Wannes Van de Velde


Wannes Van de Velde was mijn god“, zo vertelde Kris De Bruyne aan Manu Adriaens toen die hem ging interviewen voor zijn boek ‘De complete kleinkunstgeschiedenis’. “Wannes is zo goed dat ik niet eens meer hoor dat hij in zijn  dialect zingt. Ik heb dan ook als een soort eresaluut aan mijn ontdekker (Wannes zat in de jury toen Kris furore maakte op het skiffle festival van Hove) het lied  Wannes Van de Velde blues geschreven. Ik heb lang geaarzeld om het nummer op te nemen en ik heb hem eerst een versie laten horen, want stel je voor dat hij het niet lustte. Wannes heeft van de slag twee jenevers gedronken en een sigaartje gerookt. Een groter compliment kun je van hem nauwelijks krijgen”.

 

Wannes  werd de negenentwintigste april 1937 als Willy Cecile Johannes Van de Velde in Antwerpen geboren en groeide daar op in de Zirkstraat in het Schipperskwartier, dicht bij de haven, in een echte volksbuurt. De familie woonde boven een Spaanse winkel “Le comptoir de Valence”, een huis dat nog altijd bestaat en tegenwoordig “El Valenciano” heet. Zijn vader Jaak was een graag gehoord zanger  en ook zijn grootvader was een bekende bard in de cafés in de buurt. Van hen leerde Wannes zijn eerste liedjes: gewone straatliedjes over alledaagse dingen, makkelijke melodietjes die je meteen kon meezingen.

Maar Wannes wou kunstenaar worden, schilder. Op zijn vijftiende trekt hij naar de academie voor plastische kunsten. Tussendoor leert hij klassieke gitaar bij Ilse Laforce en nadien flamencogitaar bij Sabas Gomez y Marin, een Andalusiër die in Antwerpen was gestrand. Begin jaren zestig komt Wannes bij het dans- en zangensemble van Nino de Flandes terecht waar hij de rol van flamencogitarist op zich neemt.

Iets later stapt Willy, want van Wannes is dan eigenlijk nog geen sprake, het podium op als saxofonist,  speelt jazz in de kroegen in de buurt van de Antwerpse Stadswaag en ruilt dat instrument nadien almaar vaker in voor de flamencogitaar. Op dat moment is er ook een ware folkrevival aan de gang en is het zanger Ewan MacColl die hem inspireert meer in die richting te stappen. Iets  later horen we hem volksliedjes staan zingen  in een kelder in de Antwerpse Wolstraat daarbij begeleid door violist Flor Hermans.

Ik ben beginnen zingen uit onmacht” zo schrijft Wannes in zijn boek ‘De klank van de stad’. “Men leek te hebben gezworen dat alles wat aan het vroegere Antwerpen herinnerde voorgoed moest verdwijnen om plaats te ruimen voor een vage vooruitgangsgedachte. Ik heb me de teloorgang van mijn ‘oude kant’ erg aangetrokken, was erdoor aangeslagen, heb er nachten van wakker gelegen. Maar wat had ik, een schilderke van niks, tegen domheid in te brengen? Niemendalle! Of toch… Bestond er geen traditie van spotliederen? Waren in een niet eens zo ver verleden de plaatselijke liedjeszangers niet de spreekbuis van de machtelozen? Ik besloot in het spoor te treden van de triviale dichters van weleer. Ik ging op zoek naar mensen (muzikanten) die me op mijn nieuwe reis wilden vergezellen. Ik wilde eerst en vooral een accordeonist vinden, want ik wilde niet vervallen in het cliché van de chansonnier-met-gitaar. Ik vond Bernard Van Lent. In diezelfde periode leerde ik op een luie zomernamiddag in café Pannenhuis, Walter Heynen kennen, student dwarsfluit, harmonie en contrapunt aan het conservatorium. Hij was meteen gewonnen voor de idee het zieltogende volkslied nieuw leven in te blazen. En in het licht van de zomerzon werd het eerste eindje gesponnen van een draad die nog steeds verder loopt.

Wannes’ eerste liedjes ontstaan uit liefde voor zijn stad. Hij hoopt met zijn teksten een kleine invloed te kunnen hebben op de vernielzucht door de domheid van machtsgeile potentaten, hij hoopt met zijn liedjes hun vernielzucht wat te kunnen milderen. In 1966 brengt Wannes en zijn groep hun eerste elpee op de markt  “Wannes Van de Velde”. Op dat moment komt hij nog aan de kost als etalagist in een groot warenhuis. Van die elpee worden vierduizend exemplaren verkocht wat hem de moed geeft zijn job op te geven en voltijds zanger te worden.  Zijn liedjes worden een mengeling van nostalgie en verbouwereerdheid. Antwerpen is niet meer wat het was. Wannes wijkt uit naar de rand van de stad en kiest vervolgens voor een zwerversbestaan. Hij is intussen een veelgevraagd artiest geworden, zowel door de media als door diverse theatergezelschappen waarvoor hij schrijft. Hij wil echter leven zonder die drukte, zonder telefoon, zonder agenda. Zelfs een huisnummer hindert hem.

Vanaf 1973 wordt het erg stil rond Wannes. Vier jaar later is hij er terug met de elpee  “Ne zanger is een groep” met daarop liedjes als  Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten, Mijn mansarde en het intussen tot een klassieker uitgegroeide Ik wil deze nacht in de straten verdwalen. Hij schreef dat liedje in 1974 voor de film “Home sweet home” van regisseur Benoît Lamy, een driesterrenfilm over een bejaardentehuis waar de bewoners in opstand komen tegen de betuttelende manier waarop met hen wordt omgesprongen. Zij zetten het op een lopen en belanden in een café waar de jukebox het walsje Ik wil deze nacht speelt. De melodie werd door Walter Heynen gecomponeerd en Wannes schreef de tweetalige tekst. Dit liedje werd niet voor niets genomineerd tijdens het “Gala van De Eregalerij” dat de tweeëntwintigste november 2001 plaatshad in het “Casino van Knokke”.

Wannes zal voor heel wat producties de muziek schrijven. Samen met een collectief jonge acteurs, de Internationale Nieuwe Scène en de Italiaanse regisseur Arturo Corso creëert hij de voorstelling ‘Mistero Buffo’ (een samensmelting van monologen van Dario Fo en door Wannes bewerkte Italiaanse volksliederen). Hij werkt ook mee aan diverse VRT-producties als “Het chanson” (1987), “Canto Flamenco” (1987)  en “Vive le Geus” (1988) en  schrijft de muziek voor de film “De Witte” van Robbe De Hert. Daarnaast was hij ook lesgever aan “Studio Herman Teirlinck”, vertaalde Richard The Third van William Shakespeare in het Antwerps dialect en werkte intens mee aan de “IJslandsuite” (1984) van Dree Peremans  en “Het zwarte goud” (1987),  over het mijnwerkersleven.

Stilaan kon Wannes rekenen op algemene erkenning, wat niet voor de hand liggend was toen hij in de jaren zestig begon, want de intelligentsia uit die tijd waardeerden niet dat hij in het Antwerps dialect zong. Intussen was zijn pionierswerk door iedereen algemeen aanvaard. Op artistiek vlak steeg hij boven de meeste collega’s uit. Hij beschouwde zijn vak als een ernstige bezigheid, hij zong met een haast academische ernst die hij op het podium nooit verloor. Als hij in het Antwerps zong , klonk het nooit hilarisch, het was haast een voordracht in zijn eigen streektaal. In 1984 kreeg hij de eerste persprijs van de Toeristische Federatie van Brabant voor zijn column “Mooie dag te…” verschenen in Knack waarvoor hij regelmatig schreef. Hij kreeg vijf jaar later de “Szukalski Award”, in 1993 de prijs “Gilbert Van Geert”, in 1994 de “Sabam Prijs” en het jaar nadien de “Zamu Award”. Wannes genoot van deze eer die hem te beurt viel, maar hij bleef naarstig doorwerken en liedjes opnemen, gebundeld op diverse elpees en cd’s: “In de natuur wou ik gaan leven” (1978),  “Stadsgedachten” (1982), “Tussen de lichten” (1986) , “De zwarte rivier” (1990), “Café met rooi’ gordijnen” (1993) en “Kleuren van steden” (1995). In 1992 neemt Wannes samen met Hans de Booije De lichtjes van de Schelde op, een liedje van zijn collega Bobbejaan Schoepen waarmee hij zelfs in de hitlijsten geraakt. Drie jaar later verliest hij zijn trouwe kompaan Walter Heynen. Het jaar daarop trekt Wannes op tournee met een jazzkwartet en blikt in 1999 een uniek album in met Roland Van Campenhout .

Wannes wordt ziek. De dokters stellen in 2000 leukemie vast. Hij  moet noodgedwongen het podium achter zich laten, maar levert het jaar nadien de bundel “Flamencoschetsen” af waarin hij vertelt over zijn grote liefde voor dit muziekgenre. In 2005 voelt Wannes zich zo goed als genezen en start met zijn groep bestaande uit gitarist Jan Wellens, violiste Gilberte Van den Plas, violist Stefan Wellens en contrabassist Ben Faes de tournee “In de maat van de seizoenen” waarvan  in 2006 de gelijknamige  cd verschijnt met liedjes als Havenstad, In de lege dagen en Hier is em terug. Voor dat album schreef Paul Rans als hoestekst: “Wannes weet de oude meesters beter te appreciëren dan gelijk wie, misschien omdat hij zelf een hedendaagse meester in zijn vak is. Elk lied is een pareltje dat moet gehoord worden, maar dat net zo goed mag gelezen worden. Wannes laat zich kennen als heel poëtisch en gevoelig . Een muzikale Don Quichot zoals hij ironisch over zichzelf zingt. Hij kijkt naar de wereld en naar het leven en ziet niet alleen ellende en verzuring waartegen hij terecht fulmineert. Hij ontwaart ook de poëzie in dagelijkse dingen, landschappen, stadsgezichten tafereeltjes. Wannes herinnert er ons aan dat we beter moeten kijken, verder moeten denken en intenser moeten leven. Maar hij preekt niet, hij zingt zijn liedjes en ze zijn heerlijk om naar te luisteren”.

Wannes behoorde tot een generatie die nog volledig in het dialect werd opgevoed. Nederlands sprak hij alleen op school. Hij wilde in zijn liedjes niet per se het dialect verdedigen, maar hij zong in de taal waarvan hij elke nuance en grammaticale finesse beheerste. Het dialect was zijn gesproken taal! De wijk “Klein-Antwerpen” waar Wannes woonde, heeft een naar hem genoemde reus. Op de hoek van de Breughelstraat met de Lange Leemstraat ligt het door hem bezongen “Café Breughel”. Sommigen beschouwden hem ad vitam als de stadsdichter van Antwerpen. Het staat buiten kijf dat hij als geen ander menig acteur en kleinkunstenaar in Vlaanderen en Nederland blijvend heeft geïnspireerd.

Wannes overleed de tiende november 2008.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Wendy Van Wanten

Het is nooit mijn betrachting geweest om de mensen te tonen hoe intelligent ik wel ben. Daar gaat het toch niet om?” vertelde Wendy Van Wanten aan journalist Manu Adriaens toen hij haar interviewde voor zijn boek ‘Ik hou van jou – het verhaal van de Vlaamse showbizz’, “‘t Is trouwens ook niet voor de bekendheid dat ik zing. Want ik gééf liever aandacht dan dat ik er krijg. Geven en nemen, zo zit het leven toch in elkaar. Gun me dus ook mijn sprookje“. Haar sprookje heeft zij gekregen. En de prins die bij dat sprookje hoort?  Dat is een dubbeltje op zijn kant waar wij nog altijd het raden naar hebben of zij hem ooit gehad heeft.

Wendy werd als Iris Vandenkerckhove de zesde februari 1960 in Oostende geboren. Zij is een nakomertje. Haar moeder is al 43 wanneer zij Iris ter wereld brengt. Papa is een strenge man, werkzaam bij de opsporingsbrigade van de politie. Eenmaal buiten zijn werksfeer is hij echter iemand die zich graag amuseert en feestviert. Familiefeesten zijn aan hem méér dan besteed. Thuis wordt er graag naar muziek geluisterd. Iris geraakt niet alleen verknocht aan het Franse chanson, maar luistert even graag naar de platen van Nat King Cole en iets later naar haar favoriete zangeres Barbra Streisand. Aan het atheneum in Oostende volgt zij de afdeling Latijn-Wetenschappen en is daar zo’n beetje een uitblinker. Zingen deed zij toen ook al, als lid van het Oostends Tonadakoor waarmee zij vaak aan wedstrijden deelneemt en ze scoren nog ook. Na de middelbareschoolopleiding begint Iris met een opleiding medisch secretaresse. Zij volgt daarin haar twaalf jaar oudere zus Annie die als medisch secretaresse haar zus het goede voorbeeld had gegeven. Met Annie heeft Iris een sterke band opgebouwd. Haar zus woont op dat moment in De Haan en vaak neemt Iris de tram om bij haar zus te gaan overnachten. Zij is dan gehuwd met een maître d’hôtel die tijdens de week in Kortrijk blijft werken en vaak houdt Iris haar gezelschap. Annie houdt al die tijd haar zus goed in de gaten en is bij momenten zelfs strenger dan hun eigen moeder. Ondanks dat breekt Iris plots haar studies af, want zij wil fulltime model worden. In 1979 overlijdt haar moeder plots. Iris is dan nog maar negentien en heeft ook geen zin meer om verder te studeren. Zij ziet even de zin van het leven niet meer in. Sinds die dag moet zij opletten uit de buurt van doemdenkerij te blijven. Om dat te compenseren, besluit zij model te worden, de wereld van de glitter en de glamour op te zoeken. Zij wordt model bij het bureau “Models Office” in Oostende. De meesten onder ons zullen het niet meer weten of toen zelfs niet opgemerkt hebben, maar Iris bouwt tussen 1979 en 1989 een internationale carrière op en verschijnt in bekende modebladen zoals Vogue, Elle en The American New Look. Zij wordt ook uitgenodigd voor modeshows in München, Parijs en Düsseldorf.

Dat modellenbestaan belet Iris intussen niet in haar vrije tijd te zingen. Zij wordt in 1986 door Johan Verminnen gevraagd om samen met Roland en Curt Lawrence deel uit te maken van de Brabantse ploeg tijdens de “Baccara Beker” in het Casino van Middelkerke. De ploeg gaat met de overwinning lopen en Iris mag ook de pers- en personalityprijs in ontvangst nemen. Over een entree in de showbizz gesproken! Uiteraard liggen de platenfirma’s tijdens die “Baccara Beker” op de loer op zoek naar nieuw talent. Iris sluit een deal met BMG/Ariola die, wetend dat zij tuk op Franse chansons is, haar meteen in 1987 een Frans liedje laten opnemen Panne de coeur, een tekst van haarzelf op muziek van Takis Critzelis. Iets later is er het singletje Je suis amoureuse met de op de B-kant In the face of love. Iris is in de wolken wanneer zij dat jaar in het voorprogramma van Gilbert Bécaud mag optreden. In 1988 neemt zij Laissez-vous rêver op gekoppeld aan Wake Me. Intussen is zij bij platenfirma CNR aanbeland. Alle singletjes worden dan nog onder de naam Iris uitgebracht.

Op dat moment loopt er op de Nederlandse televisie het ophefmakende programma “De Pin Up Club”. Het was een soft-erotisch programma dat één keer per maand werd uitgezonden in een productie van Jef Rademakers. Die bedacht ook de rubriek waarin brieven van lezers werden beantwoord door… Iris, voor de gelegenheid herdoopt als Wendy Van Wanten. Niet alleen Nederland valt voor haar wulpse charmes, maar vooral de Vlaamse mannen. Iris voelt zich ontzettend goed in dat nieuwe personage. Zij kan haar aangeboren schuchterheid op deze manier makkelijk verbergen. Op de vraag om volledig uit de kleren te gaan, antwoordt zij krachtig neen, maar het hek is wel definitief van de dam.

Niet dat haar personage als erotisch wordt ervaren, trekt Wendy aan, maar wel dat zij de kans mag en moet grijpen om als zangeres door te breken. Wanneer zij in 1990 van de VRT een “Gouden Bertje” in ontvangst mag nemen als populairste tv-figuur, maakt zij van de gelegenheid gebruik haar eerste single als Wendy Van Wanten aan het publiek voor te stellen en dat wordt het liedje Bij jou zijn geschreven door Paul Vermeulen en Marc Dex. Samen met Stan Verbeeck hebben zij van het begin af aan in haar talent geloofd en geniet zij vanaf het begin ook het volle vertrouwen van hen beiden. Bij jou zijn bereikt in 1991 net de tiende plaats in de Vlaamse Top Tien. Zes maanden later valt de keuze op Kijk eens diep in mijn ogen, een duet dat zij opneemt samen met Willy Sommers, geschreven door Roland Verlooven. De eenentwintigste september staan zij op één in de Vlaamse Top Tien. Je kan het een gewiekste zet noemen, maar als opvolger kiest zij voor het liedje Iemand dat zij samen met haar zoontje Dylan opneemt, al heeft het singlekopend publiek daar niet echt oren naar. Ook niet naar liedjes zoals Holiday Love, Ik zie je graag en Altijd samen met jou die ook op haar eerste album “Verliefd” staan dat in 1991 op het CNR label wordt uitgebracht. Wanneer Herr Seele en Kamagurka op tv verschijnen met de TV1-reeks “Lava” wordt Wendy in de tweede reeks uitgenodigd om daarin de rol van Emmanuela te spelen. Om van de Wendyhype mee te profiteren, duikt haar personage op in het stripalbum “De Poenpakker” rond de figuur van Jean-Pierre Van Rossem, getekend door Erik Meynen.

Omdat zij alle kansen wil grijpen die haar geboden worden, neemt Wendy, die op dat moment al gemanaged wordt door Danny De Waele, in 1993 deel aan de preselecties voor het Eurovisiesongfestival. Zij zingt Zonder Verklaring en stoot daarmee door naar de finale die gewonnen wordt door Barbara Dex met Iemand als jij waarmee Barbara in Millstreet in het graafschap Cork op de vijfentwingtigste, kortom de laatste plaats eindigt. Dat jaar wint Ierland met In Your Eyes gezongen door Niamh Kavanagh. Wendy treurt er niet om, want zij wordt door Frank Dingenen gevraagd de rol van schooldirectrice Josiane Vanthilt te vertolken in de comedy- en jeugdreeks “Meester, hij begint weer!” Wat velen uit het oog hebben verloren, is dat Wendy op vraag van Tony Berk van Dino Music in de Fendal Sound Studio in Loenen aan de Vecht samen met producer Peter Koelewijn twee Engelstalige covers opneemt: Patrick, mon chéri  en Drunken Sailor, beide verdeeld op het Dino Label, maar zonder brokken te maken. Nadien belandt Wendy bij platenfirma Centropa van Guy Beyers die voor haar samen met Pino Marchese Ik zie je graag schrijft, maar een echte hit wordt het niet. Omdat Playboy blijft aandringen en er een mooie duit op tafel voor over heeft, legt Wendy zich in alle zedigheid in een fotoreportage gebaseerd op haar stripalbum ei zo na naakt neer. Er mag immers wat aan de fantasie worden overgelaten.

Samen met haar manager besluit Wendy, omdat de echte hits uitblijven, op zoek te gaan naar een nieuwe producer en die vinden zij in de persoon van Jack Rivers met wie zij de grootste hits in haar loopbaan zal scoren. Op tekst van Dennis Peirs, alias Jo met de Banjo, en gebaseerd op de hit Avant de nous dire adieu van de Franse zangeres Jeane Manson blikt zij Blijf nog één nacht in. In de maand september van 1994 staat Wendy er vier weken na mekaar mee op de eerste plaats van de Vlaamse Top Tien. Vervolgens kiest zij voor een vertaling van Wrap Your Arms Around Me van Agnetha Fältskog dat als Sla je arm om me heen graag gedraaid wordt, zelfs door Radio 2. Of zij daarbij aan prins Laurent moet gedacht hebben, laten wij in het midden, maar de pers krijgt haar ontmoeting met hem tijdens een modedefilé in Parijs in de gaten en koppelt beiden dolverliefd aan mekaar tot groot ongenoegen van het Belgische Hof. Dat gerucht komt een tijdje later wat in de schaduw te staan door het succes dat zij scoort met Verborgen Verdriet, een bewerking van de klassieker La Paloma dat Wendy eerst niet ziet zitten, maar na lang aandringen van Jack Rivers toch opneemt. Zij krijgt dat jaar voor die prestatie de trofee “Radio 2 Zomerhit” cadeau. Iets later zit er opnieuw een nummer één in voor Wendy wanneer zij Kiss me goodbye opneemt, een cover van die bekende hit van Petula Clark. Op het CNR label verschijnt het album “Verborgen Verdriet”, gearrangeerd door Patrick Renier met in het achtergrondkoor Sabien Tiels en Yvan Brunetti en gitaarwerk van Eric Melaerts. Dat album gaat zomaar liefst dertigduizend keer over de toonbank en maakt van Wendy in Vlaanderen een gevierde ster.

Omdat zij en haar manager in de gaten hebben dat Diana Ross en Julio Iglesias in 1996 een dijk van een hit te pakken hebben met All Of You laten zij Yvan Brunetti de Nederlandstalige tekst schrijven en besluit Wendy Voor eeuwig en altijd als duet op te nemen samen met de in die tijd zeer populaire Jo Vally. Een derde plaats in de Vlaamse Top Tien is de eindscore. Haar vroegere platenfirma Centropa wil nog een graantje meepikken van haar succes en brengt in een verdeling van Dino Music Belgium het album “Proef me” uit met daarop eerder opgenomen liedjes zoals Mooi Vlaanderen, Ik zie je graag, Ik wil niet kiezen en Zonder verklaring. Antwoorden op de vraag of Wendy ook in Nederland scoort, is simpel, want dat is kortweg “neen”. Voor haar rol in de film “Berncastle” van regisseur Rob Van Eyck ontvangt Van Wanten dat jaar tijdens het Filmfestival van Gent “De Pallieterprijs”. Tijdens de zomer scoort zij een redelijke hit met Hoor je het slaan van mijn hart, een vertaling van Yvan Brunetti van de klassieker Cuando calienta el sol. Dat coveren gaat Wendy blijkbaar goed af, een trend die zij op het album “Kom Dichter” doorzet met vertalingen van hits zoals This Strange Effect, Show Me Heaven, Blue Bayou, Move Closer en This Is My Song. Deze keer worden er vijftienduizend exemplaren van verkocht. Het album is al goud in voorverkoop.

Samen met het orkest Il Novecento zingt Wendy in de maand mei van 1997 in het Sportpaleis van Antwerpen een rist klassiekers van haar idool Barbra Streisand. Of zij daarmee verder springt dan haar vocale stok lang is, is voor discussie vatbaar. Zij zal dat repertoire nadien nog in diverse formules op het podium neerzetten.  Op zoek naar een geschikt concept brengt Wendy Van Wanten die nog steeds onder de vleugels van Jack Rivers schuilt de cd “13 Bolero’s” uit, dertien vertalingen door Yvan Brunetti van een dozijn plus één latino ballads die elk stuk voor stuk hun degelijkheid door de jaren heen bewezen hebben: Verliefd en Laat mij maar dromen dat op single in de maand juli van dat jaar tot op de zesde plaats in de Vlaamse Top Tien geraakt. Kus me toch, een vertaling van Besame Mucho, bereikt op single in diezelfde hitlijst zelfs de tweede plaats.

Omdat zij zich in covers van bekende hits het best thuis voelt en daarbij ook evergreens en standards niet uit het oog verliest, komt Wendy in 1998 op de proppen met de cd “Denk aan mij”. Merk op dat aan het team niet wordt gesleuteld. Jack Rivers blijft producen, Yvan Brunetti blijft de teksten leveren en Patrick Renier blijft de songs arrangeren. De keuze valt deze keer op Chanson d’amour van The Manhattan Transfer, Acropolis Adieu van Mireille Mathieu, Amapola dat we in die tijd kennen van Nana Mouskouri, Gigi l’amoroso van Dalida enz…Op dat album staat ook het duet You’ve really got a hold on me dat zij samen met Johnny Logan zingt. In de kranten lezen we dat Wendy op het privédomein van prins Laurent werd betrapt, maar ook deze keer weigert ze elk commentaar. Tot in 1999 worden de platen van Wendy verdeeld door firma Arcade. Om in schoonheid van hen afscheid te nemen, wordt het dubbelalbum “Best Of” in de markt gezet: negenentwintig hits met als bonus het nummer If You Want. Dat wordt een voorsmaakje van het plan dat Wendy inmiddels heeft uitgewerkt om van koers te veranderen en in het Engels te zingen. De singles Heaven en Why Tell Me Why zijn daar getuigen van.

Tijdens de maand februari 2000 viert Wendy haar veertigste verjaardag met een gala in het Casino van Middelkerke. Vol trots kondigt zij aan dat zij in blijde verwachting is. Die wordt dadelijk gekoppeld aan haar vermeende romance met prins Laurent, al zal haar zoon Dylan later aan het Nieuwsblad vertellen dat haar manager Danny De Waele de echte vader is. Zes maanden later wordt in Oostende Clément geboren. Om die geboorte extra luister bij te zetten neemt zij de single Little Wonder, Klein Wonder op. Moeder of niet, the show must go on, zo nodig zelfs dat Wendy er niet voor terugdeinst in de zomer van 2001 drieënzestig keer na mekaar in “Het Witte Paard” in Blankenberge op te treden. Omdat er ook aan de fans en de hitlijsten gedacht moet worden, covert zij Tweedle Dee, Tweedle Dum van The Middle of The Road als Kom Met Me Mee. Waar naartoe? Wel richting preselecties Eurosongfestival. Zij waagt in 2002 nog eens haar kans, deze keer met Forever Yours en dat onder haar eigen voornaam Iris. Foute gok, want ook al wordt zij derde tijdens de halve finale, de eindronde haalt zij niet. In het Casino van Oostende zingt zij iets later onder leiding van Rudolf Werthen een aantal bekende opera-aria’s. Critici durven zich lovend uit te laten over haar prestaties. Omdat organisatoren haar zo op een andere manier leren kennen, wordt zij uitgenodigd om een van de hoofdrollen te vertolken in de musicalversie “Romeo & Julia”. Zij zingt er de rol van Lady Capuletti, de moeder van Julia. De verkoop wordt een hit, maar dat fijn gevoel krijgt een stevige deuk wanneer zij verneemt dat haar zoon Dylan levensgevaarlijk gewond geraakt tijdens een verkeersongeval. In de lente van 2003 stellen de dokters vast dat Dylan volledig zal herstellen. “Romeo & Julia” blijft intussen volle zalen lokken en wordt afgeklokt met op de teller méér dan honderdvijftigduizend bezoekers.

Met Vader Abraham neemt zij het duet Er klinkt muziek door de nacht op. Zo weten wij weer dat Wendy Van Wanten het Vlaamse lied niet schuwt. Wendy is ook een gevierde tv-figuur. Zo is zij te zien in het VTM-programma “Puur Toeval” waarin Luc Appermont een variante presenteert op zijn populair Radio 2 -programma “De Zoete Inval”. Zij krijgt ook een rol in zowel de zomer – als winteredities van de shows “Caals & Van Vooren”. Daarmee is haar agenda tot en met januari 2004 gevuld. Ook Studio 100 heeft haar talent ontdekt en speelt haar de rol van heks toe in de musical “De Kleine Zeemeermin”. Van die musical verschijnt tevens een cd-versie. De hitlijsten liggen andermaal binnen handbereik. In 2005 verrast zij iedereen met haar  versie van Heart of Glass van Blondie in een productie van Jack Rivers, vertaald door Marco Ottati als Ooit het gevoel. De plaat wordt door APR Works Records Belgium uitgebracht. Gefocust op het repertoire van Gilbert Bécaud zet zij een aantal recitals neer, gewijd aan het oeuvre van de populaire Franse zanger die in 2001 was overleden.  Samen met de in Nederland wat in onmin geraakte bariton Marco Bakker geeft Wendy op het einde van dat jaar een aantal kerstconcerten. Omdat zij graag een danspasje plaatst, deinst Wendy er niet voor terug bij de start van 2006 de dansschoentjes aan te trekken voor het VTM-programma “Sterren op de dansvloer”. Zij heeft een goede danspartner gevonden in haar Nederlandse coach Aerjen Mooijweer. Zij heeft wel intussen definitief afscheid moeten nemen van haar partner en vriend Danny De Waele die de vijftiende januari 2006 zijn strijd tegen kanker heeft verloren. Aan hem verliest zij een grote steun.

Omdat die populariteit op televisie Wendy wel ligt en zij VTM een warm hart toedraagt, wordt zij de centrale gaste in het programma “Wie wordt de man van Wendy?” waarmee zij zich hier en daar in de Vlaamse pers nogal wat kritiek op de hals haalt alsof zij zoals elke gewone vrouw geen man aan de haak kan slaan. Haar vaste vriend is nog maar net overleden en zij gaat al op zoek naar iemand anders. In het weekblad Humo van de vijfentwintigste april 2006 reageert zij kort van stof wanneer de reporter opmerkt dat zij via dit programma een soort comeback wil forceren. Het zou één grote reclamestunt zijn, bedoeld om La Wendy weer in de markt te heisen. Het grote verwijt in de pers is dat zij de kans om zich als Iris te profileren laat liggen en haar rolletje als Wendy Van Wanten blijft uitspelen. Onecht, puur fake dus. Niet getreurd, Frans Vancoppenolle wordt tijdens de uitzending van de zestiende november 2006 de gelukkige. Hij wordt iets later ook haar manager. Tijdens de maanden vooraf neemt Wendy een volledig Engelstalig album op “Woman In Love” met naast deze hit van haar idool Barbra Streisand songs zoals If You Leave Me Now van Chicago, Nights in White Satin van The Moody Blues, When I Need You van Leo Sayer en dat in een productie van Patrick Hamilton. Het album, opgedragen aan de overleden Danny De Waele, wordt op het ARS label uitgebracht dat zich de jaren nadien vooral zal toeleggen op Vlaams zangtalent. De tiende november wordt uit die full-cd de single Woman in Love gereleaset en bereikt vrij snel de Ultra Top Twintig. Twee weken later wordt met het oog op de eindejaarsfeesten haar gelijknamig album in de etalage gezet.

2007 wordt de start van de docusoap “Wendy & Verwanten” die op de vrijdagavond zo’n achthonderdduizend kijkers aan VTM weet te binden. Tot die verwanten behoren Dylan en zijn vrouw Katrijn, Clément, Franske en de hond Prutske. Tijdens de Straussconcerten op het domein van het Kasteel van Groot-Bijgaarden laat Wendy horen dat zij ook het operetterepertoire aankan. In december van dat jaar deelt zij mee dat zij opnieuw zwanger is. In mei 2008 bevalt zij van dochter Estelle. Om dat te vieren neemt zij de single Wonderen op, speciaal voor haar geschreven door Vader Abraham, goed voor een derde plaats in de Vlaamse Top Tien. De negende november van dat jaar stelt zij haar fonkelnieuwe cd “Durf te geloven” voor, een titel naar haar hart, want als zij ooit iets gedurfd heeft dan is het wel dat: geloven en blijven dromen en geloven dat die dromen ook uitkomen. Haar man, tevens haar manager, laat weten dat zij geen deal hebben kunnen sluiten met haar platenfirma ARS, ook geen financiële, en dat hun samenwerking wordt stopgezet. Wendy brengt haar album “Durf te geloven” dan ook in eigen beheer uit. Ook nu is de productie in handen van Patrick Hamilton.

“Kijk eens diep in mijn ogen” is de titel van haar autobiografie die in 2009 bij uitgeverij Roularta van de persen rolt, 168 pagina’s dik.  Om die release te promoten en extra in de verf te zetten, verschijnt de single Voor altijd en is zij naar haar vroegere platenstal Centropa teruggekeerd. Labelmanager Guy Beyers wordt haar manager, haar man Frans wordt haar roadmanager. Zij neemt ook een vertaling op van Il tape sur des bambous van Philippe Lavil, Hij is zo beroemd in een productie van haar vroegere producer Jack Rivers. Het jaar daarop viert zij haar vijftigste verjaardag en het feit dat zij twintig jaar op de planken staat. Zij doet dat met een concert in het Casino van Middelkerke. Twee jaar later zien we haar in alle bescheidenheid optreden in de intimistische theatertournee “Wendy Intiem” waarmee zij in het Casino Kursaal van Oostende van start gaat. Zij zingt, alleen begeleid door pianist Bart Buyle, liedjes die zij altijd graag had gezongen, aangevuld met een rist anekdotes. Als hulde aan haar man Frans en hun relatie brengt zij in 2011 het nummer Jij bent mijn leven uit, een vertaling van My Little Lady van The Tremeloes.

In Studio Manfred Recordings in het Nederlandse Etten-Leur neemt Wendy in de loop van 2013 nummers op bedoeld voor het album “Wendy zingt Dalida”, haar hommage aan deze bekende Franse zangeres. Manfred Jongenelis heeft de productie in handen en schrijft ook de arrangementen. Patrick Vandewattijne wordt als executive producer aangeduid. Muzikanten van dienst zijn onder meer Martijn De Laat, Bert Meulendijk en Nadia Mampaey. In haar voorwoord schrijft Wendy: “Wachten doet verlangen en geduld wordt altijd beloond! Ik ben trots dat ik jullie kan laten genieten van mijn nieuw album. Er werd al veel over gepalaverd, maar nu is ook tot mijn grote voldoening de daad bij het woord gevoegd!” Die daad zet zij om in covers van de bekendste Dalidaklassiekers vertaald door Peter Van Noort: Vlieg je mee, Gigi l’Amoroso, Oma gaat naar de disco. Het duet Paroles, Paroles dat Dalida samen met Alain Delon opnam, zingt Wendy Van Wanten voor deze gelegenheid samen met Winsor Harmon beter bekend als Thorne uit de soapserie “Mooi en meedogenloos”. Midden mei 2014 wordt Zomerdagdromen op single uitgebracht, een latinoklassieker die wij beter kennen als Besame mucho. Eerder werden al de liedjes Wat ik voel voor jou en Wat een avond op single uitgebracht. Dalida is voor haar een voorbeeld van doorzetten, ondanks de vele tegenslagen die zij in haar carrière moest verwerken. Wendy vergelijkt het met haar leven waarin zij vooral door de pers zwaar werd aangevallen, onder meer naar aanleiding van haar vermeende relatie met prins Laurent die eind 2013 nog maar eens werd opgerakeld. In 2014 pakt Wendy uit met de traditional Dit wordt mijn dag dat zij leent van Alexander Vertinski die het als Dorogoi dlinnoyu op plaat had gezet. Manfred Jongenslis neemt niet alleen de Nederlandse tekst, maar ook de productie voor zijn rekening.

De eerste mei 2014 heeft in “Het Fakkeltheater” in Antwerpen de try-out plaats van het theaterstuk “Calendar Girls” gebaseerd op deze bekende blootkalender. Wendy acteert aan de zijde van onder anderen Lulu Aertgeerts, Marleen Merckx, Karin Jacobs, Ann De Winne en Leah Thys.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Reach Out I’ll Be There

Toen The Four Tops eind 1966 in Londen arriveerden voor een live optreden in “The Saville Theatre” waren zij aangenaam verrast door het enthousiasme waarmee het publiek hun nieuwe song Reach Out I’ll Be There onthaalde. Hun leadzanger Levi Stubbs was zo onder de indruk van die ontvangst dat hij meteen nadien een nieuwe deal sloot voor een concert in Engeland enkele maanden later toen zij konden uitpakken met hun volgende hitsingle Standing in the shadows of love.

De zevenentwintigste juli 1966 legden The Four Tops in “Studio A Hitsville U.S.A.” de laatste hand aan wat een van hun grootste hits zou worden Reach Out I’ll Be There. De jaren voordien waren bij Motown echte hoogtijdagen geweest waarin niet alleen grote hits werden gescoord, maar waarin ook de studio’s werden gemoderniseerd, van de meest recente technische snufjes voorzien en dat was te horen ook. Popmuziek was inmiddels, vooral dankzij de steun van The Beatles, volwassener geworden. In 1966 pakten zij uit met een elpee die een mijlpaal betekende in de wereld van de popmuziek “Revolver”, daarop van antwoord gediend in Amerika door The Beach Boys met “Pet Sounds”. In Amerika werd ook de soul meer matuur. De studio’s gingen almaar meer hun stempel zetten. Denken we maar aan The Muscle Shoals Studio, de Stax Studio in Memphis en de Motown Studio’s in Detroit.

Toen het gouden schrijverstrio van Tamla Motown Eddie Holland, Lamont Dozier en Brian Holland met het nummer Reach Out I’ll Be There bezig waren, wisten zij niet dat zij de grootste Tamla Motown hit ooit in Engeland zouden afleveren. Het verhaal wil dat Brian en Lamont zij aan zij aan de piano zaten toen zij dit schreven en in die song op zoek gingen naar het antwoord op de vraag “Wat willen vrouwen eigenlijk van hun partners?” Zij hadden al een dergelijke oefening uitgeprobeerd in het nummer Ask The Lonely. Achteraf gaven Holland en Dozier toe dat zij zich qua titel hadden laten inspireren door Reach Out For Me dat Burt Bacharach en Hal David al in 1964 hadden geschreven en waarmee Dionne Warwick toen een hit scoorde. Wanneer er in die jaren zestig bij Tamla Motown songs werden opgenomen, moest dat zo snel mogelijk, bijna in een ijltempo. Er werden daar letterlijk hits aan de lopende band ingeblikt. Iedereen keek dan ook verbaasd dat toen The Four Tops in de studio arriveerden zij pas twee uur later de klus hadden geklaard. Achter de microfoon stonden Levi Stubbs en zijn kompanen: Abdul Fakir, Renaldo Benson, Lawrence Payton en als backings The Andantes (Jackie Hicks, Marlene Barrow en Louvain Demps). Na méér dan honderdtwintig minuten geconcentreerd zingen, vonden de producers van dienst Brian en Lamont het oké. Een van hun eerdere hits I Can’t Help Myself  bijvoorbeeld dat zijn enkele maanden voordien hadden ingezongen, stond in twee takes op band, terwijl dat met de opvolger It’s the Same Old Song nog sneller ging.

Op zoek naar een opvallende intro voor Reach Out I’ll Be There kwamen de heren producers op de idee gewoon met hun beide handen op een houten stoel te kloppen om op die manier de beat wat te accentueren en de fluit die je aan het begin hoort, wordt bespeeld door de dertienjarige Danya Hartwick. Die intro wordt zogezegd gedragen door de funky bas van James Jamerson, maar dat verhaal klopt niet, want uiteindelijk zal zijn inbreng niet gebruikt worden, maar wel de partij die Carol Kaye voor haar rekening nam. Zij weet ons nog te vertellen dat haar baspartij werd uitgeschreven door Gene Page die later zowat alle arrangementen voor Barry White zal neerpennen. De rest van de begeleiding wordt geleverd door de alomtegenwoordige studioband The Funk Brothers. Levi Stubbs, die tot dan toe altijd de leadvocals voor zijn rekening nam, stond weigerachtig tegenover dit avontuur. Hij had liever dat iemand van de jongens de klus deze keer zou klaren, maar daar wilden Holland en Dozier niets van weten. Zij wisten dat Levi erg hoog kon uitpakken met zijn stem. Hij had dat al eerder laten horen in een song als I Can’t Help Myself en zij wilden dat hij dat deze keer nog eens overdeed. Een goede vondst van Levi, die uiteindelijk toch toegeeft en graag zijn tanden in het nummer wil zetten, is dat hij vooraleer hij het refrein inzet met een opzwepende “hah” begint. Dat geeft het nummer meteen een lekkere drive.

Wij merken aan de producties uit die tijd dat er bij Tamla almaar meer gedacht wordt in termen van arrangementen. De nummers worden steeds beter in de diepte uitgewerkt. Ook durven de producers al eens vaker van  tempo te wisselen binnen één song, dat maakt het muzikale avontuur alleen maar spannender. De songs klinken daardoor ook minder vlak. Qua productie mogen we bij Reach Out I’ll Be There spreken van een soort “real wall of sound” zoals Berry Gordy Jr. later zal toegeven. Dat hadden zij leuk afgekeken van Phil Spector die op geen instrument méér of minder keek tijdens zijn producties, alleen gingen ze bij Motown vaak op zoek naar eenvoudige, goedkope middelen zoals dat klappen met de handen op een houten stoel of het slaan met een hamer tegen een doodgewone fietsketting. Het was uiteindelijk het effect dat telde!

De achttiende augustus 1966 wordt Reach Out I’ll Be There in Amerika op single uitgebracht, gekoppeld aan Until You Love Someone. De vijftiende oktober staat het nummer op één in Billboard’s Hot One Hundred nadat het The Association en hun nummer één Cherish aan de kant werd geschoven. De negenentwintigste oktober worden The Four Tops afgelost door Question Mark & The Mysterians die op hun beurt bovenaan mogen staan met 96 Tears. De dertiende oktober staan The Four Tops in Engeland op één te glunderen. Het zal voor hen bij die ene keer blijven dat zij in de UK helemaal boven in de Top Veertig staan. In Nederland belandt Reach Out I’ll Be There de vijftiende oktober op de achtste plaats in de Top Veertig en bij ons de negentiende november op plaats tien in de Top Dertig.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Will Ferdy

Tijdens de allereerste editie van “De Eregalerij” in het Casino van Knokke in 2000 werd Will Ferdy genomineerd voor zijn liedje Christine. Een jaar later mocht hij tijdens het tweede gala een “Ereplaats voor een leven vol muziek” aan zijn palmares toevoegen. Nog eens drie jaar later, in 2004, werd Christine definitief toegevoegd aan de Eregalerij van Vlaamse klassiekers. Dat palmares is gevuld met een hele rist liedjes die voor het merendeel op plaat en/of cd zijn bewaard. In de loop van zijn carrière nam Will drieënveertig 78-toerenplaten op, zeventig singles, achtenveertig elpees, zevenendertig cd’s én zijn een groot deel van zijn bekendste liedjes op zo’n vijfenvijftig compilatie-albums terug te vinden. Ferdy heeft dus een rijk gevulde, vaak eigenaardige, carrière achter de rug. Hij heeft niet de reputatie een hitmaker te zijn. Zijn liedjes braken pas jaren later door, maar dan werden het ook blijvers, doorbloeiers, echte Vlaamse evergreens. Van Christine en Het Schrijverke werden intussen immers méér dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht. In zijn boek “Ik hou van jou” omschrijft Manu Adriaens, Will Ferdy als een menselijke combinatie van vakmanschap, integriteit en moed.

 

Will werd de negende maart 1927 als Werner Ferdinande in Gent geboren, hetzelfde jaar als Jo Leemans! Hij had nog een zus die zeven jaar ouder was dan hij. Voor hem was nog een zusje geboren, maar die overleed op driejarige leeftijd. Geen wonder dat toen Werner werd geboren hij door zijn moeder van ‘s morgens tot ‘s avonds werd bepamperd en vertroeteld uit angst dat hem toch maar iets zou overkomen. Werner zong reeds als kind. Hij had een mooie sopraanstem en het was vooral zijn vader die hem in dat zingen aanmoedigde. Tino Rossi en Joseph Schmidt waren zijn voorbeelden en idolen. Wanneer hij in de bioscoop de  film “Ein Stern fällt vom Himmel” met Joseph Schmidt in de hoofdrol ziet,  gaat hij meteen nadien thuis de titelsong nazingen  in een soort Duits waarvan Goethe stevig de wenkbrauwen zou fronsen. Will herinnert zich nog goed hoe hij haast elke dag aan de radio gekluisterd zat om toch maar niks te missen van een recital van de Italiaanse tenor Beniamino Gigli, live uitgezonden vanuit de opera in Gent.  Maar dat zingen hield hem toen niet echt bezig, hij koesterde nog geen plannen daaromtrent.  Hij kampte trouwens met enorme plankenkoorts. Hij was té bedeesd om voor een publiek op te treden. Pa was tekenaar bij het Ministerie van Openbare Werken en had graag gezien dat zijn zoon in zijn kielzog zou meevaren. Dat interesseerde hem helemaal niet. Eigenlijk wou hij liever missionaris worden, hij had op film van hun avontuurlijk bestaan al iets mogen voorproeven. Hij komt aan de kost als klerk bij de firma “Vynckier & Co” aan de Nieuwe Vaart in Gent, producent van bakelieten kastjes en dito toebehoren voor elektriciteitsinstallaties. Tijdens één van hun personeelsfeestjes mag Werner optreden en het is één van de bedienden, madame Irène, die vindt dat hij de voornaam Werner maar moet inruilen tegen Will, dat klinkt beter. Ferdinande vindt zij ook maar niets en dat wordt Ferry. Will Ferry was daarmee geboren. Hij is negentien wanneer hij het “Will Ferry Gezelschap” opricht. Hun eerste voorstelling dateert van de maand oktober 1945 wanneer zij op de planken staan met “Schlagerparade 1945″. Het gezelschap bestaat op dat moment uit: Will Ferry, Reddy Clems en Lil Larant, muzikaal begeleid door het orkest van Bob James. Toen waren het nog geen revues, maar eerder cabaretprogramma’s die er gebracht werden. Na een poosje blijft alleen Ferry over, maar weet het gezelschap in stand te houden door op zoek te gaan naar nieuw talent. Er wordt qua bezetting vlot gewisseld. Passeren, naast Will,  onder meer de revue: Danny Norton, hoofdanimator en regisseur van het gezelschap, Frank Corry, Jean Laurel en Wim Bakker,  de humoristen van de groep, en Jackie Wilking, de conferencier en zanger van fijnzinnige levensliedjes. De oudste van de groep telt niet méér dan tweeëntwintig lentes. Zij brengen naar Nederlands voorbeeld avondvullende revues. In het ledenblad “Katholiek Jonge Wacht” van de dertiende januari 1946 lezen wij dat Will Ferry met een nieuwe voorstelling uitpakt “Morgen gaat het beter” begeleid door het orkest Optimist en met Herman Roger, Marc Timor en Leo Lamon, om maar aan te geven dat ook nieuw talent in die revues een kans kreeg.

Die voorstellingen bestonden voor het merendeel uit eigen werk, wat dan ook hun grootste verdienste in die tijd was. Zij stonden erop dat het dialect aan de kant werd geschoven en dat er  ”beschaafd Nederlands ” werd gesproken. In 1947 neemt Will voor een tijdje afscheid omdat hij onder de wapens moet. Hij had eerder al een paar keer opgetreden in het militair hospitaal van Gent waar een aanwezige kolonel beloofde ervoor te zorgen dat Will tijdens zijn legerdienst bij de Welfare terechtkomt, de culturele ontspanningstroepen van het Belgische leger, waar hij de smaak van het zingen pas echt te pakken krijgt en besluit van zingen zijn beroep te maken. Binnen de Welfare treedt hij vaak in Duitsland op voor de daar verblijvende Belgische militairen en hun families. Hij wordt tijdens zijn optredens begeleid door orkesten bestaande uit muzikanten die op dat moment ook hun dienstplicht volbrengen, onder andere Walter Vandersmissen. Het repertoire van Will bestaat hoofdzakelijk uit liedjes van Charles Trenet en Luis Mariano. Bij de Welfare leert hij eveneens pianist Roland Thyssen kennen met wie hij uren aan een stuk liedjes instudeert en met wie hij zijn zangtechniek perfectioneert.   In 1948 zwaait Will af en keert naar het theater terug met “Schlagerparade 1948″. Op het programmablaadje van toen lezen wij “Het Ferry Gezelschap stelt voor: “Schlagerprade 1948″, een avond met ons! Een kleinkunstrevue in vierentwintig taferelen met medewerking van de grote vedette van het lied Will Ferry, aan de vleugel begeleid door Roland Thyssen en het amusementsorkest Joe Stepman. Voorts Danny Norton, Jane Andrea, Frank Corry, Jean Laurel, Wim Bakker en Jackie Wilking”.

Voor zo’n avond betaalde je toen vijf frank, het programmaboekje inbegrepen. Will gaat ook gedurende drie maanden aan de slag als presentator-zanger in de Antwerpse “Ancienne Belgique”. Hij mag daar bekende artiesten aankondigen zoals: Rina Ketty, Line Renaud, André Claveau, Lucienne Boyer én niet te vergeten onze eigen La Esterella die daar zo’n beetje kind aan huis is.  De “Ancienne Belgique” is voor Will een echte leerschool. Hij leert hier de showbizz ook achter de schermen kennen. Will treedt dus onder de naam Will Ferry op, maar om verwarring met de Nederlandse auteur Ferry te vermijden, noemt hij zich voortaan Will Ferdy. Hij heeft intussen muziekuitgever Jacques Klüger een bezoekje gebracht die hem in contact brengt met de Franssprekende Emile Deltour, op dat moment artistiek directeur bij het platenlabel Decca. Na een proefopname wordt beslist dat Will het liedje Nacht over Java van de Nederlandse componist Jack Bess op een 78- toerenplaat mag uitbrengen met op de B-kant het door hemzelf geschreven Filomeentje. Als producer gaat hij van dan af nauw samenwerken met Achilles Palmans. Will gaat ook live optreden als solozanger. Mama gaat altijd mee om onder andere zijn programmaboekjes te verkopen. Papa houdt zich voorlopig nog op de achtergrond. Hij heeft namelijk schrik dat zijn zoon door het publiek niet aanvaard zal worden en hij wil dat niet meemaken.  Pas jaren later, wanneer Will een echte vedette is geworden, komt pa af en toe eens langs tijdens een optreden. Hij gaat zelfs na een tijdje de fanmail van Will beantwoorden. Wat die angst betreft: het heeft jaren geduurd vooraleer Will zich op de bühne thuis zal voelen. Hij vreesde al van het begin af dat het publiek hem niet goed zou vinden, zijn liedjes niet zou lusten. Wegens die angst staat hij vaak verkrampt op het podium wat zijn charisma dan weer niet ten goede komt.

Met de regelmaat van een klok blijft Will op het einde van de jaren veertig platen uitbrengen. De liedjes an sich zijn geen hoogvliegers, maar het publiek reageert behoorlijk enthousiast. Bij de oude molen, ‘tMeisje van de buren, Zend hen nog eens een briefje, Moesjemamie moedertje zoet en Voorbij worden graag beluisterd. In 1951 krijgt Will Ferdy van zijn producer Achilles Palmans een plaat voorgeschoteld Steppin’ out, gespeeld door Lenny Dee op hammondorgel en geschreven door Billy Starr, met de vraag er een tekst bij te verzinnen, want in de balzalen is dat nummer in de instrumentale versie al een echte hit.  Via uitgever Jacques Klüger komen zij iets later te weten dat Jan Verbraeken er intussen ook een tekst voor geschreven heeft. Er wordt beslist dat zij beiden hun versie op plaat zetten. Voor Verbraeken wordt het een niemendalletje, voor Will Ferdy zijn eerste grote hit. Hij maakt van Steppin’ Out de meezinger Zie-de ge me gère. Het nummer wordt zo’n succes dat hij er meteen een gelijknamige show aan vastkoppelt waarmee hij de boer op gaat. Rijk is Will van die hit niet geworden, want hij kreeg geen royalties uitbetaald. Hij kreeg voor de opname een vergoeding van 500 Belgische franken en daarmee was de kous af en achteraf wat auteursrechten. In die tijd ging Will vaak op tournee met een nagenoeg vast gezelschap: het duo Berry met daarin Jenny en Roger Bracke, het danskoppel Harry en Lauretta, de komiek Theo Daese en orkestleider en pianist Emiel Verwilst.  Met zijn plaatjes blijft hij voorlopig het voorzichtige en voorspelbare pad bewandelen, liedjes zoals: Matroosje, Madeleintje, Jalouzie, Rozen zo rood, De meisjes van hier, Lady of Spain, M’n schatteke, Carolientje enz… allemaal op achtenzeventig toeren uitgebracht. Daarmee weet hij zich in de eerste helft van de jaren vijftig te omringen met een stevige en trouwe aanhang, al blijft hijzelf dwepen met het Franse chanson. Zijn voorkeur gaat uit naar een zanger als Charles Trenet. Die bracht pittige liedjes mét inhoud. In zijn  stoutste dromen wil Ferdy de Vlaamse Trenet worden. Maar na een tijdje gaat hij toch op zoek naar een eigenheid en zorgt ervoor dat Will Ferdy almaar meer herkenbaar wordt.

In 1953 heeft Will Ferdy de typetjes Peterke en Pépé gecreëerd, die iets later worden opgevolgd door Peterke en Pol. Die typetjes die hij met de nodige stemwisselingen brengt, vergen veel van zijn stembanden en hij ziet zich jaren later genoodzaakt ze in de kast op te bergen. Dat Peterke was eerder toevallig ontstaan toen hij op zekere dag in Bazel-Waas moest optreden, daarbij begeleid door pianist Emiel Verwilst. Op een bepaald moment zingt Will het door hemzelf geschreven Suzy is Française en geraakt op het einde van het liedje compleet zijn tekst kwijt. Om zich uit die nare situatie te redden, brabbelt hij een paar stopwoordjes na mekaar, daarbij denkend aan een nummertje van zijn  collega Suzy Marleen die op haar repertoire een nummer had staan waarin zij een fabel vertelt met de stem van een klein meisje. Zonder erbij na te denken, begint Will met de stem van een kleine jongen wat nonsens uit te slaan en merkt dat het publiek daar enthousiast op reageert. Vanaf dat moment was Peterke geboren.

In 1954 neemt hij in een weldoordachte poging het ernstiger nummer Het regent in de straten op. Hij wil méér voor het betere lied gaan. Hij moet echter die stijl om succes te blijven scoren blijven combineren met zijn schlagertjes. Het publiek geraakt daardoor het noorden kwijt en haakt deels af.  In 1955 breekt hij bescheiden door in Nederland wanneer hij in de shows van Wim  Sonneveld mag opduiken. Sonneveld treedt in het Kurhaus in Scheveningen op. In het eerste deel mag Will de planken en het applaus delen aan de zijde van Conny Stuart, Joop Doderer en de Amerikaanse zanger Freddy Hamilton. Hij had daarvoor al samen met Wim opgetreden in het theater “DeLaMar” in Amsterdam. Dat theater had Wim in 1952 nieuw leven ingeblazen. Het zou later bekend worden omdat Sonneveld en Wim Kan hier hun nieuwjaarsconferences brachten.

Op platengebied is de periode 1954-1960 niet echt vermeldenswaard. Wimpels in de masten, Een soldaat, Land aan de Noordzee, De schoonste liefde enz… leveren niet één keer een hit op. In 1957 is er op het Philips label in een laatste poging om te scoren nog de single Calypso Italiano, een vertaling van een liedje van Lou Monte door Erik Franssen en Van Aleda. Will komt financieel gelukkig aan de bak door zijn optredens voor VRT- radio in cabaretprogramma’s als “Kop en staart” en “Weg met de zorgen”.

Na een tijdje weigert Will qua plaatopnamen halsstarrig nog langer alledaagse, hitgevoelige liedjes uit te brengen, dus zet zijn platenfirma hem op non-actief. Tussen 1957 en 1960 zijn er in zijn discografie dan ook geen opnamen terug te vinden. In 1960 is Ferdy helemaal terug van een aantal jaartjes weggeweest. Op het Champ label brengt hij in 1960 de eepee (een single met vier tracks) “Liedjes uit Will Ferdy’s One Man Show ’60″ uit met daarop Appelhistorie, Geld Geld Geld, De duivel en Het Schrijverke. Will Ferdy wil koste wat het kost het gedicht “Het Schrijverke” van Guido Gezelle op muziek zetten en op plaat uitbrengen, maar geen enkele firma heeft er oren naar. Op dit label worden in die tijd ook de singletjes van Rocco Granata uitgebracht met wie hij hier nader kennismaakt. Rocco duikt trouwens zo meteen nog in dit verhaal op. Met het oog op het Eurovisiesongfestival zoekt de VRT in 1963 een geschikt nummer voor deelname aan dit intussen immens populaire liedjesfestival.  Er wordt geselecteerd uit negen voorronden met telkens twaalf kandidaten. Deelnemers zijn onder andere Bob Benny, Enny Denita, Freddy Sunder, Jean Walter, Jo Leemans en Will Ferdy. Zes kandidaten betwisten de finale: derde wordt Rina Pia met Er speelt een orgel, tweede Lize Marke met Luister naar de wind en eerste Jacques Raymond met Waarom. Will Ferdy viel onderweg vrij snel uit de boot. In Londen eindigt Jacques Raymond de drieëntwintigste maart 1963 op de tiende plaats. Denemarken wint met het nummer Dansevise gebracht door Grethe en Jörgen Ingmann.

In 1964 vertaalt Will Le moribond van Jacques Brel en neemt het op in een productie van Eric Smets op het Delta Label, in de maand maart van 1961 opgericht door de Nederlander Hans Kellerman. Op dit label worden ook de liedjes van onder meer Marc Aryan en Alberto Cortez verdeeld. Vaarwel Emiel wordt vaak door de programmasamenstellers gedraaid, maar geraakt niet in de Vlaamse Top Tien. Intussen had Rocco Granata, om precies te zijn de achttiende augustus 1962, zijn eigen muziekuitgeverij opgericht “Granata Music Edition” en in 1964 zijn eigen platenlabel “Cardinal Records” opgericht. Op dit label zullen Louis Neefs, Miel Cools, Marva, De Elegasten en veel later Sarah Bettens hun liedjes uitbrengen. Rocco tikt ook Will Ferdy op de schouders met de vraag of hij niet bij zijn platenstal wil komen. In 1965 brengt Ferdy op dat label De stervende opnieuw uit, gekoppeld aan drie nieuwe liedjes: De molens van het Vlaamse land, ‘t Was in Ieper of in Veurne en Van Brugge naar Damme. Een deel van die liedjes werd  samen met het orkest van Francis Bay opgenomen.

De golden sixties worden voor Will Ferdy letterlijk zijn gouden jaren  met als gouden uitschieter Christine, van de eerste tot de laatste letter en noot een waargebeurd verhaal. Een liedje dat eigenlijk over zijn homofiele relatie ging, maar je outen kon en mocht in die tijd niet. Will schreef het liedje toen hij zijn vriend na een jarenlange relatie weer terugzag. De tekst is letterlijk een weergave van zoals de situatie zich toen tijdens die ontmoeting voordeed. De naamkeuze is louter toevallig en het bleek achteraf een goede gok te zijn, want waar Will ook optreedt, dat liedje blijft aan hem kleven, het is een vaste waarde geworden in zijn repertoire. Ook dit liedje produceerde Will samen met Eric Smets. Jaren later verschijnt pas de definitieve versie van Christine op cd onder de titel Mijn vriend. Zo had het al die jaren in het hoofd van Will rondgespookt en zo was het in eerste instantie ook bedoeld. Het was voor hem een hele bevrijding toen hij dit in deze versie aan zijn fans en de rest van Vlaanderen kon laten horen. In 2000 verschijnt er op zijn eigen label WFP Records een cd met daarop zes verschillende versies van Christine: de officiële versie, die in het Engels, het Frans, het Duits, het Gents en de parodie Christine Nu, alle in een arrangement van Bert Müller.

Na Christine pakt Will in 1966 op het Cardinal label uit met het lied Belijdenis dat hij samen met Al Rimont had geschreven. Dat liedje was al vijf jaar eerder op het Olympia Label op de eepee “Poëtische liedjes” verschenen met daarnaast ook de nummers: Zusterke Begijn, Avond in de haven en Die avond en die roze. In 1966 wordt de driejaarlijkse prijs “De Grote Prijs Will Ferdy” voor het eerst op het getouw gezet. Achter deze competitie scharen zich De Gazet van Antwerpen en Cardinal Records. Veertig kandidaten traden toen op in acht steden. Per stad werd dadelijk één winnaar aangeduid die bekroond werd met een zilveren medaille en gelijk doorstootte naar de halve finale. Vijf geselecteerde kandidaten betwistten uiteindelijk de overwinning in een boeiende finale. Uitgangspunt van deze prijs was een zoektocht naar degelijk Nederlandstalig talent. De eerste editie wordt door Ronny Davis gewonnen. De laatste editie had in 1988 plaats met de jaren tussendoor als bekende winnaars: Frank Dingenen, Jan Puimège en Raf en Mich Walschaerts, beter bekend als Kommil Foo.

Zelf heeft Will nooit om prijzen verlegen gezeten. In 1967 ontvangt hij met trots “De Eugeen De Ridderprijs” van Sabam voor zijn totale oeuvre. In 1968 neemt hij samen met het orkest van Francis Bay de elpee “Ferdy ‘ 68″ op met in het totaal dertien liedjes met als uitschieter zijn versie en aangepaste tekst van Het Vlakke Land van Jacques Brel. Ook de nummers Ik verlang naar jou en Liever lief zijn uit dat album zullen snel nadien op single worden uitgebracht. In 1970 brengt platenfirma Arcade het album “De beste van Will Ferdy” op de markt. Omdat de Nederlandse taal hem na aan het hart ligt en hij zich ontzettend inzet om de Nederlandse taal de plaats te geven die haar toekomt, neemt Will in 1971 een ganse elpee op met uitsluitend composities van zijn vechtende evenknie, wat betreft de Vlaamse kwestie zullen wij het maar even noemen, Armand Preud’homme. Het album heet dan ook toepasselijk “Will Ferdy zingt Armand Preud’homme”. Twaalf bekende liedjes van deze Limburgse componist met als single Mijn heerlijk Kempenland. Op deze plaat, die door Rocco Granata zelf geproduceerd wordt, krijgt hij de steun van het orkest van Francis Bay en de Bob Boon Singers.

De vierde december 1970 praat Will in het programma “Inspraak” op VRT-televisie ongedwongen en openhartig over zijn homoseksualiteit die hij al die jaren voordien angstvallig had verzwegen. De gevolgen van die outing zijn niet te overzien. Vele organisaties laten hem vallen. Het aantal optredens daalt zienderogen. Zijn platenverkoop heeft er niet echt onder te lijden, vooral omdat de nationale omroep hem blijft programmeren. Zijn toenmalige vriend kan de belangstelling in de media echter niet aan en verbreekt uit angst hun relatie. Ferdy belandt in een zware depressie. Die depressie blijft maanden aanslepen, maar Will blijft optreden en tussendoor de liedjes humor verkopen. Dit blijkt achteraf de beste therapie om er bovenop te geraken. Naast het podium ziet hij het echter niet meer zitten. Een dokter raadt hem aan een behandeling met injecties te beginnen. Die kuur werkt wonderwel, al heeft Ferdy nooit geweten wat hem precies werd toegediend. Na een tijdje voelt hij zich supergelukkig ook al was er op dat moment geen nieuwe liefde in zijn leven. Het is alsof hij naar het leven kijkt door een roze bril. In de slipstream daarvan brengt hij in 1972  op het Philips label het album “Ik ben van ver teruggekomen” uit, twaalf liedjes die hij samen met jazzmuzikant Eddie Defacq schrijft. Er wordt opgenomen met het combo van Roland Thyssen en producer Jean Darlier.  Twee jaar later is er de elpee “Ferdy ’74″ met daarop de single Kom dans met mij en een vertaling van La jalousie van Henri Salvador. Datzelfde jaar is er de verzamelaar “Ferdy zingt Jacques Brel… en Ferdy”, een selectie van vertalingen van Brel en door hemzelf geschreven chansons. Van dit album worden er méér dan vijfentwintigduizend exemplaren omgezet, goed voor goud!

In 1975 neemt hij in het Casino van Middelkerke deel aan “De Gouden Sirene” (voor het eerst georganiseerd in 1969), op het getouw gezet om het Belgische lied een extra duw in de rug te geven en vooral de auteurs en uitvoerders aan te moedigen. Dat jaar wint Vivi met Klatergoud geschreven door Gerd Frank en Raymond Resmann, krijgt Jacques Raymond “de prijs van het publiek” toegewezen en wint Will Ferdy “de persprijs”. In de marge vermelden we dat deze reeks ook in Wallonië georganiseerd werd, in 1973 door Will gewonnen met het liedje Ainsi soit-il waarvoor hij de “Sirène d’Or” kreeg uitgereikt evenals de interpretatie-wisselbeker “Challenge Michel Toussaint du Ministre de l’Education Nationale”. In 1976 brengt hij in een productie van Al Van Dam op het Herba label de elpee “Peterke-mijn fiets en vele andere fratsen” uit. Datzelfde jaar is er ook het album “Will Ferdy recital ’76″ met daarop ook de stem van Yvette Ravell en is er de plaat “Mijn concerto voor jou- Brugse Reien”. In het totaal twaalf liedjes in een productie van Jean Darlier met op dat album de Franse versie van La mer van Charles Trenet. In 1978 zet hij zijn dertigjarige carrière in de vinylen bloemen met de elpee “30 jaar Will Ferdy – Omdat daar niemand wacht” met daarop naast de titelsong Omdat ik niet verlang, Birdy en L’abbaye des dunes.  

Will is blij verrast wanneer hij in 1980 van Radio 2 Omroep West-Vlaanderen de kans krijgt om het programma “Zilverdraden tussen goud” te presenteren. Drie jaar later glundert hij opnieuw wanneer hij van het Ministerie van Nederlandse Cultuur de “Medaille Pro Musica ” (hij vierde dat jaar zijn 35-jarig zangjubileum) in ontvangst mag nemen  en geridderd wordt in de kroonorde. Op platengebied is er de release van het album “Meegaan met je tijd” en “Mijn liedjes volume 1″, een overzicht van zijn bekendste liedjes opgenomen tussen 1948 en 1983. Met het door hemzelf geschreven Ik hou van jou, je t’aime tant, ich liebe dich scoort Will Ferdy in het najaar van 1984 na al die jaren nog eens een dikke radiohit. De vijftiende december van dat jaar staat hij met dat nummer op één in de Vlaamse Top Tien. De tweeëntwintigste juni van het daaropvolgende jaar vinden wij hem in diezelfde hitlijst op de zevende plaats terug met Een wals van duizend tellen. Wie een beetje thuis is in het repertoire van Jacques Brel vermoedt meteen dat dit een vertaling is van diens La Valse à mille temps. Het jaar nadien zal hij nog twee keer in diezelfde Top Tien opduiken en wel met Zo af en toe en Dag winter, telkens goed voor een zevende plaats. Nadien lijkt het alsof die hitlijsten hem niet meer lusten. Dan is het qua hitnoteringen over and out.

Méér over zijn leven en zijn carrière  komen we in 1987 aan de weet  in zijn autobiografie ” Zo ben ik nu eenmaal”. Twee jaar later verschijnt het vervolg “De waarheid”. In de zomer van 1990 brengt het Hebra Label de cd “Will Ferdy gisteren, vandaag en morgen” uit. Achttien liedjes die een bondig overzicht geven van het repertoire dat Will de voorbije jaren bij mekaar heeft gezongen. In 1991  is er het derde deel van zijn levensverhaal “De moeilijke jaren”. De erkenning voor zijn talent  blijft aanhouden, want in 1993  ontvangt hij van Sabam het “Fuga-beeldje” voor zijn grote inzet voor het betere Vlaamse lied. Datzelfde jaar wordt hij de tiende december gevierd voor zijn vijfenveertigjarige carrière. Om dat talent extra in de verf te zetten, pakt BMG in 1995 in de reeks “De Atomische Jaren” uit met “De eerste successen van Will Ferdy”, een overzicht van de hits die Will in de jaren vijftig scoorde met onder meer Het regent in de straten, Abadaba, Mijn schatteke, Istanbul en Zie- de ge  me gère. Duidelijk hoorbaar  een andere Will dan wij intussen gewoon waren geworden. Gepusht door het succes van deze verzamelaar en om hem in een juist daglicht te stellen, is er het jaar nadien de verzamelaar “De grootste toppers van Will Ferdy” met: Het schrijverke, Christine, Het Vlakke Land, De stervende en Belijdenis. In zijn voorwoord schrijft Luc Arys bij deze plaat  ”Terwijl Will Ferdy zijn carrière met succes blijft uitbouwen, zijn wij bijzonder verheugd deze verzameling van uiterst waardevolle liedjes uit de voorbije jaren te kunnen aanbieden. De meeste ervan verschenen nog niet eerder op cd”. En de fans zijn er blij mee. Die zijn ook blij wanneer zij in 1994 Will bij Radio 2 horen opduiken in de rol van Mielke in de succesvolle radioreeks “‘t Koekoeksnest”.

In 1996 gaat Will even door de knieën. Een hartoperatie blijkt nodig om hem opnieuw kaarsrecht te krijgen. Het mag cynisch klinken, maar dat jaar is er het album “Ik ben er ook nog!”, achttien liedjes gearrangeerd door Paul Vermeulen en Chris Peeters en uitgebracht op zijn eigen label WFP Records. Een jaar later viert hij in de Antwerpse “Arenbergschouwburg” op de zesentwintigste november zijn zeventigste verjaardag in het gezelschap van een pak zingende collega’s. Hij staat dan ook uitgerekend vijftig jaar op de planken en krijgt daarvoor van Sabam een eremetaal. Omdat er zoveel vraag naar is, brengt platenfirma Silver Star in 2002 de albums “Will Ferdy, de pionier van het Vlaamse lied volumes 1 en 2″ uit. Omdat Will Tura en andere goden regelmatig in Vorst Nationaal optreden, ziet Will Ferdy dat ook wel zitten wanneer hij in 2004 tijdens het nieuwjaarsconcert van de Vlaamse Federatie van Socialistische Gepensioneerden mag optreden. Van die gelegenheid maken een aantal collega’s gebruik om hem nog maar eens te eren.

Will weet van geen ophouden. Zo is er in het vroege voorjaar van 2005 de cd “Ik dacht ik heb mijn tijd gehad”, opgenomen in de DK recording studio van Rudy De Keyser. Producer van dienst is zoals zo vaak Eric Smets. Wij maken kennis met zijn nieuwe vaste begeleider, de in 1980 in Gent geboren toetsenist Jürgen De Smet. Samen met Jürgen schrijft hij voor dit album een aantal nieuwe liedjes: Ik vraag metelkens af, Deze melodie en Beetje bij beetje. Hij vertaalt ook de evergreen Les feuilles mortes en You needed me dat ooit een hit was voor de Canadese zangeres Anne Murray. Een jaar later is er het album “Will Ferdy & Jürgen De Smet, En de jaren gingen voorbij”. Op de binnenhoes lezen wij:   ”De vraag wordt mij vaak gesteld of ik er nog lang mee doorga. En dan antwoord ik dat ik het zal doen zolang ik het goed doe. Ik heb voorbeelden genoeg om mij aan op te trekken: Charles Trenet, Toon Hermans, Charles Aznavour, Frank Sinatra…”.

Zijn verjaardag vormt vaak een kapstok om er een nieuwe plaat aan op te hangen. Zo was er in 2002 toen hij vijfenzeventig werd het album “In wel en wee” met als extraatje een opnieuw opgenomen versie van zijn eerste grote hit Zie-de ge me  gère, deze keer in een quickstep-arrangement van Bert Müller, én het Engelstalige April Showers.  Met een roze strikje eromheen mag Will het in de zomer van 2006 meemaken dat hij uit handen van Robert Long de titel van “Mister Gay” overhandigd krijgt. Die prijs werd in het leven geroepen door het Nederlandse maandblad “Gay Krant”. Reeds eerder waren Paul de Leeuw en Jos Brink tot “Mister Gay” uitgeroepen. In 2007 wordt Ferdy tachtig en viert dat met het album “Will Ferdy 80, een leven vol muziek”. Twintig tracks met als hekkensluiters de sketches Peterke ga eens op die stoel staan en Flup de facteur. Het jaar nadien glimlachen wij even nostalgisch wanneer wij Will aan de zijde van Jo Leemans zien opduiken in het Eén-programma “Zo is er maar Eén” met hun versie van “Het kleine café aan de haven” van Vader Abraham. De tiende oktober staat  hij op de planken van de Bourlaschouwburg als feestvarken tijdens het galaconcert  ”60 jaar Will Ferdy”.  Er is dan ook het album “Voor elk moment – 21 gouden liedjes uit zijn zestigjarige loopbaan”, een compilatie met daarop zijn  mooiste liedjes waarop hij terecht trots mag zijn.

In 2013 besluit Will Ferdy om tegen de zomer van 2014 een definitief punt achter zijn carrière te zetten. Hij zal dan zevenentachtig zijn. Hij wil in schoonheid afronden en doet dat met de theatertournee “Nu en Toen”, daarin begeleid door toetsenist Jürgen De Smet. De negende maart 2013 brengt hij nog het album “Nu en toen” uit met daarop nieuwe liedjes als Liefde heeft duizend namen en Die vriendschap van jou.

Eind december 2014 brengt Pact-Producties in “De Bathyscaaf” in Aalst de toneelproductie “Ferdy” naar een idee van Danny Cobbaut over de moeilijke jaren 60-70 in de carrière van Will. Vier acteurs belichten telkens een facet uit die periode, gebaseerd op het gelijknamig autobiografisch boek van Will. De zestien geplande voorstellingen waren in een mum van tijd uitverkocht.

De vijftiende januari 2015 heeft in het “Centrum voor Beeldexpressie ” de première plaats van de kortfilm “Embras” van regisseur Ward De Waele met aan de zijde van Will, Dirk Lajoie, Griet Debacker, Jet Vergaert en Lily Castel.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Bart Herman

Je kan hem krijgen in alle maten en gewichten, Bart Herman. Zes formats heeft hij in de aanbieding waarmee hij desnoods tot bij je thuis in je living wil optreden. Er is anno 2013 het theaterprogramma “Drie akkoorden en de waarheid”. Hierin laat hij horen hoe hij sinds zijn eerste hit Ik ga dood aan jou tot nu is geëvolueerd.  We zien Bart als een artiest pur sang. Met zijn vijfkoppige band is hij ook te smaken in het programma “Bart Herman in concert”. Daarnaast treedt hij op vraag ook “live on tape” op en zingt dan zijn bekendste nummers. In 2013 liep een tijdje zijn theatershow “20 jaar later” met daarin een overzicht van zijn twintigjarige carrière die in 1993 van start ging. Wij kunnen ook van “Bart Herman solo” genieten. Niet alleen van zijn liedjes, maar eveneens van zijn boeiende, intieme verhalen die de man Herman zonder schroom blootleggen. En tot slot zijn  er “De Huiskamerconcerten”. Hij komt maar al te graag bij je thuis optreden: Herman, zijn gitaar en zijn onafscheidelijke liedjes.

Bart wordt de veertiende februari 1959 als een echt liefdeskind op Valentijnsdag in Wevelgem geboren. Zijn tien maanden oudere broer is zeer muzikaal en hij heeft nog een zus die zeven jaar jonger is dan Bart. Papa Frans was aanvankelijk onderwijzer, passeert de centrale examencommissie met glans om nadien muziekpedagoog te worden. Muziek heeft Bart met de paplepel meegekregen, want zowel zijn vader als zijn grootvader waren uitstekende muzikanten. Papa Frans heeft een groot deel van zijn leven muziekles gegeven aan kleuterleiders en aan regenten. De liedjes in de handboekjes “Doremi” die door uitgeverij Averbode gepubliceerd werden, zijn van de hand van Frans Herman. Mama staat ook voor de klas als leraar Nederlands, gespecialiseerd in dictie. Bart gaat tijdens zijn jeugdjaren dan ook dolgraag naar de dictie- en voordrachtles, liever dan dat hij met muziek bezig is. Thuis stond altijd muziek op. Er ging geen dag voorbij of er werd naar muziek geluisterd. Bart leert op die manier door de jaren heen zowat alle klassieke componisten kennen met een voorkeur voor Mozart. Over pop werd er niet gesproken en zeker niet naar geluisterd. Wie wel nog door de beugel konden, waren Willem Vermandere en Boudewijn De Groot. De kleuterafdeling en de lagere school volgt Bart aan het Sint-Amandscollege Zuid in Kortrijk waar ook Bart Van den Bossche les volgt. Wanneer Bart naar het vijfde leerjaar overgaat, verhuist de familie Herman naar Sint-Niklaas waar Bart ook de eerste twee jaar van zijn middelbare schoolopleiding volgt om nadien naar Wetteren te verhuizen waar hij de overige vier jaar van zijn middelbare studies vervolledigt. Dat vergt veel aanpassingsvermogen, maar hij geraakt toch zonder problemen aan zijn diploma.

Papa Herman was onder meer directeur van de muziekschool in Roeselare waar Bart vanaf zijn zevende naartoe trok. ‘s Woendags en ‘s zaterdags wordt daar sowieso veel gezongen. Hij zingt als een voorbeeldige jongen ook in het kerkkoor. Daarnaast is Bart in zijn vrije tijd een hevige sportbeoefenaar met maar één droom en dat is turnleraar worden. Maar de betavakken zoals wiskunde en scheikunde zijn niet zijn favoriete leervakken en hij weet na een tijdje dat hij naar een andere hogere opleiding moest uitkijken en dat wordt de licentie Germaanse talen al twijfelt hij enkele dagen voorafgaand aan zijn inschrijving nog of hij geen acteur wil worden, maar pa en ma kunnen hem dat uit zijn hoofd praten. Tijdens zijn universitaire opleiding aan de universiteit in Leuven last Bart voldoende tijd in om tussendoor piano en gitaar te spelen. Noten lezen en schrijven heeft hij nooit geleerd. Hij speelt nog altijd louter op het gehoor. Met enkele van zijn studiegenoten Peter Peyskens, Philippe Cnudde, Herman De Rijcke en Luc Vanderhaeghen richt Bart Herman de groep Penthouse op met een voorliefde voor Engelstalige rock. Dat resulteert in 1983 in het album “Neighbour fool” uitgebracht op het Colour Label, geproduceerd door Herwig Duchateau en Marc Van Beveren, de latere manager van Isabelle A, en met als songs onder andere Party Moods, So long ago en Neighbour fool dat ook op single verschijnt. Hun stijl klinkt een beetje punk, vermengd met new wave. In Leuven, waar Bart in 1981 was afgestudeerd en werkzaam was aan de afdeling sinologie en Engelse literatuur, heeft hij de Britse Belg Simon Smith ontmoet en zij ontdekken dat zij beiden gefascineerd zijn door country rock en richten de groep “White Line Fever” op, zo genoemd naar een van de bekendste songs van de Amerikaanse Flying Burrito Brothers. Hun repertoire varieert van Jim Reeves tot en met Billy Ray Cyrus, zelfs een country getinte Bruce Springsteen. Zij treden vaak op in clubs waar Amerikanen die hier werken zich na hun uren komen ontspannen. Daar houden zij zo’n twee à drie optredens per week aan over. Als kers op de taart wonnen zij in 1984 “The Euro Country Music Award”. Hierdoor gaan zij heel vaak in Nederland spelen waar in bepaalde circuits countrymuziek gekoesterd wordt. Om nog wat méér pure country te spelen, richt Bart de “Bandanna Band” op en met die nieuwe muzikanten slaagt hij erin een tournee los te peuteren in Zuid-Spanje. Hier doet Bart niets liever dan als een heuse Presley impersonator een regelrechte Elvisimitatie neer te zetten. Zij worden jaren na elkaar vaak en graag gevraagd tijdens zomerfestivals.

Op zekere dag krijgen zij bezoek van enkele producenten uit Miami die op zoek zijn naar meertalige zangers. Zij moeten niet alleen Nederlands, maar vooral Engels, Frans en indien mogelijk ook Duits kunnen spreken. Tijdens de auditie zingt Bart drie liedjes en wordt er van hem een interview in vier talen afgenomen.  Bart blijkt voor hen de geschikte man te zijn. Twee weken later trekt hij naar San Juan in Puerto Rico om daar aan boord te gaan van een cruiseschip. Er wordt een heuse show op het getouw gezet met een voltallig Canadees orkest, een zangeres, een goochelaar met daar bovenop zes dansers en danseressen als oogstrelende ruggesteun. En dus Bart als zanger! Zij brengen vijf maal per week, tweemaal daags, een gevarieerde show, telkens onder een andere hoofding. De ene keer een Franse show, vervolgens een Griekse, dan een rock ‘n roll show en dan weer eens een latino show. Deze periode is voor Bart een geweldige leerschool waar hij vooral leert met beide voeten op de grond te blijven staan, zeker niet te gaan zweven. Bart verblijft als member of the crew een half jaar in de Caraïben en nadien een half jaar op de Baltische Zee. Wanneer Bart op zekere dag van Guadeloupe naar Amsterdam vaart, waar zij twee weken aangemeerd blijven, werkt hij enkele optredens af in Vlaanderen, onder meer eentje in een restaurant op Place Montgomery in de buurt van het VRT-gebouw in Brussel. Bart trad daar heel puur op met piano en gitaar. Hij ontmoet daar Olivier Verhaeghe, een Franstalige producer, die hem voorstelt na zijn cruise-avontuur contact op te nemen om eventueel een plaat op te nemen. Drie maanden later zit het zeevaartavontuur van Bart erop, neemt opnieuw contact op met die producer en mag zijn eerste single opnemen. Wij schrijven dan 1990 en als eerste nummer neemt Bart voor Private Live Records het nummer Wat ik voel op met op de B-kant Ogen van lood. Het werd geschreven door pianist Jan Deglinne die Bart nog kende uit de tijd van de Bandanna Band op tekst van Roland Persoons. In 1992  wordt Bart door het boekingskantoor van Jacques Vermeire gevraagd of Bart niet exclusief bij hen wil komen met als gevolg dat hij tijdens de zomer van dat jaar het muzikale aandeel mag verzorgen in de show die Jacques Vermeire en Luc Verschueren aan de kust verzorgen, zesentwintig in het totaal. Dat was letterlijk hard werken en lachen geblazen en voor Bart een zomer om nooit meer te vergeten. In de nasleep van die show treedt Bart Herman op het einde van 1992 op in de oudejaarsavondshow “Oei Jacques” op Eén. Hij brengt dat jaar ook nog het stevig rockende Marie- Christine uit, geschreven door hemzelf samen met Erim Imhauser, Vito Lucente, Wim Claes en Chris Hileman. Iets later is er de ballade Jij bleef waar je was, een nummer van de hand van Eric, Vito, Bart en Johann  Boonen.

Geen enkele single scoort in de hitlijsten, maar Bart verliest de moed niet. Jef De Bie, de roddelende haarkapper uit het Radio 2 programma Roddelradio van Dirk Somers, werd een tijd lang de manager van Bart Herman. Zij beslissen dat Bart zich in 1993 inschrijft voor Eurosong. Samen met Vito Lucente, Johan Boonen en Eric Imhauser schrijft hij zittend aan de piano Ik ga dood aan jou. Het merendeel van die heren is dan ook nog eens Franstalig. Het is Johan’s idee om het gezegde Ik ga dood aan jou te gebruiken, een haast niet Nederlands klinkende uitdrukking. Van de pers krijgt hij daarvoor trouwens nadien lik op stuk. Tijdens vier voorronden passeren een hele rist Vlaamse artiesten de revue. In de finale blijven er twaalf kandidaten over. Van de vakjury krijgt Bart het maximum van de punten, maar het publiek kiest voor Barbara. Lisa Del Bo eindigt derde met Vlinders, Bart Herman tweede en winnares wordt Barbara Dex met Iemand als jij. De vijftiende mei zingt zij in Millstreet in Ierland tijdens de 38ste editie van het Eurovisie Songfestival en eindigt op de laatste plaats. Winnares wordt de Ierse zangeres Niamh Kavanagh met In Your Eyes. Voor Bart wordt die editie van Eurosong wél een succes. Ook al zag hij die deelname niet zitten, toch produceert Olivier Verhaeghe de singleversie van Ik ga dood aan jou die binnen de kortste keren op één staat in de Vlaamse Top Tien. Hij zal daar vijf weken na mekaar blijven postvatten. De vierentwintigste april staat Bart zelfs op twaalf in de Top Dertig. Van Radio 2 krijgt Bart tijdens “Zomerhit” de trofee van beste song van dat jaar overhandigd. Olivier Verhaeghe staat erop dat Bart ook een Engelstalige versie opneemt en dat wordt I would die for you. Vreemd genoeg slaat die versie aan in Wallonië.

Met hetzelfde team worden elf songs geschreven voor het album “Metropool” dat in 1993 op het Alora Music Label wordt uitgebracht, verdeeld door Polygram, met daaruit de singles Nooit, Alles valt stil, Ilona en Angela. Zij spraken ‘s avonds af, schaarden zich rond de piano en nadien rond de tafel en schreven in samenspraak een ganse cd vol. Bart brabbelt eerst zijn teksten in het Engels, een soort Engels dat nergens op slaat, en werkt dan vooral met Johann samen aan de Nederlandstalige teks waarbij zij ervan uitgaan dat de muziek voor zich moet spreken.  In de maand april van dat jaar wordt er ingeblikt in de studio’s “PLR Impuls” en “Pyramide”. Bart krijgt de steun van muzikanten als Marc Cotens, Ben Dassie, François Garny, Philippe Mobers, Wim Claes enz… Alleen het nummer Nooit geraakt in de Top Tien, staat op acht de eenentwintigste augustus 1993. Tijdens de “Zomerhiteditie” van 1994 mag Bart voor het liedje Ilona de trofee in ontvangst nemen van beste Nederlandstalige opname. Van die dag af zal hij in Radio 2 voor de rest van zijn carrière een trouwe bondgenoot vinden. In 1983 was Lara de toenmalige Zuid-Afrikaanse vriendin van Bart en haar zus heette Ilona. Bart was dat al die tijd zo’n mooie naam blijven vinden, dat hij niet anders kon dan er een liedje over te schrijven. Het enige liedje op dat album “Metropool” dat hij in zijn eentje schreef. Uit respect voor Lara en om de kerk in het midden te houden, zal Bart later ook een liedje aan Lara opdragen. Het duurt wel enkele jaren vooraleer “Metropool” met goud wordt bekroond, dat was in 1997. Over een traag succes gesproken. Bart wordt door VTM gevraagd om op te duiken in het panel van “Vakantiekriebels”, een dagelijks magazine tijdens de zomermaanden.

In 1995 worden in opdracht van Olivier Verhaeghe, Eric Imhauser en Vito Lucente aangeduid als producers van het album “Aquarius”. Met leden van zijn toenmalig orkest trekt Bart naar de “PLR Studio”. Aan het schrijversteam wordt niet veel gewijzigd behalve dat Wim Claes die in de band van Bart speelt ook mag meeschrijven. Twaalf liedjes in het totaal. De eerste single wordt Waterman dat wel op voldoende airplay kan rekenen, maar niet aanslaat in de Vlaamse Top Tien. Ook niet de volgende singles Foto’s, Het is voorbij en Lang voorbij. De vierde mei stelt Bart het album in primeur aan de pers voor. VTM vraagt hem om op het einde van dat jaar als gast mee te spelen in de populaire reeks “Wittekerke”. De televisie ontdekt de kwaliteiten van Bart als presentator. Voor VT4 presenteert hij vanaf de derde februari 1996 tot en met de achtste mei 1996  ”Doet ie het of doet ie het niet?” naar een succesformule bij de Vara vanaf 1988 gepresenteerd door Peter Jan Rens. In jeans pak en met zijn onafscheidelijke gitaar op schoot in een of ander station prijkt Bart op de hoesfoto van zijn derde album “Café de la Gare” begeleid door onder andere Frank Michiels, Leo Caerts, Wim Claes en Kris Wauters. Bart schrijft het merendeel van de liedjes zelf of in samenwerking met Wim Claes, Jan Deglinne en Marc Lambin. De eerste single daaruit wordt het heerlijk countrygetinte Lieve dromer. In opdracht van Olivier Verhaeghe neemt Richard Drachman de productie voor zijn rekening. Bart aast allang niet meer op een plaats in de Vlaamse Top Tien. Hij krijgt méér dan voldoende airplay, treedt vaak op en voelt zich als een vrije vis in het al even vrije water. Hij vertaalt de hit Elle a les yeux revolver van de Franse chansonnier Marc Lavoine en zingt badend in een overvloed van galm Ogen van lood. Intussen mogen we dit nummer als een Hermanklassieker beschouwen, ook al is het nummer niet van zijn hand. Van zijn collega Marc Lambin, die een tijdje de spil was van de groep Biljarten na half negen, leent hij het nummer Z’is in mijn hoofd dat de volgende single wordt. In een poging om een publiek te bereiken dat geen albums koopt, wordt ook Mijn hart is nu van jou op single aan de man gebracht. Van Bart is intussen geweten dat hij graag een pintje lust. Hij schrijft vanuit die ervaring  Als ik drink.  ”Wat ik drink gaat naar mijn hoofd. Had ik niet mezelf beloofd dat ik me vandaag helder voelen zou? Is het slecht of is het goed? Ik ga te rade bij mijn bloed dat zegt: “Ik voel wel wat voor jou”.

Omdat Bart een enorme bewondering koestert voor Jean-Jacques Goldman die eerder al was doodgeknuffeld door Céline Dion gaat hij in 1997 toelating vragen om twaalf liedjes van hem te vertalen, wat resulteert in het album “De slag van mijn hart” geproduceerd door Olivier Verhaeghe en opgenomen in diens studio Private Live in Brussel. Aanvullende muzikanten zijn Gilbert Delsire, Siska Ducheyne, Phillippe Beaulieu, Gabrielle Page en Sylvain Godenne. Als eerste single wordt gekozen voor Als je morgen weggaat dat Goldman schreef voor Laurent Pagny die in Frankrijk met Si tu veux m’essayer een behoorlijke hit scoorde. Naar aanleiding van de release van het album zendt Eén de drieëntwintigste november een special rond Bart Herman uit. De negentiende december 1997 en de elfde april 1998 duikt Bart op in de rol van Pontios Pilatus in de musical “Jesus Christ Superstar” in Vorst Nationaal. Een jaar later levert Bart zijn vijfde album af “Hacienda” met daarop in texmexstijl liedjes als Blijf hier vannacht, gebaseerd op een Mexicaans studentenlied. Als eerste single hieruit is er het countrywalsje Ma. Dat levert mainstreammuziek op net zoals Zo lang als ik leef. Misschien mogen wij “Hacienda” tot zijn tot nu toe minst opgemerkte cd rekenen. Is zelfs niet op i-tunes te vinden, geraakte door de jaren heen een beetje verloren tussen de muzikale plooien. Bart heeft intussen zijn muzikale evenknie gevonden in de Nederlandse kleinkunstenaar van het eerste uur Dimitri Van Toren met wie hij op tournee gaat onder de vlag “Is liefde wel genoeg”, in het totaal goed voor zo’n honderdtwintig voorstellingen, en met wie hij in 2000 de single Kijk es in de spiegel opneemt. Hij is daarmee de drieëntwintigste september van dat jaar op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien terug te vinden. Met Dimitri was hij al te zien en te horen sinds 1998 in het theaterprogramma “De Komplete Kleinkunst Kollektie” samen met Miek en Roel en Miel Cools. Bart staat ook open voor de voorstellen van zijn collega’s. Wanneer Willy Sommers op aanraden van zijn producer Roland Verlooven bij Bart gaat aankloppen met de vraag of hij geen rist Franse hits wil vertalen voor zijn album “Alleen de liefde overwint”, gaat Bart meteen akkoord.

Van verbazing kijkt haast iedereen op wanneer hij de zevenentwintigste januari 2001 op één belandt in de Vlaamse Top Tien met Slaap mijn kind, van de eerste tot de laatste noot en woord van de hand van Bart in een productie van Francis Goya. Slaap mijn kind levert Bart in 2001 tijdens Zomerhit de trofee op van beste Nederlandstalig lied van dat jaar. Dat liedje wordt meteen toegevoegd aan het album “Bart Herman Verzameld” met daarop negentien van zijn meest bekende liedjes. Het is eveneneens te beluisteren op zijn zesde cd Ver Gezicht dat een jaar later in de rekken ligt. Intussen hadden de singles daaruit Herfst en Vergezicht café de revue gepasseerd. Herfst duikt heel even in de staart van de Vlaamse Top Tien op, maar is snel uit het zicht verdwenen. Bart ging voor dit album samenwerken met de Waalse gitarist Francis Goya die de meesten nog wel zullen kennen van zijn wereldhit Nostalgia. Francis brengt Bart qua arrangeurs in contact met bekende jongens zoals Ralp Benatar en Tars Lootens. Zowel Francis als Tars spelen mee op het album alsook Evert Verhees, Fabrice Mancini en Pierre Michaud, om er een paar te noemen. Het album staat bol van de ballads en het countrysfeertje is nooit ver uit de buurt. Naast Slaap mijn kind levert dit album alvast nog een Hermanklassieker op Mama, je hebt gisteren gehuild. Wanneer Bart in 2003 vierenveertig jaar op zijn levensteller ziet verschijnen, brengt hij het album “Bartstocht (langs route 44)” uit. Het wordt een overzicht van zijn levensweg tot dan toe, via liedjes als Gitana Maria en Regen die ook op single verschijnen. Francis Goya is als producer nergens meer te bespeuren, maar wel duikt Wim Schuer op in zijn verhaal daarbij geflankeerd door muzikanten zoals Mike Smeulders, Patrick Steenaerts, Geert Waegeman en Jan Hulsens. Het album straalt een warme en folky sfeer uit, al wordt er hier en daar stevig muziek gemaakt. Het bombastische, theatrale krijgt nergens nog een kans. In 2004 worden de fans verwend met de verzamelaar “De Singles” uitgebracht op het AMC Label. Al zijn singles zijn overzichtelijk te beluisteren op één album. Een deel van die singles waren tot dan toe nog moeilijk te vinden, tenzij jij een trouwe fan van het eerste uur was.

En dan slaat plots het noodlot toe. Bart moet noodgedwongen op de knieën. Bij hem wordt keelkanker vastgesteld. Het roken wordt van af dan streng verboden. Hij duikt een tijdje onder, maar probeert na een half jaar weer recht te kruipen, wat hem ook lukt. Hij gaat vooral live optreden. Samen met piano-en accordeonvirtuoos Mike Smeulders trekt hij langs de theaters met het programma ” Gele Rozen”, brengt hij een overzicht van zijn carrière tot dan toe in ” Vergezicht café” en is hij samen met Dimitri van Toren te zien in het programma “Ik heb het over jou”. In 2005 is er het album “Tuimelkruid” dat hij aan zijn ouders opdraagt met als begeleidende tekst: “Tijdens het schrijven van het Tuimelkruidverhaal werd mij plots het zwijgen opgelegd. Voor even maar, zo bleek, want ik mocht het afmaken”. Het album verschijnt op het Plansjee label en verdeeld door CNR. Producer Patrick Steenaerts is deze keer van dienst en er wordt ingeblikt in studio Audioworkx te Hoogeloon. Tekst en muziek worden door Bart zelf aangereikt met uitzondering van het liedje Ti Vorrei dat kortelings in een Napolitaanse schatkist als studentenlied was ontdekt en dat Bart dolgraag in het Wevelgems dialect vertolkt, én Zonder meer te mooi dat hij samen met Patrick Hamilton schrijft en dat ook meteen op single opduikt. Op de achtergrond horen wij de instrumentale inbreng van onder andere Nils De Caster, Wouter Berlaen, Cesar Janssens en Nico Schepers. Het album klinkt heel gevarieerd, voor de één daardoor boeiend, voor de ander mist het een hoorbare rode draad.  Bart is maar wat blij dat hij ondanks zijn gevecht met de kanker, mag blijven voortleven. In de zomer van 2005 mag hij zijn vocale kunsten vertonen op het Hogeschoolplein in Leuven tijdens “Marktrock”. Een jaar later treedt hij op tijdens “Houden Van” in het Antwerps Sportpaleis aan dez zijde van Margriet Hermans, Juul Kabas, Rocco Granata, Jean Walter, Lia Linda en Willy Sommers. Nog een jaar later zien en horen wij hem op Eén tijdens “Zo is er maar één” waar hij zijn versie laat horen van Blanche en zijn peird van Willem Vermandere. Zonder de hulp van wie dan ook schrijft Bart van de eerste tot de laatse strook al de liedjes voor zijn album “Schatterhand” met een duidelijke verwijzing naar Old Shatterhand uit de Winnetouverhalen van de Duitse westernauteur Karl May. Zowel de hoes als de inhoud van het album laten Bart op zijn country-best horen. Omdat je nu eenmaal singletjes op de markt moet brengen om de aandacht te blijven trekken en in de stiekeme hoop dat je toch in een of andere hitlijst zou kunnen aanbelanden, verschijnen Van de wijs, De zus van Godelieve en Winterslaap op single. De zus van Godelieve blaakt van speelsheid en had net zo goed door The Mavericks op plaat kunnen gezet worden, een knipoog naar de speelse Tex-Mexstijl. In de zomer van 2007 gaat Bart aan de slag tijdens het evenement “Song City”. Acht songsmeden, vier internationale en vier nationale,  worden een week lang opgesloten en moeten een rist liedjes schrijven met als enig doel de méést ultieme song neer te pennen. Songsmeden van dienst waren toen: Elliott Murphy, Garland Jeffreys, B.J. Scott, Wigbert, Milow en Bart Herman naar een idee van Luc Standaert die toen werkte voor de afdeling VRT Publishing.  De 29ste juni lieten zij in het park van het Egmontkasteel te Zottegem het beste van hun kunnen horen en tevens het eindresultaat.

In 2008 vraagt Radio 2 of Bart niet het gordellied wil schrijven en dat wordt Onderweg met jou dat hij als een duet zingt samen met Barbara Dex, ook al zo’n Vlaming die tuk is op country. Van zijn platenfirma Plansjee mag Bart voor zijn vijftigste verjaardag in 2009 het verzamelalbum Uit de mist samenstellen. Uit zijn oeuvre tot dan toe kiest hij zeventien liedjes met als bonustracks de akoestische versie van Ik ga dood aan jou én het daarnet genoemde gordellied Onderweg met jou. Bart schrijft in het bijhorend boekje dat hij dit album als een geschenk, een cadeau beschouwt, in de allereerste plaats een presentje aan zichzelf. Hij vindt ook dat hij de voorbije jaren de rock ‘n roll iets teveel uit het oog en het oor is verloren. Intussen is de mist opgetrokken en roept hij met luide stem ” hail hail rock and roll!” Hij haalde ook een aantal liedjes uit het vergeetboek vandaan, uit de mist zoals hij het zelf zegt, die niet altijd door de media werden gekoesterd, maar die hem na aan zijn hart liggen. Voor eeuwig en altijd, Pistols at dawn en Elite soldaat begonnen op die manier aan een tweede leven. Voor het theater broedde hij op de idee een nieuwe show te lanceren ” My Sun Selection”, een ode aan de jongens van het legendarische Sun Label in Memphis die hem sterk hebben beïnvloed: Jerry Lee Lewis, Johnny Cash, Carl Perkins, Elvis Presley… Als trekhaak voor die productie brengt hij een cover op de markt van Johnny Cash Guess Things Happen This Way, geschreven door Jack Clement. Hij blikte ook Great balls off fire van Jerry Lee Lewis in, maar merkt aan de reacties uit zijn kennissenkring dat Vlaanderen niet zit te wachten op covers van iconische klassiekers uit de Sunstudio. Daar hoor je af te blijven en dus beslist Herman die idee en dito cd maar op te bergen en in de kluis te houden tot een latere datum. Guess Things Happen This Way is wel als bonustrack terug te vinden op het daaropvolgend album “Vlinders, passie, stille tranen” met als opvallende tracks Mijn hart is nu van jou en Alleen vooruit.

