stem van Marvin wordt nadien aangevuld met de backings van The Andantes en nog wat extra begeleiding door The Funk Brothers, de vaste band van Tamla Motown. Norman vindt dat er ook wat strijkers aan toegevoegd mogen worden en laat Paul Riser de arrangementen schrijven en organiseert een aparte sessie met The Detroit Symphony Orchestra. De opname met Marvin loopt in het begin niet zo vlot omdat Norman erop staat dat Marvin een toon hoger zingt. Hij weet dat dat een beter effect zal hebben. David Ruffin van The Temptations had die klus al eerder geklaard tijdens de opname van Ain’t too proud to beg. Marvin geeft uiteindelijk toe. Hij wordt tijdens die opname in de studio, behalve door  de reeds eerder genoemde namen, begeleid door organist Earl Van Dyke, drummers Richard Allen en Benny Benjamin, toetsenist Johnny Griffith en de gitaristen Eddie Willis en Joe Messina.

In september 1968 vinden wij I heard it through the grapevine terug op het album “In the Groove” dat Marvin Gaye uitbrengt. Links en rechts pikken diverse deejays die song meteen op en rijst de vraag naar een singleversie. Berry Gordy Jr. kan dan ook niet anders dan de dertigste oktober 1968 het nummer op single vrij te geven. Van de veertiende december 1968 tot de vijfentwintigste januari 1969 blijft Marvin Gaye op één staan in Billboard’s Hot One Hundred. Het is op dat moment de grootste hit ooit voor het Tamla Motown-label. Een record dat staande blijft tot The Jackson Five twintig maanden later die eer glorieus en eervol overneemt met hun hit I’ll be there.

Met I heard it through the grapevine scoort Marvin zijn achttiende hit voor Tamla Motown. In Engeland staat hij de twaalfde februari 1969 op één, in Nederland zit er vreemd genoeg geen hogere notering in dan de vijfentwintigste plaats in de Top 40. Bij ons zal Gaye pas met dat nummer scoren in de zomer van 1986 wanneer het opnieuw wordt uitgebracht naar aanleiding van de re-release die opduikt in een tv-commercial van Levi’s Jeans met daarin als knappe jongen niemand minder dan Nick Kamen.

Nadien zullen er enkele geslaagde covers worden opgenomen door onder meer Ike & Tina Turner, Elton John en het orkest Paul Mauriat. Vergeten we vooral de hitversie niet van de Duits-Engelse band Soultans met voorop de opvallende stem van Marvin Broadie die in 1996 al eens raak schoten met Can’t take my hands off you en het jaar nadien in de Europese hitlijsten opvallen met hun versie van I heard it through the grapevine.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

John Terra

John werd de eenentwintigste juni 1951 in Hasselt als Johnny Terwingen geboren in een gezin van drie kinderen. John heeft nog twee jongere broers, Roger en Ludo. Pa was huisschilder, een vrij stille man die zich ooit nog aan cabaret waagde en mama hield het huishouden nauwgezet in de gaten. Zij was erg  muzikaal, zij floot graag een deuntje. Een paar ooms langs moeders kant, de nonkels Jef, Jean en Albert, hadden een eigen orkest, The Ramblers (niet te verwarren met hun Nederlandse naamgenoten). Niemand van die ooms kon muziek lezen. Thuis legden zij dan de nieuwste platen op en speelden die na op het gehoor zodat zij in het weekend wanneer zij gingen optreden weer kersvers materiaal hadden.  John mocht van kindsbeen af met hen elke week mee naar die repetities en daar kreeg hij snel de smaak te pakken, vooral omdat zijn ooms ook goed konden zingen. Na de lagere school aan het Heilig Hart College in de Zandstraat in Maasmechelen trekt John naar het Atheneum in Eisden. Daar konden de leraren best wel pruimen dat John in zijn vrije tijd veel met muziek bezig was. Hij trad toen al op tijdens de in die tijd populaire crochetwedstrijden. John is zeven wanneer hij naar muziekhandel Driesen in Maasmechelen trekt om daar bij een leraar akoestische gitaar te leren, maar hij wacht tot zijn vijftiende vooraleer hij pas echt met notenleer begint, maar dan wel tegen een sneltreinvaart. In Genk gaat John iets later klassieke gitaar studeren. Hij leert ook als geen ander in ijltempo arrangeren, want het componeren zit hem in het bloed. Hij is amper twaalf wanneer hij al zijn eerste liedje schrijft, in het Frans nog wel, want Salvatore Adamo is op dat moment zijn grootste idool. Dat eerste liedje heet Dans tes yeux.  Met dit nummer doet John aan haast elke crochetwedstrijd in Limburg mee. Op aanraden van pastoor Wellens schrijft John zich in voor een wedstrijd georganiseerd in de parochiezaal van zijn gemeente. Dat optreden kent zo’n succes dat John vanaf zijn dertiende aan haast elke wedstrijd meedeed die er in Limburg maar georganiseerd werd. Zijn ouders waren niet zo’n gangmakers van welke ambitie ook. Zij legden nooit druk op hun kinderen, zij lieten eerder hun kinderen hun gang gaan. Op zekere dag moet hij in Nederlands – Limburg optreden. De vereiste is dat hij zich inschrijft onder zijn artiestennaam. Hij neemt het eerste  deel van zijn  familienaam Terwingen en het eerste deel van de familienaam van zijn moeder, Ramaekers, en de artiestennaam John Terra is geboren. De Nederlanders vinden het geweldig dat een Vlaming bij hen in het Frans komt zingen.

Tijdens een crochetwedstrijd in Kuringen ontmoet John voor de eerste keer Jan Theys, maar Jan heeft op dat moment geen tijd om zich met de carrière van John bezig te houden . Theys schreef in die tijd al veel teksten voor liedjes onder zijn schuilnaam Yan Nick. In Sint-Truiden wordt een paar maanden later een wedstrijd georganiseerd door het kleine platenlabel Gerda Records. John wint die wedstrijd en mag zijn eerste singletje opnemen samen met accordeonist Jean Menten, tevens eigenaar van het Gerda label  (genoemd naar de vrouw van Jean Menten). Als eerste single komt in 1968 Dans tes yeux aan bod gekoppeld aan Je n’oserai plus. De arrangementen werden geschreven door Leo Caerts, bekend van de hit Eviva España. en in die tijd leider van het begeleidingsorkest van Will Tura. John was méér dan in de wolken door die samenwerking. Wie op eBay gaat zoeken, kan het plaatje Dans tes yeux hier of daar nog op de kop tikken. John is dan nog maar zeventien, zit in zijn voorlaatste jaar in de middelbare afdeling en houdt de school voor bekeken. John trekt dan naar het conservatorium in Brussel om muziek te gaan studeren. Voor dat Gerda label zal John nog een aantal liedjes in het Frans opnemen zoals Adieu, Je t’aime en  Fille de mes rêves, maar het succes blijft beperkt tot de familie Terwingen, vrienden, kennissen, de  Maaskant en omstreken. John liet zich in die tijd begeleiden door het orkest van zijn ooms, The Ramblers. Om z’n actieterrein uit te breiden gaat John op zoek naar een nieuw orkest en komt terecht bij The Dynamites uit Sint-Truiden. Tijdens een optreden in Turnhout ontmoet hij de bekende impresario Robert Bylois, oprichter van het Beneluxtheater en manager van Salvatore Adamo. Robert was ook een Limburger afkomstig uit Diepenbeek. Het klikt meteen tussen hen beiden. Hij nodigt John een week later uit op zijn kantoor in Brussel en na een korte babbel neemt Bylois meteen telefonisch contact op met platenfirma EMI.  Die waren in 1970, na het plotse overlijden van zanger Danyel Dirk, op zoek naar nieuw talent. Dirk had in 1969 een vette hit te pakken met Als je de taal van de liefde verstaat, twee weken op één tijdens de maand februari van dat jaar en iets later, tijdens de maand juli, met Er stond een regenboog. Jan Theys was toen de vaste tekstleverancier voor Dirk. De achtentwintigste augustus 1969 overlijdt hij op weg naar huis na een optreden in Antwerpen aan de gevolgen van een zwaar auto-ongeval.  Een week na die telefoon van Bylois, wordt John uitgenodigd in de EMI studio aan de Koolmijnkaai in Brussel en neemt daar samen met een pianist enkele liedjes op. Meteen nadien krijgt hij te horen dat hij voor die auditie geslaagd is en krijgt een platencontract aangeboden.

John weet met zijn vreugde geen weg. Er moet dringend een plaatje worden opgenomen, maar alle studio’s in Vlaanderen zijn bezet. Dus trekken zij naar Nederland, naar Hilversum en nemen daar in één dag het nummer op, orkest, zang en mixing inbegrepen. De keuze valt niet op een eigen song van John, maar wel een vertaling van de hit Wight is wight, in Frankrijk op dat moment een gigantische hit voor Michel Delpech die het chanson ook zelf had geschreven. Voor de Nederlandse tekst zorgde Patrick Ruymen. De veertiende februari 1970 staat John met zijn versie op de vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. Het singletje wordt ook vlot door Radio 2 opgepikt en vaak gedraaid.

Die eerste singles van John zouden bijna allemaal vertalingen worden van bekende hits, zoals ook Parking Rosie, een vertaling door Yan Nick en Marc Stelvio van Cracklin’ Rosie van Neil Diamond. Dit nummer eindigt in de Vlaamse Top Tien van 1970 op de tweede plaats. Minder vlot gaan de singles Na na na (‘t verleden), In de duinen en Mooie blauwe ogen van de hand. De laatste single die John voor EMI inblikt is Een deuntje uit de oude doos, een vertaling van Breakin’ up is hard to do van Neil Sedaka, vertaald door Penny Els, alias Els Van den Abbeele. Dat nummer werd aan John doorgespeeld door de toen nog piepjonge producer Yves De Vriendt. Yves had voor John trouwens het liedje Mooie blauwe ogen geschreven en had ook nog voor Joe Harris en Ronnie Temmer gewerkt.  De dertigste januari 1972 geraakt John met dit nummer nog net binnen de Vlaamse Top Tien en houdt daar halt op plaats negen. Bij EMI wordt er van directie gewisseld en dat vond John jammer. De nieuwe wind die er waaide, zinde hem niet. Het is Jan Theys die John iets later voorstelt aan Jean Klüger die op dat moment in de studio bezig is samen met Will Tura aan het nummer Droom niet meer. De week voordien had Theys hem al de elpee die John Terra voor EMI had opgenomen, laten horen, dus Jean wist wie er voor hem zat toen zij in een restaurant in Brussel een mogelijke platendeal met John bespraken. De eerste vraag die hij aan John stelt is of hij eigen songs schrijft. Er wordt afgesproken dat John hem een democassetje bezorgt met enkele opnamen. Hierop reageert Klüger zeer positief. Twee liedjes staan hem erg aan die hij meteen doorspeelt aan Jan Theys die er gelijk ook de teksten voor schrijft. John maakt van dan af deel uit van het door Jean Klüger opgerichte Biram platenlabel. Iemand heeft je pijn gedaan dat hij samen met Jean schrijft op tekst van Yan Nick (pseudoniem voor Jan Theys) bereikt in de maand maart van 1973 de zesde plaats in de BRT top dertig. In de Vlaamse Top Tien houdt John het bovenaan drie weken na mekaar vol. Voor dit liedje had John zich qua stemtimbre laten leiden door de hit Sylvia’s Mother van Dr. Hook. John zong namelijk tijdens zijn live-optredens zowat al de hits van Dr. Hook.  Hij had Iemand heeft je pijn gedaan bij hem thuis op zijn slaapkamer in Maasmechelen geschreven.  Voor de opname was John naar de studio in de Rue de la Madeleine in Brussel getrokken met vijf muzikanten om zich heen , de jongens die een deel van de J.J. Band vormden: Bruno Castellucci en Ralph Benatar om er een paar te noemen. Ter plaatse werd het arrangement bedacht. Van Iemand heeft je pijn gedaan zal John zelf ook een Franse versie inzingen als Un garçon t’a fait pleurer in Frankrijk gecoverd door Jacques Amar die in de jaren zeventig in Canada hits scoorde met chansons zoals Adieu la vie, adieu soleil en J’avais écrit ton nom.  Intussen was Terra zo bezeten door muziek dat hij zich inschrijft aan het conservatorium in Brussel. Hier ging John zich verder specialiseren in notenleer en klassieke gitaar. Hij hield dit vol tot hij zo’n vijftentwintig optredens per maand had af te werken. Toen werd het kiezen geblazen en koos hij voor zijn carrière als beroepszanger.

De daaropvolgende single Is er een ander (tussen jou en mij) doet het enkele maanden later opnieuw beregoed, er zit zelfs een top drie hit in de toenmalige Top Dertig in. In de Vlaamse Top Tien blijft John zelfs zes weken na mekaar op één genoteerd. Er was eerst het stroofje dat John schreef met in zijn achterhoofd de stem van Elvis Presley. Hij krijgt geen refrein verzonnen en geeft het bandje mee aan Jean Klüger die het op zijn beurt meeneemt naar zijn huis in Parijs waar hij op zijn elektrisch Hohner-orgeltje het refrein bij mekaar schrijft. Van Is er een ander zullen later enkele versies bekend worden, onder andere gezongen door Laura Lynn en op accordeon vertolkt door The Sunsets. In de jaren negentig maakte Lotti het liedje onsterfelijk door er een Engelse tekst bij te schrijven en het in te blikken als I Should Have Known.

En John heeft de smaak goed te pakken, want in 1974 pakt hij uit met het zomerse A la Espagnola, een overduidelijke blauwdruk van het in die tijd razend succesvolle Eviva España. John was bezig aan de opname van zijn eerste elpee voor Klüger in Studio Morgan in Brussel, eigendom van Roland Klüger, de broer van Jean. John had de tekst al eerder gekregen van Jan Theys en terwijl hij de tekst las, hoorde hij gelijktijdig in zijn  hoofd de melodie. De eenentwintigste april 1974 staat John met dit nummer op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Had Samantha toen geen hit gescoord met Eviva España dan had er voor John en A la Espagnola veel méér ingezeten, want Jean voorspelde het een grote hit. Nadien brengt Terra bij Klüger nog nummers op single uit zoals Vergeet niet te schrijven, Als het niet meer anders kan en Rosanna. Dit laatste was in Frankrijk een hit voor de toenmalige echtgenote van Sheila, Ringo die met dat nummer een grote hit te pakken had. Het was Jean Klüger zelf die deze song samen met Daniël Vangarde had geschreven. Klüger zou trouwens samen met Vangarde een rist hits schrijven voor The Gibson Brothers, Ottawan en La Compagnie Créole. Voor de vertaling van Rosanna zorgde ook deze keer Yan Nick.

In 1976 stapt John bij Klüger op. De overgang van Studio Madeleine naar Studio Morgan had John slecht verteerd. In Studio Morgan werd hij te vaak geconfronteerd met kinderziektes, een nieuwe studio eigen. Dat stoorde hem als perfectionist in zijn manier van werken. Hij bespreekt dit met Klüger en zij  besluiten hun samenwerking stop te zetten. John stapt over naar Philips en komt bij hun producer Romain De Smet terecht, die van BASF was overgekomen en in de tijd samenwerkte met zangeres Cindy, met wie hij enkele niet onaardige singles opneemt  in de studio’s van Sylvain Tack waaronder  Verliefd voor de eerste keer, een liedje geschreven door John samen met Yan Nick en Ramon Smith en met op de B-kant Wacht tot het donker is.  In de Vlaamse Top Tien van dat jaar zit er slechts een zesde plaats in. Welkom thuis wordt vervolgens op 45 toeren uitgebracht en is intussen een rariteit geworden. Het werd toen ook door Philips op de verzamelaar “De 13 beste van radio en tv” uitgebracht samen met Fats Domino, Marianne Rosenberg en Vicky Leandros. What nu my love (niet te verwarren met What now my love van Gilbert Bécaud) van de hand van John, Yan Nick en Guillaume Maes in een arrangement van Freddy Sunder en een productie van Romain De Smet, uitgebracht bij de start van 1977,  kan je bezwaarlijk een kanjer noemen en is zeker niet te vergelijken  met  zijn voorgaande successen. Achteraf beseft John dat die overstap wel degelijk een misstap in zijn carrière is geweest.

Stilaan glijdt John Terra weg uit de belangstelling.Van 1977 tot 1981 neemt hij zelfs geen enkele plaat meer op. Dankzij Xavier Maesen die in Johns orkest speelt en in zijn vrije tijd sessiemuzikant is in de studio’s van Johnny Hoes komt John in contact met deze Nederlandse schlagergoeroe. Die neemt hem mee naar z’n kantoor en laat hem daar twee nummers horen. Een van die liedjes is Am Tag als die Sonne nicht mehr kam dat op dat moment een dijk van een hit in Duitsland is voor de zanger van Griekse origine Costa Cordalis. Hoes weet John te overtuigen dit liedje op te nemen, maar staat erop dat hijzelf de tekst schrijft. Op een moment dat de Vlaamse schlager wat in het vergeetboek is geraakt, lukt het John Terra in 1981 met De dag dat het zonlicht niet meer scheen zeven weken lang op nummer 1 te staan in de Vlaamse Top Tien, kortom het wordt een monsterhit en een ongelooflijke comeback. In de BRT Top Dertig zit er een twaalfde plaats in. Compleet gehuld in een new-wave-jasje pakt Marcel Vanthilt samen met zijn groep Arbeid Adelt op tekst van Max Alexander en David Salomon iets later uit met een parodie op dat nummer. Terra kan er smakelijk om lachen.

Joe Harris zat op dat moment ook bij Hoes onder contract en had een gouden hit te pakken met Drink rode wijn, doodleuk afgekeken van Udo Jürgens’ Griechischer Wein.  Joe was door het management van het “Casino van Middelkerke” aangezocht om de Limburgse ploeg voor de “Baccarabeker” te coachen en hij doet een beroep op John Terra die dat eerst niet ziet zitten, maar uiteindelijk toch toehapt samen met Chrissy en het duo Beau Regard. Zij eindigen totaal onverwacht als overwinnaars. Bij Johnny Hoes beleeft John Terra een toffe periode, want de volgende hitsingle Ik weet niet waarom, een vertaling van een Italiaanse hit op tekst van Erik Van Neygen, wordt eveneens  een Vlaamse nummer 1. Van Neygen en John gingen aankloppen bij de Italiaanse zanger Nicola di Bari die in 1971 het door Franco Migliacci geschreven Il cuore è uno zingaro had geschreven. Met dit liedje won Nicola het San Remo Songfestival. Van Neygen bleef wel  uit de letterlijke buurt van de originele tekst,  want de Italiaanse titel heeft het over Het hart is een zigeuner. De tweeëntwintigste mei 1982 stoot John met deze cover door naar de achtentwintigste plaats in de BRT Top Dertig.

De jaren tachtig worden voor John niet alleen een periode van singles opnemen, maar ook een periode van achter de schermen werken, iets dat hem uitstekend afgaat. Hij gaat in 1985 zelf de Limburgse ploeg coachen tijdens de Baccarabeker, sleept datzelfde jaar de Radio 2 Zomerhit in de wacht met het nummer Ik voel me zo verloren. John gaat opnieuw op verzoek van  Jean Klüger voor diens firma  werken en doet in 1987 mee aan Eurosong waar hij derde wordt met het liedje Champagne voor iedereen. Dat jaar komen elf kandidaten in aanmerking voor een kans op deelname aan het Eurovisiesongfestival. Bart Kaëll wordt tweede met Carrousel en John legt beslag op de derde plaats. Het is Liliane Saint-Pierre die met Soldiers of Love naar onze hoofdstad mag afzakken. Liliane zal op de elfde plaats eindigen. De overwinning gaat naar Ierland dat Johnny Logan had afgevaardigd met Hold Me Now. John schreef Champagne voor iedereen samen met Nelly Byl terwijl Pino Marchese voor de arrangementen zorgde. De tweede mei 1986 staat John met geheven glas op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 1991 houdt die samenwerking met Klüger op. John was door omstandigheden volledig zijn zelfvertrouwen kwijtgeraakt  en komt  bij platenfirma Assekrem terecht wat uitmondt in een rist singles. Maar Terra vertelt aan producer-eigenaar van het label Erik De Blende dat hij méér wil zijn dan alleen maar zanger. Hij wil ook produceren en liedjes schrijven, nieuw talent ontdekken en zelf een beetje achter de schermen verdwijnen. Dat neemt niet weg dat hij nog regelmatig in de spots opduikt, onder andere in 1988 wanneer hij tijdens Zomerhit, georganiseerd door Radio 2, de “Zomerhittrofee” in ontvangst mag nemen voor het beste Nederlandstalige lied van dat moment Ik zie je nooit meer  geschreven door Mike Egan op tekst van Nelly Byl, een ballad door John op een bepaald moment tijdens het refrein met falsetstem gezongen. Een gimmick die niet velen hem in Vlaanderen kunnen nadoen. Datzelfde jaar was hij  Dana Winner tijdens een Limburgse zangwedstrijd tegen het lijf gelopen en neemt haar in 1990 op in de Limburgse ploeg voor de Baccarabeker. In die ploeg zitten ook Johnny Lynn en het duo To Be Louise. Het is het Brabantse team met daarin onder meer Samantha Gilles en B.J. Scott dat met de overwinning aan de haal gaat. In 1989 neemt John met Lady Di in zijn achterhoofd het nummer Diana ik denk aan jou op, door hem samen met Nelly Byl geschreven en goed voor een zesde plaats in de Vlaamse Top Tien. Nog beter slaat het nummer Zonder jou kan ik niet langer leven in 1989 aan. Dit is een vertaling van de Franse hit Trop belle pour rester seule geschreven door Daniël Vangarde en Claude Carrère voor de Franse hitzanger Ringo en vertaald door Yan Nick. Op dat moment brengt John zijn plaatjes uit op het 39°5 Records, één van de vele sublabels van Jean Klüger. In 1993, John kan de uitdaging niet laten, neemt hij nog eens deel aan Eurosong. Er zijn vier voorrondes en één finale met in het totaal veertig deelnemers. Tijdens de tweede voorronde wordt John zesde met het nummer Heel gewoon. Uiteindelijk wint dat jaar Barbara Dex met het nummer Iemand als jij. Heel gewoon verschijnt op het Assekrem label op single als B-kant van Hier gooi ik mijn anker  dat de eenendertigste juli 1993 op de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien mag pronken. John  blijft nadien met de regelmaat van een klok singletjes uitbrengen, maar die scoren iets minder hoog in de hitlijsten: De lente, Laat me nooit meer alleen, Nee ik laat je nooit meer gaan, Ik voel me goed bij jou, Ik mag niet meer van je dromen en Een storm in een glas water. In 1994 krijgt John tijdens de eerste editie van “Zamu Awards” een prijs in de categorie auteur/componist samen met Raymond Van het Groenewoud. John mag terecht fier zijn, want op dat podium staan samen met hem ook nog dEUS, Noordkaap, Axelle Red, Eric Melaerts en de groep Dinky Toys. Het jaar daarop viert John zijn 25-jarige carrière met een reeks feestelijke concerten onder andere de 26ste maart in Maasmechelen onder de titel “Tussen einde en begin”. Om het geheel extra glans te geven, wordt hij de 21ste september van dat jaar tot ereburger van Maasmechelen verheven.

In 1996 beslist John voorlopig een punt achter zijn carrière als zanger te plaatsen en zich volledig als producer te profileren. Bij onder andere Assekrem kan en mag hij zich wat dat betreft een tijdje lekker uitleven. Wij gaan ze niet allemaal opsommen, maar een kleine keuze uit zijn immens groot oeuvre mag bij dezen wel even.  Voor Luc Steeno schrijft John: De Rode Duivels gaan naar Amerika, Hij speelde accordeon en In Marbella, voor Christoff: Dans le jardin de Sainte Cathérine, Een optimist, Kopje Onder en Onder de toren. Hij schrijft ook enkele duetten die Christoff samen met zijn zus Lindsay opneemt: Ik geef je wat ik geven kan, Jij leeft in mij en niet te vergeten We nemen elkaar zoals we zijn. Dana Winner heeft een aantal knappe songs aan John te danken: 1000 keer, In alle dingen, Tranen in mijn hart en Dat gevoel. Voor Helmut Lotti en Bart Kaëll schrijft hij het duet Gek op haar, voor Mama’s Jasje Als God geen vrouw is, voor Micha Marah Kan ik nog geven om jou, voor Eric Flanders Die lach van jou en Ga naar de zee, voor Frank Galan Haar Casanova, voor Yasmine het wondermooie Diep in mij, tot in lengte van dagen een rasechte Vlaamse klassieker. Ook  Willy Sommers gaat bij collega John aankloppen: Een beetje verliefd, In al jouw dromen, Toen kwam jij, Er is geen reden en ga zo nog maar een tijdje door. Voor Kim Kay produceert hij niet alleen, maar schrijft voor haar Abracadabrant en Touche à tout, voor Vanessa Chinitor: Deel mijn leven, Een koffer vol dromen en Een vleugje romance. Voor de verdere details verwijzen wij graag naar de respectievelijke bio’s van de vermelde artiesten.