In 2012 mag Bart terecht staan glunderen op het podium van het Casino Kursaal in Oostende wanneer zijn nummer Ik ga dood aan jou een ereplaats krijgt in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam. Hij verneemt iets later dat hij in de editie van de “1000 klassiekers” van Radio 2 dat jaar met dat gelauwerde nummer op de vierentachtigste plaats is geëindigd. Hij is ook een beetje trots wanneer hij in interviews de aandacht kan vestigen op het feit dat hij ook voor anderen liedjes heeft geschreven: Wim Leys, Herbert Verhaeghe, De Romeo’s, Luc Steeno, Willy Sommers, Amaryllis Temmerman, Barbara Dex, Liliane Saint-Pierre, Dana Winner, Gene Thomas, Peter Van Laet, Stratovani, Davy Gilles, Edje Ska, Tatyana Storm. In een haast hoorbare stilte had hij zich al die tijd op die manier beziggehouden met een echte songwriter te zijn die zelfs voor de schlager zijn neus niet ophaalt. Dat merkten we maar al te goed wanneer Sergio in 2013 onverwacht een hit scoorde met het door Bart geschreven Je eigen leven. Twee jaar eerder had hij ter nagedachtenis aan het overlijden van wielrenner Frank Vandenbroucke het nummer Lied van de sterren opgenomen in een productie van Wim Claes samen met Franks vriend Nico Mattan. Het nummer deed menigeen de wenkbrauwen fronsen, maar Bart Herman bleef onverwijld achter die keuze staan en maakte er ook een Franse versie van Chanson des étoiles. In 2012 is er nog eens een volledig nieuw album “Drie akkoorden en de waarheid”, deze keer op het door Bart intussen zelf opgerichte Matador label in een productie van de Nederlandse producer Gabriël Peeters en opgenomen in Studio Uncle Gave’s in Eindhoven. De titel van het album geeft  aan dat dit eenvoudige, simpele liedjes zijn die door een gewone muzikant op zijn gewone gitaar makkelijk gespeeld en gezongen kunnen worden. Muzikale steun is er deze keer van Bart Jan Baartmans, Joost van Es, Lesley van der Aa en The Charles Bouquet Horns. Bart schrijft ook deze keer, met hier en daar de steun van Patrick Hamilton, al de nummers zelf. De plaat klinkt alsof ze in Nashville werd ingeblikt, zeker het nummer Senorita Zita, al gaat onze absolute voorkeur uit naar songs zoals Friends forever en Vader die zeker tot de mooiste mogen gerekend worden die Bart ooit geschreven heeft.

Op het einde van de maand oktober 2013 verrast Bart Herman ons met de single Man in de spiegel die hij samen met de Nederlandse groep De 3J’s opnam. Tussen hen en het trio was stilaan een goede band gegroeid die haast moest uitmonden in een samenwerking. In een persbericht meldde Bart daarover: “Voor mij is het een hele eer dat ik met de 3J’s een nummer heb kunnen opnemen. Ik ken natuurlijk hun muziek en kan je zeggen dat wat zij maken van een uitzonderlijke waarde is. Geloofwaardige teksten en melodieën zijn hun handelsmerk en dat is iets dat ons bindt. Wij hebben twee jaar geleden samen een showcase gedaan. Het klikte zodanig goed dat deze Man in de spiegel de uitloper is geworden van een mooie vriendschap en samenwerking.” Man in de spiegel staat trouwens  ook op het album “Dichter bij de horizon” dat van de 3J’s de achtste november 2013 in België en Nederland op de markt kwam.  De zevende februari 2014 is dat nummer ook te horen op het nieuwe album van Bart “Bartje zoekt het geluk”. Die titel heeft hij ontleend aan de kinderboekenreeks van de Nederlandse auteur Anne de Vries. Hiermee geeft Bart aan dat hij een optimist is, die zeker niet wil kankeren, zeker niet de zwarte kant van het leven graag opzoekt. Over dementerende ouderen schrijft hij in het liedje Mama, moeke, ma en dé West-Vlaamse uitdrukking bij uitstek ‘t Zwin deur de bjetten (gebruikt als je op een wilde manier de bloemetjes graag buitenzet) vereeuwigt hij in het gelijknamige liedje. Dit album neemt Bart ook deze keer op met de Nederlandse producer Gabriël Peeters in “Studio Uncle Gabe’s” in Eindhoven. Een speciale dank gaat uit naar onder andere Kris Kristofferson, John Steinbeck, Tony Soprano en Liesbeth Meert die hem tijdens het schrijven geïnspireerd hebben. Dit album levert Bart ook ‘n bescheiden hit op en een meezinger eerste klas. De 23ste augustus 2014 staat hij op vijf genoteerd in de Vlaamse Top Tien met Bartje (is een leuke naam)

Als publiekslieveling van menige culturele centra start Bart vanaf twintig september 2014 met zijn theatershow “Bart zoekt het geluk”. Naast oude nummers, zingt hij ook een rist liedjes uit zijn recente gelijknamige cd. Hij treedt op met een vierkoppige bezetting: mandoline, piano, accordeon en percussie. Als vanouds tokkelt hijzelf op de gitaar. In zijn achterhoofd speelt mee dat op dat moment Sergio op één staat in de Vlaamse hitlijsten met het door Bart geschreven Alleen bij jou, voor Sergio de eerste nummer één in zijn carrière. Intussen verschijnt de vierde oktober 2014 Zusterliefde op single en de zeventiende januari 2015 Mama, moeke, ma. Deze keer blijven de hitlijsten buiten bereik. Hij verrast de fans op Valentijnsdag, de veertiende februari 2015, met het honderd procent countrygetinte Den 1ste bieper.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Unchained Melody

Dat een liedje meermaals een hit kan worden, kan je afleiden uit het succes dat Unchained Melody te beurt viel. De song was al een eerste keer een hit in 1955 toen de melodie in de film “Unchained” opdook. Het nummer kreeg meteen een Oscarnominatie en er verschenen dat jaar zo maar liefst negen verschillende versies op plaat waarvan van het orkest van Les Baxter met de grootste eer ging lopen, een nummer één in “Billboard’s Hot One Hundred”. De vocale eer ging naar Al Hibbler die met zijn singleversie een verdienstelijke derde plaats wist te versieren. Unchained Melody behoort wereldwijd tot de meest gedraaide songs van de voorbije decennia. Het nummer is tegenwoordig een regelrechte hit in “Australian Idol”, “American Idol”, “The X Factor” enz… Vraag aan de eerste de beste voorbijganger of hij/zij dat nummer kent, negen van de tien keer krijg je een bevestiging als antwoord. Er bestaan zo’n duizend verschillende versies van Unchained Melody al blijft die van The Rightheous Brothers bovenaan staan mét stip! Op het Bear Family Label verscheen in 2014 de cd “I hunger for your touch, Unchained Melody” met daarop eenendertig versies van deze popklassieker waaronder Roy Hamilton, Charlie Rich, The Blackwells, Gene Vincent, Ray Conniff, The Lettermen, David Allan Coe, Max Greger en Pat Boone. De film “Unchained” werd in de bioscoop geen hoogvlieger. De film ging in een regie van Hall Bartlett de negentiende januari 1955 in première. Het is mogen wij wel zeggen een vijfenzeventig minuten durende B-film waarin grote sterren ontbreken. De cast bestaat uit Chester Morris, Barbara Hale, voetbalster Elroy ‘Crazylegs’ Hirsch en Todd Duncan. De muziek werd geschreven door de zeer succesvolle filmcomponist Alex North (echte naam Isadore Soifer), goed voor vijftien Oscarnominaties waaronder: “Who’s afraid of Virginia Woolf”, “Spartacus” en “2001: a space Odyssey”. Uiteindelijk moest hij zich tevredenstellen op het einde van zijn carrière met een lifetime achievement award. Hy Zaret zorgde voor de tekst. Zijn echte naam was Hyman Zaritsky.

In de originele film hoor je Unchained Melody regelmatig in een instrumentale versie tussen de diverse scènes opduiken. Wanneer het lied in de film gezongen wordt, heet het echter Lonely River. Die titel verwijst waarschijnlijk naar de lyrics ” lonely river flows to the sea, to the sea”. In de film zelf hoor je Todd Duncan zingen, en na één minuut zit het nummer er al op. Vreemd genoeg was voor de film “Unchained” in 1955 geen succes weggelegd, maar wél voor de muziek, want het nummer had gelijk een Oscarnominatie te pakken. Alleen  moest het tijdens de uitreiking de duimen leggen voor Love is a many splendoured thing uit de gelijknamige film van Henry King met in de hoofdrol William Holden. Het was nadien jaren wachten vooraleer Unchained Melody nog eens in de hitlijsten opdook. In 1963  in de obscure versie van Vito and the Salutations, een mannelijk doowopkwintet uit Brooklyn, en twee jaar later in die van The Righteous Brothers. Bill Medley en Bobby Hatfield waren daarmee niet aan hun proefstuk toe, want hun single Little Latin Lupe Lu had het al uitstekend gedaan in de hitlijsten en platina werd het toen zij in 1964 met platenproducer Phil Spector in zee gingen en de popklassieker You’ve lost that lovin’ feeling inblikten. Spectors “wall of sound” werd het muzikaal uithangbord van The Righteous Brothers. Die opnametechniek werd ook gebruikt tijdens Unchained Melody dat vreemd genoeg eerst als B-kant van de single Hung on You verscheen, maar het platenkopend publiek koos unaniem voor de B-kant. Alle eer qua zangwerk gaat deze keer naar Bobby Hatfield. Bill hield zich afzijdig en nam de productie voor zijn rekening, al heeft Phil Spector die jarenlang onterecht op zijn actief geschreven. Toch werd Unchained Melody géén nummer één en moesten beide heren zich met een vierde plaats (1965) in de Amerikaanse Top Honderd tevredenstellen. In 1990 zongen The Righteous Brothers zich met dit nummer opnieuw in de belangstelling toen het opdook in de film “Ghost”, een regelrechte kaskraker in een regie van Jerry Zucker met in de hoofdrollen Patrick Swayze, Demi Moore en Whoopie Goldberg, die voor haar bijrol een Oscar in de wacht sleepte. Omdat hun vorige hit You’ve lost that loving feelin’ vier jaar  voordien was gebruikt in de soundtrack van de film “Top Gun” en hun vroegere platenfirma negeerde hun originele singleversie opnieuw uit te brengen, stapt Bill Medley deze keer naar Curb Records en neemt samen met Bobby een nieuwe versie op. Door het overweldigend succes van “Ghost” wordt echter de originele versie van Unchained Melody wél uitgebracht zodat de twee versies in de hitlijsten te horen zijn, met een lichte voorkeur voor het origineel en met als gevolg een hernieuwde belangstelling voor het duo dat hun optredens snel ziet aangroeien net als hun bankrekening. Las Vegas zal voortaan  hun thuis- en werkbasis worden. In 2003 traden The Righteous Brothers toe tot “The Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland. Bobby Hatfield overleed de vijfde november 2003. tekst en research: Marc Brillouet © 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Ann Christy

De carrière van Ann Christy liep niet van een leien dak. Daar heeft ze deels zelf voor gekozen. Ze sloeg  immers niet de gemakkelijkste weg in, integendeel, ze wou zich niet zomaar koste wat het kost overgeven aan de commercie. Haar koppigheid, of beter gezegd haar vastberadenheid, hebben haar een unieke plaats in de Vlaamse showbizz opgeleverd. De pers die haar vroeger wel eens de grond durfde in te boren, tilt haar nu hoger dan ze in de loop van haar carrière ooit heeft meegemaakt. “Over de doden niets dan goeds” is op haar zeker van toepassing.

Ann werd de 22ste september 1945 als Christiane Leenaerts in de kraamkliniek in de Antwerpse Vinkenstraat geboren. Papa was scheepselektricien, mama Hélène huisvrouw en nicht van de bekende Vlaamse schrijver Jef Geeraerts. Vijf jaar later, de 28ste januari 1951, mag de familie Leenaerts de geboorte van Jeanine aankondigen. Een derde dochter, Yvonne, wordt de 22ste juni 1952 geboren. Daarmee is de stamboom niet compleet, want de 6de november 1962 wordt broertje Walter geboren, Ann is dan al zeventien. Toen al had Ann geleerd zich in haar eentje bezig te houden. Zij was immers vijf jaar ouder dan zus Jeanine die erg goed opschoot met haar zusje Yvonne. Papa Jean wil dat zijn dochters snit en naad volgen. Christiane zal als eerste die beroepsafdeling kiezen. Naar de muziekschool gaan, vindt pa overbodig. Christiane moet eerst studeren en haar opleiding afronden. Telkens Christiane wat afleiding nodig heeft, gaat ze bij haar grootmoeder spelen. Die ziet niets liever dan dat Christiane zich verkleedt en toneel speelt. “Hier liggen de wortels van mijn carrière” zou Ann Christy later aan de pers vertellen. Zij voelt zich ook goed bij bompa, haar grootvader langs vaderszijde. In 1961 rondt Christiane haar opleiding snit en naad af en komt ze aan de kost als verkoopster in schoenwinkel Brevitt op de Keyserlei in Antwerpen. Zij blijft hier in dienst tot in 1965. Zaakvoerster Aline Laga ontdekt dat Christiane mooi kan zingen en stimuleert haar om in haar vrije tijd aan crochetwedstrijden mee te doen. In 1965 zingt ze in hotel Eden in Blankenberge Poupée de cire, poupée de son van France Gall. De Franse taal ligt haar nog niet zo goed.

Iets later komt ze terecht bij de Antwerpse groep The Adams opgericht door Adam Hoptman, een jongen van Poolse afkomst. De overige leden zijn naast drummer Marc Hoyois, Marc Royers en Teddy Grundland. De groep vindt dat Christiane een artiestennaam moet kiezen. Zij splitst haar voornaam in twee, keert de volgorde om en noemt zich voortaan Ann Christy. In het orkest speelt drummer Marc Hoyois , van huis uit Franstalig. Ann en Marc worden op slag verliefd. Er wordt van dan af door haar veel Frans gesproken. Die taal zal vooral in het begin van haar carrière een grote rol gaan spelen. Ann ontmoet op zekere dag muziekuitgever en platenproducer Jean Meeusen. In de Brussele studio Madeleine neemt hij met Ann een vertaling op van een Duitse hit van Manuela Kussen onder regenbogen met op de B-kant Twee schaduwbeelden met in het achtergrondkoor Fred Bekky en Bob Baelemans van The Pebbles.  De single zelf blijft onopgemerkt. Als tweede plaat worden twee Franse chansons ingeblikt Alors dis-moi en Mon coeur est fou. Ann houdt er niet van dat zij door de  pers als een kruising tussen Dionne Warwick, Sandie Shaw en Timmy Yuro beschouwd wordt. Zij vindt dat zij een eigen stemgeluid heeft, zij klinkt als Ann Christy en niemand anders.

Intussen heeft Ann, Milo De Coster ontmoet, toen al manager van Liliane Saint – Pierre, maar die samenwerking is van korte duur. Beiden gaan de baan op in een en dezelfde show. Als stunt laat Milo, Liliane haar haar groen verven en dat van Ann blauw. Ann ergert zich, om even bij die kleur te blijven, blauw. In 1966 houdt ze het bij De Coster voor bekeken. Zij gaat op zoek naar een nieuwe manager en dat wordt Robert Bylois, ontdekker van Salvatore Adamo. Die ziet in Ann een soort Piafachtige zangeres. Bij hem  voelt Ann zich veel beter thuis. In de maand november van 1966 mag ze twee weken lang in het voorprogramma van Adamo in de Ancienne Belgique in Brussel optreden. Uiteraard wordt er verkozen in het Frans te zingen wat op het einde van de jaren zestig singles oplevert als  Le garçon que j’aimais (hiermee wint ze de “Camera d’argent”),  L’amour nous a quitté  en  Parce qu’une fleur. Ann weet de Walen met haar stem en haar liedjes te charmeren, zo goed zelfs dat men in Wallonië denkt dat ze iemand van hen is terwijl wij Vlamingen menen dat ze een Waalse zangeres is. Ann zingt graag in Wallonië omdat ze daar gerespecteert wordt. Het publiek luistert aandachtig, wat je van de Vlamingen niet kan beweren. In juni 1967 is Ann te horen in “Le parapluie des vedettes”, een populair festival in Hoei, naast artiesten zoals: André Brasseur, Françoise Hardy, Udo Jürgens en Johnny Halliday. Adamo is zo tuk op haar stem dat ze de 25ste november 1968 aan zijn zijde in het Nouveau Théâtre in Luxemburg mag staan.

Ann, die om geen uitspraak verlegen zit , vertelt aan een reporter dat  “een zanger of zangeres in wezen een prostitué is die om liefde schreeuwt ”. Zij voelt zich op het podium goed thuis in de speciale, vaak onthullende kleren  die modeontwerpster Ann Salens voor haar creeërt. Qua repertoirekeuze ligt het zoch goed in haar vel voelen iets moeilijker. Ann was in Wallonië ook bekend geworden dankzij het programma “Villes-Vacances” van de RTB waar de populaire presentator Jean-Claude Menessier haar regelmatig uitnodigt. In Vlaanderen is het  wachten tot in 1968 wanneer ze aan de Knokke-Cup deelneemt. Van de 12de tot de 18de juli is ze daar samen met zes teams van  zes Europese landen te gast: Nederland, Frankrijk, België, Duitsland, Frankrijk en Italië. Coach van de Belgische ploeg is Anton Peters. In het team krijgt Ann het gezelschap van Nicole Josy, Lily Castel, Hugo Dellas en Jacques Raymond. In de finale neemt het Belgische team het op tegen het Duitse. Met veel overtuiging zingt Ann Le garçon que j’aimais en The Saga of Bill Bailey. België gaat met de overwinning én de beker lopen. Tijdens de finale van “Caméra d’argent” in Luik wordt Ann eindwinnares en sleept tevens de Sabamprijs in de wacht. Hugo Dellas wordt tweede.

In 1969 gaat Ann in Frankrijk met Roger Whittaker en Pierre Perret op tournee. Voor EMI neemt zij onder leiding van producer Jeff De Boeck de singles L’amour nous a quitté en Parce qu’une fleur op. Ann ontdekt ook het belang van het Eurovisiesongfestival. Zij neemt in 1970 immers deel aan de Waalse selectie met Le temps, le vent en eindigde daarmee in de halve finale. Het is Jean Vallée die wint en met Viens l’oublier naar Amsterdam mag. Winnares dat jaar wordt Dana met All kinds of everything. Ann breekt het jaar nadien in Vlaanderen door met het nummer  Dag vreemde man dat in 1969 al geschreven was door Willy Crombé op een tekst van Mary Boduin, maar niemand had er oren naar. Ann zag het liedje wel zitten en neemt er in 1971 mee deel aan “Canzonissima”, de selectie voor het songfestival met in het totaal tien deelnemers en negen voorronden. Zij deelt het podium met onder meer Kalinka, Johnny White en Johan Stollz. Ann zingt in de loop van die preselectie drie liedjes: De kinderen rond mijn huis, Een zilveren kooi en in de finale Dag vreemde man. Mary had een knappe tekst geschreven zoals alleen zij dat kan: je boek, je krant, je sigaar. Je warme sloffen naast ons bed. En je pleziertjes eens per week. De pijn wanneer je me ontweek”.  Nicole en Hugo winnen met Goeie morgen, morgen en Ann wordt met Dag vreemde man tweede. Daarmee heeft Vlaanderen haar definitief ontdekt en sluit Ann een warme vriendschap met Mary Boduin die ook nog eens vlak in haar buurt blijkt te wonen. Hun contact is niet frequent, maar wel intens. Mary beschouwt Ann de jaren dat ze met elkaar omgingen als haar oudere zus, ook al was Ann een aantal jaren jonger. Mary merkte later op dat ze veel te druk bezig met alles en nog wat was om vaker met Ann om te gaan en meer voor haar te schrijven. Zij hadden ook snel door dat ze beiden nogal droefgeestig van aard waren en mekaar qua gemoedsstemming eerder naar omlaag dan naar omhoog trokken.

Na haar deelname aan Canzonissima in 1971 duikt Ann op in haast alle festivals die georganiseerd worden, onder meer het prestigieuze Yamaha-festival in Tokyo tot en met zangwedstrijden in Sopot (Polen) en Bratislava (het toenmalige Tsjechoslowakije). Zij staat zelfs met Charles Aznavour en Catherina Valente op het podium om tijdens een intercontinentaal festival in Caracas (Venezuela) de Europese kleuren te verdedigen. In 1972 zingt Ann Liever dan de zonneschijn tijdens het Festival van Athene. Het werd geschreven door Paul Quintens en Phil Van Cauwenbergh. Zij herinneren zich nog goed dat Ann een uitstekende zangeres was, maar met iets te weinig lef en charisma om tijdens zo’n festival rijkelijk in de punten te vallen. Zij bleef het zangeresje dat ons steeds aan Edith Piaf deed denken. Of dat in de jaren zeventig nog scoorde, valt te betwijfelen. In 1973 vinden we Ann op het festivalpodium in Split terug. Zij eindigt vijfde. Hier en daar hoor je sommigen opmerken dat zij daar niet altijd op haar plaats is, hoe goed zij vocaal ook uit de verf komt. Misschien ligt haar niveau te hoog en wordt er niet altijd gewaardeerd wat ze op het podium neerzet.

In 1975 is het weer raak voor Ann Christy tijdens “Eurosong” dat “Canzonissima” vervangt als selectiewedstrijd voor het Eurovisiesongfestival. De BRT heeft maar liefst zeventig liedjes geselecteerd die, gespreid over zeven halve finales, op televisie geëtaleerd worden. Daarom dat er met de selecties al in november 1974 begonnen werd, in een presentatie van Luc Appermont. Uiteindelijk schieten er tien finalisten over onder wie Luc Bral, Magenta, Connie Neefs en The Lollipops. Ann Christy wint met Gelukkig zijn, opnieuw een liedje van Mary Boduin die deze keer niet alleen de tekst, maar ook de muziek voor haar rekening neemt.  Mary werkte toen voor een reclamebureau. Ze hadden een melodietje nodig voor een commercial voor Levi Jeans. Thuis in haar werkkamer bedenkt Mary de melodie en verzint er gelijk een Engelse tekst bij. Zij speelt dat in op haar bandopnemer, zichzelf daarbij begeleidend op de piano en de dwarsfluit. Mary weet dat Ann zich voor Eurosong heeft ingeschreven en laat haar eerder toevallig dat demootje horen met dus dat nieuwe liedje. Ann is er meteen weg van. Mary moet eerst aan haar baas Jim McCredie vragen of die geen bezwaar heeft dat ze het liedje aan Ann geeft en de rest van het verhaal is ei zo na vaderlandse geschiedenis geworden. Het was nochtans niet zo gemakkelijk voor Mary om voor Ann te schrijven die al vaak aan de pers had laten weten dat ze zich niet thuis voelde op kermisbals en ook niet tot het kamp van de kleinkunstenaars wilde behoren. Zij viel er tussenin. De 22ste maart 1975 schittert Ann op het podium van St. Eriks Mässan Alvsjoe in Stochholm tijdens de 20ste editie van het Eurovisiesongfestival gepresenteerd door Karin Flack. In het totaal nemen 19 landen deel. Ann eindigt op de vijftiende plaats. Die uitslag komt zwaar aan bij haar. Zij had zoveel van dit festival verwacht. Mary weet nog dat Ann op tenminste een vijfde plaats had gerekend. Zij wou hier haar internationale doorbaak forceren.  Grote overwinnaar wordt Nederland met Ding-a-dong gezongen door de groep Teach In. Ann had aanvankelijk ook haar twijfels over Gelukkig zijn, zij vond het ‘iets té deftig’ klinken voor die tijd, jaren waarin songs meer glitter en glamour moesten hebben om op te vallen. De BRT verplichtte haar de eerste strofe en refrein in het Nederlands te zingen en de rest in het Engels. Ann vindt dat niet kunnen, maar gehoorzaamt, zij het zeer tegen haar zin. Wat velen in die tijd niet wisten, is dat Gelukkig zijn over een lesbische liefde gaat, in dit geval tussen die van Mary en haar toenmalige vriendin. Zich outen was toen nog “not done”, dus dan maar de schijn hoog houden. Gelukkig zijn geraakt in de Vlaamse Top Tien snel op de eerste plaats en zal daar zes weken na mekaar blijven glinsteren. Er wordt ook een Franse L’histoire du bonheur en een Duitse versie Wenn keiner mehr zu dir steht opgenomen. Er wordt eveneens een versie volledig in het Engels ingezongen Could it be happiness onder meer terug te vinden op het album “Ann Christy in English” dat in 1998 op het AMC Label werd uitgebracht.

Na het succes van Gelukkig zijn wordt onder aanvoering van producer Roland Klüger de gelijknamige elpee opgenomen.  Hierop zijn de hits Blablabla en  Blij bij jou te zijn terug te vinden. Het regent optredens. Organisatoren willen Christy op hun affiche. Zij moet ook op veel bals optreden. Ook daar geeft Ann zich helemaal, zij is achteraf compleet op wanneer zij naar de kleedkamer trekt. Zij is telkens erg gestresseerd als zij live moet zingen.  Zij wordt ook erg onzeker wanneer de geluidsinstallatie te wensen overlaat of wanneer het orkest niet je dat is.  Ann was een perfectioniste voor wie het almaar beter kon. Als iets fout liep, nam ze vaak de schuld op zich. Vaak was zo’n balpubliek ook helemaal niet in haar geïnteresseerd en dat wou Ann dan niet aan haar hart laten komen. Zij gaf dan het beste van zichzelf om die mensen toch maar van haar talent en de schoonheid van haar liedjes te overtuigen. Steeds op zoek naar die waardering en bevestiging. Op het thuisfront wordt voor haar zoon Benjamin door haar zus Yvette gezorgd. Dat was voor Ann een hele geruststelling. Op haar zus kan ze vertrouwen. Het buitenland lonkt. Ann trekt naar Engeland om daar opnamen in Londen te bespreken. Maar haar entourage gaat dwarsliggen. Ann braaf naar Vlaanderen terug.

Zij trouwt de vierde augustus 1973 met de drummer van de band, haar grote liefde Marc Hoyois. Het feest heeft plaats in “‘t Seyenhof” in Itegem. De negende januari 1974 wordt hun huwelijk gezegend met de geboorte van zoon Benjamin. Zij gaan in de Dageraadstraat in Elsene wonen. Datzelfde jaar brengt Roland Klüger op zijn platenlabel RKM twee nummers van Ann in het Nederlands uit: Waarom schrijft hij niet? en Hij. De verkoop valt tegen. Toch wordt Ann in “Humo’s Pop Poll” opnieuw verkozen tot zangeres van het jaar. Zij zou trouwens van 1974 tot en met 1978 elk jaar die prijs in de wacht slepen. Qua optredens heeft Ann het niet gemakkelijk. Gelukkig zorgt Marc financieel voor enige stabiliteit. Ann staat inmiddels tien jaar op de planken en vindt dat zij eigenlijk nergens thuishoort. Zij geeft toe dat zij zich te snel laat intimideren, dat zij zich nog vaak in een hoekje laat duwen. Ook de stress voor elk optreden heeft ze nog niet onder controle en dat stoort haar. Zij mist ook een professionele entourage en aanpak  in Vlaanderen, het blijft hier vaak bij amateuristisch geknoei.

Privé heeft Ann het niet zo gemakkelijk. Zij wil die situaties in haar liedjes verwoorden en speelt die thema’s door aan haar tekstschrijvers:  Ik mis hem zo in 1975, Ann is dan net dertig,   geschreven door Nelly Byl op muziek van Tony Romeo met arrangementen van Ralph Benatar en John Sluszny in een productie van Roland Klüger en  In rook vergaan, een hit van Abba My love, My Life in 1976 vertaald door Penny Els. De inhoud liegt er telkens niet om! Aan Story vertelt Ann een jaar later dat zij, ondanks al de teleurstellingen in haar leven, blijft vechten. Zij wil haar teleurstellingen in haar liedjes blijven verwoorden. Zij wil dwarsfluit leren en mime om zich op die manier op het podium beter uit te drukken. Zij houdt er rekening mee dat zij met haar plannen en teksten op tegenstand zal stuiten, maar dat sterkt haar in haar voornemen. Op dat moment heeft ze het zwaar door het plotse overlijden van pianist Koen De Bruyne die enkele maanden voordien op 32-jarige leeftijd was overleden. Koen was een van de weinige vrienden die Ann kende, zij leefde erg gesloten, ver van de glitter en de glamour van de showbiss verwijderd. Twee jaar later vertelt zij in het blad Familie dat zij veel te gevoelig is, snel geraakt. Zij wijt dat deels aan haar sterrenbeeld Maagd. Wanneer Ann drieëndertig wordt, laat zij weten dat ze van de speelse liedjes af wil. Zij wil van haar songs meer een soort open biecht maken. De liedjes mogen voor haar part dromeriger klinken, liefst minder realistisch. Het wordt eerder een soort escapisme waar ze naar snakt, een weglopen uit de werkelijkheid. Privé is Ann een gesloten type, veel vrienden heeft zij niet. Zij is erg veel met zichzelf bezig. Ook altijd beleefd, vredelievend zelfs. Small talk is aan haar niet besteed, bij haar moet elk gesprek inhoud hebben. Zij wikt haar woorden voortdurend uit angst iemand te kwetsen, dit maakt haar soms minder spontaan. Wanneer zij boos wordt, huilt ze, uit onmacht. Schreeuwen deed ze zelden of nooit.

Speciaal voor Ann Christy heeft Gerrit den Braber in 1976 voor haar  Ik neem vandaag de trein geschreven. Oorspronkelijk heet het nummer What I’ve got in mind, geschreven door Jack Clement en dat jaar door de Amerikaanse countryzangeres Billy Joe Spears op plaat gezet. Ann hield er niet van, zij vond de tekst té mager qua inhoud. Het wordt wel in Vlaanderen in 1976 een hit in de BRT top dertig. En zo gebeurde het zo vaak: een groot deel van haar hits lagen haar niet na aan haar hart, maar het publiek was er weg van. In 1977 mag Ann eindelijk in een musical schitteren, een vervulling van een grote droom! Zij treedt als Helena op in “Midzomernacht ‘ 77″, een productie van het Mechels Miniatuur Theater in een bewerking van “Midzomernachtsdroom” van William Shakespeare. De muziek is van de hand van Pieter Verlinden op teksten van zijn vrouw Rita Van Dievel. Wie ook in die musical meezingt is Marijn Devalck die op dat moment erg goed en close met Ann kan opschieten. Hij weet nog goed dat Ann snel doorhad dat het theater niet haar ding was, daar lag haar roeping niet. Aan het Zondagsblad geeft zij toe dat dit in haar carrière de zoveelste ontgoocheling was. Volgens haar had in die productie veel meer gezeten. Eind jaren 70 , begin jaren 80 gaat de verkoop van Vlaamse singles gestaag naar beneden. Ook de platenmaatschappij van Ann Christy gelooft er niet meer in, ook niet meer in haar. Die paar Vlaamse artiesten die toen nog scoren, zingen een heel ander genre.Toch stapt Ann stijfkoppig verder. Zo staat ze erop het door de Canadees Dan Hill geschreven Hold on op te nemen. Toevallig belandt deze single bij de Tros die het meteen tot paradeplaat bombardeert. Geen hit echter bij onze noorderburen, want de distributie  was niet op een eventueel succes voorbereid.

Al hebben Roland Klüger en Mary Boduin kosten noch moeite gespaard om van de elpee “Bravo” een waardige opvolger van het album “Gelukkig zijn” te maken, toch flopt die langspeler compleet. Liedjes zoals  Op safari zonder jou en  Mijn oma kunnen het mislukken van de verkoop niet doen kantelen. Roland ziet Ann niet als een single- of elpee-artieste, maar wel als een zangeres die het live moet waarmaken. Ook voelt hij snel aan dat Ann haar eigenheid wil bewaren. Zij was in die tijd de complete tegenpool van Marva die wél luisterde naar het advies van haar producers. Ann werd ook tijdens haar leven niet zo vaak op de radio gedraaid. Pas later is die hele hype ontstaan en is men met haar gaan dwepen op een manier dat het soms erg overdreven overkwam, alsof sommige radiomakers achteraf iets hadden recht te zetten. Op een bepaald moment wil Ann voluit voor het chanson gaan, maar daar was Vlaanderen niet rijp voor. Roland Klüger wijt dan ook een deel van haar zoektocht aan een overgrote dosis twijfel. En niemand kon haar overtuigen van het tegendeel. In 1978 keert Roland Klüger met groot nieuws terug van een Amerikaanse zakenreis. Hij heeft de toelating op zak dat iemand van zijn firma twee liedjes van Bob Dylan mag inzingen. Jean Blaute is producer van dienst. Het wordt voor Ann Christy een Dylansingle met op de A-kant Walk Out in the Rain en op de B-kant If I Don’t Be There by Morning. Jean Blaute beschouwt dit nog altijd als één van zijn betere producties en eentje om in te kaderen. Na deze productie stopt de samenwerking met Roland Klüger en stapt Ann over naar Henri Heymans de baas van IBC  (International Bestseller Company), een sublabel van EMI.

Het tij keert wanneer Ann De roos opneemt, een vertaling van The Rose van Bette Midler door Johan Verminnen. Meteen nadat ze de film van regisseur Mark Rydell gezien had, wou ze het nummer op plaat zetten. Het is Johan Verminnen die de originele tekst van Amanda McBroom mag vertalen. Jean Blaute is opnieuw producer van dienst. Hij overtuigt haar het heel sober te brengen. De roos wordt tegen alle verwachtingen in een gigantische radiohit. Ann lijkt in 1980 terug van weggeweest. Met het orkest The Roots geeft zij een recital in het Casino van Middelkerke. Zij treedt daar op voor een bomvolle zaal en kan achteraf haar geluk niet op. Een jaar later doet ze op dezelfde datum dat concert met The Roots in het Casino van Middelkerke nog eens over. De boekingen voor optredens lopen intussen weer vlotjes binnen. Zij begint aan een tournee in diverse culturele centra. Zij lanceert na het liedje Als je wil, zal ik blijven dat in 1979 op single was verschenen, het jaar daarop het discogetinte Made For Love gezongen in het Engels. In 1981 wordt er slechts één single gereleaset Jij en ik in een productie van Charles Dumolin van het duo Lester en Denwood. Ann ziet almaar meer in dat de liedjes die ze brengt anders klinken dan de rest, de mensen wellicht minder aanspreken dan de doordeweekse hits van haar collega’s.  Zij gaat op het einde van dat jaar op zoek naar een nieuwe platenfirma. Vrijdag de 16de april 1982 begint ze aan een reeks van vier concerten met de première in het “Cultureel Centrum van Berchem”. Nadien volgen nog Waregem, Sint-Niklaas en Machelen. Enkele maanden later belandt zij in het ziekenhuis. Zij merkt dat zij vaginaal vaak bloed verliest. De gynaecoloog stelt een tumor op de baarmoeder vast. Voor zij aan de behandeling begint, neemt ze met Fred Bekky nog snel enkele nummers op: Ik leef voor jou, Zal ik je ooit nog zien? en Waarom? De achtste juli wordt Ann geopereerd. Zowel de baarmoeder als de eierstokken worden verwijderd. Door een gebrek aan voldoende optreden en inkomsten kan zij haar sociale bijdragen niet betalen en ook geen aanspraak meer maken op de sociale zekerheid. Zij dient alle medische kosten zelf te betalen. De 22ste september 1983 wordt Ann achtendertig. Op het einde van die maand belandt zij door een fibrose opnieuw in het ziekenhuis. Om haar financieel bij te staan, organiseren haar collega’s de 23ste december 1983 in “‘t Seyenhof” van Joe Harris de benefietavond “Een lied voor Ann”. Er wordt gezongen door Joe Harris, John Terra, Sofie, Johan Verminnen, Lia Linda, Mieke enz… Die avond brengt 180.000 frank in het laatje. Maar man Marc heeft de dokters moeten beloven dat hij haar niet vertelt dat zij kanker heeft, dan zou zij te snel de moed verliezen.   Zij blijft vechten in de hoop dat ze zal genezen. IJdele hoop zo blijkt.

Ann sterft op dinsdagavond de zevende augustus 1984 in het UZ van Jette. Zij is achtendertig. Zij wordt op maandagvoormiddag de dertiende augustus in de Sint-Martinuskerk van Meise begraven, gevolgd door de crematie in Ukkel en  de asverstrooiing op het gemeentekerkhof van Meise. De zesde oktober staat Ann op één in de Vlaamse Top Tien met Waarom? geproduceerd door Fred Bekky. Noteren we dat Ann in 2008 in de “1000 Klassiekers” bij Radio 2 met De roos, Queen en hun Bohemian Rhapsody van de eerste plaats verstoot. Ook “De Top 80 van de jaren 80″ zal zij bij Radio 2 meermaals met dat nummer aanvoeren. Van Ann zullen na haar overlijden een rist albums verschijnen, waaronder voor de fans een aantal hebbedingetjes: “Ik deed alsof het mij niet raakte” met het mooie Zal ik je ooit nog zien met The Roots en een akoestische versie van Dag vreemde man. Eveneens in 2006 is er op het V2 Records label de verzamelaar “Het beste-met onuitgegeven nummers”. Datzelfde label brengt in 2008 het album ” Zo was er maar één uit” met daarop een reeks live–opnamen en  de anderstalige Won’t you come home Bill Bailey en La musique à papa. Een jaar later is er de cd “Uniek” waarvan we vooral onthouden Could it be happiness en Walk out in the rain en als kers op de taart in 2010 “Back to Back”, Ann Christy gekoppeld aan haar eveneens overleden collega Yasmine.

In 1985 trouwt haar man Marc Hoyois met Liliane Saint-Pierre. Hij zal de vierde juli 2010 op 64-jarige leeftijd overlijden aan de gevolgen van prostaatkanker.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Erik Van Neygen

Zij hebben het altijd moeilijk met Van Neygen gehad, de journalisten, want waar moet je die man klasseren, in welk hokje hoort die nu thuis? In 1982 schreef Marc Mijlemans in Humo: ” Erik Van Neygen is geen tieneridool, geen rockfiguur, geen variété-artiest. Gewoon een zanger, slaat dat ergens op? Het zal wel moeten, vrees ik!” In die zin liep hij toen zowat parallel met Ann Christy die er ook niet in slaagde onder één vlag te varen waardoor zij tijdens haar leven niet kon genieten van het succes dat zij verdiende. Toeval of niet, in 1982 traden Ann Christy en Erik Van Neygen samen op tijdens een concerttournee waarmee zij heel wat culturele centra in Vlaanderen aandeden. Toen Manu Adriaens voor uitgeverij Globe zijn boek “De complete kleinkunstgeschiedenis” schreef, dook daar de naam van Van Neygen al in op, alsook in het boek “Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz” dat Manu enkele jaren later voor Standaard Uitgeverij schreef. Om maar aan te geven dat Erik zich in vele muzikale huisjes thuisvoelt. In menig interview heeft Erik vaak aangegeven dat hij alleen maar muziek maakt die hij in de eerste plaats zelf graag hoort, hij houdt niet van één bepaald genre en hij wil zeker niet in een eng keurslijf gestopt worden. Tijdens zijn  jeugdjaren hield hij niet alleen van pop en country, maar net zo goed van Vlaamse zangers. Hij trok zelf met veel plezier naar optredens van Will Tura, wat zijn tienervrienden weigerden te begrijpen. Een optreden van Tura in 1971 in zaal “Select” in Schepdaal is Erik altijd bijgebleven. De manier waarop Tura zich toen omringde: met een degelijk orkest, met een professionele geluids- en lichtinstallatie. Dat liet zo’n indruk op Erik na dat hij jaren later, in 1990,  de toenmalige hit van Tura Aan mijn darling van een eigen versie voorzag. Klasseer Erik dus zeker niet onder de unieke noemer “brenger van het betere lied”, want als hij ergens een bloedhekel aan heeft dan zeker aan die term.

Erik wordt de eerste mei 1951 in Anderlecht geboren. Thuis is het een vrij drukke bedoening: twaalf kinderen in het totaal waarvan Erik de vierde telg van het gezin uitmaakt. Het gezin bestaat uit acht jongens en vier meisjes. Papa Van Neygen was in Dilbeek een plichtsgetrouwe onderwijzer die echt voor zijn vak leefde. Mama had de handen vol met haar gezin. Thuis werd er elke zaterdagavond aandachtig geluisterd naar het in die tijd populaire radiocabaretprogramma “Met Kop en Staart” met daarin onder andere Renaat Grassin alias ‘t Ketje en Will Ferdy. Thuis stond er ook een pick-up waarop papa, vreemd genoeg, naar hartenlust platen draaide van De Zangeres zonder Naam en Johnny Hoes. Erik luisterde op zijn transistorradio het liefst naar de hits van het moment: Elvis Presley, Paul Anka, Cliff Richard enz… Zijn oudere broer Etienne studeerde in Leuven en kwam op zekere dag thuis met het verhaal dat hij een ongelooflijk optreden had meegemaakt van “Het Kleinkunsteiland” waar artiesten passeerden als Miel Cools, Kor Van der Goten, Louis Verbeeck, Jos Ghysen enz… Een verzamelelpee met hen was voor Erik de aanzet om zich meer voor dit genre te interesseren.

Naar de kleuterklas ging Erik in Dilbeek, naar de Sint-Annaschool om precies te zijn. Zijn lager onderwijs volgde hij aan de Gemeentelijke Jongensschool, eveneens in Dilbeek, waar hij in het vierde en vijfde leerjaar zijn vader als onderwijzer kreeg. Uit die tijd herinnert hij zich nog dat zij op vakantie naar zee gingen en dat hij achteraan in de auto droomde dat hij Elvis was. Hij hield niet meteen van Elvis als rocker, maar wel als zanger van prachtige ballads zoals Are you lonesome tonight en It’s now or never. Dat was ook de tijd dat Eriks broer Etienne klassieke gitaarles volgde. Erik mocht tussendoor ook eens op dat instrument tokkelen. Hij is twaalf wanneer hij bij Madame Martin in Dilbeek privé klassieke gitaar gaat volgen. De populaire akkoorden leert hij in zijn eentje. Hij trekt op dat moment naar het Sint-Pieterscollege in Jette waar hij de afdeling Latijn-Grieks aansnijdt met in diezelfde klas Johan Verminnen. De meeste jongens kwamen uit een goed afgeschermd burgerlijk milieu. Daar wilde Johan niets van weten, hij was eerder een linkse rakker uit een arbeidersmilieu en dat sprak Erik wel aan.  Erik weet nog goed dat hij en Johan vanaf de eerste dag over muziek praatten. De eerste spreekbeurt trouwens die Erik gaf, was er eentje over kleinkunst en dat vond Johan geweldig. Van huis uit dweepte Johan, dankzij zijn oudere broers, met de kleppers van het Franse chanson. Naarmate de jaren vorderden, kwam daar voor hen beiden de interesse bij voor de folk en de blues. Toen Erik in de loop van de jaren zestig ging dwepen met de Amerikaanse countryrock moest Johan twee keer slikken. Country was in zijn oren en ogen iets té rechts. Dat genre paste niet in zijn wereldbeeld. Erik keek erg op naar Johan die zowat de leider in de klas was, een echte provo. In een Amerikaanse stock had Johan zich een legervest aangeschaft waarin hij graag paradeerde en hij durfde het aan zich als eerste op school in een jeans te hijsen. Johan genoot van het leven, maakte graag plezier en nam het studeren niet zo ernstig. Een jaartje overzitten was hem dus niet vreemd. Zij blijven op dezelfde school, alleen stapt Erik onderweg over naar de afdeling Latijn-Wetenschappen. Verminnen richt onderweg het groepje Klaverke op samen met Luc Verhaeghen en Luk Van der Straeten. Het kon bijna niet anders of die vriendschap tussen Johan en Erik, hij was toen een jaar of zestien, moest ook resulteren in een groep en dat werd Motten Drizzle (motregen) met naast Erik en Johan een tijdje later  Leon Lamal. Als The Beatles zich zo mogen noemen, dacht Johan, dan is Motten Drizzle, motregen, ook toegelaten. Muzikaal waren het in de loop van de jaren zestig de hoogtijdagen van Ferre Grignard en Donovan. Ring Ring I’ve got to sing van de Ferre was voor hen op dat moment een schoolvoorbeeld hoe zij wilden klinken. Daarnaast zongen zij ook eigen liedjes in het Nederlands zoals het door Johan geschreven Stad van staal en beton. Erik genoot in die tijd met veel plezier van de muziek die gemaakt werd tijdens het “Folk & Jazzfestival” in Ninove. Hier maakte hij voor het eerst kennis met Miek en Roel die in die tijd begeleid werden door gitarist Roland Van Campenhout. Die gedroegen zich zo’n beetje als echte hippies badend in een psychedelisch sfeertje en dat zinde Erik en Johan wel. Roland had toen ook een eigen bluesgroep waarin hij muzikaal oosterse elementen aanbracht naar het voorbeeld van The Beatles die in India hun licht waren gaan opsteken. Motten Drizzle wordt helemaal in de sfeer van de late jaren zestig gehuld. Erik weet nog dat zijn moeder van de kleurrijke voering van een van haar jassen voor hem een felgekleurd hemd naaide. De muziek die zij speelden was vooral skiffle. Johan nam binnen de groep de taak van zanger voor zijn rekening en Erik, de knapste van de groep, zorgde voor de vrouwelijke aanhang. Er werd vooral lokaal opgetreden, in Wemmel en Dilbeek. Meisjesscholen waren erg in trek en vormden een dankbaar publiek.  Mechelen was op dat moment al het buitenland voor hen. Van Motten Drizzle bestaan geen plaatopnamen, het was gewoon een groepje dat veel leute en plezier uitstraalde, daar was het de bandleden in eerste instantie om te doen. Na de poësis, de vijfde klas van de klassieke humaniora, zal Johan afhaken. Zij zijn hem in het Sint-Pieterscollege liever kwijt dan rijk. Hij trekt naar Studio Herman Teirlinck waar zijn broer lesgeeft, maar de directeur stuurt hem wandelen. Johan neemt vervolgens deel aan het toegangsexamen aan het Conservatorium in Brussel en slaagt. Hij zal daar in eerste instantie dictie en voordracht volgen.

Na zijn middelbare studies trekt Erik naar Sint-Thomas in Brussel waar hij van 1969 tot 1972 de opleiding regent Nederlands-Engels-Duits volgt. Omdat muziek Van Neygen dan al zeer na aan het hart ligt en daar de meeste aandacht naar uitgaat, doet Erik er een jaartje langer over dan gepland. Meteen na het behalen van zijn diploma gaat hij aan de slag in het onderwijs, eerst als interimaris voor de klas, maar de meeste jaren op het secretariaat van het “Sint-Janshof Buso” aan de Sint-Jansstraat in Mechelen, het buitengewoon onderwijs. Dat was makkelijker te combineren met zijn carrière als zanger. Hij hield dit achttien jaar vol tot in 1990 wanneer hij met Veel te mooi hoge ogen zal gooien.

Erik is erg tuk op countrymuziek zoals wij al vermeldden en vindt tijdens zijn regentaatsopleiding een goede maat in zijn klasgenoot Serge Demol die in 1966 begonnen was bij de coverband Buddy & The Shamrocks en met hen de single Paris For Me had opgenomen met op de B-kant What Kinda Man. Naast studeren schiet er nog wat tijd over om de vrienden van Serge te ontmoeten en omdat Erik als enige fingerpicking – gitaar en bottleneck kan spelen, wordt hij gevraagd zich bij hun groep Pendulum aan te sluiten. Die band bestond naast Serge uit Firmin Michiels, die later bij Kris De Bruyne zal spelen, en Louis Van Oost, contrabassist, later vervangen door Mich Verbelen, die nog later bij Raymond Van het Groenewoud zou spelen. De overige bandleden zijn steelgitarist Arthur Huysveld en drummer Ton Derriks, later vervangen door Mike De Smedt.  Arthur was erbij gekomen nadat hij een artikel over hen had gelezen in “Het Laatste Nieuws” geschreven door Jari Demeulemeester. Arthur vond dat hij als steelgitarist sowieso in Pendulum moest gaan spelen.  Bij Pendulum voelt Erik zich thuis omdat hij in deze periode ook zijn eerste liedjes begint te schrijven. Pendulum krijgt snel een heel eigen geluid en een platendeal bij Philips waar Bart van der Laar hun producer wordt. In 1970, zij treden dan al vaak op, nemen zij het nummer It’s a Beautiful Day op geschreven door Serge in de stijl van de Amerikaanse bands The Byrds, The Band  en The Flying Burrito Brothers. In een repetitielokaal kwam It’s a beautiful day geleidelijk aan tot stand. Serge was ook een hevige fan van The Everly Brothers en droomde ervan een liedje op te nemen met twee zangstemmen die perfect op elkaar waren afgestemd. Serge nam de hoge stem voor zijn rekening terwijl Erik met zijn warme lage stem voor het vocale contrast zorgde. Op een bepaalde dag krijgen zij van het in die tijd populaire programma Echo de vraag of zij geen reportage mochten maken over hen. Zij krijgen de gelegenheid een demobandje op te nemen van hun nummer It’s a beautiful day in de RKM studio’s van Roland Klüger waar op dat moment promoman Bart Van der Laar passeert. Die is zo in de ban van die song dat hij hun voorstelt er een degelijke versie van in te blikken. In de studio Madeleine in Brussel wordt de definitieve versie opgenomen, vrij nieuw voor de tijd qua bezetting: twee akoestische gitaren, een bas en een steelgitaar met voorop de solostem van Serge aangevuld met de tweede stem van Erik. Enkele weken later staat It’s a Beautiful Day op single met op de ommekant For You, geschreven door Erik.  Fan van het eerste uur was Johan Verminnen die het een prachtig nummer blijft vinden, ook een geschikte radiohit. In zijn boek “Wit-lof from Belgium” omschrijft Gust De Coster It’s a Beautiful Day zelfs als één van de mooiste singles uit de Belgische popgeschiedenis. Het singletje werd inderdaad grijsgedraaid zodat het de derde juli 1971 tot op de tweeëntwintigste plaats van de BRT top dertig geraakte. De opvolger Early Morning Rain gekoppeld aan Cajun Music bleek in 1971 jammer genoeg geen geslaagd vervolgverhaal. De hoge verwachtingen konden niet worden ingelost en  de groep werd nadien vrij snel ontbonden. In 1974 kwam Serge nog op de proppen met een nieuwe line-up van Pendulum met ondermeer Jelle Nachtergaele en de Brit John Colston. A Song For You met op de B-kant Here We Go Again werd de wereld ingestuurd, maar zonder veel respons! Later zou Serge ook nog de groep Transit oprichten met wie hij in 1977 het album “First Ride” afleverde.

Na  Pendulum komt Erik in 1972 terecht bij de groep Louisette die Raymond van het Groenewoud had opgericht met voorts in de line-up Bernard Vanderhaegen, de zanger van de Wemmelse groep ‘t Goeleve, die op zijn beurt basgitarist Jean Van Dooren bij de groep binnenhaalt samen met drummer Eddy Verdonck van de groep Mad Curry. Raymond speelde voordien piano bij de band van Johan Verminnen en bas in de groep van zijn vader Nico Gomez, maar wil zijn eigen koers varen. Raymond leert met veel geduld Erik de elektrische gitaar onder de knie te krijgen. Hij spoort Erik ook aan de liedjes die hij tot dan toe in het Engels heeft geschreven te vertalen in het Nederlands. Op het Omega label brengen zij in 1972 het nummer Maria, Maria ik hou van jou uit. Die opname was een verjaardagscadeau van  papa Nico Gomezvoor zijn zoon. Pa neemt de productie voor zijn rekening. Wat Erik nooit zal vergeten is dat Raymond hem de kans biedt het B-kantje Jij kunt beter gaan voor zijn rekening te nemen. Die single is heel vernieuwend, té vernieuwend eigenlijk voor die tijd en slaat niet aan, commercieel gezien een regelrechte flop. Waar zij ook optreden, Louisette wordt vooral gezien als een vreemde eend in de muzikale bijt.  Er worden amper drieduizend exemplaren van hun eerste single verkocht. In 1973 komt de single Daddeeemelee van Louisette in de winkels terecht met op de B-kant 15 maart. Dat laatste is een liedje geschreven door Erik zelf en hij vindt het nog altijd een mooie vriendschappelijke geste van Raymond dat zijn liedje op de B-kant belandde. Jammer, maar dit plaatje wordt een nog grotere flop dan hun eerste. De echte muziekliefhebber vindt de teksten niet je dat en de kwaliteit van de opnamen laat te wensen over. Ook de opvolger Zij houdt van vrijen doet het in 1974 ondanks enkele positieve recensies in de vakpers niet goed. Intussen heeft Jean-Marie Aerts de plaats van Erik ingenomen. De muzikale smaak van Raymond en Erik verschilde te veel. Raymond dweept op dat moment met David Bowie en Roxy Music, terwijl Erik droomt van folk en country. Raymond komt ook almaar meer aan de bak als gegeerd sessiemuzikant die we in die tijd horen op de platen van Kris de Bruyne en Zjef Vanuytsel.

Erik Van Neygen kiest ervoor solo te gaan. Hij sluit een platendeal met de Brugse firma Parsifal Record Company, net opgericht door Gilda Behaeghel en Nico Mertens. Parsifal was toen al een bekend theaterbureau dat ook regelmatig Pendulum boekte voor optredens. Op het Parsifal label zou trouwens Urbanus met veel succes zijn eerste elpee uitbrengen. Erik mag van hen het door hemzelf geschreven Heel Alleen op single uitbrengen, gekoppeld aan Ik weet niet. Erik financierde deze opname zelf en vroeg Raymond om beide nummers te producen. Op de hoes zien wij een lang behaarde en besnorde Erik Van Neygen de fans recht in de ogen kijken. De muzikanten van dienst werden door Raymond bij elkaar gezocht. In de zalen treedt Erik graag met zijn gitaar akoestisch op, daarbij op fluit begeleid door zijn broer Jos, op gitaar door Mich Van Sever, die later naam zal maken als instrumentenbouwer, en op piano door Vincent Rouffaer, zoon van de in die tijd bekende acteur Senne Rouffaer. In 1976 volgt er op het Parsifal label het eerste album “Erik Van Neygen”  in een productie van Raymond van het Groenewoud die als muzikanten onder andere Marc Alleyns, Rens Van der Zalm, Stoy Stoffelen, Jean-Marie Aerts en Mich Verbelen aantrekt. Op deze langspeler liedjes als Vandaag, ‘t Is echt wel goed, Jacky, Vergeet en Voor haar. In het kielzog van die plaat staat Erik in 1975, begeleid door onder andere Mich Verbelen, Stoy Stoffelen en  Jean-Marie Aerts, op het podium van “Nekka-Nacht”. Hij zingt er een vertaling van Midnight Cowboy dat op een fluitconcert wordt onthaald, onterecht lezen wij ‘s anderendaags in De Standaard. Achteraf vernam Erik dat de onvrede van het publiek te wijten was aan de gebrekkige geluidsinstallatie, die ontoereikend was om een band, volledig bestaand uit akoestische instrumenten, te versterken. Voorts op de affiche: Johan Verminnen, Herman Van Veen, Kris De Bruyne en de op dat moment in Geel wonende Nederlandse fluitist Thijs Van Leer. In 1975 trouwt Erik met Suzanne. Zij is een hevige fan van Erik. Zij onmoetten elkaar tijdens een optreden. Twee dochters zullen hun huwelijk verrijken: Liesje en Laura. Liesje zal er later voor zorgen dat Erik als opa twee kleindochters rijk wordt. Dit huwelijk zal standhouden tot Erik in 1989 Sanne ontmoet en er na een tijdje voor kiest met Sanne verder door het leven te stappen.

In 1977 produceert John het liedje Als ik wegging, een Nederlandstalige bewerking van Erik van de countrysong I wonder what she’ll think about me leaving van de Amerikaanse countrylegende Merle Haggard. Het liedje slaat niet aan in de Vlaamse Top Tien, maar daar maalt Erik niet om. Het nummer wordt wel genomineerd voor “Zomerhit” van Radio 2. Daar leert Erik collega Wim De Craene kennen, die hem voorstelt zijn volgende plaat te produceren. Hij stapt met Erik naar platenfirma Decca die op hun Omega International Label de single Spoedbericht, oorspronkelijk een nummer van Tom Jans en door Erik van een Nederlandstalige tekst voorzien, uitbrengen.  Van Neygen tekent zelf voor de B-kant Ik wil je niet storen. In de studio wordt hij onder andere bijgestaan door Jean-Marie Aerts en dus producer van dienst Wim De Craene. De arrangementen zijn van de Waalse muzikant-producer John Sluszny, zoon van de bekende klassieke concertpianist Naum Sluszny die in de jaren vijftig nog deel uitmaakte van de jury van de “Koningin Elizabethwedstrijd” voor piano. John werkt in die tijd veel voor de firma van de familie Klüger. Jean was dan wel waarnemend producer, John zat vaak aan de knopjes. Hij stond als producer garant voor heel wat opnamen van Marva en Will Tura. John Sluszny blijft Eriks vaste producer en arrangeur voor vele jaren.

Bij de programmamakers wordt Erik Van Neygen intussen al aangeduid als de zanger van het zogeheten betere lied, ook al had en heeft hij nog steeds een enorme hekel aan die term. Wel aanstippen dat een notering in de Vlaamse Top Tien nog altijd buiten bereik blijft. Maar niet voor lang, want in 1979 brengt Erik met veel bijval de single Stille Brieven uit. Hij was op dat moment op zoek naar een liedje dat tegelijkertijd ook de titelsong van zijn elpee zou worden. Die plaat moest een pakkende titel hebben. Na veel wikken en wegen wordt dat Stille brieven. Pas dan is Erik eerst de tekst en daarna  de melodie gaan schrijven.  Die past helemaal in de stijl van de toenmalige Mexicaans getinte Amerikaanse country songs van o.a. Linda Ronstadt en Jimmy Buffett. Erik is altijd op zoek geweest naar mooie melodieën, iets dat hem snel de bijnaam “de Benny Neyman van Vlaanderen” opleverde. Toen hij Stille Brieven schreef, werkte Erik nog op het secretariaat van zijn school en had volgens eigen zeggen nogal wat tijd om weg te dromen. Stille brieven sloeg in die tijd tekstueel meteen aan bij het Vlaams publiek dat daardoor ongemerkt aan het fantaseren werd gezet én hij was erg geliefd door de moeders van Raymond Van het Groenewoud en Jean Blaute die van dan af zowat zijn grootste fans werden. De dertiende oktober 1979 geraakt Stille Brieven tot op de zevende plaats in de Top Tien en wordt door de VRT zo goed als grijsgedraaid. Hij staat op dat moment op stal bij platenfirma Racoon, opgericht door André Van Miert, broer van Karel Van Miert, waar Erik zich behaaglijk thuis voelt. Erik had André tijdens een optreden waar André instond voor het geluid wat beter leren kennen. André voelt meteen aan welke muzikale richting Erik uit wil. In een productie van hem neemt Van Neygen in 1980 het felgesmaakte Als je trein vertrekt op, geschreven door Erik met arrangementen van John Sluszny en als muzikale steun in de studio de strijkersgroep onder leiding van Albert Spéguel. Er is dat jaar ook het album “Alles Gaat Door” met daarop liedjes als Bijna Beroemd, Naar Amerika en De Hemel Is Ver, met de wondermooie strijkers van laatstgenoemde. Dit lied wordt trekker van het album Alles gaat door“. Erik werkt op dat moment met manager Valère Pieraerts en bijna terzelfder tijd krijgt hij zijn eerste grote platencontract aangeboden. De hele ploeg van Ariola gelooft rotsvast in Erik Van Neygen. Zij beslissen de vorige albums opnieuw uit te brengen en sparen kosten noch moeite voor de opnames van het album “Hotel Stil Verdriet. Naast de titelsong, waarvan de tekst geschreven werd door rockjournalist Marc Didden, vallen vooral Voor vader en Verre vrienden op. Een vierde plaats in de Vlaamse Top Tien kaapt Van Neygen weg in de zomer van 1981 wanneer hij het nummer Telkens weer uitbrengt, een song van Doc Pomus op tekst van Willy Smets. Erik zal nog een tweede elpee opnemen voor Ariola: Nooit meer alleen. Uit die plaat wordt als single onder andere het nummer Sarah gelicht, een vertaling door Erik samen met Willy Smets van een Italiaans liedje van Toto Cutugno. In 1983 zingt Erik het door hem eerder opgenomen De hemel is ver  in duet met Ann Christy in het tv-programma met Marva. Hij weet nog goed dat wanneer hij dit zong het liedje vereiste dat zij elkaar diep in de ogen keken en dat dat voor hem moeilijk was omdat hij voor Ann geen gevoelens koesterde. Later wanneer hij met zijn grote liefde Sanne duetten zal zingen, vindt hij dat zalig om te doen. Ik stip hier al aan dat Erik in 2004 zijn bijdrage zal leveren aan een reeks hommageconcerten die in de maand september op het getouw worden gezet om de twintigste verjaardag van het overlijden van Ann Christy te herdenken.

Wegens muzikale meningsverschillen stapt Erik in 1984 weer over naar het RACOON label en brengt de elpee Met kloppend hart uit. Wij steken een positieve duim op wanneer Van Neygen in 1984 de klassieker Trains and Boats and Planes van de heren Burt Bacharach en Hal David covert als Havens en stations. Een wat eigenzinnige keuze die ervoor zorgt dat Erik niet onder één vlag vaart, maar graag voor muzikale veelzijdigheid gaat. Erik is een grote fan van Claude François en kende het liedje eigenlijk in de Franse coverversie van Clo Clo Quand un bateau passe. Samen met John Terra schrijft Erik Liefde en vriendschap. Het album  Met kloppend hart wordt verdeeld door Philips. Wij horen Terra de backingvocals voor zijn rekening nemen. Het album wordt door Radio 2 tijdens Zomerhit ’85  bekroond als beste Nederlandstalige elpee.

Vanaf 1985 zoekt Erik onderdak bij platenfirma Assekrem en begint hij samen te werken met Jeroen Le Compte, zoon van de op dat moment beruchte Knokse arts Herman Le Compte. Samen met Jeroen schrijft Erik in 1985 een van zijn mooiste nummers Praten in je slaap. In de studio blijft Erik dwepen met zijn vaste begeleidingskern: Bruno Castellucci, Annemie Nuyens, Jef Coolen enz… De volgende single wordt Ik wil jou die wij ook terugvinden op het album “Desperado in de stad” dat in 1986 wordt gereleaset. Producers van dienst zijn Erik Van Neygen en Erik De Blende. Datzelfde jaar viert Erik zijn  tienjarige solocarrière met een liedjesrecital in het “Mechels Miniatuur Theater”.

Heel anders klinkt Erik Van Neygen wanneer hij scheep gaat met producer Theo Breuls voor zijn album “Op weg naar huis”. Breuls was jarenlang vaste producer bij Telstar, het platenlabel en studio van de Nederlandse schlagerkoning Johnny Hoes. Dat hoor je opvallend aan de eerste single die uit dat album wordt gelicht Ogen zeggen méér dan woorden, een liedje door Erik samen met Willy Smets geschreven werd. De single wordt vaak gedraaid wat resulteert in een achtste plaats in de Vlaamse Top Tien in de zomer van 1987. Het nummer Luister eens naar ons werd opgenomen samen met het Knapenkoor Groenendaal. Twee andere nummers uit dat album Vanavond schrijf ik jou een brief en De herinnering blijft doen het ook goed bij de fans en de programmasamenstellers. Diegenen die Van Neygen alleen onthouden hebben van zijn eerste langspelers fronsen bedenkelijk de wenkbrauwen. Dit is een Van Neygen die niet vies is van frisse, opgewekte en schlagergetinte Vlaamse liedjes. Voor velen wordt dat even wennen. Niet voor Erik zelf, want die is van vele muzikale markten thuis. Hij gaat in 1988 zelfs een liedje produceren voor zangeres Marleen die voordien met Pierre Kartner had samengewerkt. Marleen staat op dat moment ook bij Assekrem op stal. Erik produceert en schrijft voor haar Neem m’n tranen met je mee.

Een keerpunt én een mijlpaal in het leven van Erik Van Neygen, zowel privé als carrièrematig, wordt de vierde november  1989 wanneer hij tijdens het fanbal van Eric Flanders, die net een hit had gescoord met Zo moet mijn meisje zijn, in het dorp Puurs in de provincie Antwerpen een optreden meemaakt van de zestienjarige Sandra Denotté, beter bekend onder haar artiestennaam Sanne. Zij zingt onder meer Blue bayou van Linda Ronstadt en Stand by your man van Tammy Wynette. Erik moet die avond na haar optreden. Sanne kende hem toen al als de zanger van de betere liedjes. Hij volgt haar performance vanuit de coulissen en is meteen gecharmeerd door haar stem. Sanne weet nog goed dat zij Erik in de kleedkamer terugzag waar hij voor de spiegel met een groene kam zijn golvende haren in de juiste plooi probeerde te leggen en haar met zijn  mooie ogen warm aankeek. Een afspraak maken doen zij die avond niet. Een tijd  later ontmoeten zij elkaar opnieuw wanneer Sanne in het koortje van Helmut Lotti mag optreden tijdens een opname van “Tien om te Zien” in Denderleeuw.  Erik vraagt aan Sanne of zij hem niet een cassette kan sturen met enkele liedjes die zij heeft ingezongen. Dat worden onder andere Een vriend van Margriet Hermans en een liedje van Micha Marah. Na het beluisteren, neemt Erik meteen contact op met Sanne, want hij droomt er al jaren van een duet op te nemen met een goede zangeres, maar de geschikte stem daarvoor heeft hij tot dan toe niet gevonden. Erik nodigt Sanne bij hem thuis uit en samen beluisteren zij enkele nummers en bespreken een eventuele samenwerking die er ook heel vlug komt, want Erik had tijdens een vakantie in Joegoslavië Dome Moj van Meri Cetinic opgepikt, in 1989 de inzending voor het liedjesfestival in Split, zeg maar de “Baccarabeker” van de Balkan. Meri is een zeer populaire zangeres, in Split geboren, nu gelegen in het huidige Kroatië. Samen met Willy Smets had Erik de tekst  voor Veel te mooi klaargestoomd. Erik zingt Sanne het liedje eerst voor en meteen na hem mag zij inpikken. Er wordt vrij snel beslist dat zij gaan samenwerken en Veel te mooi als duet gaan inzingen in de studio. Veel te mooi wordt meteen opgepikt door het publiek. Acht weken lang voeren Erik en Sanne de Vlaamse Top Tien aan, negen weken na mekaar op één in de hitlijst van “Tien om te Zien”, een week op één in VTM’s “Super Top Vijftig” en goed voor méér dan zeventigduizend verkochte exemplaren. Niet alleen muzikaal, maar ook mentaal kunnen Erik en Sanne het goed met elkaar vinden. Zij groeien snel naar elkaar toe en worden verliefd. Voor Erik geen gemakkelijke periode, want hij wil zijn huwelijk niet zomaar overboordgooien. Maar echte liefde overwint alles en daarop vormen zij geen uitzondering. Voor de roddelpers vormen zij hét ideale koppel. Wanneer zij hun eerste hits in 1990 scoren, is Erik negenendertig en Sanne achttien. Het cliché een oude bok lust wel een groen blaadje duikt meermaals op in de media. Wat hun beiden overkomt, schrijft Erik nadien neer in liedjes als Nooit meer bang en Schim in dit huis. Marc Van Caelenberg verwoordt hun gevoelens mooi in de nummers Ademloos en Huis aan het water die hij voor hen schrijft. Het zijn liedjes die Erik tot de mooiste uit zijn repertoire rekent.

In de nasleep van het succes van Veel te mooi neemt Erik Het spijt me op, een vertaling van het liedje Oprosti, in 1990 in Joegoslavië een hit voor Doris Dragovic. Oprosti betekent ook letterlijk Het spijt me. Erik en Sanne zouden van Dragovic nog enkele liedjes vertalen waaronder Dans met mij door de nacht en Zeg het aan niemand. De dertiende oktober 1990 staat Erik met Het spijt me op één in de Vlaamse Top Tien wat hij samen met Sanne twee maanden later nog eens overdoet met Aan mijn darling dat wij in Vlaanderen voordien al kenden in de originele versie van Will Tura.

De gouden combinatie Erik en Sanne belet Erik niet om af en toe solo verder te gaan. Hij wordt vanaf dan ook manager en vaste producer van Sanne.  In 1990 brengt hij op het Assekremlabel de plaat Het huis aan het water uit met daarop de felgesmaakte single Ademloos geschreven door het door Erik ontdekte talent Marc Van Caelenberg, die vanaf dat moment zowat de vaste tekstleverancier van Erik en Sanne wordt en nadien doen andere artiesten ook een beroep op hem. Theo Breuls mag voor de arrangementen tekenen. Na deze platen nemen Erik en Sanne  in alle vriendschap afscheid van Assekrem en stappen over naar BMG/RCA. Erik bezorgt Sanne daar een fantastisch artiestencontract. Haar eerste soloalbum wordt platina. Alles wat het koppel verder aanraakt verandert in goud of platina.  Algauw komt er het duettenalbum “Mee met de zon”. Duetten en sololiedjes wisselen elkaar af. Theo Breuls blijft arrangeur. Er wordt opgenomen in Studio Spell in Weert met als muzikanten onder andere: Theo Breuls, Eric Melaerts en Jerôme Munafo. Naast de bestaande fanclub van Erik  ”Vriendenkring Erik Van Neygen” in Drongen, komt er nu ook een fanclub van Sanne. Als single wordt er meteen getipt op Geen Zorgen, vertaling van de hit Dream Lover van Bobby Darin. In 1991 wordt er nog eens lekker gescoord wanneer zij het duet Alles gaat voorbij opnemen dat in 1970 in Duitsland al een succes was geweest voor Jürgen Renfordt Alles geht vorbei. De veertiende december staan Erik en Sanne op vier in de Vlaamse Top Tien. Het jaar daarop stijgen zij eveneens naar vier, deze keer met Wat je diep treft, opnieuw een nummer van Eriks idool Will Tura. Tura had in 1970 al eens raak geschoten met dit nummer. Ook graag gehoord is het duet Verdronken Vlinder, een cover van die bekende klassieker van Boudewijn De Groot op tekst van Lennaert Nijgh, voor Erik en Sanne in de Vlaamse hitlijsten goed voor een vijfde plaats.

 

Erik houdt niet alleen van muziek, maar ook van kunst, vooral schilderkunst boeit hem enorm. Met de nodige trots opent hij in 1993 zijn kunstgalerij gelegen in Hamme Zogge. De jaren voordien was Erik op zekere dag in Sint-Martens-Latem in contact gekomen met galerij-eigenaar Oscar De Vos die hem het werk van Martin Wallaert leert kennen. Dat ene aangekochte schilderij werd al vlug een collectie van vijftig die Erik niet allemaal in eigen huis kon etaleren. Dus werd er overgestapt naar een galerij zoals Erik ooit in de jaren tachtig in Amsterdam had bezocht waar werk van Herman Brood hing tentoongesteld. In het weekend kon je in de galerij van Erik  van vrijdag tot en met zondag telkens terecht van 14.00 u. tot 17.00 u. Vijftien jaar lang zal Erik deze galerij blijven uitbaten. Tijdens deze periode maakt Sanne haar studie voor onderwijzeres af en behaalt met glans haar einddiploma om nadien ook voor de klas te gaan staan. In haar bio kan je lezen hoe zij dit beroep met hart en ziel uitoefent en hoe het voor haar vaak een strijd is om te moeten kiezen tussen een zangcarrière en die als lerares.

Om hun relatie extra glans te geven, geven Erik en Sanne elkaar het jawoord op achtentwintig oktober 1996. Hun liefde was het jaar voordien, de vijfentwintigste oktober, bekroond met de geboorte van hun dochter Maartje. Als kroon op dit alles scoren zij in 1997 nog eens lekker met De laatste bolero, twee jaar voordien in Duitsland als Der letzte Bolero een stevige hit voor Die Flippers. Een schlager, dat wel, al slagen Erik en Sanne erin het net een niveau hoger te tillen. Datzelfde jaar pakt platenfirma Mercury/Polygram in hun reeks “Master Serie” uit met de verzamelaar “Erik Van Neygen 1979-1984″, een overzicht vanaf de hit Stille Brieven tot en met Havens en Stations.

Voor hun album “Onderweg” kloppen Erik en Sanne aan bij een stel nieuwe muzikanten: Rik Aerts, Rens Van der Zalm, Thierry Crommen, Paul De Poorter en het strijkkwartet van Mark Steylaerts. Opgenomen wordt er in de maand april 1999 in de “Arts Sound Studio” in Helchteren. Op deze plaat een schitterende versie van Ticket to Heaven van Dire Straits door Erik vertaald als Ticket naar Eden. Er worden ook enkele liedjes afgeleverd door Mark Vanhie die wij nog kennen als boegbeeld van de popgroep The Bet. Méér dan behoorijk gedraaid bij Radio 2 is het folkgetinte duetje De Wilford van Marc Hauman waarvoor er ook eens in het dialect gezongen mag worden. Twee jaar verder is er het album “Vroeger en later”, een verzamelaar uitgebracht door hun vroegere platenfirma Assekrem. Ook een verzameling, maar dan van hun duetten, wordt het album “Wijsjes, walsen en bolero’s oftewel 15 jaar alle hits” eveneens op het Assekremlabel. Naar aanleiding van die 15 jaar wordt er de tiende september 2005 op de Grote Markt in Sint-Niklaas uitbundig gevierd in het gezelschap van Miek & Roel, Roland, Liesbeth List en Bart Herman. Om stevig door te kunnen stappen noteren wij in 2006 de duetten Koopvanalles en k Heb je lief om twee jaar later aan te belanden bij het album “Parfum Tzigane”. Getroffen door de muziek van de film ”Gadjo Dilo” dromen Erik en Sanne ervan om een plaat te maken in de gipsysfeer. Vooral na het samen schrijven van het nummer Kleine Maartje waarbij Erik onmiddellijk een arrangement met echte zigeunermuzikanten in zijn hoofd hoort. Via het Roemeens huis in Brussel komen ze dan terecht bij Raluca Patuleanu, die hen het kruim van de in België verblijvende Hongaarse en Roemeense zigeunermuzikanten leert kennen. Erik, die de productie doet, laat zich assisteren door de getalenteerde Wigbert Van Lierde en trekt met de ganse bende, zes muzikanten sterk, naar studio Motormusic in Koningshooikt.  Voor Erik wordt dit zowat zijn levenswerk. Alles moet wijken voor dit project. Zijn zigeunermuzikanten kunnen een fantastische sfeer neerzetten – als ze er zin in hebben – maar niet allen zijn ze klassiek opgeleid en dus moet er ontelbare uren gerepeteerd worden om de nummers feilloos op plaat en op het podium te kunnen neerzetten. Deze periode vergt erg veel van hem en die stress zal hem nadien nog nadelig parten spelen. Het valt op dat Sanne intussen de pen ter hand heeft genomen en samen met haar man naarstig nummers heeft geschreven voor deze toch wel aparte plaat. Oh Maria wordt als lokkertje in de markt gezet. De respons op het album is méér dan behoorlijk al is het toch wel even wennen na al die speelse liedjes en lichtvoetige liedjes van voordien. Toch keren zij de rug niet naar hun vorig repertoire, integendeel. Erik lust van huis uit graag een portie degelijke schlagers en is in de wolken, want hij mag tijdens het Schlagerfestival op 3, 4 en 5 april 2009 in de “Ethias Arena” van Hasselt de affiche delen met zijn idool Will Tura met voorts op de affiche Laura Lynn, Willy Sommers, Christoff en De Romeo’s.

Erik en Sanne waren intussen scheep gegaan met Patrick Vandewattijne, een tijdlang manager geweest van Laura Lynn. Die zorgt ervoor dat zij nauw gaan samenwerken met producer Phil Sterman. Er wordt opgenomen in de Cook Studio met muzikanten als Eric Melaerts, Jean Blaute, Vincent Pierins en Frank De Ruyter. Patrick houdt eraan als single uit te pakken met een cover van Nachts kommt die Erinnerung van de Duitse schlagerzanger Helmut Frey. s Nachts komt de herinnering wordt als voorbode van het  album  ”Vertrouwen” in de markt gezet. Patrick verzint meteen een nieuw genre om zijn poulains in de kijker te plaatsen “de kleinkunstschlager”. Dat project komt ergens wat ongelegen, omdat Erik volop bezig was met “Parfum Tzigane”. Erik smijt zich met volle goesting in deze tweestrijd: aan de ene kant zijn zigeunerproject boordevol eigen liedjes en aan de andere kant de gepolijste schlagers. Zo heeft hij het graag, van meerdere walletjes kunnen snoepen. Maar deze dynamiek heeft ook een keerzijde. Het ongeluk loert dan al om de hoek. Erik en Sanne vertrekken met hun dochter eind juni 2009 voor tien dagen met vakantie richting Zuid-Frankrijk. De tiende juli komen zij ‘s avonds laat terug thuis aan. ‘s Anderendaags hebben zij een optreden in het Cultureel Centrum van Zoutleeuw. Erik wil dat koste wat het kost nog voorbereiden, zijn e-mails doornemen enz… Om half acht ‘s ochtends voelt hij een onhoudbare pijn in zijn hoofd. Hij wil dat wegwuiven, maar Sanne neemt het ernstig en zorgt dat hij op de spoedafdeling aanbelandt waar de dokters een hersenbloeding vaststellen meteen nadien gevolgd door een beroerte. Erik is hoogdringend aan rust toe. Ontspanningstherapie moet ervoor zorgen dat hij snel weer beter wordt.  Op dat moment beslissen Erik en Sanne het na de zomer qua optredens rustiger aan te doen. Ondanks al die tegenslagen ligt de vijftiende september hun nieuw album “Vertrouwen” in de winkel als extraatje bij het weekblad “Story”, die zelf voorstelden de kosten voor de hele productie te dragen. Dat was een uniek aanbod waar Erik en Sanne heel blij mee waren en dat ze niet aan zich wilden laten voorbijgaan zeker ook omdat de grote hits van voordien een beetje achterwege waren gebleven. Voor een meerprijs van € 6,90 krijgen de Storylezers het gloednieuwe album van E&S. Meer dan 10 000 lezers schaffen zich het album aan. Nadien komt het ook nog aan full price in de winkels. Erik en Sanne zijn weer hot en in het Stadhuis van Sint-Niklaas krijgen ze een gouden album uitgereikt. Naast originele nummers, geschreven door Erik en Sanne zelf, staan er op dit album ook Nederlandstalige bewerkingen van Duitse liedjes, onder andere Ich zeige dir mein Paradies van Andrea Jürgens, Ein Leben lang van Helmut Frey, Zwei weisse Pferde van Nic en de titelsong Vertrouwen, een vertaling van Vertrauen van de Kastelruther Spatzen.

Wat niemand verwacht, gebeurt toch. In de zomer van 2010 wordt Erik getroffen door een tweede hersenbloeding. Tijdens een optreden in Gits krijgt Erik weer te kampen met hevige pijn in het hoofd. Hij zet het optreden gewoon voort en vertrekt diezelfde avond nog op vakantie richting Zuid-Frankrijk. Daar zit er niets anders op dan tien dagen in bed te blijven liggen. Terug thuis stellen de dokters op een scan vast dat er zich een tweede bloeding heeft voorgedaan, op een andere plaats dan de eerste keer, ditmaal ten gevolge van een gesprongen cavernoom. Met de eerder gestelde mogelijke diagnose RCVS , reversible cerebral vasospasm syndrome, met als belangrijkste symptoom een onhoudbare,  kloppende pijn, wordt nu geen rekening meer gehouden. Erik moet elke vorm van spanning vermijden.

In 2011 wil Sanne hem – na al deze ellende – een onvergetelijk verjaardagscadeau bezorgen voor zijn 60ste verjaardag. In het geheim contacteert ze alle muzikanten van Pendulum, Raymond Van het Groenewoud en Johan Verminnen voor een eenmalige reünie. Het wordt een schitterend concert. Een paar dagen later wordt Erik geopereerd aan 2 hernia’s in de nek in de hoop daarmee een deel van de pijn te kunnen wegnemen. Hoewel perfect uitgevoerd brengt deze operatie geen soelaas. De komende maanden werken Erik en Sanne de uitgestelde concertreeks af met groot succes. Overal uitverkochte zalen! Maar de stress en de inspanningen die deze concerten onvermijdelijk met zich meebrengen wegen zwaar.

 

In de maand september van 2011 beslissen hij en Sanne om op 30 september 2012 hun laatste concert te geven. Ze denken eraan om ook nog een allerlaatste single als afscheid op te nemen. Maar in de maand november 2011 krijgen ze de unieke kans aangeboden in Amerika te gaan opnemen en die kans wil Erik met beide handen aanpakken. Zij gaan opnemen in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin, Texas met als producer Carrie Rodriguez. Weg zijn de schlagers, er wordt duidelijk gekozen voor countrygetinte songs zoals Jas met duizend kleuren van Dolly Parton, Jouw naam van Chip Taylor en De wind in het riet van Graham Parsons. Ook Sanne en Erik reiken liedjes aan samen met Willy Smets en Marc Van Caelenberg. Er wordt zelfs een nieuwe versie van Veel te mooi ingeblikt. Erik en Sanne worden in de studio omringd door gerenommeerde sessiemuzikanten zoals Luke Jacobs, Brannen Temple, Joel Guzman en violiste Carrie Rodriguez. Zij is in hoofdzaak een singer-songwriter, dochter van countryster David Rodriguez die het klappen van de zweep kent. Wie Jouw naam beluistert, hoort dat Erik heel dicht in de buurt komt van een liedje als Stille Brieven. Hij beseft dat de cirkel rond is. Hij heeft het dan ook niet echt moeilijk om samen met de release van het album “De fantastische expeditie”  dat de twaalfde juni 2012 aan de pers wordt voorgesteld, duidelijk te stellen dat zij er stilaan mee gaan ophouden. Ook Sanne staat volledig achter die beslissing.  Enkele maanden na de release van het album delen  Erik en Sanne op hun site met de nodige trots aan hun fans mee dat het album méér dan tienduizend keer aan de man werd gebracht.

Zondag de dertigste september 2012 geven Sanne en Erik in “De Roma” in Borgerhout hun laatste optreden. De zaal zit nokvol. Erik laat zich omringen door een aantal bekenden waaronder Miek en Roel, die hun een gouden plaat uitreikten voor meer dan 10 000 verkochte exemplaren van “De Fantastische expeditie”, en soliste Carrie Rodriguez samen met gitarist Luke Jacobs. Ook dochter Maartje mag heel even laten horen dat zij voor een groot deel de stem van haar mama heeft geërfd. De dag nadien ziet Erik heel even het zwarte gat voor zich opdoemen, maar herpakt zich snel, duikt in zijn hobby als kunstliefhebber en gaat zich ernstig bezighouden met de carrière van zijn dochter die in 2013 op hun eigen ENS (Erik en Sanne) label, opgericht in 2004, verdeeld door CNR, haar album “Eerste dauw” aflevert. Erik heeft de productie volledig in handen genomen. Opgenomen wordt er in de studio van Phil Sterman. Het eerdere My Songbird geregistreerd in de “Cedar Creek Recording Studio” in Austin wordt eveneens aan het album toegevoegd. Erik mag dan zelf niet meer optreden, schrijven doet hij nog steeds en dat samen met Sanne. Zij leveren beiden het merendeel van de nummers. Erik heeft ook ENS Music opgericht zodat hij voortaan het management van Maartje onder volledige controle heeft. De grootste droom die hij nog  koestert is dat Maartje het in de muziekwereld zal waarmaken en dat Sanne op haar beslissing terugkomt en opnieuw zal optreden, al is het in duet met hun dochter. En mocht het enigszins kunnen dat hij zelf nog eens mag en kan optreden, want hoop doet nu eenmaal leven!

En ja hoor, hij keert terug naar het podium. Op 14 maart 2015 is het precies 25 jaar geleden dat Erik en Sanne hun doorbraakhit ” Veel te mooi” opnamen. Voor Erik mag dit niet zomaar ongemerkt voorbijgaan. 28 en 30 april staan hij en Sanne op het podium van het Sportpaleis in Antwerpen tijdens “Houden van… Griffelrock” met vijfentwintig liedjes die we met z’n allen kennen en voor een groot deel kunnen meezingen: Het huis dat tussen rozen stond, Land van ons twee, Aan mijn darling, Ticket naar Eden en natuurlijk Veel te mooi. Erik en Sanne nodigen ook een aantal collega’s uit waaronder: John Terra, Heintje, Jo Vally, presentator Luc Appermont en natuurlijk hun dochter Maartje Van Neygen.

Inmiddels lijkt het dat Erik terug is van weggeweest. De 24ste januari 2017 lanceert hij nog eens een nieuwe single. Genieten van het leven schreef hij samen met zijn vrouw Sanne. Erik hield zich de voorbije jaren hoofdzakelijk bezig met productiewerk en liedjes schrijven voor dochter Maartje. Hij kreeg de voorbije maanden de vraag om een aantal akoestische solo-optredens te verzorgen en zo vond hij de kracht terug om deze nieuwe solosingle op te nemen. Hij dook hiervoor de studio in samen met de muzikanten Rens Van Der Zalm, Julien Metten en Filip Martens. Erik stond zelf in voor de productie en Sanne nam de backing vocals voor haar rekening. Erik Van Neygen gaat in het najaar van 2017 op tournee met “The Vintage Club”. Samen met Roel Van Bambost en Hans De Booy. Zo stonden ze de 6de oktober al te zingen en te musiceren in GC “De Muze” van Meise. Drie decennia kleinkunstenaars samen op één podium, drie singer-songwriters brengen hun songs van de vorige eeuw. Ze bewijzen daarmee dat mooie muziek tijdloos is. U herkent ongetwijfeld vele nummers, maar u zal ook vergeten pareltjes ontdekken. Alle drie hebben ze een verhaal te vertellen, elk in zijn eigen stijl, folk, country en chanson. Ze brengen ook een nummer van hun grote idolen. Ze begeleiden zichzelf en elkaar, ondersteund in een akoestische bezetting door twee muzikanten (gitaar en piano). De 4de november 2017 is er als smaakmaker de single Fiets, een cover van Girl on a bicycle van Ralph McTell, dat al eerder vertaald werd door Herman Van Veen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2017 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I heard it through the grapevine

30 november 1968 was het groot feest ten huize van Tamla Motown. Die dag stonden Diana Ross and The Supremes op één in de Amerikaanse Top Honderd met Love Child. Zij zouden twee weken na mekaar aan de top prijken. Toen vond Marvin Gaye het welletjes en nam de fakkel zeven weken na mekaar over met de grootste hit die hij in zijn carrière zou scoren en dat met het door Norman Whitfield en Barrett Strong geschreven I heard it through the grapevine, een Motownklassieker met een toch wel aparte geschiedenis.

Er wordt constant over het hoofd gezien dat precies een jaar eerder Gladys Knight and The Pips een hit hadden gescoord met hun versie van I heard it through the grapevine. Dat was de zestiende december 1967. Zij zouden echter niet op één geraken, want daar stonden The Monkees vocaal op te scheppen met hun Daydream believer en namen The Beatles het meteen van hen over met Hello Goodbye. Gladys moest tevreden zijn met een tweede plaats in de Top Honderd , maar dan wel drie weken na mekaar en dat was dan toch een muzikale zalf op zere wonde. I heard it through the grapevine was hun derde single voor Tamla Motown en zij wisten van meet af aan dat het een ijzersterk nummer was. Toen zij de demoversie in handen kregen, zetten zij alles op alles om er een geweldige versie van te maken. De plaat kwam binnen op de vierenzeventigste plaats in de charts en deed er acht weken over om naar de tweede stek door te stoten. Door dit succes kregen Gladys Knight and The Pips almaar meer optredens aangeboden. Gladys vond het dus niet leuk toen zij een jaar later hoorde dat Marvin Gayes versie zou worden vrijgegeven. Zij was niet zozeer boos op Marvin die zij alle succes gunde, maar wel op platenbaas Berry Gordy Jr. die Marvins versie niet een jaar of twee later had uitgebracht zodat zij nog wat van hun succes konden profiteren. Gladys weet nog goed dat zij met de groep in de lounge van het Flamingo Hotel in Las Vegas zaten toen zij het nieuws vernamen dat Marvin Gaye op één stond, de plek die zij het jaar voordien ook zo graag had ingepalmd.

De idee voor het liedje ontstond toen tekstschrijver Barrett Strong langs Michigan Avenue in Chicago wandelde en de mensen regelmatig de uitdrukking “I heard it through the grapevine” hoorde gebruiken. Grapevine is in deze context een verwijzing naar de telegraaf. Het wordt als een soort slang gebruikt om te verwijzen naar nieuwtjes, roddels eigenlijk, die men via via heeft opgevangen. En die term verwerkte Barrett dus in I heard it through the grapevine, een song over een man die zich door zijn vriendin bedrogen voelt nadat hij aan de weet is gekomen via praatjes die her en der de kop opstaken dat zij hem met iemand anders bedriegt.

De zesde augustus 1966 nam Norman Whitfield de song voor het eerst op met Smokey Robinson and The Miracles en had hij ook plannen om het met The Isley Brothers in te blikken. Maar die opname heeft nooit plaatsgehad. Berry Gordy jr. vindt die versie van Smokey niet sterk genoeg om als single uit te brengen en zijn wil is wet! In 1968 duikt die song wel op op hun elpee ” Special Occasion”. Een volgende poging is de versie die hij in het vroege voorjaar  van 1967 opneemt met Marvin Gaye die Berry Gordy Jr. ook niet je dat vindt én de derde poging is die met Gladys Knight and The Pips. Die versie mag van Berry Gordy Jr. dus wél op single verschijnen.

Maar laten we ons nu even concentreren op de hitversie van Marvin Gaye. De derde februari 1967 neemt Marvin Gaye zijn eerste versie op van I heard it through the grapevine, maar Norman Whitfield is verre van tevreden. Er volgen nog vier pogingen. Die van de tiende april is bingo. De stem van Marvin wordt nadien aangevuld met de backings van The Andantes en nog wat extra begeleiding door The Funk Brothers, de vaste band van Tamla Motown. Norman vindt dat er ook wat strijkers aan toegevoegd mogen worden en laat Paul Riser de arrangementen schrijven en organiseert een aparte sessie met The Detroit Symphony Orchestra. De opname met Marvin loopt in het begin niet zo vlot omdat Norman erop staat dat Marvin een toon hoger zingt. Hij weet dat dat een beter effect zal hebben. David Ruffin van The Temptations had die klus al eerder geklaard tijdens de opname van Ain’t too proud to beg. Marvin geeft uiteindelijk toe. Hij wordt tijdens die opname in de studio naast de reeds eerder genoemde namen, begeleid door organist Earl Van Dyke, drummers Richard Allen en Benny Benjamin, toetsenist Johnny Griffith en de  gitaristen Eddie Willis en Joe Messina.

In september 1968 vinden wij I heard it through the grapevine terug op het album “In the Groove” dat Marvin Gaye uitbrengt. Links en rechts pikken diverse deejays die song meteen op en rijst de vraag naar een singleversie. Berry Gordy Jr. kan dan ook niet anders dan de dertigste oktober 1968 het nummer op single vrij te geven. Van de veertiende december 1968 tot de vijfentwintigste januari 1969 blijft Marvin Gaye op één staan in Billboard’s Hot One Hundred. Het is op dat moment de grootste hit ooit worden voor het Tamla Motown Label. Een record dat staande blijft tot The Jackson Five twintig maanden later die eer glorieus en eervol overneemt met hun hit I’ll be there.

Met I heard it through the grapevine scoort Marvin zijn achttiende hit voor Tamla Motown. In Engeland staat hij de twaalfde februari 1969 op één, in Nederland zit er vreemd genoeg geen hogere notering in dan de vijfentwintigste plaats in de Top Veertig. Bij ons zal Gaye pas met dat nummer scoren in de zomer van 1986 wanneer het opnieuw wordt uitgebracht naar aanleiding van de re-release die opduikt in een tv-commercial van Levi’s Jeans met daarin als knappe jongen niemand minder dan Nick Kamen.

Nadien zullen er enkele geslaagde covers worden opgenomen door onder meer Ike & Tina Turner, Elton John en het orkest Paul Mauriat. Vergeten we vooral de hitversie niet van de Duits-Engelse band Soultans met voorop de opvallende stem van Marvin Broadie die in 1996 al eens raak schoten met Can’t take my hands off you en het jaar nadien in de Europese hitlijsten opvallen met hun versie van I heard it through the grapevine.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

John Terra

John werd de eenentwintigste juni 1951 in Hasselt als Johnny Terwingen geboren in een gezin van drie kinderen. John heeft nog twee jongere broers, Roger en Ludo. Pa was huisschilder, een vrij stille man die zich ooit nog aan cabaret waagde en mama hield het huishouden nauwgezet in de gaten. Zij was erg  muzikaal, zij floot graag een deuntje. Een paar ooms langs moeders kant, de nonkels Jef, Jean en Albert, hadden een eigen orkest, The Ramblers (niet te verwarren met hun Nederlandse naamgenoten). Niemand van die ooms kon muziek lezen. Thuis legden zij dan de nieuwste platen op en speelden die na op het gehoor zodat zij in het weekend wanneer zij gingen optreden weer kersvers materiaal hadden.  John mocht van kindsbeen af met hen elke week mee naar die repetities en daar kreeg hij snel de smaak te pakken, vooral omdat zijn ooms ook goed konden zingen. Na de lagere school aan het Heilig Hart College in de Zandstraat in Maasmechelen trekt John naar het Atheneum in Eisden. Daar konden de leraren best wel pruimen dat John in zijn vrije tijd veel met muziek bezig was. Hij trad toen al op tijdens de in die tijd populaire crochetwedstrijden. John is zeven wanneer hij naar muziekhandel Driesen in Maasmechelen trekt om daar bij een leraar akoestische gitaar te leren, maar hij wacht tot zijn vijftiende vooraleer hij pas echt met notenleer begint, maar dan wel tegen een sneltreinvaart. In Genk gaat John iets later klassieke gitaar studeren. Hij leert ook als geen ander in ijltempo arrangeren, want het componeren zit hem in het bloed. Hij is amper twaalf wanneer hij al zijn eerste liedje schrijft, in het Frans nog wel, want Salvatore Adamo is op dat moment zijn grootste idool. Dat eerste liedje heet Dans tes yeux.  Met dit nummer doet John aan haast elke crochetwedstrijd in Limburg mee. Op aanraden van pastoor Wellens schrijft John zich in voor een wedstrijd georganiseerd in de parochiezaal van zijn gemeente. Dat optreden kent zo’n succes dat John vanaf zijn dertiende aan haast elke wedstrijd meedeed die er in Limburg maar georganiseerd werd. Zijn ouders waren niet zo’n gangmakers van welke ambitie ook. Zij legden nooit druk op hun kinderen, zij lieten eerder hun kinderen hun gang gaan. Op zekere dag moet hij in Nederlands – Limburg optreden. De vereiste is dat hij zich inschrijft onder zijn artiestennaam. Hij neemt het eerste  deel van zijn  familienaam Terwingen en het eerste deel van de familienaam van zijn moeder, Ramaekers, en de artiestennaam John Terra is geboren. De Nederlanders vinden het geweldig dat een Vlaming bij hen in het Frans komt zingen.

Tijdens een crochetwedstrijd in Kuringen ontmoet John voor de eerste keer Jan Theys, maar Jan heeft op dat moment geen tijd om zich met de carrière van John bezig te houden . Theys schreef in die tijd al veel teksten voor liedjes onder zijn schuilnaam Yan Nick. In Sint-Truiden wordt een paar maanden later een wedstrijd georganiseerd door het kleine platenlabel Gerda Records. John wint die wedstrijd en mag zijn eerste singletje opnemen samen met accordeonist Jean Menten, tevens eigenaar van het Gerda label  (genoemd naar de vrouw van Jean Menten). Als eerste single komt in 1968 Dans tes yeux aan bod gekoppeld aan Je n’oserai plus. De arrangementen werden geschreven door Leo Caerts, bekend van de hit Eviva España. en in die tijd leider van het begeleidingsorkest van Will Tura. John was méér dan in de wolken door die samenwerking. Wie op eBay gaat zoeken, kan het plaatje Dans tes yeux hier of daar nog op de kop tikken. John is dan nog maar zeventien, zit in zijn voorlaatste jaar in de middelbare afdeling en houdt de school voor bekeken. John trekt dan naar het conservatorium in Brussel om muziek te gaan studeren. Voor dat Gerda label zal John nog een aantal liedjes in het Frans opnemen zoals Adieu, Je t’aime en  Fille de mes rêves, maar het succes blijft beperkt tot de familie Terwingen, vrienden, kennissen, de  Maaskant en omstreken. John liet zich in die tijd begeleiden door het orkest van zijn ooms, The Ramblers. Om z’n actieterrein uit te breiden gaat John op zoek naar een nieuw orkest en komt terecht bij The Dynamites uit Sint-Truiden. Tijdens een optreden in Turnhout ontmoet hij de bekende impresario Robert Bylois, oprichter van het Beneluxtheater en manager van Salvatore Adamo. Robert was ook een Limburger afkomstig uit Diepenbeek. Het klikt meteen tussen hen beiden. Hij nodigt John een week later uit op zijn kantoor in Brussel en na een korte babbel neemt Bylois meteen telefonisch contact op met platenfirma EMI.  Die waren in 1970, na het plotse overlijden van zanger Danyel Dirk, op zoek naar nieuw talent. Dirk had in 1969 een vette hit te pakken met Als je de taal van de liefde verstaat, twee weken op één tijdens de maand februari van dat jaar en iets later, tijdens de maand juli, met Er stond een regenboog. Jan Theys was toen de vaste tekstleverancier voor Dirk. De achtentwintigste augustus 1969 overlijdt hij op weg naar huis na een optreden in Antwerpen aan de gevolgen van een zwaar auto-ongeval.  Een week na die telefoon van Bylois, wordt John uitgenodigd in de EMI studio aan de Koolmijnkaai in Brussel en neemt daar samen met een pianist enkele liedjes op. Meteen nadien krijgt hij te horen dat hij voor die auditie geslaagd is en krijgt een platencontract aangeboden.

John weet met zijn vreugde geen weg. Er moet dringend een plaatje worden opgenomen, maar alle studio’s in Vlaanderen zijn bezet. Dus trekken zij naar Nederland, naar Hilversum en nemen daar in één dag het nummer op, orkest, zang en mixing inbegrepen. De keuze valt niet op een eigen song van John, maar wel een vertaling van de hit Wight is wight, in Frankrijk op dat moment een gigantische hit voor Michel Delpech die het chanson ook zelf had geschreven. Voor de Nederlandse tekst zorgde Patrick Ruymen. De veertiende februari 1970 staat John met zijn versie op de vijfde plaats in de Vlaamse Top Tien. Het singletje wordt ook vlot door Radio 2 opgepikt en vaak gedraaid.

Die eerste singles van John zouden bijna allemaal vertalingen worden van bekende hits, zoals ook Parking Rosie, een vertaling door Yan Nick en Marc Stelvio van Cracklin’ Rosie van Neil Diamond. Dit nummer eindigt in de Vlaamse Top Tien van 1970 op de tweede plaats. Minder vlot gaan de singles Na na na (‘t verleden), In de duinen en Mooie blauwe ogen van de hand. De laatste single die John voor EMI inblikt is Een deuntje uit de oude doos, een vertaling van Breakin’ up is hard to do van Neil Sedaka, vertaald door Penny Els, alias Els Van den Abbeele. Dat nummer werd aan John doorgespeeld door de toen nog piepjonge producer Yves De Vriendt. Yves had voor John trouwens het liedje Mooie blauwe ogen geschreven en had ook nog voor Joe Harris en Ronnie Temmer gewerkt.  De dertigste januari 1972 geraakt John met dit nummer nog net binnen de Vlaamse Top Tien en houdt daar halt op plaats negen. Bij EMI wordt er van directie gewisseld en dat vond John jammer. De nieuwe wind die er waaide, zinde hem niet. Het is Jan Theys die John iets later voorstelt aan Jean Klüger die op dat moment in de studio bezig is samen met Will Tura aan het nummer Droom niet meer. De week voordien had Theys hem al de elpee die John Terra voor EMI had opgenomen, laten horen, dus Jean wist wie er voor hem zat toen zij in een restaurant in Brussel een mogelijke platendeal met John bespraken. De eerste vraag die hij aan John stelt is of hij eigen songs schrijft. Er wordt afgesproken dat John hem een democassetje bezorgt met enkele opnamen. Hierop reageert Klüger zeer positief. Twee liedjes staan hem erg aan die hij meteen doorspeelt aan Jan Theys die er gelijk ook de teksten voor schrijft. John maakt van dan af deel uit van het door Jean Klüger opgerichte Biram platenlabel. Iemand heeft je pijn gedaan dat hij samen met Jean schrijft op tekst van Yan Nick (pseudoniem voor Jan Theys) bereikt in de maand maart van 1973 de zesde plaats in de BRT top dertig. In de Vlaamse Top Tien houdt John het bovenaan drie weken na mekaar vol. Voor dit liedje had John zich qua stemtimbre laten leiden door de hit Sylvia’s Mother van Dr. Hook. John zong namelijk tijdens zijn live-optredens zowat al de hits van Dr. Hook.  Hij had Iemand heeft je pijn gedaan bij hem thuis op zijn slaapkamer in Maasmechelen geschreven.  Voor de opname was John naar de studio in de Rue de la Madeleine in Brussel getrokken met vijf muzikanten om zich heen , de jongens die een deel van de J.J. Band vormden: Bruno Castellucci en Ralph Benatar om er een paar te noemen. Ter plaatse werd het arrangement bedacht. Van Iemand heeft je pijn gedaan zal John zelf ook een Franse versie inzingen als Un garçon t’a fait pleurer in Frankrijk gecoverd door Jacques Amar die in de jaren zeventig in Canada hits scoorde met chansons zoals Adieu la vie, adieu soleil en J’avais écrit ton nom.  Intussen was Terra zo bezeten door muziek dat hij zich inschrijft aan het conservatorium in Brussel. Hier ging John zich verder specialiseren in notenleer en klassieke gitaar. Hij hield dit vol tot hij zo’n vijftentwintig optredens per maand had af te werken. Toen werd het kiezen geblazen en koos hij voor zijn carrière als beroepszanger.

De daaropvolgende single Is er een ander (tussen jou en mij) doet het enkele maanden later opnieuw beregoed, er zit zelfs een top drie hit in de toenmalige Top Dertig in. In de Vlaamse Top Tien blijft John zelfs zes weken na mekaar op één genoteerd. Er was eerst het stroofje dat John schreef met in zijn achterhoofd de stem van Elvis Presley. Hij krijgt geen refrein verzonnen en geeft het bandje mee aan Jean Klüger die het op zijn beurt meeneemt naar zijn huis in Parijs waar hij op zijn elektrisch Hohner-orgeltje het refrein bij mekaar schrijft. Van Is er een ander zullen later enkele versies bekend worden, onder andere gezongen door Laura Lynn en op accordeon vertolkt door The Sunsets. In de jaren negentig maakte Lotti het liedje onsterfelijk door er een Engelse tekst bij te schrijven en het in te blikken als I Should Have Known.

En John heeft de smaak goed te pakken, want in 1974 pakt hij uit met het zomerse A la Espagnola, een overduidelijke blauwdruk van het in die tijd razend succesvolle Eviva España. John was bezig aan de opname van zijn eerste elpee voor Klüger in Studio Morgan in Brussel, eigendom van Roland Klüger, de broer van Jean. John had de tekst al eerder gekregen van Jan Theys en terwijl hij de tekst las, hoorde hij gelijktijdig in zijn  hoofd de melodie. De eenentwintigste april 1974 staat John met dit nummer op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Had Samantha toen geen hit gescoord met Eviva España dan had er voor John en A la Espagnola veel méér ingezeten, want Jean voorspelde het een grote hit. Nadien brengt Terra bij Klüger nog nummers op single uit zoals Vergeet niet te schrijven, Als het niet meer anders kan en Rosanna. Dit laatste was in Frankrijk een hit voor de toenmalige echtgenote van Sheila, Ringo die met dat nummer een grote hit te pakken had. Het was Jean Klüger zelf die deze song samen met Daniël Vangarde had geschreven. Klüger zou trouwens samen met Vangarde een rist hits schrijven voor The Gibson Brothers, Ottawan en La Compagnie Créole. Voor de vertaling van Rosanna zorgde ook deze keer Yan Nick.

In 1976 stapt John bij Klüger op. De overgang van Studio Madeleine naar Studio Morgan had John slecht verteerd. In Studio Morgan werd hij te vaak geconfronteerd met kinderziektes, een nieuwe studio eigen. Dat stoorde hem als perfectionist in zijn manier van werken. Hij bespreekt dit met Klüger en zij  besluiten hun samenwerking stop te zetten. John stapt over naar Philips en komt bij hun producer Romain De Smet terecht, die van BASF was overgekomen en in de tijd samenwerkte met zangeres Cindy, met wie hij enkele niet onaardige singles opneemt  in de studio’s van Sylvain Tack waaronder  Verliefd voor de eerste keer, een liedje geschreven door John samen met Yan Nick en Ramon Smith en met op de B-kant Wacht tot het donker is.  In de Vlaamse Top Tien van dat jaar zit er slechts een zesde plaats in. Welkom thuis wordt vervolgens op 45 toeren uitgebracht en is intussen een rariteit geworden. Het werd toen ook door Philips op de verzamelaar “De 13 beste van radio en tv” uitgebracht samen met Fats Domino, Marianne Rosenberg en Vicky Leandros. What nu my love (niet te verwarren met What now my love van Gilbert Bécaud) van de hand van John, Yan Nick en Guillaume Maes in een arrangement van Freddy Sunder en een productie van Romain De Smet, uitgebracht bij de start van 1977,  kan je bezwaarlijk een kanjer noemen en is zeker niet te vergelijken  met  zijn voorgaande successen. Achteraf beseft John dat die overstap wel degelijk een misstap in zijn carrière is geweest.

Stilaan glijdt John Terra weg uit de belangstelling.Van 1977 tot 1981 neemt hij zelfs geen enkele plaat meer op. Dankzij Xavier Maesen die in Johns orkest speelt en in zijn vrije tijd sessiemuzikant is in de studio’s van Johnny Hoes komt John in contact met deze Nederlandse schlagergoeroe. Die neemt hem mee naar z’n kantoor en laat hem daar twee nummers horen. Een van die liedjes is Am Tag als die Sonne nicht mehr kam dat op dat moment een dijk van een hit in Duitsland is voor de zanger van Griekse origine Costa Cordalis. Hoes weet John te overtuigen dit liedje op te nemen, maar staat erop dat hijzelf de tekst schrijft. Op een moment dat de Vlaamse schlager wat in het vergeetboek is geraakt, lukt het John Terra in 1981 met De dag dat het zonlicht niet meer scheen zeven weken lang op nummer 1 te staan in de Vlaamse Top Tien, kortom het wordt een monsterhit en een ongelooflijke comeback. In de BRT Top Dertig zit er een twaalfde plaats in. Compleet gehuld in een new-wave-jasje pakt Marcel Vanthilt samen met zijn groep Arbeid Adelt op tekst van Max Alexander en David Salomon iets later uit met een parodie op dat nummer. Terra kan er smakelijk om lachen.

Joe Harris zat op dat moment ook bij Hoes onder contract en had een gouden hit te pakken met Drink rode wijn, doodleuk afgekeken van Udo Jürgens’ Griechischer Wein.  Joe was door het management van het “Casino van Middelkerke” aangezocht om de Limburgse ploeg voor de “Baccarabeker” te coachen en hij doet een beroep op John Terra die dat eerst niet ziet zitten, maar uiteindelijk toch toehapt samen met Chrissy en het duo Beau Regard. Zij eindigen totaal onverwacht als overwinnaars. Bij Johnny Hoes beleeft John Terra een toffe periode, want de volgende hitsingle Ik weet niet waarom, een vertaling van een Italiaanse hit op tekst van Erik Van Neygen, wordt eveneens  een Vlaamse nummer 1. Van Neygen en John gingen aankloppen bij de Italiaanse zanger Nicola di Bari die in 1971 het door Franco Migliacci geschreven Il cuore è uno zingaro had geschreven. Met dit liedje won Nicola het San Remo Songfestival. Van Neygen bleef wel  uit de letterlijke buurt van de originele tekst,  want de Italiaanse titel heeft het over Het hart is een zigeuner. De tweeëntwintigste mei 1982 stoot John met deze cover door naar de achtentwintigste plaats in de BRT Top Dertig.

De jaren tachtig worden voor John niet alleen een periode van singles opnemen, maar ook een periode van achter de schermen werken, iets dat hem uitstekend afgaat. Hij gaat in 1985 zelf de Limburgse ploeg coachen tijdens de Baccarabeker, sleept datzelfde jaar de Radio 2 Zomerhit in de wacht met het nummer Ik voel me zo verloren. John gaat opnieuw op verzoek van  Jean Klüger voor diens firma  werken en doet in 1987 mee aan Eurosong waar hij derde wordt met het liedje Champagne voor iedereen. Dat jaar komen elf kandidaten in aanmerking voor een kans op deelname aan het Eurovisiesongfestival. Bart Kaëll wordt tweede met Carrousel en John legt beslag op de derde plaats. Het is Liliane Saint-Pierre die met Soldiers of Love naar onze hoofdstad mag afzakken. Liliane zal op de elfde plaats eindigen. De overwinning gaat naar Ierland dat Johnny Logan had afgevaardigd met Hold Me Now. John schreef Champagne voor iedereen samen met Nelly Byl terwijl Pino Marchese voor de arrangementen zorgde. De tweede mei 1986 staat John met geheven glas op de derde plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 1991 houdt die samenwerking met Klüger op. John was door omstandigheden volledig zijn zelfvertrouwen kwijtgeraakt  en komt  bij platenfirma Assekrem terecht wat uitmondt in een rist singles. Maar Terra vertelt aan producer-eigenaar van het label Erik De Blende dat hij méér wil zijn dan alleen maar zanger. Hij wil ook produceren en liedjes schrijven, nieuw talent ontdekken en zelf een beetje achter de schermen verdwijnen. Dat neemt niet weg dat hij nog regelmatig in de spots opduikt, onder andere in 1988 wanneer hij tijdens Zomerhit, georganiseerd door Radio 2, de “Zomerhittrofee” in ontvangst mag nemen voor het beste Nederlandstalige lied van dat moment Ik zie je nooit meer  geschreven door Mike Egan op tekst van Nelly Byl, een ballad door John op een bepaald moment tijdens het refrein met falsetstem gezongen. Een gimmick die niet velen hem in Vlaanderen kunnen nadoen. Datzelfde jaar was hij  Dana Winner tijdens een Limburgse zangwedstrijd tegen het lijf gelopen en neemt haar in 1990 op in de Limburgse ploeg voor de Baccarabeker. In die ploeg zitten ook Johnny Lynn en het duo To Be Louise. Het is het Brabantse team met daarin onder meer Samantha Gilles en B.J. Scott dat met de overwinning aan de haal gaat. In 1989 neemt John met Lady Di in zijn achterhoofd het nummer Diana ik denk aan jou op, door hem samen met Nelly Byl geschreven en goed voor een zesde plaats in de Vlaamse Top Tien. Nog beter slaat het nummer Zonder jou kan ik niet langer leven in 1989 aan. Dit is een vertaling van de Franse hit Trop belle pour rester seule geschreven door Daniël Vangarde en Claude Carrère voor de Franse hitzanger Ringo en vertaald door Yan Nick. Op dat moment brengt John zijn plaatjes uit op het 39°5 Records, één van de vele sublabels van Jean Klüger. In 1993, John kan de uitdaging niet laten, neemt hij nog eens deel aan Eurosong. Er zijn vier voorrondes en één finale met in het totaal veertig deelnemers. Tijdens de tweede voorronde wordt John zesde met het nummer Heel gewoon. Uiteindelijk wint dat jaar Barbara Dex met het nummer Iemand als jij. Heel gewoon verschijnt op het Assekrem label op single als B-kant van Hier gooi ik mijn anker  dat de eenendertigste juli 1993 op de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien mag pronken. John  blijft nadien met de regelmaat van een klok singletjes uitbrengen, maar die scoren iets minder hoog in de hitlijsten: De lente, Laat me nooit meer alleen, Nee ik laat je nooit meer gaan, Ik voel me goed bij jou, Ik mag niet meer van je dromen en Een storm in een glas water. In 1994 krijgt John tijdens de eerste editie van “Zamu Awards” een prijs in de categorie auteur/componist samen met Raymond Van het Groenewoud. John mag terecht fier zijn, want op dat podium staan samen met hem ook nog dEUS, Noordkaap, Axelle Red, Eric Melaerts en de groep Dinky Toys. Het jaar daarop viert John zijn 25-jarige carrière met een reeks feestelijke concerten onder andere de 26ste maart in Maasmechelen onder de titel “Tussen einde en begin”. Om het geheel extra glans te geven, wordt hij de 21ste september van dat jaar tot ereburger van Maasmechelen verheven.

In 1996 beslist John voorlopig een punt achter zijn carrière als zanger te plaatsen en zich volledig als producer te profileren. Bij onder andere Assekrem kan en mag hij zich wat dat betreft een tijdje lekker uitleven. Wij gaan ze niet allemaal opsommen, maar een kleine keuze uit zijn immens groot oeuvre mag bij dezen wel even.  Voor Luc Steeno schrijft John: De Rode Duivels gaan naar Amerika, Hij speelde accordeon en In Marbella, voor Christoff: Dans le jardin de Sainte Cathérine, Een optimist, Kopje Onder en Onder de toren. Hij schrijft ook enkele duetten die Christoff samen met zijn zus Lindsay opneemt: Ik geef je wat ik geven kan, Jij leeft in mij en niet te vergeten We nemen elkaar zoals we zijn. Dana Winner heeft een aantal knappe songs aan John te danken: 1000 keer, In alle dingen, Tranen in mijn hart en Dat gevoel. Voor Helmut Lotti en Bart Kaëll schrijft hij het duet Gek op haar, voor Mama’s Jasje Als God geen vrouw is, voor Micha Marah Kan ik nog geven om jou, voor Eric Flanders Die lach van jou en Ga naar de zee, voor Frank Galan Haar Casanova, voor Yasmine het wondermooie Diep in mij, tot in lengte van dagen een rasechte Vlaamse klassieker. Ook  Willy Sommers gaat bij collega John aankloppen: Een beetje verliefd, In al jouw dromen, Toen kwam jij, Er is geen reden en ga zo nog maar een tijdje door. Voor Kim Kay produceert hij niet alleen, maar schrijft voor haar Abracadabrant en Touche à tout, voor Vanessa Chinitor: Deel mijn leven, Een koffer vol dromen en Een vleugje romance. Voor de verdere details verwijzen wij graag naar de respectievelijke bio’s van de vermelde artiesten.

Geheel onverwachts treffen wij Terra van de zestiende juli tot de vijfde september 2005 aan in “Het Witte Paard” in Blankenberge waar hij optreedt in de traditionele zomerse revue samen met Jan Van Dyke, Franky Boy, Betty en  Patrick Vinx. Meteen na afloop van dat seizoen laat John weten dat dit niet voor herhaling vatbaar is, dat hij zich liever nog wat warm zingt vooraleer hij zich nog eens met zijn eigen repertoire en in een vertrouwde setting aan het publiek wil laten horen. Hij verrast ons dat jaar ook met een nummer van Rowwen Hèze, een groep uit Nederlands-Limburg, en zijn versie van hun hit De neus omhoog geschreven door Jack Poels waarvan hij ook een deel in het dialect zingt als De naas umwog. Het nummer wordt op het Magic Label uitgebracht en verdeeld door EMI. In 2005  treedt John ook toe tot de raad van bestuur van Sabam. Hij zetelt daarin samen met Daniël Ditmar die heel wat teksten voor zijn composities schreef, Hans Helewaut, Johan Verminnen onder het voorzitterschap van Stijn Coninx.

In de concertreeks “Houden Van” mag Terra ook niet ontbreken. In 2007 staat hij in het Antwerpse Sportpaleis op de affiche van “Houden Van, Griffelrock” dat dan toe is aan de zesde editie en gepresenteerd wordt door Marijn Devalck. Op de affiche staan onder meer Armand, Herman Elegast, De Vaganten, Benny Neyman en Sanne. Omdat hij er weer volop zin in heeft, zegt John ook ja tegen de organisatoren van het “Schlagerfestival” in de Ethias Arena in Hasselt dat de vierde, vijfde en zesde april 2008 plaatsheeft. John zingt daar aan de zijde van Garry Hagger, Eddy Wally, Corry Konings, Bart Van den Bossche, Laura Lynn en Frans Bauer. Datzelfde jaar richt hij samen met Margriet Hermans de vereniging VLAPO (Vlaamse Podiumartiesten) op, een vereniging die zich de komende jaren zal bezighouden met de verdediging, het behoud en de promotie van het Vlaamse lied. Zij zullen er onder andere bij de Vlaamse regering en de VRT op aandringen om méér Vlaamse producties op radio en televisie te programmeren. In 2010 mag John, geflankeerd door Will Tura, Frans Bauer, Laura Lynn, Robin Gibb en Engelbert Humperdinck, schitteren op het podium van Rimpelrock in Kiewit-Hasselt.

In 2010 gaat John Terra samen met Patrick Riguelle op tournee. Patrick was jarenlang het huisorkest geweest van “De Laatste Show”. Toen die hem bedankten voor de bewezen diensten, had Patrick plots een zee van tijd om die muzikaal in te vullen. Hij komt samen met John op de idee de vele hits die geschreven werden in de legendarische “Brill Building” in New York wat op te poetsen en in een show te gieten “Songs from The Brill Building”. Songs zoals Girl, you’ll be a woman soon van Neil Diamond, Save the last dance for me van Doc Pomus en Mort Shuman, Baby it’s you van Burt Bacharach, Breakin’ up is hard to do van Neil Sedaka, You’ve lost that loving feelin’ van Barry Mann en Cynthia Weil enz… passeren in deze anderhalf uur durende show de revue gebracht door: John Terra, Patrick Riguelle, Dany Caen, Chris Peeters, Paul Poelmans, Wouter Berlaen en Stoy Stoffelen. De show wordt de 17de september 2010 in de “AB Club” in Brussel aan de pers voorgesteld alvorens langs de Vlaamse culturele centra te trekken. Na een veertigtal shows wordt beslist er een vervolg aan te breien. Om dit verhaal voor de eeuwigheid te bewaren, worden veertien songs uit deze show verzameld op het album “Songs from The Brill Building”. De tweede februari 2012 wordt John samen met Arno gelauwerd door Radio 2 en Sabam tijdens de “Eregalerij” in het Casino-Kursaal van Oostende. Als hommage aan John en aan de liedjes die hij schreef, zingen die avond Isabelle A Liefde is een kaartspel, Barbara Dex Diep in mij, Helmut Lotti Alles wat ik wil en John samen met Patrick Riguelle in duet Is er een ander?

Op Showbizzsite.be lezen wij de negende januari 2013 dat Sergio nieuwe plannen smeedt met John als producer. Bart Herman schrijft speciaal voor hem Je eigen leven. De derde maart van dat jaar staat Sergio op de tweede plaats in de Vlaamse Top Tien. Enkele maanden later verrast hij ons opnieuw met een productie van John Ik kan niet zonder jou. John heeft het plan gesmeed van Sergio een soort Vlaamse André Hazes te maken. De zanger van een nieuw soort levenslied. De negende augustus 2014 prijkt Sergio op twee in de Vlaamse Top Tien met Alleen bij jou, geschreven door Bart Herman en geproduceerd door John Terra.

In de loop van de maand juli 2013 brengt John na een afwezigheid van achttien jaar nog eens een Nederlandstalige soloplaat op de markt, het door hemzelf op tekst van Johan Verminnen geschreven De mooiste dag van mijn leven. Dit liedje verschijnt op het Globe label dat in 2008 door Ilia Beyers was opgericht. Hier namen in het begin Willy Sommers en Luc Steeno hun nummers op alvorens zij met ARS/Universal in zee gingen. Trouwens de eerste single van Luc Steeno uit zijn Adamo-album verscheen toen nog op het label Globe Entertainment.  Sinds een tijdje houdt dit label zich nog uitsluitend met Vlaamse artiesten bezig. Zij hebben besloten dat John op dit label in de nabije toekomst regelmatig een single zal uitbrengen en wie weet zit er op langere termijn ook een album in. Begin september 2014 brengt John Breek je wereld open op single uit, een nummer dat hij samen met Daniël Ditmar en Wim Claes heeft geschreven. De respons is veel minder positief dan verwacht.

 

Anno 2015 staan John Terra en Patrick Riguelle opnieuw op de planken. Deze keer graven ze nog dieper in die Amerikaanse muziekgeschiedenis om er parels uit de befaamde “Tin Pan Alley” op te diepen: evergreens, torch songs én jazzstandards van grote componisten als George Gerschwin, Fats Waller, Irving Berlin e.a. Die schreven in de eerste helft van de 20ste eeuw evergreens voor onder meer Frank Sinatra, Ray Charles, Louis Armstrong, Tony Bennett, Ella Fitzgerald en Peggy Lee. Terra krijgt vocale steun van Dany Caen en een band vol oudgedienden van “De Laatste Show”: Patrick Riguelle (zang, akoestische gitaar en percussie), Chris Peeters (gitaren en zang) en Paul Poelmans (toetsen).

De veertiende juli 2015 verschijnt de nieuwste single van John Terra Neem me mee, vertaling van Désiree van Neil Diamond, geschreven door Geert Vanloffelt. John maakte er een stevige versie van, waarin hij probeerde zijn ganse ziel te leggen. Deze single is de voorbode van een conceptalbum rond liedjes van Neil Diamond. Met het oog op die release liet Terra aan de pers weten: ” Sedert het prille begin van mijn zangcarrière maakte ik er een gewoonte van om in mijn optredens ook Engelstalige songs te brengen. Steevast was er altijd één nummer van Neil Diamond bij. Neil Diamond werd in Amerika ook wel eens de Joodse Elvis Presley genoemd en ik begrijp waarom, want Elvis was mijn schoolvoorbeeld als performer, maar ook als een van de beste zangers ooit. Bij Neil erken ik dezelfde ingrediënten als bij Elvis: een stem die opvalt tussen alle overige stemmen, zeer herkenbaar en een stem die door merg en been gaat. Alleen heeft Neil een streepje voor op Elvis: hij componeert zelf zijn liedjes en schrijft zelf zijn teksten. Maar hun impact op mij als jonge zanger was even groot. Ik herinner me dat ik tot tranen toe bedwongen was van ontroering als ik hun liedjes met koptelefoon beluisterde. Ik kan rustig stellen dat zij samen met de Beatles in mijn muzikale genen zitten opgeborgen.” 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Marva

Marva

Ook al hield Marva haar zangcarrière  in 1980 voor bekeken en besliste ze toen nooit meer op te treden, toch was ze  blij verrast toen dertien jaar later haar verzamel-cd  ”Marva’s 21 grootste successen” werd uitgebracht en een jaar later mocht  zij uit handen van Will Tura daarvoor een gouden plaat in ontvangst nemen!

Dat zullen haar ouders nooit gedacht hebben toen hun dochter Marva Mollet de drieëntwintigste maart 1943 in De Haan werd geboren. Na haar volgden nog twee broers. Papa Mollet was in 1950 een winkel begonnen,   gespecialiseerd in binnenhuisverlichting, een zaak die Marva tegenwoordig nog altijd runt. Thuis klonk altijd muziek. Mama zong, vader speelde viool en grootvader dirigeerde de plaatselijke fanfare. Marva schreef zich, na haar lagere school in Blankenberge, in als leerling aan het lyceum in Brugge waar ze de afdeling Latijn volgde en op haar dertiende, ze zong toen al dolgraag, werd zij lid  van het befaamd Brugs Madrigalenkoor. Zij was  bijna achttien toen zij het Madrigalenkoor verliet.

De koordirigent, Hilmer Verdin, had al een tijdje door dat Marva een zangcarrière ambieerde en stelt haar voor aan het orkest van Roland Keereman. Een week later wanneer zij in Leuven moeten optreden, krijgt Marva te horen dat de bekende impresario Robert Bylois, manager van onder andere Salvatore Adamo, in de zaal zit en zijn oog op haar heeft laten vallen. Na een akkoord met haar ouders te hebben gesloten, trekt Bylois met haar naar platenfirma Vogue die beslissen meteen met Marva de studio in te duiken en een eerste single op te nemen. Maar eerst moet zij nog wat privélessen volgen en wordt haar uitspraak en haar houding bijgeschaafd. In de lente van 1963 staat Marva op nummer één in de Vlaamse Top Tien met  Geef me nog één kans, oorspronkelijk bekend als Too late to worry en in 1962 in de States al op plaat gezet door Babs Tino, een liedje van Burt Bacharach en Hal David dat toen als Donne moi ma chance in Frankrijk een nummer één was voor Richard Anthony. De daaropvolgende single Mischka doet helemaal niets en ook de derde single Ik wil je niet meer blijft onaangeroerd in de winkels liggen. Toch zit Marva niet stil, want Bylois laat haar met diverse orkesten en artiesten optreden, onder andere samen met Maurice Dean, ook in het buitenland, maar al snel laat zij merken dat zij liever in Vlaanderen blijft, want intussen heeft Marva – wij zijn dan de zesde januari 1964 – op het carnavalsbal in Blankenberge, advocaat-notaris Walter Vandenbussche leren kennen. Acht maanden later trouwen zij en nog eens elf maanden later wordt hun zoon geboren. Walter gaat zich van dan af  almaar meer met de carrière van Marva bezighouden en weet zelfs haar lopend contract met Robert Bylois open te breken.

Haar eerste platenfirma Vogue heeft intussen na al die flops afgehaakt. Maar Bylois blijft niet bij de pakken zitten en heeft contact gezocht met Rocco Granata die druk in de weer is met zijn zoektocht  naar nieuw talent voor zijn pas opgestarte firma “Cardinal Records”. Er wordt een afspraak gemaakt en binnen de kortste keren heeft Marva een nieuwe single klaarliggen Het liedje van de zee, een nummer van Rocco op tekst van Will Ferdy. Marva herinnert zich die opname nog als de dag van gisteren, want zij was toen in 1965 hoogzwanger. Rocco moet haar wel even overhalen dat op te nemen, want Marva twijfelt erg. Een week nadat zij bevallen is van haar zoon, kan je haar overal horen met haar nieuwste single. Dankzij deze melodie  zit zij opnieuw in de lift. Drieëndertig  jaar later wordt dit liedje op vrijdag de tiende november 2000 in het “Casino van Knokke” uit het vergeetboek gehaald tijdens het gala van de Eregalerij samen met Een eiland in groen en blauw, waarover we het zo meteen nog zullen hebben .

Geen wonder dat door haar succes Marva in 1967 wordt gevraagd om deel te nemen aan “Canzonissima”. Louis Neefs is de grootste kanshebber met Ik heb zorgen. Het vreemde is dat Marva met  Een eiland in groen en blauw niet eens de finale haalde. Het publiek is wél weg van dat nummer en de single belandt in de maand april van 1967 op de zestiende plaats in de toenmalige BRT Top Dertig. In de Vlaamse Top Tien zit er een vierde plaats in. Phil van Cauwenbergh weet nog heel goed dat hij de tekst in een mum van tijd klaar had. De woorden vloeiden moeiteloos uit zijn pen, daarbij enorm gestimuleerd door de sterke melodie van Rocco Granata.

Haar deelname aan “Canzonissima” is nog maar net verteerd of daar staat Marva samen met de Belgische ploeg tijdens de “Knokke Cup” van 1967 op de planken van het Casino van Knokke in het gezelschap van Jimmy Frey, Lucky Jones, Claudia Sylva en Ann Soetaert. Samen met Jan Theys, die hun ploegleider is, hebben zij daar een maandlang als vrienden samengeleefd. Een band die na al die jaren is gebleven. Het was de Britse zanger Roger Whittaker die toen met de persprijs ging lopen op de voet gevolgd door Marva.

Na een jaar of twee met Rocco te hebben samengewerkt, krijgt Marva de indruk dat Rocco de beste liedjes voor zich houdt, hij scoorde trouwens als soloartiest nog steeds veel succes met zijn eigen nummers. Toch scoort zij onder zijn vleugels nog twee hits in de Vlaamse Top Tien: in 1967 met Laat ons goede vrienden zijn en een jaar later met In elk hart is een huis. Op aanraden van Will Tura gaat Marva op het einde van de jaren zestig aankloppen bij Jean Klüger die maar al te blij is dat hij Vlaanderens meest populaire zangeres van dat moment in huis kan halen. Voor haar wordt het een verademing dat ze bij Klüger iets meer ruimte krijgt om haar eigen gang te gaan! Jean geeft wel de muzikale richting aan, maar Marva mag haar eigen ziel in de liedjes leggen. Vooral de samenwerking met tekstschrijfster Nelly Byl staat haar enorm aan. Zij gaan regelmatig uit eten en dan wordt er heel wat bijgepraat en op die manier weet Nelly precies wat Marva na aan het hart ligt en hoe zij zich als vrouw voelt.

Bij Klüger vindt Marva haar tweede hitadem. Na  Zoals het eenmaal is geweest waarmee zij op het einde van 1969 op twee geraakt in de Vlaamse Top Tien, scoort zij de tiende mei van 1970 een Vlaamse nummer één met Ti pi ti pi ti. Het nummer Costa Rica dat zij in de zomer van dat jaar opneemt wordt ook een hit net als Dirladada. Als je eenzaam bent bereikt in de maand maart van 1973 de derde plaats in de Vlaamse Top Tien. Als je eenzaam bent nam Marva speciaal op voor haar trouwe fans  die haar niet alleen als hun idool zagen, maar ook als een soort troost bij wie ze na haar optredens eens konden praten over hun persoonlijke problemen. Een luisterend oor en een goede raad had ze altijd klaar. Een plaats hoger staat zij een maand later met Waar seringen bloeien.

Jaren na mekaar staat Marva tot haar eigen verbazing bovenaan “Humo’s Pop Poll”, onafgebroken zelfs van 1968 tot en met 1973 wanneer zij door Ann Christy wordt voorbijgestoken. Tijdens de jaren zeventig zet Marva voolgens velen haar mooiste liedjes op plaat: ‘t Is zo goed in Vlaanderen waarmee zij nochtans in april 1974 slechts de achtste plaats in de Vlaamse Top Tien bereikt. Voordien was zij in de Vlaamse Top Tien nog succesvol opgedoken:  in 1972 met Leve leve de liefde, een jaar later met Salvatore én met de nummer één Niemand wil je als je ongelukkig bent. Haar klassieker zet zij in de winter van 1975 neer met Rode rozen in de sneeuw. Nelly Byl, die veel voor  Jean Klüger schreef, had de tekst al eerder neergepend van Rozen voor Sandra voor Jimmy Frey. Gelet op het grote succes van dat nummer had Jean aan Nelly gevraagd om opnieuw een tekst te schrijven met de roos als thema. Enkele dagen later, het is hartje winter, komt Nelly op de idee en op de proppen met Rode rozen in de sneeuw. Jean Klüger zorgt voor de muziek én een gouden hit voor Marva. Het liedje wordt in de studio zo goed als live opgenomen: stem en orkest in één take, wat gezien de tempowisselingen, voor Marva niet zo’n eenvoudige klus was. De tweeëntwintigste  november 2001 werd Rode rozen in de sneeuw terecht genomineerd tijdens het gala van De Eregalerij in het Casino van Knokke.

Voor Marva zelf is echter niet alles rozengeur en maneschijn. Zij krijgt het steeds vaker op haar heupen als zij de baan op moet, als zij de schijn van de showbusiness hoog moet houden. Zij is ook almaar vaker in haar  winkels in Blankenberge en Oostende te vinden. Ondanks haar immens succes zet zij er onverwacht een punt achter. De dertigste augustus 1980 geeft ze in Herne samen met haar orkest The Twilighters die haar veertien jaar onafgebroken hebben begeleid, haar laatste optreden, ook al was dat een beslissing die ze samen met haar groep al anderhalf jaar eerder in alle stilte had genomen. Zij had de keuze: ofwel ter plaatse blijven trappelen en teren op haar succes of nog een trapje hoger klimmen. Intussen was haar zoon vijftien geworden en die heeft  niet veel zin meer om steeds mee naar haar optredens te gaan. En hem thuis alleen aan zijn lot overlaten krijgt Marva ook niet over haar hart, dus is voor haar de knoop snel doorgehakt. Een toch staalhard besluit als je ziet dat Marva na Rode rozen in de sneeuw nog goed scoort met nummers zoals: Ik wil jou voor mij alleen, Al de tranen van de wereld, Kijk me maar diep in de ogen, Mijn beste vriendin en Ik hou van jou. En dan moeten er nog twee kanjers de revue passeren. De elfde oktober 1980, twee maanden nadat zij een punt achter haar carrière heeft gezet, krijgt Klüger de idee het liedje Herinneringen als een soort afscheidscadeau op plaat uit te brengen. Hij baseert zich daarvoor op een melodie van Tony Perdone Lake Como, een instrumentale hit voor de Zwitserse groep Sweet People, voor Marva gearrangeerd door John Mealing. De achttiende april 1981 staat zij in de Vlaamse Top Tien voor de laatste maal op één en wel met Ik dans wel met een ander (maar ik kijk naar jou).

Na haar afscheid doet  de Vlaamse televisie nog vaak een beroep op haar. In 1982 presenteert zij samen met Luc Appermont het programma “Hit hit hoera” en “Marva Si, Marva La”. In 1985 is zij coach van de West-Vlaamse ploeg tijdens de Baccara beker met daarin Aline, Caminando en Dan O’Neil. Het jaar nadien coacht zij opnieuw de West-Vlaamse ploeg met daarin deze keer: Phil X, Tanya en Yvan Guilini.  Een zwarte dag voor haar is de vierde januari 1990 als haar man Walter overlijdt. Zij overwint dat verdriet dankzij haar doorzettingsvermogen en haar opgewektheid, een facet van haar karakter  dat  het publiek minder goed  kent. Marva kwam altijd over als een rustig iemand, iemand die op het podium ook haast nooit bewoog. In de omgang leek het zelfs alsof ze haar concurrent-collega’s op een veilige afstand hield. “Een dikke nek” zo noemden sommigen haar, gewoon omdat zij zich van dat wereldje wilde afschermen. Feestjes achteraf en recepties waren aan haar niet besteed. Roddels en ongemeende complimentjes konden haar gestolen worden en maakten het afscheid van de showbusiness en haar carrière dan ook niet moeilijk.

In 1993 wordt het album “Mijn 21 grootste successen” uitgebracht. Daarvoor mag zij in de maand januari van 1994 uit handen van Will Tura een gouden exemplaar ontvangen. Een bewijs dat Marva in Vlaanderen nog altijd ontzettend geliefd is. Vanaf de dertigste oktober 1995 gaat zij voor VT4 enkele maanden producten aanprijzen in het teleshoppingprogramma “Boetiek”.

De tiende november 2006 ontvangt Marva in het “Casino van Oostende” tijdens het zevende gala van de “Eregalerij” de trofee “Onvergetelijk”, want Radio 2 en Sabam willen haar die avond per se nog eens van harte  bedanken voor de vele hits waarmee ze ons al die jaren heeft verwend. Hun complimenten waren dan ook oprecht en zullen dat ook altijd blijven, want Marva en haar liedjes zijn in Vlaanderen sowieso onvergetelijk!

In de loop van de maand januari 2007 kijkt Marva verrast op, want platenfirma ARS heeft haar voor de gelegenheid gekoppeld aan schlagerzangeres Laura Lynn die met een remake van Rode rozen in de sneeuw samen met Marva opnieuw een hit te pakken heeft. In haar woonplaats De Haan viert zij het jaar nadien haar vijfenzestigste verjaardag en wordt er het boek “Marva-Onvergetelijk!” uitgebracht. In haar geboorteplaats krijgt zij in de maand juni uit handen van de burgemeester de allereerste “Oorkonde van de gemeente De Haan”. In het kerkje van Vlissegem waar Marva gedoopt werd, wordt een tentoonstelling over haar ingehuldigd. Iets later verhuist die tentoonstelling naar de plaatselijke bibliotheek. Tijdens de eerste editie van het “Middelkerke Festival” krijgt zij onder luid applaus de “Neptunus Award” als dank en eerbetoon voor en aan haar volledige carrière.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

The Sound of Silence

Paul en Art waren met deze plaat niet aan hun proefstuk toe. Zij hadden op het einde van de jaren vijftig al liedjes opgenomen als het zingende duo Tom & Jerry. In 1963 komen zij opnieuw samen en nemen als Kane & Garr enkele songs op die Paul heeft geschreven. Die liedjes baden in een folky sfeer die ze graag zongen in “Gerde’s Folk City”, een soort hootenannny club in het New Yorkse Greenwich Village. In de loop van de maand september 1963 zingen zij daar een aantal nieuwe liedjes waaronder The sound of silence. Toevallig komt dit producer Tom Wilson van Columbia Records ter ore die op dat moment samenwerkt met Bob Dylan. Simon weet Wilson ervan te overtuigen een auditie voor hen te organiseren die iets later leidt tot een contract met Columbia Records.

Paul Simon weerlegt het verhaal dat The sound of silene geschreven zou zijn in de nadagen van de moord op John F. Kennedy. Hij zat gewoon thuis in zijn badkamer met de lichten gedoofd en zijn akoestische gitaar op schoot. De tegels van de badkamer zorgden voor een leuke weerkaatsing waardoor zijn stem plots veel ruimer klonk. Hij zette de kraan op half zacht zodat het lichte ruisen van het water hem inspireerde tot het schrijven van The sound of silence. De duisternis in die badkamer vormt ook meteen de aanzet van het liedje: ” Hello darkness, my old friend…” De maanden nadien blijft die tekst door zijn hoofd spoken en Paul beweert dat de song op de avond van de negentiende februari 1964 een definitieve versie krijgt.

Wanneer Paul Simon van zijn platenfirma te horen krijgt dat van de elpee  ”Wednesday Morning, 3am” amper drieduizend exemplaren verkocht zijn, besluit hij in 1965 naar Londen te verhuizen. Daar neemt hij in de Levy’s Recording Studio in New Bond Street in de maanden juni en juli een soloplaat op “The Paul Simon Songbook” met daarop een herwerkte versie van The sound of silence dat als The sounds of silence verschijnt. Eén van de nummers op dat album is I’m a rock dat Simon de veertiende december 1965 opnieuw opneemt , deze keer samen met Art, en bedoeld is voor de elpee “Sounds of Silence” die de zeventiende januari 1966 in de winkel ligt.

Gelukkig voor Simon & Garfunkel pikt een deejay van het radiostation WBZ-FM in Boston het nummer The sound of silence op en begint dat in zijn laatavondshow te draaien. Stations aan de oostkust pikken het ook op. Dat fenomeen merkt ook producer Tom Wilson die intussen doorheeft dat folkrock aan populariteit wint en dat dankzij songs als Like a Rolling Stone van Bob Dylan en de versie door The Byrds van zijn Mr. Tambourine Man. Het begrip electric folk is een feit. Wilson komt op de idee The sound of silence een facelift te geven, helemaal in de stijl van die folkrock. Hij gaat samenwerken met dezelfde band als Bob Dylan: gitarist Al Gorgoni, bassist Bob Bushnell  en  drummer Bobby Gregg. Technicus van dienst Roy Halee mixt het nummer met heel wat meer echo dan er bij de originele versie werd gebruikt.

De dertiende september 1965 wordt deze geremixte versie van The sound of silence op het Columbia label als single uitgebracht. Noch Simon noch Garfunkel waren van deze nieuwe mix op de hoogte gebracht omdat zij niet meer als duo voor Columbia werkten. Paul Simon trad op dat moment in een Deense club op waar hij een exemplaar van Billboard in handen kreeg en zag dat The sound of silence het erg goed deed in de charts. Ook Garfunkel kreeg het in de gaten en belde Simon op met deze melding. Paul was eerst niet blij met deze versie omdat de technicus van dienst wat had geknoeid met het tempo en met de stemmen van Paul en Art. Eind 1965 breekt de singleversie eerst door in de buurt van Boston om vervolgens ook veel gedraaid te worden in Miami, Washington DC en in de rest van Noord-Amerika. De vierde december staan Simon & Garfunkel op één en ze zullen zo’n twaalftal weken in de charts blijven met als eindresultaat in de maand januari van 1966 méér dan één miljoen verkochte exemplaren. Simon herinnert zich nog dat zij elk rond die tijd nog bij hun ouders inwoonden en dat zij op een avond samen in de auto zaten en daar de deejay van dienst hoorden aankondigen dat The sound of silence op één stond. De single wordt ook een succes in Duitsland, Ierland, Japan, Nederland, Australië, Engeland en Oostenrijk. De vijfde maart 1966 staat de single bij ons in de Top Dertig op plaats elf. Als extra noot even vermelden dat Simon & Garfunkel bij ons slechts één keer op één zullen staan en dat is vier jaar later met El Condor Pasa.

Eind december 1967 gaat de film “The Graduate” met in de hoofdrol Anne Bancroft en Dustin Hoffman in première. Regisseur Mike Nichols gebruikt onder meer The sound of silence in de soundtrack. Deze film zal dankzij het nummer Mrs Robinson de grote internationale doorbraak voor Simon & Garfunkel betekenen.

In de slipstream van het succes van The sound of silence wordt in de loop van de maand januari 1966 de elpee “Wednesday morning, 3am” opnieuw uitgebracht, zowel in stereo als in mono, deze keer met méér succes. Het album bereikt de dertigste plaats in de Album Top Tweehonderd.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Diana

Hebben Everything I do I do it for you van Bryan Adams en Diana van Paul Anka wat met mekaar te maken? Wel, ze staan beide in de top tien van de singles met de langste notering op de eerste plaats in de Britse top veertig. Adams staat op 1 en Anka staat op zes. Niet slecht voor iemand die op zijn vijftiende het lef had een liedje te schrijven, dat na lang aandringen mag opnemen en er nog een nummer één mee scoort ook!

Anka schreef dit liedje voor de babysit, zo doet het verhaal nog steeds de ronde, van zijn jongere broer Andy Junior en zijn oudere zus Mariam. Maar in zijn in 2013 verschenen autobiografie “My Way” verwijst Anka dit verhaal definitief naar de schroothoop.  Hij woont tijdens zijn jeugdjaren samen met zijn ouders, broer en zus in Ontario Canada, waar hij de dertigste juli 1941 was geboren. Zijn ouders baten daar een restaurant uit. Zij staan volledig achter de intenties van Paul, zanger worden. Johnny Ray en Frankie Laine zijn zijn idolen. Met hen in zijn achterhoofd gaat hij muziek studeren. Voor school moet hij op zekere dag een boekbespreking maken van de roman “Prester John” van John Buchan. Daarin komt een Afrikaans dorp voor Blaauwildebeestefontein. Hij is nog maar dertien, maar Paul schrijft er een liedje over en noemt het Blau Wilde De Veest Fontaine.

Pauls plannen krijgen vaste vorm wanneer op zekere dag IGA Food Stores een wedstrijd organiseert met als inzet een reis naar New York door zoveel mogelijk stickers van het merk  ”Campbell’s Soup” te verzamelen. Paul gaat in Ottawan van deur tot deur om zo genoeg stickers in te zamelen. Hij wint die wedstrijd voor zijn regio en mag samen met veertig andere winnaars per trein naar New York reizen. New York is een complete cultuurshock voor hem. “This is what I want, this and my music!”, schiet hem meteen door zijn hoofd. Tijdens de zomervakantie trekt hij naar uncle Morris in Californië. Zijn oom is operazanger. Paul hoort daar de hele dag niets anders dan operamuziek. Zijn oom, die tevens acteur is,  treedt op dat moment op in het stuk Bullfight in “The Pacific Playhouse” in La Cienega in Santa Monica. Paul wil wat geld bijverdienen en mag daar snoepgoed verkopen tijdens de pauze. Iets verderop waar oom Morris woont, ligt de muziekwinkel “Wallach’s Music City” waar Paul op zekere dag het plaatje Stranded in the Jungle van The Cadets ontdekt. Op het hoesje staat de naam van hun platenfirma Modern Records, Culver City, California vermeld, met de auto een kwartier van de woonplaats van uncle Morris verwijderd. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij Jules en Joe Bihari die samen met hun zus die platenfirma, incluis studio, zijn opgestart. Paul laat hun zijn zelfgeschreven Blau Wilde De Veest Fontaine horen en tot zijn verbazing stellen ze voor dat Paul het samen met The Cadets mag opnemen. Als producer gaat Paul Anka samenwerken met nieuwkomer Ernie Freeman die iets later de platen van Bobby Vee zal produceren alsook de hit Strangers in the night van Frank Sinatra. Samen met Ernie bereidt Paul alles voor en twee weken later blikt hij Blau Wilde De Veest Fontaine in met op de B-kant de cover I Confess. Scoren doet het liedje niet, er worden in het totaal zo’n drieduizend exemplaren van verkocht. Op zijn vijftiende is Paul Anka een eerste ontgoocheling rijk en keert naar Canada terug.

Op school vindt hij steun bij zijn leraar John Topelko van “The Fisher Park High School” (Paul zingt hier in het schoolkoor) die hem aanmoedigt zanger te worden. Paul treedt in zijn stad inmiddels op in clubs en voor diverse lokale radio- en televisiestations. Men ziet wel dat er talent in die jongen schuilt. Hij heeft ook een baantje als journalist weten te versieren bij de plaatselijke krant “Ottawa Citizen”. Maar zijn korte trip naar New York blijft Paul door zijn hoofd spoken. Hij is zo in de ban van die stad dat hij honderd dollar van zijn vader leent en in het gezelschap van de Canadese groep The Rover Boys en met vier eigen liedjes die hij in de loop van 1956, begin 1957 heeft geschreven, naar New York terugkeert. The Rover Boys leren hem de juiste weg te vinden in New York en spelen hem enkele adressen door. Paul trekt zijn stoute schoenen aan en gaat aankloppen bij producer Don Costa van ABC- Paramount Records. Vergeet niet dat Paul nog maar vijftien is. Later zal Costa in een interview die eerste ontmoeting als volgt omschrijven:”There we were, jammed into my office listening to little Mr. Five-by-Five pounding out the songs. It was like the movie “Words and Music” about Rodgers and Hart. Paul was Mickey Rooney playing Larry Hart. Everything frantic, hammed up, overplayed: but he had something“. Paul is niet groot, zijn haar ziet er niet uit, maar hij heeft veel drive en weet Costa te imponeren. Die is niet  zozeer onder de indruk van Pauls stem, dan wel van de kwaliteit van zijn liedjes. Costa laat meteen Anka’s ouders naar New York overvliegen om daar een platencontract te ondertekenen. Het contract wordt ondertekend door Pauls ouders, producer Don Costa en door enkele leden van de ABC-directie: Irwin Garr, Larry Newton en de grote baas Sam Clark. Zij komen overeen dat Paul in New York blijft wonen, daar liedjes gaat schrijven waarvoor hij een maandelijkse vergoeding krijgt van honderd dollar. Omdat Costa vindt dat Anka’s stem nog te wensen overlaat, stuurt hij hem meteen naar een zangpedagoog en laat hem ook wat extra notenleer volgen. In de maand mei van 1957 staat Anka samen met het orkest van Don Costa in de Capitolstudio in New York. Paul wordt begeleid door vier muzikanten: gitarist Bucky Pizzarelli, pianist Irving Wexler, drummer Panama Francis en bassist Jerry Bruno. Qua backingvocals wordt hij begeleid door drie zangers en drie zangeressen. Costa ontpopt zich tot een geweldig arrangeur die Paul een pak knepen van het vak leert en volgens Anka één van de beste arrangeurs is die Amerika ooit gekend heeft.

Diana wordt het eerste liedje dat zij opnemen, geschreven voor Diana Ayoub waar Paul tot over zijn oren verliefd op is. Hij had haar voor het eerst in het oog gekregen tijdens een kerkdienst en kon haar niet uit zijn hoofd zetten. Hij is vijftien, zij negentien en werkt op dat moment als secretaresse in het kantoor van “The Royal Canadian Mountain Police” in Ottawa. Hij maakt avances, maar Diana laat Paul meteen voelen dat zij er niet mee is opgezet. Hij vertaalt zijn verdriet meteen in een liedje ” I’m so young and you’re so old, this my darling I’ve been told”.Tijdens de opname van Diana staat Don Costa erop dat Don’t gamble with love ook wordt ingeblikt en gelijk de A-kant van de single wordt. Paul gaat niet akkoord, maar Costa heeft het voor het zeggen, al zal snel na de release blijken dat Anka gelijk heeft. Paul kan het niet laten meteen na de opname in de studio een briefje naar Diana Ayoub te sturen:” Well, in twenty hours I’ll be releasing my new record. I helped pick out the instruments and the feel and all the arrangements are great! You want me to tell you what it’s called? ” Diana”. It’s favored as the hit record by everyone, they said it is a different sound and it’ll be the one. Now listen, don’t say a word or I’ll… I’ll just kiss you if it sells, because you started it“. Vreemd genoeg zal Paul Anka wanneer zijn Diana iets later een dikke hit is geworden en Ayoub toenadering zoekt, niet op haar verzoek ingaan en haar de rug toekeren.

De vijftiende juni 1957 wordt Diana op single uitgebracht, de negende september staat Diana op één staat in Billboard’s Hot One Hundred. Paul is de maand voordien net zestien geworden.  Er volgen snel optredens in de populairste shows: “The Ed Sullivan Show”, “American Bandstand”, “The Milton Berle Show”. Meteen wordt ook een tournee op het getouw gezet die in de maand september in het “Paramount Theatre” in New York begint en eindigt in de maand november in “The Mosque” in Richmond, Virginia. Op de affiche staan naast Paul Anka:The Drifters, The Everly Brothers, Clyde McPhatter, Frankie Lymon and The Teenagers, LaVern Baker, Buddy Holly and The Crickets en Chuck Berry. Papa Anka wil niet dat zijn zoon zomaar meereist en voelt zich pas gerustgesteld wanneer hij met Irv Feld onderhandelt dat die niet alleen Pauls manager, maar ook begeleider wordt. Opvallend is dat Diana in Engeland een maand eerder op één staat dan in Amerika en dat de negende augustus. Bij ons in Vlaanderen zit er voor Paul in de loop van de maand oktober een tweede plaats in. Eveneens een tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig een maand later.

In 1963 tekent Paul Anka een contract bij RCA records en neemt al zijn vroegere hits die hij voor ABC-Paramount inblikte, opnieuw op, dus ook een nieuwe versie van Diana. Datzelfde jaar schrijft Paul een vervolg op zijn liefdesverhaal Remember Diana, maar zonder succes.

Voor zijn album “Amigos” neemt Ricky Martin  in duet met Paul Anka een versie op.  In 2006 doet Anka dat nog eens over samen met Adriano Celentano die het liedje van een nieuwe tekst voorziet.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Les lacs du Connemara

In het verhaal van Les lacs du Connemara speelt de Franse producer- componist Jacques Revaux een belangrijke rol. Jacques was eind jaren vijftig begonnen als zanger en regelmatig te zien in films van Jacques Demy. Hij schrijft tussendoor en vooral nadien liedjes voor zijn collega’s. Zo zal hij samen met Claude François de wereldhit Comme d’habitude schrijven. Niet zozeer een hit in de versie van Cloclo, maar wel in de vertaling van Paul Anka die de tekst My way schreef en Frank Sinatra aan een dijk van een hit hielp. Met een deel van de auteursrechten richt Revaux in 1969 samen met Régis Talar het platenlabel “Tréma” op. Zij zullen tal van liedjes leveren aan en op hun label platen uitbrengen van onder anderen Hervé Vilard, Charles Aznavour, Johnny Hallyday, Dalida en Michel Sardou.

Les lacs du Connemara schrijft Sardou in zijn huis in Saint-Georges-Motel in de regio Haute Normandie. Hij heeft er een lange en afmattende tournee op zitten en wil thuis wat uitblazen. Hij is helemaal in de ban van de nieuwe moog synthesizer die Revaux voor zijn studio heeft aangekocht. Vooral de imponerende klank van doedelzakken die dat instrument kan nabootsen, inspireert hem. Hij krijgt de idee een liedje te schrijven in Schotse stijl. Maar zijn vaste tekstschrijver Pierre Delanoë is helemaal niet vertrouwd met Schotland, is daar nooit op reis geweest. Ook Sardou niet. Delanoë loopt bij een reisagentschap langs en keert terug naar huis met een folder over Ierland in de hand. Per vergissing of omdat er niets anders voorhanden was? Delanoë is er blijkbaar tevreden mee. Hij zit ook in zijn achterhoofd met beelden uit de film “The quiet Man” uit 1952 van John Ford met in de hoofdrol John Wayne die hij ooit heeft gezien met daarin een scène over een Iers huwelijksfeest.

De setting waar het verhaal volgens Pierre Delanoë zich in zijn tekst mag afspelen zijn de meren van Connemara, the lakes of Connemara, de benaming van het westelijke deel van het Ierse graafschap Galway. Het gebied is erg dunbevolkt. Het landschap wordt gevormd door weidse hoogveengebieden. Het gebied is vooral bekend door de Connemara pony. Dit is een regio trouwens waar dagelijks nog de oeroude Ierse taal wordt gesproken.

“Les lacs du Connemara” is in eerste instantie de titel van het album dat Sardou opneemt. In het totaal werken er zo’n vierentwintig muzikanten aan het album mee. Het mag blijkbaar wat kosten, want voor de titelsong wordt er naar Engeland afgereisd waar de volledige London Symphony Orchestra is ingehuurd om de instrumentale begeleiding voor hun rekening te nemen onder leiding van dirigent Harry Rabinowitz. Roger Loubet schrijft  de nodige arrangementen uit. Eric Bouad leidt tijdens de opname het voltallig London Symphony Chorus in goede banen. Zij zullen samen met het orkest voor de climax zorgen. Op het gelijknamig album staan voorts chansons als L’autre femme, Musica en Les Noces de mon père.

Tijdens de opname al voelt Jacques Revaux aan dat zij een gouden hit in handen hebben en staat erop dat Les lacs du Connemara meteen op single wordt uitgebracht. Maar Sardou ligt dwars. Hij vindt het een typisch elpeenummer. Het duurt net iets méér dan zes minuten en dat kan je niet maken voor een single. Maar Revaux houdt stand en brengt het nummer op zijn Tréma label dan toch op 45 toeren uit gekoppeld op de B-kant aan Je viens du sud.  Sardou moet snel zijn mening bijstellen. In september 1981 ligt de plaat in de winkel, de maand nadien nestelt Sardou zich op de vijftiende plaats in de Franse hitlijsten, om vervolgens door te stoten naar plek negen en het jaar helemaal bovenaan af te ronden. Aneka met Japanese Boy en Shakin’ Stevens met You drive Me Crazy moeten Sardou laten voorgaan. In ons land wordt de zesde plaats in de Top Dertig bereikt, in Nederland zit er een negende stek in de Top Veertig in.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Gigi l’amoroso

De vijftiende januari 1974 zong Dalida voor de allereerste keer live in de Olympia in Parijs een liedje dat, internationaal gezien, één van haar grootste hits zou worden Gigi l’amoroso. Het is een liedje niet alleen van een lange adem om het te zingen- méér dan zeven minuten- maar het duurde een hele tijd vooraleer het op papier stond, kant en klaar om in de studio opgenomen te worden.

Gigi l’amoroso werd geschreven door een voormalig zingend duo, broer en zus Paul en Lana Sébastian. Paul en Lana, geboren uit Armeense ouders, studeerden muziek aan het conservatorium van Genève: zijn zus piano, hij na een tijdje liever gitaar. Nadien verhuizen ze naar Parijs waar Lana een aantal singletjes opneemt voor platenfirma Pathé Marconi. Paul tekent een contract bij RCA en iets later bij Disques AZ. Hij zet onder andere de nummers A Chicago en Cécilia op plaat. Mensen uit het vak onderkennen vrij snel hun talent. Op zekere dag vraagt Claude François aan Lana of zij zijn producer niet wil worden, maar daar is Lana te verlegen voor. Zij weigert. Iets later ontmoeten zij de in Egypte geboren Franse zangeres Jacqueline Misrahi, beter bekend als Michaële. Tot dan toe trad zij vaak op in voorprogramma’s van bekende artiesten als Gilbert Bécaud, Serge Lama en Richard Anthony. Zij voelt dat Lana en Paul net als zij eerder geboren zijn om het als liedjeschrijvers waar te maken dan als artiesten. Samen richten zij muziekuitgeverij “Boona Music” op en gaan voor een hele rist Franse sterren liedjes schrijven waaronder: Sheila, Ringo, Claude François en Mireille Mathieu, een samenwerking die resulteert in hits als Ne fais pas tanguer le bateau, Je viens diner ce soir en Emmène -moi avec toi.

Zij zouden samen enorm veel betekenen voor de carrière van Dalida. Dalida werkte al samen met Michaële sinds 1971. Zij wordt meteen getroffen door de samenwerking tussen Lana en haar broer. Dat familiale karakter spreekt haar enorm aan. Zij laat hen in 1973 meteen twee liedjes voor haar schrijven: Et puis c’est toi en Non, ce n’est pour moi. Michaële loopt al een tijdje rond met de idee een chanson te schrijven dat verwijst naar de Italiaanse roots van Dalida. Dalida was dan wel in Caïro geboren, haar ouders waren van Italiaanse afkomst. Op haar paspoort stond trouwens haar echte naam Yolanda Christina Gigliotti. In 1954 was Yolanda in Caïro tot Miss Egypte gekroond en dat jaar naar Frankrijk verhuisd om daar haar eerste stappen te wagen als zangeres en actrice. Daar wordt haar  vrij snel een platencontract aangeboden door Eddy Barclay die haar aanraadt haar eerste artiestennaam Dalila te vervangen door Dalida. In 1957 scoort zij in Frankrijk een grote hit met Bambino.

Michaële wil dus die Italiaanse roots van Dalida in een liedje vorm geven. Dalida wil niets liever alsook haar broer Orlando die zich van in het begin over de carrière van zijn zus ontfermt. De avond dat Dalida in de studio samen met Alain Delon het nummer Paroles paroles opneemt, vertelt Michaële hun over haar idee. Beiden zijn in de wolken. Maar die idee die Michaële tijdens een autorit te binnen schoot, krijgt ze maar niet in een tekst verwerkt. Zij ligt voortdurend qua inhoud in de clinch met Dalida en haar broer. In die eerste versie heet Gigi trouwens Gigo.

Michaële komt naarmate het jaar vordert onder tijdsdruk te staan. Dalida’s broer is in het najaar van 1973 druk bezig met de voorbereidingen van Dalida’s optreden in de Parijse “Olympia”, gepland voor de 15de januari 1974. Hij wil koste wat het kost dat ze die avond uitpakt met een gloednieuw chanson. Het moet een liedje zijn waarmee zij op het einde van de show afscheid neemt van haar publiek. Tot dan toe deed ze dat altijd met het nummer Ciao amore van de Italiaanse zanger Luigi Tenco. Een eigen nummer zou beter passen, vindt Orlando. Michaële vraagt aan Paul en Lana of ze voor haar geen melodie willen componeren waar de Napolitaanse sfeer vanaf druipt. Zij hebben net een dijk van een hit afgeleverd aan Sheila en haar toenmalige partner Ringo  Les gondoles à Venise. Michaële  vertelt hun ook dat ze een passage moeten voorzien waarin Dalida een parlando ( een gesproken tekst) kan reciteren. Paul en Lana beluisteren de dagen nadien een hele rist Italiaanse platen om toch maar de juiste sfeer te pakken te krijgen. Lana verzint ter plekke een tekst om op die manier makkelijker te kunnen componeren. Vrij snel komen beiden op de proppen met de melodie en bijna even snel tovert Michaële de figuur Gigi L’Amoroso uit haar pen. Tijdens een vakantie iets eerder dat jaar had Michaële in Tunesië een jongen ontmoet die Giuseppe heette, maar die iedereen in zijn omgeving Gigi noemde. Dat bracht haar op de idee Gigo voortaan als Gigi door het leven te laten gaan. De naam L’Amoroso schiet haar te binnen nadat zij de film “Divorce à l’Italienne” heeft gezien met in de hoofdrollen Monica Vitti en Marcello Mastroianni die zij op een bepaald moment in de film Mamoroso noemt. Het wordt voor Michaële nog even twijfelen tussen Gigi l’ Americano en Gigi l’Amoroso, maar na dat geaarzel is de song uiteindelijk kant en klaar.

Na een eerste beluistering aarzelen Dalida en Orlando heel even, want de melodie duurt méér dan zeven minuten. Nu, enkele jaren voordien hadden The Beatles met Hey Jude en Richard Harris met McArthur Park de grens van de normale vier minuten voor een single allang overschreden. Trouwens, iets eerder had Joe Dassin het liedje Marie-Jeanne ingeblikt, een vertaling van Ode to Billy Joe van Bobby Gentry, en dat kwam qua lengte in de buurt van de vijf minuten. Geen haan had er naar gekraaid, dus…

Orlando wil niet dat Gigi l’amoroso op plaat verschijnt voor Dalida’s optreden in de “Olympia”. Toch houdt Dalida eraan het liedje wel vooraf op te nemen, dan zal zij zich veel beter voelen tijdens haar live-optreden, dan heeft ze het liedje al een paar keer in de studio kunnen inzingen en heeft ze de tekst ook beter in haar hoofd. Zo gezegd, zo gedaan. Om de sfeer in het liedje te optimaliseren huurt Orlando voor de definitieve opname in “Studio des Dames” een koor in onder andere bestaande uit Michaële, Paul en Lana. Iedereen houdt de adem in voor het eindresultaat. Wat ze gevreesd hadden, gebeurt ook, broer Orlando die de productie in handen heeft, is niet tevreden. Er ontbreekt iets, maar hij weet niet meteen wat. Hij stuurt iedereen naar huis, het orkest inbegrepen, en trekt zich samen met de klankingenieur van dienst in alle stilte terug om aan de mix te sleutelen. Nog geen uur later nodigt hij iedereen opnieuw uit in de studio om te komen luisteren naar wat hij voor de gelegenheid ” le bouquet final ” noemt. Hij heeft gewoon tussen de Franse tekst door enkele Italiaanse woorden geroepen die die typische Napolitaanse sfeer moeten onderstrepen en… klaar is kees, of beter gezegd Gigi.

De vijftiende januari 1974 eindigt Dalida met dit lied haar theateroptreden in de “Olympia”. Het dak gaat eraf, het publiek is door het dolle heen. Eenmaal op single, op de B-kant gekoppeld aan Il venait d’avoir dix-huit ans, stijgt het in de Franse lijst naar de eerste plaats en blijft daar enkele weken. Het levert haar dubbel platina op. Het wordt overal in Frankrijk plat gedraaid en levert haar de bijnaam ” La Callas de jukebox” op. Dalida neemt het liedje ook in diverse talen op. In 1980 verschijnt er zelfs een discoversie van op plaat ” Gigi in Paradisco” waarvan er méér dan driehonderdduizend exemplaren over de toonbank gaan. In ons land, waar Dalida in 1958 eerder al op één had gestaan met Come prima, bereikt zij de negenentwintigste juni 1974 de eerste plaats. Het nummer was de weken vooraf al grijsgedraaid door Radio 2 in het zaterdagochtendprogramma “Te Bed of niet te Bed” waarin Ghysen zijn adoratie voor het liedje niet onder stoelen of banken stak. In de maand oktober van dat jaar stegen De Strangers naar de tweede plaats van de Top Dertig met hun parodie op Gigi l’Amoroso. In hun versie werd hij Schele Vanderlinden. In de Nederlandse Top Veertig zat er voor Dalida de derde augustus een tweede plaats in.

Na dit succes zullen Michaële, Paul en Lana meerdere liedjes voor Dalida schrijven, onder andere Je suis toutes les femmes, Chanteur des années quatre-vingts en het prachtige Lucas. Na het succes met Dalida zetten zij hun beste beentje voor om hits te schrijven voor Hervé Vilard, Hugues Hamilton, Jean-Luc Lahaye en Shake.

Op een bepaald moment komt er een einde aan de samenwerking tussen Paul, Lana en Michaële. Paul en Lana gaan zich meer toespitsen op dansmuziek en vieren hoogtij in Amerika waar zij onder andere samenwerken met Madleen Kane.

De derde mei 1987 overlijdt Dalida na een zoveelste zelfmoordpoging.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Et maintenant

Dé grootste hit in Frankrijk in 1961 was ongetwijfeld Et maintenant van Gilbert Bécaud. Hij begon in 1953 op aandringen van Edith Piaf met zingen. Een tijd lang schreef hij samen met zijn concurrent – collega Charles Aznavour.

Aan  Et maintenant is een waar gebeurd verhaal verbonden. Actrice Elga Andersen, bekend van haar rol in de film ” L’oeil du monocle ” van regisseur Georges Lautner,  zit samen met Bécaud op de vlucht van Parijs richting Nice. Zij vertelt over haar carrière en over haar lief die ze diezelfde avond zal terugzien. ‘s Anderendaags zit Bécaud samen met Elga opnieuw op dezelfde vlucht richting huiswaarts. Met tranen in de ogen vertelt ze Bécaud dat haar vriend het nog diezelfde nacht heeft uitgemaakt. Hij wil haar moreel een beetje opkrikken en nodigt haar na hun landing in Parijs uit op zijn buitenverblijf in Chesnay in het departement Yvelines in de regio L’Ile-de-france in het arrondissement Versailles.

Bij een kop koffie en een vroeg ontbijt zucht ze, terwijl Bécaud wat verstrooing zoekt aan de piano, op een bepaald moment: ” Et maintenant qu’est-ce que je vais faire?”. Bécaud, steeds op zoek naar een goede slagzin, is meteen geraakt door die vraag en belt dadelijk tekstschrijver Pierre Delanoë op met de vraag of die geen zin en tijd heeft om langs te komen en op basis van die zin een gepaste tekst te schrijven. Na één dag werken is het nummer, zowel de tekst als de melodie, kant en klaar, en trekt Bécaud iets later naar de studio samen met het orkest van Raymond Bernard.

Qua ritme kiest Bécaud voor een boléro waardoor de gelijkenis met die klassieke compositie van Maurice Ravel meteen opvalt. In de loop van de maand april verschijnt het nummer op het EMI label single, op ep zoals dat in die tijd in Frankrijk gebruikelijk was samen met Le condamné, Dans ces moments-là en Toi le musicien.  De eerste mei 1961 staat Bécaud op de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zal daar blijven postvatten tot de elfde juni. In het totaal worden er in Frankrijk tijdens dat jaar méér dan vierhonderdduizend exemplaren verkocht. Bij ons was de single in de maand april van 1962 goed voor een vijftiende plaats in de Top Dertig.

Et maintenant  zal ook in de angelsaksiche wereld een enorme hit worden. Het was trouwens niet de eerste keer dat dat met een compositie van Bécaud gebeurde. Zijn hit  Je t’appartiens werd een succes in de versie van The Everly Brothers als Let it be me. Et maintenant werd door Carl Sigman in het Engels als What now my love vertaald en gelijk een hit voor Frank Sinatra en Shirley Bassey.

Enkele jaren later werd What now my love opgevist door Herb Alpert die er een instrumentale versie van maakte en er in 1964 in de Amerikaanse top 100 mee op de 26ste plaats geraakte, twee jaar later nog eens door het popduo Sonny and Cher overgedaan die op de 14de plaats halt hielden. In onze Lage Landen waren het Freddie Birset en Helmut Lotti die er een duet van maakten .

Pierre Delanoë hielp Bécaud aan nog een andere klassieker. Als een volbloed Ruslandofiel en een fervent anticommunist schreef Delanoë in 1963 een tekst over een Russische hoogblonde deerne, Natacha genaamd. Hij laat Bécaud die tekst lezen, maar die ziet er niets in, ook niet na herhaaldelijk aandringen. Wanneer Bécaud enkele maanden later een goeie song zoekt om zijn nakend optreden in de “Olympia” extra glans te geven, komt Delanoë nog eens aanzetten met zijn tekst Natacha. Bécaud stelt Pierre voor de tekst te herwerken, het meisje Nathalie te noemen en haar in het liedje als gids opvoert die de luisteraar rondleidt op onder meer het Rode Plein in Moskou.

Nadat Delanoë hem de tekst overhandigt heeft, schrijft Bécaud in nog geen vijf minuten tijd de muziek. Om de single met veel glans in de markt te zetten, wordt er een persconferentie op het Rode Plein georganiseerd, maar tot groot ongenoegen van Bécaud en zijn platenfirma wordt het nummer maar lauw onthaald. Jaren later later lachen Bécaud en Delanoë in hun vuistje wanneer de vierde juni 1999 langs de Tveskoy Boulevard in Moskou, aangelegd in 1796 en een van de meest groene en drukste boulevards in de stad, door Andrey Dellos in een 18de eeuws barok gebouw waar voordien een apotheek was gevestigd, “Café Puchkin”, waarover sprake in het liedje Nathalie, definitief wordt geopend. Toen Delanoë die tekst verzon, was er in Moskou niet eens spraken van dit café. Eenmaal  op ep uitgebracht samen met de nummers Mon arbre, Ma souris danse en L’aventure in de maand januari van 1964, klimt Nathalie in de loop van februari naar de achttiende plaats in de Franse hitlijsten om een maand later op twee te eindigen. Sylvie Vartan scoort met haar La plus belle pour aller danser té sterk om Bécaud te laten voorgaan. Opvallend is dat de Franse hitlijsten op dat moment gekleurd worden door vrouwelijke voornamen: Mathilde van Jacques Brel, Dominique van Soeur Sourire, Hello Dolly van Petula Clark, Nadine van Chuck Berry en Carol van The Rolling Stones.

Gilbert Bécaud overleed op zijn woonboot op de Seine de achttiende december 2001.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Le métèque

Het kan blijkbaar niet op met de pret. Aan de veroveringsdrang van Edith leek maar geen einde te komen. Haar volgende trofee, dat dacht ze toch, zou George Moustaki worden. In 1934 in Egypte geboren als Yussef Moustaki. In 1951 gaat hij met zijn zus samenwonen in Parijs. Hij is erg geboeid door het Franse chanson, vooral de liederen van Georges Brassens spreken hem erg aan. Op linkeroever in Parijs gaat hij regelmatig optreden in de plaatselijke cafés en restaurants.

Georges is drieëntwintig wanneer hij in 1958 voor het eerst Piaf ontmoet, bij haar thuis in haar salon in haar woning aan de Boulevard Lannes. Hij is daar naartoe geloodst door gitarist Henri Crolla, vaste begeleider van Yves Montand. Edith heeft Henri die avond uitgenodigd. Heel haar entourage, of haar hofhouding zoals Moustaki het plagend noemt,  is daar aanwezig. Moustaki zit er ongeschoren bij, want hij is net terug met de trein van een optreden in Val-d’Isère. Zij schuift hem meteen een gitaar in de handen met de vraag iets voor haar te zingen. Zij vraagt hem op de man af of hij in zijn voorraad zelfgeschreven nummers niets voor haar in petto heeft. Moustaki neemt plaats aan de piano, maar Piaf ziet meteen dat hij aarzelt en niet echt vertrouwd is met haar repertoire. Daarom dat zij hem die avond uitnodigt voor haar concert in de Olympia om op die manier haar repertoire beter te leren kennen. Moustaki krijgt die avond een ereplaats toegewezen vlak naast de baas van de Olympia, monsieur Bruno Coquatrix. Na het concert nodigt zij hem uit haar ‘s anderendaags opnieuw te bezoeken. Moustaki weet meteen hoe laat het is: hij 23, zij 41. Hij gaat niet op dat voorstel in, hij weet dat ze genoeg minnaars heeft , maar belt haar toch twee dagen later om zich te verontschuldigen. Zonder aarzelen vraagt zij hem diezelfde avond nog bij haar te komen dineren. Zij nodigt een stel vrienden uit en zonder tegenspraak van Moustaki te dulden, roept ze op het einde van het diner ” Tu restes!”. Georges zal een jaar bij haar blijven, van februari 1958 tot en met februari 1959.  Het is in die periode dat Georges voor haar de klassieker Milord schrijft. Het is op vraag van Edith dat hij dit schrijft. Zij laat hem weten dat ze een liedje wil over een verliefd koppel dat op een zondag in Londen beslist uit elkaar te gaan. Nadat ze de tekst heeft gelezen en goedgekeurd, speelt ze die door aan Marguerite Monnot die zoals  zo vaak de muziek  componeert.

Moustaki wordt door de intimi van Piaf gezien als ‘le gigolo de service’. Een soort speelbal die het soms teveel wordt. Op zekere dag scheldt zij hem uit zonder enig verklaarbare reden. Moustaki laat dit niet over zich heengaan en antwoordt even furieus” Edith, mais qu’est-ce que tu as, tu as bu?”. Daarmee legt hij de vinger op de zere wonde. Hij rond de ruzie af met de woorden: ” Je n’ai plus confiance en toi. Je suis parti“. Hij neemt gelijk zijn koffers en zet gelijk een punt achter zijn  relatie met haar. Toch voelt Moustaki wat voor Piaf. Hij schrijft met haar in gedachten het chanson Sarah dat hij in 1967  zal doorspelen aan Serge Reggiani. Als een soort revanche eist Piaf van haar platenfirma dat het liedje Milord van haar nog te verschijnen elpee verdwijnt, maar te laat, want de platen zijn al geperst. Toch blijft Moustaki wat voor Piaf voelen en schrijft met haar in gedachten het chanson Sarah dat hij in 1967 aan Serge Reggiani zal doorspelen. Reggiani neemt nog een ander liedje op waarin Moustaki zijn liefde voor Piaf verwoordt La femme qui est dans mon lit.

Hun definitief afscheid kruipt Moustaki niet in de koude kleren. Zij heeft hem zowat alles geleerd: hoe hij zich moet bewegen, kleden, eten. En dat op een heel intense manier. Over haar zei hij ooit in een interview: ” “Edith était fidèle, généreuse, elle donnait tout, mais elle attendait aussi tout des autres. Elle m’a écrit de très jolies lettres d’amour. Elle était très croyante, voire mystique. Elle aimait faire bouger les tables. C’était aussi une merveilleuse pécheresse”. Geen wonder dat hij een tijdje in zak en as zit. Hij weet ook dat hij geen al te geschikte stem heeft om zijn eigen chansons te zingen. Hij besluit dan maar alleen nog liedjes voor anderen te schrijven. Na die scheiding van Piaf leert Moustaki een knappe jonge Française kennen. Haar ouders zijn niet zo tuk op haar relatie met die Griekse zanger. Ze noemen hem zelfs in een xenofobe reactie op een méér dan pejoratieve manier “le métèque”.  Georges vindt dat wel goed klinken en besluit er een liedje over te schrijven, maar hij weigert het zelf te zingen, laat staan het op plaat te zetten. In 1966 stelt hij het voor aan zijn vriend-zanger Serge Reggiani, maar die weigert.  Die zegt: ” C’est une chanson qui te ressemble trop pour que quelqu’un d’autre le chante”. In 1968 neemt de van Italiaanse origine, Franse zangeres Pia Colombo het liedje op voor platenfirma Disques AZ die het op single uitbrengen, gekoppeld aan Il est trop tard, maar zonder succes. Reggiani blijft Moustaki aanmoedigen het zelf in te blikken tot die er in 1969 een demoversie van opneemt. Niet één platenfirma is er in geïnteresseerd. Tot hij op zekere dag gaat skiën met Jacques Bedo, directeur artistique van Polygram France. Die belooft Moustaki werk te maken van de release. Georges trekt in 1969 samen met producer Henri Belolo naar de platenstudio en wordt tijdens de opnamen begeleid door de gitaristen Raymond Gimenès en Sylvano en zangeres Françoise Walch. Alain Goraguer neemt de arrangementen en muzikale leiding voor zijn rekening. Moustaki blikt niet alleen Le métèque in, maar ook  chansons als Gaspard, Voyage, Ce facteur, Joseph en Ma solitude die op de elpee Le métèque belanden. Er wordt besloten het liedje Le métèque een kans te gunnen op single met op de B-kant Voyage.  Wanneer hij mag optreden in het dichtbekeken tv-programma “Discorama” van Denise Glaser is het hek helemaal van de dam. Iedereen is weg  van Le métèque. Een kleine anekdote. Tijdens de opname kan technicus van dienst Jean-Pierre Dupuy maar niet achterhalen wat dat voortdurend licht gekras veroorzaakt. Uiteindelijk blijkt de baard van Moustaki tijdens de opname tegen de microfoon te schuren. Voor Moustaki was het leuk te weten dat zijn landgenote Melina Mercouri en haar man, filmregisseur Jules Dassin, dol waren op dit liedje.

In de loop van de maand juni 1969 duikt Moustaki met Le métèque, zijn allereerste single, voor de eerste maal op in de Franse hitlijsten op de twaalfde plaats. De maand nadien schuift hij door naar plaats zes om in de maand augustus op één te staan schitteren. Hij houdt het daar een paar weken uit tot in de maand september van dat jaar Johnny Halliday iedereen platwalst met één van zijn grootste hits Que je t’aime. In Vlaanderen duikt het niet op in de Top Dertig, maar bij onze noorderburen geraakt Le métèque de achttiende oktober 1969 tot op de eenendertigste plaats.

Le métèque wordt vaak gecoverd. Rod McKuen maakt er Without a worry in the world van, The Strangers De gastarbeider en Rob De Nijs Zwanenzang. Jaren later zal de Franse rapper JoeyStarr het op zijn album “Gare au jaguarr” uitbrengen.

Moustaki zal tot aan zijn dood, hij overleed na een slepende ziekte de 23ste november 2013, weigeren de Franse nationaliteit te aanvaarden, ondanks lang aandringen zelfs van voormalig president François Mitterand. Moustaki was erg geraakt toen hij enkele jaren na de dood van Piaf in 1963 van de directeur van het Musée Edith-Piaf vernam dat hij in een porte-monnaie van haar die ze altijd bij zich droeg een kleine foto van Moustaki had gevonden. Een teken dat zij hem in haar hart altijd wel ergens meedroeg.

tekst en research:Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Yves Duteil

Er zijn zo van die liedjes die generatie op generatie worden overgeleverd. De Fransen zijn er vele rijk: La vie en rose, Hymne à l’amour, Que reste-t-il de nos amours enz… Prendre un enfant par la main van Yves Duteil mag gerust aan die reeks worden toegevoegd.

Yves Duteil bracht het merendeel van zijn jeugd door bij zijn ouders op hun woning in rue de Tocqueville in Parijs. Hij werd de 24ste juli 1949 in Neuilly-sur-Seine geboren, een voorstadje van Parijs.  Opa Eugène Deutsch laat in 1920 zijn familienaam officieel veranderen in Duteil. Hij baat in Parijs de juwelenwinkel ” Au carillon d’or” uit. Zijn zoon, David Robert, houdt zich bezig met import en export en huwt met Suzanne May. Zij en haar man zijn nogal conservatief en voeden hun zoon Yves  nogal klassiek op.  Zijn middelbare studies begint Yves aan het “Lycée Balzac”, maar zijn ouders verkiezen hem in de loop van zijn studies privé-onderwijs te geven. Na zijn middelbareschoolopleiding kiest Yves aan de universiteit voor een economische richting, maar na het eerste jaar haakt hij af.  Tijdens zijn studies zocht hij al ontspanning in het schrijven van liedjes zichzelf daarbij begeleidend op de gitaar. Hij was trouwens op jonge leeftijd al aardig bezig met musiceren. Zo was hij pianist- organist in het schoolorkestje tot hij op zij  vijftiende definitief voor de akoestische gitaar kiest.

Nadat hij  gestopt was met studeren, gaat Yves aan de slag als gentil organisateur bij Club Med. Hij amuseert de mensen hier onder andere door op te treden, wat hij ook doet in de Parijse cabarets. Het liefst van al natuurlijk met zijn eigen chansons. Muziek krijgt almaar méér de bovenhand. Na zijn legerdienst gaat hij aan het “Petit Conservatoire de Mireille” studeren waar ook Françoise Hardy en Michel Depech les volgen. In 1972 weet hij een platencontract te versieren bij Pathé Marconi/EMI France en neemt als eerste single het door hemzelf geschreven Virages op. Van zijn intieme stijl waarbij hij zich op de gitaar begeleidt is dan nog niet veel te merken. Badend in een té extreme galm, begeleid door een groot orkest, zingt hij duidelijk op zoek naar een genre dat hem ligt. Stilaan geraakt Yves bekend in het milieu. Het is zangeres Régine die hem in 1973 vraagt of hij niet in haar voorprogramma wil optreden in de in die tijd legendarische club “Bobino”. Datzelfde jaar is hij ook te horen en te zien in het voorprogramma van Juliette Gréco in de Parijse “Olympia”. Maar het is in België dat hij zijn eerste triomf viert en wel tijdens het “Festival de Spa” waar hij de prijs van het publiek in de wacht sleept en tevens de prijs voor het beste lied. Naar aanleiding daarvan brengt hij zijn eerste elpee “L’écritoire” uit. Dit album laat al duidelijker de vocale richting horen die Yves uit wil. Liefdesliedjes krijgen de bovenhand, geschreven in een onberispelijk Frans, want dat staat bij hem voorop: de Franse taal in al haar schoonheid laten schitteren en klinken. In liedjes bijvoorbeeld als Je suis une larme en Dès que j’ai besoin de toi. Dit eerste album is nog maar een aanloop, want er vinden maar een beperkt aantal exemplaren een geschikte koper. Hij scoort veel beter met de volgende elpee “J’attends” waarmee hij in 1974 uitpakt met daarop onder meer Le labyrinthe, Quand les bateaux reviennent en Une lettre. Door het “Haute Comité de la Langue Française” wordt hem voor dit album de prijs “Jeune Chansons” overhandigd.

Nog zo’n felbegeerde prijs is de prestigieuze onderscheiding die hij krijgt vanwege de “Académie Charles-Cros” en de prijs van “Le Secrétariat à la Culture” voor zijn album “Tarentelle” dat hij in 1977 aflevert, in het totaal goed voor méér dan één miljoen verkochte exemplaren, met daarop drie van zijn populairste liedjes: La tarentelle, Le petit pont de bois en Prendre un enfant par la main. In 1976 verblijft Yves met zijn verloofde, Noëlle Léonore Mallard, op vakantie in Portugal. Hij geraakt daar in de ban van de fado en vooral van het gitaarspel dat de fadista’s hanteren. Hij zet zich aan het schrijven. Woorden vindt hij niet, maar dat deert niet, want hij besluit het liedje te bewaren om eventueel als filmmuziek aan te wenden of als instrumentaaltje op zijn nieuwste album te zetten. Een paar dagen later tokkelt hij op zijn gitaar dezelfde melodie en haast moeiteloos schieten hem de woorden te binnen die zullen leiden tot het schrijven  van Prendre un enfant par la main. Hij heeft wel wat tijd nodig om de gedachten en woorden in de juiste volgorde te zetten. Ze schieten hem iets té snel te binnen om ze meteen in de juiste vorm te gieten. Het duurt een uur of drie eer hem dat lukt. Op het einde houdt hij een liedje over dat vier minuten duurt waarvan de gitaarintro een volle minuut in beslag neemt. Yves wil er niet veel aan veranderen, maar weet dat een liedje met dergelijke intro niet veel kans maakt als single, laat staan om een succes te worden. Hij trekt samen met arrangeur Jean Musy en producer Claude Dejacques naar de EMI studio’s in Parijs. Daar  voelen zij meteen aan dat dit nummer iets unieks heeft. Achttien maanden later heeft Yves zijn handen vol met zijn concert in het “Théâtre des Champs-Elysées” in Parijs. Achttien maanden eerder is zijn elpee “Tarantelle” verschenen en de liedjes op die plaat vormen de hoofdmoot voor zijn concert. Dit optreden geniet daar zoveel bijval dat er plaats en tijd geruimd wordt voor nog eens tien concerten. Het publiek is vooral in de ban van de schoonheid van Prendre un enfant par la main. Monique Le Marcis, programmadirectrice van RTL , heeft dat meteen in de gaten en besluit het een kans te geven in haar programma’s. In de loop van de maand september 1978 wordt het nummer op single uitgebracht en staat enkele weken later op één met in Duteils kielzog The Bee Gees, Karen Young en Barry Manilow. In 1988 wordt Prendre un enfant par la main door de luisteraars van RTL verkozen tot mooiste liedje van de eeuw. Even opmerken dat noch de Vlaamse, noch de Nederlandse hitlijsten aan Duteil besteed zijn en omgekeerd. Voor de verzamelaars misschien aanstippen dat de tiende juli 2013 op de Japanse markt het album “Prendre un enfant” verschijnt met daarop elf Franstalige liedjes én de Japanse versie van Prendre un enfant pr la mainIn 1979 vertaalt Benny Neyman voor zijn album “Gouden Regen”, in een productie van Bart Van der Laar en Francis Goya en opgenomen in de Morgan Studio’s in Brussel, Prendre un enfant par la main. Als geboren Maastrichtenaar vertaalt hij deze Duteilklassieker als Ode aan Maastricht.  Twee jaar later laat de Vlaamse zanger Paul Roelandt het nummer vertalen door Henry Heymans die er Neem eens een kind bij de hand van maakt en neemt het op in een productie van Jacques Albin. De eenendertigste januari 1981 staat Paul ermee op de zevende plaats in de Vlaamse Top Tien.

In 1979 breit Yves Duteil een vervolg aan zijn gouden jaren met de elpee “J’ai la guitare qui me démange” en wordt door SACEM (Société des auteurs, compositeurs et édit eurs musique) uitgeroepen tot bestverkochte Franse zanger van de jaren zeventig. In 1980 staat Duteil gedurende twee weken op het podium van het “Théâtre de la Ville” in hartje Parijs.  In Japan geniet hij veel bijval met een album dat hij speciaal opneemt voor kinderen. Vooral de illustraties van Martine Delerm genieten veel bewondering. Als groot voorvechter van de Franse taal ontvangt Yves Duteil in 1983 de onderscheiding “Chevalier des Arts et Lettres”, het jaar dat hij zijn album “Statue d’ ivoire” voorstelt. Een van zijn mooiste albums levert Duteil in 1985 af wanneer hij “La langue de chez nous” uitbrengt. Ook deze keer weer in een productie van Jean Musy. Musy, arrangeur-componist-producer van heel wat Franse artiesten waaronder Françoise Hardy, Salvatore Adamo, Gilbert Bécaud, Charles Aznavour en daarnaast ook een zeer gegeerd en gewaardeerd filmcomponist. De titelsong La langue de chez nous, waarbij hij begeleid wordt door La Chorale du Théâtre Musical du Pecq, wordt gelauwerd door L’Académie Française die hem hiervoor een gouden medaille overhandigt. Van SACEM ontvangt hij de onderscheiding van “mooiste chanson” van dat jaar. Duteil blijft op regelmatige basis platen uitbrengen, albums die door de Fransen enorm worden gesmaakt: in 1987 “Ton absence” (in nog geen drie weken tijd met de gouden status bekroond), in 1993 “Ligne de vie”, in 1997 “Touché”, in 2001 “Sans attendre” en in 2008 “(Fr)agiles”. Op dit laatste weerom een rist chansons in de hem zo vertrouwde stijl, niet vernieuwend, maar voortbordurend op het bekende Duteilpatroon. Erg geliefd op deze plaat zijn de liedjes: Si j’étais ton chemin, Fragile en Si j’entrais dans ton coeur.

Duteil wil zich naast het zingen ook inzetten voor de Franse gemeenschap. In 1989 wordt hij verkozen tot burgemeester van Précy-sur-Marne, gelegen in de ruime omgeving van Parijs.  Een bekende inwoonster is de Franse chansonnière Barbara. Duteil blijft als burgemeester op post tot in 2014 wanneer hij zich om persoonlijke redenen niet meer kandidaat stelt  voor een volgend mandaat. Zijn politieke voorkeur heeft hij eerder nooit onder stoelen of banken gestoken, want in 1995 wil hij openlijk de kandidatuur steunen van president Jacques Chirac.

Yves snijdt de jaren negentig aan met het album “La blessure d’enfance”. In dit album blikt hij met gemengde gevoelens op zijn jeugdjaren terug. Live beleeft hij enkele hoogtijdagen tijdens zijn optreden in “Le Zénith” in Parijs waar hij tien dagen na mekaar voor telkens drieduizend fans optreedt. Duteil ontvangt dat jaar de onderscheiding “Chevalier dans l’Ordre National de Mérite” en in 1996 “Chevalier dans l’Ordre de la Légion d’Honneur”. Voor de winterspelen in de maand februari 1992 in Albertville georganiseerd, schrijft hij La fleur de l’impossible. Hij kan deze opdracht moeilijk weigeren, want hij is erg goed bevriend met Michel Barnier, president van het Olympisch Comité van Frankrijk. Hij trekt meteen nadien op wereldtournee die hem tot in Korea en Japan brengt, vijftien landen in het totaal. Bij zijn terugkeer verrast hij zijn fans met een duettenalbum waarop hij samenzingt met onder meer Liane Foly, Enzo Enzo en Véronique Sanson.

In 2012 is er het album “Flagrant délice” uitgebracht op zijn al jaren geleden opgericht eigen platenlabel “Les éditions de l’écritoire”. Het is een sobere plaat waarop Duteilt zich voor het merendeel laat begeleiden door een akoestische gitaar, een piano en een cello in sobere liedjes als: Je t’mms en La chanson des justes. Zijn  carrière lang onderhoudt Duteil een nauwe band met zijn fans in Canada. Zo vinden wij hem eind 2014 op tournee in Quebec en Montreal.

Honderd liedjes van Yves Duteil vind je verzameld op het album “Un autre regard, 30 ans de chansons”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Dave

Dave werd de vierde mei 1944 als Wouter Otto Levenbach in Amsterdam geboren. Zij verhuizen naar Blaricum omdat zijn oudere broer aan astma leed. Dave groeit op in een joodse familie die zich tot het protestantisme had bekeerd. Het is een modale familie. Moeder is ballerina en vader leraar Engels. Hij heeft nog twee broers Maarten en Lucas en een zus Elsbeth. Wanneer papa een klein fortuin erft, gaan ze in ‘t Gooi wonen. Thuis hangt er altijd muziek in de lucht. Op zijn achtste ontdekt hij dat hij een aardig toontje kan zingen. Hij doet niets liever dan dit te laten horen tijdens de misviering.  Hij is tuk op Angelsaksische muziek en country. Zijn idolen in die tijd zijn The Everly Brothers, Roy Orbison en Gene Pitney. Op zijn veertiende krijgt hij een gitaar. Hij tokkelt en zingt terwijl zijn vader hem op de piano begeleidt.  Over zijn vader vertelt hij jaren later aan de pers het volgende: ” We hadden een dienstmeisje dat bij ons kwam toen ze veertien was. Ze hoorde bij het gezin. Zij was twintig en ik zestien toen ik begon te vermoeden dat zij iets met mijn vader had. Omdat ik rebels begon te worden, zinspeelde ik daarop. Mijn vader werd kwaad en zei dat ik met bewijzen moest komen. Die vond ik even later, toen de koplamp van mijn Jawa 125 het begaf, mijn Tsjechische motor. Ik zocht een lampje in het handschoenenkastje van mijn vaders Morris. In het lampendoosje zaten brieven verstopt die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. Mijn vader smeekte me niets tegen mijn moeder te zeggen. Maar op een dag werd ik wakker door haar kreten: zij had het verraad ontdekt. Haar gezicht, waarop ik las dat haar wereld was ingestort, zal me altijd bijblijven. Mijn ouders hebben het nog even geprobeerd. Ze vertrokken op vakantie naar Italië maar toen ze terugkwamen, vroeg mijn moeder de scheiding aan. Zij is altijd van hem blijven houden en heeft nooit een nieuwe start gemaakt. Mijn vader is tot zijn dood bij het dienstmeisje gebleven. Dat maakte het uiteindelijk voor mij acceptabel. Ook voor mijn jongste broer Lucas, die aanvankelijk zwoer dat hij ze nooit meer wilde zien. Het was dus liefde, niet slechts een avontuurtje.”

Religie spreekt hem op dat moment sterk aan, zo sterk zelfs dat hij dominee wil worden. Intussen had hij ontdekt dat hij méér voor mannen voelt dan voor vrouwen. Een dominee vertelt hem dat dat niet strookt met zijn roeping. De drang is sterker dan zijn geloof, hij laat zijn droom om dominee te worden, varen en duikt onder in de homoscene van Amsterdam. Dat belet hem niet het bed soms ook met meisjes te delen. Na zijn middelbare studies trekt hij naar de universiteit in Amsterdam om daar rechten te studeren, eerder om zijn vader te plezieren. Een wat vreemde keuze, want talen liggen hem goed. Hij spreekt vlot Nederlands, Duits, Italiaans, Engels en Frans. Muziek maken doet hij echter het liefst. In 1963 klopt hij bij platenfirma Phonogram aan. Hij dicht zichzelf de naam David Rivus Vitae toe, maar dat vindt de platenfirma van het goede een beetje te veel en doopt hem lieve Dave Rich. In 1964 wordt hij frontman bij de groep Dave Rich & The Millionaires. Zij nemen het plaatje Girl of my dreams op. Hij vindt zijn draai niet in Nederland en gaat in de loop van 1965 wat rondreizen met zijn toenmalige vriend. Hij is dol op water en varen. HIj koopt zich een klein vissersbootje dat hij Justus noemt en kiest het sop richting Frankrijk om daar, na een lange rondvaart, in Marseille terecht te komen, hij heeft amper duizend gulden op zak. Waar en wanneer het maar enigszins kan, treedt hij op. In Saint-Tropez komt hij in de zomer van 1968 op zekere dag Eddie Barclay tegen, eigenaar van het in die tijd zeer populaire gelijknamige Franse platenlabel. Barclay staat Dave zoveel mogelijk bij om ervoor te zorgen dat hij zijn carrière in Frankrijk op gang kan trekken, want in Nederland is hem dat niet gelukt. Voor het Barclay label neemt hij een rist plaatjes op: Copain ami amour, Quand on a quelque chose, L’amour que j’ai en moi, La cigarette qui me brûle les doigts... Toch blijft Dave zijn vaderland trouw, in die zin dat hij in 1969 deelneemt aan de voorrondes voor het Eurovisiesongfestival. Hij dingt mee voor de overwinning met het liedje Niets gaat zo snel en eindigt derde. Dat jaar doen ook nog Rob de Nijs, Patricia Paay, John Lamers, Anneke Grönloh en Conny Vink mee. Het is echter Lenny Kuhr die wint met De troubadour en de 29ste maart trekt zij naar Madrid om daar voor Nederland deel te nemen aan de veertiende editie van het Eurovisiesongfestival. Zij gaat uiteindelijk met de overwinning lopen, die zij echter met drie andere kandidaten moet delen: Salomé Vivo Cantando, Lulu Boom bang-a-bang en Frida Boccara Un jour un enfant. Daves plaatje Niets gaat zo snel duikt de 29ste maart 1969 heel even als tip in de Nederlandse hitlijsten op. Het volgende plaatje Nathalie doet het iets beter en stoot zelfs door naar de 28ste plaats in de Nederlandse Top Veertig.

 

Van 1971 tot 1974 treedt hij op in de Franse versie van de Amerikaanse musical “Godspell”. Deze musical ging de 17de mei 1970 op Broadway in première en is van de hand van Stephen Schwartz en John- Michael Tebelak. die zich voor het verhaal baseerden op het evangelie volgens Mattheus.  Voor Barclay neemt Dave in 1972 het thema uit “Godspell” op single op op een Franse tekst van Pierre Delanoë Préparez le chemin du Seigneur met op de B-kant Les Cadeaux Merveilleux. Intussen weet Dave dat zijn toekomst niet in Nederland ligt en zeker niet met een Nederlandstalig repertoire. Hij is vast van plan Franse liedjes op te nemen en weet een platencontract te versieren bij CBS. Intussen heeft hij in de Parijse bar “Whoops” tekstschrijver Patrick Loiseau leren kennen. Zij worden meteen verliefd op mekaar en zullen de rest van hun leven met elkaar blijven delen. Patrick kan aardig vlot in het gehoor liggende teksten schrijven. Dave is op dat moment helemaal in de ban van de hit Sugar baby love waarmee The Rubettes zowat overal op één staan, ook in Frankrijk. Hij weet er zijn platenfirma van te overtuigen er een Franse versie van op te nemen. Hij mag even flirten met de hitlijsten en geraakt in de maand september van 1974 met Trop beau tot op de dertiende plaats in de Franse hitlijsten. Dat coveren ligt hem wel. Hij neemt nadien, eveneens op tekst van Patrick, een Franstalige versie op van de jarenzestighit van Del Shannon Runaway. Dave zong dat liedje al toen hij jaren eerder nog optrad in tavernes en bars. Toen Dave tijdens de zomer van 1974 in Avignon optrad, logeerden ze in “Hôtel de L’Europe”. Het is hier dat Patrick zijn idee aan Dave voorlegde en aan de tekst begon te schrijven. Het typische orgeltje dat Del Shannon gebruikte zal Dave tijdens de opname vervangen door zijn hoge stem waarmee hij eerder al had uitgepakt tijdens de opname van Trop beau. Met Vanina, waarin Dave dus maar wat graag zijn kopstem etaleert, staat hij begin januari op één in de Franse hitparade. Wat die hoge kopstem betreft, hij zal een tijdje later inzien dat als hij die nog langer gaat gebruiken tijdens zijn live-optredens hij problemen met zijn stem gaat krijgen. Daarom dat hij jaren later zo weinig mogelijk Trop beau en Vanina live zal zingen tijdens zijn concerten. Hij zal die liedjes kortweg stilaan achterwege laten.

Patrick Loiseau heeft nog geen zin om een eigen nummer te lanceren en covert een liedje dat Jean-Jacques Souplet in Engeland ontdekt had waar het als Banana Rock een hit was voor The Wombles en geschreven door Mike Batt. Dave zet het in een vertaling van Patrick als Mon coeur est malade in de markt zet. Ook dit is een schot in de roos, goed voor vierhonderdduizend exemplaren. Dave wordt door al dat succes overdonderd. Zeker wanneer hij verneemt dat op een bepaald moment hij per dag zo’n slordige twintigduizend singles verkoopt. Van Vanina alleen gingen er in Frankrijk méér dan één miljoen exemplaren de deur uit. Gelukkig voor hem was hij al een dagje ouder dan de meesten. Hij naderde al stilaan de dertig en kon wat beter met het succes omspringen en het allemaal wat relativeren.