Geheel onverwachts treffen wij Terra van de zestiende juli tot de vijfde september 2005 aan in “Het Witte Paard” in Blankenberge waar hij optreedt in de traditionele zomerse revue samen met Jan Van Dyke, Franky Boy, Betty en  Patrick Vinx. Meteen na afloop van dat seizoen laat John weten dat dit niet voor herhaling vatbaar is, dat hij zich liever nog wat warm zingt vooraleer hij zich nog eens met zijn eigen repertoire en in een vertrouwde setting aan het publiek wil laten horen. Hij verrast ons dat jaar ook met een nummer van Rowwen Hèze, een groep uit Nederlands-Limburg, en zijn versie van hun hit De neus omhoog geschreven door Jack Poels waarvan hij ook een deel in het dialect zingt als De naas umwog. Het nummer wordt op het Magic Label uitgebracht en verdeeld door EMI. In 2005  treedt John ook toe tot de raad van bestuur van Sabam. Hij zetelt daarin samen met Daniël Ditmar die heel wat teksten voor zijn composities schreef, Hans Helewaut, Johan Verminnen onder het voorzitterschap van Stijn Coninx.

In de concertreeks “Houden Van” mag Terra ook niet ontbreken. In 2007 staat hij in het Antwerpse Sportpaleis op de affiche van “Houden Van, Griffelrock” dat dan toe is aan de zesde editie en gepresenteerd wordt door Marijn Devalck. Op de affiche staan onder meer Armand, Herman Elegast, De Vaganten, Benny Neyman en Sanne. Omdat hij er weer volop zin in heeft, zegt John ook ja tegen de organisatoren van het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt dat de vierde, vijfde en zesde april 2008 plaatsheeft. John zingt daar aan de zijde van Garry Hagger, Eddy Wally, Corry Konings, Bart Van den Bossche, Laura Lynn en Frans Bauer. Datzelfde jaar richt hij samen met Margriet Hermans de vereniging VLAPO (Vlaamse Podiumartiesten) op, een vereniging die zich de komende jaren zal bezighouden met de verdediging, het behoud en de promotie van het Vlaamse lied. Zij zullen er onder andere bij de Vlaamse regering en de VRT op aandringen om méér Vlaamse producties op radio en televisie te programmeren. In 2010 mag John, geflankeerd door Will Tura, Frans Bauer, Laura Lynn, Robin Gibb en Engelbert Humperdinck, schitteren op het podium van Rimpelrock in Kiewit-Hasselt.

In 2010 gaat John Terra samen met Patrick Riguelle op tournee. Patrick was jarenlang het huisorkest geweest van “De Laatste Show”. Toen die hem bedankten voor de bewezen diensten, had Patrick plots een zee van tijd om die muzikaal in te vullen. Hij komt samen met John op de idee de vele hits die geschreven werden in de legendarische “Brill Building” in New York wat op te poetsen en in een show te gieten “Songs from The Brill Building”. Songs zoals Girl, you’ll be a woman soon van Neil Diamond, Save the last dance for me van Doc Pomus en Mort Shuman, Baby it’s you van Burt Bacharach, Breakin’ up is hard to do van Neil Sedaka, You’ve lost that loving feelin’ van Barry Mann en Cynthia Weil enz… passeren in deze anderhalf uur durende show de revue gebracht door: John Terra, Patrick Riguelle, Dany Caen, Chris Peeters, Paul Poelmans, Wouter Berlaen en Stoy Stoffelen. De show wordt de 17de september 2010 in de “AB Club” in Brussel aan de pers voorgesteld alvorens langs de Vlaamse culturele centra te trekken. Na een veertigtal shows wordt beslist er een vervolg aan te breien. Om dit verhaal voor de eeuwigheid te bewaren, worden veertien songs uit deze show verzameld op het album “Songs from The Brill Building”. De tweede februari 2012 wordt John samen met Arno gelauwerd door Radio 2 en Sabam tijdens de “Eregalerij” in het Casino-Kursaal van Oostende. Als hommage aan John en aan de liedjes die hij schreef, zingen die avond Isabelle A Liefde is een kaartspel, Barbara Dex Diep in mij, Helmut Lotti Alles wat ik wil en John samen met Patrick Riguelle in duet Is er een ander?

Op Showbizzsite.be lezen wij de negende januari 2013 dat Sergio nieuwe plannen smeedt met John als producer. Bart Herman schrijft speciaal voor hem Je eigen leven. De derde maart van dat jaar staat Sergio op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Enkele maanden later verrast hij ons opnieuw met een productie van John Ik kan niet zonder jou. John heeft het plan gesmeed van Sergio een soort Vlaamse André Hazes te maken. De zanger van een nieuw soort levenslied. De negende augustus 2014 prijkt Sergio op twee in de Vlaamse Top Tien met Alleen bij jou, geschreven door Bart Herman en geproduceerd door John Terra.

In de loop van de maand juli 2013 brengt John na een afwezigheid van achttien jaar nog eens een Nederlandstalige soloplaat op de markt, het door hemzelf op tekst van Johan Verminnen geschreven De mooiste dag van mijn leven. Dit liedje verschijnt op het Globe label dat in 2008 door Ilia Beyers was opgericht. Hier namen in het begin Willy Sommers en Luc Steeno hun nummers op alvorens zij met ARS/Universal in zee gingen. Trouwens de eerste single van Luc Steeno uit zijn Adamo-album verscheen toen nog op het label Globe Entertainment.  Sinds een tijdje houdt dit label zich nog uitsluitend met Vlaamse artiesten bezig. Zij hebben besloten dat John op dit label in de nabije toekomst regelmatig een single zal uitbrengen en wie weet zit er op langere termijn ook een album in. Begin september 2014 brengt John Breek je wereld open op single uit, een nummer dat hij samen met Daniël Ditmar en Wim Claes heeft geschreven. De respons is veel minder positief dan verwacht.

 

Anno 2015 staan John Terra en Patrick Riguelle opnieuw op de planken. Deze keer graven ze nog dieper in die Amerikaanse muziekgeschiedenis om er parels uit de befaamde “Tin Pan Alley” op te diepen: evergreens, torch songs én jazzstandards van grote componisten als George Gerschwin, Fats Waller, Irving Berlin e.a. Die schreven in de eerste helft van de 20ste eeuw evergreens voor onder meer Frank Sinatra, Ray Charles, Louis Armstrong, Tony Bennett, Ella Fitzgerald en Peggy Lee. Terra krijgt vocale steun van Dany Caen en een band vol oudgedienden van “De Laatste Show”: Patrick Riguelle (zang, akoestische gitaar en percussie), Chris Peeters (gitaren en zang) en Paul Poelmans (toetsen).

De veertiende juli 2015 verschijnt de nieuwste single van John Terra Neem me mee, vertaling van Désiree van Neil Diamond, geschreven door Geert Vanloffelt. John maakte er een stevige versie van, waarin hij probeerde zijn ganse ziel te leggen. Deze single is de voorbode van een conceptalbum rond liedjes van Neil Diamond. Met het oog op die release liet Terra aan de pers weten: ” Sedert het prille begin van mijn zangcarrière maakte ik er een gewoonte van om in mijn optredens ook Engelstalige songs te brengen. Steevast was er altijd één nummer van Neil Diamond bij. Neil Diamond werd in Amerika ook wel eens de Joodse Elvis Presley genoemd en ik begrijp waarom, want Elvis was mijn schoolvoorbeeld als performer, maar ook als een van de beste zangers ooit. Bij Neil erken ik dezelfde ingrediënten als bij Elvis: een stem die opvalt tussen alle overige stemmen, zeer herkenbaar en een stem die door merg en been gaat. Alleen heeft Neil een streepje voor op Elvis: hij componeert zelf zijn liedjes en schrijft zelf zijn teksten. Maar hun impact op mij als jonge zanger was even groot. Ik herinner me dat ik tot tranen toe bedwongen was van ontroering als ik hun liedjes met koptelefoon beluisterde. Ik kan rustig stellen dat zij samen met de Beatles in mijn muzikale genen zitten opgeborgen.” 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Marva

Marva

Ook al hield Marva haar zangcarrière  in 1980 voor bekeken en besliste ze toen nooit meer op te treden, toch was ze  blij verrast toen dertien jaar later haar verzamel-cd  ”Marva’s 21 grootste successen” werd uitgebracht en een jaar later mocht  zij uit handen van Will Tura daarvoor een gouden plaat in ontvangst nemen!

Dat zullen haar ouders nooit gedacht hebben toen hun dochter Marva Mollet de drieëntwintigste maart 1943 in De Haan werd geboren. Na haar volgden nog twee broers. Papa Mollet was in 1950 een winkel begonnen,   gespecialiseerd in binnenhuisverlichting, een zaak die Marva tegenwoordig nog altijd runt. Thuis klonk altijd muziek. Mama zong, vader speelde viool en grootvader dirigeerde de plaatselijke fanfare. Marva schreef zich, na haar lagere school in Blankenberge, in als leerling aan het lyceum in Brugge waar ze de afdeling Latijn volgde en op haar dertiende, ze zong toen al dolgraag, werd zij lid  van het befaamd Brugs Madrigalenkoor. Zij was  bijna achttien toen zij het Madrigalenkoor verliet.

De koordirigent, Hilmer Verdin, had al een tijdje door dat Marva een zangcarrière ambieerde en stelt haar voor aan het orkest van Roland Keereman. Een week later wanneer zij in Leuven moeten optreden, krijgt Marva te horen dat de bekende impresario Robert Bylois, manager van onder andere Salvatore Adamo, in de zaal zit en zijn oog op haar heeft laten vallen. Na een akkoord met haar ouders te hebben gesloten, trekt Bylois met haar naar platenfirma Vogue die beslissen meteen met Marva de studio in te duiken en een eerste single op te nemen. Maar eerst moet zij nog wat privélessen volgen en wordt haar uitspraak en haar houding bijgeschaafd. In de lente van 1963 staat Marva op nummer één in de Vlaamse Top Tien met  Geef me nog één kans, oorspronkelijk bekend als Too late to worry en in 1962 in de States al op plaat gezet door Babs Tino, een liedje van Burt Bacharach en Hal David dat toen als Donne moi ma chance in Frankrijk een nummer één was voor Richard Anthony. De daaropvolgende single Mischka doet helemaal niets en ook de derde single Ik wil je niet meer blijft onaangeroerd in de winkels liggen. Toch zit Marva niet stil, want Bylois laat haar met diverse orkesten en artiesten optreden, onder andere samen met Maurice Dean, ook in het buitenland, maar al snel laat zij merken dat zij liever in Vlaanderen blijft, want intussen heeft Marva – wij zijn dan de zesde januari 1964 – op het carnavalsbal in Blankenberge, advocaat-notaris Walter Vandenbussche leren kennen. Acht maanden later trouwen zij en nog eens elf maanden later wordt hun zoon geboren. Walter gaat zich van dan af  almaar meer met de carrière van Marva bezighouden en weet zelfs haar lopend contract met Robert Bylois open te breken.

Haar eerste platenfirma Vogue heeft intussen na al die flops afgehaakt. Maar Bylois blijft niet bij de pakken zitten en heeft contact gezocht met Rocco Granata die druk in de weer is met zijn zoektocht  naar nieuw talent voor zijn pas opgestarte firma “Cardinal Records”. Er wordt een afspraak gemaakt en binnen de kortste keren heeft Marva een nieuwe single klaarliggen Het liedje van de zee, een nummer van Rocco op tekst van Will Ferdy. Marva herinnert zich die opname nog als de dag van gisteren, want zij was toen in 1965 hoogzwanger. Rocco moet haar wel even overhalen dat op te nemen, want Marva twijfelt erg. Een week nadat zij bevallen is van haar zoon, kan je haar overal horen met haar nieuwste single. Dankzij deze melodie  zit zij opnieuw in de lift. Drieëndertig  jaar later wordt dit liedje op vrijdag de tiende november 2000 in het “Casino van Knokke” uit het vergeetboek gehaald tijdens het gala van de Eregalerij samen met Een eiland in groen en blauw, waarover we het zo meteen nog zullen hebben .

Geen wonder dat door haar succes Marva in 1967 wordt gevraagd om deel te nemen aan “Canzonissima”. Louis Neefs is de grootste kanshebber met Ik heb zorgen. Het vreemde is dat Marva met  Een eiland in groen en blauw niet eens de finale haalde. Het publiek is wél weg van dat nummer en de single belandt in de maand april van 1967 op de zestiende plaats in de toenmalige BRT Top Dertig. In de Vlaamse Top Tien zit er een vierde plaats in. Phil van Cauwenbergh weet nog heel goed dat hij de tekst in een mum van tijd klaar had. De woorden vloeiden moeiteloos uit zijn pen, daarbij enorm gestimuleerd door de sterke melodie van Rocco Granata.

Haar deelname aan “Canzonissima” is nog maar net verteerd of daar staat Marva samen met de Belgische ploeg tijdens de “Knokke Cup” van 1967 op de planken van het Casino van Knokke in het gezelschap van Jimmy Frey, Lucky Jones, Claudia Sylva en Ann Soetaert. Samen met Jan Theys, die hun ploegleider is, hebben zij daar een maandlang als vrienden samengeleefd. Een band die na al die jaren is gebleven. Het was de Britse zanger Roger Whittaker die toen met de persprijs ging lopen op de voet gevolgd door Marva.

Na een jaar of twee met Rocco te hebben samengewerkt, krijgt Marva de indruk dat Rocco de beste liedjes voor zich houdt, hij scoorde trouwens als soloartiest nog steeds veel succes met zijn eigen nummers. Toch scoort zij onder zijn vleugels nog twee hits in de Vlaamse Top Tien: in 1967 met Laat ons goede vrienden zijn en een jaar later met In elk hart is een huis. Op aanraden van Will Tura gaat Marva op het einde van de jaren zestig aankloppen bij Jean Klüger die maar al te blij is dat hij Vlaanderens meest populaire zangeres van dat moment in huis kan halen. Voor haar wordt het een verademing dat ze bij Klüger iets meer ruimte krijgt om haar eigen gang te gaan! Jean geeft wel de muzikale richting aan, maar Marva mag haar eigen ziel in de liedjes leggen. Vooral de samenwerking met tekstschrijfster Nelly Byl staat haar enorm aan. Zij gaan regelmatig uit eten en dan wordt er heel wat bijgepraat en op die manier weet Nelly precies wat Marva na aan het hart ligt en hoe zij zich als vrouw voelt.

Bij Klüger vindt Marva haar tweede hitadem. Na  Zoals het eenmaal is geweest waarmee zij op het einde van 1969 op twee geraakt in de Vlaamse Top Tien, scoort zij de tiende mei van 1970 een Vlaamse nummer één met Ti pi ti pi ti. Het nummer Costa Rica dat zij in de zomer van dat jaar opneemt wordt ook een hit net als Dirladada. Als je eenzaam bent bereikt in de maand maart van 1973 de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Als je eenzaam bent nam Marva speciaal op voor haar trouwe fans  die haar niet alleen als hun idool zagen, maar ook als een soort troost bij wie ze na haar optredens eens konden praten over hun persoonlijke problemen. Een luisterend oor en een goede raad had ze altijd klaar. Een plaats hoger staat zij een maand later met Waar seringen bloeien.

Jaren na mekaar staat Marva tot haar eigen verbazing bovenaan “Humo’s Pop Poll”, onafgebroken zelfs van 1968 tot en met 1973 wanneer zij door Ann Christy wordt voorbijgestoken. Tijdens de jaren zeventig zet Marva voolgens velen haar mooiste liedjes op plaat: ‘t Is zo goed in Vlaanderen waarmee zij nochtans in april 1974 slechts de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien bereikt. Voordien was zij in de Vlaamse Top Tien nog succesvol opgedoken:  in 1972 met Leve leve de liefde, een jaar later met Salvatore én met de nummer één Niemand wil je als je ongelukkig bent. Haar klassieker zet zij in de winter van 1975 neer met Rode rozen in de sneeuw. Nelly Byl, die veel voor  Jean Klüger schreef, had de tekst al eerder neergepend van Rozen voor Sandra voor Jimmy Frey. Gelet op het grote succes van dat nummer had Jean aan Nelly gevraagd om opnieuw een tekst te schrijven met de roos als thema. Enkele dagen later, het is hartje winter, komt Nelly op de idee en op de proppen met Rode rozen in de sneeuw. Jean Klüger zorgt voor de muziek én een gouden hit voor Marva. Het liedje wordt in de studio zo goed als live opgenomen: stem en orkest in één take, wat gezien de tempowisselingen, voor Marva niet zo’n eenvoudige klus was. De tweeëntwintigste  november 2001 werd Rode rozen in de sneeuw terecht genomineerd tijdens het gala van De Eregalerij in het Casino van Knokke.

Voor Marva zelf is echter niet alles rozengeur en maneschijn. Zij krijgt het steeds vaker op haar heupen als zij de baan op moet, als zij de schijn van de showbusiness hoog moet houden. Zij is ook almaar vaker in haar  winkels in Blankenberge en Oostende te vinden. Ondanks haar immens succes zet zij er onverwacht een punt achter. De dertigste augustus 1980 geeft ze in Herne samen met haar orkest The Twilighters die haar veertien jaar onafgebroken hebben begeleid, haar laatste optreden, ook al was dat een beslissing die ze samen met haar groep al anderhalf jaar eerder in alle stilte had genomen. Zij had de keuze: ofwel ter plaatse blijven trappelen en teren op haar succes of nog een trapje hoger klimmen. Intussen was haar zoon vijftien geworden en die heeft  niet veel zin meer om steeds mee naar haar optredens te gaan. En hem thuis alleen aan zijn lot overlaten krijgt Marva ook niet over haar hart, dus is voor haar de knoop snel doorgehakt. Een toch staalhard besluit als je ziet dat Marva na Rode rozen in de sneeuw nog goed scoort met nummers zoals: Ik wil jou voor mij alleen, Al de tranen van de wereld, Kijk me maar diep in de ogen, Mijn beste vriendin en Ik hou van jou. En dan moeten er nog twee kanjers de revue passeren. De elfde oktober 1980, twee maanden nadat zij een punt achter haar carrière heeft gezet, krijgt Klüger de idee het liedje Herinneringen als een soort afscheidscadeau op plaat uit te brengen. Hij baseert zich daarvoor op een melodie van Tony Perdone Lake Como, een instrumentale hit voor de Zwitserse groep Sweet People, voor Marva gearrangeerd door John Mealing. De achttiende april 1981 staat zij in de Vlaamse Top Tien voor de laatste maal op één en wel met Ik dans wel met een ander (maar ik kijk naar jou).

Na haar afscheid doet  de Vlaamse televisie nog vaak een beroep op haar. In 1982 presenteert zij samen met Luc Appermont het programma “Hit hit hoera” en “Marva Si, Marva La”. In 1985 is zij coach van de West-Vlaamse ploeg tijdens de Baccara beker met daarin Aline, Caminando en Dan O’Neil. Het jaar nadien coacht zij opnieuw de West-Vlaamse ploeg met daarin deze keer: Phil X, Tanya en Yvan Guilini.  Een zwarte dag voor haar is de vierde januari 1990 als haar man Walter overlijdt. Zij overwint dat verdriet dankzij haar doorzettingsvermogen en haar opgewektheid, een facet van haar karakter  dat  het publiek minder goed  kent. Marva kwam altijd over als een rustig iemand, iemand die op het podium ook haast nooit bewoog. In de omgang leek het zelfs alsof ze haar concurrent-collega’s op een veilige afstand hield. “Een dikke nek” zo noemden sommigen haar, gewoon omdat zij zich van dat wereldje wilde afschermen. Feestjes achteraf en recepties waren aan haar niet besteed. Roddels en ongemeende complimentjes konden haar gestolen worden en maakten het afscheid van de showbusiness en haar carrière dan ook niet moeilijk.

In 1993 wordt het album “Mijn 21 grootste successen” uitgebracht. Daarvoor mag zij in de maand januari van 1994 uit handen van Will Tura een gouden exemplaar ontvangen. Een bewijs dat Marva in Vlaanderen nog altijd ontzettend geliefd is. Vanaf de dertigste oktober 1995 gaat zij voor VT4 enkele maanden producten aanprijzen in het teleshoppingprogramma “Boetiek”.

De tiende november 2006 ontvangt Marva in het “Casino van Oostende” tijdens het zevende gala van de “Eregalerij” de trofee “Onvergetelijk”, want Radio 2 en Sabam willen haar die avond per se nog eens van harte  bedanken voor de vele hits waarmee ze ons al die jaren heeft verwend. Hun complimenten waren dan ook oprecht en zullen dat ook altijd blijven, want Marva en haar liedjes zijn in Vlaanderen sowieso onvergetelijk!

In de loop van de maand januari 2007 kijkt Marva verrast op, want platenfirma ARS heeft haar voor de gelegenheid gekoppeld aan schlagerzangeres Laura Lynn die met een remake van Rode rozen in de sneeuw samen met Marva opnieuw een hit te pakken heeft. In haar woonplaats De Haan viert zij het jaar nadien haar vijfenzestigste verjaardag en wordt er het boek “Marva-Onvergetelijk!” uitgebracht. In haar geboorteplaats krijgt zij in de maand juni uit handen van de burgemeester de allereerste “Oorkonde van de gemeente De Haan”. In het kerkje van Vlissegem waar Marva gedoopt werd, wordt een tentoonstelling over haar ingehuldigd. Iets later verhuist die tentoonstelling naar de plaatselijke bibliotheek. Tijdens de eerste editie van het “Middelkerke Festival” krijgt zij onder luid applaus de “Neptunus Award” als dank en eerbetoon voor en aan haar volledige carrière.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

The Sound of Silence

Paul en Art waren met deze plaat niet aan hun proefstuk toe. Zij hadden op het einde van de jaren vijftig al liedjes opgenomen als het zingende duo Tom & Jerry. In 1963 komen zij opnieuw samen en nemen als Kane & Garr enkele songs op die Paul heeft geschreven. Die liedjes baden in een folky sfeer die ze graag zongen in “Gerde’s Folk City”, een soort hootenannny club in het New Yorkse Greenwich Village. In de loop van de maand september 1963 zingen zij daar een aantal nieuwe liedjes waaronder The sound of silence. Toevallig komt dit producer Tom Wilson van Columbia Records ter ore die op dat moment samenwerkt met Bob Dylan. Simon weet Wilson ervan te overtuigen een auditie voor hen te organiseren die iets later leidt tot een contract met Columbia Records.

Paul Simon weerlegt het verhaal dat The sound of silene geschreven zou zijn in de nadagen van de moord op John F. Kennedy. Hij zat gewoon thuis in zijn badkamer met de lichten gedoofd en zijn akoestische gitaar op schoot. De tegels van de badkamer zorgden voor een leuke weerkaatsing waardoor zijn stem plots veel ruimer klonk. Hij zette de kraan op half zacht zodat het lichte ruisen van het water hem inspireerde tot het schrijven van The sound of silence. De duisternis in die badkamer vormt ook meteen de aanzet van het liedje: ” Hello darkness, my old friend…” De maanden nadien blijft die tekst door zijn hoofd spoken en Paul beweert dat de song op de avond van de negentiende februari 1964 een definitieve versie krijgt.

Wanneer Paul Simon van zijn platenfirma te horen krijgt dat van de elpee  ”Wednesday Morning, 3am” amper drieduizend exemplaren verkocht zijn, besluit hij in 1965 naar Londen te verhuizen. Daar neemt hij in de Levy’s Recording Studio in New Bond Street in de maanden juni en juli een soloplaat op “The Paul Simon Songbook” met daarop een herwerkte versie van The sound of silence dat als The sounds of silence verschijnt. Eén van de nummers op dat album is I’m a rock dat Simon de veertiende december 1965 opnieuw opneemt , deze keer samen met Art, en bedoeld is voor de elpee “Sounds of Silence” die de zeventiende januari 1966 in de winkel ligt.

Gelukkig voor Simon & Garfunkel pikt een deejay van het radiostation WBZ-FM in Boston het nummer The sound of silence op en begint dat in zijn laatavondshow te draaien. Stations aan de oostkust pikken het ook op. Dat fenomeen merkt ook producer Tom Wilson die intussen doorheeft dat folkrock aan populariteit wint en dat dankzij songs als Like a Rolling Stone van Bob Dylan en de versie door The Byrds van zijn Mr. Tambourine Man. Het begrip electric folk is een feit. Wilson komt op de idee The sound of silence een facelift te geven, helemaal in de stijl van die folkrock. Hij gaat samenwerken met dezelfde band als Bob Dylan: gitarist Al Gorgoni, bassist Bob Bushnell  en  drummer Bobby Gregg. Technicus van dienst Roy Halee mixt het nummer met heel wat meer echo dan er bij de originele versie werd gebruikt.

De dertiende september 1965 wordt deze geremixte versie van The sound of silence op het Columbia label als single uitgebracht. Noch Simon noch Garfunkel waren van deze nieuwe mix op de hoogte gebracht omdat zij niet meer als duo voor Columbia werkten. Paul Simon trad op dat moment in een Deense club op waar hij een exemplaar van Billboard in handen kreeg en zag dat The sound of silence het erg goed deed in de charts. Ook Garfunkel kreeg het in de gaten en belde Simon op met deze melding. Paul was eerst niet blij met deze versie omdat de technicus van dienst wat had geknoeid met het tempo en met de stemmen van Paul en Art. Eind 1965 breekt de singleversie eerst door in de buurt van Boston om vervolgens ook veel gedraaid te worden in Miami, Washington DC en in de rest van Noord-Amerika. De vierde december staan Simon & Garfunkel op één en ze zullen zo’n twaalftal weken in de charts blijven met als eindresultaat in de maand januari van 1966 méér dan één miljoen verkochte exemplaren. Simon herinnert zich nog dat zij elk rond die tijd nog bij hun ouders inwoonden en dat zij op een avond samen in de auto zaten en daar de deejay van dienst hoorden aankondigen dat The sound of silence op één stond. De single wordt ook een succes in Duitsland, Ierland, Japan, Nederland, Australië, Engeland en Oostenrijk. De vijfde maart 1966 staat de single bij ons in de Top Dertig op plaats elf. Als extra noot even vermelden dat Simon & Garfunkel bij ons slechts één keer op één zullen staan en dat is vier jaar later met El Condor Pasa.

Eind december 1967 gaat de film “The Graduate” met in de hoofdrol Anne Bancroft en Dustin Hoffman in première. Regisseur Mike Nichols gebruikt onder meer The sound of silence in de soundtrack. Deze film zal dankzij het nummer Mrs Robinson de grote internationale doorbraak voor Simon & Garfunkel betekenen.

In de slipstream van het succes van The sound of silence wordt in de loop van de maand januari 1966 de elpee “Wednesday morning, 3am” opnieuw uitgebracht, zowel in stereo als in mono, deze keer met méér succes. Het album bereikt de dertigste plaats in de Album Top Tweehonderd.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Diana

Hebben Everything I do I do it for you van Bryan Adams en Diana van Paul Anka wat met mekaar te maken? Wel, ze staan beide in de top tien van de singles met de langste notering op de eerste plaats in de Britse Top 40. Adams staat op 1 en Anka staat op zes. Niet slecht voor iemand die op zijn vijftiende het lef had een liedje te schrijven, dat na lang aandringen mag opnemen en er nog een nummer één mee scoort ook!

Anka schreef dit liedje voor de babysit, zo doet het verhaal nog steeds de ronde, van zijn jongere broer Andy Junior en zijn oudere zus Mariam. Maar in zijn in 2013 verschenen autobiografie “My Way” verwijst Anka dit verhaal definitief naar de schroothoop.  Hij woont tijdens zijn jeugdjaren samen met zijn ouders, broer en zus in Ontario Canada, waar hij de dertigste juli 1941 was geboren. Zijn ouders baten daar een restaurant uit. Zij staan volledig achter de intenties van Paul, zanger worden. Johnnie Ray en Frankie Laine zijn zijn idolen. Met hen in zijn achterhoofd gaat hij muziek studeren. Voor school moet hij op zekere dag een boekbespreking maken van de roman “Prester John” van John Buchan. Daarin komt een Afrikaans dorp voor Blaauwildebeestefontein. Hij is nog maar dertien, maar Paul schrijft er een liedje over en noemt het Blau Wilde De Veest Fontaine.

Pauls plannen krijgen vaste vorm wanneer op zekere dag IGA Food Stores een wedstrijd organiseert met als inzet een reis naar New York door zo veel mogelijk stickers van het merk  ”Campbell’s Soup” te verzamelen. Paul gaat in Ottawan van deur tot deur om zo genoeg stickers in te zamelen. Hij wint die wedstrijd voor zijn regio en mag samen met veertig andere winnaars per trein naar New York reizen. New York is een complete cultuurshock voor hem. “This is what I want, this and my music!”, schiet hem meteen door zijn hoofd. Tijdens de zomervakantie trekt hij naar uncle Morris in Californië. Zijn oom is operazanger. Paul hoort daar de hele dag niets anders dan operamuziek. Zijn oom, die tevens acteur is,  treedt op dat moment op in het stuk Bullfight in “The Pacific Playhouse” in La Cienega in Santa Monica. Paul wil wat geld bijverdienen en mag daar snoepgoed verkopen tijdens de pauze. Iets verderop waar oom Morris woont, ligt de muziekwinkel “Wallach’s Music City” waar Paul op zekere dag het plaatje Stranded in the Jungle van The Cadets ontdekt. Op het hoesje staat de naam van hun platenfirma Modern Records, Culver City, California vermeld, met de auto een kwartier van de woonplaats van uncle Morris verwijderd. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij Jules en Joe Bihari die samen met hun zus die platenfirma, incluis studio, zijn opgestart. Paul laat hun zijn zelfgeschreven Blau Wilde De Veest Fontaine horen en tot zijn verbazing stellen ze voor dat Paul het samen met The Cadets mag opnemen. Als producer gaat Paul Anka samenwerken met nieuwkomer Ernie Freeman die iets later de platen van Bobby Vee zal produceren alsook de hit Strangers in the night van Frank Sinatra. Samen met Ernie bereidt Paul alles voor en twee weken later blikt hij Blau Wilde De Veest Fontaine in met op de B-kant de cover I Confess. Scoren doet het liedje niet, er worden in het totaal zo’n drieduizend exemplaren van verkocht. Op zijn vijftiende is Paul Anka een eerste ontgoocheling rijk en keert naar Canada terug.

Op school vindt hij steun bij zijn leraar John Topelko van “The Fisher Park High School” (Paul zingt hier in het schoolkoor) die hem aanmoedigt zanger te worden. Paul treedt in zijn stad inmiddels op in clubs en voor diverse lokale radio- en televisiestations. Men ziet wel dat er talent in die jongen schuilt. Hij heeft ook een baantje als journalist weten te versieren bij de plaatselijke krant “Ottawa Citizen”. Maar zijn korte trip naar New York blijft Paul door zijn hoofd spoken. Hij is zo in de ban van die stad dat hij honderd dollar van zijn vader leent en in het gezelschap van de Canadese groep The Rover Boys en met vier eigen liedjes die hij in de loop van 1956, begin 1957 heeft geschreven, naar New York terugkeert. The Rover Boys leren hem de juiste weg te vinden in New York en spelen hem enkele adressen door. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij producer Don Costa van ABC- Paramount Records. Vergeet niet dat Paul nog maar vijftien is. Later zal Costa in een interview die eerste ontmoeting als volgt omschrijven: “There we were, jammed into my office listening to little Mr. Five-by-Five pounding out the songs. It was like the movie “Words and Music” about Rodgers and Hart. Paul was Mickey Rooney playing Larry Hart. Everything frantic, hammed up, overplayed: but he had something“. Paul is niet groot, zijn haar ziet er niet uit, maar hij heeft veel drive en weet Costa te imponeren. Die is niet  zozeer onder de indruk van Pauls stem, dan wel van de kwaliteit van zijn liedjes. Costa laat meteen Anka’s ouders naar New York overvliegen om daar een platencontract te ondertekenen. Het contract wordt ondertekend door Pauls ouders, producer Don Costa en door enkele leden van de ABC-directie: Irwin Garr, Larry Newton en de grote baas Sam Clark. Zij komen overeen dat Paul in New York blijft wonen, daar liedjes gaat schrijven waarvoor hij een maandelijkse vergoeding krijgt van honderd dollar. Omdat Costa vindt dat Anka’s stem nog te wensen overlaat, stuurt hij hem meteen naar een zangpedagoog en laat hem ook wat extra notenleer volgen. In de maand mei van 1957 staat Anka samen met het orkest van Don Costa in de Capitolstudio in New York. Paul wordt begeleid door vier muzikanten: gitarist Bucky Pizzarelli, pianist Irving Wexler, drummer Panama Francis en bassist Jerry Bruno. Qua backingvocals wordt hij begeleid door drie zangers en drie zangeressen. Costa ontpopt zich tot een geweldig arrangeur die Paul een pak knepen van het vak leert en volgens Anka een van de beste arrangeurs is die Amerika ooit gekend heeft.

Diana wordt het eerste liedje dat zij opnemen, geschreven voor Diana Ayoub waar Paul tot over zijn oren verliefd op is. Hij had haar voor het eerst in het oog gekregen tijdens een kerkdienst en kon haar niet uit zijn hoofd zetten. Hij is vijftien, zij negentien en werkt op dat moment als secretaresse in het kantoor van “The Royal Canadian Mountain Police” in Ottawa. Hij maakt avances, maar Diana laat Paul meteen voelen dat zij er niet mee is opgezet. Hij vertaalt zijn verdriet meteen in een liedje   “I’m so young and you’re so old, this my darling I’ve been told”. Tijdens de opname van Diana staat Don Costa erop dat Don’t gamble with love ook wordt ingeblikt en gelijk de A-kant van de single wordt. Paul gaat niet akkoord, maar Costa heeft het voor het zeggen, al zal snel na de release blijken dat Anka gelijk heeft. Paul kan het niet laten meteen na de opname in de studio een briefje naar Diana Ayoub te sturen:” Well, in twenty hours I’ll be releasing my new record. I helped pick out the instruments and the feel and all the arrangements are great! You want me to tell you what it’s called? ” Diana”. It’s favored as the hit record by everyone, they said it is a different sound and it’ll be the one. Now listen, don’t say a word or I’ll… I’ll just kiss you if it sells, because you started it“. Vreemd genoeg zal Paul Anka wanneer zijn Diana iets later een dikke hit is geworden en Ayoub toenadering zoekt, niet op haar verzoek ingaan en haar de rug toekeren.

De vijftiende juni 1957 wordt Diana op single uitgebracht, de negende september staat Diana op één in Billboard’s Hot One Hundred. Paul is de maand voordien net zestien geworden.  Er volgen snel optredens in de populairste shows: “The Ed Sullivan Show”, “American Bandstand”, “The Milton Berle Show”. Meteen wordt ook een tournee op het getouw gezet die in de maand september in het “Paramount Theatre” in New York begint en eindigt in de maand november in “The Mosque” in Richmond, Virginia. Op de affiche staan naast Paul Anka:The Drifters, The Everly Brothers, Clyde McPhatter, Frankie Lymon and The Teenagers, LaVern Baker, Buddy Holly and The Crickets en Chuck Berry. Papa Anka wil niet dat zijn zoon zomaar meereist en voelt zich pas gerustgesteld wanneer hij met Irv Feld onderhandelt dat die niet alleen Pauls manager, maar ook begeleider wordt. Opvallend is dat Diana in Engeland een maand eerder op één staat dan in Amerika en dat de negende augustus. Bij ons in Vlaanderen zit er voor Paul in de loop van de maand oktober een tweede plaats in. Eveneens een tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig een maand later.

In 1963 tekent Paul Anka een contract bij RCA Records en neemt al zijn vroegere hits die hij voor ABC-Paramount inblikte, opnieuw op, dus ook een nieuwe versie van Diana. Datzelfde jaar schrijft Paul een vervolg op zijn liefdesverhaal Remember Diana, maar zonder succes.

Voor zijn album “Amigos” neemt Ricky Martin  in duet met Paul Anka een versie op.  In 2006 doet Anka dat nog eens over samen met Adriano Celentano die het liedje van een nieuwe tekst voorziet.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Les lacs du Connemara

In het verhaal van Les lacs du Connemara speelt de Franse producer- componist Jacques Revaux een belangrijke rol. Jacques was eind jaren vijftig begonnen als zanger en regelmatig te zien in films van Jacques Demy. Hij schrijft tussendoor en vooral nadien liedjes voor zijn collega’s. Zo zal hij samen met Claude François de wereldhit Comme d’habitude schrijven. Niet zozeer een hit in de versie van Cloclo, maar wel in de vertaling van Paul Anka die de tekst My way schreef en Frank Sinatra aan een dijk van een hit hielp. Met een deel van de auteursrechten richt Revaux in 1969 samen met Régis Talar het platenlabel “Tréma” op. Zij zullen tal van liedjes leveren aan en op hun label platen uitbrengen van onder anderen Hervé Vilard, Charles Aznavour, Johnny Hallyday, Dalida en Michel Sardou.

Les lacs du Connemara schrijft Sardou in zijn huis in Saint-Georges-Motel in de regio Haute Normandie. Hij heeft er een lange en afmattende tournee op zitten en wil thuis wat uitblazen. Hij is helemaal in de ban van de nieuwe moog synthesizer die Revaux voor zijn studio heeft aangekocht. Vooral de imponerende klank van doedelzakken die dat instrument kan nabootsen, inspireert hem. Hij krijgt de idee een liedje te schrijven in Schotse stijl. Maar zijn vaste tekstschrijver Pierre Delanoë is helemaal niet vertrouwd met Schotland, is daar nooit op reis geweest. Ook Sardou niet. Delanoë loopt bij een reisagentschap langs en keert terug naar huis met een folder over Ierland in de hand. Per vergissing of omdat er niets anders voorhanden was? Delanoë is er blijkbaar tevreden mee. Hij zit ook in zijn achterhoofd met beelden uit de film “The quiet Man” uit 1952 van John Ford met in de hoofdrol John Wayne die hij ooit heeft gezien met daarin een scène over een Iers huwelijksfeest.

De setting waar het verhaal volgens Pierre Delanoë zich in zijn tekst mag afspelen zijn de meren van Connemara, the lakes of Connemara, de benaming van het westelijke deel van het Ierse graafschap Galway. Het gebied is erg dunbevolkt. Het landschap wordt gevormd door weidse hoogveengebieden. Het gebied is vooral bekend door de Connemara pony. Dit is een regio trouwens waar dagelijks nog de oeroude Ierse taal wordt gesproken.

“Les lacs du Connemara” is in eerste instantie de titel van het album dat Sardou opneemt. In het totaal werken er zo’n vierentwintig muzikanten aan het album mee. Het mag blijkbaar wat kosten, want voor de titelsong wordt er naar Engeland afgereisd waar de volledige London Symphony Orchestra is ingehuurd om de instrumentale begeleiding voor hun rekening te nemen onder leiding van dirigent Harry Rabinowitz. Roger Loubet schrijft  de nodige arrangementen uit. Eric Bouad leidt tijdens de opname het voltallig London Symphony Chorus in goede banen. Zij zullen samen met het orkest voor de climax zorgen. Op het gelijknamig album staan voorts chansons als L’autre femme, Musica en Les Noces de mon père.

Tijdens de opname al voelt Jacques Revaux aan dat zij een gouden hit in handen hebben en staat erop dat Les lacs du Connemara meteen op single wordt uitgebracht. Maar Sardou ligt dwars. Hij vindt het een typisch elpeenummer. Het duurt net iets méér dan zes minuten en dat kan je niet maken voor een single. Maar Revaux houdt stand en brengt het nummer op zijn Tréma label dan toch op 45 toeren uit gekoppeld op de B-kant aan Je viens du sud.  Sardou moet snel zijn mening bijstellen. In september 1981 ligt de plaat in de winkel, de maand nadien nestelt Sardou zich op de vijftiende plaats in de Franse hitlijsten, om vervolgens door te stoten naar plek negen en het jaar helemaal bovenaan af te ronden. Aneka met Japanese Boy en Shakin’ Stevens met You drive Me Crazy moeten Sardou laten voorgaan. In ons land wordt de zesde plaats in de Top Dertig bereikt, in Nederland zit er een negende stek in de Top Veertig in.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Gigi l’amoroso

De vijftiende januari 1974 zong Dalida voor de allereerste keer live in de “Olympia” in Parijs een liedje dat, internationaal gezien, een van haar grootste hits zou worden:  Gigi l’amoroso. Het is een liedje niet alleen van een lange adem om het te zingen – méér dan zeven minuten – maar het duurde een hele tijd vooraleer het op papier stond, kant-en-klaar om in de studio opgenomen te worden.

Gigi l’amoroso werd geschreven door een voormalig zingend duo, broer en zus Paul en Lana Sébastian. Paul en Lana, geboren uit Armeense ouders, studeerden muziek aan het conservatorium van Genève: zijn zus piano, hij na een tijdje liever gitaar. Nadien verhuizen ze naar Parijs waar Lana een aantal singletjes opneemt voor platenfirma Pathé Marconi. Paul tekent een contract bij RCA en iets later bij Disques AZ. Hij zet onder andere de nummers A Chicago en Cécilia op plaat. Mensen uit het vak onderkennen vrij snel hun talent. Op zekere dag vraagt Claude François aan Lana of zij zijn producer niet wil worden, maar daar is Lana te verlegen voor. Zij weigert. Iets later ontmoeten zij de in Egypte geboren Franse zangeres Jacqueline Misrahi, beter bekend als Michaële. Tot dan toe trad zij vaak op in voorprogramma’s van bekende artiesten als Gilbert Bécaud, Serge Lama en Richard Anthony. Zij voelt dat Lana en Paul net als zij eerder geboren zijn om het als liedjeschrijvers waar te maken dan als artiesten. Samen richten zij muziekuitgeverij “Boona Music” op en gaan voor een hele rist Franse sterren liedjes schrijven waaronder: Sheila, Ringo, Claude François en Mireille Mathieu, een samenwerking die resulteert in hits als Ne fais pas tanguer le bateau, Je viens diner ce soir en Emmène -moi avec toi.

Zij zouden samen enorm veel betekenen voor de carrière van Dalida. Dalida werkte al samen met Michaële sinds 1971. Zij wordt meteen getroffen door de samenwerking tussen Lana en haar broer. Dat familiale karakter spreekt haar enorm aan. Zij laat hen in 1973 meteen twee liedjes voor haar schrijven: Et puis c’est toi en Non, ce n’est pour moi. Michaële loopt al een tijdje rond met de idee een chanson te schrijven dat verwijst naar de Italiaanse roots van Dalida. Dalida was dan wel in Caïro geboren, haar ouders waren van Italiaanse afkomst. Op haar paspoort stond trouwens haar echte naam Yolanda Cristina Gigliotti. In 1954 was Yolanda in Caïro tot Miss Egypte gekroond en dat jaar naar Frankrijk verhuisd om daar haar eerste stappen te wagen als zangeres en actrice. Daar wordt haar  vrij snel een platencontract aangeboden door Eddy Barclay die haar aanraadt haar eerste artiestennaam Dalila te vervangen door Dalida. In 1957 scoort zij in Frankrijk een grote hit met Bambino.

Michaële wil dus die Italiaanse roots van Dalida in een liedje vormgeven. Dalida wil niets liever alsook haar broer Orlando die zich van in het begin over de carrière van zijn zus ontfermt. De avond dat Dalida in de studio samen met Alain Delon het nummer Paroles paroles opneemt, vertelt Michaële hun over haar idee. Beiden zijn in de wolken. Maar die idee die Michaële tijdens een autorit te binnen schoot, krijgt ze maar niet in een tekst verwerkt. Zij ligt voortdurend qua inhoud in de clinch met Dalida en haar broer. In die eerste versie heet Gigi trouwens Gigo.

Michaële komt naarmate het jaar vordert onder tijdsdruk te staan. Dalida’s broer is in het najaar van 1973 druk bezig met de voorbereidingen van Dalida’s optreden in de Parijse “Olympia”, gepland voor de 15de januari 1974. Hij wil koste wat het kost dat ze die avond uitpakt met een gloednieuw chanson. Het moet een liedje zijn waarmee zij op het einde van de show afscheid neemt van haar publiek. Tot dan toe deed ze dat altijd met het nummer Ciao amore van de Italiaanse zanger Luigi Tenco. Een eigen nummer zou beter passen, vindt Orlando. Michaële vraagt aan Paul en Lana of ze voor haar geen melodie willen componeren waar de Napolitaanse sfeer vanaf druipt. Zij hebben net een dijk van een hit afgeleverd aan Sheila en haar toenmalige partner Ringo  Les gondoles à Venise. Michaële  vertelt hun ook dat ze een passage moeten voorzien waarin Dalida een parlando (een gesproken tekst) kan reciteren. Paul en Lana beluisteren de dagen nadien een hele rist Italiaanse platen om toch maar de juiste sfeer te pakken te krijgen. Lana verzint ter plekke een tekst om op die manier makkelijker te kunnen componeren. Vrij snel komen beiden op de proppen met de melodie en bijna even snel tovert Michaële de figuur Gigi L’Amoroso uit haar pen. Tijdens een vakantie iets eerder dat jaar had Michaële in Tunesië een jongen ontmoet die Giuseppe heette, maar die iedereen in zijn omgeving Gigi noemde. Dat bracht haar op de idee Gigo voortaan als Gigi door het leven te laten gaan. De naam L’Amoroso schiet haar te binnen nadat zij de film “Divorce à l’Italienne” heeft gezien met in de hoofdrollen Monica Vitti en Marcello Mastroianni die zij op een bepaald moment in de film Mamoroso noemt. Het wordt voor Michaële nog even twijfelen tussen Gigi l’ Americano en Gigi l’Amoroso, maar na dat geaarzel is de song uiteindelijk klaar.

Na een eerste beluistering aarzelen Dalida en Orlando heel even, want de melodie duurt méér dan zeven minuten. Nu, enkele jaren voordien hadden The Beatles met Hey Jude en Richard Harris met MacArthur Park de grens van de normale vier minuten voor een single allang overschreden. Trouwens, iets eerder had Joe Dassin het liedje Marie-Jeanne ingeblikt, een vertaling van Ode to Billie Joe van Bobbie Gentry, en dat kwam qua lengte in de buurt van de vijf minuten. Geen haan had ernaar gekraaid, dus…

Orlando wil niet dat Gigi l’amoroso op plaat verschijnt voor Dalida’s optreden in de “Olympia”. Toch houdt Dalida eraan het liedje wel vooraf op te nemen, dan zal zij zich veel beter voelen tijdens haar liveoptreden, dan heeft ze het liedje al een paar keer in de studio kunnen inzingen en heeft ze de tekst ook beter in haar hoofd. Zo gezegd, zo gedaan. Om de sfeer in het liedje te optimaliseren huurt Orlando voor de definitieve opname in “Studio des Dames” een koor in, bestaande uit onder anderen Michaële, Paul en Lana. Iedereen houdt de adem in voor het eindresultaat. Wat ze gevreesd hadden, gebeurt ook, broer Orlando die de productie in handen heeft, is niet tevreden. Er ontbreekt iets, maar hij weet niet meteen wat. Hij stuurt iedereen naar huis, het orkest inbegrepen, en trekt zich samen met de klankingenieur van dienst in alle stilte terug om aan de mix te sleutelen. Nog geen uur later nodigt hij iedereen opnieuw uit in de studio om te komen luisteren naar wat hij voor de gelegenheid “le bouquet final ” noemt. Hij heeft gewoon tussen de Franse tekst door enkele Italiaanse woorden geroepen die die typische Napolitaanse sfeer moeten onderstrepen en… klaar is Kees, of beter gezegd Gigi.

De vijftiende januari 1974 eindigt Dalida met dit lied haar theateroptreden in de “Olympia”. Het dak gaat eraf, het publiek is door het dolle heen. Eenmaal op single, op de B-kant gekoppeld aan Il venait d’avoir dix-huit ans, stijgt het in de Franse lijst naar de eerste plaats en blijft daar enkele weken. Het levert haar dubbel platina op. Het wordt overal in Frankrijk platgedraaid en levert haar de bijnaam “La Callas de jukebox” op. Dalida neemt het liedje ook in diverse talen op. In 1980 verschijnt er zelfs een discoversie van op plaat  Gigi in Paradisco waarvan er méér dan driehonderdduizend exemplaren over de toonbank gaan. In ons land, waar Dalida in 1958 eerder al op één had gestaan met Come prima, bereikt zij de negenentwintigste juni 1974 de eerste plaats. Het nummer was de weken vooraf al grijsgedraaid door Radio 2 in het zaterdagochtendprogramma “Te Bed of niet te Bed” waarin Ghysen zijn adoratie voor het liedje niet onder stoelen of banken stak. In de maand oktober van dat jaar stijgen De Strangers naar de tweede plaats van de Top 30 met hun parodie op Gigi l’Amoroso. In hun versie werd hij Schele Vanderlinden. In de Nederlandse Top 40 zit er voor Dalida de derde augustus een tweede plaats in.

Na dit succes zullen Michaële, Paul en Lana meerdere liedjes voor Dalida schrijven, onder andere Je suis toutes les femmes, Chanteur des années quatre-vingt en het prachtige Lucas. Na het succes met Dalida zetten zij hun beste beentje voor om hits te schrijven voor Hervé Vilard, Hugues Hamilton, Jean-Luc Lahaye en Shake.

Op een bepaald moment komt er een einde aan de samenwerking tussen Paul, Lana en Michaële. Paul en Lana gaan zich meer toespitsen op dansmuziek en vieren hoogtij in Amerika waar zij samenwerken met  onder anderen Madleen Kane.

De derde mei 1987 overlijdt Dalida na een tweede zelfmoordpoging.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Et maintenant

Dé grootste hit in Frankrijk in 1961 was ongetwijfeld Et maintenant van Gilbert Bécaud. Hij begon in 1953 op aandringen van Edith Piaf met zingen. Een tijdlang schreef hij samen met zijn concurrent–collega Charles Aznavour.

Aan  Et maintenant is een waargebeurd verhaal verbonden. Actrice Elga Andersen, bekend van haar rol in de film “L’oeil du monocle” van regisseur Georges Lautner,  zit samen met Bécaud op de vlucht van Parijs richting Nice. Zij vertelt over haar carrière en over haar lief die ze diezelfde avond zal terugzien. ‘s Anderendaags zit Bécaud samen met Elga opnieuw op dezelfde vlucht huiswaarts. Met tranen in de ogen vertelt ze Bécaud dat haar vriend het nog diezelfde nacht heeft uitgemaakt. Hij wil haar moreel een beetje opkrikken en nodigt haar na hun landing in Parijs uit op zijn buitenverblijf in Chesnay in het departement Yvelines in de regio L’Ile-de-France in het arrondissement Versailles.