Dave en Patrick krijgen de geniale inval om een oude hit van Glenn Miller volledig aan te passen. Moonlight serenade komt daarvoor in aanmerking. Ze schrijven er een wat latinogetint arrangement bij en binnen de kortste keren staat Dansez maintenant in 1975 torenhoog in de hitlijsten. Dave kan het moeilijk geloven, maar in zijn thuisland Nederland waar niemand hem voordien accepteerde, staat hij de 25ste oktober van dat jaar op één. Bij ons moet hij zich tevredenstellen met een tweede plaats in de Top Dertig. Volgens de meest recente bronnen verkocht hij van dat nummer tot nu toe méér dan drie miljoen exemplaren. Voor onze oren is de opvolger Ophélie een beetje een miskleun, een vertaling van een nummer van Chris Juwens en Jack Goldbird. Voor al deze hits werkt Dave in de studio nauw samen met producer Jean-Jacques Souplet en dat zal hij in de toekomst ook blijven doen. Jean-Jacques was zoon van Jacques Souplet jarenlang CEO van CBS France. Jean-Jacques zou ook vaak samenwerken met onder meer Francis Cabrel en Gérard Lenorman. Als kroon op het werk staat Dave iets later voor de eerste keer op de planken van de Parijse Olympia.

Eindelijk durft Patrick Loiseau het aan voor eigen nummers te kiezen. Samen met Michel Cywie, die ook voor C.Jérôme, Marie Laforêt en Gérard Lenorman zou schrijven, componeert hij Du côté de chez Swann. Qua titel baseert Patrick zich op een gelijknamige roman van één van zijn lievelingsschrijvers Marcel Proust. “Du côté de Chez Swan” maakt eigenlijk deel uit van de romancyclus “A la recherche du temps perdu” waarvoor Proust in 1913 zijn eerste van zeven delen schreef, met name Du côté de Chez Swan.  Maar Dave ziet die tekst van zijn vriend niet zitten en weigert het nummer op te nemen uit angst dat zijn publiek dit niet zal lusten. Na lang aandringen van zijn platenfirma neemt hij het uiteindelijk toch op in het najaar van 1975. In Frankrijk alleen al verkoopt hij méér dan zeshonderdduizend exemplaren van de single. In de Nederlandse Top Veertig zit er voor hem een negende plaats in, in Vlaanderen in de Top Dertig een dertiende. Nadien is het qua hits voor Dave in onze Lage Landen afgelopen al blijft hij bij ons en onze noorderburen nog vaak over de radio te horen. In 1976 pakt hij uit met de hits Hurlevent en La décision. Om wat uit te blazen trekt Dave het liefst naar Amerika. Daar kent niemand hem. In 1977 scoort hij met de single L’amour fera le reste dat hij lanceert op het moment dat hij vanaf de 12de april weer op de planken van de Olympia verschijnt. Het is een optreden dat ik persoonlijk zal meemaken. Hij wordt op het podium geflankeerd door zangeres Jeane Manson en Christian Morin en door het orkest van Guy Mattéoni die het 20-koppig orkest dirigeert. De week na hem is het de beurt aan Salvatore Adamo om het Parijse publiek nog maar eens in te palmen. Dave scoort dat jaar opnieuw in de Franse hitlijsten met Le dernier slow.

In 1977 duikt hij bij ons hier en daar op in enkele radioprogramma’s met het nummer Est-ce par hasard, een cover van Let’s fall in love dat op dat moment in Engeland een hit was voor Robin Sarstedt, broer van Peter die we nog kennen van de hit Where do you go to my lovely? Het jaar nadien duikt Dave  nog eens opvallend op in de Franse hitlijsten en dat met Lettre à Hélène en Pour que tu me comprennes van de hand van Guy Mattéoni en Patrick Loiseau. Opnieuw raak is het in 1980 met Week-end en nog eens twee jaar later met Par pudeur, de titel ook van zijn gelijknamige elpee. Vijf jaar eerder verscheen bij CBS zijn allereerste onder de titel “Dave- Trop beau”. Van de tiende tot de vijfentwintigste mei 1982 staat hij voor een laatste maal op het podium van de Olympia. De fans zullen lang mogen wachten, vooraleer zij hem daar nog eens zullen terugzien.

In 1983 stapt Dave over naar platenfirma EMI en neemt daar één van zijn mooiste nummers op dat bij ons haast nooit gedraaid wordt, laat staan dat het een hit werd, Elle voulait refaire l’Amérique. Hij merkt, ook in Frankrijk, dat zijn hoogtijdagen voorbij zijn. Daar scoorde hij in 1979 een laatste keer met Allo Elisa. Toch blijven de platen de hij opneemt de moeite waard, vooral voor de fans. Een beetje biografisch klinkt hij op het nummer Je viens du nord dat hij in 1985 opneemt. Om toch te kunnen blijven optreden, trekt hij naar kleinere zalen en verpakt zijn concerten in een cabaretachtige vorm. Hij houdt het bij een kleine bezetting. Midden de jaren negentig kent hij in Frankrijk een comeback en zien we hem vaak opduiken op de Franse televisie waar hij een graag geziene gast is in amusementsprogramma’s en talkshows. Die comeback dankt hij aan de release van de dubbele cd “Dave-20 ans de carrière” met daarop 23 bekende nummers van hem. Daar worden méér dan tweehonderdduizend exemplaren van omgezet.

In het kielzog daarvan neemt hij een nieuw album op “Toujours le même bleu” en scoort in 1996 op het CBS label un vrai tube met Boulevard des sans-amour, een cover van Heartbreak Avenue van The Maisonettes. Zijn partner Patrick Loiseau blijft de teksten leveren. Dave is bij dezen back in town. Zo verslaat hij onder meer het commentaar bij de Franse televisie wanneer prins Willem Alexander in het huwelijk treedt met prinses Maxima. In 1996 presenteert hij samen met Sheila voor TF 1 de show “Salut les Chouchous”. CBS ruikt geld en brengt snel de dubbele cd “Le meilleur de Dave” op de markt met daarop, naast 36 hits, een remix van Vanina. Een beetje in de Helmut Lottistijl is er in 1998  zijn album “Dave Classique” met daarop bewerkingen van klassieke thema’s zoals het Ave Maria van Gounod, dat van Schubert, de sonate nr. 8 van Ludwig van Beethoven en het andante uit het pianoconcerto nr. 21 van Wolfgang Amadeus Mozart. Ook deze keer reikt Patrick al de teksten aan. Dit album wordt vreemd genoeg weer verdeeld door EMI.  In 2001 is er het album  ”Soit dit en passant” . Dave heeft met zijn vriend afgesproken dat hij deze keer de muziek van de liedjes zelf wil schrijven. Misschien had hij het wel verwacht, maar het levert hem geen hits op. Dave treedt het jaar nadien drie dagen na mekaar op in de Parijse “Olympia”. De vijftiende maart 2003 is er zijn autobiografie “Soit dit en passant”.  Hij scoort in 2004 behoorlijk hoog in de albumcharts met de cd “Doux Tam Tam”. Dave covert deze keer uitsluitend een aantal Amerikaanse hits die hij tijdens zijn jeugd had ontdekt: Blue velvet, Let it be me, In dreams, Deep purple, It’s all in the game, Come softly to me… uiteraard op tekst van Patrick Loiseau.  Een aantal liedjes zingt hij voor de sfeer in het Engels.

Hij schrijft zelf de teksten voor de daaropvolgende cd “Tout le plaisir a été pour moi” en lanceert dat album onder zijn eigen naam Dave Levenbach.  Producer van dienst is Philippe Uminski die een eigen touch geeft aan chansons als Un exil idéal, Mademoiselle Lucy en Sous les cyprès.  In 2007 nodigt de Nederlandse zangeres Laura Fygi , Dave uit om samen met haar een nieuwe versie voor haar album “Rendez Vous” op te nemen van Dansez maintenant. Het wordt een slowfoxversie dat de originele versie van Moonlight Serenade van Glenn Miller ritmisch dicht benadert.

In 2010 is Dave jurylid van de zangwedstrijd “La France a un incroyable talent”. Omdat hij tuk is op de hits van Tamla Motown pakt hij het jaar nadien uit met het album “Bue Eyed Soul”. Hiervoor steekt hij al zijn grote hits in een souljasje. Sommigen fronsen de wenkbrauwen en zien niet goed het nut in van deze release, maar de fans zijn er niet rouwig om. Er worden amper vijfentwintigduizend exemplaren van verkocht, ondanks de samenwerking op deze plaat met Daniël Auteuil, Sylvie Vartan en Françoise Hardy.  Regisseur Joël Franka vraagt hem in 2013 op te treden in de komische film “Une chanson pour ma mère”. Het verhaal: in de Ardennen nodigen enkele broers en zussen Dave uit om op die manier hun moeder een onvergetelijk cadeau te bezorgen. Met natuurlijk Dave in de hoofdrol! Datzelfde jaar is hij ook een van de belangrijkste artiesten tijdens de zeer populaire show “Age tendre et tête de bois”. Hij treedt in deze reeks shows op samen met Hervé Vilard, Michèle Torr, Danyel Gérard en Herbert Léonard. De vierde mei 2014 viert hij zijn zeventigste verjaardag met een optreden in de Parijse “Olympia” in het gezelschap van al zijn vrienden en kennissen en treedt daar op samen met Sylvie Vartan en Françoise Hardy. Vanaf de achttiende oktober 2014 schittert hij tijdens de groots opgezette tournee “Rendez-vous avec les stars”.

Momenteel woont Dave deels in Parijs in een zeer rustieke buurt tussen de Bastille en de Place des Vosges. Maar zijn hart heeft hij verpand aan het stadje L’Isle-sur-la-Sorgue in de Vaucluse,  een plaatsje dat hij tijdens de drukke zomermaanden moet mijden omdat hij daar te veel wordt lastig gevallen door opdringerige toeristen. Hier woont hij op zo’n zevenhonderd kilometer van Parijs op een heuvel in een honderdvijftig jaar oude bergerie die hij volledig liet opknappen. Hier geniet hij met in zijn buurt een rist Franse artiesten uit de artistieke en tv-wereld, ook wel “la gauche caviar” genoemd, de salonsocialisten, de steenrijke Fransen die zo graag links stemmen. Hij reist altijd met de TGV, zo’n drie uur sporen van Zuid-Frankrijk naar de lichtstad. Hij geeft nog zo’n slordige honderd concerten per jaar. Hij haalt bijna nog net dezelfde hoge noten als toen. In de toekomst wil hij blijven zingen, nog zo’n keer of zes per maand optreden: hij met zijn gitaar, een kleine begeleiding en zijn hits. Hij blikt met trots terug op zijn carrière en op de méér dan vijftig miljoen platen die er inmiddels van hem verkocht werden.

In de maand april 2015  is Dave tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau benoemd en dat in het gezelschap van Charlen Aznavour en Nana Mouskouri.  Hij kreeg de onderscheiding op de Nederlandse ambassade in Parijs. Hij sprak zijn dankwoord, dat hij zingend begon en eindigde, uit in het Nederlands en het Frans. “Ik woon nu vijftig jaar in Frankrijk, maar de eerste twintig jaar van je leven zijn zo enorm belangrijk. Je culturele achtergrond wordt er blijvend door bepaald. Dik Trom, Kapitein Rob en Woutertje Pieterse: al die dingen vergeet je nooit meer“, zei hij. De Nederlandse ambassadeur Ed Kronenburg prees Dave voor de bijzondere bijdrage die hij heeft geleverd aan het uitdragen van “de Nederlandse cultuur, normen en waarden”. Behalve als zanger wordt Dave in Frankrijk gewaardeerd om zijn directheid en gevoel voor humor. Om die reden is hij een graag geziene gast in tv-programma’s als “La France a un incroyable talent”. Hij trekt wekelijks anderhalf miljoen kijkers met een eigen show waarin hij collega-muzikanten ontvangt. Volgens Kronenburg behoort het oeuvre van Dave tot de Franse en internationale muziekcanon. “Dave weet als geen ander het bredere Franse publiek te bereiken en is daarmee ook een ambassadeur van Nederland.” Tijdens de uitreiking van de onderscheiding werden opnames gemaakt voor de documentaire “Dave: God in Frankrijk”, die in het najaar van 2015 te zien is bij de Nederlandse zender “Omroep Max”.

De voorbije jaren ging Dave nog aan de slag als commentator voor de Franse televisie tijdens enkele afleveringen van het Eurovisiesongfestival en was hij co-commentator tijdens het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima voor de Nederlandse televisie. Hij is ambassadeur van een instelling die blindengeleidehonden voor kinderen opleidt. Dave liet zich nooit naturaliseren tot Fransman: “Een kwestie van cultural background, ik houd nog steeds van Multatuli en Theo Thijssen. Maar Nederland is te klein voor mij. Ik ben een nomade, reizen is echt iets heel belangrijks voor mij. Zo zie ik mezelf oud worden. In de zon. En vijf, zes keer per maand optreden om andere mensen hun jeugd terug te bezorgen. Het goede van ouder worden is dat je je bewuster wordt van de wereld om je heen. Waarschijnlijk omdat anderen, veel vrienden, doodgaan. Je wil nog volop genieten van de tijd die resteert.”

Aan een reporter van het Nederlandse weekblad Trouw vertelde Dave in 2012 naar aanleiding van zijn bij uitgeverij Michel Lafon verschenen biografie “J’irai bien refaire un tour”, over de losbandigheid die zijn leven een tijdlang sierde, een leven dat hij nog altijd deelt met zijn vaste partner Patrick Loiseau: “De dood hoort bij mijn leven sinds het begin van het aidstijdperk in 1984. Onze wilde tijd hadden Patrick en ik in de jaren daarvoor. We hebben ons flink laten gelden in een club die Élysées-Matignon heette. Degenen die bij mij aan tafel schoven deden dat omdat ik ‘Dave de zanger’ was. Het kon mij niet schelen. Ze boden mij hun gezelschap, vaak hun lichaam, soms zelfs hun vriendin. Omdat Patrick en ik bijna elk jaar naar Californië gaan, hoorden we al vroeg over aids. We wisten gelijk dat het feest voorbij was. In het jaar dat ik mijn vader en moeder verloor, 1990, stierf ook mijn eerste vriend aan aids. Hij was mijn eerste manager. Daarna zijn bijna al mijn vrienden op hetzelfde slagveld gesneuveld. Ik kwam voortdurend in ziekenhuizen, we leefden met de ziekte van anderen en met de angst zelf geïnfecteerd te zijn. Het was de tijd waarin de ene homo de andere homo nauwelijks durfde te vragen hoe het ging. Ik heb grote moeite met de uitdrukking faire son deuil, een rouwproces doormaken. Rouw is voor mij een chemisch gebeuren dat langzaam maar zeker vermindert, eventueel met de hulp van pillen. Zoals iemand die verliefd is op een gegeven moment ook weer gewoon gaat eten. Maar ook al neemt de hevigheid van het verdriet af, het gemis, dat neemt alleen maar toe.”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane& Marc Brillouet

Il est cinq heures Paris s’éveille

Toen de Franse bij de eeuwwisseling eind 1999 hun lievelingschanson mochten kiezen, kwam Il est cinq heures Paris s’éveille eenzaam bovendrijven. Alle koppen keerden zich richting Jacques Dutronc, vertolker van deze Franse klassieker, maar weinigen keerden zich ook richting Jacques Lanzmann en Anne Ségalen die de basis van dit nummer hebben gelegd. Voordien had Dutronc al een aantal keren aardig in de Franse hitroos geschoten. Het waren niet eens mooie liedjes die deze mooie playboyachtige jongen aan de man bracht, maar eerder punky singles zoals Les cactus, Mini Mini Mini en Et moi Et moi Et moi.

Op zekere avond in de loop van de maand maart 1968 zijn Jacques Dutronc en journalist-schrijver Jacques Lanzmann uitgenodigd ten huize van Jacques Wolfsohn, toenmalig manager van platenfirma Vogue. Dutronc en Lanzmann kenden elkaar al een tijdje. Dutronc was als zanger begonnen bij de groep El Toro et les Cyclones. Met hen blikt hij twee singles in, maar moet nadien afhaken omdat zijn legerdienst op hem wacht. Daarvoor trekt hij richting Duitsland. Na zijn terugkeer weet hij zich bij platenfirma Vogue op te werken tot productie-assistent. Hij leert tijdens die jaren zestig zangeres Françoise Hardy kennen die bij Vogue haar platen uitbrengt. Nadien zal zij in 1981 met Dutronc trouwen nadat  zij in 1973 samen al de geboorte van hun zoon Thomas hadden gevierd. Dutronc ontmoet bij platenfirma Vogue journalist-schrijver Jacques Lanzmann die voor een aantal artiesten teksten had geschreven. Van die dag af onstaat er tussen hen beiden een intense vriendschap. Op aanraden van Jacques Wolfsohn gaat Jacques ook stilaan liedjes voor hemzelf schrijven die hij ook zelf op plaat zet. De doorbrak komter in 1966 met Et moi Et moi Et Moi, gevolgd door hits als Les Playboys, J’aime les filles etc…  Zoals steeds broeden zij ook die avond tijdens het eten van een portie fois gras en het ledigen van een fles Bordeaux op nieuwe ideeën, in het bijzonder op nummers voor het tweede album van Dutronc en een eventueel nieuwe single. Wolfsohn wil dat beide heren een liedje over Parijs schrijven, badend in een vroege ochtendsfeer. Aangespoord door dit voorstel zet Jacques Lanzmann zich om elf uur ‘s avonds aan het werk in het gezelschap van zijn toenmalige echtgenote Anne Ségalen waarmee hij vaak samen schrijft en blijft noest doorwerken tot vijf uur in de ochtend. Tijdens het schrijven bazeren zij zich op een liedje dat in 1802 was geschreven door Marc-Antonie Madeleine Désaugiers Tableau de Paris à cinq heures du matin, qua ritme geschreven in de stijl van een 18de eeuwse contradans. Désaigiers had het in zijn chanson over vroege warme bakkers, fruitstandjes en stratenkuisers. Dutronc en Lanzmann hebben het in hun wat modernere versie over straatmadeliefjes, auto’s en vrachwagenchaffeurs en over bekende Parijse locaties zoals Place Dauphine, Gare Montparnesse enz…  Lanzmann speelt de tekst meteen door aan Dutronc die er zonder veel over te hoeven nadenken een melodie bij schrijft. Even vlot trekt hij naar de platenstudio, maar niemand is tevreden over het resultaat van Il est cinq heures Paris s’éveille. Het nummer heeft niet genoeg uitstraling er ontbreekt iets. Toevallig is in de studio ernaast, fluitist Roger Bourdin bezig met zijn nieuw album. Bourdin is in die tijd solist bij L’Orchestre des Concerts Lamoureux. Hij wipt even binnen om mee te luisteren. Dutronc vraagt of hij ter plekke niets kan verzinnen om fluitmatig wat aan het nummer toe te voegen. Na wat oefenen en inspiratie zoeken, neemt Bourdin in twee takes zijn improvisatie op, al bij al goed voor tien minuten studiotijd. Iedereen voelt aan dat zijn inbreng het nummer alle eer aandoet. Niemand twijfelt nadien nog aan de geweldige vondst en virtuositeit van Roger Bourdin.

In maart 1968 wordt Il est cinq heures Paris s’éveille op ep uitgebracht samen met de nummers: L’augmentation, Comment elle dorme en Fais pas çi fais pas ça. Binnen de korste keren staat het nummer op één in de Franse hitlijsten. In Wallonië zit er een tweede plaats in, in de Nederlandse Top Veertig een vierde. Iets nadien verschijnt zijn tweede titelloze elpee die hem geen verdere hits zullen opleveren met naast de daarnet opgesomde nummers chansons als Métaphore, Publicité en Plus difficile.

Il est cinq heures Paris ‘séveille zal ook een paar keer gecoverd worden onder meer door Sylvie Vartan, Patrick Genet en An Pierlé.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

L’été Indien

Franse zangers hebben al jaren de gewoonte als het maar enigszin kan Italiaanse hits te vertalen. Het liefst van al gaan ze leentjebuur spelen bij Salvatore Cutugno, Toto voor de vrienden en de fans. Cutugno werd de zevende juli 1943 in het Italiaanse Fosdinovo geboren uit een Siciliaanse vader en een Toscaanse moeder.  Hij werd heel even wereldberoemd toen hij in Zagreb in 1990 het Eurovisiesongfestival won met het door hemzelf geschreven Insieme. Maar daarvoor had hij zich al wat onsterfelijk gemaakt dankzij de hit L’été Indien, een platina succes voor de Franse  zanger Joe Dassin.

Cutugno was van kindsbeen af gek op muziek. Hij nam zijn aanloop als drummer, ontdekte snel dat hij goed liedjes kon schrijven en vormt iets later zijn eigen groep Albatros om op die manier zijn liedjes aan de man te kunnen brengen. In 1974 gaat de groep van start met Toto op de gitaar en aan de piano en uiteraard ook als zanger, daarbij geruggesteund door de gitaristen  Massimo Vigano,  Lino Losito , Maurizio Cristiani, bassist Giuseppe Pietrobon, toetsenist Mario Limongelli en drummer Nicola Cricelli. In 1976 worden zij derde tijdens het liedjes festival van San Remo met het nummer L’albatros. Dat jaar nemen zij ook het nummer Africa op geschreven door Cutugno op tekst van  Vito Pallavicini.  Het is Claude François die dit liedje als eerste opmerkt en het aan de kant houdt om het zelf van een nieuwe versie te voorzien, maar hij verliest het wat uit het oog en het oor.

In 1975 merkt Joe Dassin het op een vraagt aan de heren Pierre Delanoë en Claude Lemesle, die al eerder goede teksten en vertalingen voor hem hebben geschreven, dit nummer onder handen te nemen. In de lente van 1975 zonderen beiden zich af in Deauville waar zij op een zonnige dag zich aan het schrijven zetten.  Deauville is een kleine badplaats in het departement Calvados, gelegen in het arrondissement Lisieux. De zon brengt hen op de idee een liedje te schrijven met als uitgangs punt een late nazomer. Het is de periode van begin september tot half november waarin de zon nog vaak van de partij kan zijn. Elke taal heeft zo zijn eigen benaming voor die periode: in Nederland spreken zij wel eens van oudewijvenzomer, in Duitsland van Altweibersommer. In het noorden van Amerika en in Canada heet die periode indian summer. In het Franstalige gedeelte van Canada spreken ze over été indien, maar ook over été des indes of été des Indiens. Delanoë en Lemesle plaatsen in hun tekst een nostalgisch liefdesverhaal tegen de achtergrond van zo’n été Indien. Joe Dassin is in de wolken wanneer hij die tekst krijgt voorgeschoteld en trekt de 24ste mei 1975 naar studio CBE. Deze studio werd in 1966 opgericht door Georges Chatelain, zijn zus Janine Bisson en Bernard Estardy. Bernard produceerde de voorbije jaren voor heel wat Franse artiesten zoals Claude François, Sheila, Dalida, Patricia Kaas en Joe Dassin. Hij is er als technicus bij tijdens de opname van L’été Indien. Aan Johnny Arthey wordt gevraagd de arrangementen te schrijven. Arthey schreef onder meer de arrangementen voor de monsterhit Eloise van Barry Ryan en richtte de studiogroep Blue Haze op die een hit scoorden met hun reggaeversie van Smoke gets in your eyes.  Johnny Arthey mag tijdens de opname het orkest dirigeren. Producer van dienst is Jacques Plait, hoofd van platenmaatschappij CBS France, want Dassin is één van zijn grootste poulains. Hij werkte veel met Dassin samen. Hij vond dat altijd prettig omdat Dassin een geschoold muzikant was die precies wist wat hij wou. Zij voelden beiden perfect aan welke chansons hem het best lagen. Wanneer er een elpee moest worden samengesteld, deed Plait niets liever dan op zoek gaan naar geschikte liedjes voor Joe. Soms koos hij uit een aanbod van zomaar liefst tweeduizend liedjes. Die pikte hij wereldwijd op. Uiteindelijk hield hij er een dertiental over. Dan gingen zij samenzitten en werd er beslist hoe ze moesten klinken en wat er precies gearrangeerd moest worden. Zij spraken vervolgens in Londen af met Johnny Arthey omdat zij qua arrangementen het liefst met hem samenwerkten. Dan werd er bij Johnny thuis stevig heen en weer gepraat met betrekking tot de juiste aanpak van de arrangementen tijdens het drinken van sloten koffie of thee en ook regelmatig een pintje bier. Terug in Frankrijk sprak Joe meteen af met zijn vaste tekstsschrijver Pierre Delanoë en Claude Lemesle om hun zijn ideeën en wensen door te spelen. Hij bleef bij hen vaak rondhangen en kwam tussendoor eens over hun schouders meekijken om te zien hoe ver zij al opgeschoten waren. Soms gaf hij tips om bij een bepaalde noot het juiste woord te laten aansluiten. Hij werkte erg veel op het gevoel. Hij doodde zijn tijd met het oplossen van Engelstalige kruiswoordraadsels. Vergeten we immers niet dat Joe als zoon van de bekende Amerikaanse filmregisseur Jules Dassin in New York werd geboren en nadien in Los Angeles opgroeide. Hij gaat later in het Zwitsere “Collège de Rosey” voort studeren en leert daar vlot Frans spreken. Na een tijdje verhuist hij met zijn ouders naar Italië om vervolgens in Frankrijk aan te belanden, in Savigny-sur-Orge, om uiteindelijk weer in Zwitserland te gaan studeren, deze keer aan “L’Ecole Internationale de Genève”. In 1963 vestigt hij zich definitief in Frankrijk. Samen met zijn goede vriend Alain Giraud gaat hij optreden en raakt begeesterd door de liedjes van Georges Brassens. Hij noemt diens chansons Franse folklore.

Aan een elpee werkte Joe Dassin, nog altijd volgens zijn goede vriend Jacques Plait, door de bank een volle maand. Er werd meestal in de “CBE Studio” ingeblikt. Eerst werd het orkest opgenomen, dan de stem van Joe en tot slot de mixing. Er werd toen al gewerkt met een 24-sporenbandopnemer. Tijdens de opname van L’été Indien wil Johnny Arthey dat er in het nummer een mooie trompetsolo opduikt en die eer valt trompettist Pierre Dutour te beurt. Het is ook hij die samen met Joe op de idee komt het nummer in te zetten met een gesproken gedeelte, een parlando, over het orkest heen, al is die idee niet zo origineel, want ook Toto Cutugno had dat in zijn originele versie zo voorzien. De opname zelf verloopt, ondanks het feit dat Dassin een perfectionist is, zo vlot dat de single de zesde juni 1975 al in de winkels ligt. In een mum van tijd staat Dassin op één in de Franse hitparade. De maanden nadien wordt de plaat in zomaar liefst vijfentwintig landen uitgebracht. In de Nederlandse hitlijsten geraakt hij maar tot op de 22ste plaats. De 19de juli 1975 staat hij in de BRT Top Dertig op vier. Twee jaar later zal Dassin daar eenmalig op één prijken met Il était une fois nous deux. Aan het einde van de rit zijn er wereldwijd méér dan twee miljoen singles verkocht van L’été Indien en is door de versie van Dassin de originele van de groep Albatross  zo goed als in het vergeetboek beland.

Dit succes valt op en dus beginnen zijn concurrent-collega’s te grasduinen in het repertoire van Toto Cutugno. Gérard Lenorman ontdekt Nel cuore nei senso en maakt er Voici les clés van. Hervé Vilard vertaalt Il cielo e sempre un po’ piu blu als Reviens en in zijn  versie wordt Donna donna mia de hit Nous. Dassin zelf zal in de loop van zijn carrière nog een aantal songs van Toto Cutugno vertalen. Die covers worden op hun beurt weer grote hits: Et si tu n’existais pas en Le jardin du Luxembourg.

In 2005 duikt L’ été Indien op in een nieuw versie die Toto Cutugno produceert voor zijn album “Il treno va”. Toto gebruikt tijdens de opname de Franstalige parlandoversie van Joe Dassin en mixt die met zijn nieuwe productie. Van L’été Indien zal Dassin trouwens ook een Engelstalige versie opnemen die intussen op de verzamelbox “L’intégrale” als L’été Indien/Indian Summer verkrijgbaar is.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Laine & Marc Brillouet

Abba: de beginjaren

Het is misschien eens wat het Abbaverhaal betreft interessant te beginnen bij het begin. Er was voor elk van de vier leden van Abba inderdaad een leven vooraleer zij met deze supergroep in 1973 van start gingen.

De zestiende december 1946 werd in Stockholm Benny Andersson geboren. Zijn opa speelde vaak Zweedse volksliedjes op zijn accordeon en daar kon Benny begeesterd naar luisteren. Ook zijn vader Gösta speelde voortreffelijk accordeon en Benny zal nooit die momenten vergeten dat zijn vader en grootvader samen uit hun instrument de mooiste melodieën toverden. Thuis stond voortdurend de radio aan met een grote voorkeur voor traditionele Zweedse volksmuziek. Benny is zes wanneer hij van zijn ouders, hoe kan het ook anders, zijn eerste accordeon krijgt. Van zijn grootvader leert hij de kneepjes van het accordeonspel. Die opa zal een grote stempel op de muzikale ontwikkeling van zijn kleinzoon drukken. In hun onmiddellijke omgeving maken de Anderssons vrij snel als accordeontrio grote sier. Benny is op school een goede student.  Naast musiceren in zijn vrije tijd verzamelt hij veel, vooral postzegels. Ook het spotten van vogels kan hem enorm boeien. In 1957 krijgt Benny, dankzij de centjes van opa, een buffetpiano. Mama spoort hem aan dagelijks te oefenen en zo leert Benny eigenhandig dat instrument snel in de vingers te krijgen. Er staat thuis ook een platenspeler en het eerste singletje dat Benny koopt is Du bist Musik van de Duitse zangeres Caterina Valente met meteen nadien als tweede plaatje Jailhouse Rock van Elvis Presley. Op zijn veertiende treedt Benny als pianist op in het plaatsje Tegelhögen, op dat moment zo’n beetje the place to be voor de jongeren uit zijn omgeving. Benny wil niet voortstuderen en gaat op zijn zestiende werken bij een Zweeds bouwbedrijf. Minder leuk nieuws is dat Benny enkele weken voor zijn zestiende verjaardag verneemt dat zijn  vriendinnetje Christina Grönvall zwanger is van hem. De 20ste augustus 1963 wordt hun zoon Peter geboren. Peter krijgt de naam van zijn moeder en wordt door zijn grootouders opgevoed.

Begin 1964 ontmoet Benny, Svenne Hedlund en wordt toetsenist bij diens groep Elverkets Spelmanslag, een behoorlijk goed spelende popgroep. Opvallend is dat zij door de bank vooral instrumentale nummers spelen. Vriendinnetje Christina wordt zangeres bij de band zodat Benny en zij aardig wat tijd samen doorbrengen. Omdat de groep niet vaak optreedt, vormt  Benny op zekere dag een duo met Hans Englund om toch maar wat geld te verdienen. Omdat Benny muzikaal na een tijdje geen uitweg ziet, gaat hij opnieuw studeren. Maar lang zal dit verhaal niet duren. In Zweden is er op dat moment een groep die furore maakt The Hep Stars. Hun organist ziet het niet meer zitten en verlaat vrij onverwacht de groep. Zij herinneren zich  Benny Andersson die zij al een paar keer hebben zien optreden en gaan bij hem aankloppen. November 1964 wordt de eerste keer dat Benny met hen zal optreden. Voor de ganse groep een feest, want Benny blijkt een enorme aanwinst.  Hij  is dan achttien. The Hep Stars worden snel beschouwd als het Zweedse antwoord op The Beatles. Benny ontplooit zich binnen de band tot een volwaardige songwriter. Zijn liedjes worden in Zweden stevige hits zoals No response, Sunny girl en Consolation.

Björn Ulvaeus wordt de vijfentwintigste april 1945 in Göteborg geboren. Hij is de zoon van Gunnar Ulvaeus, die in 1944 voor een tweede maal huwt , deze keer met Aina Bengtsson. Een jaar later wordt Björn geboren, drie jaar later zijn zus Eva. Björn is een goede leerling op school, gezegend met een echte talenknobbel. Op jonge leeftijd schrijft hij al zijn eerste gedichtjes. Papa speelt in zijn vrije tijd mandoline. Geld voor een platendraaier hebben zij niet, maar thuis staat wel de ganse dag de radio aan. In Zweden zijn in de jaren vijftig vooral schlagers en folkmuziek populair.  Björn is fan van de in die tijd populaire Zweedse zangeres Thory Bernhards. Vooral haar vertolking van het walsje Vildandens sang, kan Björn erg bekoren. Net zoals zoveel andere Zweedse kinderen leert hij tijdens zijn tienerjaren blokfluit spelen. Die muzikale opleiding vormt  voor de meesten een geschikte overstap naar de viool en de piano. Dankzij zijn neef Joen Ulfsäter komt Björn snel in contact met de skifflemuziek en de platen van de groep The Vipers. Hij speelt ook graag samen met zijn neef vierhandig op diens piano. Op zijn dertiende krijgt Björn van zijn vader, na veel zagen, een akoestische gitaar. Samen met Joen richt Björn zijn eerste groepje op, een skifflegroep. Na een tijdje schakelen zij over op  jazz. Intussen is Björn fan geworden van de muziek van Elvis. De rock -’n'-roll van Chuck Berry vindt hij té ruw. Hij doet niets liever dan tijdens familiefeestjes op zijn gitaar tokkelen, die hij ook almaar beter onder de vingers krijgt. Wanneer Joen in 1961 verhuist om elders te gaan studeren, stapt Björn over naar de lokaal behoorlijk populaire band The Partners. Zij zijn niet geïnteresseerd in Zweedse folk, maar eerder in de nieuwe Amerikaanse aanpak van The Kingston Trio en The Brothers Four, liedjes als Tom Dooley en Greenfields.

Omdat er al een groep bestaat met de naam The Partners en om vergissingen te voorkomen, noemen zij zich voortaan The West Bay Singers. In de zomer van 1963 trekken zij gedurende zes weken op tournee door Europa, tot in Spanje toe. De dertiende september van dat jaar nemen zij deel aan een zangwedstrijd op het getouw gezet door een radiozender in Norrköping. (ook Anni-Frid Lyngstad neemt aan die wedstrijd deel, maar daar hadden zij toen noch oor noch oog naar.) Dankzij deze wedstrijd komen The West Bay Singers in contact met Bengt Bernhag en Stig Anderson van de net opgerichte platenfirma “Polar Music”. In opdracht van Bengt nemen The West Bay Singers een demobandje op. Het resultaat is zo positief dat de jongens meteen een platencontract krijgen aangeboden. Polar Music is op zoek naar een jonge band die het publiek kan overtuigen met hun muziek mee te leven: elk optreden moet een soort party worden, een soort jamsessie. In de folk wordt zo’n manier van musiceren hootenanny genoemd. Bengt en Stig staan erop dat Björn en zijn groep voortaan The Hootenanny Singers heten. Vrij snel gaat Björn voor hen Engelstalige liedjes schrijven. Op zekere dag kruisen The Hep Stars en The Hootenanny Singers elkaar tijdens een optreden in het Zweedse plaatsje Västerik. Benny en Björn geraken aan de praat en besluiten samen liedjes te gaan schrijven. Stig Anderson ziet wel wat in een samenwerking tussen Björn en Benny. In 1969 nemen The Hep Stars een nummer op dat Benny en Björn samen hebben geschreven Speleman  (violist) en zet Brita Borg hun liedje Ljuva Sextital op plaat. 1 maart 1969 leert Benny tijdens het liedjesfestival “Melodifestivalen”, een Zweedse versie van Eurosong, Anni-Frid Lyngstad kennen. Een paar weken later komen zij elkaar opnieuw tegen, worden verliefd en een maand later vormen zij een hecht koppel. Dat jaar houden The Hep Stars het voor bekeken. Björn blijft nog tot de zomer van 1974 occasioneel bij The Hootenanny Singers optreden en Benny zal hun platen tot dan produceren. In 1970 gaan Benny en Björn aan hun eerste elpee werken en dat wordt het album “Lycka”(Geluk) met daarop liedjes van beide heren. Björn is intussen een relatie begonnen met Agnetha Fältskog in Zweden, op dat moment een gevierde ster. Agnetha zal, net als Anni-Frid, ook aan het album “Lycka” meewerken.

Agnetha wordt de vijfde april 1950 in Jönköping in Zweden geboren als Agneta Aese Fältkog. De h wordt pas later aan haar voornaam toegevoegd. Papa is erg muzikaal. Hij doet niets liever dan teksten en liedjes schrijven voor plaatselijke revues. Mama Birgit is ook behoorlijk muzikaal, dus het kan moeilijk anders dan dat Agnetha en haar zus Mona in een muzikale omgeving worden opgevoed. Toen al viel op dat Agneta niet graag in een drukke omgeving verblijft. Veel mensen om zich heen vindt zij niet leuk, zeker niet wanneer die té dicht in haar nabijheid kwamen. Wie niet tot de familie behoort, is bij haar niet welkom. Wanneer papa in 1955 een kerstfeest voor de buurt op het getouw zet, mag Agnetha laten horen hoe goed zij wel kan zingen. Dat wordt die namiddag de Zweedse hit van dat moment Billy Boy. Op haar vijfde mag zij bij de buren, de familie Andersson, piano gaan spelen. Bijna elke dag is zij daar te vinden. Een jaar later schrijft Agnetha haar eerste liedje Tva sma troll (Twee kleine trollen). Op haar dertiende richt zij samen met haar vriendinnen Lena Johansson en Elisabeth Strub het trio The Cambers op.  Het merendeel van hun repertoire bestaat uit liedjes door Agnetha geschreven. Intussen is zij al die jaren pianoles blijven volgen zodat zij op haar veertiende foutloos Bach kan spelen. Dat brave meisje wordt stilaan een echter puber die op haar vijftiende niet meer graag studeert, graag met jongens optrekt en sigaretten rookt. In 1965 besluit Agnetha niet meer voort te studeren en wordt secretaresse bij een bedrijf in Jönköping. In haar vrije tijd zingt zij bij diverse bands uit de buurt en vindt na een tijdje een vaste job als zangeres bij het dansorkest van Bernt Enghardt. De zeventiende september 1966 maakt zij haar debuut bij de band in de “Bellevue” in het nabijgelegen Karlshamn. Agnetha dweept op dat moment met de liedjes van haar groot idool Connie Francis. Zij blijft haar eigen liedjes schrijven. Omdat het niet zo vlot met haar toenmalig liefje Björn Lilja schrijft zij op zekere avond aan de piano het nummer Du bara du (Jij, alleen jij) dat zij iets later bewerkt tot Jag var sa kär (Ik was zo verliefd op jou), heel erg beïnvloed qua stijl door de liedjes van Connie Francis. Er wordt een demobandje van gemaakt dat een tijdje later ter ore komt van producer Karl-Gerhard Lundkvist. Op die demoband staat ook het liedje Utan dej (Zonder jou) en dat spreekt Karl-Gerhard nog méér aan. De opnamesessie heeft de zestiende oktober 1967 in de Philips Studio in Stockholm plaats. Beide liedjes worden ingeblikt. Pa wil zijn dochter steunen en blijft bij haar tijdens de opnamen. Jag var sa kär wordt een hit. Met deze single staat zij binnen de kortste keren op 1 in de Zweedse hitlijsten en gaan er méér dan 80.000 exemplaren van over de toonbank. De liedjes die zij nadien schrijft, mag je gerust onder de populaire, meezingbare noemer plaatsen. Tussen 1967 en 1975 neemt Agnetha vijf soloplaten op die intussen alle op cd zijn verschenen. Tijdens de opname van een tv-special in de maand mei 1969 ontmoeten Björn en Agnetha elkaar. De zesde juli 1971 treden zij samen in het huwelijk. Zowel Björn als Benny en Anni-Frid zijn te horen op het derde album “Som jag är” van Agnetha dat zij in 1970 opneemt. Intussen duikt zij ook op in de rol van Maria Magdalena in de Zweedse versie van de musical “Jesus Christ Superstar”.

Anni-Frid Lyngstad is niet in Zweden geboren, maar wel in het Noorse Ballangen. Haar moeder Synni heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog een relatie met de Duitse soldaat Alfred Haase. Die moet echter naar zijn vaderland terugkeren, maar hij belooft haar na de oorlog terug contact met haar op te nemen. Al snel blijkt Synni zwanger te zijn.  Zij is negentien wanneer de vijftiende november 1945 dochter Anni-Frid wordt geboren. Synni was geen alleenstaand feit. Tijdens die Tweede Wereldoorlog bleken in Noorwegen alleen al tienduizend kinderen te zijn geboren uit de relatie van een Noors meisje met een Duitse soldaat. Het dorp keert zich tegen de familie Lyngstad. Anni-Frids oma trekt zich dat zo aan dat zij beslist met haar kleindochter naar Zweden te verhuizen. Haar moeder blijft in Noorwegen achter, ervan overtuigd dat Alfred zal terugkeren.

Later zal zij vernemen dat Alfred om het leven is gekomen.  Oma is 48 en Anni-Frid  achttien maanden wanneer beiden in Zweden aankomen.  Mama Synni krijgt heimwee en reist af naar Zweden waar zij samen met oma en Anni-Frid vanaf de achttiende augustus 1947 op een appartement gaat wonen. Het noodlot slaat toe wanneer de dokters vaststellen dat Synni aan een ongeneeslijke nierziekte lijdt. Zij zal de achtentwintigste september 1947, op eenentwintigjarige leeftijd, overlijden. Anni-Frid is dan twee jaar oud en voor oma zit er niets anders op dan in haar eentje haar kleindochter op te voeden. Zij verhuizen naar Torshälla, een dorpje buiten Stockholm. Vaak zal zij op vakantie gaan bij tante Olive in Noorwegen. Met haar tante zingt zij vaak samen en genieten beiden terwijl zij naar de radio en de platenspeler luisteren. Ook op school weet men vrij snel dat Anni-Frid goed kan zingen. Zij zal menig schoolfeestje al zingend opluisteren. Rond haar tiende gaat zij pianoles volgen. Omdat oma geen geld heeft om een piano te kopen, mag zij bij de buren gaan spelen. Een jaar later slaagt oma er toch in als verjaardagsgeschenk Anni-Frid te verrassen met een buffetpiano. In de herfst van 1956, Anni-Frid is dan elf, maakt zij als zangeres haar debuut tijdens een liefdadigheidsfeest georganiseerd door het Rode Kruis in Torshälla. Zij zingt daar het Zweeds volksliedje Fjorton ar tror jagvisst att jag var (Ik was, geloof ik, veertien jaar). Dat liedje was toen een hit voor Ingeborg Nyberg, haar lievelingszangeres. In de herfst van 1958 ontmoet Anni-Frid, Evald Ek, leider van het orkest The Evald Ek Quintet. Zij raakt begeesterd door zijn plannen en vraagt of zij bij de band mag komen zingen. Dat wordt gelijk een succes. Soms moeten zij tot driemaal toe in de week optreden en dat terwijl Frida, zo wordt zij sinds kort door haar vrienden genoemd, nog elke dag naar school moet. Bij het orkest zingt zij de bekende Zweedse liedjes en daarnaast Que sera sera van Doris Day, de jazzstandard All of me en Begin the beguine van Cole Porter. Vanaf het najaar van 1961 gaat zij bij de band van Bengt Sandlund zingen. Gekozen wordt voor een meer jazzy repertoire met songs van Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan. Dit ligt haar erg goed. Zij houdt van deze stijl. Frida wordt verliefd op Ragnar Fredriksson, de trombonist van de groep. In de zomer van 1962 weet Frida dat zij zwanger is van hem. De zesentwintigste januari 1963 wordt hun zoon Hans geboren. Frida is nog maar zeventien. Een jaar later, het orkest van Bengt is dan ontbonden, trouwt zij met Ragnar. Gelukkig voor haar kan ze iets later als zangeres terecht bij Gunnar Sandevärn’s Orchestra. Naast jazzstandards mag zij ook de hits van de dag zingen en bekende schlagers en evergreens. Na een tijdje richt Frida samen met haar man een eigen orkestje op bestaande uit vier muzikanten. Intussen is zij de moeder geworden van dochter Lise-Lotte. In de zomer van 1967 schrijft zij zich in voor de zangwedstrijd “Nya ansikten” ( Nieuwe Gezichten). De derde september 1967 heeft de finale in Stockholm plaats.  Zij wint de finale met En ledig dag (Een vrije dag) dat terug te vinden is op de verzamelaar “Frida 1967-1972″. Zij krijgt een platencontract bij EMI, neemt daar diverse liedjes op, maar slaagt er niet in daarmee succes te scoren. Pas wanneer Benny zich met de opname van haar volgende platen gaat bemoeien, scoort zij een nummer één met de single Min egen stad. Leuk om te weten is dat op dit liedje de overige leden van Abba in het achtergrondkoortje te horen zijn. Benny en Björn schrijven voor haar de volgende single Peter Pan en produceren iets later in het voorjaar van 1971 haar album “Frida”. Ook al is Abba in 1975 een mega hitmachine, toch brengt Frida dat jaar nog een solo-album uit “Frida ensam” met daarop de Zweedse versie van Fernando.

In de maand april 1970 is er van Abba nog geen sprake, maar beide koppels zijn dan samen op vakantie in Cyprus. Zij treden daar voor hun plezier op voor de Amerikaanse soldaten die op dat eiland gelegerd zijn. Benny en Björn zijn op dat moment al druk bezig met de opname van hun album “Lycka” dat in september zal verschijnen en waarop Agnetha en Frida meezingen. In het kielzog van dat alles vormen zij iets later het cabaretachtig groepje Festfolk waarmee zij de eerste november 1970 in Göteborg optreden. Kritiek alom, behalve wanneer zij de song Hej, gamle man (Hey oude man) zingen. In dit liedje hoor je de oerversie van Abba, zingen zij alle vier op een bepaald moment samen. Dat liedje verschijnt op single, maar wel onder de naam Björn en Benny. Er zit voor beide heren een topvijfhit in. Wij merken dat de vier Abba-leden vanaf 1971 nauwer gaan samenwerken. Zo gaan Benny, Björn en Agnetha tijdens de maand mei van dat jaar op tournee, terwijl Frida in haar eentje gaat toeren.  Stig Anderson spoort Benny en Björn almaar méér aan om samen songs te schrijven. Hij laat hen een liedje schrijven voor het “Melodifestivalen”. Tijdens de editie van 1971 wordt hun inzending geweigerd, maar het jaar nadien bereiken zij de derde plaats met het nummer Säg det med en sang (Zeg het met een liedje) gezongen door Lena Andersson. Deze versie wordt een hit in Zweden en zet Stig aan nauwer met Benny en Björn samen te werken. Tot zijn verbazing wordt het nummer She’s my kind of girl door Epic Records in Japan uitgebracht. Björn en Benny hadden in een verloren moment dat liedje geschreven voor de film “The Seduction of Inga”, niet meteen een prent om over naar huis te schrijven. Zij zijn het al lang vergeten, is het niet dat een Japanse muziekuitgever het nummer ontdekt heeft en het de moeite waard vindt om het op single uit te brengen en kijk, in de maand maart van 1972 wordt het in Japan een succes. Dat stimuleert Benny en Björn ermee door te gaan en vooral liedjes in het Engels te schrijven. Ook de singles En Carousel en Love has its ways worden als gevolg van die hit in Japan uitgebracht. In de zomer van 1972 brengen Benny en Björn het nummer People need love uit waarop beide dames, Agnetha en Frida, duidelijk te horen zijn. Stig besluit daarom de single uit te brengen onder de naam Björn & Benny, Agnetha & Anni-Frid. Het wordt geen hoogvlieger, maar een zeventiende plaats geeft hun voldoende moed vol te houden. In Amerika is er een kleine platenfirma Playboy Records die het nummer daar op single uitbrengt. Voor de aardigheid vermelden dat zij tot op de 114de plaats in de Cashbox singles charts geraken. Omdat zij nu willen doorzetten, trekken de vier naar de opnamestudio in Stockholm en beginnen daar de zesentwintigste september 1972 met de opname van Nina, pretty ballerina. Hier hoor je voor de eerste keer een geluid dat iets later zal uitgroeien tot de Abbasound. Vier goed bij mekaar passende stemmen met vooral een vocale hoofdrol voor beide dames. Tot hun verbazing wordt het nummer een hit in Oostenrijk.

Wat meteen opvalt in het Abbaverhaal is dat hun eerste album Ring Ring niet onder de naam  Abba wordt uitgebracht, maar wel als “Björn & Benny & Agnetha & Frida”. Twaalf liedjes in het totaal waaronder Nina Pretty Ballerina, Me and Bobby’s Brother, People Need Love en zowel de Zweedse als de Engelstalige versie van Ring Ring. Stig Anderson is er intussen in geslaagd  het viertal in te schrijven voor de preselecties van het Eurovisiesongfestival. Hij vraagt aan Benny en Björn speciaal voor deze deelname een liedje te schrijven. De werktitel wordt Klocklat. Stig ziet het wel zitten de tekst te schrijven. Hij staat erop dat het een poppy liedje wordt. Hij wil niet dat het als een doorsnee, pompeus festivalliedje klinkt, het mag wel wat moderner klinken. Omdat zij het liedje een méér internationale uitstraling willen meegeven, wordt er naast de Zweedse versie ook een Engelstalige opgenomen. Voor die Engelse tekst doen ze een beroep op het schrijverstalent van Neil Sedaka die in die tijd nauw met Phil Cody samenwerkt. Omdat zij erop gebrand zijn, wordt de productie aan Benny en Björn toevertrouwd. De tiende januari 1973 trekken zij met z’n allen naar de Metronome Studio in Stockholm. Technicus van dienst is Michael B. Tretow. Als studiomuzikanten worden de drummers Ola Brunkert en Roger Palm, de basgitaristen Mike Watson en Rutger Gunnarsson en gitarist Janne Schaffer ingehuurd. Michael werkte voordien al samen met Benny en Björn en is in de wolken om aan dit nieuw avontuur te beginnen. Michael is op dat moment een enorme fan van de Amerikaanse producer Phil Spector en diens “wall of sound”: de studio volstouwen met een pak instrumenten zodat alles groter dan groots klinkt. Omdat deze aanpak té duur is voor hun eerste productie, beslissen Björn en Benny alle instrumenten dubbel op te nemen zodat zij op die manier de indruk wekken door een groot orkest begeleid te worden. Er wordt ook aan de snelheid van de bandopnemer gesleuteld en klaar is kees. De tiende februari is op de Zweedse televisie de selectie voor het Eurovisiesongfestival te zien dat de zevende april in Luxemburg zal plaatsvinden. Maar hun verhaal loopt met een sisser af. Zij eindigen slechts derde en moeten de eer en de glorie afstaan aan Nova and The Dolls die met You’re summer naar Luxemburg mogen afreizen om daar de Zweedse kleuren te verdedigen. Zij eindigen uiteindelijk vijfde op een deelnemersveld van zeventien. Anne-Marie David wint voor Luxemburg met Tu te reconnaîtras.

Benny en Björn zijn na het tegenvallend resultaat tijdens de Zweedse selectie voor het Eurovisiesongfestival van 1973 ontzettend in hun eer geraakt. Dat belet hun platenfirma Polar Music niet om het nummer Ring Ring als single in de markt te zetten. De veertiende februari 1973 wordt het op vijfenveertig toeren uitgebracht met op de B-kant Ah vilka tider. Abba mag zich snel op succes verheugen, want zowel in Zweden als in enkele Europese landen wordt het nummer een hit. In Oostenrijk en Noorwegen belandt het op de tweede plaats, in Zuid-Afrika zit er een nummer drie in, in Zweden stijgt de Zweedse singleversie regelrecht naar de eerste plaats. Als in hun thuisland ook de Engelstalige versie wordt uitgebracht, zit er een tweede plaats in.  De drieëntwintigste juni 1973 staat Ring Ring bij onze noorderburen op de vijfde plaats in de Top Veertig. In ons land wordt de single op de radio zogoed als grijsgedraaid. In onze Top Dertig geraakt Ring Ring de zevende augustus tot op de tweede plaats. In de maand oktober van 1973 wordt Ring Ring ook in Engeland uitgebracht, maar daar slaat het nummer niet aan. Pas nadat Waterloo een jaar later een hit zal worden, zit er voor Ring Ring in Engeland in een geremixte versie een hit in, net zoals in Australië.

De 26ste maart 1973 wordt de elpee Ring Ring uitgebracht. Wij moeten wel vaststellen dat het een compilatie is geworden van een aantal liedjes die zij snel bij elkaar hebben gezocht, inpikkend op het snelle succes dat Ring Ring als single geniet. Met de opnamen werd in de loop van de maand maart 1972 begonnen en afgerond eind maart 1973.  Intussen was Agnetha bevallen van dochter Linda. Door het succes van Ring, Ring in Zweden gaat de groep in de lente en zomer van dat jaar op tournee in hun thuisland. Als kersverse moeder beslist Abba alleen in het weekend op te treden. In het totaal geven zij zo’n tachtig concerten. De vijftiende juni is de aftrap van hun tournee, maar de pers vindt het maar niets. “De groep heeft niet genoeg uitstraling” kunnen wij lezen. In die tijd vragen zij € 250 per optreden. Het valt wél op dat naarmate Ring Ring vaker over de radio te horen is, zij almaar meer fans naar hun optredens lokken.

Er wordt voor de internationale release van Ring Ring vooraf zorgvuldig gewikt en gewogen in welke landen het album mag uitkomen: Scandinavië, de Benelux, Australië, Zuid-Afrika, Mexico en West-Duitsland. Pas in 1992 wordt het album in de U.K. gereleaset en drie jaar later in de U.S.A. Rond deze periode begint Stig Anderson almaar vaker als een soort spielerei de naam Abba te gebruiken, in Zweden verwijzend naar een bekend visverwerkingsbedrijf. Om niet lang te hoeven piekeren, plaatst Stig in een lokale krant een oproep om een geschikte naam te verzinnen. Voorstellen variëren van Baba over Fabb tot en met Alibaba. In de zomer van 1973 beslissen de vier leden en hun manager in de toekomst scheep te gaan als Abba. Met dat gelijknamig visbedrijf wordt een deal gesloten en van dan af is Abba als popgroep een feit: een acroniem van de namen Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid. Iets later zal de eerste b in hun naam in spiegelschrift worden weergegeven.

Björn en Benny zinnen intussen, na dat niet geselecteerd worden tijdens de preselectie “Melodifestivalen” (te vergelijken bij ons met Eurosong) voor het Eurosongfestival en daarin opgezweept door hun manager Stig Anderson, op wraak. Na het succes van Ring Ring hebben zij besloten als groep sowieso verder te gaan. Die kans krijgen zij wanneer zij een jaar later opnieuw deelnemen aan de Zweedse selectie voor Eurosong. De Zweedse televisie nodigt hen uit in 1974 deel te nemen aan een nieuwe editie van “Melodifestivalen” met het oog op deelname aan de negentiende editie van het Eurovisiesongfestival de zesde april in Brighton. Aanvankelijk wordt er getwijfeld of zij met Hasta Mañana aan de competitie zullen deelnemen of met Waterloo, maar omdat zij vooral de stemmen van Anni-Frid en Agnetha wilden uitspelen, wordt voor Waterloo gekozen. Benny en Björn kwamen voor de tekst op de idee de passie waarmee een meisje zich overgeeft aan haar geliefde te vergelijken met de overgave van Napoleon tijdens de slag bij Waterloo in 1815. Oorspronkelijk heette de song nochtans Honey Pie. Om het nummer wat meer punch te geven, wordt besloten er een disco-achtig tintje aan te geven, ook al moest dat genre toen nog aan een echte opmars beginnen. De zeventiende december 1973 blikken zij in de Metronome Studio in Stockholm het nummer al in en de twaalfde maart 1974 verschijnt het officieel op single. De zesde april zongen zij dus in Londen, aangekondigd door Katie Boyle en begeleid door dirigent Sven-Olof Walldoff hun opmerkelijke versie van Waterloo en gingen met een totaal van 24 punten met de overwinning lopen. In het totaal namen 17 landen deel. Abba valt niet alleen op door het ritme van het liedje en hun samenzang, maar vooral door hun flashy, zij het op het randje af, kitscherige kledij. Gelukkig profiteert Abba van het aangepaste reglement dat er dat jaar niet in hun moedertaal, maar in het Engels mag worden gezongen. Binnen de kortste keren staat Abba niet alleen in Zweden op één, maar ook in de UK, België, Denemarken, Finland, West-Duitsland, Ierland, Noorwegen, Zwitserland en Zuid-Afrika. Ook buiten Europa doet de single het goed in landen als: Nieuw-Zeeland, Canada, Australië en Amerika waar het tot op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred geraakte. Benny en Björn zijn achteraf zo eerlijk toe te geven dat zij toen zij het nummer schreven duidelijk geïnspireerd waren door de hit See My baby Jive van Wizzard. Op de B-kant van de Zweedse single staat Honey, Honey, op de B-kant van de Engelse versie wordt Watch Out gezet.

Beide songs zijn terug te vinden op de langspeler “Waterloo” die tussen de vierentwintigste september 1973 en de twintigste februari in Stockholm wordt ingeblikt met muzikale steun van onder meer Ola Brunkert op drums en gitarist Janne Schaffer. In het totaal worden er vier singles uit het album getrokken: Waterloo, Honey Honey, Hasta Mañana en King Kong Song. Honey Honey draagt de absolute voorkeur weg van Benny, maar in Engeland wil hun platenfirma Epic dat niet uitbrengen. Daar wordt het gecoverd door de groep Sweet Dreams die er een leuke toptienhit mee scoren. Hieruit leert Abba zeer snel dat zij voortaan zelf zullen beslissen welke song op single zal worden uitgebracht. Björn blijft het opmerkelijk vinden dat Honey Honey niet naar een einde toewerkt, het liedje begint en kan eindeloos doorlopen. Dat effect passen zij later nog een keer toe wanneer zij The Winner Takes It All schreven.

Niemand kan dan vermoeden, hoe gigantisch het succes van Abba zal worden. Zeker niet dat zij in Amerika nog eens een nummer één zullen scoren. Daar zullen zij na Waterloo traag maar zeker naar toewerken met hits als SOS, waarover Björn in een interview zei:  ”We needed to have another big hit. SOS was really the song that got us back on track in England, I would say”. SOS wordt een onverhoopt succes in Amerika net als I Do I Do I Do I Do en Fernando. Dat laatste is oorspronkelijk geen Abbanummer, maar verscheen in Zweden in 1975 op het album “Frida ensam” dat Anni-Frid daar had uitgebracht. Fernando wordt op single gereleaset en een regelrechte nummer één in Zweden. Het management van Abba vindt dat liedje zo’n hitpotentieel hebben dat zij besluiten het van een Engelse tekst te voorzien en internationaal als Abbasingle te releasen. Het wordt in twaalf landen een terechte nummer één. Maar echt knal in de hitroos schieten zij in het najaar van 1976 met Dancing Queen dat trouwens in de USA hun enige nummer één hit wordt.

Het merendeel van hun hits, althans de demoversies daarvan, schreven Benny en Björn in hun zomerhuisje op het eilandje Viggsö, een uur rijden van het centrum van Stockholm. Elke zomer schreven zij daar, gezeten aan een kleine vleugelpiano. Benny was vaak in de mood om liedjes te schrijven. Toen zij met Dancing Queen bezig waren, stond Björn erop dat zij het qua sfeer vrij poppy hielden. De werktitel werd Boogaloo en ritmisch lieten ze zich inspireren door Rock your baby van George McCrae en het drumwerk op Dr. Johns album “Dr John’s Gumbo”. De vierde augustus 1975 trekt Abba naar de opnamestudio om Dancing queen in te blikken. Om het geheel wat op te frissen, gebruiken ze een ” slapback echo” zoals Elvis dat graag deed. Dancing queen zal en moet blij klinken, want het is een van de weinige Abbalyrics die een positieve tekst laten horen. In een interview zei Benny Andersson over Dancing Queen : ” It was a song that came all in one go. Well, no song ever does really. You have to sit there for a couple of weeks before anything happens, but once it’s started…”

De zestiende juni 1976 zingt Abba Dancing Queen voor de eerste maal op de Zweedse televisie tijdens een gala aan de vooravond van het huwelijk van koning Carl XVI Gustaf van Zweden met Silvia Sommerlath. Iedereen voelt meteen aan dat Dancing Queen op single voor de nodige gensters zal zorgen. Begin augustus komt de single in Zweden uit, iets later in Engeland waar het na een aantal dagen op 1 in de top veertig staat. Drie keer na mekaar hebben zij dan al in Engeland bovenaan gestaan: Waterloo, Mamma Mia en Fernando. In Nederland prijkt de single de veertiende augustus eveneens op één, in België insgelijks de 21ste augustus. In het totaal zal Dancing Queen in dertien landen op één staan waaronder Australië, Duitsland, Nieuw-Zeeland, Ierland, Noorwegen, Mexico, Zuid-Afrika, Rhodesië en, oef eindelijk, ook in Amerika. Daar moeten de negende april 1977 Daryl Hall en John Oates wijken met Rich girl om Abba voorrang te verlenen. Een week houden zij stand, dan moeten zij oprotten, want David Soul staat te popelen om de eerste plaats in te palmen met Don’t give up on usDancing Queen is nadien ook te horen op hun vierde studio-album “Arrival”, opgenomen tussen de vierde augustus 1975 en de achttiende september 1976. De elfde oktober van dat jaar wordt de elpee officieel in Zweden uitgebracht. Frida zal in 1993 tijdens de viering van de vijftigste verjaardag van de Zweedse koningin Silvia, een soloversie brengen van Dancing Queen. Samen met The Real Group zingt zij die avond een a-capellaversie. Van Dancing Queen zijn de voorbije jaren opvallende covers gemaakt onder andere door Luka Bloom, Brotherhood of Man, Belinda Carlisle,  Carol Douglas, The London Philharmonic Orchestra, The Ten Tenors enz…

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Chanson Populaire

1973 mogen we beschouwen als een van de hoogtijjaren in de carrière van Claude François. Hij nam eerder dat jaar, de 29ste maart, één van zijn grootste successen op Je viens diner ce soir. Eenmaal op single verschenen, hadden hij en zijn entourage snel door dat ze een dijk van een hit te pakken hadden. Tijdens zijn concerten zag hij meteen aan de reactie van zijn publiek dat zij dit uit volle borst meezongen en dat het voor hem een schot in de roos was.  Geen wonder dat er op het einde van dat jaar méér dan een half miljoen exemplaren van verkocht waren. Cloclo was aangenaam verrast toen hij in de maand februari van 1973 plots op de radio Les gondoles à Venise hoorde, een schitterend duet tussen Sheila en haar toenmalige partner Ringo die daarmee bliksemsnel in de Franse hitlijsten opdoken, die zij in de maand februari zouden aanvoeren. Hij wou koste wat het kost kennismaken met de schrijvers van dit liedje Paul en Lana Sébastian en Michaële. Cloclo vroeg hun zonder blikken of blozen naar een degelijke hitsong waarop zij vrij snel op de proppen kwamen met Je viens diner ce soir. Paul en Sébastian zouden iets later nog méér van zich laten horen, want het jaar nadien bezorgden zij Dalida de hit Gigi l’amoroso en in 1984 Jean-Luc Lahaye Femme que j’aime.

Cloclo was dus erg gretig op zoek naar een nieuwe hit toen hij enkele maanden na zijn succes met Je viens diner ce soir  aan de opname van zijn volgende elpee begon. In zijn bio kan je lezen dat hij op dat moment in de clinch lag met de Franse belastingen die zijn buitengoed “Moulin de Dannemois” waar zijn moeder woonde, wilden aanslaan.Hij had dus wel degelijk wat anders aan zijn oren dan met muziek bezig zijn, maar hij wist dat hij moest doorzetten, want hij had de voorbije maanden zowat de piek in zijn carrière bereikt en hij wilde die nog wel een tijdje aanhouden. François ontmoet op zekere dag de negentienjarige liedjesschrijver Nicolas Skorsky die voor Ringo het nummer Une baque, un collier had geschreven. Dat nummer sloeg zo goed aan dat hij met Ringo in zijn achterhoofd een nieuw liedje had gecomponeerd Chanson populaire. Toevallig had Cloclo daar een demootje van te horen gekregen en alles in het werk gesteld om dat nummer op de kop te tikken, kortom dat chanson van Ringo af te snoepen. Zijn manager en zijn entourage zien dat liedje niet zitten, maar Cloclo zet door en trekt in de loop van de maand september 1973 naar “Studio CBE” van Bernard Estardy gelegen in de rue Championnet in het achttiende arrondissement van Parijs. Hij wordt tijdens de opname begeleid door het orkest van Jean-Claude Petit. Jean- Pierre Bourtayre is tijdens die sessie niet alleen artistiek verantwoordelijke, maar bewerkt het oorspronkelijke nummer van Nicolas Skorsky een beetje. Hij weet uit zijn ervaring namelijk precies wat het liedje nodig heeft om er een volwaardig Claude François succes van te maken.

Cloclo mag zijn Chanson Populaire de dertiende november 1973 lanceren tijdens de show van Maritie et Gilbert Carpentier, beide vormen decennia lang een bekend producersduo bij de ORTF . Cloclo, die altijd staat op een degelijke visuele act, laat zijn dansgroep Les Clodettes speciaal voor deze editie een opvallende choreografie uitwerken die meteen aanslaat. Eind november 1973 stijgt Cloclo met de singleversie van Chanson Populaire  in de Franse hitlijsten meteen naar de elfde plaats om op het einde van de maand december op twee te eindigen vlak achter Johnny Halliday die op één staat met Noël interdit. Een maand later snijdt Cloclo het nieuwe jaar aan met een eerste plaats. Michel Delpech, Michel Fugain en The Rolling Stones hebben het nakijken.

Vier jaar  later is Claude François dat liedje nog altijd niet vergeten en blikt een Engelse versie in in de befaamde Abbey Road Studio’s. Hij vraagt aan de bekende orkestleider, auteur en arrangeur Norman Newell er een Engelse tekst bij te schrijven en neemt Chanson Populaire dan op als Love will call the tune.

Het succes van Chanson Populaire vormt ook de locomotief van de gelijknamige elpee met daarop in het totaal elf nieuwe nummers waaronder J’ai encore ma maison, J’ai perdu ma chance, Jamais non rien jamais en Fille sauvage.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Neil Sedaka

Neil Sedaka heeft Turks bloed in zijn aders. Hij is de zoon van de Turks-Joodse taxichauffeur Mac Sedaka, geboren in Brooklyn, de dertiende maart 1939. Hij woonde daar samen met zijn ouders in Brighton Beach op een klein appartement. De naam Sedaka is een aangepaste vorm van de Turkse familienaam Tzedaka, wat zoveel betekent als liefdadigheid, charity. Zijn moeder was Eleanor Appel, een dame van Pools-Russisch-Joodse afkomst. In 1937 wordt hun dochter Ronnie geboren. Twee jaar later wordt hun huwelijk gezegend met de geboorte van zoon Neil. Hij wordt door zijn moeder van begin af aan erg gedomineerd en goed in de gaten gehouden door zijn zusje. Hij is erg mager en wordt vanaf de kleuterklas al geplaagd. De meesten vinden hem maar een flauwe jongen om mee om te gaan, wat mietjesachtig. Hij is verzot op muziek, dat wel.  Zo wil hij bijvoorbeeld alleen maar aan tafel komen als tijdens het eten de radio aanstaat. Hij kent zowat alle hitjes van het moment en speelt die op het gehoor na op de piano van zijn buurman. In het begin met slechts één vinger. Op school is het zijn zanglerares mevrouw Glatz die hem op zekere dag een briefje mee naar huis geeft, bestemd voor zijn ouders, met daarop het advies hun zoon zo snel mogelijk muziekles te laten volgen. Moeder wordt, om wat extra dollars bij te verdienen, verkoopster in “Alexander’s Department Store” en na vijf maanden heeft zij vijfhonderd dollar bij mekaar gespaard waarvan zij voor Neil een tweedehands buffetpiano koopt. Het eerste liedje dat hij daarop speelt is Buttons and Bows dat hij iets eerder in de bioscoop had meegepikt uit de film ” The Paleface” met Bob Hope in de hoofdrol. Hij gaat privé pianoles volgen, maar zijn lerares merkt snel dat hij een uitstekende leerling is en spoort hem aan op auditie te gaan in “The Juilliard Preparatory Division for Children” in het Lincoln Center. Neil slaagt en stapt naar buiten met een studiebeurs op zak. Hij is nog maar net acht geworden.

Neil is tot zijn spijt en frustratie niet zo populair bij zijn leeftijdsgenoten. Om in hun gratie te geraken, leert hij snel de hits van het moment op zijn piano spelen en zo mag hij tijdens buurtfeestjes bij zijn vrienden hier en daar optreden. Neil heeft het pianospel snel in de vingers en etaleert maar al te graag zijn kunde op dat instrument. De klassieke composities die hij op de Juilliard School leert, moeten snel plaats ruimen voor populaire deuntjes. Tijdens een vakantie in de zomer van 1952 in The Catskill Mountains in de buurt van New York hoort hun buurvrouw Ella Greenfield, Neil aan het werk op de piano van “The Kenmore Hotel” lobby en stelt hem voor aan haar zoon Howard die niets liever doet dan teksten schrijven. De eerste oktober van dat jaar spreken Neil en Howard af om mekaar te ontmoeten en samen een liedje te schrijven Mr Moon dat hij voor het eerst zal zingen tijdens “The Lincoln High Ballyhoo Show”, een soort talentenjacht. Op zijn zestiende ziet het ernaar uit dat Neil aardig op weg is een tienerster te worden. Maar dit moet stiekem gebeuren, want zijn moeder droomt ervan dat haar zoon een geslaagd concertpianist wordt, in de stijl van de in die tijd razend populaire Harvey Van Cliburn. Samen met zijn medestudenten aan de “Lincoln High School” richt Neil het groepje The Linc-Tones op: Neil Sedaka, Eddie Rabkin, Cynthia Zolotin, Jay Siegel en Hank Medress. Neil heeft zijn oog intussen laten vallen op Carol Klein die op de “Madison High School” in Brooklyn zit. In haar kelder oefenen zij samen met Medress en Siegel hun zangpartijen en proberen zo close harmony mogelijk te klinken. In 1956 ontmoet Neil manager Happy Goday die hun voorstelt hun groepsnaam te veranderen in The Tokens. Hun eerste plaatje nemen zij op voor het Melba Records label. Maar lang blijft Neil niet bij The Tokens, al is hij wel op een aantal van hun platen uit die tijd te horen.  Siegel en Medress vormen nadien een nieuwe line-up en zullen in 1961 een dikke hit scoren met The Lion Sleeps Tonight (zonder Sedaka dus).

Neil wil liever samen met Howard liedjes schrijven die zij weten te slijten aan Jerry Wexler van Atlantic Records. Zij scoren vrij vlug enkele kleine eitjes, onder andere met I Waited Too Long, gezongen door LaVern Baker, en Since You’ve Been Gone door Clyde McPhatter. Zij worden daar bliksemsnel weggesnoept door de muziekuitgevers Don Kirshner en Al Nevins die net hun eigen uitgeverij “Aldon Music” in de befaamde “Brill Building” in Manhattan hadden gestart en in 1958 bezorgen Neil en Howard van daaruit een stevige hit aan Connie Francis met het door hen geschreven Stupid Cupid. Hun wordt als gevolg daarvan een vijfjarig contract aangeboden, goed voor vijftig dollar per week. Moeder Sedaka aarzelt niet dat contract meteen te ondertekenen. Het is Connie Francis die hun op de idee brengt hun volgend nummer The Diary te noemen. Kirshner speelt dat door aan de op dat moment populaire doowopgroep Little Anthony and The Imperials, maar die nemen liever eerst een ander liedje op. Sedaka is daar behoorlijk boos over. Om hem te kalmeren, stelt Don hem voor aan Steve Sholes van RCA Records die met Neil in zee gaat. Neil is dan negentien en apetrots dat hij zijn eigen The Diary op plaat mag uitbrengen, onder zijn eigen naam. The Diary mag postvatten in de Top Twintig. De opvolger I go ape doet het niet onaardig, maar Crying my heart out wordt een dikke flop. Om toch voldoende geld te blijven verdienen, vinden we Neil regelmatig terug in de opnamestudio’s als sessiemuzikant. Zo horen we hem onder andere op de piano tokkelen in de hit  Dream lover van Bobby Darin.

Neil begint almaar intenser aan zijn sound te sleutelen. Het dubben van zijn stem, het meermaals opnemen van zijn zangstem, wordt zijn handelsmerk. Hij dubt die tot twee-of driemaal toe. Hij had dit in de jaren vijftig al ontdekt door aandachtig te luisteren naar de platen van Les Paul en Mary Ford. Les had het vermenigvuldigen van zijn zang- en gitaarpartijen al uitgebreid toegepast op zijn hitsingles How High the Moon en The World is Waiting for the Sunrise. Sedaka past die opnametechniek toe op zijn grote doorbraakhit Oh Carol die hij in 1958  samen met Howard Greenfield schrijft en die hij opdraagt aan zijn schoolvriendinnetje Carol Klein, die intussen haar naam veranderd heeft in Carole King.

Tijdens mijn interview met Sedaka vertelde hij mij dat hij dat nummer op de hoek van de keukentafel schreef, terwijl zijn moeder aan het strijken was, op een klein blaadje papier, dat hij meteen nadien aan Howard doorspeelt die er al even snel een tekst bij verzint. Voor Sedaka was het met dit liedje erop of eronder, want nadat Crying My Heart Out For You geflopt was, had RCA besloten geen platen meer met hem op te nemen, maar producer Al Nevins blijft aandringen en zo komt Oh Carol in 1959 toch op single uit en stijgt binnen de kortste keren naar de negende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Op de B-kant staat One Way Ticket waarmee Sedaka in Japan een nummer één scoort. Er is ook een nummer één weggelegd in de maand januari van 1960 wanneer Sedaka in Italië de door hem Italiaans gezongen versie uitbrengt. Hij zal vier weken lang de Italiaanse hitlijsten aanvoeren.  One Way Ticket is niet van de hand van Neil, maar van Jack Keller die samen met Hank Hunter eveneens werkzaam was in de Brill Building in Manhattan.

Het lijkt alsof alles wat Sedaka van dan af aanraakt in goud verandert. De hits razen in sneltreinvaart voorbij:  Stairway To Heaven, You Mean Everything To Me, Calendar Girl, Little Devil, Happy Birthday Sweet Sixteen en het op  It Will Stand van The Showmen geïnspireerde  Breaking Up Is Hard To Do met als opvallende intro het catchy down-doo-be-doo-down-down, in de zomer van 1962 dé zomerhit in Amerika en Neils eerste millionseller. Als een soort blauwdruk pakt hij, zeer tegen zijn zin, maar onder zachte dwang van RCA, meteen nadien uit met Next Door To An Angel, goed voor een topvijfnotering. Maar met de opvolgers Let’s Go Steady Again, The Dreamer en Alice In Wonderland gaat het plots een pak minder goed. Zijn sliert hits die hij voor RCA bij mekaar zingt en schrijft wordt in de maand februari 1966 afgerond met de single The Answer To My Prayer. Nadien is het afgelopen met het scoren aan de strekkende meter. Tot zijn ongenoegen stelt hij vast dat er al die tijd met zijn geld was geknoeid. Dat had hij al eerder in 1958 opgemerkt. Toen had hij voor zo’n slordige tweeënveertigduizend dollar aan auteursrechten geïnd die zogezegd door zijn moeder angstvallig werden bewaakt. Hij mag niet zelf over zijn geld beschikken. Zo mag hij bijvoorbeeld pas na haar akkoord zijn eerste auto kopen, een Chevy Impala Convertible. Papa Sedaka wordt intussen door mama niet meer goed bevonden en aan de kant geschoven om plaats te maken voor haar nieuwe lover Ben Sutter die zich meteen ook geroepen voelt de zakelijke beslommeringen van Neil voor zijn rekening te nemen en zichzelf uit te roepen tot diens officiële manager. Intussen had Neil de liefde van zijn leven gevonden. Hij had samen met Norman Spizz, Howard Fischler en David Bass het groepje The Nordanelles opgericht waarmee hij vaak optrad in “Esther Manor”, een lucratieve zaak langs Route 17B iets buiten Monticello, uitgebaat door Esther Strassberg die een knappe dochter had, de dan zestienjarige Leba, waarmee Neil vier jaar later, de elfde september 1962, in het huwelijk zal treden.  Zijn moeder en Ben Sutter blijven intussen de plak zwaaien en zijn geld beheren. Zo is het bijvoorbeeld een idee van Ben, Neil naar het buitenland te sturen om daar op te treden. Zuid-Afrika, Japan, Spanje, Italië, het maakte niet uit, als het maar geld opbracht. Neil gaat van zijn grootste hits dan ook versies opnemen in het Hebreeuws, het Italiaans, het Spaans, het Duits en het Japans.

Tot zijn verbazing stelt Sedaka vast dat van de inkomsten van de méér dan vijfentwintig miljoen platen die hij tussen 1958 en 1963 verkocht heeft, haast niets meer overblijft. Sutter heeft het merendeel van zijn geld slecht belegd in immobiliën én opgesoupeerd in de door hem vaak bezochte casino’s. Neil had al uitgerekend dat zij zo’n vierhonderdduizend dollar achterover hadden gedrukt. Moeder Sedaka doet echter alsof haar neus bloedt, maar Neil heeft er schoon genoeg van, sleept Sutter voor het gerecht waar beslist wordt dat die zich als manager moet terugtrekken. Hij gaat nadien akkoord op voorwaarde dat hem cash een uitkoopsom wordt uitbetaald van om en nabij de twintigduizend dollar. Enkele uren nadien treft Neil zijn moeder bewusteloos in haar woning aan. Zij heeft een té hoge dosis slaappillen ingenomen en wordt in allerijl overgebracht naar het hospitaal in Coney Island. Na een maagpomping herstelt zij vrij snel en weet Neil opnieuw aan haar kant te scharen met de belofte dat zij elke vorm van contact met Sutter verbreekt. Neil en zijn vrouw Leba kopen  voor haar een huis in Zuid-Florida waar zij voor de rest van haar leven tot aan haar overlijden in 2006 kommerloos zal verblijven.

Tussen 1965 en 1966 brengt Neil op het RCA-label enkele singles uit die haast kant noch wal raken: The World Through A Tear, The Answer To My Prayer en We Can Make it If We Try. Hij blijkt wel een voltreffer te zijn als songwriter.  Zo schrijft hij samen met Carole Bayer in 1966 en 1967 When Love Comes Knockin’ At Your Door en The Girl I Left Behind Me voor The Monkees, scoren The 5th Dimension in 1969 een hit met  Working On a Groovy Thing, Tom Jones in 1971 met  Puppet Man en Tony Christie eveneens in 1971 met  Is This The Way To Amarillo. Omdat het succes in Amerika bij RCA opgedroogd lijkt, wordt een nieuwe platendeal gesloten, deze keer bij SGC Records, maar die samenwerking levert maar een paar povere singles op: Star-Crossed Lovers, dat wel een dikke hit voor hem in Australië wordt, Rainy Jane, Ebony Angel en Wheeling, West Virginia.

Aangespoord door het succes dat Carole King scoort met haar comebackelpee “Tapestry” brengt Neil in de maand januari van 1972 de langspeler “Emergence” op de markt. In 1966 was hij bij RCA opgestapt, maar door toedoen van Don Kirshner wordt die deal begin jaren zeventig voor even hernieuwd. Die langspeler wordt in Amerika geen succes, maar het nummer I’m a song uit die plaat wordt wel door Helen Reddy en Lou Christie met verve gecoverd net als de song God Bless Joanna door The King’s Singers.  De elpee wordt wél in Engeland behoorlijk goed ontvangen met als vervolg een optreden de negenentwintigste september 1972 in de “Royal Albert Hall” in Londen. Neil besluit een tijdje in Londen te gaan wonen en huurt een flat in de rijke Londense buurt Mayfair. Hierdoor komt er wel een abrupt einde aan zijn samenwerking met Howard Greenfield, wiens plaats wordt ingenomen door Phil Cody. In de zomer van 1972 blikt Neil in de Strawberry Studio’s in Stockport de elpee  “Solitaire” in samen met de groep Hotlegs met daarin als muzikanten Lol Creme, Kevin Godley, Graham Gouldman en Eric Stewart die ook de producer van dienst wordt. Die heren zouden iets later de popgroep 10 CC vormen. De titelsong wordt een regelrechte popklassieker die vrij snel wordt gecoverd door The Searchers en behoorlijk succesvol in 1973 door Andy Williams. In 1975 komen The Carpenters op de proppen met hun album “Horizon” met daarop de zowat definitieve versie van Solitaire. Hun versie klimt naar de zeventiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd.

Hetzelfde team van het album “Solitaire” wordt aangehouden en ingehuurd voor de opvolger “The Tra-La Days Are Over”, maar deze elpee werd niet in Amerika uitgebracht. Het album wordt in de lente van 1973 ingeblikt en is de laatste plaat waaraan Howard Greenfield als songwriter zal meewerken. De plaat levert Neil zelf geen echte hits op, maar twee songs worden wel met succes gecoverd. In  1975 scoren Captain & Tennille een Amerikaanse nummer één met Love Will Keep Us Together. Het is Kip Cohen van A & M Records die Daryl Dragon en Toni Tennille het nummer voor het eerst laat horen. Zij zijn meteen in de ban van die song. Sedaka zelf is er niet van op de hoogte omdat hij op dat moment in Engeland verblijft. Tot hij op zekere dag per post de opname in zijn brievenbus vindt. Hij wordt in één klap van zijn sokken geblazen en voelt aan dat dit een hit zal worden. Daryl “The Captain” Dragon en zijn vrouw Toni Tennille brengen de negentiende april van dat jaar het nummer op single uit. De eenentwintigste juni stoten zij het trio America van de eerste plaats die daar geparkeerd stonden met Sister Golden Hair en blijven vier weken onafgebroken op één staan tot Paul McCartney & Wings het van hen overnemen met Listen to What the Man Said. Als je de Amerikaanse hitlijsten van toen bekijkt, dan merk je dat vier maanden later Captain & Tennille opnieuw in de Top Honderd genoteerd staan, deze keer met de Spaanse versie van Love Will Keep Us Together, Por Amor Viviremos. Voor Sedaka kan het geluk niet op, want in een tijdspanne van vier maanden staat hij met een nummer van hemzelf op de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Via zijn uitgeverij verneemt hij dat in Nederland de groep Full House, een studiogroep met daarin de latere tv-presentator Frank Kramer,  op de tweede plaats in de Nederlandse Top Veertig staat met hun cover van  Standing On The Inside.

Wat Sedaka moeilijk kan verteren is dat “The Tra-La Days Are Over” niet in zijn thuisland wordt uitgebracht, zodat hij besluit zijn daaropvolgende elpee in de States te gaan opnemen en wel in de “Clover Studio’s” op Santa Monica Boulevard in Hollywood in een productie van Robert Appere. Er wordt qua muzikanten op geen enkele dure naam gekeken: Russ Kunkel, Danny Kortchmar, Leland Sklar, David Foster… zij passeren allemaal de revue en vooral de kassa. Iets voordien had Neil samen met Phil Cody het nummer Laughter in the rain geschreven. Neil had dat voor het eerst live gezongen tijdens zijn concert in “The Royal Albert Hall” in Londen in 1972 en daarvoor van het aanwezige publiek een staande ovatie gekregen. Hij wist meteen dat het nummer prima zat. Neil was in Amerika zelf op zoek gegaan naar Phil Cody, een wat haveloze hippie die graag teksten schreef en nog goede ook. Neil wou een andere wending in zijn carrière en wou wat verlost geraken van zijn jarenlange samenwerking met Howard Greenfield. Hij was op zoek naar een andere tekstuele aanpak. Voor de productie van het gelijknamige album gaat Neil aankloppen bij Robert Appere, die jaren eerder begonnen was bij het label A & M van Herb Alpert en met een rist artiesten had samengewerkt: The Carpenters, Joe Cocker, James Taylor, Earth, Wind and Fire enz… Aanvankelijk aarzelde Robert omdat de stem van Neil hem niet zo lag, hij vond die nogal hoog klinken. En hij zat ook nog met die oude hits in zijn hoofd, maar toen hij de nieuwe liedjes te horen kreeg, was hij meteen verkocht. Er wordt beslist in de Clover Studio’s in Los Angeles op te nemen.  Neil gaat niet akkoord met de eerste keuze muzikanten die Robert heeft gepland. Neil wil de steengoede begeleidingsband van James Taylor The Section: bassist Leland Sklar, toetsenist Craig Doerge, drummer Russ Kunkel en gitarist Danny Kortchmar. Er wordt tegen een hoog tempo gewerkt. In amper twee weken tijd is het volledige album ingeblikt. Neil heeft vaak aan één of twee takes genoeg om de definitieve versie op tape te hebben.  Laughter in the Rain is een degelijk album met daarop nummers als Betty Grable en Sad Eyes.  De plaat wordt in Engeland in 1974 sowieso op het Polydor-label uitgebracht en op goede kritieken onthaald. De nieuwe Sedaka is opgestaan! Om dit te vieren organiseert Neil, die nog in Engeland resideert, samen met zijn vrouw Leba een party in hun appartement in Londen waar naast The Carpenters en Paul McCartney ook Elton John van de partij is. Sedaka was al eerder aan de weet gekomen dat John een fan van hem is, vooral omdat zij gemeen hebben dat zij hun eigen songs schrijven én beiden een klassieke piano-opleiding hebben genoten. Elton vindt Sedaka net zo’n sterke schrijver als Carole King.  Sedaka klaagt erover dat zijn platen in Amerika niet meer worden uitgebracht. Hij vraagt aan Elton recht op de man af of die het niet ziet zitten zijn platen in de US op zijn net opgestarte label “Rocket Records” uit te brengen. Elton vraagt wat bedenktijd en nodigt iets later Neil en zijn vrouw uit in de opnamestudio Caribou Ranch in Colorado waar hij op dat moment druk bezig is met de opname van zijn  single  Lucy in The Sky, een cover van de Beatlesklassieker, samen met producer Gus Dudgeon, het nummer waarin wij ook John Lennon aan het werk horen en dat niet alleen op single verschijnt, maar ook op zijn album “Captain Fantastic” te horen is.  Elton stelt aan Sedaka qua eerste release op zijn Rocket Records label voor van Neils drie laatste albums “Solitaire”, “The Tra-La Days Are Over” en “Laughther in The Rain” één compilatie te maken en die als het album “Sedaka’s Back” in de Amerikaanse markt te zetten. In de maand november 1974 is het zover. Tevens komt Laughter In The Rain op het Rocket Records label ook op single uit. Wat vooraf niemand durfde te dromen, komt toch uit, al gaat het in het begin traag. De programmasamenstellers aarzelen of ze Neil Sedaka nu zouden programmeren of niet. In New York pikt eerst WNEW de single op, iets later WABC en dan is het hek van de dam, zeker wanneer het toonaangevende blad “Rolling Stone” een bespreking publiceert van de hand van Ken Barnes “This is the year for the return of veteran posters  and while I wish we had been sparen Paul Anka and Bobby Vinton, Neil Sedaka is welcome back any old time… He again proves himself a highly skilled, sophisticated songwriter, both lyrically and melodically…” De eerste februari 1975 stoot Sedaka, The Carpenters van de eerste plaats die daar hadden staan pronken met hun cover van Please Mister Postman. Een week mag Sedaka op één blijven glunderen, dan nemen The Ohio Players het van hem over met Fire.

Neil heeft duidelijk een nieuwe pedaaltje gevonden en blijft aardig in cadans met het album “Overnight Success” dat in Engeland, Europa en Australië op het Polydor-label wordt uitgebracht. Het album is twee klassiekers rijk: Bad Blood en The Hungry Years. Bad Blood schreef Neil op zijn appartement gelegen aan 63rd Street in Manhattan. Phil Cody zat naast hem. Phil dacht aan zijn moeder die een tijdje eerder tegen hem had gezegd: ” Don’t talk to that woman, she has bad blood”. Voor Phil een uitgangspunt om te verwerken in zijn tekst die bij die melodie van Sedaka hoorde. Zodra dit nummer is ingeblikt, wil Phil na een eerste beluistering de tekst herschrijven, maar daar heeft Neil geen oren naar. Elton John had veel zin om het nummer mee te zingen. Er wordt opgenomen in de “Clover Studio” gelegen langs Santa Monica Boulevard waar de sessiemuzikanten geduld moeten oefenen, want Elton laat twee uur op zich wachten. Robert Appere zit aan de knoppen en Elton is er meteen voor gewonnen de backing vocals op Bad Blood te zingen. De befaamde producer David Foster gaat akkoord om op de piano te tokkelen. John Denver is zo vriendelijk met zijn Calypso plaats te ruimen om Elton en Neil de elfde oktober 1975 op de eerste plaats te laten postvatten. Drie weken houden zij het daar vol tot Elton die eerste plaats voor zichzelf opeist met Island Girl. Van Bad Blood gaan er méér dan anderhalf miljoen exemplaren de deur uit. Ook grijsgedraaid uit het album “Overnight Success” wordt de trage versie van Neils opnieuw ingezongen vroegere hit Breaking Up Is Hard To Do, goed voor een achtste plaats in Billboard’s Hot One Hundred.  Voor Sedaka kan 1975 niet meer stuk, al zal hij niet vergeten hoe hij in het voorprogramma mag optreden van The Carpenters die met hun show op de affiche staan van The Riviera Hotel in Las Vegas. Sedaka oogst méér succes en betere kritieken in de pers. Hij wordt ‘s anderendaags beleefd gevraagd thuis te blijven en van de affiche verwijderd. Hij gaat akkoord op voorwaarde dat het hotel hem een contract aanbiedt voor een solo-optreden later dat jaar. In Amerika wordt “Overnight Success” op het Rocket-label uitgebracht onder de titel “The Hungary Years”.  Het nummer Lonely Night daaruit wordt door Captain & Tennille gecoverd en levert hun opnieuw een Amerikaanse hit op. RCA brengt, een graantje meepikkend van dit overdonderende succes van Sedaka, het verzamelalbum “Neil Sedaka Sings His Greatest Hits” uit.

In 1976 neemt Neil zijn derde en laatste album op voor het Rocket-label “Steppin’ Out” met daarop als uitschieters de songs Bad and Beautiful én You Gotta Make Your Own Sunshine dat tevens op single uitkomt. Nadien sluit hij een platendeal voor Amerika met het Elektra-label, een samenwerking die tot 1983 standhoudt. In de rest van de wereld blijven zijn platen op het Polydor-label verschijnen. In 1971 had hij samen met Howard Greenfield Is this The Way To Amarillo voor Tony Christie geschreven. Amarillo is een stadje in Texas. Howard had dit als locatie gekozen omdat dit de enige plek is die rijmt op pillow en willow. Sedaka neemt dit nummer in 1977 ook zelf op als hij het album “A Song” uitbrengt.  Zijn singleversie van Amarillo doet het in Amerika beter dan die van Tony Christie die net niet de Top Honderd haalt. Sedaka mag tevreden zijn met een vierenveertigste plaats, maar doet het veel beter met de opvolger Should’ve Never Let You Go, een duet samen met zijn dochter Dara. In de loop van de maand april geraken zij met dat nummer tot op de negentiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd. Dat liedje staat ook op het album “Letting Go” dat hij in 1980 voor Elektra opneemt. Daarop zingt Dara tevens de backing vocals op het nummer You’re So Good For Me. Wanneer Neil in 1983 nog maar eens van plantenfirma switcht en terechtkomt bij MCA, doet hij dat succes met Dara nog eens matig over met een coverversie van Marvin Gayes en Tammi Terrells Your Precious Love waarmee hij een van de weinige artiesten is die binnen een tijdspanne van bijna dertig jaar hits weten te scoren. Nadien verdwijnt Neil echter voorgoed uit het zicht van de Amerikaanse charts.

De vierde maart 1986 overlijdt Howard Greenfield, net voor zijn vijftigste verjaardag, aan aids. Zijn vriend en partner Tory Damon sterft een maand later. Sedaka was op dat moment op tournee in Bombay, India en kon niet tijdig terugkeren voor de begrafenis. Op verzoek van Neil wordt er een verzamelalbum uitgebracht met daarop uitsluitend composities van Howard getiteld  ”My Friend”. Op de hoes schrijft Sedaka het volgende “Howie’s talent was writing lyrics that were a perfect marriage to my melodies. His words were like novelettes, weaving a story from beginning to end… Although he has passed away, his spirit will live on through his wonderful lyrics, which have given and will continue to give great joy to millions all over the world. This album is dedicated to Howie Greenfield, my friend”.

In de loop van de jaren tachtig en negentig besteedt Neil veel tijd aan concerten, wereldwijd.  Hij schrijft zijn autobiografie “Laughter in the Rain” die in 1982 wordt gepubliceerd en wordt een jaar later opgenomen in “The Songwriters Hall of Fame”, een hele eer voor hem. In 1998 is hij te gast in de populaire “Today Show” bij NBC. Twee jaar later verneemt hij dat zijn klassieker Breaking Up is Hard To Do méér dan vijf miljoen keer op radio en televisie te horen was sinds hij dat nummer in de jaren zestig op plaat had gezet.  Hij is helemaal door het dolle heen wanneer hij iets later in de jury terechtkomt van het razend populaire “American Idol”. Hij had daarop aangedrongen en het pleit gewonnen. De eenentwintigste mei 2003 heeft de finale plaats met als eindoverwinnaar Ruben Studdard met op de tweede plaats Clay Aiken die onder meer een overdonderende versie neerzette van Sedaka’s Solitaire dat hij iets later op single zal uitbrengen.

In 2004 wordt Neil Sedaka onderscheiden met de “Sammy Cahn  Lifetime Achievement Award”, een prijs die hem wordt toegewezen door “The National Academy of Popular Music” en “The Songwriters Hall of Fame”. Datzelfde jaar scoort de daarnet vermelde singer-songwriter Clay Aiken een nummer één in Canada en een vierde plaats in de US met zijn versie van Sedaka’s Solitaire. Alsof het niet op kan, neemt de vijftienjarige zangeres Renee Olstead samen met Peter Cincotti voor haar gelijknamige cd een jazzy duetversie op van Breaking Up Is Hard To Do. Naar aanleiding van de vijftigjarige carrière van Neil Sedaka wordt er in “The Lincoln Center” in New York een concert georganiseerd met op de affiche Captain and Tennille, Natalie Cole, Connie Francis en David Foster. Op video zingt Barry Manilow een adembenemende versie van The Hungry Years, volgens hem een van de mooiste ballads ooit geschreven. Nadien blijft Neil cd’s opnemen en uitbrengen. In 2010 is er het album “The Music of My Life’, een dubbelalbum met een verzameling van eenentwintig van zijn grootste hits en elf nieuwe songs waaronder het niet onaardige Right Or Wrong, een verwijzing naar zijn vroegere doowopstijl.  Wij zien hem de elfde september van dat jaar optreden in het Londense Hyde Park tijdens het concert ‘”Proms in the Park” georganiseerd door de BBC. Begin maart van dat jaar heeft in het “Churchill Theatre” in Bromley de première plaats van de musical “Laughter in the Rain” van de hand van Philip Norman met daarin het verhaal van Neil Sedaka verteld aan de hand van al zijn grote hits. Deze musical in een productie van Bill Kenwright en Laurie Mansfield zal de maanden nadien onder meer te zien zijn in Bristol, Liverpool, Manchester, Cardiff en Londen.

Ook al telt Neil Sedaka drieënzeventig lentes, toch brengt hij op aanraden van zijn zoon Marc in 2012 het album “The Real Neil” uit. Neil neemt als een soort protest tegen de huidige manier van het overladen produceren van platen een heel intiem album op waarop hij zichzelf alleen aan de piano begeleidt. Het wordt een cd met bewerkingen van zijn bekende hits en een aantal nieuwe songs waaronder als eercatcher het concerto Manhattan Intermezzo , een achttien minuten durende klassieke compositie, een suite in de stijl van Rachmaninov’s Rhapsody on a Theme from Paganini. Aangespoord door Paul McCartney die met zijn Liverpool Oratorio een klassiek stuk durfde af te leveren, waagt Sedaka ook zijn kansen. Hij zet zich al in 2010 aan het werk samen met arrangeur Lee Holdridge en voert Manhattan Intermezzo in de maand oktober van 2010 voor het eerst live uit samen met The Philharmonic Orchestra of London tijdens een aantal concerten. Het wordt twee jaar later, de zevenentwintigste oktober 2012, live uitgevoerd door pianist Jeffrey Biegel samen met The South Shore Symphony Orchestra in het “Madison Theatre” in New York. Biegel voerde eerder al Symphonic Fantasies uit gecomponeerd door Billy Joel. Naast Manhattan Intermezzo componeerde Neil de voorbije jaren ook het klassiek klinkende Joie de Vivre.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

American Pie ( The day the music died )

De zevenentwintigste november 1971 werd in Amerika het nummer American Pie, part one and two op het United Artists-label op single uitgebracht. Het zou negentien weken in Billboard’s Hot One Hundred genoteerd blijven met als hoogste score de eerste plaats en dat zes weken na mekaar. Zangeres Melanie moest haar eerste plaats die zij inplamde met  Brand New Key aan McLean afstaan.  De vijftiende januari 1972 vond hij het namelijk welletjes en kwam daar postvatten tot Al Green hem de twaalfde februari van die eerste plaats verstootte met Let’s Stay Together.

Don McLean is een van die vele singer- songwriters die in de jaren zeventig van zich lieten horen, geboren in 1945 in New Rochelle in de staat New York. Hij maakte zich intussen onsterfelijk door het schrijven van drie popklassiekers: American Pie, Vincent en And I Love You So, dit laatste uit zijn allereerste album “Tapestry” dat hij in 1970 uitbracht, maar dat aanvankelijk geen hit werd. Zijn op één na grootste hit scoorde hij in 1981 toen hij een cover opnam van de Roy Orbison-hit Crying, goed voor een vijfde plaats in de Amerikaanse charts.