Bij een kop koffie en een vroeg ontbijt zucht ze, terwijl Bécaud wat verstrooing zoekt aan de piano, op een bepaald moment: “Et maintenant qu’est-ce que je vais faire?”. Bécaud, steeds op zoek naar een goede slagzin, is meteen geraakt door die vraag en belt dadelijk tekstschrijver Pierre Delanoë op met de vraag of die geen zin en tijd heeft om langs te komen en op basis van die zin een gepaste tekst te schrijven. Na één dag werken is het nummer, zowel de tekst als de melodie, kant-en-klaar, en trekt Bécaud iets later naar de studio samen met het orkest van Raymond Bernard.

Qua ritme kiest Bécaud voor een bolero waardoor de gelijkenis met die klassieke compositie van Maurice Ravel meteen opvalt. In de loop van de maand april verschijnt het nummer op het EMI-label als single, op ep zoals dat in die tijd in Frankrijk gebruikelijk was samen met Le condamné, Dans ces moments-là en Toi le musicien.  De eerste mei 1961 staat Bécaud op de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zal daar blijven postvatten tot de elfde juni. In het totaal worden er in Frankrijk tijdens dat jaar méér dan vierhonderdduizend exemplaren verkocht. Bij ons was de single in de maand april van 1962 goed voor een vijftiende plaats in de Top Dertig.

Et maintenant  zal ook in de Angelsaksiche wereld een enorme hit worden. Het was trouwens niet de eerste keer dat dat met een compositie van Bécaud gebeurde. Zijn hit  Je t’appartiens werd een succes in de versie van The Everly Brothers als Let it be me. Et maintenant werd door Carl Sigman in het Engels als What now my love vertaald en werd gelijk een hit voor Frank Sinatra en Shirley Bassey.

Enkele jaren later werd What now my love opgevist door Herb Alpert die er een instrumentale versie van maakte en er in 1964 in de Amerikaanse top 100 mee op de 26ste plaats geraakte, twee jaar later nog eens door het popduo Sonny and Cher overgedaan die op de 14de plaats halt hielden. In onze Lage Landen waren het Freddie Birset en Helmut Lotti die er een duet van maakten .

Pierre Delanoë hielp Bécaud aan nog een andere klassieker. Als een volbloed russofiel en een fervent anticommunist schreef Delanoë in 1963 een tekst over een Russische hoogblonde deerne, Natacha genaamd. Hij laat Bécaud die tekst lezen, maar die ziet er niets in, ook niet na herhaaldelijk aandringen. Wanneer Bécaud enkele maanden later een goeie song zoekt om zijn nakend optreden in de “Olympia” extra glans te geven, komt Delanoë nog eens aanzetten met zijn tekst Natacha. Bécaud stelt Pierre voor de tekst te herwerken, het meisje Nathalie te noemen en haar in het liedje als gids op te voeren die de luisteraar rondleidt op onder meer het Rode Plein in Moskou.

Nadat Delanoë hem de tekst overhandigt heeft, schrijft Bécaud in nog geen vijf minuten tijd de muziek. Om de single met veel glans in de markt te zetten, wordt er een persconferentie op het Rode Plein georganiseerd, maar tot groot ongenoegen van Bécaud en zijn platenfirma wordt het nummer maar lauw onthaald. Jaren later lachen Bécaud en Delanoë in hun vuistje wanneer de vierde juni 1999 langs de Tverskoy Boulevard in Moskou, aangelegd in 1796 en een van de meest groene en drukste boulevards in de stad, door Andrei Dellos in een 18de-eeuws barok gebouw waar voordien een apotheek was gevestigd, “Café Pushkin”, waarover sprake in het liedje Nathalie, definitief wordt geopend. Toen Delanoë die tekst verzon, was er in Moskou niet eens sprake van dit café. Eenmaal  op ep uitgebracht samen met de nummers Mon arbre, Ma souris danse en L’aventure in de maand januari van 1964, klimt Nathalie in de loop van februari naar de achttiende plaats in de Franse hitlijsten om een maand later op twee te eindigen. Sylvie Vartan scoort met haar La plus belle pour aller danser té sterk om Bécaud te laten voorgaan. Opvallend is dat de Franse hitlijsten op dat moment gekleurd worden door vrouwelijke voornamen: Mathilde van Jacques Brel, Dominique van Soeur Sourire, Hello Dolly van Petula Clark, Nadine van Chuck Berry en Carol van The Rolling Stones (geschreven door Chuck Berry).

Gilbert Bécaud overleed op zijn woonboot op de Seine de achttiende december 2001.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Le métèque

Het kan blijkbaar niet op met de pret. Aan de veroveringsdrang van Edith leek maar geen einde te komen. Haar volgende trofee, dat dacht ze toch, zou George Moustaki worden. In 1934 in Egypte geboren als Yussef Moustaki. In 1951 gaat hij met zijn zus samenwonen in Parijs. Hij is erg geboeid door het Franse chanson, vooral de liederen van Georges Brassens spreken hem erg aan. Op linkeroever in Parijs gaat hij regelmatig optreden in de plaatselijke cafés en restaurants.

Georges is drieëntwintig wanneer hij in 1958 voor het eerst Piaf ontmoet, bij haar thuis in haar salon in haar woning aan de Boulevard Lannes. Hij is daar naartoe geloodst door gitarist Henri Crolla, vaste begeleider van Yves Montand. Edith heeft Henri die avond uitgenodigd. Heel haar entourage, of haar hofhouding zoals Moustaki het plagend noemt,  is daar aanwezig. Moustaki zit er ongeschoren bij, want hij is net terug met de trein van een optreden in Val-d’Isère. Zij schuift hem meteen een gitaar in de handen met de vraag iets voor haar te zingen. Zij vraagt hem op de man af of hij in zijn voorraad zelfgeschreven nummers niets voor haar in petto heeft. Moustaki neemt plaats aan de piano, maar Piaf ziet meteen dat hij aarzelt en niet echt vertrouwd is met haar repertoire. Daarom dat zij hem die avond uitnodigt voor haar concert in de Olympia om op die manier haar repertoire beter te leren kennen. Moustaki krijgt die avond een ereplaats toegewezen vlak naast de baas van de Olympia, monsieur Bruno Coquatrix. Na het concert nodigt zij hem uit haar ‘s anderendaags opnieuw te bezoeken. Moustaki weet meteen hoe laat het is: hij 23, zij 41. Hij gaat niet op dat voorstel in, hij weet dat ze genoeg minnaars heeft , maar belt haar toch twee dagen later om zich te verontschuldigen. Zonder aarzelen vraagt zij hem diezelfde avond nog bij haar te komen dineren. Zij nodigt een stel vrienden uit en zonder tegenspraak van Moustaki te dulden, roept ze op het einde van het diner ” Tu restes!”. Georges zal een jaar bij haar blijven, van februari 1958 tot en met februari 1959.  Het is in die periode dat Georges voor haar de klassieker Milord schrijft. Het is op vraag van Edith dat hij dit schrijft. Zij laat hem weten dat ze een liedje wil over een verliefd koppel dat op een zondag in Londen beslist uit elkaar te gaan. Nadat ze de tekst heeft gelezen en goedgekeurd, speelt ze die door aan Marguerite Monnot die zoals  zo vaak de muziek  componeert.

Moustaki wordt door de intimi van Piaf gezien als ‘le gigolo de service’. Een soort speelbal die het soms teveel wordt. Op zekere dag scheldt zij hem uit zonder enig verklaarbare reden. Moustaki laat dit niet over zich heengaan en antwoordt even furieus” Edith, mais qu’est-ce que tu as, tu as bu?”. Daarmee legt hij de vinger op de zere wonde. Hij rond de ruzie af met de woorden: ” Je n’ai plus confiance en toi. Je suis parti“. Hij neemt gelijk zijn koffers en zet gelijk een punt achter zijn  relatie met haar. Toch voelt Moustaki wat voor Piaf. Hij schrijft met haar in gedachten het chanson Sarah dat hij in 1967  zal doorspelen aan Serge Reggiani. Als een soort revanche eist Piaf van haar platenfirma dat het liedje Milord van haar nog te verschijnen elpee verdwijnt, maar te laat, want de platen zijn al geperst. Toch blijft Moustaki wat voor Piaf voelen en schrijft met haar in gedachten het chanson Sarah dat hij in 1967 aan Serge Reggiani zal doorspelen. Reggiani neemt nog een ander liedje op waarin Moustaki zijn liefde voor Piaf verwoordt La femme qui est dans mon lit.

Hun definitief afscheid kruipt Moustaki niet in de koude kleren. Zij heeft hem zowat alles geleerd: hoe hij zich moet bewegen, kleden, eten. En dat op een heel intense manier. Over haar zei hij ooit in een interview: ” “Edith était fidèle, généreuse, elle donnait tout, mais elle attendait aussi tout des autres. Elle m’a écrit de très jolies lettres d’amour. Elle était très croyante, voire mystique. Elle aimait faire bouger les tables. C’était aussi une merveilleuse pécheresse”. Geen wonder dat hij een tijdje in zak en as zit. Hij weet ook dat hij geen al te geschikte stem heeft om zijn eigen chansons te zingen. Hij besluit dan maar alleen nog liedjes voor anderen te schrijven. Na die scheiding van Piaf leert Moustaki een knappe jonge Française kennen. Haar ouders zijn niet zo tuk op haar relatie met die Griekse zanger. Ze noemen hem zelfs in een xenofobe reactie op een méér dan pejoratieve manier “le métèque”.  Georges vindt dat wel goed klinken en besluit er een liedje over te schrijven, maar hij weigert het zelf te zingen, laat staan het op plaat te zetten. In 1966 stelt hij het voor aan zijn vriend-zanger Serge Reggiani, maar die weigert.  Die zegt: ” C’est une chanson qui te ressemble trop pour que quelqu’un d’autre le chante”. In 1968 neemt de van Italiaanse origine, Franse zangeres Pia Colombo het liedje op voor platenfirma Disques AZ die het op single uitbrengen, gekoppeld aan Il est trop tard, maar zonder succes. Reggiani blijft Moustaki aanmoedigen het zelf in te blikken tot die er in 1969 een demoversie van opneemt. Niet één platenfirma is er in geïnteresseerd. Tot hij op zekere dag gaat skiën met Jacques Bedo, directeur artistique van Polygram France. Die belooft Moustaki werk te maken van de release. Georges trekt in 1969 samen met producer Henri Belolo naar de platenstudio en wordt tijdens de opnamen begeleid door de gitaristen Raymond Gimenès en Sylvano en zangeres Françoise Walch. Alain Goraguer neemt de arrangementen en muzikale leiding voor zijn rekening. Moustaki blikt niet alleen Le métèque in, maar ook  chansons als Gaspard, Voyage, Ce facteur, Joseph en Ma solitude die op de elpee Le métèque belanden. Er wordt besloten het liedje Le métèque een kans te gunnen op single met op de B-kant Voyage.  Wanneer hij mag optreden in het dichtbekeken tv-programma “Discorama” van Denise Glaser is het hek helemaal van de dam. Iedereen is weg  van Le métèque. Een kleine anekdote. Tijdens de opname kan technicus van dienst Jean-Pierre Dupuy maar niet achterhalen wat dat voortdurend licht gekras veroorzaakt. Uiteindelijk blijkt de baard van Moustaki tijdens de opname tegen de microfoon te schuren. Voor Moustaki was het leuk te weten dat zijn landgenote Melina Mercouri en haar man, filmregisseur Jules Dassin, dol waren op dit liedje.

In de loop van de maand juni 1969 duikt Moustaki met Le métèque, zijn allereerste single, voor de eerste maal op in de Franse hitlijsten op de twaalfde plaats. De maand nadien schuift hij door naar plaats zes om in de maand augustus op één te staan schitteren. Hij houdt het daar een paar weken uit tot in de maand september van dat jaar Johnny Halliday iedereen platwalst met één van zijn grootste hits Que je t’aime. In Vlaanderen duikt het niet op in de Top Dertig, maar bij onze noorderburen geraakt Le métèque de achttiende oktober 1969 tot op de eenendertigste plaats.

Le métèque wordt vaak gecoverd. Rod McKuen maakt er Without a worry in the world van, The Strangers De gastarbeider en Rob De Nijs Zwanenzang. Jaren later zal de Franse rapper JoeyStarr het op zijn album “Gare au jaguarr” uitbrengen.

Moustaki zal tot aan zijn dood, hij overleed na een slepende ziekte de 23ste november 2013, weigeren de Franse nationaliteit te aanvaarden, ondanks lang aandringen zelfs van voormalig president François Mitterand. Moustaki was erg geraakt toen hij enkele jaren na de dood van Piaf in 1963 van de directeur van het Musée Edith-Piaf vernam dat hij in een porte-monnaie van haar die ze altijd bij zich droeg een kleine foto van Moustaki had gevonden. Een teken dat zij hem in haar hart altijd wel ergens meedroeg.

tekst en research:Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Yves Duteil

Er zijn zo van die liedjes die generatie op generatie worden overgeleverd. De Fransen zijn er vele rijk: La vie en rose, Hymne à l’amour, Que reste-t-il de nos amours enz… Prendre un enfant par la main van Yves Duteil mag gerust aan die reeks worden toegevoegd.

Yves Duteil bracht het merendeel van zijn jeugd door bij zijn ouders op hun woning in rue de Tocqueville in Parijs. Hij werd de 24ste juli 1949 in Neuilly-sur-Seine geboren, een voorstadje van Parijs.  Opa Eugène Deutsch laat in 1920 zijn familienaam officieel veranderen in Duteil. Hij baat in Parijs de juwelenwinkel ” Au carillon d’or” uit. Zijn zoon, David Robert, houdt zich bezig met import en export en huwt met Suzanne May. Zij en haar man zijn nogal conservatief en voeden hun zoon Yves  nogal klassiek op.  Zijn middelbare studies begint Yves aan het “Lycée Balzac”, maar zijn ouders verkiezen hem in de loop van zijn studies privé-onderwijs te geven. Na zijn middelbareschoolopleiding kiest Yves aan de universiteit voor een economische richting, maar na het eerste jaar haakt hij af.  Tijdens zijn studies zocht hij al ontspanning in het schrijven van liedjes zichzelf daarbij begeleidend op de gitaar. Hij was trouwens op jonge leeftijd al aardig bezig met musiceren. Zo was hij pianist- organist in het schoolorkestje tot hij op zij  vijftiende definitief voor de akoestische gitaar kiest.

Nadat hij  gestopt was met studeren, gaat Yves aan de slag als gentil organisateur bij Club Med. Hij amuseert de mensen hier onder andere door op te treden, wat hij ook doet in de Parijse cabarets. Het liefst van al natuurlijk met zijn eigen chansons. Muziek krijgt almaar méér de bovenhand. Na zijn legerdienst gaat hij aan het “Petit Conservatoire de Mireille” studeren waar ook Françoise Hardy en Michel Depech les volgen. In 1972 weet hij een platencontract te versieren bij Pathé Marconi/EMI France en neemt als eerste single het door hemzelf geschreven Virages op. Van zijn intieme stijl waarbij hij zich op de gitaar begeleidt is dan nog niet veel te merken. Badend in een té extreme galm, begeleid door een groot orkest, zingt hij duidelijk op zoek naar een genre dat hem ligt. Stilaan geraakt Yves bekend in het milieu. Het is zangeres Régine die hem in 1973 vraagt of hij niet in haar voorprogramma wil optreden in de in die tijd legendarische club “Bobino”. Datzelfde jaar is hij ook te horen en te zien in het voorprogramma van Juliette Gréco in de Parijse “Olympia”. Maar het is in België dat hij zijn eerste triomf viert en wel tijdens het “Festival de Spa” waar hij de prijs van het publiek in de wacht sleept en tevens de prijs voor het beste lied. Naar aanleiding daarvan brengt hij zijn eerste elpee “L’écritoire” uit. Dit album laat al duidelijker de vocale richting horen die Yves uit wil. Liefdesliedjes krijgen de bovenhand, geschreven in een onberispelijk Frans, want dat staat bij hem voorop: de Franse taal in al haar schoonheid laten schitteren en klinken. In liedjes bijvoorbeeld als Je suis une larme en Dès que j’ai besoin de toi. Dit eerste album is nog maar een aanloop, want er vinden maar een beperkt aantal exemplaren een geschikte koper. Hij scoort veel beter met de volgende elpee “J’attends” waarmee hij in 1974 uitpakt met daarop onder meer Le labyrinthe, Quand les bateaux reviennent en Une lettre. Door het “Haute Comité de la Langue Française” wordt hem voor dit album de prijs “Jeune Chansons” overhandigd.

Nog zo’n felbegeerde prijs is de prestigieuze onderscheiding die hij krijgt vanwege de “Académie Charles-Cros” en de prijs van “Le Secrétariat à la Culture” voor zijn album “Tarentelle” dat hij in 1977 aflevert, in het totaal goed voor méér dan één miljoen verkochte exemplaren, met daarop drie van zijn populairste liedjes: La tarentelle, Le petit pont de bois en Prendre un enfant par la main. In 1976 verblijft Yves met zijn verloofde, Noëlle Léonore Mallard, op vakantie in Portugal. Hij geraakt daar in de ban van de fado en vooral van het gitaarspel dat de fadista’s hanteren. Hij zet zich aan het schrijven. Woorden vindt hij niet, maar dat deert niet, want hij besluit het liedje te bewaren om eventueel als filmmuziek aan te wenden of als instrumentaaltje op zijn nieuwste album te zetten. Een paar dagen later tokkelt hij op zijn gitaar dezelfde melodie en haast moeiteloos schieten hem de woorden te binnen die zullen leiden tot het schrijven  van Prendre un enfant par la main. Hij heeft wel wat tijd nodig om de gedachten en woorden in de juiste volgorde te zetten. Ze schieten hem iets té snel te binnen om ze meteen in de juiste vorm te gieten. Het duurt een uur of drie eer hem dat lukt. Op het einde houdt hij een liedje over dat vier minuten duurt waarvan de gitaarintro een volle minuut in beslag neemt. Yves wil er niet veel aan veranderen, maar weet dat een liedje met dergelijke intro niet veel kans maakt als single, laat staan om een succes te worden. Hij trekt samen met arrangeur Jean Musy en producer Claude Dejacques naar de EMI studio’s in Parijs. Daar  voelen zij meteen aan dat dit nummer iets unieks heeft. Achttien maanden later heeft Yves zijn handen vol met zijn concert in het “Théâtre des Champs-Elysées” in Parijs. Achttien maanden eerder is zijn elpee “Tarantelle” verschenen en de liedjes op die plaat vormen de hoofdmoot voor zijn concert. Dit optreden geniet daar zoveel bijval dat er plaats en tijd geruimd wordt voor nog eens tien concerten. Het publiek is vooral in de ban van de schoonheid van Prendre un enfant par la main. Monique Le Marcis, programmadirectrice van RTL , heeft dat meteen in de gaten en besluit het een kans te geven in haar programma’s. In de loop van de maand september 1978 wordt het nummer op single uitgebracht en staat enkele weken later op één met in Duteils kielzog The Bee Gees, Karen Young en Barry Manilow. In 1988 wordt Prendre un enfant par la main door de luisteraars van RTL verkozen tot mooiste liedje van de eeuw. Even opmerken dat noch de Vlaamse, noch de Nederlandse hitlijsten aan Duteil besteed zijn en omgekeerd. Voor de verzamelaars misschien aanstippen dat de tiende juli 2013 op de Japanse markt het album “Prendre un enfant” verschijnt met daarop elf Franstalige liedjes én de Japanse versie van Prendre un enfant pr la mainIn 1979 vertaalt Benny Neyman voor zijn album “Gouden Regen”, in een productie van Bart Van der Laar en Francis Goya en opgenomen in de Morgan Studio’s in Brussel, Prendre un enfant par la main. Als geboren Maastrichtenaar vertaalt hij deze Duteilklassieker als Ode aan Maastricht.  Twee jaar later laat de Vlaamse zanger Paul Roelandt het nummer vertalen door Henry Heymans die er Neem eens een kind bij de hand van maakt en neemt het op in een productie van Jacques Albin. De eenendertigste januari 1981 staat Paul ermee op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 1979 breit Yves Duteil een vervolg aan zijn gouden jaren met de elpee “J’ai la guitare qui me démange” en wordt door SACEM (Société des auteurs, compositeurs et édit eurs musique) uitgeroepen tot bestverkochte Franse zanger van de jaren zeventig. In 1980 staat Duteil gedurende twee weken op het podium van het “Théâtre de la Ville” in hartje Parijs.  In Japan geniet hij veel bijval met een album dat hij speciaal opneemt voor kinderen. Vooral de illustraties van Martine Delerm genieten veel bewondering. Als groot voorvechter van de Franse taal ontvangt Yves Duteil in 1983 de onderscheiding “Chevalier des Arts et Lettres”, het jaar dat hij zijn album “Statue d’ ivoire” voorstelt. Een van zijn mooiste albums levert Duteil in 1985 af wanneer hij “La langue de chez nous” uitbrengt. Ook deze keer weer in een productie van Jean Musy. Musy, arrangeur-componist-producer van heel wat Franse artiesten waaronder Françoise Hardy, Salvatore Adamo, Gilbert Bécaud, Charles Aznavour en daarnaast ook een zeer gegeerd en gewaardeerd filmcomponist. De titelsong La langue de chez nous, waarbij hij begeleid wordt door La Chorale du Théâtre Musical du Pecq, wordt gelauwerd door L’Académie Française die hem hiervoor een gouden medaille overhandigt. Van SACEM ontvangt hij de onderscheiding van “mooiste chanson” van dat jaar. Duteil blijft op regelmatige basis platen uitbrengen, albums die door de Fransen enorm worden gesmaakt: in 1987 “Ton absence” (in nog geen drie weken tijd met de gouden status bekroond), in 1993 “Ligne de vie”, in 1997 “Touché”, in 2001 “Sans attendre” en in 2008 “(Fr)agiles”. Op dit laatste weerom een rist chansons in de hem zo vertrouwde stijl, niet vernieuwend, maar voortbordurend op het bekende Duteilpatroon. Erg geliefd op deze plaat zijn de liedjes: Si j’étais ton chemin, Fragile en Si j’entrais dans ton coeur.

Duteil wil zich naast het zingen ook inzetten voor de Franse gemeenschap. In 1989 wordt hij verkozen tot burgemeester van Précy-sur-Marne, gelegen in de ruime omgeving van Parijs.  Een bekende inwoonster is de Franse chansonnière Barbara. Duteil blijft als burgemeester op post tot in 2014 wanneer hij zich om persoonlijke redenen niet meer kandidaat stelt  voor een volgend mandaat. Zijn politieke voorkeur heeft hij eerder nooit onder stoelen of banken gestoken, want in 1995 wil hij openlijk de kandidatuur steunen van president Jacques Chirac.

Yves snijdt de jaren negentig aan met het album “La blessure d’enfance”. In dit album blikt hij met gemengde gevoelens op zijn jeugdjaren terug. Live beleeft hij enkele hoogtijdagen tijdens zijn optreden in “Le Zénith” in Parijs waar hij tien dagen na mekaar voor telkens drieduizend fans optreedt. Duteil ontvangt dat jaar de onderscheiding “Chevalier dans l’Ordre National de Mérite” en in 1996 “Chevalier dans l’Ordre de la Légion d’Honneur”. Voor de winterspelen in de maand februari 1992 in Albertville georganiseerd, schrijft hij La fleur de l’impossible. Hij kan deze opdracht moeilijk weigeren, want hij is erg goed bevriend met Michel Barnier, president van het Olympisch Comité van Frankrijk. Hij trekt meteen nadien op wereldtournee die hem tot in Korea en Japan brengt, vijftien landen in het totaal. Bij zijn terugkeer verrast hij zijn fans met een duettenalbum waarop hij samenzingt met onder meer Liane Foly, Enzo Enzo en Véronique Sanson.

In 2012 is er het album “Flagrant délice” uitgebracht op zijn al jaren geleden opgericht eigen platenlabel “Les éditions de l’écritoire”. Het is een sobere plaat waarop Duteilt zich voor het merendeel laat begeleiden door een akoestische gitaar, een piano en een cello in sobere liedjes als: Je t’mms en La chanson des justes. Zijn  carrière lang onderhoudt Duteil een nauwe band met zijn fans in Canada. Zo vinden wij hem eind 2014 op tournee in Quebec en Montreal.

Honderd liedjes van Yves Duteil vind je verzameld op het album “Un autre regard, 30 ans de chansons”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Dave

Dave werd de vierde mei 1944 als Wouter Otto Levenbach in Amsterdam geboren. Zij verhuizen naar Blaricum omdat zijn oudere broer aan astma leed. Dave groeit op in een joodse familie die zich tot het protestantisme had bekeerd. Het is een modale familie. Moeder is ballerina en vader leraar Engels. Hij heeft nog twee broers Maarten en Lucas en een zus Elsbeth. Wanneer papa een klein fortuin erft, gaan ze in ‘t Gooi wonen. Thuis hangt er altijd muziek in de lucht. Op zijn achtste ontdekt hij dat hij een aardig toontje kan zingen. Hij doet niets liever dan dit te laten horen tijdens de misviering.  Hij is tuk op Angelsaksische muziek en country. Zijn idolen in die tijd zijn The Everly Brothers, Roy Orbison en Gene Pitney. Op zijn veertiende krijgt hij een gitaar. Hij tokkelt en zingt terwijl zijn vader hem op de piano begeleidt.  Over zijn vader vertelt hij jaren later aan de pers het volgende: ” We hadden een dienstmeisje dat bij ons kwam toen ze veertien was. Ze hoorde bij het gezin. Zij was twintig en ik zestien toen ik begon te vermoeden dat zij iets met mijn vader had. Omdat ik rebels begon te worden, zinspeelde ik daarop. Mijn vader werd kwaad en zei dat ik met bewijzen moest komen. Die vond ik even later, toen de koplamp van mijn Jawa 125 het begaf, mijn Tsjechische motor. Ik zocht een lampje in het handschoenenkastje van mijn vaders Morris. In het lampendoosje zaten brieven verstopt die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. Mijn vader smeekte me niets tegen mijn moeder te zeggen. Maar op een dag werd ik wakker door haar kreten: zij had het verraad ontdekt. Haar gezicht, waarop ik las dat haar wereld was ingestort, zal me altijd bijblijven. Mijn ouders hebben het nog even geprobeerd. Ze vertrokken op vakantie naar Italië maar toen ze terugkwamen, vroeg mijn moeder de scheiding aan. Zij is altijd van hem blijven houden en heeft nooit een nieuwe start gemaakt. Mijn vader is tot zijn dood bij het dienstmeisje gebleven. Dat maakte het uiteindelijk voor mij acceptabel. Ook voor mijn jongste broer Lucas, die aanvankelijk zwoer dat hij ze nooit meer wilde zien. Het was dus liefde, niet slechts een avontuurtje.”