Een vliegtuigongeval was voor Don McLean de aanleiding om er jaren later een liedje aan te wijden. Hij verdeelde als negentienjarige knaap ‘s ochtends de kranten en hij las de derde februari 1959  het schokkende bericht dat  het toestel waarin zich de op dat moment populaire rockmuzikanten Buddy Holly, The Big Bopper en Ritchie Valens bevonden, neer was gestort nabij Clear Lake in de Amerikaanse staat Iowa. Zij vlogen in een Beechcraft Bonanza, eigendom van de maatschappij Dwyer Flying Service in Mason City, Iowa. Holly, Valens en Richardson waren samen met de begeleidingsband van Holly, The Crickets, bezig aan een grootse concerttour “The Winter Dance Party” waarmee zij in drie weken tijd in vierentwintig steden zouden optreden. Die tour begon de drieëntwintigste januari 1959 in Milwaukee, Wisconsin. De vraag naar deze drie populaire rockers was zo groot dat hun promotor op hun vrije dag, de tweede februari, nog een extra concert had ingelast en wel in de “Surf Ballroom” in Clear Lake. Er waren intussen problemen gerezen met de toerbus waarmee zij rondreisden. Die was niet opgewassen tegen de barre koude en dus probeerde Holly een vliegtuigje te charteren dat hen  naar de volgende locatie in Moorhead moest vliegen. Hij huurde piloot Roger Peterson in die hen die nacht zou overvliegen. Het toestel bood slechts plaats aan drie passagiers en één piloot, dus moest er gekozen worden. Buddy wilde sowieso meevliegen, Waylon Jennings stond zijn  plaats af aan de zieke Big Bopper en Valens toste met Tommy Allsup. Dion Di Mucci kon uiteindelijk ook nog meevliegen, maar sloeg het aanbod af. Om één uur ‘s nachts, de derde februari 1959, steeg het vliegtuigje op vanaf “Mason City Municipal Airport”. Meteen na het opstijgen, moest de piloot contact opnemen met de luchthaven, wat niet gebeurde. Twee uur later hadden zij nog steeds niets van hem gehoord en werd het toestel als vermist opgegeven. Om kwart over negen ‘s ochtends stijgt de eigenaar met zijn vliegtuig op om precies dezelfde route na te vliegen en merkt acht kilometer verderop dat hun vliegtuigje is neergestort in een maïsveld. Achteraf blijkt dat de piloot enkele zware fouten heeft gemaakt. Hij was nog onervaren met nachtvluchten in slechte weersomstandigheden.

Dat vliegtuigongeval duikt dus ook op in het nummer American Pie van DonMcLean. Als een soort eerbetoon droeg hij dat nummer aan hen op al noemt hij in hen deze song  niet bij naam. Hij gaf het nummer aardig wat gewicht mee door de zin ” the day the music died”. Samen met Holly, The Big Bopper en Valens werd volgens McLean dus de rock- ‘n’-roll, de popmuziek, die dag begraven. Over de verdere inhoud van die song heeft McLean altijd het stilzwijgen bewaard en wil hij alleen maar kwijt dat het voor een deel over zijn  jeugdjaren gaat, maar naar de rest van het verhaal hebben wij het raden. Intussen liet hij wel links en rechts horen dat het nummer gaat over zijn onschuldige tienertijd in de loop van de jaren vijftig en de evolutie die de muziek in korte tijd meemaakte: van de rockende jaren vijftig naar de meer wispelturige jaren zestig. Het is ook zo dat hij tijdens zijn jeugd niet dweepte met Elvis, zoals de meesten, maar wel met Buddy Holly die op dat moment zijn idool was. Daarnaast was hij ook een grote fan van Frank Sinatra en Little Richard. Zijn vader sterft wanneer Don vijftien is en sinds die dag heeft hij zich uitsluitend met muziek beziggehouden. Hij treedt ook een tijdje op samen met Pete Seeger en beslist na een tijdje solo te gaan, daarbij uitsluitend begeleid door zijn gitaar en banjo. Platenmaatschappijen staan niet op zijn nummers te wachten. Hij vist zo’n vierendertig keer achter het net tot hij in 1970 terechtkan bij Mediarts.

In het totaal duurt American Pie acht minuten en dertig seconden en is daarmee zowat het langste liedje dat in Billboard’s Hot One Hundred ooit op één heeft gestaan. Niet voor niets dat het op single verdeeld wordt in part one op de A-kant en part two op de B-kant. Producer van dienst was Ed Freeman die de zesentwintigste mei 1971 met McLean de studio’s indook.

Wie waren nu precies die drie muzikanten die de derde februari 1959 om het leven kwamen?

Vooreerst was er de in 1930 in Sabine Pass, Texas geboren J.P. Richardson. Naar school gaan deed hij niet graag en dus was maar wat blij toen hij op zijn zeventiende de schooldeuren achter zich dicht kon trekken. Hij werd al snel een van de meest gevraagde radiodiscjokey’s in Lamar. Hier presenteerde hij onder zijn schuilnaam “The Big Bopper”. In zijn vrije tijd deed hij niets liever dan liedjes schrijven. Richardson was een nogal schuchter iemand, behalve wanneer hij achter de  microfoon stond. Hij begint stilaan plaatjes op te nemen die niet echt opvallen tot hij in 1958 de hitlijsten induikt met zijn Chantilly Lace. In Billboard’s Hot One Hundred geraakt hij ermee tot op de zesde plaats. Datzelfde jaar duikt hij nog tweemaal in die top honderd op met achtereenvolgens Big Boppers’s Wedding en Little Red Riding Hood. Hij is pas achtentwintig wanneer hij samen met Holly en Valens neerstort. Hij laat een zwangere vrouw en een dochter na. Enkele maanden later wordt zijn zoon Jay Perry geboren.

De dertiende mei 1941 werd in Pacoima in San Fernando Valley in de streek van Los Angeles Richard Steven Valenzuela geboren, bekend geworden als de rockende Ritchie Valens. Op zijn vijfde laat hij al horen dat hij voor de rest van zijn leven alleen nog maar muziek wil maken. Op zijn zestiende sluit hij zich aan bij het groepje “The Silhouettes”. Wanneer de zanger na een tijdje de groep verlaat, waagt Ritchie zich aan zijn eerste zangnoten en slaagt met verve. Al snel krijgt hij de bijnaam “The Little Richard of the Valley ” en zingt zich op die manier in de kijker van Bob Kean, eigenaar van het Del- Fi Record-label in Hollywood. Die had hem al zien optreden in een bioscoop in San Fernando en uitgenodigd voor een auditie in zijn studiootje in Silver Lake, Los Angeles. De zevenentwintigste mei 1958 tekent Ritchie een contract bij Del-Fi en heet van dan af Ritchie Valens. De demo’s die hij in de studio van Kean opneemt, worden nadien definitief opgenomen in de “Gold Star Studio’s” in Hollywood. Hij neemt daar op samen met de muzikanten René Hall, Carol Kaye en Earl Palmer. Tijdens een zomeravond in de maand juli 1958 blikken zij Come on, let’s go in. Het wordt meteen een behoorlijke hit, goed voor een tweeënveertigste plaats in de Amerikaanse Top 100. Veel beter wordt er gescoord met de volgende single Donna, opgedragen aan een vriendinnetje. Het wordt een single met een dubbele A-kant, want er wordt ook getipt op La Bamba. Het is een Mexicaans liedje dat veel in Veracruz werd gezongen en het werd geschreven in de “son jarocho-stijl” ( je hoort zowel Spaanse als Afrikaanse invloeden). De bekendste son jarocho is La Bamba. Het is pas wanneer Ritchie Valens in 1958 het liedje van een rockversie voorziet dat het in Europa echt doorbreekt. Dat verhaal van Ritchie Valens inspireerde in 1987 Luis Valdez tot het schrijven van het scenario voor de film “La Bamba” met in de hoofdrol Lou Diamond Phillips. Voor de muziek wordt een beroep gedaan op Carlos Santana, Miles Goodman en Los Lobos die van La Bamba een succesvolle versie weten neer te zetten. Wanneer La Bamba en Donna eind 1958 een hit worden, ziet Ritchie zich genoodzaakt de school te verlaten en zich voor het volle pond met zijn carrière bezig te houden, al is die jammer genoeg maar van korte duur. Na zijn dood werden nog postuum de singles That’s My Little Suzie en Little Girl uitgebracht.

 

En dan is er ook nog de bekendste van het drietal, Charles Hardin Holley, de zevende september 1936 in Lubbock, Texas geboren. Zijn ouders hebben hem zijn leven lang Buddy genoemd, want hij was de jongste van drie. Op zijn vijfde wint hij al een zangwedstrijd. Hij is een jaar of achttien wanneer hij in Lubbock Elvis Presley aan het werk ziet en schakelt zelf over naar rockabilly, een rockstijl die Sam Phillips op zijn Sun-label hoog in het vaandel voerde. De vijftiende oktober van dat jaar treedt Buddy op samen met Bob Montgomery en Larry Welborn. Iets later zijn zij te zien tijdens een show georganiseerd door Eddie Crandall, de toenmalige manager van Marty Robbins. Tijdens dit optreden horen wij dat Buddy al meer in de richting van de rock- ‘n-roll is opgeschoven. In februari van 1956 mogen zij voor het Decca-label hun eerste plaat opnemen. De platenfirma heeft zijn naam fout gespeld en voortaan wordt het Buddy Holly (de e wordt weggelaten). Hij richt een nieuwe band op die hij iets later “The Crickets” zal dopen: gitarist Niki Sullivan, bassist Joe B. Mauldin en drummer Jerry Allison.  Hun eerste wapenfeit wordt de single That’ll  be the day waarmee zij de drieëntwintigste september  1957 Paul Anka van de eerste plaats stoten die daar schitterde met Diana. Het zal de eerste en tevens enige nummer één voor Buddy Holly worden, al zet hij meteen nadien in het najaar van 1957 samen met The Crickets twee klassiekers neer om u tegen te zeggen: Peggy Sue en Oh Boy. Tussen deze hits en zijn overlijden in 1959 scoort hij nog opvallend met songs als Rave On en Heartbeat. Postuum worden na zijn vliegtuigongeval de singles It Doesn’t Matter Anymore en Raining In My Heart uitgebracht. Op het moment van zijn dood, de derde februari 1959, is zijn vrouw Maria Elena net in verwachting. Zij verneemt de dood van haar man via het nieuws op televisie. Zij houdt er een trauma aan over en krijgt ‘s anderendaags een miskraam. Zij waren amper zes maanden getrouwd. Maria Elena is niet in staat de begrafenis bij te wonen en zal de jaren nadien ook nooit het graf van haar man bezoeken. Zij is er wel bij wanneer hij de zevende september 2011  een ster krijgt op de “Hollywood Walk of Fame” en dat in het gezelschap van Phil Everly en Priscilla Presley.

Het mag misschien vreemd lijken, maar er wordt meteen na het vliegtuigongeval beslist de tour voort te zetten. Waylon Jennings neemt de plaats van Buddy Holly in als leadzanger. Bobby Vee is op dat moment druk bezig met zijn orkestje “The Shadows” (niet te verwarren met de band van Cliff Richard) en kent het repertoire van Buddy Holly op zijn duimpje. Hij meldt zich ‘s anderendaags, de vierde februari, aan in Moorhead, Minnesota, waar Buddy en de rest normaal zouden optreden. Na lang aandringen mag hij van de manager naast Waylon Jennings en The Crickets optreden en dat wordt voor Bobby Vee & The Shadows een succes. Hij zal trouwens in 1962 op het Liberty-label een elpee releasen “Bobby Vee meets The Crickets” met daarop onder meer enkele covers van Buddy Holly.

De eenentwintigste oktober 1961 scoort Mike Berry samen met The Outlaws in Engeland een hit met Tribute to Buddy Holly. In 1978 zal het leven van Buddy verfilmd worden in de biopic “The Buddy Holly Story”. De vijfde mei 1984 staat Alvin Stardust op zeven in de Britse Top 40 met het door Mike Batt geschreven I Feel Like Buddy Holly.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet

Jackie Wilson

Ook al verzoop zijn prachtige stem vaak in bombastische orkestraties en overbodige arrangementen en gaf hij zich vaak over aan een al even bombastisch repertoire, toch mogen wij  Jackie Wilson rekenen bij  de beste soulstemmen van de twintigste eeuw, een stem die op gelijke hoogte staat met die van Marvin Gaye, Lou Rawls en Sam Cooke. Wilson moest het niet alleen hebben van zijn krachtige stem waarmee hij torenhoge noten kon halen en zowat iedereen van het podium kon zingen, hij eigende zich dat podium graag toe als “zijn terrein” waarop hij geen tegenstand hoefde te dulden. Hij behoort sowieso tot de beste performers uit de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw.

Jackie werd de negende juni 1934 in Detroit, Michigan geboren als enige zoon van Jack Wilson senior en Eliza Mae. Moeder was in Columbus, Mississippi geboren en Jackie ging daar als kind vaak op bezoek. Hij was in de wolken wanneer hij met zijn grootouders mocht gaan luisteren naar het koor van Billups Chapel. Thuis in Detroit groeit Jackie op in de buurt van Highland Park en sluit zich daar op jonge leeftijd aan bij de straatbende The Shakers. Hij krijgt het hier vaak aan de stok met de politie. Vader zat vaak zonder werk, geraakt aan de drank en is voor zijn zoon allesbehalve een goed voorbeeld. Van zijn moeder krijgt hij het talent mee om te zingen. Mama zong graag in het plaatselijke kerkkoor. Zij is heel blij wanneer haar zoon zich in zijn tienerjaren aansluit bij The Ever Ready Gospel Singers, een kwartet dat erg populair is in hun nabije omgeving. In die tijd ontmoet Jackie niemand minder dan Sam Cooke die hem een optreden bezorgt bij een plaatselijk radiostation. Met het weinige geld dat zij daarmee verdienen, koopt Jackie zich graag een flesje wijn. Hij was verliefd geworden op die drank van zijn negende af, de periode dat zijn ouders uit mekaar gingen en hij zich waarschijnlijk op die manier moed indronk.

Op zijn vijftiende houdt hij de school voor bekeken. Hij was al een paar keer voor de rechter moeten verschijnen wegens wangedrag en werd tot tweemaal toe in hechtenis genomen. Tijdens zijn tweede verblijf in een jeugdinstelling gaat hij zich toeleggen op de bokssport. Nog maar net zestien neemt hij deel aan zijn eerste wedstrijd op amateurniveau. Maar moeder smeekt hem daarmee op te houden. Een jaar later treedt hij in het huwelijk met Freda Hood. Het is op aandringen van haar vader dat Jackie met haar trouwt. Hij beslist zich van dan af uitsluitend met muziek te gaan bezighouden om op die manier aan de kost te geraken. Hij gaat van start in “Lee’s Sensation Club” om iets later de groep The Falcons op te richten met daarin zijn neef Levi Stubbs die iets later bekend zal worden als de leadzanger van The Four Tops. In zijn groep zitten ook Hubert Johnson en Joe Stubbs die zich nadien bij The Contours aansluiten.

Op zekere dag ontmoet Jackie Wilson, Johnny Otis die voortdurend op zoek is naar nieuw talent. Hij laat hem enkele songs opnemen op het Dee Gee Records label, eigendom van de bekende jazzmusicus Dizzy Gillespie. Hij treedt van dan af op als Sonny Wilson en neemt in 1952 onder meer een versie op van de traditional Danny Boy en The Rainy Day Blues waarop hij begeleid wordt door Billy Mitchell. Een jaar later wordt hem door Billy Ward gevraagd of hij zanger Clyde McPhatter niet wil vervangen bij hun groep The Dominoes. Clyde opteert voor een carrière als leadzanger bij zijn groep The Drifters. Na een geslaagde auditie mag Jackie diens plaats innemen bij The Dominoes. Maar vooraleer McPhatter opstapt, leert hij Jackie precies hoe Ward wil dat hij moet zingen en leert hem ook hoe hij zich vlot op het podium moet bewegen. Wilson was op dat moment al behoorlijk beïnvloed door Al Jolson, Louis Jordan, The Mills Brothers en The Ink Spots. Toch slaagt Wilson er niet in Clyde McPhatter te doen vergeten. The Dominoes kunnen het succes van hun vorige hits niet evenaren, behalve wanneer zij in 1956 op de proppen komen met de single St.Therese of the Roses dat in Engeland een megahit wordt in de soloversie van Malcolm Vaughan. De versie van The Dominoes, samen met het orkest van Jack Pels, klimt in de Amerikaanse popcharts naar de dertiende plaats. Vier jaar lang, van 1953 tot 1957, zal Jackie Wilson bij The Dominoes de solo’s voor zijn rekening nemen. Al Green (niet te verwarren met de bekende soulzanger), eigenaar van de “Flame Show Bar” in Detroit, weet voor Jackie een solocontract te versieren bij het Decca Label. Green houdt zich dan ook  bezig met de carrière van Johnnie Ray en LaVern Baker. Net op dat cruciale moment overlijdt Al Green, wiens plaats als manager wordt ingenomen door Nat Tarnopol die de deal met Decca verder uitwerkt, die hem op hun beurt een kans gunnen op hun sublabel Brunswick Records. Nat eist wel dat hij als manager recht heeft op 50% van de inkomsten. Hij zal trouwens in de loop van de volgende jaren manager worden van het Brunswick Label. Hun samenwerking zal later leiden tot een pak onsmakelijke deals en een rechtszaak.

In 1957 leert Jackie Wilson in Detroit Berry Gordy Jr.  kennen. Berry’s zus Gwendolyn werkte als fotografe in de bar van Al Green. Zij had samen met haar broer Berry en Roquel Billy Davis een nummer geschreven dat zij graag door Jackie zouden laten inzingen Reet Petite. In de maand september van dat jaar duikt Jackie de studio’s in en neemt Reet Petite op, niet alleen als single, maar ook bedoeld voor zijn album “He’s So Fine”. Producer van dienst Dick Jacobs had intussen ontdekt dat wanneer hij de liedjes die Wilson opneemt een octaaf hoger laat zingen, zijn stem veel attractiever klinkt, op het randje van het vrouwelijke af.  Op dat album staan ook de twee volgende hits, To Be Loved en I’m Wanderin’, beide geschreven door Berry en Roquel. Reet Petite wordt in Amerika een bescheiden hit, maar stijgt in Engeland naar de zesde plaats in de Top Veertig. In 1986 duikt het nummer op in een documentaire van het BBC televisieprogramma “Arena”. Het valt meteen op door een animatiefilmpje gemaakt door Studio Aardman Animations Ltd. in Londen. Zij gebruikten hiervoor figuurtjes uit klei en plasticine. Die uitzending zorgt ervoor dat er heel wat vraag op gang komt naar Reet Petite van Jackie Wilson. Het nummer wordt opnieuw op single uitgebracht en de 29ste november stijgt Wilson naar de eerste plaats van de Britse Top Veertig. De vierentwintigste januari 1987 staat het in onze Top Dertig op één en in de Nederlandse Top Veertig zit er vijf dagen eerder eveneens één eerste plaats in voor Jackie.

Qua succes lukt het in de Amerikaanse charts na Reet Petite veel beter met het nummer To Be Loved, goed voor een tweeëntwintigste plaats in de Top Honderd. Producer Dick Jacobs kan zich voor deze productie niet vrijmaken omdat hij zijn handen vol heeft met  de televisieshow “Your Hit Parade”. Hij vraagt aan Milton Delugg hem te vervangen. Delugg vindt dat tijdens de opname violen gebruikt moeten worden en genoeg instrumentale power op de achtergrond om op die manier de krachtige stem van Wilson te accentueren. Met We Have Love qua singlekeuze lukt het nadien veel minder. Met het geld dat Berry Gordy verdiend had door het succes dat Wilson met zijn composities scoorde, begint hij op het einde van de jaren vijftig na te denken om een eigen label op te richten om op die manier ook al zijn eigen songs te gelde te maken.  Het ligt dan ook voor de hand dat hij in de nabije toekomst almaar minder voor Wilson zal schrijven en de nummers voorbehoudt voor zijn eigen artiesten.

Toch schenkt  hij hem nog één grote hit en wel het door hem samen met David en zijn zus Gwendolyn geschreven Lonely Teardrops dat de zeventiende november 1958 op het Brunswick Label wordt uitgebracht, gekoppeld aan In the Blue of the Evening. Het nummer wordt door Berry Gordy ook zelf geproduceerd. Er wordt opgenomen in The United Sound Studio in Detroit de vijftiende oktober 1958. Tijdens de eerste take wordt het liedje nog als een trage ballad gezongen, maar Berry ontdekt snel dat het tempo wat mag worden opgedreven. Omdat op dat moment de chachacha als dans goed in de markt ligt, wordt iets meer in die richting gewerkt. Geen strijkers komen eraan te pas en aan de blazers wordt gevraagd zich wat in te houden. Alleen een extra baritonsax moet aan het geheel een extra dimensie toevoegen. In de popcharts geraakt Wilson ermee tot op de zevende plaats. Het liedje zal van dan af ook zijn “signature song” worden, zijn herkenningsmelodie, dat hij voortaan ook tijdens al zijn liveshows zal zingen. Omdat hij erg dynamisch en vlot op het podium beweegt, krijgt hij snel de bijnaam “Mister Excitement”. Eerlijk is eerlijk, zowel James Brown, Michael Jackson als Elvis Presley hebben voor hun danspasjes veel van Jackie gekopieerd. Hij was het die figuren zoals back-flips, one-footed, across-the-floor slides, spins, splits en knee-drops lanceerde.  Presley stond er dan ook op Jackie persoonlijk te ontmoeten. Al lachend noemde hij hem dan ook “The Black Elvis”. Tijdens elk optreden van Wilson gaat het publiek uit de bol. Hij maakt er een gewoonte van tijdens zijn optredens zijn oog te laten vallen op het minst aantrekkelijke meisje en haar op het podium uit te nodigen voor een kus. ” If I kiss the ugliest girl in the audience, they’ll think they can have me and keep coming back and buying my records!” . Insiders wisten meteen waarom Wilson in zijn kleedkamer altijd een voorraad mondwater had klaarstaan, ook wel om tijdens zijn gekus zijn onaangename alcoholgeur wat te verdoezelen.

Jackie mag van zijn platenfirma zelf een keuze maken uit demo’s die vaak waren ingezongen door iemand die qua stembereik erg op het zijne leek en dat was niemand minder dan Eddie Holland die later heel bekend zou worden als schrijver van tal van Motownklassiekers samen met Lamont Dozier en  Brian Holland. Na Lonely Teardrops wordt het zoeken naar een goede opvolger en Berry heeft er nog eentje in de schuif liggen, That’s Why I Love You So, goed voor een dertiende plaats in de populaire Top Honderd. Wat handgeklap, een opvallende baritonsax en de geweldige stem van Jackie doen hun uiterste best om zo goed mogelijk op te vallen tussen al die singles die staan te dringen om bovenaan te geraken. Als je goed luistert hoor je dat er dankbaar gebruik wordt gemaakt van de dwarsfluit, iets dat zij hadden afgekeken van de platen van Marv Johnson en dat zij ook gebruiken voor de daaropvolgende hitpoging I’ll Be Satisfied. Hier vindt producer Dick Jacobs dat er een orgel aan te pas mag komen om de fluit en de baritonsax wat extra steun te verlenen. De eenentwintigste mei 1959 wordt er in New York ingeblikt. In de rhythm-and-bluescharts scoort Wilson met de regelmaat van een klok een vette hit. Op één staat hij daar iets later met You Better Know It en vijf maanden later op drie met Talk That Talk. You better know it is terug te vinden op zijn tweede album “Lonely Teardrops” en Talk That Talk op zijn derde elpee ” So Much”.  De song You Better Know It duikt in 1959 ook op in de rockfilm “Go Johnny Go” van de hand van regisseur Paul Landres met in de hoofdrollen onder anderen Jim Clanton, Alan Freed  en Chuck Berry.

Omdat Berry Gordy almaar meer zijn handen vol heeft met zijn eigen platenlabel Motown Records komt er in 1959 een einde aan zijn samenwerking met Jackie Wilson. Veel had ook te maken met een discussie tussen manager Nat en Berry wat de B-kanten van Jackies singles betreft. Gordy wil dat hij voor beide kanten songs mag leveren en dat ziet Nat niet zitten. In 1959 ligt Wilson in de rekken met zijn derde album “So Much” met daarop onder meer I’ll Be Satisfied en Talk That Talk en het door Benny Davis en Ted Murray geschreven Only You, Only Me dat de vierde augustus van dat jaar werd opgenomen. Dit is een ballad om u tegen te zeggen. Jammer genoeg wordt die song als B-kant van Talk That Talk gebruikt en zal nooit een hit worden. In diezelfde stijl zingt Wilson It’s All Part of Love dat niet eens op vijfenveertig toeren wordt uitgebracht en daardoor voor het merendeel van de fans zowat in het vergeetboek belandt. Wilson gaat in deze songs heel gepassioneerd tekeer, daarin ondersteund door een behoorlijk pak strijkers die het dramatische effect wat extra moeten aandikken. Achteraf bekeken, mogen wij de platen die Wilson in 1959 voor Brunswick opneemt, tot zijn vocale hoogtepunten rekenen.  Al krijgt hij in die tijd nogal wat kritiek te slikken voor zijn muzikale begeleiding omdat critici die nogal old fashioned vinden, té zeer in de stijl van de bigbands uit de jaren veertig en vijftig. Ook de backings moeten het verduren omdat die vaak gezongen worden door blanke achtergrondkoortjes. Jackie reageert later in de pers met de opmerking: ” It was tremendously difficult to find black vocal groups who read music and we simply didn’t have the budget nor the time to teach them the right parts“. De fans klagen ook vaak dat zij liever een wat méér rockende begeleiding willen horen dan wat er op plaat te horen is.

Bij de aanvang van de swingende sixties wedt Wilson op twee paarden en dat is soms wat vreemd om te volgen. Aan de ene kant waagt hij zich aan loepzuivere soulnummers, aan de andere kant zingt hij zich de longen uit het lijf in covers van semiklassieke songs en standards als staat hij op te treden voor een nokvol operahuis. Zijn vierde album krijgt als titel mee “Jackie Sings The Blues” met daarop een vrij ruwe versie van Doggin’ Around geschreven door Nat Tarnopol en waarvoor zij de eenentwintigste december 1959 in de studio tijd vrijmaken. In de r&b-charts geraakt Wilson er na de release van Night moeiteloos mee tot op de eerste plaats. Alsof hij als een volleerd klassiek tenor in een of andere belcanto-opera mag schitteren, zingt hij de vijftiende februari 1960 in de studio’s alsof zijn leven ervan afhangt het nummer Night, gebaseerd op een aria uit “Samson et Dalila” van Camille Saint-Saëns. De single schiet dat voorjaar regelrecht naar de vierde plaats van de Amerikaanse Top 100. Diezelfde klassieke truc passen zij nog eens toe wanneer zij een bewerking maken van een deel uit het pianoconcerto in b van Peter Tsjaikovski. Johnny Lehmann bewerkt het tot Alone At Last en met dezelfde bombastische stem en orkestratie klimt Wilson in de maand oktober van 1960 naar de achtste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Omdat driemaal scheepsrecht is, wordt zo’n klein jaar later gekozen voor een bewerking van de aria Vesti la giubba uit “I Pagliacci” van Ruggiero Leoncavallo. Het nummer wordt als My Empty Arms op single uitgebracht, goed voor een negende plaats in de Top Honderd. De Britse fans doen al die tijd alsof zij potdoof zijn en reageren niet. In Europa worden zijn platen nog mondjesmaat geprogrammeerd. Wilson neemt die glamoureuze nummers bewust op om het publiek in de dure nightclubs op te vrijen. Zij kunnen er maar niet genoeg van krijgen. Opvallend is dat Wilson vrij snel in het circuit belandt van dure clubs zoals de “Copacabana Club” en het “Fontainebleau Hotel” in Miami. Om de crowd helemaal te pleasen last hij tijdens zijn aalgladde shows zelfs een versie in van My Yiddische Momme.  Geen wonder dat de platen die hij in die tijd uitbrengt voor het merendeel op die leest van een verwend en rijk publiek geschoeid zijn.

Privé zit het Wilson echter niet mee. Hij mag dan wel de mooiste stem hebben die er op dat moment te horen is, hij mag dan nooit één noot vals zingen, op persoonlijk vlak gaat er vaak iets de mist in. Hij wordt er in 1960 van beschuldigd een politieofficier te hebben beledigd  toen deze hem van té opdringerige fans wilde bevrijden. Wilson lustte de manier waarop dit gebeurde niet zo en bijt ruw van zich af. De vijftiende februari 1961 wordt hij door een jaloerse vriendin, Juanita Jones, tijdens een ruzie in de buik geschoten omdat hij er met een andere vrouw vandoor was gegaan. Hij zou namelijk met Harlean Harris, een ex-lief van Sam Cooke, naar hun appartement in Manhattan zijn getrokken. Achteraf zou Wilson, die bij dit ongeval een nier verloor, alles ontkend hebben en blijft tot op zijn sterfbed beweren dat hij door een dolgedraaide fan was aangevallen. Iets meer eerlijkheid valt er te horen op zijn album “Body and Soul” in een productie van Nat Tarnopol dat hij in 1962 uitbrengt met daarop songs als Blue Moon en Crazy She Calls Me. De laidback sfeer is nochtans nooit ver uit de buurt. In diezelfde stijl is er de elpee “By Special Request” met daarop een selectie klassiekers zoals Stormy Weather, Indian Love Call en Try a Little Tenderness. Om zijn op klassieke thema’s gebaseerde hits gecompileerd aan te bieden, verschijnt in 1963 de langspeelplaat “Jackie Wilson Sings The World’s Greatest Melodies”, iets eerder voorafgegaan door het album “Jackie Wilson at The Copa” daarop begeleid door de band van Sy Oliver. En alsof het niet op kan, is er in 1965 de elpee “Spotlight on Jackie” met daarop zijn versie van de evergreens Over The Rainbow, Georgia on My Mind en  You’ll Never Walk Alone. Niet één van deze elpees kan rekenen op een vlotte verkoop, maar zijn management weet wel dat deze platen  hem een zeker cachet geven en daar is het vooral om te doen. Veel beter gaan zijn soulplaten van de hand: in 1961 “You Ain’t Heard Nothin’ Yet” en in 1963 “Baby Workout” en “Shake A Hand”. Baby Workout, gearrangeerd door Gil Askey die iets later voor Diana Ross & the Supremes gaat werken,  wordt op single in het voorjaar van 1963 een van zijn grootste hits, goed voor een vijfde plaats in de popcharts. Uit de elpee “Baby Workout” verschijnt ook de song Shake!Shake!Shake! op vijfenveertig toeren en belandt recht in de hitroos. Op tournee neemt Jackie graag een aantal collega’s mee waaronder Linda Hopkins en Chuck Jackson. Ook Dionne Warwick trekt met hem op tournee:” My first national tour was with Jackie and he was like a big brother to me. He taught me all about getting on and off a stage successfully, about an entertainer’s territory. He always gave his audiences pure excitement, and I believe Jackie was a major influence for all music. He was the innovator with the dance, movements and energy you see with Michael Jackson, Prince and others”, aldus Dionne.  

Omdat zijn platenfirma Brunswick doorheeft dat medio jaren zestig soul helemaal hot is, vooral door de impact van labels als Atlantic en Stax, proberen zij Wilson een soulimago aan te kweken. Er is in 1965 het album “Soul Time”  met daarop songs als She’s all right en No Pity en de elpee “Soul Galore” met daarop het opvallende Stop Lying geschreven door Russ Vincent in een productie van Alan Lorber. Maar deze platen leveren geen hits op en manager Tarnopol ziet in dat het tij dringend moet keren. Tijdens een diskjockeymeeting in New York ontmoet Tarnopol, Carl Davis, die al had samengewerkt met Walter Jackson, Gene Chandler en Major Lance. Zij besluiten het op een akkoord te gooien met Brunswick Records en nemen het nummer Whispers op, geschreven door Barbara Acklin. De achtste augustus 1966 wordt de song ingeblikt en een maand later staat Jackie Wilson ermee op de elfde plaats in de Amerikaanse popcharts. Er volgt meteen een gelijknamig album met daarop als meest opvallende songs I Don’t Want To Lose You, Just Be Sincere en Who Am I, goed voor een bescheiden rist hits. Jackie Wilson heeft intussen zijn management diets gemaakt dat hij nog uitsluitend met Carl Davis als producer wil werken. Een nummer één in de r & b-hitlijsten zit eraan te komen wanneer zij de zesde juli 1965 de studio in duiken voor de opname van Higher and Higher. Jackie wil het eerst opnemen als een soul ballad, maar dat ziet Carl niet zitten. Jackie moet volgens hem zijn ritmesectie op de voet volgen en dan komt het wel goed. Er moet méér schwung in het nummer gestopt worden. Hij wordt op deze plaat begeleid door een ritmesectie geleend van het Motown Label onder leiding van James Jamerson. De song is geschreven door Gary Jackson en Carl Smith die het op hun beurt gejat hebben van Raynard Miner die het oorspronkelijk geschreven had voor The Dells, maar die zagen het niet zitten. Jackson en Smith hebben alleen  de lyrics wat aangepast. Zodra het nummer in de hitlijsten staat, spant Miner een proces aan en krijgt van de rechter 80% van de royalty’s toegewezen.

De hit Higher and Higher betekent voor Wilson echter een definitief afscheid van de Amerikaanse Top Tien. De opvolger Since You Showed Me Love levert hem nog een tweeëndertigste plaats in de charts op, maar van dan af staat de hittube zo goed als constant leeg. Singles als Chain Gang dat hij inblikt met het orkest van Count Basie, For Once In My Life en This Love Is Real geraken nooit voorbij de grens van de vijftigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Wilson begint niet alleen te lijden onder een gebrek aan goed songmateriaal en goede hits, maar zijn privéleven speelt hem vaak parten. Na veertien jaar getrouwd te zijn geweest met Freda Hood beslist zij in 1965 van hem te scheiden, iets waarvan zij de jaren nadien vreselijk veel spijt zal hebben. Zij zal hem nooit echt uit haar hart kunnen bannen. In de loop van 1969 krijgt Wilson te horen dat zijn zestienjarige zoon Jackie Jr. werd gedood tijdens een schietpartij op het terras van een van hun geburen.  Jackie zelf geraakt in een depressie en aan lagerwal door een overmatig gebruik van alcohol, marihuana en cocaïne. De belastingen houden hem in het oog. Zijn huis in Detroit dat hij voor zijn moeder heeft gekocht en waar hij geregeld verblijft als het met zijn vrouwen niet meezit, wordt aangeslagen, maar hij kan het op een akkoord gooien met hen. Iets later komt hij tot de vaststelling dat zijn manager Nat Tarnopol hem in zijn nek en geldbuidel heeft gezeten. Hij en een deel van het bestuur van Brunswick Records worden beticht van het onterecht achterhouden van vergoedingen en het omkopen van programmasamenstellers. Tarnopol moet Jackie Wilson trouwens ook nog één miljoen dollar aan achterstallige royalty’s. De negenentwintigste  juli 1971 neemt Jackie Wilson ondanks al die troubles voor datzelfde  Brunswick label een van zijn laatste platen op You Got Me Walkin’ dat geproduceerd en geschreven wordt door Eugene Record, leadzanger van de groep The Chi-Lites, die hem tijdens die opname muzikaal en vocaal begeleiden. Zij zijn ook samen met hem te horen op het nummer Don’t Burn No Bridges dat hij iets later nog op single uitbrengt.

29 september 1975 wordt een zwarte bladzijde in het dagboek van Jackie Wilson. Hij voelt zich nochtans goed. Zijn vrouw is in verwachting en hij heeft net een album opgenomen samen met producer Carl Davis “Nobody But You”. Het lijkt erop alsof hij onder zijn contract met Brunswick uit kon geraken. Hij heeft ook net meegemaakt dat zijn vroegere collega’s Neil Sedaka en Frankie Valli aan een succesvolle comeback bezig zijn en dat geeft hem weer moed om erin te vliegen. Tijdens een optreden in het “Latino Casino” in Cherry Hill in New Jersey in het raam van Dick Clark’s “Good Ol’ Rock and Roll Revue” en tijdens het zingen van Lonely Teardrops krijgt Jackie Wilson een zware hartaanval. Cornell Gunter van The Coasters die het van dichtbij meemaakt, probeert hem nog te reanimeren. In spoed wordt hij naar het nabijgelegen hospitaal gebracht. Gebrek aan zuurstof is er de oorzaak van dat Wilson in een diepe coma geraakt. Heel even lijkt hij het te redden wanneer hij in het begin van 1976 uit die coma ontwaakt, maar iets later vervalt hij opnieuw. Hij wordt van het “Medford Leas Retirement Center” in Mount Holly, New Jersey overgebracht naar het “Memorial Hospital of Burlington County” in Mount Holly, New Jersey, waar hij op negenenveertigjarige leeftijd aan de gevolgen van een zware longontsteking de eenentwintigste januari 1984 zal overlijden. Jackie Wilson leefde al jaren zo arm als Job. Hij wordt in een naamloos graf op het Westlawn kerkhof in de buurt van Detroit begraven. Drie jaar later zal een weldoener ervoor zorgen dat een grafsteen zijn laatste rustplaats siert.

De tragedie blijft hem tijdens zijn leven en na zijn dood achtervolgen. In 1977 overlijdt zijn dochter Sandra op vierentwintigjarige leeftijd in haar appartement aan een hartaanval. In 1988 sterft zijn dochter Jacqueline aan een overdosis. Na zijn huwelijk met Freda Hood leeft Wilson enkele jaren samen met Harlean Harris die hem drie kinderen schenkt en na hun scheiding wordt Lynn Crochet zijn geliefde. In 1972 bracht Van Morrison hulde aan Jackie Wilson in zijn song Jackie Wilson Said, te horen op zijn album “Saint Dominic’s Preview”, later succesvol gecoverd door Dexy’s Midnight Runners. Tijdens de Grammy Award uitreiking in 1984 draagt Michael Jackson zijn Grammy Album of the Year voor “Thriller” op aan Jackie Wilson met de lovende woorden ” In the entertainment business there are leaders and there are followers. And I just want to say that I think that Jackie Wilson was a wonderful entertainer… I love you and thank you so much“. De zeventiende augustus 2013 werd Jackie Wilson trouwens feestelijk toegevoegd aan “The Official R&B Music Hall of Fame”.

Eindigen wij met de woorden die Dick Clark aan een reporter kwijt wou tijdens een van zijn vele interviews: ” Having seen so many performers people often ask me who stands out. Jackie Wilson always heads the list. He was one-of-a-kind. In person or on record, there was only one Mr. Excitement”. B.B. King voegt daar graag aan toe: “Jackie Wilson was one of the greatest soul singers in the business and we miss him greatly but his music lingers on for all of us to enjoy.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Wanted

 

 Heel wat Amerikaanse crooners hebben Italiaanse roots en van Italianen wordt vaak gezegd dat ze met de belcanto in hun bloed geboren worden. Italianen weten als geen ander hoe mooie stemmen en melodieën moeten klinken.  Frank Sinatra wist dat en ook zijn concurrent-collega’s Vic Damone, Dean Martin, Al Martino, Jerry Vale en niet te vergeten Pierino Como, alias Perry Como.

Como liet op een bepaalde de dag zijn kapperssalon achter zich en ging op tournee met de band van Freddie Carlone. Die zag wel wat in die jongen uit Pennsylvania met die knappe Italiaanse looks en die warme baritonstem. Dé grote doorbraak kwam er voor Perry toen hij werd opgepikt door de bekende band van Ted Weems die in die tijd een heel populaire radioshow had. Toch hield Perry het daar maar een tijdje vol, ging solo en tekende in 1943 een lucratief platencontract bij RCA. Voor hen scoorde hij nog  datzelfde jaar z’ijn eerste hit There’ll soon be a rainbow. De jaren nadien zou Como, wat hitsingles betreft, een echte voltreffer worden met als rake schoten ondermeer: Till the end of time, Prisoner of love en A you’re adorable.

Toen Frank Sinatra wat wegzakte uit de hitlijsten eind jaren 40, begin jaren 50 dachten sommigen dat de crooners hun beste tijd gehad hadden, maar zij hadden buiten Perry gerekend. Die stond in 1952 opnieuw op nummer 1, deze keer met Don’t let the stars get in your eyes, het jaar daarop met No other love, gebaseerd op de Richard Rodgers song Beneath the Southern Cross en de zesde maart 1954  op één met de single Wanted.

Wanted werd in 1954 geschreven door Lois Steele en Jack Fulton ((Lois zou twee jaar later samen met Fulton de hit Ivory Tower voor The Kaye Sisters schrijven). Fulton kende het klappen van de vocale zweep, want hij was van 1926 tot 1934 zanger en trombonist  geweest in de big band van Paul Whiteman. In 1949 stond Jack Fulton zelfs in de Amerikaanse hitlijsten genoteerd met het liedje  Sunflower ( op de eerste vier maten hiervan zou later Hello Dolly  gebaseerd worden), goed voor een twaalfde plaats in de top honderd. Dus toen hij samen met Lois Steele  Wanted schreef, wist hij wat een goede song nodig had. Producer van dienst tijdens de opnamesessie  de negenentwintigste december 1953 in “The Manhatten Center” in New York was Joe Carlton. Die had met Perry afgesproken dat zij het koor en orkest van Hugo Winterhalter zouden vragen, in die tijd één van de meest toonaangevende orkesten samen met onder meer het orkest van Percy Faith. Het was even zoeken naar de juiste sfeer. Perry stond erop dat zijn fluwelenstemgeluid moest overvloeien in de zachte shuffleklanken van het orkest. Er werden diverse takes opgenomen, maar uiteindelijk bleek de eerste tevens ook  de beste en dat werd  gelijk de singleversie met op de B-kant ‘ Look out the window and see how I’m standing in the rain’.

In de maand mei van 1954 werd de single ook in Engeland uitgebracht, maar daar werd als B-kant geopteerd voor het nummer Give me your hand dat in de Britse top veertig bekroond werd met een vierde plaats.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

She Loves You

Toen Bob Dylan in 1963 met zijn eerste elpee op de markt kwam en Buddy Holly er  postuum in slaagde drie hits op rij te scoren, palmden The Beatles de Britse hitlijsten in met She loves you, hun best verkochte single ooit in Engeland .

Zij hadden die rush al enigszins ingezet met Love me do en Please Please Me, maar buiten Liverpool kende niemand hen van haar noch pluim. Om een voorbeeld te geven: toen zij in het voorjaar van 1963 in Schotland optraden, werden zij daar nog geafficheerd als The Love Me Do Boys. In die tijd waren zij nog gelukkig als ze voor een optreden honderd Britse pond konden vangen en als ze in één of ander schoollokaal mochten optreden. In de zomer van 1963 wist zo ongeveer iederéén wie The Beatles waren, dat er zo iets als beatmuziek bestond en dat de fundamenten waren gelegd voor wat zou uitgroeien tot het fenomeen Beatlemania. Hun eerste nummer één hadden zij te pakken met From me to you, maar plat ging pas iedereen wereldwijd toen The Fab Four uitpakten met She loves you daarbij geholpen door een paar opvallende tv-optredens en overvloedige aandacht in de pers. She loves you zou de tweede nummer één single worden in een opeenvolgende reeks van elf.  She loves you was al een dikke hit voor het in de rekken lag. Vijfentachtig procent van de totale verkoop werd al in voorverkoop gerealiseerd met een totaalomzet van 1,9 miljoen exemplaren. En dat alleen al in Groot-Britanië. She loves you zou 14 jaar lang de best verkochte single blijven in Engeland tot Paul McCartney himself dat record verbrak met Mull of Kintyre.

She loves you werd de eerste juli 1963 in Studio 2 van Abbey Road ingeblikt samen met technicus Norman Smith en producer George Martin. John Lennon en Paul McCartney schreven het in hun hotelkamer, de zesentwintigste juni 1963, alvorens op te treden in The Majectic Ballroom in Newcastle-upon-Tyne. Zij sliepen in een Turks hotel in een grote kamer en John en Paul tokkelden daar, terwijl zij elk op hun bed zaten, de eerste noten van She loves you op hun akoestische gitaren. Zij hadden nog een paar uurtjes vrij en het was Paul die John stimuleerde om een nummertje te schrijven. Het was ook hij die al de hele tijd rondliep met in zijn achterhoofd de hit Forget him van Bobby Rydell en op de idee kwam om hun liedje in de derde persoon te schrijven. Dus niet zoals zo vaak I love you of you love me, maar nu eens she loves you. De dag nadien hadden zij een dagje vrij en ook de tijd om de song bij Paul thuis in de achterkamer in de juiste vorm te gieten. Hij weet nog goed dat zijn vader televisie aan het kijken was en een sigaretje aan het roken. Hij was het ook die het liedje voor het eerst te horen kreeg waarbij hem vooral het gebruik van yeah, yeah, yeah opviel. Hij vond dat Paul zich té zeer liet veramerikaniseren, dat hij beter yes yes yes kon zingen.  Paul realiseerde zich toen niet dat het gebruik van yeh, yeah, yeah The Beatles een hele tijd zou blijven achtervolgen en dat men die periode achteraf ook als de “yeah-yeah-jaren” zou bestempelen.

Tijdens de opname, de eerste juli 1963 dus, meteen nadat producer George Martin net terug was van twee weken vakantie, zou blijken hoe hecht The Beatles als groep klonken, want de zangpartijen van Ringo Starr en George Harrison klinken even belangrijk als die van John en Paul. Op aanraden van George Martin begint het lied met het refrein en mag Ringo laten horen hoe goed hij zich als drummer letterlijk uit de slag kan slaan. Die korte drumslagen aan het begin van het nummer zorgden ervoor dat She Loves You een wereldhit werd met zowat de kortste intro ooit. Op het einde van het nummer wordt het refrein zes keer herhaald, wat dan weer een idee was van George Harrison. Het was hij die het meest moest wennen aan het woordje yeh yeh, maar de overige jongens wisten hem te overtuigen het toch maar mee te zingen. Tijdens diezelfde sessie namen zij ook het nummer I’ll Get You op dat Paul samen met John schreef toen die nog in Menlove Avenue woonde. Zij schreven die song een paar dagen nadat zij From Me To You hadden gecomponeerd.  Na zes uur musiceren zijn beide songs ingeblikt. Drie dagen later worden in Studio 2 van Abbey Road de mono- en stereomixen door George Martin afgewerkt. Die stereomix zou nooit op plaat noch op cd verschijnen, behalve op de bootleg-cd “Something Extra”.

De drieëntwintigste augustus 1963 wordt de vierde single van The Beatles in de markt gezet, na dus Love Me Do, Please, Please Me, en From Me To You. De achtentwintigste augustus staat She Loves You al op de tweede plaats in de Britse Top Veertig en werden er in de één week tijd een half miljoen exemplaren verkocht. De derde september prijkt She Loves You op één. In Amerika wordt het nummer de zestiende september van dat jaar uitgebracht, maar het doet niets. Pas wanneer I Want To Hold Your Hand een hit wordt, besluit hun manager Brian Epstein She Loves You in Amerika opnieuw op single uit te brengen. De vijfentwintigste januari 1964 wordt She Loves You in Amerika opnieuw uitgebracht en zal daar vrij snel op één aanbelanden. Op een bepaald moment palmen The Beatles in de Amerikaanse charts de top drie volledig in met op één She Loves You, op twee I Want To Hold Your Hand en op drie Please Please Me.

In Nederland is het ook even wachten. Daar bereiken The Beatles met She Loves You de veertiende december 1963 de tiende plaats in de Top Veertig. De vorige singles deden daar niets. Bij ons staan The Beatles pas bij de start van 1964 in de Top Dertig en bereiken de vijfde plaats. Pas twaalf singles later zullen zij hier hun eerste nummer één scoren en dat in het najaar van 1965 met Yesterday.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

All I have to do is dream

Dat een liefdesrelatie een stuk sterker wordt wanneer beide partners dezelfde interesse delen, staat zo goed als een paal boven water, maar zo sterk als die relatie van Felice en Boudleaux Bryant zal in de muziekwereld wel een uitzondering zijn. Felice, geboren als Matilda Genevieve Scaduto, de zevende augustus 1925 in Milwaukee, en Boudleaux, geboren  de dertiende februari 1920 in Shellman, waren al  vooraleer zij elkaar leerden kennen  een tijdje met muziek bezig.  Boudleaux wou een volleerd concertviolist worden en trad  regelmatig op in het symfonieorkest van Atlanta, terwijl Felice aan de bak probeerde te komen als zangeres. Het waren nochtans voor hen beiden geen hoogtijdagen. Felice moest trachten rond te komen als liftbediende in het “Sherwood Hotel” in Milwaukee. Het was hier dat  ze Boudleaux ontmoette toen die op een avond in het hotel samen met een jazzcombo optrad.

September 1945 treden Felice en Boudleaux in het huwelijk en houden zich van dan af haast onophoudelijk met componeren bezig. Boudleaux schrijft de melodietjes en Felice verzint de tekst. Zo leveren ze hits aan onder meer Eddy Arnold en Joe Smith , maar hun grote doorbraak komt er wanneer ze Don en Phil Everly in Nashville ontmoeten.

In 1957 schrijven zij voor beide broers Bye Bye Love  en vlak daarop successen als Wake Up Little Susie (1957), Problems  (1958) en  Bird Dog (1958). De mooiste song die ze voor The Everly Brothers schreven, is en blijft ongetwijfeld de popklassieker All I Have To Do Is Dream. Felice en Boudleaux knutselden dit in precies een kwartier in mekaar.  Zij vonden dat het tijd was dat Don en Phil met een ballad op de proppen kwamen. Boudleaux speelde het nummer door aan de jongens op een acetateplaat, een versie die hij ook zelf had ingezongen. Het nummer was zo sterk dat mocht de platenfirma die ongekuiste oerversie hebben uitgebracht het net zo goed een hit was geworden,aldus Don na een eerste beluistering. Boudleaux droomde er al jaren van zich als auto een blinkende Thunderbird aan te schaffen. Nog tijdens de opname verzekerde producer Archie Bleyer hem ervan dat hij meteen naar de garage kon stappen, want zij hadden een wereldhit te pakken.  Het liedje is in deze zin een evergreen dat het in om het even welke versie nooit aan kracht en kwaliteit heeft verloren. Richard Chamberlain zette in 1963 een aantrekkelijke versie op plaat waarbij het duet van Glen Campbell en Bobbie Gentry uit 1970 niet hoeft onder te doen .

De twaalfde mei 1958 staat  All I have to do is dream in de versie van The Everly Brothers precies een maand na de release op één in de Amerikaanse charts  en dat op het moment dat platenfirma RCA  de allereerste stereo-elpees op de markt brengt, dan nog een rariteit, maar de toekomst zou snel de tegenovergestelde richting uitwijzen. In Engeland werd het eveneens een nummer één en zou daar acht weken op die eerste plaats standhouden.

In een interview omschreef Felice het geluid van Don en Phil als volgt: “They were like a fine Swiss watch. Boudleaux would know what would sound good and he would know just how high Phil could sing. And he would put him up there, because to Boudleaux. Phil sounded like a Stradivarius when he hit those high notes. Boudleaux just loved that!”

Boudleaux overlijdt op zevenenzestigjarige leeftijd de 25ste juni 1987, Felice de 22ste april 2003. Zij was zevenenzeventig en overleed in de vaste overtuiging dat zij samen met haar man een aantal schitterende popklassiekers had afgeleverd.

tekst en research: Marc Brillouet

©2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

The Everly Brothers

Mochten The Everly Brothers nooit geboren zijn, de popmuziek zou heel anders geklonken hebben. Zowel The Beatles en The Beach Boys als Simon & Garfunkel en The Bee Gees zouden niet geweten hebben hoe zij moesten zingen. Dat laatste klinkt wat overdreven, maar toch. Don en Phil Everly kunnen straks hun hoofd voor eeuwig neerleggen in de overtuiging dat zij heel wat hebben bijgedragen aan het geluid van de popmuziek van de twintigste eeuw.

Don werd de eerste februari 1937 in Brownie, Kentucky geboren als zoon van een mijnwerker, Ike Everly en diens vrouw Margaret. De familie Everly verhuist meteen na de geboorte van Don van Kentucky naar Chicago waar zij in de Italiaanse wijk in Adams Street gaan wonen en waar de negentiende januari 1939 Phil wordt geboren. Ike heeft  niet vergeten zijn countryroots met zich mee te nemen. Hij komt in windy city aan de kost als muzikant in honkytonkclubs. Ike schakelt snel over van de akoestische op de elektrische gitaar. Hij treedt samen met zijn broers Charlie en Leonard op. Zij vallen vooral op door hun closeharmonymanier van zingen. Don herinnert zich nog dat zijn pa niet alleen dol was op country, maar ook dol  op de zwarte muziek die zij gingen beluisteren in Maxwell Street waar de zwarte blueszangers optraden. Pa leert zijn zonen niet alleen behoorlijk gitaar spelen, maar ook zingen. Een van de eerste liedjes die zij leren is Paper Doll dat in het begin van de jaren veertig een hit was voor The Mills Brothers. In 1944 krijgt pa Everly een job aangeboden als radiopresentator bij de zender KASL in Iowa. De familie verhuist nog maar eens. Zijn broers blijven achter in Chicago. Pa vindt het een goed idee zijn twee zonen, Don acht en Phil zes, in zijn radioshow te laten optreden. In de show worden zij voorgesteld als Little Donnie en Baby Boy Phil. Van hun vader leren zij dus hun eerste akkoorden en liedjes die zij later verzamelen op hun elpee “Songs our daddy taught us”.  Ook hun moeder Margaret treedt mee op tijdens hun radioshow. Tegen 1950 is die show bekend als “The Everly Family Show”. Twee jaar later, in 1952, krijgen zij een radioshow bij WIKY in Indiana aangeboden. Maar die radiostations krijgen stilaan door dat het goedkoper is iemand plaatjes te laten draaien dan artiesten te engageren die hun muziek live spelen. Dus het wordt moeilijker om aan werk te geraken. In september 1953 belanden zij bij WROL in Tennessee en krijgen daar per week voor hun programma 90 dollar aangeboden (voor de ganse familie). Een van hun eerste fans is de bekende countrygitarist en producer Chet Atkins die hen vaak gaat opzoeken wanneer zij in Nashville optreden. Intussen hebben Don en Phil hun zangstijl verfijnd, gebaseerd op die van het populaire countryduo The Delmore Brothers (Alton en Rabon Delmore) die in 1949 een grote countryhit hadden gescoord met Blues Stay Away From Me. Het valt Chet Atkins op dat Don en Phil keurig Engels zingen en perfect de juiste toon kunnen aanhouden. Atkins stelt hen voor aan muziekuitgever Wesley Rose van de bekende en machtige uitgeverij Acuff-Rose die meteen onder de indruk is, niet alleen van hun stemmen, maar ook van het feit dat beide broers liedjes kunnen schrijven. Hij speelt het door Don geschreven Thou Shalt Not Steal door aan Kitty Wells die er een hit mee scoort. Zij krijgen dankzij Rose ook de kans om voor het Columbia-label een plaatje op te nemen Keep a’ lovin’ me, door Don en Phil geschreven, maar dat nummer raakt kant noch wal. In die tijd waren op datzelfde label trouwens The Louvin Brothers populair en de bazen van Columbia twijfelden of er wel behoefte was aan een tweede duo. Na die flop wil Columbia zo snel mogelijk van de jongens verlost worden. Hun contract wordt ontbonden.

Wesley Rose versiert voor the boys in 1957 een platencontract bij Cadence Records, de nog jonge firma van Archie Bleyer. Hij stelt voor Bye Bye Love  van Boudleaux en Felice Bryant op te nemen dat eerder al door zo’n twintig artiesten was geweigerd, waaronder Elvis Presley. De 20ste mei 1957 staan The Everly’s op de tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Het is diezelfde Presley die hen met zijn Teddy Bear van de eerste plaats houdt. De 11de mei van dat jaar wordt een van hun jongensdromen waar: zij mogen optreden tijdens “The Grand Ole Opry” in het “Ryman Auditorium” in Nashville. Meteen is, na het succes met Bye Bye Love, de toon gezet voor een gouden formule: de liedjes van Felice en Boudleaux Bryant, de opvallende gitaarakkoorden van Don en de harmonieën van Phil. De 30ste september 1957 geraken zij tot op één met Wake Up Little Suzie.

Phil weet nog goed dat zij wat gestresseerd waren om een goede opvolger voor Bye Bye Love te vinden. Zij hadden zeker zo’n tweehonderd liedjes beluisterd die Felice en Boudleaux hadden geschreven tot zij Wake Up Little Suzie te horen kregen. Het was geen eenvoudig liedje om aan te leren noch te zingen. Tijdens de eerste opnamesessie met Archie Bleyer hadden zij aan veertien pogingen niet genoeg. De dag nadien gaan zij het zonder hem opnieuw proberen en deze keer lukte het tijdens de vierde take. De dertigste juni 1957 staat Wake Up Little Suzie helemaal boven aan de Amerikaanse charts. Zij doen dat in de maand april van 1958 over met All I Have To Do Is Dream alweer een compositie van Felice en Boudleaux. Dat een liefdesrelatie een stuk sterker wordt wanneer beide partners dezelfde interesse delen, staat zo goed als een paal boven water, maar zo sterk als die van Felice en Boudleaux Bryant zal in de muziekwereld wel een uitzondering zijn en blijven. Felice, geboren 7 augustus 1925 in Milwaukee, en Boudleaux, geboren 13 februari 1920 in Shellman, waren  vooraleer ze elkaar leerden kennen al een poos met muziek bezig. Boudleaux wou een volleerd concertviolist worden en trad  regelmatig op bij het symfonieorkest van Atlanta, terwijl Felice aan de bak probeerde te komen als zangeres. Het waren nochtans voor hen beiden geen hoogtijdagen. Felice moest proberen rond te komen als liftbediende in het Sherwood Hotel in Milwaukee. Het was hier dat  ze Boudleaux ontmoette toen die op een avond in het hotel samen met een jazzcombo optrad. September 1945 treden Felice en Boudleaux in het huwelijk en houden zich van dan af haast onophoudelijk met componeren bezig. Boudleaux schrijft de melodietjes en Felice verzint de tekst. Zo leveren ze hits aan onder meer Eddy Arnold en Joe Smith, maar hun grote doorbraak komt er wanneer ze Don en Phil Everly in Nashville ontmoeten. De mooiste song die ze voor The Everly Brothers schrijven, is en blijft ongetwijfeld de popklassieker  All I have to do is dream. Felice en Boudleaux knutselden dit in precies een kwartier tijd in mekaar.  Het liedje is in deze zin een evergreen dat het in om het even welke versie nooit aan kracht en kwaliteit heeft verloren. Richard Chamberlain zette in 1963 een aantrekkelijke versie op plaat waarbij het duet van Glen Campbell en Bobbie Gentry uit 1970 zeker niet hoeft onder te doen .

Drie maanden na het succes met All I Have To Do Is Dream in de zomer van 1958 staan The Everly Brothers opnieuw op één, deze keer met Bird Dog. Met deze song wou Boudleaux eens iets anders uitproberen, het moest uniek klinken. Don zag dat liedje niet zitten, maar zij hadden geen andere keuze, want er moest dringend een nieuwe single worden uitgebracht. In het boek “The Everly Brothers: walk right back” zei Felice daarover het volgende: ” I was trying to get an idea for something really novel and unique for the boys, and I remember that my father had an expression that he used when he saw somebody that was just a little bit pleasantly off. You know, a sort of a character. He would say ‘he’s a bird’ and I thought, let’s see, he’s a bird… he’s a bird… and then it hit me, that the antithesis of that would be ‘ he’s a dog’. He’s a no-good. And then the two things fell together – he’s a bird dog – and that was it.” In 1958 was er op de Amerikaanse tv een spotje dat reclame maakte voor Nestle, de Nestle Puppet Dog Farfel. Archie Bleyer wou een acteur inhuren om Dog Farfel te imiteren tijdens de opname van Bird dog, maar  Don en Phil konden hem dat uit zijn hoofd praten. De 28ste juli 1958 trekken Don en Phil naar de studio om de song in te blikken. Vijftien takes zijn er nodig om de juiste versie op band te zetten. Na de opname hebben The Everly’s niet veel zin om het nummer op single uit te brengen, maar Felice en Boudleaux kunnen hen toch overtuigen. De vierde augustus wordt Bird dog op 45 toeren uitgebracht. De 15de september staat zij op de tweede plaats in de Amerikaanse Top Honderd te blaffen, maar ondanks dat lawaai geraken zij niet hoger dan de tweede plaats, want Domenico Modugno staat op één Volare te kwelen, een van de weinige Europese hits die in Amerika op één zouden geraken. En nadat Modugno het voor bekeken hield, werden Don en Phil voorbijgestoken door een ijzersterke Tommy Edwards met It’s all in the game. Bird Dog zal ook nog op de tweede plaats in de Engelse Top Veertig belanden nadat ze daar net voordien op één hadden gestaan met All I have to do is dream. In het najaar van de Expo schieten Don en Phil met Bird Dog in de Belgische Top Dertig naar de achtste plaats. Op de Amerikaanse singleversie van Bird Dog staat op de B-kant het niet onaardige Devoted To You dat ook een hit zal worden. Don en Phil zijn dol op dit liedje dat als een soort Engels madrigaal klinkt en speciaal voor hen door Felice en Boudleaux werd geschreven “omdat het liedje zo mooi bij hun stemmen past”.  Dat nummer wordt nog steeds door kenners beschouwd als een schoolvoorbeeld van closeharmony singing voor twee stemmen. Don neemt ook hier zoals op de meeste songs de lage stem voor zijn rekening, Phil de hoge. Voor dat nummer zit er een tiende plaats in de Amerikaanse Top Honderd in.

De daaropvolgende single Problems wordt net als Bird Dog met een tweede plaats beloond. Don is enorm blij wanneer zij in 1959 het door hemzelf geschreven (‘Til) I Kissed You op single uitbrengen. Don schreef het liedje op het vliegtuig toen zij terugvlogen van een optreden in Australië. Hij was daar verliefd geworden op een Frans meisje, Liliane, en hij vreesde dat hij haar nooit meer zou terugzien. Er zit voor deze single in de zomer van dat jaar een vierde plaats in. Een laatste toptienhit scoren zij bij Cadence Records met hun cover van  Let It Be Me (een vertaling van Je t’appartiens van Gilbert Bécaud die dat in 1955 op plaat zette op tekst van Pierre Delanoë. Mann Curtis zou de Engelse tekst schrijven). Don had dit liedje ontdekt op een van de vele elpees die hij van gitarist Chet Atkins gekocht had. The Everly’s vliegen speciaal over naar New York waar zij het nummer begeleid door een stel strijkers opnemen, al was hun platenfirma niet zo zeker van het succes. Toch scoren zij in 1960 een toptienhit met deze prachtige ballad. Maar stilaan kwamen er barsten in hun relatie met Cadence Records. Don en Phil worden onderbetaald en zij mogen zelf niet creatief voor de dag komen. Archie Bleyer was ook bang dat The Everly Brothers maar een tijdje zouden scoren en dat hij beter nu ze nog hot zijn hen lucratiever van de hand kan doen.  In 1960 verkoopt hij beide heren aan de nog jonge platenmaatschappij Warner Brothers die hun een contract van 1 miljoen dollar aanbiedt, een deal die hun de garantie biedt om de komende tien jaar op muzikale rozen te zitten! Don en Phil staan gelijk onder een enorme druk. Zij weten niet of rock -’n- roll als genre nog lang zal standhouden. Zij hadden er net enkele concerten op zitten en eenmaal terug thuis in Nashville worden zij met het feit geconfronteerd dat Warner Brothers op een dikke hit zit te wachten.  Zij hebben voor hun nieuwe plaat al een liedje of tien ingeblikt, maar zij voelen dat er geen echte topper bij zit.  Phil woont op dat moment bij zijn ouders wanneer hij op zekere dag een telefoontje van Don krijgt die hem uitnodigt om bij hem thuis een liedje verder af te werken waar hij aan bezig is. Don had zich laten inspireren door een commercial van Philip Morris die muzikaal gebaseerd was op een marsthema uit de ”Grand Canyon Suite” van Ferde Grofé. Phil helpt wat met de lyrics die deels gebaseerd zijn op verhaaltjes die hun vader Ike hun vroeger vertelde en een paar dagen later is Cathy’s Clown kant-en-klaar. De 23ste mei 1960 staat de single op de eerste plaats van de Amerikaanse Top Honderd en zal daar vijf weken na mekaar onaangeroerd blijven staan tot Connie Francis het welletjes vindt en met Everybody’s Somebody’s Fool die eerste plaats komt opeisen. Van Cathy’s Clown zullen er acht miljoen exemplaren verkocht worden. Ook internationaal doet de single het megagoed. In Engeland blijven Don en Phil negen weken na mekaar op één staan in de Top Veertig. In Nederland zijn het The Blue Diamonds die met hun coverversie een stevige hit te pakken hebben. In Duitsland wordt het bewerkt en van een Duitse tekst voorzien door Ralph Siegel.

Het spreekt voor zich dat de bazen van Warner Brothers in de wolken zijn met die internationale score. Hun vorige platenfirma Cadence Records profiteert van dit succes door een nummer uit te brengen dat zij nog op de plank hebben liggen When will I be loved, gekoppeld aan Be bop-a-lula, goed voor een achtste plaats in de Top Honderd. And the hits they keep on comin’. Er zit een zevende plaats in voor het nummer So Sad. Nadien blijkt het iets minder te vlotten met Lucille en Like Strangers, maar de zesde februari 1961 staan zij weer in de Amerikaanse Top Tien te glitteren en te schitteren met Walk Right Back geschreven door Sonny Curtis van The Crickets. Hij zong het voor de eerste keer voor aan Don op diens appartement in Hollywood. Meteen nadien scoren The Everly’s opnieuw, deze keer met de semismartlap Ebony Eyes geschreven door John D. Loudermilk.  De dertigste januari 1961 klimt de single naar de achtste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. In 1934 had Bing Crosby goud gescoord met Temptation, een lied geschreven door Nacio Herb Brown en Arthur Freed voor de musical “Going Hollywood”.  The Everly’s levert hun cover van die klassieker hun  zevenentwintig jaar later een zevenentwintigste plaats in de Amerikaanse Top Honderd op. De single wordt in Engeland tot hun eigen verbazing tijdens de zomer van 1961 een regelrechte nummer één. Hun manager Wesley Rose kantte zich enorm tegen de release van die single, zo erg zelfs dat Don besluit hun manager de laan uit te sturen.  Rose pikt het ook al een tijdje niet dat zijn jongens bij andere uitgeverijen gaan aankloppen op zoek naar nieuwe songs en vooral stevige hits. Hij zorgt er op zijn beurt als een soort revanche voor dat  Don en Phil geen toegang meer kregen tot de beste songwriters, want die huizen allen bij Acuff-Rose, ook de Bryants die hun hits van het eerste uur hadden geschreven. Ettelijke jaren na mekaar zullen Don en Phil geen toegang meer krijgen tot nieuw materiaal van de belangrijkste songwriters van dat moment. Zij coveren na het ontslag van Wesley Rose als hun manager nog wat voort en komen in het najaar van 1961 op de proppen met een bewerking van de Ethel Waters-hit Don’t Blame Me, in 1933 geschreven door Jimmy McHugh en Dorothy Fields. In november 1961  verdwijnen the boys even uit de belangstelling, want zij moeten tot een eind van 1962 onder de wapens. Zij worden ingelijfd bij The United States Marine Corps. Het is weer bingo wanneer Don en Phil in 1962 Crying in The Rain opnemen, geschreven door het gelegenheidsduo Howard Greenfield en Carole King. Er zit deze keer voor beide broers een zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred in. In 1990 zal de Noorse groep A-Ha dit nummer eveneens succesvol op plaat zetten. Enkele maanden later wordt er weer gescoord en wel met That’s Old Fashioned geschreven door Bernie Baum, Bill Giant en Florence Kaye, meteen ook hun allerlaatste hit in de Amerikaanse Top Tien. Tijdens een Europese tournee in 1962 in Europa wordt Don het slachtoffer van een overdosis slaappillen, dat wordt althans beweerd. Phil moet in zijn eentje de rest van die tour afwerken. In de maand oktober van 1963 staan zij in Londen te schitteren in een rockende show samen met Little Richard, Bo Diddley en met als openingsact The Rolling Stones op de affiche. Van de drieëntwintig singles die The Everly’s tussen 1963 en 1970 uitbrengen, bereiken er slechts drie de Top Honderd: The Ferris Wheel, Gone Gone Gone en Bowling Green. Vergeten we ook niet de geslaagde versie van The Price of Love  te vernoemen waarmee zij ons in 1965 verrasten. Het nummer werd door Don en Phil geschreven en zou in Engeland tot op de tweede plaats van de Britse Top Veertig belanden. Later zal het door onder meer Status Quo, Bryan Ferry en Depeche Mode gecoverd worden.  Intussen had Don in 1961 een eigen platenfirma opgericht Calliope en ondergebracht bij Warner Brothers. Met de steun van zijn vader Ike en onder de schuilnaam Adrian Kimberly brengt hij The Graduation Song…Pomp and Circumstance uit, die bekende compositie van de Engelse componist Edward Elgar, opgenomen met een groot orkest, en hij belandt met deze instrumental  de 26ste juni 1961 op de vierendertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Don en Phil hebben onderweg ook acteerlessen gevolgd in de hoop het als acteurs in Hollywood waar te maken, maar na enkele screentests die behoorlijk tegenvielen, bergen zij die idee weer snel op.

Niet alleen hun singles, maar ook hun elpees die zij na 1961 uitbrengen, geraken niet in de albumcharts behalve “Beat & Soul” dat in 1965 wordt gereleaset en tot op de 141ste plaats geraakt. Wat wél opvalt is dat de beide broers in Engeland en in Canada enorm populair blijven. Om dat te verzilveren brengen zij in Engeland in 1966 het album “Two Yanks in England” uit dat zij volledig in Engeland opnemen. Acht liedjes op dat album worden geschreven door Tony Hicks, Graham Nash en Allan Clarke van The Hollies. In 1967 neemt Cliff Richard It’s All Over van Don Everly op en scoort er in Engeland een hit mee. In Amerika wordt het een succes in de versie van The Casinos. The Everly Brothers zelf keren almaar vaker terug naar de wortels van hun muzikale opvoeding, met name de country, wat duidelijk hoorbaar is op hun in 1968 uitgebrachte elpee “Roots”. Op het einde van de jaren zeventig komt er dan ook een einde aan hun contract met Warner Brothers. In 1970 brengt Don zonder veel bijval een eerste soloalbum uit. Datzelfde jaar biedt ABC -TV hun de kans tijdens de zomer hun eigen “Everly Brothers Show” op tv te presenteren met daarin als gasten onder meer Marty Robbins, Neil Diamond, B.J. Thomas en Ike and Tina Turner.  Het jaar nadien tekenen zij een platendeal met RCA Records voor wie zij twee albums opnemen. Die deal wordt geen succes en in 1973 wordt hun contract ontbonden.

Legendarisch wordt hun optreden de veertiende juli 1973 in Knott’s Berry Farm, het eerste themapark in de Verenigde Staten.  Don is die dag nog maar eens straalbezopen. Hij is ook verslaafd geraakt aan het medicijn Ritalin, een product dat de aanmaak van de neurotransmitter dopamine in je hersenen doet toenemen, een oppepper, een product dat je aandacht verscherpt. Wanneer Phil er dan toch in slaagt zijn broer na een paar vergeefse pogingen het podium op te sleuren, kan hij het tijdens het zingen niet meer aanzien. Onder het waakzaam oog van enkele familieleden, vrienden en Warren Zevon, smijt Phil zijn gitaar in stukken en stormt ziedend het podium af. Don moet de show in zijn eentje afwerken en geeft toe dat The Everly’s tien jaar eerder, in 1963 dus, al de geest hadden gegeven. In 1976 brengt Paul McCartney nochtans hulde aan The Everly Brothers in zijn hit Let’em in.

Tien jaar lang zouden The Everly’s met mekaar geen woord meer wisselen. Don neemt enkele platen op waarmee hij in Engeland behoorlijk aan de bak komt. In 1970 is er het album “Don Everly”, in 1974  ”Sunset Towers” en in 1976 “Brother Jukebox” dat hij in Nashville opneemt samen met producer Wesley Rose.  Phil legt zich vooral toe op songwriting, onder meer Don’t Say You Don’t Love Me No More, Every Which Way But Loose, One Too Many Women In Your Life en Any Which Way You Can. In 1983 zal Phil in Engeland aardig scoren met zijn album “Phil Everly” dat hij in Engeland opneemt samen met onder anderen Mark Knopfler. Er staat zelfs een duet op met Cliff Richard Louise. Inpikkend op dat succes wordt er gewerkt aan een reünieconcert met The Everly’s. De 22ste september 1983 is het zover en staan Don en Phil op de planken van “The Royal Albert Hall” in Londen. Van dit concert worden zowel een video als een dubbele elpee opgenomen.

Zij zien het weer samen zitten en trekken na tien jaar als duo nog eens de opnamestudio in met als eindresultaat het album “EB 84″ geproduceerd door Dave Edmunds en met daarop een nummer speciaal voor hen geschreven door Paul McCartney On The Wings of a Nightingale waarop Paul ook een van de gitaarpartijen voor zijn rekening neemt. In Amerika zit er een bescheiden vijftigste plaats in de hitlijsten in, maar in Engeland wordt hun prestatie beloond met een eenenveertigste plaats en in onze Top Dertig zit er zelfs een twaalfde plaats voor beide heren in. Het hoogst scoren The Everly Brothers in de Nederlandse Top Veertig waar zij op de vierde plaats halt houden. Twee jaar later brengen zij het album “Born Yesterday” op de markt. Ook deze keer is Dave Edmunds producer van dienst en coveren zij onder andere Arms of Mary van Sutherland Brothers And Quiver, Why Worry van Dire Straits en You Send Me van Sam Cooke. Tijdens hun liveoptredens worden The Everly’s regelmatig begeleid door Edan Everly, zoon van Don. Uit 1989 dateert hun album “Some Hearts” dat zij zelf produceren in samenwerking met Larrie Londin. Zij coveren hierop Don’t Worry Baby van The Beach Boys die ook de backings voor dit nummer verzorgen en die hen in alle toonaarden de jaren voordien de hemel in hadden geprezen en toegegeven dat zij bij hen onder meer de vocale mosterd vandaan hebben. Voor het merendeel leveren Don en Phil zelf de liedjes die op dit album belanden zoals Three Bands Of Steel, Can’t Get Over It en Angel Of Darkness.

In 1994 neemt Phil in duet met Cliff Richard een nieuwe versie op van All I Have To Do Is Dream dat in de Engelse charts een toptwintighit wordt. Vince Gill nodigt Phil in 2006 uit voor zijn album “These Days” waarop zij beiden de song Sweet Little Corrina zingen. Om ook wat in hun privésfeer te vertoeven, Phil Everly heeft twee kinderen Christopher, een singer-songwriter, en Jason, eveneens een singer-songwriter. Samen met Jason leidt Phil het productiebedrijf “Everly Music Company”, fabrikanten van snaren voor gitaren en basgitaren. Jason nam een tijd geleden als eresaluut aan Buddy Holly samen met zijn vader het duet Rave On op. Phil woont in Maury County in de buurt van Nashville in een prachtige mansion uit 1846. Het huis telt acht kamers. Door de jaren heen heeft hij de huizen rondom ook gekocht en afgebroken zodat hij een immens uitzicht om zich heen heeft. Phil is vooral trots op zijn muziekkamer die hij helemaal heeft ingericht met daarin een grote vleugelpiano en vier speciaal voor hem ontworpen akoestische gitaren. Wanneer zijn vrienden uit de muziekbusiness langskomen doet hij niets liever dan musiceren en liedjes schrijven. Sonny Curtis komt graag langs samen met Bobby Tomberlin en Duane Eddy. Het merendeel van zijn liedjes schrijft Phil aan de piano en dan durft hij nog wel eens mee te zingen. Af en toe springt Don, die ook in de buurt van Nashville woont, eens binnen, maar van een reünie is er helemaal geen sprake meer. Zij hebben zich definitief uit de muziekwereld teruggetrokken. Don Everly heeft een zoon Edan die net als zijn vader zingt en liedjes schrijft met twee albums op zijn actief “Songs from Bikini Atoll” (2010) met daarop een triootje dat hij samen met Don en Phil zingt, met name  I’m Free. Hij nam eerder het album “For The Insanity Of It All” op met daarop het samen met Phil en Don gezongen nummer I Took It Up. (2006)   Edan is eigenaar van The Starwood Studio en treedt vaak als gitarist, op onder meer van 2006 tot 2012 tijdens de tournees van Frankie Avalon en Fabian.  Don heeft nog drie andere kinderen: Venetia, Stacey en Erin. Deze laatste is actrice en was ooit getrouwd met Axl Rose van Guns N’ Roses.

In Billboard’s Hot One Hundfred waren The Everly Brothers de voorbije decennia goed voor zesendertig hits. In 1986 waren zij een van de eersten die werden opgenomen in “The Rock and Roll Hall of Fame” in Cleveland. Elf jaar later werden zij onderscheiden met een “Grammy Lifetime Achievement Award”. In 2001 werden zij in “The Country Music Hall of Fame” in Nashville opgenomen en drie jaar later in “The Vocal Group Hall of Fame”. Zij hebben een ster op de befaamde “Hollywood Walk Of Fame” en in de lijst van meest invloedrijke artiesten van de voorbije eeuw, samengesteld door het tijdschrift Rolling Stone,  prijken zij op de drieëndertigste plaats. Wanneer Simon & Garfunkel in 2003 op tournee gaan nemen zij The Everly Brothers mee die ergens midden in de show opduiken tot jolijt van hun vele fans. Zij zingen trouwens ook mee in de titelsong van Simons album “Graceland”.

De derde januari 2014 overleed Phil Everly op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van een chronische longaandoening.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Barry White

Het mopje dat in Amerika gedurende de seventies menige baby werd verwekt op de tonen van Barry White is inmiddels gemeengoed geworden. De man had aanvankelijk niet door dat zijn warme baritonstem, badend in een bad van zeemzoete violen en dito teksten, zoveel romantiek en seks zou losweken. Het ritme waarop hij zijn fluwelen teksten zong als disco bestempelen, zou het genre tekortdoen. Romantische soul kan als term beter in aanmerking komen. Vanwege de muziek die hij produceerde White als een sekssymbool portretteren, is ook ongepast. De man woog méér dan driehonderd pond, was 1,90 meter groot en niet meteen moeders mooiste. Dus hem zowel als producer, zanger, componist als arrangeur etaleren, komt veel dichter in de buurt van de waarheid.

Barry werd als Barry Eugene Carter de 12de september 1944 in Galveston, Texas geboren. Mama was daar toevallig op bezoek bij kennissen, maar haar kroost woonde in Los Angeles. Moeder had de zoon op haar naam ingeschreven, want papa wilde niet met haar trouwen. Later zal Barry’s vader eigenhandig zijn familienaam op zijn geboortebewijs veranderen in White.  Mama was ooit actrice geweest, onder meer te zien in 1931 in de film “Trader Horn”.  Maar artritis maakte haar zogoed als werkonbekwaam. Zij verdiende geld met het geven van pianoles. Barry hoort haar van jongs af aan op de buffetpiano tokkelen en wordt van zijn sokken geblazen wanneer hij mama op zekere dag de Mondschein Sonate van Ludwig van Beethoven hoort spelen. Zij leert hem ook de tweede stem zingen in het kerstliedje Silent Night. Barry is van dan af verkocht. Muziek zal stilaan zijn leven domineren. Mama wil hem koste wat het kost noten leren lezen, maar Barry weigert. Daar heeft hij geen zin in. Hij leert wel op het gehoor pianospelen, hij is dan nog maar vijf.  Op zijn achtste zingt hij mee in het kerkkoor The Baptist Church Choir en op zijn elfde speelt hij piano tijdens de opname van de hit Goodnight my love van Jesse Belvin. Hij krijgt voor die klus 55 dollar toegestopt. Zijn broer Darryl is niet meteen wat je kan noemen een brave jongen. Hij en Barry trekken vaak de straat op om daar auto-onderdelen te stelen. Darryl is nog maar acht wanneer hij achter de tralies belandt. Op zijn vijftiende verjaardag, in 1959, trekt Barry de schooldeuren definitief achter zich dicht. Hij heeft er schoon genoeg van. Wanneer hij op zijn zestiende wordt betrapt op het stelen van peperdure autobanden (Dual 90 Cadillac tyres), bedoeld voor al even peperdure Cadillacs, voor een marktwaarde van 30.000 dollar, komt hij voor enkele maanden in de gevangenis terecht. De legende wil dat hij in de gevangenis Elvis It’s Now or Never op de radio hoort zingen en besluit zijn leven helemaal om te gooien. Eenmaal buiten besluit hij zijn leven te beteren. Twee dagen nadat hij uit de gevangenis is ontslagen, stapt hij te voet van het zuiden van Los Angeles naar Hollywood, dertig kilometer verderop. Hjj wordt daar vooral geraakt door de mooie dingen van het leven: mooie mensen, dure auto’s, vriendelijkheid. Op school had hij geleerd dat hij kon zingen, hij had een diepe basstem en wordt lid van de doowopgroep The Upfronts. Zij nemen zelfs een plaatjes op  Too far to run around dat in 1960 op het Lummtone-label wordt uitgebracht en in 1961  Little Girl , een plaatje dat zijn moeder voor de rest van haar leven zal koesteren. Nadien gaat hij in 1963 even meezingen als lead bij de groep The Atlantics in het nummer Home On The Range en Tracey dat op het Faro-label verschijnt. Vergeten we in 1963 niet de twee plaatjes die hij samen met The Majestics opneemt: Strange World en Angel Of Love. Het kost hem enorm veel moeite de touwtjes aan mekaar te knopen. Hij ontmoet gelukkig voor hem arrangeur Gene Page die hem in 1963 laat meewerken aan de hit Harlem Shuffle van Bob and Earl. Barry zal hen een tijdlang tijdens hun tournees als drummer begeleiden, maar dat rondreizen staat hem niet aan. Om toch maar aan geld te geraken, probeert Barry zo veel mogelijk bij te klussen. Hij duikt in 1965 als zanger op bij The Bel-Cantos op hun single Feel Allright part 2 en een jaar later bij The Five Du-Tones op hun singletje Shake A Tail Feather. Datzelfde jaar durft hij het solo aan, maar verandert zijn naam wel in Lee Barry en brengt op het Downey-label Man Ain’t Nothin’ uit. Barry leert in 1966 Bob Keane kennen, eigenaar van diverse platenfirma’s waaronder Del-Fi, Mustang en Bronco Records. Die biedt hem een job als arrangeur aan. Hij verdient op dat moment veertig dollar per week. Zijn eerste opdracht is een plaatje produceren voor Viola Wills en schrijft voor haar het nummer  Lost without the love of my guy.  Het budget bedraagt 50 dollar. Dat plaatje wordt een bescheiden hit. Vervolgens gaat Barry samenwerken met Felice Taylor. Samen nemen zij het door Barry White geschreven It may be winter outside op. Die single geraakt in Billboard’s Hot One Hundred tot op de 42ste plaats. Hij is intussen in 1961 gehuwd met Betty Smith met wie hij vier kinderen krijgt. In 1965 zijn ze echter al gescheiden. Twee jaar later brengt Barry onder zijn eigen naam op het Bronco label de single All in the Run of a Day uit met op de B-kant Don’t Take Your Love From Me. Bij Bronco Records werkt Barry zich inmiddels op tot A&R man, maar in 1969 wordt dat label opgedoekt. Een jaar eerder heeft hij tijdens een opnamesessie voor het Motown-label samen met Gene Page de backingvocalisten Glodean, haar zus Linda James en hun nichtje Diane Taylor leren kennen. Barry ziet wel wat in die dames. Hij wil met hen een groepje oprichten in de stijl van The Supremes. Hij gaat van 1969 tot en met 1971 keihard aan hun imago en stemgeluid sleutelen. In 1970 waagt Barry zijn solokansen nog eens met de single In the Ghetto (jawel de Presleyhit) onder zijn de schuilnaam Gene West, intussen een echte collectors item voor de White fans geworden.

Zijn vroegere collega bij Bronco Records, Paul Politi, vertelt Barry dat Larry Nunes een eigen firma wil oprichten en met White wil samenwerken. Barry had intussen al doende zowat alle kneepjes van het vak geleerd. Samen met zijn meidentrio Love Unlimited neemt hij enkele demootjes op. Larry stelt die voor aan Russ Regan, baas van het Uni-label, een zusterfirma van platenfirma MCA.

Hun debuutplaat wordt in 1972 Walking in the rain (with the oneI love), gelijk een dikke hit. Meteen is ook de typische sound gezet waarmee White internationaal naam en faam zou maken. Op het einde van de hit Walking in the rain (with the one I love) hoor je de stem van Barry over de telefoon. Dertien woordjes mag hij zeggen met zijn warme, diepe stem en hij zet meteen de toon voor meer, veel meer! Barry loopt ook met de idee rond enkele nummers die hij geschreven heeft aan een mannelijke solostem te slijten. Hij gaat op zoek, maar tevergeefs. Tot Nunes die demo’s hoort en na lang aandringen Barry weet te overtuigen die songs zelf in te zingen. Hij mag in 1973 meteen een ganse elpee opnemen “I’ve Got So Much to Give” met daarop de titelsong én zijn eerste grote hit I’m Gonna Love You Just a Little More Baby. Van Regan krijgt hij om die eerste elpee in te blikken een budget van 37.000 dollar. In het totaal levert hij een plaat af met daarop slechts zeven liedjes. Regan is verbaasd totdat hij merkt dat Barry’s cover van Standing in The Shadows of Love van The Four Tops 7’59” duurt en de titelsong zelf 8’13″.  Barry wil van meet af aan symfonische soul in de markt zetten. Uitgesponnen nummers met de klemtoon op het ritme, ondersteund door een hele rist strijkers, gitaren en blazers. De “soft soul” is daarmee geboren. White heeft in 1973 al voor 16 miljoen dollar aan platen verkocht en wordt in 1973 uitgeroepen tot “Top New Male Vocalist of The Year”.

De deal met het Uni-label breekt af nadat Russ Regan daar vertrokken is richting 20th Century Fox. In zijn kielzog neemt hij White mee en hij op zijn beurt Love Unlimited. Hij vertelt aan Regan dat hij ook een instrumentale elpee wil uitbrengen en tegelijk een orkest oprichten dat met hem mee op tournee gaat. Dat wordt The Love Unlimited Orchestra dat aanvankelijk twintig muzikanten telt, maar snel wordt uitgebreid tot veertig met daarin een rist oerdegelijke muzikanten zoals: Ray Parker Jr., Nathan East, David Walker, Dean Parks, Don Peake, Wilton Felder, Ed Greene, Gary Coleman en Rahn Coleman. Hun Love’s theme, dat Barry eerder al met Love Unlimited had opgenomen, wordt wereldwijd een groot succes.

White was van bij de start van zijn carrière gefascineerd door het succes van Motown, het schrijverstrio Holland, Dozier, Holland en de hits van The Supremes. Dit was een voorbeeld dat hij wou navolgen. Zijn muzikale ideeën kan hij kwijt in zijn soloproject, bij zijn orkest en bij zijn trio Love Unlimited. Intussen was Barry met Glodean James gehuwd en schrijft speciaal voor haar zijn volgende hit I’ve Got So Much To Give. Eind 1975 zet hij een eerste mijlpaal in zijn solocarrière neer, de klassieker Never Never Gonna Give You Up dat jaren later succesvol gecoverd zal worden door Lisa Stansfield. Ook de hittrein Love Unlimited valt niet stil. Voor hen is er It May Be Winter Outside dat Barry samen met Paul Politi had geschreven en al ingeblikt in 1967 samen met zangeres Felice Taylor waarmee zij in Engeland de 25ste oktober op de elfde plaats in de top veertig aanbelandt.  Zes jaar later staat Love Unlimited met hun versie in diezelfde Britse top veertig op één. Het jaar daarop scoren de dames nog tweemaal: Under The Influence Of Love en I Belong To You.

Zelf scoort Barry in 1974 zijn enige nummer 1 hit in Amerika met Can’t Get Enough of Your Love Babe al vallen we in Europa in zwijm bij het horen van zijn klassieker uit 1974 You’re The First, The Last, My Everything. Jarenlang maakte ik dezelfde fout zoals zovelen. Ik dacht al die tijd dat dat nummer een van de zovele hits van Barry White was die hij in zijn eentje had geschreven, maar niets is minder waar. Tijd dus voor het juiste verhaal! Hij had dit liedje gekregen van Sterling Radcliffe, een goede vriend van hem die toen Barry op zwart zaad zat de zanger niet alleen moreel, maar ook financieel bijstond. Bijvoorbeeld toen Barry geen geld had om kerstgeschenkjes voor zijn kinderen te kopen. Als blijk van dank wou Barry dat liedje van Sterling wel een kans gunnen. Die had dat nummer jaren eerder geschreven als een countrysong, maar verder was daar niets mee gebeurd. White behield een reeks akkoorden en een deel van de melodielijn, maar nam toch de vrijheid de song helemaal naar zijn hand te zetten, de tekst volledig aan te passen. Oorspronkelijk heette het liedje You’re The First, The Last, The in-between, maar Barry vond dat het beter bekte als je er You’re The First, The Last, My Everything van maakte. De 2de november wordt het nummer in Amerika op single uitgebracht. Klein detail: de maand voordien is hij met Glodean in het huwelijk getreden. De vierde januari 1975 staat de single in de Amerikaanse top honderd op twee waar het moet opboksen tegen de stevige nummer 1 van Elton John Lucy In The Sky With Diamonds. In Engeland sleept White een nummer één in de wacht. In Vlaanderen zit er een zesde en in Nederland een tiende plaats in. In 2006 brengt Peter Grant op zijn cd “New vintage” een jazzy versie uit van You’re The First, The Last, My Everything. Twee jaar later is het de beurt aan Alexander O’ Neal om Barry Whites versie getrouw te volgen op zijn album “Alex loves en doet de Nederlandse zanger Gordon dat ook zo op zijn cd “A song for you”.

Wij mogen gerust stellen dat de periode 1973 tot en met 1975 de meest lucratieve was voor Barry White. Hij gaat in die glorieperiode ook voor anderen produceren: Tom Brock I Love You More and More,  Jay Dee Come On in Love, Evan Pace Face to Face, Gene Page Hot City, Gloria Scott What Am I Gonna Do? en White Heat White Heat. Voor 20th Century Records neemt Barry White zowel solo als samen met Love Unlimited en The Love Unlimited Orchestra in het totaal twintig albums op. In 1975 laat Barry White zich in de hitlijsten opmerken met singles als What Am I Going To Do With You en I’ll Do For You Anything You Want Me To. Love Unlimited staat dat jaar in de hitlijsten genoteerd met I Belong To You en The Love Unlimited Orchestra met Satin Soul. Op het einde van 1975 hangen er in Whites kantoor zes gouden singles en zeven gouden elpees aan de muur.

 

Jammer voor Barry, maar in 1976 verlaat zijn mentor Russ Regan platenfirma 20th Century Records. En wat blijkt? De nieuwe directie is minder geïnteresseerd in de prestaties en producties van Barry White. Zijn single Let The Music Play scoort minder hoog dan verwacht. Kenners beweren dat er een nummer één  in had gezeten, had de firma haar aandacht niet over hun andere artiesten verdeeld. In 1977 scoort White zijn laatste toptienhit met It’s Ecstasy When You Lay Down Next To Me. De twintigste augustus bereikt de single de vierde plaats in de top tien. Op de single lees je dat het nummer werd geschreven door Ekundayo Paris en Nelson Pigford al beweert White dat hij het zelf geschreven heeft en het als een cadeau aan beide auteurs geschonken. Het waarom heb ik niet kunnen achterhalen.

Barry voelt, naarmate de jaren zeventig vorderen, dat zijn impact op de hitlijsten gestadig afbrokkelt. In april van 1978 scoort hij zijn laatste echte hit met Oh What a Night For Dancing. Datzelfde jaar richt White zijn eigen platenlabel Unlimited Gold op dat hij laat verdelen door CBS. Op dat moment krijgt de platenindustrie een stevige deuk. Na de tsunami die de films “Saturday Night Fever en “Grease hadden veroorzaakt, kennen we in de platenindustrie wat ze noemden “the anti-disco backlash”, de weerbots van het immense succes dat disco had teweeggebracht. Veertien albums zou White uitbrengen na 1979 over een periode van vijf jaar uitgesmeerd, maar geen enkel album zou echt scoren. Vijf albums door hemzelf, een duetalbum samen met Glodean, twee samen met Love Unlimited en drie samen met The Love Unlimited Orchestra en dan ook nog enkele producties met onder meer Danny Pearson en Jimmie en Vella Cameron.  Zijn broer Darryl wordt tijdens een straatgevecht in de maand december 1983 in de straten in het zuiden van Californië koelbloedig vermoord. Barry is er kapot van. In 1985 overlijdt Diane Taylor aan de gevolgen van longkanker. Love Unlimited wordt opgedoekt. In het totaal heeft Barry met hen vijf albums opgenomen. De dames zouden in het totaal slechts één grote hit scoren Walkin’ In The Rain.

Inmiddels had in de studio de computer zijn intrek genomen. Barry besteedt soms een ganse dag in de studio’s om het programmeren van drummachines en synthesizers in de vingers te krijgen. Aan een journalist vertelt hij: “Vroeger trok ik de studio in met tien muzikanten, nu met één computer”. Hij weet als geen ander dat in de zwarte muziek hiphop, rap en swingbeat het voortouw zullen nemen. In 1987 sluit White een platendeal met A&M, maar twee weken later wordt het bestuur van die firma ontslagen en kost het heel wat moeite om zijn album ”The Right Night and Barry White” gereleaset te krijgen. Hij sluit met A&M een deal voor vier albums . In 1988 trekt Barry de wereld rond met zijn orkest en doet daarbij ook Europa aan. Zijn platenfirma brengt in de schaduw daarvan een “greatest hits” album uit. Het wordt een van de langst genoteerde albums in de hitlijsten ooit.  Zijn tweede vrouw Glodean laat hem in 1988 weten dat zij hun relatie niet meer ziet zitten, maar zij vragen geen echtscheiding aan. Zij blijven tot aan zijn dood zelfs de beste maatjes! Tijdens een aardbeving wordt zijn woning in L.A. totaal verwoest net als zijn “R.I.S.E. Studio’s”. Daarop verhuist Barry eerst naar Las Vegas en iets nadien naar Encino in Californië waar hij gaat samenwonen met zijn nieuwe partner Katherine Denton. Het enige dat  Barry nog echt overhoudt in zijn leven zijn zijn kinderen en zijn grootste liefde, zijn muziek! Veel beter lukt het in 1989 met de cd “Barry White: the man is back”. Het wordt, commercieel gezien, een geweldige meevaller. Quincy Jones vraagt hem of hij wil meezingen op het nummer The Secret Garden voor diens album “Back on the track” samen met Al B. Sure, James Ingram en El DeBarge. Die single staat de tiende maart 1990 op de eenendertigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. In 1991 is er Barry’s album “Put Me In Your Mix” in een productie samen met Jack Perry en Howard Johnson en met daarop onder meer een duet met Isaac Hayes Dark and Lovely. Velen beschouwen dit album als zijn comeback, een mengeling van soul, funk en r&b. Barry omschrijft die plaat als volgt: ” We took in yesterday and today and created tomorrow. The knowledge and wisdom of yesterday, the knowledge and wisdom and technology of today and merged them into an album”. In 1992 is hij onder andere op tournee in Engeland waar hij in de Hammersmith Odeon Lisa Stansfield ontmoet. Gebaseerd op de muziek van Barry White lanceerde Lisa Stansfield in 1992 haar hit All Around The World, voor de BBC een gelegenheid White in hun tv-studio uit te nodigen. Lisa neemt daar samen met Barry een nieuwe versie op van All Around The World waarop White meezingt. Het is als tweede nummer te horen op haar single-cd Time To Make You Mine. Een echt schot in de roos is het laatste album dat White voor A&M opneemt “The Icon is Love” dat in 1994 in de Amerikaanse hitlijsten de singlehit Practice What You Preach oplevert. Dit album arrangeert Barry samen met arrangeur Jack Perry in een productie van Gerald Levert en Tony Nicholas. Nadien is het vijf jaar wachten vooraleer hij in 1999 zijn laatste cd uitbrengt ”Staying Power” in een productie van Jack Perry met daarop duetten met onder meer Chaka Khan en Lisa Stansfield met wie hij The Longer We Make Love opneemt. In 1999 schrijft Barry samen met Marc Eliot zijn autobiografie “Love Unlimited: insights on life & love”.

Barry White, onder andere bijgenaamd The Maestro, wist zich de voorbije decennia in de top vijftig van de belangrijkste Amerikaanse producers en schrijvers van de voorbije eeuw te nestelen. In een van zijn laatste interviews wil hij dit nog aan zijn fans kwijt: “To all my brothers and sisters, be black, white, Latino, Asian, whatever color, it doesn’t matter. If you are a fan of mine, I love you. If you appreciate my craft enough to spend your hard earned dollars, I love you. I appreciate you appreciating me. With all of my heart, I can’t wait to see my fans. That’s everybody”.

In september 2002 wordt Barry voor een eerste maal in het ziekenhuis opgenomen omdat zijn nieren niet meer goed functioneren. Die kregen het zwaar te verduren doordat hij al jarenlang last had van hoge bloeddruk. Barry White overlijdt aan de gevolgen van niercomplicaties in het West Hollywood ziekenhuis in Los Angeles waar hij herstelde van een hartziekte, de 4de juli 2003. Aan zijn twee huwelijken houdt Barry acht kinderen over. Hij laat ons een erfenis na van honderdenzes gouden en eenenveertig platina albums en twintig gouden en tien platina singles, in het totaal goed voor méér dan honderd miljoen verkochte exemplaren.

In de staart vermelden we nog even dat Barry ook aan een aantal soundtracks meewerkte: in 1974 schrijf hij voor de film “Together Brothers”, in 1995 voor “Presidents” en in 1996 voor “Love Serenade”. Hij trad ook op in enkele afleveringen van de populaire tv-reeks “Ally McBeal”.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

2 Unlimited

Als de Belgische muziek een moment heeft gekend van internationale roem dan toch,vooral dankzij de dansmuziek die aan het einde van de jaren tachtig en aan het begin van de jaren negentig van zich liet horen. “Dance made in Belgium” stond toen voor vernieuwend en kwaliteit. Aan de basis lagen vooral groepen zoals Front 242 en Neon Judgement die hun producties als new wave aan de man brachten, behoorlijk zware computerdreunen die hun songs minder toegankelijk maakten voor een breed publiek.  Die straffe formule mondt nadien uit in een meer toegankelijke vorm die we new beat noemen, een lichter verteerbare muziekstijl waarop vooral lekker gedanst kon worden. Het viel aanvankelijk op dat vooral een groep als Front 242 qua platenverkoop het goed deed in Amerika en ook in Duitsland. Er zaten dus expansiemogelijkheden in voor de Belgische muziek!

De discotheken hier in ons land vielen vooral dus voor de wat lichtere verpakking, de zogeheten new beat, gegangmaakt in ons land door een groep als Nux Nemo naar een idee van producer Jo Bogaert die iets later groots zal uitpakken met zijn geesteskind Technotronic. Vergeten we ook niet een groep als The Erotic Dissidents die buiten een portie blote borsten in 1988 een geslaagd nummer als Move Your Ass and Feel The Beat in de markt zetten. Producers die toen maar met mondjesmaat de eindjes aan mekaar konden knopen, zagen goud in de new beat. Je kon het bij manier van spreken thuis in je living of slaapkamer op de computer in mekaar steken. Een goede invalshoek was goud waard en vooral een act die meteen in het oog sprong.

Schoolvoorbeeld van de new beat blijft nog altijd The Sound of C naar een idee van producer Serge Ramaekers die vaak over de vloer kwam van dancing “Confetti’s” in Brasschaat. Samen met barman Peter Renkens bedenkt hij een aantrekkelijk uithangbord en met het nummer The Sound of C hebben The Confetti’s een miljoenenhit te pakken. Om de koe nog wat na te melken, volgen nadien nog singletjes zoals C in China en C Day, liedjes die hun bankrekening wel spekten, maar snel toonden dat het vet wel degelijk van de soep was.  Iets later lukt het Serge nog eens internationaal te scoren met een newbeatversie van de Vlaams-Italiaanse klassieker Marina van Rocco Granata.