Religie spreekt hem op dat moment sterk aan, zo sterk zelfs dat hij dominee wil worden. Intussen had hij ontdekt dat hij méér voor mannen voelt dan voor vrouwen. Een dominee vertelt hem dat dat niet strookt met zijn roeping. De drang is sterker dan zijn geloof, hij laat zijn droom om dominee te worden, varen en duikt onder in de homoscene van Amsterdam. Dat belet hem niet het bed soms ook met meisjes te delen. Na zijn middelbare studies trekt hij naar de universiteit in Amsterdam om daar rechten te studeren, eerder om zijn vader te plezieren. Een wat vreemde keuze, want talen liggen hem goed. Hij spreekt vlot Nederlands, Duits, Italiaans, Engels en Frans. Muziek maken doet hij echter het liefst. In 1963 klopt hij bij platenfirma Phonogram aan. Hij dicht zichzelf de naam David Rivus Vitae toe, maar dat vindt de platenfirma van het goede een beetje te veel en doopt hem lieve Dave Rich. In 1964 wordt hij frontman bij de groep Dave Rich & The Millionaires. Zij nemen het plaatje Girl of my dreams op. Hij vindt zijn draai niet in Nederland en gaat in de loop van 1965 wat rondreizen met zijn toenmalige vriend. Hij is dol op water en varen. HIj koopt zich een klein vissersbootje dat hij Justus noemt en kiest het sop richting Frankrijk om daar, na een lange rondvaart, in Marseille terecht te komen, hij heeft amper duizend gulden op zak. Waar en wanneer het maar enigszins kan, treedt hij op. In Saint-Tropez komt hij in de zomer van 1968 op zekere dag Eddie Barclay tegen, eigenaar van het in die tijd zeer populaire gelijknamige Franse platenlabel. Barclay staat Dave zoveel mogelijk bij om ervoor te zorgen dat hij zijn carrière in Frankrijk op gang kan trekken, want in Nederland is hem dat niet gelukt. Voor het Barclay label neemt hij een rist plaatjes op: Copain ami amour, Quand on a quelque chose, L’amour que j’ai en moi, La cigarette qui me brûle les doigts... Toch blijft Dave zijn vaderland trouw, in die zin dat hij in 1969 deelneemt aan de voorrondes voor het Eurovisiesongfestival. Hij dingt mee voor de overwinning met het liedje Niets gaat zo snel en eindigt derde. Dat jaar doen ook nog Rob de Nijs, Patricia Paay, John Lamers, Anneke Grönloh en Conny Vink mee. Het is echter Lenny Kuhr die wint met De troubadour en de 29ste maart trekt zij naar Madrid om daar voor Nederland deel te nemen aan de veertiende editie van het Eurovisiesongfestival. Zij gaat uiteindelijk met de overwinning lopen, die zij echter met drie andere kandidaten moet delen: Salomé Vivo Cantando, Lulu Boom bang-a-bang en Frida Boccara Un jour un enfant. Daves plaatje Niets gaat zo snel duikt de 29ste maart 1969 heel even als tip in de Nederlandse hitlijsten op. Het volgende plaatje Nathalie doet het iets beter en stoot zelfs door naar de 28ste plaats in de Nederlandse Top Veertig.

 

Van 1971 tot 1974 treedt hij op in de Franse versie van de Amerikaanse musical “Godspell”. Deze musical ging de 17de mei 1970 op Broadway in première en is van de hand van Stephen Schwartz en John- Michael Tebelak. die zich voor het verhaal baseerden op het evangelie volgens Mattheus.  Voor Barclay neemt Dave in 1972 het thema uit “Godspell” op single op op een Franse tekst van Pierre Delanoë Préparez le chemin du Seigneur met op de B-kant Les Cadeaux Merveilleux. Intussen weet Dave dat zijn toekomst niet in Nederland ligt en zeker niet met een Nederlandstalig repertoire. Hij is vast van plan Franse liedjes op te nemen en weet een platencontract te versieren bij CBS. Intussen heeft hij in de Parijse bar “Whoops” tekstschrijver Patrick Loiseau leren kennen. Zij worden meteen verliefd op mekaar en zullen de rest van hun leven met elkaar blijven delen. Patrick kan aardig vlot in het gehoor liggende teksten schrijven. Dave is op dat moment helemaal in de ban van de hit Sugar baby love waarmee The Rubettes zowat overal op één staan, ook in Frankrijk. Hij weet er zijn platenfirma van te overtuigen er een Franse versie van op te nemen. Hij mag even flirten met de hitlijsten en geraakt in de maand september van 1974 met Trop beau tot op de dertiende plaats in de Franse hitlijsten. Dat coveren ligt hem wel. Hij neemt nadien, eveneens op tekst van Patrick, een Franstalige versie op van de jarenzestighit van Del Shannon Runaway. Dave zong dat liedje al toen hij jaren eerder nog optrad in tavernes en bars. Toen Dave tijdens de zomer van 1974 in Avignon optrad, logeerden ze in “Hôtel de L’Europe”. Het is hier dat Patrick zijn idee aan Dave voorlegde en aan de tekst begon te schrijven. Het typische orgeltje dat Del Shannon gebruikte zal Dave tijdens de opname vervangen door zijn hoge stem waarmee hij eerder al had uitgepakt tijdens de opname van Trop beau. Met Vanina, waarin Dave dus maar wat graag zijn kopstem etaleert, staat hij begin januari op één in de Franse hitparade. Wat die hoge kopstem betreft, hij zal een tijdje later inzien dat als hij die nog langer gaat gebruiken tijdens zijn live-optredens hij problemen met zijn stem gaat krijgen. Daarom dat hij jaren later zo weinig mogelijk Trop beau en Vanina live zal zingen tijdens zijn concerten. Hij zal die liedjes kortweg stilaan achterwege laten.

Patrick Loiseau heeft nog geen zin om een eigen nummer te lanceren en covert een liedje dat Jean-Jacques Souplet in Engeland ontdekt had waar het als Banana Rock een hit was voor The Wombles en geschreven door Mike Batt. Dave zet het in een vertaling van Patrick als Mon coeur est malade in de markt zet. Ook dit is een schot in de roos, goed voor vierhonderdduizend exemplaren. Dave wordt door al dat succes overdonderd. Zeker wanneer hij verneemt dat op een bepaald moment hij per dag zo’n slordige twintigduizend singles verkoopt. Van Vanina alleen gingen er in Frankrijk méér dan één miljoen exemplaren de deur uit. Gelukkig voor hem was hij al een dagje ouder dan de meesten. Hij naderde al stilaan de dertig en kon wat beter met het succes omspringen en het allemaal wat relativeren.

Dave en Patrick krijgen de geniale inval om een oude hit van Glenn Miller volledig aan te passen. Moonlight serenade komt daarvoor in aanmerking. Ze schrijven er een wat latinogetint arrangement bij en binnen de kortste keren staat Dansez maintenant in 1975 torenhoog in de hitlijsten. Dave kan het moeilijk geloven, maar in zijn thuisland Nederland waar niemand hem voordien accepteerde, staat hij de 25ste oktober van dat jaar op één. Bij ons moet hij zich tevredenstellen met een tweede plaats in de Top Dertig. Volgens de meest recente bronnen verkocht hij van dat nummer tot nu toe méér dan drie miljoen exemplaren. Voor onze oren is de opvolger Ophélie een beetje een miskleun, een vertaling van een nummer van Chris Juwens en Jack Goldbird. Voor al deze hits werkt Dave in de studio nauw samen met producer Jean-Jacques Souplet en dat zal hij in de toekomst ook blijven doen. Jean-Jacques was zoon van Jacques Souplet jarenlang CEO van CBS France. Jean-Jacques zou ook vaak samenwerken met onder meer Francis Cabrel en Gérard Lenorman. Als kroon op het werk staat Dave iets later voor de eerste keer op de planken van de Parijse Olympia.

Eindelijk durft Patrick Loiseau het aan voor eigen nummers te kiezen. Samen met Michel Cywie, die ook voor C.Jérôme, Marie Laforêt en Gérard Lenorman zou schrijven, componeert hij Du côté de chez Swann. Qua titel baseert Patrick zich op een gelijknamige roman van één van zijn lievelingsschrijvers Marcel Proust. “Du côté de Chez Swan” maakt eigenlijk deel uit van de romancyclus “A la recherche du temps perdu” waarvoor Proust in 1913 zijn eerste van zeven delen schreef, met name Du côté de Chez Swan.  Maar Dave ziet die tekst van zijn vriend niet zitten en weigert het nummer op te nemen uit angst dat zijn publiek dit niet zal lusten. Na lang aandringen van zijn platenfirma neemt hij het uiteindelijk toch op in het najaar van 1975. In Frankrijk alleen al verkoopt hij méér dan zeshonderdduizend exemplaren van de single. In de Nederlandse Top Veertig zit er voor hem een negende plaats in, in Vlaanderen in de Top Dertig een dertiende. Nadien is het qua hits voor Dave in onze Lage Landen afgelopen al blijft hij bij ons en onze noorderburen nog vaak over de radio te horen. In 1976 pakt hij uit met de hits Hurlevent en La décision. Om wat uit te blazen trekt Dave het liefst naar Amerika. Daar kent niemand hem. In 1977 scoort hij met de single L’amour fera le reste dat hij lanceert op het moment dat hij vanaf de 12de april weer op de planken van de Olympia verschijnt. Het is een optreden dat ik persoonlijk zal meemaken. Hij wordt op het podium geflankeerd door zangeres Jeane Manson en Christian Morin en door het orkest van Guy Mattéoni die het 20-koppig orkest dirigeert. De week na hem is het de beurt aan Salvatore Adamo om het Parijse publiek nog maar eens in te palmen. Dave scoort dat jaar opnieuw in de Franse hitlijsten met Le dernier slow.

In 1977 duikt hij bij ons hier en daar op in enkele radioprogramma’s met het nummer Est-ce par hasard, een cover van Let’s fall in love dat op dat moment in Engeland een hit was voor Robin Sarstedt, broer van Peter die we nog kennen van de hit Where do you go to my lovely? Het jaar nadien duikt Dave  nog eens opvallend op in de Franse hitlijsten en dat met Lettre à Hélène en Pour que tu me comprennes van de hand van Guy Mattéoni en Patrick Loiseau. Opnieuw raak is het in 1980 met Week-end en nog eens twee jaar later met Par pudeur, de titel ook van zijn gelijknamige elpee. Vijf jaar eerder verscheen bij CBS zijn allereerste onder de titel “Dave- Trop beau”. Van de tiende tot de vijfentwintigste mei 1982 staat hij voor een laatste maal op het podium van de Olympia. De fans zullen lang mogen wachten, vooraleer zij hem daar nog eens zullen terugzien.

In 1983 stapt Dave over naar platenfirma EMI en neemt daar één van zijn mooiste nummers op dat bij ons haast nooit gedraaid wordt, laat staan dat het een hit werd, Elle voulait refaire l’Amérique. Hij merkt, ook in Frankrijk, dat zijn hoogtijdagen voorbij zijn. Daar scoorde hij in 1979 een laatste keer met Allo Elisa. Toch blijven de platen de hij opneemt de moeite waard, vooral voor de fans. Een beetje biografisch klinkt hij op het nummer Je viens du nord dat hij in 1985 opneemt. Om toch te kunnen blijven optreden, trekt hij naar kleinere zalen en verpakt zijn concerten in een cabaretachtige vorm. Hij houdt het bij een kleine bezetting. Midden de jaren negentig kent hij in Frankrijk een comeback en zien we hem vaak opduiken op de Franse televisie waar hij een graag geziene gast is in amusementsprogramma’s en talkshows. Die comeback dankt hij aan de release van de dubbele cd “Dave-20 ans de carrière” met daarop 23 bekende nummers van hem. Daar worden méér dan tweehonderdduizend exemplaren van omgezet.

In het kielzog daarvan neemt hij een nieuw album op “Toujours le même bleu” en scoort in 1996 op het CBS label un vrai tube met Boulevard des sans-amour, een cover van Heartbreak Avenue van The Maisonettes. Zijn partner Patrick Loiseau blijft de teksten leveren. Dave is bij dezen back in town. Zo verslaat hij onder meer het commentaar bij de Franse televisie wanneer prins Willem Alexander in het huwelijk treedt met prinses Maxima. In 1996 presenteert hij samen met Sheila voor TF 1 de show “Salut les Chouchous”. CBS ruikt geld en brengt snel de dubbele cd “Le meilleur de Dave” op de markt met daarop, naast 36 hits, een remix van Vanina. Een beetje in de Helmut Lottistijl is er in 1998  zijn album “Dave Classique” met daarop bewerkingen van klassieke thema’s zoals het Ave Maria van Gounod, dat van Schubert, de sonate nr. 8 van Ludwig van Beethoven en het andante uit het pianoconcerto nr. 21 van Wolfgang Amadeus Mozart. Ook deze keer reikt Patrick al de teksten aan. Dit album wordt vreemd genoeg weer verdeeld door EMI.  In 2001 is er het album  ”Soit dit en passant” . Dave heeft met zijn vriend afgesproken dat hij deze keer de muziek van de liedjes zelf wil schrijven. Misschien had hij het wel verwacht, maar het levert hem geen hits op. Dave treedt het jaar nadien drie dagen na mekaar op in de Parijse “Olympia”. De vijftiende maart 2003 is er zijn autobiografie “Soit dit en passant”.  Hij scoort in 2004 behoorlijk hoog in de albumcharts met de cd “Doux Tam Tam”. Dave covert deze keer uitsluitend een aantal Amerikaanse hits die hij tijdens zijn jeugd had ontdekt: Blue velvet, Let it be me, In dreams, Deep purple, It’s all in the game, Come softly to me… uiteraard op tekst van Patrick Loiseau.  Een aantal liedjes zingt hij voor de sfeer in het Engels.

Hij schrijft zelf de teksten voor de daaropvolgende cd “Tout le plaisir a été pour moi” en lanceert dat album onder zijn eigen naam Dave Levenbach.  Producer van dienst is Philippe Uminski die een eigen touch geeft aan chansons als Un exil idéal, Mademoiselle Lucy en Sous les cyprès.  In 2007 nodigt de Nederlandse zangeres Laura Fygi , Dave uit om samen met haar een nieuwe versie voor haar album “Rendez Vous” op te nemen van Dansez maintenant. Het wordt een slowfoxversie dat de originele versie van Moonlight Serenade van Glenn Miller ritmisch dicht benadert.

In 2010 is Dave jurylid van de zangwedstrijd “La France a un incroyable talent”. Omdat hij tuk is op de hits van Tamla Motown pakt hij het jaar nadien uit met het album “Bue Eyed Soul”. Hiervoor steekt hij al zijn grote hits in een souljasje. Sommigen fronsen de wenkbrauwen en zien niet goed het nut in van deze release, maar de fans zijn er niet rouwig om. Er worden amper vijfentwintigduizend exemplaren van verkocht, ondanks de samenwerking op deze plaat met Daniël Auteuil, Sylvie Vartan en Françoise Hardy.  Regisseur Joël Franka vraagt hem in 2013 op te treden in de komische film “Une chanson pour ma mère”. Het verhaal: in de Ardennen nodigen enkele broers en zussen Dave uit om op die manier hun moeder een onvergetelijk cadeau te bezorgen. Met natuurlijk Dave in de hoofdrol! Datzelfde jaar is hij ook een van de belangrijkste artiesten tijdens de zeer populaire show “Age tendre et tête de bois”. Hij treedt in deze reeks shows op samen met Hervé Vilard, Michèle Torr, Danyel Gérard en Herbert Léonard. De vierde mei 2014 viert hij zijn zeventigste verjaardag met een optreden in de Parijse “Olympia” in het gezelschap van al zijn vrienden en kennissen en treedt daar op samen met Sylvie Vartan en Françoise Hardy. Vanaf de achttiende oktober 2014 schittert hij tijdens de groots opgezette tournee “Rendez-vous avec les stars”.

Momenteel woont Dave deels in Parijs in een zeer rustieke buurt tussen de Bastille en de Place des Vosges. Maar zijn hart heeft hij verpand aan het stadje L’Isle-sur-la-Sorgue in de Vaucluse,  een plaatsje dat hij tijdens de drukke zomermaanden moet mijden omdat hij daar te veel wordt lastig gevallen door opdringerige toeristen. Hier woont hij op zo’n zevenhonderd kilometer van Parijs op een heuvel in een honderdvijftig jaar oude bergerie die hij volledig liet opknappen. Hier geniet hij met in zijn buurt een rist Franse artiesten uit de artistieke en tv-wereld, ook wel “la gauche caviar” genoemd, de salonsocialisten, de steenrijke Fransen die zo graag links stemmen. Hij reist altijd met de TGV, zo’n drie uur sporen van Zuid-Frankrijk naar de lichtstad. Hij geeft nog zo’n slordige honderd concerten per jaar. Hij haalt bijna nog net dezelfde hoge noten als toen. In de toekomst wil hij blijven zingen, nog zo’n keer of zes per maand optreden: hij met zijn gitaar, een kleine begeleiding en zijn hits. Hij blikt met trots terug op zijn carrière en op de méér dan vijftig miljoen platen die er inmiddels van hem verkocht werden.

In de maand april 2015  is Dave tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau benoemd en dat in het gezelschap van Charlen Aznavour en Nana Mouskouri.  Hij kreeg de onderscheiding op de Nederlandse ambassade in Parijs. Hij sprak zijn dankwoord, dat hij zingend begon en eindigde, uit in het Nederlands en het Frans. “Ik woon nu vijftig jaar in Frankrijk, maar de eerste twintig jaar van je leven zijn zo enorm belangrijk. Je culturele achtergrond wordt er blijvend door bepaald. Dik Trom, Kapitein Rob en Woutertje Pieterse: al die dingen vergeet je nooit meer“, zei hij. De Nederlandse ambassadeur Ed Kronenburg prees Dave voor de bijzondere bijdrage die hij heeft geleverd aan het uitdragen van “de Nederlandse cultuur, normen en waarden”. Behalve als zanger wordt Dave in Frankrijk gewaardeerd om zijn directheid en gevoel voor humor. Om die reden is hij een graag geziene gast in tv-programma’s als “La France a un incroyable talent”. Hij trekt wekelijks anderhalf miljoen kijkers met een eigen show waarin hij collega-muzikanten ontvangt. Volgens Kronenburg behoort het oeuvre van Dave tot de Franse en internationale muziekcanon. “Dave weet als geen ander het bredere Franse publiek te bereiken en is daarmee ook een ambassadeur van Nederland.” Tijdens de uitreiking van de onderscheiding werden opnames gemaakt voor de documentaire “Dave: God in Frankrijk”, die in het najaar van 2015 te zien is bij de Nederlandse zender “Omroep Max”.

De voorbije jaren ging Dave nog aan de slag als commentator voor de Franse televisie tijdens enkele afleveringen van het Eurovisiesongfestival en was hij co-commentator tijdens het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima voor de Nederlandse televisie. Hij is ambassadeur van een instelling die blindengeleidehonden voor kinderen opleidt. Dave liet zich nooit naturaliseren tot Fransman: “Een kwestie van cultural background, ik houd nog steeds van Multatuli en Theo Thijssen. Maar Nederland is te klein voor mij. Ik ben een nomade, reizen is echt iets heel belangrijks voor mij. Zo zie ik mezelf oud worden. In de zon. En vijf, zes keer per maand optreden om andere mensen hun jeugd terug te bezorgen. Het goede van ouder worden is dat je je bewuster wordt van de wereld om je heen. Waarschijnlijk omdat anderen, veel vrienden, doodgaan. Je wil nog volop genieten van de tijd die resteert.”

Aan een reporter van het Nederlandse weekblad Trouw vertelde Dave in 2012 naar aanleiding van zijn bij uitgeverij Michel Lafon verschenen biografie “J’irai bien refaire un tour”, over de losbandigheid die zijn leven een tijdlang sierde, een leven dat hij nog altijd deelt met zijn vaste partner Patrick Loiseau: “De dood hoort bij mijn leven sinds het begin van het aidstijdperk in 1984. Onze wilde tijd hadden Patrick en ik in de jaren daarvoor. We hebben ons flink laten gelden in een club die Élysées-Matignon heette. Degenen die bij mij aan tafel schoven deden dat omdat ik ‘Dave de zanger’ was. Het kon mij niet schelen. Ze boden mij hun gezelschap, vaak hun lichaam, soms zelfs hun vriendin. Omdat Patrick en ik bijna elk jaar naar Californië gaan, hoorden we al vroeg over aids. We wisten gelijk dat het feest voorbij was. In het jaar dat ik mijn vader en moeder verloor, 1990, stierf ook mijn eerste vriend aan aids. Hij was mijn eerste manager. Daarna zijn bijna al mijn vrienden op hetzelfde slagveld gesneuveld. Ik kwam voortdurend in ziekenhuizen, we leefden met de ziekte van anderen en met de angst zelf geïnfecteerd te zijn. Het was de tijd waarin de ene homo de andere homo nauwelijks durfde te vragen hoe het ging. Ik heb grote moeite met de uitdrukking faire son deuil, een rouwproces doormaken. Rouw is voor mij een chemisch gebeuren dat langzaam maar zeker vermindert, eventueel met de hulp van pillen. Zoals iemand die verliefd is op een gegeven moment ook weer gewoon gaat eten. Maar ook al neemt de hevigheid van het verdriet af, het gemis, dat neemt alleen maar toe.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane& Marc Brillouet

Il est cinq heures Paris s’éveille

Toen de Franse bij de eeuwwisseling eind 1999 hun lievelingschanson mochten kiezen, kwam Il est cinq heures Paris s’éveille eenzaam bovendrijven. Alle koppen keerden zich richting Jacques Dutronc, vertolker van deze Franse klassieker, maar weinigen keerden zich ook richting Jacques Lanzmann en Anne Ségalen die de basis van dit nummer hebben gelegd. Voordien had Dutronc al een aantal keren aardig in de Franse hitroos geschoten. Het waren niet eens mooie liedjes die deze mooie playboyachtige jongen aan de man bracht, maar eerder punky singles zoals Les cactus, Mini Mini Mini en Et moi Et moi Et moi.

Op zekere avond in de loop van de maand maart 1968 zijn Jacques Dutronc en journalist-schrijver Jacques Lanzmann uitgenodigd ten huize van Jacques Wolfsohn, toenmalig manager van platenfirma Vogue. Dutronc en Lanzmann kenden elkaar al een tijdje. Dutronc was als zanger begonnen bij de groep El Toro et les Cyclones. Met hen blikt hij twee singles in, maar moet nadien afhaken omdat zijn legerdienst op hem wacht. Daarvoor trekt hij richting Duitsland. Na zijn terugkeer weet hij zich bij platenfirma Vogue op te werken tot productie-assistent. Hij leert tijdens die jaren zestig zangeres Françoise Hardy kennen die bij Vogue haar platen uitbrengt. Nadien zal zij in 1981 met Dutronc trouwen nadat  zij in 1973 samen al de geboorte van hun zoon Thomas hadden gevierd. Dutronc ontmoet bij platenfirma Vogue journalist-schrijver Jacques Lanzmann die voor een aantal artiesten teksten had geschreven. Van die dag af onstaat er tussen hen beiden een intense vriendschap. Op aanraden van Jacques Wolfsohn gaat Jacques ook stilaan liedjes voor hemzelf schrijven die hij ook zelf op plaat zet. De doorbrak komter in 1966 met Et moi Et moi Et Moi, gevolgd door hits als Les Playboys, J’aime les filles etc…  Zoals steeds broeden zij ook die avond tijdens het eten van een portie fois gras en het ledigen van een fles Bordeaux op nieuwe ideeën, in het bijzonder op nummers voor het tweede album van Dutronc en een eventueel nieuwe single. Wolfsohn wil dat beide heren een liedje over Parijs schrijven, badend in een vroege ochtendsfeer. Aangespoord door dit voorstel zet Jacques Lanzmann zich om elf uur ‘s avonds aan het werk in het gezelschap van zijn toenmalige echtgenote Anne Ségalen waarmee hij vaak samen schrijft en blijft noest doorwerken tot vijf uur in de ochtend. Tijdens het schrijven bazeren zij zich op een liedje dat in 1802 was geschreven door Marc-Antonie Madeleine Désaugiers Tableau de Paris à cinq heures du matin, qua ritme geschreven in de stijl van een 18de eeuwse contradans. Désaigiers had het in zijn chanson over vroege warme bakkers, fruitstandjes en stratenkuisers. Dutronc en Lanzmann hebben het in hun wat modernere versie over straatmadeliefjes, auto’s en vrachwagenchaffeurs en over bekende Parijse locaties zoals Place Dauphine, Gare Montparnesse enz…  Lanzmann speelt de tekst meteen door aan Dutronc die er zonder veel over te hoeven nadenken een melodie bij schrijft. Even vlot trekt hij naar de platenstudio, maar niemand is tevreden over het resultaat van Il est cinq heures Paris s’éveille. Het nummer heeft niet genoeg uitstraling er ontbreekt iets. Toevallig is in de studio ernaast, fluitist Roger Bourdin bezig met zijn nieuw album. Bourdin is in die tijd solist bij L’Orchestre des Concerts Lamoureux. Hij wipt even binnen om mee te luisteren. Dutronc vraagt of hij ter plekke niets kan verzinnen om fluitmatig wat aan het nummer toe te voegen. Na wat oefenen en inspiratie zoeken, neemt Bourdin in twee takes zijn improvisatie op, al bij al goed voor tien minuten studiotijd. Iedereen voelt aan dat zijn inbreng het nummer alle eer aandoet. Niemand twijfelt nadien nog aan de geweldige vondst en virtuositeit van Roger Bourdin.

In maart 1968 wordt Il est cinq heures Paris s’éveille op ep uitgebracht samen met de nummers: L’augmentation, Comment elle dorme en Fais pas çi fais pas ça. Binnen de korste keren staat het nummer op één in de Franse hitlijsten. In Wallonië zit er een tweede plaats in, in de Nederlandse Top Veertig een vierde. Iets nadien verschijnt zijn tweede titelloze elpee die hem geen verdere hits zullen opleveren met naast de daarnet opgesomde nummers chansons als Métaphore, Publicité en Plus difficile.

Il est cinq heures Paris ‘séveille zal ook een paar keer gecoverd worden onder meer door Sylvie Vartan, Patrick Genet en An Pierlé.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

L’été Indien

Franse zangers hebben al jaren de gewoonte als het maar enigszin kan Italiaanse hits te vertalen. Het liefst van al gaan ze leentjebuur spelen bij Salvatore Cutugno, Toto voor de vrienden en de fans. Cutugno werd de zevende juli 1943 in het Italiaanse Fosdinovo geboren uit een Siciliaanse vader en een Toscaanse moeder.  Hij werd heel even wereldberoemd toen hij in Zagreb in 1990 het Eurovisiesongfestival won met het door hemzelf geschreven Insieme. Maar daarvoor had hij zich al wat onsterfelijk gemaakt dankzij de hit L’été Indien, een platina succes voor de Franse  zanger Joe Dassin.

Cutugno was van kindsbeen af gek op muziek. Hij nam zijn aanloop als drummer, ontdekte snel dat hij goed liedjes kon schrijven en vormt iets later zijn eigen groep Albatros om op die manier zijn liedjes aan de man te kunnen brengen. In 1974 gaat de groep van start met Toto op de gitaar en aan de piano en uiteraard ook als zanger, daarbij geruggesteund door de gitaristen  Massimo Vigano,  Lino Losito , Maurizio Cristiani, bassist Giuseppe Pietrobon, toetsenist Mario Limongelli en drummer Nicola Cricelli. In 1976 worden zij derde tijdens het liedjes festival van San Remo met het nummer L’albatros. Dat jaar nemen zij ook het nummer Africa op geschreven door Cutugno op tekst van  Vito Pallavicini.  Het is Claude François die dit liedje als eerste opmerkt en het aan de kant houdt om het zelf van een nieuwe versie te voorzien, maar hij verliest het wat uit het oog en het oor.

In 1975 merkt Joe Dassin het op een vraagt aan de heren Pierre Delanoë en Claude Lemesle, die al eerder goede teksten en vertalingen voor hem hebben geschreven, dit nummer onder handen te nemen. In de lente van 1975 zonderen beiden zich af in Deauville waar zij op een zonnige dag zich aan het schrijven zetten.  Deauville is een kleine badplaats in het departement Calvados, gelegen in het arrondissement Lisieux. De zon brengt hen op de idee een liedje te schrijven met als uitgangs punt een late nazomer. Het is de periode van begin september tot half november waarin de zon nog vaak van de partij kan zijn. Elke taal heeft zo zijn eigen benaming voor die periode: in Nederland spreken zij wel eens van oudewijvenzomer, in Duitsland van Altweibersommer. In het noorden van Amerika en in Canada heet die periode indian summer. In het Franstalige gedeelte van Canada spreken ze over été indien, maar ook over été des indes of été des Indiens. Delanoë en Lemesle plaatsen in hun tekst een nostalgisch liefdesverhaal tegen de achtergrond van zo’n été Indien. Joe Dassin is in de wolken wanneer hij die tekst krijgt voorgeschoteld en trekt de 24ste mei 1975 naar studio CBE. Deze studio werd in 1966 opgericht door Georges Chatelain, zijn zus Janine Bisson en Bernard Estardy. Bernard produceerde de voorbije jaren voor heel wat Franse artiesten zoals Claude François, Sheila, Dalida, Patricia Kaas en Joe Dassin. Hij is er als technicus bij tijdens de opname van L’été Indien. Aan Johnny Arthey wordt gevraagd de arrangementen te schrijven. Arthey schreef onder meer de arrangementen voor de monsterhit Eloise van Barry Ryan en richtte de studiogroep Blue Haze op die een hit scoorden met hun reggaeversie van Smoke gets in your eyes.  Johnny Arthey mag tijdens de opname het orkest dirigeren. Producer van dienst is Jacques Plait, hoofd van platenmaatschappij CBS France, want Dassin is één van zijn grootste poulains. Hij werkte veel met Dassin samen. Hij vond dat altijd prettig omdat Dassin een geschoold muzikant was die precies wist wat hij wou. Zij voelden beiden perfect aan welke chansons hem het best lagen. Wanneer er een elpee moest worden samengesteld, deed Plait niets liever dan op zoek gaan naar geschikte liedjes voor Joe. Soms koos hij uit een aanbod van zomaar liefst tweeduizend liedjes. Die pikte hij wereldwijd op. Uiteindelijk hield hij er een dertiental over. Dan gingen zij samenzitten en werd er beslist hoe ze moesten klinken en wat er precies gearrangeerd moest worden. Zij spraken vervolgens in Londen af met Johnny Arthey omdat zij qua arrangementen het liefst met hem samenwerkten. Dan werd er bij Johnny thuis stevig heen en weer gepraat met betrekking tot de juiste aanpak van de arrangementen tijdens het drinken van sloten koffie of thee en ook regelmatig een pintje bier. Terug in Frankrijk sprak Joe meteen af met zijn vaste tekstsschrijver Pierre Delanoë en Claude Lemesle om hun zijn ideeën en wensen door te spelen. Hij bleef bij hen vaak rondhangen en kwam tussendoor eens over hun schouders meekijken om te zien hoe ver zij al opgeschoten waren. Soms gaf hij tips om bij een bepaalde noot het juiste woord te laten aansluiten. Hij werkte erg veel op het gevoel. Hij doodde zijn tijd met het oplossen van Engelstalige kruiswoordraadsels. Vergeten we immers niet dat Joe als zoon van de bekende Amerikaanse filmregisseur Jules Dassin in New York werd geboren en nadien in Los Angeles opgroeide. Hij gaat later in het Zwitsere “Collège de Rosey” voort studeren en leert daar vlot Frans spreken. Na een tijdje verhuist hij met zijn ouders naar Italië om vervolgens in Frankrijk aan te belanden, in Savigny-sur-Orge, om uiteindelijk weer in Zwitserland te gaan studeren, deze keer aan “L’Ecole Internationale de Genève”. In 1963 vestigt hij zich definitief in Frankrijk. Samen met zijn goede vriend Alain Giraud gaat hij optreden en raakt begeesterd door de liedjes van Georges Brassens. Hij noemt diens chansons Franse folklore.

Aan een elpee werkte Joe Dassin, nog altijd volgens zijn goede vriend Jacques Plait, door de bank een volle maand. Er werd meestal in de “CBE Studio” ingeblikt. Eerst werd het orkest opgenomen, dan de stem van Joe en tot slot de mixing. Er werd toen al gewerkt met een 24-sporenbandopnemer. Tijdens de opname van L’été Indien wil Johnny Arthey dat er in het nummer een mooie trompetsolo opduikt en die eer valt trompettist Pierre Dutour te beurt. Het is ook hij die samen met Joe op de idee komt het nummer in te zetten met een gesproken gedeelte, een parlando, over het orkest heen, al is die idee niet zo origineel, want ook Toto Cutugno had dat in zijn originele versie zo voorzien. De opname zelf verloopt, ondanks het feit dat Dassin een perfectionist is, zo vlot dat de single de zesde juni 1975 al in de winkels ligt. In een mum van tijd staat Dassin op één in de Franse hitparade. De maanden nadien wordt de plaat in zomaar liefst vijfentwintig landen uitgebracht. In de Nederlandse hitlijsten geraakt hij maar tot op de 22ste plaats. De 19de juli 1975 staat hij in de BRT Top Dertig op vier. Twee jaar later zal Dassin daar eenmalig op één prijken met Il était une fois nous deux. Aan het einde van de rit zijn er wereldwijd méér dan twee miljoen singles verkocht van L’été Indien en is door de versie van Dassin de originele van de groep Albatross  zo goed als in het vergeetboek beland.

Dit succes valt op en dus beginnen zijn concurrent-collega’s te grasduinen in het repertoire van Toto Cutugno. Gérard Lenorman ontdekt Nel cuore nei senso en maakt er Voici les clés van. Hervé Vilard vertaalt Il cielo e sempre un po’ piu blu als Reviens en in zijn  versie wordt Donna donna mia de hit Nous. Dassin zelf zal in de loop van zijn carrière nog een aantal songs van Toto Cutugno vertalen. Die covers worden op hun beurt weer grote hits: Et si tu n’existais pas en Le jardin du Luxembourg.

In 2005 duikt L’ été Indien op in een nieuw versie die Toto Cutugno produceert voor zijn album “Il treno va”. Toto gebruikt tijdens de opname de Franstalige parlandoversie van Joe Dassin en mixt die met zijn nieuwe productie. Van L’été Indien zal Dassin trouwens ook een Engelstalige versie opnemen die intussen op de verzamelbox “L’intégrale” als L’été Indien/Indian Summer verkrijgbaar is.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Laine & Marc Brillouet

Abba: de beginjaren

Het is misschien eens wat het Abbaverhaal betreft interessant te beginnen bij het begin. Er was voor elk van de vier leden van Abba inderdaad een leven vooraleer zij met deze supergroep in 1973 van start gingen.

De zestiende december 1946 werd in Stockholm Benny Andersson geboren. Zijn opa speelde vaak Zweedse volksliedjes op zijn accordeon en daar kon Benny begeesterd naar luisteren. Ook zijn vader Gösta speelde voortreffelijk accordeon en Benny zal nooit die momenten vergeten dat zijn vader en grootvader samen uit hun instrument de mooiste melodieën toverden. Thuis stond voortdurend de radio aan met een grote voorkeur voor traditionele Zweedse volksmuziek. Benny is zes wanneer hij van zijn ouders, hoe kan het ook anders, zijn eerste accordeon krijgt. Van zijn grootvader leert hij de kneepjes van het accordeonspel. Die opa zal een grote stempel op de muzikale ontwikkeling van zijn kleinzoon drukken. In hun onmiddellijke omgeving maken de Anderssons vrij snel als accordeontrio grote sier. Benny is op school een goede student.  Naast musiceren in zijn vrije tijd verzamelt hij veel, vooral postzegels. Ook het spotten van vogels kan hem enorm boeien. In 1957 krijgt Benny, dankzij de centjes van opa, een buffetpiano. Mama spoort hem aan dagelijks te oefenen en zo leert Benny eigenhandig dat instrument snel in de vingers te krijgen. Er staat thuis ook een platenspeler en het eerste singletje dat Benny koopt is Du bist Musik van de Duitse zangeres Caterina Valente met meteen nadien als tweede plaatje Jailhouse Rock van Elvis Presley. Op zijn veertiende treedt Benny als pianist op in het plaatsje Tegelhögen, op dat moment zo’n beetje the place to be voor de jongeren uit zijn omgeving. Benny wil niet voortstuderen en gaat op zijn zestiende werken bij een Zweeds bouwbedrijf. Minder leuk nieuws is dat Benny enkele weken voor zijn zestiende verjaardag verneemt dat zijn  vriendinnetje Christina Grönvall zwanger is van hem. De 20ste augustus 1963 wordt hun zoon Peter geboren. Peter krijgt de naam van zijn moeder en wordt door zijn grootouders opgevoed.

Begin 1964 ontmoet Benny, Svenne Hedlund en wordt toetsenist bij diens groep Elverkets Spelmanslag, een behoorlijk goed spelende popgroep. Opvallend is dat zij door de bank vooral instrumentale nummers spelen. Vriendinnetje Christina wordt zangeres bij de band zodat Benny en zij aardig wat tijd samen doorbrengen. Omdat de groep niet vaak optreedt, vormt  Benny op zekere dag een duo met Hans Englund om toch maar wat geld te verdienen. Omdat Benny muzikaal na een tijdje geen uitweg ziet, gaat hij opnieuw studeren. Maar lang zal dit verhaal niet duren. In Zweden is er op dat moment een groep die furore maakt The Hep Stars. Hun organist ziet het niet meer zitten en verlaat vrij onverwacht de groep. Zij herinneren zich  Benny Andersson die zij al een paar keer hebben zien optreden en gaan bij hem aankloppen. November 1964 wordt de eerste keer dat Benny met hen zal optreden. Voor de ganse groep een feest, want Benny blijkt een enorme aanwinst.  Hij  is dan achttien. The Hep Stars worden snel beschouwd als het Zweedse antwoord op The Beatles. Benny ontplooit zich binnen de band tot een volwaardige songwriter. Zijn liedjes worden in Zweden stevige hits zoals No response, Sunny girl en Consolation.

Björn Ulvaeus wordt de vijfentwintigste april 1945 in Göteborg geboren. Hij is de zoon van Gunnar Ulvaeus, die in 1944 voor een tweede maal huwt , deze keer met Aina Bengtsson. Een jaar later wordt Björn geboren, drie jaar later zijn zus Eva. Björn is een goede leerling op school, gezegend met een echte talenknobbel. Op jonge leeftijd schrijft hij al zijn eerste gedichtjes. Papa speelt in zijn vrije tijd mandoline. Geld voor een platendraaier hebben zij niet, maar thuis staat wel de ganse dag de radio aan. In Zweden zijn in de jaren vijftig vooral schlagers en folkmuziek populair.  Björn is fan van de in die tijd populaire Zweedse zangeres Thory Bernhards. Vooral haar vertolking van het walsje Vildandens sang, kan Björn erg bekoren. Net zoals zoveel andere Zweedse kinderen leert hij tijdens zijn tienerjaren blokfluit spelen. Die muzikale opleiding vormt  voor de meesten een geschikte overstap naar de viool en de piano. Dankzij zijn neef Joen Ulfsäter komt Björn snel in contact met de skifflemuziek en de platen van de groep The Vipers. Hij speelt ook graag samen met zijn neef vierhandig op diens piano. Op zijn dertiende krijgt Björn van zijn vader, na veel zagen, een akoestische gitaar. Samen met Joen richt Björn zijn eerste groepje op, een skifflegroep. Na een tijdje schakelen zij over op  jazz. Intussen is Björn fan geworden van de muziek van Elvis. De rock -’n'-roll van Chuck Berry vindt hij té ruw. Hij doet niets liever dan tijdens familiefeestjes op zijn gitaar tokkelen, die hij ook almaar beter onder de vingers krijgt. Wanneer Joen in 1961 verhuist om elders te gaan studeren, stapt Björn over naar de lokaal behoorlijk populaire band The Partners. Zij zijn niet geïnteresseerd in Zweedse folk, maar eerder in de nieuwe Amerikaanse aanpak van The Kingston Trio en The Brothers Four, liedjes als Tom Dooley en Greenfields.

Omdat er al een groep bestaat met de naam The Partners en om vergissingen te voorkomen, noemen zij zich voortaan The West Bay Singers. In de zomer van 1963 trekken zij gedurende zes weken op tournee door Europa, tot in Spanje toe. De dertiende september van dat jaar nemen zij deel aan een zangwedstrijd op het getouw gezet door een radiozender in Norrköping. (ook Anni-Frid Lyngstad neemt aan die wedstrijd deel, maar daar hadden zij toen noch oor noch oog naar.) Dankzij deze wedstrijd komen The West Bay Singers in contact met Bengt Bernhag en Stig Anderson van de net opgerichte platenfirma “Polar Music”. In opdracht van Bengt nemen The West Bay Singers een demobandje op. Het resultaat is zo positief dat de jongens meteen een platencontract krijgen aangeboden. Polar Music is op zoek naar een jonge band die het publiek kan overtuigen met hun muziek mee te leven: elk optreden moet een soort party worden, een soort jamsessie. In de folk wordt zo’n manier van musiceren hootenanny genoemd. Bengt en Stig staan erop dat Björn en zijn groep voortaan The Hootenanny Singers heten. Vrij snel gaat Björn voor hen Engelstalige liedjes schrijven. Op zekere dag kruisen The Hep Stars en The Hootenanny Singers elkaar tijdens een optreden in het Zweedse plaatsje Västerik. Benny en Björn geraken aan de praat en besluiten samen liedjes te gaan schrijven. Stig Anderson ziet wel wat in een samenwerking tussen Björn en Benny. In 1969 nemen The Hep Stars een nummer op dat Benny en Björn samen hebben geschreven Speleman  (violist) en zet Brita Borg hun liedje Ljuva Sextital op plaat. 1 maart 1969 leert Benny tijdens het liedjesfestival “Melodifestivalen”, een Zweedse versie van Eurosong, Anni-Frid Lyngstad kennen. Een paar weken later komen zij elkaar opnieuw tegen, worden verliefd en een maand later vormen zij een hecht koppel. Dat jaar houden The Hep Stars het voor bekeken. Björn blijft nog tot de zomer van 1974 occasioneel bij The Hootenanny Singers optreden en Benny zal hun platen tot dan produceren. In 1970 gaan Benny en Björn aan hun eerste elpee werken en dat wordt het album “Lycka”(Geluk) met daarop liedjes van beide heren. Björn is intussen een relatie begonnen met Agnetha Fältskog in Zweden, op dat moment een gevierde ster. Agnetha zal, net als Anni-Frid, ook aan het album “Lycka” meewerken.

Agnetha wordt de vijfde april 1950 in Jönköping in Zweden geboren als Agneta Aese Fältkog. De h wordt pas later aan haar voornaam toegevoegd. Papa is erg muzikaal. Hij doet niets liever dan teksten en liedjes schrijven voor plaatselijke revues. Mama Birgit is ook behoorlijk muzikaal, dus het kan moeilijk anders dan dat Agnetha en haar zus Mona in een muzikale omgeving worden opgevoed. Toen al viel op dat Agneta niet graag in een drukke omgeving verblijft. Veel mensen om zich heen vindt zij niet leuk, zeker niet wanneer die té dicht in haar nabijheid kwamen. Wie niet tot de familie behoort, is bij haar niet welkom. Wanneer papa in 1955 een kerstfeest voor de buurt op het getouw zet, mag Agnetha laten horen hoe goed zij wel kan zingen. Dat wordt die namiddag de Zweedse hit van dat moment Billy Boy. Op haar vijfde mag zij bij de buren, de familie Andersson, piano gaan spelen. Bijna elke dag is zij daar te vinden. Een jaar later schrijft Agnetha haar eerste liedje Tva sma troll (Twee kleine trollen). Op haar dertiende richt zij samen met haar vriendinnen Lena Johansson en Elisabeth Strub het trio The Cambers op.  Het merendeel van hun repertoire bestaat uit liedjes door Agnetha geschreven. Intussen is zij al die jaren pianoles blijven volgen zodat zij op haar veertiende foutloos Bach kan spelen. Dat brave meisje wordt stilaan een echter puber die op haar vijftiende niet meer graag studeert, graag met jongens optrekt en sigaretten rookt. In 1965 besluit Agnetha niet meer voort te studeren en wordt secretaresse bij een bedrijf in Jönköping. In haar vrije tijd zingt zij bij diverse bands uit de buurt en vindt na een tijdje een vaste job als zangeres bij het dansorkest van Bernt Enghardt. De zeventiende september 1966 maakt zij haar debuut bij de band in de “Bellevue” in het nabijgelegen Karlshamn. Agnetha dweept op dat moment met de liedjes van haar groot idool Connie Francis. Zij blijft haar eigen liedjes schrijven. Omdat het niet zo vlot met haar toenmalig liefje Björn Lilja schrijft zij op zekere avond aan de piano het nummer Du bara du (Jij, alleen jij) dat zij iets later bewerkt tot Jag var sa kär (Ik was zo verliefd op jou), heel erg beïnvloed qua stijl door de liedjes van Connie Francis. Er wordt een demobandje van gemaakt dat een tijdje later ter ore komt van producer Karl-Gerhard Lundkvist. Op die demoband staat ook het liedje Utan dej (Zonder jou) en dat spreekt Karl-Gerhard nog méér aan. De opnamesessie heeft de zestiende oktober 1967 in de Philips Studio in Stockholm plaats. Beide liedjes worden ingeblikt. Pa wil zijn dochter steunen en blijft bij haar tijdens de opnamen. Jag var sa kär wordt een hit. Met deze single staat zij binnen de kortste keren op 1 in de Zweedse hitlijsten en gaan er méér dan 80.000 exemplaren van over de toonbank. De liedjes die zij nadien schrijft, mag je gerust onder de populaire, meezingbare noemer plaatsen. Tussen 1967 en 1975 neemt Agnetha vijf soloplaten op die intussen alle op cd zijn verschenen. Tijdens de opname van een tv-special in de maand mei 1969 ontmoeten Björn en Agnetha elkaar. De zesde juli 1971 treden zij samen in het huwelijk. Zowel Björn als Benny en Anni-Frid zijn te horen op het derde album “Som jag är” van Agnetha dat zij in 1970 opneemt. Intussen duikt zij ook op in de rol van Maria Magdalena in de Zweedse versie van de musical “Jesus Christ Superstar”.

Anni-Frid Lyngstad is niet in Zweden geboren, maar wel in het Noorse Ballangen. Haar moeder Synni heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog een relatie met de Duitse soldaat Alfred Haase. Die moet echter naar zijn vaderland terugkeren, maar hij belooft haar na de oorlog terug contact met haar op te nemen. Al snel blijkt Synni zwanger te zijn.  Zij is negentien wanneer de vijftiende november 1945 dochter Anni-Frid wordt geboren. Synni was geen alleenstaand feit. Tijdens die Tweede Wereldoorlog bleken in Noorwegen alleen al tienduizend kinderen te zijn geboren uit de relatie van een Noors meisje met een Duitse soldaat. Het dorp keert zich tegen de familie Lyngstad. Anni-Frids oma trekt zich dat zo aan dat zij beslist met haar kleindochter naar Zweden te verhuizen. Haar moeder blijft in Noorwegen achter, ervan overtuigd dat Alfred zal terugkeren.

Later zal zij vernemen dat Alfred om het leven is gekomen.  Oma is 48 en Anni-Frid  achttien maanden wanneer beiden in Zweden aankomen.  Mama Synni krijgt heimwee en reist af naar Zweden waar zij samen met oma en Anni-Frid vanaf de achttiende augustus 1947 op een appartement gaat wonen. Het noodlot slaat toe wanneer de dokters vaststellen dat Synni aan een ongeneeslijke nierziekte lijdt. Zij zal de achtentwintigste september 1947, op eenentwintigjarige leeftijd, overlijden. Anni-Frid is dan twee jaar oud en voor oma zit er niets anders op dan in haar eentje haar kleindochter op te voeden. Zij verhuizen naar Torshälla, een dorpje buiten Stockholm. Vaak zal zij op vakantie gaan bij tante Olive in Noorwegen. Met haar tante zingt zij vaak samen en genieten beiden terwijl zij naar de radio en de platenspeler luisteren. Ook op school weet men vrij snel dat Anni-Frid goed kan zingen. Zij zal menig schoolfeestje al zingend opluisteren. Rond haar tiende gaat zij pianoles volgen. Omdat oma geen geld heeft om een piano te kopen, mag zij bij de buren gaan spelen. Een jaar later slaagt oma er toch in als verjaardagsgeschenk Anni-Frid te verrassen met een buffetpiano. In de herfst van 1956, Anni-Frid is dan elf, maakt zij als zangeres haar debuut tijdens een liefdadigheidsfeest georganiseerd door het Rode Kruis in Torshälla. Zij zingt daar het Zweeds volksliedje Fjorton ar tror jagvisst att jag var (Ik was, geloof ik, veertien jaar). Dat liedje was toen een hit voor Ingeborg Nyberg, haar lievelingszangeres. In de herfst van 1958 ontmoet Anni-Frid, Evald Ek, leider van het orkest The Evald Ek Quintet. Zij raakt begeesterd door zijn plannen en vraagt of zij bij de band mag komen zingen. Dat wordt gelijk een succes. Soms moeten zij tot driemaal toe in de week optreden en dat terwijl Frida, zo wordt zij sinds kort door haar vrienden genoemd, nog elke dag naar school moet. Bij het orkest zingt zij de bekende Zweedse liedjes en daarnaast Que sera sera van Doris Day, de jazzstandard All of me en Begin the beguine van Cole Porter. Vanaf het najaar van 1961 gaat zij bij de band van Bengt Sandlund zingen. Gekozen wordt voor een meer jazzy repertoire met songs van Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan. Dit ligt haar erg goed. Zij houdt van deze stijl. Frida wordt verliefd op Ragnar Fredriksson, de trombonist van de groep. In de zomer van 1962 weet Frida dat zij zwanger is van hem. De zesentwintigste januari 1963 wordt hun zoon Hans geboren. Frida is nog maar zeventien. Een jaar later, het orkest van Bengt is dan ontbonden, trouwt zij met Ragnar. Gelukkig voor haar kan ze iets later als zangeres terecht bij Gunnar Sandevärn’s Orchestra. Naast jazzstandards mag zij ook de hits van de dag zingen en bekende schlagers en evergreens. Na een tijdje richt Frida samen met haar man een eigen orkestje op bestaande uit vier muzikanten. Intussen is zij de moeder geworden van dochter Lise-Lotte. In de zomer van 1967 schrijft zij zich in voor de zangwedstrijd “Nya ansikten” ( Nieuwe Gezichten). De derde september 1967 heeft de finale in Stockholm plaats.  Zij wint de finale met En ledig dag (Een vrije dag) dat terug te vinden is op de verzamelaar “Frida 1967-1972″. Zij krijgt een platencontract bij EMI, neemt daar diverse liedjes op, maar slaagt er niet in daarmee succes te scoren. Pas wanneer Benny zich met de opname van haar volgende platen gaat bemoeien, scoort zij een nummer één met de single Min egen stad. Leuk om te weten is dat op dit liedje de overige leden van Abba in het achtergrondkoortje te horen zijn. Benny en Björn schrijven voor haar de volgende single Peter Pan en produceren iets later in het voorjaar van 1971 haar album “Frida”. Ook al is Abba in 1975 een mega hitmachine, toch brengt Frida dat jaar nog een solo-album uit “Frida ensam” met daarop de Zweedse versie van Fernando.

In de maand april 1970 is er van Abba nog geen sprake, maar beide koppels zijn dan samen op vakantie in Cyprus. Zij treden daar voor hun plezier op voor de Amerikaanse soldaten die op dat eiland gelegerd zijn. Benny en Björn zijn op dat moment al druk bezig met de opname van hun album “Lycka” dat in september zal verschijnen en waarop Agnetha en Frida meezingen. In het kielzog van dat alles vormen zij iets later het cabaretachtig groepje Festfolk waarmee zij de eerste november 1970 in Göteborg optreden. Kritiek alom, behalve wanneer zij de song Hej, gamle man (Hey oude man) zingen. In dit liedje hoor je de oerversie van Abba, zingen zij alle vier op een bepaald moment samen. Dat liedje verschijnt op single, maar wel onder de naam Björn en Benny. Er zit voor beide heren een topvijfhit in. Wij merken dat de vier Abba-leden vanaf 1971 nauwer gaan samenwerken. Zo gaan Benny, Björn en Agnetha tijdens de maand mei van dat jaar op tournee, terwijl Frida in haar eentje gaat toeren.  Stig Anderson spoort Benny en Björn almaar méér aan om samen songs te schrijven. Hij laat hen een liedje schrijven voor het “Melodifestivalen”. Tijdens de editie van 1971 wordt hun inzending geweigerd, maar het jaar nadien bereiken zij de derde plaats met het nummer Säg det med en sang (Zeg het met een liedje) gezongen door Lena Andersson. Deze versie wordt een hit in Zweden en zet Stig aan nauwer met Benny en Björn samen te werken. Tot zijn verbazing wordt het nummer She’s my kind of girl door Epic Records in Japan uitgebracht. Björn en Benny hadden in een verloren moment dat liedje geschreven voor de film “The Seduction of Inga”, niet meteen een prent om over naar huis te schrijven. Zij zijn het al lang vergeten, is het niet dat een Japanse muziekuitgever het nummer ontdekt heeft en het de moeite waard vindt om het op single uit te brengen en kijk, in de maand maart van 1972 wordt het in Japan een succes. Dat stimuleert Benny en Björn ermee door te gaan en vooral liedjes in het Engels te schrijven. Ook de singles En Carousel en Love has its ways worden als gevolg van die hit in Japan uitgebracht. In de zomer van 1972 brengen Benny en Björn het nummer People need love uit waarop beide dames, Agnetha en Frida, duidelijk te horen zijn. Stig besluit daarom de single uit te brengen onder de naam Björn & Benny, Agnetha & Anni-Frid. Het wordt geen hoogvlieger, maar een zeventiende plaats geeft hun voldoende moed vol te houden. In Amerika is er een kleine platenfirma Playboy Records die het nummer daar op single uitbrengt. Voor de aardigheid vermelden dat zij tot op de 114de plaats in de Cashbox singles charts geraken. Omdat zij nu willen doorzetten, trekken de vier naar de opnamestudio in Stockholm en beginnen daar de zesentwintigste september 1972 met de opname van Nina, pretty ballerina. Hier hoor je voor de eerste keer een geluid dat iets later zal uitgroeien tot de Abbasound. Vier goed bij mekaar passende stemmen met vooral een vocale hoofdrol voor beide dames. Tot hun verbazing wordt het nummer een hit in Oostenrijk.

Wat meteen opvalt in het Abbaverhaal is dat hun eerste album Ring Ring niet onder de naam  Abba wordt uitgebracht, maar wel als “Björn & Benny & Agnetha & Frida”. Twaalf liedjes in het totaal waaronder Nina Pretty Ballerina, Me and Bobby’s Brother, People Need Love en zowel de Zweedse als de Engelstalige versie van Ring Ring. Stig Anderson is er intussen in geslaagd  het viertal in te schrijven voor de preselecties van het Eurovisiesongfestival. Hij vraagt aan Benny en Björn speciaal voor deze deelname een liedje te schrijven. De werktitel wordt Klocklat. Stig ziet het wel zitten de tekst te schrijven. Hij staat erop dat het een poppy liedje wordt. Hij wil niet dat het als een doorsnee, pompeus festivalliedje klinkt, het mag wel wat moderner klinken. Omdat zij het liedje een méér internationale uitstraling willen meegeven, wordt er naast de Zweedse versie ook een Engelstalige opgenomen. Voor die Engelse tekst doen ze een beroep op het schrijverstalent van Neil Sedaka die in die tijd nauw met Phil Cody samenwerkt. Omdat zij erop gebrand zijn, wordt de productie aan Benny en Björn toevertrouwd. De tiende januari 1973 trekken zij met z’n allen naar de Metronome Studio in Stockholm. Technicus van dienst is Michael B. Tretow. Als studiomuzikanten worden de drummers Ola Brunkert en Roger Palm, de basgitaristen Mike Watson en Rutger Gunnarsson en gitarist Janne Schaffer ingehuurd. Michael werkte voordien al samen met Benny en Björn en is in de wolken om aan dit nieuw avontuur te beginnen. Michael is op dat moment een enorme fan van de Amerikaanse producer Phil Spector en diens “wall of sound”: de studio volstouwen met een pak instrumenten zodat alles groter dan groots klinkt. Omdat deze aanpak té duur is voor hun eerste productie, beslissen Björn en Benny alle instrumenten dubbel op te nemen zodat zij op die manier de indruk wekken door een groot orkest begeleid te worden. Er wordt ook aan de snelheid van de bandopnemer gesleuteld en klaar is kees. De tiende februari is op de Zweedse televisie de selectie voor het Eurovisiesongfestival te zien dat de zevende april in Luxemburg zal plaatsvinden. Maar hun verhaal loopt met een sisser af. Zij eindigen slechts derde en moeten de eer en de glorie afstaan aan Nova and The Dolls die met You’re summer naar Luxemburg mogen afreizen om daar de Zweedse kleuren te verdedigen. Zij eindigen uiteindelijk vijfde op een deelnemersveld van zeventien. Anne-Marie David wint voor Luxemburg met Tu te reconnaîtras.

Benny en Björn zijn na het tegenvallend resultaat tijdens de Zweedse selectie voor het Eurovisiesongfestival van 1973 ontzettend in hun eer geraakt. Dat belet hun platenfirma Polar Music niet om het nummer Ring Ring als single in de markt te zetten. De veertiende februari 1973 wordt het op vijfenveertig toeren uitgebracht met op de B-kant Ah vilka tider. Abba mag zich snel op succes verheugen, want zowel in Zweden als in enkele Europese landen wordt het nummer een hit. In Oostenrijk en Noorwegen belandt het op de tweede plaats, in Zuid-Afrika zit er een nummer drie in, in Zweden stijgt de Zweedse singleversie regelrecht naar de eerste plaats. Als in hun thuisland ook de Engelstalige versie wordt uitgebracht, zit er een tweede plaats in.  De drieëntwintigste juni 1973 staat Ring Ring bij onze noorderburen op de vijfde plaats in de Top Veertig. In ons land wordt de single op de radio zogoed als grijsgedraaid. In onze Top Dertig geraakt Ring Ring de zevende augustus tot op de tweede plaats. In de maand oktober van 1973 wordt Ring Ring ook in Engeland uitgebracht, maar daar slaat het nummer niet aan. Pas nadat Waterloo een jaar later een hit zal worden, zit er voor Ring Ring in Engeland in een geremixte versie een hit in, net zoals in Australië.

De 26ste maart 1973 wordt de elpee Ring Ring uitgebracht. Wij moeten wel vaststellen dat het een compilatie is geworden van een aantal liedjes die zij snel bij elkaar hebben gezocht, inpikkend op het snelle succes dat Ring Ring als single geniet. Met de opnamen werd in de loop van de maand maart 1972 begonnen en afgerond eind maart 1973.  Intussen was Agnetha bevallen van dochter Linda. Door het succes van Ring, Ring in Zweden gaat de groep in de lente en zomer van dat jaar op tournee in hun thuisland. Als kersverse moeder beslist Abba alleen in het weekend op te treden. In het totaal geven zij zo’n tachtig concerten. De vijftiende juni is de aftrap van hun tournee, maar de pers vindt het maar niets. “De groep heeft niet genoeg uitstraling” kunnen wij lezen. In die tijd vragen zij € 250 per optreden. Het valt wél op dat naarmate Ring Ring vaker over de radio te horen is, zij almaar meer fans naar hun optredens lokken.

Er wordt voor de internationale release van Ring Ring vooraf zorgvuldig gewikt en gewogen in welke landen het album mag uitkomen: Scandinavië, de Benelux, Australië, Zuid-Afrika, Mexico en West-Duitsland. Pas in 1992 wordt het album in de U.K. gereleaset en drie jaar later in de U.S.A. Rond deze periode begint Stig Anderson almaar vaker als een soort spielerei de naam Abba te gebruiken, in Zweden verwijzend naar een bekend visverwerkingsbedrijf. Om niet lang te hoeven piekeren, plaatst Stig in een lokale krant een oproep om een geschikte naam te verzinnen. Voorstellen variëren van Baba over Fabb tot en met Alibaba. In de zomer van 1973 beslissen de vier leden en hun manager in de toekomst scheep te gaan als Abba. Met dat gelijknamig visbedrijf wordt een deal gesloten en van dan af is Abba als popgroep een feit: een acroniem van de namen Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid. Iets later zal de eerste b in hun naam in spiegelschrift worden weergegeven.

Björn en Benny zinnen intussen, na dat niet geselecteerd worden tijdens de preselectie “Melodifestivalen” (te vergelijken bij ons met Eurosong) voor het Eurosongfestival en daarin opgezweept door hun manager Stig Anderson, op wraak. Na het succes van Ring Ring hebben zij besloten als groep sowieso verder te gaan. Die kans krijgen zij wanneer zij een jaar later opnieuw deelnemen aan de Zweedse selectie voor Eurosong. De Zweedse televisie nodigt hen uit in 1974 deel te nemen aan een nieuwe editie van “Melodifestivalen” met het oog op deelname aan de negentiende editie van het Eurovisiesongfestival de zesde april in Brighton. Aanvankelijk wordt er getwijfeld of zij met Hasta Mañana aan de competitie zullen deelnemen of met Waterloo, maar omdat zij vooral de stemmen van Anni-Frid en Agnetha wilden uitspelen, wordt voor Waterloo gekozen. Benny en Björn kwamen voor de tekst op de idee de passie waarmee een meisje zich overgeeft aan haar geliefde te vergelijken met de overgave van Napoleon tijdens de slag bij Waterloo in 1815. Oorspronkelijk heette de song nochtans Honey Pie. Om het nummer wat meer punch te geven, wordt besloten er een disco-achtig tintje aan te geven, ook al moest dat genre toen nog aan een echte opmars beginnen. De zeventiende december 1973 blikken zij in de Metronome Studio in Stockholm het nummer al in en de twaalfde maart 1974 verschijnt het officieel op single. De zesde april zongen zij dus in Londen, aangekondigd door Katie Boyle en begeleid door dirigent Sven-Olof Walldoff hun opmerkelijke versie van Waterloo en gingen met een totaal van 24 punten met de overwinning lopen. In het totaal namen 17 landen deel. Abba valt niet alleen op door het ritme van het liedje en hun samenzang, maar vooral door hun flashy, zij het op het randje af, kitscherige kledij. Gelukkig profiteert Abba van het aangepaste reglement dat er dat jaar niet in hun moedertaal, maar in het Engels mag worden gezongen. Binnen de kortste keren staat Abba niet alleen in Zweden op één, maar ook in de UK, België, Denemarken, Finland, West-Duitsland, Ierland, Noorwegen, Zwitserland en Zuid-Afrika. Ook buiten Europa doet de single het goed in landen als: Nieuw-Zeeland, Canada, Australië en Amerika waar het tot op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred geraakte. Benny en Björn zijn achteraf zo eerlijk toe te geven dat zij toen zij het nummer schreven duidelijk geïnspireerd waren door de hit See My baby Jive van Wizzard. Op de B-kant van de Zweedse single staat Honey, Honey, op de B-kant van de Engelse versie wordt Watch Out gezet.

Beide songs zijn terug te vinden op de langspeler “Waterloo” die tussen de vierentwintigste september 1973 en de twintigste februari in Stockholm wordt ingeblikt met muzikale steun van onder meer Ola Brunkert op drums en gitarist Janne Schaffer. In het totaal worden er vier singles uit het album getrokken: Waterloo, Honey Honey, Hasta Mañana en King Kong Song. Honey Honey draagt de absolute voorkeur weg van Benny, maar in Engeland wil hun platenfirma Epic dat niet uitbrengen. Daar wordt het gecoverd door de groep Sweet Dreams die er een leuke toptienhit mee scoren. Hieruit leert Abba zeer snel dat zij voortaan zelf zullen beslissen welke song op single zal worden uitgebracht. Björn blijft het opmerkelijk vinden dat Honey Honey niet naar een einde toewerkt, het liedje begint en kan eindeloos doorlopen. Dat effect passen zij later nog een keer toe wanneer zij The Winner Takes It All schreven.

Niemand kan dan vermoeden, hoe gigantisch het succes van Abba zal worden. Zeker niet dat zij in Amerika nog eens een nummer één zullen scoren. Daar zullen zij na Waterloo traag maar zeker naar toewerken met hits als SOS, waarover Björn in een interview zei:  ”We needed to have another big hit. SOS was really the song that got us back on track in England, I would say”. SOS wordt een onverhoopt succes in Amerika net als I Do I Do I Do I Do en Fernando. Dat laatste is oorspronkelijk geen Abbanummer, maar verscheen in Zweden in 1975 op het album “Frida ensam” dat Anni-Frid daar had uitgebracht. Fernando wordt op single gereleaset en een regelrechte nummer één in Zweden. Het management van Abba vindt dat liedje zo’n hitpotentieel hebben dat zij besluiten het van een Engelse tekst te voorzien en internationaal als Abbasingle te releasen. Het wordt in twaalf landen een terechte nummer één. Maar echt knal in de hitroos schieten zij in het najaar van 1976 met Dancing Queen dat trouwens in de USA hun enige nummer één hit wordt.

Het merendeel van hun hits, althans de demoversies daarvan, schreven Benny en Björn in hun zomerhuisje op het eilandje Viggsö, een uur rijden van het centrum van Stockholm. Elke zomer schreven zij daar, gezeten aan een kleine vleugelpiano. Benny was vaak in de mood om liedjes te schrijven. Toen zij met Dancing Queen bezig waren, stond Björn erop dat zij het qua sfeer vrij poppy hielden. De werktitel werd Boogaloo en ritmisch lieten ze zich inspireren door Rock your baby van George McCrae en het drumwerk op Dr. Johns album “Dr John’s Gumbo”. De vierde augustus 1975 trekt Abba naar de opnamestudio om Dancing queen in te blikken. Om het geheel wat op te frissen, gebruiken ze een ” slapback echo” zoals Elvis dat graag deed. Dancing queen zal en moet blij klinken, want het is een van de weinige Abbalyrics die een positieve tekst laten horen. In een interview zei Benny Andersson over Dancing Queen : ” It was a song that came all in one go. Well, no song ever does really. You have to sit there for a couple of weeks before anything happens, but once it’s started…”

De zestiende juni 1976 zingt Abba Dancing Queen voor de eerste maal op de Zweedse televisie tijdens een gala aan de vooravond van het huwelijk van koning Carl XVI Gustaf van Zweden met Silvia Sommerlath. Iedereen voelt meteen aan dat Dancing Queen op single voor de nodige gensters zal zorgen. Begin augustus komt de single in Zweden uit, iets later in Engeland waar het na een aantal dagen op 1 in de top veertig staat. Drie keer na mekaar hebben zij dan al in Engeland bovenaan gestaan: Waterloo, Mamma Mia en Fernando. In Nederland prijkt de single de veertiende augustus eveneens op één, in België insgelijks de 21ste augustus. In het totaal zal Dancing Queen in dertien landen op één staan waaronder Australië, Duitsland, Nieuw-Zeeland, Ierland, Noorwegen, Mexico, Zuid-Afrika, Rhodesië en, oef eindelijk, ook in Amerika. Daar moeten de negende april 1977 Daryl Hall en John Oates wijken met Rich girl om Abba voorrang te verlenen. Een week houden zij stand, dan moeten zij oprotten, want David Soul staat te popelen om de eerste plaats in te palmen met Don’t give up on usDancing Queen is nadien ook te horen op hun vierde studio-album “Arrival”, opgenomen tussen de vierde augustus 1975 en de achttiende september 1976. De elfde oktober van dat jaar wordt de elpee officieel in Zweden uitgebracht. Frida zal in 1993 tijdens de viering van de vijftigste verjaardag van de Zweedse koningin Silvia, een soloversie brengen van Dancing Queen. Samen met The Real Group zingt zij die avond een a-capellaversie. Van Dancing Queen zijn de voorbije jaren opvallende covers gemaakt onder andere door Luka Bloom, Brotherhood of Man, Belinda Carlisle,  Carol Douglas, The London Philharmonic Orchestra, The Ten Tenors enz…

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Chanson populaire

1973 mogen we beschouwen als een van de hoogtijjaren in de carrière van Claude François. Hij nam eerder dat jaar, de 29ste maart, een van zijn grootste successen op Je viens diner ce soir. Zodra dit nummer op single was verschenen, hadden hij en zijn entourage snel door dat ze een dijk van een hit te pakken hadden. Tijdens zijn concerten zag hij meteen aan de reactie van zijn publiek dat zij dit uit volle borst meezongen en dat het voor hem een schot in de roos was.  Geen wonder dat er op het einde van dat jaar méér dan een half miljoen exemplaren van verkocht waren. Cloclo was aangenaam verrast toen hij in de maand februari van 1973 plots op de radio Les gondoles à Venise hoorde, een schitterend duet tussen Sheila en haar toenmalige partner Ringo die daarmee bliksemsnel in de Franse hitlijsten opdoken, die zij in de maand februari zouden aanvoeren. Hij wou koste wat het kost kennismaken met de schrijvers van dit liedje Paul en Lana Sébastian en Michaële. Cloclo vroeg hun zonder blikken of blozen naar een degelijke hitsong, waarop zij vrij snel op de proppen kwamen met Je viens diner ce soir. Paul en Sébastian zouden iets later nog méér van zich laten horen, want het jaar nadien bezorgden zij Dalida de hit Gigi l’amoroso en in 1984 Jean-Luc Lahaye Femme que j’aime.

Cloclo was dus erg gretig op zoek naar een nieuwe hit toen hij enkele maanden na zijn succes met Je viens diner ce soir  aan de opname van zijn volgende elpee begon. In zijn bio kan je lezen dat hij op dat moment in de clinch lag met de Franse belastingen die zijn buitengoed “Moulin de Dannemois” waar zijn moeder woonde, wilden aanslaan.Hij had dus wel degelijk wat anders aan zijn hoofd dan met muziek bezig zijn, maar hij wist dat hij moest doorzetten, want hij had de voorbije maanden zowat de piek in zijn carrière bereikt en hij wilde die nog wel een tijdje aanhouden. François ontmoet op zekere dag de negentienjarige liedjesschrijver Nicolas Skorsky die voor Ringo het nummer Une bague, un collier had geschreven. Dat nummer sloeg zo goed aan dat hij met Ringo in zijn achterhoofd een nieuw liedje had gecomponeerd Chanson populaire. Toevallig had Cloclo daar een demootje van te horen gekregen en alles in het werk gesteld om dat nummer op de kop te tikken, kortom dat chanson van Ringo af te snoepen. Zijn manager en zijn entourage zien dat liedje niet zitten, maar Cloclo zet door en trekt in de loop van de maand september 1973 naar “Studio CBE” van Bernard Estardy gelegen in de rue Championnet in het achttiende arrondissement van Parijs. Hij wordt tijdens de opname begeleid door het orkest van Jean-Claude Petit. Jean-Pierre Bourtayre is tijdens die sessie niet alleen artistiek verantwoordelijke, maar bewerkt het oorspronkelijke nummer van Nicolas Skorsky een beetje. Hij weet uit zijn ervaring namelijk precies wat het liedje nodig heeft om er een volwaardig Claude François-succes van te maken.

Cloclo mag zijn Chanson Populaire de dertiende november 1973 lanceren tijdens de show van Maritie et Gilbert Carpentier, beiden vormen decennialang een bekend producersduo bij de ORTF . Cloclo, die altijd staat op een degelijke visuele act, laat zijn dansgroep Les Clodettes speciaal voor deze editie een opvallende choreografie uitwerken die meteen aanslaat. Eind november 1973 stijgt Cloclo met de singleversie van Chanson populaire  in de Franse hitlijsten meteen naar de elfde plaats om op het einde van de maand december op twee te eindigen vlak achter Johnny Hallyday die op één staat met Noël interdit. Een maand later snijdt Cloclo het nieuwe jaar aan met een eerste plaats. Michel Delpech, Michel Fugain en The Rolling Stones hebben het nakijken.

Vier jaar  later is Claude François dat liedje nog altijd niet vergeten en blikt een Engelse versie in in de befaamde “Abbey Road Studio’s”. Hij vraagt aan de bekende orkestleider, auteur en arrangeur Norman Newell er een Engelse tekst bij te schrijven en neemt Chanson Populaire dan op als Love will call the tune.

Het succes van Chanson Populaire vormt ook de locomotief van de gelijknamige elpee met daarop in het totaal elf nieuwe nummers waaronder J’ai encore ma maison, J’ai perdu ma chance, Jamais non rien jamais en Fille sauvage.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Neil Sedaka

Neil Sedaka heeft Turks bloed in zijn aders. Hij is de zoon van de Turks-Joodse taxichauffeur Mac Sedaka, geboren in Brooklyn, de dertiende maart 1939. Hij woonde daar samen met zijn ouders in Brighton Beach op een klein appartement. De naam Sedaka is een aangepaste vorm van de Turkse familienaam Tzedaka, wat zoveel betekent als liefdadigheid, charity. Zijn moeder was Eleanor Appel, een dame van Pools-Russisch-Joodse afkomst. In 1937 wordt hun dochter Ronnie geboren. Twee jaar later wordt hun huwelijk gezegend met de geboorte van zoon Neil. Hij wordt door zijn moeder van begin af aan erg gedomineerd en goed in de gaten gehouden door zijn zusje. Hij is erg mager en wordt vanaf de kleuterklas al geplaagd. De meesten vinden hem maar een flauwe jongen om mee om te gaan, wat mietjesachtig. Hij is verzot op muziek, dat wel.  Zo wil hij bijvoorbeeld alleen maar aan tafel komen als tijdens het eten de radio aanstaat. Hij kent zowat alle hitjes van het moment en speelt die op het gehoor na op de piano van zijn buurman. In het begin met slechts één vinger. Op school is het zijn zanglerares mevrouw Glatz die hem op zekere dag een briefje mee naar huis geeft, bestemd voor zijn ouders, met daarop het advies hun zoon zo snel mogelijk muziekles te laten volgen. Moeder wordt, om wat extra dollars bij te verdienen, verkoopster in “Alexander’s Department Store” en na vijf maanden heeft zij vijfhonderd dollar bij mekaar gespaard waarvan zij voor Neil een tweedehands buffetpiano koopt. Het eerste liedje dat hij daarop speelt is Buttons and Bows dat hij iets eerder in de bioscoop had meegepikt uit de film ” The Paleface” met Bob Hope in de hoofdrol. Hij gaat privé pianoles volgen, maar zijn lerares merkt snel dat hij een uitstekende leerling is en spoort hem aan op auditie te gaan in “The Juilliard Preparatory Division for Children” in het Lincoln Center. Neil slaagt en stapt naar buiten met een studiebeurs op zak. Hij is nog maar net acht geworden.

Neil is tot zijn spijt en frustratie niet zo populair bij zijn leeftijdsgenoten. Om in hun gratie te geraken, leert hij snel de hits van het moment op zijn piano spelen en zo mag hij tijdens buurtfeestjes bij zijn vrienden hier en daar optreden. Neil heeft het pianospel snel in de vingers en etaleert maar al te graag zijn kunde op dat instrument. De klassieke composities die hij op de Juilliard School leert, moeten snel plaats ruimen voor populaire deuntjes. Tijdens een vakantie in de zomer van 1952 in The Catskill Mountains in de buurt van New York hoort hun buurvrouw Ella Greenfield, Neil aan het werk op de piano van “The Kenmore Hotel” lobby en stelt hem voor aan haar zoon Howard die niets liever doet dan teksten schrijven. De eerste oktober van dat jaar spreken Neil en Howard af om mekaar te ontmoeten en samen een liedje te schrijven Mr Moon dat hij voor het eerst zal zingen tijdens “The Lincoln High Ballyhoo Show”, een soort talentenjacht. Op zijn zestiende ziet het ernaar uit dat Neil aardig op weg is een tienerster te worden. Maar dit moet stiekem gebeuren, want zijn moeder droomt ervan dat haar zoon een geslaagd concertpianist wordt, in de stijl van de in die tijd razend populaire Harvey Van Cliburn. Samen met zijn medestudenten aan de “Lincoln High School” richt Neil het groepje The Linc-Tones op: Neil Sedaka, Eddie Rabkin, Cynthia Zolotin, Jay Siegel en Hank Medress. Neil heeft zijn oog intussen laten vallen op Carol Klein die op de “Madison High School” in Brooklyn zit. In haar kelder oefenen zij samen met Medress en Siegel hun zangpartijen en proberen zo close harmony mogelijk te klinken. In 1956 ontmoet Neil manager Happy Goday die hun voorstelt hun groepsnaam te veranderen in The Tokens. Hun eerste plaatje nemen zij op voor het Melba Records label. Maar lang blijft Neil niet bij The Tokens, al is hij wel op een aantal van hun platen uit die tijd te horen.  Siegel en Medress vormen nadien een nieuwe line-up en zullen in 1961 een dikke hit scoren met The Lion Sleeps Tonight (zonder Sedaka dus).

Neil wil liever samen met Howard liedjes schrijven die zij weten te slijten aan Jerry Wexler van Atlantic Records. Zij scoren vrij vlug enkele kleine eitjes, onder andere met I Waited Too Long, gezongen door LaVern Baker, en Since You’ve Been Gone door Clyde McPhatter. Zij worden daar bliksemsnel weggesnoept door de muziekuitgevers Don Kirshner en Al Nevins die net hun eigen uitgeverij “Aldon Music” in de befaamde “Brill Building” in Manhattan hadden gestart en in 1958 bezorgen Neil en Howard van daaruit een stevige hit aan Connie Francis met het door hen geschreven Stupid Cupid. Hun wordt als gevolg daarvan een vijfjarig contract aangeboden, goed voor vijftig dollar per week. Moeder Sedaka aarzelt niet dat contract meteen te ondertekenen. Het is Connie Francis die hun op de idee brengt hun volgend nummer The Diary te noemen. Kirshner speelt dat door aan de op dat moment populaire doowopgroep Little Anthony and The Imperials, maar die nemen liever eerst een ander liedje op. Sedaka is daar behoorlijk boos over. Om hem te kalmeren, stelt Don hem voor aan Steve Sholes van RCA Records die met Neil in zee gaat. Neil is dan negentien en apetrots dat hij zijn eigen The Diary op plaat mag uitbrengen, onder zijn eigen naam. The Diary mag postvatten in de Top Twintig. De opvolger I go ape doet het niet onaardig, maar Crying my heart out wordt een dikke flop. Om toch voldoende geld te blijven verdienen, vinden we Neil regelmatig terug in de opnamestudio’s als sessiemuzikant. Zo horen we hem onder andere op de piano tokkelen in de hit  Dream lover van Bobby Darin.

Neil begint almaar intenser aan zijn sound te sleutelen. Het dubben van zijn stem, het meermaals opnemen van zijn zangstem, wordt zijn handelsmerk. Hij dubt die tot twee-of driemaal toe. Hij had dit in de jaren vijftig al ontdekt door aandachtig te luisteren naar de platen van Les Paul en Mary Ford. Les had het vermenigvuldigen van zijn zang- en gitaarpartijen al uitgebreid toegepast op zijn hitsingles How High the Moon en The World is Waiting for the Sunrise. Sedaka past die opnametechniek toe op zijn grote doorbraakhit Oh Carol die hij in 1958  samen met Howard Greenfield schrijft en die hij opdraagt aan zijn schoolvriendinnetje Carol Klein, die intussen haar naam veranderd heeft in Carole King.

Tijdens mijn interview met Sedaka vertelde hij mij dat hij dat nummer op de hoek van de keukentafel schreef, terwijl zijn moeder aan het strijken was, op een klein blaadje papier, dat hij meteen nadien aan Howard doorspeelt die er al even snel een tekst bij verzint. Voor Sedaka was het met dit liedje erop of eronder, want nadat Crying My Heart Out For You geflopt was, had RCA besloten geen platen meer met hem op te nemen, maar producer Al Nevins blijft aandringen en zo komt Oh Carol in 1959 toch op single uit en stijgt binnen de kortste keren naar de negende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Op de B-kant staat One Way Ticket waarmee Sedaka in Japan een nummer één scoort. Er is ook een nummer één weggelegd in de maand januari van 1960 wanneer Sedaka in Italië de door hem Italiaans gezongen versie uitbrengt. Hij zal vier weken lang de Italiaanse hitlijsten aanvoeren.  One Way Ticket is niet van de hand van Neil, maar van Jack Keller die samen met Hank Hunter eveneens werkzaam was in de Brill Building in Manhattan.

Het lijkt alsof alles wat Sedaka van dan af aanraakt in goud verandert. De hits razen in sneltreinvaart voorbij:  Stairway To Heaven, You Mean Everything To Me, Calendar Girl, Little Devil, Happy Birthday Sweet Sixteen en het op  It Will Stand van The Showmen geïnspireerde  Breaking Up Is Hard To Do met als opvallende intro het catchy down-doo-be-doo-down-down, in de zomer van 1962 dé zomerhit in Amerika en Neils eerste millionseller. Als een soort blauwdruk pakt hij, zeer tegen zijn zin, maar onder zachte dwang van RCA, meteen nadien uit met Next Door To An Angel, goed voor een topvijfnotering. Maar met de opvolgers Let’s Go Steady Again, The Dreamer en Alice In Wonderland gaat het plots een pak minder goed. Zijn sliert hits die hij voor RCA bij mekaar zingt en schrijft wordt in de maand februari 1966 afgerond met de single The Answer To My Prayer. Nadien is het afgelopen met het scoren aan de strekkende meter. Tot zijn ongenoegen stelt hij vast dat er al die tijd met zijn geld was geknoeid. Dat had hij al eerder in 1958 opgemerkt. Toen had hij voor zo’n slordige tweeënveertigduizend dollar aan auteursrechten geïnd die zogezegd door zijn moeder angstvallig werden bewaakt. Hij mag niet zelf over zijn geld beschikken. Zo mag hij bijvoorbeeld pas na haar akkoord zijn eerste auto kopen, een Chevy Impala Convertible. Papa Sedaka wordt intussen door mama niet meer goed bevonden en aan de kant geschoven om plaats te maken voor haar nieuwe lover Ben Sutter die zich meteen ook geroepen voelt de zakelijke beslommeringen van Neil voor zijn rekening te nemen en zichzelf uit te roepen tot diens officiële manager. Intussen had Neil de liefde van zijn leven gevonden. Hij had samen met Norman Spizz, Howard Fischler en David Bass het groepje The Nordanelles opgericht waarmee hij vaak optrad in “Esther Manor”, een lucratieve zaak langs Route 17B iets buiten Monticello, uitgebaat door Esther Strassberg die een knappe dochter had, de dan zestienjarige Leba, waarmee Neil vier jaar later, de elfde september 1962, in het huwelijk zal treden.  Zijn moeder en Ben Sutter blijven intussen de plak zwaaien en zijn geld beheren. Zo is het bijvoorbeeld een idee van Ben, Neil naar het buitenland te sturen om daar op te treden. Zuid-Afrika, Japan, Spanje, Italië, het maakte niet uit, als het maar geld opbracht. Neil gaat van zijn grootste hits dan ook versies opnemen in het Hebreeuws, het Italiaans, het Spaans, het Duits en het Japans.

Tot zijn verbazing stelt Sedaka vast dat van de inkomsten van de méér dan vijfentwintig miljoen platen die hij tussen 1958 en 1963 verkocht heeft, haast niets meer overblijft. Sutter heeft het merendeel van zijn geld slecht belegd in immobiliën én opgesoupeerd in de door hem vaak bezochte casino’s. Neil had al uitgerekend dat zij zo’n vierhonderdduizend dollar achterover hadden gedrukt. Moeder Sedaka doet echter alsof haar neus bloedt, maar Neil heeft er schoon genoeg van, sleept Sutter voor het gerecht waar beslist wordt dat die zich als manager moet terugtrekken. Hij gaat nadien akkoord op voorwaarde dat hem cash een uitkoopsom wordt uitbetaald van om en nabij de twintigduizend dollar. Enkele uren nadien treft Neil zijn moeder bewusteloos in haar woning aan. Zij heeft een té hoge dosis slaappillen ingenomen en wordt in allerijl overgebracht naar het hospitaal in Coney Island. Na een maagpomping herstelt zij vrij snel en weet Neil opnieuw aan haar kant te scharen met de belofte dat zij elke vorm van contact met Sutter verbreekt. Neil en zijn vrouw Leba kopen  voor haar een huis in Zuid-Florida waar zij voor de rest van haar leven tot aan haar overlijden in 2006 kommerloos zal verblijven.

Tussen 1965 en 1966 brengt Neil op het RCA-label enkele singles uit die haast kant noch wal raken: The World Through A Tear, The Answer To My Prayer en We Can Make it If We Try. Hij blijkt wel een voltreffer te zijn als songwriter.  Zo schrijft hij samen met Carole Bayer in 1966 en 1967 When Love Comes Knockin’ At Your Door en The Girl I Left Behind Me voor The Monkees, scoren The 5th Dimension in 1969 een hit met  Working On a Groovy Thing, Tom Jones in 1971 met  Puppet Man en Tony Christie eveneens in 1971 met  Is This The Way To Amarillo. Omdat het succes in Amerika bij RCA opgedroogd lijkt, wordt een nieuwe platendeal gesloten, deze keer bij SGC Records, maar die samenwerking levert maar een paar povere singles op: Star-Crossed Lovers, dat wel een dikke hit voor hem in Australië wordt, Rainy Jane, Ebony Angel en Wheeling, West Virginia.

Aangespoord door het succes dat Carole King scoort met haar comebackelpee “Tapestry” brengt Neil in de maand januari van 1972 de langspeler “Emergence” op de markt. In 1966 was hij bij RCA opgestapt, maar door toedoen van Don Kirshner wordt die deal begin jaren zeventig voor even hernieuwd. Die langspeler wordt in Amerika geen succes, maar het nummer I’m a song uit die plaat wordt wel door Helen Reddy en Lou Christie met verve gecoverd net als de song God Bless Joanna door The King’s Singers.  De elpee wordt wél in Engeland behoorlijk goed ontvangen met als vervolg een optreden de negenentwintigste september 1972 in de “Royal Albert Hall” in Londen. Neil besluit een tijdje in Londen te gaan wonen en huurt een flat in de rijke Londense buurt Mayfair. Hierdoor komt er wel een abrupt einde aan zijn samenwerking met Howard Greenfield, wiens plaats wordt ingenomen door Phil Cody. In de zomer van 1972 blikt Neil in de Strawberry Studio’s in Stockport de elpee  “Solitaire” in samen met de groep Hotlegs met daarin als muzikanten Lol Creme, Kevin Godley, Graham Gouldman en Eric Stewart die ook de producer van dienst wordt. Die heren zouden iets later de popgroep 10 CC vormen. De titelsong wordt een regelrechte popklassieker die vrij snel wordt gecoverd door The Searchers en behoorlijk succesvol in 1973 door Andy Williams. In 1975 komen The Carpenters op de proppen met hun album “Horizon” met daarop de zowat definitieve versie van Solitaire. Hun versie klimt naar de zeventiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd.

Hetzelfde team van het album “Solitaire” wordt aangehouden en ingehuurd voor de opvolger “The Tra-La Days Are Over”, maar deze elpee werd niet in Amerika uitgebracht. Het album wordt in de lente van 1973 ingeblikt en is de laatste plaat waaraan Howard Greenfield als songwriter zal meewerken. De plaat levert Neil zelf geen echte hits op, maar twee songs worden wel met succes gecoverd. In  1975 scoren Captain & Tennille een Amerikaanse nummer één met Love Will Keep Us Together. Het is Kip Cohen van A & M Records die Daryl Dragon en Toni Tennille het nummer voor het eerst laat horen. Zij zijn meteen in de ban van die song. Sedaka zelf is er niet van op de hoogte omdat hij op dat moment in Engeland verblijft. Tot hij op zekere dag per post de opname in zijn brievenbus vindt. Hij wordt in één klap van zijn sokken geblazen en voelt aan dat dit een hit zal worden. Daryl “The Captain” Dragon en zijn vrouw Toni Tennille brengen de negentiende april van dat jaar het nummer op single uit. De eenentwintigste juni stoten zij het trio America van de eerste plaats die daar geparkeerd stonden met Sister Golden Hair en blijven vier weken onafgebroken op één staan tot Paul McCartney & Wings het van hen overnemen met Listen to What the Man Said. Als je de Amerikaanse hitlijsten van toen bekijkt, dan merk je dat vier maanden later Captain & Tennille opnieuw in de Top Honderd genoteerd staan, deze keer met de Spaanse versie van Love Will Keep Us Together, Por Amor Viviremos. Voor Sedaka kan het geluk niet op, want in een tijdspanne van vier maanden staat hij met een nummer van hemzelf op de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Via zijn uitgeverij verneemt hij dat in Nederland de groep Full House, een studiogroep met daarin de latere tv-presentator Frank Kramer,  op de tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig staat met hun cover van  Standing On The Inside.

Wat Sedaka moeilijk kan verteren is dat “The Tra-La Days Are Over” niet in zijn thuisland wordt uitgebracht, zodat hij besluit zijn daaropvolgende elpee in de States te gaan opnemen en wel in de “Clover Studio’s” op Santa Monica Boulevard in Hollywood in een productie van Robert Appere. Er wordt qua muzikanten op geen enkele dure naam gekeken: Russ Kunkel, Danny Kortchmar, Leland Sklar, David Foster… zij passeren allemaal de revue en vooral de kassa. Iets voordien had Neil samen met Phil Cody het nummer Laughter in the rain geschreven. Neil had dat voor het eerst live gezongen tijdens zijn concert in “The Royal Albert Hall” in Londen in 1972 en daarvoor van het aanwezige publiek een staande ovatie gekregen. Hij wist meteen dat het nummer prima zat. Neil was in Amerika zelf op zoek gegaan naar Phil Cody, een wat haveloze hippie die graag teksten schreef en nog goede ook. Neil wou een andere wending in zijn carrière en wou wat verlost geraken van zijn jarenlange samenwerking met Howard Greenfield. Hij was op zoek naar een andere tekstuele aanpak. Voor de productie van het gelijknamige album gaat Neil aankloppen bij Robert Appere, die jaren eerder begonnen was bij het label A & M van Herb Alpert en met een rist artiesten had samengewerkt: The Carpenters, Joe Cocker, James Taylor, Earth, Wind and Fire enz… Aanvankelijk aarzelde Robert omdat de stem van Neil hem niet zo lag, hij vond die nogal hoog klinken. En hij zat ook nog met die oude hits in zijn hoofd, maar toen hij de nieuwe liedjes te horen kreeg, was hij meteen verkocht. Er wordt beslist in de Clover Studio’s in Los Angeles op te nemen.  Neil gaat niet akkoord met de eerste keuze muzikanten die Robert heeft gepland. Neil wil de steengoede begeleidingsband van James Taylor The Section: bassist Leland Sklar, toetsenist Craig Doerge, drummer Russ Kunkel en gitarist Danny Kortchmar. Er wordt tegen een hoog tempo gewerkt. In amper twee weken tijd is het volledige album ingeblikt. Neil heeft vaak aan één of twee takes genoeg om de definitieve versie op tape te hebben.  Laughter in the Rain is een degelijk album met daarop nummers als Betty Grable en Sad Eyes.  De plaat wordt in Engeland in 1974 sowieso op het Polydor-label uitgebracht en op goede kritieken onthaald. De nieuwe Sedaka is opgestaan! Om dit te vieren organiseert Neil, die nog in Engeland resideert, samen met zijn vrouw Leba een party in hun appartement in Londen waar naast The Carpenters en Paul McCartney ook Elton John van de partij is. Sedaka was al eerder aan de weet gekomen dat John een fan van hem is, vooral omdat zij gemeen hebben dat zij hun eigen songs schrijven én beiden een klassieke piano-opleiding hebben genoten. Elton vindt Sedaka net zo’n sterke schrijver als Carole King.  Sedaka klaagt erover dat zijn platen in Amerika niet meer worden uitgebracht. Hij vraagt aan Elton recht op de man af of die het niet ziet zitten zijn platen in de US op zijn net opgestarte label “Rocket Records” uit te brengen. Elton vraagt wat bedenktijd en nodigt iets later Neil en zijn vrouw uit in de opnamestudio Caribou Ranch in Colorado waar hij op dat moment druk bezig is met de opname van zijn  single  Lucy in The Sky, een cover van de Beatlesklassieker, samen met producer Gus Dudgeon, het nummer waarin wij ook John Lennon aan het werk horen en dat niet alleen op single verschijnt, maar ook op zijn album “Captain Fantastic” te horen is.  Elton stelt aan Sedaka qua eerste release op zijn Rocket Records label voor van Neils drie laatste albums “Solitaire”, “The Tra-La Days Are Over” en “Laughther in The Rain” één compilatie te maken en die als het album “Sedaka’s Back” in de Amerikaanse markt te zetten. In de maand november 1974 is het zover. Tevens komt Laughter In The Rain op het Rocket Records label ook op single uit. Wat vooraf niemand durfde te dromen, komt toch uit, al gaat het in het begin traag. De programmasamenstellers aarzelen of ze Neil Sedaka nu zouden programmeren of niet. In New York pikt eerst WNEW de single op, iets later WABC en dan is het hek van de dam, zeker wanneer het toonaangevende blad “Rolling Stone” een bespreking publiceert van de hand van Ken Barnes “This is the year for the return of veteran posters  and while I wish we had been sparen Paul Anka and Bobby Vinton, Neil Sedaka is welcome back any old time… He again proves himself a highly skilled, sophisticated songwriter, both lyrically and melodically…” De eerste februari 1975 stoot Sedaka, The Carpenters van de eerste plaats die daar hadden staan pronken met hun cover van Please Mister Postman. Een week mag Sedaka op één blijven glunderen, dan nemen The Ohio Players het van hem over met Fire.

Neil heeft duidelijk een nieuwe pedaaltje gevonden en blijft aardig in cadans met het album “Overnight Success” dat in Engeland, Europa en Australië op het Polydor-label wordt uitgebracht. Het album is twee klassiekers rijk: Bad Blood en The Hungry Years. Bad Blood schreef Neil op zijn appartement gelegen aan 63rd Street in Manhattan. Phil Cody zat naast hem. Phil dacht aan zijn moeder die een tijdje eerder tegen hem had gezegd: ” Don’t talk to that woman, she has bad blood”. Voor Phil een uitgangspunt om te verwerken in zijn tekst die bij die melodie van Sedaka hoorde. Zodra dit nummer is ingeblikt, wil Phil na een eerste beluistering de tekst herschrijven, maar daar heeft Neil geen oren naar. Elton John had veel zin om het nummer mee te zingen. Er wordt opgenomen in de “Clover Studio” gelegen langs Santa Monica Boulevard waar de sessiemuzikanten geduld moeten oefenen, want Elton laat twee uur op zich wachten. Robert Appere zit aan de knoppen en Elton is er meteen voor gewonnen de backing vocals op Bad Blood te zingen. De befaamde producer David Foster gaat akkoord om op de piano te tokkelen. John Denver is zo vriendelijk met zijn Calypso plaats te ruimen om Elton en Neil de elfde oktober 1975 op de eerste plaats te laten postvatten. Drie weken houden zij het daar vol tot Elton die eerste plaats voor zichzelf opeist met Island Girl. Van Bad Blood gaan er méér dan anderhalf miljoen exemplaren de deur uit. Ook grijsgedraaid uit het album “Overnight Success” wordt de trage versie van Neils opnieuw ingezongen vroegere hit Breaking Up Is Hard To Do, goed voor een achtste plaats in Billboard’s Hot One Hundred.  Voor Sedaka kan 1975 niet meer stuk, al zal hij niet vergeten hoe hij in het voorprogramma mag optreden van The Carpenters die met hun show op de affiche staan van The Riviera Hotel in Las Vegas. Sedaka oogst méér succes en betere kritieken in de pers. Hij wordt ‘s anderendaags beleefd gevraagd thuis te blijven en van de affiche verwijderd. Hij gaat akkoord op voorwaarde dat het hotel hem een contract aanbiedt voor een solo-optreden later dat jaar. In Amerika wordt “Overnight Success” op het Rocket-label uitgebracht onder de titel “The Hungary Years”.  Het nummer Lonely Night daaruit wordt door Captain & Tennille gecoverd en levert hun opnieuw een Amerikaanse hit op. RCA brengt, een graantje meepikkend van dit overdonderende succes van Sedaka, het verzamelalbum “Neil Sedaka Sings His Greatest Hits” uit.

In 1976 neemt Neil zijn derde en laatste album op voor het Rocket-label “Steppin’ Out” met daarop als uitschieters de songs Bad and Beautiful én You Gotta Make Your Own Sunshine dat tevens op single uitkomt. Nadien sluit hij een platendeal voor Amerika met het Elektra-label, een samenwerking die tot 1983 standhoudt. In de rest van de wereld blijven zijn platen op het Polydor-label verschijnen. In 1971 had hij samen met Howard Greenfield Is this The Way To Amarillo voor Tony Christie geschreven. Amarillo is een stadje in Texas. Howard had dit als locatie gekozen omdat dit de enige plek is die rijmt op pillow en willow. Sedaka neemt dit nummer in 1977 ook zelf op als hij het album “A Song” uitbrengt.  Zijn singleversie van Amarillo doet het in Amerika beter dan die van Tony Christie die net niet de Top Honderd haalt. Sedaka mag tevreden zijn met een vierenveertigste plaats, maar doet het veel beter met de opvolger Should’ve Never Let You Go, een duet samen met zijn dochter Dara. In de loop van de maand april geraken zij met dat nummer tot op de negentiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd. Dat liedje staat ook op het album “Letting Go” dat hij in 1980 voor Elektra opneemt. Daarop zingt Dara tevens de backing vocals op het nummer You’re So Good For Me. Wanneer Neil in 1983 nog maar eens van plantenfirma switcht en terechtkomt bij MCA, doet hij dat succes met Dara nog eens matig over met een coverversie van Marvin Gayes en Tammi Terrells Your Precious Love waarmee hij een van de weinige artiesten is die binnen een tijdspanne van bijna dertig jaar hits weten te scoren. Nadien verdwijnt Neil echter voorgoed uit het zicht van de Amerikaanse charts.

De vierde maart 1986 overlijdt Howard Greenfield, net voor zijn vijftigste verjaardag, aan aids. Zijn vriend en partner Tory Damon sterft een maand later. Sedaka was op dat moment op tournee in Bombay, India en kon niet tijdig terugkeren voor de begrafenis. Op verzoek van Neil wordt er een verzamelalbum uitgebracht met daarop uitsluitend composities van Howard getiteld  ”My Friend”. Op de hoes schrijft Sedaka het volgende “Howie’s talent was writing lyrics that were a perfect marriage to my melodies. His words were like novelettes, weaving a story from beginning to end… Although he has passed away, his spirit will live on through his wonderful lyrics, which have given and will continue to give great joy to millions all over the world. This album is dedicated to Howie Greenfield, my friend”.

In de loop van de jaren tachtig en negentig besteedt Neil veel tijd aan concerten, wereldwijd.  Hij schrijft zijn autobiografie “Laughter in the Rain” die in 1982 wordt gepubliceerd en wordt een jaar later opgenomen in “The Songwriters Hall of Fame”, een hele eer voor hem. In 1998 is hij te gast in de populaire “Today Show” bij NBC. Twee jaar later verneemt hij dat zijn klassieker Breaking Up is Hard To Do méér dan vijf miljoen keer op radio en televisie te horen was sinds hij dat nummer in de jaren zestig op plaat had gezet.  Hij is helemaal door het dolle heen wanneer hij iets later in de jury terechtkomt van het razend populaire “American Idol”. Hij had daarop aangedrongen en het pleit gewonnen. De eenentwintigste mei 2003 heeft de finale plaats met als eindoverwin