Bij het succes van Technotronic blijven we hier niet stilstaan, dat behoort intussen tot onze kennis van de vaderlandse geschiedenis, maar we willen wel het succes aanhalen dat Jean-Paul De Coster en Phil Wilde scoorden met hun troetelkind 2 Unlimited. De in Antwerpen geboren Phil Wilde was eind jaren tachtig al druk bezig met house en technomuziek al bleven The Beatles, Queen en The Police zijn grootste idolen. Hij leefde zich graag uit in de TOP-studio in Gent waar hij samen met Tom Miro een plaatje opneemt onder de naam Uniform. Hij laat pas echt van zich horen wanneer hij in 1989 een hit scoort met Laat je gaan gezongen door Petra & Co. Datzelfde jaar ontmoet hij producer Jean-Paul De Coster, gediplomeerd leraar, die maar al te graag in zijn vrije tijd achter de draaitafels staat. Hij geraakt ook begeesterd door de dancemuziek en neemt een eerste plaatje op. Omdat hij het aan geen firma kan slijten, richt hij zijn eigen bedrijfje op Byte Records. Samen met Phil Wilde start hij, inpikkend op de nieuwe dansrage, de Belgische dance-act Bizz Nizz op. In newbeatstijl brengen zij de singles We’re Gonna Catch You en Don’t Miss The Party Line internationaal op de markt. Deze laatste bereikt zelfs de zevende plaats in de Engelse dance charts.

Jean-Paul en Phil hadden in de lente van 1991 twee instrumentaaltjes in mekaar geknutseld Money, Money en Get Ready For This die het niet onaardig deden. Links en rechts vingen ze, vooral uit Engeland, reacties op dat het misschien leuk zou zijn er een tekst bij te schrijven en er zangpartijen aan toe te voegen.  Zij komen, via het artiestenbureau CBA Artists, bij de in Amsterdam uit een Surinaamse vader geboren rapper Ray Slijngaard terecht.  Die is op dat moment werkzaam als hulpkok op de luchthaven van Amsterdam. Omdat Jean-Paul en Phil ook graag een zangeres erbij zouden hebben, worden zij voorgesteld aan Anita Doth ( geboren als Anita Dels), werkzaam als receptioniste bij een afdeling van de Amsterdamse politie. Ray en Anita zijn op dat ogenblik beiden negentien. Ray rapt occasioneel samen met rapper Marvin D en Anita bij het groepje Trouble Sisters. Zij nemen voor De Coster en Wilde een demobandje op. Beide heren zijn zo enthousiast over het resultaat dat zij besluiten met hen verder te werken en een danceduo op te richten 2 Unlimited. Van Get Ready For This wordt een nieuwe versie opgenomen, deze keer met zang van Ray en Anita, en van dan af is er geen tegenhouden meer aan. Binnen de kortste keren staat het nummer op de tweede plaats in de Engelse Top Veertig, daarin alleen voorafgegaan door Bryan Adams met zijn monsterhit Everything I do I Do It For You. De 30ste november 1991 staan zij op 10 in de Nederlandse Top Veertig en op 8 in onze Top Dertig. Amerika kijkt nog even afwachtend toe. In het kielzog van dat succes wordt het album “Get Ready!” uitgebracht met een bliksemsnelle impact op de Japanse, Australische en Zuid-Afrikaanse markt. Vooral voor de producers Jean-Paul en Phil is het genieten, want zij worden rijk terwijl zij achter hun computer nieuwe ideeën bedenken. Van het eerste album worden wereldwijd méér dan twee en een half miljoen exemplaren verkocht.

In maart 1992 wordt het nummer Twilight Zone (niet te verwarren met de gelijknamige hit van The Golden Earring) op de discotheken losgelaten. Om de koek eerlijk te delen, worden de auteursrechten  onder Jean-Paul, Phil, Anita en Ray zo keurig mogelijk verdeeld. Zij mogen namelijk aan de teksten sleutelen. In hun thuisland Nederland scoren Ray en Anita als 2 Unlimited hun eerste grote hit, want Twilight Zone wordt daar een pijlsnelle nummer één. Bij ons zit er een vijfde plaats in. In Engeland bereiken zij opnieuw de tweede plaats. In Amerika wordt de plaat de dertiende juni uitgebracht op het Radikal/Critique Label met als eindresultaat een negenenveertigste plaats in de popcharts en een vijfde in de Dance Charts.  Zij mogen optreden tijdens de Music Awards in Monaco dat jaar en gaan ook optreden in Spanje, Duitsland, Griekenland, Argentinië en Brazilië. Anita en Ray worden beste maatjes en vormen een tijdlang zelfs een koppel. Omdat je het ijzer moet smeden als het heet is, wordt vrij snel, de 21ste april 1992 om precies te zijn, het nummer Workaholic in de markt gezet, een geslaagde move in Nederland, bij ons en in Engeland, iets minder in Amerika. Zij gaan op tournee naar Japan. Op weg van de luchthaven naar hun hotel krijgen zij de eerste noten in demoversie te horen van wat een van hun grootste hits zal worden No Limit. Raar maar waar, Anita en Ray zijn er niet tuk op. Op vraag van hen wordt eerst hun lievelingsnummer The Magic Friend uitgebracht met méér dan behoorlijke verkoopresultaten: vooral in Nederland en bij ons wordt er in de Top Tien goed op gereageerd. In Engeland houdt de single halt op de elfde plaats.

En dan is het de beurt aan hun megahit No Limit. De 18de januari 1993 wordt de single te water gelaten, vaart de hele wereld rond en meert boven in de hitlijsten aan in zomaar liefst vijfendertig landen. Wij en de Nederlanders belonen het nummer met een eerste plaats, maar ook de Ieren, de Duitsers en de Engelsen gunnen 2 Unlimited die eerste plaats. Twee en een half miljoen exemplaren verder worden zij onder de gouden en platina platen bedolven. No Limit is tot op de dag van vandaag nog altijd wereldwijd hun meest gedraaide hit. In mei 1993 wordt het album “No Limits” uitgebracht, goed voor achttien dansante tracks. Het is pas hun tweede album, maar wel eentje om qua verkoopcijfers u tegen te zeggen. Een maand eerder wordt uit dat album Tribal Dance als single uitgebracht. In Nederland gelijk een toptweehit, in Vlaanderen eveneens goed voor een tweede plaats. De Engelsen hebben er een vierde stek in hun Top Veertig voor over. In de Amerikaanse dance charts geraakt Tribal Dance in 1993 tot op de zevende plaats. Vreemd genoeg is No Limit daar voordien niet hoger geklommen dan tot op plaats veertien. In de popcharts komt dat nummer niet aan de bak, waarmee het Amerikaanse hitverhaal van 2 Unlimited al is uitverteld, behalve dan dat Get ready For This in de popcharts van 1994 in Billboard’s Hot One Hundred een achtendertigste plaats wegkaapt.

Nog even terug naar 1993. Als gevolg van de release van het album “No Limits” en de hoge scores van No Limit als single worden Ray en Anita zowat overal ter wereld gevraagd voor interviews, tv-shows enz… Telkens haast buiten adem, treden zij op in Indonesië, Korea, Japan, Hongkong, India en ga zo maar door. Zij krijgen te horen dat in Frankrijk hun single No Limit de op één na bestverkochte single van dat jaar is. Zij mogen tijdens de World Music Awards een award in ontvangst nemen als bestverkochte Nederlandse act. Als reactie op hun hectische bestaan dat zich blijkbaar alleen maar in vliegtuigen en tussen hotelmuren afspeelt, schrijven zij samen de song Faces die in september 1993 in de Nederlandse hitlijsten met een tweede plaats wordt beloond. Bij ons zit er een derde plaats in en in Engeland een achtste.

In de studio wordt er intussen gesleuteld aan een totaal nieuwe versie van het nummer Let The Beat Control Your Body uit het album “No Limits” dat als Let The Bass Control Your Body wordt gereleaset en ook déze keer is het bingo met wereldwijd een open doekje en luid applaus. In Frankrijk zit er zelfs een nummer één in. De schrik dat het succes snel afgelopen kan zijn, zit er niet in voor 2 Unlimited en hun team, want de opvolger The Real Thing doet hen geloven dat wonderen echt bestaan. In heel wat landen een notering boven aan de hitlijsten waaronder Nederland en ei zo na Vlaanderen. In Engeland wordt er op de zesde plaats halt gehouden en mag 2 Unlimited nog maar eens een gouden plak in ontvangst nemen, deze keer voor het album “Real Things” waarmee zij in Duitsland op één staan. Het album wordt in Disneyland Parijs aan de internationale pers voorgesteld. Zij staan in 1994 op het podium van het Parkpop Festival en scoren bij onze noorderburen een nummer twee met No One dat de 19de september op single was vrijgegeven. De video die bij het nummer hoort, werd op Low Island in de Great Barrier Reef in Australië opgenomen.

Inpikkend op de trends van het moment wordt Beyond Limits op cd-i uitgebracht waarop de fans behalve van de muziek ook van foto’s en clips kunnen genieten, tenminste als je over de juiste afspeelapparatuur beschikt. Alsof de fun niet op kan, duiken Ray en Anita in Engeland op in een aflevering van “Absolutely Fabulous” en mogen zij pronken tijdens de allereerste editie van de Europese MTV-Awards in Berlijn. Zij bereiken het record van tien op elkaar volgende toptienhits wanneer zij de zesde mei 1995 de geboorte meemaken van de single Here I Go. In Nederland wordt de top vijf bereikt, bij ons nog net de top tien en in Engeland, en dat is al een voorteken dat zij iets minder wind in de zeilen krijgen, een tweeëntwintigste plaats. Tijdens de World Music Awards in Monaco nemen zij hun derde trofee in ontvangst. Zij durven het aan de ballad Nothing Like The Rain op single uit te brengen, zij het qua hitnoteringen met wisselend internationaal succes.

Ray en Anita smeden samen met Jean-Paul en Phil snode plannen om hun muzikale stijl wat aan te passen aan de nieuwe trends en ook om niet steeds uit hetzelfde vaatje te tappen. Om zichzelf wat ademruimte te gunnen, besluiten zij de 30ste oktober 1995 een compilatie uit te brengen van hun grootste hits onder de titel “Hits Unlimited” met daarop dertien hits en drie nieuwe songs die elk apart als single worden uitgebracht: Do What’s Good For Me, Jump For Joy en Spread Your Love. Jump For Joy scoort in de Nederlandse hitlijsten het best. De tiende februari 1995 staan ze ermee op zeven in de Top Veertig. De Engelsen prefereren Do What’s Good For Me en belonen het nummer uiteindelijk met een zestiende plaats in hun nationale Top Veertig. In onze Top Dertig is dan weer de eer aan Jump For Joy om met de hoogste notering te gaan lopen en vernemen Anita en Ray dat er voor hen bij ons nog een negende plaats in zit.

Wat niemand in de gaten heeft, is dat Anita en Ray er stilaan schoon genoeg van hebben. Ook al mogen zij samen met Jean-Paul en Phil rond de tafel zitten, toch hebben zij almaar minder in de pap te brokken. Jean-Paul en Phil willen een andere richting uit en daar gaan Anita en Ray niet mee akkoord. Maar dat is niet de enige reden. Anita en Ray vormen een koppel en door het succes gaat Ray naast zijn schoenen lopen. Het woordje trouw staat niet in zijn woordenboek. Hij rijgt de ene relatie na de andere aan mekaar en dat komt hun samenwerking niet ten goede. Hij gedraagt zich ook vaak agressief naar Anita toe, al ontkent hij dat achteraf in alle toonaarden. Wat hun een doorn in het oog is, is dat Jean-Paul De Coster te zeer uit is op snel geldgewin, eerder dan op kwaliteit. De 17de april 1996 laten zij beide heren weten dat zij er schoon genoeg van hebben en stappen op. Zij maken dankbaar gebruik van het feit dat hun contract  vernieuwd moet worden, wat dus niet gebeurt. Voor de fans wordt het even slikken, want zij waren intussen gewoon geraakt aan hun muziek en aan de looks van Ray die met zijn kale hoofd opgefrist met enkele rasta’s op zijn voorhoofd ook voor de nodige fun zorgde. Jammer voor 2 Unlimited begint na hun split het album “Hits Unlimited” in Amerika net goed te lopen. Ray twijfelt nog, maar Anita heeft er geen zin meer in. Zij mochten dan wel beslissen over hun act, hun kleding, de teksten en zo, maar zij wilden meer en dat mocht niet. Zij vroegen onder meer méér geld, maar die vraag kon figuurlijk niet door de financiële beugel. Duizenden fans zijn erbij wanneer 2 Unlimited in een café-bar aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam een afscheidsconcert geeft. Al bij al een wat zielig afscheid als je dit kadert in het succes dat het duo wereldwijd te beurt viel.

Na de split spant Jean-Paul een proces aan tegen Anita omdat hij haar verantwoordelijk stelt voor de breuk. Hij verliest dat proces en moet Anita het resterende geld betalen dat zij nog te goed had toen zij nog deel uitmaakte van 2 Unlimited. Het verhaal als zou een zekere Sylvia Samson de plaats van Anita hebben ingenomen in een nieuwe versie van 2 Unlimited blijkt achteraf verzonnen onzin. Zij zong wel een groot deel van de zangpartijen in die bedoeld waren voor het nieuwe album, maar tegen de tijd van de release had De Coster een nieuwe line-up klaargestoomd in de persoon van de dames Romy van Ooijen en Marjon van Iwaarden. In 1998 worden zij met de nodige trots aan de pers voorgesteld en wordt de single Wanna Get Up uitgebracht. De fans haken niet af en de single stijgt in Nederland naar de tiende plaats. In Vlaanderen wordt er pas op de achtste plaats in de Top Dertig afgeremd. De 11de juli van dat jaar staan zij in de Britse Top Veertig op de achtendertigste plaats, maar dan is hun liedje daar zo goed als uitgezongen. Als vervolg op een nieuw hoofdstuk in het 2 Unlimited-verhaal wordt het album “2 Unlimited II” uitgebracht. De 20ste april 1998 heeft de persconferentie daarvoor plaats door zo’n zestig journalisten uit haast evenveel landen bijgewoond. Als je goed naar het album luistert, hoor je dat er minder gerapt wordt, dat er minder techno te horen is en ook veel minder op dancebeats wordt gemikt. De Coster vindt de tijd rijp voor meer poppy songs met hier en daar ook wat zwaardere dance-beats. Volgens De Coster en Wilde is dit het beste album dat zij ooit met 2 Unlimited hebben opgenomen. Er ijdeltuiterig steevast van overtuigd dat zij nu pas hits gaan scoren, lanceren zij Edge Of Heaven in de zomer van 1998 op single, maar zij worden meteen terug met beide voeten op de grond gezet, wanneer zij merken dat er in de Nederlandse Top Veertig niet meer in zit dan een vijfendertigste plaats. In Vlaanderen daarentegen worden zij nog verwend met een zevende stek in de Top Dertig. Er wordt aangekondigd dat tegen kerst een nieuwe single gereleaset zal worden, maar iets voordien laat Marjon weten dat Romy intussen de groep verlaten heeft. Met Marjon als leadzangeres wordt een beetje krampachtig het nummer Closer 2 U gepland. We noteren 1999 wanneer wij vernemen dat 2 Unlimited is opgedoekt. In september van het jaar voordien werd Never Surrender nog een hit bij ons en in Nederland. Deed de titel toen al niet vermoeden dat hun hitverhaal was uitverteld, over and out?

Wat nadien volgt, zijn tal van remixen. Het zou ons té ver voeren die hier op te sommen. De Coster brengt op zijn eigen Byte Label nog remixes uit van onder meer No Limit en Twilight Zone die het vooral in Japan goed doen. Wat ons boeit is wat er nadien met Anita en Ray gebeurt. Ladies first volgen we Anita wanneer zij als veejay terechtkomt bij de net opgestarte tv-zender TMF ( The Music Factory) waar zij het programma “Welcome to The Pleasure Zone” aan mekaar praat. Voordien zat zij even bij Radio 538 met het programma “Anita and Friends” en neemt samen met René Froger het duet That’s When I’ll Stop Loving You op waarmee zij de eerste maart 1997 tot op de negentiende plaats in de Nederlandse Top Veertig geraken. Zij vindt opnieuw de moed om solo te gaan optreden, meet zich de artiestennaam Anita aan en komt in 2000 op de markt met het album Reality dat zij niet alleen zelf produceert, maar waarvoor zij ook het merendeel van de songs schrijft en de productiekosten voor haar rekening neemt. Voor die productie doet zij een beroep op de bekende jongens Steve Mac en Adamski. Singles uit dat album zoals Universe en Lifting Me Up veroorzaken weinig deining. Samen met Linda Estelle en Desiree Manders zit zij iets later in de zingende dansact Diva’s of Dance.

Ray Slijngaard van zijn kant richt na 2 Unlimited zijn eigen platenlabels RayMarc Music en Rayvano Records op. Hij scoort behoorlijk wat succes door het nummer Funk It Up met rapper T.O.F. uit te brengen. Maar daarmee is dat verhaal zo goed als verteld, geen echt succes dus. Hij gaat vervolgens samen met jonge rappers aan de slag om hen op die manier aan de bak te helpen. Zo is er het project VIP Allstars met singles als When It’s My Turn Baby en Mamacita. Op liefdesgebied heeft hij nog een korte relatie met Katja Schuurman, in Nederland vooral bekend door haar presentaties voor de zender BNN.

Tijdens Koninginnedag in 2009 treden Anita en Ray voor het eerst na dertien jaar weer samen op. Zij mogen echter de naam 2 Unlimited niet gebruiken en zingen dan maar als het duo Anita en Ray. Begin januari 2010 releasen zij samen de single In da Name of Love die het goed doet in Nederland en ook bij ons behoorlijk wat airplay krijgt en tot op de vijfentwintigste plaats in de Ultratop geraakt. Veel samen optreden, kunnen Ray en Anita niet, want zij krijgt te horen dat zij borstkanker heeft. Een jaar later probeert Anita weer stilaan op gang te komen. Samen met Ray werkt zij aan nieuwe nummers, maar wil ook haar carrière als dj veiligstellen. Zij wil eveneens op het domein van de mode een kledinglijn voor kinderen ontwerpen.

Geflankeerd door een stel goede advocaten is inmiddels een juridisch conflict tussen Ray, Anita en Jean-Paul De Coster opgelost en mogen zij in de toekomst opnieuw onder de naam 2 Unlimited optreden en plannen zij op het Byte Label nieuwe nummers uit te brengen. 30 maart 2013 laten zij zich nog eens van hun beste kant zien en horen tijdens een groots liveconcert in het Sportpaleis van Antwerpen dat zij samen met een liveband daar in wereldprimeur neerzetten en dat in het raam van de vijfde editie van MNM Back to the 90′s.  Al hun hits zullen de revue passeren waarvan er intussen wereldwijd méér dan twintig miljoen exemplaren zijn verkocht. Dat maakte van producer Jean-Paul De Coster een rijk man. In 2003 verscheen van de hand van Ludwig Verduyn bij uitgeverij Van Halewijck het boek “Show Bizz in Vlaanderen” met daarin de honderd meest vermogende artiesten die Vlaanderen rijk is. Daarin prijkt De Coster op de zevende plaats met een geraamd kapitaal van 3,293 miljoen euro. Als je surft naar www.jobat.be dan lees je daar in de lijst met “Honderd Rijkste Vlaamse Artiesten” dat De Coster intussen is gezakt naar de zeventiende plaats met 1,363 miljoen euro op zijn bankrekening, maar die lijst is gebaseerd op de jaarverslagen die de vennootschappen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank moeten indienen.

In het weekblad “Dag Allemaal” van de twaalfde maart 2013 vertelt Ray openhartig dat hij van een onstuimige playboy, nu hij de veertig is gepasseerd, een voorbeeldige huisvader is geworden, trots op zijn dochter Joy-Charlene en zijn zoon Rayvano. Hij geeft spontaan toe dat het er vroeger backstage wild aan toeging, dat hij er veel losse flodders op na hield en dat Anita, met wie hij toen een jaar of twee een relatie had, hem plagend “King Ray” noemde omdat hij op grote voet leefde, al wil hij niet beamen dat hij zich arrogant gedroeg.  Met het vele geld dat hij met 2 Unlimited heeft verdiend, is hij na hun split naar Monaco getrokken waar hij elf jaar lang heeft gewoond en als producer in zijn eigen studio werkte. Wel is Ray er trots op dat hij nooit drugs heeft gebruikt ook al werd hem vaak die kans geboden. Waar hij niet op wil reageren, is op zijn vermeende relatie met Dannii Minogue, zus van Kylie. Wel blijft hij apetrots op zijn ontmoeting met Michael Jackson die hem backstage persoonlijk kwam feliciteren met de muziek van 2 Unlimited.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

Yesterday

John Lennon en Paul McCartney tot de belangrijkste componisten van de 20ste eeuwse lichte muziek rekenen, is zeker geen euforische overdrijving.  Alleen al omwille van één melodie zijn ze onsterfelijk te noemen, het haast klassiek getinte Yesterday, al weten wij met z’n allen dat het nummer door Paul in zijn eentje werd geschreven.

Oorspronkelijk verscheen Yesterday op de elpee Help (augustus 1965) en was tevens de titelsong van een eepee  (single met vier tracks) die een jaar later werd uitgebracht. Het nummer in Engeland  op single uitbrengen, durfden zij volgens Paul niet omdat het té soft klonkt voor een rockgroep. Het is ook een nummer waarin hij als solist optreedt en zij hadden vooraf afgesproken dat zij als groep naar buiten zouden treden, zeker in hun thuisland.  De  elpee Help verscheen een jaar nadat The Beatles iedereen hadden verrast met de film A hard day’s night. Hun tweede film Help zou een even groot succes worden,  net als de soundtrack. September 1965 stond de elpee wereldwijd op nummer 1 .

Ook al klinkt Yesterday als een heuse love ballad, toch deed de werktitel aanvankelijk  een andere inhoud vermoeden. Paul McCartney, die voor 90 % verantwoordelijk is voor deze popklassieker, noemde het liedje in  zijn broeifase  Scrambled eggs.   Op een  vroege ochtend werd hij wakker in de woning van de familie Asher aan de Wimpole Street in Londen. Paul had in die tijd een relatie met Jane Asher ( haar broer Peter maakte deel uit van het populaire duo Peter and Gordon). Hij had de melodie compleet in zijn hoofd. Aan het uiteinde van zijn bed stond in de buurt van het raam een piano. Hij kon de melodie zo meteen uit het blote hoofd spelen. Daarom dat Paul dacht dat hij het ooit ergens had opgepikt. Hij had wel nog geen tekst en noemde het liedje gewoonweg Scrambled eggs. De enige tekst die hij er die ochtend speels bij verzon was “Oh my baby how I love your legs”. Hij liet het liedje in zijn ruwste vorm horen aan George Martin toen zij op concertreis waren in Parijs.

Tussen de 16de januari en de 4de februari 1964 traden zij negen maal op in de Parijse Olympia en verbleven al die tijd in het hotel George V. Het is hier dat George Martin dus Scrambled eggs voor het eerst hoorde. Paul speelde toen al met de gedachte het liedje Yesterday te noemen. Een jaar later gaat Paul van de zevenentwintigste mei tot de elfde juni  met vakantie in  het Portugese stadje Albufeira.  Hij is daar samen met Jane op vakantie. Zij logeren in de villa van Bruce Welch van The Shadows. Op de terugweg naar de luchthaven, 270 km lang, schrijft Paul met Bruce aan het stuur, al tokkelend op een gitaar die hij van Bruce geleend heeft, de volledige tekst van Yesterday .

Yesterday

All my troubles seemed so far away

Now it looks as through they’re here to stay

Oh I believe in yesterday.

Maandag 14 juni 1965, drie dagen nadat Jane Asher en Paul teruggekeerd waren van hun vakantie in Portugal, had de opname plaats in de Abbey Road studio’s in Londen. Je zou het gerust een soloproject mogen noemen, want noch John Lennon, noch  Ringo Starr, noch George Harrison namen  aan die opnamesessie deel, al waren zij wel aanwezig, want zij hadden net voordien gezamenlijk de nummers I’m down en I’ve Just seen a Face opgenomen. John, George en Ringo vonden dat zij als groep aan Yesterday niets konden toevoegen en dat Paul het in zijn eentje in de verf moest zetten. Wel werd er op aanraden van George Martin een strijkkwartet bijgehaald. Martin had een klassieke opleiding aan  the Guildhall School of Music genoten en kon goed overweg met ernstige muziek. Paul had het nummer eerst ingeblikt met alleen een akoestische gitaarbegeleiding. Hij zag het niet zitten daar een strijkwartet aan toe te voegen omdat hij het té klassiek vond. Maar uiteindelijk kon Martin hem toch overtuigen. Voor dit kwartet deed Martin een beroep op de violisten Tony Gilbert en Sidney Sax , cellist Francisco Gabarro  en altviolist Kenneth Essex. We mogen jiet vergeten te vermelden dat McCartney het nummer eerst niet zelf wilde opnemen. Hij had het eerst doorgespeeld aan Chris Farlowe en nadien aan Billy J.Kramer van The Dakotas, maar die hadden beleefd geweigerd.

Paul McCartney beschouwt Yesterday nog steeds als de meest complete song die hij ooit heeft geschreven. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat hij dit liedje altijd is blijven koesteren, ook na zijn Beatlesperiode. Zo kan u het bijvoorbeeld nog eens terughoren op de  elpee Wings over America. Deze elpee was de live-registratie van de wereldtournee die hij met zijn groep Wings in 1976 op het getouw had gezet. Tijdens een periode van dertien maanden deden zij tien landen aan. Tijdens deze tournee zong McCartney niet alleen nieuwe songs, maar ook een  aantal Beatles hits die de groep zelf nooit live had uitgevoerd. Songs zoals  The long and winding road,  Lady Madonna, Blackbird  en Yesterday  kwamen op de playlist voor .

Zeven jaar na datum bestonden er van Yesterday 1186 opgenomen versies in alle toonaarden, gaande van: Pat Boone en Cilla Black, over Nat King Cole en Perry Como tot en met Otis Redding en Frank Sinatra. In Engeland  geraakten, naast The Beatles, nog enkele collega’s van hen met Yesterday tot in de top 5O: Matt  Monro stond in oktober 1965 op 8 , de maand daarop Marianne Faithfull op 36 en in de maand december 1967 Ray Charles op 44. Charles was ook diegene die in de Amerikaanse top 100 het hoogst scoorde met zijn  coverversie. In de maand november  van 1967 hield Ray Charles  singleversie van Yesterday  halt op plaats 25. Minder bekend bij ons is de Franse versie die Hugues Aufray meteen uitbracht als  Je croyais.  In Nederland slaagden ze er in enkele dwaze versies op plaat te zetten: Ria Valk, Ivo de Wijs, Sjef Van Oekel en niet te vergeten in 1966 Rijk de Gooyer

Yesterday

’ t Was gewoon een doordeweekse day

Zat ik allenig in een soort café

Verdrietig achter ’n slappe thee

Yesterday

Plotseling zaten we daar met z’n twee

En na een uurtje werd ik vreselijk wee

Toen zij d’r hand op de mijne lee.

Door de jaren heen werd Yesterday met prijzen overladen. In 1966 had McCartney al de “Ivor Novello Award” in ontvangst mogen nemen voor deze compositie. Yesterday werd in Amerika uitgeroepen tot de meest favoriete song van 1965. Tussen het jaar van release en 1973 was het het meest gedraaide nummer op de Amerikaanse radio: méér dan zes miljoen keer. In 1999 stond Yesterday bovenaan de lijst van beste songs van de twintigste eeuw. Intussen werd de grens van drieduizend coverversies ruim overschreden.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

As Tears Go By

Wie aan The Rolling Stones denkt, denkt meteen aan stevie muziek, lekkere rhythm and blues en loepzuivere rock, maar veel minder aan oorstrelende ballads al moet ik die omschrijving in hun geval wat afzwakken. Het woord ballads volstaat. Het valt ook op dat wanneer zij het aandurfden een ballad in te blikken en op single te zetten, desnoods als B-kant, die nooit de hitlijsten bereikte zij het als coverversie. En of zij ballads hebben ingeblikt!  Een paar zelfs om U tegen te zeggen: Angie, Time Is On My Side, Ruby Tuesday, Lady Jane en natuurlijk hun pronkstuk As Tears Go By.

Tot de dag waarop As Tears Go By op plaat verscheen hadden The Rolling Stones zich alleen maar aan bluesgetinte ballads gewaagd. Met As Tears Go By tokkelden zij op een heel andere snaar. Het is een van de eerste songs die Mick Jagger en Keith  Richards samen schreven. Het verhaal wil dat hun eerste manager Andrew Oldham er ook zijn steentje toe bijdroeg. Indien wij enkele bronnen mogen geloven waaronder Richards zelf, was het diezelfde Andrew die Mick en hem dwong zich in hun keuken in hun appartementje terug te trekken en daar niet uit te komen vooraleer zij een liedje hadden geschreven dat nu eens niet over sex ging en waar het aangenaam naar luisteren was. Zij zijn zelf verbaasd over het eindresultaat, er is geen spoor van blues of rock in het nummer te bespeuren. Eerst kwamen zij op de proppen met de titel As Time Goes By, maar dat kon niet, want die titel was in 1931 al gebruikt door Herman Hupfeld voor de musical Everybody’s Welcome en nadien een hit voor Rudy Vallee en Binnie Hale.  Het liedje wordt pas echt bekend als het in 1942 in de film “Casablanca” opduikt. In de film wordt het gezongen door Dooley Wilson, aan de piano begeleid door Elliot Carpenter.

Dus As Time Goes By kon niet. Het was Oldham zelf die op de idee kwam time door tears te vervangen en daar gingen Mick en Keith mee akkoord. Oldham aarzelde ook niet het nummer meteen door te spelen aan de zeventienjarige zangeres Marianne Faitfull die hij tijdens een party georganiseerd door John Dunbar ontdekt had. Marianne profileerde zich toen vooral als folkzangeres, maar Oldham had andere plannen met haar. Hij wordt ook in een klap haar manager. Hij trekt samen met haar en producer Mike Leander naar de Decca studio’s en neemt daar in 1964 As Tears Go By op dat eerst als B-kant van het nummer Greensleeves, een bewerking van de bekende folksong, wordt gereleaset. Vrij snel hebben zij in de gaten dat het de B-kant is die de voorkeur van de media en het publiek wegdraagt. De dertiende augustus 1964 staat Marianne ermee op negen in de Britse Top Veertig. In Amerika wordt het de 28ste november 1964 uitgebracht en zal daar door- stoten naar de tweeëntwintigste plaats. In Nederland wordt er op die single niet gereageerd en zal Marianne het jaar nadien daar scoren met The Ballad of Lucy Jordan. Bij ons zit er voor die laatste een negende plaats in en is As Tears Go By geen hoogvlieger geworden. In 1965 trouwt Faithfull met John Dunbar, maar na de geboorte van hun zoon houdt zij het voor bekeken en gaat bij Mick Jagger wonen.

Interessant wordt het wanneer je As Tears Go By naast Yesterday van The Beatles plaatst. Je zou snel durven denken dat The Stones, The Beatles gewoon gecopieerd hebben, was het niet dat de versie van Marianne Faithful al de 13de augustus 1964 in de Britse top tien stond en The Beatles met Yesterday pas een jaar later met dat nummer op de proppen kwamen op hun elpee Help. (in Engeland werd Yesterday aanvankelijk niet op single uitgebracht omdat de groep vond dat het té soft klonk en het té zeer een solo-uitstap van McCartney was). Om die vergelijking met The Beatles uit de weg te gaan, brachten The Stones hun versies pas zes maanden na Yesterday van The Beatles op de markt en dan nog als B-kant van hun single 19the Nervous Breakdown dat de 10de februari 1966 op de tweede plaats in de Britse Top Veertig zou belanden. Bij ons bereikten The Stones met hun singleversie de vijfde maart 1966 de zevende plaats. In Nederland was er voor hen een tweede plaats weggelegd. Als je dan toch enige gelijkenis tussen As Tears Go By en Yesterday wil zoeken, dan kan je aanhalen dat de strijkers die je in de versie van The Stones hoort, geschreven werden door Mike Leander, die ook verantwoordelijk is voor de arrangementen van de violen in She’s Leaving Home van The Beatles op hun album Sergeant Pepper’s Lonely Heartsclub Band. In Yesterday van The Beatles klinkt het strijkwartet dat een idee van hun producer George Martin was veel gematigder dan de violen die Mike Leander voor As Tears Go By nodig vond.

As Tears Go By zongen The Rolling Stones in Amerika live samen met I Can’t Get No Satisfaction en 19th Nervous Breakdown tijdens “The Ed Sullivan Show”, de eerste keer overigens dat Jagger en zijn companen daar in kleur te zien waren. In die tijd was hun bezetting: Mick Jagger, Keith Richards, Brian Jones, Charlie Watts en Bill Wyman. Het waren ook zij die de vijfde en de zesde september 1965 in de studio zaten voor de opname van hun elpee December’s Children waarop onder meer As Tears Go By op staat. Het album werd de 22ste november van dat jaar op het London Label uitgebracht met naast As Tears Go By als opvallende songs: Route 66, Get Off My Cloud, You Better Move On en Talkin’ About You. In Amerika bereikte de plaat de vierde plaats in de album top tweehonderd en werd daar met goud bekroond.

Tijdens diverse interviews liet Keith Richards duidelijk horen dat hij niet was opgezet met het succes dat The Stones genoten met As Tears Go By. Hij noch Mick wilden zich als songwriters van dergelijke liedjes profileren. Zo hadden zij Gene Pitney aan de hit That Girl Belongs To Yesterday geholpen en ook dat succes zinde hen niet. Pas wanneer zij in 1965 met The Last Time op de proppen komen, voelen zij dat zij een volwaardig Stonesnummer hebben afgeleverd. Critici houden vol dat vokaal gezien Jagger in As Tears Go By niet op zijn best klinkt. Ballads die hem wel liggen, zijn eerder songs zoals Ruby Tuesday en Lady Jane. Gewoon als weetje, maar zeker niet als aanrader, is de Italiaanse versie van het nummer dat in Italië op single verscheen als Con Le Mie Lacrime, waar het nadien door Jerry Calà en Bruno Castiglia werd gecoverd. Ook Vanessa Paradis, The Primitives, Nancy Sinatra en David Lantz  vonden het nummer de moeite waard om het op één van hun platen te zetten.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Edith Piaf

Wat wij van de Fransen mogen leren, is dat zij hun idolen van toen, of in dit geval beter gezegd hun iconen, decennia na hun overlijden blijven eren. Denken we daarbij aan Charles Trenet, Maurice Chevalier, Luis Mariano, Claude François, Yves Montand én niet te vergeten Edith Piaf. Bijna al haar liedjes hebben de status “klassieker” verworven. Haar leven heeft haar repertoirekeuze volledig ingekleurd en daardoor zijn haar chansons een echo van verdriet, treurnis, tragedie, armoe en sentiment. De combinatie van haar tengere verschijning met haar krachtige stem maakte een groot deel van haar charisma uit. Zij straalde een enorme kracht uit, ook al sukkelde ze vaak met haar gezondheid.

Haar vader, Louis Gassion geboren de 10de mei 1881, reisde mee als artiest met het Ciotti Circus. In 1914 trouwde hij met Annetta Maillard. Hij was dertig, zij zestien. De legende wil dat zij beviel van haar eerste kind, Edith Giovanna, onder een straatlantaarn in de rue de Belleville in Parijs. Haar man zou op zoek zijn gegaan naar een dokter, maar zou onderweg als een notoir drinker in een of ander café zijn aanbeland. Twee agenten zouden Annetta hebben bijgestaan tijdens de bevalling op straat, al lezen we op officiële documenten dat Edith de 19de december 1915 in het “Hôpital Tenon” in het twintigste arrondissement werd geboren. Mama had niet veel tijd om voor haar dochter te zorgen. Papa Gassion moest onder de wapens, het was in volle oorlogstijd. Om aan geld te geraken trad mama in de buurt van Montmartre op als de straatzangeres Line Marsa. Zij bracht Edith onder bij haar Marokkaanse grootmoeder Emma (Aïcha) Saïd ben Mohammed die in de rue Rébeval een armetierig appartementje betrok. Ediths moeder zal in de maand augustus 1945 aan een overdosis morfine overlijden.

Wanneer papa Louis in 1917 naar huis terugkeert en daar zijn dochter Edith graatmager en totaal ondervoed aantreft, wil hij haar geen minuut langer bij zijn schoonmoeder laten. Hij neemt Edith mee naar Bernay in Normandië waar hij haar bij zijn moeder laat inwonen. Léontine Louise Descamps is in haar streek bekend als “Maman Tine” die daar een bordeel runt om zodoende na de dood van haar man aan de kost te komen. Veel vrouwen die hier werken, doen dat om hun kinderen te kunnen kleden en eten te geven. Hier wordt Edith door zeven vrouwen grootgebracht die haar ondanks de sfeer die daar heerst toch wat manieren proberen bij te brengen. Zij lijkt hier gelukkig en zingt mee wanneer een van de bezoekers op de piano de geliefde chansons van het moment speelt. Op zekere ochtend staat Edith op en merkt dat ze niet meer kan zien. De dokter stelt een ontsteking van het hoornvlies vast, maar pannikeert niet, want het is een ziekte die kan genezen. De dames geloven het verhaal van de dokter niet en beginnen te bidden. Wanneer Edith de 21ste augustus 1921 vertelt dat ze opnieuw kan zien, wijten zij dat aan de tussenkomst van de heilige Thérèse van Lisieux die voor Edith voor de rest van haar leven een vaste waarde blijft. Meneer pastoor vindt dat Edith niet bij haar moeder en in die duivelse sfeer kan blijven wonen en maant haar vader aan haar mee te nemen. Papa Louis die intussen als straatacrobaat aan de kost komt, kan niet anders dan Edith mee op sleeptouw nemen. Zij is ocharmen nog maar zeven wanneer ze samen met haar vader van stad naar stad reist. Als zij na een straatoptreden voldoende geld hebben ingezameld, kunnen zij gaan eten en als het even meezit in een goedkoop hotel overnachten. Op zekere dag wordt papa Louis ziek en is er geen geld meer om eten te kopen. Uit pure noodzaak zit er niets anders op dan te bedelen, maar dat wil Edith niet. Zij begint dan maar, net zoals haar moeder dat deed, op de hoek van de straat te zingen. Het enige liedje dat ze kent is de Marseillaise. Ondanks haar tengere uiterlijk vinden de voorbijgangers dit geweldig. Edith kan door het geld dat ze verdient voor zichzelf zorgen en betrekt een kamer in het “Grand Hôtel de Clermont” in Parijs en treedt vaak op in de wijken Pigalle en Ménilmontant. Het is al zingend op de hoek van de Porte des Lilas dat ze verliefd wordt op de krantenbesteller Louis Dupont. Intussen had ze ook een eeuwigdurende vriendschap gesloten met Simone Berteaut die ze als haar zus beschouwt. Edith geraakt zwanger en bevalt negen maanden later van dochter Cécelle. Haar relatie met Louis loopt snel op de klippen en zo trekt ze met haar dochter in de armen en begeleid door haar vriendin Simone, alias Mômone, opnieuw de straat op. Zij heeft geprobeerd vast werk te vinden, maar dat houdt zij niet vol. Zij wil zich vrij voelen, de straat op, zij wil alleen nog maar zingen. Wanneer de baby net twee is, sterft het kind aan de gevolgen van hersenvliesontsteking in l’Hôpital Tenon, de plek waar Edith zelf ooit het leven vond. Omdat zij het nodige geld niet heeft om haar dochter in het ziekenhuis te laten verzorgen en nadien te begraven, verkoopt zij haar lichaam aan een man voor tien francs. Maar dit verhaal blijkt eerder een legende dan de waarheid te zijn.

Edith blijft zingen, ondanks de ellendige omstandigheden waarin zij vertoeft. Zij heeft intussen haar werkterrein van Place Pigalle tot de Champs- Elysées uitgebreid. Een belangrijke dag in haar carrière is wanneer zij al zingend op de hoek van de rue Troyon en de avenue Mac Mahon, Louis Leplée ontmoet, eigenaar van het cabaret “Le Gerny” gelegen in de rue Pierre-Charron. Na een korte auditie wordt zij meteen geboekt. Louis staat erop dat zij een andere naam kiest. Hij denkt eerst aan moineau, kleine straatmus, maar er is al een zangeres die zich Môme Moineau noemt. Leplée weet dat in het lokale dialect moineau, un piaf wordt genoemd en daarmee is haar artiestennaam Môme Piaf een feit. “Le Gerny” hanteert in die tijd een unieke formule. Het is een cabaret-restaurant dat pas om negen uur ‘s avonds de deuren opent en waar je tot vier uur in de ochtend kan eten. Tussen de gerechten door wordt er gemusiceerd en gezongen. Piaf steelt meteen de harten van de vele gasten, vaak rijke en bekende, zoals Mistinguett, Fernandel, Joseph Kessel en Maurice Chevalier. Omdat Louis Leplée zo goed voor haar zorgt, noemt zij hem “papa”. Enkele dagen na de start in “Le Gerny” ontmoet Edith tekstschrijver Jacques Bourgeat. Zij betrekt op dat moment een kamer in het “Piccadilly Hotel” in de rue Pigalle. Hier leest hij haar vaak zijn gedichten voor. Edith is er zo door geraakt dat zij een enorme vriendschap voor Jacques gaat koesteren. Jarenlang zouden zij elkaar brieven blijven schrijven waarin zij haar hart blootlegt. Na de dood van Edith schenkt Jacques deze brieven aan de “Bibliothèque Nationale” op voorwaarde dat de inhoud pas vanaf 2004 door het publiek gelezen mag worden.

Een zwarte dag voor Edith is de zesde april 1936. Leplée heeft op de Champs-Elysées net een appartement verkocht en stapt met zijn cashgeld richting “Le Gerny” wanneer hij op straat door vier jongeren wordt aangevallen en doodgestoken. In de pers wordt haar relatie met Louis in geuren en kleuren uiteengezet, niet altijd in positieve zin. Zij wordt zelfs in de media in verband gebracht met de moord op Leplée.  Via Jacques Canetti, een Franse radiomedewerker, gaat Piaf in de Parijse bioscopen optreden. Op een avond wordt zij daar in het “Odette Théâtre” uitgejouwd. Zij krijgt schrik. Zij leert gelukkig rond die tijd de jonge impresario Fernand Lumbroso kennen met wie zij een afspraak maakt in het gezelschap van haar boezemvriendin Mômone. Hij raadt haar aan voor een tijdje uit de buurt van Parijs te blijven en boekt haar in een bioscoop in Brest. Hier zingt zij liedjes zoals: La fille et le chien, Le Grand Totor en Clignancourt. Nadien verhuist Edith naar “La Boîte à Vitesse” in Nice. Zij treedt vaak op, maar verdient weinig. Zij voelt zich slecht in haar vel. Piaf herinnert zich dat zij in Parijs, toen zij nog in “Le Gerny” zong, daar in 1935 Raymond Asso had ontmoet. Asso had meteen zijn oog op Piaf laten vallen. Hij was van Marokkaanse afkomst, een man van twaalf stielen en dertien ongelukken, die in zijn schaarse vrije tijd graag teksten schrijft. Asso liet haar toen zijn gedicht Mon Légionnaire lezen. Zij vroeg hem die wat aan te passen en trok er iets later mee naar Marguerite Monnot die het op muziek zette. Edith was niet zo wild van het resultaat en Asso gaf het dan maar aan een andere zangeres die op dat moment naam maakte Marie Dubas. Met dit in haar achterhoofd, wetend dat Asso goede teksten kan schrijven, telefoneert zij hem nadat zij Nice heeft verlaten vanop het perron van Gare de Lyon met de smeekbede haar op te pikken. Zij vertelt hem zonder blikken of blozen dat zij zijn aanwezigheid nodig heeft, maar dat zij van binnen geen lief mens is. Vaak moet hij naar haar op zoek wanneer zij hem nog maar eens weigert te vertellen waar zij verblijft. Zij weet dat zij hem tergt, maar ook dat is voor haar een vorm van liefde.

In de lente van 1937 treedt Piaf op in het “ABC Théâtre” in Parijs. Asso vindt dat zij niet meer moet optreden als Môme Piaf, maar als Edith Piaf. Wanneer zij de zevende augustus 1939 in Deauville gaat zingen, neemt zij afscheid van Asso die is opgeroepen om zich als soldaat bij zijn regiment in Digne aan te sluiten. De Tweede Wereldoorlog is begonnen en zal zijn tol eisen. Eén troost, Piaf heeft iets voordien opgetreden in het bekende ” Théâtre Bobino” in Parijs met een programma boordevol liedjes van Raymond Asso: Elle fréquentait la rue Pigalle, Je n’en connais pas la fin

Uit het oog, uit het hart. De plaats van Raymond wordt snel ingenomen door zanger Paul Meurisse. Edith kan door de vele optredens intussen op eigen benen staan. Zij verdient voldoende geld om overdag met haar vriendin Mômone de bloemetjes buiten te zetten. Zij drinken graag. Zij maakt definitief een einde aan haar relatie en samenwerking met Raymond Asso. Die zal na de oorlog liedjes gaan schrijven voor Lucienne Delyle en Mouloudji. Edith wordt het vriendinnetje van de bekende dichter, toneelschrijver en filmregisseur Jean Cocteau die speciaal voor haar in 1940 de eenakter “Le Bel Indifférent” schrijft waarin zij mag optreden aan de zijde van Paul Meurisse. Paul was de zoon van een bankdirecteur die Edith in de betere milieus zal introduceren. Hij mag haar als een ondermaatse actrice beschouwen, hij vindt haar wel een bovenmaatse zangeres. Via hem kan zij optreden in de film “Montmartre-sur – Seine” met naast Paul, Serge Reggiani. Toeval of niet, een tijdje later loopt haar relatie met Paul op de klippen.

Om haar zaakjes te regelen, neemt Edith, Andrée Bigard in dienst, die tot 1950 haar vaste secretaresse zal blijven. Zij oefent een positieve invloed op Edith uit. Zij leert haar op een beleefde manier met mensen omgaan, zij poetst haar taalgebruik wat op. Piaf werkt intussen met een nieuwe impresario samen, Henri Contet, die haar, ondanks de oorlogsjaren, aan heel wat optredens helpt. Zij verandert van muziekstijl en wordt verliefd op de Joodse pianist-componist Norbert Glanzberg. Zo leert zij via hem die andere Joodse componist kennen Michel Emer die voor haar L’Accordéoniste schrijft. In het “ABC Théâtre” in Parijs duikt vanaf 1944 een nieuw talent op, de uit Italiaanse ouders geboren zanger Yves Montand. Vanuit Marseille is hij naar Parijs afgezakt op zoek naar succes. Hij arriveert daar wanneer Piaf al een gerenommeerde ster is. Vanaf het moment dat Piaf, Montand voor het eerst ontmoet, ziet ze in hem een groot talent. Hij  ontdekt in haar zijn meerdere, zijn adviseuse. Zij raadt hem aan zijn repertoire aan te passen, minder Amerikaans getint. Zij worden verliefd op elkaar, een liefde die Piaf maar al te graag etaleert. Maar hun relatie is geen lang leven beschoren. Piaf ontdekt snel dat Montand the star of the show is. Vooral de dames dragen hem op handen. Na een tournee in Alsace neemt zij wraak en keert naar huis terug met Jean-Louis Jaubert, een van de leden van Les Compagnons de la Chanson. Hij wordt haar nieuwe minnaar. Zij is vastbesloten haar verdriet geen kans te gunnen en haar energie in deze groep te stoppen. Zij had hen eerder horen optreden in de nachtclub “Le Coup de Soleil” in Lausanne waar zij onder meer het liedje Les Trois Cloches zongen, een liedje in 1939 geschreven door Jean Villard. Piaf stelt voor het liedje met hen op te nemen, maar zij weigeren tot Jean Cocteau het een regelrechte stunt vindt. Zij zingen het nummer in 1946 in op het Pathé Marconi label. Voor de eerste keer in haar carrière verandert Edith haar look en treedt in een lange blauwe jurk op. In Frankrijk wordt het “un vrai tube”! In Amerika komt het als The Song of Jimmy Brown op de markt. In 1959 zullen The Browns er een nummer één mee scoren als The Three Bells. Wereldwijd worden er van Ediths versie méér dan één miljoen exemplaren verkocht. Zij nemen nadien een chanson door André Grassi geschreven op La Marie waarmee zij in Frankrijk Le Grand Prix du Disque in de wacht slepen.

Een nog grotere hit in 1946 wordt La vie en rose geschreven door Edith Piaf op muziek van Louiguy (Louis Guglielmi). Noch Piafs uitgeverij, noch haar platenfirma dachten dat dit chanson iets teweeg zou brengen, maar zij krijgen ongelijk, want La vie en rose wordt binnen de kortste keren zelfs Ediths herkenningslied. Later zal er een Engelse tekst worden geschreven door Mack David. De song geniet internationale waardering wanneer hij in 1998 een Grammy Hall of Fame Award krijgt. Vijf jaar eerder had Donna  Summer La vie en rose opgenomen voor haar album “A tribute to Edith Piaf”, maar de grootste hitversie is weggelegd voor Grace Jones die het in 1977 opneemt voor haar elpee “Portfolio”. De elpeeversie duurt méér dan zeven minuten, maar wordt iets later op single ingekort tot 3:34.

Na dit succes en het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft Piaf maar één droom, zij wil een internationale ster worden. Boven aan haar lijst staat een tournee in Amerika. Zij gaat in 1947 een eerste maal in “The Versailles” in New York optreden en neemt haar negen compagnons mee. Maar de Amerikanen reageren ontgoocheld. Zij dachten dat Piaf een sexy Parisienne zou zijn en niet een klein vrouwtje helemaal in het zwart gekleed. Omdat de Amerikanen haar Franse teksten niet verstaan, geeft de presentator van dienst bij ieder chanson tekst en uitleg, wat de sfeer niet ten goede komt. Haar show komt bij de Amerikanen over als somber en zwart, terwijl zij happiness, glitter and glamour gewoon zijn. Piaf beschouwt deze tegenslag als een wijze les. Zij reist naar Frankrijk terug en is vast van plan Engels te leren, wat ze ook doet. Zij keert in 1949 naar Amerika terug en boekt opnieuw een reeks optredens in “The Versailles” in New York. Het publiek is deze keer overwhelmed. Als een lopend vuurtje gaat het rond dat zij de nieuwe ster aan het internationale firmament is. Van heinde en ver komt men in “The Versailles” van haar talent genieten. Sterren zoals Henry Fonda, Judy Garland, Charles Boyer en Orson Welles komen naar haar luisteren. Zij zingt daar ook de 27ste oktober 1949, de dag dat haar grote liefde Marcel Cerdan om het leven komt. Cerdan was vijfmaal wereldkampioen boksen geworden. Zij had hem het jaar voordien leren kennen. Hij was gehuwd en had drie kinderen, maar dat belette niet dat zij er een in de pers veelbesproken relatie op na hielden. Hun grote liefde verwoordt Edith in een van haar grootste hits Hymne à l’amour.

De tweede december 1949 zou Cerdan in Madison Square Garden in New York boksen. De 27ste oktober vliegt hij met een Lockheed Constellation van Parijs naar New York. Het vliegtuig stort neer op de Pico da Vara, een berg op de Azoren. Piaf is kapot van verdriet. Zij wil echter blijven optreden en neemt pillen en tranquilizers om dat vol te houden. Wie aandachtig luistert en toekijkt, merkt dat Edith flarden van haar teksten vergeet, een nummer te laat inzet en hier en daar struikelt als ze het podium op wandelt. Die romance tussen Piaf en Cerdan zal regisseur Claude Lelouch later verfilmen in “Edith et Marcel”. Tijdens een van haar optredens in “Le Versailles” leert Piaf de Duitse ster Marlène Dietrich kennen. Wat in die tijd in stilte werd gefluisterd, was dat in de New Yorkse homoclubs en ver daarbuiten Marlène en Edith samen met Marilyn Monroe als echte diva’s werden beschouwd. Tussen Marlène en  Edith ontstaat een warme vriendschap. Haar vriendschap met Marlène was voor Edith het onomstotelijk bewijs dat zij het als ster had gemaakt. Zij vertelt haar vaak dat zij zo graag onsterfelijk zou willen worden. Haar liedjes hebben daar voor een groot deel voor gezorgd én natuurlijk haar unieke stem.

Intussen was Charles Aznavour in het leven van Piaf opgedoken. Zij zullen nooit een liefdesrelatie opbouwen. Hij wil alleen maar zijn liedjes aan haar slijten en dat vlot niet zo. Zij reageert het verlies van Cerdan een beetje op hem af. Zij heeft altijd wel wat op zijn chansons aan te merken. Vrienden wisten waarom: Aznavour en Piaf leken qua karakters te zeer op mekaar. Het spijtige voor Piaf is dat de liedjes die zij weigert bij anderen terechtkomen onder meer bij Juliette Gréco die er wél succes mee scoort.

Wanneer Piaf in 1951 de hoofdrol speelt in de musical “La Petite Lilli” van regisseur Raymond Rouleau staat ze erop dat de Frans-Amerikaanse acteur Eddie Constantine op wie zij haar oog heeft laten vallen in de cast wordt opgenomen samen met Charles Aznavour. Het stuk blijft zeven maanden op de affiche, lang genoeg om er een passievolle relatie op na te houden. Na die zeven maanden keert Eddie naar zijn vrouw en dochter terug. Vervolgens begint zij een korte relatie met wielrenner André Pousse. Zij gaat van dan af alles in zijn plaats beslissen. André heeft zijn vuisten nodig om haar duidelijk te maken dat dat niet kan. Zijn plaats wordt door een collega van hem ingenomen, Toto Gérardin. Toto’s vrouw schakelt een privédetective in die ontdekt dat hij aan Piaf achttien goudstaven én een peperdure pelsen jas heeft geschonken. Nog voor Piaf kan reageren, heeft mevrouw Gérardin alles in “haar” kluis liggen.

In 1951 zitten Charles Aznavour en Edith samen in de auto op weg naar een optreden wanneer zij worden aangereden. Edith geraakt ernstig gewond: twee gebroken ribben en een gebroken arm. Om de pijn te verbijten, neemt ze morfine en geraakt verslaafd. Ook alcohol staat steevast op haar menu. Het zal trouwens niet bij dat ene auto-ongeval blijven. Zij houdt er een hels tempo op na en eist dat ook van haar entourage. Zij kan urenlange gesprekken voeren, liefst ‘s nachts om dan meteen door te reizen naar de volgende plek waar zij moet optreden. In 1951 en ondanks al die troubles neemt zij een van haar mooiste chansons op Padam…Padam… op tekst van Henri Contet en muziek van Norbert Glanzberg. Datzelfde jaar vraagt zij aan Charles Aznavour een Franse tekst te schrijven bij de hit Jezebel van de Amerikaanse crooner Frankie Laine. Haar versie wordt in Frankrijk een grote hit.

Piaf heeft op dat moment zowat alles wat zij wil, behalve een man die alleen haar toebehoort. Zij wil koste wat het kost trouwen en ziet in de populaire Franse zanger-acteur  Jacques Pills de man van haar dromen. Sommigen zullen hem nog kennen van zijn deelname in 1959 aan het Eurovisiesongfestival waar hij voor Monaco deelneemt met het liedje Mon ami Pierrot. Hij eindigt daar ocharmen als laatste. Maar goed, terug naar ons verhaal. Pills was in de jaren dertig en veertig in Frankrijk een gevierd filmacteur en chansonnier, van 1939 tot en met 1951 gehuwd met de bekende chansonnière Lucienne Boyer op haar beurt onlosmakelijk verbonden met de klassieker Parlez-moi d’amour.  Jacques was een knappe, grote, slanke man die scherp afstak naast de kleine, tengere Piaf. Mais les extrêmes se touchent, n’est-ce pas? Zij trouwen in de maand september van 1952 in New York. Zij huwt niet in het wit, ook al is het haar eerste keer, maar verkiest een lichtblauw kleed. Marlène Dietrich is hun getuige. Zij verkiezen hun wittebroodsweken in New York door te brengen, niet in hun hotelsuite, maar wel in de duurste nightclubs waar zij zich te goed doen aan liters champagne. Ook al hoopt zij deze keer op een lange relatie toch kan Edith het niet nalaten de bitch te spelen. Zij gaat bijvoorbeeld naar de bioscoop en blijft daar met opzet drie films na mekaar uitzitten, wetend dat Jacques jaloers is en hopend dat hij vermoedt dat zij er een of andere minnaar op na houdt. Hij is een overgevoelig man die zijn onmacht niet vertaalt in harde vuistslagen, maar er verslagen bij gaat zitten. Hij verdraagt haar slechte karakter. Hun liefde zetten zij om in liedjes. Jacques schrijft de tekst voor Je t’ai dans la peau op muziek van Gilbert Bécaud dat in 1952 een succes wordt met in datzelfde jaar Pour qu’elle soit jolie ma chanson op tekst van Edith Piaf en muziek van Pierre Louiguy en als duet door Piaf en Pills op plaat gezet. Het jaar nadien zet zij een klassieker neer die de fans van Vaya Con Dios goed zullen kennen, want Dani Klein maakte het op haar manier zo goed als onsterfelijk in Vlaanderen en daarbuiten, Johnny tu n’es pas un ange. In 1954 neemt Edith het prachtige La Goualante du pauvre Jean op speciaal voor haar geschreven door Marguerite Monnot op een tekst van René Rouzaud. Datzelfde jaar is het raak met de titelsong uit de film Sous le ciel de Paris die regisseur Julien Duvivier in 1951 al draaide. Voor de tekst en de muziek tekenen Jean Dréjac en Hubert Giraud. Het nummer zal internationaal een hit worden als The Poor People of Paris. In 1956, het jaar dat haar huwelijk met Jacques Pills op de klippen loopt, neemt Piaf een lied op van Marguerite Monnot Les amants d’un jour op tekst van Claude Delécluse. Sinds de dag dat zij Jacques verlaten heeft, voelt Edith zich erg eenzaam.

Dat ontgaat Georges Moustaki niet die haar een jaar later leert kennen. Moustaki wordt dadelijk gegrepen door haar professionele aanpak. Hij had al veel respect voor haar als chanteuse, vooral als vertolkster van steengoede chansons. Georges was als Yussef Mustacchi in Griekenland geboren en in 1951 als journalist naar Frankrijk afgezakt waar hij zich stilaan als liedjesschrijver profileert. Zo levert hij chansons aan onder meer Barbara en Yves Montand. Met Edith beleeft hij een korte relatie, want hij is niet opgezet met haar dominante gedrag en weigert naar haar pijpen te dansen. Hij kan ook niet verdragen dat zij zich met hielenlikkers omringt. Een tijdlang is hij gitarist in haar begeleidingsgroep, maar na een poos heeft hij er schoon genoeg van. Hij maakt een einde aan hun kortstondige relatie op het moment dat Edith in een Amerikaans ziekenhuis ligt. De tol die zij van haar lichaam eist, begint zijn sporen na te laten. Wat van hun relatie overblijft, is de Piafklassieker Milord die Moustaki in 1959  op muziek van Marguerite Monnot schrijft. Het jaar voordien had Piaf nog goud gescoord met de hit Mon manège à moi geschreven door Jean Constantin die zijn tekst wijselijk had doorgespeeld aan Norbert Glanzberg die al meerdere successen voor Piaf had geschreven en haar stijl goed kende.

Intussen duikt er een nieuwe liedjesleverancier in de carrière van Edith Piaf op met name Michel Rivgauche die haar de inmiddels tot evergreens uitgegroeide chansons La Foule en  Mon vieux Lucien bezorgt. Door het vele drinken, krijgt Edith een ontsteking aan de pancreas en moet dringend geopereerd worden. Zij verblijft in 1959 een groot deel van de maand oktober in het ziekenhuis. De behandelende arts zegt aan haar entourage dat zij, fysiek gezien, zo goed als halfdood is en dat hij niet begrijpt dat zij nog leeft en de energie heeft om op te treden. Als er zoiets als een verrijzenis bestaat, is Edith daar het levende bewijs van. Haar optredens in de Parijse Olympia in 1960, 1961 en 1962 behoren tot de mooiste concerten uit haar hele carrière. Gelukkig werden die opgenomen en op plaat uitgebracht. Ook al ontbreekt het haar soms aan kracht, haar publiek zweept haar telkens weer op en stelt haar tot haast onmenselijke prestaties in staat. Naast het toneel wordt Edith almaar zieker en zieker: een bloedende maagzweer, maagoperaties. Zij betaalt de tol van het drinken van sloten koffie, wijn, een te hoge dosis aspirine, morfine en noem maar op. Wanneer haar arts haar een bepaalde dosis medicijnen voorschrijft, vermenigvuldigt zij die dosis met tien. Zij vindt immers dat zij dat aan haar publiek verschuldigd is, dat zij moet blijven optreden wat dat ook aan inzet kost. Piaf trekt zich terug op haar appartement langs de Boulevard Lannes. Zij zoekt steun bij haar trouwe impresario Louis Barrier die ervoor zorgt dat zij kan blijven optreden, hoe moeilijk zij het fysiek ook heeft. Als geen ander weet hij dat haar moeilijke karakter, haar verslavingen en haar amoureuze toestanden haar aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Bruno Coquatrix, eigenaar van de “Olympia”, ziet met lede ogen toe hoe zij nog maar een schim is van weleer. Haar hoogtijdagen in zijn muziektempel lijken voorgoed voorbij.

Een reddende engel vindt Edith in de persoon van de nog jonge componist Charles Dumont die op zekere dag aan haar wordt voorgesteld door Michel Vaucaire. Van bij die eerste handdruk voelt zij dat zij hem niet lust. Maar zij was professioneel genoeg om naar de liedjes te luisteren die Michel en Charles hadden geschreven. Eén daarvan is het alom bekende Non, je ne regrette rien. Eenmaal op plaat veroorzaakt het nummer een ware tsunami. Het publiek loopt storm om haar opnieuw live te zien, want dit succes geeft Piaf vleugels. Coquatrix is in de wolken, want Piaf heeft besloten opnieuw in de “Olympia” op te treden. De 29ste december 1960 zingt zij daar voor de eerste maal Non, je ne regrette rien live. Een half uur na haar optreden is het publiek nog steeds in de zaal aanwezig om haar met zijn applaus eer te bewijzen. Wat het publiek niet weet, is dat eenmaal in de coulissen Piaf met pillen en vitamines moet worden opgepept om haar staande te houden. Piaf gaat met Dumont op tournee, maar dat lijkt eerder een calvarietocht. Zij kan niet zonder haar pillen en sleept zich letterlijk voort. Soms is zij ganse flarden van haar tekst vergeten en verontschuldigt zich daarvoor bij haar publiek die het haar niet eens kwalijk neemt. Dumont kan dit niet meer aanzien en vertrekt gelijk op vakantie. Piaf ziet dit als verraad en laat hem stante pede vallen.  Dankzij hem scoort zij in 1960 nog een hit met Mon Dieu dat tot  haar beste liedjes zal gaan behoren.

Haar secretaris Claude Figus, zo hondstrouw als wat, probeert haar te troosten door haar voor te stellen aan een jonge Parijse kapper van Griekse origine Theophanis Lamboukas. Zij noemt hem al snel Sarapo, wat in het Grieks zoveel betekent als ” Ik hou van jou”. Piaf probeert het een tijdje zonder medicatie en vindt in hun liefde de kracht om opnieuw te gaan zingen. Zij wil vooral van hem een zanger maken en slaagt daar ook in. Zij treedt samen met hem in 1962 in de Parijse “Bobino” op waar zij in primeur hun duet A quoi ça sert l’amour zingen, een liedje op tekst en muziek van Michel Emer. Piaf twijfelt of het publiek haar relatie met de twintig jaar jongere Théo zal goedkeuren. Zij vraagt aan het blad “France-Dimanche” die vraag aan hun lezers te stellen. Iedereen is verrast over de uitslag, want haar fans gaan unaniem akkoord met haar keuze. Gesterkt in haar overtuiging dat Théo haar redding is, trouwt zij  de negende oktober 1962 met hem.  Overtuigd dat deze relatie goed zit,  gaat zij meteen nadien op zoek naar een onderkomen in een afkickkliniek. Zij gaat van dan af ook Théo bepamperen, zij wordt voor hem een tweede moeder. Zij logeren in een grote villa in Cap Ferrat aan de Franse Rivièra. Maar haar gedrag blijft dominant. Zij verbiedt bijvoorbeeld dat Théo zwemt, want hij zou kunnen verdrinken. Wanneer zij zin heeft in een steak, moet hij dat ook eten. Wanneer zij ‘s nachts wakker wil blijven, moet hij dat ook. Haar entourage is vertrouwd met deze gang van zaken. Zij beschouwen Piaf al jaren als hun koningin. Zij dienen haar als trouwe onderdanen. Piaf is bezorgd. Wat moet er van Théo geworden als zij er niet meer is? Zij staat erop dat hij aan zijn zangcarrière blijft werken. Om hem te steunen, trekt zij met hem nog op tournee richting Nederland, Duitsland en België.

Piafs einde nadert, zij voelt dat. Het laatste nummer dat zij inblikt is L’homme de Berlin dat zij de zevende april 1963 opneemt. Het wordt speciaal voor haar geschreven door Francis Lai die als accordeonist in haar orkest speelt. Hij zal iets later bekend worden door de muziek die hij schrijft voor de films “Un homme et une femme” en “Love Story”. Piaf stort enkele maanden later volledig in mekaar en wordt gehospitaliseerd in Plascassier, een deelgemeente van Grasse vlak bij Cannes. Zij overlijdt daar de tiende oktober 1963 aan de gevolgen van een inwendige bloeding. Haar trouwe vriend Jean Cocteau verneemt iets later het nieuws en sterft diezelfde dag nog aan een hartaanval. Haar lichaam wordt per ambulance naar Parijs overgebracht waar het wordt opgebaard zodat het publiek afscheid van haar kan nemen. De dag dat zij wordt begraven, de veertiende oktober, staan er honderdduizenden langs de weg om haar een laatste groet te betuigen. Zij wordt in aanwezigheid van Théo Sarapo, Charles Dumont, Marlène Dietrich en Charles Aznavour op het Parijse kerkhof Père-Lachaise begraven. Iets later verneemt haar man dat zij een schuldenberg van zeven miljoen oude Franse franken heeft nagelaten. Hun huis in Parijs wordt meteen in beslag genomen. Als een soort afscheid neemt Sarapo het nummer La maison qui ne chante plus op. Zeven jaar na hun huwelijk overlijdt hij aan de gevolgen van een auto-ongeval, de 28ste augustus 1970. Enkele weken na zijn dood verschijnt nog de film “Le Condé” in de bioscoop, de laatste productie waarin hij te zien is.

Aan het leven en carrière van Edith Piaf is het museum “Musée Piaf” gewijd, gelegen aan de rue Crespin du Gast op huisnummer vijf. Op het Disky label verschijnt in 2003 de dvd “Edith Piaf, Une vie de passions” met daarop liveregistraties, historische interviewfragmenten en beelden van haar begrafenis en nieuwsreportages over haar tijdens haar carrière.  Haar leven werd meermaals verfilmd met als hoogtepunt in 2007 de prent “La vie en rose/ La Môme” van regiseur Olivier Dahan met in de hoofdrollen Marion Cotillard, Gérard Depardieu en Jean-Pierre Martins. Haar liedjes worden speciaal voor deze productie door Jil Aigrot ingezongen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Claude François

Niet dat mijn platenkast door Claude François voor een groot deel wordt opgeëist, integendeel, hij moet tevreden zijn met een aanwezigheid van vijf elpees en een rist singletjes. Ik weet nog precies wanneer ik de eerste single van Claude François kocht. Dat was tijdens mijn trouwreis, de 26ste december 1973 op de Champs-Elysées in een platenwinkel die toen vlak naast het Lido in Parijs lag. En de titel van het plaatje weet ik ook nog, Chanson Populaire. Van toen af ben ik zijn carrière behoorlijk op de voet blijven volgen, dus zijn verhaal klinkt in mijn oren zeker niet vreemd. Ik keek dan ook gretig uit naar de verfilming van zijn leven door regisseur Florent-Emilio Siri die onder de titel “Cloclo” in 2012 in de bioscoop opdook met in de hoofdrol Jérémie Renier. Intussen is de film ook op dvd leverbaar.  De film spitst zich toe op enkele belangrijke momenten in Claudes leven zoals: zijn aankomst in Parijs, zijn eerste successen als zanger, zijn moeilijke relatie met zijn vader en zijn passievolle omgang met zijn familie en vrienden. Tijdens honderddrieënveertig minuten, een beetje té uitgesponnen als je het mij vraagt, zie je zijn leven aan je voorbijtrekken en hou je er op het einde van de film een wat raar gevoel aan over. Is dit de tol die je betaalt om een van de populairste sterren van Frankrijk te worden? Blijkbaar wel!

Velen zijn het intussen vergeten of hebben het misschien nooit geweten, maar Claude François werd als Claude Antoine Marie in Ismaïlia in het noordoosten van Egypte geboren, de eerste februari 1939 om twintig over zes in de ochtend om precies te zijn. Drie jaar eerder was zijn zus Josette geboren. Papa Adolphe was van Lyon naar Egypte afgezakt waar hij een goedbetaalde job had gekregen bij La Compagnie du Canal. Claudes mama, Lucia, was in het Italiaanse Calabrië geboren. Papa was in Ismaïlia in dienst bij de scheepvaart en voerde controle uit op het verkeer dat het Suezkanaal passeerde. Zij woonden samen met de moeder van papa Adolphe in een luxueus wit huis in het centrum van de stad. Claude gaat op internaat bij Les Frères de Ploërmel. Afgelopen met het verwend worden door zijn oma en mama. Hier moet hij leren luisteren en in de pas leren lopen. Claude blijkt een voorbeeldige student te zijn. Hij gaat nadien naar het lyceum in Caïro. Hij logeert hier bij een oudere dame van Italiaanse afkomst die vlak tegenover de studio’s van Radio Caïro woont. Claude geraakt bevriend met een van de deejays die hem de nieuwste platen laat horen. Samen met zijn schoolkameraden richt hij zijn eerste orkestje op. Wanneer president Gamal Abdel Nasser in 1956 vindt dat de Europese inmenging in zijn land de spuigaten uitloopt, nationaliseert hij het Suezkanaal. De 26ste juli wordt het kanaal genationaliseerd. Dit leidt tot een oorlog tussen Egypte en een coalitie van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Israël. Het kanaal blijft enkele maanden gesloten. Iets later krijgt Egypte het alleenrecht op het Suezkanaal. Tijdens die opstand wordt het de familie François te heet onder de voeten. Er zit niets anders op dan het hazenpad te kiezen en naar Frankrijk uit te wijken. Zij belanden via Parijs in een appartement in Monaco. Zij hebben halsoverkop het rijkeluisleven in Egypte achter zich moeten laten. Papa Adolphe wordt ziek en werkloos. Claude ziet zich genoodzaakt in de bres te springen. Op aandringen van zijn vader wordt hij bankbediende, maar dat vindt Claude maar niets. Hij koestert slechts één droom: zanger worden. In de dure restaurants en casino’s in Monaco gaat hij na zijn werk naar diverse orkesten luisteren. Hij geraakt helemaal in de ban van die muziek. Wij mogen niet uit het oog verliezen dat hij in Egypte al een muzikale opleiding had genoten: hij kon wat op de viool spelen, op de piano tokkelen én aardig overweg met de drums.

In 1959 wordt hij drummer bij het orkest van Radio Monte-Carlo. Hij ziet de noodzaak in muziek te gaan studeren en schrijft zich in aan “L’Académie Nationale de Musique”. Intussen heeft hij ontdekt dat hij ook kan zingen. Zijn lievelingsliedje van dat moment wordt J’aime Paris au mois de Mai van Charles Aznavour. Iets later maakt hij kennis met Louis Frosio die hem een contract aanbiedt bij zijn orkest dat elke avond in het “Casino de Monte-Carlo” optreedt. Claude krijgt per optreden vijfhonderd oude Franse franken aangeboden. Het is hier dat hij verslaafd geraakt aan het publiek en hun applaus. Hij leert stilaan het vrouwelijk schoon appreciëren. Hij ontmoet de Engelse danseres Janet Woollacott met wie hij de vijfde november 1960 in Monaco in het huwelijk treedt. Sinds twee jaar heeft hij met zijn vader geen woord meer gewisseld, want die gaat niet akkoord met de muzikale carrière van zijn zoon. Toch zal hij hun huwelijk bijwonen. Een jaar later overlijdt zijn vader aan de gevolgen van een ongeneeslijke ziekte. In Saint-Tropez ontmoet Claude iets later Birgitte Bardot die hem aanmoedigt om te blijven doorgaan met zijn carrière. Zij vertelt hem dat hij naar Parijs moet afzakken omdat daar zijn kansen hoger liggen. Hij is dan tweeëntwintig. Samen met zijn echtgenote reist hij tijdens de zomer van 1961 met de trein naar Parijs om daar zijn kansen te wagen. Zij gaan op een kamertje in Montmartre wonen. Om aan de kost te geraken, wordt Claude drummer bij het orkest The Gamblers die zanger Olivier Despax begeleiden tijdens diens optreden in de Caramel Club in de Arsène Houssayestraat in Parijs.

Zijn zus is intussen het liefje van Jerry Van Rooyen geworden die op dat moment de arrangementen voor de meest recente elpee van Nicole Croisille heeft geschreven. Hij brengt François in contact met platenfirma Fontana. Hier ontmoet hij artistiek directeur Jean-Jacques Tilché. Die is niet meteen onder de indruk, maar gunt Claude een tweede kans. Deze keer lukt het wél. Hij besluit Claude een eerste single te laten inblikken Nabout Twist, door François zelf geschreven, onder de naam Kôkô. Als achtergrondkoortje krijgt hij daarbij de steun van niemand minder dan Nicole Croisille en Hugues Aufray. In Frankrijk wordt het singletje geen succes, maar geniet wel bijval in het noorden van Afrika. In afwachting van een vervolg gaat Claude met het orkest van Olivier Despax tijdens de zomer van 1962 in de “Papagayo Club” in Saint-Tropez optreden. In de liefde zit het minder mee. Zijn vrouw wordt een job aangeboden als danseres in de balletgroep van Arthur Plasschaert in de Parijse “Olympia” waar ze Gilbert Bécaud leert kennen. Beiden worden verliefd en Janet ruilt François in voor Bécaud.

Met platenfirma Fontana tekent Claude aan het begin van 1962 een contract voor zeven jaar. Hij is intussen een liedje op het spoor gekomen Girl Girl Girl dat door The Everly Brothers al was ingeblikt als Made to Love een bescheiden hit in Amerika in de versie van Eddie Hodges. Claude laat het door Vline Buggy vertalen als Belles!Belles!Belles!. Het is deejay Daniel Filippachi die het singletje oppikt voor zijn programma “Salut les Copains” bij Europe 1 en na enkele weken staat het boven aan de Franse hitlijsten. Er wordt voor televisie een videoclip opgenomen in Chamonix door niemand minder dan de bekende filmregisseur Claude Lelouch die iets later wereldvermaard zal worden door zijn films “Un homme et une femme” en “Vivre pour vivre”. Omdat hij dringend nood heeft aan een degelijk impresario klopt Claude aan bij Paul Lederman die erin slaagt Claude op het podium van de “Olympia” te krijgen. De 18de december 1962 mag hij daar voor de eerste maal optreden. De vijfde april 1963 staat hij daar opnieuw te pronken samen met Sylvie Vartan. If I had a hammer staat op dat moment heel hoog in de Amerikaanse hitlijsten in de versie van Trini Lopez. Claude maakt daar Si j’avais un marteau van, un vrai tube voor hem in het Franse najaar van 1963. Intussen wordt hij samen met Johnny Hallyday, Sheila, Françoise Hardy en Richard Anthony tot “les idoles des jeunes” gerekend!

Met de opbrengst van zijn eerste twee gouden platen koopt hij een flat aan Boulevard Exelmans in Parijs én een oude molen in Dannemois in de buurt van Milly-la-Forêt. Het is een cadeau van hem voor zijn moeder en zijn zus die daar meteen hun vaste stek van maken. In de zomer van 1964 begint hij aan een grootse tournee die door regisseur Claude Vernick wordt vastgelegd in de film “L’été frénétique”. Hij neemt ook twee hits op Donna Donna en J’y pense et puis j’oublie, een vertaling van It comes and goes van de hand van Bill Anderson en eerder op plaat gezet door Burl Ives en Eddy Arnold. Hij durft het ook aan enkele nummers van The Beatles te vertalen: I want to hold your hand wordt Laisse-moi tenir ta main en From me to you wordt Des bises de moi pour toi. Tijdens een bezoek in de maand augustus van 1964  aan Las Vegas geraakt hij in de ban van de adembenemende shows die hij in daar in de casino’s meepikt. Hij is vastberaden zijn eigen shows naar dit niveau te tillen. Zijn opnamen worden ook steeds beter. In 1965 trekt hij naar Londen om daar samen met het orkest van Les Reed in de Pye Studio een origineel nummer in te blikken dat Bernard Kesslair samen met Jacques Chaumelle en Vline Buggy geschreven heeft Même si tu revenais. Dit mag je sowieso de allereerste Françoisklassieker noemen, hij zal dit voor de rest van zijn carrière blijven koesteren. Zijn zus huwt de 29ste juni 1966 met de burgemeester van Dannemois, Eric Eschenlohr wat verklaart dat Claude hen de jaren nadien daar vaak zal opzoeken. Het is het publiek intussen opgevallen dat Claude zijn optredens kruidt met een beter orkest en twee danseressen: Pat en Cynthia. Niet zij worden zijn liefjes, maar wel de in die tijd erg populaire Franse zangeres France Gall die een sterk debuut heeft gemaakt tijdens het Eurovisiesongfestival in 1965 met het nummer Poupée de cire, poupée de son van Serge Gainsbourg. Maar Gall wil haar solocarrière niet opgeven om thuis madame François te spelen. Het blijft bij een korte, maar hevige  romance. Claude, die intussen ook Cloclo wordt genoemd, wordt iets later verliefd op een danseres uit zijn almaar uitgebreider ballet, Isabelle Forêt. Deze liefde blijkt wél bestand tegen de grote druk.

Omdat Cloclo de touwtjes steeds meer in eigen hand wil houden, richt hij in 1967 zijn platenlabel ”Disques Flèche” op. Om zijn verdriet, veroorzaakt door zijn breuk met France Gall, te verwerken, schrijft hij iets later het nummer Comme d’habitude. De arrangementen worden door de Engelse arrangeur David Whittaker geschreven. Het nummer blikt hij in in Studio Europa Sonor in de rue de la Gaîté in Parijs met aan de knoppen technicus Roger Roche. Jacques Revaux had het chanson al eerder geschreven onder de Engelse titel For Me, maar in Frankrijk lijkt niemand geïntereseerd tot Claude François het wil opnemen mits hij er een nieuwe tekst bij mag verzinnen. Hij klaart die klus samen met Gilles Thibaut. Het is David Bowie die het op de kop tikt en het als Even a Fool Learns To Love herschrijft, maar hij krijgt van François geen toelating om het uit te brengen.  In Frankrijk wordt het nummer opgepikt door Paul Anka die er een nieuwe Engelstalige tekst bij schrijft My Way. Hij mag het nummer wél uitbrengen. Hij dringt er bij Frank Sinatra op aan het in te zingen en het wordt in de maand maart van 1967 voor The Voice een nummer één. Nadien zouden tal van covers volgen door onder meer: Elvis Presley, Sammy Davis Jr., Robbie Williams, Will Tura, Party Animals, Nina Hagen enz…

In het kielzog van dat succes en met de auteursrechten die binnenstromen, kan Cloclo zijn entourage gevoelig uitbreiden. Hij gaat op zoek naar vier backingvocalisten Les Flêchettes en naar het oogverblindende ballet Les Clodettes. De achtste juli 1968 kan voor Cloclo niet stuk, want hij wordt vader van Claude Junior. De 15de november 1969 wordt hij voor de tweede keer vader, deze keer van Marc. Die geboorte wordt zo geheim mogelijk gehouden, want Claude is een idool voor miljoenen Franse meisjes en die wil hij zeker niet verliezen. Dat is ook de reden dat hij zijn huwelijk met Isabelle maar steeds blijft uitstellen. Hij scoort dat jaar een grote hit met zijn vertaling van Eloise van Barry Ryan. Hij treedt ook vaker in het buitenland op: Afrika, Italië en Canada. Tijdens een optreden de 14de maart 1970 in zaal “Vallier” in Marseille stort Claude in elkaar. De dokter schrijft hem een maand complete rust voor. Hij trekt met zijn gezin naar de Canarische Eilanden. Terug in Frankrijk rijdt hij de 17de mei in de buurt van Orange zijn  auto in de prak. Hij houdt er een zwaar gehavende neus aan over, aanleiding om de plastische chirurg zijn werk te laten doen. Samen met C. Jerome pikt hij iets later de rode draad weer op tijdens een succesvolle tournee. Hij rondt het jaar af met een elpee boordevol kinderliedjes.

1971 snijdt hij aan met een concertuitstap richting Canada en Detroit. Hij neemt zelfs in de legendarische Tamla Motown studio enkele nummers op. Hij vertaalt It’s the same old song van The Four Tops als C’est la même chanson en scoort er in zijn thuisland een vette hit mee. Aan de pers laat hij weten dat hij het kotsbeu is onnozele teksten te zingen. Hij gaat van dan af samenwerken met Eddy Marnay. Die vertaalt in 1971 Freedom Come, Freedom Go van The Fourtunes als Il fait beau, il fait bon, opnieuw een schot in de roos voor Cloclo.

Begin 1972 komen we Claude François op enkele Belgische podia tegen, want ook hier kan hij op een grote aanhang rekenen. Hij is opnieuw verliefd geworden, deze keer is mannequin Helen de gelukkige. Hun relatie zal twee jaar standhouden. Tuk als hij is op het medium televisie slaagt hij erin met de hulp van Michel Drucker de show “Avec le coeur” op het getouw te zetten. De opnamen hebben van de 10 tot de 13de april 1972 plaats. Die show wordt de vierentwintigste mei via France 2 uitgezonden met in zijn gezelschap: Véronique Sanson, Charles Aznavour en Stone et Charden. Op zijn eigen label Disques Flèche heeft hij intussen het nieuwe Franse idool Alain Chamfort gelanceerd. Om tussendoor van zijn schaarse vrije tijd te kunnen genieten, heeft hij een jacht gekocht “L’Ismaïlia”. In de loop van 1972 vindt hij nog de tijd om een eigen magazine uit de grond te stampen, speciaal voor de jeugd bedoeld “Podium”: ” Mon seul désir est d’apporter aux filles de quatorze à vingt ans un nouveau moyen de s’identifier. De même qu’elles se retrouvent dans mes chansons“. Om het blad zelf onder controle te houden, wordt beslist het maandelijks in de markt te zetten. Michel Lafon wordt hoofdredacteur en Paul Wagner mag zich over de lay-out ontfermen. Van bij de start kent het blad een oplage van een half miljoen exemplaren. Er schiet ook nog tijd over om nieuwe nummers op te nemen. Het zijn Jean-Michel Rivat en Frank Thomas die hem Le lundi au soleil voorschotelen dat ze samen met de piepjonge Zwitserse zanger Patrick Juvet hebben geschreven. Het wordt voor Cloclo een immense hit en qua genre een keerpunt in zijn zangcarrière.

Vadertje staat zit hem in de loop van de maand april 1973 op de hielen. De fiscus vindt dat Cloclo te weinig inkomsten heeft aangegeven. Zijn molen in Dannemois wordt in beslag genomen. Maar Cloclo laat dat niet aan zijn hart komen. Hij is méér dan in de wolken wanneer Jean-Pierre Bourtayre en Nicolas Skorski op de proppen komen met Chanson populaire, een regelrecht Françoismonument. Een al even grote hit wordt het nummer Je viens dîner ce soir. Maar zijn succes vergt veel van hem, té veel. In zijn maandblad Podium kondigt hij aan dat hij het rustiger aan wil gaan doen. Hij wil minder gaan optreden. Hij beslist er voorlopig een punt achter te zetten. De 12de april 1974 treedt hij voor de laatste keer op en wel in Vorst Nationaal in Brussel. Zo’n tienduizend uitgelaten fans komen daar afscheid nemen en hem een hart onder de riem steken.

Eenmaal thuis, richt hij zijn aandacht op zijn zakenimperium. Hij stampt een eigen modellenbureau uit de grond “Girl’s Models” onder leiding van Martine Diacenco. De 21ste mei 1974 geeft hij het startsein voor een nieuw tijdschrift “Absolu”, een blad dat ongegeneerd over seksualiteit schrijft, qua foto’s een blootblad. Hij neemt zelf regelmatig de pen ter hand en ondertekent zijn teksten met François Dumoulin. Maar dit was blijkt iets te ver gesprongen, hij ziet in dat hij zijn fans op het verkeerde been zet en stapt twee jaar later op.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij mist zijn fans en de bühne. De 15de juni 1974 maakt hij zijn rentree tijdens een concert in Valence-sur-Baïse. Iets later laat de fiscus weten dat hij tot acht maanden gevangenisstraf met uitstel wordt veroordeeld én tot het betalen van de som van een half miljoen Franse frank. Hij compenseert die tegenslag met de hit Le mal aimé, een vertaling door Eddy Marnay van het nummer Daydreamer van Terry Dempsey. Tijdens een televisie-uitzending, de veertiende september van dat jaar, stelt Claude François zijn nieuwste single Le téléphone pleure voor dat hij zingt in duet met de zesjarige Frédérique, dochter van zijn persverantwoordelijke Jean-Paul Barkoff. Per dag gaan er van die plaat tachtigduizend exemplaren de deur uit, een regelrechte millionseller. Het nummer werd geschreven door Frank Thomas en Jean-Pierre Bourtayre gebaseerd op Telephone Call van George Jones en Tammy Wynette uit het album George & Tammy & Tina dat zij in 1975 opnamen met hun dochter Tina (de geadopteerde dochter van George). In het totaal is de single in Frankrijk alleen al goed voor een verkoop van bijna drie miljoen exemplaren. De tiende en de elfde januari 1975 staat Cloclo opnieuw op het podium van “Vorst Nationaal”. Hij duikt iets later alweer de studio in, deze keer voor onder meer het nummer Toi et moi contre le monde entier, een chanson van Jean-Pierre Bourtayre en Eddy Marnay, een dijk van een hit in 1975 en vaak over de radio bij ons te horen. Hij blikt ook met veel bijval de nummers Chanson Française en 17 ans in, een vertaling van At Seventeen van Janis Ian. De pers heeft kortelings gemerkt dat Cloclo graag in de Parijse discotheek “L’Aventure”, gelegen aan de Avenue Victor Hugo, aan de zijde van het Finse fotomodel Sofia opduikt.

Gewoon optreden doet Cloclo intussen niet meer. Zijn concerten zijn uitgegroeid tot heuse galavoorstellingen. Dure schouwburgen schuwt hij daarbij niet. Af en toe mogen Les Clodettes zelfs een mondje meezingen. Hun single Chinese Kung Fu wordt een bescheiden hit. Om de lat hoog genoeg te leggen, trekt Cloclo naar Martinique, Guadeloupe en Haïti om daar zijn fans te verwennen. Voor Antenne 2 blikt hij de tv-special “La bande à Cloclo” in die de elfde juli 1976 wordt uitgezonden. Steeds op zoek naar een nieuwe commerciële invalshoek lanceert Claude François zijn parfum “Eau noire”. In die tijd voor een artiest een idee die snel navolging zal vinden. Tijdens de lancering stelt hij zijn nieuwe vriendin Kathalyn voor. Zij is een Amerikaans fotomodel dat hij in zijn eigen modellenbureau “Girl’s Models” heeft leren kennen. Na drie jaar is er immers een einde gekomen  aan zijn vorige relatie met Sofia.

Op vraag van regisseur Guy Lux treedt hij als zichzelf op in de film “Drôles de Zèbres”. Hij laat de pers snel weten dat zij dit als een vriendendienst moeten beschouwen. Hij wil het bij die ene keer laten, want het medium film ligt hem niet zo. Van de 27ste december 1976 tot en met de 5de januari 1977 gaat hij op tournee door Afrika. Hij laat zijn fans in Frankrijk achter met de hit Le Vagabond, een vooral door de fans erg gewaardeerd nummer van Eddy Marnay op een melodie van Cyril Assous die aardig wat hits voor Daniël Guichard en Johnny Hallyday had geschreven.  Ook de single Danse ma vie die Cloclo samen met Jean-Pierre Bourtayre en Pierre Delanoë had gecomponeerd, slaat erg goed aan. Terug in Frankrijk besteedt hij veel tijd aan het nummer Quelquefois dat hij als een duet wil inblikken. Twaalf zangeressen mogen de revue passeren voordat Cloclo beslist dat hij het nummer definitief op plaat wil zetten samen met Martine Clémenceau. In de lente van 1977 besluit hij I Go To Rio van Peter Allen door Eddy Marnay te laten vertalen die er haast voor de hand liggend Je Vais à Rio van maakt. Dit nummer verschijnt op het label van Claude Carrère, de producer van onder meer Sheila. Omdat zijn liefde voor Kathalyn zo groot is, mag ze meezingen tijdens de opname van het nummer C’est comme ça que l’on s’est aimé. Eigenlijk was het oorspronkelijk bedoeld om samen met Mireille Mathieu in te zingen, maar met de stem van Kathalyn krijgt het liedje een extra dimensie.

Claude François had snel door dat disco dé dansrage van 1978 zou worden. Hij lanceert de idee om een gans album rond dit genre op te bouwen. Hij doet daarvoor een beroep op tekstschrijver Etienne Roda-Gil die tot dan toe vaak met Julien Clerc had samengewerkt. Jean-Pierre Bourtayre wordt gevraagd of hij ook wil meeschrijven. Bernard Estardy wordt ingehuurd om de plaat mee te produceren in de bekende CBE Studio. De plaat krijgt als titel Magnolias for ever naar de gelijknamige song waarmee het album begint. Op het moment dat het liedje wordt geschreven, verblijft Claude in Biarritz. Via de telefoon zingt hij de melodie voor aan Jean-Pierre die in Parijs aan de andere kant van het apparaat notities neemt. Januari ’78 verschijnt Magnolias for ever op single. Iedereen is verbaasd hoe snel het nummer aanslaat. Toeval of niet, de 16de januari van dat jaar staat hij te schitteren op het podium van “The Royal Albert Hall” in Londen. Het publiek is door het dolle heen wanneer hij daar My Way zingt. Zesduizend fans zitten als aan hun stoel genageld. De derde en de vierde februari treedt hij opnieuw in “Vorst Nationaal” op, gevolgd door concerten in Charleroi, Luik en Wavres.

De elfde maart 1978 heeft hij om 14.00 u. een afspraak met Michel Drucker om het programma “Rendez-vous du dimanche” voor te bereiden. Hij is wat later opgestaan en ontbijt in het gezelschap van zijn partner Kathalyn en zijn persverantwoordelijke Marie-Thérèse Dehaeze. Hij belt zijn moeder om af te spreken dat hij ‘s avonds bij haar met een vijftiental vrienden langskomt om wat door te zakken. Hij heeft Drucker verwittigd dat hij iets later op de afspraak zal zijn. Michel kan alvast samen met Sylvie Vartan en Les Clodettes een deel van de show doornemen. Hij begeeft zich om tien over twee naar de badkamer om zich wat op te frissen. Eenmaal in bad gestapt, merkt hij dat de lamp tegen de muur nog altijd scheefhangt. Rechtstaand in het bad probeert hij de lamp recht te trekken. Hij wordt binnen de kortste keren geëlektrocuteerd. Kathalyn en Marie-Thérèse horen een korte schreeuw en nadien een harde klap. Geen hulp mag nog baten. Om 16.00 u. meldt de Franse radio en televisie dat Claude François is overleden. Frankrijk neemt de vijftiende maart in de kerk van Auteuil afscheid van hem. Hij wordt in de buurt van zijn molen in Dannemois begraven. De dag van zijn begrafenis wordt een van zijn grootste hits op single uitgebracht, het door Etienne Roda-Gil, Jean-Pierre Bourtayre en hemzelf geschreven Alexandrie Alexandra. In onze hitlijsten zal Claude François met dat nummer een zeventiende plaats bereiken. Grotere hits hier waren voor hem in 1964 weggelegd: La ferme du bonheur en J’y pense et puis j’oublie. Onze noorderburen waren niet zo tuk op zijn hits. In de Engelse hitlijsten dook hij slechts één keer op en dat was in het voorjaar van 1976 met Tears on the Telephone, goed voor een vijfendertigste  plaats in de Britse Top Veertig.   Mikkend op het Britse publiek nam hij in de befaamde Abbey Road Studio’s in de lente van 1977 een volledig Engelstalig album op onder het toeziend oog van producer en orkestleider Norman Newell met daarop onder meer: My Boy, Love Will Call The Tune, Don’t Play That Song Again en natuurlijk My Way. Intussen weten we ook dat Belles!Belles!Belles! door de Fransen als zijn meest geliefde opname werd verkozen met op de tweede plaats Comme d’habitude gevolgd door Alexandrie, Alexandra.

In het totaal nam Claude François zo’n vierhonderd liedjes op en werden er tot nu toe méér dan zeventig miljoen platen en cd’s van hem verkocht. Vergeten we als Vlaming niet dat Claude François zich een tijdlang over de carrière van Liliane Saint-Pierre heeft ontfermd. Hij bedacht niet alleen haar Franse artiestennaam, maar nam ook enkele liedjes met haar op: J’entends une symphonie en Je suis une fille toute seule. Door een onenigheid tussen haar en haar manager Milo De Coster kwam na twee jaar een einde aan deze samenwerking.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2013 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Ring Ring

Een tijdje geleden lag ze nog te pronken in de etalage, de heruitgave van het eerste album van Abba Ring Ring. Vinyl is terug in, dus konden zij ook niet weerstaan aan de verleiding al hun albums van toen opnieuw netjes op elpee uit te brengen. Het staat ook met trots gestickerd op de hoezen: 180 gram vinyl remastered. En wat meteen opvalt is dat hun eerste album Ring Ring niet onder de naam  Abba werd uitgebracht, maar wel als Björn & Benny & Agnetha & Frida. Twaalf liedjes in het totaal waaronder Nina Pretty Ballerina, Me and Bobby’s Brother, People Need Love en zowel de Zweedse als de Engelstalige versie van Ring Ring.

Björn en Benny had in en verloren moment een liedje geschreven voor de film The Seduction of Inga, niet meteen een prent om over naar huis te schrijven. Dat liedje heet She’s My Kind Of Girl. Zij waren het al lang vergeten, was het niet dat een Japanse muziekuitgever het nummer ontdekt had en het de moeite waard vond om het op single uit te brengen en kijk, in Japan wordt het een succes. Dat stimuleert Benny en Björn ermee door te gaan en vooral liedjes in het Engels te gaan schrijven.

Als we correct willen zijn, moeten we aanstippen dat het eerste album van Abba in wording het album Lycka (Happiness) is dat in 1970 voor het eerst op het Polar Label werd uitgebacht, elf liedjes in het totaal.  Al de songs werden door Benny Andersson en Björn Ulveaus geschreven én gezongen en op een aantal liedjes wordt er ook door Agnetha en Frida meegekweeld. Zo is het liedje Hej Gamle Man (Hello old Man) het allereerste liedje waarop de vier leden van Abba voor het eerst samen te horen zijn, al zijn er anderen die beweren dat je voor de eerste keer over Abba kan spreken wanneer ze de 29ste maart 1972 in de studio’s beginnen aan de opname van het nummer People Need Love dat vrij snel als single een bescheiden hit in Zweden zou worden. Benny en Björn profileerden zich op dat moment vooral als producers en ze hadden een visitiekaartje nodig om hun schrijverskunsten te etaleren en dat werd dus het album Lycka. Die samenwerking met Frida en Agnetha was gewoon voor de fun, de jongens hadden niet eens het plan opgevat om een groep te vormen. Agnetha zong op dat moment trouwens mee in de Zweedse cast van de musical Jesus Christ Superstar. Frida had geprobeerd een solocarrière op het getouw te zetten, maar dat was maar deels gelukt. Zij zat op dat moment zonder een platencontract. Zij was dus maar wat blij toen ze met de overige drie mocht meezingen. Agnetha daarentegen was in Zweden uitgegroeid tot een superster met al behoorlijk wat solohits op haar actief.

Tijdens een vakantie in Cyprus ontmoetten ze een aantal mensen die vroegen of ze niet op een van hun feestjes als viertal wilden optreden, wetende dat zowel Björn en Benny als Frida en Agnetha in hun thuisland bekende solosterren waren. Dat samenzingen klikte zo goed dat ze met hun vieren besloten verder te gaan en die samenwerking uit te bouwen. Björn was vooral gefascineerd door de geweldige stemmen van Frida en Agnetha, vooral wanneer ze samenzongen klonk het ei zo na perfect. Intussen waren Björn en Agnetha een koppel geworden, ze huwden de 6de juli 1971 in Verum in het zuiden van Zweden. Agnetha geraakte tijdens de opnamen van Lyca zelfs hoogzwanger. Ook Frida en Benny waren verliefd geworden en gingen samenwonen. Dat verklaart waarom ze als viertal vrij snel een zeer hechte band vormden. Ze hadden intussen Stig Anderson ontmoet die zijn eigen platenfirma Polar Music had opgericht. Hij wou hen onder contract, maar dat liep niet zo gesmeerd omdat ze bij diverse firma’s nog een deal hadden. Vooral het Cupol Label waar Agnetha onderdak had gevonden, ging dwarsliggen. Agnetha verkocht in Zweden platen als zoete broodjes. Een mooi overzicht van haar soloprestaties is de cd-box Agnetha Fältskog die Sony in 2008 op de markt bracht met daarin haar vijf soloalbums waaronder Som jaf är, När en vacker tanke blir en sang en Elva kvinnor i ett hus. Benny hing ook nog wat vast aan zijn groep The Hepstars en Björn aan zijn band The Hootenanny Singers.

In de loop van 1971 gingen Agnetha, Frida, Björn en Benny samen op tournee onder de vlag “Sterren van ’71″. Dat was een idee van hun concertpromotor. Ieder zong zo’n beetje zijn eigen ding. Omdat ze almaar méér als groep gingen optreden, besloten ze een groepsnaam te kiezen naar analogie met een show die ze op het getouw hadden gezeten “Festfolket” wat zoveel betekent als “De Verloofden”.  Vanaf 1972 beslist het viertal onder hun eigen naam op te treden: Björn & Benny, Agnetha & Ann-Frid. Stig Anderson is intussen hun manager geworden. Stig slaag ering het viertal in te schrijven voor de preselecties van het Eurovisiesongfestival. Hij vraagt aan Benny en Björn speciaal voor deze deelname een liedje te schrijven. De werktitel wordt Klocklät. Stig zag het wel zitten de tekst te schrijven. Hij stond er op dat het een poppy liedje werd. Hij wou niet dat het een doorsnee, pompeus festivalliedje zou worden, het mocht wel wat moderner klinken. Omdat ze Ring Ring een méér internationale uitstraling wilden meegeven, werd naast de Zweedse versie, ook een Engelstalige versie opgenomen. Voor de tekst deden ze een beroep op het schrijverstalent van Neil Sedaka die in die tijd samenwerkte met Phil Cody. Omdat ze er op gebrand waren, werd de productie aan Benny en Björn toevertrouwd. Die hadden trouwens al een hele rist Zweedse artiesten geproduceerd en kenden als geen ander het klappen van die zweep. De 10de januari 1973 trekken ze met z’n allen naar de Metronome Studio in Stockholm. Technicus van dienst is Michael B. Tretow. Als studiomuzikanten worden de drummers Ola Brunkert en Roger Palm, de basgitaristen Mike Watson en Rutger Gunnarssong en gitarist Janne Schaffer ingehuurd. Michael werkte voordien al samen met Benny en Björn en is in de wolken om aan dit nieuw avontuur te beginnen. Michael was een geweldige fan van de Amerikaanse producer Phil Spector en diens wall of sound: de studio volstouwen met een pak instrumenten zodat alles groter dan groots klinkt. Omdat deze aanpak téduur was voor hun eerste productie beslissen Björn en Benny alle instrumenten dubbel op te nemen zodat ze de indruk wekken door een groot orkest te worden begeleid. Er wordt ook aan de snelheid van de bandopnemer gesleuteld en klaar is kees. De tiende februari heeft op de Zweedse televisie de selectie voor het Eurovisiesongfestival plaat dat de 7de april in Luxemburg zal plaatsvinden. Maar hun verhaal loopt met een sisser af. Ze eindigen slechts derde en moeten de eer en de glorie afstaan aan Nova and The Dolls die met You’re summer naar Luxemburg mogen afreizen om daar de Zweedse kleuren te verdedigen. Ze eindigen vijfde in een deelnemersveld van zeventien. Anne-Marie David wint voor Luxemburg met Tu te reconnaîtras. Nicole en Hugo eindigen voor ons land laatste met Baby Baby.

Benny en Björn zijn na het tegenvallend resultaat tijdens de Zweedse selectie voor het Eurovisiesongfestival van 1973 ontzettend in hun eer geraakt. Dat belet hun platenfirma Polar Music niet om het nummer Ring Ring als single in de markt te zetten. De veertiende februari 1973 wordt het nummer op vijfenveertig toeren in de markt gezet met op de B-kant Ah vilka tider. Ze mogen zich snel op een succes verheugen, want zowel in Zweden als in enkele Europese landen wordt het nummer een hit. In Oostenrijk en Noorwegen belandt het op de tweede plaats, in Zuid-Afrika zit er een nummer drie in, in Zweden stijgt de Zweedse singleversie regelrecht naar de eerste plaats. Als in hun thuisland ook de Engelstalige versie wordt uitgebracht, zit er een tweede plaats in.  De drieëntwintigste juni 1973 staat Ring Ring bij onze noorderburen op de vijfde plaats in de Top Veertig. In ons land wordt de single op de radio zo goed als grijs gedraaid. In onze Top Dertig geraakt Ring Ring de zevende augustus tot op de tweede plaats. In de maand oktober van 1973 wordt Ring Ring ook in Engeland uitgebracht, maar daar slaat het nummer niet aan. Pas nadat Waterloo een jaar later een hit zal worden, zit er voor Ring Ring in Engeland in een geremixte versie een hit in, net zoals in Australië.

De 26ste maart 1973 wordt de elpee Ring Ring uitgebracht. Een beetje oneerbiedig mogen we stellen dat het een compilatie is van een aantal liedjes die ze snel bij elkaar hebben gezocht, inpikkend op het snelle succes dat Ring Ring als single geniet. Aan de opnamen werd in de loop van de maand maart 1972 begonnen en afgerond werd er eind maart 1973.  Intussen was Agnetha bevallen van een dochter, Linda. Er wordt voor de internationale release vooraf zorgvuldig gewikt en gewogen in welke landen het album mag uitkomen: Skandinavië, de Benelux, Australië, Zuid-Afrika, Mexico en West-Duitsland. Pas in 1992 wordt het album in de U.K. gereleaset en pas drie jaar later in de U.S.A.

Björn en Benny zinnen intussen, daarin opgezweept door hun manager Stig Anderson, op wraak. Na het succes van Ring Ring hadden ze snel besloten als groep verder te gaan. Die kans krijgen ze wanneer zij een jaar later opnieuw deelnemen aan de Zweedse selectie voor Eurosong. Ze winnen deze keer met Waterloo en trekken de zesde april 1974 naar Brighton in Groot-Brittanië waar ze met de overwinning aan de haal gaan. Zij hadden toen al als artiestennaam voor Abba gekozen. Waterloo zal hun wereld overhoop halen en de start betekenen van een fenomenale carrière.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Sussudio

I just can’t stop loving you, Bad, The Way You Make Me Feel, Man in The Mirror en Dirty Diana, dat zijn vijf nummer één hits die Michael Jackson in de Amerikaanse Top Honderd in de periode 1987-1988 achter mekaar scoorde. Dat lukte George Michael in diezelfde periode vier keer met achtereenvolgens: Faith, Father Figure, One More Try en Monkey. Ik vermoed dat Phil Collins dat in een naijverige bui wou overdoen. Hij begon aan die reeks in het najaar van 1988 met Groovy Kind Of Love, vervolgens met Two Hearts om na Another Day In Paradise eind 1989 te moeten vaststellen dat hij tevreden moest zijn met drie opeenvolgende nummer één hits in de Amerikaanse charts. Een prestatie om u tegen te zeggen, want hij had daar eerder al op één gestaan met de nummers Against All Odds, Easy Lover, One More Night en Seperate Lives. Die lijst is niet volledig, want de zesde juli 1985 staat Phil Collins in Biilboard’s Hot One Hundred eveneens op één, deze keer met Sussudio.

Als lid van de Britse rockgroep Genesis had Collins al kennisgemaakt met die Amerikaanse hitlijsten, maar nog nooit had hij met hen een nummer één gescoord. Genesis had in 1983 wel al een keertje in de top tien gestaan met That’s All. Zijn solouitstapjes waren dus een pak lucratiever en die zetten Genesis iets nadrukkelijker in de kijker, want door het solosucces van Phil geraakte bijvoorbeeld het nummer Invisible Touch van Genesis in 1986 op één en gingen singles zoals Throwing It All Away, Land Of Confusion en Tonight, Tonight, Tonight er nadien in als zoete koek.

Maar wij zouden het dus over zijn hitsingle Sussudio hebben. 1983 zat er succesvol op voor Phil, maar echt tevreden was hij niet, want hij werd als schrijver door zijn collega’s als een zwartkijker beschouwd. Hij bekeek de liefde nogal van de negatieve kant en daar wou hij verandering in brengen. Hij had samen met zijn platenfirma afgesproken een derde soloalbum in te blikken met als titel No Jacket Required. Hij koos voor die titel omdat hem ooit samen met Robert Plant de toegang was geweigerd tot The Pump Room Restaurant in Chicago, Illinois omdat ze te casual gekleed waren. Ze zouden het album in de Townhouse Studio in Londen en Old Croft in Surrey opnemen. De strijkers werden in de Air Studio’s in Londen geregistreerd. Qua backingvocals kreeg hij vocale steun van zijn collega’s Sting en Peter Gabriel. The Phenix Horns moesten voor de soulsfeer zorgen.Hij liet zich nadien wanneer hij live ging optreden graag door zwarte muzikanten begeleiden en omringen, kwestie van dat zwarte geluid waar hij zo tuk op was te beklemtonen. Samen met Hugh Madgham neemt Phil de productie van het album voor zijn rekening. Om de toon van het album een beetje vrolijk te houden, besluit Phil een aantal dansante nummers te schrijven. Phil was nogal weg van de hit 1999 van Prince en hij kon en wou die liefde niet onder stoelen of banken schuiven en nam dat nummer als uitgangspunt voor zijn song Sussudio. Hij hield ongeveer hetzelfde ritme aan en stopte dat in zijn drumcomputer. Nu nog schaamt hij er zich niet voor dit eerlijk toe te geven en te onderkennen dat Prince één van zijn idolen is. De titel van het nummer schoot hem spontaan te binnen toen hij met de drumcomputer aan het spelen was. Qua inhoud gaat het liedje over een jonge man die fantaseert over een relatie met een oudere vrouw. Het feit dat ze naar hem glimlacht wanneer hij haar passeert, laat zijn fantasie op hol slaan en zij wordt zijn prikkelpop tijdens het masturberen. Phil sust zich met de gdachte dat veel mannen zich in dat nummer zullen herkennen.

De 25ste januari 1985 wordt No Jacket Required in de markt gezet. Het nummer One More Night wordt als eerste single daaruit gereleaset en klimt binnen de kortste keren naar de eerste plaats in de Amerikaanse Top Honderd. Ook in zijn thuisland Engeland wordt het een dikke hit. Iets voordien had hij nog het soloalbum van Philip Bailey geproduceerd (zanger bij Earth, Wind and Fire). De single uit dat album Easy Lover levert hun beiden een grote hit op. Toen Sussudio als tweede single uit No Jacket Required werd gekozen, liep Collins op rozen. Het ging hem méér dan zomaar voor de wind. De negende februari 1985 verschijnt Sussudio op single met op de B-kant The Man With The Horn. In Amerika moet Phil opboksen tegen het geweld van Bryan Adams die op één staat met Heaven, maar het gaat vlotter dan hij gedacht had. De zesde juli mag Phil Collins in Billboard’s Hot One Hundred doorschuiven naar de eerste plaats. Slechts één week kan hij daar staan opscheppen, want dan is het beurt aan Duran Duran met a View To a Kill om de fakkel over te nemen. Sussudio was een paar weken eerder in de Britse Top Veertig op twee gestrand. Een nummer één zat er deze keer  niet in. Trouwens Collins zou in Amerika veel méér hits scoren dan in zijn thuishaven. In Nederland was er voor Sussudio een derde plaats weggelegd. Onze noorderburen hielden méér van In the Air Tonight, You Can’t Hurry Love en A Groovy Kind of Love. Die werden stuk voor stuk met een eerste plaats bekroond. In ons land werd Sussudio ook niet echt met veel liefde omarmd, want hier moest Phil tevreden zijn met een zesde plaats. Ook hier waren singles zoals You Can’t Hurry Love en A Groovy Kind of Love méér geliefd.

Door zijn solosucces vreesden de fans van Genesis dat Collins de groep de rug zou toekeren, maar in een interview zei hij daarover: “If someone told me I had to choose between Genesis and my solo career, I’d choose my solo carreer. But I don’t have to choose… It’s good fun to have both.” Hun succes samen zou nog tien jaar standhouden. In de maand april van 1996 kondigde Phil zijn vertrek aan. Mike Rutherford en Tony Banks gingen op zoek naar een nieuwe kracht en vonden die bij de toen 28-jarige Ray Wilson. En Phil Collins… hij ploegde en zwoegde voort.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Play That Funky Music

Vanilla Ice maakte er voor zijn album To the Extreme in 1990 een bewerking van, maar mij kon zijn rapversie van Play That Funky Music niet bekoren. Wellicht was ik toen al verknocht aan de originele van Wild Cherry. Ook de versies van Doni Jay, Booty T and The Neighborhood Crew, Roxanne en zelfs Alvin and The Chipmunks konden daar niets aan veranderen. Toen ik in het najaar van 1976 voor het eerst via de radio kennismaakte met Play That Funky Music was het liefde op het eerste gehoor. En zo gaat dat meestal met een hit, het is een nummer dat je dadelijk aanspreekt. De cijfers spraken voor zich. De achttiende september 1976 stond Wild Cherry bovenaan Billboard’s Hot One Hundred. Ze hadden daar net hevig strijd gevoerd om die eerste plaats met KC and The Sunnshine Band die op één hadden gestaan met Shake Your Booty. Drie weken zou Wild Cherry de top honderd aanvoeren tot ze daar werden afgelost door Walter Murphy & The Big Apple Band met A Fifth of Beethoven.

Wild Cherry werd aangevoerd door Rob Parissi, die twee jaar nadat hij de deuren van The Mingo High School in Ohio achter zich had dichtgedaan in 1970 een groep oprichtte. Zij traden regelmatig op in de regio van Ohio Valley en West en Noord Virginia tot in Pennsylvania toe. In de band nam Rob de zang en leadgitaar voor zijn rekening. Daarbij werd hij geruggesteund door zanger-gitarist Louie Osso, drummer Ben Difabbio, bassist Larry Brown en toetsenist Lary Mader. Vrij snel namen ze een rist nummer op uitgebracht op hun eigen label, songs zoals: You Can Be High  en Something Special On Your Mind. De naam Wild Cherry hadden ze afgekeken van een doosje hoestbonbons tijdens een kort verblijf van Rob in een of ander ziekenhuis. Ze besloten eerst de weg van de stevige rock te kiezen. Op zoek naar een heuse platenfirma kwamen ze terecht bij Brown Bag Records dat geleid werd door Terry Knight die een tijdje had meegespeeld bij de groep Terry Knight And The Pack, de band die nadien wereldbekend zou worden als Grand Funk Railroad (Terry had toen al afgehaakt). In 1973 produceerde Terry samen met Wild Cherry de singles Get Down and Show Me Your Badge. United Artists zorgde voor de verdeling. Maar die platen deden niet wat Rob er van verwacht had. Impulsief als hij was, keerde hij de band de rug toe en begon als manager van enkele  plaatselijke Bonanza Steakhouses. Maar ook dat werd geen succes en dus wou Rob zijn liefde voor muziek een tweede kans gunnen.

Samen met Bryan Bassett, Ron Beitle, Mark Aysec en Allen Wentz startte Rob een nieuwe versie op van Wild Cherry. Als rockband werden ze almaar vaker gevraagd in de buurt van Pittsburgh. Omdat dansmuziek het steeds beter ging doen, vroeg het publiek naar meer dansanste muziek. Funk, daar was het om te doen. Al lachend had drummer Ron Beitle voor ze moesten optreden in de kleedkamer van The 2001 Club in Pittsburgh nog geroepen ‘Play That Funky Music, White Boy’, een zin die door Rob zijn hoofd bleef spoken. Hij had dat zinnetje snel op een bierviltje genoteerd en eenmaal thuis duurde het geen vijf minuten of hij had een ruwe schets van het nummer neergepend. Rob kon niet lang wachten om het nummer in te blikken. Ze waren immers dringend op zoek naar een B-kantje voor de cover van I Feel Sanctified van The Commodores dat ze al hadden opgenomen. Tijdens de opnamesessie werd de band aangevuld met de blazers Jack Brndiar, Chuck Berginc, Joe Eckert en Rick Singer. Hun versie kwam de eigenaars Carl Meduri en Mike Belkin van het nieuwe platenlabel Sweet City Records ter ore en die vonden dat Play That Funky Music de A-kant moest worden. Zij slaagden erin een deal te sluiten met het Epic Label voor de verdeling en één van de eerste singles die ze uitbrachten, was Play That Funky Music met op de B-kant The Lady Wants Your Money. Wild Cherry poneerde zich van dan af ook als een band die elektrische funk hoog in het vaandel droeg. Zij gingen er prat op dat ze als blanke groep, zwarte funky muziek konden spelen. Vooral de ruwe stem van Rob werd hun uithangbord. In Engeland bereikte Play That Funky Music de negende oktober 1976 de zevende plaats in de Britse Top Veertig. In Nederland zat er een week eerder een vierde plaats in. Bij ons werd de drieëntwintigste oktober 1976 halt gehouden op de zesde plaats in de Top Dertig.

Na Play That Funky Music bereikten nog vier songs de Amerikaanse top honderd: Baby Don’t You Know, Hot To Trot, Hold On en I Love My Music, alle geschreven door Robert Parissi. Omdat hij voelde dat ze het succes van Play That Funky Music niet konden herhalen en dat ze voor eeuwig en altijd ‘a wone hit wonder’ zouden blijven, besloot Rob in de maand februari van 1979 de band definitief op te doeken. In Californië slaagden ze er nochtans in een permanente hit te scoren met 1 2 3 Kind Of Love, een nummer dat daar nog altijd stevig gedraaid en gekoesterd wordt.

Rob Parissi besloot dan maar als sessiemuzikant aan de kost te komen. Hij ging ook samen met Ellie Greenwich en Jeff Kent songs schrijven, waaronder de hit Boys In The Attic voor Ellen Foley. Voor Gary U.S.Bonds produceerde hij in 1980  het album Dedication. Na een tijd lang te hebben rondgezworven, keerde Rob in 1982 naar zijn geboorteplaats Mingo Junction in Ohio terug waar hij een gevierd radioproducer werd die in zijn vrije tijd jazzy nummers schrijft. Intussen koestert Rob zich met de gedachte dat George Michael Play That Funky Music tot een van zijn lievelingsnummers rekent en als hij live optreedt het nummer weleens aan zijn repertoire toevoegt, net zoals Prince dat deed tijdens zijn tournee in 2011. Wat Parissi nog het meest blij stemt, is het feit dat Play That Funky Music op de 73ste plaats prijkt in Billboard’s List of Top 100 Songs.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

You Should Be Dancing

Dat het getal dertien een ongeluksgetal is, daar hoefde je bij The Bee Gees tijdens een interview niet over te discussiëren. Hun dertiende studioalbum werd immers een voltreffer. Met Main Course stapten ze in de zomer van 1975 over naar een totaal ander genre dan we van hen gewoon waren. Dat album effende het pad dat ze de rest van de jaren zeventig zouden blijven bewandelen, de disco.

Het was het laatste album dat ze opnamen voor het Atlantic Label en waarvoor ze een beroep konden doen op producer Arif Mardin. Tussen de zesde januari en de 21ste februari 1975 trokken ze naar de Criteria Studios in Miami samen met technicus Karl Richardson. Het was de dansante sfeer die er in die tijd in Miami hing die hen deed besluiten daar wat Caribisch getinte discosfeer op te snuiven en in hun nieuwe plaat te verwerken. De klemtoon werd verschoven naar de falsettostem van Barry Gibb, de baslijn werd meer beklemtoond en de synthesisers mochten zowat alle instrumentale aandacht opeisen. Main Stream zou The Bee Gees opnieuw op de hitkaart zetten met vette hits als Nights on Broadway en Jive   Talkin’. Ook het rustige nummer Fanny deed het niet onaardig in de hilijsten. Critici konden niet anders dan hun scherpe pen wat aanpassen en de gebroeders Gibb als vanouds weer omarmen.

Never change a winning team dachten ook The Bee Gees en vooral hun manager Robert Stigwood. De boog stond erg strak gespannen om het met de volgende nummers zeker zo goed te doen. Sowieso werd Arif Mardin opnieuw als producer aangewezen. Wel stapten ze gezamenlijk over naar een nieuwe platenfirma. Atlantic behoorde van dan af tot het verleden. Hun platen zouden in de toekomst door Polydor verdeeld worden. Onthouden we dat ze hun platen uitbrachten op hun eigen RSO Label, afkorting voor Robert Stigwood Organisation (opgericht in 1973). Maar er dook een probleem op. Arif was de vaste huisproducer bij Atlantic en die vonden niet dat het door de beugel kon dat hij vreemd zou gaan. Dus ging dat Bee Geesvervolgverhaal voor hem niet door. Het werd dus uitkijken naar een andere producer waarbij de keuze op Albhy Galuten viel nadat een tryout samen met producer Richard Perry zwaar was tegengevallen. Perry had nochtans samengewerkt met Nilsson, Carly Simon en Ringo Starr. Omdat ze verkozen in ook deze keer in de Criteria Studio in Miami op te nemen kozen ze voor Galuten die ze daar hadden leren kennen als assistent van technicus Karl Richardson. Het mag ondenkbaar klinken, maar noch Maurice, noch Robin, noch Barry konden vlot met notenbalken omspringen en het was handig dat iemand als Galuten, die er in muzikale opleiding aan de Berkeley School had opzitten, vlot met het orkest kon communiceren. Galuten kon erg goed arrangeren en hij slaagde er in het beste uit de stemmen van de gebroeders Gibb te halen. Dat is overduidelijk te horen op wat hun veertiende album wordt Children of the World waaraan van de 19de januari tot en met de 6de mei 1976 in de Criteria Studio in Miami en Le Studio in Quebec werd gewerkt. Het album is een mengeling van R&B, soul, disco, pop en funk. In de maand september van dat jaar wordt het album in Amerika in de markt gezet. Er zullen drie singles uit getrokken worden: Love So Right, Boogie Child en You Should Be Dancing dat als eerste single gereleaset wordt.

De fans zullen You Should Be Dancing blijven onthouden als het eerste nummer waarin de falsettostem van Barry Gibb zo dominant aanwezig is. Iets eerder kon je daartoe al een aanzet horen in de hits Fanny en Nights on Broadway. De derde juli 1976 klimt You Should Be Dancing in Billboard’s Hot One Hundred meteen naar de zevenenzestigste plaats. Negen weken later staan The Bee Gees op een nadat ze Elton John en Kiki Dee aan de kant haddeen gezet die daar vier weken hadden staan kwelen met Don’t Go Breaking My Heart. Na amper één week moeten The Bee Gees op die bovenste ophoepelen en worden ze afgelost door KC And The Sunshine Band met Shake Your Booty. Zoals zowat alle songs die The Bee Gees schreven, staat ook You Should Be Dancing op naam van Barry, Robin en Maurice. Ook al werd het een nummer een, toch behoort het niet tot hun vijf beste. Die eer is in volgorde van succes weggelegd voor: Night Fever, Stayin’ Alive, How Can You Mend a Broken Heart, How Deep Is Your Love en Too Much Heaven. Wanneer een jaar later de soundtrack van Saturday Night Fever verschijnt, geschreven door The Bee Gees, zal You Should Be Dancing daarop ook te horen zijn.

In Engeland waar The Bee Gees de jaren voordien op één hadden gestaan met achtereenvolgens Massachusetts en I’ve Gotta Get a Message To You, hield You Should Be Dancing halt op de vijfde plaats in de top veertig. In Nederland, waar een nummer één was weggelegd voor ondermeer de singles World en Words, lieten ze duidelijk merken dat ze het wat moeilijk hadden met die koerswijzing van de broertjes, want You Should Be Dancing werd daar slechts met een zeventiende plaats beloond. In ons land moesten ze zelfs tevreden zijn met een twintigste plaats en zat er tot dan toe slechts een nummer één voor hen in en wel in 1967 voor de single Massachusetts. Zelfs hun meest succesvolle single Stayin’ Alive zou in het voorjaar van 1978 bij ons niet kunnen doorstoten naar de absolute top.

Van You Should Be Dancing verscheen in 1998 een remix als You Should Be… door de Britse deejay Blockster alias Brandon Block die daarmee een maand later op de derde plaats in de Britse top veertig zou staan prijken.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

You’re So Vain

Laten we eerlijk zijn. Als ik een titels zie passeren zoals Anticipation en The Right Thing to Do, denk ik niet meteen aan Carly Simon. Ik moet ook eerlijk bekennen, daar ben ik té weinig fan voor en ook niet vertrouwd genoeg met haar repertoire. Het lijkt alsof haar carrière aan mij voorbij is gegaan. Misschien is ze ook té Amerikaans en werd ze bij ons de voorbije decennia te weinig gedraaid zodat we haar songmateriaal niet echt kennen. Waar ik haar ook nog van onthouden heb is van het nummer Nobody Does It Better dat ze in 1977 in de James Bond film The Spy Who Loved Me met in de hoofdrol Roger Moore. Met kop en schouders steekt echter de single You’re So Vain boven dat alles uit, haar enige nummer één overigens in de Amerikaanse charts.

Jongeren onder ons moeten een flard van You’re So Vain herkend hebben in de hit Son of a Gun die Janet Jackson in 2001 uitbracht en waarin een sample van You’re So Vain is te horen. Toen Carly Simon het nummer in 1973 op single uitbracht, dat was in de maand november van het jaar voordien, begon ze aan een stijle klim in de Amerikaanse top honderd. Drie weken na mekaar stond bovenaan Billy Paul te glimmen met zijn million seller Me and Mrs. Jones. Maar Carly hield vol en de zesde januari mocht ze zijn plaats innemen. Ook zij bleef drie weken na mekaar op één staan glunderen tot Stevie Wonder het welletjes vond en haar kwam aflossen met Superstition. Geef toe, alle drie intussen uitgegroeid tot doorgewinterde popklassiekers.

Carly Simon profieerde een beetje van de trend die aan het begin van de jaren zeventig de kop op stak. Het was toen “in” dat singer songwriters de hitlijsten gingen aanvoeren en dat zij het waren die bij gerenomeerde platenfirma’s met de vetste contracten gingen lopen. Ik denk niet dat namen zoals Paul Simon, Neil Diamond, John Forbet, Leonard Cohen enz… je vreemd in de oren zullen klinken. Carly Simon was in 1945 in New York geboren waar ze samen met haar zus Lucy het duo The Simon Sisters vormde. Verzamelaars moeten maar eens op zoek gaan naar hun bescheiden single hit Winkin’, Blinkin’ and Nod. In 1971 slaagt ze er in een platencontract af te sluiten met Elektra Records en trekt meteen naar de Electric Lady Studio in New York om daar haar eerste album Carly Simon in te blikken. Iets later scoort ze met het nummer That’s The Way I’ve Always Heard it Should Be daaruit haar eerste hit, goed voor een tiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Meteen is haar naam als singer songwriter gevestigd. Het duurt niet lang of ze brengt iets nadien haar tweede studio-album uit Anticipation dat ze inblikt samen met producer Paul Samwell-Smith. De titelsong geraakt tot op dertiende plaats in de top honderd en zal op het einde van dat decennium opduiken in een reclamespot van Heinz ketchup.

Haar echte doorbraak forceert zij in 1973 met de elpee No Secrets. Als producer trekt ze de befaamde Richard Perry aan. Ze omringt zich met haar vaste begeleiders Andy Newmark op drums, Jummy Ryan op gitaar en Klaus Voormann op bas. Qua backingvocalisten is geen naam te gek of te duur: Linda en Paul McCartney, Vicki Brown, Mick Jagger en James Taylor. Die laatste twee verdienen enige toelichting. De derde november 1972 was Carly met James Taylor gehuwd. Taylor was een singer songwriter van het zuiverste soort met op zijn actief de nummer één klassieker You’ve Got A Friend en daarnaast bekende songs zoals Fire and Rain, Handy Man en Mockingbird. Hun huwelijk zou tot in 1983 stand houden. Ze krijgen twee kinderen Sarah Maria en Benjamin die later zelf in de muziekbusiness terechtkomen en er veel plezier aan beleven op de platen van hun moeder mee te zingen en met haar mee op tournee te gaan als backingvocalisten. Nu we het toch over backingvocalisten hebben, op You’re So Vain dat op haar elpee No Secrets staat, is de stem van Mick Jagger te horen. Ze kende hem al iets eerder toen ze als journaliste een interview van hem wou afnemen. Maar dat interview ging niet door omdat Mick Jagger zijn gulzig en gretig oog op haar had laten vallen en ze vond dat ze niet objectief genoeg aan die babbel kon beginnen. Sommigen beweren nu dat Carly Simon You’re So Vain schreef met Mick Jagger in haar achterhoofd als welbekende ijdeltuit. Zij heeft dat nadien in diverse interviews tegengesproken. Nu lag Carly al een tijdje zeer goed in de markt bij mannen. Zij was geen onaardige verschijning. Zo werd ze door de jaren heen gelinkt aan onder meer filmvedette Warren Beatty, platenmogul David Geffen, singer songwriter Kris Kristofferson en de daarnet al genoemde Mick Jagger. Maar ondanks vaak aandringen blijft Simon ook nu nog er een spelletje van maken en heeft ze nooit uit de doeken willen doen wie nu precies die ijdeltuit is waarover ze zingt. Het nummer zelf stond snel op papier. Toen ze in de studio bezig was met de opname van de song belde Jagger haar net met de vraag of het stoorde dat hij even langskwam waarop Simon anticipeerde dat hij dan in een en dezelfde moeite in de achtergrond kan meezingen, wat ook prompt gebeurde. Je hoort Jagger in de staart van het nummer meezingen en Carly weet nog dat ze ongelooflijk veel plezier aan die opname beleefden. Er hing “magic in the air”, maar niemand had er het flauwste benul van dat ze bezig waren met het inblikken van haar grootste hit ooit. Vergeten we qua inbreng de aanwezigheid van producer Richard Perry niet die voor de juiste balans en aanpak van de song zorgde. Het was met tegenzin dat Carly met hem de studio introk, maar haar platenfirma drong erop aan. Ze kende Perry van zijn werk dat hij had gepresteerd op platen van Barbra Streisand en Nilsson en dat vond ze nu net iets té afgeborsteld, té clean. Dat was een stijl die haar niet lag al heeft ze zich later stevig herpakt wat haar mening betreft. Haar twee volgende albums en haar latere hitsingle Nobody Does It Better zou ze nog samen met Perry afwerken. Perry kende iedereen als een perfectionist die tientallen keren naar een opname kon luisteren en maar bleef sleutelen tot hij het goed vond. Alleen al voor de ritmische begeleding van You’re So Vain deed hij een beroep op drie verschillende drummers. Pas na de derde poging ging hij akkoord en werd de opname goed bevonden. Hij ging ook op zoek naar een beklijvende intro en daar schakelde hij bassist Klaus Voormann voor in, in een vorig leven goed bevriend met The Beatles toen ze nog in Hamburg optraden en nadien als muzikant bij Manfred Mann. Je hoort in You’re So Vain ook twee pianisten aan het werk, om maar aan te geven hoeveel aandacht Richard Perry aan de opname besteedde. Dat werk loonde, want You’re So Vain werd niet alleen een nummer één in Amerika, maar ook in hun buurland Canada. In De Britse top veertig zat er een derde plaats in. Voor de rest zou Carly Simon daar nog van zich laten horen in de zomer van 1982 met de song Why, goed voor een tiende plaats. De Nederlanders bekroonden You’re So Vain met een tiende plaats in hun top veertig en wij Vlamingen vonden de single goed voor een vijfde stek in onze top dertig.

In Amerika zou ze, naast de al eerder genoemde hits, nog één keer schitteren en dat aan de zijde van haar man James Taylor in de hit You Belong To Me. James zingt in dit nummer namelijk de tweede stem. Nadien ging het qua hits voor haar bergafwaarts. Haar albums verkochten ook almaar minder. In 1987 leek er een comeback aan te komen toen ze met de song Around Again uit de film Heartburn als het ware uit het niets herrees. De bijbehorende plaat werd in platina verguld. Het jaar nadien scoort te erg goed met de song Let The River Run voor de film Working Girl van regisseur Mike Nichols met in de hoofdrollen Harrison Ford en Melanie Griffith. De song was goed voor zowel een Oscar, een Grammy als een Golden Globe. Naast de soundtrack is het nummer sinds 2009 ook te horen op haar album Never Been Gone.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Abracadabra

Hij kon het zelf moeilijk geloven, maar in 1982 stond Steve Miller op één in het land waar de schlagers vandaan komen, juist ja, in Duitsland en dat met het album ”Abracadrabra”. Niet in zijn thuisland, noch in de rest van de wereld zou hij die stunt herhalen, wel meermaals met dat album de zilveren, gouden en platina status bereiken, kortom een regelrechte millionseller!

Zeventien jaar eerder had hij samen met Barry Goldsberg The Goldberg-Miller Blues Band opgericht. Ze konden op heel wat aandacht rekenen. Zo traden ze onder meer op in het in die tijd bekende tv-programma “Hullabaloo”, een programma dat door de tv-zender NBC  geprogrammeerd werd in navolging van het succes van de concurrerende muziekprogramma’s “Shindig” en vooral “American Bandstand”. Voor de productie was Steve Binder verantwoordelijk, de man die iets later samen met Presley diens “’68 Comeback Special” zou regisseren. Tijdens dat optreden van Steve Miller in “Hullabaloo”stond hij op het podium samen met The Four Tops en The Supremes. Daar kom ik straks in verband met de single Abracadabra nog even op terug. Na een tijdje kreeg Miller het op zijn heupen en gaat zijn geluk in zonniger oorden zoeken. Hij trekt naar de in die tijd in Amerika place to be, San Francisco. Hier richt hij The Steve Miller Blues Band op. In 1967 sluit hij een platendeal met Capitol Records en trekt als The Steve Miller Band de studio in. Als eerste langspeler wordt “Children of The Future” uitgebracht, een elpee gehuld in een psychedelische bluessfeer zoals toen in Frisco in was. Zanger van dienst is Boz Scaggs die Miller jaren voordien had ontmoet toen ze samen schoolliepen in Texas en waar ze het groepje The Marksmen hadden opgericht. The Steve Miller Band zal na hun eerste plaat een stijl ontwikkelen die we blues- en artrock noemen.

Onze pijlen richten we in dit verhaal op het hitjaar 1982 en het album Abracadabra dat de band dat jaar zal opnemen. Voor de productie tekenen Steve Miller en Gary Mallaber die in de groep de percussie voor zijn rekening neemt. De overige leden op dat moment zijn Kenny Lee Lewis op gitaar, John Massaro op gitaar, Bryan Alfred op synthesizer en Norton Buffalo op mondharmonica. Het is een van de weinige keren dat de overige bandleden mogen meeschrijven en dat vindt Miller een verademing en een doorbraak in hun manier van produceren. “Abracadabra” is het twaalfde album voor The Steve Miller Band. Miller voelde zich wat in zijn gat gebeten als leverancier van kwaliteitsvolle platen, want zijn vorige album “Circle Of Love” had niet goed gepresteerd. Miller was intussen uitgegroeid tot een supervedette en dat bracht onnodige stress met zich mee.  Hij werd door critici vaak vergeleken met Fleetwood Mac en Jefferson Starship. Hij verdient in die jaren tonnen geld. Een bediende van Capitol Records herinnert zich dat hij voor Miller tweemaal per jaar een cheque uitschreef telkens goed voor twee miljoen dollar. We praten dan over de jaren zeventig wanneer Miller in ’76 met zijn band het album “Fly Like an Eagle” aflevert. Verwijzend naar het vele geld dat hij verdient, schrijft hij de song Take The Money and Run. Dat album levert hem de monsterhit Fly Like an Eagle op. Nog een grotere hit uit datzelfde album wordt Rock’n Me, een nummer één nadat hij dat drie jaar eerder al eens gepresteerd had met een van zijn knapste songs The Joker. Op weg naar zijn volgende nummer één scoort The Steve Miller Band in 1977 sterk en stevig met Jet Airliner.

Die volgende nummer één wordt dus de singlehit Abracadabra uit de gelijknamige langspeler. Miller hield wel van zijn intussen tot klassiekers uitgegroeide songs, maar wou zijn publiek toch blijven verrassen met nieuwe nummers. Met zijn optreden in het programma “Hullabaloo” in zijn achterhoofd in de jaren zestig en terugdenkend aan zijn optreden samen met The Supremes en Diana Ross in het bijzonder, schrijft hij Abracadabra. Miller heeft door dat hij terug moet naar melodische songs, liedjes die meteen goed zitten en niet langer duren dan een minuut of vier. Miller speelt het nummer in samen met Gary Mallaber en de twee nieuwelingen binnen de band Kenny Lee Lewis en John Massaro en voelt dat het meteen klikt.  Ze geven het nummer die extra spirit. Abracadabra is van oudsher een bezweringsspreuk, een soort toverformule, die een genezende werking heeft. De oorsprong zou teruggaan naar de tweede eeuw na Christus en voor het eerst gebruikt zijn door Serenus Sammonicus, de arts van de Romeinse keizer Caracalla. Hij had die toverformule uitgeschreven en de keizer moest die in de vorm van een amulet steeds bij zich dragen. Etymologisch gezien zou het woord een samensmelting zijn van het Hebreeuwse habrachah (zegening) en het Aramese dabra (pest). Een andere bekende toverformule die we in ons taalgebruik hebben overgenomen is hocus pocus.

Het ligt voor de hand dat Abracadabra op single wordt uitgebracht, daar twijfelt op dat moment geen kat aan. Die komt de 29ste mei 1982 op vijfenzeventig binnen in Billboard’s Hot One Hundred met op de B-kant Baba wanna dance en klimt dan traag maar zeker naar de eerste plaats. Opgelet, daar zal het nummer pas veertien weken later aankomen. We schrijven dan de vierde september. Zes weken na mekaar hebben hun concurrenten Survivor op één gestaan met het ijzersterke nummer Eye of the Tiger. The Steve Miller Band houdt het twee weken op één uit, dan is het de beurt aan Chicago om met het nummer Hard to Say I’m Sorry die eerste plaats in te palmen. In een interview zei Miller opgetogen: “As the band grows it’s adding a lot of new creative ideas and I’m enjoying the explosion. People have a tendency to wonder how you can play rock and roll for this long. Well, as a matter of fact, I’m just now coming into really having control over my medium.”

In Engeland klinkt The Steve Miller Band iets té Amerikaans, want echt aan de bak komen ze daar niet, al zit er voor Abracadabra een tweede plaats in de top veertig in. Opnieuw uitgebracht wordt The Joker daar wel een nummer één in de zomer van 1990. Dat doen ze datzelfde jaar in Nederland over, al zal Abracadabra in hun Top 40 in de zomer van 1982 halt houden op de achttiende plaats. Wij lusten het nummer dan weer wél, want in onze top dertig zit er voor The Steve Miller Band een tweede plaats in, meteen ook de hoogste score die de band hier op zijn actief zal schrijven.

Ondanks zijn drive en doorzettingsvermogen, verliest Miller nadien zijn greep op de hitlijsten, want met de singles die volgen, komt hij in zijn thuisland Amerika niet meer binnen het bereik van de Top 50, ook al mogen nummers zoals Cool Magic, Shangri-La en Wide River er best wezen. In 2012 begint de band aan een tournee die hen in de belangrijkste Europese concertzalen brengt. Voor 2013 staan Nieuw-Zeeland en Australië op het programma.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Material Girl

Ze staat al jaren naast me op mijn kantoor. Ze gaat nooit de deur, blijft hondstrouw op haar vertrouwde plekje, Louise Ciccone, beter bekend als Madonna. We verschillen tien jaar qua leeftijd en dat is niet onoverbrugbaar om samen te leven, want dat doen we al méér dan 12 jaar. En het leuke is, ze is schaars gekleed, alsof ze elk moment van de dag met mij naar het strand wil. Troost je, wees niet jaloers, je hoeft me echt niet te benijden, want ik heb het over een kartonnen versie van Madonna herself, ‘n een meter en twintig centimeter staande display. Ik kan me wel voorstellen dat menig Madonnaverzamelaar dit model in huis wil hebben, maar daar hebben we het nu niet over. Ik weet alleen dit, dat ik niet meteen een wilde fan van haar was. Dat echt aandachtig luisteren naar haar begon pas toen ze in 1985 op de proppen kwam met de single Material Girl.

We mogen stellen dat Madonna omstreeks 1985 wereldwijd bekend was. Daar had ze niet alleen haar stem voor gebruikt. Ze had letterlijk gans haar lijf in de strijd gesmeten om toch maar door iedereen herkend en erkend te worden. Dat ze daarbij tonnen kritiek had moeten en nog moest slikken, kon haar toen al niet deren. Twee jaar eerder had ze zich omringd met een aantal piepjonge producers die meteen aanvoelden wat Ciccone wou, “dansante muziek”. Om die heren bij naam te noemen: John Benitez, Reggie Lucas en Mark Kamins. Die plaat leverde haar meteen een aantal gouden hits op: Borderline, Lucky Star en Holiday. Van in het begin hadden we door dat Madonna geen geweldige zangeres was en ook nooit zou worden, maar wel een wijf dat wist hoe ze zich moest etaleren en vooral live op het podium bewegen. Met haar tweede album Like a Virgin bewees ze dat ze sowieso geen eendagsvlieg was. Voor dit album trok ze Nile Rogers als voornaamste producer aan. Ze was namelijk weg van wat hij met David Bowie had klaargespeeld op diens album Let’s Dance. Ze wou net zo’n dansbare sfeer en sound voor haar tweede langspeler. Ze trokken tussen april en september 1985 naar de Power State Studio in Manhattan, New York met zo’n zestal muzikanten waaronder drummer Tony Thompson en bassist Bernard Edwards met wie Nile de groep Chic vormde. Nile speelt zelf gitaar op deze plaat waarvan Madonna hoopte dat iedereen pal achterover zou vallen. Ze was in de wolken dat haar platenfirma Warner kosten noch moeite had gespaard om haar de beste producer en songwriters ter beschikking te stellen. Like A Virgin werd de eerste vette singlehit uit dit gelijknamig album, een Amerikaanse nummer een op het einde van 1984. Drie maanden later beslist Warner Material Girl op single uit te brengen. Dit liedje was zo’n beetje the story of her life. Ze wou het koste wat het kost maken, ze was daarbij ook heel materialistisch ingesteld. Dat thema werd uitgewerkt door Peter Brown en Roberta Rans. Zij wisten dat Madonna meer uit was op geld en roem dan op romantiek en een warm nest. Peter Brown was dol op de muziek van Chicago, Earth Wind and Fire en Santana. Hij koppelde dat aan de kennis dat new wave op dat moment de lift zat. Synthesizers moesten qua begeleiding het voortouw nemen en dat vond Nile Rogers dan weer geweldig. Om het nummer zo dansbaar mogelijk te maken werd beslist 120 slagen per minuut aan te houden.

De negende februari 1985 schiet Madonna met Material Girl als een raket de Amerikaanse top honderd binnen. Het is een beetje verwarrend, want ze staat daarin nog altijd met Like a Virgin te pronken, maar dat kan haar niet deren. Gretig als ze is, hoopt ze dat ze met Material Girl haar tweede nummer een op rij gaat scoren, maar dat is iets té gulzig gereageerd. REO Speedwagon gaat boveenaan de top honderd parkeren en in haar kielzog komt Phil Collins met One More Night opzetten. Material Girl en Madonna moeten tevreden zijn met een tweede plaats die ze de 23ste maart bereikt. Nu is er een uitleg voorhanden waarom Material Girl net niet op een geraakte, los van de sterkte van haar concurrenten. Een paar weken eerder had Geffen Records namelijk beslist het nummer Crazy For You dat Madonna in de film Vision Quest zingt op single uit te brengen en laat dat nummer nou net iets vaker gedraaid en geprezen worden dan Material Girl. In Billboard’s Hot One Hundred bereikt Madonna met dat nummer begin maart zelfs de nummer een status. In de film Vision Quest van regisseur Harold Becker met in de hoofdrollen Matthew Modine en Linda Fiorentino zijn ook songs te horen van Tangerine Dream, The Style Council en Foreigner.

In Engeland, waar Madonna al in de top vijf had gestaan met Like a Virgin, is er voor Material Girl een derde plaats in de top veertig weggelegd. Daar zal ze in de zomer van dat jaar op een geraken met Into The Groove. Ook Nederland valt als een blok voor dat nummer. Material Girl klimt in de Nederlandse top veertig naar  de achtste plaats. In ons land zit er een vierde stek in en wordt Into The Groove iets later ook hier een nummer een!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

When I Need You

Slechts één week staan The Eagles in de maand mei van 1977 bovenaan de Amerikaanse charts met Hotel California. Dan vindt Leo Sayer het welletjes en gaat hen daar de drie volgende weken aflossen met een van zijn grootste hits When I Need You. Dat is niet zijn eerste kennismaking met de hitlijsten ginder, want hij had in 1975 al op de negende plaats gestaan met Long Tall Glasses, ook wel bekend als I Can Dance en het jaar daarop met You Make Me Feel Like Dancing zijn allereerste nummer een in de States. In zijn thuisland Engeland was hij al veel eerder van wal gestoken met het scoren van hits. Daarmee begon hij al in het najaar van 1973 met The Show Must Go On en het jaar nadien met One Man Band. Opvallend is dat hij door de Britten slechts één keer goed werd bevonden om bovenin de top veertig post te vatten en wel met When I Need You, een single die bij ons op twee halt houdt en ervoor zorgt dat de absolute top in onze top dertig voor hem buiten bereik blijft. Onze noorderburen zijn dan weer helemaal kapot van Long Tall Glasses, in de herfstdagen van 1974 goed voor een nummer een. When I Need You wordt door de Nederlanders met een derde plaats in hun top veertig bekroond.

Geboren in het zelfde jaar als ik, 1948, was Leo van kind af aan bezeten door muziek. Zijn bio kan je uitgebreid op deze site lezen. Engeland ligt meteen aan zijn voeten, maar Amerika, dat is een ander paar mouwen. Daar zal het pas lukken met zijn vierde langspeler. Voor zijn album Endless Flight gaat Leo samenwerken met de bekende producer Richard Perry die samenwerkte met onder meer Barbra Streisand, Carly Simon, Harry Nilson en Diana Ross. Perry doet niets liever dan met vocalisten samenwerken. Als geen ander voelt hij aan wat een stem nodig heeft: welke technische aanpak, maar ook welke begeleiding. Tot dan toe had Leo Sayer er steeds over gewaakt dat hij de liedjes mag aanreiken, maar daar gaat Perry verandering inbrengen. Hij maakt van Leo Sayer een zanger, eerder dan een singer songwriter en daar heeft Leo het aanvankelijk best moeilijk mee. Stel je voor hoe Leo bij hun eerste afspraak zo fier als een gieter komt aandraven met een demobandje met daarop twaalf songs die hijzelf heeft geschreven. Niet één vindt Perry geschikt om op te nemen. Dat is een uppercut waarvan Leo even moet herstellen. Perry stelt Sayer echter op zijn gemak en belooft hem dat hij een beroep zal doen op de beste songwriters die er op dat moment in Amerika rondlopen.  Richard is goed bevriend met Carole Bayer Sager, de mevrouw die verantwoordelijk is voor onder meer de hits Come in From the Rain en A Groovy Kind of Love.

Het is zij die hem het liedje When I Need You voorstelt. Ze had het iets eerder geschreven samen met die andere bekende singer songwriter Albert Hammond, zelf erg vertrouwd met de hitlijsten dankzij zijn hitsintles I’m A Train, The Free Electric Band en It Never Rains in Southern California. Hammond neemt in When I Need You de muziek voor zijn rekening. De muziek was er eerst. Hammond was dringend op zoek naar een goede tekstschrijver. Het is zo dat hij bij Carole terechtkomt. Die weet dat hij vaak moet optreden, veel op reis is en dat is dan moeilijk om een relatie staande te houden. Met dit in haar achterhoofd schrijft ze When I Need You. Het is Albert zelf die het nummer in 1976 op zijn gelijknamige elpee zet. Richard Perry ziet wel wat in het nummer. Hij vertrekt van de bestaande versie van Albert Hammond en begint zoals we dat van hem gewoon zijn te sleutelen. Hij trekt met zo’n vierendertig muzikanten naar de studio waaronder een aantal kleppers: Nigel Olsson, Ray Parker Junior en Jeff Porcaro. Na een eerste opname fronst hij bedenkelijk de wenkbrauwen. Zijn entourage merkt meteen dat Perry niet tevreden is en dus laten ze hem ongestoord voortsleutelen. Het is op deze begeleiding dat Leo Sayer When I Need You mag inzingen. Nadat Carole die versie heeft gehoord, durft zij niet luid op reageren. Zij vindt die versie maar niets, te gewoon eigenlijk, maar ze houdt die mening voor zich, want ze wil Perry niet op zijn gevoelige tenen trappen, al heeft ze meteen door dat Richard het ook niet zo’n geweldige opname vindt. Voor Sayer zelf is deze samenwerking erop of eronder, want hij schreeuwde het al eerder van de daken, vooral na zijn eerste hits, dat hij een wereldster wil worden. Door het leven stappen als een doorsnee zanger is aan Leo niet besteed. Hij had ook al laten horen dat hij als liedjesschrijver in de voetsporen van Bob Dylan wil treden, maar die droom had hij intussen op aanraden van Richard Perry stilaan laten varen. De 26ste februari 1977 wordt When I Need You op het Warner Label uitgebracht en de rest van het verhaal deed ik daarnet al uit de doeken. Na twee opeenvolgende nummer een hits gaat het voor Leo Sayer nadien wat bergaf. De single How Much Love tuimelt nog net binnen de Amerikaanse top twintig, maar van de nummers Thunder In My Heart, Easy To Love en Raining In My Heart had hij in de Amerikaanse charts toch iets meer verwacht.

De zon begint weer te schijnen wanneer hij in 1980 op de proppen kwam met More Than I can Say. Dat nummer was al eerder op plaat gezet door Bobby Vee. Die bracht het in 1961 op single uit op het Liberty Label. In zijn versie was die plaat goed voor een zestigste plaats in de Amerikaanse top honderd. Het nummer was geschreven door Jerry Allison en Sonny Curtis die voordien deeluitmaakten van de voormalige band van Buddy Holly, The Crickets. Het is Sayers producer Alan Tarney die het bewerkt en er voor zorgt dat Leo Sayer ei zo na zijn derde Amerikaanse nummer een op het droge haalt, was het niet dat Kenny Rogers met een van zijn sterkste hits komt oprukken, Lady, dat met de eerste plaats en de eer gaat lopen. Nadien raakt Sayer in de hitlijsten kant noch wal meer. In de loop van de jaren negentig probeert hij een comeback te forceren, maar het werkwoord geeft het al aan, tevergeefs.

Gelukkig voor hem pikt in 2006 de Amerikaanse deejay en producer Meck zijn hit Thunder In My Heart op, bewerkt de song en zet het op plaat als Thunder In My Heart Again. In Engeland geraken ze er samen mee tot op de eerste plaats. Het jaar voordien had Sayer besloten Europa achter zich te laten. Hij trekt met hebben en houden richting Australië waar hij van de natuur en de opbrengst van zijn auteursrechten geniet.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Best of My Love

Het was gelijk raak. Ik was meteen verkocht toen ik in 1977 het nummer Best of My Love hoorde. Ik herkende snel de stijl van Earth, Wind and Fire, maar The Emotions waren toen voor mij nog onbekend, maar dat zou niet lang duren, want in het najaar stonden de dames met dat nummer bij ons in de top dertig genoteerd. Niet erg hoog, want ze hielden halt nadat ze even op de zevenentwintigste plaats hadden geschitterd. Daarmee zou hun verhaal in ons land zijn uitverteld, want nadien bleven ze voorgoed uit de buurt van onze hitlijsten. In Nederland deden ze het in de top veertig enkele stappen beter, want daar zat er voor  Best of My Love een twintigste plaats in. Twee jaar later zouden ze daar zelfs de top vijf binnenduiken met hun opvolger Boogie Wonderland.

Chicago was the place to be voor de dames Emotions. Het was hier dat Wanda, Sheila en Jeanette Hutchinson ontdekt werden door Maurice White, drijvende kracht achter de discoformatie Earth, Wind and Fire. Maurice was meteen in de ban van hun samenzang en wou snel een contract afsluiten met hen voor zijn eigen firma Kalimba Productions. Hij wou zo snel mogelijk met hen platen opnemen. Zingen konden de ladies, want ze hadden hun stiel zoals zovelen van hun zwarte broeders en zusters in de plaatselijke kerkgemeenschap geleerd. Toen traden ze nog op in Mt. Sinai Baptist Church in Chicago als The Hutchinsons en nadien als The Heavenly Sunbeams. Hun vader papa Joe hield de touwtjes in handen. Ze kregen zelfs de eer op te treden samen met de leading lady of gospel Mahalia Jackson. Op het einde van de jaren zestig waren ze erin geslaagd een platendeal te sluiten met het Stax label. Ze waren tijdens een tournee The Staple Singers tegen het lijf gelopen en die hadden hun in contact gebracht met het in Memphis gevestigd platenlabel. So I Can Love You werd een bescheiden hit uitgebacht op het Volt label, een zustermaatschappij van Stax. Omdat ze hun overstap naar de soulmuziek wilden beklemtonen en daarmee de gospel achter zich lieten, werden The Heavenly Sunbeams omgedoopt tot The Emotions. Intussen had Jeanette afgehaakt en was haar zus Pamela in de plaats gekomen. Ze bereikten met So I Can Love You net de top veertig in Amerika. De singles die volgden waren de moeite waard om te beluisteren en om op te dansen, maar er had meer in gezeten voor: Show me how, I Could Never Be Happy, Put A Little Love Away en I Don’t Wanna Lose Your Love. Maar het Stax label taant qua belangstelling. In 1975 doet de firma de boeken dicht en zitten de dames zonder platendeal. Het is vanaf hier dat Maurice White de touwtjes in handen neemt. Hij had al met hen samengewerkt tijdens een of andere revue en wist hoe geweldig ze a cappella konden zingen. Ze hadden niet eens begeleiding nodig, zo goed waren ze en zo goed konden ze toon houden. White slaagt erin voor The Emotions een platendeal af te sluiten met CBS. In 1976 mogen ze voor dit label hun eerste elpee opnemen Flowers met daaruit  de gelijlnamige single als eerste keuze. Hoger dan de zevenentachtigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred geraken ze echter niet. Maar het was wel de aanloop naar hun grootste hit Best of My Love. In het voorjaar van 1977 beginnen ze met de opname van hun tweede elpee Rejoice. Daarvoor hadden The Emotions zelf een aantal songs gerschreven en uiteraard ook Maurice die met zijn groep Earth, Wind and Fire al bewezen had hoe een hitsong precies moest klinken. Maurice had samen met Al McKay van Earth, Wind and Fire wat gesleuteld aan een liedje dat zou uitmonden in Best of My Love. Nu hij de stemmen van Wanda, Sheila en Pamela al wat beter kent, weet hij precies welke kant hij met het nummer uit wil. Maurice zingt zelf de demoversie in die hij meteen doorspeelt aan Wanda die het op basis daarvan samen met haar zussen zo instudeert. Ze zingt het trouwens in dezelfde toonhoogte als Maurice. Die huurt op zijn beurtTom Tom Washington in om de arrangementen uit te schrijven en daarmee trekken ze naar The Wally Heider en The Sunset Sound Studio’s. Omdat Maurice de productie niet alleen voor zijn rekening wil nemen, vraagt hij de assistentie van Clarence McDonald. Qua begeleiding wordt een beroep gedaan op de jongens van Earth, Wind and Fire: bassist Verdine White, drummer Fred White en toetsenist Larry Dunn. Maurice White steekt zelf ook een muzikaal tandje bij en omdat het ritme erg belangrijk is, want de plaat is een heus discoalbum, doet hij een beroep op percussionist nummer één Paulinho DaCosta. Ook de gerenomeerde blazerssectie van Earth, Wind and Fire is van de partij. Wanneer ze met de opname van Best of My Love beginnen, beslist Maurice dat Wanda het nummer een octaaf hoger moet zingen. Zij aarzelt, want zo hoog heeft ze nog nooit aangedurfd. Na de opname blijft ze onzeker over het eindresultaat, maar Maurice en de directie van haar platenfirma zijn in de wolken en voelen dat ze een regelrechte hit te pakken hebben. Best of My Love wordt een voor de hand liggende singlekeuze. In de maand mei van 1977 wordt het nummer op vijfenveertig toeren uitgebracht. Het is Andy Gibb die op dat moment vier weken na mekaar de top honderd aangevoert met I Just Want to Be Your Everything. Maar Best of My Love is zo sterk dat Andy plaats moet ruimen. The Emotions blijven vijf weken die eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred inpalmen. Nadien is het de beurt aan Meco en het thema uit Star Wars om dominant bovenaan de top honderd post te vatten. In de Brtise top veertig is Best of My Love goed voor een vierde plaats.

Uit het met platina bekroonde album Rejoice wordt naast Best of My Love nog een nummer gekozen, I Don’t Wanna Lose Your Love, maar de Britten vinden het maar een veertigste plaats waard. In hun thuisland zit er zelfs niet meer in dan een vierenveertigste plek in de top honderd waarmee hun verhaal zowat lijkt uitgezongen. Maurice White neemt de dames wel mee op tournee en besluit hen in 1979 te koppelen aan zijn groep Earth, Wind and Fire wat resulteert in het nummer Boogie Wonderland geschreven door Jon Lind and Allee Willis. Het nummer was al in het voorjaar van 1978 een keertje ingeblikt als een soort demoversie. Maar Maurice vindt dat het nummer aan iets ontbreekt tot hij er The Emotions aan toevoegt en kijk, de 12de mei 1979 verschijnt de song als single en iets later staat die te pronken op de zesde plaats in de Amerikaanse top honderd. Ook in de Britse hitlijsten is Boogie Wonderland goed voor een vierde plaats.

Nadien nemen The Emotions nog een aantal platen op onder meer voor het Tamla Motown label, maar zonder veel bijval. In 1996 verschijnt hun laatste album The Emotions Live in eigen beheer op hun Sunbeam label.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisya Lane & Marc Brillouet

 

 

Charles Aznavour

Je mag hem gerust de internationale ambassadeur van het Franse lied noemen. Ik leerde Charles Aznavour kennen toen ik in 1962 voor de eerste keer het liedje Et pourtant hoorde dat iets later in Amerika een hit werd voor Steve Lawrence als Yet I Know. Ik pikte rond die periode op de Nederlandse radio vaak Corry Brokken op met haar versie van La Mamma en het was Willem Duys die ons diets maakte dat het een chanson was van monsieur Charles. In 1962 klommen Les Compagnons de la Chanson in de hitlijsten met Les Comédiens, ook al een nummer van Aznavour.  Jaren later geraakte mijn echtgenote verknocht aan wellicht het mooiste lied dat hij ooit geschreven heeft Non je n’ai rien oublié. Hij zou de Franse dichter worden van een nieuw tijdperk. Hij gaf het Franse chanson een andere invalshoek: hij beschrijft het leven zoals het is, hij zingt over de man in de straat, over echte emoties, pijn en geluk. Hem vastpinnen op één lied zou zonde zijn, dus daar begin ik niet aan. Wel aan het overzicht van een méér dan rijk gevulde carrière.

Het had niet veel gescheeld of Charles was in Amerika geboren. Hij kwam de 22ste mei 1924 als Shahnour Varenagh Aznavourian in Parijs ter wereld terwijl zijn ouders daar wachtten op een visum voor de U.S.A. Ze waren Armenië ontvlucht op zoek naar een betere toekomst. Die kleine hield hen dus in Parijs, ze hadden geen andere keuze. Papa Micha stak zonder jammeren de handen uit de mouwen en begon een klein eethuis in de Franse hoofdstad. Er verbleven in die tijd nogal wat vluchtelingen uit Centraal-Europa in Parijs en Micha probeerde die op zijn manier te entertainen. Hijzelf was een niet onaardige bariton en mama Knar speelde de voortreffelijke gastvrouw. Zo hing er toch iets van een thuisgevoel in hun restaurant. Maar lang bleef de zon daar niet schijnen, want de donkere wolken van de recessie hingen in 1929 ook boven hun eethuis en ze konden niet anders dan de zaak sluiten. Ze vonden een onderkomen in de rue Cardinal-Lemoine, vlak tegen de school waar Charles als leerling in 1933 werd ingeschreven. Naar het voorbeeld van zijn moeder wil Charles acteur worden. Hij gaat lessen volgen en mag al snel in enkele stukken meespelen. Ook liggen er enkele rollen in een aantal films voor hem weggelegd. Wanneer zijn vader zich in 1939 bij het Franse leger aansluit, zit er voor Charles niets anders op dan zijn theaterambities op te bergen en voor de kost te gaan zorgen. Hij treedt al zingend op in cabarets en clubs in Pigalle en Montparnasse. Naast het acteren heeft hij op de Ecole du Spectacle piano leren spelen en notenleer. Dat helpt hem bij de keuze van een nieuwe job. Hij heeft nochtans niet de looks van een romantische crooner. Hij is klein, heeft een grote neus en zware wenkbrauwen. Een jaar of twee later leert hij in de “Club de la Chanson” Pierre Roche kennen. Ze ontdekken hun gezamenlijke interesse voor muziek. Pierre schrijft in zijn vrije tijd liedjes en hij weet Charles warm te maken samen een duo op te richten. Ook Charles ontdekt dat hij kan schrijven. Teksten liggen hem het best. Hij verwerkt zijn ideeën tot kleine theaterstukjes die op muziek worden gezet. Zo kan hij ook zijn ziel als acteur in de liedjes die hij componeert kwijt. Hun optreden is meteen een succes. Voor de Deense artiest Georges Ulmer schrijven ze J’ai bu dat in 1947 met Le Grand Prix du Disque wordt onderscheiden.

Van dan af gaat het vrij snel. Ze ontmoeten hun idolen Edith Piaf en Charles Trenet die hen stimuleren in het schrijven van hun eigen chansons. In 1946 trouwt Charles met zijn vriendin Micheline, een jaar later gezegend met de geboorte van hun dochter Séda. Met dank aan de relaties van Trenet en Piaf krijgen Charles en Pierre eind 1949 een lange reeks optredens in Montreal opgediend. Piaf is niet zo tuk op Pierre en vindt dat Aznavour hem de rug moet toekeren, maar Charles is zeer trouw. Wanneer hij samen met Piaf in New York is waar zij in “The Versailles” een reeks optredens geeft, wil hij doorreizen naar Canada om daar Pierre op te zoeken, maar Piaf verbiedt hem dat. Zij is erg blij wanneer zij hoort dat Pierre Roche intussen gehuwd is met de Canadese zangeres Aglaé die niet naar Frankrijk wil verhuizen en dus blijft Pierre in Canada achter. Aznavour heeft besloten voortaan in zijn eentje op te treden.   Die solo-optredens zijn geen lachertje.  Het publiek lust hem niet. Ze vinden hem fysiek niet aantrekkelijk en hij heeft ook geen aangename stem, maar zijn liedjes gaan erin als zoete koek. Hij wordt ontdekt door  Franse sterren zoals Patachou, Mistinguett en Juliette Gréco die al eerder het nummer Je hais les dimanches had opgenomen. Hij levert eveneens chansons aan Gilbert Bécaud. Zij zullen in de jaren die volgen ook samen schrijven: La Ville, Viens, Rentre chez toi et pleure. Ook Piaf heeft zijn talent ontdekt. Zij heeft tijdens hun bezoek aan zijn neusoperatie betaald zodat hij er wat aantrekkelijker uitziet. In ruil daarvoor vraagt zij hem  een bewerking te maken van de Amerikaanse song Jezebel, in die tijd een hit voor Frankie Laine.  Acht jaar lang zal Aznavour tot haar vaste entourage behoren. Er is zelfs een moment dat hij in haar voorprogramma optreedt, dat hij haar lichtinstallatie afstelt, haar microfoon uittest enz…Van haar leert hij vooral zichzelf te blijven tijdens zijn optredens, niet in de huid van iemand anders te kruipen. Het publiek neemt dat namelijk niet, je moet eerlijk blijven. Dat het ooit tot een vermeende liefdesrelatie tussen hem en Edith is gekomen, wordt met klem ontkend, ook door Piafs boezemvriendin Simone Berteaut die daar aandacht aan besteedt in haar boek “Piaf, non je ne regrette rien” dat in 1969 bij uitgeverij Laffont in Parijs verschijnt onder de Franse titel Piaf.

Na de geboorte van zijn zoon Charles, trekt hij op tournee in Noord-Afrika. Dat wordt wel een meevaller en vooral een goede leerschool. Hij zakt terug af naar Parijs wanneer hij een contract op de kop kan tikken voor een optreden in de “Alhambra”. Hij heeft intussen veel ervaring opgedaan en een repertoire opgebouwd, bestaande uit zo’n dertig eigen songs. Ook de “Olympia” in Parijs wenkt. De journalisten zien hem niet meteen zitten en zullen dat ook nooit echt, maar het Franse publiek is duidelijk weg van hem. Zijn succes kent wel een schaduwzijde, want zijn eerste huwelijk strandt. Hij trouwt in 1956 met Evelyne Plessis. Ze krijgen vrij snel een zoon, Patrick. Hij krijgt ook de kans zijn zelfgeschreven chansons op plaat te zetten: Parce Que, Après l’amour en Sur ma vie dat we mogen beschouwen als de start van zijn fenomenale carrière. Van dan af aan mogen we spreken van een typische en herkenbare Aznavourstijl.

Almaar meer vinden we hem in het theater. Op het podium voelt hij zich al zingend de koning te rijk. In 1956 ontmoet hij George Garvarentz, net zoals hij van Armeense afkomst. Ze gaan close samenwerken. In 1957 staat Charles opnieuw in de “Alhambra” en de “Olympia”. Hier bij ons zijn we dat na al die jaren misschien uit het oog verloren, maar Aznavour ontpopt zich tot een degelijk en gewaardeerd acteur. Hij sluit een platendeal met Barclay en brengt in 1957 het album “Bravos du Music-Hall” op de markt met daarop het swingende Pour faire une jam. Het gros van de liedjes heeft hij zelf geschreven, een paar samen met Pierre Roche. In 1958 schittert hij in de film “La tête contre les murs” van regisseur Georges Franju. Datzelfde jaar is er de elpee ”C’est ça” met daarop La ville dat hij samen met Gilbert Bécaud heeft geschreven. Hij had hem voor de eerste keer al zes jaar eerder ontmoet. Achteraf beschouwd, staan er op deze langspeler geen echte uitschieters. Het jaar nadien nodigt François Truffaut hem uit voor zijn film “Tirez sur le pianiste”. Opvallend is dat deze prent ook een filmhit wordt in Amerika. Dat is voor zijn carrière graag meegenomen. Hij mag zijn vocale kunnen etaleren in de befaamde “Carnegie Hall” in New York. Hij beheerst de Engelse taal een beetje en durft die stap te wagen. Live Magazine omschrijft hem als the show business phenomenon of the decade. Gemotiveerd door de talrijke  positieve reacties trekt Aznavour de halve wereld rond: Griekenland, Afrika, Rusland, Turkije… In 1960 is er het album Je m’ voyais déjà. Naar een Russische traditional schrijft hij Les deux guitares en de klassieker Tu t’laisses aller. Hij wordt op deze plaat bijgestaan door het orkest van Paul Mauriat. Dan is er de elpee “Il faut savoir”. De titelsong lanceert hem definitief als een van Frankrijks beste chansonniers. Ook nu weer wordt hij bijgestaan door het orkest van Paul Mauriat. In 1962 schrijft hij samen met Georges Garvarentz het al eerder genoemde Et pourtant dat ook te horen is op zijn elpee “La Mamma”Sinds die langspeler ben ik al die jaren verliefd gebleven op het lied Je t’attends dat hij samen met Gilbert Bécaud had geschreven. IJzersterk is deze plaat ook door het nummer J’aime Paris au mois de Mai en Plus bleu que le bleu de tes yeux. Opnieuw is Paul Mauriat van de partij. Charles presenteert ons eveneens op deze plaat een chanson dat tot een heuse klassieker zal uitgroeien La Mamma. In Nederland geraakt hij met de singleversie tot op de derde plaats van de top veertig in de lente van 1964. Een jaar eerder was het voor hem bij onze noorderburen al behoorlijk raak met For me… formidable te horen op de elpee “Qui?”. Op die plaat staat een liedje dat in de Franse hitlijsten opduikt Donne tes seize ans. Dat album staat nog altijd als een huis dankzij chansons zoals Bon anniversaire en Tu exagères. 1964 kondigt de geboorte aan van Charles’ elpee ”Hier Encore” met naast die hit nog een ander nummer dat vaak over de radio te horen is Que c’est triste Venise, een chanson dat hij samen met Françoise Dorin heeft geschreven.

We schuiven op naar 1965 wanneer hij zijn fans in de Olympia trakteert op een rist shows die in het totaal twaalf weken in beslag nemen. Hij is op dat moment in Parijs the talk of the town. Hij knoopt daar een optreden in de film “Paris au mois d’Août” van Pierre Granier-Deferre aan vast en verbluft vriend en vijand met zijn musical “Monsieur Carnaval”. In deze musical duikt het liedje La bohème op dat een regelrechte evergreen wordt. Aznavour schrijft het nummer samen met Jacques Plante. In de musical zelf werd het gezongen door Georges Guétary. Het is voor de hand liggend dat dat nummer de titelsong wordt van zijn nieuwe langspeler met daarnaast het voortreffelijke Paris au mois d’Août en Je t’aime comme ça. In Amerika worden zijn liedjes gecoverd door Bing Crosby, Frank Sinatra en Cher. In diverse interviews omschrijft hij zichzelf als “un tâcheron”, een ploeteraar die met woorden zwoegt tot er iets fatsoenlijks op papier staat waarmee hij aangeeft dat chansonnier zijn geen gemakkelijke stiel is. Hij denkt daarbij aan zijn collega Georges Brassens die hem ooit vertelde dat hij zich in zijn kelder opsloot om daar op zijn orgeltje liedjes te schrijven en aan Charles Trenet die elke ochtend trouw achter zijn schrijftafel ging zitten. Dat jaar neemt hij de langspeler “Charles Aznavour 65″ op ook deze keer weer samen met het orkest van Paul Mauriat. We onthouden vooral de nummers Reste, Une enfant en A tout jamais al hebben we veel beter werk van hem gehoord. Het tempo waarin hij optreedt en liedjes schrijft, ligt zeer hoog. In 1966 is er als goedmaker de elpee “De t’avoir aimée” met naast de dromerige titelsong het trieste Et moi dans mon coin en Je ne peux pas rentrer chez moiAznavour blijft acteren combineren met zingen. Het chanson is zijn “amour nécessaire”. Daarzonder kan en wil hij niet leven. Het filmen beschouwt hij als zijn maîtresse. Live optreden is ook niet altijd je dat. Je staat haast alleen op een podium en je gaat ook in je eentje terug naar huis. Dan is er steeds die leemte: het applaus en je publiek dat je mist. Er is ook in de jaren zestig die constante druk om hits te scoren, elke elpee moet een voltreffer worden en dat lukte niet altijd. Zo is er in 1967 onder meer de langspeler “Entre deux rêves”, een plaat die niet echt opviel, laat staan ons is bijgebleven.

Qua huwelijkstrouw neemt Aznavour het blijkbaar niet zo nauw. In 1968 trouwt hij voor de derde maal, deze keer met de Zweedse Ulla Thorsell. Hij vindt het de moeite waard, en hij kan het zich intussen permitteren, in Las Vegas te trouwen. Het jaar nadien krijgt hij in Amerika een award van The Association of American Songwriters and Composers. Voor het liedje Hier Encore krijgt hij in zijn thuisland “La Médaille Vermeil”. Datzelfde jaar wordt zijn derde huwelijk gezegend met de geboorte van zijn dochter Katia. Almaar vaker wordt hij in de pers de Franse Frank Sinatra genoemd en die vergelijking zint hem wel al komt hij qua stembereik niet eens in de buurt van The Voice. Niet dat Aznavour zijn succes in de schoot kreeg geworpen. Hij vindt nog steeds dat hij harder heeft moeten werken dan Gilbert Bécaud of Yves Montand om er een paar te noemen. Hij heeft zich in de loop van zijn carrière voortdurend intens moeten inzetten. Hij timmerde ettelijke jaren aan de weg vooraleer hij pas echt doorbrak en gewaardeerd werd. Hij is ervan overtuigd dat hij zich als zoon van immigranten harder moest bewijzen. Hij wou ook geen genoegen nemen met één hit. Voor hem was het erop of eronder met de top als enige voldoening. Maar de weg naar die top was hard. Hij herinnnert zich als geen ander hoe hij talrijke fluitconcerten moest doorstaan omdat het publiek hem eerst niet wilde waarderen en vooral niet begrijpen. Zijn stem was niet meteen moeders mooiste. Er werd zelfs met bierflesjes naar het podium gegooid. Hij noemt zijn beginjaren dan ook “les années de vaches maigres”. Maar die hebben hem gehard, hebben hem een staalhard karakter bezorgd en daarmee kan hij bergen verzetten. Telkens weer, met elke nieuwe plaat en met elk optreden wil Aznavour zich bewijzen. Hij heeft een enorm gevoel van eigenwaarde en is daardoor ook een fier mens, iemand die apetrots is op zijn prestaties, maar ook iemand die veel van zichzelf eist. Dat verklaart ook dat hij platen blijft opnemen en, ondanks zijn hoge leeftijd, blijft optreden. Hij mag dan ijdel zijn, hij is nooit tevreden. Het kan altijd beter. Met die inzet begint hij aan zijn biografie “Aznavour par Aznavour”. Hij verhuist voor een tijdje naar Amerika en geeft een compleet andere draai aan zijn chansons. Hij vertrekt niet meer vanuit zijn eigen leefwereld, maar kijkt naar de wereld om zich heen zoals in Le temps des loups, Mourir d’aimer en Comme ils disent waarin hij het thema van de homoseksualiteit durft te bezingen. Na succesrijke optredens in Amerika, onder meer op Broadway, keert hij in 1971 naar Parijs terug. Enkele maanden later wordt zijn dochter Misha geboren. Er is ook de geboorte van het album “Idiote je t’aime…” Samen met zijn schoonbroer George Garvarentz – die was in 1965 met Charles’ zuster Aida Aznavourian getrouwd – schrijft hij het onnavolgbare Non je n’ai rien oublié, volgens zijn fans zowat het mooiste dat hij ooit heeft ingeblikt. Een lied om u tegen te zeggen. Dat chanson heeft veel te danken aan de arrangementen van Christian Gaubert en Claude Denjean. Op die plaat staat eveneens het opvallende Les plaisirs démodés, een song die uptempo begint en dan overgaat in een rustige slowfox. Het nummer is een single en een bewerking méér dan waard. Dat rustige gedeelte wordt apart ook bekend als The old fashioned way. Met die versie staat hij de derde november 1973 op 18 in de Belgische top dertig waar hij twee jaar eerder op negen had staan pronken met Yesterday when I was young, de Engelstalige versie van Hier Encore. The old fashioned way wordt een bescheiden meevaller in de Britse hitlijsten al moet hij daar genoegen nemen met de achtendertigste plaats. Optreden blijft hij doen met veel zin en evenveel goesting. Een liedje voor de vijfhonderdste keer zingen, deert hem niet. Het zijn zijn kinderen die hij met graagte blijft etaleren. Kritiek heeft hij na al die jaren naast zich neer leren te leggen. Hij weet best wel wanneer iets niet juist zit of wanneer iets tegenvalt. Daar heeft hij het oordeel van anderen niet voor nodig.

De 22ste juni 1974 staat Charles Aznavour tot zijn eigen verbazing op één in de Britse top veertig met She. Dat jaar ging op de Britse televisie de dramareeks “Seven faces of woman” naar een idee van Richard Doubleday van start. Richard was voordien al producer geweest van de populaire tv-reeks “Coronation street” en van de serie “A family at war”. Voor “Seven faces of woman” zouden enkele schrijvers zeven toneelstukken aanleveren waarin telkens het leven van één vrouw werd belicht. De reeks begon met “A wish for Wally’s mother” en eindigde met “Cherryripe and the lugworm digger” (later zou nog een tweede serie worden uitgewerkt). De producer had een muzikale link nodig die die zeven delen aan mekaar koppelt. Voor de soundtrack werd een beroep gedaan op Herbert Kretzmer, een journalist die eveneens als liedjesschrijver werkzaam was. Hij schreef reportages voor The Daily Express en leverde daarnaast liedjes voor het beroemde BBC-satireprogramma “That was the week that was. Hij schreef ook teksten voor de musicals “The Four Musketeers”, “Martin Guerre” en “Les misérables”. De verantwoordelijke producer van “Seven faces of woman” wou dat Herbert Kretzmer een song schreef die als begingeneriek kon dienen, gezongen door Marlène Dietrich, maar dat vond Herbert niet zo’n goed idee. Hij vond dat een vrouw niet over een vrouw hoorde te zingen, ze hadden een zanger nodig, iemand met een rijpe stem en zo kwamen ze bij Charles Aznavour terecht. Voor de reeks mocht het melodietje niet te lang duren, niet langer dan de begingeneriek. Dat bleek niet langer dan vijfendertig seconden te zijn. Maar toen die song een succes bleek te worden, was er een singleversie nodig en omdat Charles Aznavour druk met zijn tournee bezig was, duurde het even vooraleer hij de melodie volledig had uitgeschreven zodat Herbert er een toepasselijke tekst bij kon verzinnen. Toen Charles, Herbert de eerste noot liet horen, schoot hem meteen het woord she door het hoofd en de rest was bijna kinderspel. In 1974 wordt She een nummer 1 in Engeland. Charles wordt daarmee de oudste zanger die tot dan ooit een nummer 1 scoorde in Engeland. Maar She wordt geen succes in Frankrijk noch in Amerika. Toch zou Aznavour She in diverse talen opnemen: Frans, Engels, Italiaans, Spaans en Duits. Voor de film Notting Hill (1999)  zingt Elvis Costello van She een versie in die zowel aan het begin als aan het einde van de film te horen is.

Behoorlijk wat airplay geniet het nummer Mes emmerdes dat we terugvinden op het album “Voilà que tu reviens” dat in 1976 wordt uitgebracht met daarop als uitschieters bewerkingen van Par Gourmandise, Et Pourtant, Que c’est triste Venise en Ils sont tombés. In het kielzog van het succes van She trekt Aznavour naar Engeland om daar een aantal van zijn bekendste songs in het Engels in te zingen: How sad Venice can be, Happy Anniversary, And In My Chair, There Is a Time

Aznavour blijft gretig reageren wanneer hem een filmrol wordt aangeboden. Hij wil als acteur ook almaar beter uit de verf komen. In het totaal speelt hij in méér dan zestig films waarvan we onthouden: “Candy” van Christian Marquand, “Le tambour” van David Bennent, “Les fantômes du Chapelier” van Claude Chabrol, “Edith et Marcel” van Claude Lelouch die ook met Aznavour “Vive la vie” draaide. Voorts “Les années campagne” van Philippe Leriche, “Vendetta” van Dennis Berry, “Mon colonel” van Laurent Herbiet en “Un homme et son chien” van Francis Huster. Zo fier als aan pauw is hij wanneer hij verneemt dat Ray Charles zijn tanden in La Mamma heeft gezet en zo blij als een kind wanneer Bing Crosby hem laat weten dat hij Yesterday when I was young  heeft ingezongen. In 1980 laat hij het Parijse publiek horen dat hij het zingen nog niet verleerd is en geeft een rist opmerkelijke concerten in de “Olympia”. Drie jaar later komt er een einde aan zijn samenwerking met platenfirma Barclay. Hij sluit pas twee jaar nadien een nieuwe deal en wel met platenfirma Trema die besluiten zijn vroegere albums op cd uit te brengen. Tegelijkertijd verrast hij zijn fans met een nieuw album met daarop het nummer Les Emigrants en het wat beter in het gehoor liggende Embrasse-moi en Toi contre moi. Het schrijven samen met Georges Garvarentz klikt nog altijd. 1988 staat hij nog maar eens op de planken van het “Palais des Congrès” waar hij laat horen waarom hij al zoveel jaren meedraait.

Datzelfde jaar richt hij de stichting “Aznavour pour L’Arménie” op. Het noorden van Armenië wordt door een aardbeving zwaar getroffen. Ook al is hij in hart en nieren een Fransman, zijn geboortegrond draagt hij in zijn hart steeds mee. Hij heeft hard gestreden om de genocide van 1915-1916 door de Franse regering en het Europees parlement te doen erkennen. In 1975 herdenkt hij de zestigste verjaring van die Armeense genocide in het lied Ils sont tombés. Turkije wordt voor deze gruwelijke daad verantwoordelijk gesteld al zijn ze dat al die tijd blijven ontkennen. Daarom dat hij meteen ja zei toen de Canadees-Armeense cineast Atom Egoyan hem vroeg de rol van Edouard Saroyan te vertolken in de film “Ararat”. Deze film probeert een beeld te schetsen van de sporen die de Turkse genocide in Armenië heeft achtergelaten. Aznavour heeft geen enkele behoefte om naar zijn geboortegrond terug te keren. “We hebben ons aangepast, we hebben onze vaste stek gevonden en dat geldt voor velen van mijn landgenoten. Het is goed zo! Mochten de Turken toegeven dat ze fout waren, dan was het nog beter. Dat zou vele wonden helpen genezen”, aldus Charles Aznavour die het in vele van zijn chansons regelmatig over de trieste dingen in het leven heeft, maar ondanks die teleurstellingen vaak een uitweg ziet. Er klinkt ook vaak melancholie in zijn liedjes, spijt om de dingen die voorbij zijn en nooit meer weerkeren.

In 1991 wordt zijn boek “Des mots à l’affiche” gepubliceerd met daarin een selectie van zijn bekendste teksten en chansons. Steeds op zoek naar een goede investering koopt hij in 1992 de Raoul Bretoncollectie waardoor hij eigenaar wordt van een rist parels van de Franse muziek waaronder liedjes van Edith Piaf en Charles Trenet. De 19de maart 1993 overlijdt George Garvarentz. Naast de vele chansons die hij samen met zijn schoonbroer Charles schreef, componeerde hij de muziek voor méér dan 150 films. Het jaar voordien had hij nog samengewerkt aan het album “Aznavour 92″ en nam hij de artistieke verantwoordelijkheid voor zijn rekening. We onthouden Napoli chante en On ne veut plus de nous ici. Twee jaar later tekent hij een contract met platenfirma EMI die besluiten een cd-box op de markt te brengen. Na een grondige selectie en een al even grondige voorbereiding worden in 1996 dertig cd’s uitgebracht met daarin de heruitgave van zijn belangrijkste elpees. Hij verschijnt op de cover van het bekende Amerikaanse muziektijdschrift Billboard, een opvallende prestatie voor een Franse artiest. In 1998 is er de in het oor springende cd “Jazznavour” met daarop jazzy bewerkingen van een aantal van zijn bekendste chansons zoals: De t’avoir aimée, Mes emmerdes, She en For me formidable. Hij wordt bijgestaan door een handvol gerenommeerde namen: Dianne Reeves, Michel Petrucciani en Richard Galliano.

In de nasleep van wat problemen met zijn gezondheid en een zwaar auto-ongeval beslist Aznavour het wat stilletjesaan te gaan doen. Hij neemt afscheid van zijn fans in Quebec en beslist in de maand oktober 2000 in Parijs er voorgoed mee op te houden, maar tegen die tijd is zijn afscheidstournee goed voor zo’n 180 concerten. Hij lanceert dat jaar zelfs nog een nieuwe musical ”Lautrec” over de Franse kunstenaar Toulouse-Lautrec. De nummers Quand tu m’aimes en Je ne savais pas uit deze musical zijn ook te horen op zijn nieuwste cd “Aznavour 2000″. Als hommage aan de overleden Dalida schrijft hij De la scène à la Seine. De achtste oktober 2001 benoemt president Jacques Chirac hem tot Commandeur de l’Ordre du Mérite tijdens een speciale gelegenheid op het Elysée. Enkele maanden eerder mag hij met trots vernemen dat de Franse regering de Armeense genocide heeft erkend. Hij uit in het openbaar zijn ongenoegen over de opkomst van de rechtse extremist Jean- Marie Le Pen. In de maand september van 2003 presenteert hij zijn memoires in het boek “Le temps des avants” en trakteert ons op het album “Je voyage”. Negentig procent van de liedjes schrijft hij zelf. Het nummer dat me daarvan het meest is bijgebleven is Lisboa en ook het lekker swingende La Critique. Van de 16de april tot en met de 22ste mei 2004 viert hij samen met zijn fans zijn tachtigste verjaardag in het “Palais des Congrès”. Hij denkt al lang niet meer aan afscheid nemen. Hij heeft eens zitten rekenen en komt tot de vaststelling dat hij zo’n driehonderdvijftig liedjes in het Frans heeft opgenomen, honderdvijftig in het Engels , negen albums in het Spaans, zeven in het Duits… en ga zo nog maar even door. Hij mag als cadeau voor zijn tachtigste verjaardag van zijn platenfirma een duettenalbum inblikken. Hij krijgt daarbij de steun van onder anderen Line Renaud, Nana Mouskouri en Florent Pagny. Dat bevalt hem zo goed dat hij aan zijn cd ”Insolitement vôtre” dat hij in 2005 opneemt zeven duetten toevoegt. Zo horen we hem vocaal in duel met Isabelle Boulay, Serge Lama, Annie Cordy en zijn dochter Katia Aznavour. Nog steeds vindt hij de courage om opnieuw de studio in te trekken. In oktober 2006 logeert hij twee weken na mekaar in de “Egrem Studio” in Havana waar hij samen met de Cubaanse componist Jesus Valdès de cd “Colore ma vie” voorbereidt. Van chachacha over calypso tot en met mambo, dat zijn de ingrediënten die zijn album kruiden al reserveert hij een integer moment voor het lied Tendre Arménie. Als ambassadeur van zijn land organiseert hij nog maar eens een benefietconcert, deze keer de 17de februari 2007 in “L’Opéra Garnier” in Parijs met aan zijn zijde Patrick Bruel en Bénabar. Steeds op zoek naar grootser en vooral méér is er op het einde van 2008 de dubbele cd “Duos” met daarop een keur van bekende namen: Laura Pausini, Elton John, Sting, Johnny Hallyday, Julio Iglesias. Via een technisch trucje blikt hij ook drie virtuele duetten in met drie van zijn grootste idolen: Edith Piaf, Dean Martin en Frank Sinatra. Een jaar later wordt hem door de Universiteit van Quebec een eredoctoraat uitgereikt voor zijn inzet voor de verspreiding van de Franse cultuur. Omdat jazz hem erg na aan het hart ligt, brengt hij in de herfst van 2009 de cd “Charles Aznavour and The Clayton Hamilton Jazz Orchestra” op de markt  en trekt voor de opnamen naar de legendarische Capitol studio’s waar grootheden als Nat King Cole en Frank Sinatra ooit hebben gezongen. Dit album resulteert in swingende versies van Comme ils disent en La Bohème.

Met het oog op zijn 87ste verjaardag plant hij in 2011 nog eens een optreden in de Parijse “Olympia”. Er is ook de nieuwe cd “Aznavour Toujours” waarvoor hij onder anderen de zoon van Jacques Dutronc, Thomas, optrommelt. De coverfoto van het album is getekend Karl Lagerfeld. Ook dan horen we hem met trots in menig interview vertellen: ” Je suis toujours là, en haut de l’affiche“. Dat was en blijft zijn grootste streefdoel, ondanks zijn hoge leeftijd. Naar de dood verlangt hij niet, maar hij zal nederig zijn hoofd buigen als de tijd gekomen is, alhoewel hem nog te veel dingen en mensen na aan het hart liggen om nu al naar de eeuwige jachtvelden te trekken. Hij denkt daarbij aan wat zijn collega Léo Ferré ooit zei:” Un homme debout ne se couche que pour mourir!” Hij wil herinnerd worden, niet zozeer als de zanger met de opvallende stem en de kleine gestalte, maar wel als de auteur van mooie liedjes, vooral als de schrijver van aangrijpende teksten. De melodie mag eenvoudig zijn, zolang de tekst maar evenwichtig gedragen wordt. En in die opzet is hij sowieso geslaagd met méér dan tachtig albums en twintig singles op zijn actief.

In de maand oktober 2014 wordt Aznavour wegens een infectie in een Zwitsers ziekenhuis opgenomen, maar meteen nadien smeedt hij weer plannen, onder andere de opname van een nieuwe cd die hij nog het koste wat het kost wil uitbrengen. “Encores” is de titel van die cd die de zestiende mei 2015 in de winkels ligt. Hij wordt enkele dagen later eenennegentig, maar weet nog altijd van geen ophouden. Hij schreef deze keer niet alleen de liedjesteksten en muziek, maar eveneens de arrangementen. De allereerste keer dat hij die klus zelf klaart. Dat jaar staan er zes optredens in het “Paleis des Sports” gepland en een concert in de Londense “Royal Albert Hall”.

Aznavour verblijft sinds 2012 in het Zwitserse dorpje Saint-Sulpice (amper drieduizend inwoners) in het kanton Vaud waar hij een nieuw huis liet bouwen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Petula Clark

Zij heeft me ooit gezoend. Niet spontaan, pas nadat ik het haar beleefd had gevraagd, maar toch. En ze heeft toen ook de cover gesigneerd van het Franse maandblad “Jukebox” met haar op de cover. Hangt gesigneerd bij mij op de overloop waar ik vaak passeer en terugdenk aan die kus van toen. In 1998 werd ze door Queen Elizabeth II geridderd in De Orde van Het Britse Rijk. Vier jaar later begon ze nog aan een tournee in Engeland en sloot daarop aan met een groots optreden in de Parijse “Olympia”.

Ze werd de vijftiende november 1932 in Surrey geboren en gedoopt als Petula Sally Olwen Clark. Papa Leslie Norman was verpleegkundige net zoals zijn vrouw Doris Phillips. Papa had zijn dochter Petula genoemd omdat hij op een speelse manier de voornamen van zijn twee vorige liefjes had samengevoegd: Pet en Ulla. Mama Doris kon ermee leven. Lang voor de format van de playbackshow was uitgewerkt, deed Petula niets liever dan artiesten imiteren. Tijdens familiefeestjes pakte ze maar wat graag uit met haar imitaties van Sophie Tucker, Carmen Miranda en Vera Lynn. Ze is nog maar een ukkepuk van een jaar of zes wanneer ze na een opvoering van het stuk “Mary Tudor” te hebben bijgewoond, besluit actrice te worden. Haar idool wordt Ingmar Bergman al zal ze al zingend haar eerste stappen op de bühne zetten en wel als zangeres bij de band die in “Bentalls Department Store” in Kingston upon Thames de klanten verwelkomt. Het kon niet uitblijven of ze zou als kindsterretje in de kijker lopen. Met haar papa trekt ze in het najaar van 1942 naar de BBC om daar aan een oom die in het leger verblijft de groetjes over te maken. Tijdens die opnamen is er bomalarm en moet iedereen de schuilkelder induiken. Om het aanwezige publiek wat op zijn gemak te stellen, begint Petula enkele liedjes te zingen.  Wat als een grap begon, eindigt in een reeks van 500 optredens voor de radio in programma’s waarmee ze de Britse soldaten in het buitenland wat proberen te verstrooien en op te beuren. Liedjes kent Petula genoeg, want tijdens die Tweede Wereldoorlog wordt ze door haar ouders samen met haar zus naar hun grootouders in Merthyr Tydfil in Wales gestuurd en daar leren ze van hen heel wat nummers en wordt er haast elke dag gezongen. Binnen de kortste keren is Pet de zingende mascotte van het Britse leger en Vera Lynn the forces’ sweetheart.   Ze wordt gepromoot als de Britse Shirley Temple en dat aan de zijde van dat andere getalenteerde wonderkind Julie Andrews.

Het kan niet lang uitblijven of de bioscoop lonkt. Tijdens een optreden in 1944 in de Londense “Royal Albert Hall” wordt ze gespot door filmregisseur Maurice Elvey die haar als een weeskind doet opdraven in zijn productie “Medal for the General”. Er zullen nog een rist B-films volgen zoals: “I know Where I’m Going”, “London Town”, “Strawberry Road” en ”Here Come The Huggetts”. Het betere werk is voor haar weggelegd in de prent “Vice Versa” aan de zijde van Anthony Newley en in “The Card” samen met Alec Guinness. Ze is er ook bij tijdens de begindagen van de Britse televisie wanneer de BBC in 1946 uitpakt met “Cabaret Cartoons”. Ze krijgt in de namiddag ook een eigen show “Petula Clark”. Drie jaar later pakt ze uit met het programma “Pet’s Parlour”Al lag het in die tijd niet voor de hand, toch wordt er een platencontract afgesloten en wel met EMI. Petula is dan net zeventien. Nu is EMI niet van plan een meerjarencontract af te sluiten. Put your shoes on, Lucy wordt een kleine meevaller, maar papa Clark is zo slim om samen met Alan A. Freeman een eigen firma op te richten Polygon Records. Er zullen in de loop van de jaren vijftig een aantal singles volgen met erg wat impact op de Britse en hier en daar internationale hitlijsten. We denken daarbij aan songs zoals Majorca, Suddenly There’s a Valley en With All My Heart dat haar grootste hit zal worden met een vierde plaats als hoogste notering in de Britse Top Veertig. Die serie hits begint in 1954 met The Little Shoemaker dat in Australië zelfs tot op de eerste plaats belandt. Oorspronkelijk was het een Frans liedje van Francis Lemarque van een Engelse tekst voorzien door John Turner en Geoffrey Parsons. In het boek “Top Pop Singles” van Joel Whitburn noteren we dat Petula in Amerika in 1953 al een single uitbracht op het Coral-Label Tell Me Truly gekoppeld aan Song Of The Mermaid. Twee jaar later wordt ze in de pers gekoppeld aan pianist Joe Henderson die daar niet zo tuk op is. Hij wil zich zeker niet binden aan Petula en zet snel een punt achter hun verhouding al blijven ze een aantal jaren als artiesten samenwerken onder meer in de BBC-reeks “Pet and Mr Piano”. Hij zal voor haar ook enkele songs schrijven, onder andere There’s Nothing More To Say. In 1955 heeft papa Clark zijn firma Polygon Records verkocht aan Nixa Records, een zustermaatschappij van Pye Records. Die deal zal tot in 1971 blijven duren.

In Frankrijk worden de hits van Petula niet uitgebracht omdat daar Dalida een vette kluif heeft aan de vertalingen van haar hits. Dat brengt Léon Cabat van Vogue Records op de idee Petula in Frankrijk uit te nodigen zodat de Fransen met haar kunnen kennismaken. Dat gebeurt tijdens een concert in de Parijse “Olympia” in 1957. Ze is snipverkouden, draagt op dat moment een rosgekleurd kapsel, maar ze haalt haar slag thuis.  Een dag later wordt ze door de directie van Vogue uitgenodigd om een eventuele samenwerking te bespreken. Het is hier dat ze kennismaakt met de promotieverantwoordelijke van de Franse platenfirma Claude Wolff die later haar man zal worden. In samenspraak met haar nieuwe platenfirma vliegt ze meteen nadien naar Londen om daar haar tot dan toe grootste hit With All My Heart van een Franstalige versie te voorzien. Vrij snel worden Petula en Claude verliefd op elkaar en in de loop van 1959 gaan ze in Parijs samenwonen. Wat haar elpees betreft, ze neemt in die periode een aantal langspelers op die een beetje los staan van de rest. Zo is er in 1960 “In Hollywood” dat ze integraal in Amerika inblikt samen met de arrangeurs Don Ralke, Billy May en Pete King. Ze had die elpee in  één week tijd in de loop van de maand mei van 1959 ingezongen in de “Universal Sound Studios” in Los Angeles. Ze kiest daarvoor uit het rijke repertoire van Cole Porter, Rodgers en Hart en Irving Berlin. Songs zoals: Day In Day Out, I’m In Love Again en Too Darn Hot. Net zo vreemd als de vorige is het album “In Other Words” dat ze in 1962 aflevert met daarop Fly Me To The Moon, Mademoiselle De Paris, Be Anything en For Every Man There’s A Woman. Dit album is mijlenver verwijderd van de stijl zoals ze enkele jaren later zal klinken wanneer ze aan een onstuitbare opmars in de Amerikaane charts begint. Petula Clark zingt op dit album alsof ze net zo wil klinken als haar collega Doris Day. Het album krijgt een jazzy accent mee en is echt iets voor verzamelaars die niets van haar oeuvre willen missen.

In 1960 reist ze door ons land en Frankrijk aan de zijde van de dan immens populaire Sacha Distel. Ze houden er voor de rest van hun leven een close vriendschap aan over. Het geluk lacht haar toe, want de 26ste januari 1961 staat ze voor de eerste maal boven aan de Britse charts en dat met Sailor. Dat nummer is een vertaling van de Duitse hit Seemann waarmee Lolita in haar thuisland gigantisch had gescoord. Ze zal in het najaar van 1960 in Amerika tot op de vijfde plaats van Billboard’s Hot One Hundred geraken waarmee ze een van de weinige Duitse artiesten is die ook bij Uncle Sam aanslaan.  De muziekuitgever van Petula Clark belt op een vrijdagavond naar Norman Newell of die tegen maandag een tekst kan verzinnen, maar Norman vergeet dat. Pas wanneer de koerier bij hem ‘s maandags passeert, wordt hij eraan herinnerd. Hij vraagt hem even in de kantine van zijn bedrijf te wachten en tien minuten later is de tekst klaar. Ik mag niet vergeten aan te halen dat ze in het najaar van 1957 had gescoord met Alone en enkele maanden later met Baby Lover, twee singles die ook bij ons behoorlijk vaak over de radio te horen waren.

Vreemde talen liggen Petula wel, al zingt ze die met een opvallend Brits accent. Zo kunnen we haar almaar vaker horen in het Italiaans, het Spaans en het Duits. Omdat ze tot over hun oren verliefd zijn trouwen Petula en Claude in 1961 in Frankrijk voor de wet en in Engeland voor de kerk. Daar slaat ze vrij snel na elkaar nog twee hits aan de haak: in de zomer van 1961 met Romeo, als Salomé in Duitsland bekend als een operetteklassieker van Robert Stolz, en enkele maanden later My Friend The Sea. Ze besluit om samen met Claude definitief in Frankrijk te gaan wonen. Ze wil weg uit Engeland omdat ze haar daar nog altijd als een soort wonderkind benaderen en daar heeft ze absoluut geen zin meer in. Ze vertaalt het nummer Ya Ya van de Amerikaanse blueszanger Lee Dorsey in het Frans en geeft er een dansante touch aan, want op dat moment viert de twist zowat overal ter wereld hoogtij. Ze houdt er de stevige hit The Ya Ya Twist a aan over. Die wordt ook de trekpleister van het gelijknamige album dat ze in 1962 in de markt zet.  Ze weet dat ze haar repertoire een modernere klank moet geven, want er zijn kapers op de kust. De concurrentie groeit aan: Sylvie Vartan, Françoise Hardy, Michèle Torr en Sheila, de yé-yé girls. Ze leent het nummer Chariot van de Franse componisten J.W. Stole en Del Roma. Dat zijn de schuilnamen van de bekende producers en orkestleiders Franck Pourcel en Paul Mauriat die aan Jacques Plante hadden gevraagd er een Franse tekst voor te schrijven. Voor Petula wordt het zowel in Frankrijk als in België een stevige hit, iets later in Amerika op plaat gezet door Little Peggy March als I Will Follow Him waarmee ze de 23ste maart 1963 op één staat in Billboard’s Hot One Hundred. Ze gaat iets later op tournee met Jacques Brel die speciaal voor haar Un Enfant schrijft. Zij durft ook zelf in de pen te kruipen wanneer ze in 1963 de muziek mag schrijven voor de Franse film “A Couteaux Tirés” van regisseur Charles Gérard met in de hoofdrollen Françoise Arnoul en Marcel Dalio. In 1963 is er voor de Franse markt het album “Ceux Qui Ont Un Coeur”, een vertaling van Anyone who had a heart van Burt Bacharach en Hal David. Op dit album zet ze ook een heerlijke cover neer van Needles and Pins dat op dat moment een grote hit is voor de Britse Searchers La Nuit N’En Finit Plus. Zij houdt er almaar meer van zelf te schrijven, zij het in samenwerking met anderen.

Zo onthouden we vooral het hitgetinte Elle est finie la belle histoire.In Engeland geraakt Petula Clark niet meer zo vlot in de hitlijsten. Het wordt tijd voor een nieuwe muzikale invalshoek. Het is haar vaste producer Tony Hatch die op zekere dag naar Parijs afreist om daar met haar te bomen over een nieuwe aanpak van haar songmateriaal. Hatch vindt dat het na al die Franstalige hits wel weer tijd is geworden om wat in haar moedertaal te gaan zingen en opnemen. Terwijl Petula in de keuken thee aan het zetten is, komt ze meteen de living binnenstormen wanneer ze een demobandje hoort dat Tony net heeft gestart. Het zijn nog maar de eerste klanken van wat iets later Downtown wordt, want Tony heeft er nog geen tekst bij geschreven. Hij heeft het eigenlijk per vergissing klaargezet, want hij had het nummer geschreven in een hotel in de buurt van Central Park in New York met de bedoeling het verder uit te werken en door te spelen aan The Drifters. Maar goed, Petula dringt aan en zij krijgt de eer om de 16de oktober 1964 naar Londen te vliegen om daar in de “Pye Studio” in Marble Arch het nummer in te zingen. Dat moet allemaal live gebeuren. Dus geen vooraf opgenomen takes. Tony houdt er immers van alles in één track in te blikken, orkest en zang tezamen.  Zo herinnert Petula zich nog dat ze in twee studio’s tegelijk opnamen die in verbinding met elkaar stonden via een tv-camera en dat een van de gitaristen Jimmy Page was. Popliefhebbers kennen hem van The Yardbirds en Led Zeppelin.  In Engeland wordt Downtown  bekroond met een tweede plaats. In Amerika doet Petula, die daar nog nooit eerder een hit had gescoord, het nog beter door op één neer te strijken. De 23ste januari 1965 is het zover. Ze heeft vijf weken nodig om van de 87ste plaats door te stoten naar de absolute top van de charts. In de States gaan er drie miljoen exemplaren over de toonbank. Haar platenfirma aarzelt niet en voelt zich niet te beroerd om Downtown uit te roepen tot een soort anthem van de jaren zestig.

Voor Petula wordt Downtown haar signaturesong zoals I Left My Heart in San Francisco dat was voor Tony Bennett en Fever voor Peggy Lee. Ze mag optreden in zowel “The Ed Sullivan” als in “The Dean Martin Show”. In 2003 wordt Downtown met de nodige eer opgenomen in “The Grammy Hall of Fame”. Vlaanderen reageert niet zo wild op Downtown. Een elfde plaats vinden wij ruim voldoende. Onze noorderburen zijn guller met de punten en belonen Clark met een derde plaats in hun top veertig. Voor de Franse markt neemt ze dat jaar het album “Petula ’65″ op met daarop uiteraard de Franse versie van DowntownDans le temps en daarnaast ook een vertaling van haar andere hit I Know A Place, Viens Avec Moi. Om aan de vraag te blijven voldoen, sluit ze daar een jaartje later op aan met “Petula ’66″ met als uitblinkers onder meer La Gadoue van Serge Gainsbourg die haar op zekere dag in Parijs komt opzoeken. Zij vond hem toen al een heel schuchtere man die pas loskwam als hij een paar borrels had gedronken. Hij levert haar voor dat album eveneens het chanson Les Incorruptibles.

Amerika drukt Petula na aan zijn hart. Ze zal de komende jaren de ene hit na de andere scoren. Meteen na Downtown is het raak met I Know A Place, goed voor een derde plaats in de top honderd. En dan is er in 1965 de elpee ”The New Petula Clark Album”. Ik weet nog goed dat ik gelijk weg was van de song Call Me haar aangereikt door, hoe kan het ook anders, Tony Hatch. Ik was iets minder gecharmeerd door haar interpretaties van Dancing In The Street en The “In” Crowd, maar dat doet er hier niet toe.  Op kerstdag  wordt het nummer My Love, eveneens van de hand van Tony Hatch, in de States op single uitgebracht. Ze was er niet tuk op, ze vond het vervelend steeds datzelfde refrein te moeten herhalen, maar haar Amerikaanse platenfirma Warner Brothers Records houdt voet bij stuk. Ze zal iets later twee weken na mekaar daarmee op één staan te pronken. Hatch levert haar ook de volgende hits: I Couldn’t Live Without Your Love, Who Am I en Colour My World. In Engeland zijn het My Love en I Couldn’t Live Without Your Love die de top bereiken. Met My Love voorop brengt ze een gelijknamig album uit met daarop negen songs door Tony Hatch geschreven waarvan een aantal samen met Petula. Door de jaren heen en door haar succes als zangeres zijn we wat uit het oog verloren dat ze ook regelmatig zelf liedjes aanreikte en dat deed met verve. Op een moment dat de meesten van haar collega’s elpees uitbrengen boordevol covers, durft zij het aan nieuw songmateriaal aan te brengen al moeten we eerlijk zijn en toegeven dat de meeste van die nieuwe liedjes geen eeuwig leven is beschoren en door de bank in het vergeetboek zijn beland. Bij het album ”I Couldn’t Live Without Your Love”, waarop ze ondanks die opmerking van daarnet toch aardig wat covert, kan je je de vraag stellen of de wereld zit te wachten op een poppy uptempo versie van Strangers In The Night of A Groovy Kind Of Love, Monday Monday en Bang Bang door haar door een andere bril bekeken? Je voelt zo dat Tony Hatch het als arrangeur voor het zeggen heeft en dat hij overal zijn stempel op wil zetten. Wat we wél moeten toegeven, is dat op dat moment Petula Clark de meest succesvolle Britse zangeres in Amerika is, zonder Dusty Springfield daarbij uit het oog en het oor te verliezen.

Haar grootste internationale hit scoort Petula in 1967 met This Is My Song. Nogal wat artiesten kunnen liedjes opsommen die grote hits zijn geworden, maar waar ze vooraf weigerig tegenover stonden omdat ze het nummer aanvankelijk niet lustten. Frank Sinatra vond Strangers In The Night een draak van een lied en ook Elvis had een pak songs die hij liever links had laten liggen zoals Stuck on you. Tijdens mijn interview met Petula Clark gaf ze ruiterlijk toe dat ze This Is My Song niet zag zitten. Ze had toen haar handen vol met onder meer optredens in Las Vegas. This Is My Song klonk in haar oren very old fashioned. Het is haar man die haar over de streep moet trekken om het toch op te nemen. Dat lukt wanneer ze de Franse tekst onder ogen krijgt en iets later de Duitse en Italiaanse. Die neemt ze achter elkaar op. Het is haar toenmalige producer Sonny Burke die wil dat er ook Engelse lyrics worden ingezongen. Na trekken en sleuren geeft ze toe, op voorwaarde dat er geen single komt. De rest van het verhaal kennen we. This Is My Song is van de hand van de legendarische filmproducer en acteur Charlie Chaplin die het nummer schreef voor zijn film “A Countess from Hong Kong” met in de hoofdrollen Marlon Brando, Sophia Loren en Tippi Hedren. Deze film zou zijn enige prent in kleur worden. De film wordt geen kaskraker, maar This Is My Song redt de eer en in verschillende versies zal het een evergreen worden met voorop dus die van Petula Clark. Het vreemde is dat Chaplin This Is My Song schreef in de hoop dat Al Jolson dit zou opnemen, niet wetend dat de man al in 1950 was overleden. In Engeland staat This Is My Song elf weken na mekaar op één. Dat weerhoudt de Britse zanger-acteur Harry Secombe er niet van met zijn versie in 1967 tot op de tweede plaats van de top veertig te geraken. In Canada staat La Clark met de Franstalige versie op één en met de Engelstalige op twee. Haar platenbaas Louis Benjamin staat erop dat ze naar Londen afzakt, naar de studio in “Marble Arch”, om daar gedurende drie dagen het album ”Petula Clark Sings The International Hits” op te nemen. Alles is zo goed voorbereid dat ze die klus ook binnen die tijdslimiet kan klaren. Haar producer vindt dat ze haar tanden maar eens moet zetten in een aantal internationale hits: Never On Sunday, Volare, Have I The Right?, Hello Dolly en Boy From Ipanema. In de slipstream van dat succes wordt in 1967 haar album ”These Are My Songs” uitgebracht. Klein detail: tussen 1957 en 1971 zou Petula voor Pye Records in het totaal zeventien studioalbums opnemen. Op “These Are My Songs” staat nog een nummer van Charlie Chaplin Eternally uit de film “Limelight”. Eveneens aan dat album toegevoegd is Don’t Sleep in The Subway van de hand van Tony Hatch geschreven samen met Jackie Trent. De derde juni 1967 wordt het op single uitgebracht en enkele weken later staat het op vijf in de Amerikaanse Top Honderd. Het zal de laatste keer zijn dat Petula Clark daarin opduikt. Niets belet haar ook oog te hebben voor haar elpeekopend publiek. Zo is er in 1967 haar album “Colour My World”. Ze moet doorhebben dat ze niet altijd door haarzelf geschreven liedjes kan afleveren en schuimt daarom met Tony Hatch zo’n beetje de hitmarkt af en komt aandraven met covers van Cherish, England Swings en Winchester Cathedral. Je kan glimlachen bij die keuze. Gelukkig is er de titelsong, een nummer van de hand van Tony Hatch opnieuw in samenwerking met Jackie Trent. Wat méér gericht op een publiek dat van evergreens houdt, is er vervolgens de elpee “The Other Man’s Grass Is Always Greener”. Nu niet meteen een titel om commercieel mee uit te pakken was het niet dat ze met deze single in de winter van 1967 tot op de 20ste plaats geraakt van de Britse top veertig. Er staan voorts versies op van bekende doorbloeiers zoals: Smile, Answer Me My Love, I Could Have Danced All Night en The Last Waltz.

Europa haakt in tegenstelling tot Amerika nog niet af, zeker niet wanneer Petula een jaar later op de markt komt met een nummer geschreven door het op dat moment heel populaire schrijversduo Les Reed en Barry Mason die al hits hebben geleverd aan Tom Jones en Engelbert Humperdinck. Van hun hand zet ze Kiss Me Goodbye op single. Misschien haar meest stroperige plaat ooit en in de Britse top veertig daarom zo’n beetje afgestraft met een vijftigste plaats. Wij Belgen zijn  er dol op en bekronen het nummer met een tweede stek in de top dertig. De Nederlanders vinden een zesentwintigste plaats voldoende. Daar zal ze nog één keer in de top veertig de aandacht opeisen en dat in de lente van 1971 met The Song Of My Life, bij ons goed voor een elfde plaats. In Engeland is haar liedje tegen dan zo goed als uitgezongen. Voor Pye neemt ze haar laatste album op “Petula ’71″ met daarop volgens kenners twee prachtige songs die geen echte kans hebben gekregen: The World Song en The Song Went Wrong. Niet hitgevoelig, dat wel.  Het valt op dat zangeressen op dat moment  niet meer zo gewenst zijn. Omdat ze graag acteert, zien we Petula Clark in 1968 op het witte doek in de verfilming van “Finian’s Rainbow” aan de zijde van Fred Astaire. Het jaar daarop schittert ze naast Peter O’Toole in “Goodbye, Mr. Chips”. Daarnaast blijft ze optreden in diverse shows, maar ze moet vaststellen dat het scoren van hits geen prioriteit meer heeft. Wanneer koningin Elizabeth II de 31ste december 1976 haar zilveren jubileum viert  tijdens het BBC-programma “A Jubilee Of Music” zingt Petula speciaal voor haar nog eens Downtown.

We mogen er zeker niet van uitgaan dat Petula nadien geen knappe songs meer opneemt. Zo zijn er nog haar versies van I Don’t Know How To Love Him in 1972, een jaar later The Wedding Song en Loving Arms. In Canada scoort ze zelfs méér dan behoorlijk met Je voudrais qu’il soit malheureux. Omdat ze het zich kan permitteren, is ze zeer selectief qua locaties waar ze optreedt. Zo geeft ze in de loop van de jaren zeventig de voorkeur aan een aantal vooraanstaande clubs: “The Empire Room” in het “Waldorf-Astoria Hotel” in New York, The Ambassador Hotel’s “Cocoanut Grove” in Los Angeles en “The Copacabana” in New York City. Ze sluit een lucratieve deal met Coca Cola en Plymouth Automobiles om in hun reclamespotjes op te treden of ze in elk geval in te zingen. Omdat musical haar na aan het hart ligt, gaat ze dolgraag in op het voorstel om in 1981 op te treden in de musical “The Sound of Music” die met veel bijval geafficheerd staat op het Londense West End. Tot zowat ieders verbazing staat ze in 1988 nog eens in de Britse top tien en dat met een nieuwe versie van Downtown. Nadien is ze te zien en te horen in de musicals “Candida”, “Blood Brothers” en ”Sunset Boulevard” van de hand van Andrew Lloyd Webber. Vijf jaar na mekaar blijft ze met deze musical toeren zowel in Londen als op Broadway. Om tegemoet te komen aan de vele vragen van de fans om haar hits nog eens live te horen, begint ze in 2003 aan een optreden in de “Olympia” waarvan ook een versie op dvd is te verkrijgen. Ze sluit daarop aan met een concertreis in Nieuw-Zeeland, Australië en Amerika. Op uitnodiging van Andy Williams gaat ze ook enkele maanden concerteren in diens “Moon River Theatre” in Branson, Missouri. Als een soort eresaluut wijdt BBC Channel Four in het najaar van 2006 een special aan haar met als titel “Petula Clark: Blue Lady”. Ze brengt het jaar nadien nog eens een volledig nieuw album op de markt geschreven door Rod McKuen “Solitude and Sunshine”. Ik heb dat jaar een hele tijd getwijfeld of ik ook haar cd “Duets” zou kopen, een bloemlezing van samenzang die ze tussen 1970 en 2006 heeft gerealiseerd.  Een niet voor de hand liggende keuze qua combinaties, want ze gaat vocale duels aan met onder meer Michel Legrand, Gilbert O’Sullivan, Harry Belafonte en The Everly Brothers. Wel een hebbeding vind ik als je van rariteiten houdt. En ze blijft maar optreden: van Engeland over Wales, de Filipijnen tot in Zwitserland. Enkele van haar nieuwe liedjes en een verzameling van haar grootste hits zijn in de zomer van 2008 te horen op haar verzamelalbum “Then & Now” waarvoor ze door de méér dan meevallende verkoop met een zilveren plaat wordt onderscheiden. Het jaar voordien was haar biografie verschenen ”Une baladine” geschreven door Françoise Piazza. Onder diezelfde titel verscheen drie jaar later een driedelige cd met daarop 64 van haar grootste hits en een paar nieuwe chansons. Op haar 78ste geeft Clark nog een erg gewaardeerd optreden in het “Casino de Paris”. Sony besluit de zevende februari 2012 nog een nieuw album van haar in de markt te zetten met daarop prachtige ballads zoals La vie comme elle passe en Pour être aimée de toi. Intussen is Petula in Zwitserland gaan wonen.

Op haar tachtigste voelt ze zich niet te beroerd om nog in New York City te gaan optreden. Ze geniet er zoveel bijval dat aan dat verhaal meteen een vervolg wordt gebreid. Ze heeft het wel wat moeilijk met de kritiek als zou ze niet nostalgisch genoeg zijn. Het publiek wil haar oude hits horen terwijl Petula meer zin heeft in nieuw materiaal. “Ik leef nu” vertelde ze me,”niet gisteren”. Gevraagd naar haar favoriete artiesten komt ze op de proppen met namen zoals Dusty Springfield, Amy Winehouse en Annie Lennox.

In 2016 start Petula Clark met  haar tournee “From now on”, zij is dan 83.  De 16de september van dat jaar ligt er een nieuwe cd in de rekken “From Now On”, met daaruit Sacrifice My Heart als eerste single. Elf liedjes waarvan Petula aan zeven songs heeft meegesleuteld. Opvallend is haar cover van Blackbird van The Beatles. Ze heeft ook een liedje in het Frans opgenomen Pour être aimé de toi.

Een grote zangeres kan je Petula Clark bezwaarlijk noemen. Het is geen Céline Dion, geen Whitney Houston, geen Aretha Franklin, zeker niet qua stembereik. Ze kent haar vocale grenzen als geen ander, maar binnen die beperkingen heeft ze een fenomenale carrière neergezet, eentje om in te kaderen.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

James Last

Alsof het gisteren was. Ik herinner me nog goed de dag dat ik voor de eerste keer James Last persoonlijk ontmoette. Dat was de 31ste augustus 1988. En ik weet ook nog precies waar: in zijn suite in het Astoria Hotel aan de Koningsstraat in Brussel daar in 1909 gebouwd ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel, een jaar later. Een plek waar Last zich thuis voelde, dat zag je meteen.  Hij was toen niet alleen. Hij was geflankeerd door de Nederlandse fluitiste Berdien Stenberg. Ze hadden net samen een elpee opgenomen “Flute Fiesta”. Berdien was zo hoffelijk zich tijdens onze babbel wat afzijdig te houden. De maestro mocht alleen de plak (de baton) zwaaien en het woord voeren.  Via de vinylen plaat kende ik James al lang. Al heel lang. Het was mijn neef Pierre die met de nodige trots in 1965 de eerste elpee van Last aan me liet horen Non Stop Dancing ’65. Hij had toen een discobar waarmee hij tijdens het weekend feestjes ging opluisteren. Zijn publiek reageerde dolenthousiast op dat orkest dat ze niet kenden, maar lang zou dat niet duren, want toen Last het jaar nadien met de elpees “Trumpet à Go Go” en vooral zijn eerste “Classics Up To Date” op de markt kwam, was het hek voorgoed van de dam.  In die tijd ging ik samen met mijn vriend Guy af en toe ook wel eens een plaatje draaien tijdens een of andere studentenfuif. Niet dat we Last als eerste op de draaitafel hadden klaarliggen, maar bij Guy thuis luisterden we vaak naar James’ nieuwste elpees. En Guy was altijd apetrots als hij me de nieuwste elpee van Last kon laten horen.

Jarenlang was platenfirma Polydor op zoek geweest naar een alternatief voor het geluid van het orkest van Bert Kaempfert. Die was niet van in het begin sant in eigen land geweest. De Duitsers lustten Kaempfert eerst niet. Pas toen Bert in Amerika doorbrak, zagen ze in dat die man wel iets te bieden had. Nu vond de directie dat typisch geluid van Bert Kaempfert iets té easy listening. Dat mocht wel iets gekruider klinken, daar mocht iets méér power in zitten. En zo kwamen ze bij Hans Last terecht.

Hansi, want zo noemden zijn familie en vrienden hem, werd de 17de april 1929 in Bremen-Sebaldsbrück in het noorden van Duitsland geboren. Mama Martha en papa Louis hadden nog vier kinderen: drie zonen en een dochter. Papa werkte bij de lokale gasmaatschappij en spendeerde zijn vrije tijd aan muziek, met name aan het bespelen van de accordeon en de drums. Hansi pikte die sfeer op en begon stilaan zelf te spelen. De piano trok hem eerst aan en wanneer hij acht wordt, tokkelt hij tot verbazing van zijn ouders haast foutloos het volksliedje Hänschen klein op de toetsen. Vanaf zijn veertiende volgt hij een muzikale opleiding. Eerst aan de Militaire Academie van Frankfurt, later in Bückeburg bij Hannover. Een rist instrumenten passeren tijdens zijn opleiding de revue: de piano, de fagot, de dwarsfluit en uiteindelijk de contrabas. Dat laatste zou de loop van zijn carrière voor een groot deel bepalen. De Tweede Wereldoorlog kwam zijn muzikale opleiding dwarsbomen. In de Amerikaanse clubs in Bremen komt hij nadien aan de bak als pianist en bassist. Via de Amerikaanse radiostations pikte hij tussendoor aardig wat jazz- en bigbandmuziek op. Hij improviseerde veel, speelde veel na op het gehoor waarbij zijn voorkeur vooral uitging naar de jazz. Hij aarzelt niet om vanaf zijn zestiende te beslissen beroepsmuzikant te worden. Radio Bremen had namelijk een eigen band en hij mocht daar gaan spelen samen met zijn broer Robert die drummer van de band werd en Werner, de accordeonist en trombonist van dienst. Wat later richt hij samen met zijn broers en vriend Karl Heinz Becker een eigen combo op, het Last-Becker Ensemble. Omdat James zat talent had, mag hij van Radio Bremen in 1948 zijn eigen orkest gaan dirigeren, Das Streichorchester Hans Last. Tijdens een ontmoeting met Helmut Zacharias in Nederland vertelde die mij ooit dat hij snel het talent van Hans Last onderkende en hem daarom uitnodigde voor zijn orkest dat toen al veel erkenning genoot muziek te arrangeren. Naast het arrangeren, gaat Hansi zich almaar meer profileren als jazzmuzikant. Geen wonder dat hij drie jaar na mekaar, van 1950 tot 1953, door de Duitse Jazzpoll als beste jazzbassist van Duitsland wordt gekroond. Platenfirma Polydor haalt hem in huis als vast arrangeur en koppelt hem aan hun grootste artiesten: Caterina Valente, Helmut Zacharias en Freddy Quinn. Intussen was Hansi in 1955 gehuwd met Waltraud Wiese. Ze zouden elkaar trouw blijven tot aan haar dood in 1997. Ze waren in Hamburg gaan wonen omdat Hansi een contract van onbepaalde duur had gekregen van de NDR (de Norddeutsche Rundfunk)  die in die stad gevestigd was. Twee jaar na hun huwelijk werd hun dochter Rina geboren, een jaar nadien hun zoon Ron.

Omdat Hans Last ook graag zelf platen wil opnemen, klopt hij in 1963 bij de directie van Polydor aan en krijgt een contract voor enkele elpees. Die zet hij onder de naam Hans Last in de markt, alsook onder de naam Orchester Orlando. Maar de resultaten zijn niet schitterend en ook Hansi is niet tevreden. Hij gaat op zoek naar een eigen geluid, want daar draait het om. Elk orkest met naam en faam heeft een eigen sound: Ray Conniff, Bert Kaempfert, Helmut Zacharias, Franck Pourcel, Billy Vaughn… Het verhaal gaat dat Hansi en Waltraud in 1965 hun tiende huwelijksverjaardag willen vieren met een opvallend feest, maar ze missen de geschikte muziek. Ze hebben ook wel door dat de Britse beat een enorme stempel op de populaire muziek heeft gezet en dat een huwelijk tussen de mainstream en de popmuziek geen gemakkelijke mix is. Een fusie tussen de muziek van pa en ma en hun kinderen moet lukken. Hansi zet zich aan het arrangeren en komt op de proppen met het concept Non Stop Dancin’ 65. Tijdens zijn jeugd luisterde hij samen met zijn vader regelmatig naar een Deense radiozender waar ze livemuziek uitzonden. Tijdens het musiceren door hoorde je het publiek reageren en meezingen en dat bracht Hansi op de idee om zijn plaat ook in die livesfeer te dompelen. Dat wordt de basis van zijn partysound. Hij trommelt enkele bevriende muzikanten op waaronder Jochen Ment, Günter Platzek en Detlef Surmann, nodigt wat buren en vrienden uit voor de livesfeer en klaar is Kees. Hij wil zijn eerste plaat uittesten tijdens zijn huwelijksverjaardag en kijk het wordt een overweldigend succes. Hij stapt met die opname naar de directie van Polydor die eerst aarzelen, maar dan toch toegeven op voorwaarde dat Hansi de plaat integraal opnieuw inblikt, deze keer in hun Studio Hamburg. Hans kijkt verbaasd op wanneer hij het eerste exemplaar van “Non Stop Dancing’ 65″ in handen krijgt, want mikkend op de internationale markt hebben de platenbonzen hem omgedoopt tot James Last. Vrij snel wordt beslist die non stop dancing formule  als een reeks te lanceren, want de plaat en vooral het concept slaan meteen aan. Om James Last internationaal te lanceren, wordt het album “This is James Last” als sampler album geproduceerd en laaggeprijsd in de platenbakken gezet en kijk, die beslissing mist zijn effect niet. In Engeland bijvoorbeeld waar het album de 15de april 1967 wordt gereleaset,  klimt het naar de zesde plaats in de hitlijsten, goed voor een verkoop van méér dan vierhonderdduizend exemplaren. België en Nederland reageren unaniem. Na een tijdje gaat ook Canada overstag.

 

James heeft snel door dat conceptalbums, die in de popmuziek al eerder aan bod kwamen, de broodnodige kapstok zijn om zijn muziek en muzikale ideeën aan de man te brengen. In 1966 lanceert hij met veel bijval “Trumpet à Go Go” met daarop in easylisteningstijl evergeens zoals La Paloma, Delicado, Wheels, Granada en  American Patrol. Omdat het geluid zijn  grootste bekommernis is, gekoppeld aan de beste arrangementen, gaat James op zoek naar de allerbeste muzikanten. Kwaliteit staat bij hem van in het begin bovenaan. Een méér dan gouden gok wordt het besluit om klassieke melodieën te overgieten met een eigentijdse saus. Geen originele vondst, want Ray Conniff had deze aanpak in Amerika al met veel verve uitgetest.

In 1966 is er het eerste volume van ”Classics Up To Date” met daarop bewerkingen van onder meer Barcarole, Habanera, On A Persian Market en Prisoner’s Chorus. De reacties zijn overweldigend. Intussen zijn ook de elpees ”Non Stop Dancing ’66″ en ”Christmas Dancing” even succesvol de kassa gepasseerd. In ijltempo volgen de elpees elkaar op. Op zoek naar almaar nieuwe invalshoeken pakt James in 1966 uit met de elpee “Swing mit Aennchen von Tharau”. Het jaar nadien is er het album “Sax à Gogo” en brengt hij  ”Games That Lovers Play” op de markt. De titelsong is een nummer van zijn hand met daarnaast toppers als A Man and A Woman, Lara’s Theme en Fly me To The Moon. Omdat Last muziek maakt en speelt voor een zo breed mogelijk publiek, wetend ook dat zijn achterban tuk is op schlagers en volkse muziek, pakt hij in 1968 uit met “Käpt’n James Bittet Zum Tanz”, een samenbundeling van bekende zeemansliedjes gaande van La Paloma en My Bonnie, over The Wreck of The John B tot en met Aloha Oé en Muss I Denn.

Tegen het einde van de jaren zestig is de platenverkoop van zijn producties een megasucces geworden. Maar tot dan toe deed hij alleen maar een beroep op de beste studiomuzikanten. De vraag naar liveoptredens rijst de pan uit en dus wordt er gewerkt aan de samenstelling van een liveband waarmee hij op tournee kan. Van stapel wordt gelopen met een vier weken durende tournee in Duitsland. James staat er van in het begin op dat er op geen mark wordt gekeken wat de technische aanpak van zijn concerten betreft. Het moet in de zaal klinken zoals op plaat en dat wordt een leuke klus voor zijn technische crew. Van zijn stereogeluid in de zaal kan je als muziekliefhebber alleen maar snoepen, net als van zijn muzikanten, want die zijn stuk voor stuk het neusje van de muzikale zalm. Omdat zijn sound hem in de opnamestudio heilig is, besluit James steevast te werken met geluidsingenieur Peter Klemt die ervoor zorgt dat niet alleen de opname, maar ook de mix en de mastering perfect verlopen. Op aanraden van Peter gaan ze voor hun concerttournees op zoek naar degelijke strijkers. The Hanover Strings is snel een feit, aangevuld met een opvallende blazerssectie. Daarnaast worden ook nog eens vier percussionisten ingehuurd, alsmede een heus koor. James aarzelt niet om voor zijn orkest leentjebuur te gaan spelen bij de band van Norddeutscher Rundfunk. Eenmaal goed op elkaar ingespeeld, trekt James naar Canada in het raam van Expo ’69. Als kroon op dat erg succesvolle jaar ontvangt hij in Cannes The International Midem Prize en wordt zijn orkest in zijn thuisland uitgeroepen tot de nummer een van dat moment en James zelf tot favoriete arrangeur. Vanaf dan gaat er geen maand voorbij of James mag een gouden en/of platina plaat in ontvangst nemen. Het zijn werkelijk zijn gloriejaren. Om zijn orkest een nog modernere sound te geven, voegt James onder leiding van Helmuth Franke een rockgroep aan zijn orkest toe. Twee leden van die band zaten iets eerder nog bij de progressieve rockgroep Lucifer’s Friend. Omdat James niet steeds een beroep kan doen op de muzikanten van de Norddeutscher Rundfunk gaat hij op zoek naar musici met een internationale reputatie: violist Trudean Conrad uit Canada, drummer Barry Reeves die later vervangen zal worden door Terry Jenkins uit Wales, de Belgische trombonist Georges Delagaye, trompettist Lennart Axelsson en diens Zweedse collega Leif Uvemark en een rist oerdegelijke trompettisten waaronder Derek Watkins, Bob Findley, Chuck Findley en Rick Kiefer. Omdat hij ook veel belang hecht aan percussie doet hij vaak een beroep op Pablo Escayola, Wolfgang Schlüter, Stefan Eggert en Max Raths.

Intussen heeft James Last geluidstechnicus Peter Klemt leren kennen, die van dan af steeds present zal zijn  tijdens zijn plaatopnamen en erop zal toezien dat het typische James Lastgeluid intact zal blijven. Hij zal de band ook tijdens de vele tournees begeleiden en ervoor zorgen dat de klank in de zaal net zo identiek klinkt als op hun platen en cd’s. In de loop van de jaren negentig zal de zoon van James, Ron Last, die taak op zijn schouders nemen.

Op zoek naar een bredere afzetmarkt besluit James in 1971 op te treden in ” The New Victoria Theatre” in Londen. De vraag naar tickets is zo immens dat hij vijf optredens verzorgt. Polydor organiseert een meeting met hun kip met de gouden eieren die zonder blikken of blozen kakelt dat hij zes albums per jaar wil releasen. En de productie mag wat kosten, want ze verkopen als zoete broodjes. Qua concepten zit James om geen titel verlegen: “Beach party”, “Soft Rock”, “Happy Polka”, “Voodoo Party”, ”Last Of Old England”, “Wenn  Die Elizabeth”, “Music From Across The Way”, “Weihnachten & James Last”, “In South America”, “Violins in Love” en “Sing Mit James Last”, en dan heb ik het alleen maar over producties die hij tussen 1971 en 1973 op de markt brengt. Om niet elke idee in een reeks te laten uitmonden, produceert James met zijn orkest ook albums die aan één concept worden opgehangen en dat zijn vaak zijn betere albums, want laten wij eerlijk wezen dat een rist van zijn producties op bandwerk beginnen te lijken. Uit die succesvolle jaren zeventig onthouden we elpees zoals: “James Last spielt Robert Stolz”, “Western Party and Square Dance”, “Träum Was Schönes”, “Rosen aus dem Süden”, ”Romantische Träume”, “Tango” en niet te vergeten het erg succesvolle “Biscaya” met daarop de gelijknamige hit die ook op single wordt uitgebracht. Maar dan zijn we al in 1982 aanbeland. Biscaya wordt in de Nederlandse top veertig bekroond en beloond met een vijfde plaats. Bij ons bereikt James met Biscaya zelfs de derde plaats. Het wordt de grootste hit voor James Last in de Lage Landen die dit nummer leende van de uitgevers van SAM Music Manfred Buchholz en Franz-Peter Moorkampen die het ook geschreven hadden. De accordeon in dit nummer wordt bespeeld door Jo Ment die jaren eerder samen met James in het orkest van de Norddeutscher Rundfunk had gespeeld en sinds een tijdje bij hem in vaste dienst werkte.

Drie jaar eerder had James in de Lage Landen meer dan behoorlijk gescoord met de single Thema uit de Verlaten Mijn, een zesdelige Duits-Australische tv-reeks die de Tros uitzond van de 4de oktober 1979 tot en met de achtste november van dat jaar. De titelsong viel meteen op gespeeld door James Last met Gheorghe Zamfir op panfluit. James had het thema geschreven onder de titel Einsamer Hirte. Oorspronkelijk wou hij een elpee opnemen met daarop uitsluitend liedjes die hijzelf had geschreven, maar dat plan ging niet door zodat het nummer voor de eerste maal te horen is op het album ”Russland Erinnerungen” dat in 1977 wordt uitgebracht boordevol Russische evergreens. Negen jaar eerder had James al filmmuziek geschreven voor “Morgens um Sieben ist die Welt noch in Ordnung” van de hand van regisseur Kurt Hoffmann met in de hoofdrol Peter Arens en Archibald Eser. Qua singlehits was James Last al wat gewoon hoor. In 1966 scoorden zowel Eddie Fisher, Connie Francis als Jerry Vale een Amerikaanse hit met de gezongen versie van Games That Lovers Play dat in Engeland een hit zou worden in de versie van Frankie Vaughan. Drie jaar nadien pakten Petula Clark en Andy Williams uit met een hitversie van Happy Heart, een song die Last smeedde samen met Jackie Rae. Nog eens drie jaar later, we zijn dan in 1973 aanbeland, is het de beurt aan Elvis Presley om op zijn album “Elvis” uit te pakken met Fool, een pracht van een song die James samen met Carl Sigman had geschreven. Ik mag ook niet vergeten aan te stippen dat zijn concurrent-collega Ray Conniff in 1970 een knappe versie opnam met zijn koor en orkest van de James Last klassieker Listen to your heart, zeker een aanrader om via iTunes of zo te beluisteren en gelijk in huis te halen.

James verkocht echter meer elpees dan singles, want hij kon zich daar beter op uitleven al doken er hier en daar wel eens songs op die het op 45 toeren niet onaardig deden. Denken we maar aan Orange Blossom Special, Ballade Pour Adéline, Paradiso. Inmiddels verschenen er ook met goud bekroonde verzamelelpees in de winkels: “Wereldsuccessen”, “The Best From 150 Gold”, “The Gentleman of Music”, “By request” en ga zo maar een paar stapels door. In onze regio waren albums zoals “De Nederlandse Successen”, “Paradiso” en “Moonriver… und andere grosse Filmmelodien” een must have voor de fans. Ook op televisie was James Last samen met zijn band een graag geziene gast. Uiteraard in zijn thuisland waar hij in de reeks “Star Parade” zo’n vijftig keer aantrad. Alle zingende groten der aarde passeerden hier de revue: Cliff Richard, Abba, Barry Manilow, Boney M, Roger Whittaker enz… Maar ook in Engeland zien ze hem graag het scherm passeren waar hij in 1971 voor de BBC een special had ingeblikt in het “Dorchester Hotel”. “Dance Night at The Royal Albert Hall” is vijf jaar later aan de beurt. Omdat het Britse publiek tijdens zijn concerten compleet uit de bol gaat, weet hij het ZDF ervan te overtuigen naar Engeland af te zakken om daar zo’n livehappening in te blikken. Twee concerten worden opgenomen met telkens méér dan vijfduizend meezingende en meedansende Britten. Hij hoeft nog maar een polka in te zetten of het publiek gaat gelijk uit de bol. Als er een slow wordt ingezet, maant hij hen aan rustig op de grond te gaan zitten wat ze ook prompt doen. Kortom, het publiek eet uit zijn hand.

Nu we toch aan het overschouwen zijn, in Engeland stond James Last met slechts één single in de hitlijsten.Dat was in 1980 met The Seduction, het liefdesthema uit de film ”American Gigolo” met in de hoofdrol Richard Gere. De muziek werd geschreven door Giorgio Moroder en de singleversie van James Last was in de Britse charts goed voor een 48ste plaats. Dat gebeurde ook in de Amerikaanse top honderd waar het nummer goed is voor een 28ste plaats. In Amerika had James acht jaar eerder al zeer bescheiden gescoord met “Music From Across The Way”. Ook wat de impact van zijn albums betreft moet hij in Amerika met achterblijvers tevreden zijn. Drie keer staat hij in de album top tweehonderd genoteerd: ”Music From Across The Way” met daarop versies van onder meer hits zoals Dock Of The Bay, Jamaica Farewell en Me and You And A Dog Named Boo, met Well Kept Secret in 1975 en in 1982 met “Seduction” met songs zoals Glow, Night drive, The Seduction Love Theme en So Excited. Om in de flow van zijn releases te blijven, stippen we in de loop van de jaren tachtig de albums ”In The Mood For Trumpets”, “Sky Blue”, “Viva Vivaldi”, “Traumschiff Melodien” en “Swing Mit” aan. In 1985 komt hij op de markt met zijn “Classics Up To Date volume vijf”, een bewijs dat er voor deze aanpak nog altijd een ruime markt is. In 1986 lanceert hij het album “Plus” dat hij opneemt samen met de leading lady van de Braziliaanse bossanova Astrud Gilberto. Eveneens succesvol zijn de albums ”James Last spielt Bach” en “In Holland”. Omdat de klassieke muziek hem blijft inspireren, neemt hij in 1988 het album “James Last spielt Mozart” op. De zevende april van dat jaar start het ZDF met de tv-reeks “Lorentz und Söhne” waarvoor James de muziek mag schrijven. De soundtrack is nog altijd erg geliefd bij zijn vele fans. Daarmee was Last niet aan zijn proefstuk toe voor het ZDF, want het jaar voordien had hij al de titelsong geleverd voor de tv-reeks “Der Landartz”. De tiende februari 1987 ging de eerste aflevering op antenne. Er zouden tweeëntwintig seizoenen worden ingeblikt, goed voor 297 afleveringen. Pas in 2012 werd achter die reeks een punt gezet.

“Dream Melodies”, een album dat Last samen met Richard Clayderman inblikt, kan op een grote respons rekenen.  Die combinatie is zo succesvol dat hij samen met de Franse pianist ook de cd’s “Serenaden” en “In Harmony” opneemt. Op het album “Bella Italia” zit een hele schare fans al geruime tijd te wachten. De musical laat Last ook niet links liggen. In 1993 verrast hij ons met een album volledig gewijd aan de mooiste melodieën van Andrew Lloyd Webber. In mijn collectie heb ik de elpee ”Paradiesvogel” een aparte plaats gegund omdat ik liedjes daaruit regelmatig heb gedraaid in mijn zondagavondprogramma “Funiculi Funicula” bij Radio 2. Om aan de vraag te blijven voldoen, brengt Polydor vanaf de jaren negentig om de haverklap verzamelalbums op de markt. Cd’s zijn stilaan de markt gaan veroveren zodat oudere elpees op deze geluidsdrager kunnen worden uitgebracht. Wie echter op zoek is naar nieuw materiaal blijft een beetje op zijn honger zitten. Maar wat wil je, Hansi is intussen de zeventig gepasseerd. Hij gaat trouwens liever op tournee dan wekenlang in een studio opgesloten te zitten. Omdat James het grondig beu is dat critici hem in de hoek van de partymuziek en de meezingers stoppen en hij zich niet meer kan profileren als een muzikant die zich ook ernstig met muziek kan bezighouden, pakt hij in 2004 verrassend uit met het album “They Call Me Hansi”. Hij kiest voor een poppy aanpak en laat zich graag omringen door toppers zoals Tom Jones, Hayley Westenra, Nina Hagen, Till Brönner en Jan Delay. Fans van het eerste uur dreigen een beetje af te haken, want dit is James Last zoals we hem niet echt gewoon zijn. Hij beleeft hier zoveel plezier aan dat hij met RZA featuring Wu-Tang Clan een rappende versie inblikt van Der einsame Hirte. We laten in het midden of dit voor u naar nog smaakt. Vroeger zou hij verkozen hebben iets op te nemen met Barbra Streisand, maar die tijd is voorbij gaf hij in een interview toe. Nu zou hij meer fun beleven aan een album samen met cellist Yo-Yo Ma bijvoorbeeld.

December 1999 overlijdt zijn echtgenote Waltraud aan kanker. James huwt een tijd later met de dertig jaar jongere Christine Grundner en gaat in West Palm Beach in Florida wonen. Daar kan hij genieten van de zon, het golfen en de méér dan tweehonderd gouden platen die hij wereldwijd verzamelde met in een aparte hoek de zeventien platina platen, zes gouden muziekcassettes, elf zilveren platen plus een blinkende verzameling onderscheidingen. Zo ontving hij in 1971 in München Das Goldenes Grammophon, in Canada The Gold Leaf Award, in 1975 Der Goldene Notenschlüssel, in 1979 Die Goldene Kamera, in 1991 Die Goldene Stimmgabel enz…

Aan een definitieve afscheidstournee dacht hij nooit en wou dat ook niet. Dat is iets voor popsterren vond hij. Het liefst van al deed hij gewoon, bleef hij bescheiden en maakte tot aan zijn dood, de negende juni 2015, muziek. Hij overleed op 86-jarige leeftijd in Palm Beach Florida. De 26ste april van dat jaar gaf hij zijn laatste concert in Keulen!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Salvatore Adamo

Persoonlijk heb ik in de loop van mijn carrière bij de VRT het voorrecht gehad Salvatore Adamo een aantal keer te mogen ontmoeten en te interviewen. Hij kwam altijd over als een gereserveerd en aimabel man. Door de jaren heen heb ik ook een aantal gesigneerde foto’s van hem verzameld waaronder een ingekaderde 40 X 40 die hij me gaf toen zijn album Adamo d’amour, ses plus grands succès op de markt kwam. Adamo is ook de man die me dadelijk aan mijn inmiddels overleden zus Chris doet denken. Die dweepte als geen ander met hem, samen met mijn moeder. Dankzij hen leerde ik zijn liedjes zoals Sans toi, ma mie, Quand les roses en Amour perdu kennen. Over hem heb ik door de jaren heen verhalen verzameld en ik ben zijn carrière kort op de voet blijven volgen.

In ons land wordt Adamo beschouwd als een monument in de wereld van het chanson. Hij kan er prat op gaan dat hij al zijn successen zelf heeft geschreven, zowel de muziek als de tekst. Niet voor niets noemde Jacques Brel hem ‘de tuinman van de liefde‘, een eretitel volgens Salvatore. Niet dat hij nood heeft aan eretitels, want daarvoor is hij een veel te bescheiden en timide man.

De eerste november 1943 werd Salvatore in Comiso in Sicilië geboren. Een jaar eerder, op de vijfde november, was papa Antonino Adamo gehuwd met Concetta Girlando. De Tweede Wereldoorlog heeft in deze Mussolini-gezinde uithoek van Italië duidelijk zijn sporen nagelaten. Het leven is er hard. De eerste november wordt dus de kleine Adamo geboren, maar omdat de gemeentebeambte waarschijnlijk te veel respect heeft voor de eerste november, Allerheiligen dus, noteert hij als geboortedatum 31 oktober. Zo staat het nog steeds op Salvatore’s Italiaanse identiteitspapieren genoteerd. Zijn voornaam erft hij van zijn grootvader, een mandenmaker, bijgenaamd Turi. Papa Antonino komt aan de kost als delver van irrigatieputten én als metselaar. Maar hij verdient niet genoeg om zijn gezin te onderhouden. Hij wil zijn geluk hogerop gaan zoeken, in het noorden. De broer van zijn vrouw,Raffaele, tevens boezemvriend van Antonino, was zijn geluk al in Argentinië gaan zoeken. Intussen was de Belgische regering bezig met het onderhandelen met zowel de Marokkaanse, de Spaanse als de Italiaanse regering om arbeidskrachten naar ons land te sturen. Die onderhandelingen worden na een tijdje opgedoekt, behalve die met de Italiaanse regering. Ze sturen werklieden naar de fabrieken van Boël in La Louvière, de hoogovens in Clabecq en de steenkoolmijnen in de Borinage. Tijdens een overeenkomst tussen België en Italië de 23ste juni 1946 werd overeengekomen dat vijftigduizend Italiaanse arbeiders hun heil in ons land mochten komen zoeken. Antonino’s besluit staat vast: hij gaat zijn toekomst in België verzilveren. Hij reist in zijn eentje naar ons land en keert terug naar Italië met het blijde neuws dat hij werk heeft gevonden. Ze belanden hier in een kleine wijk in Ghlin die Petit Paris wordt genoemd. Begin 1948 verhuizen ze naar de Cité de la Croix -Verte in Jemappes. Papa komt aan de kost als mijnwerker. De familie Adamo weet zich snel en goed aan te passen aan onze samenleving. Papa zal door een rugletsel niet lang in de mijn blijven werken en gaat aan de slag in een buizenfabriek gelegen aan de Avenue du Général Foch in Jemappes. Omdat papa nu minder verdient en de huurprijzen almaar verhoogd worden, zullen ze vaak verhuizen om het hoofd boven water te kunnen houden. Papa speelt regelmatig op de lotto en wint op zekere dag 51.000 frank, een in die tijd riant bedrag. Ze verhuizen naar de Avenue Wilson in Jemappes waar ze op huisnummer 51 gaan wonen. Maar dat feest duurt niet lang, want het geld geraakt snel op. In 1952 verhuizen ze naar een flatgebouw. Drie jaar later zakken ze met hun hebben en houden af naar de Rue de la Régence, want het gezin bestaat intussen uit zeven kinderen. Dat wordt uitgebreid met Delizia, Giuseppe, Eva, Salvina, Giovanna en Titina die in 1960 als laatste telg wordt geboren. Voor zijn zus Delizia zal Salvatore later een aantal liedjes schrijven die ze op plaat zet: Prends le chien (1966), Qui te retient (1974),  Aime-moi ( 1974) en Alors le bel été (1975).

Salvatore is zeven wanneer hij in de maand september van 1950 een hersenvliesontsteking krijgt. Hij zal dertien maanden lang in het Sint-Rafaëlziekenhuis in Leuven verblijven. Zijn vader zit vaak bij hem op zijn ziekbed en vertelt honderduit over hun familieverleden. Vijf jaar later debuteert Salvatore als cadet-rechtsbuiten bij de voetbalploeg Union Jemappienne. Op dat moment wil hij maar één ding, profvoetballer worden. Zanger worden daarentegen staat in zijn dagboek niet genoteerd. Wat niet belet dat hij tijdens familiefeesten laat horen dat hij over een opvallende stem beschikt. Toen al hield hij méér van het Franse chanson dan van de bekende Italiaanse klassiekers. L’amour est un bouquet de violettes van Luis Mariano blijkt een van zijn favoriete nummers te zijn én de chansons van Georges Brassens. Van zijn grootvader Giuseppe krijgt Salvatore een gitaar cadeau en in 1958 schrijft hij zijn eerste liedje Si j’osais. Intussen zit Salvatore op de banken van het Collège Saint-Ferdinand. Hij volgt hier de moderne afdeling.  Het is de periode dat hij ook zijn eerste gedichten schrijft. De vierde middelbare volgt Salvatore aan het college in Bergen, maar hij leeft hier in onmin met de leraar Frans en stapt over naar het atheneum. Liedjes schrijven en zingen krijgt stilaan de bovenhand. Papa staat erop dat zijn zoon voortstudeert. Salvatore schrijft zich in aan het hoger kunstonderwijs in Saint-Luc te Doornik. In die tijd koopt hij zijn eerste plaatjes. Hij is vaak te vinden in de platenwinkel van het echtpaar Donfut in de Rue Général Leman. Monsieur Aimable Donfut speelt accordeon in zijn eigen orkest, zijn vrouw bespeelt de piano. Hij richt ook zijn eigen muziekschooltje op. Daar volgt Salvatore notenleer. Donfut overtuigt Salvatore zijn liedjes in te schrijven bij Sabam. Bij zijn schoolmakker Marcel Godaert thuis blikt Adamo zijn eerste liedjes in, want Marcel beschikt over degelijke opnameapparatuur. Salvatore leert ook gitaar spelen: aan een aantal akkoorden heeft hij genoeg om zijn teksten van muziek te voorzien. Met de demobandjes die hij bij Marcel en Aimable heeft opgenomen, trekt hij regelmatig naar Radio Hainaut en Radio Liège.

De eerste februari 1960 wint Salvatore zijn eerste radiowedstrijd georganiseerd door Radio Luxembourg en gesponsord door L’Oréal. Die overwinning bezorgt hem de negende april 1961 een deelname aan de finale in de Parijse voorstad Saint-Ouen. Salvatore zingt ook hier Si j’osais. De jury, met daarin onder anderen de bekende Franse orkestleider Franck Pourcel, beslist dat Adamo de overwinning toekomt. Hij krijgt als prijs tienduizend oude Franse frank en koopt daarmee voor zijn vader een Opel Olympia. Bij platenfirma Philips zijn ze inmiddels naarstig op zoek naar een antwoord op Rocco Granata. Qua hese stem hoeft Salvatore niet onder te doen. Het is producer Lammy van den Hout die contact zoekt en hem voorstelt een eerste plaatje in Brussel in te blikken. De vijfde mei 1961 staat Salvatore achter de studiomicrofoon in Brussel, maar inpikkend op het succes van Granata zingt hij een Italiaans liedje Perché met op de B-kant Se pensi a me. Er gaan iets méér dan vijfhonderd singles over de Waalse toonbank. Al was hij in het begin er geen voorstander van dat zijn zoon fulltime zanger zou worden, plots toont papa Adamo zich de grootste fan van zijn zoon. Hij stimuleert hem waar hij maar kan. Tijdens zijn eerste concerten zingt Salvatore bijna uitsluitend Italiaanse liedjes. In zijn vrije tijd geeft hij al sinds een jaar gitaarles aan zijn vriendinnetje Nicole Durand met wie hij later in het huwelijk zal treden. Bij Nicole thuis vindt hij de rust die hij nodig heeft om in alle stilte liedjes te kunnen schrijven.

Die Italiaanse opname bij Philips wordt geen groot succes. Meneer Aimable, die zich almaar meer over Adamo gaat ontfermen, zoekt contact met platenfirma Polydor die gretig toehapt. Ze houden vol dat Salvatore in het Italiaans moet blijven zingen. Cara bambina is daar een eerste getuige van. Op zoek naar de juiste aanpak wordt de daaropvolgende single in het Engels gezongen Poor fool met als B-kant Why do you come so late? Ook deze pogingen worden geen succes. Aan Nico Gomez, de bekende vader van Raymond van het Groenewoud, wordt gevraagd de arrangementen te schrijven voor het liedje Si j’osais. Het wordt zijn vierde single met op de keerzijde Laurence. Maar intussen is het publiek het liedje al vergeten en slaat het niet meer aan. Salvatore richt dan maar al zijn aandacht op zijn studies die hij in de maand september van dat jaar begonnen is aan Saint-Luc in Doornik. Aimable heeft intussen een deal kunnen sluiten met Gramophone/EMI. September 1962 ligt er ten huize van Adamo een kersvers platencontract in de bus. Omdat rock-’n-roll dan nog in is, besluiten ze En blue-jeans et blouson d’cuir op te nemen. Als B-kant wordt gekozen voor Laissons dire. De zeventiende oktober is de single in de winkel te vinden, maar blijft zonder veel respons. De kritiek is wél lovend, wat Gramophone aanspoort ermee door te gaan op voorwaarde dat van het volgende nummer tweeduizend exemplaren worden verkocht. Wat tegen hun zin nemen ze Sans toi, ma mie op samen met Fais-toi croque-mort. Salvatore had Sans toi, ma mie geschreven met in zijn achterhoofd de begeleiding van zweverige violen en een koortje. Maar daar kwam niks van in huis. De arrangementen die Aimable had uitgeschreven, worden tactloos aan de kant geschoven. Tijdens de opnamesessie zijn een gitarist, een drummer en een pianist aanwezig. Gitarist van dienst is niemand minder dan Freddy Sunder. In het vroege voorjaar van 1963 ligt de single in de winkel en wordt een regelrecht succes. In een mum van tijd worden er honderdduizend exemplaren van verkocht. Niet alleen in Wallonië, maar ook in Vlaanderen wordt het liedje een groot succes. Op dat moment verblijft Adamo als student op een kot in de Rue de l’Ecorcherie in Doornik. Hij is daar goed bevriend geraakt met zijn schoolgenoot Jacques Mercier met wie hij zijn liefde voor de muziek met veel vreugde kan en mag delen. Jacques is diegene die vaak zijn mening mag zeggen wanneer Salvatore hem weer een nieuw liedje laat horen. Hij weet nog goed dat Adamo het moeilijk had met zijn stem, hij kon die moeilijk aanvaarden, hij vond dat die niet aantrekkelijk genoeg klonk. Het blijkt ook almaar moeilijker te zijn voor Salvatore, die intussen aan zijn tweede jaar was begonnen, zijn studies met zijn carrière te combineren. Hij kan niet anders dan af en toe te spijbelen. Hij werkt op dat moment samen met zijn eerste impresario René Requier uit Durbuy. Dat duurt niet lang, want op advies van zijn platenfirma gaat hij vanaf 1963 met Robert Bylois in zee, een rasechte Vlaming die hem vlot aan optredens in Vlaanderen helpt. Salvatore spreekt een beetje Nederlands en dat is leuk meegenomen tijdens interviews met de diverse media. De Vlamingen beschouwen Salvatore al vlug als iemand van ons, hij verstaat ons en spreekt onze taal. Hij treedt ook graag live op en start een eigen orkest Les Delfinis met daarin Giuseppe Calisto, Carmelo Agresti, Jean-Francis Vandriessche en Achille Maréchal.

Bij EMI weten ze niet goed welk chanson te kiezen als opvolger van Sans toi, ma mie. De knoop wordt doorgehakt: N’est-ce pas merveilleux, Crier ton nom en Amour perdu worden in de markt gezet. Die liedjes van toen zijn nog erg dansant te noemen. Slows dragen daarbij zijn voorkeur weg. In de maand mei van 1963 staat Amour perdu bij ons op tien. Een absolute nummer één wordt N’est-ce pas merveilleux in de zomer van dat jaar. Met het oog op de winter wordt in het kielzog daarvan Tombe la neige uitgebracht. Eerder dat jaar trad hij op in de “Ancienne Belgique” in Brussel en mag tijdens het voorprogramma van Cliff Richard and The Shadows zijn talent etaleren in de Parijse “Olympia”. Niet alleen in Wallonië wordt Tombe la neige een bliksemsnelle nummer één, maar ook bij ons. Die single is nog maar net koud of Vous permettez monsieur? wordt ovenwarm geserveerd. Opnieuw een ijzersterke nummer één, zo zal blijken. En Nederland? Daar belandt Sans toi, ma mie op vijf in de top veertig. N’est-ce pas merveilleux wordt geen hoogvlieger, maar met Vous permettez monsieur? scoort Salvatore in de maand februari 1964 zijn eerste en enige nummer één bij onze noorderburen. Nog zo’n hoogvlieger wordt  Quand les roses,, opnieuw een nummer één zowel in Wallonië als in Nederland. In Frankrijk van hetzelfde muzikale laken een broek. De Fransen adoreren hem. Met Vous permettez monsieur? komt hij daar voor de eerste maal in contact met de hitparade. La nuit wordt er in het voorjaar van 1965 een nummer één. Tijdens de zomer van dat Franse jaar staat hij op één te glunderen met Mes mains sur tes hanches. In België doet hij het intussen uitstekend met singles zoals Si jamais, Dolce Paola en Les filles du bord de mer dat veel later succesvol gecoverd zal worden door Arno Hintjens.

Frankrijk is meteen in de ban van het nummer Une mèche de cheveux dat bij ons wordt beloond met een vierde plaats in de hitlijsten net zoals zijn voorgaande hit J’aime die eind 1965 onze BRT-programma’s mag kleuren. De twaalfde januari van dat jaar heeft Adamo, deze keer in zijn eentje, opnieuw staan schitteren op het podium van de “Olympia”. Toen werd afgesproken dat hij tijdens de ganse maand september daar zou optreden. Het succes was overdonderend.

In het land van de rijzende zon zal hij een fenomenale ontvangst krijgen. Zijn Japanse fans zullen trouwens voor de rest van zijn carrière een aparte plaats in zijn hart innemen. De Japanse vertaling van Tombe la neige, Yuki Ga Furu wordt door hen als hun tweede volkslied beschouwd. Hij zal met de singleversie tweeënzeventig weken na mekaar in de Japanse hitlijsten genoteerd blijven. Qua internationale populariteit staat Tombe la neige op gelijke hoogte met Et maintenant van Gilbert Bécaud en Comme d’habitude van Claude François. In het totaal zal Tombe la neige door de jaren heen méér dan vijfhonderdvijftig keer gecoverd worden. Het kan niet uitblijven of hij gaat in meerdere talen zingen: Engels, Duits, Italiaans, Spaans en zelfs in het Nederlands en het Portugees.

Adamo valt op in het tijdperk van de yé-yé, zoals de sixties in Frankrijk ook wel eens worden genoemd. Hij moet daar opboksen tegen sterren zoals: Johnny Hallyday, Sylvie Vartan, Richard Anthony, Françoise Hardy, Hervé Vilard en ga zo maar door. Hij combineert op een unieke manier zijn eigentijdse teksten en zijn jonge imago met de wat ouderwetse arrangementen van Oscar Saintal die ervoor zorgen dat niet alleen jongeren, maar ook ouderen van zijn muziek genieten. Internationaal deelt hij de affiche met tal van bekende artiesten zoals tijdens “De Gouden Roos van Montreux” waar hij The Rolling Stones ontmoet. De zestiende januari 1964 zit hij tijdens een interview in dezelfde radiostudio als The Beatles en vertaalt rechtstreeks hun Engelse antwoorden in het Frans. Drie jaar later zal hij The Beatles opnieuw ontmoeten, deze keer in de “Abbey Road Studio’s” waar hij Pauvre Verlaine mag opnemen samen met een groot orkest. The Beatles leggen daar op dat moment de laatste hand aan All You Need Is Love.

De zevende augustus 1966 verneemt Salvatore het trieste nieuws dat zijn vader is overleden. Hij gaat zich meer en meer over zijn familie ontfermen en zorgt dat niemand van hen ook maar iets tekortkomt. Hij wordt als voogd aangesteld. Hij stuurt zijn broers en zussen naar het internaat en zorgt thuis voor een gouvernante. Het lijkt alsof zijn leven van dan af aan een heel andere wending neemt. Zijn liedjes worden ernstiger. De arrangementen worden vanaf nu geschreven door Alain Goraguer die tot dan toe had gewerkt voor onder meer Boris Vian en Serge Gainsbourg. Hij voelt erg goed het melodieuze aan dat Adamo in zijn chansons stopt. Tegen de achtergrond van de Zesdaagse Oorlog, die van de vijfde tot en met de tiende juni 1967 tussen Israël aan de ene kant en de Arabische staten Egypte, Jordanië en Syrië werd uitgevochten, schrijft Salvatore Adamo een van zijn grootste klassiekers, het vredeslied Inch Allah dat in Frankrijk maandenlang in de hitlijsten genoteerd zal blijven staan. Op zijn terugreis van Beiroet waar hij had opgetreden, brengt hij een bezoek aan Jeruzalem en krijgt daar de idee Inch Allah te schrijven. Met dit nummer bewijst hij in één klap dat hij méér aankan dan alleen maar rustige, romantische liedjes schrijven. In ons land zit er eind januari 1967 voor Inch Allah een vierde plaats in. In Nederland slaat de single niet aan.

Iets later zal Adamo in onze hitlijsten nog eens stevig scoren en wel met Une larme aux nuages, goed voor een vierde plaats in de top dertig. Van dan af lijkt hij zijn greep op onze hitlijsten stilaan te verliezen. In Frankrijk duiken er chansons van hem op die bij ons zelfs niet gedraaid worden, nummers zoals L’amour te ressemble, J’ai tant de rêves dans mes bagages, Le ruisseau de mon enfance en F…comme femme. Met Pauvre Verlaine wijkt hij wat af van zijn voorgaande chansons. The Moody Blues zullen iets later de song Melancholy Man uitbrengen. Wie goed luistert, hoort de gelijkenis, maar Adamo spant geen proces aan. Het is een lied in mineur al huwt hij iets later dat jaar met zijn grote liefde Nicole met wie hij intussen een zoon heeft, Anthony. Al die jaren heeft hij zo veel mogelijk zijn geliefde voor zijn fans verborgen gehouden. Zijn vrouw heeft trouwens tijdens zijn carrière nooit een vooraanstaande rol willen spelen. Ze heeft zich altijd in zijn schaduw opgehouden.

Adamo is in 1968 wereldwijd samen met The Beatles voor EMI hun bestverkopende artiest. Hij is bekend tot in Chili, Argentinië en Uruguay. Hij is echter doodop. Om wat bij te tanken besluit hij van mei tot en met juni van dat jaar naar Los Angeles te trekken om zijn zinnen op wat anders te zetten. Eerder dat jaar was hij tijdens de Midem-platenbeurs in Cannes nog uitgeroepen tot bestverkopende artiest in Frankrijk en de rest van Europa. In de States volgt Adamo een cursus harmonie en leert een rist nieuwe akkoorden die hij meteen in zijn liedjes verwerkt. Eenmaal terug thuis richt hij zijn eigen uitgeverij op A.A. en besluit niet meer met arrangeurs samen te werken, maar zijn eigen arrangementen te schrijven. Een eerste keer is dat te horen op zijn hit Petit bonheur die hem in het najaar van 1969 en na zijn succes met A demain sur la lune opnieuw een grote hit in Frankrijk bezorgt.

In 1970 koopt Adamo in Rueil-Malmaison” het huis Les Rochers om het gereis tussen de lichtstad en Jemappes niet meer te hoeven overbruggen. Hier zorgt hij ook voor de opvoeding van zijn zussen die hij naar hier heeft laten overkomen. Intussen hebben Franck Fiévez en Jérôme Munafo zich bij zijn orkest aangesloten ter vervanging van Jean-Francis Vandriessche en Gilles Maréchal.

Na Petit bonheur is het wachten tot het begin van 1972 wanneer Salvatore nog eens in de Franse hitparade opduikt, deze keer met J’avais oublié que les roses sont roses. Het gekke is dat hij op dat moment moet opboksen tegen het succes dat Gilbert Montagné scoort met The Fool. Adamo was aan hem voorgesteld door Bernard Saint-Paul die voor zijn uitgeversmaatschappij werkte. Gilbert had toen reeds als Lord Thomas enkele plaatjes opgenomen. Niemand heeft oor naar diens compositie The Fool, maar Adamo ziet er wel wat in en wil het zelfs producen en in zijn uitgeverij onderbrengen. Met CBS wordt een deal gesloten het nummer te distribueren.

Qua Adamosingles heeft er geen aardverschuiving plaats. Crazy Lue en On est deux kabbelen in 1973 rustig zonder enige deining te veroorzaken. Hij maakt gebruik van die situatie om almaar vaker in het buitenland te gaan optreden, onder meer in Rusland en de Oostbloklanden. Datzelfde jaar verrast hij zijn publiek met de langspeler “A ceux qui rêvent encore”. Hij klinkt anders: hij wil weg van de hitstructuur, de liedjes worden langer en zijn iets minder simpel opgebouwd. Hij wil vooral zijn eigen zin doordrijven, klinken zoals hij altijd al had willen klinken, veel minder commercieel. Niet iedereen gaat daarmee akkoord. Zijn platenfirma kijkt bedenkelijk, alsook zijn collega’s. Charles Aznavour heeft nooit goed begrepen waarom Adamo van zijn muzikale weg afweek. Hij had volgens zijn bekende patroon moeten blijven liedjes schrijven, aldus Aznavour die daar wél trouw aan is gebleven wat zijn chansons betreft. Maar bij Salvatore wil er dat niet in. De Franse radio en tv beginnen hem stilaan links te laten liggen. Een nummer dat het in 1975 enigszins goed doet en bij ons een soort radiohit wordt, is C’est ma vie, inmiddels een heuse Adamoklassieker. Het is de laatste keer dat hij nog met zoveel overtuiging een hit zal scoren. Veel minder qua impact is immers het daaropvolgende nummer J’ai trouvé un été. Ook Si j’étais dat in de maand april van 1977 in de Franse hitparade opduikt, wordt niet zijn leukste troetelkind. Zijn zingende collega’s grimlachen. Ze hebben jaren moeten verdragen dat hij de Franse hitparade domineerde, nu geraakt hij zijn greep daarop kwijt. Sommigen genieten. Dat kwetst hem, want hij deinsde er nooit voor terug in zijn voorprogramma jonger talent een kans te gunnen, denken we maar aan Joe Dassin en Julien Clerc. Om tot rust te komen en af te kicken had hij iets eerder een villa in het piepkleine dorpje La Roquette-sur-Siagne gekocht, gelegen in de buurt van Cannes. 1978 wordt voor Adamo qua platenverkoop en scoren van hits een soort sabbatperiode. Maar daarbuiten blijft hij veel optreden in de rest van de wereld.

In een poging zijn carrière een nieuwe push te bezorgen, zegt hij EMI vaarwel en tekent een platencontract bij CBS. Voor hen neemt hij tussen 1976 en 1979 drie albums op: “Voyage jusqu’à toi”, “Et on chantait” en “Les chansons d’où je viens”. CBS weet hem ervan te overtuigen zijn grote hits van toen opnieuw te arrangeren en opnieuw in te zingen. Achteraf zou hij heel veel spijt hebben van deze beslissing. Na vijf jaar afwezigheid is in de maand mei van 1977 de “Olympia” nog eens aan de beurt waarvan de concertregistratie bij CBS op elpee verschijnt. Na dit CBS-avontuur vinden we hem bij de platenfirma van Eddie Barclay. Uit eigen zak betaalt Adamo de opname van het album ”Pauvre liberté”. Hij eist volledige artistieke vrijheid. Maar ook hier vindt hij zijn draai niet en belandt iets later bij platenfirma Carrère. Het album “Puzzle” gaat aan de meeste oren voorbij. Salvatore draagt op dat moment een jarenoud geheim met zich mee dat hij angstvallig bedekt heeft willen houden. Hij houdt er namelijk een geheime relatie op na. Hij heeft een verhouding met de Duitse mannequin en actrice Annette Dahl die de elfde november 1979 bevalt van hun dochter Amélie. Pas vijfentwintig jaar later zal Salvatore daar in de pers over uitweiden. “Le Soir Magazine” besteedt ruim vier pagina’s aan deze story.

De zevende november 1980 wordt zijn zoon Benjamin geboren; alsof Nicole en hij daarmee hun huwelijk willen bezegelen en alsof Nicole daarmee Annette gepast van antwoord wil dienen. Of dat een zalvende werking op zijn huwelijk heeft gehad, daar hebben we het raden naar. Vier jaar later moet Adamo inzien dat hij gas moet terugnemen. De 27ste mei 1984 wordt hij geveld door een hartinfarct.  Een tekort aan rust is de hoofdoorzaak, iets waar hij sindsdien wel rekening mee houdt, dat hij vooral van een voldoende nachtrust geniet. Maar voor een workaholic is en blijft dat een moeilijke opgave. Hij beslist na zijn infarct voort te werken zonder zijn vaste manager Charley Marouani. Voortaan moet hij de klus in zijn eentje klaren. Hij maakt méér tijd voor zijn vrienden en ontspant zich door te schilderen. Een van zijn grootste fans Maryse Tessonneau publiceert in 1985 zijn biografie ”Adamo, l’autre face”. Dertig jaar lang heeft ze hem op de voet gevolgd en kan een nauwgezet portret schilderen van Adamo, de artiest. Het boek wordt slechts in een kleine oplage verdeeld. Twee jaar later wordt zijn album ”Avec des si” gereleaset. Er is wel airplay, maar echt verkopen doet het album niet, net zomin als de opvolger ”Sur la route des étoiles” in 1989. Drie jaar later is er de cd “Rêveur de fond”. Nog altijd geen verrijzenis, maar wel een aanloop naar betere tijden. Die breken aan wanneer hij in 1993 ambassadeur wordt van Unicef. In het raam daarvan neemt hij twee jaar later samen met Maurane een duet op. Het publiek reageert positief en waardeert de liefdadigheidsinzet van Adamo. Het jaar nadien treedt hij opnieuw op in de “Olympia” om daar in 1995 zijn vijfendertigjarige carrière in de bloemen te zetten. De organisatoren merken dat Adamo nog altijd aanslaat bij het Franse publiek en de grotere concerten stromen binnen. Maar zijn platen verkopen nog altijd niet vlot, ook niet het nummer La vie comme elle passe dat hij in dat jaar samen met Toots Thielemans inblikt. Adamo slaagt er wel in de uitgavenrechten op zijn eerste en grootste hits opnieuw in zijn bezit te krijgen. Tot dan toe waren die in handen van Aimable Donfut. Hij sluit een nieuwe platendeal met EMI die meteen een dubbele verzamelaar uitbrengen van zijn grootste hits “Adamo d’amour” met daarop als collector’s item het nooit eerder uitgegeven Je t’aimais.

EMI België gaat samen met Adamo rond de tafel zitten en besluit zijn imago op te poetsen, zijn platen wat moderner te laten klinken zonder daarbij zijn achterban geweld aan te doen. In 1998 tekent hij een nieuw contract bij EMI France. “Regards” wordt zijn eerste album voor hen na een afwezigheid van tweeëntwintig jaar. Maar Adamo is niet gelukkig. Hij zit opgescheept met producer Jean-Paul Dréau, zelf een singer-songwriter, aan hem opgedrongen door zijn platenfirma, maar hun samenwerking wringt langs alle kanten. Het uiteindelijke resultaat klinkt in de oren van Adamo en zijn entourage als een muzikale knoeiboel. Voor de Belgische release schrijft Jan Leyers een Nederlandstalige tekst bij het liedje Laissez rêver les enfants, Laat onze kinderen dromen. Van het album worden in ons land amper achtduizend exemplaren verkocht. Dat staat in schril contrast met het bericht dat hem ter ore komt dat hij tot dan toe wereldwijd méér dan negentig miljoen platen heeft verkocht. Dat overtuigt hem om zijn liveoptredens bij te schaven en zijn begeleidingsgroep nieuw leven in te blazen. Hij gaat nog maar eens wereldwijd concerteren. Dankzij een Canadese reclamespot van een zuivelfederatie staat hij in de zomer van 2000 in Canada op nummer één met C’est ma vie.  Tijdens de zomer het jaar nadien wordt hij door koning Albert II geridderd, een eretitel waar zijn vader Antonino vooral trots op zou zijn geweest. In 2002 wordt hij Officier de l’Ordre de la Couronne. Dat jaar wordt zijn roman “Le souvenir du bonheur est encore du bonheur” uitgegeven. Nog maar eens ongerust over het eindresultaat besluit Adamo alweer van platenfirma te wisselen en komt opnieuw terecht bij Polydor die hem de vrijheid geven een akoestisch album in te blikken, hier en daar aangevuld met wat blazers en een accordeon.

Dit resulteert in 2003 in de cd ”Zanzibar”, een verademing na het vorige resultaat. Artistiek wordt hij bijgestaan door Firmin Michiels die hem veel raad geeft. Het album wordt geproducet door Lionel Groshény. Vaak te horen over de radio is het nummer J’te lâche plus. Hij sukkelt weer met zijn gezondheid.In de maand mei van 2004 gaat hij opnieuw door de knieën, deze keer wordt hij geveld door een hersenbloeding. Hij moet een vol jaar volledige rust respecteren. Omdat hij zijn buitenechtelijke dochter Amélie erg mist, spreekt hij met zijn vrouw af dat zij hem voortaan thuis in Ukkel mag komen opzoeken. Aan de Franse pers vertelde ze: “Je suis née en Allemagne, mais ma mère est venue s’installer en France. Je voyais régulièrement mon père, j’ai très vite été mise au courant de sa situation, de son autre famille. Tout cela m’a toujours paru normal. Le plus compliqué était d’avoir un père chanteur, célèbre. Je n’osais pas en parler, je le dis depuis peu. Pendant des années, je n’ai même jamais envisagé de chanter. Je tournais autour, j’ai pris des cours de théâtre, je disais que je voulais devenir metteur en scène ou productrice. J’ai même travaillé dans l’édition à Londres. Je me cachais la vérité. Il a fallu l’insistance de mes amies pour que je passe le cap et que j’aille chanter en duo avec mon père.” Dat heeft hem bij zijn herstel enorm geholpen. Zij gaan sindsdien zo vaak de kans zich voordoet op vakantie met de ganse familie in Adamo’s buitengoed in Frankrijk.

En zoals het een goede wijn betaamt, wordt hij qua producties met de jaren beter. In 2007 is er als bewijs het album “La part de l’ange” met in de studio achter de knoppen Alain Cluzeau en Nicolas Duport en met als uitschieter het inmiddels grijsgedraaide Ce George dat Salvatore in duet zingt met Olivia Ruiz. Ook graag gehoord en gedraaid is het nummer Au café du temps perdu. Adamo lijkt weer zijn muzikale draai te hebben gevonden. Ook de fans lusten hem opnieuw al duikt hij daarom niet meteen in de hitlijsten op. Omdat zowat iedere muzikant ermee voor de dag komt, overweegt hij zijn bekendste liedjes in een nieuw jasje te stoppen. Hij legt een keurige lijst aan met wie hij zijn grootste successen opnieuw wil inzingen en biedt ons in 2008 het resultaat daarvan aan op de cd “Le bal des gens bien” met daarop onder andere: Vous permettez monsieur? dat hij zingt samen met Bénabar, Tombe la neige met Laurent Voulzy, Au café du temps perdu met Thomas Dutronc en C’est ma vie met Isabelle Boulay.

In 2010 ontvangt hij Le Grand Prix International de Poésie Francophone voor zijn gehele oeuvre. In het kielzog daarvan verschijnt zijn tweeëntwintigste studioalbum “De toi à moi” in een productie van Dominique Blanc-Francard met in het totaal veertien nieuwe chansons waaronder ook deze keer duetten met onder meer Christophe, Oxmo Puccino, Chantal Lauby en als verrassing samen met zijn dochter Amélie T’aimer quelque part.  Hij sluit 2012 met de release van het album “La grande roue”.

Begin 2012 is er de release in Vlaanderen van het album “Luc Steeno zingt Adamo”. Salvatore brengt op zijn beurt als hommage de tiende november 2014 de cd “Adamo chante Bécaud” op de markt met daarop vijftien liedjes van zijn idool, van Et maintenant tot en met Mes mains.

De 5de februari 2016 brengt Adamo een nieuw album op de markt “L’amour n’ a jamais tort” in een productie van de Vlaming Jo Francken. Hij werkt ook samen met arrangeur Andrew Powell, bekend van zijn samenwerking met Kate Bush en Alan Parsons. Op deze cd zingt Salvatore het duet De père à fille samen met Joyce Jonathan. De 8ste en 9de april van dat jaar treedt hij op in de Parijse “Olympia”.

 

tekst en release: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

Françoise Hardy

Doodjammer vind ik het dat wanneer je in Vlaanderen de naam Françoise Hardy uitspreekt haast iedereen meteen Tous les garçons et les filles begint te zingen, niet wetende dat die mevrouw honderden liedjes op plaat heeft gezet waarvan er een rist méér dan de moeite waard van het onthouden en behouden zijn. Ik keek verbaasd op toen ik merkte dat ik haar eerste plaatjes nog in mijn singlecollectie heb zitten. Die was ik eerlijk gezegd wat uit het oog en vooral uit het oor verloren, want intussen hebben haar cd’s mijn platenkast ingepalmd en dat zijn er na al die jaren wel wat. Niet dat ik intussen alles van haar heb verzameld, want zo’n fan ben ik nu ook weer niet, maar ik heb toch aardig gelijke tred kunnen houden met haar belangrijkste releases.

Wanneer ik door Parijs wandel, dan hou ik in mijn achterhoofd dat Françoise Hardy daar in het 9de arrondissement werd geboren. Je moet er zeker al eens gepasseerd zijn, want hier ligt onder meer Boulevard Haussmann, de Parijse Opéra, het Palais Garnier en Galeries Lafayette. Françoise, die hier de 17de januari 1944 werd geboren, bewaart geen goede herinneringen aan haar jeugd. Haar vader liet haar samen met haar zus Michèle vrij snel alleen achter bij hun moeder. Pa kwam financieel maar mondjesmaat over de brug, een zware last voor zijn ex om de touwtjes aan mekaar te knopen. Nochtans had vader wel wat centen, want hij bezat een tijdlang een kantoorboekhandel in de rue Saint-Lazare. Tijdens de middag togen zij en haar zus daar regelmatig naartoe.  Maar de man was hertrouwd en koos de kant van zijn kersverse echtgenote. Françoises grootouders langs moederszijde die in Aulnay- sous-Bois woonden, waren ook al geen grote steun voor Françoise. Haar grootmoeder had wel altijd iets aan te merken. Françoise kroop al in elkaar als ze nog maar wist dat grand-mère langskwam. Omdat mama Hardy de handen vol had, vond ze het beter dat Françoise naar het internaat zou gaan in de rue La Bruyère op nummer 42 in handen van de zusters van de Drie-eenheid waar de schuchtere Françoise nog meer in zichzelf gekeerd zou gaan leven. François liep gebukt onder de situatie bij haar thuis, het feit dat haar vader het kostschoolgeld met maanden vertraging betaalde en dat ze minder mooi gekleed was dan haar medeleerlingen. Ze compenseerde dat gebrek aan zelfvertrouwen door hard te studeren en op te vallen als een plichtsbewuste leerling. Ze zag er slank en rank uit zodat ze, al wou ze het niet, een opvallende figuur werd. Waar en wanneer het maar kon, luisterde ze naar de radio, naar de nieuwste Franse chansons van onder meer Charles Trenet en naar de nieuwste rage ‘de rock’n'roll’. Tijdens de vakanties werd ze regelmatig naar Duitsland gestuurd om daar de taal te bemachtigen. Dat op advies van een zekere monsieur Gilbert, een vriend van haar moeder, die vond dat de kinderen die moeilijke taal onder de knie moesten krijgen. Zo logeerden ze meermaals bij de Oostenrijkse mevrouw Hedwig Welser, alias tante Hedi. Vanuit La Gare de l’Est reisden ze met de Oriënt-Express naar Innsbruck. Hier vulde Françoise haar vrije uren met zingen en liedjes schrijven. In 1961 beëindigt ze haar middelbare studies en wanneer ze haar baccalaureaat behaalt, waardoor ze haar hogere studies kan aanvatten, krijgt ze van haar vader een gitaar cadeau. Via een snelcursus leert ze enkele basisakkoorden en kan zodoende zich al snel  op de gitaar begeleiden. Ze gaat dikwijls naar een platenwinkel in de rue de la Chaussée-d’Antin waar ze  de nieuwste importsingletjes beluistert. Af en toe koopt ze er een met het geld dat ze verdient door Duitse bijles te geven aan een buurjongen van veertien. Françoise dweept op dat moment in haar jeugd met Eddie Cochran, Neil Sedaka, Brenda Lee, Cliff Richard en The Everly Brothers. Ze wil beter leren zingen en schrijft zich in aan het ”Petit Conservatoire de Mireille”, gelegen aan de avenue du Recteur-Poincaré, eigendom van de nationale radio. Les werd daar gegeven door de zangeres Mireille.  Maar mama Hardy wil dat Françoise ook voortstudeert. Ze schrijft zich in aan de Sorbonne in Parijs om daar de richting politieke wetenschappen te volgen. Ze heeft voldoende tijd over om liedjes te schrijven. Het liefst van al trekt ze zich thuis terug in de keuken waar haar stem tegen de tegels weergalmt en dat vindt ze heerlijk. Al snel blijkt haar studiekeuze de verkeerde. Ze gaat dan maar literatuur studeren.

Op zekere dag leest ze in Les Potins de la commère, een rubriek in France-Soir, een annonce waarin platenfirma Pathé Marconi  aankondigt dat ze op zoek zijn naar nieuw en jong zangtalent. Françoise schrijft zich meteen in, laat een behoorlijke indruk na, maar hoort verder niets meer van die auditie. Ze trekt dan maar haar stoute schoenen aan en klopt aan bij firma Vogue die onder meer Johnny Hallyday onder contract heeft. Françoise is niet meteen wat ze zoeken, want ze willen eigenlijk een vrouwelijke evenknie van Hallyday, maar haar stem blijft hangen én haar liedjes. Op kosten van Vogue gaat ze notenleer volgen en in het late najaar van 1961, de 14de november om precies te zijn, tekent ze haar eerste contract. Ze is nog maar zeventien. De zesde februari 1962 duikt Françoise op in het bekende tv-programma “En attendant leur carrosse” van de ORTF. Twee maanden later mag ze haar eerste plaatje opnemen. Je weet dat in Frankrijk in die tijd vier in plaats van twee liedjes op een single stonden, de zogeheten eepees (extended play). Een van die eerste chansons is Oh oh Chéri en het door haar zelf geschreven Tous les garçons et les filles. Dat liedje komt deejay Daniël Filipacchi ter ore die het meteen oppikt in zijn bekende uitzending “Salut les Copains”, een trendsettend programma bij Europe Numéro Un, in die jaren zestig ook druk beluisterd in Vlaanderen. Tous les garçons et les filles klimt meteen naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zo mag ze aansluiten bij de eerste lichting yé – yé – zangers waaronder Richard Anthony, Johnny Hallyday en Sheila. Na drie maanden zijn er van de single vijfhonderdduizend exemplaren verkocht. Dat levert haar in Paris Match de cover op én de titel ‘Nouvelle Idole de la Chanson’. In Nederland bereikt eerst het nummer L’amour s’en va de Top Veertig, maar geraakt niet hoger dan de twintigste plaats. Met Tous les garçons et les filles bereikt Hardy bij onze noorderburen de derde plaats. Bij ons zit er slechts een elfde plaats in de hitlijsten in. Maar het is niet gemakkelijk voor Françoise, die nogal schuchter van aard is, zich in dat popmilieu te bewegen. Gelukkig voor haar ontmoet ze tijdens een fotoshoot voor het blad “Salut les Copains” fotograaf Jean-Marie Périer die zo’n beetje haar mentor wordt. Hij meet haar een nieuwe look aan en het is gelijk bingo. Ze worden mekaars liefje. Blijkt iets later dat Françoise ook bekoorlijk en behoorlijk kan acteren. Ze krijgt een rol in “Château en Suède” van regisseur Roger Vadim, die iets voordien Brigitte Bardot had gelanceerd.

Een gok of niet, de 23ste maart 1963 gaat Françoise in Londen de kleuren van Monaco verdedigen tijdens het 8ste Eurovisiesongfestival dat wordt gewonnen door Denemarken en het duo Grethe en Jorgen Ingmann met Dansevise. Françoise eindigt ex aequo met Alain Barrière op de vijfde plaats. Ze zingt die avond L’amour s’en va. Ze sluit dat jaar af met een optreden in de Parijse Olympia in het voorprogramma van Richard Anthony. Voor haar eerste elpee, een soort hitcompilatie, ontvangt ze de Prix de l’Académie Charles-Cros, een erg gewaardeerde onderscheiding in Frankrijk, én de Trophée de la Télévision Française. In 1964 duikt ze tweemaal op in de Franse hitlijsten en dat met J’aurais voulu en Jaloux. Hardy wordt zo’n beetje het uithangbord van een aantal belangrijke jonge Franse couturiers die maar al te graag zien dat ze hun ontwerpen draagt: Paco Rabanne, Yves Saint- Laurent en André Courrèges. Die laatste ontwerpt haar outfit voor haar tournee die ze in 1965 aansnijdt aan de zijde van Hugues Aufray. Ze scoort dat jaar driemaal in de Franse hitparades: Mon amie la rose, Son amour s’est endormi en L’amitié.Je houdt het misschien voor onmogelijk, maar ook in Engeland scoort La Hardy zij het met vertalingen van haar Franse successen: However much ( Et même) en All Over The World ( Dans le monde entier). Met het eerste nummer geraakt ze tot op de eenendertigste plaats in de top veertig en met het tweede tot op de zestiende. Maar daarmee is voor haar de Britse kous qua hitnoteringen gebreid, al moet ik vermelden dat ze een rolletje krijgt toebedeeld in de film “What’s new Pussycat” van Clive Donner en een optreden in de “Savoy” in Londen. Ze staat de 26ste december zelfs in “The Piccadilly Show” te schitteren. Twee maanden eerder deed ze dat ook aan de zijde van Les Compagnons de la Chanson in de Parijse “Olympia”.

In haar liedjes voert de melancholie de bovenhand samen met thema’s zoals angst, twijfel en onzekerheid. Met die chansons verovert ze eveneens Japan en de rest van Europa. Zo start ze 1966 met haar deelname aan het “San Remo liedjesfestival” met Parla me di te en een tournee in Duitsland. In de maand februari van 1966 scoort ze in Frankrijk een van haar grootste hits dat ook bij ons een succes wordt La maison où j’ai grandi. Dat liedje had ze opgepikt tijdens dat festival in San Remo waar het in de originele versie werd gezongen door Adriano Celentano als Il ragazzo della via Gluck. Ze rondt 1966 in de Franse hitlijsten af met Rendez-vous d’automne, toepasselijker kan haast niet. Haar relatie met fotograaf Jean-Marie Périer krijgt harde klappen te verduren. Haar overdrukke agenda is daar de oorzaak van. In 1967 splitten ze, maar lang hoeft Françoise zich niet eenzaam te voelen, want iets later ligt ze al tot over haar oren verliefd te wezen in de armen van Jacques Dutronc, een van Frankrijks nieuwste sekssymbolen. Dutronc werkt bij platenfirma Vogue als productieasssistent en als schrijver. Nadat hij een paar demo’s heeft ingezongen voor een aantal artiesten, vindt de directie dat hij ze maar beter zelf op plaat kan zetten. Als eersteling wordt in 1966 Et moi, et moiet moi geboren. Binnen de kortste keren in Frankrijk een ongelooflijke hit met meteen daarachteraan de hitsingles Les play-boys, Les cactus, Mini Mini Mini en in 1968 de klassieker Il est cinq heures Paris s’éveille. Dutronc zal zich nadien ontpoppen als een rasechte filmacteur. Hun relatie kent door de jaren heen veel ups-and-downs, maar wordt gezegend met zoon Thomas Dutronc die intussen een aardige zangcarrière heeft weten uit te bouwen. Pas in 1984 zullen Françoise en Jacques met elkaar in het huwelijk treden.

Niet dat ze toen ze mekaar leerden kennen veel bij mekaar konden zijn, want ze beleefden beiden hun hoogtijdagen. Françoise brengt begin 1967 haar elpee “Ma jeunesse fout l’camp” op de markt en vertrekt meteen nadien op tournee ondermeer langs een rij Britse universiteiten: Brighton, Cambridge, Southampton, Durham en Birmingham. Vervolgens staat er een toer in Zuid-Afrika op het programma met optredens in Le Cap, Johannesburg, Prétoria enz… Een jaar later heeft ze er schoon genoeg van en besluit voorlopig een punt te zetten achter haar liveoptredens. Ze treedt de 22ste april nog op in Kinshasa en geeft nadien een soort afscheidsconcert in de Londense Savoy en gaat zich ernstig bezinnen, zeker nu de glansperiode van de yé-yé-generatie definitief achter de rug ligt. Ze wil zich voor het volle pond op haar nieuwe repertoire storten. In 1968 verrast ze ons met het album Comment te dire adieu? waarvoor de titelsong werd geschreven door niemand minder dan Serge Gainsbourg. Het wordt een van haar bekendste chansons. Intussen had ze een eigen platenfirma opgericht “Asparagus Production”. Vogue zal voor de verdeling van haar platen blijven zorgen, maar het loopt met een sisser af. Discussies met haar platenfirma blijven niet uit. Haar firma gaat op de fles. Maar Françoise blijft niet bij de pakken zitten. Ze meet zich een nieuw imago aan, want ze wenst niet langer het uithangbord van de Franse couturiers te blijven. Ze keert terug naar de eenvoud en legt in haar liedjes almaar méér haar gevoelige natuur bloot. Ze richt een nieuwe firma op Hypopotam en breekt definitief met Vogue. De verdeling van haar platen zal de komende jaren verzorgd worden door Sonopresse, een dochteronderneming van uitgeverij Hachette. Françoise krijgt een behoorlijk voorschot op de opnames die wel haar eigendom blijven.

In 1971 gaat ze samenwerken met de Braziliaanse muzikante Tuca. Ze is weg van de Braziliaanse ‘couleur locale’ die in haar liedjes klinkt. Tuca komt een maandlang naar de rue Saint-Louis-en-l’Isle om daar samen met Françoise de liedjes in te studeren alvorens ze op te nemen. Die plaat wordt ingeblikt met Tuca op gitaar en Guy Pedersen op contrabas. Om wat uit te blazen, trekt Françoise samen met Tuca naar Corsica waar ze de arrangementen en begeleiding verder uitwerken. Terug in Parijs besluiten ze een paar strijkpartijen aan de opnames toe te voegen. Het is dirigent Raymond Donnez die de partituren uitschrijft.  Met liedjes zoals Même sous la pluie, Chanson d’O en La Question levert Hardy het betere werk af. De pers prijst haar de hemel in, de massa haakt echter af en heeft aan deze chansons geen boodschap. Ze is er niet rouwig om en blij dat de harde kern van haar fans haar eindelijk waardeert voor wie ze is. Ze gaat nog eens een Engelstalige plaat opnemen If You Listen en houdt daarmee het contact met haar Britse fans brandend.

1973 betekent voor Françoise nog maar eens een nieuwe platenfirma, deze keer WEA (Warner Brothers). Ze leert componist Michel Berger kennen met wie ze gaat samenwerken. Samen met hem schrijft ze Message personnel, een persoonlijke boodschap aan het adres van haar geliefde Jacques. Berger laat haar op zekere dag zijn compositie Je suis moi horen. Ze besluiten dat ook op te nemen. Berger had echter beloofd de tekst aan te passen, maar in de studio achteraf blijkt daar niets van in huis te zijn gekomen. Hun samenwerking vlot dan ook niet. Berger was net aan zijn relatie met France Gall begonnen die nog maar pas liefje af was van Julien Clerc. Berger was zowat de enige op dat moment die begreep welke muzikale kant France uit wou. Berger, die zelf een stevige carrière als chansonnier heeft uitgebouwd, wil wel een stapje opzijzetten voor Gall. Zo’n zijstap zou Clerc voor Gall nooit wagen. De samenwerking tussen Hardy en Berger verloopt met horten en storen, maar levert dat jaar dan toch het album “Message personnel” op waarvan de titelsong een mijlpaal in haar oeuvre zal blijven. Qua live optredens moeten de fans nog altijd op hun honger blijven zitten. Françoise heeft haar zinnen op iets totaal anders gezet. Sedert haar achttiende is ze immers bezeten door astrologie. Ze gaat samenwerken met astroloog Jean-Pierre Nicola aan diens tijdschrift en programma’s. Françoise is er rotsvast van overtuigd dat een mens als individu daadwerkelijk de wereld kan veranderen. Ze gaat iets later ook samenwerken met astrologe Anne-Marie Simon voor haar radioprogramma “Entre les lignes, entre les signes”.

Met het album ”Star” boort Françoise in 1977 een nieuw publiek aan met daarop liedjes aangereikt door onder meer Serge Gainsbourg en William Scheller. Ze zingt op een andere manier en weet zo een jonger publiek aan te trekken. Omdat ze het druk heeft met de opvoeding van haar zoon en geen tijd meer heeft om zelf liedjes te schrijven laat ze zich bevoorraden door de tandem Gabriel Yared en Michel Jonasz die voor een meer funky en jazzy stijl kiezen wat je kan horen in het liedje J’écoute de la musique saoûle. Tot mijn favorieten behoort haar album “A suivre…” uit 1981 met daarop als uitschieters Tamalou en vooral Villégiature. Na een tijdje neemt ze haar schrijverspen opnieuw bij de hand en verwent ons met onder meer Moi vouloir toi een tekst op muziek van Louis Chédid.  Het jaar daarop is er het album ”Quelqu’un qui s’en va” waarop chansons van onder anderen Michel Fugain en Alain  Souchon te horen zijn.

En dan ‘comme un coup de tonnerre éclatant dans un ciel serein’ trekt ze in 1988 voor de laatste keer naar de opnamestudio. Ze is het beu! Ze heeft er schoon genoeg van. Ze is net vierenveertig. Ze wil nog een laatste keer het beste van zichzelf geven en blikt twaalf door haar, qua teksten, zelf geschreven chansons in voor het album “Décalages”. De muziek wordt geleverd door kanjers zoals William Scheller en Etienne Daho. Ze had Daho in 1982 ontmoet in de studio’s van Radio Monte-Carlo. Ze was toen al een fan van hem en ze zouden vrienden voor het leven blijven. Uitschieter op het album is Partir quand même geschreven door Jacques Dutronc. Binnen enkele weken wordt de plaat met goud overladen. Iets later loopt haar platencontract af. Françoise voelt zich zo vrij als een vogel en gaat chansons voor haar collega’s schrijven: Patrick Juvet, Jean-Pierre Mader, Viktor Lazlo en Julien Clerc en Guesch Patti. Voor Radio RFM gaat ze vervolgens vijf jaar lang een programma maken met als thema astrologie. Ik weet niet of het toen al in de sterren te lezen stond, maar haar relatie met Jacques Dutronc is er een van vele ups-and-downs. Hij is vaak slechtgezind, ook al omdat hij weinig momenten van rust in zijn agenda kan inlassen. Het is Serge Lama die haar tijdens een etentje in het restaurant van hotel “George V” in Parijs vertelt dat Jacques maar al te goed weet dat Françoise zijn reddende engel is, dat hij er zonder haar allang niet meer was geweest. Hij is erg destructief van aard, hij kan zich soms te pletter drinken en wild tekeergaan. Les extrêmes se touchent is in het geval Dutronc- Hardy méér dan de waarheid.

Op kousenvoeten maakt Françoise in 1993 een voorzichtige comeback wanneer ze samen met Alain Lubrano te horen is in het duet Si ça fait mal. De opbrengst gaat naar een actie voor aidsonderzoek op het getouw gezet door Etienne Daho. Defintief neemt Françoise Hardy de rode draad weer op wanneer ze in 1995 een platendeal afsluit met Virgin. Een jaar later is er het album “Le Danger”. Vanuit Engeland krijgt ze de vraag of ze wil meezingen op het nieuwe album van Malcolm McLaren en pleegt ze een duet met Blur To the End. Om te bewijzen dat ze geen oude tante is, gaat ze haar licht opsteken bij de popgroepen Portishead en Garbage om op die manier haar eigen geluid en stijl wat aan te passen.

Met luid applaus wordt in de lente van 2000 haar album ”Clair-obscur” door de pers onthaald. Retro is op dat moment in. Bryan Ferry blikt oude songs in, Rod Stewart doet het op zijn beurt evenals George Michael. Ik, die steeds op zoek ben naar liedjes uit The American Songbook, was aangenaam verrast door haar bewerking van de evergreen I’ll Be Seeing You. Ze wil dit in een duet gieten en gaat tot eenieders verbazing aankloppen bij Iggy Pop die dan ook nog yes zegt. Al even oud is het Franse chanson Puisque vous partez en voyage. Ze is zo’n beetje door het dolle heen wanneer Jacques Dutronc akkoord gaat dit samen met haar op cd te zetten. Eveneens een bewerking is haar versie van So Sad dat we al eerder kenden in de versie van The Everly Brothers. Ze voelt zich goed in de schaduw van haar succes. Ze besluit samen met Jacques Dutronc te verhuizen richting 14de arrondissement dat we beter kennen als de wijk Montparnasse. Ze bewonen elk hun eigen etage, een soort living apart together. Jacques respecteert het feit dat zijn vrouw graag teruggetrokken leeft en haar private stek nodig heeft.  Op die manier kan ook ieder zijn eigen gangetje gaan!

Françoise vindt het leuk wanneer collega’s haar vragen met hen mee te zingen op hun diverse cd’s. Zo is ze onder meer te horen op het album “Chambre avec vue” van Henri Salvador en “Chère amie” van Marc Lavoine. Met het oog op de eindejaarsdagen trekt ze in de maand september van 2004 naar de opnamestudio’s en in november van dat jaar ligt ”Tant de belles choses” in de rekken. Tuk als ze is op vers schrijversbloed, gaat Françoise ook deze keer aankloppen bij jonge componisten en komt zodoende terecht bij Benjamin Biolay , Jacno en de Ierse schrijver Perry Blake. Haar zoon Thomas mag vier liedjes leveren en tokkelt op een aantal tracks zelfs eigenhandig op de gitaar. Haar relatie met Jacques Dutronc is niet van de poes. De ene keer klinkt hij manisch, dan depressief. Hij vertelt haar tijdens hun etentjes uit over zijn nieuwe veroveringen. Geen wonder dat hun relatie almaar vriendschappelijker wordt. Maar Dutronc weigert van haar te scheiden. Ze zijn onlosmakelijk verbonden, vindt hij. “Ni avec toi, ni sans toi”, de gelijknamige titel trouwens van regisseur Alain Maline, is en blijft zijn leuze.

De dertigste november 2006 krijgt Hardy van de Académie française La Grande Médaille de la Chanson Française. In het kielzog daarvan lanceert ze het duettenalbum ”Parenthèses” met daarop een brede keuze aan samenzang: Maurane, Alain Souchon en Julio Iglesias. Het Franse publiek hapt gulzig toe. Méér dan tweehonderdduizend exemplaren gaan ervan over de toonbank, goed voor platina. Ze moeten haar extra pushen, maar in het najaar van 2008 ligt eindelijk haar autobiografie in de winkel. Uitgeverij Robert Laffont brengt het boek Le Désespoir des singes… et autres bagatelles op de markt. Zij zegt zelf hierover: ” Je me suis évertuée à restituer la vérité avec autant d’exactitude et de sensibilité que possible. J’espère seulement avoit été impudique…avec pudeur“. Het boek wordt een regelrechte bestseller. Een jaar later brengt uitgeverij Nijgh & Van Ditmar het boek in Nederland en Vlaanderen uit als Françoise Hardy, een roemrijk vrouwenleven. Intussen gaat ze naarstig op zoek naar nieuwe liedjes en verzamelt die op het album “La Pluie sans parapluie” dat in 2009 op de markt komt. Ik fronste toch even de wenkbrauwen toen ik haar producersteam bekeek: Peter Von Poehl, een jonge Zweedse songwriter, Khalil Chahine, zat vroeger in de band van Jacques Dutronc, Edith Fambuena, een gerenommeerde Franse producer, en Bénédicte Schmitt. Persoonlijk ben ik niet zo weg van deze productie al leunt een chanson als  Champ d’ honneur sterk aan bij haar betere werk uit de jaren zeventig.

In de herfst van 2012 verschijnt haar debuutroman “L’Amour fou”, over een grote liefde, met daaraan gekoppeld een gelijknamige cd. En het zal zeker, als het van haar afhangt tenminste, niet bij die ene roman blijven. Dat jaar verschijnt ook een nieuw album ” L’amour fou” met daarop tien nieuwe liedjes.

In de zomer van 2015 laat Françoise Hardy aan de media weten dat zij definitief een punt zet achter haar carrière. Zij laat weten dat zij sinds 2004 lijdt aan lymfeklierkanker. In de lente van 2015 moet zij tengevolge een zware val en diverse breuken  opgenomen worden in het ziekenhuis. Op een bepaald moment vrezen de artsen zelfs voor haar leven, maar ze heeft hard gevochten en onderging intussen ook een zware chemokuur. Zij zet dus na vijftig jaar een punt achter haar muzikale loopbaan. Aan de Franse krant Le Figaro vertelde ze: “J’ai l’impression d’avoir donné ce que je pouvais donner de mieux. Faire des textes de chansons, c’est comme si on avait un petit filon en soi, et j’ai toujours su qu’un jour ce filon serait épuisé. Une autre raison, c’est qu’à partir du moment où je ne fais pas de scène (elle a abandonné les concerts en 1968), on ne peut savoir ce que je fais que s’il y a une programmation radio et télé. Or, il y a de moins en moins d’émissions où je suis susceptible de passer. C’est complètement démotivant de faire un album quand on sait que personne ne va l’entendre», regrette celle qui a publié 27 albums en 50 ans de carrière, de Tous les garçons et les filles (1962) à L’amour fou (2012).”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet