Abracadabra

Hij kon het zelf moeilijk geloven, maar in 1982 stond Steve Miller op één in het land waar de schlagers vandaan komen, juist ja, in Duitsland en dat met het album ”Abracadrabra”. Niet in zijn thuisland, noch in de rest van de wereld zou hij die stunt herhalen, wel meermaals met dat album de zilveren, gouden en platina status bereiken, kortom een regelrechte millionseller!

Zeventien jaar eerder had hij samen met Barry Goldsberg The Goldberg-Miller Blues Band opgericht. Ze konden op heel wat aandacht rekenen. Zo traden ze onder meer op in het in die tijd bekende tv-programma “Hullabaloo”, een programma dat door de tv-zender NBC  geprogrammeerd werd in navolging van het succes van de concurrerende muziekprogramma’s “Shindig” en vooral “American Bandstand”. Voor de productie was Steve Binder verantwoordelijk, de man die iets later samen met Presley diens “’68 Comeback Special” zou regisseren. Tijdens dat optreden van Steve Miller in “Hullabaloo”stond hij op het podium samen met The Four Tops en The Supremes. Daar kom ik straks in verband met de single Abracadabra nog even op terug. Na een tijdje kreeg Miller het op zijn heupen en gaat zijn geluk in zonniger oorden zoeken. Hij trekt naar de in die tijd in Amerika place to be, San Francisco. Hier richt hij The Steve Miller Blues Band op. In 1967 sluit hij een platendeal met Capitol Records en trekt als The Steve Miller Band de studio in. Als eerste langspeler wordt “Children of The Future” uitgebracht, een elpee gehuld in een psychedelische bluessfeer zoals toen in Frisco in was. Zanger van dienst is Boz Scaggs die Miller jaren voordien had ontmoet toen ze samen schoolliepen in Texas en waar ze het groepje The Marksmen hadden opgericht. The Steve Miller Band zal na hun eerste plaat een stijl ontwikkelen die we blues- en artrock noemen.

Onze pijlen richten we in dit verhaal op het hitjaar 1982 en het album Abracadabra dat de band dat jaar zal opnemen. Voor de productie tekenen Steve Miller en Gary Mallaber die in de groep de percussie voor zijn rekening neemt. De overige leden op dat moment zijn Kenny Lee Lewis op gitaar, John Massaro op gitaar, Bryan Alfred op synthesizer en Norton Buffalo op mondharmonica. Het is een van de weinige keren dat de overige bandleden mogen meeschrijven en dat vindt Miller een verademing en een doorbraak in hun manier van produceren. “Abracadabra” is het twaalfde album voor The Steve Miller Band. Miller voelde zich wat in zijn gat gebeten als leverancier van kwaliteitsvolle platen, want zijn vorige album “Circle Of Love” had niet goed gepresteerd. Miller was intussen uitgegroeid tot een supervedette en dat bracht onnodige stress met zich mee.  Hij werd door critici vaak vergeleken met Fleetwood Mac en Jefferson Starship. Hij verdient in die jaren tonnen geld. Een bediende van Capitol Records herinnert zich dat hij voor Miller tweemaal per jaar een cheque uitschreef telkens goed voor twee miljoen dollar. We praten dan over de jaren zeventig wanneer Miller in ’76 met zijn band het album “Fly Like an Eagle” aflevert. Verwijzend naar het vele geld dat hij verdient, schrijft hij de song Take The Money and Run. Dat album levert hem de monsterhit Fly Like an Eagle op. Nog een grotere hit uit datzelfde album wordt Rock’n Me, een nummer één nadat hij dat drie jaar eerder al eens gepresteerd had met een van zijn knapste songs The Joker. Op weg naar zijn volgende nummer één scoort The Steve Miller Band in 1977 sterk en stevig met Jet Airliner.

Die volgende nummer één wordt dus de singlehit Abracadabra uit de gelijknamige langspeler. Miller hield wel van zijn intussen tot klassiekers uitgegroeide songs, maar wou zijn publiek toch blijven verrassen met nieuwe nummers. Met zijn optreden in het programma “Hullabaloo” in zijn achterhoofd in de jaren zestig en terugdenkend aan zijn optreden samen met The Supremes en Diana Ross in het bijzonder, schrijft hij Abracadabra. Miller heeft door dat hij terug moet naar melodische songs, liedjes die meteen goed zitten en niet langer duren dan een minuut of vier. Miller speelt het nummer in samen met Gary Mallaber en de twee nieuwelingen binnen de band Kenny Lee Lewis en John Massaro en voelt dat het meteen klikt.  Ze geven het nummer die extra spirit. Abracadabra is van oudsher een bezweringsspreuk, een soort toverformule, die een genezende werking heeft. De oorsprong zou teruggaan naar de tweede eeuw na Christus en voor het eerst gebruikt zijn door Serenus Sammonicus, de arts van de Romeinse keizer Caracalla. Hij had die toverformule uitgeschreven en de keizer moest die in de vorm van een amulet steeds bij zich dragen. Etymologisch gezien zou het woord een samensmelting zijn van het Hebreeuwse habrachah (zegening) en het Aramese dabra (pest). Een andere bekende toverformule die we in ons taalgebruik hebben overgenomen is hocus pocus.

Het ligt voor de hand dat Abracadabra op single wordt uitgebracht, daar twijfelt op dat moment geen kat aan. Die komt de 29ste mei 1982 op vijfenzeventig binnen in Billboard’s Hot One Hundred met op de B-kant Baba wanna dance en klimt dan traag maar zeker naar de eerste plaats. Opgelet, daar zal het nummer pas veertien weken later aankomen. We schrijven dan de vierde september. Zes weken na mekaar hebben hun concurrenten Survivor op één gestaan met het ijzersterke nummer Eye of the Tiger. The Steve Miller Band houdt het twee weken op één uit, dan is het de beurt aan Chicago om met het nummer Hard to Say I’m Sorry die eerste plaats in te palmen. In een interview zei Miller opgetogen: “As the band grows it’s adding a lot of new creative ideas and I’m enjoying the explosion. People have a tendency to wonder how you can play rock and roll for this long. Well, as a matter of fact, I’m just now coming into really having control over my medium.”

In Engeland klinkt The Steve Miller Band iets té Amerikaans, want echt aan de bak komen ze daar niet, al zit er voor Abracadabra een tweede plaats in de top veertig in. Opnieuw uitgebracht wordt The Joker daar wel een nummer één in de zomer van 1990. Dat doen ze datzelfde jaar in Nederland over, al zal Abracadabra in hun Top 40 in de zomer van 1982 halt houden op de achttiende plaats. Wij lusten het nummer dan weer wél, want in onze top dertig zit er voor The Steve Miller Band een tweede plaats in, meteen ook de hoogste score die de band hier op zijn actief zal schrijven.

Ondanks zijn drive en doorzettingsvermogen, verliest Miller nadien zijn greep op de hitlijsten, want met de singles die volgen, komt hij in zijn thuisland Amerika niet meer binnen het bereik van de Top 50, ook al mogen nummers zoals Cool Magic, Shangri-La en Wide River er best wezen. In 2012 begint de band aan een tournee die hen in de belangrijkste Europese concertzalen brengt. Voor 2013 staan Nieuw-Zeeland en Australië op het programma.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Material Girl

Ze staat al jaren naast me op mijn kantoor. Ze gaat nooit de deur, blijft hondstrouw op haar vertrouwde plekje, Louise Ciccone, beter bekend als Madonna. We verschillen tien jaar qua leeftijd en dat is niet onoverbrugbaar om samen te leven, want dat doen we al méér dan 12 jaar. En het leuke is, ze is schaars gekleed, alsof ze elk moment van de dag met mij naar het strand wil. Troost je, wees niet jaloers, je hoeft me echt niet te benijden, want ik heb het over een kartonnen versie van Madonna herself, ‘n een meter en twintig centimeter staande display. Ik kan me wel voorstellen dat menig Madonnaverzamelaar dit model in huis wil hebben, maar daar hebben we het nu niet over. Ik weet alleen dit, dat ik niet meteen een wilde fan van haar was. Dat echt aandachtig luisteren naar haar begon pas toen ze in 1985 op de proppen kwam met de single Material Girl.

We mogen stellen dat Madonna omstreeks 1985 wereldwijd bekend was. Daar had ze niet alleen haar stem voor gebruikt. Ze had letterlijk gans haar lijf in de strijd gesmeten om toch maar door iedereen herkend en erkend te worden. Dat ze daarbij tonnen kritiek had moeten en nog moest slikken, kon haar toen al niet deren. Twee jaar eerder had ze zich omringd met een aantal piepjonge producers die meteen aanvoelden wat Ciccone wou, “dansante muziek”. Om die heren bij naam te noemen: John Benitez, Reggie Lucas en Mark Kamins. Die plaat leverde haar meteen een aantal gouden hits op: Borderline, Lucky Star en Holiday. Van in het begin hadden we door dat Madonna geen geweldige zangeres was en ook nooit zou worden, maar wel een wijf dat wist hoe ze zich moest etaleren en vooral live op het podium bewegen. Met haar tweede album Like a Virgin bewees ze dat ze sowieso geen eendagsvlieg was. Voor dit album trok ze Nile Rogers als voornaamste producer aan. Ze was namelijk weg van wat hij met David Bowie had klaargespeeld op diens album Let’s Dance. Ze wou net zo’n dansbare sfeer en sound voor haar tweede langspeler. Ze trokken tussen april en september 1985 naar de Power State Studio in Manhattan, New York met zo’n zestal muzikanten waaronder drummer Tony Thompson en bassist Bernard Edwards met wie Nile de groep Chic vormde. Nile speelt zelf gitaar op deze plaat waarvan Madonna hoopte dat iedereen pal achterover zou vallen. Ze was in de wolken dat haar platenfirma Warner kosten noch moeite had gespaard om haar de beste producer en songwriters ter beschikking te stellen. Like A Virgin werd de eerste vette singlehit uit dit gelijknamig album, een Amerikaanse nummer een op het einde van 1984. Drie maanden later beslist Warner Material Girl op single uit te brengen. Dit liedje was zo’n beetje the story of her life. Ze wou het koste wat het kost maken, ze was daarbij ook heel materialistisch ingesteld. Dat thema werd uitgewerkt door Peter Brown en Roberta Rans. Zij wisten dat Madonna meer uit was op geld en roem dan op romantiek en een warm nest. Peter Brown was dol op de muziek van Chicago, Earth Wind and Fire en Santana. Hij koppelde dat aan de kennis dat new wave op dat moment de lift zat. Synthesizers moesten qua begeleiding het voortouw nemen en dat vond Nile Rogers dan weer geweldig. Om het nummer zo dansbaar mogelijk te maken werd beslist 120 slagen per minuut aan te houden.

De negende februari 1985 schiet Madonna met Material Girl als een raket de Amerikaanse top honderd binnen. Het is een beetje verwarrend, want ze staat daarin nog altijd met Like a Virgin te pronken, maar dat kan haar niet deren. Gretig als ze is, hoopt ze dat ze met Material Girl haar tweede nummer een op rij gaat scoren, maar dat is iets té gulzig gereageerd. REO Speedwagon gaat boveenaan de top honderd parkeren en in haar kielzog komt Phil Collins met One More Night opzetten. Material Girl en Madonna moeten tevreden zijn met een tweede plaats die ze de 23ste maart bereikt. Nu is er een uitleg voorhanden waarom Material Girl net niet op een geraakte, los van de sterkte van haar concurrenten. Een paar weken eerder had Geffen Records namelijk beslist het nummer Crazy For You dat Madonna in de film Vision Quest zingt op single uit te brengen en laat dat nummer nou net iets vaker gedraaid en geprezen worden dan Material Girl. In Billboard’s Hot One Hundred bereikt Madonna met dat nummer begin maart zelfs de nummer een status. In de film Vision Quest van regisseur Harold Becker met in de hoofdrollen Matthew Modine en Linda Fiorentino zijn ook songs te horen van Tangerine Dream, The Style Council en Foreigner.

In Engeland, waar Madonna al in de top vijf had gestaan met Like a Virgin, is er voor Material Girl een derde plaats in de top veertig weggelegd. Daar zal ze in de zomer van dat jaar op een geraken met Into The Groove. Ook Nederland valt als een blok voor dat nummer. Material Girl klimt in de Nederlandse top veertig naar  de achtste plaats. In ons land zit er een vierde stek in en wordt Into The Groove iets later ook hier een nummer een!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

When I Need You

Slechts één week staan The Eagles in de maand mei van 1977 bovenaan de Amerikaanse charts met Hotel California. Dan vindt Leo Sayer het welletjes en gaat hen daar de drie volgende weken aflossen met een van zijn grootste hits When I Need You. Dat is niet zijn eerste kennismaking met de hitlijsten ginder, want hij had in 1975 al op de negende plaats gestaan met Long Tall Glasses, ook wel bekend als I Can Dance en het jaar daarop met You Make Me Feel Like Dancing zijn allereerste nummer een in de States. In zijn thuisland Engeland was hij al veel eerder van wal gestoken met het scoren van hits. Daarmee begon hij al in het najaar van 1973 met The Show Must Go On en het jaar nadien met One Man Band. Opvallend is dat hij door de Britten slechts één keer goed werd bevonden om bovenin de top veertig post te vatten en wel met When I Need You, een single die bij ons op twee halt houdt en ervoor zorgt dat de absolute top in onze top dertig voor hem buiten bereik blijft. Onze noorderburen zijn dan weer helemaal kapot van Long Tall Glasses, in de herfstdagen van 1974 goed voor een nummer een. When I Need You wordt door de Nederlanders met een derde plaats in hun top veertig bekroond.

Geboren in het zelfde jaar als ik, 1948, was Leo van kind af aan bezeten door muziek. Zijn bio kan je uitgebreid op deze site lezen. Engeland ligt meteen aan zijn voeten, maar Amerika, dat is een ander paar mouwen. Daar zal het pas lukken met zijn vierde langspeler. Voor zijn album Endless Flight gaat Leo samenwerken met de bekende producer Richard Perry die samenwerkte met onder meer Barbra Streisand, Carly Simon, Harry Nilson en Diana Ross. Perry doet niets liever dan met vocalisten samenwerken. Als geen ander voelt hij aan wat een stem nodig heeft: welke technische aanpak, maar ook welke begeleiding. Tot dan toe had Leo Sayer er steeds over gewaakt dat hij de liedjes mag aanreiken, maar daar gaat Perry verandering inbrengen. Hij maakt van Leo Sayer een zanger, eerder dan een singer songwriter en daar heeft Leo het aanvankelijk best moeilijk mee. Stel je voor hoe Leo bij hun eerste afspraak zo fier als een gieter komt aandraven met een demobandje met daarop twaalf songs die hijzelf heeft geschreven. Niet één vindt Perry geschikt om op te nemen. Dat is een uppercut waarvan Leo even moet herstellen. Perry stelt Sayer echter op zijn gemak en belooft hem dat hij een beroep zal doen op de beste songwriters die er op dat moment in Amerika rondlopen.  Richard is goed bevriend met Carole Bayer Sager, de mevrouw die verantwoordelijk is voor onder meer de hits Come in From the Rain en A Groovy Kind of Love.

Het is zij die hem het liedje When I Need You voorstelt. Ze had het iets eerder geschreven samen met die andere bekende singer songwriter Albert Hammond, zelf erg vertrouwd met de hitlijsten dankzij zijn hitsintles I’m A Train, The Free Electric Band en It Never Rains in Southern California. Hammond neemt in When I Need You de muziek voor zijn rekening. De muziek was er eerst. Hammond was dringend op zoek naar een goede tekstschrijver. Het is zo dat hij bij Carole terechtkomt. Die weet dat hij vaak moet optreden, veel op reis is en dat is dan moeilijk om een relatie staande te houden. Met dit in haar achterhoofd schrijft ze When I Need You. Het is Albert zelf die het nummer in 1976 op zijn gelijknamige elpee zet. Richard Perry ziet wel wat in het nummer. Hij vertrekt van de bestaande versie van Albert Hammond en begint zoals we dat van hem gewoon zijn te sleutelen. Hij trekt met zo’n vierendertig muzikanten naar de studio waaronder een aantal kleppers: Nigel Olsson, Ray Parker Junior en Jeff Porcaro. Na een eerste opname fronst hij bedenkelijk de wenkbrauwen. Zijn entourage merkt meteen dat Perry niet tevreden is en dus laten ze hem ongestoord voortsleutelen. Het is op deze begeleiding dat Leo Sayer When I Need You mag inzingen. Nadat Carole die versie heeft gehoord, durft zij niet luid op reageren. Zij vindt die versie maar niets, te gewoon eigenlijk, maar ze houdt die mening voor zich, want ze wil Perry niet op zijn gevoelige tenen trappen, al heeft ze meteen door dat Richard het ook niet zo’n geweldige opname vindt. Voor Sayer zelf is deze samenwerking erop of eronder, want hij schreeuwde het al eerder van de daken, vooral na zijn eerste hits, dat hij een wereldster wil worden. Door het leven stappen als een doorsnee zanger is aan Leo niet besteed. Hij had ook al laten horen dat hij als liedjesschrijver in de voetsporen van Bob Dylan wil treden, maar die droom had hij intussen op aanraden van Richard Perry stilaan laten varen. De 26ste februari 1977 wordt When I Need You op het Warner Label uitgebracht en de rest van het verhaal deed ik daarnet al uit de doeken. Na twee opeenvolgende nummer een hits gaat het voor Leo Sayer nadien wat bergaf. De single How Much Love tuimelt nog net binnen de Amerikaanse top twintig, maar van de nummers Thunder In My Heart, Easy To Love en Raining In My Heart had hij in de Amerikaanse charts toch iets meer verwacht.

De zon begint weer te schijnen wanneer hij in 1980 op de proppen kwam met More Than I can Say. Dat nummer was al eerder op plaat gezet door Bobby Vee. Die bracht het in 1961 op single uit op het Liberty Label. In zijn versie was die plaat goed voor een zestigste plaats in de Amerikaanse top honderd. Het nummer was geschreven door Jerry Allison en Sonny Curtis die voordien deeluitmaakten van de voormalige band van Buddy Holly, The Crickets. Het is Sayers producer Alan Tarney die het bewerkt en er voor zorgt dat Leo Sayer ei zo na zijn derde Amerikaanse nummer een op het droge haalt, was het niet dat Kenny Rogers met een van zijn sterkste hits komt oprukken, Lady, dat met de eerste plaats en de eer gaat lopen. Nadien raakt Sayer in de hitlijsten kant noch wal meer. In de loop van de jaren negentig probeert hij een comeback te forceren, maar het werkwoord geeft het al aan, tevergeefs.

Gelukkig voor hem pikt in 2006 de Amerikaanse deejay en producer Meck zijn hit Thunder In My Heart op, bewerkt de song en zet het op plaat als Thunder In My Heart Again. In Engeland geraken ze er samen mee tot op de eerste plaats. Het jaar voordien had Sayer besloten Europa achter zich te laten. Hij trekt met hebben en houden richting Australië waar hij van de natuur en de opbrengst van zijn auteursrechten geniet.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Best of My Love

Het was gelijk raak. Ik was meteen verkocht toen ik in 1977 het nummer Best of My Love hoorde. Ik herkende snel de stijl van Earth, Wind and Fire, maar The Emotions waren toen voor mij nog onbekend, maar dat zou niet lang duren, want in het najaar stonden de dames met dat nummer bij ons in de Top 30 genoteerd. Niet erg hoog, want ze hielden halt nadat ze even op de zevenentwintigste plaats hadden geschitterd. Daarmee zou hun verhaal in ons land zijn uitverteld, want nadien bleven ze voorgoed uit de buurt van onze hitlijsten. In Nederland deden ze het in de top veertig enkele stappen beter, want daar zat er voor  Best of My Love een twintigste plaats in. Twee jaar later zouden ze daar zelfs de top vijf binnenduiken met hun opvolger Boogie Wonderland.

Chicago was de place to be voor de dames Emotions. Het was hier dat Wanda, Sheila en Jeanette Hutchinson ontdekt werden door Maurice White, drijvende kracht achter de discoformatie Earth, Wind and Fire. Maurice was meteen in de ban van hun samenzang en wou snel een contract afsluiten met hen voor zijn eigen firma Kalimba Productions. Hij wou zo snel mogelijk met hen platen opnemen. Zingen konden de lady’s, want ze hadden hun stiel zoals zovelen van hun zwarte broeders en zusters in de plaatselijke kerkgemeenschap geleerd. Toen traden ze nog op in Mt. Sinai Baptist Church in Chicago als The Hutchinsons en nadien als The Heavenly Sunbeams. Hun vader papa Joe hield de touwtjes in handen. Ze kregen zelfs de eer op te treden samen met de leading lady of gospel Mahalia Jackson. Op het einde van de jaren zestig waren ze erin geslaagd een platendeal te sluiten met het Stax-label. Ze waren tijdens een tournee The Staple Singers tegen het lijf gelopen en die hadden hen in contact gebracht met het in Memphis gevestigd platenlabel. So I Can Love You werd een bescheiden hit uitgebacht op het Volt-label, een zustermaatschappij van Stax. Omdat ze hun overstap naar de soulmuziek wilden beklemtonen en daarmee de gospel achter zich lieten, werden The Heavenly Sunbeams omgedoopt tot The Emotions. Intussen had Jeanette afgehaakt en was haar zus Pamela in de plaats gekomen. Ze bereikten met So I Can Love You net de Top 40 in Amerika. De singles die volgden waren de moeite waard om te beluisteren en om op te dansen, maar er had meer in gezeten voor: Show me how, I Could Never Be Happy, Put A Little Love Away en I Don’t Wanna Lose Your Love. Maar het Stax-label taant qua belangstelling. In 1975 doet de firma de boeken dicht en zitten de dames zonder platendeal. Het is vanaf hier dat Maurice White de touwtjes in handen neemt. Hij had al met hen samengewerkt tijdens een of andere revue en wist hoe geweldig ze a capella konden zingen. Ze hadden niet eens begeleiding nodig, zo goed waren ze en zo goed konden ze toon houden. White slaagt erin voor The Emotions een platendeal af te sluiten met CBS. In 1976 mogen ze voor dit label hun eerste elpee opnemen “Flowers” met daaruit  de gelijknamige single als eerste keuze. Hoger dan de zevenentachtigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred geraken ze echter niet. Maar het was wel de aanloop naar hun grootste hit Best of My Love. In het voorjaar van 1977 beginnen ze met de opname van hun tweede elpee ” Rejoice”. Daarvoor hadden The Emotions zelf een aantal songs gerschreven en uiteraard ook Maurice die met zijn groep Earth, Wind and Fire al bewezen had hoe een hitsong precies moest klinken. Maurice had samen met Al McKay van Earth, Wind and Fire wat gesleuteld aan een liedje dat zou uitmonden in Best of My Love. Nu hij de stemmen van Wanda, Sheila en Pamela al wat beter kent, weet hij precies welke kant hij met het nummer uit wil. Maurice zingt zelf de demoversie in die hij meteen doorspeelt aan Wanda die het op basis daarvan samen met haar zussen zo instudeert. Ze zingt het trouwens in dezelfde toonhoogte als Maurice. Die huurt op zijn beurt Tom Washington in om de arrangementen uit te schrijven en daarmee trekken ze naar The Wally Heider en The Sunset Sound Studio’s. Omdat Maurice de productie niet alleen voor zijn rekening wil nemen, vraagt hij de assistentie van Clarence McDonald. Qua begeleiding wordt een beroep gedaan op de jongens van Earth, Wind and Fire: bassist Verdine White, drummer Fred White en toetsenist Larry Dunn. Maurice White steekt zelf ook een muzikaal tandje bij en omdat het ritme erg belangrijk is, want de plaat is een heus discoalbum, doet hij een beroep op percussionist nummer één Paulinho da Costa. Ook de gerenomeerde blazerssectie van Earth, Wind and Fire is van de partij. Wanneer ze met de opname van Best of My Love beginnen, beslist Maurice dat Wanda het nummer een octaaf hoger moet zingen. Zij aarzelt, want zo hoog heeft ze nog nooit aangedurfd. Na de opname blijft ze onzeker over het eindresultaat, maar Maurice en de directie van haar platenfirma zijn in de wolken en voelen dat ze een regelrechte hit te pakken hebben. Best of My Love wordt een voor de hand liggende singlekeuze. In de maand mei van 1977 wordt het nummer op vijfenveertig toeren uitgebracht. Het is Andy Gibb die op dat moment vier weken na mekaar de Top 100 heeft aangevoerd  met I Just Want to Be Your Everything. Maar Best of My Love is zo sterk dat Andy plaats moet ruimen. The Emotions blijven vijf weken die eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred inpalmen. Nadien is het de beurt aan Meco en het thema uit ”Star Wars”om dominant bovenaan de top honderd post te vatten. In de Britse Top 40 is Best of My Love goed voor een vierde plaats.

Uit het met platina bekroonde album “Rejoice” wordt naast Best of My Love nog een nummer gekozen, I Don’t Wanna Lose Your Love, maar de Britten vinden het maar een veertigste plaats waard. In hun thuisland zit er zelfs niet meer in dan een vierenveertigste plek in de Top 100 waarmee hun verhaal zowat lijkt uitgezongen. Maurice White neemt de dames wel mee op tournee en besluit hen in 1979 te koppelen aan zijn groep Earth, Wind and Fire wat resulteert in het nummer Boogie Wonderland geschreven door Jon Lind and Allee Willis. Het nummer was al in het voorjaar van 1978 een keertje ingeblikt als een soort demoversie. Maar Maurice vindt dat het nummer aan iets ontbreekt tot hij er The Emotions aan toevoegt en kijk, de 12de mei 1979 verschijnt de song als single en iets later staat die te pronken op de zesde plaats in de Amerikaanse Top 100. Ook in de Britse hitlijsten is Boogie Wonderland goed voor een vierde plaats.

Nadien nemen The Emotions nog een aantal platen op onder meer voor het Tamla Motown label, maar zonder veel bijval. In 1996 verschijnt hun laatste album “The Emotions Live” in eigen beheer op hun Sunbeam-label.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisya Lane & Marc Brillouet

 

 

Charles Aznavour

Je mag hem gerust de internationale ambassadeur van het Franse lied noemen. Ik leerde Charles Aznavour kennen toen ik in 1962 voor de eerste keer het liedje Et pourtant hoorde dat iets later in Amerika een hit werd voor Steve Lawrence als Yet I Know. Ik pikte rond die periode op de Nederlandse radio vaak Corry Brokken op met haar versie van La Mamma en het was Willem Duys die ons diets maakte dat het een chanson was van monsieur Charles. In 1962 klommen Les Compagnons de la Chanson in de hitlijsten met Les Comédiens, ook al een nummer van Aznavour.  Jaren later geraakte mijn echtgenote verknocht aan wellicht het mooiste lied dat hij ooit geschreven heeft Non je n’ai rien oublié. Hij zou de Franse dichter worden van een nieuw tijdperk. Hij gaf het Franse chanson een andere invalshoek: hij beschrijft het leven zoals het is, hij zingt over de man in de straat, over echte emoties, pijn en geluk. Hem vastpinnen op één lied zou zonde zijn, dus daar begin ik niet aan. Wel aan het overzicht van een méér dan rijk gevulde carrière.

Het had niet veel gescheeld of Charles was in Amerika geboren. Hij kwam de 22ste mei 1924 als Shahnour Varenagh Aznavourian in Parijs ter wereld terwijl zijn ouders daar wachtten op een visum voor de U.S.A. Ze waren Armenië ontvlucht op zoek naar een betere toekomst. Die kleine hield hen dus in Parijs, ze hadden geen andere keuze. Papa Micha stak zonder jammeren de handen uit de mouwen en begon een klein eethuis in de Franse hoofdstad. Er verbleven in die tijd nogal wat vluchtelingen uit Centraal-Europa in Parijs en Micha probeerde die op zijn manier te entertainen. Hijzelf was een niet onaardige bariton en mama Knar speelde de voortreffelijke gastvrouw. Zo hing er toch iets van een thuisgevoel in hun restaurant. Maar lang bleef de zon daar niet schijnen, want de donkere wolken van de recessie hingen in 1929 ook boven hun eethuis en ze konden niet anders dan de zaak sluiten. Ze vonden een onderkomen in de rue Cardinal-Lemoine, vlak tegen de school waar Charles als leerling in 1933 werd ingeschreven. Naar het voorbeeld van zijn moeder wil Charles acteur worden. Hij gaat lessen volgen en mag al snel in enkele stukken meespelen. Ook liggen er enkele rollen in een aantal films voor hem weggelegd. Wanneer zijn vader zich in 1939 bij het Franse leger aansluit, zit er voor Charles niets anders op dan zijn theaterambities op te bergen en voor de kost te gaan zorgen. Hij treedt al zingend op in cabarets en clubs in Pigalle en Montparnasse. Naast het acteren heeft hij op de Ecole du Spectacle piano leren spelen en notenleer. Dat helpt hem bij de keuze van een nieuwe job. Hij heeft nochtans niet de looks van een romantische crooner. Hij is klein, heeft een grote neus en zware wenkbrauwen. Een jaar of twee later leert hij in de “Club de la Chanson” Pierre Roche kennen. Ze ontdekken hun gezamenlijke interesse voor muziek. Pierre schrijft in zijn vrije tijd liedjes en hij weet Charles warm te maken samen een duo op te richten. Ook Charles ontdekt dat hij kan schrijven. Teksten liggen hem het best. Hij verwerkt zijn ideeën tot kleine theaterstukjes die op muziek worden gezet. Zo kan hij ook zijn ziel als acteur in de liedjes die hij componeert kwijt. Hun optreden is meteen een succes. Voor de Deense artiest Georges Ulmer schrijven ze J’ai bu dat in 1947 met Le Grand Prix du Disque wordt onderscheiden.

Van dan af gaat het vrij snel. Ze ontmoeten hun idolen Edith Piaf en Charles Trenet die hen stimuleren in het schrijven van hun eigen chansons. In 1946 trouwt Charles met zijn vriendin Micheline, een jaar later gezegend met de geboorte van hun dochter Séda. Met dank aan de relaties van Trenet en Piaf krijgen Charles en Pierre eind 1949 een lange reeks optredens in Montreal opgediend. Piaf is niet zo tuk op Pierre en vindt dat Aznavour hem de rug moet toekeren, maar Charles is zeer trouw. Wanneer hij samen met Piaf in New York is waar zij in “The Versailles” een reeks optredens geeft, wil hij doorreizen naar Canada om daar Pierre op te zoeken, maar Piaf verbiedt hem dat. Zij is erg blij wanneer zij hoort dat Pierre Roche intussen gehuwd is met de Canadese zangeres Aglaé die niet naar Frankrijk wil verhuizen en dus blijft Pierre in Canada achter. Aznavour heeft besloten voortaan in zijn eentje op te treden.   Die solo-optredens zijn geen lachertje.  Het publiek lust hem niet. Ze vinden hem fysiek niet aantrekkelijk en hij heeft ook geen aangename stem, maar zijn liedjes gaan erin als zoete koek. Hij wordt ontdekt door  Franse sterren zoals Patachou, Mistinguett en Juliette Gréco die al eerder het nummer Je hais les dimanches had opgenomen. Hij levert eveneens chansons aan Gilbert Bécaud. Zij zullen in de jaren die volgen ook samen schrijven: La Ville, Viens, Rentre chez toi et pleure. Ook Piaf heeft zijn talent ontdekt. Zij heeft tijdens hun bezoek aan zijn neusoperatie betaald zodat hij er wat aantrekkelijker uitziet. In ruil daarvoor vraagt zij hem  een bewerking te maken van de Amerikaanse song Jezebel, in die tijd een hit voor Frankie Laine.  Acht jaar lang zal Aznavour tot haar vaste entourage behoren. Er is zelfs een moment dat hij in haar voorprogramma optreedt, dat hij haar lichtinstallatie afstelt, haar microfoon uittest enz…Van haar leert hij vooral zichzelf te blijven tijdens zijn optredens, niet in de huid van iemand anders te kruipen. Het publiek neemt dat namelijk niet, je moet eerlijk blijven. Dat het ooit tot een vermeende liefdesrelatie tussen hem en Edith is gekomen, wordt met klem ontkend, ook door Piafs boezemvriendin Simone Berteaut die daar aandacht aan besteedt in haar boek “Piaf, non je ne regrette rien” dat in 1969 bij uitgeverij Laffont in Parijs verschijnt onder de Franse titel Piaf.

Na de geboorte van zijn zoon Charles, trekt hij op tournee in Noord-Afrika. Dat wordt wel een meevaller en vooral een goede leerschool. Hij zakt terug af naar Parijs wanneer hij een contract op de kop kan tikken voor een optreden in de “Alhambra”. Hij heeft intussen veel ervaring opgedaan en een repertoire opgebouwd, bestaande uit zo’n dertig eigen songs. Ook de “Olympia” in Parijs wenkt. De journalisten zien hem niet meteen zitten en zullen dat ook nooit echt, maar het Franse publiek is duidelijk weg van hem. Zijn succes kent wel een schaduwzijde, want zijn eerste huwelijk strandt. Hij trouwt in 1956 met Evelyne Plessis. Ze krijgen vrij snel een zoon, Patrick. Hij krijgt ook de kans zijn zelfgeschreven chansons op plaat te zetten: Parce Que, Après l’amour en Sur ma vie dat we mogen beschouwen als de start van zijn fenomenale carrière. Van dan af aan mogen we spreken van een typische en herkenbare Aznavourstijl.

Almaar meer vinden we hem in het theater. Op het podium voelt hij zich al zingend de koning te rijk. In 1956 ontmoet hij George Garvarentz, net zoals hij van Armeense afkomst. Ze gaan close samenwerken. In 1957 staat Charles opnieuw in de “Alhambra” en de “Olympia”. Hier bij ons zijn we dat na al die jaren misschien uit het oog verloren, maar Aznavour ontpopt zich tot een degelijk en gewaardeerd acteur. Hij sluit een platendeal met Barclay en brengt in 1957 het album “Bravos du Music-Hall” op de markt met daarop het swingende Pour faire une jam. Het gros van de liedjes heeft hij zelf geschreven, een paar samen met Pierre Roche. In 1958 schittert hij in de film “La tête contre les murs” van regisseur Georges Franju. Datzelfde jaar is er de elpee ”C’est ça” met daarop La ville dat hij samen met Gilbert Bécaud heeft geschreven. Hij had hem voor de eerste keer al zes jaar eerder ontmoet. Achteraf beschouwd, staan er op deze langspeler geen echte uitschieters. Het jaar nadien nodigt François Truffaut hem uit voor zijn film “Tirez sur le pianiste”. Opvallend is dat deze prent ook een filmhit wordt in Amerika. Dat is voor zijn carrière graag meegenomen. Hij mag zijn vocale kunnen etaleren in de befaamde “Carnegie Hall” in New York. Hij beheerst de Engelse taal een beetje en durft die stap te wagen. Live Magazine omschrijft hem als the show business phenomenon of the decade. Gemotiveerd door de talrijke  positieve reacties trekt Aznavour de halve wereld rond: Griekenland, Afrika, Rusland, Turkije… In 1960 is er het album Je m’ voyais déjà. Naar een Russische traditional schrijft hij Les deux guitares en de klassieker Tu t’laisses aller. Hij wordt op deze plaat bijgestaan door het orkest van Paul Mauriat. Dan is er de elpee “Il faut savoir”. De titelsong lanceert hem definitief als een van Frankrijks beste chansonniers. Ook nu weer wordt hij bijgestaan door het orkest van Paul Mauriat. In 1962 schrijft hij samen met Georges Garvarentz het al eerder genoemde Et pourtant dat ook te horen is op zijn elpee “La Mamma”Sinds die langspeler ben ik al die jaren verliefd gebleven op het lied Je t’attends dat hij samen met Gilbert Bécaud had geschreven. IJzersterk is deze plaat ook door het nummer J’aime Paris au mois de Mai en Plus bleu que le bleu de tes yeux. Opnieuw is Paul Mauriat van de partij. Charles presenteert ons eveneens op deze plaat een chanson dat tot een heuse klassieker zal uitgroeien La Mamma. In Nederland geraakt hij met de singleversie tot op de derde plaats van de top veertig in de lente van 1964. Een jaar eerder was het voor hem bij onze noorderburen al behoorlijk raak met For me… formidable te horen op de elpee “Qui?”. Op die plaat staat een liedje dat in de Franse hitlijsten opduikt Donne tes seize ans. Dat album staat nog altijd als een huis dankzij chansons zoals Bon anniversaire en Tu exagères. 1964 kondigt de geboorte aan van Charles’ elpee ”Hier Encore” met naast die hit nog een ander nummer dat vaak over de radio te horen is Que c’est triste Venise, een chanson dat hij samen met Françoise Dorin heeft geschreven.

We schuiven op naar 1965 wanneer hij zijn fans in de Olympia trakteert op een rist shows die in het totaal twaalf weken in beslag nemen. Hij is op dat moment in Parijs the talk of the town. Hij knoopt daar een optreden in de film “Paris au mois d’Août” van Pierre Granier-Deferre aan vast en verbluft vriend en vijand met zijn musical “Monsieur Carnaval”. In deze musical duikt het liedje La bohème op dat een regelrechte evergreen wordt. Aznavour schrijft het nummer samen met Jacques Plante. In de musical zelf werd het gezongen door Georges Guétary. Het is voor de hand liggend dat dat nummer de titelsong wordt van zijn nieuwe langspeler met daarnaast het voortreffelijke Paris au mois d’Août en Je t’aime comme ça. In Amerika worden zijn liedjes gecoverd door Bing Crosby, Frank Sinatra en Cher. In diverse interviews omschrijft hij zichzelf als “un tâcheron”, een ploeteraar die met woorden zwoegt tot er iets fatsoenlijks op papier staat waarmee hij aangeeft dat chansonnier zijn geen gemakkelijke stiel is. Hij denkt daarbij aan zijn collega Georges Brassens die hem ooit vertelde dat hij zich in zijn kelder opsloot om daar op zijn orgeltje liedjes te schrijven en aan Charles Trenet die elke ochtend trouw achter zijn schrijftafel ging zitten. Dat jaar neemt hij de langspeler “Charles Aznavour 65″ op ook deze keer weer samen met het orkest van Paul Mauriat. We onthouden vooral de nummers Reste, Une enfant en A tout jamais al hebben we veel beter werk van hem gehoord. Het tempo waarin hij optreedt en liedjes schrijft, ligt zeer hoog. In 1966 is er als goedmaker de elpee “De t’avoir aimée” met naast de dromerige titelsong het trieste Et moi dans mon coin en Je ne peux pas rentrer chez moiAznavour blijft acteren combineren met zingen. Het chanson is zijn “amour nécessaire”. Daarzonder kan en wil hij niet leven. Het filmen beschouwt hij als zijn maîtresse. Live optreden is ook niet altijd je dat. Je staat haast alleen op een podium en je gaat ook in je eentje terug naar huis. Dan is er steeds die leemte: het applaus en je publiek dat je mist. Er is ook in de jaren zestig die constante druk om hits te scoren, elke elpee moet een voltreffer worden en dat lukte niet altijd. Zo is er in 1967 onder meer de langspeler “Entre deux rêves”, een plaat die niet echt opviel, laat staan ons is bijgebleven.

Qua huwelijkstrouw neemt Aznavour het blijkbaar niet zo nauw. In 1968 trouwt hij voor de derde maal, deze keer met de Zweedse Ulla Thorsell. Hij vindt het de moeite waard, en hij kan het zich intussen permitteren, in Las Vegas te trouwen. Het jaar nadien krijgt hij in Amerika een award van The Association of American Songwriters and Composers. Voor het liedje Hier Encore krijgt hij in zijn thuisland “La Médaille Vermeil”. Datzelfde jaar wordt zijn derde huwelijk gezegend met de geboorte van zijn dochter Katia. Almaar vaker wordt hij in de pers de Franse Frank Sinatra genoemd en die vergelijking zint hem wel al komt hij qua stembereik niet eens in de buurt van The Voice. Niet dat Aznavour zijn succes in de schoot kreeg geworpen. Hij vindt nog steeds dat hij harder heeft moeten werken dan Gilbert Bécaud of Yves Montand om er een paar te noemen. Hij heeft zich in de loop van zijn carrière voortdurend intens moeten inzetten. Hij timmerde ettelijke jaren aan de weg vooraleer hij pas echt doorbrak en gewaardeerd werd. Hij is ervan overtuigd dat hij zich als zoon van immigranten harder moest bewijzen. Hij wou ook geen genoegen nemen met één hit. Voor hem was het erop of eronder met de top als enige voldoening. Maar de weg naar die top was hard. Hij herinnnert zich als geen ander hoe hij talrijke fluitconcerten moest doorstaan omdat het publiek hem eerst niet wilde waarderen en vooral niet begrijpen. Zijn stem was niet meteen moeders mooiste. Er werd zelfs met bierflesjes naar het podium gegooid. Hij noemt zijn beginjaren dan ook “les années de vaches maigres”. Maar die hebben hem gehard, hebben hem een staalhard karakter bezorgd en daarmee kan hij bergen verzetten. Telkens weer, met elke nieuwe plaat en met elk optreden wil Aznavour zich bewijzen. Hij heeft een enorm gevoel van eigenwaarde en is daardoor ook een fier mens, iemand die apetrots is op zijn prestaties, maar ook iemand die veel van zichzelf eist. Dat verklaart ook dat hij platen blijft opnemen en, ondanks zijn hoge leeftijd, blijft optreden. Hij mag dan ijdel zijn, hij is nooit tevreden. Het kan altijd beter. Met die inzet begint hij aan zijn biografie “Aznavour par Aznavour”. Hij verhuist voor een tijdje naar Amerika en geeft een compleet andere draai aan zijn chansons. Hij vertrekt niet meer vanuit zijn eigen leefwereld, maar kijkt naar de wereld om zich heen zoals in Le temps des loups, Mourir d’aimer en Comme ils disent waarin hij het thema van de homoseksualiteit durft te bezingen. Na succesrijke optredens in Amerika, onder meer op Broadway, keert hij in 1971 naar Parijs terug. Enkele maanden later wordt zijn dochter Misha geboren. Er is ook de geboorte van het album “Idiote je t’aime…” Samen met zijn schoonbroer George Garvarentz – die was in 1965 met Charles’ zuster Aida Aznavourian getrouwd – schrijft hij het onnavolgbare Non je n’ai rien oublié, volgens zijn fans zowat het mooiste dat hij ooit heeft ingeblikt. Een lied om u tegen te zeggen. Dat chanson heeft veel te danken aan de arrangementen van Christian Gaubert en Claude Denjean. Op die plaat staat eveneens het opvallende Les plaisirs démodés, een song die uptempo begint en dan overgaat in een rustige slowfox. Het nummer is een single en een bewerking méér dan waard. Dat rustige gedeelte wordt apart ook bekend als The old fashioned way. Met die versie staat hij de derde november 1973 op 18 in de Belgische top dertig waar hij twee jaar eerder op negen had staan pronken met Yesterday when I was young, de Engelstalige versie van Hier Encore. The old fashioned way wordt een bescheiden meevaller in de Britse hitlijsten al moet hij daar genoegen nemen met de achtendertigste plaats. Optreden blijft hij doen met veel zin en evenveel goesting. Een liedje voor de vijfhonderdste keer zingen, deert hem niet. Het zijn zijn kinderen die hij met graagte blijft etaleren. Kritiek heeft hij na al die jaren naast zich neer leren te leggen. Hij weet best wel wanneer iets niet juist zit of wanneer iets tegenvalt. Daar heeft hij het oordeel van anderen niet voor nodig.

De 22ste juni 1974 staat Charles Aznavour tot zijn eigen verbazing op één in de Britse top veertig met She. Dat jaar ging op de Britse televisie de dramareeks “Seven faces of woman” naar een idee van Richard Doubleday van start. Richard was voordien al producer geweest van de populaire tv-reeks “Coronation street” en van de serie “A family at war”. Voor “Seven faces of woman” zouden enkele schrijvers zeven toneelstukken aanleveren waarin telkens het leven van één vrouw werd belicht. De reeks begon met “A wish for Wally’s mother” en eindigde met “Cherryripe and the lugworm digger” (later zou nog een tweede serie worden uitgewerkt). De producer had een muzikale link nodig die die zeven delen aan mekaar koppelt. Voor de soundtrack werd een beroep gedaan op Herbert Kretzmer, een journalist die eveneens als liedjesschrijver werkzaam was. Hij schreef reportages voor The Daily Express en leverde daarnaast liedjes voor het beroemde BBC-satireprogramma “That was the week that was. Hij schreef ook teksten voor de musicals “The Four Musketeers”, “Martin Guerre” en “Les misérables”. De verantwoordelijke producer van “Seven faces of woman” wou dat Herbert Kretzmer een song schreef die als begingeneriek kon dienen, gezongen door Marlène Dietrich, maar dat vond Herbert niet zo’n goed idee. Hij vond dat een vrouw niet over een vrouw hoorde te zingen, ze hadden een zanger nodig, iemand met een rijpe stem en zo kwamen ze bij Charles Aznavour terecht. Voor de reeks mocht het melodietje niet te lang duren, niet langer dan de begingeneriek. Dat bleek niet langer dan vijfendertig seconden te zijn. Maar toen die song een succes bleek te worden, was er een singleversie nodig en omdat Charles Aznavour druk met zijn tournee bezig was, duurde het even vooraleer hij de melodie volledig had uitgeschreven zodat Herbert er een toepasselijke tekst bij kon verzinnen. Toen Charles, Herbert de eerste noot liet horen, schoot hem meteen het woord she door het hoofd en de rest was bijna kinderspel. In 1974 wordt She een nummer 1 in Engeland. Charles wordt daarmee de oudste zanger die tot dan ooit een nummer 1 scoorde in Engeland. Maar She wordt geen succes in Frankrijk noch in Amerika. Toch zou Aznavour She in diverse talen opnemen: Frans, Engels, Italiaans, Spaans en Duits. Voor de film Notting Hill (1999)  zingt Elvis Costello van She een versie in die zowel aan het begin als aan het einde van de film te horen is.

Behoorlijk wat airplay geniet het nummer Mes emmerdes dat we terugvinden op het album “Voilà que tu reviens” dat in 1976 wordt uitgebracht met daarop als uitschieters bewerkingen van Par Gourmandise, Et Pourtant, Que c’est triste Venise en Ils sont tombés. In het kielzog van het succes van She trekt Aznavour naar Engeland om daar een aantal van zijn bekendste songs in het Engels in te zingen: How sad Venice can be, Happy Anniversary, And In My Chair, There Is a Time

Aznavour blijft gretig reageren wanneer hem een filmrol wordt aangeboden. Hij wil als acteur ook almaar beter uit de verf komen. In het totaal speelt hij in méér dan zestig films waarvan we onthouden: “Candy” van Christian Marquand, “Le tambour” van David Bennent, “Les fantômes du Chapelier” van Claude Chabrol, “Edith et Marcel” van Claude Lelouch die ook met Aznavour “Vive la vie” draaide. Voorts “Les années campagne” van Philippe Leriche, “Vendetta” van Dennis Berry, “Mon colonel” van Laurent Herbiet en “Un homme et son chien” van Francis Huster. Zo fier als aan pauw is hij wanneer hij verneemt dat Ray Charles zijn tanden in La Mamma heeft gezet en zo blij als een kind wanneer Bing Crosby hem laat weten dat hij Yesterday when I was young  heeft ingezongen. In 1980 laat hij het Parijse publiek horen dat hij het zingen nog niet verleerd is en geeft een rist opmerkelijke concerten in de “Olympia”. Drie jaar later komt er een einde aan zijn samenwerking met platenfirma Barclay. Hij sluit pas twee jaar nadien een nieuwe deal en wel met platenfirma Trema die besluiten zijn vroegere albums op cd uit te brengen. Tegelijkertijd verrast hij zijn fans met een nieuw album met daarop het nummer Les Emigrants en het wat beter in het gehoor liggende Embrasse-moi en Toi contre moi. Het schrijven samen met Georges Garvarentz klikt nog altijd. 1988 staat hij nog maar eens op de planken van het “Palais des Congrès” waar hij laat horen waarom hij al zoveel jaren meedraait.

Datzelfde jaar richt hij de stichting “Aznavour pour L’Arménie” op. Het noorden van Armenië wordt door een aardbeving zwaar getroffen. Ook al is hij in hart en nieren een Fransman, zijn geboortegrond draagt hij in zijn hart steeds mee. Hij heeft hard gestreden om de genocide van 1915-1916 door de Franse regering en het Europees parlement te doen erkennen. In 1975 herdenkt hij de zestigste verjaring van die Armeense genocide in het lied Ils sont tombés. Turkije wordt voor deze gruwelijke daad verantwoordelijk gesteld al zijn ze dat al die tijd blijven ontkennen. Daarom dat hij meteen ja zei toen de Canadees-Armeense cineast Atom Egoyan hem vroeg de rol van Edouard Saroyan te vertolken in de film “Ararat”. Deze film probeert een beeld te schetsen van de sporen die de Turkse genocide in Armenië heeft achtergelaten. Aznavour heeft geen enkele behoefte om naar zijn geboortegrond terug te keren. “We hebben ons aangepast, we hebben onze vaste stek gevonden en dat geldt voor velen van mijn landgenoten. Het is goed zo! Mochten de Turken toegeven dat ze fout waren, dan was het nog beter. Dat zou vele wonden helpen genezen”, aldus Charles Aznavour die het in vele van zijn chansons regelmatig over de trieste dingen in het leven heeft, maar ondanks die teleurstellingen vaak een uitweg ziet. Er klinkt ook vaak melancholie in zijn liedjes, spijt om de dingen die voorbij zijn en nooit meer weerkeren.

In 1991 wordt zijn boek “Des mots à l’affiche” gepubliceerd met daarin een selectie van zijn bekendste teksten en chansons. Steeds op zoek naar een goede investering koopt hij in 1992 de Raoul Bretoncollectie waardoor hij eigenaar wordt van een rist parels van de Franse muziek waaronder liedjes van Edith Piaf en Charles Trenet. De 19de maart 1993 overlijdt George Garvarentz. Naast de vele chansons die hij samen met zijn schoonbroer Charles schreef, componeerde hij de muziek voor méér dan 150 films. Het jaar voordien had hij nog samengewerkt aan het album “Aznavour 92″ en nam hij de artistieke verantwoordelijkheid voor zijn rekening. We onthouden Napoli chante en On ne veut plus de nous ici. Twee jaar later tekent hij een contract met platenfirma EMI die besluiten een cd-box op de markt te brengen. Na een grondige selectie en een al even grondige voorbereiding worden in 1996 dertig cd’s uitgebracht met daarin de heruitgave van zijn belangrijkste elpees. Hij verschijnt op de cover van het bekende Amerikaanse muziektijdschrift Billboard, een opvallende prestatie voor een Franse artiest. In 1998 is er de in het oor springende cd “Jazznavour” met daarop jazzy bewerkingen van een aantal van zijn bekendste chansons zoals: De t’avoir aimée, Mes emmerdes, She en For me formidable. Hij wordt bijgestaan door een handvol gerenommeerde namen: Dianne Reeves, Michel Petrucciani en Richard Galliano.

In de nasleep van wat problemen met zijn gezondheid en een zwaar auto-ongeval beslist Aznavour het wat stilletjesaan te gaan doen. Hij neemt afscheid van zijn fans in Quebec en beslist in de maand oktober 2000 in Parijs er voorgoed mee op te houden, maar tegen die tijd is zijn afscheidstournee goed voor zo’n 180 concerten. Hij lanceert dat jaar zelfs nog een nieuwe musical ”Lautrec” over de Franse kunstenaar Toulouse-Lautrec. De nummers Quand tu m’aimes en Je ne savais pas uit deze musical zijn ook te horen op zijn nieuwste cd “Aznavour 2000″. Als hommage aan de overleden Dalida schrijft hij De la scène à la Seine. De achtste oktober 2001 benoemt president Jacques Chirac hem tot Commandeur de l’Ordre du Mérite tijdens een speciale gelegenheid op het Elysée. Enkele maanden eerder mag hij met trots vernemen dat de Franse regering de Armeense genocide heeft erkend. Hij uit in het openbaar zijn ongenoegen over de opkomst van de rechtse extremist Jean- Marie Le Pen. In de maand september van 2003 presenteert hij zijn memoires in het boek “Le temps des avants” en trakteert ons op het album “Je voyage”. Negentig procent van de liedjes schrijft hij zelf. Het nummer dat me daarvan het meest is bijgebleven is Lisboa en ook het lekker swingende La Critique. Van de 16de april tot en met de 22ste mei 2004 viert hij samen met zijn fans zijn tachtigste verjaardag in het “Palais des Congrès”. Hij denkt al lang niet meer aan afscheid nemen. Hij heeft eens zitten rekenen en komt tot de vaststelling dat hij zo’n driehonderdvijftig liedjes in het Frans heeft opgenomen, honderdvijftig in het Engels , negen albums in het Spaans, zeven in het Duits… en ga zo nog maar even door. Hij mag als cadeau voor zijn tachtigste verjaardag van zijn platenfirma een duettenalbum inblikken. Hij krijgt daarbij de steun van onder anderen Line Renaud, Nana Mouskouri en Florent Pagny. Dat bevalt hem zo goed dat hij aan zijn cd ”Insolitement vôtre” dat hij in 2005 opneemt zeven duetten toevoegt. Zo horen we hem vocaal in duel met Isabelle Boulay, Serge Lama, Annie Cordy en zijn dochter Katia Aznavour. Nog steeds vindt hij de courage om opnieuw de studio in te trekken. In oktober 2006 logeert hij twee weken na mekaar in de “Egrem Studio” in Havana waar hij samen met de Cubaanse componist Jesus Valdès de cd “Colore ma vie” voorbereidt. Van chachacha over calypso tot en met mambo, dat zijn de ingrediënten die zijn album kruiden al reserveert hij een integer moment voor het lied Tendre Arménie. Als ambassadeur van zijn land organiseert hij nog maar eens een benefietconcert, deze keer de 17de februari 2007 in “L’Opéra Garnier” in Parijs met aan zijn zijde Patrick Bruel en Bénabar. Steeds op zoek naar grootser en vooral méér is er op het einde van 2008 de dubbele cd “Duos” met daarop een keur van bekende namen: Laura Pausini, Elton John, Sting, Johnny Hallyday, Julio Iglesias. Via een technisch trucje blikt hij ook drie virtuele duetten in met drie van zijn grootste idolen: Edith Piaf, Dean Martin en Frank Sinatra. Een jaar later wordt hem door de Universiteit van Quebec een eredoctoraat uitgereikt voor zijn inzet voor de verspreiding van de Franse cultuur. Omdat jazz hem erg na aan het hart ligt, brengt hij in de herfst van 2009 de cd “Charles Aznavour and The Clayton Hamilton Jazz Orchestra” op de markt  en trekt voor de opnamen naar de legendarische Capitol studio’s waar grootheden als Nat King Cole en Frank Sinatra ooit hebben gezongen. Dit album resulteert in swingende versies van Comme ils disent en La Bohème.

Met het oog op zijn 87ste verjaardag plant hij in 2011 nog eens een optreden in de Parijse “Olympia”. Er is ook de nieuwe cd “Aznavour Toujours” waarvoor hij onder anderen de zoon van Jacques Dutronc, Thomas, optrommelt. De coverfoto van het album is getekend Karl Lagerfeld. Ook dan horen we hem met trots in menig interview vertellen: ” Je suis toujours là, en haut de l’affiche“. Dat was en blijft zijn grootste streefdoel, ondanks zijn hoge leeftijd. Naar de dood verlangt hij niet, maar hij zal nederig zijn hoofd buigen als de tijd gekomen is, alhoewel hem nog te veel dingen en mensen na aan het hart liggen om nu al naar de eeuwige jachtvelden te trekken. Hij denkt daarbij aan wat zijn collega Léo Ferré ooit zei:” Un homme debout ne se couche que pour mourir!” Hij wil herinnerd worden, niet zozeer als de zanger met de opvallende stem en de kleine gestalte, maar wel als de auteur van mooie liedjes, vooral als de schrijver van aangrijpende teksten. De melodie mag eenvoudig zijn, zolang de tekst maar evenwichtig gedragen wordt. En in die opzet is hij sowieso geslaagd met méér dan tachtig albums en twintig singles op zijn actief.

In de maand oktober 2014 wordt Aznavour wegens een infectie in een Zwitsers ziekenhuis opgenomen, maar meteen nadien smeedt hij weer plannen, onder andere de opname van een nieuwe cd die hij nog het koste wat het kost wil uitbrengen. “Encores” is de titel van die cd die de zestiende mei 2015 in de winkels ligt. Hij wordt enkele dagen later eenennegentig, maar weet nog altijd van geen ophouden. Hij schreef deze keer niet alleen de liedjesteksten en muziek, maar eveneens de arrangementen. De allereerste keer dat hij die klus zelf klaart. Dat jaar staan er zes optredens in het “Paleis des Sports” gepland en een concert in de Londense “Royal Albert Hall”.

Aznavour verblijft sinds 2012 in het Zwitserse dorpje Saint-Sulpice (amper drieduizend inwoners) in het kanton Vaud waar hij een nieuw huis liet bouwen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Petula Clark

Zij heeft me ooit gezoend. Niet spontaan, pas nadat ik het haar beleefd had gevraagd, maar toch. En ze heeft toen ook de cover gesigneerd van het Franse maandblad “Jukebox” met haar op de cover. Hangt gesigneerd bij mij op de overloop waar ik vaak passeer en terugdenk aan die kus van toen. In 1998 werd ze door Queen Elizabeth II geridderd in De Orde van Het Britse Rijk. Vier jaar later begon ze nog aan een tournee in Engeland en sloot daarop aan met een groots optreden in de Parijse “Olympia”.

Ze werd de vijftiende november 1932 in Surrey geboren en gedoopt als Petula Sally Olwen Clark. Papa Leslie Norman was verpleegkundige net zoals zijn vrouw Doris Phillips. Papa had zijn dochter Petula genoemd omdat hij op een speelse manier de voornamen van zijn twee vorige liefjes had samengevoegd: Pet en Ulla. Mama Doris kon ermee leven. Lang voor de format van de playbackshow was uitgewerkt, deed Petula niets liever dan artiesten imiteren. Tijdens familiefeestjes pakte ze maar wat graag uit met haar imitaties van Sophie Tucker, Carmen Miranda en Vera Lynn. Ze is nog maar een ukkepuk van een jaar of zes wanneer ze na een opvoering van het stuk “Mary Tudor” te hebben bijgewoond, besluit actrice te worden. Haar idool wordt Ingmar Bergman al zal ze al zingend haar eerste stappen op de bühne zetten en wel als zangeres bij de band die in “Bentalls Department Store” in Kingston upon Thames de klanten verwelkomt. Het kon niet uitblijven of ze zou als kindsterretje in de kijker lopen. Met haar papa trekt ze in het najaar van 1942 naar de BBC om daar aan een oom die in het leger verblijft de groetjes over te maken. Tijdens die opnamen is er bomalarm en moet iedereen de schuilkelder induiken. Om het aanwezige publiek wat op zijn gemak te stellen, begint Petula enkele liedjes te zingen.  Wat als een grap begon, eindigt in een reeks van 500 optredens voor de radio in programma’s waarmee ze de Britse soldaten in het buitenland wat proberen te verstrooien en op te beuren. Liedjes kent Petula genoeg, want tijdens die Tweede Wereldoorlog wordt ze door haar ouders samen met haar zus naar hun grootouders in Merthyr Tydfil in Wales gestuurd en daar leren ze van hen heel wat nummers en wordt er haast elke dag gezongen. Binnen de kortste keren is Pet de zingende mascotte van het Britse leger en Vera Lynn the forces’ sweetheart.   Ze wordt gepromoot als de Britse Shirley Temple en dat aan de zijde van dat andere getalenteerde wonderkind Julie Andrews.

Het kan niet lang uitblijven of de bioscoop lonkt. Tijdens een optreden in 1944 in de Londense “Royal Albert Hall” wordt ze gespot door filmregisseur Maurice Elvey die haar als een weeskind doet opdraven in zijn productie “Medal for the General”. Er zullen nog een rist B-films volgen zoals: “I know Where I’m Going”, “London Town”, “Strawberry Road” en ”Here Come The Huggetts”. Het betere werk is voor haar weggelegd in de prent “Vice Versa” aan de zijde van Anthony Newley en in “The Card” samen met Alec Guinness. Ze is er ook bij tijdens de begindagen van de Britse televisie wanneer de BBC in 1946 uitpakt met “Cabaret Cartoons”. Ze krijgt in de namiddag ook een eigen show “Petula Clark”. Drie jaar later pakt ze uit met het programma “Pet’s Parlour”Al lag het in die tijd niet voor de hand, toch wordt er een platencontract afgesloten en wel met EMI. Petula is dan net zeventien. Nu is EMI niet van plan een meerjarencontract af te sluiten. Put your shoes on, Lucy wordt een kleine meevaller, maar papa Clark is zo slim om samen met Alan A. Freeman een eigen firma op te richten Polygon Records. Er zullen in de loop van de jaren vijftig een aantal singles volgen met erg wat impact op de Britse en hier en daar internationale hitlijsten. We denken daarbij aan songs zoals Majorca, Suddenly There’s a Valley en With All My Heart dat haar grootste hit zal worden met een vierde plaats als hoogste notering in de Britse Top Veertig. Die serie hits begint in 1954 met The Little Shoemaker dat in Australië zelfs tot op de eerste plaats belandt. Oorspronkelijk was het een Frans liedje van Francis Lemarque van een Engelse tekst voorzien door John Turner en Geoffrey Parsons. In het boek “Top Pop Singles” van Joel Whitburn noteren we dat Petula in Amerika in 1953 al een single uitbracht op het Coral-Label Tell Me Truly gekoppeld aan Song Of The Mermaid. Twee jaar later wordt ze in de pers gekoppeld aan pianist Joe Henderson die daar niet zo tuk op is. Hij wil zich zeker niet binden aan Petula en zet snel een punt achter hun verhouding al blijven ze een aantal jaren als artiesten samenwerken onder meer in de BBC-reeks “Pet and Mr Piano”. Hij zal voor haar ook enkele songs schrijven, onder andere There’s Nothing More To Say. In 1955 heeft papa Clark zijn firma Polygon Records verkocht aan Nixa Records, een zustermaatschappij van Pye Records. Die deal zal tot in 1971 blijven duren.

In Frankrijk worden de hits van Petula niet uitgebracht omdat daar Dalida een vette kluif heeft aan de vertalingen van haar hits. Dat brengt Léon Cabat van Vogue Records op de idee Petula in Frankrijk uit te nodigen zodat de Fransen met haar kunnen kennismaken. Dat gebeurt tijdens een concert in de Parijse “Olympia” in 1957. Ze is snipverkouden, draagt op dat moment een rosgekleurd kapsel, maar ze haalt haar slag thuis.  Een dag later wordt ze door de directie van Vogue uitgenodigd om een eventuele samenwerking te bespreken. Het is hier dat ze kennismaakt met de promotieverantwoordelijke van de Franse platenfirma Claude Wolff die later haar man zal worden. In samenspraak met haar nieuwe platenfirma vliegt ze meteen nadien naar Londen om daar haar tot dan toe grootste hit With All My Heart van een Franstalige versie te voorzien. Vrij snel worden Petula en Claude verliefd op elkaar en in de loop van 1959 gaan ze in Parijs samenwonen. Wat haar elpees betreft, ze neemt in die periode een aantal langspelers op die een beetje los staan van de rest. Zo is er in 1960 “In Hollywood” dat ze integraal in Amerika inblikt samen met de arrangeurs Don Ralke, Billy May en Pete King. Ze had die elpee in  één week tijd in de loop van de maand mei van 1959 ingezongen in de “Universal Sound Studios” in Los Angeles. Ze kiest daarvoor uit het rijke repertoire van Cole Porter, Rodgers en Hart en Irving Berlin. Songs zoals: Day In Day Out, I’m In Love Again en Too Darn Hot. Net zo vreemd als de vorige is het album “In Other Words” dat ze in 1962 aflevert met daarop Fly Me To The Moon, Mademoiselle De Paris, Be Anything en For Every Man There’s A Woman. Dit album is mijlenver verwijderd van de stijl zoals ze enkele jaren later zal klinken wanneer ze aan een onstuitbare opmars in de Amerikaane charts begint. Petula Clark zingt op dit album alsof ze net zo wil klinken als haar collega Doris Day. Het album krijgt een jazzy accent mee en is echt iets voor verzamelaars die niets van haar oeuvre willen missen.

In 1960 reist ze door ons land en Frankrijk aan de zijde van de dan immens populaire Sacha Distel. Ze houden er voor de rest van hun leven een close vriendschap aan over. Het geluk lacht haar toe, want de 26ste januari 1961 staat ze voor de eerste maal boven aan de Britse charts en dat met Sailor. Dat nummer is een vertaling van de Duitse hit Seemann waarmee Lolita in haar thuisland gigantisch had gescoord. Ze zal in het najaar van 1960 in Amerika tot op de vijfde plaats van Billboard’s Hot One Hundred geraken waarmee ze een van de weinige Duitse artiesten is die ook bij Uncle Sam aanslaan.  De muziekuitgever van Petula Clark belt op een vrijdagavond naar Norman Newell of die tegen maandag een tekst kan verzinnen, maar Norman vergeet dat. Pas wanneer de koerier bij hem ‘s maandags passeert, wordt hij eraan herinnerd. Hij vraagt hem even in de kantine van zijn bedrijf te wachten en tien minuten later is de tekst klaar. Ik mag niet vergeten aan te halen dat ze in het najaar van 1957 had gescoord met Alone en enkele maanden later met Baby Lover, twee singles die ook bij ons behoorlijk vaak over de radio te horen waren.

Vreemde talen liggen Petula wel, al zingt ze die met een opvallend Brits accent. Zo kunnen we haar almaar vaker horen in het Italiaans, het Spaans en het Duits. Omdat ze tot over hun oren verliefd zijn trouwen Petula en Claude in 1961 in Frankrijk voor de wet en in Engeland voor de kerk. Daar slaat ze vrij snel na elkaar nog twee hits aan de haak: in de zomer van 1961 met Romeo, als Salomé in Duitsland bekend als een operetteklassieker van Robert Stolz, en enkele maanden later My Friend The Sea. Ze besluit om samen met Claude definitief in Frankrijk te gaan wonen. Ze wil weg uit Engeland omdat ze haar daar nog altijd als een soort wonderkind benaderen en daar heeft ze absoluut geen zin meer in. Ze vertaalt het nummer Ya Ya van de Amerikaanse blueszanger Lee Dorsey in het Frans en geeft er een dansante touch aan, want op dat moment viert de twist zowat overal ter wereld hoogtij. Ze houdt er de stevige hit The Ya Ya Twist a aan over. Die wordt ook de trekpleister van het gelijknamige album dat ze in 1962 in de markt zet.  Ze weet dat ze haar repertoire een modernere klank moet geven, want er zijn kapers op de kust. De concurrentie groeit aan: Sylvie Vartan, Françoise Hardy, Michèle Torr en Sheila, de yé-yé girls. Ze leent het nummer Chariot van de Franse componisten J.W. Stole en Del Roma. Dat zijn de schuilnamen van de bekende producers en orkestleiders Franck Pourcel en Paul Mauriat die aan Jacques Plante hadden gevraagd er een Franse tekst voor te schrijven. Voor Petula wordt het zowel in Frankrijk als in België een stevige hit, iets later in Amerika op plaat gezet door Little Peggy March als I Will Follow Him waarmee ze de 23ste maart 1963 op één staat in Billboard’s Hot One Hundred. Ze gaat iets later op tournee met Jacques Brel die speciaal voor haar Un Enfant schrijft. Zij durft ook zelf in de pen te kruipen wanneer ze in 1963 de muziek mag schrijven voor de Franse film “A Couteaux Tirés” van regisseur Charles Gérard met in de hoofdrollen Françoise Arnoul en Marcel Dalio. In 1963 is er voor de Franse markt het album “Ceux Qui Ont Un Coeur”, een vertaling van Anyone who had a heart van Burt Bacharach en Hal David. Op dit album zet ze ook een heerlijke cover neer van Needles and Pins dat op dat moment een grote hit is voor de Britse Searchers La Nuit N’En Finit Plus. Zij houdt er almaar meer van zelf te schrijven, zij het in samenwerking met anderen.

Zo onthouden we vooral het hitgetinte Elle est finie la belle histoire.In Engeland geraakt Petula Clark niet meer zo vlot in de hitlijsten. Het wordt tijd voor een nieuwe muzikale invalshoek. Het is haar vaste producer Tony Hatch die op zekere dag naar Parijs afreist om daar met haar te bomen over een nieuwe aanpak van haar songmateriaal. Hatch vindt dat het na al die Franstalige hits wel weer tijd is geworden om wat in haar moedertaal te gaan zingen en opnemen. Terwijl Petula in de keuken thee aan het zetten is, komt ze meteen de living binnenstormen wanneer ze een demobandje hoort dat Tony net heeft gestart. Het zijn nog maar de eerste klanken van wat iets later Downtown wordt, want Tony heeft er nog geen tekst bij geschreven. Hij heeft het eigenlijk per vergissing klaargezet, want hij had het nummer geschreven in een hotel in de buurt van Central Park in New York met de bedoeling het verder uit te werken en door te spelen aan The Drifters. Maar goed, Petula dringt aan en zij krijgt de eer om de 16de oktober 1964 naar Londen te vliegen om daar in de “Pye Studio” in Marble Arch het nummer in te zingen. Dat moet allemaal live gebeuren. Dus geen vooraf opgenomen takes. Tony houdt er immers van alles in één track in te blikken, orkest en zang tezamen.  Zo herinnert Petula zich nog dat ze in twee studio’s tegelijk opnamen die in verbinding met elkaar stonden via een tv-camera en dat een van de gitaristen Jimmy Page was. Popliefhebbers kennen hem van The Yardbirds en Led Zeppelin.  In Engeland wordt Downtown  bekroond met een tweede plaats. In Amerika doet Petula, die daar nog nooit eerder een hit had gescoord, het nog beter door op één neer te strijken. De 23ste januari 1965 is het zover. Ze heeft vijf weken nodig om van de 87ste plaats door te stoten naar de absolute top van de charts. In de States gaan er drie miljoen exemplaren over de toonbank. Haar platenfirma aarzelt niet en voelt zich niet te beroerd om Downtown uit te roepen tot een soort anthem van de jaren zestig.

Voor Petula wordt Downtown haar signaturesong zoals I Left My Heart in San Francisco dat was voor Tony Bennett en Fever voor Peggy Lee. Ze mag optreden in zowel “The Ed Sullivan” als in “The Dean Martin Show”. In 2003 wordt Downtown met de nodige eer opgenomen in “The Grammy Hall of Fame”. Vlaanderen reageert niet zo wild op Downtown. Een elfde plaats vinden wij ruim voldoende. Onze noorderburen zijn guller met de punten en belonen Clark met een derde plaats in hun top veertig. Voor de Franse markt neemt ze dat jaar het album “Petula ’65″ op met daarop uiteraard de Franse versie van DowntownDans le temps en daarnaast ook een vertaling van haar andere hit I Know A Place, Viens Avec Moi. Om aan de vraag te blijven voldoen, sluit ze daar een jaartje later op aan met “Petula ’66″ met als uitblinkers onder meer La Gadoue van Serge Gainsbourg die haar op zekere dag in Parijs komt opzoeken. Zij vond hem toen al een heel schuchtere man die pas loskwam als hij een paar borrels had gedronken. Hij levert haar voor dat album eveneens het chanson Les Incorruptibles.

Amerika drukt Petula na aan zijn hart. Ze zal de komende jaren de ene hit na de andere scoren. Meteen na Downtown is het raak met I Know A Place, goed voor een derde plaats in de top honderd. En dan is er in 1965 de elpee ”The New Petula Clark Album”. Ik weet nog goed dat ik gelijk weg was van de song Call Me haar aangereikt door, hoe kan het ook anders, Tony Hatch. Ik was iets minder gecharmeerd door haar interpretaties van Dancing In The Street en The “In” Crowd, maar dat doet er hier niet toe.  Op kerstdag  wordt het nummer My Love, eveneens van de hand van Tony Hatch, in de States op single uitgebracht. Ze was er niet tuk op, ze vond het vervelend steeds datzelfde refrein te moeten herhalen, maar haar Amerikaanse platenfirma Warner Brothers Records houdt voet bij stuk. Ze zal iets later twee weken na mekaar daarmee op één staan te pronken. Hatch levert haar ook de volgende hits: I Couldn’t Live Without Your Love, Who Am I en Colour My World. In Engeland zijn het My Love en I Couldn’t Live Without Your Love die de top bereiken. Met My Love voorop brengt ze een gelijknamig album uit met daarop negen songs door Tony Hatch geschreven waarvan een aantal samen met Petula. Door de jaren heen en door haar succes als zangeres zijn we wat uit het oog verloren dat ze ook regelmatig zelf liedjes aanreikte en dat deed met verve. Op een moment dat de meesten van haar collega’s elpees uitbrengen boordevol covers, durft zij het aan nieuw songmateriaal aan te brengen al moeten we eerlijk zijn en toegeven dat de meeste van die nieuwe liedjes geen eeuwig leven is beschoren en door de bank in het vergeetboek zijn beland. Bij het album ”I Couldn’t Live Without Your Love”, waarop ze ondanks die opmerking van daarnet toch aardig wat covert, kan je je de vraag stellen of de wereld zit te wachten op een poppy uptempo versie van Strangers In The Night of A Groovy Kind Of Love, Monday Monday en Bang Bang door haar door een andere bril bekeken? Je voelt zo dat Tony Hatch het als arrangeur voor het zeggen heeft en dat hij overal zijn stempel op wil zetten. Wat we wél moeten toegeven, is dat op dat moment Petula Clark de meest succesvolle Britse zangeres in Amerika is, zonder Dusty Springfield daarbij uit het oog en het oor te verliezen.

Haar grootste internationale hit scoort Petula in 1967 met This Is My Song. Nogal wat artiesten kunnen liedjes opsommen die grote hits zijn geworden, maar waar ze vooraf weigerig tegenover stonden omdat ze het nummer aanvankelijk niet lustten. Frank Sinatra vond Strangers In The Night een draak van een lied en ook Elvis had een pak songs die hij liever links had laten liggen zoals Stuck on you. Tijdens mijn interview met Petula Clark gaf ze ruiterlijk toe dat ze This Is My Song niet zag zitten. Ze had toen haar handen vol met onder meer optredens in Las Vegas. This Is My Song klonk in haar oren very old fashioned. Het is haar man die haar over de streep moet trekken om het toch op te nemen. Dat lukt wanneer ze de Franse tekst onder ogen krijgt en iets later de Duitse en Italiaanse. Die neemt ze achter elkaar op. Het is haar toenmalige producer Sonny Burke die wil dat er ook Engelse lyrics worden ingezongen. Na trekken en sleuren geeft ze toe, op voorwaarde dat er geen single komt. De rest van het verhaal kennen we. This Is My Song is van de hand van de legendarische filmproducer en acteur Charlie Chaplin die het nummer schreef voor zijn film “A Countess from Hong Kong” met in de hoofdrollen Marlon Brando, Sophia Loren en Tippi Hedren. Deze film zou zijn enige prent in kleur worden. De film wordt geen kaskraker, maar This Is My Song redt de eer en in verschillende versies zal het een evergreen worden met voorop dus die van Petula Clark. Het vreemde is dat Chaplin This Is My Song schreef in de hoop dat Al Jolson dit zou opnemen, niet wetend dat de man al in 1950 was overleden. In Engeland staat This Is My Song elf weken na mekaar op één. Dat weerhoudt de Britse zanger-acteur Harry Secombe er niet van met zijn versie in 1967 tot op de tweede plaats van de top veertig te geraken. In Canada staat La Clark met de Franstalige versie op één en met de Engelstalige op twee. Haar platenbaas Louis Benjamin staat erop dat ze naar Londen afzakt, naar de studio in “Marble Arch”, om daar gedurende drie dagen het album ”Petula Clark Sings The International Hits” op te nemen. Alles is zo goed voorbereid dat ze die klus ook binnen die tijdslimiet kan klaren. Haar producer vindt dat ze haar tanden maar eens moet zetten in een aantal internationale hits: Never On Sunday, Volare, Have I The Right?, Hello Dolly en Boy From Ipanema. In de slipstream van dat succes wordt in 1967 haar album ”These Are My Songs” uitgebracht. Klein detail: tussen 1957 en 1971 zou Petula voor Pye Records in het totaal zeventien studioalbums opnemen. Op “These Are My Songs” staat nog een nummer van Charlie Chaplin Eternally uit de film “Limelight”. Eveneens aan dat album toegevoegd is Don’t Sleep in The Subway van de hand van Tony Hatch geschreven samen met Jackie Trent. De derde juni 1967 wordt het op single uitgebracht en enkele weken later staat het op vijf in de Amerikaanse Top Honderd. Het zal de laatste keer zijn dat Petula Clark daarin opduikt. Niets belet haar ook oog te hebben voor haar elpeekopend publiek. Zo is er in 1967 haar album “Colour My World”. Ze moet doorhebben dat ze niet altijd door haarzelf geschreven liedjes kan afleveren en schuimt daarom met Tony Hatch zo’n beetje de hitmarkt af en komt aandraven met covers van Cherish, England Swings en Winchester Cathedral. Je kan glimlachen bij die keuze. Gelukkig is er de titelsong, een nummer van de hand van Tony Hatch opnieuw in samenwerking met Jackie Trent. Wat méér gericht op een publiek dat van evergreens houdt, is er vervolgens de elpee “The Other Man’s Grass Is Always Greener”. Nu niet meteen een titel om commercieel mee uit te pakken was het niet dat ze met deze single in de winter van 1967 tot op de 20ste plaats geraakt van de Britse top veertig. Er staan voorts versies op van bekende doorbloeiers zoals: Smile, Answer Me My Love, I Could Have Danced All Night en The Last Waltz.

Europa haakt in tegenstelling tot Amerika nog niet af, zeker niet wanneer Petula een jaar later op de markt komt met een nummer geschreven door het op dat moment heel populaire schrijversduo Les Reed en Barry Mason die al hits hebben geleverd aan Tom Jones en Engelbert Humperdinck. Van hun hand zet ze Kiss Me Goodbye op single. Misschien haar meest stroperige plaat ooit en in de Britse top veertig daarom zo’n beetje afgestraft met een vijftigste plaats. Wij Belgen zijn  er dol op en bekronen het nummer met een tweede stek in de top dertig. De Nederlanders vinden een zesentwintigste plaats voldoende. Daar zal ze nog één keer in de top veertig de aandacht opeisen en dat in de lente van 1971 met The Song Of My Life, bij ons goed voor een elfde plaats. In Engeland is haar liedje tegen dan zo goed als uitgezongen. Voor Pye neemt ze haar laatste album op “Petula ’71″ met daarop volgens kenners twee prachtige songs die geen echte kans hebben gekregen: The World Song en The Song Went Wrong. Niet hitgevoelig, dat wel.  Het valt op dat zangeressen op dat moment  niet meer zo gewenst zijn. Omdat ze graag acteert, zien we Petula Clark in 1968 op het witte doek in de verfilming van “Finian’s Rainbow” aan de zijde van Fred Astaire. Het jaar daarop schittert ze naast Peter O’Toole in “Goodbye, Mr. Chips”. Daarnaast blijft ze optreden in diverse shows, maar ze moet vaststellen dat het scoren van hits geen prioriteit meer heeft. Wanneer koningin Elizabeth II de 31ste december 1976 haar zilveren jubileum viert  tijdens het BBC-programma “A Jubilee Of Music” zingt Petula speciaal voor haar nog eens Downtown.

We mogen er zeker niet van uitgaan dat Petula nadien geen knappe songs meer opneemt. Zo zijn er nog haar versies van I Don’t Know How To Love Him in 1972, een jaar later The Wedding Song en Loving Arms. In Canada scoort ze zelfs méér dan behoorlijk met Je voudrais qu’il soit malheureux. Omdat ze het zich kan permitteren, is ze zeer selectief qua locaties waar ze optreedt. Zo geeft ze in de loop van de jaren zeventig de voorkeur aan een aantal vooraanstaande clubs: “The Empire Room” in het “Waldorf-Astoria Hotel” in New York, The Ambassador Hotel’s “Cocoanut Grove” in Los Angeles en “The Copacabana” in New York City. Ze sluit een lucratieve deal met Coca Cola en Plymouth Automobiles om in hun reclamespotjes op te treden of ze in elk geval in te zingen. Omdat musical haar na aan het hart ligt, gaat ze dolgraag in op het voorstel om in 1981 op te treden in de musical “The Sound of Music” die met veel bijval geafficheerd staat op het Londense West End. Tot zowat ieders verbazing staat ze in 1988 nog eens in de Britse top tien en dat met een nieuwe versie van Downtown. Nadien is ze te zien en te horen in de musicals “Candida”, “Blood Brothers” en ”Sunset Boulevard” van de hand van Andrew Lloyd Webber. Vijf jaar na mekaar blijft ze met deze musical toeren zowel in Londen als op Broadway. Om tegemoet te komen aan de vele vragen van de fans om haar hits nog eens live te horen, begint ze in 2003 aan een optreden in de “Olympia” waarvan ook een versie op dvd is te verkrijgen. Ze sluit daarop aan met een concertreis in Nieuw-Zeeland, Australië en Amerika. Op uitnodiging van Andy Williams gaat ze ook enkele maanden concerteren in diens “Moon River Theatre” in Branson, Missouri. Als een soort eresaluut wijdt BBC Channel Four in het najaar van 2006 een special aan haar met als titel “Petula Clark: Blue Lady”. Ze brengt het jaar nadien nog eens een volledig nieuw album op de markt geschreven door Rod McKuen “Solitude and Sunshine”. Ik heb dat jaar een hele tijd getwijfeld of ik ook haar cd “Duets” zou kopen, een bloemlezing van samenzang die ze tussen 1970 en 2006 heeft gerealiseerd.  Een niet voor de hand liggende keuze qua combinaties, want ze gaat vocale duels aan met onder meer Michel Legrand, Gilbert O’Sullivan, Harry Belafonte en The Everly Brothers. Wel een hebbeding vind ik als je van rariteiten houdt. En ze blijft maar optreden: van Engeland over Wales, de Filipijnen tot in Zwitserland. Enkele van haar nieuwe liedjes en een verzameling van haar grootste hits zijn in de zomer van 2008 te horen op haar verzamelalbum “Then & Now” waarvoor ze door de méér dan meevallende verkoop met een zilveren plaat wordt onderscheiden. Het jaar voordien was haar biografie verschenen ”Une baladine” geschreven door Françoise Piazza. Onder diezelfde titel verscheen drie jaar later een driedelige cd met daarop 64 van haar grootste hits en een paar nieuwe chansons. Op haar 78ste geeft Clark nog een erg gewaardeerd optreden in het “Casino de Paris”. Sony besluit de zevende februari 2012 nog een nieuw album van haar in de markt te zetten met daarop prachtige ballads zoals La vie comme elle passe en Pour être aimée de toi. Intussen is Petula in Zwitserland gaan wonen.

Op haar tachtigste voelt ze zich niet te beroerd om nog in New York City te gaan optreden. Ze geniet er zoveel bijval dat aan dat verhaal meteen een vervolg wordt gebreid. Ze heeft het wel wat moeilijk met de kritiek als zou ze niet nostalgisch genoeg zijn. Het publiek wil haar oude hits horen terwijl Petula meer zin heeft in nieuw materiaal. “Ik leef nu” vertelde ze me,”niet gisteren”. Gevraagd naar haar favoriete artiesten komt ze op de proppen met namen zoals Dusty Springfield, Amy Winehouse en Annie Lennox.

In 2016 start Petula Clark met  haar tournee “From now on”, zij is dan 83.  De 16de september van dat jaar ligt er een nieuwe cd in de rekken “From Now On”, met daaruit Sacrifice My Heart als eerste single. Elf liedjes waarvan Petula aan zeven songs heeft meegesleuteld. Opvallend is haar cover van Blackbird van The Beatles. Ze heeft ook een liedje in het Frans opgenomen Pour être aimé de toi.

Een grote zangeres kan je Petula Clark bezwaarlijk noemen. Het is geen Céline Dion, geen Whitney Houston, geen Aretha Franklin, zeker niet qua stembereik. Ze kent haar vocale grenzen als geen ander, maar binnen die beperkingen heeft ze een fenomenale carrière neergezet, eentje om in te kaderen.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

James Last

Alsof het gisteren was. Ik herinner me nog goed de dag dat ik voor de eerste keer James Last persoonlijk ontmoette. Dat was de 31ste augustus 1988. En ik weet ook nog precies waar: in zijn suite in het Astoria Hotel aan de Koningsstraat in Brussel daar in 1909 gebouwd ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel, een jaar later. Een plek waar Last zich thuis voelde, dat zag je meteen.  Hij was toen niet alleen. Hij was geflankeerd door de Nederlandse fluitiste Berdien Stenberg. Ze hadden net samen een elpee opgenomen “Flute Fiesta”. Berdien was zo hoffelijk zich tijdens onze babbel wat afzijdig te houden. De maestro mocht alleen de plak (de baton) zwaaien en het woord voeren.  Via de vinylen plaat kende ik James al lang. Al heel lang. Het was mijn neef Pierre die met de nodige trots in 1965 de eerste elpee van Last aan me liet horen Non Stop Dancing ’65. Hij had toen een discobar waarmee hij tijdens het weekend feestjes ging opluisteren. Zijn publiek reageerde dolenthousiast op dat orkest dat ze niet kenden, maar lang zou dat niet duren, want toen Last het jaar nadien met de elpees “Trumpet à Go Go” en vooral zijn eerste “Classics Up To Date” op de markt kwam, was het hek voorgoed van de dam.  In die tijd ging ik samen met mijn vriend Guy af en toe ook wel eens een plaatje draaien tijdens een of andere studentenfuif. Niet dat we Last als eerste op de draaitafel hadden klaarliggen, maar bij Guy thuis luisterden we vaak naar James’ nieuwste elpees. En Guy was altijd apetrots als hij me de nieuwste elpee van Last kon laten horen.

Jarenlang was platenfirma Polydor op zoek geweest naar een alternatief voor het geluid van het orkest van Bert Kaempfert. Die was niet van in het begin sant in eigen land geweest. De Duitsers lustten Kaempfert eerst niet. Pas toen Bert in Amerika doorbrak, zagen ze in dat die man wel iets te bieden had. Nu vond de directie dat typisch geluid van Bert Kaempfert iets té easy listening. Dat mocht wel iets gekruider klinken, daar mocht iets méér power in zitten. En zo kwamen ze bij Hans Last terecht.

Hansi, want zo noemden zijn familie en vrienden hem, werd de 17de april 1929 in Bremen-Sebaldsbrück in het noorden van Duitsland geboren. Mama Martha en papa Louis hadden nog vier kinderen: drie zonen en een dochter. Papa werkte bij de lokale gasmaatschappij en spendeerde zijn vrije tijd aan muziek, met name aan het bespelen van de accordeon en de drums. Hansi pikte die sfeer op en begon stilaan zelf te spelen. De piano trok hem eerst aan en wanneer hij acht wordt, tokkelt hij tot verbazing van zijn ouders haast foutloos het volksliedje Hänschen klein op de toetsen. Vanaf zijn veertiende volgt hij een muzikale opleiding. Eerst aan de Militaire Academie van Frankfurt, later in Bückeburg bij Hannover. Een rist instrumenten passeren tijdens zijn opleiding de revue: de piano, de fagot, de dwarsfluit en uiteindelijk de contrabas. Dat laatste zou de loop van zijn carrière voor een groot deel bepalen. De Tweede Wereldoorlog kwam zijn muzikale opleiding dwarsbomen. In de Amerikaanse clubs in Bremen komt hij nadien aan de bak als pianist en bassist. Via de Amerikaanse radiostations pikte hij tussendoor aardig wat jazz- en bigbandmuziek op. Hij improviseerde veel, speelde veel na op het gehoor waarbij zijn voorkeur vooral uitging naar de jazz. Hij aarzelt niet om vanaf zijn zestiende te beslissen beroepsmuzikant te worden. Radio Bremen had namelijk een eigen band en hij mocht daar gaan spelen samen met zijn broer Robert die drummer van de band werd en Werner, de accordeonist en trombonist van dienst. Wat later richt hij samen met zijn broers en vriend Karl Heinz Becker een eigen combo op, het Last-Becker Ensemble. Omdat James zat talent had, mag hij van Radio Bremen in 1948 zijn eigen orkest gaan dirigeren, Das Streichorchester Hans Last. Tijdens een ontmoeting met Helmut Zacharias in Nederland vertelde die mij ooit dat hij snel het talent van Hans Last onderkende en hem daarom uitnodigde voor zijn orkest dat toen al veel erkenning genoot muziek te arrangeren. Naast het arrangeren, gaat Hansi zich almaar meer profileren als jazzmuzikant. Geen wonder dat hij drie jaar na mekaar, van 1950 tot 1953, door de Duitse Jazzpoll als beste jazzbassist van Duitsland wordt gekroond. Platenfirma Polydor haalt hem in huis als vast arrangeur en koppelt hem aan hun grootste artiesten: Caterina Valente, Helmut Zacharias en Freddy Quinn. Intussen was Hansi in 1955 gehuwd met Waltraud Wiese. Ze zouden elkaar trouw blijven tot aan haar dood in 1997. Ze waren in Hamburg gaan wonen omdat Hansi een contract van onbepaalde duur had gekregen van de NDR (de Norddeutsche Rundfunk)  die in die stad gevestigd was. Twee jaar na hun huwelijk werd hun dochter Rina geboren, een jaar nadien hun zoon Ron.

Omdat Hans Last ook graag zelf platen wil opnemen, klopt hij in 1963 bij de directie van Polydor aan en krijgt een contract voor enkele elpees. Die zet hij onder de naam Hans Last in de markt, alsook onder de naam Orchester Orlando. Maar de resultaten zijn niet schitterend en ook Hansi is niet tevreden. Hij gaat op zoek naar een eigen geluid, want daar draait het om. Elk orkest met naam en faam heeft een eigen sound: Ray Conniff, Bert Kaempfert, Helmut Zacharias, Franck Pourcel, Billy Vaughn… Het verhaal gaat dat Hansi en Waltraud in 1965 hun tiende huwelijksverjaardag willen vieren met een opvallend feest, maar ze missen de geschikte muziek. Ze hebben ook wel door dat de Britse beat een enorme stempel op de populaire muziek heeft gezet en dat een huwelijk tussen de mainstream en de popmuziek geen gemakkelijke mix is. Een fusie tussen de muziek van pa en ma en hun kinderen moet lukken. Hansi zet zich aan het arrangeren en komt op de proppen met het concept Non Stop Dancin’ 65. Tijdens zijn jeugd luisterde hij samen met zijn vader regelmatig naar een Deense radiozender waar ze livemuziek uitzonden. Tijdens het musiceren door hoorde je het publiek reageren en meezingen en dat bracht Hansi op de idee om zijn plaat ook in die livesfeer te dompelen. Dat wordt de basis van zijn partysound. Hij trommelt enkele bevriende muzikanten op waaronder Jochen Ment, Günter Platzek en Detlef Surmann, nodigt wat buren en vrienden uit voor de livesfeer en klaar is Kees. Hij wil zijn eerste plaat uittesten tijdens zijn huwelijksverjaardag en kijk het wordt een overweldigend succes. Hij stapt met die opname naar de directie van Polydor die eerst aarzelen, maar dan toch toegeven op voorwaarde dat Hansi de plaat integraal opnieuw inblikt, deze keer in hun Studio Hamburg. Hans kijkt verbaasd op wanneer hij het eerste exemplaar van “Non Stop Dancing’ 65″ in handen krijgt, want mikkend op de internationale markt hebben de platenbonzen hem omgedoopt tot James Last. Vrij snel wordt beslist die non stop dancing formule  als een reeks te lanceren, want de plaat en vooral het concept slaan meteen aan. Om James Last internationaal te lanceren, wordt het album “This is James Last” als sampler album geproduceerd en laaggeprijsd in de platenbakken gezet en kijk, die beslissing mist zijn effect niet. In Engeland bijvoorbeeld waar het album de 15de april 1967 wordt gereleaset,  klimt het naar de zesde plaats in de hitlijsten, goed voor een verkoop van méér dan vierhonderdduizend exemplaren. België en Nederland reageren unaniem. Na een tijdje gaat ook Canada overstag.

 

James heeft snel door dat conceptalbums, die in de popmuziek al eerder aan bod kwamen, de broodnodige kapstok zijn om zijn muziek en muzikale ideeën aan de man te brengen. In 1966 lanceert hij met veel bijval “Trumpet à Go Go” met daarop in easylisteningstijl evergeens zoals La Paloma, Delicado, Wheels, Granada en  American Patrol. Omdat het geluid zijn  grootste bekommernis is, gekoppeld aan de beste arrangementen, gaat James op zoek naar de allerbeste muzikanten. Kwaliteit staat bij hem van in het begin bovenaan. Een méér dan gouden gok wordt het besluit om klassieke melodieën te overgieten met een eigentijdse saus. Geen originele vondst, want Ray Conniff had deze aanpak in Amerika al met veel verve uitgetest.

In 1966 is er het eerste volume van ”Classics Up To Date” met daarop bewerkingen van onder meer Barcarole, Habanera, On A Persian Market en Prisoner’s Chorus. De reacties zijn overweldigend. Intussen zijn ook de elpees ”Non Stop Dancing ’66″ en ”Christmas Dancing” even succesvol de kassa gepasseerd. In ijltempo volgen de elpees elkaar op. Op zoek naar almaar nieuwe invalshoeken pakt James in 1966 uit met de elpee “Swing mit Aennchen von Tharau”. Het jaar nadien is er het album “Sax à Gogo” en brengt hij  ”Games That Lovers Play” op de markt. De titelsong is een nummer van zijn hand met daarnaast toppers als A Man and A Woman, Lara’s Theme en Fly me To The Moon. Omdat Last muziek maakt en speelt voor een zo breed mogelijk publiek, wetend ook dat zijn achterban tuk is op schlagers en volkse muziek, pakt hij in 1968 uit met “Käpt’n James Bittet Zum Tanz”, een samenbundeling van bekende zeemansliedjes gaande van La Paloma en My Bonnie, over The Wreck of The John B tot en met Aloha Oé en Muss I Denn.

Tegen het einde van de jaren zestig is de platenverkoop van zijn producties een megasucces geworden. Maar tot dan toe deed hij alleen maar een beroep op de beste studiomuzikanten. De vraag naar liveoptredens rijst de pan uit en dus wordt er gewerkt aan de samenstelling van een liveband waarmee hij op tournee kan. Van stapel wordt gelopen met een vier weken durende tournee in Duitsland. James staat er van in het begin op dat er op geen mark wordt gekeken wat de technische aanpak van zijn concerten betreft. Het moet in de zaal klinken zoals op plaat en dat wordt een leuke klus voor zijn technische crew. Van zijn stereogeluid in de zaal kan je als muziekliefhebber alleen maar snoepen, net als van zijn muzikanten, want die zijn stuk voor stuk het neusje van de muzikale zalm. Omdat zijn sound hem in de opnamestudio heilig is, besluit James steevast te werken met geluidsingenieur Peter Klemt die ervoor zorgt dat niet alleen de opname, maar ook de mix en de mastering perfect verlopen. Op aanraden van Peter gaan ze voor hun concerttournees op zoek naar degelijke strijkers. The Hanover Strings is snel een feit, aangevuld met een opvallende blazerssectie. Daarnaast worden ook nog eens vier percussionisten ingehuurd, alsmede een heus koor. James aarzelt niet om voor zijn orkest leentjebuur te gaan spelen bij de band van Norddeutscher Rundfunk. Eenmaal goed op elkaar ingespeeld, trekt James naar Canada in het raam van Expo ’69. Als kroon op dat erg succesvolle jaar ontvangt hij in Cannes The International Midem Prize en wordt zijn orkest in zijn thuisland uitgeroepen tot de nummer een van dat moment en James zelf tot favoriete arrangeur. Vanaf dan gaat er geen maand voorbij of James mag een gouden en/of platina plaat in ontvangst nemen. Het zijn werkelijk zijn gloriejaren. Om zijn orkest een nog modernere sound te geven, voegt James onder leiding van Helmuth Franke een rockgroep aan zijn orkest toe. Twee leden van die band zaten iets eerder nog bij de progressieve rockgroep Lucifer’s Friend. Omdat James niet steeds een beroep kan doen op de muzikanten van de Norddeutscher Rundfunk gaat hij op zoek naar musici met een internationale reputatie: violist Trudean Conrad uit Canada, drummer Barry Reeves die later vervangen zal worden door Terry Jenkins uit Wales, de Belgische trombonist Georges Delagaye, trompettist Lennart Axelsson en diens Zweedse collega Leif Uvemark en een rist oerdegelijke trompettisten waaronder Derek Watkins, Bob Findley, Chuck Findley en Rick Kiefer. Omdat hij ook veel belang hecht aan percussie doet hij vaak een beroep op Pablo Escayola, Wolfgang Schlüter, Stefan Eggert en Max Raths.

Intussen heeft James Last geluidstechnicus Peter Klemt leren kennen, die van dan af steeds present zal zijn  tijdens zijn plaatopnamen en erop zal toezien dat het typische James Lastgeluid intact zal blijven. Hij zal de band ook tijdens de vele tournees begeleiden en ervoor zorgen dat de klank in de zaal net zo identiek klinkt als op hun platen en cd’s. In de loop van de jaren negentig zal de zoon van James, Ron Last, die taak op zijn schouders nemen.

Op zoek naar een bredere afzetmarkt besluit James in 1971 op te treden in ” The New Victoria Theatre” in Londen. De vraag naar tickets is zo immens dat hij vijf optredens verzorgt. Polydor organiseert een meeting met hun kip met de gouden eieren die zonder blikken of blozen kakelt dat hij zes albums per jaar wil releasen. En de productie mag wat kosten, want ze verkopen als zoete broodjes. Qua concepten zit James om geen titel verlegen: “Beach party”, “Soft Rock”, “Happy Polka”, “Voodoo Party”, ”Last Of Old England”, “Wenn  Die Elizabeth”, “Music From Across The Way”, “Weihnachten & James Last”, “In South America”, “Violins in Love” en “Sing Mit James Last”, en dan heb ik het alleen maar over producties die hij tussen 1971 en 1973 op de markt brengt. Om niet elke idee in een reeks te laten uitmonden, produceert James met zijn orkest ook albums die aan één concept worden opgehangen en dat zijn vaak zijn betere albums, want laten wij eerlijk wezen dat een rist van zijn producties op bandwerk beginnen te lijken. Uit die succesvolle jaren zeventig onthouden we elpees zoals: “James Last spielt Robert Stolz”, “Western Party and Square Dance”, “Träum Was Schönes”, “Rosen aus dem Süden”, ”Romantische Träume”, “Tango” en niet te vergeten het erg succesvolle “Biscaya” met daarop de gelijknamige hit die ook op single wordt uitgebracht. Maar dan zijn we al in 1982 aanbeland. Biscaya wordt in de Nederlandse top veertig bekroond en beloond met een vijfde plaats. Bij ons bereikt James met Biscaya zelfs de derde plaats. Het wordt de grootste hit voor James Last in de Lage Landen die dit nummer leende van de uitgevers van SAM Music Manfred Buchholz en Franz-Peter Moorkampen die het ook geschreven hadden. De accordeon in dit nummer wordt bespeeld door Jo Ment die jaren eerder samen met James in het orkest van de Norddeutscher Rundfunk had gespeeld en sinds een tijdje bij hem in vaste dienst werkte.

Drie jaar eerder had James in de Lage Landen meer dan behoorlijk gescoord met de single Thema uit de Verlaten Mijn, een zesdelige Duits-Australische tv-reeks die de Tros uitzond van de 4de oktober 1979 tot en met de achtste november van dat jaar. De titelsong viel meteen op gespeeld door James Last met Gheorghe Zamfir op panfluit. James had het thema geschreven onder de titel Einsamer Hirte. Oorspronkelijk wou hij een elpee opnemen met daarop uitsluitend liedjes die hijzelf had geschreven, maar dat plan ging niet door zodat het nummer voor de eerste maal te horen is op het album ”Russland Erinnerungen” dat in 1977 wordt uitgebracht boordevol Russische evergreens. Negen jaar eerder had James al filmmuziek geschreven voor “Morgens um Sieben ist die Welt noch in Ordnung” van de hand van regisseur Kurt Hoffmann met in de hoofdrol Peter Arens en Archibald Eser. Qua singlehits was James Last al wat gewoon hoor. In 1966 scoorden zowel Eddie Fisher, Connie Francis als Jerry Vale een Amerikaanse hit met de gezongen versie van Games That Lovers Play dat in Engeland een hit zou worden in de versie van Frankie Vaughan. Drie jaar nadien pakten Petula Clark en Andy Williams uit met een hitversie van Happy Heart, een song die Last smeedde samen met Jackie Rae. Nog eens drie jaar later, we zijn dan in 1973 aanbeland, is het de beurt aan Elvis Presley om op zijn album “Elvis” uit te pakken met Fool, een pracht van een song die James samen met Carl Sigman had geschreven. Ik mag ook niet vergeten aan te stippen dat zijn concurrent-collega Ray Conniff in 1970 een knappe versie opnam met zijn koor en orkest van de James Last klassieker Listen to your heart, zeker een aanrader om via iTunes of zo te beluisteren en gelijk in huis te halen.

James verkocht echter meer elpees dan singles, want hij kon zich daar beter op uitleven al doken er hier en daar wel eens songs op die het op 45 toeren niet onaardig deden. Denken we maar aan Orange Blossom Special, Ballade Pour Adéline, Paradiso. Inmiddels verschenen er ook met goud bekroonde verzamelelpees in de winkels: “Wereldsuccessen”, “The Best From 150 Gold”, “The Gentleman of Music”, “By request” en ga zo maar een paar stapels door. In onze regio waren albums zoals “De Nederlandse Successen”, “Paradiso” en “Moonriver… und andere grosse Filmmelodien” een must have voor de fans. Ook op televisie was James Last samen met zijn band een graag geziene gast. Uiteraard in zijn thuisland waar hij in de reeks “Star Parade” zo’n vijftig keer aantrad. Alle zingende groten der aarde passeerden hier de revue: Cliff Richard, Abba, Barry Manilow, Boney M, Roger Whittaker enz… Maar ook in Engeland zien ze hem graag het scherm passeren waar hij in 1971 voor de BBC een special had ingeblikt in het “Dorchester Hotel”. “Dance Night at The Royal Albert Hall” is vijf jaar later aan de beurt. Omdat het Britse publiek tijdens zijn concerten compleet uit de bol gaat, weet hij het ZDF ervan te overtuigen naar Engeland af te zakken om daar zo’n livehappening in te blikken. Twee concerten worden opgenomen met telkens méér dan vijfduizend meezingende en meedansende Britten. Hij hoeft nog maar een polka in te zetten of het publiek gaat gelijk uit de bol. Als er een slow wordt ingezet, maant hij hen aan rustig op de grond te gaan zitten wat ze ook prompt doen. Kortom, het publiek eet uit zijn hand.

Nu we toch aan het overschouwen zijn, in Engeland stond James Last met slechts één single in de hitlijsten.Dat was in 1980 met The Seduction, het liefdesthema uit de film ”American Gigolo” met in de hoofdrol Richard Gere. De muziek werd geschreven door Giorgio Moroder en de singleversie van James Last was in de Britse charts goed voor een 48ste plaats. Dat gebeurde ook in de Amerikaanse top honderd waar het nummer goed is voor een 28ste plaats. In Amerika had James acht jaar eerder al zeer bescheiden gescoord met “Music From Across The Way”. Ook wat de impact van zijn albums betreft moet hij in Amerika met achterblijvers tevreden zijn. Drie keer staat hij in de album top tweehonderd genoteerd: ”Music From Across The Way” met daarop versies van onder meer hits zoals Dock Of The Bay, Jamaica Farewell en Me and You And A Dog Named Boo, met Well Kept Secret in 1975 en in 1982 met “Seduction” met songs zoals Glow, Night drive, The Seduction Love Theme en So Excited. Om in de flow van zijn releases te blijven, stippen we in de loop van de jaren tachtig de albums ”In The Mood For Trumpets”, “Sky Blue”, “Viva Vivaldi”, “Traumschiff Melodien” en “Swing Mit” aan. In 1985 komt hij op de markt met zijn “Classics Up To Date volume vijf”, een bewijs dat er voor deze aanpak nog altijd een ruime markt is. In 1986 lanceert hij het album “Plus” dat hij opneemt samen met de leading lady van de Braziliaanse bossanova Astrud Gilberto. Eveneens succesvol zijn de albums ”James Last spielt Bach” en “In Holland”. Omdat de klassieke muziek hem blijft inspireren, neemt hij in 1988 het album “James Last spielt Mozart” op. De zevende april van dat jaar start het ZDF met de tv-reeks “Lorentz und Söhne” waarvoor James de muziek mag schrijven. De soundtrack is nog altijd erg geliefd bij zijn vele fans. Daarmee was Last niet aan zijn proefstuk toe voor het ZDF, want het jaar voordien had hij al de titelsong geleverd voor de tv-reeks “Der Landartz”. De tiende februari 1987 ging de eerste aflevering op antenne. Er zouden tweeëntwintig seizoenen worden ingeblikt, goed voor 297 afleveringen. Pas in 2012 werd achter die reeks een punt gezet.

“Dream Melodies”, een album dat Last samen met Richard Clayderman inblikt, kan op een grote respons rekenen.  Die combinatie is zo succesvol dat hij samen met de Franse pianist ook de cd’s “Serenaden” en “In Harmony” opneemt. Op het album “Bella Italia” zit een hele schare fans al geruime tijd te wachten. De musical laat Last ook niet links liggen. In 1993 verrast hij ons met een album volledig gewijd aan de mooiste melodieën van Andrew Lloyd Webber. In mijn collectie heb ik de elpee ”Paradiesvogel” een aparte plaats gegund omdat ik liedjes daaruit regelmatig heb gedraaid in mijn zondagavondprogramma “Funiculi Funicula” bij Radio 2. Om aan de vraag te blijven voldoen, brengt Polydor vanaf de jaren negentig om de haverklap verzamelalbums op de markt. Cd’s zijn stilaan de markt gaan veroveren zodat oudere elpees op deze geluidsdrager kunnen worden uitgebracht. Wie echter op zoek is naar nieuw materiaal blijft een beetje op zijn honger zitten. Maar wat wil je, Hansi is intussen de zeventig gepasseerd. Hij gaat trouwens liever op tournee dan wekenlang in een studio opgesloten te zitten. Omdat James het grondig beu is dat critici hem in de hoek van de partymuziek en de meezingers stoppen en hij zich niet meer kan profileren als een muzikant die zich ook ernstig met muziek kan bezighouden, pakt hij in 2004 verrassend uit met het album “They Call Me Hansi”. Hij kiest voor een poppy aanpak en laat zich graag omringen door toppers zoals Tom Jones, Hayley Westenra, Nina Hagen, Till Brönner en Jan Delay. Fans van het eerste uur dreigen een beetje af te haken, want dit is James Last zoals we hem niet echt gewoon zijn. Hij beleeft hier zoveel plezier aan dat hij met RZA featuring Wu-Tang Clan een rappende versie inblikt van Der einsame Hirte. We laten in het midden of dit voor u naar nog smaakt. Vroeger zou hij verkozen hebben iets op te nemen met Barbra Streisand, maar die tijd is voorbij gaf hij in een interview toe. Nu zou hij meer fun beleven aan een album samen met cellist Yo-Yo Ma bijvoorbeeld.

December 1999 overlijdt zijn echtgenote Waltraud aan kanker. James huwt een tijd later met de dertig jaar jongere Christine Grundner en gaat in West Palm Beach in Florida wonen. Daar kan hij genieten van de zon, het golfen en de méér dan tweehonderd gouden platen die hij wereldwijd verzamelde met in een aparte hoek de zeventien platina platen, zes gouden muziekcassettes, elf zilveren platen plus een blinkende verzameling onderscheidingen. Zo ontving hij in 1971 in München Das Goldenes Grammophon, in Canada The Gold Leaf Award, in 1975 Der Goldene Notenschlüssel, in 1979 Die Goldene Kamera, in 1991 Die Goldene Stimmgabel enz…

Aan een definitieve afscheidstournee dacht hij nooit en wou dat ook niet. Dat is iets voor popsterren vond hij. Het liefst van al deed hij gewoon, bleef hij bescheiden en maakte tot aan zijn dood, de negende juni 2015, muziek. Hij overleed op 86-jarige leeftijd in Palm Beach Florida. De 26ste april van dat jaar gaf hij zijn laatste concert in Keulen!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Salvatore Adamo

Persoonlijk heb ik in de loop van mijn carrière bij de VRT het voorrecht gehad Salvatore Adamo een aantal keer te mogen ontmoeten en te interviewen. Hij kwam altijd over als een gereserveerd en aimabel man. Door de jaren heen heb ik ook een aantal gesigneerde foto’s van hem verzameld waaronder een ingekaderde 40 X 40 die hij me gaf toen zijn album Adamo d’amour, ses plus grands succès op de markt kwam. Adamo is ook de man die me dadelijk aan mijn inmiddels overleden zus Chris doet denken. Die dweepte als geen ander met hem, samen met mijn moeder. Dankzij hen leerde ik zijn liedjes zoals Sans toi, ma mie, Quand les roses en Amour perdu kennen. Over hem heb ik door de jaren heen verhalen verzameld en ik ben zijn carrière kort op de voet blijven volgen.

In ons land wordt Adamo beschouwd als een monument in de wereld van het chanson. Hij kan er prat op gaan dat hij al zijn successen zelf heeft geschreven, zowel de muziek als de tekst. Niet voor niets noemde Jacques Brel hem ‘de tuinman van de liefde‘, een eretitel volgens Salvatore. Niet dat hij nood heeft aan eretitels, want daarvoor is hij een veel te bescheiden en timide man.

De eerste november 1943 werd Salvatore in Comiso in Sicilië geboren. Een jaar eerder, op de vijfde november, was papa Antonino Adamo gehuwd met Concetta Girlando. De Tweede Wereldoorlog heeft in deze Mussolini-gezinde uithoek van Italië duidelijk zijn sporen nagelaten. Het leven is er hard. De eerste november wordt dus de kleine Adamo geboren, maar omdat de gemeentebeambte waarschijnlijk te veel respect heeft voor de eerste november, Allerheiligen dus, noteert hij als geboortedatum 31 oktober. Zo staat het nog steeds op Salvatore’s Italiaanse identiteitspapieren genoteerd. Zijn voornaam erft hij van zijn grootvader, een mandenmaker, bijgenaamd Turi. Papa Antonino komt aan de kost als delver van irrigatieputten én als metselaar. Maar hij verdient niet genoeg om zijn gezin te onderhouden. Hij wil zijn geluk hogerop gaan zoeken, in het noorden. De broer van zijn vrouw,Raffaele, tevens boezemvriend van Antonino, was zijn geluk al in Argentinië gaan zoeken. Intussen was de Belgische regering bezig met het onderhandelen met zowel de Marokkaanse, de Spaanse als de Italiaanse regering om arbeidskrachten naar ons land te sturen. Die onderhandelingen worden na een tijdje opgedoekt, behalve die met de Italiaanse regering. Ze sturen werklieden naar de fabrieken van Boël in La Louvière, de hoogovens in Clabecq en de steenkoolmijnen in de Borinage. Tijdens een overeenkomst tussen België en Italië de 23ste juni 1946 werd overeengekomen dat vijftigduizend Italiaanse arbeiders hun heil in ons land mochten komen zoeken. Antonino’s besluit staat vast: hij gaat zijn toekomst in België verzilveren. Hij reist in zijn eentje naar ons land en keert terug naar Italië met het blijde neuws dat hij werk heeft gevonden. Ze belanden hier in een kleine wijk in Ghlin die Petit Paris wordt genoemd. Begin 1948 verhuizen ze naar de Cité de la Croix -Verte in Jemappes. Papa komt aan de kost als mijnwerker. De familie Adamo weet zich snel en goed aan te passen aan onze samenleving. Papa zal door een rugletsel niet lang in de mijn blijven werken en gaat aan de slag in een buizenfabriek gelegen aan de Avenue du Général Foch in Jemappes. Omdat papa nu minder verdient en de huurprijzen almaar verhoogd worden, zullen ze vaak verhuizen om het hoofd boven water te kunnen houden. Papa speelt regelmatig op de lotto en wint op zekere dag 51.000 frank, een in die tijd riant bedrag. Ze verhuizen naar de Avenue Wilson in Jemappes waar ze op huisnummer 51 gaan wonen. Maar dat feest duurt niet lang, want het geld geraakt snel op. In 1952 verhuizen ze naar een flatgebouw. Drie jaar later zakken ze met hun hebben en houden af naar de Rue de la Régence, want het gezin bestaat intussen uit zeven kinderen. Dat wordt uitgebreid met Delizia, Giuseppe, Eva, Salvina, Giovanna en Titina die in 1960 als laatste telg wordt geboren. Voor zijn zus Delizia zal Salvatore later een aantal liedjes schrijven die ze op plaat zet: Prends le chien (1966), Qui te retient (1974),  Aime-moi ( 1974) en Alors le bel été (1975).

Salvatore is zeven wanneer hij in de maand september van 1950 een hersenvliesontsteking krijgt. Hij zal dertien maanden lang in het Sint-Rafaëlziekenhuis in Leuven verblijven. Zijn vader zit vaak bij hem op zijn ziekbed en vertelt honderduit over hun familieverleden. Vijf jaar later debuteert Salvatore als cadet-rechtsbuiten bij de voetbalploeg Union Jemappienne. Op dat moment wil hij maar één ding, profvoetballer worden. Zanger worden daarentegen staat in zijn dagboek niet genoteerd. Wat niet belet dat hij tijdens familiefeesten laat horen dat hij over een opvallende stem beschikt. Toen al hield hij méér van het Franse chanson dan van de bekende Italiaanse klassiekers. L’amour est un bouquet de violettes van Luis Mariano blijkt een van zijn favoriete nummers te zijn én de chansons van Georges Brassens. Van zijn grootvader Giuseppe krijgt Salvatore een gitaar cadeau en in 1958 schrijft hij zijn eerste liedje Si j’osais. Intussen zit Salvatore op de banken van het Collège Saint-Ferdinand. Hij volgt hier de moderne afdeling.  Het is de periode dat hij ook zijn eerste gedichten schrijft. De vierde middelbare volgt Salvatore aan het college in Bergen, maar hij leeft hier in onmin met de leraar Frans en stapt over naar het atheneum. Liedjes schrijven en zingen krijgt stilaan de bovenhand. Papa staat erop dat zijn zoon voortstudeert. Salvatore schrijft zich in aan het hoger kunstonderwijs in Saint-Luc te Doornik. In die tijd koopt hij zijn eerste plaatjes. Hij is vaak te vinden in de platenwinkel van het echtpaar Donfut in de Rue Général Leman. Monsieur Aimable Donfut speelt accordeon in zijn eigen orkest, zijn vrouw bespeelt de piano. Hij richt ook zijn eigen muziekschooltje op. Daar volgt Salvatore notenleer. Donfut overtuigt Salvatore zijn liedjes in te schrijven bij Sabam. Bij zijn schoolmakker Marcel Godaert thuis blikt Adamo zijn eerste liedjes in, want Marcel beschikt over degelijke opnameapparatuur. Salvatore leert ook gitaar spelen: aan een aantal akkoorden heeft hij genoeg om zijn teksten van muziek te voorzien. Met de demobandjes die hij bij Marcel en Aimable heeft opgenomen, trekt hij regelmatig naar Radio Hainaut en Radio Liège.

De eerste februari 1960 wint Salvatore zijn eerste radiowedstrijd georganiseerd door Radio Luxembourg en gesponsord door L’Oréal. Die overwinning bezorgt hem de negende april 1961 een deelname aan de finale in de Parijse voorstad Saint-Ouen. Salvatore zingt ook hier Si j’osais. De jury, met daarin onder anderen de bekende Franse orkestleider Franck Pourcel, beslist dat Adamo de overwinning toekomt. Hij krijgt als prijs tienduizend oude Franse frank en koopt daarmee voor zijn vader een Opel Olympia. Bij platenfirma Philips zijn ze inmiddels naarstig op zoek naar een antwoord op Rocco Granata. Qua hese stem hoeft Salvatore niet onder te doen. Het is producer Lammy van den Hout die contact zoekt en hem voorstelt een eerste plaatje in Brussel in te blikken. De vijfde mei 1961 staat Salvatore achter de studiomicrofoon in Brussel, maar inpikkend op het succes van Granata zingt hij een Italiaans liedje Perché met op de B-kant Se pensi a me. Er gaan iets méér dan vijfhonderd singles over de Waalse toonbank. Al was hij in het begin er geen voorstander van dat zijn zoon fulltime zanger zou worden, plots toont papa Adamo zich de grootste fan van zijn zoon. Hij stimuleert hem waar hij maar kan. Tijdens zijn eerste concerten zingt Salvatore bijna uitsluitend Italiaanse liedjes. In zijn vrije tijd geeft hij al sinds een jaar gitaarles aan zijn vriendinnetje Nicole Durand met wie hij later in het huwelijk zal treden. Bij Nicole thuis vindt hij de rust die hij nodig heeft om in alle stilte liedjes te kunnen schrijven.

Die Italiaanse opname bij Philips wordt geen groot succes. Meneer Aimable, die zich almaar meer over Adamo gaat ontfermen, zoekt contact met platenfirma Polydor die gretig toehapt. Ze houden vol dat Salvatore in het Italiaans moet blijven zingen. Cara bambina is daar een eerste getuige van. Op zoek naar de juiste aanpak wordt de daaropvolgende single in het Engels gezongen Poor fool met als B-kant Why do you come so late? Ook deze pogingen worden geen succes. Aan Nico Gomez, de bekende vader van Raymond van het Groenewoud, wordt gevraagd de arrangementen te schrijven voor het liedje Si j’osais. Het wordt zijn vierde single met op de keerzijde Laurence. Maar intussen is het publiek het liedje al vergeten en slaat het niet meer aan. Salvatore richt dan maar al zijn aandacht op zijn studies die hij in de maand september van dat jaar begonnen is aan Saint-Luc in Doornik. Aimable heeft intussen een deal kunnen sluiten met Gramophone/EMI. September 1962 ligt er ten huize van Adamo een kersvers platencontract in de bus. Omdat rock-’n-roll dan nog in is, besluiten ze En blue-jeans et blouson d’cuir op te nemen. Als B-kant wordt gekozen voor Laissons dire. De zeventiende oktober is de single in de winkel te vinden, maar blijft zonder veel respons. De kritiek is wél lovend, wat Gramophone aanspoort ermee door te gaan op voorwaarde dat van het volgende nummer tweeduizend exemplaren worden verkocht. Wat tegen hun zin nemen ze Sans toi, ma mie op samen met Fais-toi croque-mort. Salvatore had Sans toi, ma mie geschreven met in zijn achterhoofd de begeleiding van zweverige violen en een koortje. Maar daar kwam niks van in huis. De arrangementen die Aimable had uitgeschreven, worden tactloos aan de kant geschoven. Tijdens de opnamesessie zijn een gitarist, een drummer en een pianist aanwezig. Gitarist van dienst is niemand minder dan Freddy Sunder. In het vroege voorjaar van 1963 ligt de single in de winkel en wordt een regelrecht succes. In een mum van tijd worden er honderdduizend exemplaren van verkocht. Niet alleen in Wallonië, maar ook in Vlaanderen wordt het liedje een groot succes. Op dat moment verblijft Adamo als student op een kot in de Rue de l’Ecorcherie in Doornik. Hij is daar goed bevriend geraakt met zijn schoolgenoot Jacques Mercier met wie hij zijn liefde voor de muziek met veel vreugde kan en mag delen. Jacques is diegene die vaak zijn mening mag zeggen wanneer Salvatore hem weer een nieuw liedje laat horen. Hij weet nog goed dat Adamo het moeilijk had met zijn stem, hij kon die moeilijk aanvaarden, hij vond dat die niet aantrekkelijk genoeg klonk. Het blijkt ook almaar moeilijker te zijn voor Salvatore, die intussen aan zijn tweede jaar was begonnen, zijn studies met zijn carrière te combineren. Hij kan niet anders dan af en toe te spijbelen. Hij werkt op dat moment samen met zijn eerste impresario René Requier uit Durbuy. Dat duurt niet lang, want op advies van zijn platenfirma gaat hij vanaf 1963 met Robert Bylois in zee, een rasechte Vlaming die hem vlot aan optredens in Vlaanderen helpt. Salvatore spreekt een beetje Nederlands en dat is leuk meegenomen tijdens interviews met de diverse media. De Vlamingen beschouwen Salvatore al vlug als iemand van ons, hij verstaat ons en spreekt onze taal. Hij treedt ook graag live op en start een eigen orkest Les Delfinis met daarin Giuseppe Calisto, Carmelo Agresti, Jean-Francis Vandriessche en Achille Maréchal.

Bij EMI weten ze niet goed welk chanson te kiezen als opvolger van Sans toi, ma mie. De knoop wordt doorgehakt: N’est-ce pas merveilleux, Crier ton nom en Amour perdu worden in de markt gezet. Die liedjes van toen zijn nog erg dansant te noemen. Slows dragen daarbij zijn voorkeur weg. In de maand mei van 1963 staat Amour perdu bij ons op tien. Een absolute nummer één wordt N’est-ce pas merveilleux in de zomer van dat jaar. Met het oog op de winter wordt in het kielzog daarvan Tombe la neige uitgebracht. Eerder dat jaar trad hij op in de “Ancienne Belgique” in Brussel en mag tijdens het voorprogramma van Cliff Richard and The Shadows zijn talent etaleren in de Parijse “Olympia”. Niet alleen in Wallonië wordt Tombe la neige een bliksemsnelle nummer één, maar ook bij ons. Die single is nog maar net koud of Vous permettez monsieur? wordt ovenwarm geserveerd. Opnieuw een ijzersterke nummer één, zo zal blijken. En Nederland? Daar belandt Sans toi, ma mie op vijf in de top veertig. N’est-ce pas merveilleux wordt geen hoogvlieger, maar met Vous permettez monsieur? scoort Salvatore in de maand februari 1964 zijn eerste en enige nummer één bij onze noorderburen. Nog zo’n hoogvlieger wordt  Quand les roses,, opnieuw een nummer één zowel in Wallonië als in Nederland. In Frankrijk van hetzelfde muzikale laken een broek. De Fransen adoreren hem. Met Vous permettez monsieur? komt hij daar voor de eerste maal in contact met de hitparade. La nuit wordt er in het voorjaar van 1965 een nummer één. Tijdens de zomer van dat Franse jaar staat hij op één te glunderen met Mes mains sur tes hanches. In België doet hij het intussen uitstekend met singles zoals Si jamais, Dolce Paola en Les filles du bord de mer dat veel later succesvol gecoverd zal worden door Arno Hintjens.

Frankrijk is meteen in de ban van het nummer Une mèche de cheveux dat bij ons wordt beloond met een vierde plaats in de hitlijsten net zoals zijn voorgaande hit J’aime die eind 1965 onze BRT-programma’s mag kleuren. De twaalfde januari van dat jaar heeft Adamo, deze keer in zijn eentje, opnieuw staan schitteren op het podium van de “Olympia”. Toen werd afgesproken dat hij tijdens de ganse maand september daar zou optreden. Het succes was overdonderend.

In het land van de rijzende zon zal hij een fenomenale ontvangst krijgen. Zijn Japanse fans zullen trouwens voor de rest van zijn carrière een aparte plaats in zijn hart innemen. De Japanse vertaling van Tombe la neige, Yuki Ga Furu wordt door hen als hun tweede volkslied beschouwd. Hij zal met de singleversie tweeënzeventig weken na mekaar in de Japanse hitlijsten genoteerd blijven. Qua internationale populariteit staat Tombe la neige op gelijke hoogte met Et maintenant van Gilbert Bécaud en Comme d’habitude van Claude François. In het totaal zal Tombe la neige door de jaren heen méér dan vijfhonderdvijftig keer gecoverd worden. Het kan niet uitblijven of hij gaat in meerdere talen zingen: Engels, Duits, Italiaans, Spaans en zelfs in het Nederlands en het Portugees.

Adamo valt op in het tijdperk van de yé-yé, zoals de sixties in Frankrijk ook wel eens worden genoemd. Hij moet daar opboksen tegen sterren zoals: Johnny Hallyday, Sylvie Vartan, Richard Anthony, Françoise Hardy, Hervé Vilard en ga zo maar door. Hij combineert op een unieke manier zijn eigentijdse teksten en zijn jonge imago met de wat ouderwetse arrangementen van Oscar Saintal die ervoor zorgen dat niet alleen jongeren, maar ook ouderen van zijn muziek genieten. Internationaal deelt hij de affiche met tal van bekende artiesten zoals tijdens “De Gouden Roos van Montreux” waar hij The Rolling Stones ontmoet. De zestiende januari 1964 zit hij tijdens een interview in dezelfde radiostudio als The Beatles en vertaalt rechtstreeks hun Engelse antwoorden in het Frans. Drie jaar later zal hij The Beatles opnieuw ontmoeten, deze keer in de “Abbey Road Studio’s” waar hij Pauvre Verlaine mag opnemen samen met een groot orkest. The Beatles leggen daar op dat moment de laatste hand aan All You Need Is Love.

De zevende augustus 1966 verneemt Salvatore het trieste nieuws dat zijn vader is overleden. Hij gaat zich meer en meer over zijn familie ontfermen en zorgt dat niemand van hen ook maar iets tekortkomt. Hij wordt als voogd aangesteld. Hij stuurt zijn broers en zussen naar het internaat en zorgt thuis voor een gouvernante. Het lijkt alsof zijn leven van dan af aan een heel andere wending neemt. Zijn liedjes worden ernstiger. De arrangementen worden vanaf nu geschreven door Alain Goraguer die tot dan toe had gewerkt voor onder meer Boris Vian en Serge Gainsbourg. Hij voelt erg goed het melodieuze aan dat Adamo in zijn chansons stopt. Tegen de achtergrond van de Zesdaagse Oorlog, die van de vijfde tot en met de tiende juni 1967 tussen Israël aan de ene kant en de Arabische staten Egypte, Jordanië en Syrië werd uitgevochten, schrijft Salvatore Adamo een van zijn grootste klassiekers, het vredeslied Inch Allah dat in Frankrijk maandenlang in de hitlijsten genoteerd zal blijven staan. Op zijn terugreis van Beiroet waar hij had opgetreden, brengt hij een bezoek aan Jeruzalem en krijgt daar de idee Inch Allah te schrijven. Met dit nummer bewijst hij in één klap dat hij méér aankan dan alleen maar rustige, romantische liedjes schrijven. In ons land zit er eind januari 1967 voor Inch Allah een vierde plaats in. In Nederland slaat de single niet aan.

Iets later zal Adamo in onze hitlijsten nog eens stevig scoren en wel met Une larme aux nuages, goed voor een vierde plaats in de top dertig. Van dan af lijkt hij zijn greep op onze hitlijsten stilaan te verliezen. In Frankrijk duiken er chansons van hem op die bij ons zelfs niet gedraaid worden, nummers zoals L’amour te ressemble, J’ai tant de rêves dans mes bagages, Le ruisseau de mon enfance en F…comme femme. Met Pauvre Verlaine wijkt hij wat af van zijn voorgaande chansons. The Moody Blues zullen iets later de song Melancholy Man uitbrengen. Wie goed luistert, hoort de gelijkenis, maar Adamo spant geen proces aan. Het is een lied in mineur al huwt hij iets later dat jaar met zijn grote liefde Nicole met wie hij intussen een zoon heeft, Anthony. Al die jaren heeft hij zo veel mogelijk zijn geliefde voor zijn fans verborgen gehouden. Zijn vrouw heeft trouwens tijdens zijn carrière nooit een vooraanstaande rol willen spelen. Ze heeft zich altijd in zijn schaduw opgehouden.

Adamo is in 1968 wereldwijd samen met The Beatles voor EMI hun bestverkopende artiest. Hij is bekend tot in Chili, Argentinië en Uruguay. Hij is echter doodop. Om wat bij te tanken besluit hij van mei tot en met juni van dat jaar naar Los Angeles te trekken om zijn zinnen op wat anders te zetten. Eerder dat jaar was hij tijdens de Midem-platenbeurs in Cannes nog uitgeroepen tot bestverkopende artiest in Frankrijk en de rest van Europa. In de States volgt Adamo een cursus harmonie en leert een rist nieuwe akkoorden die hij meteen in zijn liedjes verwerkt. Eenmaal terug thuis richt hij zijn eigen uitgeverij op A.A. en besluit niet meer met arrangeurs samen te werken, maar zijn eigen arrangementen te schrijven. Een eerste keer is dat te horen op zijn hit Petit bonheur die hem in het najaar van 1969 en na zijn succes met A demain sur la lune opnieuw een grote hit in Frankrijk bezorgt.

In 1970 koopt Adamo in Rueil-Malmaison” het huis Les Rochers om het gereis tussen de lichtstad en Jemappes niet meer te hoeven overbruggen. Hier zorgt hij ook voor de opvoeding van zijn zussen die hij naar hier heeft laten overkomen. Intussen hebben Franck Fiévez en Jérôme Munafo zich bij zijn orkest aangesloten ter vervanging van Jean-Francis Vandriessche en Gilles Maréchal.

Na Petit bonheur is het wachten tot het begin van 1972 wanneer Salvatore nog eens in de Franse hitparade opduikt, deze keer met J’avais oublié que les roses sont roses. Het gekke is dat hij op dat moment moet opboksen tegen het succes dat Gilbert Montagné scoort met The Fool. Adamo was aan hem voorgesteld door Bernard Saint-Paul die voor zijn uitgeversmaatschappij werkte. Gilbert had toen reeds als Lord Thomas enkele plaatjes opgenomen. Niemand heeft oor naar diens compositie The Fool, maar Adamo ziet er wel wat in en wil het zelfs producen en in zijn uitgeverij onderbrengen. Met CBS wordt een deal gesloten het nummer te distribueren.

Qua Adamosingles heeft er geen aardverschuiving plaats. Crazy Lue en On est deux kabbelen in 1973 rustig zonder enige deining te veroorzaken. Hij maakt gebruik van die situatie om almaar vaker in het buitenland te gaan optreden, onder meer in Rusland en de Oostbloklanden. Datzelfde jaar verrast hij zijn publiek met de langspeler “A ceux qui rêvent encore”. Hij klinkt anders: hij wil weg van de hitstructuur, de liedjes worden langer en zijn iets minder simpel opgebouwd. Hij wil vooral zijn eigen zin doordrijven, klinken zoals hij altijd al had willen klinken, veel minder commercieel. Niet iedereen gaat daarmee akkoord. Zijn platenfirma kijkt bedenkelijk, alsook zijn collega’s. Charles Aznavour heeft nooit goed begrepen waarom Adamo van zijn muzikale weg afweek. Hij had volgens zijn bekende patroon moeten blijven liedjes schrijven, aldus Aznavour die daar wél trouw aan is gebleven wat zijn chansons betreft. Maar bij Salvatore wil er dat niet in. De Franse radio en tv beginnen hem stilaan links te laten liggen. Een nummer dat het in 1975 enigszins goed doet en bij ons een soort radiohit wordt, is C’est ma vie, inmiddels een heuse Adamoklassieker. Het is de laatste keer dat hij nog met zoveel overtuiging een hit zal scoren. Veel minder qua impact is immers het daaropvolgende nummer J’ai trouvé un été. Ook Si j’étais dat in de maand april van 1977 in de Franse hitparade opduikt, wordt niet zijn leukste troetelkind. Zijn zingende collega’s grimlachen. Ze hebben jaren moeten verdragen dat hij de Franse hitparade domineerde, nu geraakt hij zijn greep daarop kwijt. Sommigen genieten. Dat kwetst hem, want hij deinsde er nooit voor terug in zijn voorprogramma jonger talent een kans te gunnen, denken we maar aan Joe Dassin en Julien Clerc. Om tot rust te komen en af te kicken had hij iets eerder een villa in het piepkleine dorpje La Roquette-sur-Siagne gekocht, gelegen in de buurt van Cannes. 1978 wordt voor Adamo qua platenverkoop en scoren van hits een soort sabbatperiode. Maar daarbuiten blijft hij veel optreden in de rest van de wereld.

In een poging zijn carrière een nieuwe push te bezorgen, zegt hij EMI vaarwel en tekent een platencontract bij CBS. Voor hen neemt hij tussen 1976 en 1979 drie albums op: “Voyage jusqu’à toi”, “Et on chantait” en “Les chansons d’où je viens”. CBS weet hem ervan te overtuigen zijn grote hits van toen opnieuw te arrangeren en opnieuw in te zingen. Achteraf zou hij heel veel spijt hebben van deze beslissing. Na vijf jaar afwezigheid is in de maand mei van 1977 de “Olympia” nog eens aan de beurt waarvan de concertregistratie bij CBS op elpee verschijnt. Na dit CBS-avontuur vinden we hem bij de platenfirma van Eddie Barclay. Uit eigen zak betaalt Adamo de opname van het album ”Pauvre liberté”. Hij eist volledige artistieke vrijheid. Maar ook hier vindt hij zijn draai niet en belandt iets later bij platenfirma Carrère. Het album “Puzzle” gaat aan de meeste oren voorbij. Salvatore draagt op dat moment een jarenoud geheim met zich mee dat hij angstvallig bedekt heeft willen houden. Hij houdt er namelijk een geheime relatie op na. Hij heeft een verhouding met de Duitse mannequin en actrice Annette Dahl die de elfde november 1979 bevalt van hun dochter Amélie. Pas vijfentwintig jaar later zal Salvatore daar in de pers over uitweiden. “Le Soir Magazine” besteedt ruim vier pagina’s aan deze story.

De zevende november 1980 wordt zijn zoon Benjamin geboren; alsof Nicole en hij daarmee hun huwelijk willen bezegelen en alsof Nicole daarmee Annette gepast van antwoord wil dienen. Of dat een zalvende werking op zijn huwelijk heeft gehad, daar hebben we het raden naar. Vier jaar later moet Adamo inzien dat hij gas moet terugnemen. De 27ste mei 1984 wordt hij geveld door een hartinfarct.  Een tekort aan rust is de hoofdoorzaak, iets waar hij sindsdien wel rekening mee houdt, dat hij vooral van een voldoende nachtrust geniet. Maar voor een workaholic is en blijft dat een moeilijke opgave. Hij beslist na zijn infarct voort te werken zonder zijn vaste manager Charley Marouani. Voortaan moet hij de klus in zijn eentje klaren. Hij maakt méér tijd voor zijn vrienden en ontspant zich door te schilderen. Een van zijn grootste fans Maryse Tessonneau publiceert in 1985 zijn biografie ”Adamo, l’autre face”. Dertig jaar lang heeft ze hem op de voet gevolgd en kan een nauwgezet portret schilderen van Adamo, de artiest. Het boek wordt slechts in een kleine oplage verdeeld. Twee jaar later wordt zijn album ”Avec des si” gereleaset. Er is wel airplay, maar echt verkopen doet het album niet, net zomin als de opvolger ”Sur la route des étoiles” in 1989. Drie jaar later is er de cd “Rêveur de fond”. Nog altijd geen verrijzenis, maar wel een aanloop naar betere tijden. Die breken aan wanneer hij in 1993 ambassadeur wordt van Unicef. In het raam daarvan neemt hij twee jaar later samen met Maurane een duet op. Het publiek reageert positief en waardeert de liefdadigheidsinzet van Adamo. Het jaar nadien treedt hij opnieuw op in de “Olympia” om daar in 1995 zijn vijfendertigjarige carrière in de bloemen te zetten. De organisatoren merken dat Adamo nog altijd aanslaat bij het Franse publiek en de grotere concerten stromen binnen. Maar zijn platen verkopen nog altijd niet vlot, ook niet het nummer La vie comme elle passe dat hij in dat jaar samen met Toots Thielemans inblikt. Adamo slaagt er wel in de uitgavenrechten op zijn eerste en grootste hits opnieuw in zijn bezit te krijgen. Tot dan toe waren die in handen van Aimable Donfut. Hij sluit een nieuwe platendeal met EMI die meteen een dubbele verzamelaar uitbrengen van zijn grootste hits “Adamo d’amour” met daarop als collector’s item het nooit eerder uitgegeven Je t’aimais.

EMI België gaat samen met Adamo rond de tafel zitten en besluit zijn imago op te poetsen, zijn platen wat moderner te laten klinken zonder daarbij zijn achterban geweld aan te doen. In 1998 tekent hij een nieuw contract bij EMI France. “Regards” wordt zijn eerste album voor hen na een afwezigheid van tweeëntwintig jaar. Maar Adamo is niet gelukkig. Hij zit opgescheept met producer Jean-Paul Dréau, zelf een singer-songwriter, aan hem opgedrongen door zijn platenfirma, maar hun samenwerking wringt langs alle kanten. Het uiteindelijke resultaat klinkt in de oren van Adamo en zijn entourage als een muzikale knoeiboel. Voor de Belgische release schrijft Jan Leyers een Nederlandstalige tekst bij het liedje Laissez rêver les enfants, Laat onze kinderen dromen. Van het album worden in ons land amper achtduizend exemplaren verkocht. Dat staat in schril contrast met het bericht dat hem ter ore komt dat hij tot dan toe wereldwijd méér dan negentig miljoen platen heeft verkocht. Dat overtuigt hem om zijn liveoptredens bij te schaven en zijn begeleidingsgroep nieuw leven in te blazen. Hij gaat nog maar eens wereldwijd concerteren. Dankzij een Canadese reclamespot van een zuivelfederatie staat hij in de zomer van 2000 in Canada op nummer één met C’est ma vie.  Tijdens de zomer het jaar nadien wordt hij door koning Albert II geridderd, een eretitel waar zijn vader Antonino vooral trots op zou zijn geweest. In 2002 wordt hij Officier de l’Ordre de la Couronne. Dat jaar wordt zijn roman “Le souvenir du bonheur est encore du bonheur” uitgegeven. Nog maar eens ongerust over het eindresultaat besluit Adamo alweer van platenfirma te wisselen en komt opnieuw terecht bij Polydor die hem de vrijheid geven een akoestisch album in te blikken, hier en daar aangevuld met wat blazers en een accordeon.

Dit resulteert in 2003 in de cd ”Zanzibar”, een verademing na het vorige resultaat. Artistiek wordt hij bijgestaan door Firmin Michiels die hem veel raad geeft. Het album wordt geproducet door Lionel Groshény. Vaak te horen over de radio is het nummer J’te lâche plus. Hij sukkelt weer met zijn gezondheid.In de maand mei van 2004 gaat hij opnieuw door de knieën, deze keer wordt hij geveld door een hersenbloeding. Hij moet een vol jaar volledige rust respecteren. Omdat hij zijn buitenechtelijke dochter Amélie erg mist, spreekt hij met zijn vrouw af dat zij hem voortaan thuis in Ukkel mag komen opzoeken. Aan de Franse pers vertelde ze: “Je suis née en Allemagne, mais ma mère est venue s’installer en France. Je voyais régulièrement mon père, j’ai très vite été mise au courant de sa situation, de son autre famille. Tout cela m’a toujours paru normal. Le plus compliqué était d’avoir un père chanteur, célèbre. Je n’osais pas en parler, je le dis depuis peu. Pendant des années, je n’ai même jamais envisagé de chanter. Je tournais autour, j’ai pris des cours de théâtre, je disais que je voulais devenir metteur en scène ou productrice. J’ai même travaillé dans l’édition à Londres. Je me cachais la vérité. Il a fallu l’insistance de mes amies pour que je passe le cap et que j’aille chanter en duo avec mon père.” Dat heeft hem bij zijn herstel enorm geholpen. Zij gaan sindsdien zo vaak de kans zich voordoet op vakantie met de ganse familie in Adamo’s buitengoed in Frankrijk.

En zoals het een goede wijn betaamt, wordt hij qua producties met de jaren beter. In 2007 is er als bewijs het album “La part de l’ange” met in de studio achter de knoppen Alain Cluzeau en Nicolas Duport en met als uitschieter het inmiddels grijsgedraaide Ce George dat Salvatore in duet zingt met Olivia Ruiz. Ook graag gehoord en gedraaid is het nummer Au café du temps perdu. Adamo lijkt weer zijn muzikale draai te hebben gevonden. Ook de fans lusten hem opnieuw al duikt hij daarom niet meteen in de hitlijsten op. Omdat zowat iedere muzikant ermee voor de dag komt, overweegt hij zijn bekendste liedjes in een nieuw jasje te stoppen. Hij legt een keurige lijst aan met wie hij zijn grootste successen opnieuw wil inzingen en biedt ons in 2008 het resultaat daarvan aan op de cd “Le bal des gens bien” met daarop onder andere: Vous permettez monsieur? dat hij zingt samen met Bénabar, Tombe la neige met Laurent Voulzy, Au café du temps perdu met Thomas Dutronc en C’est ma vie met Isabelle Boulay.

In 2010 ontvangt hij Le Grand Prix International de Poésie Francophone voor zijn gehele oeuvre. In het kielzog daarvan verschijnt zijn tweeëntwintigste studioalbum “De toi à moi” in een productie van Dominique Blanc-Francard met in het totaal veertien nieuwe chansons waaronder ook deze keer duetten met onder meer Christophe, Oxmo Puccino, Chantal Lauby en als verrassing samen met zijn dochter Amélie T’aimer quelque part.  Hij sluit 2012 met de release van het album “La grande roue”.

Begin 2012 is er de release in Vlaanderen van het album “Luc Steeno zingt Adamo”. Salvatore brengt op zijn beurt als hommage de tiende november 2014 de cd “Adamo chante Bécaud” op de markt met daarop vijftien liedjes van zijn idool, van Et maintenant tot en met Mes mains.

De 5de februari 2016 brengt Adamo een nieuw album op de markt “L’amour n’ a jamais tort” in een productie van de Vlaming Jo Francken. Hij werkt ook samen met arrangeur Andrew Powell, bekend van zijn samenwerking met Kate Bush en Alan Parsons. Op deze cd zingt Salvatore het duet De père à fille samen met Joyce Jonathan. De 8ste en 9de april van dat jaar treedt hij op in de Parijse “Olympia”.

 

tekst en release: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

Françoise Hardy

Doodjammer vind ik het dat wanneer je in Vlaanderen de naam Françoise Hardy uitspreekt haast iedereen meteen Tous les garçons et les filles begint te zingen, niet wetende dat die mevrouw honderden liedjes op plaat heeft gezet waarvan er een rist méér dan de moeite waard van het onthouden en behouden zijn. Ik keek verbaasd op toen ik merkte dat ik haar eerste plaatjes nog in mijn singlecollectie heb zitten. Die was ik eerlijk gezegd wat uit het oog en vooral uit het oor verloren, want intussen hebben haar cd’s mijn platenkast ingepalmd en dat zijn er na al die jaren wel wat. Niet dat ik intussen alles van haar heb verzameld, want zo’n fan ben ik nu ook weer niet, maar ik heb toch aardig gelijke tred kunnen houden met haar belangrijkste releases.

Wanneer ik door Parijs wandel, dan hou ik in mijn achterhoofd dat Françoise Hardy daar in het 9de arrondissement werd geboren. Je moet er zeker al eens gepasseerd zijn, want hier ligt onder meer Boulevard Haussmann, de Parijse Opéra, het Palais Garnier en Galeries Lafayette. Françoise, die hier de 17de januari 1944 werd geboren, bewaart geen goede herinneringen aan haar jeugd. Haar vader liet haar samen met haar zus Michèle vrij snel alleen achter bij hun moeder. Pa kwam financieel maar mondjesmaat over de brug, een zware last voor zijn ex om de touwtjes aan mekaar te knopen. Nochtans had vader wel wat centen, want hij bezat een tijdlang een kantoorboekhandel in de rue Saint-Lazare. Tijdens de middag togen zij en haar zus daar regelmatig naartoe.  Maar de man was hertrouwd en koos de kant van zijn kersverse echtgenote. Françoises grootouders langs moederszijde die in Aulnay- sous-Bois woonden, waren ook al geen grote steun voor Françoise. Haar grootmoeder had wel altijd iets aan te merken. Françoise kroop al in elkaar als ze nog maar wist dat grand-mère langskwam. Omdat mama Hardy de handen vol had, vond ze het beter dat Françoise naar het internaat zou gaan in de rue La Bruyère op nummer 42 in handen van de zusters van de Drie-eenheid waar de schuchtere Françoise nog meer in zichzelf gekeerd zou gaan leven. François liep gebukt onder de situatie bij haar thuis, het feit dat haar vader het kostschoolgeld met maanden vertraging betaalde en dat ze minder mooi gekleed was dan haar medeleerlingen. Ze compenseerde dat gebrek aan zelfvertrouwen door hard te studeren en op te vallen als een plichtsbewuste leerling. Ze zag er slank en rank uit zodat ze, al wou ze het niet, een opvallende figuur werd. Waar en wanneer het maar kon, luisterde ze naar de radio, naar de nieuwste Franse chansons van onder meer Charles Trenet en naar de nieuwste rage ‘de rock’n'roll’. Tijdens de vakanties werd ze regelmatig naar Duitsland gestuurd om daar de taal te bemachtigen. Dat op advies van een zekere monsieur Gilbert, een vriend van haar moeder, die vond dat de kinderen die moeilijke taal onder de knie moesten krijgen. Zo logeerden ze meermaals bij de Oostenrijkse mevrouw Hedwig Welser, alias tante Hedi. Vanuit La Gare de l’Est reisden ze met de Oriënt-Express naar Innsbruck. Hier vulde Françoise haar vrije uren met zingen en liedjes schrijven. In 1961 beëindigt ze haar middelbare studies en wanneer ze haar baccalaureaat behaalt, waardoor ze haar hogere studies kan aanvatten, krijgt ze van haar vader een gitaar cadeau. Via een snelcursus leert ze enkele basisakkoorden en kan zodoende zich al snel  op de gitaar begeleiden. Ze gaat dikwijls naar een platenwinkel in de rue de la Chaussée-d’Antin waar ze  de nieuwste importsingletjes beluistert. Af en toe koopt ze er een met het geld dat ze verdient door Duitse bijles te geven aan een buurjongen van veertien. Françoise dweept op dat moment in haar jeugd met Eddie Cochran, Neil Sedaka, Brenda Lee, Cliff Richard en The Everly Brothers. Ze wil beter leren zingen en schrijft zich in aan het ”Petit Conservatoire de Mireille”, gelegen aan de avenue du Recteur-Poincaré, eigendom van de nationale radio. Les werd daar gegeven door de zangeres Mireille.  Maar mama Hardy wil dat Françoise ook voortstudeert. Ze schrijft zich in aan de Sorbonne in Parijs om daar de richting politieke wetenschappen te volgen. Ze heeft voldoende tijd over om liedjes te schrijven. Het liefst van al trekt ze zich thuis terug in de keuken waar haar stem tegen de tegels weergalmt en dat vindt ze heerlijk. Al snel blijkt haar studiekeuze de verkeerde. Ze gaat dan maar literatuur studeren.

Op zekere dag leest ze in Les Potins de la commère, een rubriek in France-Soir, een annonce waarin platenfirma Pathé Marconi  aankondigt dat ze op zoek zijn naar nieuw en jong zangtalent. Françoise schrijft zich meteen in, laat een behoorlijke indruk na, maar hoort verder niets meer van die auditie. Ze trekt dan maar haar stoute schoenen aan en klopt aan bij firma Vogue die onder meer Johnny Hallyday onder contract heeft. Françoise is niet meteen wat ze zoeken, want ze willen eigenlijk een vrouwelijke evenknie van Hallyday, maar haar stem blijft hangen én haar liedjes. Op kosten van Vogue gaat ze notenleer volgen en in het late najaar van 1961, de 14de november om precies te zijn, tekent ze haar eerste contract. Ze is nog maar zeventien. De zesde februari 1962 duikt Françoise op in het bekende tv-programma “En attendant leur carrosse” van de ORTF. Twee maanden later mag ze haar eerste plaatje opnemen. Je weet dat in Frankrijk in die tijd vier in plaats van twee liedjes op een single stonden, de zogeheten eepees (extended play). Een van die eerste chansons is Oh oh Chéri en het door haar zelf geschreven Tous les garçons et les filles. Dat liedje komt deejay Daniël Filipacchi ter ore die het meteen oppikt in zijn bekende uitzending “Salut les Copains”, een trendsettend programma bij Europe Numéro Un, in die jaren zestig ook druk beluisterd in Vlaanderen. Tous les garçons et les filles klimt meteen naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zo mag ze aansluiten bij de eerste lichting yé – yé – zangers waaronder Richard Anthony, Johnny Hallyday en Sheila. Na drie maanden zijn er van de single vijfhonderdduizend exemplaren verkocht. Dat levert haar in Paris Match de cover op én de titel ‘Nouvelle Idole de la Chanson’. In Nederland bereikt eerst het nummer L’amour s’en va de Top Veertig, maar geraakt niet hoger dan de twintigste plaats. Met Tous les garçons et les filles bereikt Hardy bij onze noorderburen de derde plaats. Bij ons zit er slechts een elfde plaats in de hitlijsten in. Maar het is niet gemakkelijk voor Françoise, die nogal schuchter van aard is, zich in dat popmilieu te bewegen. Gelukkig voor haar ontmoet ze tijdens een fotoshoot voor het blad “Salut les Copains” fotograaf Jean-Marie Périer die zo’n beetje haar mentor wordt. Hij meet haar een nieuwe look aan en het is gelijk bingo. Ze worden mekaars liefje. Blijkt iets later dat Françoise ook bekoorlijk en behoorlijk kan acteren. Ze krijgt een rol in “Château en Suède” van regisseur Roger Vadim, die iets voordien Brigitte Bardot had gelanceerd.

Een gok of niet, de 23ste maart 1963 gaat Françoise in Londen de kleuren van Monaco verdedigen tijdens het 8ste Eurovisiesongfestival dat wordt gewonnen door Denemarken en het duo Grethe en Jorgen Ingmann met Dansevise. Françoise eindigt ex aequo met Alain Barrière op de vijfde plaats. Ze zingt die avond L’amour s’en va. Ze sluit dat jaar af met een optreden in de Parijse Olympia in het voorprogramma van Richard Anthony. Voor haar eerste elpee, een soort hitcompilatie, ontvangt ze de Prix de l’Académie Charles-Cros, een erg gewaardeerde onderscheiding in Frankrijk, én de Trophée de la Télévision Française. In 1964 duikt ze tweemaal op in de Franse hitlijsten en dat met J’aurais voulu en Jaloux. Hardy wordt zo’n beetje het uithangbord van een aantal belangrijke jonge Franse couturiers die maar al te graag zien dat ze hun ontwerpen draagt: Paco Rabanne, Yves Saint- Laurent en André Courrèges. Die laatste ontwerpt haar outfit voor haar tournee die ze in 1965 aansnijdt aan de zijde van Hugues Aufray. Ze scoort dat jaar driemaal in de Franse hitparades: Mon amie la rose, Son amour s’est endormi en L’amitié.Je houdt het misschien voor onmogelijk, maar ook in Engeland scoort La Hardy zij het met vertalingen van haar Franse successen: However much ( Et même) en All Over The World ( Dans le monde entier). Met het eerste nummer geraakt ze tot op de eenendertigste plaats in de top veertig en met het tweede tot op de zestiende. Maar daarmee is voor haar de Britse kous qua hitnoteringen gebreid, al moet ik vermelden dat ze een rolletje krijgt toebedeeld in de film “What’s new Pussycat” van Clive Donner en een optreden in de “Savoy” in Londen. Ze staat de 26ste december zelfs in “The Piccadilly Show” te schitteren. Twee maanden eerder deed ze dat ook aan de zijde van Les Compagnons de la Chanson in de Parijse “Olympia”.

In haar liedjes voert de melancholie de bovenhand samen met thema’s zoals angst, twijfel en onzekerheid. Met die chansons verovert ze eveneens Japan en de rest van Europa. Zo start ze 1966 met haar deelname aan het “San Remo liedjesfestival” met Parla me di te en een tournee in Duitsland. In de maand februari van 1966 scoort ze in Frankrijk een van haar grootste hits dat ook bij ons een succes wordt La maison où j’ai grandi. Dat liedje had ze opgepikt tijdens dat festival in San Remo waar het in de originele versie werd gezongen door Adriano Celentano als Il ragazzo della via Gluck. Ze rondt 1966 in de Franse hitlijsten af met Rendez-vous d’automne, toepasselijker kan haast niet. Haar relatie met fotograaf Jean-Marie Périer krijgt harde klappen te verduren. Haar overdrukke agenda is daar de oorzaak van. In 1967 splitten ze, maar lang hoeft Françoise zich niet eenzaam te voelen, want iets later ligt ze al tot over haar oren verliefd te wezen in de armen van Jacques Dutronc, een van Frankrijks nieuwste sekssymbolen. Dutronc werkt bij platenfirma Vogue als productieasssistent en als schrijver. Nadat hij een paar demo’s heeft ingezongen voor een aantal artiesten, vindt de directie dat hij ze maar beter zelf op plaat kan zetten. Als eersteling wordt in 1966 Et moi, et moiet moi geboren. Binnen de kortste keren in Frankrijk een ongelooflijke hit met meteen daarachteraan de hitsingles Les play-boys, Les cactus, Mini Mini Mini en in 1968 de klassieker Il est cinq heures Paris s’éveille. Dutronc zal zich nadien ontpoppen als een rasechte filmacteur. Hun relatie kent door de jaren heen veel ups-and-downs, maar wordt gezegend met zoon Thomas Dutronc die intussen een aardige zangcarrière heeft weten uit te bouwen. Pas in 1984 zullen Françoise en Jacques met elkaar in het huwelijk treden.

Niet dat ze toen ze mekaar leerden kennen veel bij mekaar konden zijn, want ze beleefden beiden hun hoogtijdagen. Françoise brengt begin 1967 haar elpee “Ma jeunesse fout l’camp” op de markt en vertrekt meteen nadien op tournee ondermeer langs een rij Britse universiteiten: Brighton, Cambridge, Southampton, Durham en Birmingham. Vervolgens staat er een toer in Zuid-Afrika op het programma met optredens in Le Cap, Johannesburg, Prétoria enz… Een jaar later heeft ze er schoon genoeg van en besluit voorlopig een punt te zetten achter haar liveoptredens. Ze treedt de 22ste april nog op in Kinshasa en geeft nadien een soort afscheidsconcert in de Londense Savoy en gaat zich ernstig bezinnen, zeker nu de glansperiode van de yé-yé-generatie definitief achter de rug ligt. Ze wil zich voor het volle pond op haar nieuwe repertoire storten. In 1968 verrast ze ons met het album Comment te dire adieu? waarvoor de titelsong werd geschreven door niemand minder dan Serge Gainsbourg. Het wordt een van haar bekendste chansons. Intussen had ze een eigen platenfirma opgericht “Asparagus Production”. Vogue zal voor de verdeling van haar platen blijven zorgen, maar het loopt met een sisser af. Discussies met haar platenfirma blijven niet uit. Haar firma gaat op de fles. Maar Françoise blijft niet bij de pakken zitten. Ze meet zich een nieuw imago aan, want ze wenst niet langer het uithangbord van de Franse couturiers te blijven. Ze keert terug naar de eenvoud en legt in haar liedjes almaar méér haar gevoelige natuur bloot. Ze richt een nieuwe firma op Hypopotam en breekt definitief met Vogue. De verdeling van haar platen zal de komende jaren verzorgd worden door Sonopresse, een dochteronderneming van uitgeverij Hachette. Françoise krijgt een behoorlijk voorschot op de opnames die wel haar eigendom blijven.

In 1971 gaat ze samenwerken met de Braziliaanse muzikante Tuca. Ze is weg van de Braziliaanse ‘couleur locale’ die in haar liedjes klinkt. Tuca komt een maandlang naar de rue Saint-Louis-en-l’Isle om daar samen met Françoise de liedjes in te studeren alvorens ze op te nemen. Die plaat wordt ingeblikt met Tuca op gitaar en Guy Pedersen op contrabas. Om wat uit te blazen, trekt Françoise samen met Tuca naar Corsica waar ze de arrangementen en begeleiding verder uitwerken. Terug in Parijs besluiten ze een paar strijkpartijen aan de opnames toe te voegen. Het is dirigent Raymond Donnez die de partituren uitschrijft.  Met liedjes zoals Même sous la pluie, Chanson d’O en La Question levert Hardy het betere werk af. De pers prijst haar de hemel in, de massa haakt echter af en heeft aan deze chansons geen boodschap. Ze is er niet rouwig om en blij dat de harde kern van haar fans haar eindelijk waardeert voor wie ze is. Ze gaat nog eens een Engelstalige plaat opnemen If You Listen en houdt daarmee het contact met haar Britse fans brandend.

1973 betekent voor Françoise nog maar eens een nieuwe platenfirma, deze keer WEA (Warner Brothers). Ze leert componist Michel Berger kennen met wie ze gaat samenwerken. Samen met hem schrijft ze Message personnel, een persoonlijke boodschap aan het adres van haar geliefde Jacques. Berger laat haar op zekere dag zijn compositie Je suis moi horen. Ze besluiten dat ook op te nemen. Berger had echter beloofd de tekst aan te passen, maar in de studio achteraf blijkt daar niets van in huis te zijn gekomen. Hun samenwerking vlot dan ook niet. Berger was net aan zijn relatie met France Gall begonnen die nog maar pas liefje af was van Julien Clerc. Berger was zowat de enige op dat moment die begreep welke muzikale kant France uit wou. Berger, die zelf een stevige carrière als chansonnier heeft uitgebouwd, wil wel een stapje opzijzetten voor Gall. Zo’n zijstap zou Clerc voor Gall nooit wagen. De samenwerking tussen Hardy en Berger verloopt met horten en storen, maar levert dat jaar dan toch het album “Message personnel” op waarvan de titelsong een mijlpaal in haar oeuvre zal blijven. Qua live optredens moeten de fans nog altijd op hun honger blijven zitten. Françoise heeft haar zinnen op iets totaal anders gezet. Sedert haar achttiende is ze immers bezeten door astrologie. Ze gaat samenwerken met astroloog Jean-Pierre Nicola aan diens tijdschrift en programma’s. Françoise is er rotsvast van overtuigd dat een mens als individu daadwerkelijk de wereld kan veranderen. Ze gaat iets later ook samenwerken met astrologe Anne-Marie Simon voor haar radioprogramma “Entre les lignes, entre les signes”.

Met het album ”Star” boort Françoise in 1977 een nieuw publiek aan met daarop liedjes aangereikt door onder meer Serge Gainsbourg en William Scheller. Ze zingt op een andere manier en weet zo een jonger publiek aan te trekken. Omdat ze het druk heeft met de opvoeding van haar zoon en geen tijd meer heeft om zelf liedjes te schrijven laat ze zich bevoorraden door de tandem Gabriel Yared en Michel Jonasz die voor een meer funky en jazzy stijl kiezen wat je kan horen in het liedje J’écoute de la musique saoûle. Tot mijn favorieten behoort haar album “A suivre…” uit 1981 met daarop als uitschieters Tamalou en vooral Villégiature. Na een tijdje neemt ze haar schrijverspen opnieuw bij de hand en verwent ons met onder meer Moi vouloir toi een tekst op muziek van Louis Chédid.  Het jaar daarop is er het album ”Quelqu’un qui s’en va” waarop chansons van onder anderen Michel Fugain en Alain  Souchon te horen zijn.

En dan ‘comme un coup de tonnerre éclatant dans un ciel serein’ trekt ze in 1988 voor de laatste keer naar de opnamestudio. Ze is het beu! Ze heeft er schoon genoeg van. Ze is net vierenveertig. Ze wil nog een laatste keer het beste van zichzelf geven en blikt twaalf door haar, qua teksten, zelf geschreven chansons in voor het album “Décalages”. De muziek wordt geleverd door kanjers zoals William Scheller en Etienne Daho. Ze had Daho in 1982 ontmoet in de studio’s van Radio Monte-Carlo. Ze was toen al een fan van hem en ze zouden vrienden voor het leven blijven. Uitschieter op het album is Partir quand même geschreven door Jacques Dutronc. Binnen enkele weken wordt de plaat met goud overladen. Iets later loopt haar platencontract af. Françoise voelt zich zo vrij als een vogel en gaat chansons voor haar collega’s schrijven: Patrick Juvet, Jean-Pierre Mader, Viktor Lazlo en Julien Clerc en Guesch Patti. Voor Radio RFM gaat ze vervolgens vijf jaar lang een programma maken met als thema astrologie. Ik weet niet of het toen al in de sterren te lezen stond, maar haar relatie met Jacques Dutronc is er een van vele ups-and-downs. Hij is vaak slechtgezind, ook al omdat hij weinig momenten van rust in zijn agenda kan inlassen. Het is Serge Lama die haar tijdens een etentje in het restaurant van hotel “George V” in Parijs vertelt dat Jacques maar al te goed weet dat Françoise zijn reddende engel is, dat hij er zonder haar allang niet meer was geweest. Hij is erg destructief van aard, hij kan zich soms te pletter drinken en wild tekeergaan. Les extrêmes se touchent is in het geval Dutronc- Hardy méér dan de waarheid.

Op kousenvoeten maakt Françoise in 1993 een voorzichtige comeback wanneer ze samen met Alain Lubrano te horen is in het duet Si ça fait mal. De opbrengst gaat naar een actie voor aidsonderzoek op het getouw gezet door Etienne Daho. Defintief neemt Françoise Hardy de rode draad weer op wanneer ze in 1995 een platendeal afsluit met Virgin. Een jaar later is er het album “Le Danger”. Vanuit Engeland krijgt ze de vraag of ze wil meezingen op het nieuwe album van Malcolm McLaren en pleegt ze een duet met Blur To the End. Om te bewijzen dat ze geen oude tante is, gaat ze haar licht opsteken bij de popgroepen Portishead en Garbage om op die manier haar eigen geluid en stijl wat aan te passen.

Met luid applaus wordt in de lente van 2000 haar album ”Clair-obscur” door de pers onthaald. Retro is op dat moment in. Bryan Ferry blikt oude songs in, Rod Stewart doet het op zijn beurt evenals George Michael. Ik, die steeds op zoek ben naar liedjes uit The American Songbook, was aangenaam verrast door haar bewerking van de evergreen I’ll Be Seeing You. Ze wil dit in een duet gieten en gaat tot eenieders verbazing aankloppen bij Iggy Pop die dan ook nog yes zegt. Al even oud is het Franse chanson Puisque vous partez en voyage. Ze is zo’n beetje door het dolle heen wanneer Jacques Dutronc akkoord gaat dit samen met haar op cd te zetten. Eveneens een bewerking is haar versie van So Sad dat we al eerder kenden in de versie van The Everly Brothers. Ze voelt zich goed in de schaduw van haar succes. Ze besluit samen met Jacques Dutronc te verhuizen richting 14de arrondissement dat we beter kennen als de wijk Montparnasse. Ze bewonen elk hun eigen etage, een soort living apart together. Jacques respecteert het feit dat zijn vrouw graag teruggetrokken leeft en haar private stek nodig heeft.  Op die manier kan ook ieder zijn eigen gangetje gaan!

Françoise vindt het leuk wanneer collega’s haar vragen met hen mee te zingen op hun diverse cd’s. Zo is ze onder meer te horen op het album “Chambre avec vue” van Henri Salvador en “Chère amie” van Marc Lavoine. Met het oog op de eindejaarsdagen trekt ze in de maand september van 2004 naar de opnamestudio’s en in november van dat jaar ligt ”Tant de belles choses” in de rekken. Tuk als ze is op vers schrijversbloed, gaat Françoise ook deze keer aankloppen bij jonge componisten en komt zodoende terecht bij Benjamin Biolay , Jacno en de Ierse schrijver Perry Blake. Haar zoon Thomas mag vier liedjes leveren en tokkelt op een aantal tracks zelfs eigenhandig op de gitaar. Haar relatie met Jacques Dutronc is niet van de poes. De ene keer klinkt hij manisch, dan depressief. Hij vertelt haar tijdens hun etentjes uit over zijn nieuwe veroveringen. Geen wonder dat hun relatie almaar vriendschappelijker wordt. Maar Dutronc weigert van haar te scheiden. Ze zijn onlosmakelijk verbonden, vindt hij. “Ni avec toi, ni sans toi”, de gelijknamige titel trouwens van regisseur Alain Maline, is en blijft zijn leuze.

De dertigste november 2006 krijgt Hardy van de Académie française La Grande Médaille de la Chanson Française. In het kielzog daarvan lanceert ze het duettenalbum ”Parenthèses” met daarop een brede keuze aan samenzang: Maurane, Alain Souchon en Julio Iglesias. Het Franse publiek hapt gulzig toe. Méér dan tweehonderdduizend exemplaren gaan ervan over de toonbank, goed voor platina. Ze moeten haar extra pushen, maar in het najaar van 2008 ligt eindelijk haar autobiografie in de winkel. Uitgeverij Robert Laffont brengt het boek Le Désespoir des singes… et autres bagatelles op de markt. Zij zegt zelf hierover: ” Je me suis évertuée à restituer la vérité avec autant d’exactitude et de sensibilité que possible. J’espère seulement avoit été impudique…avec pudeur“. Het boek wordt een regelrechte bestseller. Een jaar later brengt uitgeverij Nijgh & Van Ditmar het boek in Nederland en Vlaanderen uit als Françoise Hardy, een roemrijk vrouwenleven. Intussen gaat ze naarstig op zoek naar nieuwe liedjes en verzamelt die op het album “La Pluie sans parapluie” dat in 2009 op de markt komt. Ik fronste toch even de wenkbrauwen toen ik haar producersteam bekeek: Peter Von Poehl, een jonge Zweedse songwriter, Khalil Chahine, zat vroeger in de band van Jacques Dutronc, Edith Fambuena, een gerenommeerde Franse producer, en Bénédicte Schmitt. Persoonlijk ben ik niet zo weg van deze productie al leunt een chanson als  Champ d’ honneur sterk aan bij haar betere werk uit de jaren zeventig.

In de herfst van 2012 verschijnt haar debuutroman “L’Amour fou”, over een grote liefde, met daaraan gekoppeld een gelijknamige cd. En het zal zeker, als het van haar afhangt tenminste, niet bij die ene roman blijven. Dat jaar verschijnt ook een nieuw album ” L’amour fou” met daarop tien nieuwe liedjes.

In de zomer van 2015 laat Françoise Hardy aan de media weten dat zij definitief een punt zet achter haar carrière. Zij laat weten dat zij sinds 2004 lijdt aan lymfeklierkanker. In de lente van 2015 moet zij tengevolge een zware val en diverse breuken  opgenomen worden in het ziekenhuis. Op een bepaald moment vrezen de artsen zelfs voor haar leven, maar ze heeft hard gevochten en onderging intussen ook een zware chemokuur. Zij zet dus na vijftig jaar een punt achter haar muzikale loopbaan. Aan de Franse krant Le Figaro vertelde ze: “J’ai l’impression d’avoir donné ce que je pouvais donner de mieux. Faire des textes de chansons, c’est comme si on avait un petit filon en soi, et j’ai toujours su qu’un jour ce filon serait épuisé. Une autre raison, c’est qu’à partir du moment où je ne fais pas de scène (elle a abandonné les concerts en 1968), on ne peut savoir ce que je fais que s’il y a une programmation radio et télé. Or, il y a de moins en moins d’émissions où je suis susceptible de passer. C’est complètement démotivant de faire un album quand on sait que personne ne va l’entendre», regrette celle qui a publié 27 albums en 50 ans de carrière, de Tous les garçons et les filles (1962) à L’amour fou (2012).”

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Mireille Mathieu

Er een exacte datum op kleven, kan ik niet meer, maar ik weet wel nog dat er een vroege lente in de lucht hing, die dag toen ik in 1966 voor het eerst kennismaakte met de stem van Mireille Mathieu. Toen hoorde je nog vaak Franse liedjes over de radio. Die allereerste kennismaking werd door de presentator van dienst afgekondigd als Mon Crédo, in Frankrijk toen al een grote hit voor Mireille Mathieu. De nieuwe Edith Piaf, zo vertelde hij er nog bij. Wat mij vanaf de eerste beluistering opviel, was de enorme begeleiding. Iets later las ik op de platenhoes dat ze de orkestrale steun kreeg van Paul Mauriat, een van de toonaangevende Europese orkesten van dat moment. Ik heb die single niet meteen gekocht. Ik aarzelde en tot op de dag van vandaag weet ik nog altijd niet waarom, want ik ben Mon Crédo al die jaren een van haar sterkste songs blijven vinden.

Mireille werd de 22ste juli 1946 in Avignon in het departement Vaucluse geboren als oudste dochter in een gezin van veertien kinderen: Mireille, Monique, Christiane, Marie-France, Rejane, Regis, Guy, Roger, Jean-Pierre, Remy, Simone, Philippe, Béatrice en Vincent. Haar papa Roger was daar gehuwd met een meisje uit Duinkerke, Marcelle-Sophie Poirier, die in 1944 samen met haar vader daarvandaan was gevlucht. De familie had het niet breed. Papa verdiende zo’n tweehonderd frank per week. Papa Roger zong graag, hij had een mooie tenorstem en wou er zijn beroep van maken, maar dat vond opa Mathieu maar niets. Die hoopte dat een van zijn kleinkinderen goed kon zingen. Dat werd Mireille, die op prille leeftijd al liet horen dat ze over een stel goede stembanden beschikte. Op haar vierde zong ze al met kerst tijdens de middernachtmis. Thuis stond vaak de radio aan en toen ze op zekere dag Edith Piaf hoorde zingen, was haar muzikale ziel meteen verkocht. Op de lagere school was Mireille geen primus perpetuus. Ze werd vaak letterlijk op de vingers getikt omdat ze linkshandig schreef en ze leed ook aan dyslexie. Geforceerd ging ze met haar rechterhand schrijven, maar leuk was anders. Ze voelde toen al aan dat ze niet zichzelf mocht zijn. In 1960 sloeg ze de schoolpoort achter zich dicht en ging als veertienjarige aan de slag in een fabriek in Montfavet. Zo kon ze haar familie wat financieel bijstaan en haar privézanglessen betalen, want ze was vastbesloten van zingen haar beroep te maken. Ook haar zussen Monique en Christiane kwamen bij haar in de fabriek werken, maar na een tijdje werd daar de productie stilgelegd en stonden de dames met lege handen op straat. Geen extra inkomen voor de familie Mathieu, die bijna katholieker is dan de paus zelf. Vooral oma Germaine bad dag en nacht tot de heilige Rita, de patroonheilige van de hopeloze gevallen, dat ze een handje zou toesteken.

Mireille kreeg in afwachting zangles van madame Laure Collière, die een beetje vreemd opkeek toen Mireille zich in 1962 inschreef voor de zangwedstrijd ‘On Chante dans man Quartier’. Het publiek bestond vooral uit jongeren die zich wat wilden amuseren. Die eerste keer zat het Mireille niet mee, want het was Michèle Torr die met Les cloches de Lisbonne de wedstrijd won. Het jaar daarop zong Mireille L’Hymne à l’amour, een hit van Edith Piaf, maar ook nu viel ze naast de ereprijzen. In 1964 is het bingo, want ze wint met haar versie van La Vie en Rose, ook deze keer een chanson van Edith Piaf. Als beloning voor haar overwinning mag Mireille meedoen aan de audities van de zangwedstrijd “Jeu de la Chance” voor de Franse televisie in Parijs. Ze krijgt daarvoor de volle steun en waardering van de toenmalige burgemeester van Avignon Raoul Colombe. Begeleid door een pianist zingt ze twee liedjes van Edith Piaf. Voor de rest is het afwachten. In de zomer van 1965 leert ze Johnny Stark kennen, op dat moment de manager van onder meer Yves Montand, Johnny Hallyday, Hugues Aufray, Luis Mariano en andere Franse goden. Hij mag het meemaken dat op zondag 21 november 1965 Mireille deelneemt aan de eindronde van “Jeu de la Chance”, dat een onderdeel van het populaire “Télé Dimanche” vormt, een programma van Roger Lanzac en Raymond Marcella. Het programma bereikt zomaar liefst tien miljoen kijkers en betekent een enorme publiciteit voor de deelnemers. Die avond beslist Johnny Stark dat hij zich over de carrière van Mireille zal ontfermen.

Zijn assistente Nadine Joubert loodst haar door de finale, die een nek-aan-nekrace wordt met de immens populaire Georgettes Lemaire, maar Mireille wordt winnares met haar vertolking van Hymne à l’amour.  De 20ste december tekent ze een contract met Bruno Coquatrix, manager van de Parijse muziektempel “Olympia”, en zingt daar twee dagen later drie liedjes van Edith Piaf, de enige die ze uit het blote hoofd kent. Ze treedt er op in het voorprogramma van Sacha Distel. De pers en het publiek zijn laaiend enthousiast en bombarderen haar tot de nieuwe Edith Piaf, niet tot de straatmus van Parijs zoals Piaf werd genoemd, maar tot de straatmus van Avignon. Johnny Stark had intussen niet stilgezeten en was gaan aankloppen bij platenfirma Barclay en bij een van hun bekendste producers en orkestleiders Paul Mauriat. Die ziet het eerst niet zitten om met Mireille samen te werken, maar nadat hij de reactie van het Franse publiek heeft gezien, draait hij bij. Hij belooft een liedje voor haar te schrijven en haalt André Pascal over de streep om samen met hem enkele songs te componeren. Mireille telt negentien lentes wanneer ze met Mon Crédo voor de eerste keer de Franse hitlijsten binnenstapt. Ze weegt op dat moment 45 kilo en is niet groter dan 1,55 meter. De reacties blijven niet uit. Léo Ferré vindt: “Mireille Mathieu? Ah, oui, cette petite qu’on fait pousser sur le tombeau de Piaf!”. Maurice Chevalier knipoogt: “Toi, petite, tu marches sur le trottoir réchauffé de soleil. Piaf, elle marchait du côté de l’ombre”.

Om maar aan te geven dat iedereen wel een mening over haar heeft. De Franse pers bloklettert Mireille Mathieu a une fortune dans la gorge. Er is inderdaad geld te verdienen en dat hoef je Johnny Stark geen twee keer te zeggen. In het kielzog van haar eerste optreden in de “Olympia” verschijnt de elpee “En Direct de L’Olympia” met daarop chansons geschreven door Charles Aznavour, Jacques Plante en Francis Lai. Singles daaruit zijn onder meer: Viens dans ma rue, Pourquoi mon amour en C’est ton nom. De elpee is integraal opgenomen in de studio’s van EMI samen met het orkest van Paul Mauriat. Tijdens haar liveoptredens wordt ze onder meer begeleid door de bekende Franse componist Francis Lai, bekend van de muziek die hij schreef voor de films ”Un homme et une femme” en “Love Story”.

Mathieu gaat uiteraard op tournee. Twee jaar na mekaar blijft ze onafgebroken optreden. Haar spaarrekening dikt snel aan. Ze straalt van geluk wanneer ze voor haar ouders een telefoon kan kopen zodat ze niet voortdurend bij de buren hoeven aan te kloppen. Zo fier als een gieter is ze wanneer ze voor haar vader een auto koopt en zo blij als een kind wanneer haar ouders hun intrek nemen in een grotere woning die ze voor hen gekocht heeft. Met pijn in haar hart verneemt ze tijdens een van haar optredens dat haar lievelingsoma Germaine in het ziekenhuis is overleden.

Ook het buitenland wenkt. Mireille wordt in 1967 uitgenodigd voor een optreden in “The London Palladium”. Daar maakt ze kennis met Engelbert Humperdinck en leert zijn hit The Last Waltz kennen. Ze is zo weg van het liedje dat ze het meteen in het Frans wil coveren. Het is Hubert Ithier die dit nummer van Barry Mason en Les Reed van een Franse tekst voorziet. In de maand december van dat jaar staat Mireille ermee op de eerste plaats in de Franse hitlijsten op het moment dat haar Franse collega’s zoals Stone et Charden en Richard Anthony daar ook uitstekend presteren. Vreemd genoeg wordt ze ook als Franstalige ster uitgenodigd in Amerika, waar ze mag optreden  in “The Danny Kaye Show” en “The Ed Sullivan Show”. Ze is zo’n graag geziene gaste dat ze tijdens die periode wordt voorgesteld aan Frank Sinatra, Dean Martin en Elvis Presley. Opvallend is dat Mireille, vooral in Europa, scoort op een moment dat de popmuziek almaar aan populariteit wint en het genre dat zij zingt een beetje met de nek wordt aangekeken.

Al verkoopt ze tonnen platen, ze weet dat ze het meest verdient aan haar zaaloptredens en daar geeft ze zich dan ook voor het volle pond. In de maand februari van 1968 geraakt ze betrokken in een auto-ongeval. Ze houdt er een kwetsuur aan de wervel aan over en moet drie maanden halt houden. In 1971 blikt ze een van mijn lievelingsnummers in Donne ton coeur, donne ta vie en houdt er een Frans topdriehit aan over. Noch Mathieu noch Stark zien het zitten om verder te werken met platenfirma Barclay. Dat kost hun een aardig paar duiten, maar die hebben ze ervoor over. Ze sluiten een nieuwe deal, deze keer met Philips. Mathieu weigert ook maar iets aan haar imago te veranderen, ook al heeft ze intussen heel wat kritiek moeten slikken wat haar uiterlijk betreft. ‘Trutterig, gedemodeerd en zo conservatief als wat’.  Ze legt die kritiek wijselijk naast zich neer. Trouwens, ze verneemt dat haar manager Johnny Stark het rustiger aan moet doen. Hij heeft net een hartinfarct gekregen. In ons land en bij onze noorderburen moet Mireille Mathieu het niet zozeer van haar singles dan wel van haar elpees hebben. Die vinden wat dat betreft hier wél een afzetgebied. En voor het overige wordt ze vaak op de radio gedraaid.

Ik moet even terugblikken, want in 1969 beslist Mireille speciaal voor de Duitse markt enkele schlagers in te blikken. En onze oosterburen lusten er pap van. Ze wordt gekoppeld aan het componistenduo Christian Bruhn en Georg Buschor, die haar gelijk de hit Hinter den Kulissen von Paris bezorgen. Zeventien weken blijft Mireille ermee genoteerd in de Duitse hitparade. Twee jaar later is het raak met Der Pariser Tango. Dan volgen nog succesvolle singles zoals: Tarata-Ting, Tarata-Tong, La Paloma Adé, Die Spatzen von Paris, An einem Sonntag in Avignon en Ganz Paris ist ein Theater.

Een schot in de roos in Frankrijk is in 1971 haar single Une histoire d’amour, het thema uit de film “Love Story”, muziek van Francis Lai op tekst van Catherine Desage. Terwijl zes jaar later Michel Sardo de hitlijsten inpalmt met La java de Broadway , scoort Mireille niet onaardig met Mille kolombes, een nummer van Eddy Marnay gebaseerd op de aria Casta Diva uit de opera “Norma” van Vincenzo Bellini.  In 1995 zal Dana Winner, een enorme fan van Mireille Mathieu, er een Nederlandstalige versie van inzingen Geef de kinderen de wereld. In de slipstream van dat succes brengt Mireille in 1978 het nummer Chante pour le soleil op 45 toeren uit. Het is een nummer van de hand van Claude Lemesle die voordien al hits had geleverd aan Serge Reggiani, Joe Dassin en Gérard Lenorman. Intussen heeft Mathieu in 1974 hard gewerkt aan het album ”Mireille Mathieu chante Ennio Morricone” waarmee ze aangeeft dat filmmuziek haar na aan het hart ligt. Nummers als Un jour tu reviendras, Je me souviens en La marche de Sacco et Vanzetti sieren het album dat door kenners als een van haar allerbeste wordt beschouwd. Om het echte chanson niet uit de weg te gaan neemt ze liedjes op van Serge Lama en Alice Dona, chansons zoals Le Silence, Le Strapontin en L’esclaveTeruggrijpend naar de successen van toen en inpikkend op de trend ook eens te coveren – alsof je dat een Fransman twee keer moet zeggen – neemt ze in 1978 een versie op van Blue Bayou van Roy Orbison waarvan zij wist dat het een jaar voordien een internationale hit had opgeleverd voor haar Amerikaanse collega Linda Ronstadt. Die scoorde daar in haar thuisland zelfs een top drie mee. Mathieu moet in haar thuisland bij de release opboksen tegen John Travolta die torenhoog staat met Grease en Barry Manilow met Copacabana. Dat jaar schrijft Francis Lai voor haar een lied dat het merendeel van haar fans jaren later nog altijd koestert  Je  t’aide avec ma peau.   Het staat niet in de rij van de Mathieuhits genoteerd, maar het is een nummer dat er qua kwaliteit ver boven uitsteekt.

En we schuiven op. Een jaar later is het voor haar raak met het schlagerachtige Santa Maria de la mer. Ik kies bewust voor het woord schlager, want het nummer werd haar aangereikt door de Duitse componist Christian Bruhn, in zijn thuisland al een icoon met op zijn actief hits die hij schreef voor onder meer Manuela, Roy Black en Peter Alexander. Het lied werd van een Franse tekst voorzien door Eddy Marnay. Een jaar later is het weer raak voor haar, zij het met wat minder impact, met het nummer Un enfant viendra. Ze schuwt het voorstel van haar platenfirma niet om almaar vaker haar liedjes te vertalen als geste naar haar internationale fans toe. Zo horen we haar in het Engels, het Italiaans, het Spaans, het Fins, het Japans, het Duits en ga zo maar door. Op het einde van 1980 laat Mireille van zich horen in de Franse hitlijsten met Une femme amoureuse. Ze had aan Eddy Marnay gevraagd of die een Franse tekst wou schrijven op die geweldige hit van Barbra Streisand Woman in Love, speciaal voor La Streisand geschreven door Barry en Robin Gibb. Barbra staat daar in de zomer van 1980 mee op de eerste plaats van Billboard’s Hot One Hundred en zal daar drie weken genoteerd blijven tot Kenny Rogers er gaat postvatten met Lady. Mathieu voelt zich goed thuis in dat Amerikaanse milieu en blikt ook een album in met Paul Anka en één samen met de bekende arrangeur en orkestleider Don Costa. Er volgen enkele tournees in Japan, Canada, Mexico, Duitsland én zelfs een optreden in “Carnegie Hal”l in New York. Het jaar nadien houdt ze koppig vol dat ze een Franse vertaling op plaat wil zetten van The Winner Takes It All van Abba, een van haar lievelingsliedjes, en dat wordt Bravo tu as gagné. Dat nummer breekt geen potten, maar ligt haar wel. En de fans happen graag toe. Zeker wanneer ze een niet voor de hand liggende song uitkiest die Frank Sinatra naar de top heeft gezongen New York New York, maar La Mathieu wil er haar tanden in zetten en het kan door de beugel. Het jaar nadien duikt ze samen met Patrick Duffy de studio in om het duet Together we’re strong in te zingen. De single wordt een regelrechte radiohit, ook bij ons in de Benelux. In Frankrijk staat ze er in de maand april van 1983 mee op de eerste plaats, vlak voor haar concurrenten Johnny Hallyday en Gilbert Bécaud.

In het gelauwerde tv-programma “Grand Echiquier” van Jacques Chancel zingt ze samen met Placido Domingo Tous mes rêves, een compositie van Michel Legrand op tekst van Jean Dréjac. Het is Janine Reiss van de Parijse Opera die haar tips geeft qua stemzetting. Dit staat haar zo aan dat ze met de Duitse operaster Peter Hofmann het duet Scarborough Fair vereeuwigt.

1985 wordt een jaar dat Mathieu niet vlug zal vergeten. Haar geliefde vader Robert overlijdt. Ze troost zich met de gedachte dat hij haar succesjaren van nabij heeft kunnen meemaken en dat ze hem op haar beurt heeft kunnen verwennen door goed voor hem en haar moeder te zorgen, want Mireille blijft aan haar familie verknocht. Het merendeel van 1986 heeft ze vrijgehouden om na twintig jaar nog eens een rist optredens in Parijs te verzorgen en wel in het “Palais des Congrès”. Ze staat daar een maand lang op de planken en treedt op voor meer dan 110.000 enthousiaste fans. Ze sluit daarop aan met een aantal optredens in China en het jaar daarop in Rusland, waar ze vocaal wordt bijgestaan door het befaamde Koor van het Rode Leger. In 1987 verschijnt haar autobiografie Oui, je crois die ze in samenwerking met Jacqueline Cartier heeft geschreven. Sinds 1983, om het verhaal compleet te vertellen, is Mireille Mathieu overgestapt van Philips naar Ariola. Bij deze platenfirma houdt ze het vol tot in 1987 wanneer ze een contract tekent bij de bekende Franse platenstal Carrère. Ze is content, want nu mag ze liedjes zingen die haar worden aangereikt door bekende jongens zoals Didier Barbelivien en Pascal Auriat. Met haar manager Johnny Stark in haar achterhoofd zingt Mireille als een soort hommage aan de man die haar tot een wereldster heeft gemaakt en de 24ste april 1989 overleed L’Américain van de hand van Didier Barbelivien die haar ook voorziet van chansons zoals La violence celle qui tue avec les mots, Ainsi soit-il en Aux marches des églises. Datzelfde jaar neemt ze haar versie op van de overbekende Italiaanse hit Caruso van Lucio Dalla. Speciaal voor de Spaanse markt is er het album “Embrujo”. Het overlijden van Johnny Stark is een zware streep door de rekening van Mathieu. Ze verliest niet alleen een soort tweede vader, maar ze is meteen ook al zijn contacten kwijt. Zijn rechterhand Nadine Joubert kan dat niet opvangen en zo gebeurt het dat Mireille almaar minder vaak op de Franse televisie te zien is. Daar wordt ze intussen bestempeld als een doordeweekse conservatieve trut. Ze lusten haar niet meer. Ook vinden de Fransen dat Mathieu te vaak in het buitenland optreedt. Ze kan het hart van de Fransen niet terugwinnen, ook al zingt ze in 1989 op uitnodiging van president François Mitterrand tijdens een hommage aan generaal De Gaulle.

We zaten er al jaren op te wachten, maar in 1993 is het dan eindelijk zover, Mathieu releaset een cd volledig gewijd aan liedjes van Edith Piaf “Mireille chante Piaf” goed voor méér dan honderdduizend verkochte exemplaren. Bijna drie kwartier lang zingt Mireille de grootste successen van La Môme: Sous le ciel de Paris, Mon Dieu, Padam padam, Hymne à l’amour... Twee jaar later is het de bekende componist Michel Jourdan die het merendeel van de chansons mag aanreiken, bedoeld voor haar cd “Vous lui direz…” Koppig weigert ze dit album in Frankrijk te promoten en vliegt liever naar Los Angeles om daar te concerteren en een eresaluut te brengen aan Judy Garland. Kerst 1997 is ze maar wat blij dat ze wordt uitgenodigd om in het Vaticaan tijdens de kerstviering te zingen. Het jaar nadien probeert ze de spons te vegen over de wat stroeve relatie met haar landgenoten en maakt in de “Olympia” een soort comeback door haar fans te trakteren op vijfendertig jaar hits. De negende december 1999 benoemt president Jacques Chirac haar tot Chevalier de la Légion d’honneur. Het jaar voordien is ze nog maar eens van platenstal gewisseld. Ze heeft nu onderdak gevonden bij EMI Capitol die gelijk het album “Son Grand Numéro” op de markt brengen, een dubbele verzamel-cd met in het totaal veertig hits, van Mon crédo en Les bicyclettes de  Belize over Amour défendu tot en met twee nieuwe liedjes Reste avec moi en Ne les dérangez pas. Dit album wordt internationaal een voltreffer. Op die verzamelaar staat ook Paris en colère dat ze op uitnodiging van de Parijse burgemeester Bertrand Delanoë de 25ste augustus 2004 live zingt op het plein voor de Bastille in het raam van de festiviteiten naar aanleiding van de viering van 60 jaar bevrijding van Parijs. Het jaar nadien, en de fans zijn in de wolken, komt er een driedelige cd op de markt met een compleet overzicht van al haar internationale successen en als neusje op de zalm zes nog niet eerder uitgegeven chansons. Van de 18de tot de 27ste november 2005 staat ze in de Parijse “Olympia” om daar haar veertigjarige carrière te vieren. SACEM, la société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique, biedt haar een robijnen plaat aan omdat er inmiddels van haar wereldwijd méér dan 122 miljoen platen werden verkocht. Toch voelt ze zich niet goed in haar vel. Ze kan haar stroeve imago niet van zich afschudden, hoe graag ze dat ook wil. Twee jaar later, in 2006, is er het album “Films &  Shows” met daarop de grootste klassiekers uit de wereld van de film en de musical. Dit betreft geen nieuw ingezongen versies, maar songs die ze al eerder had ingeblikt: Over the rainbow, Un homme et une femme, Un jour tu reviendras etc… Tegelijkertijd is er het album “Une Place dans mon Coeur” met daaraan gekoppeld een dvd met daarop een uitgebreid interview waarin Mathieu eindelijk haar hart kan luchten en tonen wie ze eigenlijk is en waarvoor ze in deze wereld zoal staat. De dvd staat bol van de anekdotes en herinneringen. De 13de januari 2007 staat ze in haar geliefde Duitsland op de planken in de tv-show “Die Krone der Volksmusik ”, waar ze de Grand Prix Krone der Volksmusik in ontvangst mag nemen. Er volgt nog eens een Duitstalig album ”In meinem Herzen” dat met een plaats in de top vijf wordt bekroond. Ze sluit daar een jaar later op aan met drieëntwintig concerten in het Duitse taalgebied. In de winter van 2008 mag ze zingen voor president Poetin en kolonel Khaddafi op het Kremlin in Moskou en iets later in Sint-Petersburg. Daar in Rusland en in Oost-Azië wordt Mathieu op handen gedragen en weet ze dat haar fans zich niet storen aan haar uiterlijk en conservatieve gedrag.

Qua prijzen en lintjes kan het niet op. Het is president Nicolas Sarkozy die haar op het Palais de l’Elysée de 26ste januari 2011 eert met de graad Officier de la Légion d’honneur. In 2012 staan er concerten in Siberië op het programma als wil ze ermee aangeven dat Rusland een speciale plaats in haar hart heeft ingenomen. Hard werken, discipline en wilskracht blijven haar staande houden. La demoiselle d’ Avignon zoals ze ook wel eens genoemd wordt, woont graag stil en teruggetrokken, omringd door haar familie. Om een voorbeeld te geven. Toen haar moeder haar tachtigste verjaardag vierde, maakte Mireille samen met haar en al haar broers en zussen een rondreis door Frankrijk. Getrouwd is ze nooit al zullen mannen haar wel niet vreemd zijn. Elke ochtend wanneer ze thuis slaapt, staat ze om halfnegen op. Ze heeft negen uur slaap nodig moet je weten. Ze woont samen met haar zus Matite, die haar overal begeleidt. Die weet dat haar zus er een militaire discipline op na houdt. Zo zal ze elke ochtend haar stem oefenen, ze slaat wat dat betreft geen dag over. Boodschappen doet ze nooit zelf. Ze gaat niet zo graag buiten, ze houdt niet van de drukte van de straat. Ze voelt zich goed in haar huis in Neuilly-sur-Seine. Al méér dan veertig jaar lang woont ze op dezelfde plek. Na al die jaren gaat ze nog steeds naar dezelfde kapper, blijft ze dezelfde naaister trouw. Roken en alcohol drinken, doet ze niet en ze zorgt ervoor dat ze mager eet. Ze eet alles als het maar gestoomd voedsel is. Ze drinkt dagelijks liters water. Ze zal nooit zonnebaden, daarom dat ze er nog zo jong uitziet. Vreemd genoeg kan ze niet koken. En een rondje lopen doet ze ook niet, laat staan zwemmen, want dat kan ze niet. En raar maar waar, maar ze kan geen noot lezen. Ze slijt haar dagen als ze thuis is door uit te rusten en kruiswoordraadsels op te lossen. Ze houdt er een rooms-katholieke levensstijl op na en is regelmatig in de kerk te vinden. Haar motto is niet voor niets Mijn werk en mijn God. Ze leest elke dag in de Bijbel met een voorkeur voor het Oude Testament. Voor elk optreden slaat ze nog altijd een kruis en geeft toe dat plankenkoorts ondanks al die jaren ervaring haar niet vreemd is. In Parijs stapt ze graag de kerk Saint-Philippe-du-Roule binnen om daar voor het beeld van de heilige Rita te bidden zoals haar moeder dat vroeger ook deed. Elk jaar laat ze in de maand augustus een mis opdragen ter nagedachtenis aan haar ouders en haar manager Johnny Stark. Ze probeert zich zo eenvoudig mogelijk te gedragen: “Je suis comme tout le monde. J’ai eu des hauts, j’ai eu des bas. Je ne suis pas one sainte, j’ai plus de défauts que des qualités, je ne voudrais pas passer pour quelqu’ un de parfait, mais j’ai mes amis, quand je les aime, je les aime.”  En ze vertelt dit met een opvallende traagheid, een restantje van toen ze haar dyslexie niet onder controle had, gekruid met haar typische accent, l’accent de Mireille!

Mathieu mag je terecht one chanteuse à voix noemen, une chanteuse sentimentale, pas une yé-yé, eentje die haar stem niet wegmoffelt, geen behoefte heeft aan fluisterliedjes, maar er graag extra decibels aan toevoegt. Je bent ervoor of ertegen, maar zingen kan ze, deze grande dame van het Franse chanson. Ze mag zich dan ook een echte zangeres noemen: ze heeft méér dan achthonderd liedjes opgenomen, maar niet één zelf geschreven. Ze treedt nog steeds op en deinst er niet voor terug een paar keer per week het vliegtuig te nemen. Haar koffers staan altijd kant-en-klaar. Ze staat erop, waar ze ook optreedt, steeds live te zingen. Aan playbacken heeft ze namelijk een broertje dood!

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

Gérard Lenorman

Nooit heb ik Gérard Lenorman geassocieerd met het Franse chanson. Dat doe ik ook niet met zangers zoals Sheila, Richard Anthony, Dave en Joe Dassin. Daarvoor is hun repertoire te mainstream, hier en daar iets te luchtig, te aaibaar. Lenorman is door de bank altijd een romantische zanger geweest en ook gebleven. Dat was hij niet alleen tijdens de jaren zestig, maar dat bleef hij ook nadien. Niet voor niets noemden de Fransen hem graag ‘ le petit page‘. Nostalgie is in zijn genre vaak troef, een sentimentele melodie ligt hem wel. Toen de cool generation het vanaf de jaren tachtig voor het zeggen had, kon hij niet echt meer aanpikken en leek het alsof hij zijn greep op de hitlijsten moest lossen. Gelukkig kan hij terugvallen op een rist liedjes die de term evergreen gerust mag worden opgespeld.

In 1988 wou Gérard Lenorman zijn greep op de hitlijsten wat herstellen door voor Frankrijk deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival. Maar dat verhaal gaat maar deels op, want hij was door de directie van de Franse televisie een beetje verplicht eraan deel te nemen. Hijzelf vond het nogal risky. Het echte verhaal wil immers dat Gérard het nummer Chanteur de charme samen met Claude Lemesle had geschreven voor Julio Iglesias, dé charmezanger bij uitstek van dat moment. Gérard vond het nummer niet op zijn lijf geschreven en tekstueel lag het hem ook niet. Hij trok dus de 30ste april 1988 met de nodige reserves naar  The Royal Dublin Society in Dublin. In het totaal namen eenentwintig landen deel en waren we toe aan de drieëndertigste editie van dit wellicht meest populaire televisieprogramma. In het totaal keken méér dan zeshonderd miljoen kijkers naar dit muziekspektakel gepresenteerd door Pat Kenny en Michelle Rocca. Nog nooit was de nek-aan-nekrace zo close als toen. Groot-Brittannië eindigde met Scott Fitzgerald en Go met 136 punten op de tweede plaats voorafgegaan door Zwitserland met Ne partez pas sans moi gewonnen door Céline Dion, toen nog zo goed als onbekend in Europa, maar al een ster in haar thuisland Canada. Voor Nederland nam Gerard Joling deel met Shangri-La. Hij eindigde op de negende plaats vlak voor Gérard Lenorman die uitpakte met Chanteur de charme. Ik weet nog goed dat hij in mijn favoriete top vijf genoteerd stond, maar dat mocht niet baten. Hijzelf had er trouwens veel meer van verwacht. De perslui vonden het een beetje vreemd dat een zanger van zijn niveau, die intussen toch al wat bewezen had, aan dit festival deelnam, maar de reden gaf ik daarnet al aan.  Dion was een ander geval, die moest nog doorbreken, nog alles bewijzen, maar hij niet. Oh ja, misschien ben je nieuwsgierig naar onze prestaties. Ons land eindigde op de achttiende plaats. Het was de beurt aan onze vrienden van de RTBF die gegokt hadden op Reynaert met Laissez briller le soleil. En nu ik toch aan het opsommen ben, dat jaar nam een zangeres deel die later een beetje in het kielzog van Céline Dion zou gaan varen en zingen, Lara Fabian.

Het verhaal van Gérard Lenorman moet ik eigenlijk oppikken bij het begin toen hij de 9de febrauri 1945 in Bénouville in Normandië als Gérard Aumard werd geboren. Het dorpje zelf is een speldenkop groot, meet 2,9 km2 en telt amper honderdtwintig inwoners. Zijn vader heeft hij nooit gekend, daar weet hij ook niet veel over. Hij was de vrucht van een verboden liefde. Zijn moeder Madeleine had tijdens de Tweede Wereldoorlog op haar zestiende een verboden relatie met een Duitse soldaat, Erich. Daar was Gérard het ongewenste resultaat van. End of the story zou je kunnen stellen, maar straks zal je daar anders over denken.  Pas toen Gérard 35 werd, vertelde zijn moeder hem de waarheid. Wat verderop méér daarover. Gérard wordt door zijn moeder en zijn grootmoeder opgevoed. Hij is dol op muziek. Vreemd voor een kind is dat hij graag luistert naar de muziek van Igor Stravinsky, maar dit verdient slechts een vermelding in de marge. Maman Lenorman hoort snel dat haar zoon gezegend is met een engelenstem. Meneer pastoor heeft er ook oren naar en zo kunnen we Gérard ‘s zondags vaak horen zingen in de plaatselijke kerk. Hij begeleidt zich graag zelf op de gitaar en leert zoveel mogelijk akkoorden uit het blote hoofd. Hij probeert ook liedjes te schrijven en een van zijn eerste wordt Le Vagabond opgedragen aan zijn musicerende buurman dat hij in 1968 op zijn eerste plaat zal zetten, een eepeetje met daarop vier liedjes met naast Le Vagabond, Reste une chanson, Roule ma bille  en A coeur la vague. Mama wil verhuizen en ze gaan zich vestigen in Issoire in de buurt van Clermont- Ferrand. Hier leert hij het gitaarspel almaar beter in de vingers krijgen en liedjes schrijven. Kortom hij leert het vak van chansonnier, maar dan in de brede zin van het woord: hij wordt liedjesmaker. Hij treedt links en rechts op als Jerry Wells met liedjes van onder meer Johnny Hallyday, wordt zanger bij diverse groepjes en koopt zich met het zuurverdiende geld een 4 CV waarmee hij tijdens de vakanties naar zijn oma reist die in Normandië is achtergebleven. In 1961, hij is nauwelijks achttien, krijgt hij op zijn terugweg naar huis een zwaar verkeersongeval. Gérard ontsnapt ternauwernood aan de dood. Hij moet een jaar revalideren. Intussen schrijft hij liedjes aan de strekkende meter. Hij bruist qua inspiratie en leert snel het kaf van het koren scheiden. Op dat moment kent iedereen hem al als Gérard Lenorman. Zijn Duitse roots spelen bij die naamkeuze een voorname rol. Lokaal geraakt hij stilaan bekend en die bekendheid wordt groter wanneer hij in 1968 voor Brigitte Bardot twee liedjes schrijft: Je voudrais perdre la mémoire en La fille de paille. Datzelfde jaar, Gérard is dan drieëntwintig, neemt hij zijn eerste plaatje op. Romantische liedjes die nu niet meteen opgewekt klinken. Gepakt en gezakt met een handvol zelfgeschreven liedjes trekt hij vol vertrouwen op tournee met Sylvie Vartan. Hier leert hij wat het betekent in de schaduw te staan van een ster, want Sylvie is in de jaren zestig een van Frankrijks meest toonaangevende zangeressen, zeker als partner van niemand minder dan Johnny Hallyday. Toch zou dit slechts de aanloop zijn naar zijn bekendheid, want die komt er pas wanneer hem gevraagd wordt de rol over te nemen van Julien Clerc in de Franse musicalversie van Hair. Het is producer Annie Fargue die met hem contact zoekt. Hij is eerst niet zo tuk op die rol omdat hij de kritieken in de pers maar niets vindt. Uiteindelijk hapt hij toch toe. Het is een woensdagavond wanneer hij “oui” zegt. Hij heeft tot de zondag daarop de tijd om zijn rol in te studeren en het lukt. Zo komt hij terecht in het “Porte Saint-Martin Théatre” in Parijs. Daar ligt ook dé muziektempel bij uitstek “L’ Olympia” waar hij iets later zal schitteren. Er is ook zijn eerste album “Gérard Lenorman” met daarop onder meer zijn versie van La fille de paille en J’ai besoin d’exil. Intussen heeft hij een platencontract bij CBS ondertekend. Met zijn tweede elpee “Les matins d’hiver” die in 1972 wordt gereleaset, bereikt hij het grote publiek. Het is dankzij het liedje Il dat de bekende radiostations hem ontdekken en beginnen te programmeren. Hij heeft intussen de gebroeders Seff leren kennen, Daniël en Richard, die liedjes gaan schrijven die hem passen als gegoten. De inhoud wordt ook wat blijer al is het toch nog even zoeken naar de juiste toon. Met chansons zoals Les matins d’hiver en Le petit prince wordt zijn muzikale richting afgebakend. In zijn repertoirekeuze profileert Gérard zich als een romanticus, een nostalgicus, een natuurliefhebber! Vrij snel wordt hij Petit Prince de la Chanson genoemd. Frêle en aaibaar. In de pers wordt hij ook omschreven als naïef en iemand die via zijn liedjes de wereld bekijkt door een roze bril. Maar dat imago slaat aan. Tussen 1971 en 1974 is Lenorman voortdurend op tournee en moet hij in goed overleg met zijn manager plaats ruimen om tussendoor ook nog platen op te nemen. Zo is er in 1973 geen tijd voor een volwaardige elpee die met een jaar uitstel in 1974 in de markt wordt gezet “Quelque chose et moi”. Naast de gebroeders Seff zijn ook Pierre Delanoë en Guy Mattéoni aan boord gehaald om het hitgehalte wat op te krikken, want op dat moment is Lenorman goud en het investeren waard. De romantiek voert nog altijd de boventoon en die mag al eens een traan doen wegpinken zoals in Quand on n’aime pas en Le bal des au revoirs. Lenorman is in eerste instantie een liedjeszanger die graag voorrang geeft aan goede melodieën. Als pietje-precies staat hij er ook op dat de arrangementen tot in de kleinste details worden uitgewerkt. Echte hoogvliegers uit dit album komen we in de hitlijsten niet tegen al merken we dat een liedje als Soldats ne tirez pas door de platenruiters vlot wordt opgepikt. Na het kerstalbum “Noël du monde” is er in 1975 “Et moi je chante” met daaruit als hitgevoelige singlekeuze La belle el la bête dat rustig scoort. De fans hebben een zwak voor nummers zoals Sur le chemin de la vie, Et moi je chante en Vénus ou bien Venise.

Als aanloop naar zijn succesvolle album “Drôles de chansons” scoort Gérard in de Franse hitlijsten in 1975 met Le funambule, een nummer van Claude Lemesle gekoppeld aan het door hemzelf samen met Pierre Delanoë geschreven La ballade des gens heureux. Voor velen is en blijft dit in de Benelux het bekendste liedje van hem, een meezinger van de bovenste plank, maar ook een liedje dat wat heeft geknabbeld aan zijn credibiliteit hier bij ons. Meezingertjes blijven aan je kleven en die kleefkracht geraak je niet zo gemakkelijk kwijt. Voor de meesten hier was dit de eerste kennismaking met Lenorman en dat was voor hem toch wel een spijtige zaak, want hij had meer in zijn mars. In het voorjaar van 1976 levert dit Gérard in Nederland een tweede plaats  in de Nederlandse Top Veertig op, bij ons zit er een maand later een zesde plaats in de Top Dertig in.

In Frankrijk wordt in 1976 dus zijn album “Drôles de chansons” uitgebracht, een album dat we terecht een van zijn populairste, zo niet zijn allerpopulairste mogen noemen met daarop hoogvliegers zoals Michèle, Gentil dauphin triste en Voici les clés. Michèle kwam uit de pen van Didier Barbelivien, het dolfijnenliedje was van hemzelf samen met Pierre Delanoë geschreven en Voici les clés was  een tekst van Pierre op een grote Italiaanse hit van Toto Cutugno. Die had iets eerder fenomenaal gescoord met Nel cuore nei sensi. Cutugno was daarmee geen vreemde in Frankrijk, want hij had Joe Dassin aan L’été indien geholpen en Hervé Vilard aan Nous en Reviens. Ook ons land omarmde Lenorman als was het iemand van bij ons. Voor Voici les clés zat er de 19de maart 1977 een derde plaats in de Top Dertig in en onze noorderburen vereerden hem ook deze keer met een tweede plaats. Maar daar bleef het dan ook bij. Voor de jaren die zouden volgen zou er alleen nog voor de single Si j’étais président een eervolle vermelding in zitten, méér niet. Intussen hadden zijn elpees in menige Vlaamse huiskamer al een stevig platenrek gevonden en werd hij, zeker door Radio 2, qua airplay méér dan vertroeteld. Met belangstelling keken we dan ook uit naar zijn volgende album “Au-delà des rêves” dat in 1977 werd geserveerd, maar het was zoeken naar een hitgevoelig nummer al krijgen liedjes zoals Mélodie du vent en Une révolution van ons zeker een ereplaats. Met het oog op de kerstdagen verscheen L’ enfant des cathédrales waarvan ik me nog herinner dat Gérard qua stembereik torenhoog durfde te gaan als wou hij het Kerstkind met zijn stembanden beroeren daarbij geruggensteund door een heus engelenkoor.

Frankrijk lag niet alleen aan zijn voeten, maar ook het buitenland had zijn talent en zijn liedjes ontdekt. De Benelux, dat weten we al, maar daarnaast trok hij op tournee naar Japan, Canada en Latijns-Amerika. Hij had tussendoor de tijd gevonden om te trouwen met Caroline die hem twee kinderen schonk: in 1974 Mathieu en twee jaar later Justine. In Didier Barbelivien vindt hij een geweldige evenknie om samen liedjes mee te schrijven. Dat illustreert hij rijkelijk op het album “Nostalgies”. De oogst is zo groot dat het een dubbelalbum wordt met in het totaal 19 songs. Hij blijft vaak terugblikken op zijn jeugd: zijn leven op het platteland, zijn eerste liefde, zijn werk, de veramerikanisering van Frankrijk, de dood, zijn geloof. Stuk voor stuk worden die thema’s apart behandeld en bezongen. Niet alle liedjes klinken muzikaal even sterk. Soms krijgt de tekst de bovenhand en stellen we ons de vraag of hij krampachtig op zoek gaat om het bewijs te leveren eerder een chansonnier te willen zijn dan een populaire liedjeszanger. Dit album levert dan ook geen echte hitsingles op al worden nummers als Lilas, So Long Maria en Chante en Anglais op single uitgebracht. L’enfant des cathédrales uit 1978 is zowat de laatste echte hitsingle voor Lenorman in Frankrijk. Ook met het album Boulevard de l’océan dat in 1979 wordt ingeblikt, gaat het niet meer de kant van de hitparade uit al had ik toch iets meer van het singletje Y’a plus d’ printemps verwacht. Hij werkt inmiddels samen met de tandem E. Roda Gil en Jean- Pierre Bourtayre. Deze laatste had zijn sporen al bij Claude François verdiend.

In 1980 pakt Lenorman nog eens ijzersterk uit met het album “La clairière de l’enfance“. Merken we even op dat twee jaar eerder Gérard CBS had verlaten en een contract gesloten met platenfirma Ariola. Voor hen pakt hij in 1980 uit met een dijk van een hit, een speels liedje dat hij samen met Pierre Delanoë heeft geschreven Si j’étais président, bij ons een echte radiohit. In Frankrijk slaat het nummer wél aan al moet Gérard daar in de hitlijsten opboksen tegen Lio met Banana Split en Ottawan met T’es ok!  Voor zijn liedje ontvangt Gérard een onderscheiding van SACEM (Société des Auteurs et Compositeurs).  Een ganse elpee lang blikt Lenorman op ”La clairière de l’enfance” terug op zijn kinderjaren. Een liedje dat me op die plaat altijd is bijgebleven, is Maman-amour, maar dat is en blijft een zeer persoonlijke keuze. Nog één keer zal Lenorman in de Franse hitlijsten opduiken en kunnen we spreken over “un vrai tube” en dat is in het voorjaar van 1982. Iets voordien heeft hij van zijn moeder het verhaal gehoord over zijn biologische vader, dat verhaal -weet je nog- uit de Tweede Wereldoorlog. Hij schrijft die nare ervaring meteen van zich af in het nummer Pourquoi mon père (Warum mein Vater). Pas in 2012 vertelt Lenorman aan een reporter van “Paris-Match”: ” Ma mère, que je n’ai jamais appelée maman, ne m’a jamais accepté. C’était une femme très dure, très violente et très peu maternelle qui jusqu’à ce que j’aie neuf ans, m’a confié à l’orphelinat des soeurs de Saint- Vincent-de-Paul. Je crois que j’étais un peu son exutoire. Elle me battait régulièrement, ce qui a fini par me rendre muet, sourd et autiste. Pour elle j’étais l’enfant maudit, l’enfant de la honte“.  Een hard verhaal waar hij zijn leven lang mee heeft geworsteld. Pourquoi mon père verschijnt op single gekoppeld aan La petite valse, een lied dat vol nostalgie zit. Het wordt in de maanden januari en februari van 1982 een redelijke hit en vormt zo de rode loper naar de elpee “… D’Amour” met daarop, en dat nummer sprak me meteen aan, een geslaagde cover van Sounds of Silence van Simon and Garfunkel Chanson d’innocence.

En dan slabakt het almaar meer. Lenorman geraakt zijn greep op de hitlijsten kwijt. Zijn stijl klinkt ook steeds meer gedemodeerd. Het is tijd voor de koelere pop en voor Franse sterren zoals Pierre Bachelet, Michel Berger, Jean-Jacques Goldman, France Gall, Daniel Lavoie, kortom une nouvelle génération. Het is en blijft moeilijk om aan te klampen. Gelukkig put hij veel energie uit zijn optredens en uit de geboorte van zijn dochter Clémence. In 1983 treedt hij met veel bravoure op in het Palais des Congrès in Parijs. Maar hij voelt toch dat de rek eruit is. De zaken lopen niet zoals het moet en zijn huwelijk vertoont stilaan barsten. Hij bijt door en zijn doorzetting wordt beloond met een vierde kind. Qua albums noteren we nog “Le soleil des tropiques”, “Fière et nippone” en in 1988 ”Heureux qui communique” met daarop zijn deelnemend lied aan het Eurovisiesongfestival Chanteur de charme. Maar omdat dat een beetje met een sisser afliep en hij zijn huwelijk niet heeft kunnen standhouden, besluit Gérard Lenorman een tijdje halt te houden. Hij wil zich bezinnen en nieuw materiaal verzamelen. Wat hij echt denkt, strookt niet meer met de inhoud van zijn liedjes. Hij merkt ook dat zijn huwelijk niet meer te redden is, vraagt de echtscheiding aan en begint een nieuwe relatie met Marie. Zij helpt hem het verdriet uit zijn jeugd verwerken, zij helpt de wonden genezen die zijn moeder bij hem heeft nagelaten:”Marie a mis du soleil dans mes pensées. Elle m’a appris à marcher, m’a révélé à moi-même.” Vijf jaar duurt het vooraleer Gérard opnieuw zin heeft om een plaat af te leveren. Dat wordt “Il y a…..” Zijn definitieve scheiding van Caroline is hoorbaar op deze plaat. Histoires d’amour mag je wijd interpreteren. Het is even wennen, maar het concertpodium lonkt weer. In 1994 is er zijn memorabele optreden in het “Casino de Paris” en vier jaar later in de “Olympia”. Hij is fier op het album “Le monde de Gérard Lenorman” dat een overzicht laat horen van zijn oeuvre verdeeld over drie cd’s, goed voor 51 liedjes.  Dat succes zorgt ervoor dat ook in 1998, van de zestiende de tot de achttiende november om precies te zijn, de “Olympia” volloopt met dolenthousiaste fans. Ook Canada ligt aan zijn voeten met méér dan geslaagde optredens in het “Spectrum de Montréal” en tijdens het ‘Festival de Québec”.

Met veel zin lanceert hij in 2000 een gloednieuwe cd “La raison de l’autre” waarvoor hij liedjes heeft geschreven samen met Claude Lemesle, Sylvain Moraillon én Nicolas Peyrac. Dit album laat een andere Lenorman horen. Hij klinkt niet meer als de opgewekte jongen, die van de naïeve liedjes, maar hij toont zich volwassener dan ooit, doorleefder ook. Dit zorgt ervoor dat hij een nieuw publiek kan aanboren. Op deze plaat staat het nummer La force d’aimer dat hij sindsdien altijd zingt tijdens zijn liveconcerten. Zeven jaar later is hij toe aan zijn autobiografie “Je suis né à 20 ans”. Dit boek onthult alles wat hij jaren heeft geheimgehouden: zijn trieste jeugd, de rotrelatie met zijn moeder enz… De zesde en de zevende juni 2009 staat hij weer op de planken in de Olympia om daarop aan te sluiten met een tournee door Frankrijk en Marokko. Nadien gaat hij op zoek naar nieuw talent die hem begeleiden op het album “Duos de mes chansons”, een remake van zijn grootste hits met aan zijn zijde artiesten zoals Zaz, Tina Arena en Grégoire. Het zijn jongeren die zijn liedjes kennen van toen ze nog heel klein  waren en dat vindt hij wel een leuke invalshoek, want zijn liedjes zomaar opnieuw inblikken, vindt hij eerst maar niets.  Om er toch ergens een bekende draai aan te geven, zingt hij ook samen met sterren als daar zijn: Maurane, Patrick Fiori en Florent Pagny. Er worden méér dan tweehonderdduizend exemplaren van verkocht, goed voor dubbel platina. Een bewijs dat zijn verhaal nog niet is uitgezongen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Only The Lonely

Nu weet ik niet of je er al op gelet hebt, maar een aantal artiesten die bij Sun Records in Memphis hun eerste platen opnamen, kenden pas nadien een grote doorbraak. Elvis Presley mogen we bovenaan dat lijstje plaatsen zonder daarbij sterren als Johnny Cash en Jerry Lee Lewis te vergeten. Roy Orbison moet ook vermeld worden. Hij had al in diverse groepjes meegespeeld alvorens hij zich bij Sam Phillips van Sun Records aanmeldde. Na een auditie bij Sam kreeg hij in 1956 een platencontract angeboden en scoorde iets later een hit met Ooby Dooby. Orbison voelde zich niet echt thuis bij Sun Records. Hij vond dat Sam Phillips na het vertrek van Elvis richting RCA méér aandacht besteedde aan Jerry Lee Lewis dan aan hem. Hij vond dat er méér had gezeten in het succes van Ooby Dooby, want veel storm had dat nummer niet veroorzaakt.

Roy ging zich dan maar profileren als songwriter. Zo schreef hij op zekere dag een liedje opgedragen aan zijn toenmalige vrouw Claudette en speelde dat door aan The Everly Brothers die het als b-kant gebruikten voor hun single All I have to do is dream, een 45-toerenplaat die haast moeiteloos de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred inpalmde. Dit zorgde ervoor dat Roy zijn naam als songschrijver beter in de etalage kon plaatsen. Roy is zich altijd blijven herinneren dat hij het nummer Only the lonely in zijn auto schreef die buiten op de oprit voor zijn huis geparkeerd stond. Ze waren té klein behuisd en schrijven is toch iets dat je in je eentje doet, dus eenzaam in de auto zitten pennen, deerde hem niet echt. Dat gevoel stimuleerde hem wel tijdens het schrijven van Only the lonely. Mensen hebben nu eenmaal mensen om zich heen nodig.

Na een show waarin The Everly Brothers in Indiana hadden opgetreden, stelde Roy Only the lonely aan Don en Phil voor, maar nadat Roy het hun had voorgespeeld, vond Don dat Roy het zelf moest inzingen, dat het echt iets voor hem was. Wat ik haast nergens lees, is het verhaal dat Roy het nummer in 1960 aan Presley wilde laten horen. Ik heb het verhaal van hem persoonlijk gehoord tijdens een gesprek dat ik ooit met Roy voerde. De studio was geboekt. Orbison reed van Texas waar hij toen woonde naar Nashville, arriveerde daar ‘s ochtends om zes uur, maar merkte dat Presley pas veel later zou opduiken. Uiteindelijk kwam van die hele sessie niets in huis en was Orbison zo aangedaan dat hij die energie absoluut kwijt wou en het nummer uiteindelijk dan maar zelf opnam.

Hij schreef de song samen met zijn toenmalige producer Joe Melson en nam het op voor diens Monument Label. Dat label was in 1958 in Washington opgericht door Fred Foster en Buddy Deane. Nadat Deane het label verlaten had, verhuisde Foster naar Hendersville, een stad aan de rand van Nashville. Het was Fred die op een vroege ochtend op de idee van de intro kwam: Only the lonely gevolgd door dum,dum,dum enz… know the way I fel tonight. Hij rent meteen naar Roy’s kamer om hem wakker te maken met de woorden: ” We have it! You have a smash hit!”. Roy pakt meteen zijn gitaar en begint die idee uit te werken. Hij op zijn beurt is zo enthousiast dat hij meteen vraagt wanneer ze het kunnen inblikken. Dat kan meteen de dag nadien. In zeven haasten wordt aan Anita Kerr gevraagd de arrangementen uit te schrijven. Zij op haar beurt gaat op zoek naar zes strijkers, want Roy wil koste wat het kosy violen horen klinken. Vergeten we niet dat in die tijd alles op maximum twee sporen werd opgenomen. Stereo maakte toen amper opgang. Ze pasten die 25ste maart 1960 wel het trukje toe de zangstem in het midden te plaatsen zodat de indruk van stereofonie werd gewekt. De song wordt in de befaamde Studio B in Nashville ingeblikt door technicus Bill Porter . Na de eerste opname isRoy niet tevreden. Zijn stem klinkt niet groots genoeg. Er is ook teveel terugkoppeling via zijn microfoon. Er bestonden toen nog geen geïsoleerde zangcellen waar de zanger met hoofdtelefoon zijn deel kon inzingen. Studio B was geen al té grote studio. Samen met de zes violen, de vijf backingzangers waaronder Hank Garland en Harold Bradley tokkelde Floyd Cramer op de piano, bespeelde Bob Moore de bas en zat Buddy Harman achter het drumstel. Uiteindelijk vinden ze een metalen rek waarover een paar dekens worden gehangen. Roy wordt in de hoek van de studio opgesteld. Al van bij de eerste noot hoort de technicus van dienst dat dit goed zit. Zo moet het klinken. Er wordt voorgesteld het nummer wat dansanter aan te pakken, maar daarop reageert Roy furieus met: ” I don’t want to dance to my songs. Let’s start from the top.”  In de maand mei van 1960 wordt Only the Lonely op single uitgebracht met op de B-kant Here comes that song again, eveneens een nummer van Roy Orbison en Joe Melson.  De 25ste juli staat het nummer op de tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred, pal achter Brenda Lee. Haar single I’m sorry blijkt té sterk om gepasseerd te worden.

Het succes van Only the lonely bezorgde The Big O nogal snel het imago van een melancholische zanger. Daarover zei hijzelf: “The sadness idea has a lot to do with my image over the years I guess: the black clotches and the shades. Also, it has to do with the fact that Only the lonely was the first hit and that was an incredible sad song. It’s synonymous with my name now. People obviously assume that my life is like that song, which is not really true at all. For the most part it’s been a glorious life”. Toen Only the lonely in Engeland werd uitgebracht, bleef de single bij een eerste poging op de 36ste plaats haperen in de toenmalige top veertig, maar bij een tweede poging, ongeveer een maand later, schoot het nummer als een pijl uit een boog midden in de hitroos. Apetrots stond Roy te schitteren op de eerste plaats nadat Rickie Valance aan de kant was gezet die eind augustus nog op één stond met Tell Laura I love her. In de Nederlandse top veertig zat er voor Orbison een zevende plaats in en in België klom hij naar de zesde positie. Hier was het wachten tot in 1964 om met Pretty Woman de hilijsten aan te voeren.

In 1969 zou de legendarische countryzanger Sonny James op één geraken in de countrycharts met een geslaagde cover van Only the Lonely. Jaren later was het Chris Isaak die een hommage bracht aan zijn idool Roy Orbison door die eerste hit van The Big O op zijn repertoire te zetten en in te blikken.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Edmundo Ros

Edmundo Ros. Ik weet nog goed dat ik in 1974 een dubbele elpee van hem kocht met daarop een selectie van nummers die hij voor Decca had ingeblikt in de speciale reeks Phase 4 Stereo. Decca verkocht deze manier van platen opnemen als een wonder van klank, een radikaal en dramatisch machtig concept in dee kunst van de highfidelityproductie.  Het was Decca’s handelsmerk voor de meest geavanceerde en flexibele van alle stereo opnametechnieken. Ze hadden daarbij vooral oor voor de beweging van ruimtelijke realiteit. Wij noemden dat in de wandelgangen “pingpongstereo”. Decca maakte tijdens de opname dankbaar gebruik van de 20-kanaals console-mixer. Je kon op die manier geluiden van twintig afzonderlijke bronnen combineren en vermengen in de juiste verhouding. Je kon ook heel precies aanduiden welk instrument rechts of links moest klinken. Zelfs diepte werd aan het geluid toegevoegd. Kortom, in die jaren het neusje van de zalm! De zevende december 1910 werd Edmundo Ros in Trinidad geboren. Het was toen nog een Britse kolonie waar suiker en tabak boven aan de productieladder stond. Edmundo’s moeder was een rasechte inlandse Luisa Urquart die aan de kost kwam als lerares. Edmundo’s vader had Schotse roots en bleek de zoon te zijn van William Hope-Ros, de eigenaar van een grote plantage. Hij werd na hard labeur eigenaar van “Hope Ros’s Bonanza” in Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad. Het is hier dat Edmundo werd geboren en zou wonen tot aan zijn zeventiende. Edmundo had nog twee zussen Ruby en Eleanor en een jongere broer Hugo. Die laatste was een buitenechtelijk kind wat er voor zorgde dat de ouders uit mekaar gingen. Zonder een man in huis was het voor mama Ros niet gemakkelijk er de tucht in te houden. Haar Edmundo was a kind of a little devil. Zijn peetouders moeten de meubelen komen redden. Via zijn hun inbreng mag hij op 14- jarige leeftijd in dienst het leger. Hij was toen al dol op muziek en wou koste wat het kost deel uitmaken van het orkest van het leger, maar hij moest eerst nog een instrument kiezen. Zijn keuze viel op het drumstel. Tot aan zijn zeventiende blijft hij in dienst van het Britse Leger, maar dan kiest hij resoluut voor het muzikanteleven. Hij kom terecht bij The Trinidad Symphony Orchestra onder leiding van Edgar Wallace en legt zich intens toe op zijn muziekstudies Als hij zeventien is, verhuist hij naar het naburige Venezuela en komt daar terecht bij The Venezuela Symphony Orchestra onder leiding van Vicente Emilio Sojo. Van hem zal Edmundo de komende tien jaar alle knepen van het vak leren. Edmundo had maar één doel voor ogen, gaan studeren aan The Royal Academy of Music in Londen. Samen met twee vrienden Erroll Barrow en Clarence Wiers reist hij met een Nederlands schip van Trinidad naar Engeland. De vierde juni 1937 legt hij aan in Plymouth en reist meteen per trein door naar Londen. Het was niet gemakkelijk om daar te aarden. Engeland was toen nog erg racistisch ingesteld en Edmundo moest al zijn charme inzetten om wat vrienden aan zijn kant te krijgen. Maar het lukt. Hij vindt onderdak bij een zekere mevrouw Crosby in Doughty Street nummer vier. Heel even dacht Edmundo dat zij de moeder van de bekende crooner Bing Crosby was. Van in het begin van zijn verblijf in Londen luistert Edmundo gretig naar de BBC en Radio Luxemburg. Als student aan The Royal Academy in Londen geraakt hij bevriend met de Cubaanse vluchteling Don Marino Barreto. Die is een uitstekend pianist en orkestleider. Barreto speelde vaak in “The Embassy Club”. Na een korte vakantie wordt Bareto de toegang tot Engeland geweigerd. Het is Edmundo Ros die van de gelegenheid gebruik maakt de leiding van Barreto’s orkest over te nemen. Van “The Embassy Club” verhuizen ze iets later naar “The New Cosmo”, een nieuwe club in Wardour Street, waar ze de eigenaar verbazen met hun nieuwe stijl, een dansgenre dat intussen rumba werd genoemd. Wat ook meevalt, is dat Edmundo in het Spaans kan zingen en dat extra exotisch tintje bevalt het publiek wel.  Op dat moment is het orkest van Edmundo Ros zeven muzikanten sterk. Intussen heeft Edmundo zijn orkest omgevormd tot Ros’s Rumba Romeos, maar dat vindt zijn nieuwe werkgever maar niks en zo wordt het na wat heen-en-weergepraat Edmundo Ros’s Rumba Band. We vertoeven dan midden in de Tweede Wereldoorlog. Londen wordt vaak opgeschrikt door bomalarm. “The New Cosmo” doet daarbij dienst als schuilkelder. Het zit er vaak afgeladen vol met mensen die komen schuilen, maar niets verteren. Na een paar maanden gaat de club dicht. Iets later ontmoet Ros iemand die hem een job aanbiedt in “The St. Regis Hotel” in Cork Street. Ros heeft zijn orkest dan afgeslankt tot vijf muzikanten die zich hebben toegelegd op de in die tijd populaire dans de conga. Maar het geluk staat niet aan hun kant. “The St. Regis Hotel” wordt op zekere avond gebombardeerd. Er moet worden uitgekeken naar een nieuwe club en dat wordt “The Coconut Grove”. Hij mag er optreden samen met zijn orkest voor vijfenveertig Britse ponden per week. Om wat extra geld te verdienen, treedt Edmundo Ros ook op als sessiemuzikant. Zo werkt hij als percussionist in de band van Fats Waller wanneer die op rondreis is in Engeland. Met hem neemt hij in 1938 twee nummers op: A-Tisket, A-Tasket en Music Maestro Please. Zijn eigen orkest bouwt hij stilaan uit tot een bezetting van zestien muzikanten. Het oogt niet alleen groter, het klinkt ook grootser en professioneler. In 1941 slaagt Ros erin een platencontract te versieren bij het Parlophone-label, maar dat wordt niets, want die hebben in hun stal al grote namen zoals de bands van Victor Silvester, Geraldo en Jack Payne. Uit die tijd dateert zijn eerste opname Los Hijos de Buda, een nummer in een typisch Cubaans rumbaritme gespeeld. Hun concurrent, het Decca-label, was op dat moment gelukkig op zoek naar een orkest om te koppelen aan organiste Ethel Smith. Ze kloppen aan bij Edmundo Ros en beiden gaan platen opnemen. Ros krijgt een degelijk sluitend contract bij Decca en blijft hen trouw van 1944 tot en met zijn laatste opname in 1974. In 1948 begeleidt Edmund Ros met zijn orkest de Braziliaanse zangeres Carmen Miranda, ook wel The Brazilian Bombshell genoemd. Ze treden onder meer op in “The London Paladium” wat een overweldigend succes wordt. Een ziekte maakt snel een einde aan haar succes. In haar plaats komt Tommy Grinder die er een komische act van maakt. De tent wordt afgebroken, het publiek geraakt door het dolle heen. En Edmundo geniet mee van dat succes. Tegen die tijd telt zijn orkest zestien muzikanten en neemt hij zijn eerste grote hit op The Wedding Samba. In 1949 worden er op 78 toeren méér dan drie miljoen exemplaren van verkocht. Hij klimt almaar hoger op de ladder van aanzienlijke clubs en restaurants waar hij mag optreden. Hij krijgt een baan aangeboden in het chique “Bagatelle Restaurant”, op dat moment een van de meest toonaangevende in Europa, in de peperdure wijk Mayfair in hartje Londen waar prinses Elizabeth, de latere Britse Queen, haar danskunstjes komt etaleren tussen andere leden van de Britse adel. Edmund Ros doet niets liever dan hun de nieuwste danspasjes aanleren. Hoge gasten die hier de revue passeren, zijn ondermeer Charles de Gaulle en Winston Churchill. In 1950 stapt Edmundo in het huwelijksbootje met zijn eerste vrouw Britt Johansen. Ze is verbonden aan de Zweedse Ambassade in Londen en heeft Edmundo in “The Bagatelle” leren kennen. Ze gaat graag mee op tournee, onder meer naar een rist concerten die Edmundo in Frankrijk op zijn agenda heeft staan. Hun huwelijk wordt gezegend met twee kinderen: Douglas die later als ingenieur bij Decca zal gaan werken en Louisa die in Peru gaat wonen. Datzelfde jaar neemt Ros een van zijn grootste hits op Vaba-ba-boom, een song van de hand van White en Cooper

Met het geld dat Edmundo Ros had verdiend, koopt hij in 1951 “The Coconut Grove”. Hij maakt er een zeer respectabele dansgelegenheid van. Van hieruit zal de BBC de daaropvolgende jaren regelmatig programma’s uitzenden met het orkest van Edmundo in de hoofdrol en geproduceerd door Cecil Marden. Deze concerten maakten van Ros in die jaren een fenomeen.  Hij had intussen  een deal gesloten met de vermaarde “Arthur Murray School of Dancing”. “The Coconut Grove” werd een soort verlengstuk van die dansschool. Hun leden kwamen regelmatig hun beste dansvoetjes voorzetten in “The Coconut Grove” en Edmundo Ros maande zijn klanten aan les te volgen bij Arthur Murray. Datzelfde jaar geeft hij op uitnodiging van Koning George VI een concert op Windsor Castle. Vanaf 1953 werkte Ros nauw samen met de Belgische producer Marcel Stellman die door Decca was ingehuurd om alle platen van Ros en die van zijn collega Stanley Black te produceren. Stellman wist maar al te goed dat hij niet veel hoefde te sleutelen aan de Rosformule. Na een paar maten herkende het publiek diens stijl meteen: typische ritmes gekoppeld aan zijn typische stem. In 1955 neemt Ros een liedje op dat voor altijd aan hem zal gelinkt blijven London Is The Place For Me geschreven door Aldwyn Roberts. Hij heeft tegen die tijd meerdere hits op zijn actief staan: Tico Tico, Melodie d’Amour, The Cuban Love Song en Her Bathing Suit Never Got Wet. Catchy melodietjes en gesofistikeerde arrangementen, dat waren zijn vaste ingrediënten geworden, overgoten met een Caribisch sausje. Hij etaleert dat onder meer in een opvallende versie van The Colonel Bogie.

Edmund Ros had intussen zijn handen vol met de vele opdrachten die hij van de BBC ontving. Hij was een van de wienigen die zelf mocht presenteren. Hij had zijn uitspraak bijgeschaafd en kon vlot voor de vuist praten. Er werden niet alleen programma’s vanuit “The Coconut Grove” uitgezonden, maar ook vanuit andere locaties zoals: “Aeolian Hall”, “The Paris Cinema”, “Maida Vale” en “201 Piccadilly”. Naast radio kwam er ook snel televisie bij. Tussen 1954 en 1963 treedt Ros een negental keren op in Monte Carlo waar hij tijdens een van zijn concerten speciaal voor Tina, de toenmalige vrouw van de Griekse reder Aristoteles Onassis, The Carnation Girl speelt. Populaire nummers in die tijd zijn ook A Bunch of Bananas en Monte Carlo cha cha. Na dertien jaar komt er een einde aan zijn huwelijk. In 1965 vindt Britt dat ze te vaak alleen zit en gaat een nieuwe relatie aan met een Columbiaanse kennis die ze in “The Coconut Grove” had leren kennen. Met het vele geld dat Ros verdient kan hij zich wat extra luxe permitteren. Een daarvan is een prachtig huis in Mage Street in de rijke buurt Mill Hill.  Die woning kan je nog altijd bezichtigen en ligt vlak naast “Copthall Girls’ School”. Na zijn echtscheiding verkoopt Ros het huis en gaat op een appartement in St. John’s Wood wonen, vlak naast Victor Silvester, nog zo’n bekende Britse orkestleider. Daarnaast spendeert Ros veel geld aan dure auto’s zoals een Mercedes, een Bentley en een paar Rolls-Royces. In de loop van de jaren vijftig profileert Edmundo Ros zich vooral als producent van langspeelplaten. In 1956 brengt hij op het Decca-label het album “Ros Mambos” uit met iets later de elpees “Ros Album of Sambas” en “Ros Album of Calypsos”. Het is duidelijk dat hij de danstrends nauwgezet op de voet volgt. In 1958 worden de eerste stereo-elpees op de markt gebracht en daar maakt Ros met zijn orkest gretig gebruik van. Datzelfde jaar nog verschijnen de elpees ”Rhythms Of The South”, “Calypso Man” en “Perfect For Dancing”. Rhythms of The South dat in 1957 verschijnt, bevat bewerkingen van klassiekers zoals The Blue Danube, Barcarolle, Siboney en Isle of Capri. In Engeland wordt het zijn eerste miljoenenelpee. Met dit album zou Ros zijn naam en faam internationaal bevestigen. In 1964 zal hij als vervolg hierop de elpee New Rhythms of The South releasen. Vier jaar eerder brengt hij met veel bijval het album “Dancing with Edmundo” op de markt met daarop bekende latinosongs zoals Cuban Love Song, Brasil, Te Quiero Dijiste en Copacabana. De jaren zestig zijn zijn hoogtijjaren met top sellers zoals “Ros at the Opera”, “Hair goes Latin” en zelfs een elpee met Japanse marsen in een latinoverpakking. Het gaat er allemaal in als zoete koek. In Amerika wordt hij op televisie gekoppeld aan de bekende orkestleider Xavier Cugat in de reeks “Broadway Goes Latin”. In Engeland is hij op tv te zien tijdens “Saturday Night”en “The Royal Variety Shows”. In 1965 mag hij op televisie The Beverley Sisters en Vera Lynn begeleiden. In 1964 wordt ”The Coconut Grove”, gelegen aan de Regent Street op nummer 177, omgedoopt tot “Edmundo Ros’ Dinner and Supper Club”. Ros, snobistisch als hij is, gaat op zoek naar een select clienteel. Je moet lid van zijn club zijn om te worden toegelaten. Wereldwijd melden zich veertigduizend leden aan. Om maar aan te geven: zowat alle leden van de Britse adel en koninklijke familie komen bij hem over de vloer. Dames die broeken dragen, zijn niet welkom. Prins Rainier van Monaco is een van de vaste gasten samen met prinses Margaret van Engeland. Wie ook graag binnenwipt is Peter O’Toole en koning Hoessein van Jordanië. Edmundo Ros beschikt op dat moment over een orkest van 24 muzikanten. In de club zelf is drieënvijftig man personeel aan het werk. Edmundo staat erop dat zijn personeel strikt de regels naleeft. Hij houdt er een strenge militaire discipline op na, een erfenis van zijn jeugd in Trinidad. In 1965 worden gokspelen in Engelse clubs toegelaten. Ook “The Coconut Grove” krijgt een licentie, maar de vooropgestelde recette wordt niet bereikt. Het publiek trekt almaar vaker naar nieuwe clubs en casino’s in de buurt. Rond het eindejaar moet Edmundo Ros de deuren sluiten. Op de trein van Malvern naar Paddington ontmoet Edmundo Ros in 1971 de zeer aantrekkelijke Suzan Smith. Het klikt meteen, ook al is Suzan dertig jaar jonger dan Ros. Er volgt een etentje waarna Ros, Suzan naar huis brengt met zijn Rolls-Royce. Geen dag later zoekt hij telefonisch contact met haar. Suzan blijkt een bankbediende te zijn.  Haar familie is echter niet zo dol op het feit dat zij en Ros verliefd geraken en laten haar overplaatsen naar Bergen-Belsen in Duitsland. Wanneer ze na een jaar terugkeert, vertelt ze Ros dat haar een deal wordt aangeboden om de komende drie jaar op Cyprus te gaan werken. Dat ziet Ros niet zitten. Hij ziet maar één uitweg: trouwen met haar.  Ze huwen op pinkstermaandag 1971. Vier jaar later, na een concerttournee in Japan, besluit Edmundo Ros er een punt achter te zetten. Het gehakketak tussen een paar muzikanten en een discussie met de vakbond worden hem te veel. Hij heeft er geen zin meer in. Intussen is hij ook vijfenzestig geworden. Nochtans lag Japan hem na aan het hart. Hij zou er zevenmaal een tournee op het getouw zetten. Speciaal voor de Japanse markt nam hij een rist unieke albums op. De achtste augustus 1975 organiseert Ros een concert voor de BBC dat daar integraal wordt opgenomen. Voor meteen nadien heeft hij het restaurant in “The Westmorland Hotel” gereserveerd. Daar vertelt hij aan de muzikanten en hun aanwezige partners dat het sprookje voorbij is. Het verhaal is verteld. Het instrumentarium dat achterblijft, schenkt Ros aan The Salvation Army die het per opbod verkopen. De resterende concerten die nog in zijn agenda genoteerd staan, worden afgelast. Op zijn tachtigste wordt Ros het erelidmaatschap aan The Royal Academy of Music toegekend. Een grote eer voor hem, dat hij met dank aanvaardt.  Niet dat hij nooit meer zal optreden. Vergeten we zeker niet dat legendarische concert dat hij samen met Stanley Black in 1994 gaf in “The Queen Elizabeth Hall”  in Londen. Hij dirigeerde daar The BBC Big Band aangevuld met strijkers. Dat concert werd via BBC 2 uitgezonden. Op uitnodiging van een Japanse platenfirma volgde er in deze bezetting een nieuwe cd. In 2000, Ros was toen net negentig geworden, wordt hij onderscheiden met een OBE (officer of the order of the British Empire). Componist Michael Nyman maakt voor Channel 4 een portret van Edmundo onder de titel ”I Sold My Cadillac to Diana Dors”. Een ploeg productieteam filmt gedurende een hele periode op zijn landgoed in Javea in het Spaanse Alicante, waar Ros al een hele tijd woonde. In deze documentaire wordt Ros geportretteerd als een kleurling die ondanks zijn huidskleur het ver geschopt heeft in Engeland en daar wordt gewaardeerd als een echte gentleman. De zevende december 2010 mag Ros honderd kaarsjes uitblazen. De eenentwintigste oktober 2011 overlijdt hij in zijn slaap na een leven letterlijk boordevol muziek. Wie nog wil nagenieten van de vele elpees die Ros met zijn orkest de voorbije decennia heeft opgenomen, kan altijd terecht bij het Britse Vocalion-label. Hier verschenen de voorbije jaren onder meer de elpees ”Strings Latino”, “Latin Hits I Missed”, “Perfect For Dancing” en “Dance Again” op cd.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane @ Marc Brillouet

Percy Faith

Canada mag dan apetrots zijn op een aan zijn bekendste exportproducten, als ik haar zo mag noemen, Céline Dion, ze waren dat decennia geleden net zo zeer op Percy Faith, een van de bekendste orkestleiders van de twintigste eeuw. Door de bank kennen de meesten van ons hem via grootste hit Theme From a Summer Place, maar die man had veel meer in zijn mars. Een wat uitgebreider verslag dringt zich meteen op!

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen, Percy werd de 7de april 1908 in een joods gezin van acht kinderen in het Canadese Toronto geboren als zoon van Abraham Faith en Minnie Rottenberg. Papa moest hard werken om zijn gezin te onderhouden en had niet veel tijd om zich met zijn kinderen bezig te houden. Gelukkig voor Percy had hij een oom die vioolspeelde en hem dat maar wat graag wilde aanleren. Percy is dan nog maar zeven. Iets later schakelt hij over op de piano omdat dat instrument hem uiteindelijk beter blijkt te liggen. Hij schrijft zich in aan The Canadian Academy gelegen aan Spadina Road. Papa Faith hoopt nog altijd dat zijn zoon architectuur zal studeren. Op zijn elfde speelt Percy in de bioscoop van Iola Flicker in Toronto waar hij stille films aan de piano begeleidt (de geluidsfilm zou pas in 1927 in de bioscopen opduiken). Hij zou dit een hele tijd volhouden ook al volgde hij intussen een klassieke piano-opleiding aan “The Toronto Conservatory Of Music” met Frank Welsman als een van zijn belangrijkste professoren. Die is zo fier als een gieter wanneer Percy op zekere dag zijn eerste echte concert mag geven in de prestigieuze “Massey Hall”.

Het staat van meet af aan als een paal boven water dat Percy naam en faam zal maken als concertpianist, maar een noodlottig ongeval beslist daar anders over. Op zekere dag vat de jurk van zijn driejarige zus Gertrude, die op dat moment met lucifers aan het spelen is, vuur. In een paniekreactie blust Percy de brand met zijn blote handen. Hij houdt er ernstige brandwonden aan over. Negen maanden aan een stuk kan hij niet meer spelen. Hij is achttien als hij te horen krijgt dat hij maar beter een ander instrument kan kiezen om aan de kost te geraken. Hij heeft daardoor ook niet meer de moed om zijn studies aan het conservatorium af te maken. Hij vindt troost bij zijn geliefde Mary Palange met wie hij in 1928 in het huwelijk treedt. Zij zouden een koppel blijven tot aan zijn dood in 1976. Faith komt aan de bak als arrangeur en orkestleider en treedt op in diverse hotels en theaters. Het geluk lacht hem toe wanneer hem een job als dirigent-arrangeur wordt aangeboden bij  The Canadian Broadcasting Corporation. Hier kan Faith zich naar hartenlust uitleven in een van de grootste radiostudio’s die Canada op dat moment rijk is. Van in het begin, we zijn dan aanbeland in 1931, weet Faith hoe hij zijn publiek moet begeesteren. Hij gaat bekende klassiekers bewerken voor een breed publiek. Hij durft klassieke melodieën van wat swing te voorzien zodat ze er bij Jan met de pet vlotter in gaan. Percy Faith heeft het vak zo goed in de vingers dat hij bedolven wordt onder het werk. Hij schrijft het thema voor een van de eerste radioprogramma’s waarvoor hij muziek mag produceren “Canada on Parade”. Intussen maakt Faith deel uit van het duo Faith and Hope dat hij samen met Joe Allabough vormt. Hun liedjes worden uitgezonden door het radiostation CKCL en zijn een mix van comedy en muziek. Faith heeft daarnaast ook door dat jazz een belangrijk genre is geworden, alleen probeert hij het een beetje te verzachten, het mag voor hem wat sentimenteler klinken. Faiths woorden zijn nog maar net koud of Amerika wordt overspoeld door bigbands en crooners. In 1933 mag Percy Faith op antenne met het programma “Streamline”: op zijn achtentwintigste mag hij als vaste arrangeur en dirigent bij CBC de muziek die ze spelen wat stroomlijnen. “We jazzed the classics and classicized the current pop music” verklaarde hij iets later aan een journalist. Sommigen omschreven zijn muziek als symfonische swing. Hij stond er daarom ook op dat de helft van zijn orkest uit strijkers bestond, dat gaf een symfonische klankkleur aan het geheel. De rest vulde hij aan met koperblazers en een zangkoor. Na hem zouden grote jongens zoals Morton Gould en André Kostelanetz zijn voorbeeld volgen. Ook zij dweepten met die symfonische verpakking. Percy Faith was noodgedwongen verplicht op zoek te gaan naar nieuwe muzikale invalshoeken, want zijn budget was beperkt. Dat werd almaar kleiner. Hij moest roeien met de riemen die hij had. Om wat op instrumenten te besparen liet hij enkele zingende dames die partijen invullen, ze vocaliseerden wat, zongen wat klinkers bij mekaar om een speciaal en nieuw geluid te creëren. Ray Conniff zou hier later beter en meer gebruik van maken in zijn typische Conniff-sound.  Faith was er na verloop van tijd in geslaagd een damestrio samen te stellen dat voor amper vijf dollar per programma wilde meezingen. Dat scheelde een slok op een borrel en dus maakte hij gretig en dankbaar gebruik van hun hums, oohs en aahs. Na een tijdje sluiten zich een paar vrienden aan en wordt het trio een sextet dat Faith combineert met enkele fluitspelers en een vibrafonist. Om vaak in de opnamestudio in Bathurst Street in het centrum van Toronto te kunnen oefenen en op te nemen, huurt Faith een huis in Burnside Drive. Zo kan hij te voet naar zijn werk. De studio’s waren toen niet zoals ze er nu uitzien. In die tijd werkt Faith veel samen met technicus Howard Cable die zijn werk boeiend vindt omdat ze elke dag iets anders moeten verzinnen om de klank op de juiste manier op band te krijgen. Qua bezetting kan Faith een beroep doen op de beste muzikanten die er te vinden zijn: Albert Pratz, die later eerste violist zal worden bij The Toronto Symphony Orchestra, violist Hyman Goodman en de bekende trompettist Robert Farnon. In 1940 schittert Faith met zijn orkest in het programma Music By Faith”. In Noord-Amerika wordt het programma opgepikt en uitgezonden door The Mutual Broadcasting System. Critici vergelijken Faith met Paul Whiteman, in die tijd erg gesmaakt in Noord-Amerika. In het totaal heeft Faith wekelijks zo’n dertig nummers nodig om zijn programma te vullen. Hij moest die stuk voor stuk arrangeren en uitschrijven voor een orkest méér dan 40 muzikanten sterk. Het gezin Faith is inmiddels uitgebreid met dochter Marilyn en iets later met zoon Peter. Dus wordt er verhuisd naar een grotere woning in Westover Hill Road. Faith werkt non-stop. Wanneer hij vrienden thuis op bezoek heeft, zien ze hoe hij zich terugtrekt met pen en papier op schoot om in zijn zetel de nodige arrangementen en ideeën klaar te krijgen. Week na week wordt zijn programma ”Music By Faith” populairder in Noord-Amerika. Het kan niet uitblijven of ze zullen hem vanuit New York vragen tot ginder te komen afzakken. Faith twijfelt. Hij heeft nu nog wat tijd om zich wat met zijn hobby bezig te houden: vissen. Vooral orkestleider Paul Whiteman heeft zijn oog op Percy Faith laten vallen. Whiteman wil graag met pensioen en hij wil zijn plaats ruilen met Percy. Maar die is achterdochtig. Hij heeft trouwens net zijn orkest op punt gesteld: twee contrabassen, drie cello’s, achttien violen, zes trompetten en trombones, een tuba, vier saxofoons, twee klarinetten, een fluit, een fagot, een piccolo, percussie, harp en nog een kleine ritmesectie.

De 20ste juli 1940 staat op één in de Amerikaanse top honderd in Amerika  I’ll never smile again door het orkest Tommy Dorsey met zangwerk van de dan nog zo goed als onbekende Frank Sinatra. Wat niemand wist en nu misschien ook nog maar weinigen is dat het nummer geschreven is door de Canadese zangeres Ruth Lowe, een persoonlijke vriendin van Percy Faith. Zij laat hem als eerste het liedje horen. Hij maakt er met zijn orkest een demoversie van dat in handen komt van Carmen Mastren, de vaste gitarist in de band van Tommy Dorsey, die het op zijn beurt aan de maestro doorspeelt. Op die manier ontdekt men almaar meer dat Faith een steengoed arrangeur is en zo wordt de vraag naar hem steeds groter. In de loop van 1940 wordt door de top van CBC beslist – en dat wegens bezuiniging- de radioshow “Music By Faith” op te doeken. En daar zit Faith dan zonder een vast inkomen. Opnieuw overweegt Faith de aanbiedingen die hij de voorbije maanden hheeft ontvangen. Tijdens een repetitie voor het programma “Carnation Contented Hour”, een programma van NBC Network in Chicago, krijgt dirigent Josef Pasternak een hartaanval en overlijdt. Faith pakt bliksemsnel zijn koffers en reist naar Chicago. Hij staat daar garant voor vier programma’s en verdient daarmee een smak geld. NBC biedt hem meteen een fulltimejob aan die Faith met beide handen aanneemt. Jammer voor hem, maar hij moet de klok zo’n dertig jaar terugdraaien. De directie van NBC gaat niet akkoord met zijn moderne aanpak en wil dat hij wat ouderwetser klinkt en aan het werk gaat. Faith mag zich bezighouden met het bewerken van Weense walsen en klassieke stukken zoals de Hongaarse dans nr. 1 van Johannes Brahms. Faith gaat gretig op zoek naar een woning voor zijn familie en nestelt zich met hen in Wilmette in het noorden van Chicago. In 1946 verhuist “The Carnation Contented Hour” naar New York en gaat de familie in Great Neck, Long Island wonen. Ook al is Faith dol op bebop en jazz toch moet hij zich almaar meer profileren als een commercieel arrangeur. In 1947 gaat hij voor CBS ”The Pause That Refreshes” produceren. Ook nu blijft Faith zijn publiek trouw. Hij weet maar al te goed dat jazz voor een minderheid bestemd is en hij schikt zich ernaar.

Intussen heeft Percy Faith zich niet alleen toegelegd op het produceren van radioprogramma’s, maar ook van platen. Hij neemt niet uitsluitend voor grote labels zoals Decca en Mercury op, maar ook voor kleinere plantenlabels zoals Varsity, Rondo-lette, Design en Allegro. In 1950 wordt hij aangesteld als directeur van de afdeling populaire muziek bij platenfirma CBS oftewel Columbia Broadcasting in New York. Het is zijn taak zich bezig te houden met nieuw talent, hen te coachen, nieuw materiaal uit te zoeken en in sommige gevallen hen in de studio te begeleiden met groot orkest. Tony Bennett is een van die nieuwe talenten. Hij krijgt van CBS een jaar de tijd om zich te bewijzen, maar veel levert dat niet op. Faith heeft meteen door dat Bennett de verkeerde songs opneemt. Bennett zingt ook te luid en te hoog, hij kiest liedjes die zijn stem niet liggen. Op zekere dag komt Faith op de proppen met het nummer Because Of You, in 1940 al geschreven door Arthur Hammerstein en Dudley Wilkinson. Faith gaat ook samenwerken met Rosemary Clooney en stelt haar Come On- A My House voor, een nummer één in de zomer van 1951. Half As Much wordt het jaar nadien ook een nummer één, opgenomen samen met de band van Percy Faith. Er zouden nog een hele rist platen volgen. In 1950 schrijft hij samen met Carl Sigman het nummer My Heart Cries For You dat Guy Mitchell opneemt met het orkest van Mitch Miller en dat een regelrechte hit wordt. Percy Faith zal nadien ook vaak samenwerken met Johnny Mathis met wie hij in 1958 de succesvolle albums “Merry Christmas” en “Warm” opneemt.

Maar Faith slaagt er daarnaast ook in zichzelf in de kijker te spelen. De 26ste april 1952 staat hij op  één in Amerika’s Top Honderd met Delicado met Stan Freeman als solist op het klavecimbel. Een jaar later is het raak met Song From Moulin Rouge met de stem van Felicia Sanders. De opnametechnieken worden almaar verbeterd. Er kan worden opgenomen in high fidelity. Daardoor klinken de strijkers een stuk briljanter en meer aantrekkelijk. Op radio wordt er uitgezonden in FM wat een veel betere klank produceert. In 1953 brengt Percy Faith met de nodige trots het album “Percy Faith Plays Romantic Music” op de markt en zet daarmee de toon voor zijn verdere elpees. Hij heeft ook een zwak voor latinoritmes dat hij etaleert op de elpees “Viva” en “Malagueña The Music of Cuba”. In 1958  steekt Percy Faith nog een tandje bij, want dan worden de eerste stereoplaten gereleaset.

Faith houdt er een streng werkritme op na om aan de vraag te kunnen voldoen.  Zo staat hij erop elke dinsdagochtend om tien  uur in de kantoren van CBS te arriveren en daar aan zijn partituren te werken tot woensdagochtend twee uur. Hij wordt niet voor niets een van de hardwerkenste muzikanten in de Amerikaanse showbizz genoemd. In 1955 had Doris Day al een beroep gedaan op het talent van Percy Faith om de soundtrack te verzorgen voor haar film “Love Me or Leave Me”. In 1959 neemt regisseur Delmer Daves een filmversie op van de novelle “A Summer Place” van Sloan Wilson. Voor de cast doet hij een beroep op de in die tijd populaire tieneridolen Troy Donahue en Sandra Dee en daarnaast ook op Richard Egan en Dorothy McGuire. De 18de november 1959 gaat de film in première. Hij wordt behoorlijk populair, maar moet ondanks die bekendheid veel kritiek slikken. Het is vooral het muzikale thema dat de film geliefd zal maken. Het was Max Steiner die voor de onnavolgbare muziek zorgde. Het zou kunnen dat je nog nooit van Maximilian Raoul Walter Steiner hebt gehoord, de in Wenen geboren Oostenrijkse componist die in de winter van 1914 naar Amerika emigreerde en daar een van de bekendste filmcomponisten ooit zou worden. Hij zou ook vaak onderscheiden worden, bekroond met een Oscar voor de muziek die hij schreef voor de films ”The Informer”, “Now Voyager” en “Since you went away”. Voor de muziek die hij schreef voor de filmklassieker “Gone with the wind kreeg” hij vreemd genoeg géén Oscar. In het totaal zou Max Steiner 26 keer genomineerd worden voor een Academy Award. In 1971 overlijdt hij in Hollywood, maar zal in  1995 postuum worden opgenomen in The Songwriters Hall of Fame. Hij krijgt voor zijn bijdrage aan de Amerikaanse film een ster op de Walk of Fame, gelegen aan de 1551 Vine Street in Hollywood.

Percy Faith pikt het thema uit “A Summer Place” op en scoort er een hit mee. De 11de januari 1960 brengt CBS Theme from A Summer Place op single uit en de 22ste februari staat het nummer al op één nadat Mark Dinning en zijn Teen Angel aan de kant was geschoven.  Negen weken lang zal Faith op die eerste plek standhouden tot Elvis Presley sterk komt opzetten met Stuck on you en de 25ste april 1960 de eerste plaats van hem zal overnemen. Ik moet wel vermelden dat Theme from A Summer Place al in september van 1959 een eerste keer op single was uitgebracht, maar toen door de pers en de programmamakers wat aan de kant was geschoven. Bij een tweede poging is het dus wel raak. Het jaar daarop ontvangt Percy Faith een Grammy Award for Record of the Year. In Engeland geraakt Theme from A Summer Place tot op de tweede plaats in de top veertig, met name de vierde maart 1960. In Nederland horen ze het in Keulen donderen en gaat die single aan de Top Veertig voorbij. Pas in 1974 zou Percy Faith enige deining veroorzaken in de Nederlandse hitlijsten met het nummer Crunchy Granola Suite, maar verder dan de tipparade geraakte die single niet. Ook in de Belgische hitlijsten is noch van Theme from A Summer Place noch van Percy Faith ook maar enig spoor terug te vinden. Mack Discant schrijft in 1965 een tekst bij A Theme from a Summer Place dat datzelfde jaar op plaat wordt uitgebracht door The Lettermen. Een jaar later verwijzen Jan and Dean in hun nummer Like a Summer Rain naar deze song.

CBS ruikt geld en succes. In de slipstream van het succes van Theme From A Summer Place verschijnt in 1960 het album ”Bouqet” dat zich op de zevende plaats in de album top tweehonderd nestelt. Enkele maanden later is het raak met het album Jealousy en nog een paar maanden later met “Camelot”. CBS weet Faith ervan te overtuigen minstens één langspeler per jaar af te leveren. Soms worden het er zelfs drie.

Ook al houden zijn collega’s in die tijd niet zo van rock-’n’ roll en verwijten veel oudere zangers de jongeren dat ze de muziek hebben verkracht, toch houdt Faith zijn vinger aan de pols en voelt maar al te goed aan dat hij de jongeren niet aan de kant kan schuiven, wil hij nog aan de bak komen. In 1963 neemt hij het album Themes for Young Lovers op met daarop bewerkingen van liedjes uit de top veertig, songs zoals: I Will Follow You, The End Of The World, Rhythm Of The Rain en Our Day Will Come. Het album wordt goud. Iets later verschijnt More Themes For Young Lovers op de markt.

In 1960 is de familie Faith naar Los Angeles verhuisd zodat Percy zich meer en beter kan toeleggen op het schrijven en bewerken van soundtracks. Hij woont nu binnen loopafstand richting Hollywood. Maar Faith voelt zich met dit werk niet zo in zijn sas. Die hele Hollywoodscene ligt hem niet. Hij heeft zich een zekere coolness aangekweekt die een vlotte samenwerking in de weg staat. Hij doet gewoon zijn ding, dat wat ze van hem verlangen en voor de rest houdt hij zich koest. In het totaal zal hij elf soundtracks schrijven waaronder “The Oscar” en “Tammy Tell Me True”, maar geen enkele is ons bijgebleven en volgens kenners maar goed ook. Nochtans komt een van de liedjes waar hij het meest trots op is uit de film “The Oscar”, met name Maybe September. Dit liedje bezorgt hem méér voldoening dan Theme From A Summer Place -volgens hem zeker niet de beste plaat die hij ooit inblikte, integendeel. Vergeten we ook niet het thema dat hij schreef voor de succesvolle NBC-tv-reeks “The Virginian”. Met een knipoog naar Hollywood neemt Faith in 1967 het album ”The Academy Award Winner and Other Great Movie Themes” op, maar die elpee wordt geen hoogvlieger net zo min als ”For Those In Love”.

Percy Faith is intussen tot “The King Of Mood Music” gekroond. De Top Tien blijft echter buiten bereik. Hij haalt zelfs met zijn elpees de top vijftig niet meer. Er is nog een achtentachtigste plaats weggelegd voor het album “Leaving On a Jet Plane” dat in 1970 wordt uitgebracht. De overige  albums geraken amper met de hakken over de sloot. Zelfs de elpees “The Beatles Album” en ”Black Magic Woman” waar veel van verwacht wordt, doen het niet goed.

De 9de februari 1976 sterft Percy Faith op 68-jarige leeftijd aan longkanker. Hij rookte zo graag zijn sigaretje. Hij is al doodziek wanneer hij dat jaar de laatste hand legt aan wat zijn afscheidsalbum zou worden “Disco Party” met daarop Summer Place’76. Hiermee pikt hij in op de discorage die toen zowat alles inpalmde wat naar muziek klonk. Hij moest er toen al mee leren leven dat zijn collega’s die zich bezighielden met ernstige muziek het hem zeer kwalijk hadden genomen dat hij de muziek van George Gershwin had herschreven voor een breed publiek. Zijn platen worden ook vaker geklasseerd onder de hoofding elevator music, regelrechte muzak, maar dat lijkt me van het goede iets te veel. Ik zou die puristen willen aanraden eerst nog eens goed naar een van zijn betere albums te luisteren. Ze zullen hun mening dan wel herzien. Wel is iedereen het erover eens dat zijn opname van Theme From A Summer Place een mijlpaal is in de wereld van de easylisteningmuziek en dat moet voor hem een hele troost wezen. Na zijn dood verschenen nog enkele albums die door de fans op veel applaus worden onthaald: Sixteen Most Requested Songs in 1978, Christmas Melodies in 1984 en The Ultimate Collection in 2002. De voorbije jaren bracht het label Collectables Records het merendeel van Faiths elpees op cd uit.

Percy Faith ligt begraven op The Hillside Memorial Park Cemetery in Culver City, California. Zijn vrouw Mary overleed de 27ste november 1997.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Doris Day

Het zal je maar overkomen: dat op zekere dag de telefoon rinkelt en dat Paul McCartney je feliciteert met je prestaties. In de jaren zestig keek Paul McCartney naar de film “Calamity Jane” met in de hoofdrol Doris Day. Hij kon het niet nalaten haar telefonisch te feliciteren met haar prestaties en haar te zeggen dat hij het een van de beste films vindt die hij ooit heeft gezien en dat het een van de lievelingsfilms is van zijn dochter Stella. De film werd in 1953 geregisseerd door David Butler met naast Doris Day in de hoofdrol Howard Keel. De film leverde Doris ook een gouden hit op, het door Sammy Fain geschreven Secret Love, het jaar nadien onderscheiden met een Oscar voor Best Original Song of The Year.

Doris werd de derde april 1922 of 1924 (er bestaan twijfels over) in Cincinnati geboren als dochter van Alma Sophia en William Kappelhoff. Papa was muziekleraar en koorleider en van Duitse origine. Mama was dol op de films van de actrice Doris Kenyon die in 1924 hoogtij vierde en zo lag het een beetje voor de hand dat mama haar dochter Doris Mary Ann noemde. Zingen zat er bij Doris van kindsbeen af in. Maar ze was té jong om bij de in die tijd populaire bigbands te gaan zingen. Dus loog ze vaak over haar leeftijd en maakte zich dan maar een paar jaartjes ouder. Haar broer Paul was haar eerste fan. Papa zag ook wel wat in het zangtalent van zijn dochter, maar veel steun kon hij haar niet bieden. Papa zag de vrouwen te graag en zijn huwelijk liep daardoor op de klippen. In de jaren twintig en dertig genoot het dansen een enorme bijval. Dansen als act werd voor sommigen een leuke bezigheid en dat boeide Doris ook wel. Ze was weg van het danstalent van Ginger Rogers en wou in haar voetsporen volgen. Ze vormde een tijdje een dansduo met Jerry Doherty en keek uit naar een professionele carrière, maar een auto-ongeval waarbij haar beide benen schade opliepen, besliste er anders over. Op haar ziekbed zong ze, om de tijd te doden, mee met de liedjes die ze over de radio hoorde. Ze zong graag mee met de liedjes van de in die tijd populaire bands van Tommy en Jimmy Dorsey, Glenn Miller, Duke Ellington en Benny Goodman. Het liefst luisterde ze naar de stem van haar idool Ella Fitzgerald. Moeder had snel door dat Doris talent had en spaarde kosten noch moeite haar zangles te laten volgen. Grace Raine werd haar zangpedagoge. Omdat Grace meteen doorhad dat Doris talent zat had, bood ze aan haar drie keer per week les te geven en dat voor de prijs van één. Nog geen jaar later trad ze al op voor Radio WLW in het programma ”Carlin’s Carnival” en zong ze ‘s avonds in het restaurant Charlie Yee’s Shanghai Inn. Daar werd ze ontdekt door orkestleider Barney Rapp die haar een contract aanbood als zangeres bij zijn orkest The New Englanders. Op zijn aanraden veranderde ze haar naam van Kappelhoff in Day, zo genoemd naar het allereerste liedje dat ze bij Raine zong Day After Day, een nummer geschreven door Arthur Schwartz en Howard Dietz.  Raine was een goede springplank naar de grotere en bekendere bands uit die tijd: Jimmy Dorsey, Bob Crosby en zijn Bobcats. Samen met Bob en zijn orkest trok ze op tournee richting New York waar ze in contact kwam met Les Brown. Samen met Brown kwamen haar eerste successen en de doorbraak. Bij Brown leerde ze wat discipline is. Hij was een harde leermeester die niet veel tegenspraak duldde. Hij had snel door dat Day over een stel geweldige stembanden beschikte en er erg aantrekkelijk uitzag, het gedroomde uithangbord van elke orkestleider zoals hij later zou toegeven. Samen met de band van Les Brown mocht ze op 17-jarige leeftijd tussen de maanden november 1940 en april 1941 veertien liedjes inblikken. Even aanstippen dat toen ze nog bij de band van Barney Rapp zong, ze trompettist Al Jorden leerde kennen, met wie ze iets later zou trouwen. Dat huwelijk zou slechts twee jaar standhouden, maar zou haar wel haar enige kind schenken Terry Melcher op wie we straks nog terugkomen. Op haar zeventiende dus getrouwd, op haar negentiende al gescheiden. Nochtans nam Doris haar huwelijk ernstig: ze verliet de band van Les Brown, keerde naar Cincinnati terug om zich daar intens met het moederschap bezig te houden. Toch liep die relatie met een sisser af. Haar man Al had losse handjes en sloeg zijn vrouw bont en blauw. Dat kon dus niet blijven duren. Er moest brood op de plank komen. Dus ging Doris opnieuw zingen. Radio lag het meest voor de hand en zo kwam ze terecht bij het programma ”Moon River”. Zo wist ook Les Brown dat ze opnieuw optrad. Hij kan haar overhalen zich opnieuw bij de band aan te sluiten, wat ze ook doet. Hun eerste hit scoort ze in 1945 met Sentimental Journey dat een soort lijflied werd van de Amerikaanse soldaten die na een zware strijd tijdens de Tweede Wereldoorlog terug huiswaarts keerden. Day zal het liedje in de loop van haar carrière meermaals opnieuw inblikken. De 20ste november 1944 trekt ze samen met het orkest van Les Brown naar de opnamestudio om de song in te blikken. Les had dat nummer samen met Ben Homer geschreven op tekst van Bud Green. De 22ste januari 1945 besliste Columbia Records het nummer op single uit te brengen. Enkele weken later staat het op één en zou daar negen weken na mekaar geparkeerd blijven. Ook de groep The Browns zouden een hitversie van het nummer opnemen. In 1951 deden The Ames Brothers dat nog eens met evenveel bijval over. Ook zij werden toen begeleid door Les Brown and His Band of Renown. Voor zijn album “Singin’ With The Big Bands” deed Barry Manilow in 1994 eveneens een beroep op Les Brown om hem te begeleiden.

Tegelijkertijd met Sentimental Journey scoort Doris ook een hit met het nummer My Dreams Are Getting Better All The Time. Ze voelt zich zo goed in haar vel dat ze met Columbia Records een contract afsluit voor een solocarrière. Dat contract zal tot in 1966 standhouden. In de maand februari 1947 begint Doris  met haar eerste solo-opnamen. Ze keert opnieuw de band van Les Brown de rug toe en treedt in het huwelijk met saxofonist George Weidler, zeer tegen de zin van Brown en haar toenmalige manager Al Levy die liever ziet dat ze al haar aandacht aan haar solocarrière besteedt. Maar George bleek ook niet de geschikte man. Acht maanden later mag hij zijn koffers en biezen pakken. Al Levy sleept haar, om haar zinnen te verzetten, mee naar een feestje van songschrijver Jule Styne in diens woning in Hollywood. Daar aangekomen smeekt Jule Doris iets live te zingen. Na dat optreden weten hij en Sammy Cahn haar te overtuigen aan de auditie mee te doen voor de film “Romance On The High Seas” waarvoor Jule en Sammy de muziek hebben geschreven. De hoofdrol was eerst toegewezen aan Judy Garland, maar die deal was te ingewikkeld. Dan werd de vraag aan Betty Hutton gesteld, maar die bleek net zwanger. Doris wist vrij snel regisseur Michael Curtiz te overtuigen van haar talent. Michael wist dat Doris geen acteursopleiding had genoten, maar hij wil  haar natuurtalent uitbuiten en dus laat hij haar zonder veel omhaal aan haar eerste opdracht in Hollywood beginnen. In 1948 begint Doris aan haar eerste filmrol aan de zijde van Jack Carson. In de film zingt ze It’s Magic. Toen Sammy Cahn het haar vooraf voorzong, wist ze meteen dat er een hit in zat. In het totaal zou Doris met de singleversie 21 weken in de Amerikaanse charts genoteerd blijven met een tweede plaats als hoogste score. It’s Magic werd de 12de november 1947 ingeblikt samen met het orkest van George Siravo met wie ze ook de song Put ‘Em In A Box, Tie ‘ Em With A Ribbon opneemt, eveneens te horen in de film “Romance On The High Seas”. Tijdens diezelfde sessie blikken ze ook de songs Love Somebody, Tacos, Enchiladas and Beans en Someone Like You in. In 1952 zou Doris Day samen met het orkest van Percy Faith een nieuwe versie van It’s Magic opnemen. Hier klinkt ze minder zoals een bigbandzangeres, meer gestileerd.

Warner Brothers is in de wolken met het succes dat Day in de film “Romance On The High Seas” scoort. Ze pakken meteen nadien uit met de film “My Dream Is Yours”, een soort autobiografische film, ook deze keer aan de zijde van acteur Jack Carson. De titelsong van de film wordt geschreven door Harry Warren en Ralph Freed en door Doris samen met het orkest van George Siravo de 31ste december, op oudejaarsavond dus, 1947 ingeblikt. De eerste augustus 1949 verschijnt eindelijk haar eerste solo-elpee. Op die plaat staan zoals dat toen gebruikelijk was acht songs. Het wordt een compilatie van nummers die ze tussen december 1948 en juni 1949 heeft ingezongen. Hoogtepunt op die plaat is de ballad Bewitched, Bothered and Bewildered van Rodgers & Hart. In 1955 zou datzelfde album nog eens worden uitgebracht, deze keer onder de titel “Day Dreams” met vier extra songs.

Samen met Jack Carson neemt Doris Day nog één film op “It’s A Great Feeling” in een regie van David Butler met muziek geschreven door Jule Styne en Sammy Cahn. Dan volgt er weer een kaskraker. Gebaseerd op de gelijknamige roman Young Man With a Horn, het verhaal van trompettist Bix Beiderbecke, wordt de film in een regie van Michael Curtiz in 1950 een regelrechte bioscoophit. We zien Doris schitteren aan de zijde van Lauren Bacall en Kirk Douglas in de rol van Bix wiens trompetsolo’s worden gespeeld door niemand minder dan Harry James. In deze film duikt een geweldige song op geschreven door Richard Rodgers en Lorenz Hart With A Song In My Heart die Doris  de 27ste januari 1950 samen met de bigband van Harry James opneemt. Samen met dit nummer blikt ze ook voor deze film songs in zoals The Very Thought Of You en Too Marvelous For Words. Doris houdt aan deze film een wrange smaak over. Het verhaal herinnert haar te veel aan de trieste jaren die ze als zangeres bij de diverse bigbands waar ze mee samenzong meemaakte. Ze keert na elke draaidag depressief naar huis terug. Ook haar eerste huwelijk spookte haar nog te veel door haar hoofd.

Haar volgende film wordt een succesverhaal zonder weerga “Tea For Two” aan de zijde van niemand minder dan de in die tijd razend populaire zanger-acteur Gordon MacRae. Victor Youmans schreef de titelsong en Doris neemt die op samen met het orkest van Alex Stordahl met backingvocals door het Trio Page Cavanaugh. Victor schreef dit liedje al in 1925 voor de musical “No No Nanette” dat voor deze film opnieuw werd opgevist. De tekst is van de hand van Irving Caesar. De film “Tea For Two” was trouwens een bewerking van de musical “No No Nanette”. ”Tea For Two” is overigens ook de eerste film waarin Doris met de eer mag gaan lopen als hoofdrolspeelster. Voor deze film neemt ze ook de nummers I Only Have Eyes For You en Crazy Rhythm op. Omdat de samenwerking met Gordon MacRae zo goed werkt, wordt hij opnieuw aan Doris Day gekoppeld, deze keer in de film “The West Point Story” in een regie van Roy Del Ruth al gaat James Cagney met de mannelijke hoofdrol aan de haal. Als populairste melodie duikt in deze film “Ten Thousand Four Hundred Thirty-Two Sheep” op, een nummer van Jule Styne en Sammy Cahn, maar van een echte hit, laat staan een klassieker, is hier geen sprake.

Doris Day mag zich als een vlotte danseres ontpoppen in de film “Lullaby of Broadway” in de armen van Gene Nelson. Het is diens vrouw Miriam die de choreografie uitwerkt. Ze danst Doris elke pas stap voor stap voor zodat de opnamen snel vorderen. In de film klinken naast de titelsong knappe nummers zoals Cole Porters Just One of Those Things, Zing Went The Strings Of My Heart en I Love The Way You Say Goodnight.

Warner Brothers wil koste wat het kost Doris Day op het witte doek opnieuw linken aan Gordon MacRae. Dat wordt de film “On Moonlight Bay”, gebaseerd op Booth Tarkington’s Penrod Stories waarin wordt teruggeblikt op de periode voor de Eerste Wereldoorlog. Day krijgt op die manier de kans enkele klassiekers uit die tijd te zingen. Een van die songs is het in 1912 door Percy Wenrich en Edward Madden geschreven On Moonlight Bay dat Doris de drieëntwintigste april 1951 inblikt samen met The Norman Luboff Choir en het orkest van Paul Weston. Met diezelfde begeleiders neemt Doris datzelfde jaar de titelsong op voor de film “I’ll See You In My Dreams” geschreven door Gus Kahn. De film is een biografie van Kahn himself die de titelsong al in 1924 neerpende samen met Islam Jones. Doris speelt deze keer aan de zijde van Danny Thomas.

In 1952 zingt Doris samen met The Norman Luboff Choir en het orkest van Percy Faith April in Paris voor de gelijknamige film. Het liedje wordt een van haar favorieten, maar de film wil ze zo snel mogelijk vergeten omdat acteur Ray Bolger haar niet aanstond. Hij had talent te over, maar hij kon zich niet inleven in zijn rol, aldus Day. We schuiven op en belanden in 1953 met deze keer op de bioscoopaffiche de prent “By The Light Of The Silvery Moon”. Nog altijd een van Doris bekendste songs. Het is de vijfde en laatste film waarin ze optreedt aan de zijde van Gordon MacRae. De film is, samen met “On Moonlight Bay”, een van Day’s persoonlijke favorieten. Je mag hem ook als de sequel van “On Moonlight Bay” beschouwen, in een regie van David Butler.

Maar een van haar grootste hits moet nog komen. Dat wordt in 1953 het nummer Secret Love van Sammy Fain en Paul Francis Webster dat ze de 5de augustus samen met het orkest van Ray Heindorf opneemt voor de film “Calamity Jane”. De opname is gepland om een uur ‘s middags. Doris woont dan nog in Toluca Lake en kan al fietsend naar de studio. Ze heeft de ganse ochtend geoefend en is extra gemotiveerd. Het orkest is al om halfeen gearriveerd en heeft een halfuurtje kunnen inspelen. Na de eerste track die Doris als een opwarmertje beschouwt, beslist Ray dat het oké is. “Je zal dit nooit beter kunnen zingen”, vertrouwt hij Doris toe en zo hebben ze het dan ook maar gelaten. De film zelf werd geregisseerd door David Butler met naast Doris in de hoofdrol Howard Keel. De singleversie wordt in 1953 een nummer een nadat Day, Tony Bennett aan de kant heeft geschoven die bovenaan staat met Stranger in Paradise. Het jaar nadien wordt Secret Love bekroond met een Academy Award for Best Original Song of 1953. In deze film voelt Doris zich in haar sas. “Dit ben ik” meldt ze aan de pers, “ten voeten uit!” Ze mag dansen, zingen en gek doen naar hartenlust.  Secret Love wordt dus een gouden hit, een nummer een, eveneens in de Britse top veertig.

Uiteraard nam Doris Day tussendoor ook songs op die niet in haar films te horen zijn. Met Frankie Laine zingt ze in 1952 de hit Sugarbush de charts in. Eveneens met het orkest van Paul Weston blikt ze “A Guy Is A Guy” in, goed voor een eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Een van mijn favoriete songs van haar is If I Give My Heart To You dat ze de zeveentwintigste juli 1954 inzingt samen met het orkest van Paul Weston. De singleversie bereikt iets later de derde plaats in de Top Honderd. Maar haar films blijven voorrang krijgen. Datzelfde jaar is er de première van “Lucky Me” gefilmd in het voor die tijd brandnieuwe cinemascopesysteem. De film wordt een flop ook al kan Doris Day rekenen op het acteertalent van Phil Silvers en Robert Cummings. Haar filmcontract bij Warner Records loopt stilaan op zijn einde. Haar laatste productie voor hen wordt “Young At Heart” aan de zijde van niemand minder dan Frank Sinatra. Doris wist op voorhand dat Frank een hekel heeft aan een scène meerdere keren op te nemen. Het moet vanaf de eerste keer oké zijn. De film wordt geregisseerd door Gordon Douglas. Naast de titelsong hoor je in de soundtrack songs zoals Hold Me in Your Arms en Someone To Watch Over Me.

Day is nu vrij om te gaan en te staan in filmland waar ze wil. Haar eerste productie als freelance artieste wordt ”Love Me or Leave Me” in 1955 geregisseerd door Charles Vidor, een musical die ze opneemt voor MGM. Hier wordt eerder een beroep gedaan op haar acteertalent en mag ze iets meer etaleren dan haar zang- en danskust. Als kers op de taart acteert ze aan de zijde van Jimmy Cagney, een van de beste acteurs van dat moment. De film vertelt het verhaal van Ruth Etting, de legendarische Amerikaanse zangeres, ook wel America’s Sweetheart of Song genoemd. Al haar bekende liedjes duiken in de film op: Love Me Or Leave Me, Exactly Like You en Shine On Harvest Moon.  Daarnaast smeden Nicholas Brodzky en Sammy Cahn enkele nieuwe songs zoals het schitterende I’ll Never Stop Loving You. Maar haar grootste hit moet nog komen. In 1956 vraagt Alfred Hitchcock haar voor een rol in  ”The Man Who Knew Too Much” aan de zijde van James Stewart. Hitchcock had in 1934 al een versie van die film geregisseerd, maar vond dat het tijd was geworden voor een remake. In de film zingt Doris twee keer het liedje Que Sera Sera geschreven door Jay Livingston en Ray Evans. De song wordt bekroond met een Academy Award For Best Original Song of 1956. Voor Day zelf wordt het een nummer twee in Billboard’s Hot One Hundred, de grootste in haar carrière, ook wel bekend onder de alternatieve titel Whatever Will Be, Will Be.

Twee jaar eerder, dat zou ik nog vergeten, had Day een topdriehit gescoord in de Amerikaanse charts met If I Give My Heart To You dat ze de zeventwintigste juli 1954 samen met het orkest van Paul Weston en The Mellomen als backingvocalisten had ingezongen. Net voor ze met de opname van de film “The Pajama Game” begint, neemt Doris Day samen met het orkest van Paul Weston de elpee “Day By Day” op, nu eens geen plaat gekoppeld aan een of andere film, dus nu eens geen soundtrack. Dat resulteert in een selectie van enkele klassiekers zoals The Song Is You, I rembember You en Autumn Leaves, muziek dus voor fijnproevers. Urenlang wordt er tussen haar en Paul heen en weer gepraat over hoe ze de liedjes zullen aan- en verpakken: in een swingtempo of tergend traag? Haar voorkeur gaat uit naar een intieme sfeer omdat die haar het best ligt. Ze kan daarvoor onder meer een beroep doen op de fenomenale gitarist Barney Kessel en saxofonist Ted Nash om de sfeer zo romantisch mogelijk te laten klinken. Een plaat wordt het om te strelen. In 1957 zou ze een vervolg maken op deze plaat onder de titel “Day By Night” met daarop een onvergetelijke versie van Dream a Little Dream Of Me en You Do Something To Me.

In 1957 staat La Day dus opnieuw op de filmset, deze keer in de film “The Pajama Game” in een regie van George Abbott en Stanley Donen. Voor de muziek staan Richard Adler en Jerry Ross in en leveren knappe songs af met Hey There, Hernando’s Hideaway en I’m Not At All In Love. Qua grote successen blijft het enige tijd stil in de hitlijsten al vinden we Doris Day hierin sporadisch terug met singles zoals Julie, Love In A Home, The Party’s Over en Teacher’s Pet. In de loop van de maanden oktober en november van datzelfde jaar blikt Doris Day samen met de band van Frank De Vol drieëntwintig liedjes in die ze zal verspreiden over de albums “Hooray For Hollywood volume 1 & 2″. Het wordt een bloemlezing van de bekendste liedjes die Hollywood tot dan heeft afgeleverd. Liedjes zoals Cheek To Cheek, Over The Rainbow, Night and Day, That Old Black Magic en Three Coins In A Fountain. De twaalfde mei 1958 staat ze opnieuw achter de microfoon, ook deze keer samen met het orkest van Frank De Vol om een nummer van Richard Adler en Robert Allen in te zingen Everybody Loves A Lover. De zesde juni brengt Columbia het op single uit en een paar weken later staat het op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Het is de laatste keer zijn dat Day in de Amerikaanse top tien zal te horen zijn. Af en toe neemt Doris ook eens een elpee op die niet als soundtrack voor een van haar films is bedoeld, maar gewoon als studioalbum tussendoor, dat had je al door. Zo neemt ze samen met Frank De Vol en zijn orkest in 1958 het album “Cuttin’ Capers” op. Ze besluit er een swingende elpee van te maken met als songkeuze: This Lady’s In Love With You, I’m Sitting On Top Of The World, Steppin’ Out With My Baby en Get Out And Get Under The Moon, om er een paar te noemen.

Vanaf 1959 begint Day aan een rist succesvolle romantische komedies die ze met plezier op het witte doek etaleert. Samen met Rock Hudson en Tony Randall schittert ze in”Pillow Talk” in een regie van Michael Gordon. De muziek wordt geleverd door Frank De Vol. Om deze film extra te promoten wordt de elpee “Listen To Day” in de markt gezet. Naast vier songs die in de film te horen zijn, voegt Columbia er een aantal nummers aan toe die ze al eerder had opgenomen. Het album is maar voor een korte tijd leverbaar in de loop van 1960. Een nummer dat hier erg opvalt is het catchy Love Me In The Daytime van de hand van Bob Hilliard en Robert Allen. De combinatie Day en Hudson werkte zo goed dat ze nog twee films zullen afleveren: ”Lover Come Back” en “Send Me No Flowers”. Lover Come Back is als titelsong op single haar laatste hit geworden, al kan je als je op de achtennegentigste plaats in de top honderd eindigt moeilijk van een hit spreken. Laat me dus zeggen, het werd haar laatste single die in de hitlijsten opdook.

In 1963 schittert Day in een regie van Michael Gordon aan de zijde van James Garner in de film “Move Over Darling”. De titelsong werd geschreven door Joe Lubin, Hal Kanter en haar enige zoon Terry Melcher. Terry werd geboren toen Doris van haar eerste man Al Jorden scheidde. Hij wordt grotendeels door haar moeder opgevoed. Nadat Doris voor de derde keer huwt, deze keer met Martin Melcher, staan ze erop dat hij ook zijn familienaam krijgt, hij adopteerde Terry als het ware. Martin zal haar manager worden en enkele van haar films produceren tot ze bij zijn dood (Martin sterft aan een hartinfarct) in 1968 er achter kmot dat hij al haar geld heeft verduisterd, maar dat is een verhaal voor zo meteen. Terry geraakt tijdens zijn tienerjaren bevriend met Bruce Johnston en vormt met hem het duo Bruce & Terry en de groep The Rip Chords die nog een hit scoren met Hey, Little Cobra. Iets nadien besluit Bruce zich aan te sluiten bij The Beach Boys en gaat Terry aan de slag als producer. Zo is hij verantwoordelijk voor de hits Mr Tambourine Man van The Byrds. Hij zal ook enkele platen produceren voor ondermeer Pat Boone, Frankie Laine, Glen Campbell, The Mamas and the Papas en Paul Revere & The Raiders. Hij is een van de organisatoren van “The Monterey Pop Festival” in 1967. Hij gaat zich tevens als executive producer bezighouden met “The Doris Day Show”, een tv-reeks die zijn moeder opnam voor CBS. Samen met haar is hij tot aan zijn dood eigenaar van “The Cypress Hotel” in Carmel-by-the-Sea in Californië. Met John Phillips schrijft hij in 1987 het nummer Kokomo voor The Beach Boys te horen in de film “Cocktail” met Tom Cruise. De negentiende november 2004 overlijdt Terry Melcher in Beverly Hills aan huidkanker. Hij werd 62 en laat Doris één kleinzoon na, Ryan Melcher.

Ik kom nog even terug op die derde echtgenoot van Doris Day, Marty Melcher die haar samen met zijn zakenpartner Jerome Bernard Rosenthal bedrogen had. Ze hadden er al haar geld door gejaagd. Day stelt in 1968 vast dat ze financieel aan de grond zit. Haar man is dan wel overleden, ze trekt zijn zakenpartner Rosenthal toch voor de rechter en wordt in het gelijk gesteld. Negenennegentig dagen zal het proces duren. Rosenthal moet haar uiteindelijk de som terugbetalen van bijna drieëntwintig miljoen dollar. Zevenenzestig getuigen passeren de revue. Niet dat dit het hele verhaal is, want dat sleept nog voort tot ergens op het einde van de jaren tachtig, maar dat zou ons té ver voeren.

Toen haar man de twintigste april 1968 overleed, vernam Doris dat hij net een contract had getekend voor een televisieserie met haar in de hoofdrol “The Doris Day Show”. Hij had daar met haar geen woord over gerept. Net op dat moment ziet Doris het niet meer zo zitten. Gelukkig krijgt ze de volle steun van haar zoon Terry die zich met de productie zal bezighouden. De vierentwintigste september 1968 gaat de eerste aflevering op antenne met als begintune Que Sera, Sera. ”The Doris Day Show” is een middelmatige Amerikaanse sitcom waarin Day wordt gecast als Doris Martin, een weduwe met twee zonen. Het verhaal speelt zich af op een ranch in San Francisco. De reeks zal met gematigd succes lopen tot de maand september van 1973. Meteen nadien besluit Doris zich definitief terug te trekken uit de showbusiness en niet meer op te treden, ook niet meer in films, al zou er in 1975 nog een tv-special worden opgenomen “Doris Day to Day”. Het jaar voordien had ze nochtans nog gezongen in een tv-special met John Denver. Intussen had Doris in een restaurant Barry Comden leren kennen die daar maître d’hôtel was. Zij treedt met hem de veertiende april 1976 in het huwelijk. Die relatie zal tot in 1984 standhouden. Barry klaagde erover dat Doris zich méér met haar dieren dan met hem bezighield.

Qua films had Doris Day in de tweede helft van de jaren zestig niet stilgezeten. In 1967 neemt ze in een regie van Andrew McLaglen ”The Ballad of Josie” op, iets later samen met Richard Harris Caprice en nog eens een jaar later haar laatste film “With Six You Get Eggroll” in een regie van Howard Morris, het zou een van haar meest succesvolle films worden. Maar samen met het overlijden van haar man stierf ook een beetje de interesse van Doris Day voor de film. In 1967 had ze nog het voorstel van de hand gewezen om de rol van Mrs. Robinson te vertolken in “The Graduate”. Uiteindelijk krijgt Anne Bancroft de rol toegewezen. De rek is er duidelijk uit! Veel van haar verdriet schrijft Doris van zich af in haar autobiografie “Doris Day: Her Own Story” die in 1975 wordt gepubliceerd.

Van 1985 tot en met 1986 is Doris opnieuw op tv te zien in de show “Doris Day’s Best Friends”. In 1989 ontvangt ze The Golden Globe’s Cecil B. DeMille Award voor haar totale oeuvre. In 1994 duikt ze nog eens op in de Britse hitlijsten met een “Greatest Hits” album. In de Australische film “Strictly Ballroom” is haar vroegere versie van Perhaps, Perhaps, Perhaps te horen. Voor de pers is het moeilijk nog een interview met Doris Day te versieren. Ze staat er ook op dat geen enkele recente foto van haar gepubliceerd mag worden. Wel geeft ze nu en dan nog eens een telefonisch interview weg aan een radiostation dat haar carrière in de bloemen wil zetten. In 2004 ontvangt ze The Presidential Medal of Freedom. Zelf is ze op de uitreiking niet aanwezig omdat ze haar vliegangst niet onder controle krijgt. Die speelde haar al parten toen ze in 1956 naar Londen en Marrakech moest vliegen om daar de film “The Man Who Knew Too Much” in te blikken. Haar toenmalige echtgenoot Martin Melcher wist haar echter te overtuigen toch te vliegen. In Marrakech, nu we dit toch vermelden, zag ze hoe op de set tijdens een scène die zich op de markt afspeelt de aanwezige kamelen en schapen werden mishandeld. Toen al verloor ze haar hart aan die weerloze dieren en voelde ze dat ze in de toekomst iets voor hen zou moeten gaan doen!

Wanneer Doris Day op zekere dag terwijl ze haar lievelingshond Tiny uitlaat, ziet hoe haar troeteldier door een auto overreden wordt, besluit ze zich almaar meer voor het welzijn van dieren in te zetten.  Ze verzet zich samen met Mary Tyler Moore en Angie Dickinson tegen de pelsindustrie. Ze komt op voor de dierenrechten en klopt regelmatig aan bij het Amerikaanse Congres. Ze richt “The Doris Day Animal League” op die in 2006 zal uitmonden in “The Humane Society of the United States”. Vijf jaar nadien wordt “The Doris Day Horse Rescue and Adoption Center” in Murchison,Texas opgericht. Day steekt 250.000 dollar toe om verwaarloosde paarden een comfortabeler einde te bezorgen.

De vegetarische Doris Day leeft momenteel teruggetrokken in Carmel-by-the- Sea in California. Ze wordt als een van de meest afgezonderde Hollywoodlegendes beschouwd. Men mag haar niet meer aanspreken met haar artiestennaam, maar wel als Clara Kappelhoff. Wanneer ze terugblikt op al de albums die ze in de loop der jaren heeft opgenomen, noemt ze met enige trots de elpee “Duet” die ze in 1962 opnam samen met André Previn en waarvoor ze eindelijk eens al de liedjes die ze zingt, zelf mag kiezen. Een ander album waar ze met trots aan terugdenkt is ”Latin For Lovers” dat ze in het najaar van 1964 inzingt met daarop een rist latinoklassiekers gearrangeerd door Mort Garson: How Insensitive, Our Day Will Come, Corcovado en Meditation. De film waar ze het meest trots op is en blijft, is “Calamity Jane”. Ook is ze trots op haar vriendschap met president Ronald Reagan en komt ze er in de pers openlijk voor uit dat ze ooit voor George W. Bush heeft gestemd. In 2008 wordt ze vereerd met A Lifetime Achievement Grammy Award.  In 2011 verschijnt er eindelijk nog eens een nieuw album op de markt “My Heart” dat in Engeland in de top tien zal schitteren en met daarop covers van nummers van The Beach Boys, The Lovin’ Spoonful en Joe Cocker en dat aangevuld met negen nieuwe liedjes geschreven door haar zoon Terry Melcher in samenwerking met Bruce Johnston. Terry zingt ook een liedje op het album Happy Endings. De opbrengst van die cd gaat integraal naar “The Doris Day Animal Foundation”.  In 2011 krijgt Day van The Los Angeles Film Critics Association een Lifetime Achievement Award. Niet voor niets dat er onder meer in de songs Wrap Her Up van Elton John en Dig It van The Beatles naar haar wordt verwezen.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Andy Williams

Hij staat hier bij me thuis in mijn boekenkast met daarin uitsluitend boeken over muziek, de biografie Moon River and Me, het verhaal over een van ‘s werelds meest vermaarde zangers, Andy Williams. De man die cleaner zingt dan Mister Proper kan schitteren en blinken. Je hoort hem graag of je kunt hem niet uitstaan, een middenweg is er niet. Anno 2012 timmert hij nog altijd aan de weg en verraste zijn fans met een remake van zijn succesvolle kerstspecials die hij decennia geleden voor televisie op het getouw zette. Nog altijd genieten zijn fans met volle teugen van Andy’s talent, ook al is de man de tachtig gepasseerd. Om zijn verhaal volledig te kunnen schrijven, moeten we terug naar 1927, naar de derde december om precies te zijn, want toen werd in Wall Lake, Iowa, Andy geboren als zoon van Jay Emerson en Florence Williams.

Hij begon met zingen in het plaatselijk kerkkoor, hij samen met zijn broers Bob, Don en Dick. Pa Williams was zo fier als een gieter dat zijn vier zonen zo prachtig konden zingen en doopte hen The Williams Brothers. Papa kon akelig goed pianospelen. The Williams Brothers traden in 1936 op voor de lokale radiozender WHO in Des Moines. Papa had intussen zijn job bij de Amerikaanse Spoorwegen opgegeven en wordt hun manager. De ganse familie verhuist richting Chicago waar de jongens optreden voor het radiostation WLS. Nadien reizen ze door naar Cincinnati om te gaan zingen voor het lokale radiostation WLW. Op zijn vijftiende verhuist Andy samen met zijn familie naar Californië. Hier versieren ze een filmcontract bij MGM en schitteren de jaren nadien in de musicalfilms “Janie”, “Kansas City Kitty”,” Something in the Wind” en “Ladies’ Man” en zijn ze te horen als backingvocalisten op het nummer Swinging on a Star van Bing Crosby. Die song was door Jimmy Van Heusen en Johnny Burke speciaal geschreven voor Bing die als priester een rol speelt in de film “Going My Way” uit 1944 in een regie van Leo McCarey. Het nummer verscheen op single op het Decca-label en stond de dertiende mei 1944 op één in de Amerikaanse hitlijsten. The Williams Brothers worden iets later zowat de vaste vocale steun tijdens de optredens van zangeres-pianiste Kay Thompson. Met haar schitteren ze in diverse nightclubs en dat van 1947 tot en met 1952. Ze trekken met haar zelfs op tournee naar Europa en verdienen op die manier hun eerste dollars.  Andy heeft in 1947 zijn diploma van de Junior Highschool in Los Angeles op zak. Na 1952 houdt hij dat samenzingen voor bekeken en gaat solo! Dat was niet de eerste keer, want tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten zijn drie broers onder de wapens. Andy was nog té jong en slijt zijn tijd door hier en daar met een paar groepjes mee te zingen.

Het zit Andy meteen mee, want hij wordt vanaf 1954 een van de vaste gasten tijdens de “Tonight Show” van Steve Allen aan de zijde van Steve Lawrence en Eydie Gormé. Wij kennen de “Tonight Show” dankzij  sterren zoals Jay Leno en Conan O’Brien. Voordien scoorde die show torenhoog met Johnny Carson, maar het was dus Steve Allen die met de show van start ging de 27ste september 1954 en het volhield tot en met de 25ste januari 1957. Van in het begin was de show een kijkcijferkanon en dat was voor Andy meegenomen al verkochten zijn eerste platen beduidend pover. Hij had in 1953 een platendeal gesloten met het X Label van RCA Victor. Hij neemt in het totaal zes singles voor hen op, maar die scoren zo slecht dat hun titels zelfs niet met een vergrootglas zijn terug te vinden. Andy blijft twee en een half jaar optreden in de “Tonight Show”, lang genoeg om te worden opgemerkt door de platenbazen van Cadence Records. Cadence is een kleine New Yorkse firma opgericht door Archie Bleyer die meteen doorheeft welk genre Andy moet zingen. Walk Hand in Hand doet het als single nog voorzichtig in Billboard’s Hot One Hundred, maar met Canadian Sunset die de 11de augustus 1956 gereleaset wordt, is het raak, goed voor een zevende plaats in de Amerikaanse charts. Een nog grotere hit scoort Andy wanneer hij het jaar nadien een cover opneemt van Charlie Gracies Butterfly. Op deze plaat neemt Williams een beetje een loopje met de rockende zangstijl van Elvis Presley. De single wordt in het voorjaar van 1957 bekroond met een eerste plaats in de top honderd en zou daarmee de bestverkochte single in de verdere carrière van Williams worden. Samen met zangeres Peggy Powers neemt hij iets later de top tien hit I Like Your Kind of Love op. Ook de singles Are You Sincere en The Hawaiian Wedding Song gekoppeld aan House of Bamboo verkopen als zoete broodjes. Die laatste gaat zelfs méér dan een miljoen keer over de toonbank en wordt zijn tweede gouden plaat. Dankzij zijn tv-optredens wordt Williams in 1959 door “The Variety Club Of America “uitgeroepen tot “Personality of The Year”. Williams heeft ontdekt dat hij gemaakt is om voor televisie op te treden. Hij ging in 1958 al van start met “The Chevy Showroom with Andy Williams” Het jaar daarop is hij definitief gelanceerd dankzij de megapopulaire “The Andy Williams Show”. Deze show begon bij CBS in de zomer van 1959 en werd drie jaar later overgenomen door NBC waar het tot 1967 op antenne bleef om in 1969 terug te worden opgepikt waarna de show met Andy tot in 1971 in de ether blijft. In deze show pakt Andy uit met een repertoire dat duidelijk is afgestemd op een volwassen publiek. Hij ontvangt op regelmatige basis artiesten zoals Dick Van Dyke, The New Christy Minstrels, Ray Stevens en The Osmond Brothers die hij aan een fenomenale carrière helpt. Wanneer de show in 1969 opnieuw wordt opgepikt en een tweede kans krijgt, zorgt hij ervoor dat pop en rock meer aan bod komen. Een populair figuurtje in “The Andy Williams Show”, die ook hier in Europa op regelmatige basis te zien is, was Cookie Bear die bekend werd met het zinnetje “Not Now… Not Ever… Never”. Vanaf 1971 opteert Williams om alleen nog maar specials uit te zenden. Erg bekend in die serie werden zijn Christmas Shows.

Begin 1960 maakt Williams opnieuw zijn opwachting in de Amerikaanse charts, deze keer met de single The Village Of St.Bernadette. De singles die Williams op het Cadence-label vanaf dan tot en met 1961 uitbrengt, kun je geen echte hitkanjers meer noemen. Met uitzondering van The Bilbao Song geraken die singles niet eens in de top vijftig. In 1961 sluit hij een platendeal met het Columbia-label. Die zien in hem meteen een mainstreamartiest en niet zozeer een popzanger, eerder iemand bedoeId voor wat ze ginder the adult contemporary hitlijst noemen, een zanger voor een méér volwassen publiek. In 1964 beslist Archie Bleyer zijn platenfirma Cadence Records te verkopen. Andy Williams is geïnteresseerd om zijn persoonlijke opnamebanden over te nemen, maar die deal gaat alleen maar door wanneer Andy de ganse catalogus van Cadence koopt inclusief dus de tapes met daarop de opnamen van The Everly Brothers, Lenny Welch, The Chordettes en Johnny Tillotson die ook voor dat label opnamen. In 1968 richt Williams zijn eigen platenlabel Barnaby Records op. Niet om zijn eigen platen te releasen, want hijzelf blijft Columbia trouw, maar hij brengt wel de oudere Cadence- opnamen van The Everly Brothers op zijn label opnieuw uit met daarnaast nieuwe opnamen van Ray Stevens met wie hij dikke hits scoort zoals Everything Is Beautiful en The Streak.

Maar laren wij terug inpikken in 1962 wanneer Andy een platendeal afsluit met Columbia Records. De eerste singles lokken geen applaus uit, maar het album “Moon River And Other Great Movie Themes” wordt wel een regelrechte hit in de album top tweehonderd en is meteen goed voor goud. Cadence profiteert van het succes van die elpee en brengt op hun label nog snel het album “Under Paris Skies” op de markt met daarop onder meer Andy’s versie van Let It Be Me.  Met de CBS- singles Stranger On The Shore en Don’t You Believe It gaat het in de hitlijsten ook de goede kant uit. Een song die we niet in de hitlijsten terugvinden, maar die hij in deze periode opneemt is Moon River uit de daarnet al genoemde elpee. Archie Bleyer zag er iets voordien geen hit in, dus die stond niet te springen om het in te blikken. Maar Williams moet optreden tijdens de uitreiking van de Oscars in 1962 en hij voelt weken voorafgaand aan die show aan dat Moon River met de eer zal gaan lopen en dat hij die avond het winnende lied zal moeten zingen. Hij dringt er dus bij Columbia Records op aan zijn versie op te nemen. Sindsdien ligt de song hem na aan het hart en lijkt zo op zijn lijf te zijn geschreven dat hij er zijn visitekaartje van maakt. Zijn bekende tv-shows zou hij telkens inzetten met de eerste acht maten van deze klassieker. Het gebeurt misschien maar één keer om de tien jaar dat er een evergreen als Moon River wordt geschreven en toch scheelde het geen haar of de song had nooit de soundtrack van de film “Breakfast at Tiffany’s” gehaald. Blake  Edwards verfilmde deze prent naar een charmant verhaal van Truman Capote over Holly Golightly, een meisje van het Amerikaanse platteland, dat het als modiste in New York weet waar te maken,  een rol met veel verve vertolkt door Audrey Hepburn. Regisseur Blake Edwards vroeg aan componist Henry Mancini de volledige soundtrack te schrijven. Deze in 1924 in Cleveland geboren Amerikaanse componist was daarmee niet aan zijn proefstuk toe. Hij had al gearrangeerd voor zanger Bob Crosby en orkestleider Tex Beneke. Filmmuziek zou zijn grote passie worden met in 1955  ”Six Bridges to Cross”,  in 1956  ”Rock Pretty Baby” en  in 1958 sleepte hij een Grammy Award in de wacht voor zijn muziek voor de Peter Gunn-tv-reeks. Henry Mancini schreef voor “Breakfast at Tiffany’s” duidelijk in opdracht  van de regisseur een heel romantisch liedje, speciaal bedoeld voor balkonscène met Audrey Hepburn.  Henry gaf achteraf toe dat dit de moeilijkste filmklus was die hij ooit moest klaren. Hij deed er méér dan een maand over om de juiste sfeer te creëren. Mancini stond erop dat Johnny Mercer de tekst zou schrijven. Johnny had al bekende songs van goede lyrics voorzien onder meer: Goody Goody, You Must Have Been a Beautiful Baby, Fools Rush In en Laura. Johnny Mercer gaf Moon River eerst de titel Blue River mee, maar omdat er al verscheidene liedjes met die titel bestonden, opteerde hij iets later voor Moon River.  Mercer was eerst niet zo tuk op deze Mancini-compositie en geloofde niet in de hitkansen van het liedje. Producer Marty Rackin stond er zelfs op dat het liedje uit de film zou worden geschrapt, maar een boze Audrey Hepburn en een verontwaardigde Blake Edwards hielden de song stijfkoppig in de soundtrack. In eerste instantie werd aan Andy Williams gevraagd Moon River in te zingen en officieel op single uit te brengen, maar hij en in het bijzonder Archie Bleyer vonden het liedje wat te ouderwets om een hit te worden. Van die aarzeling maakt zijn collega Jerry Butler gretig gebruik om Williams het nummer af te snoepen. De negende oktober 1961 brengt Vee-Jay Records zijn versie op single uit en na een paar weken staat hij op elf genoteerd in Billboard’s Hot One Hundred.  Eén miljoen verkochte exemplaren later kan Andy Williams alleen maar groen kijken. Voor Henry Mancini en zijn orkest was een instrumentale hitversie weggelegd (single RCA 7916 ) met een elfde plaats  in de top honderd van de maand oktober 1961. Datzelfde jaar wordt Moon River  onderscheiden met een Oscar als beste filmmelodie van dat jaar. Genomineerden dat jaar waren onder meer Frank Sinatra met The Second Time Around en het Kwartet van Dave Brubeck met Take Five!

In 1963 trakteert Andy Williams Columbia op een tweede plaats in Billboard’s Hot One Hunfred met het nummer Can’t Get Used To Losing You. Deze song geschreven door het bekende duo Doc Pomus en Mort Schuman had zeven weken nodig om tot in de hoogste hitregionen te klimmen. The Chiffons met He’s So Fine bleken net iets té sterk om hem die eerste plaats te gunnen. Op de B-kant staat het nummer Days of Wine and Roses uit de gelijknamige film. Onder deze titel verschijnt ook de gelijknamige elpee met daarop sterke songs zoals You Are My Sunshine en May Each Day in een productie van Robert Mersey. Het album stijgt meteen naar de eerste plaats van de album top tweehonderd en zal daar twee jaar na mekaar in genoteerd blijven. Met de single White Christmas geraakt Andy Williams de 30ste november 1963 nog eens op de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred en het nummer  is ook terug te vinden op het album “The Christmas Song”. Williams zal nadien acht jaar lang moeten wachten om nog eens in de Amerikaanse top tien op te duiken, maar hij heeft geen tijd om dat aan zijn hart te laten komen. Zijn tv- show scoort immens en in 1964 wordt hem een rol aangeboden in de film “I’d Rather Be Rich”. Zowel in 1963 als in 1966 en 1967 krijgt hij voor “The Andy Williams Show” telkens een Emmy Award aangeboden als Best Variety Program.

Met de hits kon het wat beter al blijft CBS in hem investeren. Williams moet het meer van zijn elpees hebben, albums zoals: ”Emily”,” My Carousel”, ” I Remember You”, “The Face I Love” en “The Many Faces of Love”. Toch brengt hij een stel niet onaardige singles uit. Ik koester nog altijd zijn versie van On The Street Where You Live uit “My Fair Lady”, Quiet Nights of Quiet Stars beter bekend onder de originele titel Corcovado van de hand van Antonio Carlos Jobim, In The Arms of Love en de door popcornliefhebbers gekoesterde single Music To Watch Girls By geschreven door Bob Crewe, voor Williams een topveertighit in de zomer van 1967. Bob Crewe schreef een hele rist hits voor The Four Seasons, waaronder Can’tTake My Eyes Off You dat in de versie van Andy Williams in Amerika géén hit zou worden, maar door zijn fans na al die jaren nog altijd wordt beschouwd als een van zijn betere releases.  In de maand maart 1968 vinden we Can’t Take My Eyes Off You in de Britse top veertig terug op de vijfde plaats. Datzelfde jaar geraakt hij opnieuw in de hitlijsten, deze keer met een niet zo alledaagse song. Zijn goede vriend senator Robert F. Kennedy werd vermoord en tijdens diens begrafenis zong Williams in de “St. Patrick’s Cathedral” op verzoek van de weduwe Kennedy het Ave Maria én The Battle Hymn Of The Republic samen met het St. Charles Borromeo koor. Beide liedjes verschenen samen op één single die de 19de oktober 1968 in de top honderd opduikt en tot op de 33ste plaats geraakt. Williams en zijn toenmalige vrouw Claudine Longet waren boezemvrienden van het echtpaar Kennedy. Ze gingen vaak samen op vakantie. De vijfde juni 1968 in de vroege ochtend – Andy en Robert hadden afgesproken na Roberts speech iets te gaan eten met de familie –  iets voorbij middernacht, verneemt Andy Williams die op dat moment in het “Ambassador Hotel” in Californië verblijft waar Robert Kennedy net een speech heeft gegeven, dat Robert werd neergeschoten. Hij gaat samen met zijn vrouw Claudine naar het “Good Samaritan Hospital” in Los Angeles waar hij zich bij de familie Kennedy vervoegt. Ze blijven daar samen met hen tot ze in de vroege ochtend van de zesde juni te horen krijgen dat Robert aan zijn verwondingen is overleden. Wanneer het lijk van senator Kennedy naar Washington wordt vervoerd met een speciaal daartoe uitgeruste trein, vergezellen hij en zijn vrouw de familie van Robert samen met diens broer Ted en nog andere leden van de Kennedyfamilie. Dit om maar aan te geven hoe close hun relatie wel was.

Na The Battle Hymn Of The Republic pakt Williams uit met de single Happy Heart, een nummer van niemand minder dan James Last op tekst van Jackie Rae. Ook Petula Clark neemt er een versie van op. Happy Heart zou in 1994 gebruikt worden door regisseur Danny Boyle voor zijn film “Shallow Grave”. Met die plaat gaat het ook al de goede kant uit, ei zo na een top twintig hit, maar Can’t Help Falling In Love dat hij in 1970 op de markt brengt, geraakt in Amerika niet in de top vijftig. In Engeland is die single dan weer goed voor een derde plaats. In 1971 heeft Andy Williams een grote vis op het droge, hij neemt de titelsong op van de succesvolle film “Love Story”. Die werd in 1970 een regelrechte kaskraker, gebaseerd op de roman van Erich Segal met in de hoofdrollen Ryan O ‘ Neal en Ali McGraw in een regie van Arthur Hiller. De film mag je terecht een loepzuivere tearjerker noemen, een schoolvoorbeeld van een huilebalk. De film leverde ook de sindsdien meest misbruikte liefdesslogan aller tijden op: ‘ Love means never having to say you’re sorry’. De muziek voor de film werd geleverd door de Franse componist Francis Lai die reeds eerder met zijn muziek voor de Claude Lelouch-producties ”Un Homme et Une Femme” en ”Vivre pour Vivre” raak had geschoten. Geen wonder dat regisseur Arthur Hiller bij hem terechtkwam voor de muziek voor “Love Story”. Een terechte keuze, want Lai sleepte daarmee een Oscar in de wacht voor beste filmscore. De soundtrack belandde in Amerika op de tweede plaats van de album top honderd. Aan de getalenteerde tekstschrijver Carl Sigman werd gevraagd het liefdesthema op tekst te zetten en hij koos voor de lyrics Where do I begin. De song werd een echte must voor zowat elke zanger die in die tijd platen opnam. Columbia Records alleen al had drie zangers in dienst die het nummer gelijktijdig hadden opgenomen en het waren niet de eerste de besten: Johnny Mathis, Tony Bennett en Andy Williams. Om een soort fairplay te hanteren, besloot de promotiedienst de drie singles op dezelfde dag te releasen. Williams had iets meer wind in de zeilen, want die had op dat moment een eigen tv-show en aan het eind van de rit had hij het liedje in het totaal twaalf maal live kunnen zingen. Zijn producer Dick Glasser had het nummer ook ’n iets meer poppy touch meegegeven. Bij Bennett was het eerder een ballad geworden en bij Mathis klonk het gewoon als een elpeenummer. Voor Williams werd het na zijn succes met het nummer Can’t Het Used to Losing You opnieuw een meevaller, deze keer  met als hoogste notering een negende plaats in de Amerikaanse top honderd van de maand februari 1971. Hij zong iets later ook een versie in het Duits, Spaans, Italiaans en zelfs het Japans in (van die Japanse versie gingen zo’n zeshonderdduizend exemplaren over de toonbank). Ook andere artiesten zouden een behoorlijke hit met hun versies van  Love Story scoren onder meer het duo Nino Tempo en April Stevens en het orkest van Henry Mancini. En daarmee moest Williams het stellen qua singlehits, want de plaatjes die nadien op 45 toeren werden uitgebracht, kwamen nooit meer in de buurt van de Amerikaanse top veertig.

Midden de jaren zestig had Andy Williams ook Las Vegas ontdekt, of was het omgekeerd. Op weg naar een van die optredens ontmoet hij in 1960   danseres-actrice Claudine Longet  die langs de weg geparkeerd stond met autopech. Van het een kwam het ander. Zo vernam Andy van haar dat ze  meedanste in “The Folies Bergère Revue” in “The Tropicana Resort & Casino”. Beiden zijn meteen tot over hun oren verliefd en trouwen de 15de december 1961 in Los Angeles. Samen krijgen ze drie kinderen: Noëlle, Christian en Robert, zo genoemd naar de in 1968 vermoorde Amerikaanse senator Robert Kennedy. Claudine, die in Parijs was geboren, profileerde zich ook als een popzangeresje die regelmatig mocht optreden in de televisieshow van manlief. Nadat platenproducer Herb Alpert haar op televisie had zien en horen zingen, biedt hij haar in 1966 een platencontract aan. In het totaal zou ze voor zijn platenfirma A&M vijf elpees opnemen en een rist singles. In 1968 was ze te zien aan de zijde van Peter Sellers in de film “The Party”, een van de lievelingsfilms tussen haakjes van Elvis Presley. In 1971 gaat ze platen opnemen voor de firma van Andy Williams, Barnaby Records. Intussen zijn beiden al uit elkaar en zullen in 1975 officieel scheiden. Met een aantal singles bereikte Claudine in de loop van de jaren zestig zelfs een paar keer Billboard’s Hot One Hundred, onder meer met: Here, There and Everywhere, Hello Hello, Good Day Sunshine en Love is Blue. In de marge stip ik nog aan dat Longet in de loop van 1976 verwikkeld geraakte in een  rechtszaak betreffende een moordaanslag op haar vriend Vladimir Sabich. Zij was de hoofdverdachte.  Williams bleef haar al die tijd steunen en stond ook achter haar nieuwe relatie met Ron Austin, haar toenmalige advocaat, met wie ze in alle stilte in Aspen ging wonen. Details van dit verhaal vind je zelf wel op internet. Williams zelf huwt de derde mei 1991 met Debbie Meyer en woonde tot aan zijn dood met haar deels in Branson, deels in La Quinta, Californië. Een groot deel van zijn tijd besteedt Williams daar aan zijn geliefde sport, golf. Een tijdlang werd er een golftornooi georganiseerd “The Andy Williams San Diego Open” (van 1968 tot 1988).

Terug naar de glitter en de glamour. Williams zelf deed niets liever dan optreden voor een livepubliek. De vijfde augustus 1966 staat hij in  ”Caesars Palace” geboekt in de gloednieuwe show “Rome Swings”.   Hij  zou daar nadien nog vaak opduiken. In 1991, we lopen een heel eind vooruit op de tijd, neemt zijn broer Don Williams, op dat moment manager van Ray Stevens, hem mee naar “Ozarks Town” in Branson, Missouri. Stevens had daar net een eigen theater gebouwd en dat was een immens succes. Don vindt dat zijn broer Andy daar ook moet investeren. Voor Andy is het belangrijk dat zijn theater rust uitstraalt. Hij wil er planten en bomen in verwerkt zien, een vijver met koi-vissen en kunstmatige watervalletjes. Zijn carrière lang was Williams bezeten door kunst en hij had in al die tijd aardig wat verzameld. Een deel van zijn verzameling wordt verwerkt in zijn theater. Hier kan je genieten van kunstwerken van onder anderen Klee, Moore, Pollock en Diebenkorn. De 1ste mei 1992 opent Andy Williams met veel toeters en bellen zijn’Moon River Theatre’, genoemd naar een van zijn meest geliefde hits. De zaal biedt plaats aan welgeteld 2054 toeschouwers. De voorbije jaren ontving hij hier tal van gasten waaronder Pat Boone, Glen Campbell, David Copperfield, Pat Benatar, Robert Goulet en nog vele meer. Toen hij zijn theater opende, was hij de allereerste niet-countryzanger die zoiets aandurfde in Branson. Vrij snel zouden in zijn kielzog artiesten volgen zoals The Osmonds, Tony Orlando, Wayne Newton en Bobby Vinton. Gebaseerd op de lievelingsgerechten die zijn moeder altijd voor hem klaarmaakte, opende Williams in 2007 naast zijn theater The Moon River Grill. Het restaurant is aangekleed met tal van foto’s uit zijn legendarische “Andy Williams Television Show” opgesmukt met kunstwerken van de hand van Robert Indiana en Andy Warhol.

Vijf jaar eerder had hij samen met zangeres Denise van Outen een nieuwe versie opgenomen van Can’t Take My Eyes Off You dat in Engeland aardig aanslaat en daar bekroond wordt met een 23ste plaats in de Britse top veertig. Dankzij een promospot van de firma Marks & Spencer die daarvoor It’s The Most Wonderful Time Of The Year van Andy uit de kast haalt, staat hij in de maand december van 2007 op de 21ste plaats van de top veertig te pronken. In de slipstream van dit succes treedt hij met veel bijval op in “The Royal Albert Hall”.  Wanneer in het najaar van 2009 in Engeland zijn album “The Very Best of Andy Williams” verschijnt, gaat hij graag in op het verzoek van de BBC om in de show “Strictly Come Dancing” in Londen live Moon River te komen zingen. In de maand maart van dat jaar staat hij op negen in de Britse top veertig met Music To Watch Girls By. In Engeland is dat liedje namelijk te horen in de promoclip die autofabrikant Fiat heeft laten maken om hun Fiat Punto te lanceren. Ook het succes van de  cd “The Lounge With Andy Williams” helpt mee aan het succesverhaal van dit nummer en de vernieuwde belangstelling. In Engeland wordt Williams plots beschouwd als een heus icoon van de sixties. We zien hem dan ook met veel plezier opduiken in Top Of The Pops. Aan een journalist geeft hij graag toe: ” It’s great to see a whole new generation going nutty over music that I made thirty years ago… to have 20-year old girls jumping up and down in front of you is more effective than Viagra”.

In het totaal scoorde Andy Williams dertien keer goud en behaalde met zijn albums drie keer platina. Zijn meest geliefde albums zijn en blijven: “Days of Wine and Roses”,  ”Call Me Irresponsible”, “Dear Heart”, “The Shadow Of Your Smile”,” Born Free” en “Love Story”.

In 2011 wordt bij Andy Williams blaaskanker vastgesteld. De veertiende juli 2012 krijgt hij te horen dat de kanker is uitgezaaid. Williams overlijdt de vijfentwintigste september 2012 in Branson, Missouri op 84-jarige leeftijd!

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

Perry Como

De twaalfde mei 2001 overleed in zijn slaap crooner Perry Como, zes dagen voor hij 89 zou worden.  De laatste twee jaar van zijn leven kreeg hij te kampen met de ziekte van Alzheimer. Hij ligt samen met zijn vrouw Roselle begraven in het Riverside Memorial Park in Tequesta, Florida. In 1993 werd hij met veel luister in de bloemen gezet: hij vierde dat jaar zijn zestigste verjaardag als entertainer en het feit dat hij vijftig jaar lang trouw was gebleven aan zijn platenfirma RCA Records. In 1943 nam hij voor dat label zijn eerste 78 toerenplaat op. In 1987 verscheen bij datzelfde label het album “Perry Como Today”. In het totaal werden er door RCA Records 147 hitsingles gereleaset en 22 hitalbums. Maar laten wij zijn verhaal beginnen bij het allerprilste begin.

Perry’s ouders Pietro en Lucia Como lieten in 1903 Italië achter zich en trokken richting Pennsylvania, in die tijd erg geliefd bij die Italianen die graag in Amerika aan een nieuwe toekomst begonnen. Papa Como ging aan de slag bij The Standard Tin Plate Corporation. Hij en zijn vrouw bleven het Italiaans trouw. Tot op zijn sterfdag sprak hij maar enkele woorden Engels. Perry’s ouders waren zeer gelovig. Niet voor niets kregen ze dertien kinderen, dat hoorde zo in een katholiek gezin. De 18de mei 1912 werd Pierino, alias Perry, in Canonsburg geboren als het zevende kind in die rij van dertien. De eerste vijf jaar van zijn leven sprak Perry uitsluitend Italiaans, pas toen hij schoolliep, pikte hij zijn eerste woorden Engels op. Lang zou hij daar niet blijven. De meeste jongens trokken snel naar de fabriek, maar Perry wou net zoals de wereldvermaarde tenor Enrico Caruso kapper worden. Hij was nog maar net twaalf toen hij bij een plaatselijke kapper in de leer ging, twee jaar later opende hij zijn eigen kapsalon. Hij nam gelijk twee werkkrachten in dienst. Perry had het voordeel dat hij toen al aardig uit de kluiten was gewassen en die knappe Italiaanse look al had. Hij zag er snel volwassen uit. In zijn kapsalon klonk er altijd muziek en hij zong ook altijd mee. Vrij snel kocht hij een gitaar en een piano, richtte zijn eigen zangkwartet op en ging trombone spelen in een plaatselijke fanfare. Qua zang was Perry erg beïnvloed door Bing Crosby en Russ Columbo. Omstreeks 1931 begint Perry in en rond Canonsburg met zijn eerste optredens. Twee jaar later, hij is dan met vakantie in Cleveland, trekt hij naar een auditie op het getouw gezet door de in die tijd populaire orkestleider Freddie Carlone. Eenmaal terug thuis ligt er een brief in de bus met de melding dat hij wordt aangenomen als zanger van de band. Het was niet gemakkelijk voor Perry meteen de overstap te wagen. Zijn kapperszaak bracht hem veertig dollar per week op, bij Carlone zou hij 28 dollar per week verdienen. Maar papa Como ging akkoord. Samen met zijn vriendinnetje Roselle Belline trekt Perry naar zijn eerste optreden met het orkest van Freddie Carlone in Meadville, Pennsylvania. Omdat het orkest van Carlone niet elke dag speelde, ging Perry in de resterende tijd zingen in de zaak van Freddies broer in Cleveland. Hij moest leven van de fooien die hem werden toegestopt. In het begin zong Perry nog met de hulp van een megafoon, maar na een tijdje kocht Carlone een heuse geluidsinstallatie en werd de megafoon door de microfoon vervangen. Het croonen kon beginnen. Perry viel almaar meer op als zanger. Op zekere dag krijgt hij een telegram van bandleider Paul Whiteman met de vraag of hij niet bij hem wil komen zingen, maar Perry is hondstrouw en blijft bij Carlone die hem letterlijk aan de deur moet zetten wanneer Ted Weems in 1935 smeekt of Perry zich niet bij zijn orkest wil aansluiten.

Weems had Perry bezig gehoord tijdens een optreden in het “Casino van Warren” in Ohio. Omdat Carlone en Weems hetzelfde karakter hadden, zacht en beleefd, was het voor Perry niet zo moeilijk die overstap te wagen. Perry bleef zijn ouders geld toesturen, ook al moest hij intussen zijn vrouw Roselle en hun zoon Ronnie onderhouden. Hij had zich als auto een Packard aangeschaft met daarin een matras achteraan en zo trok hij en zijn gezinnetje van optreden naar optreden. Dat zingen bij de band van Ted Weems viel na een tijdje een beetje tegen omdat Weems meerdere zangers in zijn rangen telde en dat zinde Perry niet zo. Hij moest té vaak en té veel tegen hen opboksen. Weems nam in die tijd platen op voor Decca die ook Bing Crosby onder contract hadden en Perry klonk zo Crosbyachtig dat Decca met tegenzin platen met Perry als zanger opnam. Toch dateren uit die tijd, en dan hebben we het over de late jaren dertig, knappe opnamen zoals I Wonder Who’s Kissing Her Now, You Can’t Pull The Wool Over My Eyes en In My Little Red Book. Eind 1942 wordt de band van Ted Weems die onder de wapens moet, tijdelijk opgedoekt en besluit Perry Como terug te keren naar zijn heimat, daar waar het negen jaar eerder allemaal begon, in Canonsburg. Op zekere dag krijgt Perry het bezoek van iemand van het bekende boekingskantoor Rockwell-O’Keefe. Hij ziet in Tommy Rockwell een echte vaderfiguur die zich ook ontfermt over de carrières van Frank Sinatra en Dinah Shore. Omdat Tommy van meet af aan doorheeft dat Perry niet graag op tournee gaat, plaatst hij hem in enkele nightclubs in New York en doet hem een radioshow aan de hand bij CBS Radio. Hij mag daar ‘s namiddags omstreeks halfvijf drie liedjes zingen. Een meevaller voor Perry wordt zijn optreden in de bekende “Copacabana Club” in New York. Van daaruit verhuist hij in het kielzog van Sinatra naar “The Paramount”. Meisjes krijsen tijdens zijn optreden, maar Perry wuift dat van de hand als een nieuwe trend die de kop opsteekt, meer niet. Hij is er niet van onder de indruk. Omdat platenfirma Columbia kan pronken met Frank Sinatra en Decca met Dick Haymes en Bing Crosby, is RCA Records ook op zoek naar een crooner en zij bieden Perry Como een contract aan. De 17de juni 1943, Perry staat dan boven aan de affiche van de “Copacabana Club”, tekent hij zijn platencontract waaraan hij voor de rest van zijn carrière trouw zal blijven. Drie dagen later is het zover. Perry staat klaar in de opnamestudio. Om halftwee in de namiddag begint hij eraan. Om kwart voor middernacht zit zijn eerste sessie voor RCA erop. Door een vakbondsstaking die weigeren studiomuzikanten te leveren, moet Perry zich tevredenstellen met een achtergrondkoor. Van die sessie onthouden we de songs Goodbye Sue en There’ll Soon Be A Rainbow.

In april 1944 krijgt Perry Como een optreden aangeboden in “The Chesterfield Supper Club” bij Radio NBC. Drie nachten per week is Perry aan de beurt, de overige twee zijn voor rekening van zijn collega Jo Stafford. Tommy Rockwell slaagt erin Como datzelfde jaar nog op het witte doek te krijgen, met name in de film “Something for The Boys”. Later duikt hij op in films zoals ”If I’m Lucky”,”March of Time”, “Doll Face” en “Words and Music”. Perry Como heeft helemaal geen zin in het optreden in films. Hij is maar wat blij wanneer hij in 1948 die afspraak niet meer hoeft na te komen.  De 24ste december van dat jaar wordt er een tv-versie opgenomen van “The Chesterfield Supper Club”, dat radioprogramma is intussen erg populair geworden. In die show treedt Perry op samen met zijn zoon Ronnie en samen zingen ze Silent Night. Die tv-aflevering is zo’n meevaller dat NBC besluit de show te verlengen tot en met de maand augustus 1949. Vanaf de 8ste september van dat jaar is Perry wekelijks op televisie te zien met zijn show. Die duurt telkens een half uur. In het begin was hij doodsbang en erg bevreesd, maar door zichzelf te blijven, lukt het hem die angst te overwinnen. Een jaar later verhuist Perry naar CBS die hem programmeren met “The Perry Como Chesterfield Show”, nog altijd gesponsord door Chesterfield Cigarettes. Driemaal per week is hij gedurende een kwartier op tv te horen en te zien, meteen na” The CBS Television News”. De eerste juli 1955 komt er een einde aan het contract van Como bij CBS. In april had hij al een contract getekend bij NBC die hem daarmee twaalf jaar aan hun bedrijf verbinden. Voor NBC zal hij wekelijks een één uur durende show brengen met naast veel muziek ook plaats voor komische acts en veel gasten. De 17de september 1955 gaat de eerste aflevering van “The Perry Como Show” op antenne. Maar keren we terug naar zijn muzikale prestaties. Como had er geen moeite mee in interviews toe te geven dat het merendeel van de liedjes die hij op plaat zette, hem niet aanstond. Met lange tanden begint hij in 1950 aan de opname van het liedje Hoop Dee- Doo. Dat liedje werd hem aangeprezen door de toenmalige A&R man (artist and repertoire man) bij RCA Joe Csida. Como krijgt achteraf toch een lichte blos op de wangen wanneer Joe hem laat weten dat de single boven aan de Amerikaanse charts genoteerd staat, Como’s allereerste nummer één. Hij had dat nummer ingezongen samen met de vocale steun van de populaire Fontane Sisters. Nog zo’n liedje waar Como eerst geen oren naar had, was het nummer Don’t Let The Stars Get In Your Eyes, een countrysong van de hand van Slim Willet. Niemand trouwens vond dat liedje wat, daarom dat Willet het dan maar zelf had opgenomen en kijk het werd een hit in de Amerikaanse countrycharts waar het werd opgepikt door Steve Sholes die het doorschoof naar Perry Como die gelijk neen knikte. Maar Sholes hield vol. Como hoorde wel links en rechts dat eigenaars van jukeboxen, steeds op zoek naar nieuwe plaatjes, alleen maar naar het begin van een plaatje luisterden en dan al beslisten of ze het zouden kopen of niet. Don’t Let The Stars Get In Your Eyes had zo’n catchy intro. Dus bedacht Como zich en trok met arrangeur Mitch Ayers naar de studio die er een lichte latino touch aan gaf en de koperblazers gelijk van in het begin aan het werk zette. De zesde december 1952 staat Como in de Amerikaanse charts en klimt voor de tweede maal in zijn carrière naar de bovenste stek. Tegen de zomer van 1953 waren er méér dan een half miljoen exemplaren van het singletje verkocht. In het totaal had Como voor RCA al méér dan 35 miljoen platen verkocht en als dank richtten ze in zijn geboortestad Canonsburg een platenperserij op. Het was in die tijd de gewoonte bekende sterren aan mekaar te koppelen. Como had al samen gezongen met The Fontane Sisters en Betty Hutton, in 1952 was het de beurt aan Perry en zijn collega Eddie Fisher te horen op Watermelon Weather en Maybe. Erg tevreden over die samenwerking was Perry niet omdat hij Fisher niet zo’n geweldige zanger vond, die durfde er wel eens naast te zingen en had moeite om in de juiste maat te blijven.

Inpikkend op het succes dat aan het begin van de jaren vijftig was weggelegd voor de Cubaanse mambo onder aanvoering van de orkesten van Tito Puente en Perez Prado, blikt Perry Como Papa Loves Mambo in. Op zekere dag zitten Al Hoffman en zijn collega songschrijver Bix Reichner in “Hansons’ Bar” op 51st Street in  New York. Het is halfvijf in de namiddag. Hoffman had al garant gestaan voor hits zoals Mairzy Doats en If I Knew You Were Coming I’d Baked A Cake. Bix speelt Al een titel door met als uitdaging er een tekst rond te schrijven. Papa Loves Mambo is de uitdaging. Uitgeverijen zijn op dat moment dringend op zoek naar liedjes met een mamboritme. Al belooft een antwoord, maar hij moet er eerst Dick Manning over aanspreken met wie hij vaak songs schrijft. Dick is meteen enthousiast. Ze spreken af in Als appartement op 57th Street. Om negen uur ‘s avonds zetten ze zich aan het werk. Er wordt afgesproken het liedje meteen met de titel te laten beginnen, dat onthouden de mensen het gemakkelijkst. Dan wordt het tempo bepaald met, ofschoon het een mambo is, een knipoog naar de chachacha. Dinsdag om halfdrie in de ochtend, na tien koppen koffie voor Dick en een paar pakjes sigaretten voor Al, is de song zo goed als klaar: 113 woorden hebben ze nodig om de tekst af te ronden. Om half vijf diezelfde dag in de namiddag  laten ze het nummer horen aan Al Gallico en Dick Volter, vicevoorzitter van hun muziekuitgeverij. De heren zien het wel zitten de song in hun uitgeverij op te nemen. Die laten het de dag nadien horen aan Joe Carlton van RCA Records die steeds op zoek is naar geschikt songmateriaal voor zijn artiesten. Om geen tijd te verliezen speelt Joe het nummer dadelijk door aan Joe Reisman die de arrangementen mag schrijven. Joe denkt onder meer aan Perry Como om het nummer mee op te nemen. Met Mitchell Ayres wordt de opnamedatum bepaald. De 31ste augustus 1954 wordt het nummer ingeblikt. Perry struikelt hier en daar een paar keer over de tekst, maar na een tijdje staat het op band. Hij is niet overtuigd van de kracht van het nummer. Het orkest dat Como begeleidt, is dat van Hugo Winterhalter. Nu moet u weten dat iets voordien Hugo Winterhalter het nummer al had opgenomen samen met The Ames Brothers, maar toen die het resultaat hoorden, haakten ze af. Daarop liet Winterhalter aan de muziekuitgeverij weten dat het nummer geknipt kan zijn voor Perry Como. Het was in die tijd namelijk heel gebruikelijk dat een liedje in zo veel mogelijk versies op plaat werd uitgebracht. De muziekuitgeverijen speelden toen nog een dominante rol. De song stond centraal, de uitvoerders kwamen op de tweede plaats. Hoe vaker een liedje in de hitlijsten opdook, in welke versie dan ook, hoe luider de kassa rinkelde. Papa Loves Mambo gezongen door Perry Como wordt in de maand oktober van 1954 meteen bekroond met een tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Een jaar later zit er een tweede plaats in voor het nummer Ko Ko Mo ( I Love You So) . In de zomer van 1955 scoort hij een topvijfhit met Tina Marie en is het iets nadien de beurt aan de song Hot Diggity (Dog Ziggity Boom). De tiende maart 1956 brengt Capitol Records het nummer op single uit. Er had een nummer één in gezeten, had Elvis Presley op dat moment niet Heartbreak Hotel op 45 toeren uitgebracht, want daarmee stond hij eind april op de eerste plaats van de Amerikaanse top honderd. Como mag vijf weken lang in de hitlijsten postvatten met een tweede plaats als hoogste notering, verder geraakt hij niet. Het duo Al Hoffman en Dick Manning hadden Como in 1954 dus al aan de hit Papa loves mambo geholpen en schrijven twee jaar later voor hem Hot diggity.

Al en Dick zouden samen diverse hits schrijven zoals Fascination, I can’t tell a waltz from a tango, Mama teach me to dance en Allegheny moon. Voor het liedje Hot diggity zochten ze muzikaal inspiratie bij de klassieke rapsodie España van de Frans-Spaanse componist Emmanuel Chabrier die een aantal bekende Spaanse volksliedjes bewerkte tot de rapsodie, de potpourri, de medley als je wilt, España. Chabrier schreef deze compositie in 1883 en die zou iets later tot een wals worden bewerkt door zijn landgenoot Emile Waldteufel. Eén fragment daaruit hoor je dus terug in Hot diggity. Voor de tekst grepen ze terug naar een uitspraak van zanger Al Jolson die nadat hij het nummer There’s a rainbow around my shoulder had gezongen het publiek aansprak met: ” Hot diggity dog! Hot kitty! Hot pussycat! Didn’t I tell you, you’d love it?” Met dit liedje onder de arm trok Perry Como in 1956 naar de “Webster Hall” in New York City om het daar in te blikken samen met het orkest van Mitchell Ayres en producer Joe Carlton. De gitarist van dienst had net zijn pols gebroken en moest dringend vervangen worden. De keuze viel op de toen 19-jarige student Bill Aken, die later als Zane Ashton een bekend gitarist zou worden. Het liedje werd eerst uitgebracht als B-kant van het nummer Juke Box Baby, maar het publiek koos voor Hot Diggity. In de Britse top veertig kon Como met Hot diggity doorstoten naar de vierde plaats. Hij zou in Engeland twee keer een nummer één op het droge halen en wel met Don’t let the stars get in your eyes en Magic Moments.

In Nederland werd Hot diggity geen hit. Daar was het in 1959 wel raak met Mandolins in The Moonlight, goed voor een tweede plaats in hun top veertig. Wij Belgen hadden meer een zwak voor Papa loves mambo dat hier in 1954 een nummer één werd. Hot diggity ging aan onze aandacht voorbij, maar dat werd rijkelijk gecompenseerd in 1958. In het Expojaar scoort Como hier zijn tweede nummer één en wel met het romantische Mandolins in the moonlight. Ook zijn hit Caterina doet het hier vier jaar later opnieuw uitstekend! Daar kom ik zo meteen op terug, want in de States komt Como aardig aan de bak met Juke Box Baby, in 1956 goed voor een tiende plaats in de top honderd. Meteen nadien pakt hij ijzersterk uit met More gekoppeld aan het nummer Glendora, beide een toptienhit in de zomer van dat jaar. Intussen heeft Como openlijk verklaard dat hij niet zo tuk is op rock- ‘n-roll. Het ligt hem niet en hij legt het ook naast zich neer behalve wanneer hij gasten voor zijn show uitnodigt, want  op tv blijft hij zich profileren als de beste crooner van dat moment. Elke zaterdagavond bindt hij op televisie de strijd aan met zijn rechtstreekse rivaal Jackie Gleason. Gleason neemt zijn shows steeds vooraf op, Como zweert bij het livegebeuren, hij houdt van de spanning en van de sfeer van het moment. Hij voelt zich niet te beroerd in zijn tv-show het podium te delen met de rockers en tieneridolen van dat moment: Fats Domino, The Everly Brothers, Brenda Lee, Paul Anka, Fabian, Connie Francis, Bobby Rydell enz.. De jaren die volgen zal “The Perry Como Show” steeds in de top vijf eindigen van de meest populaire tv-shows. Hij is ook de enige muzikale show die daar constant in opduikt. Alleen de series “I Love Lucy” en ”Gunsmoke” doen het beter. Como houdt er een druk werkschema op na. Elke maandagochtend zit hij aan tafel met zijn redactie om de nieuwe show van de zaterdag daarop voor te bereiden. Tussendoor wordt er tijd vrijgemaakt om nieuwe nummers in te zingen. Hij moeit zich niet meer met de keuze van de songs, die laat hij in vol vertrouwen over aan de staf van RCA Records. Hij is maar wat blij wanneer die hem in 1957 een song voorschotelen van Joe Shapiro en Lou Stallman Round and Round. Producer van dienst is Joe Reisman. De zesde april 1957 neemt Perry Como met Round and Round de eerste plaats in de Top Honderd over van Buddy Knox die daar op één staat met Party Doll. Slechts één week blijft Como aan de top en wordt dan aan de kant gerockt door Elvis Presley met All Shook Up.

Het is opnieuw raak in 1958 wanneer Como Billboard’s Hot One Hundred gaat aanvoeren met Catch A Falling Star, een pakkende song van Lee Pockriss en Paul Vance waarmee Perry Como de “Grammy Award for Best Vocal Male Performance” in de wacht sleept. Onthou dat dit zijn allerlaatste nummer één zal worden in de Amerikaanse charts. Hij scoort nadien nog een paar toptienhits waaronder Magic Moments en Kewpie Doll. Magic Moments was een van de eerste liedjes die Burt Bacharach en Hal David samen schreven en wel in 1957. Vergeten we in die lange rij bekende songs van Perry Como zeker Mandolins in The Moonlight niet.

Met Italiaanse roots in zijn stamboom kon het niet uitblijven of Perry Como zou toch wat Italiaans getinte songs inblikken. Zijn collega’s Jerry Vale, Vic Damone en Dean Martin hadden hem dat al voorgedaan. Aan de heren Aaron Schroeder en George Weiss wordt gevraagd iets te componeren waarin mandolinen de aandacht trekken. Woorden als ti voglio tanto bene en mia signorina moeten voor de Italiaanse kruiding zorgen. De achttiende september 1958 trekt Como naar RCA Victor’s Studio “A” in New York samen met producer Joe Reisman en zijn vertrouwde orkest onder leiding van Mitchell Ayres en met de vocale steun van The Ray Charles Singers. De 27ste oktober wordt Mandolins in The Moonlight op single uitgebracht met op de B-kant Love Makes The World Go Round. Mandolins in The Moonlight wordt geen echte hoogvlieger, maar blijft voor de meeste fans wel een Perry Como-klassieker. In Engeland geraakt Como tot op de veertiende plaats in de Top Veertig en bij ons in België zit er voor Como zelfs een tweede plaats in de Top Dertig in.

Wanneer in 1963 de kijkcijfers van “The Perry Como Show” wat beginnen te dalen, besluit Perry niet meer wekelijks op het scherm te verschijnen, maar over te schakelen naar speciale tv-shows, een achttal per jaar. Voor vele kijkers een ontgoocheling, want Como was een vaste waarde geworden, een soort family man, part of the family. Como haakt net op tijd af, want kijk daar duiken The Beatles op en zullen zowat alles wat tot dan toe gangbaar is, overhoophalen. Como krijgt nu veel vrije tijd voorgeschoteld. Hij heeft weer zin om te gaan optreden en qua songkeuze hoeft hij zich niet meer te houden aan liedjes die op maat van zijn tv-programma’s zijn geschreven. Hij werkt niet langer samen met Mitchell Ayres en hij gaat ook andere studio’s opzoeken dan die in New York. Op uitnodiging van Steve Sholes gaat hij in Nashville opnemen, het mekka van de countrymuziek. In New York beschikte Como over door de bank genomen zo’n twintig muzikanten en waren de arrangementen vooraf keurig uitgeschreven. In Nashville zitten er zo’n achttal muzikanten in de studio klaar en bestaan de arrangementen uit een aantal snel neergepende akkoorden, méér niet. Dat is voor Como even wennen, maar het went. Hij kan hier op zijn gemak opnemen, de strijkers worden er meestal achteraf aan toegevoegd. En voor de rest speelt hij een partijtje golf. Hij had intussen nog aardig gescoord met singles die hij nog in New York had ingeblikt: Moon Talk en Caterina.

De 31ste maart 1962 staat Perry Como met Caterina in de Amerikaanse hitlijsten op de 23ste plaats, zijn 136ste single die de top honderd haalt. Caterina is eigenlijk een heel eenvoudig liedje. Zou je het in het Nederlands zingen dan zou je een tekst krijgen als “Als we kussen Caterina dan ben ik helemaal opgewonden. Hoe lang is de lijst van lippen die je hebt gekust? Oh hoe blij zou m’n hart zijn als ik wist dat ik je enige geliefde ben. Zeg dat het waar is, Caterina enz...” We zouden er in die vorm snel het label ‘smartlap’ op kleven. Caterina was in 1961 geschreven door componist Maurice Bower op een eenvoudige tekst van Earl Shuman, die Como ook aan songs zou helpen als  Love is a Christmas Rose en One day is like another. Shuman wou het koste wat het kost een liedje met daarin een meisjesnaam die wereldwijd bekend was. Ze waren helemaal niet verbaasd dat kinderen zo tuk waren op die song. Lyrics als ‘ha-ha-ha’ en ‘ho-ho-ho’ sporen snel aan tot meezingen. Het werd dus heel snel een heuse sing-a-long. De veertiende februari 1962 zit Perry Como achter de microfoon in de “Webster Hall – opnamestudio” in New York samen met de producers Hugo en Luigi. Die staan erop dat Como dit inzingt met zijn vaste band, het orkest van Mitchell Ayres samen met The Ray Charles Singers. Caterina zal het vooral goed doen in Europa: in Engeland geraakt de single net in de Top 40, maar in Italië stoot de plaat door naar de tiende plaats in de hitlijsten  en in ons land wordt het zelfs een nummer drie.

En nu dus zijn Nashville-verhaal. De eerste hit die hij scoort met een nummer dat hij hier heeft opgenomen is met Dream On Little Dreamer waarmee hij tot op de 25ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred doorstoot. Samen met accordeonist Nick Perito die zijn nieuwe muziekregisseur wordt, trekt Perry in 1966 naar Rome om daar in de loop van de maand mei een ganse elpee in te blikken met daarop uitsluitend covers van Italiaanse klassiekers. Het album wordt in de etalage gezet als “Perry Como In Italy”. Het is de veertiende elpee die Como voor RCA inblikt en die volgens de nieuwste technische standaard van dat moment ” dynagroove technology” wordt vereeuwigd.  In de studio zitten er méér dan vijftig muzikanten klaar. Ray Charles, niet te verwarren met de r&b-zanger, dirigeert het achtergrondkoor. Nick Perito bemoeit zich met de arrangementen. Enkele hoogtepunten op dat album zijn Anema E Core en E Lei. Nadien kabbelen de jaren zestig voor Perry rustig voort. Iedereen denkt dat de man stilaan is uitgezongen tot hij in 1970 in de studio staat voor de opname van It’s Impossible. Deze keer krijgt hij de steun van de bekende producer Don Costa. Het nummer, origineel bekend als Somos Novios van de hand van de Mexicaanse componist Armando Manzanero, wordt van een Engelse tekst voorzien door Sid Wayne. De 14de november 1970 brengt RCA de song op single uit. Iets later staat Perry Como ermee in de top tien. Twaalf jaar geleden was hem dat voor het laatst overkomen met Kewpie Doll. Dat nummer zal iets later ook te horen zijn op de gelijknamige elpee, zijn zeventiende en dat opgenomen in “full living stereophonic sound”. Hij zal nadien nog één keer stevig van zich laten horen met de in Nashville opgenomen cover van Don McLeans And I Love You So. Het is op aanraden van producer Chet Atkins dat Como dit inzingt. In de maand augustus van 1973 staat Perry ermee op de 29ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Hij kan er prat op gaan dat hij sinds de jaren veertig elk decennium meermaals in de top honderd genoteerd staat. In Engeland wordt It’s Impossible met een vierde plaats in de top veertig beloond. Daar keert hij twee jaar later in terug op drie  met And I love you so en vier maanden later met For The Good Times, bekroond met een zevende plaats.

De maand juni 1983 is voor zijn platenfirma RCA een uitstekend moment om Perry Como in “The Rainbow Grill” van het “Rockefeller Center” in New York in de bloemen te zetten naar aanleiding van de verkoop van méér dan honderd miljoen platen. Uit handen van de voorzitter Thornton Bradshaw ontvangt hij een beeld van hemzelf in brons gegoten. Hij krijgt ook een gelukstelegram van president Ronald Reagan. Meteen na de viering verlaat Como via de achteruitgang het hotel en vliegt dadelijk terug naar zijn woning in Florida. In de spots staan was Como gewoon, omringd door zijn fans, maar al die festiviteiten en vieringen daarrond waren aan hem niet besteed. Na al die jaren begreep hij nog steeds niet waaraan hij zijn succes te danken had en vooral niet dat hij na zoveel jaren nog steeds zo geliefd was. Vrienden wisten wel beter, Como was iemand die nooit het contact met zichzelf verloor, hij leefde in zijn cadans, zo dicht mogelijk bij zijn eigen ik. Het enige wat hij hierop kon antwoorden was: “Some people love dogs, I like people. They called me Mister Nice Guy and I was happy with that. People would come up to me like I was a friend and then they’d realize at the last minute they’d never met me”.

Roselle, de echtgenote van Perry Como met wie hij de 31ste juli 1933 op 21-jarige leeftijd in het huwelijk trad, overlijdt in 1998.  Zij kregen drie zonen: Ronnie, David en Terri. Roselle had nog net de goedkeuring verleend aan het stadsbestuur van Canonsburg om een monument voor Perry op te richten. Perry is te ziek om dit allemaal van nabij te kunnen volgen en is er ook niet bij wanneer het beeld de 25ste mei 1999 wordt onthuld. Aan de voet van het standbeeld staat vermeld “To This Place God Has Brought Me”, een van Perry’s favoriete uitspraken. Ter zijde, in Canonsburg werden de voorbije jaren nog twee andere bekende artiesten gehuldigd: de groep The Four Coins en zanger Bobby Vinton. Als kers op de taart wordt Third Street in Canonsburg waar Perry ooit een kapsalon uitbaatte, omgedoopt tot Perry Como Avenue.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

Al Martino

Wanneer we er de Amerikaanse hitlijsten bij halen, dan zien we dat Al Martino zijn eerste hit scoorde in 1952 en die reeks pas afrondde in 1977. Wie snel kan tellen, merkt dat Al op de kop af vijfentwintig jaar lang hits heeft gescoord en dat er een duidelijk verschil is tussen de hits die hij in Amerika liet noteren en die in Europa.

Al Martino is een rasechte Italo – American, een Amerikaan met Italiaanse roots. Hij werd de 7de oktober 1927 in een gezin van vijf kinderen in Philadelphia in de staat Pennsylvania geboren als Jasper Cini. Papa heette Gasparino, maar om het voor de Amerikanen wat gemakkelijker te maken, werd zijn zoon Jasper genoemd. De familie Cini had haar roots in Abruzzo. Papa was aannemer en in zijn kielzog werden zijn zonen metselaars. Thuis klonk er altijd veel muziek. Pa had platen in zijn collectie van Perry Como, Judy Garland en Al Jolson en er werd naar goede Italiaanse gewoonte vaak en veel meegezongen. Een goede vriend van de familie Cini was Alfredo Cocozza die als Mario Lanza naam zou maken als een van de beste tenoren van zijn generatie. Jasper wou net zoals zijn vriend zanger worden, maar er was nog een lange weg te gaan. Zijn vader had liever dat zijn zoon in zijn bedrijf bleef, maar Jasper zag het anders. Hij moest eerst onder de wapens, want Amerika ging zich mengen in de Tweede Wereldoorlog. Jasper geraakte gewond tijdens een gevecht in de Pacific, maar eenmaal terug thuis wordt dat leed snel vergeten en kan hij zich gaan toeleggen op een zangcarrière. Een tijdlang komt hij aan de bak als zanger in de zaak van Bill Rodstein in Philadelphia waar hij 35 dollar per week verdient, maar in 1948 trekt hij op aanraden van Mario Lanza naar New York City. Intussen heeft hij de naam van zijn grootvader langs moeders kant aangenomen Martino en gaat in New York optreden in lokale nightclubs. Hij deelt daar een flat samen met Eddie Fisher en Guy Mitchell, twee heren die in de jaren vijftig een behoorlijke rist hits zouden scoren. Zij hadden beiden deelgenomen aan de in die tijd bekende Arthur Godfrey Talent Scouts Show en Al Martino wou daar zijn kansen ook wagen. Omdat Perry Como zijn grootste idool is, kiest hij een liedje van hem If waarmee hij die zangwedstrijd wint. Hij wordt hier ontdekt door iemand van het kleine platenlabel B.B.S.  dat in 1952 met hem een platendeal sluit.

Als eerste nummer kiest Al voor het belcantoachtige Here In My Heart. De platenbazen van Mario Lanza horen dit en besluiten dat Mario het ook op plaat moet zetten, maar dat vindt Al van het goede iets teveel. Hij zoekt telefonisch contact met de familie Cocozza die hem Mario’s nummer in Hollywood doorspeelt. Hij vertelt zijn vriend dat hij weet dat hij met Here In My Heart een hit in handen heeft, maar geen schijn van kans ziet als Mario het ook gaat inzingen. Met zijn hand op zijn hart belooft Mario dat hij het nummer niet zal opnemen en alle eer en glorie aan zijn vriend Al Martino wil laten.  Martino zingt het nummer alsof het een opera-aria betreft. Met een ietwat geforceerde uithaal op zijn Lanza’s zet hij het nummer in om iets verder over te schakelen op zijn crooners stem in de stijl van zijn idool Perry Como. Here In My Heart wordt eerst een hit in Philadelphia. Hij heeft snel door dat er iets niet oké is met de platendeal. Hij leent de auto van zijn vader, een oude Ford, en begint aan een reis van drie dagen richting California waar hij hoopt een platendeal af te sluiten met een van de belangrijkste platenfirma’s van dat moment Capitol Records. Voyle Gilmore die als producer in dienst is bij Capitol Records ziet niets in het nummer Here In My Heart, maar hij is wel weg van de stem van Al Martino. Na heel wat heen- en weer gepraat, geeft Voyle toch toe en zegt hij alle steun toe aan de versie die Al voor B.B.S. heeft opgenomen. Dezeventiende mei 1952 staat de single op één in de Amerikaanse charts. Hij zal daar drie weken na mekaar blijven glunderen. Het zal ook zijn allereerste gouden plaat worden. Collectors kunnen nog altijd op zoek gaan naar die originele versie op het B.B.S. Label nr. 101. Pas tien jaar later neemt Al Martino dit nummer opnieuw op, deze keer op het Capitol Label en in een stereoversie. Die versie zou de 24ste juli 1961 op single worden uitgebracht en tot op de 86ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred geraken. De veertiende november 1952 staat Al Martino met Here in My Heart op één in de Britse top veertig met de originele monoversie. Hij wordt daarmee de allereerste nummer 1- notering in de allereerste editie van de hitlijst in Engeland gepubliceerd door New Musical Express. Deze prestatie levert hem een notering op in het Guinness Book of World Records. In Engeland blijft Here In My Heart negen weken na mekaar op één genoteerd. Drie weken na de release in Amerika van Martino’s Here In My Heart brengt platenfirma Mercury Records een versie op de markt gezongen door Vic Damone en nog iets later doet CBS hetzelfde, deze keer in de versie van de dan nog piepjonge Tony Bennett. Beide versies worden bekroond met een behoorlijke hitnotering.

Tijdens die opnamesessie voor B.B.S. had Al Martino nog twee songs ingeblikt. Capitol koopt echter de rechten over en brengt als volgende single het nummer Take My Heart op single uit, deze keer op het Capitol Label. Dit nummer was ook van de hand van de heren die Here In My Heart hadden geschreven: Bill Borelli, Pat Genaro en Lou Levenson. Pat Genaro was diegene die voor Vic Damone You’re Breaking My Heart had geschreven. Take My Heart geraakt in Amerika op de twaalfde plaats, in Engeland op de negende van de charts. De 2de februari 1953 beslist Capitol Records een song van Lavello en Pressman op single uit te brengen, het nummer Rachel in de Amerikaanse hitlijsten goed voor een dertigste plaats in de top honderd. In Engeland zit er voor de single een tiende plaats in. Zowel  Here In My Heart, Take My Heart als Rachel nam Al Martino op samen met het orkest van Monty Kelly.

En dan gebeurt wat iedereen wat gevreesd had. Plots is het verhaal van Al Martino in de hitlijsten uitgezongen. Hij had te weinig ervaring om dat succes te kunnen opvangen en hij was nog te jong. Zo werd verteld, maar zo meteen krijg je een ander verhaal te horen. Hij is nog maar vijfentwintig en kan die voortdurende druk niet zo goed aan, lees je in de kranten.  Hij weet ook niet zo goed welke kant hij uit moet. Capitol Records koppelt hem in 1953 aan het orkest van Les Baxter met wie hij de song When You’re Mine inblikt. De single geraakt tot op de zevenentwintigste plaats in de Amerikaanse top honderd, maar meteen nadien is het afgelopen voor Al. Wat weinigen echt weten is dat de mob, de maffia, zich met zijn carrière ging bemoeien. Het verhaal wil dat ze een nieuwe manager aanwijzen, iemand uit de New Yorkse gangsterwereld Albert Anastasia. Albert was op zijn negentiende vanuit Tropea in Calabria naar New York verhuisd. Op vraag van de New Yorkse maffia dwingt Albert, Martino tot het betalen van 75.000 dollar, dan zal de maffia hem in ruil extra bescherming en werk aanbieden. Martino weigert en wordt na een optreden in mekaar getimmerd. Bont en blauw zit er niets anders op voor hem dan Amerika in alle stilte te verlaten. Martino trekt met zijn gezin richting Engeland waar hij op dat moment erg populair is. Hij wil daar in alle rust aan zijn carrière voortbouwen. Hij treedt regelmatig op in The London Palladium en scoort tot 1955 een aantal hits in de Britse top veertig met singles als: Now, Wanted, The Story of Tina en The Man From Laramie. In Amerika worden zijn platen haast niet meer gedraaid en geraakt hij ook niet meer aan de bak.  Intussen heeft de rock ‘n’ roll zich van de hitlijsten meester gemaakt en zijn het de jongeren die het voor het zeggen hebben. In 1958 keert Al Martino nadat het daar voor hem wat veiliger is geworden naar zijn thuisland terug. Zijn voormalige manager Albert Anastasia werd het jaar voordien in het “Park Shea Hotel” in New York vermoord. Martino vereffent zijn schulden met de maffia en keert naar de States terug. Omdat hij New York en de mob als de pest wil mijden, gaat hij in Los Angeles wonen. Veel werk heeft hij daar eerst niet en besluit dan maar opnieuw te gaan optreden in diverse nightclubs. Hij sluit een platendeal met het label 20th Fox. Die brengen een aantal songs op de markt die het niet onaardig doen in de top honderd. Zo scoort Al Martino in 1959 met I Can’t Get You Out Of My Heart en datzelfde jaar met Darling, I Love You, maar hoogvliegers worden het niet. Met zijn eigen centen neemt hij het album “The Exciting Voice of Al Martino” op dat een tijdje in de kast blijft liggen tot hij een nieuwe deal kan sluiten met Capitol Records die het album alsnog in 1962 op de markt brengen en dat met veel succes. In de nasleep daarvan neemt Al de elpee “The Italian Voice of Al Martino” op met daarop onder meer het in die tijd populaire Al Di La dat onder anderen Connie Francis met veel succes had ingezongen. Een paar tv-optredens zorgen ervoor dat Al zich opnieuw in de kijker kan zingen. Hij heeft intussen ontdekt dat ook countryliedjes hem aardig liggen en hij trekt de 31ste januari 1963 naar de platenstudio met als eindresultaat een cover van een oude hit van Leon Payne I Love You Because dat de 6de april op single wordt uitgebracht en waarmee hij iets later tot op de derde plaats van Billboard’s Hot One Hundred geraakt. Martino had ontdekt dat met country wel wat te scoren viel. Ray Charles had hem dat voorgedaan met I can’t stop lovin’ you en Nat King Cole met Ramblin’ Rose in een productie van Belford Bricks die al eerder It’s Just A Matter Of Time voor Brook Benton had geproduceerd. Op dat moment had Al Martino het schrijverstalent van Peter De Angelis ontdekt die zijn twee volgende hits bij mekaar pent: Painted, Tainted Rose goed voor een vijftiende plaats in de Amerikaanse charts en het daaropvolgende Living A Lie goed voor een tweeëntwintigste stek in de Amerikaanse top honderd. In een interview gaf Martino later toe dat hij te lang bij De Angelis was blijven hangen en te veel nieuwe liedjes had opgenomen in plaats van te blijven grasduinen in het aanbod steengoede countrysongs. Al Martino had op zijn manier immers geprobeerd met de opname van I Love You Because country als muziekgenre toegankelijk te maken voor de popcharts. In Nashville ontstond stilaan de Nashville Sound onder aanvoering van Chet Atkins en zangers als The Anita Kerr Singers, Patsy Cline en Jim Reeves. Eddie Arnold gaf achteraf toe dat door toedoen van Al Martino hij zijn nummer Make the World Go Away wat opfriste en op die manier werd het ook een hit in de poplijsten. Later zou iemand als Kenny Rogers van deze verdiensten profiteren.

Maar zijn grootste hit moest nog komen, internationaal gezien dan toch. In 1965 nam Al Martino Spanish Eyes op. Die song was van de hand van Bert Kaempfert. In de zomer van 1964 kwam Bert met Decca-producer Milt Gabler tot een akkoord een elpee op te nemen met als werktitel Music from around the world. Het zou een muzikale rondreis worden langs Japan, Afrika, Europa en Amerika. Bert zette zich meteen aan het werk en ging alvast op zoek naar bekende internationale songs die aan die landen gelinkt worden: Hava Nagila, Midnight in Moscow… Hij had ook groen licht gekregen om het album aan te vullen met een aantal eigen composities. Hij koos Italië als inspiratiebron. Hij trekt zich terug op zijn buitengoed aan de Brahmsee in Holstein. Hij denkt al zoekend naar een romantische invalshoek aan de maan die  over de baai van Napels schijnt. Je moet immers iets hebben om in de mood te geraken. Die gedachte strookt niet met de realiteit, want buiten stormt het en giet het pijpenstelen. Wat niet belet dat Kaempfert een van zijn mooiste en meest romantische songs componeert Moon over Naples. Wanneer producer Milt Gabler twee maanden later, we zijn dan september 1964, in Hamburg arriveert om met de opname van het album te beginnen, heeft hij beslist dat de elpee “The Magic Music From Far Away Places” zal heten. Dat instrumentaaltje Moon over Naples valt hem meteen op. Hij probeert er een tekst bij te verzinnen, maar dat lukt hem niet meteen. De Amerikaanse uitgever van Bert Kaempfert, Hal Fein, komt op de proppen met een schrijversduo dat in Amerika al naam had gemaakt, Charlie Singleton en Ed Snyder. Zij hebben het lumineuze idee het liedje voortaan  Spanish Eyes te noemen. Toen ze op zoek gingen naar een geschikte zanger kwam Bert Kaempfert bij Freddy Quinn terecht met wie hij in de jaren vijftig nauw had samengewerkt. Platenfirma Polydor wou daarmee Quinn een kans geven ook in Amerika door te breken. Enkele weken later wordt de song ingeblikt, maar noch de directie van Decca, noch die van Polydor zijn tevreden met het resultaat. Ze stellen voor het nummer opnieuw in te blikken tijdens een vakantie van Quinn en Kaempfert in Florida. Quinn had wat problemen met het zingen van het liedje omdat de tekst en de maat niet juist zaten. Hij belt tekstschrijver Charlie Singleton die voorstelt om er Blue Spanish Eyes van te maken, de juiste beslissing op het juiste moment, zo lijkt het toch . Terug in Duitsland weigert Polydor het liedje op single uit te brengen omdat ze de tekst niet lusten. Geen enkele Spanjaard heeft blauwe ogen, opteren ze. In Amerika wordt de song wél uitgebracht en doet het vrij aardig bij enkele lokale radiostations. Blue Spanish Eyes komt ook Al Martino ter ore die net bezig is met de opname van zijn elpee  ”My Cherie”. De song wordt gelijk ingeblikt en meteen beslist zijn platenfirma Capitol records het nummer op single uit te brengen met als eindresultaat een vijftiendeplaats in de Amerikaanse charts in de lente van 1965. Bij ons wordt het een tijd later een nummer 1 in de BRT top dertig. Wie tuk is op dit liedje, beveel ik graag de cd “Moon over Naples/Spanish Eyes” aan, uitgegeven door Bear Family Records ( BCD 16674 AH)  met daarop in het totaal 24 versies van Spanish eyes, beginnend bij de instrumentale versie van Bert Kaempfert over die van Freddy Quinn en Ivo Robic tot en met Al Martino, The Ventures, Pat Boone én Johnny Mathis. In de Britse top veertig staat Spanish Eyes na een tweede poging op vijf, in Nederland geraakt de single niet hoger dan de veertiende plaats. Spanish Eyes staat zoals ik al vermeldde op het album “My Chérie” dat Al Martino in 1965 uitbrengt op het Capitol Label en het is een van de mooiste albums die hij als crooner in zijn loopbaan heeft ingeblikt met smaakvolle covers van klassiekers zoals: Melody of Love, Three Coins in a Fountain, Till en Fascination. Al Martino had snel door dat er in Europa een aantal jongens zaten die wisten hoe ze goede songs moesten schrijven. Hij zou drie jaar later, inpikkend op het  succes van Love Is Blue van de Franse orkestleider-componist Paul Mauriat die op één geraakte van Billboard’s Hot One Hundred met een instrumentale versie van dat nummer, een gezongen versie van die hit opnemen met als resultaat een zevenenvijftigste plaats in de Amerikaanse hitlijsten.

Al blijkt een goede neus te hebben qua repertoirekeuze. In 1967 neemt hij het nummer Mary In the Morning op, een nummer geschreven door Michael Rashkow samen met Johnny Cymbal die we nog kennen van zijn hit Mr.Bass Man. Mary in The Morning wordt de 27ste mei 1967 op single uitgebracht en geraakt tot op de zevenentwintigste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Het was vooral de baas van het radiostation WFIL in Philadelphia die het nummer grijsdraaide, want zijn vrouw heette namelijk Mary. Soms nam Martino liedjes op die niet aansloegen bij de radiomakers en het platenkopend publiek, maar die zijn echte fans na aan het hart dragen, singles zoals: Hush, Hush, Sweet Charlotte uit de gelijknamige film en Look Around. Toen Al nog een tiener was en vaak naar 78-toerenplaten luisterde, was hij gek van liedjes als Red Roses for a Blue Lady dat hij kende in de versie van Vaughn Monroe en Daddy’s Little Girl dat hij gehoord had gezongen door Dick Todd. In 1965 en in 1966 kon hij het niet laten beide  liedjes op te nemen. Een song die Elvis Presley had geselecteerd voor de film “Blue Hawaii”, Can’t Help Falling in Love zou voor Al Martino een aangename ervaring worden toen hij het nummer de 15de januari 1970 inzong. De single wordt door Capitol Records de maand nadien op 45 toeren uitgebracht en zal doorstoten naar de 51ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Uit de succesvolle film “Love Story” koos Martino in 1971 voor het nummer Look Around ( You’ll Find Me There) en het jaar nadien voor Speak Softly Love uit “The Godfather”. In de film zelf speelt Al Martino de rol van Johnny Fontane waarin sommigen een verwijzing zien naar Frank Sinatra die met de steun van de maffia aan het begin van de jaren vijftig een comeback maakte dankzij een bijrol die hij kon spelen in de film “From Here to Eternity”. Johnny Fontane is in “The Godfather” een zanger die graag filmster wil worden in de stijl van Sinatra. Ook in de sequels “The Godfather II en III ” duikt Al Martino op in de rol van Johnny Fontane. Aanvankelijk kreeg Martino de rol niet, want nadat producer Al Ruddy hem de rol had toegezegd, werd er van regisseur gewisseld en ging Francis Ford Coppola de film regisseren, maar die wou niet met Martino samenwerken tot Bob Evans van Paramount Pictures, een goede vriend van Al , bij Coppola bleef aandringen en hij uiteindelijk toch de rol krijgt toebedeeld.

Om in de Italiaanse sfeer te blijven, in 1973 scoorde Gigliola Cinquetti een hit met Alle Porte del Sole, een nummer dat Al Martino vertaalde als To The Door Of The Sun op tekst van Norman Newell. Het nummer wordt de achttiende november 1974 als single gereleaset in Amerika goed voor een zeventiende plaats in de top honderd en daarmee in de States zijn laatste toptwintighit, al had hij in Europa nog een dijk van een hit tegoed. In de maand juli van 1975 duikt hij nog eens de studio in. Hij heeft een discobewerking laten maken van de hit Nel Blu Dipinto Di Blu en wil daarmee inpikken op de discorage die almaar meer oprukt in de internationale hitlijsten. In de originele versie van Domenico Modugno was het liedje al een hit in Amerika geweest. Modugno won daar in 1958 het songfestival in San Remo mee. Hij schreef de muziek op tekst van Franco Migliacci. Zowel de jury, de pers als het publiek waren meteen in de wolken toen ze het liedje voor de eerste maal hoorden. Maar dat het zo’n vlucht zou nemen, had zelfs Domenico niet durven te dromen. Modugno was al dertig toen hij aan het festival deelnam. Het verhaal wil dat hij de school vrij snel voor bekeken hield, met zijn gitaar van Polignano a Mare, zijn geboortedorp, naar Rome trok om daar zijn geluk te zoeken. Hij kwam daar aan de kost als ober en fabrieksarbeider. In zijn vrije tijd componeerde hij liedjes. Zijn eerste had hij klaar toen hij veertien was Ninna nanna. Domenico was vooral gefascineerd door de film. Met Cinecittà, de Italiaanse filmstudio, vlak in de buurt schreef hij zich na zijn legerdienst in aan een theaterschool. Een van zijn klasgenoten was Sophia Loren. Hij pikte hier en daar een rolletje op, maar zijn doorbraak kwam er toen hij de rol van zanger mocht vertolken in ”Il mantello rosso”. Die rol leverde hem een contract op als zanger in de radioshow van Walter Chiari. In 1955 trok hij op tournee door Amerika op uitnodiging van nogal wat Italo – Americans. Zijn deelname twee jaar later aan het Napolitaans songfestival met Lazzarella leverde hem de overwinning op. Nel blu dipinto di blu, intussen beter bekend geworden als Volare, was een rist Amerikaans artiesten ter ore gekomen die stonden te dringen om het op te nemen. Op een bepaald moment stonden er in de loop van 1958 zeven verschillende versies in de Amerikaanse top honderd nadat Mitchell Parish de song van een Engelse tekst had voorzien: Dean Martin, Nelson Riddle, Umberto Marcato, Linda Ross, Alan Dale, Jesse Belvin en na een tijdje de originele van Domenico Modugno doken in de charts op. De melodie was zo sterk dat de Amerikanen niet eens hoefden te verstaan waarover Modugno zong. De achttiende augustus 1958 stond Volare op één in de Amerikaanse charts en dat vijf weken na mekaar.  Modugno zou datzelfde jaar een Grammy Award in ontvangst mogen nemen nadat Volare was uitgeroepen tot record of the year. In 1975 nam Al Martino dus een discoversie van Volare. op. In Nederland zat er voor hem een derde plaats in. De Amerikanen lustten die versie niet zo. Een drieêndertigste plaats vonden ze méér dan voldoende, terwijl de Engelsen de single zelfs compleet negeerden. In ons land werd het echter een serieuze voltreffer met een tweede plaats in de top dertig als hoogste waardering. Omp het verhaal volledig te vertellen, vermeld ik in de marge dat Al Martino in 1993 een nieuwe versie zou opnemen en wel samen met de Duitse producer Dieter Bohlen, voormalig lid van het succesvolle popduo Modern Talking. Samen met Bohlen nam Al een gans album op “The Voice to Your Heart” dat vooral bij onze oosterburen zou scoren.

De laatste keer dat Al Martino in de Amerikaanse charts zal opduiken is de 10de december 1977 en dat met  The Next Hundred Years uit zijn album”After The Lovin’”, opgenomen in de Media Sound Studios in New York in een productie van Joel Diamond. Na die periode blijven de hits uit, treedt Al onafgebroken op. In 1982 besluiten hij en Capitol na het uitblijven van hits, hun samenwerking af te ronden.  In 1999 gaat hij in op een uitnodiging van Billy Joel om samen met zijn  orkest te komen optreden tijdens de viering van Billy’s vijftigste verjaardag. Een jaar later staat hij in de studio’s voor de opnamen van de albums “Style” en “Come Share the Wine”. Hij selecteerde samen met zijn vaste pianist John Rodby de songs en nam met onder meer een pak muzikanten uit New Orleans het album Style op. In 2006 zien we Al Martino in de rol van de bejaarde crooner Sal Stevens in de korte speelfilm, hij duurt amper 17 minuten, “Cutout” van de hand van regisseur Marc Cantone. De dertiende oktober 2009 overlijdt hij in Springfield, Pennsylvania, zes dagen na zijn 82ste verjaardag en wordt begraven op het Holy Cross Cemetery in Culver City, California. Hij wordt tijdens de begrafenis omringd door zijn echtgenote Judi met wie hij meer dan dertig jaar was gehuwd en hun drie kinderen Alison, Alfred en Alana. Twee maanden later wordt Al Martino bijgezet in de galerij van “The Hit Parade Hall of Fame”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Bobby Darin

Nog maar zeventien en dan al mogen optreden in de “Tommy Dorsey TV-show”. Je moet het maar kunnen en op je 21ste aan de vooravond staan van een internationale carrière. De bio van Bobby Darin leest dan ook als een sprookje al heeft de man onderweg heel wat meegemaakt. De veertiende mei 1936 werd Walden Robert Cassotto in New York City geboren. Je hoeft geen polyglot te zijn om meteen door te hebben dat zijn roots in Italië geworteld liggen. Om je straks niet te fel te doen schrikken, vertel ik nu alvast dat hem geen lang leven beschoren was, want op zijn zeveendertigste stierf hij na enkele hartaanvallen. Zijn gezondheid heeft trouwens nooit meegezeten. Tijdens zijn jeugd kreeg hij herhaaldelijk aanvallen van reumatische koorts die zijn hart enorm verzwakten, zo erg zelfs dat de dokters vreesden dat hij de leeftijd van vijfentwintig niet zou halen. Dat overtuigde Bobby des te meer om in zijn carrière te investeren. Hij wou koste wat het kost zanger worden en dat is hem uiteindelijk gelukt ook.

Hoe kwam hij aan zijn artiestennaam?  Wel, hij woonde in de buurt van een Chinees restaurant dat de naam Mandarin droeg. Het stond te lezen in felgekleurd neonlicht, maar een deel van de lichtreclame was stuk, de beginletters waren weggevallen zodat voorbijgangers dachten dat het restaurant Darin heette. In 1956 ontmoet Bobby de dan piepjonge muziekuitgever Don Kirshner. Ze besluiten een duo te vormen, want Bobby kon toen al aardig liedjes bij mekaar schrijven. Een talentscout kwam dat aan de weet en stapte met een paar nummers van hen naar platenfirma Decca die het wel zagen zitten, ook dat ze een deal sloten met Bobby als zanger. Een week nadat Elvis Presley zijn debuut had gemaakt in de tv-show van de gebroeders Dorsey, dook Bobby erin op, maar dat zou niet lang duren, want nadat Bobby voor Decca samen met zijn groep The Jaybirds vier singles had uitgebracht die ze aan de straatstenen niet kwijtraakten, werd hun platendeal opgedoekt en konden ze terug naar af. Zo nam hij onder andere een cover op van Rock Island Line van Lonnie Donegan. Gelukkig was er nog belangstelling van het Atco-label, maar ook hier flopten de singles die Bobby voor hen opnam. Bobby en Don bleven samen liedjes schrijven. Ze lieten hun songs vaak horen aan bekende dj’s zoals Cousin Brucie alias Bruce Morrow en Murray ” The K” Kaufman van het radiostation WINS. Zowat iedereen hield van hen en vooral van hun inzet en doorzettingsvermogen. Op zekere dag zit Bobby ‘s avonds thuis op het appartement van Murray The K op de piano wat te improviseren. Bobby wil  zich wat opfrissen in de badkamer net op het moment dat Murrays moeder telefoneert. Murray vertelt haar waar ze mee bezig zijn, onder meer met het schrijven van een paar leuke dolkomische deuntjes, waarop ze voorstelt waarom Bobby geen liedje schrijft over een heerlijk verfrissend bad nemen. Het was in de rock ‘n’ roll toch de gewoonte op basis van eenvoudige situaties in nietszeggende woorden als doowop- da -dee- dee of wap bop a lula liedjes te schrijven, iets verzinnen bij splish splash, takin’ a bath hoefde toch niet moeilijk te zijn.  Twaalf minuten later heeft Bobby het liedje klaar en zijn eerste million seller op zak.  Splish Splash zou in 1958 in Engeland een succes worden in de versie van comedian Charlie Drake.

Decca wilde van dat succes een graantje meepikken en brengt twee songs uit die Bobby iets voordien had ingeblikt. Ze releasen Early in the morning en Now we’re one als single onder de schuilnaam The Ding Dongs, maar Avco komt snel achter de waarheid, spant een proces aan dat de zeventiende juni 1958 in hun voordeel wordt uitgesproken. Decca moet die twee songs aan hen afstaan. Avco brengt die bewuste songs opnieuw uit en verandert de naam The Ding Dongs in The Rinky Dinks en het wordt Bobby’s tweede hit. Decca was ferm op de tenen getrapt en weet Buddy Holly te forceren tot een soort rushrelease van beide songs die snel op 45 toeren worden uitgebracht, maar niet hoger dan een 32ste plaats in de top 100 geraakten. Bobby Darin heeft de smaak en de juiste keuze te pakken. Hij wedt iedere keer op het juiste paard.  Queen of the hop wordt een hit net als Plain Jane en Dream lover  met aan de piano niemand minder dan Neil Sedaka. Intussen had zijn platenfirma er wel op aangedrongen Don als manager te laten vallen. Dat zat Don zeer hoog. Om het verdriet enigszins te milderen, besluit Bobby zijn eerstvolgende songs uit te geven bij de muziekuitgeverij Aldon Music die Don Kirshner net had opgericht samen met Al Nevins. Omdat Bobby een brede muzikale smaak heeft en bij zijn platenfirma wel wat in de pap te brokken heeft, mag hij in de maand oktober van 1959 een ganse elpee uitbrengen met daarop American Standards. “That’s All” wordt de titel van het album dat inzet met Mack the knife dat heel wat reacties uitlokt. Avco aarzelt dan ook niet die song als single te releasen. Het wordt Bobby’s enige nummer 1. Ook  Beyond the sea ( La Mer van Charles Trenet) uit datzelfde album doet het beregoed als single. Daarmee heeft Darin een nieuwe trend gezet, standards inblikken met een swingende band als begeleiding. Hij krijgt daarin navolging van collega’s als Bobby Rydell, Frankie Avalon en Paul Anka. Bij de dames viel Darin méér dan zomaar in de smaak. Hij had al een affaire gehad met de populaire Connie Francis, maar daar had haar vader een stokje voor gestoken. Bij wie het wel lukte, was de in die tijd graag geziene filmster Sandra Dee. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat Bobby ook op het witte doek gezien wou worden. Tussen 1961 en 1962 neemt hij zeven films op in een tijdspanne van amper 15 maanden, films zoals: “Come September”,  ”If a man answers” en “The last Westerner”om er een paar te noemen. Hij zou later ook in de film ”Captain Newman” meespelen, een rol die hem een Oscar oplevert.

In de zomer van 1962 ondertekent Bobby Darin een nieuw platencontract, deze keer bij Capitol Records. Zijn eerste single wordt de titelsong van de film ”If a man answers” met twee weken later de release van de elpee  ”Oh look at me now”. Het verlangen om nog eens een hit te scoren, wordt ingewilligd wanneer Capitol besluit You’re the reason I’m living als single uit te brengen, een topdriehit in 1963. Vliegensvlug wordt er een ganse elpee ingeblikt om in het kielzog van dit succes hoge verkoopcijfers te kunnen noteren. Het wordt een elpee met uitsluitend countrygetinte songs en dat na het succes dat Ray Charles had behaald met  I can’t stop loving you. Charles, tussen haakjes, was een idool van Bobby Darin. Met het geld dat Bobby intussen verdiend had, richt hij in 1963 T.M.Music Inc. op, een firma die zich zal inzetten om jong talent te promoten. De eerste artiest die hij tekent, is Wayne Newton. Wayne zou de daaropvolgende jaren een rist hits scoren en een graag geziene tv-ster worden.  T.M.Music werd ook een geslaagde muziekuitgeverij met songs als: Under the boardwalk van The Drifters, Hey little cobra van The Rip Chords en Beach girl van Pat Boone.

Omdat aan het begin van de jaren zestig Bobby graag country zong, besloot Capitol 18 yellow roses op single uit te brengen, een oude hit van Marty Robbins. In de maand maart van 1964 vraagt Bobby een onderhoud met de directie van Capitol aan en smeekt beleefd of zijn contract kan worden afgerond, iets vroeger dan gepland. Hij wil in een andere omgeving en met andere mensen samenwerken. Capitol gaat akkoord na het uitbrengen van een aantal opnamen die ze nog op de plank hadden liggen. Vijf maanden later heeft Bobby nog altijd niet beslist met wie hij in zee wil gaan. Je mag het dwaas noemen, maar hij vraagt Capitol of hij opnieuw met hen scheep mag gaan. Een liveshow opgenomen in november 1963 in Las Vegas zou de nieuwe elpee worden, maar daar is nooit wat van in huis gekomen. In de plaats daarvan verschijnt het album ”From Hello Dolly to Goodbye Charlie”, een elpee met musicalmelodieën. In de maand mei van 1965 volgt de langspeler  ”Venice Blue”. Drie maanden later verhuist Bobby dan toch van platenfirma en klopt opnieuw aan bij Avco/Atlantic. Omdat hij niet zo goed weet wat hij moet opnemen, blijft hij trouw aan zijn Broadwaystijl tot hij op zekere dag de liedjes ontdekt van Tim Hardin, een jonge folkzanger, en neemt van hem If I were a carpenter op, eindelijk nog eens een top tien hit voor Bobby. In ruil voor dat succes schrijft Bobby in 1969 op zijn beurt voor Tim  Simple song of freedom, de enige keer dat we Tim zullen tegenkomen in de top 50. Darin had intussen zijn imago wat aangepast aan zijn nieuwe keuze van liedjes. Lang haar en een snor moesten bewijzen dat hij politiek bewuster was geworden. Het verbaasde dan ook niemand dat hij Bobby Kennedy steunde tijdens diens verkiezingscampagne. Omdat Darin zijn eigen ding wil doen, richt hij zijn eigen platenfirma Direction op  en brengt een sociaalgetinte song als Long Line Rider uit onder de naam Bob Darin. Maar die ernst laat hij een tijd later varen wanneer het echte succes uitblijft. Hij keert terug naar zijn  poproots en naar Las Vegas . Hij krijgt ook een eigen tv-show  ”The Bobby Darin Show”,  om in 1973 een platendeal te sluiten bij het inmiddels legendarisch geworden Tamla Motown. Met twee liedjes uit “The Lady sings the blues”,  Melodie en  Happy  herhaalt hij nog eens zijn successen van weleer.

Voortdurend geplaagd door hartproblemen die al opdoken toen hij zo’n jaar of acht was, ondergaat Bobby in 1971 een openhartoperatie. Twee hartkleppen worden vervangen. Zijn herstel verloopt prima tot hij eind 1973 opnieuw het ziekenhuis in moet voor een bijkomende operatie. Deze keer is het van het goede te veel en Bobby overlijdt in de nacht van de twintigste december in het “Cedars – Sinai Medical Center” in Los Angeles, Californië. Hij had vooraf te kennen gegeven dat hij zijn lichaam wilde afstaan aan het medisch centrum van de UCLA voor onderzoek. Op zijn uitdrukkelijk verzoek heeft er ook geen begrafenis plaats.

In 1990 kreeg Bobby postuum een plaats toegewezen in de “Rock’n’ Roll Hall of Fame”. Een absolute aanrader als je iets meer over zijn loopbaan wilt weten, is de film die over zijn leven werd gemaakt en uitgebracht in 2004  ”Beyond the sea” waarin zijn rol wordt gespeeld door Kevin Spacey, die ook de regie  voor zijn rekening nam en erop stond al de songs die in de film opduiken, zelf te zingen. Toch waren de critici niet lovend. De meesten vonden Spacey te oud om een geloofwaardige Bobby Darin neer te zetten. De film werd ook ‘a box office bomb’, een term die in Hollywood wordt gebruikt om films mee te quoteren waarvan de productiekosten veel hoger liggen dan de opbrengst nadien.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Tony Bennett

Hij en hij alleen mag en kan het op zijn actief schrijven: dat hij de oudste zanger ooit is die op 85-jarige leeftijd met een album op de eerste plaats in de Billboard’s album charts stond. In 2006 had hij al een Grammy gekregen voor zijn album Duets en zes jaar later kreeg hij er zelfs twee, deze keer voor de opvolger Duets II. Zijn naam: Tony Bennett!

Anthony Benedetto komt uit een gezin van drie kinderen, zoon van Anna Suraci en John Benedetto. Johns vader, Giovanni, was een rasechte Italiaan geboren in Podargoni in de Italiaanse provincie Reggio di Calabria. Op het einde van de 19de eeuw kwam er een ware invasie van Italianen op gang richting Amerika. De ganse familie Benedetto ging op zoek naar the big American dream. John had geen sterke gezondheid, kon nergens aan de slag, zodat mama voor het geld moest zorgen. Zeggen dat Anthony samen met zijn broer John Jr. en zijn zus Mary in armoede opgroeiden, is zeker niet overdreven. Anthony, geboren de 3de augustus 1926, was nog maar tien toen zijn vader overleed. Amerika kreunt onder de depressie. Gelukkig is er de naaste familie om een handje en een tandje bij te steken. Toen pa nog leefde, leerde hij zijn kinderen van kunst en literatuur te houden. Muziek was er ook: Eddie Cantor, Joe Venuti, Enrico Caruso, Louis Armstrong, Bing Crosby, Judy Garland, Al Jolson… De familie Bennett woonde in Queens, New York. Op zekere dag organiseert burgemeester Fiorello La Guardia een feest naar aanleiding van de inhuldiging van The Triborough Bridge en Anthony mag zingen. Die brug verbindt drie van de vijf boroughs, woongemeenschappen, in New York: Manhattan, Queens en The Bronx. Dede 11 de juli 1936 wordt de brug voor het verkeer opengesteld. Omdat ze thuis nogal krap bij kas zitten, gaat Anthony op zijn dertiende in Italiaanse restaurants in Queens opdienen en zingen. Daarnaast is hij dol op tekenen en dus verdeelt hij zijn tijd over zijn twee passies. Omdat hij zo handig is met het ontwerpen en schetsen van figuurtjes schrijfthij zich in aan de High School of Industrial Art in New York. Hier kan hij ook muziek studeren. Maar thuis gaat het er financieel almaar meer op achteruit en op zijn zestiende haakt Anthony qua studies definitief af. Omdat hij niet meteen als professioneel zanger aan de bak kan, gaat hij werken bij The Associated Press in Manhattan en probeert zo veel mogelijk bij te klussen. Het zingen laat hem niet los. Hij wint hier en daar een zangwedstrijd en treedt met veel succes en enige regelmaat op in de Paramus, een nightclub in het naburige New Jersey. Wanneer de Tweede Wereldoorlog stilaan ten einde loopt, moet Anthony onder de wapens. Hij volgt een opleiding in Fort Dix en Fort Robinson. Hij maakt deel uit van the 255th Infantary Regiment of the 63rd Infantry Division. Hij trekt met hen daadwerkelijk naar het slagveld en belandt op die manier in Frankrijk en Duitsland. Hij ervaart het hele gebeuren als een helse operatie en ontsnapt meerdere keren ei zo na aan de dood. Op het einde van de oorlog maakt hij ook nog de bevrijding van het naziconcentratiekamp in Landsberg mee.

Tony blijft nog een tijdje in Duitsland en treedt daar op als Joe Bari samen met The Army Special Services Band. De naam Bari leent hij van een landstreek in Italië (een populaire zanger uit die streek wordt later Nicola di Bari). In 1946 wordt hij uit het leger ontslagen, keert naar New York terug en gaat daar aan The American Theatre Wing zangles volgen. De regering vond dat jonge soldaten die tijdens de oorlog hun kans hadden gemist om een degelijke schoolopleiding te volgen, nu een tweede kans moeten krijgen. Ze mogen zelf hun school uitkiezen, de regering staat in voor de onkosten. The American Theatre Wing was in 1939 in Manhattan opgericht door de dames Rachel Crothers en Antoinette Perry. Na de Tweede Wereldoorlog richten ze zich vooral op de opvang van oorlogsveteranen om hun wat ontspanning te bezorgen en bieden soldaten de kans zich in de theaterwereld in te werken. Bennett leert hier zelfs opera-aria’s zingen en die kunst van de belcantostijl bezorgt hem een uitstekende ademhalingstechniek die hem later nog goed van pas zal komen.  Bennett gaat op zoek naar een platenfirma die met hem in zee wil en komt terecht bij het kleine Leslie Records-label dat een aantal singles uitbrengt, maar zelfs geen hond die er oren naar heeft. In 1949 wordt hij door de bekende musicalzangeres Pearl Bailey gevraagd op te treden in Greenwich Village in een show samen met Bob Hope. Hope is meteen weg van het talent van Anthony en vraagt of hij niet samen met hem op tournee wil op voorwaarde dat hij zijn naam verandert in Tony Bennett. Tijdens hun optredens zingt Tony ondermeer de song Boulevard of Broken Dreams, een lied uit 1933 van de hand van Al Dubin en Harry Warren en het jaar nadien bekend geworden wanneer het in de film “Moulin Rouge” opduikt. Tony maakt er een demoversie van die ter ore komt van Mitch Miller van Columbia Records en een platencontract ligt binnen handbereik. Miller, die het klappen van de zweep kent, smeekt Bennett de zangstijl van Frank Sinatra s.v.p. niet te kopiëren. Sinatra had het net aan de stok gekregen met Miller omdat die volgens The Voice hem dwaze liedjes liet zingen zoals Mama will bark geschreven door Dick Manning en als duet gezongen samen met Dagmar. Voor de echte Sinatra-fans is dit de slechtste plaat die Sinatra ooit heeft ingeblikt en voor Ol’ Blue Eyes was daarmee de kous af en ruilt hij Columbia Records tegen Capitol Records. Miller is dus maar wat blij dat hij Tony Bennett in zijn platenstal krijgt.

Miller had een goede neus voor geschikte songs, goede arrangeurs en vooral goede orkesten. Hij linkt Tony Bennett meteen aan Percy Faith en laat een bewerking maken van het nummer Because of You dat al in 1940 was neergepend door Arthur Hammerstein en Dudley Wilkinson. De 4de april 1951 zit Tony Bennett samen met het orkest van Percy Faith in de CBS Studio in 30th Street in New York, de 23ste juni staat Tony Bennett met de single op één in de Amerikaanse top tien. In diezelfde stijl brengen ze een bewerking op single uit van een oude countryhit van Hank Williams Cold Cold Heart. De 28ste juli 1951 staat het nummer boven aan de Amerikaanse charts. Bennett had zich geen betere start van zijn carrière durven te dromen. Nadien mag hij even uitblazen al scoren de singles Blue Velvet en Here in my Heart niet onaardig. Het valt op dat Bennett met zijn stijl ook een jonger publiek aanspreekt net zoals Sinatra dat voordien deed. Ondanks vele vrouwelijke fans stapt Bennett de 12de februari 1952 in het huwelijk met Patricia Beech die hij na een optreden in een nightclub in Cleveland tegen het lijf was gelopen. Ze krijgen de jaren nadien twee zonen: Danny en Daegal. Onthou die namen, want ze worden een sterke steun in pa’s carrière decennia later.

Bennett, goed op dreef bij Columbia Records, neemt in 1953 een swingende versie op van Rags to Riches dat de Presley-fans in een veel latere versie van hun idool kennen. De song is  geschreven door Richard Adler en Jerry Ross, verantwoordelijk voor hits als Hernando’s Hideaway en Whatever Lola Wants. In het najaar van 1953 staat Bennett met Rags to Riches op één in de Amerikaanse charts. Met de volgende single herhaalt hij die stunt op enkele centimeters na. Hij strandt op twee in de maand december van 1953 met Stranger in Paradise weggeplukt uit de op dat moment razend populaire musical “Kismet”. Bennett zal in de loop van zijn carrière vaker muzikale hoogtepunten uit diverse musicals inblikken. In Engeland wordt zijn versie van Stranger in Paradise ook een hit en daarmee zet hij vaste voet aan de grond in Europa. Van de singles die volgen bereiken er een aantal nog de Top 10 onder meer There’ll Be No Teardrops Tonight en Cinnamon Sinner.

In 1955 duikt de rock ‘n ‘ roll in de hitlijsten op, maar die concurrentie deert Bennett niet. In 1957, wanneer Elvis Presley en zijn kompanen de top tien inpalmen, scoort Tony een hit met In The Middle Of An Island. De 5de augustus wordt het nummer op single uitgebracht en bereikt iets later de negende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Voor de volledigheid en om je nu al te verwittigen, meteen ook de laatste toptiennotering voor de rest van zijn carrière. Vanaf 1957 gaat Bennett samenwerken met pianist Ralph Sharon die hem adviseert niet langer te dwepen met zeemzoeterige ballads, maar eerder uit te kijken naar goede jazzstandards. Datzelfde jaar blikken ze het album ”The Beat of My Heart” in en krijgen daarbij de instrumentale support van Herbie Mann, Nat Adderley, Chico Hamilton en Art Blakey.  Als eerste zal Tony Bennett een jaar later ook samenzingen met het jazzorkest van Count Basie op de elpee “Basie Swings, Bennett Sings” wat ze een jaar later nog eens overdoen op het album ”In Person!”dat ze tussen de 22ste en 30ste december 1958 in New York inblikken met daarop geweldige songs zoals Just in Time en Firefly in een productie van Mitch Miller.

In navolging van Sinatra ontpopt Bennett zich als een zanger die zich het best thuis voelt op de podia van bekende nightclubs al trekt hij in de zomer van 1962 richting Carnegie Hall samen met onder meer The Ralph Sharon Trio, Kenny Burrell en Al Cohn voor een erg gesmaakt concert met daarin zomaar liefst 44 songs verwerkt. Vooral de nummers The Best Is Yet To Come en I’ve Got The World On A String laten horen dat Tony Bennett niet voor niets in Frank Sinatra een van zijn grootste fans heeft gevonden. The Voice is namelijk tuk op de stemmen van Bennett en die van zijn collega Vic Damone, ook al een jongen met Italiaanse roots.

Ook al geraakt de single niet in de Amerikaanse top tien toch zou Tony Bennett in 1962 zijn meest bekende song opnemen I Left My Heart in San Francisco. Je zal ver moeten zoeken om een muziekliefhebber tegen te komen die niet met deze evergreen vertrouwd is. Deze klassieker werd al in 1954 door George Cory op tekst van Douglas Cross geschreven. Oorspronkelijk was deze fantastische song door Cory en Cross voor Claramae Turner, een Amerikaanse operazangeres, een contra-alt, geschreven, die dit liedje wel zong, maar nooit op plaat heeft gezet. Zij was verbonden aan de New York City Opera. Eenmaal dook ze op in een film, dat was in 1956 in “Carousel” van Rodgers en Hammerstein. Claramae Turner zong I left my heart in San Francisco vaak tijdens haar concerten als bisnummer, maar haar versie werd dus  nooit op plaat vereeuwigd, die eer was voor Tony Bennett weggelegd. Het was Bennetts jarenlange begeleider Ralph Sharon die hem  op I left my heart in San Francisco attendeerde. Hij was namelijk bevriend met de componisten Cory en Cross en tijdens een optreden in het Fairmont Hotel in San Francisco spoorde hij Bennett aan deze song aan zijn repertoire toe te voegen en op te nemen. Die opname werd een bescheiden hit in 1962, geraakte tot op de negentiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Tony kreeg zowel een Grammy Award voor beste song alsook voor beste zanger van 1962. Toen in 2001 een lijst werd opgesteld met daarin de belangrijkste songs van de voorbije 20ste eeuw mocht I left my heart in San Francisco zich op een drieëntwintigste plaats nestelen. De stad San Francisco heeft intussen de song tot een soort tweede hymne gebombardeerd samen met de titelsong uit de film San Francisco van 1932. Tony Bennett beweerde in The Tonight Show with Jay Leno in 2006 dat hij het liedje voor de allereerste keer in The Tonight Show starring Johnny Carson in 1962 zong toen die met die tv-show voor de eerste maal op uitzending ging. Cross en Cory gaven jaren later toe dat ze in het begin problemen hadden met de titel. Eerst heette het liedje When I return to San Francisco, nadien werd het When I come home tot het uiteindelijk I left my heart in San Francisco werd.

Meteen na dit succes pakt Bennett uit met naar mijn mening een van zijn beste platen I Wanna Be Around dat ook de titel wordt van zijn nieuwe elpee. De single klimt tot op de veertiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred in de maand januari van 1964, het album zelf tot in de top vijf van de Amerikaanse album Top tweehonderd. Qua repertoire heeft Bennett ook enkele Franse chansons ontdekt van onder meer Henri Salvador, Sacha Distel en Gilbert Bécaud die hij gelijk laat vertalen wat aangeeft dat Bennett steeds op zoek is naar geschikte songs. Een hoogvlieger op die plaat is na al die jaren, naast de titelsong, nog altijd het nummer The Good Life gebleven.Naarmate de sixties vorderen, wordt het voor Bennett almaar moeilijker om nog met singles op te vallen in de hitlijsten. Intussen zijn The Beatles met in hun kielzog de beatboom gearriveerd. Toch neemt hij een aantal nummers op die we zeker niet uit het oog mogen verliezen: Who Can I Turn To, Fly me To The Moon en If I Ruled The World uit de Broadwaymusical “Picknick” dat ik naast deze uitvoering van Tony ook koester in de versie van The Righteous Brothers.

In 1965 stopt de samenwerking tussen Tony Bennett en zijn vaste pianist en muziekadviseur Ralph Sharon. Columbia gaat een andere politiek voeren. Ze hebben hun bekendste sterren aangemaand, en dan denk ik onder meer aan Barbra Streisand en Lena Horne, om hun repertoire iets meer poppy te kleuren. Het is onder druk van platenbaas Clive Davis dat Bennett zich laat overhalen het album ”Tony Sings the Great Hits of Today” op te nemen. Tony houdt niet zo van het woord hits, hij dweept meer met klassiekers, songs die de tijd hebben doorstaan, doorbloeiers en ook nieuwe songs die zeer degelijk zijn geschreven. Hij wil zijn publiek het beste serveren wat er qua songmateriaal op de markt is. De reacties op het album zijn zo slecht dat Bennett in een depressie belandt. Bennett moet ook nog verwerken dat zijn vrouw Patricia hem in de steek laat. Bennett heeft zijn oog laten vallen op actrice Sandra Grant. Ze zullen de 29ste december 1971 in alle stilte huwen en in Los Angeles gaan wonen en krijgen twee dochters Joanna en Antonia.

Omdat Bennett het niet meer ziet zitten om nog langer de bemoeizucht van zijn platenfirma te slikken, richt hij een eigen maatschappij op Improv. Hij laat zich deskundig omringen door pianist Bill Evans met wie hij de elpees “The Tony Bennett/Bill Evans Album” en “Together Again” opneemt. Het enige dat niet meezit, is dat Bennett geen firma vindt die zijn platen wil verdelen en alzo gaan zijn plannen met Improv naar de haaien. In 1977  is dat liedje uitgezongen. Buiten een paar concerten in Las Vegas schiet er voor Bennett haast niks meer over: geen manager, geen platenfirma en geen huwelijk, want ook Sandra ziet geen samenzijn meer zitten. Bennett geraakt aan lagerwal, aan de drugs en de alcohol. Ten einde raad zoekt hij contact met zijn zonen Dae en Danny uit zijn eerste huwelijk. Danny, zelf een muzikant, besluit zijn vader te helpen. Danny heeft een goede neus voor zaken en dat wil hij combineren met het muzikale talent van zijn vader. Pa heeft geen rode duit meer, dus hij heeft geen andere keuze dan zijn zoon als manager aan te duiden én als zakenpartner. Het eerste wat zijn zoon doet is pa’s uitgaven krimpen en terug in New York gaan wonen. Hij besluit op zoek te gaan naar kleine theaters om daar met pa op te treden zodat die zich opnieuw in de picture kan zingen. Tony zoekt opnieuw contact met zijn vroegere pianist Ralp Sharon. Qua hits moet Tony Bennett inmiddels een heel eind terug over zijn schouders kijken en terugdenken aan de laatste singles die hij had uitgebracht zoals: The Shadow of Your Smile, Georgia Rose en For Once in My Life, stuk voor stuk releases uit de tweede helft van de jaren zestig. Na jaren zonder platencontract te hebben gezeten, keert Tony in 1986 terug naar Columbia Records die opnieuw in hem geloven met als resultaat de plaat ”The Art of Excellence”. Het is zijn zoon Danny die de productie voor zijn rekening neemt. Op dit album staan onder meer I Got Lost in Her Arms en het beeldschone How Do You Keep The Music Playing. Danny wil dat zijn vader ook een jonger publiek aanspreekt. Hij vindt dat het medium televisie hem daarbij een handje kan helpen en gaat op zoek naar een show die ook de jongeren aanspreekt en komt zo terecht bij “Late Night with David Letterman”. Wanneer pa ook een plaatsje krijgt in “The Simpsons” en “The Muppets Tonight” is de aftrap gegeven.  Geschikte albums worden daarbij niet uit het oog en het oor verloren. Conceptalbums krijgen daarbij de voorkeur. Als hommage aan zijn collega Frank Sinatra brengt Bennett in 1992 de cd “Perfectly Frank” in een productie van Andre Fisher op de markt en een jaar later “Steppin’ Out” in een productie van David Kahne met een knipoog naar Fred Astaire. Beide albums leveren hem  de Grammy Best Traditional Pop Vocal Performance op en worden elk met goud bekroond. Danny koppelt zijn vader tijdens The MTV Video Music Awards show aan The Red Hot Chili Peppers.

De overbrugging tussen jong en oud is daarmee een feit. In 1994 volgt haast logischerwijze de show MTV Unplugged en Tony vraagt aan Elvis Costello en k.d. Lang of ze hem daarbij niet willen assisteren. Dit alles verschijnt op het album MTV Unplugged: Tony Bennett goed voor de platina status en de Grammy Best Traditional Pop Vocal Performance of The Year, alweer. Zijn bankrekening is intussen weer het bekijken waard, goed voor zo’n slordige 20 miljoen dollar en dan is pa Bennett nog maar 73 en nog lang niet aan rusten toe. Per jaar werkt hij zo’n tweehonderd concerten af.

Om komaf te maken met de vele verhalen die over hem de ronde doen, waar of niet waar, publiceert hij in 1998 het boek “The Good Life: The Autobiography of Tony Bennett”. De jaren nadien blijft hij de Grammy’s opstapelen, onder meer in 2000 voor het album “Bennett Sings Ellington: Hot & Cool”, in 2003 voor “Playing with My Friends: Bennett Sings the Blues”, in 2006 voor “The Art of Romance” en in 2007 voor “Duets: An American Classic”.. Hij bereikt daarmee de hoogste plaats ooit in de Amerikaanse album top tweehonderd. Het album is een cadeau voor zijn tachtigste verjaardag. Er wordt samengezongen met Barbra Streisand, Paul McCartney, James Taylor, Elton John en Billy Joel onder het toeziend oog van producer Phil Ramone. Vijf jaar later is het opnieuw raak en krijgt hij opnieuw een Grammy voor het album ”Duets II” met deze keer het jongere geschut zoals: Norah Jones, Amy Winehouse, Michael Bublé, Lady Gaga en Mariah Carey. Met méér dan zeventig albums op zijn actief en méér dan vijftig miljoen verkochte exemplaren behoort Tony Bennett tot de absolute wereldtop. Met inmiddels een ster op The Hollywood Walk of Fame en een ereplaats in The Big Band and Jazz Hall of Fame mag Tony Bennett in 2002 The Lifetime Achievement Award from The American Society of Composers, Authors and Publishers in ontvangst nemen. Goede doelen steunt hij aan de lopende band. Ik ga ze niet opsommen, maar niet voor niets wordt hij soms gekscherend Tony Benefit genoemd. Ook zijn zoon Dae steunt hij door dik en dun. Pa heeft ervoor gezorgd dat zoonlief de plak mag zwaaien in hun studio Bennett Studios in Englewood, New Jersey terwijl zoon Danny zijn honkvaste manager blijft. Dochter Antonia Bennett timmert intussen aan een carrière als jazzzangeres. Antonia studeerde aan het befaamde Berklee College of Music in Boston en dweept met Billie Holiday en Rickie Lee Jones.

In 2014 neemt Bennett samen met Lady Gaga het album “Cheek to Cheek” op, nadat ze met de single The Lady is A Tramp veel lof hadden gescoord. De 12de februari 2012 wint Bennett zijn 15de en 16de Grammy tijdens de 54ste uitreiking van deze felbegeerde muziekprijzen.

Waar de kinderen intussen ook trots op zijn, is het talent van pa als kunstschilder. Hij signeert zijn kunstwerken als Anthony Benedetto of kortweg Benedetto. Hij is door de jaren heen les blijven volgen waar en wanneer het maar enigszins kan en kon en kent de belangrijkste musea als zijn broekzak. Wereldwijd hebben zijn schilderijen menige galerie gesierd. In opdracht van de Verenigde Naties schilderde hij twee kunstwerken. In The National Arts Club in Gramercy Park in New York hangt zijn schilderij Boy on a Sailboat permanent te bewonderen alsook zijn Central Park in het Smithsonian American Art Museum in Washington DC. Mocht je nader kennis willen maken met zijn schilderijen dan is er sinds 2007 het boek “Tony Bennett in the Studio: A Life of Art & Music”. En onthou wat Tony Bennett zo vaak in menig interview heeft gezegd en dat geldt zowel voor zijn schilderijen als voor zijn songs:” If something’s good, it lasts forever”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

Glen Campbell

Ze bestaan hoor, mannen die er al dan niet prat op gaan dat ze meerdere keren gehuwd zijn geweest, vaders zijn van vele kinderen, intussen de tel zijn kwijtgeraakt omdat ze op schoot zitten bij Alzheimer! Glen Campbell mag zich aangesproken voelen: viermaal gehuwd, vader van acht kinderen en sinds een aantal jaren strijd leverend met alzheimer. Daarnaast, om het verhaal ook fraai in te kleuren, eigenaar van 12 gouden platen en méér dan vijftig miljoen verkochte platen.

Glen komt uit een gezin van twaalf kinderen. Hij werd de 22ste april 1936 in Billstown in Pike County in de staat Arkansas geboren. Er woonden iets méér dan honderd mensen. Hij vond het zelf the end of the world.  Acht kilometer verderop lag de enige verharde weg uit de buurt. Pa werkte zich te pletter op hun boerderij en teelde zowat alles wat eetbaar was. Muziek stond bovenaan als voornaamste bezigheid na het harde labeur. Glens opa speelde niet onaardig gitaar, pa eveneens en hij wou dat Glen dat ook leerde. Hij was nog maar vier toen zijn pa hem zijn eerste gitaar toestak. Zijn oudste zus heeft die al die tijd bewaard en het is intussen een gegeerd erfstuk geworden.  Pa wou ook dat Glen meezong, terwijl zij op de gitaar tokkelden. Een van de eerste liedjes die hij aanleerde was Standing On The Promises Of God. Thuis waren ze erg gelovig, lid van The Church of Christ. Jammer genoeg beschouwen die muziek als een uitvinding van de duivel. In de kerk mag geen muziek gemaakt worden, dus meezingen in het kerkkoor zat er voor Glen niet in, nochtans voor veel Amerikaanse zangers de bakermat van hun zangtalent.

Van zijn oom Boo leert Glen de meeste gitaarakkoorden en samen met zijn andere oom Dick Bills trekt hij met diens orkest The Sandia Mountain Boys op tournee door Arkansas en Texas. Niet alleen country staat op hun repertoire, maar ook jazz en blues. Glen is dan pas veertien. Vier jaar later richt hij zijn eigen orkestje op The Western Wranglers en krijgt het gitaarspel almaar beter in de vingers. In 1958 besluit hij op eigen poten te staan en verhuist naar Los Angeles waar ze meteen doorhebben dat Glen een uitstekend gitarist is. Hij wordt een veelgevraagd sessiegitarist. Zo is hij onder meer te horen tijdens enkele opnamen van The Champs die met Tequila een nummer één hadden gescoord. Een tijdlang treedt hij met hen op. Hij tekent in de maand januari van 1961 een contract bij Crest Records en ontpopt zich daar als zanger. Hij scoort een bescheiden hitje met Turn Around Look At Me en vormt met enkele muzikanten van The Champs het groepje The Gee Cees. Van hen verschijnt op datzelfde label het instrumentale nummer Buzzsaw. Dit levert geen hit op en Campbell stapt in 1962 over naar het veel grotere Capitol-label en brengt meteen het nummer Too Late to Worry, Too Blue to Cry op single uit. Samen met The Green River Boys is hij op dat label te horen met het nummer Kentucky Means Paradise, maar zonder resultaat in de hitlijsten. Het leuke aan die periode was dat Glen op een 12-snarige gitaar mag spelen, een feest voor elke gitarist. Vrij snel maakt hij ook deel uit van een groep studiomuzikanten die zich The Wrecking Crew noemen. Hierin vinden we drummer Hal Blaine, pianist Leon Russell, bassist Carol Kaye en gitarist Al Casey terug. Ze reizen van studio naar studio om de ene klus na de andere te klaren. De crew is onder meer te horen tijdens een aantal producties van Phil Spector die aan het begin van de jaren zestig van zich laat horen met zijn “wall of sound”. Glen herinnert zich nog goed dat hij op platen te horen is van sterren zoals Bobby Darin, Ricky Nelson, Merle Haggard, The Monkees, Elvis Presley en The Mamas and The Papas. Op Sinatra’s nummer één Strangers in The Night tokkelt hij lustig in de achtergrond op de elektrische gitaar, net als op diverse opnames van Dean Martin, een van zijn lievelingszangers en een zalige man om mee samen te werken: moppen tappend tijdens de opnamen met een sigaret in de ene hand en een whisky in de andere. Alleen had Glen snel door dat hij die whisky aanlengde met veel water, dus zo’n boozer was Martin niet.

In 1965 besluit Brian Wilson van The Beach Boys het merendeel van zijn tijd in zijn bed, in zijn studio en achter zijn piano door te brengen en vraagt aan Glen of hij niet mee op tournee wil, want hij kende Glen al van een van hun plaatopnamen. In het begin vond Glen het wel leuk, maar na een halfjaar houdt hij het voor bekeken. Op de vraag zich vast bij hen aan te sluiten, gaat hij niet in, want altijd met een hoog stemmetje zingen en alleen maar op de basgitaar tokkelen, vindt Glen van het goede te veel. In 1965 scoort hij trouwens met het door Buffy Sainte- Marie geschreven Universal Soldier een niet onaardige hit.  Hij geraakt tot op de 45ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. De singles die volgen zijn echte slapjanussen tot hij in 1966 gaat samenwerken met producer Al De Lory, een samenwerking die resulteert in de countryhit Burning Bridges. Gelukkig voor hem, want dit was de laatste kans die Capitol Records hem gunde. Dat smaakte meteen naar nog. Met Al opnieuw achter de knoppen blikt Glen in 1968 Gentle on My Mind in en scoort een redelijke hit in de Amerikaanse popcharts. In dit nummer kan hij zich naast het zingen ook heerlijk uitleven op de akoestische gitaar. Hij krijgt voor dit nummer het jaar nadien zijn eerste Grammy Award. De goden lijken hem goed gezind, want hij ontmoet Jimmy Webb waaraan hij niet alleen een lange vriendschap overhoudt, maar ook een componist die hem die songs levert die hem tot een wereldster zullen bombarderen. Hij begint die succesvolle samenwerking met By The Time I Het To Phoenix , een liedje over een man die van plan is zijn vrouw te verlaten, haar dat via een krabbel op een papiertje laat weten en dan zingt over wat hij verwacht dat ze zoal aan het doen is terwijl hij onderweg is, almaar verder weg van haar.

Jimmy Webb  was een van de grootste vernieuwers van zijn tijd, vooral tekstueel. Vanaf zijn eerste hit Up, up and away tot en met MacArthur Park en zijn eigen opvallende albums. Iedereen wilde in die jaren 60 en 70 zijn songs opnemen: Frank Sinatra, Elvis Presley, Art Garfunkel, Richard Harris enz… Hij is de enige artiest die ooit een Grammy Award ontving voor zowel zijn muziek, zijn teksten als voor zijn arrangementen. Jimmy groeide op in een zeer religieus milieu en was vooral beïnvloed door religieuze muziek. Daarnaast sprak de rock- ’n- roll van Presley hem sterk aan. Op zijn veertiende koopt hij zijn eerste plaatje Turn around, look at me en is meteen begeesterd door de stem van de zanger, Glen Campbell. Na zijn muziekstudies in San Bernardino (Zuid-Californië) te hebben beëindigd en wat muziek van anderen te hebben bewerkt, sluit Jimmy een contract af bij Jobete Music, de uitgeverij van Motown Records, en mag zijn eerste song afleveren My Christmas Tree die meteen op de elpee “Merry Christmas, the Supremes” verschijnt. Het jaar daarop, we zijn dan 1966, gaat hij samenwerken met Johnny Rivers die zijn song By the time I get to Phoenix opneemt, maar zonder potten te breken. Dat gebeurt wel wanneer het jaar nadien Glen Campbell diezelfde song gaat inblikken. Het liedje krijgt meteen de status van popstandaard opgekleefd. Ook deze singlehit levert Glen een Grammy Award op. Het lag voor de hand dat hij nog meer songs van de hand van Jimmy Webb zou opnemen. De tweede november van 1968 brengt Capitol de song Wichita Lineman uit op 45 toeren. Goed voor een derde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Jimmy schreef dit nummer toen hij door Washita County reed. Kilometers lang over een eenzame weg met aan weerskanten telefoonpalen. Een eentonig beeld. Op zeker moment merkt hij in een van die palen een werkman die bezig is de bedrading te herstellen. Dat beeld van die eenzame man langs die eenzame weg inspireerde Jimmy tot het schrijven van Wichita Lineman. Waarom niet Washita zoals die county in Oklahoma heet, maar wel Wichita, wel omdat dat beter bekte wanneer Glen het zong. Wichita bestaat wel degelijk en is een county in de staat Texas. Het echte verhaal wil echter dat Jimmy op dat moment een punt achter zijn eerste liefdesrelatie had gezet, of beter gezegd, zijn lief had gekozen voor een andere man.

Nog een nummer van Jimmy Webb zingt Glen Campbell de hitlijsten in. De 24ste februari 1969 wordt Galveston gereleaset, een song over een soldaat die ten strijde trekt en aan zijn vrouw denkt die hij achterlaat in Galveston, Texas. Het is een protestsong, maar niet met de oorlog in Vietnam in het achterhoofd, maar wel de Spaans-Amerikaanse oorlog. De eerste Europese nederzetting hier dateert van 1816.  Galveston was goed voor een vierde plaats in de Amerikaanse poplijsten. Het nummer wordt ook de titelsong van het dertiende studioalbum van Glen Campbell, ook deze keer in een productie van Al De Lory met daarop songs als Today, Until it’s time for you to go en Where’s the playground Suzie?

De vele hits die Glen in de loop van de jaren zestig scoort, maken van hem een megaster. Hij verdeelt dat succes zowel over zijn vele country- als zijn vele popfans. Hij kan dus van twee walletjes eten. Zijn tv-show “The Glen Campbell Goodtime Hour” wordt druk bekeken. Glen kan zich eindelijk omringen met die mensen met wie hij graag musiceert: Kenny Rogers, Buck Owens, Buffy Sainte -Marie, Johnny Cash, Eric Clapton, Stevie Wonder enz… Die show begon in de maand januari van 1969 en liep tot en met de maand juni 1972. Intussen had Freda Kramer zijn biografie neergepend in het boek ”The Glen Campbell Story”, al moest toen nog een groot deel van zijn succes gerealiseerd worden. Intussen bleef Glen platen opnemen en singles releasen al werden die niet zo’n grote hits als Galveston en Wichita Lineman. Ik denk bijvoorbeeld aan Honey Come Back, Try a Little Tenderness en All I Have To Do Is Dream. De vijfde september 1970 wordt It’s Only Make Believe op single uitgebracht met als hoogste notering een tiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Glen had toen niet het minste vermoeden dat er nog twee nummereenhits voor hem in de pijpleiding zaten, zijn allergrootste successen moesten nog komen. In 1974 maakte hij kennis met een liedje dat hem erg aansprak Rhinestone Cowboy in de versie van Larry Weiss die het ook schreef en op zijn elpee ”Black and Blue Suite” zette. Er werd een single van Rhinestone Cowboy geperst, maar zonder hitnotering, al werd het nummer vaak gedraaid onder meer op het radiostation KNX-FM in Los Angeles. Glen wil het absoluut inblikken. Hij krijgt twee nieuwe producers aangewezen voor zijn volgend album en dat worden Dennis Lambert en Brian Potter. Die nemen vier liedjes met hem op waaronder Rhinestone Cowboy. De 26ste mei 1975 brengt Capitol Records het in een soort rush- release op de markt, want enkele dj’s hadden al een promo-exemplaar op de kop kunnen tikken en draaiden het grijs. Larry Weiss die door de tegenvallende verkoop van zijn elpee zijn gitaar aan de wilgen wil hangen en al gesolliciteerd had als verkoper in een meubelwinkel, weet niet wat hem overkomt. Terwijl KC and The Sunshine Band op één staan in de Amerikaanse charts, komt Campbell sterk opzetten om hun plaats in te pikken en twee weken op één te gaan pronken met zijn Rhinestone Cowboy, het verhaal over een zanger op jaren die erin blijft geloven dat hij een geweldige comeback zal maken en dan zal schitteren als een echte rhinestone cowboy. Het is David Bowie die met zijn single Fame die eerste plaats van Glen Campbell zal afsnoepen.

Twee jaar later is het opnieuw bingo voor de heer Campbell. Hij had het liedje Southern Nights van Allen Toussaint gehoord en dacht daarbij meteen terug aan zijn kinderjaren die hij bij zijn ouders doorbracht op hun boerderij in Arkansas. Hij vraagt aan Allen of hij de tekst hier en daar mag aanpassen en aan Gary Klein of hij de productie voor zijn rekening wil nemen. Op de B-kant van de single die de 2de oktober 1976 wordt opgenomen, wil Glen nog eens laten horen hoe goed hij kan gitaarspelen en hij etaleert dat in een bewerking van de Wilhelm Tell Ouverture van Gioacchino Rossini. De 30ste april 1977 staat Glen met Southern Nights op de eerste plaats van Billboard’s Hot One Hundred op de hielen gezeten door The Eagles die na één week het roer al van hem overnemen met Hotel California. Voor zijn volgende single gaat Glen aankloppen bij zijn concurrent-collega Neil Diamond die hem het nummer Sunflower aanbiedt, maar hij kan het succes van zijn vorige singles niet herhalen en dat lukt ook niet met de opvolgers al wordt Can You Fool wél hartelijk onthaald.

Reageerde Europa op dat succes? Toch wel. In Engeland scoort hij toptienhits met Wichita Lineman, All I Have To Do Is Dream, Honey Come Back en It’s Only Make Believe. Rhinestone Cowboy ziet hij bekroond worden met een vierde plaats in de Britse top veertig en daarmee was de kous af. In Nederland wordt alleen Rhinestone Cowboy met open armen ontvangen, goed voor een derde plaats. In ons land moet Glen tevreden zijn met een vierde plaats in de top dertig en worden de singles Southern Nights en Sunflower ook aardig gedraaid. In zijn thuisland blijft Glen stevig scoren, niet zozeer in de poplijsten, maar wel in de countrycharts. Daar is hij heer en meester met singles als: A Lady Like You, The Hand That Rocks The Cradle en Faithless Love. Wat de liefde betreft? Op zeker moment verliest hij zijn hart aan de veel jongere countryzangeres Tanya Tucker. In de roddelpers lezen we dat hij graag aan de fles zit en zijn vrouw trakteert op losse handjes, maar daarover wil Glen het niet hebben als ernaar gevraagd wordt, alsof dit een kant van hem is die hij niet wil laten zien, laat staan onderkennen. Intussen had Glen het aan de stok gekregen met zijn platenfirma Capitol Records omdat die weigerden de song Highwayman van Jimmy Webb op single uit te brengen. In 1981 verlaat hij de firma met slaande deuren. Glen verliest zijn greep op de hitlijsten en zoekt zijn vertier in drugs en alcohol. Acht jaar later laat hij al die rotzooi achter zich en kiest voor een serener bestaan. Daarover kan je aardig wat lezen in zijn autobiografie “Rhinestone Cowboy” die in 1994 gepubliceerd werd. Datzelfde jaar opent hij in Branson, Missouri, zijn eigen theater “The Glen Campbell Goodtime Theatre” in de buurt van de theaters van Bobby Vinton en Andy Williams.

Ook al lijkt Glen Campbell in de ogen van zijn fans de jaren nadien een sober leven te leiden wat drank en drugs betreft, toch wordt hij in 2003 gearresteerd wegens rijden onder invloed. Dat kost hem tien dagen cel. Dat wordt enigszins goedgemaakt door de melding twee jaar later dat hij eervol wordt opgenomen in “The Country Hall Of Fame”. Begin 2008 produceert hij zijn Farewell to Australia Tour samen met The Sydney Symphony Orchestra in The Sydney Opera House. Hij is ook teruggekeerd naar zijn vroegere platenfirma Capitol die de 19de augustus van dat jaar zijn cd “Meet Glen Campbell” op de markt brengen met daarop covers van bekende popsongs van U2, Tom Petty, Jackson Browne en Foo Fighters. Net als Johnny Mathis en Andy Williams is Glen Campbell een fervent golfer met van 1971 tot 1983 zijn eigen golftornooi The Glen Campbell Los Angeles Open georganiseerd door The Riviera Country Club. Toen hij nog in Phoenix, Arizona woonde, speelde hij haast elke dag golf samen met Alice Cooper. Hij woont tegenwoordig samen met zijn vrouw Kim in Malibu, Californië en geniet van zijn vriendschap met onder meer Jim Stafford en Bobby Goldsboro. De 30ste augustus 2011 verscheen het album “Ghost on the Canvas”, zijn afscheidsalbum met bijdragen van, ik noem er een paar, Chris Isaak, Rick Nielsen en Billy Corgan van The Smashing Pumpkins. Het album werd geproduceerd door Julian Raymond en Howard Willing. De impact van de ziekte van Alzheimer heeft het functioneren van Glen zo beïnvloed dat hij en zijn vrouw besloten hebben het in de toekomst rustiger aan te doen en hem op een zo comfortabel mogelijke manier te laten voortleven en genieten van zijn succes.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Johnny Mathis

Er zullen niet veel artiesten op hun palmares kunnen noteren dat ze met één en hetzelfde album 490 weken lang in de Amerikaanse album top 200 genoteerd hebben gestaan. Johnny Mathis lukte dat wel. Hij nam méér dan 100 albums op waarvan er wereldwijd 350 miljoen exemplaren verkocht werden. Daarmee is hij de derde best verkochte artiest van de 20ste eeuw samen met Elvis Presley op de eerste en Frank Sinatra op de tweede plaats. 490 weken lang huisde Mathis in de Amerikaanse top 200 met zijn album ”Johnny’s  Greatest Hits”. Bij ons geen naam die meteen de klokken doet luiden, behalve als je vertrouwd bent met zijn grootste hit in onze contreien Too much, too little, too late.

Johnny werd de 30ste september 1935 als John Royce Mathis geboren in Gilmer, Texas als zoon van Clem en Mildred Mathis. Na een tijdje verhuizen ze naar San Francisco. Het was daar dat John van zijn vader onder meer het liedje My Blue Heaven leerde. Toen John acht werd, kocht zijn vader voor hem een buffetpiano voor amper 25 dollar. Het verhaal wil dat de piano niet door de voordeur van hun kleine appartement kon, dus zat er voor papa Mathis niets anders op dan de piano te demonteren en éénmaal binnen, de piano keurig terug in mekaar te zetten. Thuis waren ze met zeven kinderen. Johnny was de vierde in die rij. Papa was ooit vaudevilleartiest geweest en droomde ervan dat zijn kinderen zouden gaan zingen, maar alleen John toonde echt interesse. Telkens als er bezoek over de vloer kwam, zette pa zich achter de piano en mocht John laten horen hoe goed hij wel kon zingen. John schrok toen op zekere dag zijn stem werd opgenomen en hij die opname beluisterde. Hij vond dat hij eerder een meisjes- dan een jongensstem had. Die wat hoge stem, die hoge noten, is hij altijd blijven behouden, alleen werden ze almaar warmer. Vanaf zijn dertiende kreeg John zangles van Connie Cox. Hij betaalde haar in natura door allerlei klusjes in en om haar huis te klaren. Zes jaar aan een stuk mocht ze hem alles leren: vocalises, klassieke zangtrucjes, zelfs opera-aria’s, niets klonk hem na een tijdje vreemd in de oren. Waar hij maar kon, liet John zijn stem horen: in het kerkkoor, tijdens familiefeestjes, op school, op zangwedstrijden en ga zo maar door. Als student aan de “George Washington High School” viel hij niet alleen op door zijn zangtalent, maar ook door zijn sportieve gedrag. Johns familie was goed bevriend met Garfield Merner die in de raad van bestuur van diverse scholen zetelde en hij hielp John vrij snel aan een studiebeurs. John speelde op die school in het basketbalteam en blonk uit als hoogspringer en hordeloper. Het eerste orkestje waarmee hij als zanger naar buiten trad, was de band van zijn schoolmakker Merl Saunders. Toen die in de maand oktober van 2007 overleed, stond Johnny erop als dank tijdens zijn begrafenis iets te zingen.

Dat hoogspringen verbeterde nog toen hij zich inschreef aan het San Francisco State College waar John zich zou specialiseren in Engels en als sportleraar. Hij zou er maar anderhalf jaar blijven, want meteen nadien zou hem een platencontract worden aangeboden. Maar laat me eerst het verhaal voort vertellen. Hij trad toen hier en daar al op om wat geld bij te verdienen om zo zijn cursussen te betalen. Hij zong vooral liedjes die hij van zijn vader, zelf een goede zanger, had geleerd. In San Francisco had je ook diverse bekende jazzclubs waar John al eens met zijn vader naartoe trok. Hier hoorde hij bekende artiesten aan het werk met de bekende songs van George Gershwin, Cole Porter, Irving Berlin enz… Wat zijn sportieve prestaties betreft hadden sommige lokale kranten het over Johnny als ” the best all-around athlete to come out of the San Francisco Bay Area”. Op een bepaald moment benaderde John als hoogspringer op twee inches na het olympische record van dat moment om maar aan te geven hoe goed hij wel was.

Toch vond hij nog de tijd om te zingen en dat deed hij op zekere dag in “The Black Hawk”, een club van zangeres Helen Noga, die zonder te aarzelen besloot zijn manager te worden. Zij bezorgt hem een contract in het najaar van 1955 in Ann Dee’s “440 Club”. Daar ontmoet John op zekere avond George Avakian, een gerespecteerd producer van Columbia Records, verantwoordelijk voor hun jazzlabel, want dat was het repertoire dat John in die tijd zong, de Amerikaanse jazzstandards. George is zo in de wolken dat hij meteen een telegram naar de directie van Columbia Records stuurt: “Have found phenomenal 19 year old boy who could go all the way. Send blank contracts“. Intussen blijft John voortstuderen en wordt als hoogspringer geselecteerd om in 1956 deel te nemen aan de schiftingswedstrijden met het oog op de Olympische Spelen in Melbourne. Net op dat moment krijgt John een uitnodiging van Columbia Records om in New York met de opname van zijn eerste elpee te beginnen. Zijn vader adviseert hem die kans niet te laten schieten en zo vertrekt het olympisch team zonder Mathis. In de loop van de maand maart 1956 blikt hij zijn eerste elpee in. Hij was op dat moment in de ban van zijn idolen: Lena Horne, Nat King Cole en Billy Eckstine. Zij hadden als zwarte zangers in de jaren vijftig de moeilijke kastanjes al uit het vuur gehaald. Zij hadden ervoor gezorgd dat je als zwarte zanger ook aan de bak kon komen, dus had Johnny het iets gemakkelijker om zijn eerste plaat in de markt te zetten. Die eerste plaat is een verzameling van populaire standards die wat jazzy werden aangekleed en gereleaset onder de titel “Johnny Mathis: a new sound in popular song”. Een wat vreemde gok van zijn platenfirma, want jazzgetinte elpees waren op dat moment niet zo in trek. Op aanraden van zijn manager gaat hij een tijdje in New York wonen en treedt daar op in de bekendste nightclubs: “The Village Vanguard”, “Basin Street East” en “The Blue Angel”.

Columbia Records had snel door dat ze Mathis een ander genre moeten laten zingen. Ze willen hem profileren als een tweede Nat King Cole die bij hun grootste concurrent Capitol Records de pannen van het dak zong. Producer Mitch Miller wordt hem toegewezen en die opteert voor romantische ballads overgoten met een meteen herkenbare sound. Mitch kwam er open en bloot voor uit dat hij niet van jazz hield, dus met die stijl hoefde Mathis niet af te komen. Mitch hield niet van de liedjes die John zong en suggereerde. Hij geeft Johnny een stapel demobandjes met de opdracht er vier uit te kiezen.  In het najaar van 1956 worden uit die keuze twee nummers ingeblikt die meteen hun stempel op de rest van zijn carrière zouden drukken: Wonderful, Wonderful en It’s Not For Me To Say. Johnny weet nog goed dat Mitch Miller naast hem stond in de opnamestudio terwijl hij de nummers inzong en hem regelmatig op de schouders tikte wanneer hij moest invallen, iets dat Johnny immens irriteerde, maar hij hield zich gedeisd en zong zoals van hem verwacht werd. Miller had Johnny opgedragen zo straight mogelijk te zingen, maar daar vond Johnny niets aan. Hij weet nog goed hoe Miller daarop reageerde: “That’s it! I want you to sing like anybody can do it! And make sure that everybody thinks that they can sing like that”.

Wonderful Wonderful wordt de 9de februari 1957 op 45 toeren uitgebracht en geraakt tot op de veertiende plaats in de Amerikaanse top honderd, It’s Not For Me To Say tot op de vijfde. Dat nummer werd door Johnny ook gezongen in de MGM-film ”Lizzie” waarin hij de rol speelt van zingende pianospeler in een of andere bar. Hij zal het jaar daarop opnieuw opduiken in een film, deze keer in “A Certain Smile” waarvan de titelsong een toptwintighit wordt. Maar ik moet even terug in de tijd, want de 19de september 1957 brengt Columbia Records de song Chances Are op single uit en die opname wordt een regelrechte nummer één. Het nummer was datzelfde jaar geschreven door Robert Allen en Al Stillman. Voor Johnny een enorme gebeurtenis, want laten we niet vergeten dat hij nog maar net 22 is wanneer hij op één staat. Johnny was vooral blij voor zijn vader omdat die zo in het talent van zijn zoon geloofde. Hij was ook blij dat zijn zanglerares zo van zijn succes genoot, want zij had de basis gelegd. Toen Johnny iets nadien wat naast zijn schoenen ging lopen, was zij de eerste die hem erop wees dat hij zich iets bescheidener mocht opstellen en daar is Johnny vooral op beginnen te letten. Op de B-kant van Chances Are staat het bijna even succesvolle The Twelfth Of Never gebaseerd op de folksong The Riddle Song. Ik mag niet vergeten aan te halen dat in 1996 Johnny Mathis een nieuwe versie van Chances Are zou inzingen en wel samen met Liza Minnelli.

Een deel van zijn succes had Mathis tijdens zijn beginjaren vooral te danken aan zijn tv-optreden in de populaire ”Ed Sullivan Show” die een nauwe band had met zijn platenfirma Columbia Records en dus dook Johnny met elke nieuwe plaat die hij uitbracht gelijk in die show op, zowat de meest populaire op dat moment in Amerika. Vrij snel hadden ze door dat Mathis geen echte singleartiest was, ondanks zijn successen in de popcharts, maar het eerder van de verkoop van zijn elpees moest hebben. En die gingen van de hand zoals zoete broodjes met veel dromerige melodieën en stroperige strijkers. Meegenomen was dat Johnny zowel in de smaak viel van tieners als van hun ouders. In 1960 werd hij in Amerika verkozen tot populairste zanger van het moment. Hij had intussen zijn thuisbasis San Francisco de rug toegekeerd en was bij zijn managers Helen en John Noga in Beverly Hills ingetrokken. Hijzelf koopt daar de voormalige woning van Howard Hughes in de dure buurt Hollywood Hills en woont daar nog steeds. Intussen vertelde Johnny in interviews links en rechts dat hij niet alleen van jazzvertolkers hield, maar ook van sterren als Leontyne Price, Beverly Sills, Richard Tucker en wat later van Luciano Pavarotti, waarmee hij aangaf dat hij ook van klassiek en opera in het bijzonder hield. Niet dat hij zich aan dat genre zou wagen, maar zijn vertolkingen van klassiekers zoals Deep River en Ave Maria mogen er best wezen.

Omdat Johnny zijn ouders bij zijn carrière wou betrekken, maakte hij hen beiden voorzitter van zijn fanclub. Zij beantwoordden de duizenden brieven die Johnny van over de hele wereld ontving. Ze deden dat met veel warmte en toewijding. Doordat hij tijdens zijn jeugd veel met sport bezig was geweest, wist Johnny maar al te goed hoe belangrijk een goede gezondheid is. Dat bezig zijn met zijn fysieke conditie is hij altijd blijven doen. Vandaar ook zijn uitzonderlijke stemtechniek waarvoor je over een goede ademhaling moet beschikken. Zijn dagelijkse training zorgt dat hij anno 2012 nog gemakkelijk 60 tot 70 concerten per jaar aankan. En natuurlijk de zanglessen die hij kreeg van onder meer Connie Cox die ervoor zorgden dat hij tijdens het zingen zijn stem zo weinig mogelijk geweld aandeed.

Zijn elpees, want daar moet ik het nog even over hebben, die lustten de fans maar al te graag. Albums zoals “Warm”, “Swing Softly”, “Merry Christmas”, “Open Fire, Two Guitars”. ”Johnny’s Greatest Hits” werd in de maand april van 1958 uitgebracht en zou, zoals ik daarnet al vermeldde, pas 490 weken later de album top 200 verlaten. Er zat qua elpees nog een nummer één aan te komen en dat was het album “Heavenly”, goed voor 295 weken onafgebroken in de albumcharts. ”Faithfully” was ook al zo’n voltreffer, net als “Johnny’s Mood” en “The Rhythms and Ballads of Broadway”. Na zes jaar met de Noga’s te hebben samengewerkt, houdt Johnny het voor bekeken. Hij zet twee eigen firma’s op het getouw: Jon Mat Records om zijn eigen platen te produceren en Rojon Productions die instaat voor de organisatie van zijn concerten en tv-optredens. Zijn nieuwe manager wordt Ray Haughn tot aan diens dood in de maand september van 1984. Van dan af richt Mathis een kantoor op in Burbank, een voorstad van Los Angeles, van waaruit hij al zijn zaken zelf regelt.

Terug naar de hitlijsten, naar de Amerikaanse singles Top Honderd waarin Mathis in de loop van de jaren zestig opvallend goed scoort met de single Gina, een zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred in 1962, en met de single What Will Mary Say, goed voor een negende plaats in het voorjaar van 1963. Datzelfde jaar zit zijn contract er met Columbia Records op en trekt hij vol goede moed naar het Mercury-label in de hoop daar zijn carrière nieuw bloed in te pompen, maar achteraf bekeken liep dat met een sisser af. De singles die hij daar tussen 1963 en 1966 uitbrengt zijn geen hoogvliegers. Het album “Tenderly” dat hij in 1964 opneemt, behaalt een dertiende plaats in de album top 200, maar de overige albums zijn, behalve “The Shadow of Your Smile”, geen hoge notering waard.

In 1967 keert Johnny terug naar Columbia Records wat maakt dat hij in 2004 de eerste artiest zal zijn die, behalve die korte onderbreking, sinds 1956 onafgebroken voor hen platen opnam. Toch moest Johnny zowel qua singles als qua elpees toegeven dat de rek en het succes er wat uit was. Hij bleef wel een veel gevraagde entertainer alhoewel, echt entertainen deed hij niet. Bewegen op het podium is aan Johnny Mathis niet besteed, hetgeen hem nogal wat kritiek oplevert. Hij vindt dat mooi zingen zijn grootste opdracht is en dan lijkt het alsof hij een beetje autistisch zijn repertoire op het podium neerzet, alsof de toehoorder erbij staat en ernaar kijkt, zoals die koe naar die trein, maar daar blijft het dan ook bij. Interactie is een woord dat niet echt in Johnny’s agenda genoteerd staat. In 1973 dringt Johnny Mathis er bij Columbia Records op aan qua producties een nieuwe wind te doen waaien. Hij vond het wel leuk samen te werken met Percy Faith, Ray Conniff, Ray Ellis, Glenn Osser, Robert Mersey en Nelson Riddle, maar verandering van spijs doet eten, dat dacht hij tenminste. Hij gaat in zee met producer Thom Bell die samen met Linda Creed een tiental songs voor hem schrijft, te horen op het vernieuwende “I’m coming home”, maar verder dan een 115de plaats in de album top 200 geraakt die elpee niet. Daar komt vijf jaar later verandering in wanneer hij het album “You Light Up My Life” uitbrengt, goed voor een negende plaats in de albumcharts. Naast de titelsong die Johnny had opgenomen samen met Deniece Williams, neemt hij voor dit album een tweede duet met haar op en dat wordt Too Much, Too Little, Too Late. Die song wordt de eerste april 1978 op single uitgebracht, geschreven door Nat Kipner die een belangrijk aandeel had gehad in de start van de carrière van The Bee Gees. Kipner schreef het nummer samen met John Vallins. Hij had het samen met John in Londen geschreven waar hij toen woonde.  Iedereen was dat liedje zo goed als vergeten was het niet dat Nat er meteen een demo van had opgenomen. Het was trouwens platenfirma Polydor die het liedje opviste en het wou laten opnemen door een Brits duo. Op zekere dag vliegt Nat naar Amerika om daar zijn zoon Steve te bezoeken. Hij passeert zijn muziekuitgeverij en laat daar een aantal demo’s achter, waaronder Too much, too little, too late. Terug in Engeland verneemt hij dat Johnny Mathis geïnteresseerd is in het nummer.  Mathis had namelijk dringend een hit nodig. Hij zit in de herfst van 1977 aan tafel met zijn vaste producer Jack Gold en A&R-verantwoordelijke Mike Dilbeck van Columbia Records om zijn carrière wat aan te zwengelen. Ze vinden het een leuk idee Mathis eenmalig te koppelen aan Deniece Williams. Mathis zei daarover in een later interview: ” I grew up on r&b, jazz and classical music. So when we decided to try something different, we knew Deniece Williams was big in the r&b era and so I thought  maybe we can get some of the r&b die hards to listen to some of my music “. Deniece weet nog dat het een woensdag was dat ze gevraagd werd door haar manager of het haar wel zinde om samen met Mathis een duet op te nemen. Donderdagochtend had ze haar antwoord klaar, het werd een duidelijke yes! Het ging zo snel dat ze beiden in de late namiddag al in de studio het nummer stonden in te zingen. Deniece onderbrak daarvoor haar tournee samen met Earth, Wind and Fire. Maurice White had haar uitgenodigd nadat Deniece eerder dat jaar een hit had gescoord met Free.

Voor de opname van Too much, too little, too late bleven Mathis en Deniece zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke demo van Nat Kipner. Ze namen het nummer op in de A&M Studio’s in Los Angeles samen met producer Jack Gold en arrangeur Gene Page, die zowat alle platen van Barry White had gearrangeerd. Page stond erop dat er werd samengewerkt met de gitaristen David T. Walker en Melvin Ragin, de koning van de wahwahsound, met bassist Scott Edwards, drummer Ed Greene en toetsenisten Michel Rubini en Sylvester Rivers. In een interview zei Deniece over die opname: “We felt relaxed around each other, the vibes were great. It was particularly interesting because it was a first for both of us. Neither had ever done a duet per se, and it seemed like we just fell right into the groove.” De 3de juni 1973 moet Wings met With a little luck uitwijken voor Deniece en Johnny, want die willen snel de eerste plaats inpalmen met Too much, too little, too late. Na een week moeten ze al plaats ruimen voor John Travolta en Olivia Newton-John met You’re the one that I want. In het kielzog van dat succes verschijnt een duettenalbum van hen beiden, waarvan het nummer You’re all I need to get by, een cover van Marvin Gaye en Tammi Terrell, nog net de top vijftig haalt. In Engeland zit er voor Too much, too little, too late een topdriehit in. Vijf maanden eerder had Johnny Mathis nog op één gestaan in de Britse top veertig met When a child is born. In België wordt het ook een topdriehit. Het jaar nadien zou Mathis in zijn eentje in onze top dertig opduiken met een discoversie van Begin the beguine, de Cole Porterklassieker die ook Julio Iglesias zo succesvol had ingeblikt. Het lijkt toeval, maar ook in Nederland geraakt Too much, too little, too late tot op de derde plaats in de top veertig.

Omdat het naar nog smaakt, neemt Mathis nadien nog een aantal duetten op, onder meer het nummer Friends in love  samen met Dionne Warwick waarmee zij de 17de april 1982 tot op de 38ste plaats van de Amerikaanse charts geraken. Het zou tevens zijn laatste echte hit zijn. In 1984 scoort Deniece Williams in haar eentje een nummer één met Let’s hear it for the boy! Na die comeback, als we het zo mogen noemen, verdwijnt Johnny Mathis eigenlijk uit het zicht van de hitlijsten, zowel qua singles als qua albums. De verzamelaar “The Best of Johnny Mathis” met daarop een overzicht van zijn hits van 1975 tot en met 1980 kan je bezwaarlijk een topseller noemen als je weet dat die plaat niet hoger geraakt dan de 140ste plaats in de hitlijsten. Dat weerhoudt Johnny er niet van cd’s te blijven volzingen: “Friends in Love”, “The Hollywood Musicals”, het duettenalbum “Better Together”, “All About Love” enz… In 1992 is er de release van “In a  Sentimental Mood/ Mathis sings Ellington”. Hij kan het zich permitteren dié songs te zingen die hij het liefst zingt. De druk om nog bestsellers te releasen ligt intussen ver achter hem. In 1998 wordt hij opgenomen in “The Grammy Hall of Fame” met de single Chances Are en vier jaar later met Misty. In 2003 krijgt hij van “The Academy Of Recording Arts and Sciences” de Lifetime Achievement Award.

In 2006 viert Johnny zijn 50ste verjaardag als artiest en is fier dat hij samen met Ray Charles nog een duet heeft mogen zingen op diens album “Genius Loves Company”. Behalve aan zingen, wijdt Johnny erg veel tijd aan golfen. Hij heeft zelfs zijn eigen golftornooi “The Johnny Mathis Seniors PGA Classic”. Vrienden kunnen getuigen dat hij daarnaast ook een uitstekende kok is, geleerd van zijn moeder. Van zijn hand verscheen in 1982 het kookboek “Cooking for You Alone”. Over een zogeheten vaste vriend komen we weinig te weten, als die al bestaat.  In 1982 outte Johnny zich in een interview voor het tijdschrift People. Eerder had hij het niet aangedurfd uit schrik te veel fans te verliezen. Dat introverte is zo eigen aan hem. Hij leeft graag teruggetrokken en houdt er het liefst een eenvoudige levensstijl op na. Wat de voorbije jaren als gossip niet vaak in de pers opdook, is dat Mathis behandeld werd voor zowel zijn alcohol- als zijn pillenverslaving. Johnny vond op een bepaald moment dat hij niet aan de verwachtingen kon voldoen die de fans van hem verlangden. Hij trad vaak op, té vaak, en probeerde zijn perfectionisme op peil te houden door pillen te slikken. Hij geraakt verslaafd aan amfetamines en moet voor een tijdje het ziekenhuis in om af te kicken. Ook voor zijn drankprobleem dat op een bepaald moment in zijn carrière opdook, werd hij behandeld. Hij wordt ondanks die kleine zwakheden intussen door iedereen geroemd om zijn geweldige microfoon- en zangtechniek, zijn blakende gezondheid, vooral  te danken aan zijn ascetische levensstijl en zijn imponerende charme. Niet voor niets is en blijft hij voor velen The World’s Greatest Romantic Singer! Mathis bracht in de loop van zijn carrière tweehonderd singles op de markt waarvan er eenenzeventig wereldwijd in diverse hitlijsten belandden. Wist je trouwens dat Johnny in 1980 nummers opnam samen met Bernard Edwards en Nile Rodgers voor het album “I Love My Lady” dat nooit werd uitgebracht en waarvan drie nummers te horen zijn op de verzamelbox van Chic die in 2010 verscheen?

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

Dean Martin

Door de bank denkt iedereen dat Dean Martin als zanger aan de bak kwam, maar voordien moest hij een hele weg afleggen. Hij kwam eerst aan de kost met zijn vuisten, dan met zijn humor en pas later als crooner. Door zijn speciale stijl van zingen werd hij The King of Cool genoemd. Hij verdiende op het hoogtepunt van zijn carrière miljoenen dollars in de duurste nightclubs, met zijn platen, als filmacteur én niet te vergeten met zijn populaire televisieshows. Het was zijn moeder Angela Barra die toen haar zoon Dino nog klein was al doorhad dat hij geen gewoon kind was, maar in de wieg gelegd om beroemd en berucht te worden, … en dat werd hij ook!

Met een ticket dat zijn broer in Amerika voor hem had gekocht, reisde Gaetano Crocetti vanuit Montesivano, Pescara in Italië naar Steubenville in Ohio af om daar als kapper aan de bak te komen. Hier leerde hij Angela Barra kennen, geboren uit deels Napolitaanse en  deels Siciliaanse ouders. Eerst werd Bill geboren, iets later de 7de juni 1917, Dino Paul. Thuis spraken ze Italiaans zodat het voor Dino niet zo gemakkelijk was toen hij naar school ging. Hij zag er altijd keurig en netjes uit. Sommigen dachten dat hij een mietje was, tot hij zijn vuisten toonde en liet voelen. Hij schreef zich in als leerling aan The Grant Elementary School in Steubenville, maar studeerde niet graag. Als een volleerd lefgozer vond hij dat hij méér wist dan zijn leraren. Hij werd vaak uitgelachen omdat hij gebroken Engels sprak met een Italiaanse tongval. Dat maakte hem nerveus. Op zekere dag ziet hij het er niet meer zitten en gaat zich afreageren in de boksring. Hij is nog maar 15 wanneer hij de boksring instapt als Kid Crochet. Hij komt met mondsjesmaat aan de kost. Na zo’n 18 gevechten laat hij het boksen voor wat het is en gaat in een tabakswinkel werken met in de achterste kamer een casino. Hij weet zich hier stilaan op te werken tot croupier die tussendoor graag een liedje zingt. Hij treedt op bij diverse bands als Dino Martini, genoemd naar de in die tijd bekende Napolitaanse tenor Nino Martini. Hij is ook weg van de lazy-achtige zangstijl van Harry Mills van de razend populaire Mills Brothers. In die stijl gaat hij optreden als zanger bij de band van Ernie McKay en iets later van Sammy Watkins die zijn naam verandert in Dean Martin. Dean zingt niet alleen, hij amuseert het publiek ook met zijn dolle fratsen. In de maand oktober van 1941 huwt hij Elizabeth Anne McDonald met wie hij vier kinderen krijgt. Acht jaar later zou hij die relatie beëindigen. In 1943 mag hij Sinatra opvolgen in de Riobamba Club, een luxe tent in New York, maar met minder succes dan The Voice die hem wil voorthelpen, maar dat ziet Dean niet zo zitten. Hij loopt liever zijn eigen parcours.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Dean in 1944 opgeroepen in het Amerikaans leger, maar mag in de kazerne in Akron, Ohio blijven. Omdat hij last heeft van een stevige hernia, kan hij een jaar later het leger verlaten. Datzelfde jaar ontmoet hij toevallig Jerry Lewis, die op dat moment in The Glass Hat optreedt in The Belmont Plaza waar ook Dean aan het werk is. Ze drinken een paar kopjes koffie met elkaar en ontdekken dat ze dezelfde stijl van humor hanteren. In de lente van 1946 treden ze samen op in The Havana Madrid in New York, maar nemen het niet zo ernstig en hun wegen scheiden zich opnieuw. Kort daarna vinden we Jerry in The 500 Club in Atlantic City terug uitgebaat door Skinny D’Anato. Op zekere dag moet hun vaste zanger Jack Randall verstek laten gaan wegens een keelontsteking. Jerry stelt Dean Martin voor als mogelijke vervanger. Skinny gaat akkoord op voorwaarde dat ze ook als komisch duo willen optreden. Dat gebeurt schoorvoetend. De eerste avond zitten er welgeteld vier klanten in de zaal, maar iets later zit het er elke avond eivol. Jerry schrijft een rist sketchen bij mekaar aangevuld met een aantal liedjes en met een show die welgeteld 2 uur en 45 minuten duurt, weten ze het succes aan hun kant te krijgen. In 1948 zijn ze top of the bill in de peperdure Copacabana Club in New York en nog iets later staan ze achter de camera’s van de megapopulaire tv-show van Ed Sullivan. Die show heette toen nog Toast of The Town. We noteren de 20ste juni 1948. Vijf dagen later werd ik geboren, maar daar lag toen niemand wakker van, behalve mijn ouders en mijn jongste zus Chris.

Een jaar later zien we Dean en Jerry op het witte doek in de film My friend Irma in een productie van Hal B. Walllis voor Paramount Pictures. Op diezelfde leest geschoeid, zouden nog een heel pak films volgen, wat hun veel kritiek oplevert omdat die films nogal veel op elkaar gelijken. Jammer, maar dat komt de relatie tussen Dean en Jerry niet ten goede. Tien jaar na hun eerste optreden, wordt het duo in 1956 opgedoekt.

Dean gaat dan maar verder in zijn eentje, al is zijn eerste solo-optreden in de film Ten Thousand Bedrooms in 1957 geen succes. Dean laat aan zijn manager weten dat hij ernstiger wil genomen worden als acteur en is door het dolle heen wanneer hij in 1957 mag optreden in het oorlogsdrama The Young Lions aan de zijde van Montgomery Clift en Marlon Brando. Met deze film snijdt Dean als filmacteur een zeer succesvolle periode aan. Wat later zien we hem aan de zijde van Frank Sinatra in Vincente Minnelli’s Some Came Running. In een regie van Howard Hawks schittert hij in 1959 in Rio Bravo samen met Ricky Nelson en John Wayne.

Vergeten we bij dit alles zijn succes als zanger niet. In 1955 scoort Dean zijn eerste grote hit met Memories Are Made Of  This dat hij opneemt in de Capitol Recording Studio samen met The Easy Riders die voor de backings zorgen. Elf jaar eerder had hij al beslist om zanger te worden. In 1948 sluit hij een platendeal met Capitol Records en neemt voor hen een aantal succesvolle platen op zoals: I’ll always love you, Powder your face with sunshine, If, You belong to me en Sway onder meer samen met de bands van Paul Weston en Lou Busch. Memories are made of this wordt zijn eerste nummer één. Het liedje is geschreven door Terry Gilkison die voordien bij de vermaarde folkgroep The Weavers zong. Hij schreef dat nummer samen met Richard Dehr en Frank Miller met wie hij het trio The Easy Riders vormde die ook de backingvocals tijdens de opname voor hun rekening nemen. Op de B-kant staat Change of Heart geschreven voor John Rox ( noot: in 1957 zouden The Easy Riders een top vijf hit scoren in de Amerikaanse top Honderd met Marianne). Op het moment dat Dean op één staat in Billboard’s Hot One Hundred vormt hij nog een duo met Jerry Lewis. Iets later gaan ze dus uit elkaar. De 14de januari 1956 staat Dean op één met Memories Are Made of This nadat hij Tennessee Ernie Ford en zijn Sixteen Tons aan de kant had geschoven. Vijf weken na mekaar blijft  Dean op één schitteren tot Kay Starr hem beleefd vraagt plaats te ruimen voor haar single Rock and Roll Waltz. Met Memories Are Made of This zou Dean de grootste hit uit zijn zangcarrière scoren. In het kielzog volgen nog succesvolle opnamen zoals: Innamorata, Standing on the Corner en Watching The World Go By dat in onze Lage Landen succesvol wordt vertaald door Wim Sonneveld als Daar is de orgelman.

De zevende april 1958 lanceert Capitol een nieuwe hit voor Dean Martin Return to Me. Het nummer was geschreven door saxofonist Carmen Lombardo die samen met zijn broer Guy het bekende orkest The Royal Canadians oprichtte waarvoor hij veel hits schreef zoals Sweethearts on Parade, Boo Hoo en Coquette. Hij schreef Return to Me, ook bekend onder de Italiaanse titel Ritorna a Me samen met Danny Di Minno. De single bereikt iets later de vierde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Zijn Italiaanse roots verloochent Dean niet. Zo scoort hij hits met Volare, On An Evening in Roma en From The Bottom of My Heart. Een bestseller wordt het album Dino dat hij opneemt samen met producer Dave Cavanaugh met naast het nummer Return To Me covers van Italiaanse hits zoals Non Dimenticar, Arrivederci Roma, There’s No Tomorrow en Take me in Your Arms.

Intussen is Frank Sinatra die in de clinch lag met zijn platenfirma Capitol Records een eigen platenfirma begonnen en heeft hij zijn vriend Dean, die deel uitmaakt van de befaamde en beruchte Rat Pack van The Voice samen met onder meer Sammy Davis Junior, Joey Bishop en Peter Lawford, naar zijn platenstal geloodst. Hier scoort Dean Martin in 1964 zijn op één na grootste hit Everybody Loves Somebody. Dat liedje was al in talloze versies opgenomen, want het stond al geboekt als een klassieker sinds het in 1947 geschreven werd door Irving Taylor en Ken Lane. The Voice zelf kon het niet laten ook een versie van Everybody loves Somebody Sometimes op te nemen, maar dat deed hij al in 1950. Lane had het liedje samen met Taylor in nog geen twintig minuten tijd bij mekaar geschreven. Lane werkte toen trouwens vaak samen met Sinatra. Nadien zouden ook grote sterren als Peggy Lee en  Dinah Washington het inblikken, maar de versie van Dean Martin deed alle stoppen doorslaan. Het verhaal dringt zich op!

Op zekere dag zit Dean Martin in de opnamestudio voor zijn elpee Dream With Dean samen met onder meer Ken Lane, co- auteur van Everybody Loves Somebody Sometimes, aan de piano.  De opnamen vlotten zo goed dat er nog een uurtje overschiet. Lane stelt aan Dean voor een jazzy versie in te blikken samen met het voorhanden zijnde combo: bas, drums, piano en gitaar. Dat wordt een zeer rustige en warme versie van het nummer. Iets later neemt Dean een nieuwe versie van het nummer op, deze keer met groot orkest en koor in een productie van Jimmy Bowen. Voor de arrangementen doen ze een beroep op Ernie Freeman. Zijn platenfirma is zo enthousiast dat ze besluiten zijn nieuwe elpee ook zo te noemen. Aanvankelijk, want dat verhaal wordt vaak vergeten, geraakt Everybody Loves Somebody op single kant noch wal. Reprise wil de single uit de markt halen wanneer ze vernemen dat deejays in New Orleans en Massachusetts het grijs draaien. Andere deejays pikken het ook op in hun programma’s en stilaan wordt het nummer een nationale hit. De 15de augustus 1964 staat Dean op één in Billboard’s Hot One Hundred nadat hij in de top honderd The Beatles is voorbijgestoken die daar twee weken op één hadden staan met A Hard Day’s Night. Je moet het maar durven en vooral kunnen om The Beatles te onttronen. Slechts één week blijft Dean op één pronken en glunderen, want kijk, daar duiken The Supremes al op met Where Did Our Love Go om hem van de eerste plaats te duwen.

Dean en zijn producer Jimmy Bowen hebben de smaak en vooral de sound te pakken. In diezelfde stijl volgen: The Door is Still Open, Send Me the Pillow That You Dream On en I Will. Als gevolg van deze comeback krijgt Dean van ABC Television Network een eigen tv-show aangeboden. In de marge vermeld ik graag dat Everybody Loves Somebody in de jaren negentig door Western Union zou worden gebruikt in een aantal promospots en op de grafzerk van Dean Martin prijkt Everybody Loves Somebody! als epitaaf.

Intussen had Presley aan de wereld laten weten dat hij een grote fan van Dean Martin was en hem destijds kopieerde toen hij de ballad Love me Tender opnam. Op zoek naar een commerciële kapstok etaleert Dean in het midden van de jaren zestig op zijn elpees zijn voorliefde voor countrysongs met als resultaat zijn succesvolle albums: Dean ‘Tex’ Martin, The Hit Sound of Dean Martin, Welcome To My World en Gentle On My Mind. Niet voor niets kroont The Country Music Association hem in 1966 tot Man of The Year. Net zoals zijn kompanen Sammy Davis Junior en Frank Sinatra wordt Dean Martin, en hij was dat al geruime tijd, een graag geziene gast in Las Vegas. Hij geniet ervan wanneer hij kon zingen aan de zijde van zijn dochter Gail Martin. Ook al was zijn imago dat van un homme à femmes en een dronkaard, toch was Dean een echte huisrat die niets liever deed dan zijn vrije tijd met zijn familie doorbrengen. Zijn tweede vrouw Jeanne beaamde het maar al te graag:” He was home every night for dinner!”

Eveneens noemenswaardig zijn de Matt Helm films waarin Dean de hoofdrol voor zijn rekening neemt. De films zijn gebaseerd op de boeken van Donald Hamilton. In 1966 verscheen de eerste verfilming The Silencers. Nadien zouden er nog drie volgen met Dean in de hoofdrol: Murderer’s Row, The Ambushers en The Wrecking Crew. In 1975 besluit ABC Network Matt Helm te laten opduiken in een tv-serie met deze keer in de hoofdrol Anthony Franciosa, maar na dertien afleveringen houden ze het voor bekeken.

Vanaf 1970 kan Dean Martin het zich veroorloven het wat rustiger aan te gaan doen. Hij heeft geld zat. Zijn tv-show heet vanaf dan The Dean Martin Celebrity Roast en worden een soort specials die vanaf 1973 tot 1984 op het kleine scherm blijven. Zo duiken in zijn shows gasten op als Ronald Reagan, Kirk Douglas, Johnny Carson, Truman Capote, Bob Hope, Frank Sinatra en Joan Collins om er snel een paar te selecteren. In 1972 is hij wel gescheiden van zijn tweede vrouw Jeanne. Hij verhuist van The Riviera in Las Vegas naar een veel betere deal met The MGM Grand Hotel and Casino. De 25ste april 1973 huwt hij met de 26-jarige Catherine Hawn. Drie jaar later scheiden ze. Hij zal iets later opnieuw bij zijn tweede vrouw Jeanne gaan samenwonen, al zullen ze nooit hertrouwen. In 1976 slaagt Frank Sinatra er in Dean Martin opnieuw te koppelen aan Jerry Lewis. Het wordt een fenomenaal succes dat ze in 1989 nog eens overdoen wanneer Dean Martin een feest geeft naar aanleiding van zijn 72ste verjaardag. Jerry Lewis zal ook een grote steun zijn voor Dean wanneer hij zijn zoon Dean Paul Martin verliest. Paul kwam om tijdens een vliegtuigongeval, de 21ste maart 1987. Hij was één van de drie kinderen die Dean aan zijn tweede huwelijk overhield. Eerder had hij al vier kinderen verwekt bij zijn eerste vrouw Elizabeth: Stephen Craig, Claudia Dean die in 2001 aan borstkanker overleed, Barbara Gail en Deana.

In de hitlijsten was Dean Martin af en toen nog eens opgedoken, onder meer in 1967 met In The Chapel in The Moonlight en voor de laatste maal in 1969 met I Take A Lot of Pride In What I Am. 21 jaar later, in december 1990, geeft hij zijn laatste show in Bally’s Hotel in Las Vegas. Hij is wel nog live te gast tijdens de 75ste verjaardagsviering van Frank Sinatra. In Cedars Sinai Medical Center wordt in de maand september van 1993 bij Dean Martin longkanker vastgesteld. Twee jaar later trekt hij zich volledig terug uit de showbusiness. De 25ste december 1995 sterft hij op kerstdag op 78-jarige leeftijd in zijn huis in Beverly Hills. Hij ligt begraven op het WestWood Village Memorial Park Cemetery in Los Angeles. Als eresaluut worden de lichten om The Strip in Las Vegas gedimd. Een straat in Steubenville wordt naar hem genoemd. Twaalf jaar later brengt Capitol/EMI met succes het album Forever Cool op de markt, een duetalbum met onder anderen Robbie Williams, Kevin Spacey en Joss Stone. Vier van zijn nog in leven zijnde kinderen ontvangen in zijn naam in de maand februari 2009 The Grammy Lifetime Achievement Award.

Een grote hit van hem heb ik bewust over het hoofd gezien omdat ik daarmee wil afronden en dat is That’s Amore. Dean Martin en Jerry Lewis traden samen op in zomaar liefst 16 films, waarvan The Caddy de tiende in die rij zou worden. Die film werd in 1953 gedraaid in een regie van Norman Taurog met naast Dean en Jerry ook nog Donna Reed en Barbara Bates. Jerry speelt de rol van een begenadigd golfer die ontzettend last heeft van plankenkoorts en daarom geeft hij Dean les om een winnende partij te spelen. Maar door allerlei knotsgekke omstandigheden lopen ze tijdens een toernooi in Monterey de prijzenpot van duizend dollar mis. Ze zetten een punt achter hun sportieve samenwerking middels een contract om komedie te spelen. Een rol op hun lijf geschreven dus, maar voor de critici was die film niet méér waard dan anderhalve ster. Alleen het liedje That’s amore dat Dean in de film zingt, is velen bijgebleven. Aan Harry Warren werd gevraagd de soundtrack te schrijven en die wist maar al te goed dat Martin een steengoeie crooner was. Hij wist ook dat Dean Martin eigenlijk Dino Crocetti heette en Italiaanse roots had. Hij vond dat het dus voor de hand lag een Italiaans getinte song te schrijven en dat werd That’s amore. Dean had al vaak duetjes met Lewis gezongen waarvan That certain party in 1948 zelfs de hitlijsten had gehaald, maar deze keer zou hij  in z’n eentje moeten zingen. Om de tekst genoeg Italiaanse flavour te geven schreef tekstschrijver Jack Brooks the moon hits your eye like a big pizza pie. Nu was er één groot probleem. Martin kon That’s amore niet eens horen. Hij weigerde er z’n stem voor te lenen. In de plaats daarvan stelde hij voor de Napolitaanse klassieker Oh Marie te zingen. Maar Paramount Pictures had componist Harry Warren –  goed voor 4 Oscar-winnende liedjes- al een hele som geld gegeven, dus kon Martin moeilijk anders dan z’n lange tanden in That’s amore te zetten. Hij hield wel het been stijf toen Capitol Records hem voorstelde het liedje opnieuw in te zingen en het op single uit te brengen. Paramount Pictures gaf Capitol dan maar de toelating de ingezongen filmversie op plaat uit te brengen. Twee maanden na de première van de film kreeg elke dj een 45-toerenexemplaar op zijn kantoor bezorgd. That’s amore begon in de top honderd aan een steile klim om daar in het najaar van 1953 op de tweede plaats halt te houden waar het 5 weken na mekaar zou blijven postvatten. In het totaal werden er méér dan twee miljoen exemplaren verkocht. Ook in Engeland was de single goed voor een tweede plaats . Tijdens de Oscar-uitreiking werd That’s amore genomineerd voor beste filmsong van 1953. Het moest de duimen leggen voor een andere sterke Hollywood evergreen Secret love. Een andere film zou ervoor zorgen dat That’s amore nog eens ’n hit zou worden. In 1987 draaide regisseur Norman Jewison samen met  Cher en Nicolas Cage de romantische film Moonstruck. Cher ging toen  met een Oscar lopen alsook scenarist John Patrick Shanley. De film begint trouwens met de Dean Martin-versie van That’s amore.

Ronden we af met een blik in onze Belgische top dertig waar Dean Martin zo’n zeven keer is terug te vinden. Een eerste maal in 1955 met The Belle From Barcelona en vervolgens goed scorend met Volare, Return To Me en in de hoogste hitregionen met Everybody Loves Somebody en The Door Is Still Open.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

50 ways to leave your lover

Geprangd tussen enkele beresterke zwarte platen zat Paul Simon toen hij de zevende februari 1976 op één belandde in Billboard’s Hot One Hundred. Diana Ross had daar enkele weken voordien op één geschitterd met Theme from Mahogany en na haar The Ohio Players met Love Rollercoaster. Toen Simon het bovenaan drie weken had volgehouden met 50 Ways to Leave Your Lover werd hij afgelost door The Rhythm Heritage met Theme from S.W.A.T. en vervolgens door The Miracles met Love Machine Pt. 1. Simon was al geruime tijd wat blij dat hij in zijn eentje kon optreden en platen opnemen. Na dertien jaar aan de zijde van Art Garfunkel te hebben gestaan en gezongen, hield hij die samenwerking in 1970 voor bekeken nadat hij en Art nochtans net gigantisch hadden gescoord met Bridge over Troubled Water. Nu, Art was ook uitgekeken op hen als duo en trad met succes op in de films “Carnal Knowledge” en “Bad Timing” en had een paar geslaagde elpees opgenomen zoals “Breakaway” en “Angel Clare”.

Nu was Paul Simon van nature al een soort loner die al eerder in zijn eentje had opgetreden en platen opgenomen als Paul Kane, Jerry Landis en True Taylor. In de jaren zestig, toen hij al een duo vormde met Art en een aantal nummers had ingeblikt, trok hij op zeker moment naar Engeland om in Londen enkele nummers op plaat te zetten. Het was wachten tot hij terug in Amerika was, opnieuw contact met Garfunkel zocht en een vette hit scoorde met The Sound of Silence voordat de bal aan het rollen ging met een rist hits als gevolg. Maar zoals ik al aanhaalde, waren beide heren na enkele jaren op elkaar uitgekeken. Simon was al een tijdje verzot op exotische ritmen en kon die eindelijk kwijt op zijn eerste soloalbum “Paul Simon” met daarop de hitgevoelige songs Mother and Child Reunion waarop hij zijn liefde voor reggae duidelijk liet horen en Me and Julio Down by the Schoolyard. Met Art Garfunkel had hij die liefde voor volkse muziek al laten horen in hun hit El Condor Pasa. Ook zijn tweede soloalbum ”There goes rhymin’ Simon” had hem het nodige succes opgeleverd dankzij de hitsingles Kodachrome en Loves me Like a Rock dat hij had ingezongen samen met The Dixie Hummingbirds. Na een livealbum pakt Paul Simon in 1975 uit met “Still Crazy After All These Years” waarvoor hij een beroep doet op producer Phil Ramone. Samen gaan ze op zoek naar een paar steengoede muzikanten waaronder Michael Brecker, Bob James, David Sanborn, Gordon Edwards en Pete Carr. Vergeten we niet te vermelden dat ook Toots Thielemans zijn steentje bijdroeg. Voor de backingvocals staan onder meer Patti Austin en Phoebe Snow in. De titelsong was zowat de eerste idee die Simon te binnen schoot toen hij aan het album begon. In de maand oktober van 1975 wordt het album op het Columbia-label uitgebracht. De elpee duurt niet langer dan 36 minuten en 25 seconden, goed voor 10 songs waarvan er vier op single belanden. In Amerika wordt het album een regelrechte nummer één, in Engeland belandt de elpee op de zesde plaats, in Noorwegen en Canada op de achtste en in Zweden op de negende. In Nederland zit er nog een elfde plaats in. In Amerika en Engeland krijgt Paul Simon een gouden plaat voor zijn prestaties, in Canada zelfs een platina exemplaar. Hij wintin 1976 een Grammy Award for Album of the Year.

Daarnet haalde ik al aan dat “Still Crazy After All These Years” Paul Simon vier singles zou opleveren. Samen met Art Garfunkel nam hij het nummer My Little Town op. Dat was een hele tijd geleden dat ze nog eens samen hadden gezongen. Gone at last dat hij samen met Phoebe Snow en The Jessy Dixon Singers had ingezongen, wordt een hit net als de titelsong Still Crazy Ater All These Years dat jaren later zou worden opgenomen door onder meer Rosemary Clooney, Ray Charles, Karen Carpenter en Willie Nelson. Het grootste succes is weggelegd voor de single 50 Ways to Leave Your Lover. Die wordt de20ste december 1975 gereleaset. De zevende februari 1976 staat het nummer op één in de Amerikaanse charts. In dit liedje geeft Paul Simon een reeks hints om uit je liefdesrelatie te stappen. Hij had er net zijn scheiding van Peggy Harper op zitten. Hij trouwde met haar in 1969, zijn eerste huwelijk. Ze kregen samen een zoon, Harper Simon, zelf een singer-songwriter die in 2009 een soloalbum op de markt brengt waaraan ondermeer zijn vader meewerkte. In 1975 scheidden Paul en Peggy van elkaar. De song begint met een opvallende drumroffel naar een idee van studiodrummer Steve Gadd. Steve leende ook zijn talent aan albums van onder meer Steely Dan, Chick Corea en Eric Clapton en is eveneens te horen op een aantal andere opnamen met Paul Simon, ondermeer You’re the One, One trick Pony en Hearts and Bones. Paul zat samen met Steve en nog een paar andere muzikanten in een kleine studio op Broadway in New York toen 50 Ways To Leave Your Lover werd ingeblikt. In de Britse Top 40 zat er voor de single een 23ste plaats in. Onze noorderburen lustten de single niet, net zomin als wij Vlamingen. Alleen Mother and Child Reunion kon ons in die jaren zeventig charmeren. Voor Paul was het hier wachten tot de jaren tachtig en singles zoals Late in the evening en You Can Call me Al alvorens echt te scoren.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Graceland

In 1987 kreeg Paul Simon voor zijn album Graceland een Grammy for Album of the Year. Ook de titelsong ging met de eer lopen en werd bekroond met een Grammy for the Song of The Year. In 2007 ontving Simon met de nodige honeurs The Library of Congress Gershwin Prize for Popular Song. Graceland is tot op de dag van vandaag Paul’s best verkochte album: méér dan veertien miljoen exemplaren. Zelf vindt hij Graceland niet alleen zijn beste album, maar eveneens de beste song die hij ooit heeft geschreven.

In 1984 stelde Simon  vast dat zijn album Hearts and Bones, zijn zesde soloalbum in een productie van Russ Titelman, Roy Halee en Lenny Waronkel, niet goed verkocht had. Ook de twee singles daaruit Allergies en Think too Much werden geen hoogvliegers. Muzikaal zat Simon op een dood spoor Net dan krijgt hij van een vriend een cassette met daarop muziek die je in de straten van Soweto op elke hoek kan horen. Zuid-Afrikaanse muziek in een aanstekelijk ritme. Ginder noemen ze dat genre mbaqanga: een mengeling van jazz, marabi en kwela, gemakkelijke volkse deuntjes die op eenvoudige en goedkope instrumenten worden gespeeld, zoals zelfgemaakte fluitjes. De muziek die Paul Simon op die cassette te horen krijgt, staat verzameld op het album Gumboots: accordeon jive hits, volume II. Op zijn album Graceland heeft Simon trouwens een volledige track gewijd aan Gumboots. Het is zeer vrolijke en aanstekelijke muziek uit een tijdperk dat van wereldmuziek nauwelijks sprake was. De enige Zuid-Afrikaanse hits die tot bij ons waren geraakt, waren sommige songs van Hugh Masakela en Myriam Makeba. De Zuid-Afrikaanse liedjes die Paul Simon te horen krijgt op die cassette worden uitgevoerd door The Boyoyo Boys. Hij had thuis al  scattend met hun stemmen op de achtergrond een aantal liedjes uitgeprobeerd en wou hen contacteren om samen met hen in hun thuisland wat nummers in the blikken. Simon stond er toen niet bij stil dat op basis van de apartheid die in Zuid-Afrika heerste,  er op dat moment een internationale culturele boycot werd gevoerd. Via zijn platenfirma geraakt hij in contact met Hilton Rosenthal, een muziekproducer die hem een hele rist Zuid-Afrikaanse platen laat beluisteren. Simon negeert, een beetje onwetend, beweert hij achteraf, de culturele boycot, vraagt aan Rosenthal een aantal muzikanten op te trommelen en nog geen jaar later zit hij in de studio in Johannesburg om een aantal nieuwe songs in te blikken. De muzikanten die hij daar heeft aangetrokken zijn: Tao Ea Matsekha, een groep uit Lesotho, General M.D. Shiranda and The Gaza Sisters en The Boyoyo Boys Band. Maar de fusie tussen zijn liedjes en hun Zuid-Afrikaanse ritmen vlot moeilijker dan Simon aanvankelijk dacht. De samensmelting lukt niet zo goed. Via urenlange jamsessies komen ze uiteindelijk tot een soort aanvaardbare mix van beide werelden. Voor Simon is het erg moeilijk om datgene dat hij wil horen te omschrijven, want zijn muzikanten praten nauwelijks Engels. Nu is de sfeer ook niet meteen je dat. In Zuid-Afrika was het niet de gewoonte dat blanke en zwarte muzikanten met elkaar vlot omgingen, schouderklopjes uitdeelden, samen aan tafel zaten enz… De sfeer was beladen, er hing een onaangename spanning in de lucht. In 1985, wanneer Paul Simon druk bezig is met de opnamen van Graceland, staat het apartheidsregime volop in de belangstelling. Vergeten we niet dat Nelson Mandela, de voormalige leider van het ANC, het Afrikaanse Nationaal Congres, nog in de gevangenis zit en dat de blanke Frederik Willem De Klerk als president de plak zwaait. Met geweld wordt de zwarte meerderheid de kop ingedrukt. Simon ziet hoe het racisme in Zuid-Afrika nog altijd hoogtij viert. Hij houdt die ondraaglijke sfeer niet vol en verhuist met de ganse ploeg naar de opnamestudio in New York. In Zuid-Afrika heeft Paul Simon intussen wel al zes nummers voor zijn album klaar. Hij was anders te werk gegaan dan normaal. Deze keer kwam hij niet naar de studio met kant en klare teksten. Ook geen melodie zat er in zijn hoofd. Hij wilde eerst vertrouwd geraken met de verschillende ritmen, die ook eerst inblikken en pas dan zou hij er  een tekst bij schrijven en inzingen.

Eenmaal in New York gearriveerd, zijn de Zuid-Afrikaanse muzikanten dol van blijdschap. Ze voelen zich verlost, vrij en gewaardeerd als zwarten. Er wordt verder gewerkt in The Hit Factory in New York City. Paul Simon viert zijn muzikale teugels en trekt naar Lafayette, Louisiana om daar samen met enkele zydeco muzikanten enkele fragmenten in te blikken. Hetzelfde doet hij in Los Angeles samen met Los Lobos. Die werkten mee aan het nummer All Around the World of The Myth of Fingerprints. Maanden nadat het album een immens succes te beurt is gevallen, claimen Los Lobos een deel van de auteursrechten van de song. Tot op de dag van vandaag is die kwestie nog altijd niet opgelost ook al houden ze vol dat toen Simon in de studio arriveerde er niets op papier stond en dat zij hem aan de melodielijn en een deel van de lyrics hebben geholpen.  Voor de song Diamonds on the Soles of Her Shoes doet Simon een beroep op Ladysmith Black Mambazo onder leiding van Joseph Shabalala en de Senegalees Youssou N’Dour op percussie.Ladysmith Black Manbazo werd in het begin van de jaren zestig opgericht door Josephen leende veel van de muziektraditie en songs van de Zulu’s. Pas in 1973 namen ze hun eerste plaat op. Zij werden toen al gerekend tot de beste Zuid-Afrikaanse a-capellagroep.

De titelsong Graceland, nochtans Simon’s lievelingsnummer, werd op single géén hit. Hij schreef het liedje toen hij met de auto op weg was naar Graceland en terugdacht aan zijn mislukt huwelijk met actrice Carrie Fisher. Dat hield amper elf maanden stand. Carrie is ondermeer bekend van haar rol als prinses Leia in de Star War films van George Lucas. De laatste jaren geeft Carrie lezingen over haar alcohol- en drugsverslaving en haar bipolaire stoornis.  Paul Simon wou tijdens de opname van het nummer Graceland koste het wat het kost The Everly Broters als backing vocals en die zeiden maar al te graag ja. Opvallend is het aandeel van bassist Bakithi Kumalo en gitarist Ray Phiri. Na het opnemen van de basistracks worden er iets later steelgitarist Demola Depoju en The King Sunny Ade Band uit Nigeria aan toevoegd. Het nummer werd qua basistracks in de Ovation Studios in Johannesburg ingeblikt en later bijgewerkt in de Amigo Studios in Los Angeles en The Hit Factory in New York. The Everly Brothers zijn niet de enige bekenden die aan het album Graceland meewerkten, want Linda Ronstadt hoor je in de achtergrond tijdens het nummer Under African Skies. Dus geen hit voor de single Graceland die de 6de december 1986 op het Warner Label op 45 toeren werd uitgebracht. In Billboard’s Hot One Hundred geraakte de plaat niet hoger dan de 81ste plaats. You can call me Al uit het album Graceland had het op single veel beter gedaan met een 23ste plaats als hoogste score. In het buitenland hoeven we voor de singleversie van Graceland ook niet op zoek te gaan naar een hoge notering. You can call me Al werd bij ons gelauwerd met een tweede plaats in de top dertig. Voor Graceland  zelf was daarin geen ereplaats weggelegd. Onze noorderburen leggen het zelfde palmares voor.

Het album Graceland wordt wél een fenomenaal succes. Wereldwijd een regelrechte hit. Met zijn album toonde Paul Simon dat Afrika stond voor veel méér dan armoede en ellende. Toch oogstte hij kritiek omdat men vond dat hij  door de door de ANC uitgeroepen culturele  boycot naast zich neer te leggen niet had meegeholpen aan het uitroeien van het apartheidsregime. Tijdens betogingen wordt er letterlijk  ‘Yankee Go Home’ in zijn richting gescandeerd. Ook al had hij de Zuid-Afrikaanse muziek een mooi klank- en uithangbord gegeven op zijn album Graceland, toch vonden de aanhangers van het ANC niet dat hij hun daarmee ook maar één stap had verder geholpen. Het zat hun hoog dat hij vooraf geen afspraken had gemaakt met de vrijheidsbeweging. Zij vonden dat Simon door in Zuid-Afrika te komen musiceren en opnemen, akkoord ging met president De Klerk en zijn regering. Op basis van hun apartheidspolitiek werden blanken en zwarten nog altijd van elkaar gescheiden, er werd op het zwarte ras laatdunkend neergekeken. Op het moment dat Graceland in 1985 in de hitlijsten opduikt, woedt de strijd op zijn hevigst. Hoe vreemd het ook in onze oren mag klinken, het ANC had liever gehad dat Simon niet met Zuid-Afrikaanse muzikanten had samengewerkt.

Toch trekt Simon in 1987 met de ganse bende op tournee, voor die heren natuurlijk een feest, want thuis kwamen ze alleen aan de bak in obscure zaaltjes ver uit de buurt van bekende nachtclubs en concertzalen.  Samen met Simon werkten ze in een sfeer van gelijkheid, alles draaide om de muziek. En vergeten we niet uit het oog dat door het succes van Graceland er méér aandacht door de buitenwereld werd geschonken aan het probleem van apartheid in Zuid-Afrika. Graceland bracht mensen bij elkaar en die vaststelling staat nog altijd buiten kijf. Dit doet kenners daarom ook beamen dat Graceland dan ook een trapje hoger staat dan het album Bridge over Troubled Water, nog zo’n klassieker van Paul Simon, maar dan samen met Art Garfunkel. Wanneer in 1992 Nelson Mandela president van Zuid-Afrika wordt en aan het apartheidsregime een halt wordt toegeroepen, is Mandela de eerste om Paul Simon in zijn land uit te nodigen voor een concert.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Bad girls

Eind april 1979 bracht Donna Summer haar zevende studioalbum op de markt “Bad Girls”met ook deze keer als producers Pete Bellotte en Giorgio Moroder. De drie vorige maanden hadden ze aardig gesleuteld aan wat achteraf bekeken Donna’s populairste elpee zou worden. Zoals steeds namen Giorgio en Pete een deel van de instrumentale begeleiding voor hun rekening: Giorgio bespeelde maar al te graag de synthesizers en de gitaar en Pete de basgitaar. Harold Faltermeyer werd er bij gehaald niet alleen om een paar nummers te schrijven, maar ook om de drums en de keyboards voor zijn rekening te nemen. Technicus van dienst was Jason Corsaro. Uiteindelijk bleken ze zoveel songs te hebben ingeblikt dat ze besloten er een dubbelalbum van te maken.

Sinds haar debuutplaat, het sexy getinte ”Love to Love You Baby” dat Summer de bijnaam The First Lady of Love had opgeleverd, wilde haar platenfirma dat imago zo gaaf mogelijk houden, ook al zag Donna dat zelf niet zo zitten en voelde ze er zich vrij onbehaaglijk bij. In 1976 kreeg Summer na haar echtscheiding te kampen met een stevige depressie en moest aan de medicijnen. Jarenlang zouden die haar leven beheersen alsook haar ups-and-downs. Omdat Donna wat anders wou dan alleen maar disco zingen, besloten ze het team uit te breiden met een aantal nieuwe songleveranciers die haar nieuwe album iets meer rockgetint zouden maken. Rock en disco zouden worden samengesmolten op sommige nummers. Andere waren dan meer een fusie van soul en r&b. Met de toevoeging van almaar meer synthesizers lukte het Giorgio Moroder een stijl neer te zetten die we “electro music” gingen noemen en die al schoorvoetend te horen was op haar eerdere hit I feel love uit 1977 en te horen op haar conceptalbum “I Remember Yesterday”. Het album “Bad Girls” werd de 25ste april 1979 op het Casablanca -abel gereleaset. In het totaal zou deze dubbelelpee zes singles opleveren, met name: Hot Stuff, Bad Girls, Dim All the Lights, Sunset People, Our Love en Walk Away. Het album zelf werd een nummer één in de Top 200 van Amerikaanse albums. Weredlwijd gingen er van het album “Bad Girls” vier miljoen exemplaten over de toonbank. Donna tekende in het totaal voor acht songs. Dim All the Lights schreef ze zelfs helemaal in haar eentje.

Als eerste single uit het album “Bad Girls” verscheen het nummer Hot Stuff waarmee La Summer Peaches & Herb van de eerste plaats stootte die daar vier weken na mekaar geparkeerd stonden met Reunited. De 2de juni 1979 nam Donna de fakkel van hen over en zou zichzelf drie weken op één nestelen tot The Bee Gees het welletjes vonden en die eerste plaats van haar afsnoepten met Love You Inside Out. Nadien nam Anita Ward het van hen over met Ring My Bell en kijk, plots stond Donna Summer opnieuw op één, deze keer met de tweede single uit “Bad Girls”, met name de gelijknamige 45-toerenversie. Bad Girls werd de derde nummer één in Donna’s carrière. Op de hoes prijkt ze als een soort straatmadeliefje, al wisten insiders dat ze helemaal niet achter die look stond. Zelfs haar haren waren fake, want door de bank droeg ze een donkere pruik. Donna schreef Bad Girls samen met haar toekomstige tweede echtgenoot Bruce Sudano, Eddie Hokenson en Joe Esposito. Ze vormden samen The Brooklyn Dreams, een groep uit Brooklyn, New York, die net als Donna op het Casablanca-label opnamen, eveneens r&b, disco en pop. Hun grootste hit scoorden ze met Heaven Knows waarop Donna ook meezingt. Hun zangstijl wordt vaak vergeleken met die van The Righteous Brothers. Donna herinnert zich nog dat ze inspiratie opdeed voor de tekst van Bad Girls toen ze op zekere dag een van haar vrouwelijke medewerkers om een boodschap stuurde en  vanuit de kantoren van Casablanca Records zag hoe ze door de politie werd aangesproken omdat ze dachten dat haar medewerkster een prostituee was. Daarmee was de stijl voor het nummer gezet. De toot-toots en beep-beeps verwijzen naar de mannen die met hun auto’s passeren om op die manier de aandacht van de vrouwen te trekken. Toen Donna’s platenbaas Neil Bogart het nummer hoorde, stond hij erop dat zij het doorspeelde aan Cher, maar Donna hield voet bij stuk en nam de song zelf op.

Op hetzelfde moment dat  Donna zowel met de elpee als met de single Bad Girls op één staat, bekeert ze zich tot het christendom. Ze had er schoon genoeg van de rol van vamp te spelen en veel geld te verdienen. Ze vond dat ze geestelijk tekortkwam,ze had behoefte aan wat meer spiritualiteit in haar leven. Méér dan tien jaar lang had ze geen voet meer in de kerk gezet, terwijl ze een christelijke opvoeding had genoten. Ze was haar decadente levensstijl grondig beu, wou er niets meer mee te maken hebben. Wat ze wel wou blijven doen, was zingen, liedjes schrijven en platen opnemen. Geen wonder dat ze iets later haar platenfirma Casablanca Records aan de kant zet en een nieuwe deal sluit, deze keer met het Geffen-label. Het album “The Wanderer” zou dan ook een herboren Donna Summer laten horen.

Met Bad Girls bleef Donna Summer, The Queen of Disco, vijf weken na mekaar op één staan in Billboard’s Hot One Hundred te beginnen de 14de juli 1979. De 18de augustus werd ze daar afgelost door Chic met Good Times. Met Hot Stuff had La Summer in Engeland de elfde plaats in de top veertig bereikt, voor Bad Girls zat er een veertiende in. Die single leverde haar in Nederland een zevende plaats op. Bij ons, het dansante Vlaanderen, zelfs een vijfde al was er een jaar later een nummer vier weggelegd voor de single The Wanderer en nog eens negen jaar later een tweede plaats in de Top 30 voor This time I know it’s for real. Hiermee haakte Donna haar wagon aan de hittrein van de heren Stock, Aitken en Waterman die toen met hun producties de hitlijsten aanvoerden.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

MacArthur Park

Misschien ligt het aan mij omdat ik weinig radio luister, maar vaak hoor je de hit MacArthur Park dat medium niet meer passeren. Toch was deze single in 1968 en grote zomerhit  met als hoogste notering een vierde plaats in de Britse top veertig en een tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Bij ons zat niet echt iemand te wachten op die single van Richard Harris, staat niet eens in de top dertig genoteerd, vandaar dat we die single ook naast niet meer over de radio horen, mag ik aannemen. Onze noorderburen gunden Richard en zijn MacArthur Park in de maand juli van 1968 een twaalfde plaats in hun top veertig.

Het zou kunnen dat je de wenkbrauwen fronst bij het horen van de naam Richard Harris. Je kunt de man bezwaarlijk een beroepszanger noemen, want eigenlijk was hij vooral een gerenomeerd acteur die in zijn vrije tijd graag zong. Hij werd de 1ste oktober 1930 in het Ierse Limerick geboren als vijfde kind in een gezin van negen en was in de wieg gelegd als een geboren acteur. Onvergetelijk zijn zijn vertolkingen in films zoals Camelot, Cromwell en in de rol van Albus Dumbledore in de reeks Harry Potter films. Hij was ook te zien in de film Gladiator, Apocalypse Revelation en in de western Unforgiven van Clint Eastwood. Om er een paar te noemen. Richard had zijn stiel als acteur zowel als regisseur in Londen geleerd. Hij stopte al zijn geld in een eigen theaterproductie Winter Journey, financieel een regelrechte flop. Hij stond letterlijk op straat en leefde een tijdlang als clochard. Hij moest van onder aan opnieuw beginnen in kleine theaters op West End, vooral in musicals waar hij aardig leerde zingen. Hij scoorde toen hij een rol kreeg aangeboden in de kaskraker The Guns of Navarone en een tijd later in de filmklassieker Mutiny of The Bounty aan de zijde van Trevor Howard en Marlon Brando.


In 1967 ontmoet hij tijdens een benefietavond in Los Angeles componist Jimmy Webb met wie hij een gesprek aanknoopt en aan wie hij vraagt of die voor hem geen geschikte song heeft klaarliggen, want zingen blijft Richard’s grootste hobby. Hij wil met materiaal van Webb trouwens een ganse elpee vullen. Aanvankelijk vat Jimmy die vraag niet ernstig op tot hij op zekere dag een telegram van Richard ontvangt dat die in Londen klaarzit om zijn project uit te werken. Richard had intussen zowat alle demo’s beluisterd die Webb hem had doorgespeeld en hij wou koste wat het kost MacArthur Park inblikken. We zijn de 21ste december 1967 wanneer hij en Jimmy in de Sunset Sound Recorders Studio in Hollywood aan het werk schieten. Nu is MacArthur Park geen doordeweekse popsong, geen commercieel deuntje, maar een song met een aparte constructie. In een soort midtempo opgebouwd rond een piano en een klavecimbel, bespeeld door Jimmy Webb himself. Na ruim een minuut of twee gaat het tempo over in een slow om een paar minuten later los te barsten in een heus allegro tempo met veel drums en koper om nog eens zo’n anderhalve minuut later uit te monden in een “grand finale”. Geen wonder dat de single zeven minuten en 21 seconden duurt, maar dat kon en mocht in die tijd, want iets later zouden The Beatles een nummer één scoren met Hey Jude. De zesde januari 1968 leggen Jimmy en Richard de laatste hand aan de single en de elpee. De muzikanten die hadden meegewerkt, waren geen doordeweekse jongens: Larry Knechtel op keyboards, Hal Blaine op drums, Joe Osborn op bas, Mike Deasy op gitaar en Jimmy Webb, zoals ik eerder al vermeldde, op piano en klavecimbel. Richard Harris zong voortdurend de verkeerde tekst. Hij heeft het over MacArthur’s Park, terwijl het MacArthur Park moet zijn. Webb corrigeerde hem steeds, maar gaf de moed op omdat Harris het vertikte met die opmerking rekening te houden. Hij nam het nummer op als track van zijn te verschijnen album A Tramp Shining gevuld met songs stuk voor stuk door Jimmy Webb geschreven in een productie trouwens van Jimmy zelf. Het album verscheen op het Dunhill label met meteen daaruit MacArthur Park op single. De release had de 11de mei 1968 plaats en werd een regelrechte hit.

Webb had die song iets eerder geschreven met een zijn achterhoofd een liefdesrelatie die hij had gehad met Susan Ronstadt, een nichtje van zangeres Linda Ronstadt. MacArthur Park was de plek waar ze elkaar onmoetten, met elkaar lunchten en waar ze nadien tijdens de lunchpauze vaak naar toe trokken. We zijn dan ergens midden 1965 en Susan werkte toen nog bij een verzekeringsmaatschappij met hun kantoren vlak tegenover MacArthur Park. Hun liefde bleef niet duren en Webb schreef die breuk van zich af in het al even schitterende By the time I get to Phoenix dat een gigantische hit zou worden in de versie van Glenn Campbell. Susan trouwde iets later met een andere man, maar zou er met Jimmy een langdurige vriendschap op nahouden. MacArthur Park heette eerst Westlake Park, zo genoemd naar de gelijknamige buurt in Californië, maar sinds 1942 heet het MacArthur Park als eresaluut aan generaal Douglas MacArthur die een belangrijke rol speelde tijdens de 2de wereldoorlog in de Pacific, met name tijdens de oorlog in de Filippijnen.

MacArthur Park beleefde een tweede jeugd zal ik maar zeggen toen het nummer live werd gezongen door Donna Summer in 1978 en op haar dubbelalbum Love and More belandde, in een productie van Giorgio Moroder en Pete Belotte. Op dat album staat de MacArthur Park suite (met daarin ondermeer ook de songs One of a Kind en Heaven Knows verwerkt) met als onderdeel de live versie van MacArthur Park. Op het album duurt die versie acht minuten en veertig seconden, maar werd toen het op single werd uitgebracht, ingekort tot zes minuten en achtentwintig seconden. In Amerika leverde de single The Queen of Disco een nummer één op, in de Britse top veertig een vijfde plaats en in de Nederlandse hitlijsten een negende. In onze top dertig hield Donna Summer halt op de dertiende plaats, maar zou iets later de top tien induiken met de hitsingles Hot Stuff en Bad Girls.

Van MacArthur Park zouden tal van covers worden gereleaset ondermeer van Jerry Vale, Vic Damone, The Four Tops, Long John Baldry, Liza Minelli, Frank Sinatra en The Three Degrees.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Donna Summer

LaDonna Adrian Gaines werd de 31ste december 1948 in Dorchester in de buurt van Boston, Massachusetts geboren in een gezin van zeven kinderen. Papa was slager en mama onderwijzeres, beiden zeer gelovige mensen. Ze leefden een vroom leven en waren maar wat blij dat hun dochter Donna graag in het kerkkoor meezong. Toen al was Donna’s grote voorbeeld de wereldvermaarde gospelzangeres Mahalia Jackson. Ze voelde zich zo aangesproken door die religieuze muziek dat ze zich uitverkoren voelde om de rest van haar leven aan het zingen te wijden alsof God haar daartoe geroepen had. Ze was zo in de ban van het zingen dat ze samen met een van haar zusjes en enkele vriendinnen groepjes ging oprichten in de stijl van The Supremes en Martha Reeves and The Vandellas. Toen ze nog aan Boston’s Jeremiah E. Burke High School studeerde, viel ze al op door te zingen tijdens schoolfeestjes en manifestaties. Ze moet een jaar of zeventien geweest zijn toen ze haar thuishaven verliet en zich in New York aansloot bij de psychedelische rockgroep The Crow. Ze was op dat moment helemaal in de ban van zangeres Janis Joplin, het andere uiterste dus. Intussen had ze gesolliciteerd voor de rol van Sheila in de rockmusical Hair. Voor de Amerikaanse editie ving ze achter het net, maar toen de cast naar Duitsland verhuisde om van daaruit in Europa te gaan optreden, reisde ze mee en ging zich na een tijdje in München vestigen waar ze zelfs een contract kreeg bij de Weense Volksopera en op die manier mocht meezingen in musicals als Godspell en Show Boat. Tijdens de opvoering van Godspell leert ze zanger-acteur Helmut Sommer kennen met wie ze iets later in het huwelijk treedt. Samen krijgen ze dochter Mimi. Intussen had Donna al drie jaar eerder een platencontract weten te versieren bij Decca Records dat resulteert in de single Sally go round the roses, het jaar nadien, we zijn dan 1972, gevolgd door de song If you’re walkin’ alone op het Philips-label. Ze papt intussen aan met Peter Mühldorfer wat haar relatie met Helmut om zeep helpt. Haar huwelijk op de fles, maar met Peter sluit ze een levenslange vriendschap. Intussen heeft ze haar artiestennaam aangepast. Aan haar huwelijk met Helmut Sommer houdt ze niet alleen een dochter, maar ook haar artiestennaam Summer over. Om aan de kost te geraken en haar dochter te onderhouden, gaat Donna vaak in achtergrondkoortjes meezingen. Zo is ze onder meer te horen op een van de opnamen van Three Dog Night waar ze producer Giorgio Moroder leert kennen die nauw samenwerkt met Pete Bellotte. Giorgio was acht jaar ouder dan zij, geboren in Italië en in de jaren zeventig een veelgevraagd producer. Hij werkte dolgraag met synthesizers en had later een stevige hand in de ontwikkeling van new wave, house, techno en elektronische muziek in het algemeen. Hij zou nadien samenwerken met The Three Degrees wat zou leiden tot het misverstand dat Donna ooit met de dames heeft samengezongen, wat dus niet zo is, en voorts met Bonnie Tyler, David Bowie, Irene Cara, Melissa Manchester, Blondie, Japan, Sparks en Madleen Kane. Moroder nam in het begin van zijn carrière liedjes op onder zijn artiestennaam Giorgio en scoorde in 1969 een hitje met Looky Looky. Drie jaar later had hij een dikke hit te pakken met het nummer Son of My Father waarvoor Pete Bellotte de tekst schreef. Bellotte zou als tekstschrijver hits leveren aan onder meer Janet Jackson, Cliff Richard, Elton John, Shalamar, Tina Turner, Mireille Mathieu en Melba Moore. In 2004 werd hij terecht opgenomen in The Dance Music Hall of Fame.

In 1974 weet Donna Summer een platencontract te versieren bij het Nederlandse platenlabel Groovy Records en brengt samen met Moroder en Bellotte als producers de elpee “Lady of the Night” uit die haar in Nederland, België en Frankrijk de hits The Hostage en Lady of the Night opleveren. Het jaar nadien laat Donna, die ook het talent heeft om zelf liedjes te schrijven, enkele noten horen van een song die ze verder wil uitwerken Love to love you baby. Het waren maar een paar woorden en qua melodie had ze weinig op papier. Moroder had toen al door dat er met discomuziek geld te verdienen was en dat daar de komende jaren de muzikale klemtoon zou komen te liggen, stelt Donna voor het nummer aan te passen en het dan met haar in te blikken, maar daar wil Donna gezien haar religieuze background, niets van weten. Ze wil het nummer wel afwerken en het als demoversie opnemen zodat Giorgio het dan nadien aan andere zangeressen kan laten horen. In de kelders van zijn toenmalige woning in München had Moroder zijn eigen studio gebouwd, Musicland. Hij trekt daar met Donna naar toe en laat haar de eerste noten van Love to love you baby inzingen en vooral hijgen, want die gimmick ziet hij wel zitten, zeker nadat Jane Birkin en Serge Gainsbourg in 1969 internationaal hoge ogen hadden gegooid met Je t’aime… moi nin plus.  Het was puur voor de fun herinnert hij zich nog dat hij dat eens wilde uitproberen. Hij had vooraf thuis nog wat aan de melodie zitten sleutelen waarbij vooral het ritme belangrijk was, de aandacht kreeg. Hij wist dat het publiek dol was op dansen. Hijzelf was een slechte danser en schreef daarom speciaal voor mensen van zijn soort een liedje waarop de grootste stoethaspel kon bewegen. Voor Donna was het inzingen geen cadeau. Ze was een sublieme mezzo-sopraan die aardig met haar stem overweg kon. Love to love you baby was méér hijgen en kreunen. Toch was ze genoeg vakvrouw om het nummer in te zingen zoals Pete en Giorgio het haar opdroegen. Ze mengde zich niet, toen niet en later ook niet, met de opname. De mix en de definitieve afwerking waren haar terrein niet. In de studio waren ook toetsenist Sylvester Levay aanwezig samen met Pete, Giorgio en drummer Keith Forsey. Tijdens een soort jamsession kwamen ze spontaan op de beat die ze zouden gebruiken voor Love to love you baby. Nadat Donna de demo had ingezongen, trok Moroder ermee naar het Middem festival in Cannes waar hij het nummer kon slijten aan Dick Leathy en diens GTO Record label, maar Moroder stond er wel op dat Donna een nieuwe versie opnam. Het werd lang aandringen, maar uiteindelijk gaf ze dan toch toe, ondanks de erotische fragmenten die in het nummer opduiken. Omdat Keith Forsey niet beschikbaar was en zijn drumstijl toch iets te wensen overliet, werd zijn drumpartij vervangen door een elektronische drummachine, het neusje van de zalm in die tijd en werd een singleversie van een viertal minuten afgeleverd. In Europa deed die singleversie het niet onaardig in de dancings, maar ook niet meer dan dat. In de Nederlandse top veertig vinden we deze versie op het Groovy Label terug op de 17de plaats.Van een echte hit was er geen sprake. Tot op zekere dag de plaat ter ore komt van de Amerikaanse producer Neil Bogart, mede-oprichter van het befaamde Casablanca Label. Hij had net een platendeal getekend met de popgroep Kiss en zou iets later ook Village People gaan producen. Moroder had Love to love you doorgespeeld aan zijn pr – medewerkster in L. A. die het aan Bogart meegeeft om thuis te beluisteren. Die draait de single grijs tijdens één van de vele parties die hij ‘s avonds organiseert. Bogart merkt dat het aanwezig publiek er dol op is, maar hij vindt het nummer te kort. Hij komt op de lumineuze idee het nummer te verlengen. Hij wil de plaat in Amerika uitbrengen op voorwaarde dat Moroder het nummer qua lengte verviervoudigd. A crazy idea, maar Bogart had bij zijn vorige werkgever Buddah Records al bewezen dat hij de platenmarkt zeer goed aanvoelde. Morodor zegt ja op voorwaarde dat Bogart het nummer in de States uitbrengt op Moroder’s eigen label Oasis Records en op voorwaarde dat hij de twee instrumentale elpees van Moroder himself die hij al eerder in Europa had uitgebracht met synthesizer muziek ook in de Amerikaanse markt uitzet. Moroder trekt samen met Bellotte opnieuw de studio in en een week later heeft Bogart een megaversie op tafel liggen van ongeveer zeventien minuten. Jaren later zou iemand het keurig natellen, deze versie van Love to love you baby is goed voor 22 gefakete Donna Summer orgasmen. Daarmee was de eerste commerciële maxisingle een feit.

De ster Donna Summer was geboren. In een mum van tijd werd de maxiversie een hit op de Amerikaanse dansvloer. De 26ste  november 1975 wordt Love to love you baby door Casablanca Records op maxisingle verdeeld en voor de popcharts op single ( duur 3:21) met op de B-kant Need-a-Man Blues en enkele weken later, begin 1976, staat Donna Summer op de tweede plaats in de Amerikaanse charts. Eerder verscheen al de gelijknamige elpee die op kant a volledig wordt ingepalmd door de maxiversie met op de B-kant de songs Full of emptiness, Need-a-man blues, Whispering waves en Pandora’s box, eveneens goed voor de gouden hitstatus.

Neil Bogart stond erop dat Donna Summer zou geportretteerd worden en aan de man gebracht als een rijke disco-diva met een sexy imago. In werkelijkheid zag ze er zo niet uit. Ze had trouwens behoorlijk kort haar en droeg op de meeste foto’s en tijdens optredens een pruik. Ze verborg zich achter veel schmink, glitter en glamour. Later zou ze dit Casablanca Records, en Neil Bogart in het bijzonder, zeer kwalijk nemen. Bogart ging zich ook almaar meer met Donna’s privacy bemoeien en stelde zijn vrouw Joyce aan als haar persoonlijke manager. In 1976 scheidt Donna Summer van haar eerste man en geraakt in een diepe depressie verzeild waarover ze jaren lang het stilzwijgen bewaart. Ook de bemoeizucht van Bogart en diens vrouw spelen haar parten. Op zekere dag staat ze voor het open raam van haar flat en wil zelfmoord plegen. Op dat moment komt haar poetsvrouw binnen en verhindert op die manier dat Donna een einde aan haar leven maakt. Zij zelf zou dit als een positieve tussenkomst van God blijven beschouwen. Haar diepe geloof zou er ook voor zorgen dat nadat de hype rond Love to love you baby voorbij was, Donna méér dan 25 jaar lang het nummer niet meer wou zingen tijdens optredens.

Maar terug naar haar succesjaren. Niet dat Summer de ene hitsingle na de andere uitbrengt, want de opvolgers Try me, I know we can make it en Could it be magic, een cover van een hit van Barry Manilow, doen het maar matig. Het zijn vooral haar albums “Love Trilogy” en “Four Seasons of Love” die het goed doen op de Amerikaanse dansscene. Conceptelpees waren aan La Summer wel degelijk besteed, getuige ook het album ”I Remember Yesterday” dat ze de dertiende mei 1977 op de markt brengt waarop ze uitpakt met een ouderwetse burlesque sound refererend naar de jaren veertig in I Remember Yesterday, op de jaren zestig terugblikt in Back in love again en vooruitblikt naar de toekomst in I feel love waarmee ze muzikaal een schoolbeeld wordt voor latere sterren als Madonna en Bronski Beat en een stijl die als techno zal worden omschreven. Moroder laat hier de strijkers achterwege en gebruikt alleen maar synthesizers. Hiermee zou hij het basispratroon voor de latere techno uittekenen. Moroder krijgt na de release te horen dat David Bowie en Brian Eno enorme fans van dit nummer zijn en vooral van zijn productionele aanpak. I feel love wordt de tweede juli 1977 in Amerika als single op het Casablanca-label uitgebracht met op de B-kant Can’t we just sit down (and talk it over). Het levert Donna Summer in de States een zesde plaats op in Billboard’s Hot One Hundred. Summer tekent ook deze keer samen met Bellotte en Moroder mee als co-auteur.

Op deze leest wordt ook de daaropvolgende elpee “Once Upon a Time” geschoeid, een dubbelaar rond het Assepoesterthema en met als voorzichtige hitsingles hieruit I love you en Rumour Has It. Na haar topdriehit in 1978 met Last Dance uit de soundtrack van de film Thank God It’s Friday, pakt ze datzelfde jaar verrassend uit met een cover van een song van Jimmy Webb die voordien een grote hit was geweest voor de Britse acteur-zanger Richard Harris MacArthur Park. Jimmy Webb had dit nummer al eerder aangeboden aan de Amerikaanse groep The Association, maar die hadden geweigerd.  In 1967 ontmoet Richard Harris tijdens een benefietavond in Los Angeles componist Jimmy Webb met wie hij een gesprek aanknoopt en aan wie hij vraagt of die voor hem geen geschikte song heeft klaarliggen, want zingen blijft Richards grootste hobby. Hij wil met materiaal van Webb trouwens een ganse elpee vullen. Aanvankelijk vat Jimmy die vraag niet ernstig op tot hij op zekere dag een telegram van Richard ontvangt dat die in Londen klaarzit om zijn project uit te werken. Richard had intussen zowat alle demo’s beluisterd die Webb hem had doorgespeeld en hij wou koste wat het kost MacArthur Park inblikken. We zijn de 21ste december 1967 wanneer hij en Jimmy in de Sunset Sound Recorders Studio in Hollywood aan het werk schieten. Nu is MacArthur Park geen doordeweekse popsong, geen commercieel deuntje, maar een song met een aparte constructie. In een soort midtempo opgebouwd rond een piano en een klavecimbel, bespeeld door Jimmy Webb himself. Na ruim een minuut of twee gaat het tempo over in een slow om een paar minuten later los te barsten in een heus allegro tempo met veel drums en koper om nog eens zo’n anderhalve minuut later uit te monden in een “grand finale”. Geen wonder dat de single zeven minuten en 21 seconden duurt, maar dat kon en mocht in die tijd, want iets later zouden The Beatles een nummer één scoren met Hey Jude. De zesde januari 1968 leggen Jimmy en Richard de laatste hand aan de single en de elpee. De muzikanten die hadden meegewerkt, waren geen doordeweekse jongens: Larry Knechtel op keyboards, Hal Blaine op drums, Joe Osborn op bas, Mike Deasy op gitaar en Jimmy Webb, zoals ik eerder al vermeldde, op piano en klavecimbel. Richard Harris zong voortdurend de verkeerde tekst. Hij heeft het over MacArthur’s Park, terwijl het MacArthur Park moet zijn. Webb corrigeerde hem steeds, maar gaf de moed op omdat Harris het vertikte met die opmerking rekening te houden. Hij nam het nummer op als track van zijn te verschijnen album “A Tramp Shining” gevuld met songs stuk voor stuk door Jimmy Webb geschreven in een productie trouwens van Jimmy zelf. Het album verscheen op het Dunhill label met meteen daaruit MacArthur Park op single. De release had de elfde mei 1968 plaats en werd een regelrechte hit. Webb had die song iets eerder geschreven met een zijn achterhoofd een liefdesrelatie die hij had gehad met Susan Ronstadt, een nichtje van zangeres Linda Ronstadt. MacArthur Park was de plek waar ze elkaar ontmoetten, met elkaar lunchten en waar ze nadien tijdens de lunchpauze vaak naar toe trokken. We zijn dan ergens midden 1965 en Susan werkte toen nog bij een verzekeringsmaatschappij met hun kantoren vlak tegenover MacArthur Park. Hun liefde bleef niet duren en Webb schreef die breuk van zich af in het al even schitterende By the time I get to Phoenix dat een gigantische hit zou worden in de versie van Glenn Campbell. Susan trouwde iets later met een andere man, maar zou er met Jimmy een langdurige vriendschap op nahouden. MacArthur Park heette eerst Westlake Park, zo genoemd naar de gelijknamige buurt in Californië, maar sinds 1942 heet het MacArthur Park als eresaluut aan generaal Douglas MacArthur die een belangrijke rol speelde tijdens de 2de wereldoorlog in de Pacific, met name tijdens de oorlog in de Filippijnen.

MacArthur Park beleefde een tweede jeugd zal ik maar zeggen toen het nummer live werd gezongen door Donna Summer in 1978 en op haar dubbelalbum “Love and More” belandde, in een productie van Giorgio Moroder en Pete Belotte. Op dat album staat de MacArthur Park suite (met daarin ondermeer ook de songs One of a Kind en Heaven Knows verwerkt) met als onderdeel de live versie van MacArthur Park. Op het album duurt die versie acht minuten en veertig seconden, maar werd toen het op single werd uitgebracht, ingekort tot zes minuten en achtentwintig seconden. In Amerika leverde de single The Queen of Disco een nummer één op, in de Britse top veertig een vijfde plaats en in de Nederlandse hitlijsten een negende. In onze top dertig hield Donna Summer halt op de dertiende plaats.

De 25ste april 1979 verrast Donna Summer vriend en vijand met het album Bad Girls waarin ze de prostitie nog eens onder de loep wil nemen zoals ze dat eerder al voorzichtig had gedaan op haar eerste album “Lady of the Night”. Ze beperkt zich niet tot disco alleen, maar kiest ook de kant van de soul én de rock. Dit album levert haar datzelfde jaar in de Amerikaanse top honderd twee nummer één hits op: Hot Stuff en Bad Girls. Ook al wordt ze terecht The Queen of Disco genoemd, toch heeft Summer stilaan genoeg van dit te nauwe keurslijf. Een verrassende nummer één wordt de ballad No More Tears dat ze als duet opneemt samen met Barbra Streisand. Die had op verzoek van haar zoon Jason aan Donna gevraagd of ze niet wou meezingen omdat hij een grote fan van haar was. La Streisand voegt dit nummer toe aan haar album Wet. Het liedje heette eigenlijk Enough is enough, maar die titel had niets met water te doen zoals de rest van het album. Daarom werd het liedje tot No More Tears omgeturnd. Tijdens het liedje moet Barbra gedurende 14 seconden een lange noot aanhouden en het verhaal wil dat net op dat moment Donna van haar kruk tuimelt, nog hartstikke moe van een nachtje stappen de avond voordien. Streisand zou doodleuk hebben voortgezongen en pas na haar hoge vocale uithaal gevraagd hebben of Summer zich niet had bezeerd. No More Tears zal Donna Summer met veel plezier toevoegen aan haar verzamelablum “On the Radio: Greatest Hits Volumes I & II”.In Amerika alleen al zouden van de single daaruit On The Radio méér dan een miljoen exemplaren verkocht worden.

Tussen Casablanca Records en Neil Bogart botert het almaar minder. Donna wil niet langer met hen samenwerken, ze is ook de aanpak van Moroder en Bellotte zat en kijkt halsreikend uit naar een nieuw platencontract. Ze sluit in 1980 een lucratieve deal bij de net opgerichte firma van David Geffen, Geffen Records, een deal die ze meteen verzilvert met de release van het album “The Wanderer”. De titelsong wordt gelijk een top drie hit in The States. De volgende elpee vindt Geffen niet denderend genoeg en laat de tapes onaangeroerd in de kluis liggen. De samenwerking met Morodor en Bellotte wordt afgerond en Quincy Jones komt in de plaats met als resultaat het album Donna Summer dat de negentiende juli 1982 wordt gereleaset, een aantal weken eerder voorafgegaan door de single Love is in Control geschreven door Quincy Jones samen met Rod Temperton die ook hits voor Michael Jackson zou schrijven. Love is in Control levert Summer een toptienhit op. Voor de daaropvolgende single State of Independence krijgt ze in de studio vocale steun van ondermeer Lionel Richie, Dionne Warwick, Michael Jackson en Kenny Loggins. Toch zou het nummer niet hoger klimmen dan de eenenveertigste plaats in de Amerikaanse charts. Intussen was Casablanca Records opgekocht door Universal. Die hadden uitgedokterd dat Summer contractueel verplicht was nog één album voor hen op te nemen en dat wordt “She works hard for the Money” met materiaal dat ze iets eerder al had opgenomen met producer Michael Omartian, maar dat Geffen niet goed genoeg had gevonden. De opnamen worden dan toch gebruikt met toevoeging van de song She works hard for the Money dat de zevenentwintigste mei 1983 in omloop wordt gebracht en enkele weken later op de derde plaats in Billboard’s Hot One Hundred prijkt. Dan wordt het even wat aanmodderen voor Donna Summer die haar greep op de hitlijsten lijkt te verliezen. De singles Love has a mind of its own, There goes my baby, Supernatural love en Dinner with Gershwin scoren niet echt. Inpikkend op het immense succes dat wereldwijd wordt gescoord met de songs en de producties van Stock, Aitken en Waterman die de hitlijsten teisteren met de hits die ze schrijven voor Rick Astley, Bananarama en Kylie Minogue besluit David Geffen de drie heren in te huren voor het album “Another Place and Time”. Ook deze keer beslist Geffen het album niet uit te brengen waarop Donna Summer elke verdere samenwerking stopt. Ze brengt tijdens de maand maart van 1989 het nummer wél in Europa uit op het Warner Brothers Record Label. De single daaruit This Time I Know it’s for Real wordt in Engeland met een derde plaats bekroond. Ook het nummer I don’t want to get hurt uit datzelfde album wordt een toptienhit in de Britse top veertig. In Amerika wordt This Time I know it for Real gereleaset op het Atlantic-label en is daar goed voor een zevende plaats in de top honderd. Meteen de laatste tip tien hit die Donna in Amerika zal scoren.

In Engeland bereikt ze met de verzamel cd “The Best of Donna Summer” in 1990 de gouden status. Drie jaar later is er de uitgebreide verzamelaar “The Donna Summer Anthology”. Hierop staan de releases op het Atlantic, Geffen, Mercury als het Casablanca label vredig naast elkaar verzameld. In 1994 mag Donna eindelijk haar religieuze kant etaleren op het album ”Christmas Spirit”. Datzelfde jaar beslist Donna Summer samen met haar tweede echtgenoot Bruce Sudano, met wie ze de zestiende juli 1980 getrouwd was, en hun kinderen Brooklyn en Amanda van Los Angeles naar Nashville te verhuizen waar ze meer van haar vrije tijd gaat genieten en met haar grootste hobby bezigzijn, schilderen, waarmee ze negen jaar eerder al was begonnen.  Het was Donna Summer inmiddels gelukt het imago van “Disco Queen” van zich  af te schudden en zich te profileren als een volwaardige popzangeres die zowel Madonna als Beyoncé rijkelijk heeft beïnvloed. Ze was de eerste zwarte zangeres in Amerika die in aanmerking kwam voor een nominatie in de categorie MTV Video Music Award. In de Amerikaanse dance charts was ze goed voor zomaar liefst veertien nummer één hits. Haar laatste album “Crayons” dat ze in 2008 uitbracht, is een hoorbaar teken dat ze het nog altijd goed meende met haar talent en de muziek die ze haar leven lang warm in haar hart meedroeg. In het nummer The Queen is Back neemt ze een loopje met haar carrière en met haar titel als diva van de disco, een titel die haar haar leven lang zou blijven achtervolgen, ook nu nog! In onze top dertig scoorde Donna Summer de voorbije decennia ook regelmatig. Zo stond ze één keer bij ons op één en wel met I feel love in 1977, één keer op twee met This time I know it’s for real in 1989 en twee keer op drie met The Hostage in 1974 en enkele maanden later met Lady of the Night.

Donna Summer overleed de zeventiende mei 2012 in haar huis in Naples in Florida op 63-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker, ook al had ze tijdens haar leven nooit gerookt. Ze hield vol dat haar longen veel te verduren hadden gekregen toen ze ten tijde van 9/11 in Manhattan woonde in de buurt van The Twin Towers.  Wekenlang kwam ze niet uit haar bed en kampte opnieuw met een zware depressie. Voor heel wat Amerikanen was haar overlijden een shock. President Obama liet weten: ” Michelle and I were saddened to hear about the passing of Donna Summer. A five-time Grammy Award winner, Donna truly was the Queen of Disco. Her voice was unforgettable and the music industry has lost a legend far too soon. Our thoughts and prayers go out to Donna’s family and her dedicated fans”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Walk Like an Egyptian

Bruce Hornsby and The Range zullen het niet snel vergeten. De 20ste december 1986 moesten ze in de Amerikaanse top honderd de duimen leggen voor de dames The Bangles, want die gingen de charts aanvoeren gedurende zo maar liefst vier weken met Walk like an Egyptian. Nadien was het tijd om hun eerste plaats af te staan aan Gregory Abbott met zijn toch wel verrassende nummer één Shake You Down.

Walk like an Egyptian schreef Liam Sternberg tijdens zijn overtocht met de ferry richting Engeland. Hij observeerde de passagiers die met moeite hun evenwicht op de boot konden bewaren en kwam op die manier op de idee van de songtitel. Liam was van Ohio afkomstig, maar had zich voor een tijdje in Londen gesetteld. In de maand januari van 1984 nam hij samen met de Amerikaanse zangeres – schilderes Marti Jones (goed voor een negental cd’s) een demoversie van het nummer op. Hij liet die versie aan Toni Basil horen die vier jaar eerder een nummer één had gescoord met het door Chinn en Chipman geschreven Mickey, maar ze wees het liedje van de hand. Op zeker dag komt het nummer via een demobandje bij David Kahne, de toenmalige manager van The Bangles, terecht. Hij was op zoek naar enkele songs voor hun tweede album Different Light. Hij was al getipt om met veel aandacht naar het eerste nummer Rock and Roll Vertigo te luisteren, maar werd nog meer geboeid door het tweede nummer op het demobandje Walk like an Egyptian. Dat bleef almaar door zijn hoofd spoken. Nu kende Liam Sternberg The Bangles van een optreden dat hij van hen had meegemaakt in een muziektent op Ventura Boulevard in Californië. Liam zat al een tijdje in de muziekbusiness en produceerde ondermeer de eerste elpee van Rachel Sweet waarvoor hij ook een aantal songs had geschreven. Hij zou ook samenwerken met ondermeer Fuzzbox, Baby Tucker en Riff Regan.

Tijdens de zomer van 1985 werd het album Different Light ingeblikt met als producer David Kahne die begonnen was bij het Amerikaanse punklabel 415 Records, maar nadien voor majors ging werken als Columbia Records en Warner Brothers. Op zijn palmares staan intussen producties samen met Paul McCartney, Stevie Nicks, The Strokes en het met een Grammy onderscheiden album MTW Unplugged: Tony Bennett. Het album Different Light dat hij voor The Bangles produceerde zou hun drie hits opleveren. In volgorde: Manic Monday dat Prince een jaar eerder had geschreven onder zijn schuilnaam Christopher voor het meidentrio Apollonia 6 waarvoor hij de dames Patricia Kotero, Brenda Bennett en Suzan Moonie had geselecteerd. Hij had Manic Monday voor hen als een duet geschreven. Vervolgens werd If she knew what she wants van Jules Shear op single uitgebracht en nadien Walk like an Egyptian. In Engeland staat deze single de 13de september 1986 al op de derde plaats. Het zou niet hun grootste hit worden, want die eer was weggelegd voor Eternal Flame dat drie jaar later een Britse nummer één werd. In Nederland hadden The Bangles nog méér succes, want daar geraakte Walk like an Egyptian tot op de eerste plaats van de top veertig. Ze zouden daar met Eternal Flame de 18de maart 1989 opnieuw postvatten. Ook in onze BRT top dertig lieten The Bangles luidruchtig van zich horen met ook hier bij ons een eerste plaats als beloning, wat ze met Eternal Flame drie jaar later nog eens zouden overdoen

The Bangles stonden toen al een tijdje op het podium en waren zes jaar eerder opgericht door de zusjes Vicki en Debbi Peterson samen met hun vriendinnen Susanna Hoffs en Annette Zilinskas. Ze noemden zich eerst The Colors, iets later The Bangs, maar er bestond al een gelijknamige groep die aan de oostkust in Amerika nogal populair was en daarom werden ze vanaf 1982 The Bangles. Datzelfde jaar werd Zilinskas bedankt voor haar diensten en werd haar plaats ingenomen door Michael Steele, voordien bassiste en zangeres bij The Runaways. Zilinskas sluit zich aan bij de punkgerichte groep Blood on the Saddle. Hollywood werd de uitvalsbasis van The Bangles. Na een korte platendeal bij I.R.S. Records hadden ze onderdak bij Columbia Records gevonden om daar in 1984 hun eerste album All Over The Place af te leveren meteen daarop gevolgd door het daarnet besproken Different Light. Opvallend was dat The Bangles een van de eerste meidengroepen waren die zelf hun instrumenten bespeelden.

In 1988 gooien de dames internationaal nog eens hoge ogen met Eternal Flame. Binnen de groep boterde het toen al niet meer zo goed omdat Susanna Hoffs iets te veel van het vocale laken naar zich toetrok. Eind 1989 wordt de groep opgedoekt en gaat La Hoffs solo. Elf jaar later staan The Bangles opnieuw op het podium met ondermeer een song die ze hadden opgenomen voor de film The Spy Who Shagged Me. Michael Steele houdt het in 2005 voor bekeken en wordt vervangen door Abby Travis. Zes jaar later brengen ze het album Sweetheart of the Sun op de markt.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

( I just ) Died in your arms

Wat ik me nog levendig herinner is dat ik vanaf de eerste keer dat ik (I just) died in your arms tonight hoorde, ik meteen weg was van die song. In Amerika waren ze dat ook. Daar stond Cutting Crew de 2de mei 1987 op één in Billboard’s Hot One Hundred nadat ze Aretha Franklin samen met George Michael en hun I knew you were waiting aan de kant hadden geduwd. Ook Crowded House en hun single Don’t dream it’s over hadden ze gepasseerd, net als Madonna met La Isla Bonita. (I just) died in your arms tonight werd op zekere nacht door Nick Van Eede bedacht nadat hij zijn liefje wou bedanken voor hun heerlijke vrijpartij , een variante op de Franse uitdrukking la petite mort om het ontladen gevoel na een orgasme mee te omschrijven. Spontaan zei hij tegen haar: ” I just died in your arms tonight”. Hij had zijn “little death” aan den lijve ondervonden. Nick noteerde die zin op een stukje papier, stopte het weg en sloeg er geen acht meer op. Van Eede was sinds zijn 18de druk met muziek bezig, onder meer als begeleider van David Essex, Leo Sayer en Hot Chocolate. Hij hield ervan op zijn akoestische gitaar te tokkelen. Hij deed dat vaak samen met zijn eigen band The Drivers en trekt met hen op zekere dag naar Canada waar ze de groep Fast Forward leren kennen. Nick is meteen in de ban van hun gitarist Kevin MacMichael die op zijn 12de al een eigen groepje had opgericht The Martian Minstrels nadat hij The Beatles had zien optreden in “The Ed Sullivan tv show”. Tijdens die Canadese tournee worden Nick en Kevin dikke vrienden. Terug in Engeland blijft Nick contact zoeken met Kevin en smeekt hem naar Engeland af te zakken en Canada achter zich te laten. Maar Kevin hapt niet toe zodat Nick dan maar zelf zijn koffers pakt en naar Toronto afreist. Maanden na mekaar wacht hij tot Kevin tijd wil maken om samen met hem songs op te nemen, want Kevin blijft maar met zijn groep rondtoeren. Het noodlot speelt in Nicks voordeel wanneer Kevins groep een ongeval met hun tourbus krijgt. Het merendeel van de muzikanten geraakt gewond zodat verder concerteren geen zin heeft omdat er enkelen ernstig gewond zijn geraakt, behalve Kevin die er met de schrik afkomt. Kevin en Nick besluiten een jaar samen liedjes te schrijven. Als er dan geen platencontract op tafel ligt, zal ieder zijn eigen weg gaan. Londen wordt als thuisbasis gekozen. Er worden twee extra muzikanten aangetrokken: drummer Martin Frosty Beedle die uit het cabaretcircuit komt en bassist Colin Farley, een voortreffelijk sessiemuzikant. Lang naar een groepsnaam zoeken, hoeven ze niet, want Nick stelt Cutting Crew voor, een woordcombinatie die hij had onthouden nadat hij een artikel had gelezen over Queen en de opname van hun hit Crazy little thing called love. De reporter van dienst noemde hen ‘a cutting crew’. Omdat Nick en Kevin geen zin hadden om eerst een paar maanden of zo rond te trekken en af te wachten of een platenfirma zou toehappen, organiseren ze zelf een showcase waarop ze de belangrijkste firma’s uitnodigen. Geen drie maanden later hebben ze een platendeal op zak bij Siren Records, een zusterfirma van The Virgin Records Group. In de maand mei van 1986 trekken Cutting Crew en de producers Terry Brown en John Jansen de studio in om (I just) died in your arms in te blikken. De groep wordt versterkt met vier extra studiomuzikanten. De 25ste juli komt het nummer in Engeland op single uit met op de B-kant For the longest time. De 16de augustus bereikt de single de vierde plaats in de Britse Top 40, meteen ook de hoogste notering. In Nederland zit er in het najaar, de 8ste november om precies te zijn, een negende plaats in de Top 40 in. In België geraakt Cutting Crew niet hoger dan de 17de plaats in de Top 30. Hun platenfirma beslist de 30ste juli 1986 het nummer op het album “Broadway” uit te brengen. Als opvolger wordt daaruit gekozen voor de single One for the mockingbird dat het al veel minder doet net als de volgende singles I’ve been in love before en Any Colour. In Amerika wordt beslist (I just) died in your arms de 14de maart 1987 op 45 toeren te releasen. Het resultaat vertelde ik je daarnet al. Maar ook hier wordt snel duidelijk dat we met a one hit wonder, een eendagsvlieg te maken hebben, want opvolgers zitten er voor Cutting Crew niet meteen in. Na het onnodige rekwerk besluit de groep er in 1993 eervol een punt achter te zetten. Ze hebben er dan vier albums en één verzamel-cd opzitten.

De 31ste december 2002 overlijdt op 51-jarige leeftijd Kevin MacMichael aan kanker. Vier jaar later richt Nick een nieuwe versie van Cutting Crew op. Het jaar nadien verschijnt de debuutsingle Relax, take it easy van Mika op de markt, een bewerking van (I just) died in your arms. Het nummer staat ook op zijn debuutplaat “Life in Cartoon Motion”. De single flopt eerst, maar na het succes van de volgende single Grace Kelly, wordt Relax, take it easy vooralsnog een superhit.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

La Bamba

De song La Bamba is onlosmakelijk met film verbonden. Het dook in 1947 al op in de prent Fiesta van regisseur Richard Thorpe geproduced door Jack Cummings voor Metro-Goldwyn-Mayer met in de hoofdrollen Ricardo Montalban, Esther Williams, Mary Astor en Cyd Charisse. Het verhaal is opgebouwd rond toreador Mario Morales die koste wat het kost songwriter wil worden. Zijn tweelingszus Maria Morales wil op haar beurt stierenvechtster worden. Terwijl Mario muziek studeert, neemt zij zijn plaats in de arena in. In de soundtrack van de film duikt muziek op van de bekende klassieke componist Aaron Copland, naast traditionele melodieën zoals Jarabe Tapatio en La barca oro, naast La luna enamorada van Martinez Durango en La Bamba van Luis Martinez Serrano.

La Bamba is een Mexicaans lied dat veel in Veracruz werd gezongen en werd geschreven in de son jarocho stijl ( je hoort zowel Spaanse als Afrikaanse invloeden). Door de bank wordt het liedje op harp of gitaar gespeeld, meestal op de jarana jarocha, een kleine gitaar, en op de requinto jarocho, ook een soort kleine gitaar die enkele zangers begeleiden. De meest bekende son jarocho is La Bamba. Waarschijnlijk is de titel afgeleid van het werkwoord bambolear wat zoveel betekent als “al schuddend dansen”. De dans dook vaak op tijdens huwelijksfeesten waarmee de bruid en bruidegom het feest inzetten, een gebruik dat in Veracruz en omstreken zo goed als verdwenen is. Het bekendste fragment in het liedje is en blijft “Yo no soy marinero, soy capitan! Ik ben geen marinier, maar kapitein op het schip”. Veracruz is namelijk een bekende havenstad, vandaar. In de dans is het voetenwerk, el zapateado, erg belangrijk, terwijl het ritme almaar sneller wordt. Het liedje werd bekend in de versies van Mariachi Vargas de Tecalitlan en Los Pregoneros del Puerto, terwijl in The Originals Arnold Rypens aangeeft dat Andres Huesca y su Trio Huracan het al eersten op plaat zetten. Hij geeft ook aan dat La Bamba bekend was onder de titel El Jarabe del Veracruzano wat zoveel betekent als de bruiloft van Veracruz.

Maar het was pas toen Ritchie Valens in 1958 het liedje van een rockversie voorzag dat het in Europa echt doorbrak en we hier op zoek gingen naar het origineel dat dankzij groepen als Los Paragayos en Los Machucambos op onze dansvloer terechtkwam.

In 1958 dook Ritchie Valens de opnamestudio in samen met gitarist Carol Kaye en drummer Earl Palmer om La Bamba aan een breder publiek voor te stellen. Rock ‘n roll deed het toen nog erg goed en Valens wist er zich mee de eeuwigheid in te zingen. In 2001 werd hij niet voor niets opgenomen in The Rock and Roll Hall of Fame. Ritchie kampte tijdens de opname met een probleem. Al was hij apentrots op zijn Mexicaanse roots, hij sprak geen woord Spaans. Hij kende wel de tekst van La Bamba dankzij zijn tante Ernestine Reyes die hem fonetisch de juiste uitspraak aanleerde. Producer Bob Keane zorgde dat alles in de plooi viel en bracht La Bamba in de maand oktober van 1958 op single uit als b-kant van de hit Donna en dat op het Del-Fi Label. Donna geraakte top op twee van Billboard’s Hot One Hundred en de 29ste december prijkte La Bamba op de 22ste plaats. Lang zou Ritchie van zijn succes niet kunnen genieten, want samen met The Big Bopper en Buddy Holly kwam hij tijdens een vliegtuigongeval de 3de februari 1959 op 17 jarige leeftijd om het leven.

Dat verhaal van Ritchie Valens inspireerde in 1987 Luis Valdez tot het schrijven van het scenario voor de film La Bamba met in de hoofdrol Lou Diamond Phillips. Luis zou de film ook regisseren en deed voor de productie een beroep op Bill Borden en Taylor Hackford. Het verhaal draait niet alleen om Ritchie Valens, maar ook om diens halfbroer Bob Morales, zijn vriendin Donna Ludwig en de rest van de familie. De acteurs kregen de volle steun medewerking van de familie Valenzuela (de echte familienaam van Ritchie Valens) en waren zelfs tijdens de opnamen op de set life aanwezig om de acteurs de nodige hints te geven. Voor de muziek werd een beroep gedaan op Carlos Santana, Miles Goodman en Los Lobos die van La Bamba een succesvolle versie wisten neer te zetten. De 24ste juli ging de film in première en werd een echte voltreffer. De soundtrack scoorde al even goed en werd snel tot de platina status verheven. De film zou eerst als Let’s go worden gelanceerd, zo genoemd naar de hit Come on let’s go van Rtichie Valens, maar de impact van het nummer La Bamba was zo groot, dat er snel beslist werd dat dit de definitieve titel zou worden. In de film zelf zijn Los Lobos, die alle liedjes van Ritchie opnieuw vertolken, even te zien tijdens een scene in het stadje Tijuana. Brian Setzer mag tijdens de film even opduiken als Eddie Cochran en Marshall Crenshaw als Buddy Holly.

Los Lobos werd speciaal door regisseur Luis Valdez aangezocht om de hits van Ritchie Valens een nieuw geluid te geven. Hij weigerde om de oude tracks van Ritchie te gebruiken. Het was voor hoofdacteur Lou Diamond Phillips dan ook een hele klus om zijn gitaarspel synchroon af te stemmen op dat van Los Lobos. Er was permanent een gitaarleraar aanwezig om hem de juiste akkoorden en vingerzettingen aan te leren. Curt Soberl was door Luis Valdez aangeduid om zich met de muziek bezig te houden. Hij weet nog goed hoe moeilijk het was om Phillips gelijktijdig met de opnamen van Los Lobos te laten meezingen. Daarom dat de begeleiding van Los Lobos en de zangpartijen van hun leadzanger David Hidalgo gescheiden werden opgenomen. Los Lobos had als populaire Mexicaanse band La Bamba al lang op hun repertoire staan. Ze wisten maar al te goed dat jet liedje méér dan 200 jaar oud was toen zij het nog eens opnieuw op plaat zetten. Ook Ritchie was in zijn tijd vertrouwd met het liedje omdat hij als kind de song vaak had gehoord tijdens bruiloften en familiefeesten. Het is dus niet juist dat Ritchie het liedje voor het eerst hoorde in een bordeel in Tijuana, zoals in de film La Bamba verteld wordt.

Los Lobos leerden elkaar kennen toen ze in Los Angeles school ipene. Het waren Cesar Rosas en David Hidalgo die ontdekten dat Mexicaanse muziek hun voorliefde wegdroeg. Iets later ontmoetten ze drummer Louie Perez, bassist Conrad Lozano en gitarist Frank Gonzales. In 1973 was Los Lobos als groep een feit. Ze leerden de knepen van het vak als een soort balorkest tijdens vele bruiloften en feestpartijen. Dankzij de groep The Blasters, die ze tijdens een concert tegen het lijf liepen, kregen ze een contract aangeboden door platenfirma Slash en van danaf ging het voor hen snel de goede richting uit. Als muziekgenre kozen ze voor de chicanorock, een stijl gespeeld door muzikanten van Mexicaanse afkomst, wonend in de buurt van Los Angeles. Ze spelen eigenlijk typische Tex-Mex muziek. In 1983 namen ze hun eerste album op … And a Time to Dance. Vier jaar later was het wereldwijd raak met de soundtrack voor de film La Bamba. De titelsong werd een internationale nummer één. De 29ste augustus 1987 verdrongen Los Lobos Madonna en Who’s that girl van de eerste plaats om zelf drie weken na mekaar bovenaan de Amerikaanse charts te staan schitteren tot Michael Jackson samen Siedah Garrett die eerste plaats kwam inpalmen met I just can’t stop loving you. Ook in Engeland, net zoals in Nederland, zat er in de top veertig voor de heren een eerste plaats in. In onze toenmalige top dertig werd voor La Bamba een tweede plaats gereserveerd. Nog twee liedjes uit de film zouden Los Lobos in onze hitlijsten een bescheiden succes opleveren: Come on let’s go en Donna.

In 1995 verzorgden Los Lobos de soundtrack voor de film Desperado. Voor de song Mariachi Suite, die ze speciaal voor de film schreven, kregen ze een Grammy Award.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

You’ ve Got a Friend

Zelf zingen, zelf je liedjes schrijven, maar er niet zelf een hit mee scoren, een vette hit dan nog wel, dat overkwam ondermeer Carole King toen ze You’ve got a friend schreef. In de versie van James Taylor werd het een nummer één in de zomer van 1971 toen die in de top honderd The Raiders voorbijstak die daar op twee stonden met Indian Reservation en Carole King, jawel op drie, maar die had wel twee weken eerder op één mogen staan met It’s too late en dat, hou je vast, zo maar liefst vijf weken na mekaar, dus aan mijn openingszin moet ik wat sleutelen, al wou ik daarmee aangeven dat het toch vreemd moet zijn dat je zelf een perfecte plaat uitbrengt, in dit geval  de elpee Tapestry en dat iemand anders er als de kippen bij is één van de nummers op die plaat te coveren en daar dan een nummer één mee scoort. Weet je wat, ik ga het verhaal stap voor stap vertellen!

 

In de lente van 1971 had Carole King alom succes geoogst met haar elpee Tapestry waarmee ze zomaar liefst vijftien weken na mekaar op één zou genoteerd staan in de Amerikaanse album top honderd en waarvan uiteindelijk 15 miljoen exemplaren zouden verkocht worden. Nu was King al wat gewoon als hitlecverancierster van aardig wat evergreens in de jaren zestig waaronder Will you love me tomorrow voor The Shirelles, Take good care of my baby voor Bobby Vee, The Locomotion voor Little Eva, Go way little girl voor Steve Lawrence, Up on the roof voor The Drifters, I’m into something good voor Herman’s Hermits enz… nummers die ze samen met Gerry Goffin, haar toenmalige echtgenoot. Dan heb ik het nog niet gehad over hun klassiekers zoals You’ve lost that lovin’ feelin’ voor The Righteous Brothers , You make me feel like a natural woman voor Aretha Franklin en Chains voor The Cookies dat iets later ook door The Beatles op plaat zou worden gezet. In een vorig leven was Carole King ooit het liefje geweest, of zeg maar boezemvriendin, van Neil Sedaka die speciaal voor haar één van zijn grootste hits Oh Carol neerpende, waarop zij hem van antwoord diende in Oh Neil, intussen een aardige collector’s item. Na haar scheiding van Gerry Goffin in 1968 richtte ze de groep The City op. Iets later besloot ze solo te gaan, maar voelde zich te bedeesd om in haar nieuwe teksten over haar eigen leven en gevoelens te schrijven. Dat kostte haar ontzettend veel moeite. Ze had ook geen zin om zich te profileren als “een zangeres van hitjes”. Die had ze wel aan de lopende band geschreven, maar er zelf mee in the picture staan wou ze niet. Ze zou wel een elpee afleveren en wat voor een, de daarnet al genoemde Tapestry, een mijlpaal in de Amerikaanse popgeschiedenis en één van de beste singer songwriter platen ooit. Ze zou voortaan met U worden aangesproken. Ze was toen al dé absolute nummer één als vrouwelijke hitleverancier met zeven nummer één hits op haar schrijversactief. Met Tapestry had ze in 1972 vier Grammy’s op zak. James Taylor deed op zij beurt nog een extra duit bij in het zakje.

Taylor had méér dan zomaar snel naar haar plaat Tapestry geluisterd. Die was compleet onder de indruk van de song You’ve got a friend. Nu waren Carole en James al jarenlang hondstrouwe vrienden en toen zij bezig was met de opname van Tapestry zat hij enkele honderden meters verderop in een andere studio samen met producer Peter Asher (van het Britse duo Peter and Gordon) de laatste hand te leggen aan zijn elpee Sweet Baby James. Carole had James eerder leren kennen via Danny Kortchmar die met haar samen in hun groep The City zat. In 1971 trok James Taylor op tournee en hij nam Carole en haar groep mee als voorprogramma. James kwam uit een oerdegelijk milieu. Zijn vader was rector van de medische afdeling aan de universiteit in North Carolina en zijn moeder was een behoorlijk geschoolde lyrische sopraan. Zowel James als zijn broers Alex en Livingston als zijn zus Kate waren door de muziek bezeten en zouden nadien ook elk hun eigen platen opnemen. Ieder jaar tijdens de zomer brachten James en zijn familie hun vakantie door in Martha’s Vineyard. Op zijn vijftiende leert hij daar Danny Kortchmar kennen met wie hij een duo vormt. Ze winnen een locale zangwedstrijd en dat is zowat de start van James ‘ carrière die iets later op school een groep vormt samen met zijn broer Alex The Fabulous Corsairs. Ook al is hij nog maar zeventien, James krijgt te kampen met een zware depressie en verblijft tien maanden in The McLean Psychiatric Hospital in Belmont, Massachusetts. Voor hem de uitgelezen kans om muziek te maken op zijn gitaar en een rist songs bij mekaar te schrijven. Hij mag het ziekenhuis verlaten en trekt naar New York op zich daar aan te sluiten bij de nieuwe band van van zijn vriend Danny Kortchmar  The Flying Machine. Danny blijkt niet opgezet met het feit dat James aan de heroïne zit en wijst hem na een tijdje de deur. Om van zijn  verslaving verlost te geraken, verhuist James in 1968 voor een tijdje naar Londen. Danny had James vooraf getipt eens een bezoek te brengen aan Peter Asher, die intussen baas was geworden van de A and R afdeling van Apple, het platenlabel van The Beatles. Met een demo onder de arm mag hij langskomen. Voor Apple neemt James Taylor één album op. Hij krijgt tijdens één nummer op die plaat zelfs de ruggesteun van Paul McCartney en George Harrison. Maar James geraakt maar niet van zijn verslaving af. Hij laat zich opnemen in het centrum Austin Rigss in Stockbridge, Massachusetts, een hospitaal waar ze gespecialiseerd zijn in het behandelen van drugsverslaafden. Intussen heeft Peter Asher, Apple verlaten en is producer geworden bij Warner Brothers Records in Amerika waar hij James Taylor meteen een nieuw platencontract aanbiedt. Zijn tweede elpee Sweet Baby James levert Taylor de hit Fire and Rain op, waarin hij zijn drugsverslaving van zich af probeert te schrijven alsmede de zelfmoord van één van zijn vrienden.

Het succes van de elpee Sweet Baby James zorgt ervoor dat James samen met Peter Asher de 3de januari 1971 de opnamestudio mag intrekken en daar tot de 28ste februari keihard werkt aan de opname van zijn derde elpee Mud Slide Slim and The Blue Horizon, zijn meest populaire ooit. Met deze plaat zou hij tot op de tweede plaats geraken van Billboard’s album top honderd. Tijdends de opnamen kan hij een beroep doen op de beste muzikanten: Russ Kunkel, Joni Mitchell, Danny Kortchmar, Peter Asher die niet alleen produceert, maar ook meezingt én Carole King die James maar al te graag op de piano begeleidt en hier en daar graag een paar noten meezingt. Zij leent James één van haar nummers van haar Tapestry elpee You’ve got a friend. Op datzelfde moment zit Dusty Springfield in de platenstudio en blik ook You’ve Got a Friend in, maar door problemen met haar firma wordt die plaat nooit uitgebracht en zal pas in 1999 voor de eerste keer te horen zijn op de luxe uitgave van de plaat Dusty in Memphis op het Rhino Label.

De vijfde juni 1971 beslist Warner Brothers You’ve got a friend van James Taylor als single op de markt te brengen met You can close your eyes op de b-kant. De 31ste juli staat de single op nummer één, maar moet na een week die bovenste stek overlaten aan The Bee Gees die daar komen postvatten met How can you mend a broken heart. Iets later mag James Taylor een Grammy Award in ontvangst nemen als Best Pop Male Vocal Performance en Carole King voor Song of The Year. Voor James zou het bij die ene nummer één blijven. Hij zou nadien nog in de Amerikaanse top tien opduiken met de singles: Mockingbird, How sweet it is en Handy Man. In Engeland geraakt James Taylor met You’ve got a friend tot op de vierde plaats in de Britse Top Veertig. In de Nederlandse hitlijsten zit er een twintigste plaats in. Aan onze hitlijsten gaat die single compleet voorbij.

Om hun succes en hun vriendschap te bekronen, huwen Carole en James de derde november 1972 met elkaar, een relatie die in 1982 op vraag van Carole King wordt ontbonden. Tal van covers zouden van You’ve Got A Friend een regelrechte klassieker maken. Versies van: Petula Clark, Jimmy Cliff, Billy Crawford, Ella Fitzgerald, The Housemartins, Lucio Dalla, Andy Williams, Johnny Mathis, Aled Jones, Melissa Manchester enz…

Het album Mud Slide Slim and The Blue Horizon zou James Taylor ook nog de hit Long Ago and Far Away opleveren. De laatste jaren teert Taylor vooral op zijn successen van vroeger met enkele Best Of cd’s en de successen van anderen die hij in 2008 opneemt op de cd Covers en het jaar nadien vervolledigt met Sings Covers. Drie jaar eerder blikte hij de cd James Taylor At Christmas in met daarop ondermeer de klassieker The Christmas Song waarop hij begeleid wordt door onze bloedeigen Toots Thielemans.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Neil Diamond

Ze zijn niet zo dik gezaaid: artiesten die eerst in de schaduw stonden, liedjes voor anderen schreven en pas later zelf doorbraken. Barry Mann was zo iemand, net als Carole King en ook Neil Diamond past perfect in dat rijtje. Diamond was een bescheiden jongen, die wat teruggetrokken leefde, niet zo gemakkelijk met anderen communiceerde. Hij zou echter uitgroeien tot een van de bekendste en belangrijkste Amerikaanse singer-songwriters van de 20ste eeuw.

Hij werd de 24ste januari 1941 als Neil Leslie Diamond  in Coney Island geboren, een voorstad van New York. Zijn beide ouders waren van Poolse afkomst. Mama’s ouders hadden zelfs Russische roots. In 1953 openen zijn vader en moeder in Brooklyn een textielwinkel.  Hij kende het straatleven als geen ander, sloot zich snel aan bij een bende, maar bleef door zijn gesloten karakter steeds op de achtergrond. Op de vuist gaan, lag hem niet zo. Hoe vreemd het ook mag klinken, op zekere dag besluit hij gedichten te schrijven, zijn gevoelige ziel bloot te leggen. Thuis genoot Neil al van kindsbeen af van de muziek die zijn ouders draaiden en die hij over de radio hoorde: van Joodse liederen over de eerste rock-’n-roll platen tot en met de latino songs waarop zijn ouders zo graag dansten. Tijdens een jeugdkamp in Surprise Lake, zo’n zestig kilometer buiten New York, ziet Neil in 1954 Pete Seeger optreden. Hier ontdekt Neil dat hij zijn gedichten, zijn eerste teksten, ook op muziek kan zetten. Hij koopt zich een tweedehandsgitaar voor amper zestien dollar en doodt daarmee zijn vele eenzame momenten, want zijn ouders hadden hun handen vol met de winkel. Zingen doet hij erg graag en wordt daarom lid van The Erasmus High School. In datzelfde koor zong de toen nog onbekende Barbra Streisand. Op school durft Neil het aan voor de eerste keer solo te zingen. Dat brengt hem in contact met Jack Packer en samen vormen ze een duo. Ze zetten zelfs twee liedjes op plaat: What will I do en I’m afraid. We noteren 1960. Datzelfde jaar leert Neil, Jay Posner kennen, zijn eerste vrouw, en schrijft voor haar het doowop getinte Hear Them Bells. Op school gaat het Neil almaar beter voor de wind. Hij slaagt erin een studiebeurs te bemachtigen aan de New Yorkse universiteit en volgt daar de richting biologie. Later zou hij in een interview toegeven dat hij liever voor geneesheer had gestudeerd om mensen te kunnen helpen en te genezen. Maar de liefde voor muziek en vooral voor liedjes schrijven, krijgt de bovenhand. Zelfs tijdens zijn colleges kan hij het niet laten teksten te schrijven die hij iets later probeert te slijten bij diverse muziekuitgevers op Tin Pan Alley (een wijk op Broadway). Hij sluit een deal met uitgeverij Sunbeam Music nadat hij zijn duo had opgedoekt, maar merkt snel dat hij hun geen hits kan afleveren. Zijn volgende stap wordt een platendeal in 1962 bij Columbia Records met slechts één single als eindresultaat At NightIets later staat hij opnieuw op straat. Diamond geeft toe dat hij iets te veel zijn best had gedaan om op Neil Sedaka te lijken en vergeten had een eigen sound te laten horen. Neil kon het zich een beetje permitteren op zoek te gaan naar de meest geschikte job voor hem, want zijn vrouw gaf intussen les ook al waren ze inmiddels twee kinderen rijk. Neil klopt vervolgens aan bij de bekende “Brill Building” op Broadway met daar de in die tijd zeer populaire muziekuitgeverij “Aldon Music” van Don Kirshner gevestigd. Hier werden hits aan de strekkende meter afgeleverd door grote jongens als Neil Sedaka, Carole King, Barry Mann, Cynthia Weil, Ellie Greenwich enz… Hij leert daar ook Jeff Barry kennen, die eerder al hits had gescoord met de door hem geschreven songs Chapel of love, Leader of the pack en Da Doo Ron Ron. Dankzij Jeff Barry komt Neil in contact met de grote baas van Atlantic Records, Jerry Wexler, die hem toevertrouwt aan producer Bert Berns die zich daar bezighield met het net opgestarte, kleinere platenlabel Bang Records.

Samen met zijn gezin was Neil ondertussen naar Long Island verhuisd waar hij een van zijn buffetpiano’s had geïnstalleerd. Hier schreef hij zijn eerste hit, zijn eerste single overigens voor Bang Records, Solitary Man. Schrijven over eenzaamheid ging hem goed af, het was alsof hij een liedje over zichzelf schreef. Dit nummer over zijn introverte levensstijl baseerde hij op de mineurklanken van de hit Michelle van The Beatles. Voor de volgende single wordt gekozen voor Cherry, Cherry dat Neil had geschreven als Money, money, maar dat vond Berns niet zo geschikt. Hij opteert ook voor de eerste versie die ze hadden ingeblikt, ontdaan van alle ballast die er nadien werd aan toegevoegd zoals koperblazers enz… Die haast gecleande versie wordt de 20ste augustus 1966 op single uitgebracht en staat iets later op de zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Omdat de zaken goed lopen, wordt beslist een eerste elpee in de markt te zetten “The Feel of Neil Diamond” met daarop ook zijn volgende hitsige O Got The Feelin’. Intussen hadden The Monkees op één gestaan met het door Neil geschreven I’m a believer. Hiervan gaan zes miljoen exemplaren over de toonbank en maken van hem in één klap miljonair. Niet dat hij apetrots is op dit liedje, want hij vindt het één van zijn mindere songs, iets té bubblegumachtig.

Uit die tijd herinnert technicus Brooks Arthur zich nog goed dat Neil altijd goed voorbereid naar de studio kwam, niets aan het toeval overliet en zeer vriendelijk met de muzikanten omging. Op weg naar een optreden tijdens “The Dick Clark Caravan Show” in Paducah, schrijft Neil achterin de auto de song Kentucky Woman dat hij op aanraden van Berns in 1967 op single zet. Intussen is dat nummer een Diamond-klassieker geworden. In een productie van Ellie Greenwich en Jeff Barry neemt hij iets later Red Red Wine op dat wij in onze Lage Landen goed kennen in de hitversie van Peter Tetteroo van de Nederlandse groep Tee Set en jaren later in de versie van UB40.

1969 wordt een beresterk jaar voor Neil met de singles Sweet Caroline en Holly Holly, respectievelijk goed voor een vierde en een zesde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Het succes laat een nieuwe vrouw in zijn leven toe, Marcia Murphey, met wie hij in Los Angeles gaat wonen. Hij sluit ook een nieuwe platendeal, deze keer met United Artists. Om een nieuwe wind door zijn muziek te laten waaien, heeft Neil besloten voortaan in Memphis op te nemen en trekt daar naar The American Sound Studio’s om samen te werken met producer Chips Moman die eerder had samengewerkt met onder meer Elvis Presley, Dusty Springfield en The Box Tops. Een van die eerste nummers die hij met hem inblikt is Sweet Caroline dat Neil op zijn hotelkamer in Memphis schreef met in zijn gedachten een foto van de toen 12-jarige dochter van president Kennedy, Caroline. Het zou ook de meest gecoverde song ooit van Neil Diamond worden. Holly Holly schreef Neil toen hij op zijn zoontje Jesse paste terwijl die in de kamer ernaast sliep.

Waar Neil niet aan meedeed was aan het schrijven van luidruchtige popsongs. Hij wou méér de nieuwe George Gershwin worden, een echte songsmid. Geen hippe vogel die de nieuwste muzikale trends op de voet volgde. Wat Diamond ook graag deed was live optreden en hij zou dat in de loop van zijn carrière vastleggen op een aantal onsterfelijke live-elpees en -cd’s. De eerste in die rij werd zijn optreden in “The Troubadour”, de legendarische club langs Santa Monica Boulevard in Hollywood. Dat album verscheen als “Gold” op de markt. Iets eerder had Diamond een van zijn grootste hits bij mekaar geschreven Cracklin’ Rosie. De 22ste augustus 1970 wordt het op single uitgebracht en enkele weken later staat het op één. Hij had Diana Ross met Ain’t no mountain high enough in de Top Honderd bovenaan afgelost. Slechts één week blijft hij op één staan, want dan is het de beurt aan The Jackson Five om met I’ll be there vijf weken lang die eerste plaats in te nemen. Vier toptiensingles had het geduurd vooraleer Neil met Cracklin’ Rosie tot op één geraakte. In Engeland was het de eerste keer dat Diamond in de Top Veertig zou opduiken. Daar geraakte Cracklin’ Rosie tot op de derde plaats. Een nummer één zou voor Diamond nooit zijn weggelegd in de Britse charts. Ook niet in de Nederlandse Top Veertig. Daar vinden we Cracklin’ Rosie terug op zes, al zou twee jaar later Song sung blue bij onze noorderburen zijn grootste hit ooit worden. In  België stond Cracklin’ Rosie de 7de november op de tweede plaats in onze Top Dertig. Song sung blue zou hier bij ons zijn tweede grootste hit worden met een vijfde plaats als bekroning.

Cracklin’ Rosie, dat moet ik toch nog even vertellen, verwijst naar een alcoholische drank die door een bepaalde Canadese stam wordt gebrouwen en die gedronken wordt door hun mannen die nog vrijgezel zijn. Tijdens een bezoek aan Canada had Neil kennis met hen gemaakt. Wie tot die stam behoort, mag met meerdere vrouwen trouwen. Cracklin’ zou tevens een inheemse term zijn om roséwijn te benoemen. Cracklin’ Rosie staat op Diamonds elpee “Tap Root Manuscript” en werd geproduceerd door Tom Catalano. Nogal wat bekende sessiemuzikanten spelen mee waaronder Hal Blaine, Joe Osborne en Lee Holdridge. Diamond was erg geboeid door wat we tegenwoordig als wereldmuziek omschrijven, in het geval van dit album, Afrikaanse ritmen. Dit album zou Neil ook de hit He ain’t heavy, he’s my brother opleveren, geen turbohit voor hem, maar wel een dijk van een hit voor The Hollies. Opgelet, hier betreft het wel een liedje geschreven door Bobby Scott en Bob Russell. Eén kant van die bewuste “Tap Root Manuscript” elpee wordt in beslag genomen door de suite African Trilogy met daarin verwerkt het nummer Soolaimon dat de release van Cracklin’ Rosie was voorafgegaan, maar geen superhit werd.

Het wordt dan even wachten tot Neil Diamond in de lente van 1971 uitpakt met I Am… I Said. Hij was op dat moment bezig met de voorbereidingen van de film “Lenny” over het leven van de komiek Lenny Bruce. Uiteindelijk komt dit filmproject niet van de grond. En voor Neil vlotte het ook niet, want er was al eerder beslist dat hij niet in aanmerking zou komen voor die rol. Wat ook niet vlotte was het componeren van I Am… I Said. Het duurde een maand of vier vooraleer Neil het nummer had uitgewerkt. De idee voor het liedje begon bij een kikker die ervan droomde ooit koning te worden. Het was letterlijk elke dag zwoegen om de song in de juiste plooi te krijgen. Nadien zou Diamond toegeven dat het wél de moeite waard was, want persoonlijk vindt hij het het beste nummer dat hij ooit heeft afgeleverd. In deze song legt Neil zichzelf bloot, wat zo confronterend was, dat hij een therapeut moest opzoeken zodat hij alles eens keurig op een rijtje kan zetten. I Am… I Said wordt bekroond met een vierde plaats in de top honderd.

Zijn tweede nummer één in Billboard’s Hot One Hundred scoort Neil in de zomer van 1972 met Song Sung Blue. Toen Sammy Davis Jr. met veel trots Billboard’s Hot One Hundred aanvoerde met zijn singlet Candy Man uit de musical “Willie Wonka and The Chocolate Factory” van Anthony Newley en Leslie Bricusse, had hij wel enig vermoeden dat hij na drie weken op de eerste plaats zou worden afgelost door Neil Diamond, want die had al eens op één gestaan met Cracklin’ Rosie en wou koste wat het kost die stunt nog eens overdoen. Dit nummer staat ook op de elpee “Moods” waarop hij het geëxperimenteer deze keer achterwege heeft gelaten. Vooral het muziekblad Billboard uit lovende kritieken. Ze omschreven deze plaat als briljant. Critici beschouwen deze elpee, samen met de daaropvolgende “Hot August Night”, als echte mijlpalen in Diamonds carrière. Op het einde van 1971 tot een eind in 1972 zat Diamond in de opnamestudio samen met producer Tom Catalano te sleutelen aan de plaat die zijn sound voor de komende jaren zou bepalen. “Moois” laat duidelijk een Neil Diamond horen op zijn compositorisch best. Hij kan diverse stijlen aan. Hij gaat heel creatief te werk en komt op de proppen met songs als Canta Libre, Captain Sunshine, Prelude in E Major, Porcupine Pie en het succesvolle Song Sung Blue. Meteen na de opname hadden ze door dat dit de volgende hitsingle moest worden. Nochtans vindt Diamond het liedje an sich zeer eenvoudig. Een melodie die vooral uitblinkt door soberheid. Klinkt ook niet ingewikkeld en is daarom voor velen een regelrechte meezinger. Ook de lyrics heeft hij vrij simpel gehouden.

De zesde mei 1972 wordt Song Sung Blue op single uitgebracht. Twee maanden later  staat het in de Amerikaanse Top Honderd dus op één. Song Sung Blue sluipt in Engeland naar de veertiende plaats in de Top Veertig. Een hogere notering zit er voor Diamond niet in. Nederland had Cracklin’ Rosie en I Am… I Said al omarmd en deed dat met Song Sung Blue evenzeer. De single is bij onze noorderburen goed voor een vierde stek in de top veertig. Wij Belgen zijn ook een volk dat graag meezingt. Voor Cracklin’ Rosie zat er een tweede plaats in onze Top Dertig in en voor Song Sung Blue een vijfde. Een hogere score dan met deze twee zou Diamond nadien in ons land nooit meer bereiken. De 15de juli 1972 besluit MCA Records het album “Moods” in de markt te zetten. De maand daarop heeft Neil Diamond een rist concerten gepland in “The Greek Theatre” in Los Angeles. Hij treedt daar op samen met een  acht man sterke band begeleid door een heus symfonieorkest. Het optreden van de 24ste augustus wordt ingeblikt en verschijnt de 9de december op een dubbele elpee onder de titel “Hot August Night”, een regelrechte voltreffer en tegelijk ook een klassieker.  In Australië blijft het album 24 weken lang genoteerd in de hitlijsten. Na dit memorabele optreden in “The Greek Theatre” trekt Diamond naar “The Winter Garden Theatre” in New York om daar nog twintig concerten neer te planten en op het einde van die tournee aan te kondigen dat hij ermee ophoudt. Hij heeft er schoon genoeg van. Hij snakt naar een normaal menselijk bestaan en last “a sabbatical period” in. Neil wil niet meer als een icoon benaderd worden, voor één van Amerika’s populairste idolen te moeten doorgaan. Het is een donkere periode in zijn leven. Hij voelt zich erg depressief en gaat in behandeling.

Het mag Bijbels klinken, maar zijn sabbat zal veertig maanden duren. Hij trekt nadien voor de eerste keer in zijn carrière naar Australië en Nieuw-Zeeland om daar de draad weer op te pikken. Wat hij nooit verwacht had, gebeurt toch. Hij krijgt er opnieuw zin in. De goesting om op te treden, is terug. Diamond was na zijn concerten in “The Winter Garden Theatre” zo op, dat hij moest toegeven dat een burn-out zich van hem meester had gemaakt. Toen was hij er sterk van overtuigd dat hij nooit meer een concert zou geven. Hij viert die comeback enige tijd later met een nieuwe platendeal die hij afsluit met Columbia Records en scoort twee regelrechte toppers met de singles Be en Skybird uit de mega succesvolle soundtrack “Jonathan Livingston Seagull”. Qua verkoop wordt dit album een echte megaseller. Hij krijgt er een Grammy Award voor. Ondanks die award levert dit album Neil heel wat kritiek op. Sommigen noemen het zelfs muzak. Als geen ander weet Neil dat je in de loop van je carrière niet alleen lof oogst, maar ook veel kritiek moet slikken. Toch vindt hij dat hij op grote hoogte staat en durft zich in een pretentieuze vlaag vergelijken met Ludwig van Beethoven. Iets té hoog gegrepen als je het ons vraagt.

 

Een topvijfhit zit er in het najaar van 1974 in voor de single Longfellow Serenade uit zijn album “Serenade”. Het nummer is een hommage aan al die mannen die hun vrouw soms verwennen met een gedicht en in het bijzonder aan de Amerikaanse dichter Henry Wadsworth Longfellow. Twee jaar eerder had Neil Diamond in New York zanger, gitarist Robbie Robertson ontmoet, lid van de legendarische groep The Band. Vier jaar later zitten ze samen in de studio met Robbie als producer en enkele bekende muzikanten zoals Larry Knechtel en Bob James voor de opnamen van het album “Beautiful Noise”, voor een rist fans en muziekliefhebbers zowat de beste productie die Diamond ooit afleverde. De idee voor de titelsong ontstond toen Neil samen met zijn twee dochters Marjorie en Elyn in een hotel in New York City verbleef. De twee kinderen zijn aan het kleuren wanneer er buiten een fanfare voorbijtrekt. Het is die dag Puerto Rican Day. Zijn dochter Marjorie kijkt op een bepaald moment uit het raam en roept enthousiast Oh what a beautiful noise, voor Neil een slagzin die hij meteen op muziek zet. De vierde juli 1976 wordt het album uitgebracht, de derde elpee voor Neil op het Columbi-label. Een jaar later verschijnt het album “I’m glad you’e with me here tonight” uitgebracht met onder meer de songs Desirée en You don’t bring me flowers, de soloversie, want aan dat nummer kleeft een apart verhaal. Zowel Barbra Streisand als Neil Diamond hadden respectievelijk op hun soloalbums een versie ingezongen van You don’t bring me flowers, een compositie van Neil Diamond op tekst van Alan en Marilyn Bergman. Zonder dat ze het van mekaar wisten in dezelfde toonaard gezongen. Wie dat ontdekte, was deejay Gary Guthrie tijdens zijn WAKY-AM radioshow in Louisville, Kentucky. Om zijn luisteraars te verwennen, verknipt Gary beide songs tot een duet. Die versie wordt zo’n succes dat Gary heel wat telefoons krijgt van platenhandelaars die die versie in hun rekken willen hebben. Columbia Records seint Neil Diamond dit bericht met de vraag of beide sterren niet eens naar de opnamestudio willen afzakken om een officiële versie in te zingen. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want producer Bob Gaudio vond maar geen geschikte datum om beide artiesten gelijktijdig achter de microfoon te krijgen. Waarmee hij de roddel de kop wil indrukken als zouden beide zangers  voor die opname elkaar nooit ontmoet hebben. “Ze zaten zo goed als  schouder aan schouder naast de piano” wil Bob maar al te graag kwijt.  ”Er hing die dag pure magie in de lucht, alles verliep veel vlotter dan we verwacht hadden” .

De 2de december 1978 staat You don’t bring me flowers op één in de Amerikaanse top 100 en twee jaar later zingen Neil en Barbra dit duet als verrassing tijdens de uitreiking van de Grammy Awards, de eerste keer dat La Streisand daar live wilde optreden. Gary Guthrie, die dus op de idee van dit duet kwam, eiste naderhand van CBS 5 miljoen dollar. Hij vond dat ze hun afspraken toen hij de idee van dit duet aan hen doorspeelde, niet nakwamen. Uiteindelijk zijn ze toch tot een akkoord gekomen nadat de elpees You don’t bring me flowers van Neil Diamond en Barbra Streisands “Greatest hits volume 2″ beide de platina status hadden bereikt. Ook even dit: in 1997 vertaalde Marc Van Caelenberg het nummer en werd het op single uitgebracht door Dana Winner in duet met de Zuid- Afrikaanse zanger Steve Hofmeyr.

Dit verhaal over Neil Diamond kan zeker niet zonder het groot succes dat hij scoorde met de soundtrack en de film “The Jazz Singer”, een remake van de in 1927 opgenomen versie met de toen legendarische zanger Al Jolson. Als regisseur had Neil zijn oog laten vallen op Sidney J. Furie die al eerder films als “The Ipcress File” en ”Lady Sings The Blues” had afgeleverd. De film sluit knap aan op het leven dat Diamond tot dan toe had gekend. Hij speelt de rol van cantor die zijn Joodse roots achter zich laat om zich te wijden aan de popmuziek en de vrouw van zijn leven gespeeld door Lucie Arnaz. De filmopnamen zijn nog maar net begonnen of er wordt van regisseur gewisseld. Sidney Furie gaat, Richard Fletcher, bekend van “Dr Doolittle”, komt. Met de steun van Dustin Hoffman en Sir Laurence Olivier gelooft Neil in zijn acteertalent en weet de film perfect af te ronden. De prent zelf wordt niet zo’n overweldigend succes, maar de soundtrack zelf gaat méér dan vier miljoen keer over de toonbank, gegangmaakt door de single Love on the rocks dat oorspronkelijk als demo werd ingezongen met als titel Scotch on the rocks, de lievelingsdrank van de man waarmee Neil dit nummer schreef Gilbert Bécaud. De song America,  die eveneens in de soundtrack opduikt, schreef Neil speciaal voor zijn ouders. Als cadeau voor het succes van “The Jazz Singer” biedt Columbia Records Neil een hernieuwd contract aan ter waarde van 30 miljoen dollar, goed voor acht albums. “On the way to the sky” is de eerste elpee in die rij met als enige hitsingle daaruit Yesterday’s songs, goed voor een elfde plaats in de Amerikaanse Top Honderd van 1981. Met een hele rist producers waaronder Burt Bacharach, Carole Bayer Sager en Michael Masser komt Neil een jaar later op de proppen met het album “Heartlight”, met de titelsong als uitschieter en beloond met een vijfde plaats in de charts. Het zou de laatste toptienhit worden voor Neil Diamond wat zijn aandeel in de singles charts betreft.

In 1984 producet Neil zijn album “Primitieve” zelf, maar Columbia Records gaat niet akkoord met het eindresultaat en stelt de producers Denny Diante en Richard Bennett aan om de opnamen anders aan te pakken. Dat gaat niet zonder kleerscheuren, want Neil spant eerst een proces aan tegen Columbia Records. Ze komen tot een deal. Drie liedjes verdwijnen van de eerste lijst en worden vervangen door een aantal nieuwe songs waaronder Turn Around.

Een producer die een belangrijke rol zou spelen in de loopbaan van Neil is David Foster, één van Amerika’s belangrijkste producers met op zijn palmares cd’s voor Barbra Streisand en Celine Dion en de ontdekker van onder meer Josh Groban en Michael Bublé. In 1986 neemt Neil samen met David het album ”Headed for the future ”op al is hier maar een kleine rol voor David weggelegd, want ook Stevie Wonder, Maurice White en Tom Hensley mogen hun stempel op dit album zetten met hieruit als enige single de titelsong, niet eens een hoogvlieger in de hitlijsten zo zou blijken. Foster mag de hele eer opstrijken wanneer Neil in 1988 zijn album ”The Best Years of Our Lives” opneemt. Vier songs schrijft David samen met Neil al wordt dit geen hoogtepunt in Neils carrière, want het album zelf geraakt amper in de Top 50 en qua singles levert het geen hits op. De jaren die volgen gaat Neil coveren, hits opnemen van anderen. In 1992 is er het album “The Christmas Album”, vervolgens “Up on the Roof: from The Brill Building” met songs als You’ve lost that login  feilen’, Love potion number nine en Don’t make me over en nadien “The Christmas Album vol. 2″. Deze drie albums worden elk geproducet door Peter Asher die in een vorig leven deel uitmaakte van het succesvolle Britse duo Peter & Gordon.

Samen met producer Bob Gaudio, bekend van de vele hits die hij schreef en produceerde voor The Four Seksons, en Richard Landis neemt Neil in 1996 de cd “Tennessee Moon” op. Speciaal voor deze cd trekt Neil naar Nashville en gaat daar nauw samenschrijven met Harlan Howard, Dennis Morgan en Beth Nielsen Chapman. Met zijn zoon Jesse schrijft hij speciaal voor dit album de song Everybody. Voorts hoor je op deze cd countrybijdragen van Waylon Jennings en Chet Atkins. Bob Gaudio blijft als producer aan boord voor het album waarmee Neil ons in 1998 verrast ”The Movie Album: As Time Goes By”. Op kosten wordt er niet gekeken, want Neil huurt voor dit project een heus filharmonisch orkest in, tachtig man sterk, en opnieuw met Peter Asher als producer.

Het coveren moe en met veel zin voor nieuwe eigen songs levert Neil in 2001 de cd “Three Chord Opera” af. Twaalf liedjes, deze keer alleen door hem geschreven. Dat was intussen 27 jaar geleden dat hij dit nog eens gepresteerd had. Het album zelf wordt een heuse meevaller. Er zit een 15de plaats in de album Top Honderd in. Nog beter doet hij het vier jaar later met de cd 12 Songs in een productie van Rick Rubin. Opvallend aan deze cd is dat ze in je computer niet  gekopieerd kan worden. Twee jaar later zet Columbia het album opnieuw in de markt met aanvullend twee songs: Men Are So Easy en Delirious Love gezongen samen met Brian Wilson. Waar niemand het verwacht had, hijzelf trouwens ook niet, verrast Neil in 2008 zowat iedereen met de cd “Home Before Dark”, een nummer één dat jaar in de Amerikaanse album charts en dat in een productie van Rick Rubin die akkoord gaat met de opname op voorwaarde dat er geen drums aan te pas komen. Voor de volledigheid vermelden we nog de volgende albums: “Dreams” in 2010, opnieuw een cover-cd met hierop zijn versies van klassiekers als Alone again, Yesterday en Ain’t No Sunshine en twee jaar later de verzamelaar “The Very Best of Neil Diamond- The Original Studio Recordings”.

De vierde juni 2011 schittert Neil in het “Sportpaleis” te Antwerpen. In het kader van zijn wereldtournee staat hij daar de 21ste juni 2015 opnieuw. De 21ste april 2012 huwt hij met producente Katie Mc.Neil. Tijdens de zomer van dat jaar krijgt hij op de “Hollywood Walk of Fame” zijn lang begeerde ster.

De 21ste oktober 2014 verschijnt het album “Melody Road” in een productie van Don Was en Jacknife Lee, zijn eerste album op het Capitol-label. Speciaal voor deze productie schrijft Neil twaalf nieuwe songs. Het is zijn 32ste album in een lange rij van studioalbums.

In de maand maart van 2016 brengt John Terra op het Vlaamse Strerren-label als hommage aan zijn idool de cd “John Terra zingt Neil Diamond” uit, de 16de april goed voor een tiende plaats in de Ultratop album 200.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2016 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

Engelbert Humperdinck

Twee weken nadat de ruige Rolling Stones de Britse top veertig in 1967 hadden ingepalmd, kwam Engelbert Humperdinck daar postvatten met Release me. Een groter muzikaal contrast kunnen we ons niet voorstellen. Zijn imago stond pal tegenover dat van de Londense popgroep. Mick Jagger en Engelbert Humperdinck, ooit geportretteerd samen op één foto. Akkoord, in beide gevallen waren de dames er dol op, maar de aanhangers van Jagger wilden niets te maken hebben met die van Engelbert en omgekeerd. Humperdinck mocht dan ook een weelderige haardos hebben, zijn imago was van een ander kaliber. Hij was een jongen bij wie je graag op schoot wou gaan zitten, die cleane liedjes zong, die je nog deed wegdromen van witte stranden en wuivende palmbomen. Bij Jagger kregen de dames meestal andere gedachten.

Laten we maar beginnen bij het begin en Engelbert een doodgewone jongen noemen met een doodgewone naam. Hij werd als Arnold George Dorsey de tweede mei 1936 in Madras in India geboren als zoon van Mervyn Dorsey die daar dienst deed in het Britse leger. Pa zag een groot gezin wel zitten en kreeg samen met zijn vrouw Olive tien kinderen: drie jongens en zeven meisjes. Mama Olive was van Indische afkomst en als je Engelbert goed bekijkt zie je daar nog de sporen van. Gerry is tien wanneer de ganse familie naar Leicester in Engeland verhuist. Toen al was hij dol op muziek. Niet alleen luisterde hij graag naar muziek, maar was er zelf graag mee bezig. Nog niet meteen met zingen, want hij was op zijn tiende dol op de saxofoon. Vrij snel ging hij optreden in clubs en zo tot hij op zijn zeventiende ontdekt dat hij ook een aardig stukje kan zingen. Hij schrijft zich in voor een zangwedstrijd onder de naam Gerry Dorsey, want dat klinkt wat vlotter dan Arnold. Iets later moet hij onder de wapens en eenmaal dat achter de rug neemt hij in 1958 al zijn eerste plaat op voor het bekende Decca-label. I’ll never fall in love again zou geen hit worden, maar nog geen tien jaar later zou hij voor diezelfde firma een nummer één op het droge halen. Na die eerste flop gaat Gerry niet bij de pakken zitten en duikt het nachtclubcircuit in, maar krijgt iets later te kampen met tuberculose, iets waar hij de rest van zijn leven goed voor moet blijven uitkijken. Hij slaat er zich doorheen en keert nadien terug naar de nightclubs. In 1964 huwt Engelbert met Patricia Healey met wie hij vier kinderen krijgt. Inmiddels is hij opa van negen kleinkinderen.

In 1965 ontmoet hij op zekere dag een vroegere kennis van hem Gordon Mills, die intussen al wat succes heeft geoogst met een zekere Tom Jones. Mills, die niet verlegen zit om wat fantasie en drama, gaat op zoek naar een nieuwe artiestennaam en komt op de proppen met Engelbert Humperdinck, een naam die hij leent van de bekende 19de-eeuwse Duitse operacomponist Engelbert Humperdinck, de auteur van onder meer “Hänsel und Gretel”. Mills die voor Tom Jones een leuke platendeal had weten af te sluiten met Decca Records versiert ook een contract voor zijn nieuwe poulain. We zijn het misschien na al die jaren vergeten, maar het eerste prille succes scoort Engelbert in ons land en wel in de maand juli van 1966 wanneer hij deelneemt aan de in die tijd populaire tv-show De Knokke Beker. Op de deelnemerslijst een reeks bekende namen. Voor Duitsland namen onder meer Tony Marshall en Katja Ebstein deel, voor Nederland Martine Bijl en Ronnie Tober en voor ons land Rita Deneve en Marino Falco alias Marijn De Valck. Datzelfde jaar scoort hij in ons land een nummer één met een cover van Dommage dommage waarmee Jerry Vale in Amerika van zich had laten horen. Noch in Engeland, noch in Nederland doet deze eerste single wat.

Mills was intussen voor Tom Jones wat gaan rondneuzen in Nashville om daar een paar geschikte songs op de kop te tikken, countrysongs zoals Green green grass of home en Detroit City. Tussen de stapels partituren en demo’s vindt hij ook Release me, een song al in 1946 geschreven door Eddie Miller, Robert Yount en James Pebworth. Niemand wou dat liedje op plaat zetten, dus nam Eddie Miller het in 1953 dan maar zelf op. Het jaar nadien werd het opgepikt door Ray Price die er wél een hit mee scoort die ook zijn doorbraak betekent. Een nog knappere versie, vind ik persoonlijk, is die van de legendarische r & b-zangeres Little Esther Phillips die er een nummer één mee scoort in de r& b-charts en een zevende plaats wegkaapt in Billboard’s Hot One Hundred. In 1967 duikt Engelbert Humperdinck samen met producer Charles Blackwell de Decca studio in en neemt zijn versie op met op de B-kant het door Mills geschreven Ten Guitars. De single is nog maar net uit of Engelbert wordt gevraagd de plaats in te nemen van de zieke Dickie Valentine in de razend populaire “The Sunday Night at London Palladium tv-show”. In een mum van tijd stijgt zijn single Release Me die hij die avond zingt, naar de eerste plaats van de Britse top veertig en zou daar zes weken na mekaar blijven postvatten. Zijn impact is zo groot dat The Beatles met hun Penny Lane gekoppeld aan Strawberry Fields niet tot boven in de charts geraken. Release Me zou een van de bestverkochte singles ooit in Engeland worden. Na zes weken wordt Engelbert onttroond door de tandem Nancy en Frank Sinatra met Somethin’ Stupid. In het kielzog van het succes van Release Me verschijnt de gelijknamige elpee met daarop covers van Yours until tomorrow, This is my song, My world en Quiet nights. Verzamelaars bekronen dit album met vier sterren.

Humperdinck werd volgens een slim uitgedokterd plan van zijn manager Gordon Mills van in het begin als de tegenpool van Tom Jones in de markt gezet. Jones was en klonk sexy, vol energie en power. Humperdinck daarentegen klonk meer easy listening, romantischer, minder erotisch. Toch hingen de vrouwen aan zijn lippen. Zijn trouwe fans noemden zichzelf Humperdinckers. In de pers dook almaar meer de term crooner op wanneer ze het over Engelbert hadden en dat zinde hem niet. Aan Rick Sherwood, een journalist van The Hollywood Reporter, vertelde hij: “If you are not a crooner it’s something you don’t want to be called. No crooner has the range I have. I can hit notes a bank could not cash. What I am is a comtemporary singer, a stylised performer.”

Nu, hoe verliep het met Release Me in het buitenland? Wel, in ons land zat er opnieuw een nummer één in en dat in het vroege voorjaar van 1967. In Nederland greep Hump net naast die eerste stek, maar scoorde dan wel weer heel sterk in Ierland. In Amerika, waar ze al langer met het nummer vertrouwd waren in diverse coverversies, geraakte Humperdinck toch nog op de vierde plaats in de top honderd.

Een jaar eerder dan de release van Engelberts Release Me had Jack Greene in Amerika een hit gescoord met There goes my everything geschreven door Dallas Frazier. Opnieuw een countrysong die wat werd opgepoetst en doorgespeeld aan Humperdinck die toen al doorhad dat het nummer na verloop van tijd een countryklassieker zou worden, wat ook gebeurde. In de versie van Greene werd het nummer in 1967 bekroond als Singlee of The Year en Song of the Year tijdens de eerste editie van de CMA Awards. Humperdinck zei meteen ja toen Mills hem het liedje liet horen en hij kreeg er achteraf geen spijt van, want het nummer leverde hem in de Britse top veertig een tweede plaats op.

En toen werd het even diep nadenken, want je kon niet blijven tappen uit hetzelfde countryvaatje. Mills had intussen de kwaliteiten ontdekt van het Britse schrijversduo Barry Mason en Les Reed die erg hot waren op het einde van de jaren zestig. Tom Jones blikte van hen een paar songs in en ook Humperdinck stond te trappelen om zijn stem aan hun liedjes te koppelen. Reed en Mason hadden als thema een liedje geschreven waarin verwezen werd naar de laatste dans, de laatste wals, die een verliefd koppeltje dansten, maar wat ook iets verderop zou verwijzen naar het einde van hun relatie. The Last Waltz was even wennen voor Humperdinck, maar hij zag het wel zitten, al had zelfs hij niet door dat toen de single in de zomer van 1967 werd uitgebracht er een van zijn grootste hits zou inzitten. De 23ste augustus staat hij met The Last Waltz op één en zou daar vijf weken genoteerd blijven. Net voor hem had Scott McKenzie geglunderd met San Francisco be sure to wear some flowers in your hair. Na vijf weken Hump op de eerste plaats was het de beurt aan The Bee Gees om hem af te lossen met Massachusetts. Ook in Ierland, Australië,  Nieuw-Zeeland en Oostenrijk zat er voor The Last Waltz een eerste plaats in. Onze noorderburen vonden een zesde plaats méér dan zat terwijl wij dan weer niets liever deden dan meewalsen en een eerste plaats in onze top dertig veil hadden.

En of hij de smaak te pakken had! Humperdinck zet 1968 in met de hit Am I that easy to forget, goed voor een derde plaats in de Britse charts. In Amerika reageren ze iets minder heftig op de vinylen inspanningen van Humperdinck, maar daar moet zijn tijd nog komen. In Italië heeft in de maand februari van dat jaar het befaamde San Remo Festival plaats waar zangeres Anna Identici een tweede plaats behaalt met Quando m’innamoro geschreven door de heren Daniele Pace, Mario Panzeri en Roberto Livraghi. Gordon Mills ziet meteen het hitpotentieel van deze song in en laat het bliksemsnel vertalen door Barry Mason. Het nummer komt op de markt als A man without love, goed voor een tweede plaats in de Britse charts.

“Man without love” is ook de titel van de elpee die wordt gereleaset. Een jaar lang blijft dit album in de elpee top veertig met ook deze keer een rist covers, onder meer: Can’t take my eyes off you, Spanish Eyes, Man and a Woman,The Shadow of Your Smile, What a Wonderful World en Quando, Quando, Quando dat eenmaal op single nog een bescheiden hit zou opleveren. Even terzijde, mocht je tijd hebben, luister dan ook eens naar wat Andrea Bocelli enkele jaren geleden op cd heeft heel gelaten van Quando m’innamoro.

In hun eeuwige zoektocht naar geschikte songs stoten Humperdinck en Mills op een nummer geschreven door Bernie Cooper, Francis Megahy en Michael Newling voor de kortfilm “Les Bicyclettes de Belsize” in een regie van Douglas Hickox en met in de hoofdrollen Anthony May en Judy Huxtable.  Met plezier vernemen ze dat de single in de maand september van 1968 goed is voor een vijfde plaats. Mireille Mathieu die iets eerder een dikke Franse hit had gescoord met de Franse vertaling van The Last Waltz, scoort ook immens met de Franse versie van Les Bicyclettes de Belsize.

Alsof het geen moeite kost, wordt de ene hitsingle na de andere geserveerd. The way it used to be is er zo een, net zoals Winter world of love. Vanaf 1970 lijkt het alsof Humperdinck zijn greep op de Britse hitlijsten wat dreigt te verliezen. My Marie en Sweetheart zijn geen echte hoogvliegers meer. Om dit te compenseren gaat hij zich wat meer op Amerika toespitsen, in het bijzonder op Las Vegas, waar het Tom Jones erg goed voor de wind gaat. Het was Gordon Mills die hem bleef stimuleren en die zijn koers nauwgezet uitstippelde. Gordon en Engelbert waren al trouwe vrienden sinds ze elkaar aan het begin van de jaren zestig tegen het lijf waren gelopen. Stilaan had Humperdinck zich het imago aangemeten van de latino lover, een soort Julio Iglesias avant la lettre. Met zijn dromerige ogen en zijn wat volumineuze lippen hoefde hij daar niet veel moeite voor te doen. Engelbert had een duidelijke afspraak gemaakt met Mills. Hij werkte graag keihard, maar hij wou ook wel wat qualitytime inlassen om zich bezig te houden met zijn hobby’s: paardrijden en golfen. Aan de ene kant leidde hij graag een teruggetrokken leven en aan de andere kant was er de ster die door miljoenen vrouwen werd aanbeden. Niet voor niets moest hij tijdens zijn optredens in Amerika vooral beschermd worden door een kordon van twintig politieagenten die al te jaloerse mannen uit zijn buurt probeerden te houden. Die optredens in Amerika slorpten hem zo op dat hij nog nauwelijks in zijn thuisland te zien was, behalve dan in “The London Palladium”, want hij zou nooit vergeten dat hij daar zijn fenomenale start had genomen. Humperdinck moest er ook mee leren leven dat zijn platen steeds minder aansloegen en dat hij niet zomaar halsoverkop van genre kon veranderen. Singles als Another time, another place en Too beautiful to last sloegen nog wel aan in Engeland, maar vooral die laatste gaf al qua titel aan dat het sprookje niet kon blijven duren. Vreemd genoeg lukte het hem wel in ons land met de single Sweetheart in 1970 nog tot op de tweede plaats in de top dertig te geraken.

Denk nu niet dat hij het qua hits in Amerika veel beter deed. Daar was hij al blij dat hij met In time, I’m leavin’ you en Love is all nog net de top honderd haalde, net niet bubbling under. Daar kwam verandering in toen hij in 1976 besloot een song in te blikken van Ritchie Adams op tekst van Alan Bernstein After the lovin’ in een productie van Joel Diamond. De single werd in de States uitgebracht op het Epic-label en zou in de maand november tot op de achtste plaats van Billboard’s Hot One Hundred geraken. Deze single zou Humperdinck niet alleen goud opleveren, maar eveneens een Grammynominatie. Samen met Joel Diamond blikt Humperdinck niet alleen de elpee “After the lovin’” in, maar ook nog twee kerstalbums en de elpee “This Moment in Time”.

Humperdinck probeerde met zijn tijd mee te evolueren en zijn publiek te entertainen, want dat had hij wel in Las Vegas geleerd. Optreden is méér dan alleen maar zingen. Speels omgaan met je publiek, hen verwennen, dat hoort er ook bij. Ook al was hij voor velen The King of Romance, toch wisselde hij zijn optredens op tijd en stond af met meer uptempo songs. Samen met zijn vrouw Patricia en hun vier kinderen Bradley, Scott, Jason en Louise schipperen ze tussen nu eens Engeland en dan weer Zuid-Californië. In 1989 wordt Engelbert met een ster vereeuwigd op The Hollywood Walk of Fame en krijgt hij datzelfde jaar een Golden Globe Award als entertainer van het jaar. Samen met Dieter Bohlen, de man achter succesvolle projecten als Blue System en Modern Talking, lanceert hij in 1989 het album “Step Into My Life”. Elf jaar later lukt het hem in Engeland nog eens in de album top veertig te schitteren, deze keer met de verzamelaar “Engelbert At His Very Best”. In 2003 durft hij het aan een gospelalbum in te blikken samen met The Light Crust Doughboys, The Jordanaires en The Blackwood Brothers Quartet “Always Hear the Harmony: The Gospel Sessions”.  Als hulde aan tal van Britse componisten brengt hij in het najaar van 2007 de cd “The Winding Road” uit met daarop songs als Blue eyes, Woman, South of the Border, Whiter shade of pale en Every breath you take.

 

De veertiende augustus 2010 deelde Engelbert Humperdinck de affiche van “Rimpelrock” in Kiewit-Hasselt samen met onder meer Will Tura, Robin Gibb en Frans Bauer. De eerste maart 2012 kondigt de BBC aan dat Engelbert Humperdinck de 26ste mei in Azerbeidzjan de Engelse kleuren zal verdedigen tijdens het Eurovisiesongfestival. Hij mag dan al 76 zijn, met veel verve brengt hij Love will set you free.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Charlie Chaplin: de componist!

Neen, ik heb ze niet gelezen: de dertig boeken die over James Dean werden geschreven, noch de zesenvijftig die gewijd zijn aan Marylin Monroe en zeker niet de drieëntachtig die aan het leven en het werk van Charlie Chaplin werden besteed. Ik heb sowieso nooit een boek over hem gelezen. Chaplin ken ik immers van de vele films die hij heeft opgenomen, ken ik van de film Chaplin die Richard Attenborough in 1992 over hem draaide met in de hoofdrol Robert Downey Jr., gebaseerd op het boek Chaplin his life and art van David Robinson. Toch vreemd dat je na al die jaren en die vele films moet vaststellen dat de belangstelling rond zijn oeuvre sterk is afgenomen. Door de bank houden de mensen tegenwoordig meer van Laurel en Hardy, de Dikke en de Dunne, dan van de meeste slapstickfilms van Charlie Chaplin. Onder filmliefhebbers zitten er maar weinigen die dwepen met de klassiekers die Chaplin achterliet.

Charlie werd de zestiende april 1889 in een haast vergeten achterbuurt in het Zuid-Londense East Lane geboren als tweede zoon van de zingende actrice Hannah Hill en de steeds zuipende bariton Charles Chaplin. Je mag zijn jeugdjaren één doffe ellende noemen al hield hij aan die muzikale ouders een feilloos gevoel voor knappe melodieën over. Op zijn tiende maakt Charlie zijn debuut in het “Hippodrome Theatre” in Londen. Bij Fred Karno leert hij het vak van allround komediant. Dat allround-zijn zou hij later in zijn vele films letterlijk etaleren. Hij werkte het script uit, regisseerde, acteerde, produceerde én schreef zelfs de muziek die bij deze of gene film hoorde. Zelfs nu nog kijken mensen vreemd op wanneer je hun vertelt dat Charlie Chaplin een uitstekend componist was die ons een rist bekende melodieën heeft nagelaten. Dat is niet alleen te horen in films als ”Modern times” en “The Great Dictator maar ook in prenten als “Monsieur Verdoux”, “The Goldrush”, “A King in New York” en “A Countess from Hong Kong”.

Chaplin zette altijd graag de puntjes op de i, zo graag zelfs dat hij soms tijdens de opnamen van de soundtrack zelf de dirigeerstok in de hand nam. Het vreemde is dat Chaplin helemaal niet muzikaal geschoold was. Hij had wel een ongelooflijk gevoel voor ritme, een uitstekende muzikale feeling, verpakt in een ongelooflijke liefde voor muziek. Hij dacht met pretoogjes vaak terug aan zijn kindertijd toen hij in Kennington Cross een duet hoorde tussen een klarinet en een harmonica The Honeysuckle and The Bee, een betoverende melodie die hij voor de rest van zijn leven nooit meer zou vergeten. Toen Chaplin later films ging inblikken, deed hij niets liever dan in zijn vrije tijd op de viool krassen op zoek naar nieuwe melodieën. Voor zijn allereerste lief schreef hij There’s always someone you can’t forget nadat hij al eerder Oh that Cello en The Peace Patrol bij mekaar had gepend. In de film “Monsieur Verdoux” uit 1947 maken we kennis met nummers als Tango Bitterness, A Paris Boulevard en Rumba.

Johann Strauss Jr. schreef het merendeel van zijn walsen, niet op een piano, maar op een harmonium dat in zijn living stond. We hoeven dan ook niet verwonderd op te kijken dat toen Chaplin zijn eerste miljoenen dollars had binnengerijfd hij een pijporgel liet installeren in zijn huis in Beverly Hills. Als geen ander had hij door dat hij zijn films, toen nog stomme films, van degelijke muziek moest voorzien om de sfeer nog beter te accentueren. Hij zag er nauwlettend op toe dat in welke bioscoop ook ter wereld de juiste partituren voorhanden waren, al moest hij ze gratis afleveren. Een van Chaplins meesterwerken is en blijft “City Lights”, in 1931 gelanceerd als stomme film ook al waren geluidsfilms toen al het neusje van de zalm. Chaplin hield nog even vast aan de oude school, maar stond erop dat hij de twintig liedjes die erbij hoorden, zelf schreef met de hulp van de arrangeurs Arthur Johnston en Alfred Newman. In deze film gaat Chaplin wel even leentjebuur spelen, want hij wou koste wat het kost dat de melodie La Violetera in de soundtrack opdook, geschreven door de Spaanse componist José Padilla Sanchez en die Chaplin koesterde in de gezongen versie van Raquel Meller. Zeg dus nooit meer dat Chaplin La Violetera zelf schreef.

Chaplin was er tuk op wanneer hij zijn melodieën door een groot orkest hoorde uitvoeren. Dan was hij de koning te rijk. Dan dacht hij terug aan de tijd dat hij als kind avond aan avond optrad samen met The Eight Lancashire Lads, een dansgroep die het klompen- en het tapdansen tot kunst had verheven. Hij kon daarnaast niet alleen op de piano tokkelen in die tijd, maar had zich ook de cello en de viool eigen gemaakt, zij het op amateuristisch niveau. Toegegeven, hij kreeg les van de dirigent van het orkest en stal veel met zijn ogen. Dirigent worden leek hem dan ook wel wat. Vandaar dat hij jaren later zich niet kon bedwingen om in de opnamestudio zijn eigen composities te dirigeren.

Het feit dat rond 1930 de geluidsfilm zijn intrede deed, motiveerde Chaplin in het almaar meer aandacht besteden aan de soundtrack. Geen wonder dat toen de opnametechniek was geperfectioneerd Chaplin zijn vroegere films van muziek ging voorzien. Zo voegde hij in 1942 aan “The Gold Rush” die hij oorspronkelijk in 1925 had gedraaid een rist opmerkelijke melodieën toe die hij al veel eerder had geschreven: Will you dear in Bombay en Sing a Song. Chaplin, die geen noot op een notenbalk kon schrijven, neuriede wat hij wou horen voor aan een paar medewerkers die het dan zo goed en zo kwaad als het ging op papier neerschreven, er rekening mee houdend dat het voor Chaplin nooit goed genoeg was en dat er voortdurend verbeteringen moesten worden aangebracht. Hij hield niet van overdaad in de arrangementen en dat was voortdurend ook het grootste struikelblok. In zijn autobiografie schreef Chaplin: “Musical arrangers wanted the music to be funny. But I would explain that I wanted no competition. I wanted the music to express sentiment.”

Intussen had Chaplin vriendschap weten te sluiten met een rist bekende componisten met wie hij graag op de foto stond: Rachmaninov, Horowitz, Schoenberg, Jascha Heifetz. Stravinsky wou op een bepaald moment zelfs een film maken met Chaplin, maar diens idee daaromtrent zinde Stravinsky niet en het hele verhaal ging uiteindelijk niet door. Schoenberg wilde enkele composities schrijven waarrond Chaplin dan een verhaal mocht verzinnen, maar ook dit sprookje zou nooit verteld worden.

Om door het bos de bomen nog enigszins te blijven zien, maak ik een selectie uit het rijkelijke aanbod Chaplinmelodieën en blijf even stilstaan bij zijn populairste hits. Het meest bekend is en blijft Smile gebaseerd op een instrumentaal thema uit de in 1936 gedraaide film “Modern Times” waarin Chaplin de rol speelt van een arme zwerver die ondanks de Grote Depressie toch nog een wat menswaardig bestaan probeert op poten te zetten. In 1954 zouden John Turner en Geoffrey Parsons dit thema op tekst zetten en het gezegde van ‘na regen komt zonneschijn’ nog eens benadrukken. Smile though you’re heart is aching kan je moeilijk anders interpreteren. Datzelfde jaar zette Sunny Gale het op plaat, maar moest het onderspit delven in de hitlijsten, want ook Nat King Cole had er zijn stem aan geleend en die versie zou zo goed als onsterfelijk worden. In Engeland zou het op plaat worden gezet door Petula Clark. Onthou die naam, want zij en Chaplin zouden later elkaar nog eens zijdelings ontmoeten in de opnamestudio. Eenenveertig jaar later was het de beurt aan Michael Jackson, een doorgewinterde Chaplinfan, om Smile toe te voegen aan zijn album “HIStory: past, present and future, book one”. Het was de bedoeling om Smile op single uit te brengen, maar die exemplaren werden snel ingetrokken en zijn nu stuk voor stuk collector’s items geworden. Jackson zou het nummer trouwens ook nooit live zingen. Tijdens zijn “HIStory World Tour” zou hij het nummer wel vooraf laten horen als eresaluut aan prinses Diana. Tijdens de memorial service gehouden de zevende juli 2009 in het “Staples Center” in Los Angeles naar aanleiding van het overlijden van Michael Jackson, was het zijn broer Jermaine die een liveversie zong nadat Brooke Shields tijdens haar voorafgaande speach  had verteld dat Smile een van Michae’s lievelingsmelodieën was. Voor verzamelaars is het trouwens een leuke bezigheid zo veel mogelijk versies van Smile op de kop te tikken. Je blijft wel een tijdje bezig, want van Tony Bennett en Michael Bublé, over Elvis Costello en Josh Groban tot en met Sun Ra en Stevie Wonder, hebben ooit een versie op plaat of cd gezet.

Al net zo graag gehoord is de Chaplinklassieker Eternally op tekst van Geoffrey Parsons en John Turner, deze keer voor de film “Limelight” die Chaplin in 1952 draaide. In deze film speelt Chaplin de rol van de komiek Calvero aan de zijde van Buster Keaton. Calvero wordt verliefd op een danseresje dat net als hij diepongelukkig is omdat ze geen succes scoort. Samen proberen ze er het beste van te maken en gelukkig te worden. Het liedje Eternally staat op de soundtrack vermeld als Terry’s Theme en zou pas nadien op tekst worden gezet. In Engeland werd het opgenomen door onder meer Jimmy Young, Petula Clark, jawel zij weer, en Engelbert Humperdinck. In Amerika door sterren als Sarah Vaughan en Jerry Vale.

En dan is er natuurlijk die onsterfelijke hit This is my song. Chaplin had dat nummer speciaal geschreven voor de film “A Countess from Hong Kong” met de bedoeling het in de film te laten zingen door Al Jolson, niet wetend dat die brave ziel in 1950 al was overleden. Omdat niemand anders een kans maakte het nummer in te zingen, duikt het dan maar als instrumentale versie in de film op. Toevallig woonde in de buurt van Charlie Chaplin in Zwitserland Petula Clark samen met haar man en manager Claude Wolf. Tijdens een interview vertelde Petula me persoonlijk dat ze eerst dat liedje niet wilde zingen. Ze kon het zelfs niet aanhoren, maar haar man bleef aandringen en uit liefde voor hem zong ze het uiteindelijk dan toch in. Ook haar vaste arrangeur Tony Hatch zag niets in de song en weigerde de arrangementen te schrijven. Die klus werd dan maar doorgeschoven naar Ernie Freeman. De opname vond plaats in de “Western Studio’s” in Los Angeles onder het toeziend oog van producer Sonny Burke. Claude Wolf, de man dus van Petula, had de Engelse tekst aan Pierre Delanoë doorgespeeld en in Los Angeles werd ook die Franse versie ingeblikt als C’est ma chanson. Nu was het niet meteen de bedoeling van Clark dat nummer op single uit te brengen, maar wel als track op haar elpee “Colour my world”. Ondanks haar protest zette haar Engelse platenfirma Pye het toch op single met op de B-kant The Show is Over. De achttiende februari 1967 staat This is my song op één in de Britse hitlijsten en werd in deze versie van La Clark een echte wereldhit met een nummer 1-notering in Ierland, Australië, Rhodesië, Zuid-Afrika, Nederland en België. In Amerika zat er een nummer drie in. In Frankrijk en Canada scoorde ze goud met de Franse versie! In onze babbel gaf Petula Clark wel toe dat ze in het begin niet geloofde in de commerciële kracht van This is my song, maar dat ze het wel een sterke melodie vond, al twijfel ik aan haar oprechtheid wat die uitspraak betreft.

Bekende versies zijn ook nog die van Harry Secombe, Ronnie Aldrich, The Ray Charles Singers, Ray Conniff, Percy Faith, Connie Francis, The Lettermen, Al Martino, Paul Mauriat, Frank Sinatra, Andy Williams enz. Charlie Chaplin zelf kon nog intens meegenieten van het succes van zijn buurvrouw en de vele andere vertolkers van zijn hit This is my Song en van de vele versies die er van zijn andere composities werden opgenomen. Hij overleed in 1977 in Vevey de vijfentwintigste december, op kerstdag dus, tijdens zijn slaap aan een hartstilstand. Raar maar waar, maar het jaar nadien werd op de achtste maart zijn lijk gestolen. Er werd veel losgeld geëist, maar de dieven werden ingerekend en zijn lijk werd elf weken later teruggevonden aan de oevers van het Meer van Genève. Na een tweede begrafenisceremonie kreeg hij zijn welverdiende rust.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Tom Jones

Je zal maar op een vroege leeftijd de zogeheten liefde van je leven tegen het lijf lopen, op je zeventiende al gehuwd zijn en moeten zorg dragen voor een kind. Thomas Jones Woodward weet er alles over. Hij liep in Treforest, Pontypridd in het zuiden van Wales als een soort Teddy Boy, een vroege punker, over straat. De maatschappij had hij weinig te bieden, als een soort nozem bracht hij zijn jeugdjaren door. Muziek maken en achter de meiden aan zitten was het enige dat hem bezighield.  Hij werd de zevende juni 1940 geboren als zoon van een mijnwerker en een moeder die de godganse dag voor haar gezin instond. Veel viel er thuis niet te rapen, alleen de liefde voor muziek kreeg hij van huis uit mee. Elke Welshman wordt trouwens als zanger geboren, wordt weleens gezegd. Het zingen zit hun als het ware in het bloed.

Zingen, dat deed Tom dus graag. Niet alleen in het kerkkoor, maar ook in het schoolkoor van The Treforest Secondary Modern School. Studeren was niet zijn meest geliefde bezigheid. Dus lang hield hij het daar niet vol. Op zijn zestiende trouwde hij en moest er brood op de plank komen. Dat lukte door links en rechts wat te klussen. Van metser tot verkoper van stofzuigers. Het maakte niet veel uit, als het maar geld opbracht. Na zijn uren zong hij in een aantal pubs in Pontypridd en bij een aantal lokale groepjes. Hij was nog geen 23 toen hij al wat succes genoot als Tommy Scott. Zingen voor hardwerkende lotgenoten dat maakte zijn doelpubliek uit. Zijn repertoire bestond uit rock-’n-roll, soul en de hits van zijn tijd, de vroege jaren zestig dus. Omdat hij vaak over het lawaai van de pubgasten heen moest zingen, ze proberen te overstijgen, kweekte Tom zich een luide stem aan. Om nog meer aandacht te trekken, ging hij net als zijn idool Elvis dat deed, opvallend met de heupen wiegen. Wanneer in 1963 The Beatles opduiken en beatgroepen de plak gaan zwaaien, trommelt hij een paar muzikanten op en richt zijn eigen band op The Senators.

Op zekere dag hoort manager, producer Gordon Mills, Tommy Scott aan het werk. Gordon kent als geen ander het klappen van de muzikale zweep, want hijzelf speelde ooit in de groep Morton Fraser’s Harmonica Gang en iets later bij The Viscounts die bescheiden hits scoorden met Shortnin’ bread en een cover van Who put the bomb? van Barry Mann. Tommy Scott en Gordon Mills geraken aan de praat en Gordon weet Tommy over te halen naar Londen af te zakken en daar in de studio van producer Joe Meek ( bekend van onder meer de hit Telstar met The Tornadoes) samen met zijn groep The Senators enkele songs op te nemen, maar zonder succes. Geen enkele platenfirma is in hem geïnteresseerd. Hij had niet de juiste looks voor die tijd. Beatgroepen waren in en piepjonge gasten. Tommy was toen al 24 en niet meteen moeders mooiste. Iedereen hoorde wel dat hij kon zingen, maar niemand wou hem een platencontract aanbieden. Maar beide heren houden vol. Gordon Mills slaagt er op zekere dag in een platencontract te versieren bij Decca Records en Tommy mag zijn eerste plaat opnemen Chills and Fever, een nummer geschreven door Gordon Mills. Gordon was intussen op zoek gegaan naar een geschikte naam voor Tommy Scott en dat werd Tom Jones naar de gelijknamige roman van Henry Fielding en in 1963 succesvol verfilmd door regisseur Tony Richardson.

Die eerste single Chills and Fever wordt een bescheiden hit voor Tom Jones. Hij komt daarnaast aan de kost door voor Mills, die een eigen muziekuitgeverij heeft, te gaan werken en door demo’s op te nemen van liedjes die Mills componeert. De tweede single, opnieuw een song van Gordon Mills, wordt een voltreffer. Met It’s not unusual bereikt Tom de 11de februari 1965 de eerste plaats in de Britse top veertig. Mills had It’s not unusual niet alleen geschreven, maar met de hulp van Les Reed die iets later samen met Barry Mason een rist hits aan mekaar zou rijgen. Ze hadden It’s not unusual geschreven met de bedoeling het aan een zangeres door te spelen en voor het gemak hadden ze Tom Jones de demo laten inzingen, maar het resultaat is zo goed, dat ze besluiten het als Toms tweede single te releasen. Jones had een nummer één gescoord zonder noemenswaardige promotie of positieve pers. Niemand kende hem. Hij zou nog alles moeten bewijzen. En dat deed hij.

Wat volgde zou een foute inschatting worden vanjewelste. Het publiek, vooral jongeren, hadden It’s not unsual gekocht omdat ze het een geweldige song vonden, niet omdat ze Jones leuk vonden. Het was het liedje dat het hem deed, niet de zanger. Mills wou Jones katapulteren als een zanger met een geweldige stem, een crooner van de bovenste plank. Hij kiest daarom als opvolger voor de ballad Once upon a time. Tot overmaat van ramp wil Joe Meek, voor wie Jones enkele jaren eerder een paar songs had ingeblikt, mee profiteren van het succes van Jones en brengt Little Lonely One op de markt. Jan met de pet weet niet wat hij hoort en geraakt even de kluts en het noorden kwijt.

Een van zijn betere song, vocaal gezien dan toch, brengt Tom Jones in de zomer van 1965 op de markt, een cover van With these hands van Billy Eckstine. Er zit deze keer voor hem een dertiende plaats in de Britse Top 40 in. De titelsong van de film “What’s new Pussycat” (1965), geregisseerd door Clive Donner, van de hand van Burt Bacharach klimt op het einde van de zomer naar de elfde plaats. Hij mag iets later de titelsong zingen voor de nieuwe James Bond-film “Thunderball”, maar verder dan de 35ste plaats in de Britse charts geraakt hij niet. Mills krabt zich stevig in de haren en begint te twijfelen, want ook de singles Not responsible en vooral This and That scoren niet bijster goed.

Mills kan dan niet anders dan Jones herprofileren. De jeugd lust Jones niet. Het zijn hun ouders en vooral hun moeders die Jones in hun armen sluiten en na aan hun hart drukken. Mills meet Jones een ander imago aan. Jones kruipt in een smoking, laat zijn bakkenbaarden groeien, kort zijn haardos in en zakt met af naar het cabaretcircuit. Jones mag hier heel even op adem komen en genieten van zijn méér macho zijn en vooral zijn sexy look. In de pers toont hij zich de hondstrouwe echtgenoot die elke dag met zijn vrouw en zijn moeder telefoneert, die zijn vader om raad vraagt en in de douche liedjes zingt als My mother’s eyes. Het oudere publiek hapt graag toe. Dit is hun boy next door. Dit is dezelfde truc die Colonel Tom Parker toepaste toen hij Elvis Presley na diens legerdienst in 1960 opnieuw moest lanceren. Geen rockende Elvis werd dat, maar een Presley die braafjes liedjes croonde als It’s now or never en Surrender. Covers van gladgeschoren evergreens uit de Napolitaanse schatkist.  Zelfs Helmut Lotti paste met zijn manager Piet Roelen deze truc in de jaren negentig toe. Zijn “Goes Classics” werden het zoveelste bewijs dat een dergelijke formule op tijd en stond kan blijven werken.

Gordon Mills wreef zich in de handen. Alleen was het hard en naarstig zoeken naar de geschikte songs. Waarom eens niet afzakken naar Nashville en daar zijn oor te luisteren leggen. Country had, vooral na de opkomst van de Nashville sound, beweze dat steengoede ballads een breed publiek aanspreken. In 1965 hadden zowel Porter Wagoner als Bobby Bare gigantisch gescoord in de Amerikaanse charts met een song iets eerder op plaat gezet door Johnny Darrell en geschreven door Claude ‘Curly’ Putman Jr. Green Green Grass of Home. De 10de november 1966 staat Tom Jones met zijn versie helemaal bovenaan de Britse Top 40. Dit smaakt naar nog. Als opvolger wordt opnieuw gekozen voor een countryballad Detroit City, goed voor een achtste plaats in de Britse hitlijsten. In 1963 had Bobby Bare al goud gescoord met deze song van Danny Dill en Mel Tillis.

Op het podium liet Jones zich almaar meer van zijn beste kant zien en horen. Vrouwen vielen in katzwijm voor de man die hun nochtans bedacht met uitspraken als: “I think a woman’s job is to serve her man. A woman may like to think she’s equal, but she’s not!” Hoe méér hij hun op dergelijke uitspraken trakteerde, hoe meer slipjes zij naar zijn hoofd slingerden en hoe voller de concertzalen geraakten. Tussen het voorjaar van 1967 en de winter van 1969 verwende Jones zijn fans met de ene hit na de andere. Dit waren zijn hoogtijdagen met toptienhits als: Funny familiar forgotten feelings, I’ll never fall in love again, I’m coming home, Delilah, Help yourself, A minute of your time,  Love me tonight en Without love.

Delilah werd een van Jones’ grootste en meest gecoverde hits. Geschreven door het populaire duo Les Reed en Barry Mason. Reed was ooit muzikant geweest in The John Barry Seven die te horen zijn in de tune van de James Bond-films en hij als pianist op vele hits van het Britse tieneridool Adam Faith. Samen met Geoff Stephens vormde hij aan het begin van de jaren zestig een lucratief schrijversduo met hits als Tell me when voor The Applejacks en Here it comes again voor The Fortunes. In het midden van de jaren zestig gaat hij samenwerken met Barry Mason, goed voor vijf Ivor Novello Awards. Zij hadden een liedje geschreven met de bedoeling het door P.J. Proby te laten inblikken, maar Tom Jones ging met de eer en de glorie lopen. Het was hij die een onsterfelijke versie van Delilah neerzette. Barry en Les zouden daarnaast Engelbert Humperdinck aan The Last Waltz helpen en Petula Clark aan I‘ve got my eyes on you.  Het was Les Reed die in 1970 een hit scoorde met Man of Action dat vier jaar lang als thema werd gebruikt door Radio North Sea International.

Terug naar het verhaal van Tom Jones die ook stilaan Amerika wist in te palmen. Hij had daar al twee toptienhits gescoord met It’s not unusual en What’ s new Pussycat. Delilah had daar een vijftiende plaats in Billboard’s Hot One Hundred weten in te palmen en met de single Love me tonight zat er een dertiende plaats in. In Engeland zat er voor diezelfde single net een toptienhit in. Met I’ll never fall in love again, gebaseerd op de melodie Wanderin’ van Sammy Kaye, noteerde Tom Jones in de Verenigde Staten een zesde plaats in de popcharts wat hij met Without love en een vijfde plaats qua succes nog eens overdeed. Qua concerten werd de U.S.A. van dan af een gegeerde afzetmarkt. Las Vegas zou zijn doelwit worden. Hij had al eerder het publiek in “The Copacabana” in New York aan zijn voeten gekregen. Het kostte hem dus geen moeite dat in Las Vegas in “The Flamingo” en “Caesar’s Palace” nog eens over te doen. Frank Sinatra gaf aan de pers ruiterlijk toe dat hij een van Toms grootste fans was. Elvis Presley beaamde dat Tom Jones de aanleiding was om in 1968 zijn grootse comeback op het getouw te zetten. Zes maanden per jaar zou Tom Jones in Amerika resideren om zijn fans de kans te gunnen van zijn optredens te genieten én, niet te vergeten, het grootste deel van zijn fortuin te verzamelen. In 1969 werd hem door ABC  Network een eigen televisieshow in de States aangeboden. De shows werden deels in Londen, deels in Los Angeles opgenomen met als gasten onder meer: Stevie Wonder, Aretha Franklin, The Who, Jerry Lee Lewis, Paul Anka, Ray Charles, Lou Rawls en ga zo maar een tijdje door. Tegen het einde van 1970 had Jones wereldwijd méér dan dertig miljoen platen verkocht. Datzelfde jaar kon Jones twee hits op zijn actief schrijven: Daughter of darkness en I who have nothing.

Het was Paul Anka die Tom Jones een van zijn songs aanbood She’s a lady. In Amerika werd het in 1971 een grotere hit dan in Engeland, met op de B-kant My way, een song die Paul Anka van Claude François had geleend, die het als Comme d’habitude had opgenomen en waarop Anka een Engelse tekst schreef. She’s a lady schoof in de Britse hitlijsten door naar de dertiende plaats, in Amerika zat er zelfs een tweede plaats in, meteen Jones’ grootste hit in Amerika met vlak daarachter in dalende volgorde zijn singles What’s new Pussycat, Without love, I’ll never fall in love again en It’s not unusual.

In Nederland behaalde Tom Jones met She’s a lady de 13de plaats in de Nederlandse Top 40. Daar dook Jones voor de eerste maal op in 1965 met It’s not unusual, al zat er toen slechts een 33ste plaats in. Dikke hits scoorde hij wel met: Green green grass of home, een nummer één bij onze noorderburen, alsook met Delilah, goed voor een tweede plaats in de Top 40 en Help yourself dat bleef halt houden op de zevende stek. Ook in ons land zat er voor Green green grass of home een eerste plaats in en dat zou niet zijn enige nummer één worden, want ook voor I’m coming home, Delilah en Help yourself zat er de hoogste notering in. Een tweede plaats in de Belgische Top 30 werd bereikt met de singles A minute of your time en Love me tonightVanaf 1971 verdwijnt Tom Jones uit het zicht van de Amerikaanse charts, maar niet in zijn thuisland. Zo zit er bijvoorbeeld voor de single Till verrassend een tweede plaats in en een zesde voor The Young New Mexican Puppeteer. De seventies leveren nog bescheiden hits op met Letter to Lucille en Something ’bout you baby I like.

In 1987 biedt platenfirma CBS Tom Jones de rol aan in de musical ”Matador”. De musical geraakt moeilijk van start omdat geldschieters het laten afweten. Toch wordt er aan deze musical een conceptalbum opgehangen dat Jones de hit A Boy From Nowhere oplevert. De single geraakt in de maand april van 1987 tot op de tweede plaats van de Britse Top 40. Pas vier jaar later, de 16de april 1991, zou de musical ”Matador” van Mike Leander en Edward Seago en gebaseerd op het leven van de legendarische Spaanse stierenvechter El Cordobes, voor de eerste maal worden opgevoerd in het “Queen’s Theatre” in Londen. Deze onverwachte hit bezorgt Tom Jones zijn tweede hitadem. Hij krijgt er een nieuwe schare fans bij. Ondermeer J.J.Jeczalik en Anne Dudley, beter bekend als de popgroep Art of Noise, die Tom Jones vragen of hij geen cover wil inzingen van Kiss van Prince. Prince had dat nummer in 1985 doorgespeeld aan de groep Mazarati die het voor hun debuutelpee opnamen. Wanneer Prince die versie als eerste te horen krijgt, is hij zo enthousiast dat hij het nummer terugvraagt. Hij behoudt hun basisbegeleiding en zet het nummer in 1986 op zijn album “Parade” en scoort er zelf een van zijn grootste hits mee. De versie van Tom Jones en The Art of Noise schiet in 1988 naar de vijfde plaats van de Britse Top 40. In de Belgische Top 30 behaalt Jones met Kiss een vijfde plaats net als in de Nederlandse Top 40.

Jones verblijft al die tijd ofwel in zijn huis in Zuid-Wales of in Bel Air in California. Ook zijn moeder en zijn zus verblijven op dat moment permanent in Los Angeles. In 1986 is zijn manager Gordon Mills overleden en heeft zijn zoon Mark Woodward die taak overgenomen. Samen met zijn vrouw Donna heeft hij er voor gezorgd dat Tom de trotse opa is van twee kleinkinderen Alexander John en Emma Violet.

De jaren negentig kabbelen rustig voort. In 1991 neemt Jones samen met zijn vriend Van Morrison als producer en leveranciers van vier songs het album “Carrying a torch”op. Het jaar nadien is hij te zien in de prestigieuze tv-reeks “The Right Time” van ITV Network aan de zijde van collega’s zoals The Chieftains, Joe Cocker, David Gilmore en Bob Geldof. Het jaar nadien ziet hij zichzelf opduiken in de animatiereeks The Simpsons.Tom Jones valt qua singles nog op met songs als Couldn’t say goodbye en vooral All you need is love en  If I only knew.

In 1996 wordt Tom Jones nog eens uitgenodigd voor een optreden tijdens “The Royal Variety Show” in Londen en is te zien aan de zijde van Jack Nicholson en Danny DeVito in de film “Mars Attacks”. Het jaar daarop horen we hem You can leave your hat on van Randy Newman zingen in de soundtrack van de film “The Full Monty”. Op die soundtrack hoor je ook bijdragen van onder meer Donna Summer, Wilson Pickett en Sister Sledge. De 25ste september 1999 staat hij na jaren nog eens op vijf in de Britse charts, deze keer met het door Talking Heads  geschreven en door hen al eerder opgenomen Burning down the house. Het nummer in de versie van Tom Jones is te horen op zijn album “Reload” met daarop vijftien covers en twee nieuwe nummers en goed voor een wereldwijde verkoop van méér dan zes miljoen exemplaren. In Engeland alleen al levert hem die verkoop vijf keer platina op.  Tom Jones blikte Burning down the house in samen met de Zweedse popgroep The Cardigans die iets eerder hun bekendste hit hadden gescoord met My favourite game.

Het album “Reload” zou Jones nog twee echte hits opleveren: Mama told me not to come dat hij opnam samen met  Stereophonics en de megahit Sex Bomb dat hij inblikte samen met producer Mousse T.die het samen met Errol Rennalls had geschreven. Sex Bomb is goed voor een derde plaats in de Britse Top 40, de 20ste mei 2000. In Nederland is Sex Bomb oké voor een tiende plaats in de Top 40 en in ons land een elfde.

Op uitnodiging van de toenmalige president Bill Clinton had Tom Jones enkele maanden eerder opgetreden tijdens The Millennium Celebrations in Washington. In Engeland treedt hij in de nasleep van zijn hit Sex Bomb vijf keer op in de “Wembley Arena” en verzorgt zeven concerten in “The Cardiff International Arena”. Voor de Disneyfilm ”Perfect World” neemt Tom het nummer The Emperor’s New Groove op geschreven door Sting en Dave Hartley. Met trots presenteert Jones in 2004 de verzamelbox “The Definitive Collection” met op vier cd’s een overzicht van zijn fenomenale loopbaan. Het jaar daarop viert hij zijn 65ste verjaardag en zijn veertig jarige loopbaan met een druk bijgewoond concert in het plaatsje Pontypridd in Wales, zijn vroegere thuishaven. Het is de Britse koningin niet ontgaan dat Tom Jones een van haar meest populaire onderdanen is zij en slaat hem de 29ste maart 2006 op Buckingham Palace tot ridder. Voortaan mag hij aangesproken worden als Sir Thomas Woodward, alias Sir Tom Jones. Het jaar nadien viert hij samen met zijn vrouw hun 50ste huwelijksverjaardag. Prins William en prins Harry nodigen hem uit om op de 24ste juni op te treden tijdens ”Concert for Diana” om daar een van haar lievelingsliedjes Kiss te zingen.

Jones zet 2008 in met het vieren van veertig jaar optreden in Las Vegas. The Strip daar is voor hem geen onbekende meer. Tijdens The 40th Annual Songwriters Hall of Fame feestelijkheden ontvangt hij een speciale award voor zijn niet-aflatende ijver in de bloemen te zetten. De 26ste juli 2010 brengt Tom Jones zijn eerste gospelalbum ooit op de markt “Praise & Blame”, goed voor de gouden status in Engeland.

In mei 2012 wordt de opvolger gelanceerd, het album “Spirit in the room” op het Island-label in een productie van Ethan Johns opgenomen in “The Real World Studio” in Bath met daarop onder meer een cover van Bad as me van Tom Waits en Hit or miss van Odetta.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bert Kaempfert

Toen de bazen van de Duitse platenfirma Polydor in de jaren zestig aan hun arrangeur Hans Last vroegen om eindelijk een elpee onder zijn artiestennaam James Last op de markt te brengen, wisten ze maar al te goed dat hij de muzikale tegenpool moest worden van Bert Kaempfert die tot dan toe bij Polydor de orkestrale plak had gezwaaid. Kaempfert was synoniem geworden van swing en easy listening. Het mocht, nu The Beatles en de de beat hun plaats in de hitlijsten hadden opgeëist, er wat meer poppy aan toe gaan en James Last ging dat invullen met zijn nieuwe muzikale aanpak waarmee hij in 1965 van start ging op zijn allereerste succesvolle elpee “Non Stop Dancing”, een mengeling van populaire hits uit die tijd. Last had tot dan toe als arrangeur artiesten begeleid zoals Helmut Zacharias, Caterina Valente en niet te vergeten Freddy Quinn waarmee ook Bert Kaempfert nauw had samengewerkt. Die waren intussen zelfs erg goede vrienden geworden.

Bert Kaempfert was de zoon van een huisschilder, geboren de 16de oktober 1923 als Berthold Heinrich Kaempfert in Barmbek, een dorpje in de buurt van Hamburg. Zijn ouders noemden hem Fips, een soort troetelnaam die later ook zijn vrienden zouden overnemen. Op zekere dag, Bert is dan een jaar of zes, wordt hij door een taxi aangereden. De chauffeur is in fout en de verzekering moet de familie Kaempfert 500 mark uitbetalen. Wat moeder Kaempfert bezielt, raadt niemand, maar ze koopt van dat geld voor haar zoon een buffetpiano. Om dat ding goed in de vingers te krijgen, gaat hij muziekles volgen bij Wilhelm Witt. Samen met de piano leert hij hier ook de accordeon en de klarinet bespelen. Hij profileert zich als een uitstekend muzikant en het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat hij op zijn zestiende al meespeelt in het orkest van Hans Buch, erg populair in die tijd in Hamburg en ver daarbuiten. Kaempfert die er als kind van droomde matroos te worden, niet te verwonderen als je weet dat Hamburg een belangrijke Europese havenstad is, laat die droom varen en concentreert zich van dan af uitsluitend op de muziek. Zelfs het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kan aan die plannen niets veranderen. Tijdens zijn legerdienst laat hij waar het maar enigszins kan, horen dat hij uit het goede hout gesneden is. Hij speelt mee in diverse orkesten en valt onder meer op bij de officiers van het Amerikaanse leger waarvoor hij vaak optreedt tijdens de vele bals die ze organiseren. Kaempfert, die intussen gehuwd is met Hannelore en vader van dochter Marion is geworden, krijgt een eigen show Pik Ass oftewel Ace of Spade met hem daarin als centrale gast. Maar niets is zeker in die tijd. Kaempfert gaat solo werken om wat meer geld te kunnen verdienen voor zijn gezin. Hij aanvaardt enkele opdrachten bij de BFN, The British Forces, die hun eigen radiostation runnen. Intussen heeft Kaempfert een ensemble opgericht, maar die twee combineren, weegt wat zwaar. Het orkest wordt opgedoekt. Onder het pseudoniem Marc Bones begint Bert composities te schrijven.

In 1951 wordt zijn tweede dochter Doris geboren. Bert heeft opnieuw een orkestje opgericht en speelt met hen een aantal zelfgeschreven liedjes zoals: Las Vegas, Explorer, Ducky en Catalania. Hij noemt zich een tijdje Bob Parker. Polydor had hem intussen uitgenodigd voor een gesprek en  hem een job aangeboden als arrangeur-producer. Hij gaat werken met artiesten zoals Rudi Schuricke, Mona Baptiste en Margot Eskens. In de “Washington Bar” in Hamburg ontdekt hij op zekere dag Freddy Quinn voor wie Kaempfert in 1959 de hit Die Gitarre und das Meer arrangeert en produceert. Samen met trompettist Billy Mo neemt Bert het nummer Mitternachts Blues op voor de gelijknamige film, goed voor méér dan 22 weken lang een notering in de Duitse hitlijsten.

Een gouden plaat scoort Bert Kaempfert wanneer hij samen met Ivo Robic het nummer Morgen inblikt. Het geluk lacht hem toe wanneer Elvis Presley voor zijn film “G.I. Blues” besluit het nummer Muss I denn op te nemen in een arrangement van Bert Kaempfert. In de versie van Joe Dowell zou het als Wooden Heart een nog grotere hit worden. Deze hit zou in Amerika de aandacht op Bert Kaempfert vestigen.

In een haast verloren gewaande kast bij Polydor lag nog een nummer dat Bert in 1959 had geschreven Wunderland bei Nacht voor de film “Unser Wunderland bei Nacht”.  Het was niet echt een hit geweest in Duitsland, mar wel een meevaller in Japan. Bij een bezoek aan Amerika neemt Kaempfert die opname mee, want in eigen land had er niemand nog oren naar. In New York ontmoet hij Milt Gabler, een van de verantwoordelijken bij platenfirma Decca. Milt besluit het nummer zo snel mogelijk op single uit te brengen als Wonderland by night en Berthold Kaempfert wordt Bert Kaempfert and his Orchestra. De veertiende november 1960 wordt het nummer gereleaset. Trompettist van dienst is Charly Tabor. Presley staat op één met Are you lonesome tonight wanneer Bert Kaempfert hem de negende januari 1961 van die eerste plaats stoot en drie weken na mekaar bovenin bfijft schitteren tot The Shirelles hem daar komen aflossen met Will you love me tomorrow.

Terug in Hamburg besluit Bert Kaempfert, steeds op zoek naar nieuw talent, een bezoek te brengen aan de Reeperbahn waar nogal veel jonge groepen optreden en ontmoet daar in “The Top Ten Club” Tony Sheridan die zich laat begeleiden door The Beatles. Ze noemden zich toen nog The Beat Brothers en telden Pete Best in hun rangen als drummer, dus nog niet Ringo Starr. Kaempfert nodigt hen uit in de Polydor studio en neemt met hen een rist songs op waaronder een bewerking van My Bonnie. The Beatles krijgen een vergoeding van 300 Duitse marken. Ze vragen Kaempfert of ze ook iets mogen opnemen. Hij vraagt hun of ze eigen songmateriaal hebben, maar behalve het instrumentaaltje Cry for a shadow ( een parodie op het nummer Frightened city van The Shadows), geschreven door George Harrison, kunnen ze niets degelijks voorleggen. Kaempfert blikt met The Beatles wel het nummer Ain’t she sweet in. De eerste mei 1961 tekenen The Beatles een contract met Bert Kaempfert Produktions, maar terug in Liverpool vraagt hun manager Brian Epstein het contract te ontbinden waarop Kaempfert schrijft: “I do not want to spoil the chance of the group to get recording contracts elsewhere, but I do think that we should have the chance to make recordings with the group for the Polydor Label whilst they are in Hamburg“. Uiteindelijk blijkt Polydor niet in The Beatles geïnteresseerd, behalve in Tony Sheridan. Als talentscout is dit een van de vele momenten die Kaempfert graag ter harte neemt, maar het heeft hem zeker niet van zijn stuk gebracht, integendeel. The Beatles waren toen trouwens nog niet bekend. Jaren later, de 26ste juni 1966, zou Bert Kaempfert The Beatles backstage ontmoeten na een optreden in “The Ernst-Merck-Halle” in Hamburg. Van het moment ze hem opmerkten, begonnen ze spontaan Strangers in the night te zingen.

Kaempfert heeft het overigens te druk met het op poten zetten van zijn eigen sound. Hij sleutelt er haast elke dag aan. Hij heeft ontdekt dat het geluid van twee bassen een duidelijker accent aan de opname toevoegt. Hij is de uitvinder van de walking bass, gespeeld op de contrabas terwijl de tweede bassist met een plectrum een gedempt staccato op de gitaar tokkelt. Daarvoor is de 6-snarige Fender VI het meest geschikte instrument, door de bank in zijn orkest altijd bespeeld door Ladi Geisler. De bassisten speelden ofwel simultaan dezelfde melodie ofwel tegengesteld of in een afterbeat. We overdrijven niet wanneer we stellen dat dit in hoofdzaak de Bert Kaempfert sound uitmaakt. Het gebruik van deze dubbele baslijn wordt ook wel knackbass genoemd. Deze manier van spelen horen we duidelijk in Kaempfert hits als A swingin’ safari, Living it up en Black Beauty.

Een van de meest bekende composities van Kaempfert  is en blijft de evergreen Strangers in the night. In Amerika werd dit lied een nummer 1 in de gezongen versie van The Voice Frank Sinatra in een productie van Jimmy Bowen en een arrangement van Ernie Freeman. Strangers in the night  was voor het eerst te horen in de inmiddels compleet vergeten film “A man could het killed”, in 1966 gedraaid door Ronald Neame met in de hoofdrollen James Garner, Melina Mercouri en Sandra Dee. Het filmverhaal gaat over een zakenman die voor een internationale spion wordt aangezien. Het is een matige spionagepersiflage, verfilmd op mooie locaties in Rome en Lissabon. Aan Bert Kaempfert werd door platenfirma MCA gevraagd de volledige soundtrack te schrijven. Alleen de song Strangers in the night heeft de film overleefd. Kaempfert weigerde aanvankelijk, maar toen hem werd aangeboden dat hij voor twee maanden naar Hollywood mocht, gaf hij toe. Bleek ter plaatse dat Bert samen met Herbert Rehbein, met wie hij eerder al vele songs samen had geschreven, in een hotelkamer werd opgesloten totdat hij op de proppen kwam met de soundtrack. Kaempfert componeerde vaak op basis van een werktitel en in het geval van Strangers in the night was dat Beddy-bye. Geen mens die aan de hand van die titel op dat moment durfde te denken dat de song in 1966 vier Grammy Awards in de wacht zou slepen. Toen de soundtrack van de film in Amerika uitkwam, vond niemand het de moeite waard om naar de winkel te stappen en zich die elpee aan te schaffen. In Duitsland, het thuisland van Kaempfert, bleef dat album zelfs morsdood in de kast liggen. Aan de bekende Amerikaanse tekstschrijvers Carl Singleton en Eddie Snyder werd gevraagd bij de instrumentale versie van het liefdesthema uit de film “A man could het killed” een Engelstalige tekst  te verzinnen en dat werd Strangers in the night. Ol’ blue eyes behaalde met zijn gezongen versie zijn enige solo nummer 1-hit, vlak nadat zijn dochter Nancy op 1 had gestaan met These boots are made for walking. Het was iemand van Sinatra’s platenfirma Reprise die hem attendeerde op Strangers in the night van Bert Kaempfert. Maar er waren kapers op de kust die dat liedje ook wilden opnemen. Daarom werd in ijltempo de basistrack met het orkest opgenomen, drie uur later arriveerde Sinatra en om  negen uur was de definitieve versie gemonteerd. Nog geen 24 uur later had elk radiostation in Amerika de tape startklaar in de studio. Insiders wisten  vanaf het eerste moment dat Sinatra deze song haatte. Zo erg zelfs dat hij dat lied nadien nog maar zelden tijdens  concerten  live heeft gezongen. Johnny Mathis was echter wél fier toen hij die song kon inblikken . Zo fier zelfs dat hij een ganse elpee met liedjes van Bert Kaempfert volzong “Johnny Mathis sings the music of Bert Kaempfert”. In Engeland was het Matt Monro die Kaempfert alle eer aandeed met zijn opname.

We dienen, om het verhaal volledig te vertellen ook even je aandacht te vestigen op dat haast nooit vertelde verhaal over plagiaat. De Franse componist Michel Philippe-Gérard  die ooit hits had geschreven voor Catherine Sauvage, Yves Montand en Edith Piaf, componeerde in de jaren 50 het liedje  Magic Tango dat via een vriend in Amerika aanbelandde bij uitgeverij Chappell die het van een Engelse tekst lieten voorzien door Jack Kennedy. Het was Eddie Fisher die het op plaat zette en er twee miljoen exemplaren van verkocht. Op die manier kwam het ook in Europa terecht én ter ore van Bert Kaempfert. Toen Philippe-Gérard jaren later de melodie Strangers in the night  hoorde, ontdekte hij dat er welgeteld tweeëntwintig maten van zijn Magic tango in die melodie van Bert Kaempfert waren verwerkt. Er werd heen en weer ruziegemaakt en er werd wederzijds met enorme dwangsommen gedreigd, maar tot een echte uitspraak kwam het niet. Alleen werden in Frankrijk de auteursrechten van Strangers in the night geblokkeerd. Uiteindelijk gaf  de rechter Philippe-Gérard gelijk, op papier, want in werkelijkheid is de man er niet rijk van geworden en werd hem vriendelijk gevraagd zijn aanklacht in te trekken.

Een andere jongen die een compositie van Bert Kaempfert de eeuwigheid en de hitregionen inzong, was Al Martino met het nummer Spanish eyes. In de zomer van 1964 kwam Bert Kaempfert met Decca producer Milt Gabler tot een akkoord een elpee op te nemen met als werktitel “Music from around the world”. Het zou een muzikale rondreis worden langs Japan, Afrika, Europa en Amerika. Bert zette zich meteen aan het werk en ging alvast op zoek naar bekende internationale songs die aan die landen gelinkt worden. Hij had ook groen licht gekregen om het album aan te vullen met een aantal eigen composities. Hij kiest Italië als inspiratiebron. Hij trekt zich terug op zijn buitengoed aan de Brahmsee in Holstein. Hij denkt al zoekend naar een romantische invalshoek aan de maan die  over de baai van Napels schijnt. Je moet immers iets hebben om in de mood te geraken. Die gedachte strookt niet met de realiteit, want buiten stormt het en giet het bakken regen. Wat niet belet dat Kaempfert een van zijn mooiste en meest romantische songs componeert Moon over Naples. Wanneer producer Milt Gabler twee maanden later, we zijn dan september, in Hamburg arriveert om met de opname van het album te beginnen, heeft hij beslist dat de elpee “The magic music from far away places” zal heten. Dat instrumentaaltje Moon over Naples valt hem meteen op. Hij probeert er een tekst bij te verzinnen, maar dat lukt hem niet meteen. De Amerikaanse uitgever van Bert Kaempfert, Hal Fein, komt op de proppen met een schrijversduo dat in Amerika al naam had gemaakt, Charlie Singleton en Ed Snyder. Zij hebben de lumineuze het liedje voortaan Spanish Eyes te noemen. Toen ze op zoek gingen naar een geschikte zanger, kwam Bert Kaempfert bij Freddy Quinn terecht met wie hij in de jaren vijftig nauw had samengewerkt. Platenfirma Polydor wou daarmee Quinn een kans geven ook in Amerika door te breken. Enkele weken later wordt de song ingeblikt, maar noch de directie van Decca, noch die van Polydor zijn tevreden met het resultaat. Ze stellen voor het nummer opnieuw in te blikken tijdens een vakantie van Quinn en Kaempfert in Florida. Quinn had wat problemen met het zingen van het liedje omdat de tekst en de maat niet juist zaten. Hij belt tekstschrijver Charlie Singleton die voorstelt om er Blue Spanish Eyes van te maken, de juiste beslissing op het juiste moment, zo lijkt het toch. Terug in Duitsland weigert Polydor het liedje op single uit te brengen omdat ze de tekst niet lusten. Geen enkele Spanjaard heeft blauwe ogen, vinden ze. In Amerika wordt de song wél uitgebracht en doet het vrij aardig bij enkele lokale radiostations. Blue Spanish Eyes komt ook Al Martino ter ore die net bezig is met de opname van zijn elpee “My Cherie”. De song wordt gelijk ingeblikt en meteen beslist zijn platenfirma Capitol Records het nummer op single uit te brengen met als eindresultaat een vijftiende plaats in de Amerikaanse charts in de lente van 1965. Bij ons wordt het een tijd later een nummer één in de BRT top dertig. Een klein detail, maar toch, wie tuk is op dit liedje, beveel ik graag de cd ‘Moon over Naples / Spanish eyes’ aan, uitgegeven door Bear Family Records (BCD 16674 AH)  met daarop in het totaal vierentwintig versies van Spanish eyes, beginnend bij de instrumentale versie van Bert Kaempfert over die van Freddy Quinn en Ivo Robic tot en met Al Martino, The Ventures, Pat Boone én Johnny Mathis.

En of ze in Amerika Bert Kaempfert kenden en dan vooral de artiesten zelf. Zijn naam stond garant voor degelijke hits, regelrechte klassiekers. Nat King Cole boomde in de hitlijsten met het nummer L.o.v.e, Jack Jones pakte verrassend uit met Lady, Dean Martin met I can’t help remembering you, Sammy Davis Jr. met Lonely is the name. Samen met zijn orkest scoorde Bert ook een rist hits zoals: That happy feeling, Afrikaan Beat en Bye bye blues, om songs als Red roses for a blue lady en Three o’clock in the morning niet te vergeten. Inpikkend op de discorage op het einde van de jaren zeventig, gegangmaakt door The Bee Gees, schreef Kaempfert samen met zijn kompaan Herbert Rehbein Keep on dancing en Frisco Disco nadat hij eerder al een knappe versie had neergezet van Theme from Shaft van Isaac Hayes die hem voor die versie nog persoonlijk had gelukgewenst.

Soms tegen zijn zin, omdat hij nogal introvert was en leefde, trok Bert met zijn orkest, eigenlijk een telefoonorkest dat bestond uit een vaste kern van zes muzikanten, regelmatig op tournee. De kers op de taart werd zijn tournee in 1974 in Engeland met als hoogtepunt zijn optreden in “The Royal Albert Hall”. Hij hield er zijn familie wel aan dat zodra de tournee erop zat hij zich graag terugtrok in zijn buitenverblijf, zo’n zestig kilometer buiten Hamburg, of in zijn vakantiehuis op Mallorca. Na een tijdje had hij besloten zich definitief in Zwitserland te vestigen omdat hij van gezonde lucht, natuur en stilte hield. Wanneer hij echt op adem wilde komen, kon men hem geen groter plezier doen dan met een trip naar The Everglades in Florida. This was his place to be. Speciaal voor zijn vrienden ginder schreef hij In The Everglades. Na zijn succesvolle tournee in Engeland, besloot Kaempfert onder aanvoering van zijn Duitse impresario Kurt Collien een tournee in Duitsland op het getouw te zetten samen met onder meer Freddy Quinn en de beste muzikanten die hij zich maar kon wensen. Tijdens deze tournee liet hij horen dat swing hem na aan het hart lag, het liefst dan nog gespeeld in de stijl van zijn idool Count Basie, resulterend in de elpee “Swing” opgenomen in de maand oktober van 1977 met daarop composities van onder meer Glenn Miller, Tommy Dorsey, Woody Herman en Benny Goodman. Volgens zijn mening, het beste album dat hij ooit heeft ingeblikt. Een hoogtepunt in de carrière van Bert Kaempfert is ongetwijfeld de tv-show die hij in 1979 opnam voor de Duitse televisie ”Bert Kampfert in Concert” met in de slipstream daarvan een rist optredens in Luxemburg, Zwitserland en Duitsland. Een trieste noot overschaduwde echter deze tournee, het overlijden de achtentwintigste juli 1979 van zijn medewerker Herbert Rehbein die hij misschien niet altijd de plaats had gegund die de man verdiende.

Amper over dat verdriet heen, begint Bert Kaempfert met zijn orkest in 1980 aan een nieuwe tournee door Engeland met optredens in Eastbourne, Birmingham, Croydon, Manchester en de 16de juni in Londen in een nokvolle “Royal Albert Hall”. Tot vijfmaal toe worden hij en zijn orkest tot een bisnummer aangemaand. Twee dagen later vliegen hij en zijn vrouw Hanne naar hun buitenverblijf in Mallorca. Hij wil daar wat uitrusten en aan de voorbereidingen beginnen van een nieuw album dat ze in oktober zouden gaan inblikken. Maar het lot beslist er anders over. De eenentwintigste juni overlijdt Bert Kaempfert op Mallorca aan een hartaanval. Hij is dan net 56. De vijftiende januari 1981 wordt, op zijn eerder verzoek, zijn as uitgestrooid  op het water van zijn meest geliefde plek The Everglades in Florida. In 1993 ontvangt hij de grootste eer die een componist kan krijgen. Hij wordt toegevoegd aan “America’s Songwriters Hall of Fame”.

In 2002 verschijnt zijn biografie “Stranger in the night” van de hand van Marc Boettcher.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ray Conniff: een gouden sound!

Tegenwoordig zijn ze zo goed als onvindbaar, ook niet meer betaalbaar trouwens, die grote orkesten van toen. Nochtans, méér dan vijftig jaar geleden konden ze hun geluk niet op en wij het onze ook niet. Ik beweer niet dat op elke hoek van de straat of op elk dorpsplein een orkest zat te spelen, maar het scheelde niet veel. Kortom, orkesten zat in die tijd. Mantovani  kende zijn hoogtijdagen, net als de bands van Bert Kaempfert, Werner Müller, Paul Mauriat, Franck Pourcel, Edmundo Ros, Perez Prado, Francis Bay, Malando, Roberto Delgado, James Last en ga zo maar door. Je had een grotere kans op slagen wanneer je een meteen herkenbaar geluid uit je hoed kon toveren zoals Percy Faith en Manuel and the Music of The Mountains. Glenn Miller had dat in de jaren veertig al door, net zoals jaren later Billy Vaughn en niet te vergeten Ray Conniff die er als geen ander in slaagde met zijn muzikanten dé gouden sound op plaat vast te leggen!

Ray werd de 6de november 1916 in het stadje Attleboro in de staat Massachusetts geboren. Zijn vader, John Lawrence, was een enorme muziekliefhebber die zelf trombone speelde in een lokaal dansorkest The Jewelry City Band. Mama, Maude Angela Connigg, speelde een aardig stukje piano. Het kon dan ook niet uitblijven of zoonlief zou zich snel met muziek gaan bezighouden. Van zijn vader leert hij de trombone bespelen. Noten lezen en zelf wat liedjes schrijven, leert hij helemaal in zijn eentje aan de hand van een paar boeken die hij via zijn vader op de kop had kunnen tikken. Tijdens zijn middelbare studies richt hij samen met enkele vrienden een eigen orkestje op en componeert ook al een aantal songs voor de band. Na zijn studies gaat hij aan de slag als arrangeur en muzikant bij The Musical Skippers, een orkest uit Boston onder leiding van Dan Murphy. Midden de jaren dertig trekt hij naar New York om daar aan de befaamde Juilliard School of Music onder het toeziend oog van Tom Timothy en Sol Kaplan muziek te gaan studeren. Anderhalf jaar lang treedt hij tussendoor op in een aantal New Yorkse clubs om in 1937 aan zijn eerste betaalde job te beginnen en wel als arrangeur voor Bunny Berigan. Vervolgens werkt hij een jaar of twee voor de in die tijd vermaarde band van Bob Crosby. In 1940 sluit hij zich aan bij het orkest van Artie Shaw die in die jaren met zijn bigband veel succes oogstte. Shaw had snel door dat Ray erg goed kon arrangeren en daarin zou Ray zich almaar meer specialiseren. Vervolgens komt hij terecht bij de band van Glen Gray. Net zoals veel van zijn landgenoten moet ook Conniff onder de wapens en komt terecht bij The Armed Forces Radio Services in Hollywood, California. Tijdens zijn legerdienst gaat hij spelen bij het enorm populaire orkest van Harry James. In die tijd is Ray een fervent jazzliefhebber die niet zo gelukkig is met de opkomst van de bebop, een muziekstijl die James en zijn collega’s almaar liever gaan spelen. Conniff haakt af en het scheelt niet veel of hij keert de muziekwereld definitief de rug toe.

Dan volgen zowat de donkerste jaren in zijn leven. Hij geraakt zonder werk. Het woord armoede komt aardig dicht in de buurt. Intussen is Ray al voor de tweede maal getrouwd en moet zorgen dat zijn kroost te eten krijgt. Om aan de kost te komen, speelt hij ‘s avonds trombone bij een jazzorkest in Reseda, een voorstadje in Los Angeles. Hij leert intussen aan de hand van de cursus “Learn how to conduct”, postvattend voor de spiegel, hoe je een orkest moet dirigeren en in de hand houden. Hij koopt elke week Billboard Magazine en ontleedt nauwkeurig de hitlijsten om zich zodoende een idee te vormen van wat de mensen zoal graag horen. Hij leert almaar beter aanvoelen wat de doorsnee muziekliefhebber wil en dat klinkt helemaal anders dan hij tot dan toe in zijn jazzmilieu had opgestoken.

Conniff besluit op zekere dag een aantal platenfirma’s te bezoeken en met hen van mening te wisselen over hoe hij het voortaan ziet zitten om als arrangeur aan de bak en uit de hoek te komen. Hij neemt de vijftiende januari van dat jaar vier songs op samen met The Rockin’ Rhyhtm Boys, onder meer Beanie Boy Boogie en Super Chief. Hij is zelf de producer van die eerste songs die op het Brunswick-label worden verdeeld over twee singles, maar zonder brokken te maken. Gelukkig voor hem wordt hij opgepikt door de toenmalige a & r man (artist and repertoire man) van Columbia Records Mitch Miller die in hem de perfecte arrangeur ziet. Ray, die zich intussen de artiestennaam Conniff had aangemeten, gebaseerd op de familienaam van zijn moeder Connigg, had wel al door dat muziekminnend Amerika de bigband grondig moe was en toe was aan een nieuwe stijl. Hij krijgt de smaak van de commerciële muziek te pakken, daarin geruggensteund door Mitch Miller die hem koppelt aan een rist succesvolle artiesten zoals Rosemary Clooney, Marty Robbins, Frankie Laine, Johnny Mathis, Guy Mitchell en Johnnie Ray. Connif kan en mag in de studio beschikken over de beste muzikanten en kan samen met hen stilaan sleutelen aan een eigen sound. De eerste sporen daarvan horen we terug op zijn eerste hit die hij in 1955 scoort samen met Don Cherry Band of Gold. In het kielzog daarvan duiken meerdere hits op zoals Yes tonight Josephine en Just walkin’ in the rain met Johnnie Ray, Chances are en It’s not for me to say met Johnny Mathis, A white sport coat met Marty Robbins, Moonlight gambler met Frankie Laine enz…

Daarnet stipte ik al aan dat Conniff intussen over een geweldig goed orkest mocht beschikken. Hij sleutelt almaar vaker aan wat zijn unieke sound zou worden. Die bestond erin de klarinetten, trompetten en saxofoons aan te vullen met vrouwenstemmen en de trombones en de lage saxofoons met mannenstemmen. Hij mag van Columbia Records en als beloning voor de vele hits die hij hun had geleverd in 1957 zijn eerste elpee opnemen samen met zijn orkest onder de naam Ray Conniff and his Orchestra. Dat eerste album wordt “‘s Wonderful”, een regelrechte hit. Twintig maanden lang zal dat album in de album top honderd genoteerd blijven en Conniff krijgt van Cash Box daarvoor een award als the most promising up-and-coming band leader van dat jaar. Het jaar nadien sleept hij dezelfde award in de wacht en herhaalt die stunt ook in 1959.

Datzelfde jaar, in ’59 dus, neemt hij een elpee op samen met The Ray Conniff Singers, 12 vrouwen- en 13 mannenstemmen, te horen op de elpee “It’s the talk of the town”. Ook deze formule levert hem goud op. Ray kwam op die idee toen hij samen met Mitch Miller platen opnam. Miller was vooral bekend geworden door zijn sing-a-long elpees, bekende liedjes die je makkelijk kan meezingen. Daarvoor gebruikte Miller een groot orkest en een klein studiokoor. De combinatie tussen de instrumenten van het orkest en de zangstemmen van het koor bleken een uniek geluid op te leveren. Ray Conniff vertaalde die formule in een rist conceptelpees, themaplaten als je dat liever hoort, zoals “Concert in rhythm”, “Hollywood in rhythm” en “Broadway in rhythm”, stuk voor stuk met goud bekroond.

In de swinging sixties waren Ray Conniff and his Orchestra very hot. Hij gaf tal van concerten. Als eerste slaagde hij erin zijn publiek in de zaal te laten genieten van een subliem stereo-effect. Daarvoor had hij een speciaal stereosysteem uitgedokterd waarmee hij zijn publiek kon verwennen en het koor en orkest laten klinken alsof ze in de live in de studio zaten, alsof je thuis in je luie zetel naar hun platen aan het luisteren was.

Tussen 1957 en 1968 staat Ray Conniff zomaar liefst 28 keer in de album top veertig. In 1969 duikt hij de Britse hitlijsten binnen met het album “His orchestra, his chorus, his singers, his sound” met daarop aansluitend een succesvolle tournee in Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland. Vijf jaar later blikt hij in Rusland het album ”Ray Conniff in Moscow” in. Met de jaren was hij almaar populairder geworden in Latijns-Amerika dankzij conceptelpees als “Exclusivamente Latino”, “Latinissimo” en ”Amor Amor”. Vooral de jaren 80 en 90 leveren hem daar veel bijval op. Hij wordt er geëerd als een soort popidool, ook al is Ray dan al de zeventig gepasseerd. Samen met zijn koor had hij in 1966 zijn grootste hit gescoord in Billboard’s Hot One Hundred en wel met het nummer Somewhere my love uit de film “Doctor Zhivago”. De gelijknamige single zal hem een Grammy Award opleveren. En het bleef niet bij dat ene succesvolle album, want even succesvol worden de elpees “Ray Conniff’s Hawaiian album”, ”Bridge over troubled water” en zijn diverse kerstelpees.

De eerste jaren van zijn carrière nam Ray Conniff altijd in New York op, maar vanaf 1962 tot op het einde van zijn leven vinden we hem steeds terug in Los Angeles. Zijn bedoeling was per jaar drie albums op de markt te brengen: twee instrumentale en één gezongen album, al kregen die laatste almaar meer de bovenhand. Conniff zou in het totaal méér dan 70 miljoen platen verkopen en bleef albums opnemen tot aan zijn dood de 12de oktober 2002. Hij overlijdt in Escondido en ligt begraven op The Westwood Village Memorial Park Cemetery in Los Angeles. Op zijn graf staat een notenbalk met daarop de eerste vier noten van zijn grootste hit Somewhere my love. Conniff liet zijn derde vrouw Vera Schmidheiny, zijn dochter Tamara, zijn zoon Jimmy en drie kleinkinderen achter. Conniff was eerder al een eerste keer gehuwd met Emily Jo Ann Imhof en vervolgens met Ann Marie Engberg. Uit dat eerste huwelijk had hij twee kinderen: James Lawrence en Jo Ann Patricia.

Conniff bleef zomaar liefst 65 jaar actief in de muziekwereld met in het totaal méér dan honderd albums op zijn actief. Hij sleepte tien gouden en twee platina albums in de wacht. In de maand september van 2001 verzorgt Ray nog een uitverkochte tournee in Brazilië alvorens enkele maanden later zijn 85ste verjaardag te vieren. Tijdens het huwelijk van Liza Minnelli met David Gest speelt hij nog Somewhere my love. Kort nadien krijgt hij een hartaanval, herstelt vrij snel, smeedt plannen voor een nieuwe tournee, maar overlijdt de 12de oktober 2002 toch vrij onverwacht. Twee jaar later verschijnt de dubbel-cd “The Essential Ray Conniff”. Intussen zijn ook voor de verzamelaars de cd’s The Singles Collection volume one, two en three beschikbaar met daarop behoorlijk wat uniek materiaal.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Someday we’ll be together

Je mag even meekijken over mijn schouders heen naar de Amerikaanse top vijf van de 27ste december 1969. Toen stond de groep Steam op vijf met Na na hey hey kiss him goodbye, op vier Creedence Clearwater Revival met Down on the corner gekoppeld aan Fortunate son, op drie B.J. Thomas met Raindrops keep falling on my head uit de film Butch Cassidy and the Sundance Kid, op twee Peter Paul en Mary met Leaving on a jet plane, inderdaad van John Denver, en op één Diana Ross and The Supremes met Someday we’ll be together.

Als je daarnet goed op de datum hebt gelet, weet je dat dit de allerlaatste nummer één is waarmee de swingin’ sixties in de Amerikaanse charts werden afgesloten en niet door de eerste de besten. The Supremes waren hiermee toe aan hun twaalfde nummer één hitsingle. De titel spreekt boekdelen als je weet dat Diana Ross hiermee haar succesvolle carrière bij The Supremes afsloot om voortaan in haar eentje verder te stappen en te zingen. Niet dat het liedje naar aanleiding van die scheiding was geschreven, want het nummer was al negen jaar eerder neergepend door Jackie Beavers en Johnny Bristol die toen samen in het leger dienst deden. Het is te zeggen, ze schreven het nummer meteen nadat ze waren afgezwaaid. Beiden waren getrouwd, vaak onderweg en dus weinig op het thuisfront te vinden. Dat was de invalshoek van waaruit ze het nummer schreven. Ze wilden koste wat het kost dat liedje samen als een duet op plaat zetten. Ze vonden Harvey Fuqua bereid het nummer te producen en uit te brengen op zijn platenlabel Tri-Phi onder de artiestennaam Johnny and Jackie. Toen Fuqua zijn label aan Motown wist te verpatsen, tekende hij mee al co-auteur, iets wat in die tijd wel vaker gebeurde. Dat duetje van Johnny and Jackie Someday we’ll be together raakte kant noch wal, maar ze onthielden het wel, want in de popbusiness weet je maar nooit.

Toen de sixties op hun einde liepen, had Johnny Bristol er zin in het duo Johnny and Jackie uit de kast te halen. Hij beluisterde een aantal opnamen van hen en toen hij Someday we’ll be together opnieuw te horen kreeg, klonk het in zijn oren alsof het op het lijf van The Supremes was geschreven. Vreemd genoeg trekt Bristol als producer alleen met Diana Ross naar de opnamestudio. Mary en Cindy worden ongemoeid gelaten. De backings worden verzorgd door Maxine en Julia Waters. Om Diana een beetje support te geven tijdens de opname, zingt Johnny Bristol een beetje met haar mee, niet om het op de definitieve versie te zetten, maar om haar wat te laten warmdraaien. Maar Berry Gordy jr, de grote baas van Tamla Motown, vindt dit zo geslaagd dat de stem van Johnny toch op de definitieve versie te horen is.

Diana zou het nummer samen met de echte Supremes, maar zonder Johnny Bristol, voor een laatste keer live zingen de 14de januari 1970 in The Frontier Hotel in Las Vegas. Op het einde van dat concert stelt Diana haar vervangster voor Jean Terrell. Terrell zou nadien te horen zijn op hits als Stoned love en Up the ladder to the roof.

n de maand november van 1969 wordt Someday we’ll be together in Amerika op single uitgebracht. De 27ste december staan The Supremes op één nadat ze Peter, Paul and Mary gepasseerd hadden die daar een week hadden postgevat met Leaving on a jetplane. Langer dan een week houden The Supremes het daar niet uit, want B.J.Thomas komt ijzersterk opzetten met Raindrops keep fallin’ on my head waarmee hij vier weken na mekaar de top honderd zal aanvoeren. In Engeland zit er voor hen een niet zo gelukkige plaats in de top veertig in, toch niet als je bijgelovig bent, want daar houdt de single halt op de dertiende plaats. Een voorteken? Onze Nederlandse buren zijn niet tuk op deze laatste single van de dames. Nu, bij onze noorderburen hebben ze nooit een nummer één gescoord. Someday we’ll be together is een twintigste plaats waard, niet méér dan dat. En hoe reageerden we dan in ons land, wel helemaal niet. Hun laatste single gaat, zoals hun meeste trouwens, gewoon aan onze hitlijsten voorbij.

De belofte Someday we’ll be together zou nooit worden ingelost of pas twaalf jaar later en dan nog omdat ze niet anders konden, namelijk tijdens de viering “25 jaar Tamla Motown” waar Diana Ross zeer opvallend vor de aanwezige camera’s de leadvocals voor zich opeist.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Song Sung Blue

Toen in de zomer van 1972 Sammy Davis Jr. met veel trots Billboard’s Hot One Hundred aanvoerde met zijn singlehit Candy Man uit de musical Willie Wonka and The Chocolate Factory van Anthony Newley en Leslie Bricusse had hij wel enig vermoeden dat hij na drie weken op de eerste plaats zou worden afgelost door Neil Diamond, want die had al eens op één gestaan met Cracklin’ Rosie en wou koste wat het kost die stunt nog eens overdoen. Dat lukte Neil deze keer met Song Sung Blue en wel de eerste juli 1972, al was zijn verblijf bovenin de Amerikaanse top honderd maar van korte duur, want na één week op de eerste plaats te hebben geposteerd, werd hij daar afgelost door Bill Withers met Lean on me.

Twee jaar eerder had Neil Diamond tot eenieders verbazing het album Tap Root Manuscript afgeleverd. Dat album klonk behoorlijk experimenteel in die zin dat Diamond leentjebuur ging spelen bij wat we nu wereldmuziek noemen. Hij ging op zoek naar Afrikaanse klanken en instrumenten die hij verwerkte in nummers als I am the lion, Soolaiman, Missa en African suite. Dit album zou nadien Peter Gabriel inspireren voor zijn elpee My life in the bush of ghosts en Paul Simon voor zijn album Graceland. Ook al aarzelde zijn platenfirma MCA Records een beetje om de plaat te releasen, toch zou Tap Root Manuscript één van Diamon’s meest succesvolle albums worden. Het werd de 21ste november 1970 op de markt gebracht en leverde twee hits op Cracklin’ Rosie en He ain’t heavy, he’s my brother. Deze laatste, een song van Bob Russell. Twee jaar later pakte Diamond uit met het minder vernieuwende album Moods. Hij had het geëxperimenteer deze keer achterwege gelaten. Vooral het muziekblad Billboard uitte lovende kritieken. Ze omschreven deze plaat als brilliant. Critici beschouwen deze elpee, samen met de daarop volgende Hot August Night, als echte mijlpalen in Diamond’s carrière.

Op het einde van 1971 tot een eind in 1972 zat Diamond in de opnamestudio te sleutelen samen met producer Tom Catalano aan een elpee die zijn sound voor de komende jaren zou bepalen. De plaat laat duidelijk een Neil Diamond horen op zijn compositorisch best. Hij kon diverse stijlen aan. Later zou hij zichzelf nogal pretentieus vergelijken met Ludwig van Beethoven. Vooral toen hij had uitgepakt met de soundtrack voor de film Jonathan Livingston Seagull.

Op zijn album Moods gaat Diamond heel creatief te werk en komt op de proppen met songs als Canta Libre, Captain Sunshine, Prelude in E Major, Porcupine Pie en het succesvolle Song Sung Blue. Je zal het niet vaak ergens lezen, maar als je een beetje vertrouwd bent met het andante uit het pianoconcerto nr. 21 van Wolfgang Amadeus Mozart, beter bekend als Elvira Madigan omdat het in deze gelijknamige Zweedse film opduikt, en je neemt de eerste noten van Song Sung Blue, dan weet je waar Neil Diamond de muzikale mosterd vandaan haalde. Meteen na de opname hadden ze bij MCA Records door dat dit de volgende hitsingle moest worden. Nochtans vond Diamond het liedje an sich zeer eenvoudig. Een melodie die uitblonk in al haar soberheid. Klonk ook niet ingewikkeld en werd daarom voor velen een regelrechte meezinger. Ook de lyrics had hij vrij simpel gehouden. De zesde mei 1972 werd Song Sung Blue op single uitgebracht. Twee maanden later stond het in de Amerikaanse top honderd op één.

In Engeland had Diamond twee jaar voordien op drie gestaan met Cracklin’ Rosie en nadien behoorlijk gescoord met Sweet Caroline en I Am… I Said. Song Sung Blue sloop in Engeland naar de veertiende plaats in de top veertig. Een hogere notering zat er voor Diamond niet in. Nederland had Cracklin’ Rosie en I Am… I Said al omarmd en deed dat met Song Sung Blue evenzeer. De single was bij onze noorderburen goed voor een vierde stek in de top veertig. Wij Belgen zijn ook een volk dat graag meezingt. Voor Cracklin’ Rosie zat er een tweede plaats in onze top dertig in en voor Song Sung Blue een vijfde. Een hogere score dan met deze twee zou Diamond nadien in ons land nooit meer bereiken.

De 15de juli 1972 besloot MCA Records het album Moods in de markt te zetten. De maand daarop had Neil Diamond een rist concerten gepland in The Greek Theatre in Los Angeles. Hij tradt op samen met een 8-man sterke band, begeleid door een heus symphonie-orkest. Het optreden van de 24ste augustus werd ingeblikt en verscheen de 9de december op een dubbele elpee onder de titel Hot August Night, een regelrechte voltreffer en tegelijk ook een klassieker.  In Australië bleef het album 24 weken lang genoteerd in de hitlijsten. Ook dit album zou later als een mijlpaal in de carrière van Neil Diamond worden beschouwd. In het kielzog van dit album nam Diamond in 1987 Hot August Night II op en in 2009 Hot August Night/NYC. Na dat memorabele optreden in The Greek Theatre trok Diamond naar The Winter Garden Theatre in New York om daar nog twintig concerten neer te planten en op het einde van die tournee aan te kondigen dat hij ermee ophield. Hij had er schoon genoeg van. Hij snakte naar een normaal menselijk bestaan en laste “a sabbatical period” in. Neil wou niet meer als een icoon benaderd worden, voor één van Amerika’s populairste idolen te moeten doorgaan.

Het mag bijbels klinken, maar zijn sabat zou veertig maanden duren. Hij trok nadien voor de eerste keer in zijn carrière naar Australië en Nieuw-Zeeland om daar de draad weer op te pikken. Wat hij nooit verwacht had, gebeurde toch. Hij kreeg er opnieuw zin in. De goesting om op te treden, kwam terug. Diamond was na zijn concerten in The Winter Garden Theatre zo op, dat hij moest toegeven dat een burn-out zich van hem had meestergemaakt. Toen was hij er sterk van overtuigd dat hij nooit meer een concert zou geven. Hij vierde die comeback enige tijd later met een nieuwe platendeal die hij afsluit met Columbia Records en scoort twee regelrechte toppers met de singles Be en Skybird uit de mega succesvolle soundtrack Jonathan Livingston Seagull.

Song Sung Blue zou nadien succesvol gecoverd worden door ondermeer Bobby Darin en Andy Williams.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Diana Ross: haar beginjaren

Diana Ross werd de 26ste maart 1944 in Detroit geboren in een gezin van zes kinderen. Ze woonden daar tussen Palmer en Henry Street op flat nummer 23. Diana bleek op jonge leeftijd heel sportief te zijn. Ze kon ontzettend hard lopen en vrij goed zwemmen. Diana probeerde het altijd goed te doen, nog beter dan haar oudere lievelingszus Bobbi waarvan ze dacht dat haar ouders die liever zagen dan haar. Wanneer er soms een wat minder blije sfeer in huis hing, probeerde Diana haar familie wat te vermaken met tapdansen en door een liedje te zingen met voorop als lievelingsmelodie de countrysong Your cheatin’ heart. Haar moeder had haar handen vol met haar zes kinderen. Het was voor Diana dan ook een moeilijke periode toen haar moeder jaren later in oktober 1984 overleed na een ziekte die een jaar of twee had aangesleept. Diana moest toen net een paar keer optreden in de “Radio City Music Hall” in New York en dat was een van de moeilijkste momenten in haar hele loopbaan. Na elk optreden nam ze meteen het vliegtuig richting Detroit om zo veel mogelijk bij haar moeder te zijn die haar einde elke dag zag naderen. De enige troost voor Diana was dat ze op enkele meters van haar moeder stond toen ze overleed.

Diana had een wat een aparte band met haar vader. Ze leerde hem pas echt kennen toen ze twee jaar was. Pa had al die tijd in het leger gezeten. Haar vader was de jaren nadien ook niet echt aanwezig, toch niet emotioneel. Hij was niet echt in voor een knuffel en met de kinderen spelen deed hij ook al niet. Haar vader leek ook vaak afwezig. Hij was eerder een denker dan een prater. Hij was groot en sterk, hij maakte fysiek nogal indruk op haar en de rest van het gezin. Hij praatte ook met een luide stem en dat schiep meteen al een afstand tussen hem en zijn kinderen. Jaren later leerde Diana haar vader beter kennen. Ze ervaarde dat hij een verlegen man was, timide zelfs, die moeilijk met zijn gevoelens om kon, laat staan dat hij ze kon uiten. Haar moeder daarentegen was één brok gevoelens. Diana droeg haar op handen en omgekeerd. Ze had ook een goede relatie met mama’s zus, tante Bea. Beiden kwamen uit een gezin van twaalf kinderen.

Onder het toeziend oog van mama en tante Bea mocht Diana vaak met de kinderen uit de buurt spelen. Haar biotoop was twee huizenblokken groot. Zo herinnert ze zich nog bijvoorbeeld haar buurvrouw, mevrouw Marshall uit Jamaica. Thuis klonk er altijd muziek, dat creërde een gezellige sfeer. Er stond een grote radio in de smalle woonkamer en daarnaast een platenspeler. Om wat geld bij te verdienen, ging moeder elke zaterdag bijklussen in de plaatselijke bioscoop The Regent. Af en toe mocht Diana mee en dat was voor haar een hoogtijdag. Zo heeft ze tijdens die periode in haar jonge leven heel wat films de revue zien passeren. Tijdens haar werk zong moeder altijd. Dat deed ze thuis ook. Mama zong en papa floot. Mama Ross zong vaak spirituals en Diana deed niets liever dan meezingen. Vooral de spiritual His eye is on the sparrow is haar haar leven lang bijgebleven. Van haar moeder leerde Diana vooral oog te hebben voor de positieve dingen in het leven en de rest aan God toe te vertrouwen. Aan haar jeugdjaren heeft ze immers een diep geloof overgehouden, een eenvoudig geloof, maar rotsvast.

Wat Diana, hoe jong ze ook was, altijd is bijgebleven, is dat de zwarte bevolking in Amerika enorm werd onderdrukt. Ze had toen al door dat ze als zwarte meer haar best zou moeten doen dan de doorsneeblanke. Ze nam later dan ook elke gelegenheid te baat om zo veel mogelijk zwarten bij haar werk te betrekken. Zelfs zwarte promotors kregen bij haar voorrang. Toen er een aanslag op Martin Luther King werd gepleegd, was het voor haar dan ook een moment dat ze nooit meer zal vergeten. Ze was toen samen met The Supremes voor een optreden in de “Copacabana” in New York. Dat optreden werd afgelast, maar ‘s anderendaags traden ze wel op tijdens “The Tonight Show” op televisie en zongen daar een aangepaste versie van Somewhere uit de musical “West Side Story” van Leonard Bernstein.

Toen Diana nog thuis woonde, in de veilige omgeving van haar familie, kwam ze te weten dat haar nichtje Virginia Ross door de Ku Klux Klan was vermoord. Het officiële verhaal luidde dat ze was omgekomen tijdens een verkeersongeval, maar de familie wist wel beter. Ze hadden haar zonder pardon doodgereden.

Diana leefde in een familie die het niet echt breed had, maar arm waren ze nu ook weer niet. Haar ouders stonden erop dat je van je leven iets maakte, het onderste uit de kan haalde en dat is Diana nooit vergeten. Intussen had ze ontdekt, ze moet zo’n jaar of tien geweest zijn, dat ze almaar liever zong. Vooral de stem van Etta James sprak haar aan. Ze zong mee met haar platen en ging dan het liefst van al voor de spiegel staan. Dance with me Henry werd een van haar lievelingsnummers. Haar verhaal kreeg een andere wending toen ze met haar ouders wat verderop ging wonen en William Robinson hun buurman werd, beter bekend als de legendarische Tamla Motown zanger-componist Smokey Robinson. Diana werd goed bevriend met zijn nichtje Sharon Burstyn. Samen met haar mocht ze de repetities bijwonen van Smokeys groep The Miracles. Hun eerste plaatje  Got a job werd intussen al op de radio gedraaid en dat was voor hen een enorme belevenis. Diana was er van dan af van overtuigd dat niets onmogelijk was in het leven als je het maar genoeg wilde en er ook helemaal voor ging.

Op school zwom Diana als de beste en speelde ook graag basketbal. Ze was een soort tom boy, ze gedroeg zich eerder als een ravottende jongen dan als een koket tienermeisje. Omdat ze graag danste, ging ze leren tapdansen. Intussen was de familie Ross naar de Brewster Housing Projects verhuisd, een gezellige nieuwe buurt in Detroit, waar ze op zekere dag Mary Wilson en Florence Ballard leert kennen. Ze maakten alle drie deel uit van het gospelkoor in hun kerkgemeenschap en ontdekten dat dat naar méér smaakte. Ze spreken af om in hun vrije tijd samen wat te zingen. Wat precies maakte in het begin nog niet veel uit. Diana zal nooit vergeten dat Florence een krachtige stem had. Ze kon het luidst zingen. Mary bleek een mooie overgang te vormen tussen de stem van Florence en die van Diana. Ze had een warme, lage stem, perfect geschikt om als tweede stem dienst te doen.

Diana moet een jaar of veertien geweest zijn, want ze ging nog elke dag naar school, toen ze almaar vaker begonnen te repeteren. Florence had een oudere zus die bevriend was met manager Milton Jenkins. Hij stelde hen voor aan het zingende trio The Primes. Kenners weten dat zij de basis zouden vormen van de latere Temptations. Zij en het groepje met daarin Diana gingen vaak samen repeteren. Jenkins stond erop dat de drie meiden ook een naam zouden krijgen. En zo waren ze The Primettes geboren. Omdat ze vonden dat ze een vierde zangeres konden gebruiken, werd Barbara Martin bij de groep ingelijfd. Er was echter één groot probleem: papa Ross ging dwarsliggen. Hij wou dat zijn  dochter naar de universiteit trok. Dat ze beter zou presteren dan hij en zijn vrouw. Maar na lang zagen en zeuren, gaf pa toe en voelde Diana zich in de zevende muzikale hemel.

Optreden tijdens buurtfeestjes was het eerste podium dat The Primettes opzochten. Ze hadden maar één doel voor ogen en dat was zo snel mogelijk een plaat opnemen. Op zekere dag trekt Diana haar stoute schoenen aan en vraagt aan Smokey Robinson of hij geen auditie kan versieren bij zijn platenbaas Berry Gordy jr., de grote man achter het Tamla Motown-label. Ze gaat samen met Florence, Mary en Barbara op zoek naar een eigen begeleidingsband. De eerste die ze daarover durven aan te spreken is gitarist Marvin Tarplin die meteen toehapt. Hij ronselt een paar vrienden en iets later hebben The Primettes hun eigen orkestje. Vol goede moed trekken ze naar “Hitsville USA” in Detroit, de studio van Tamla Motown. Het woord studio lijkt wat overdreven, want het blijkt gewoon een kleine vierkante ruimte te zijn met in de uiterste linkerhoek een drumset met daarnaast een trap die naar een lagergelegen ruimte leidt. Overal staan microfoons opgesteld. Omdat het snel moet gaan tijdens hun auditie zingen The Primettes een aantal liedjes a cappella, zonder begeleiding dus. Ze hebben net Night time is the right time van Ray Charles gezongen en There goes my baby ingezet wanneer Berry Gordy jr. de studio binnenstapt. Als ze klaar zijn, vraagt hij hun of ze het nog een keertje willen zingen. “Mooi zo, klinkt goed“, zegt hij na die tweede keer en verdwijnt. Na een tijdje wachten, worden ze door hem op zijn kantoor ontvangen. Hij vindt dat ze goed kunnen zingen, maar dat ze nog te jong zijn voor een platencontract. Hij vindt het belangrijker dat ze terug naar school keren en zorgen dat ze een diploma op zak hebben. Ontgoocheld keren de vier dames naar huis terug, maar ervan overtuigd dat ze koste wat het kost in hun opzet willen en zullen slagen.

Ook al hadden ze nog geen contract op zak, toch waren Diana Ross en haar vriendinnen vaak bij Tamla Motown te vinden. Ze werden zo’n beetje onderdeel van het vaste meubilair. Op zekere dag wordt hun gevraagd of ze niet als achtergrondkoortje willen zingen. De dames geloven hun eigen oren niet en zijn zo fier als een gieter. In 1960 nemen ze deel aan een amateurwedstrijd in Windsor, Ontario. Voor het eerst treden The Primettes op voor een bomvolle zaal en live op een groot podium. Ze zijn door het dolle heen als ze met There goes my baby die wedstrijd winnen. Met hun ouders hadden de vier meiden eerder een akkoord bereikt dat ze elke dag naar school zouden gaan en pas na schooltijd zouden beginnen te zingen wanneer ze eerst hun huiswerk klaar hadden. Dat was de deal en daar hielden ze zich ook aan.

Wanneer de zomervakantie nadert, vraagt Diana aan Berry of hij voor haar geen job in petto heeft. Ze mag inspringen als secretaresse. Die job had niet veel om het lijf, maar hier voelde Diana het kloppend hart van Tamla Motown en daar was het haar om te doen. Hun volharding loont, want bij de start van 1961 besluit Berry hun dan toch een platencontract aan te bieden ook al hebben ze nog een schooljaar voor de boeg. Diana is zestien wanneer ze te horen krijgt dat ze hun eerste plaatje mogen opnemen, alleen is Berry niet zo tevreden met de groepsnaam The Primettes. Samen gaan ze op zoek. Het is Florence die met de idee op de proppen komt op te treden als The Supremes.

Intussen heeft Barbara de groep verlaten en kunnen Diana, Florence en Mary zich opmaken voor wat hun eerste single zal worden. De 15de januari 1961 wordt in het gezelschap van hun ouders het contract ondertekend. Ze zullen hun eerste plaat uitbrengen op het Tamla label. Iets later verhuizen ze naar het Motown label. Diana gaat er op die eerste plaat met volle kracht en inzet tegenaan. Die eerste single wordt I want a guy. In de maand maart ligt het plaatje in de winkel. Een aardverschuiving brengt het niet teweeg, integendeel. Voor hun tweede single wordt het nummer Buttered popcorn opgenomen en is de leadzang deze keer voor rekening van Florence. Ook nu blijven de hitlijsten buiten bereik. Pas het jaar nadien komen die met de single Your heart belongs to me binnen handbereik. Ook nog geen echte hoogvlieger. De vijf daaropvolgende singles scoren eveneens matig. Pas wanneer ze met veel tegenzin in 1964 Where did our love go opnemen en hun eerste nummer één op het droge hebben, kan het succes voor The Supremes pas echt beginnen, maar dat is een heel ander verhaal.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Papa was a Rollin’ Stone

Sta jij er ooit bij stil dat Mandy van Barry Manilow ooit een bescheiden hitje was voor Scott English die het in 1972 schreef en opnam als Brandy? Of dat Dolly Parton de eerste was die I will always love you inzong. Dat lag voor de hand, want ze had het zelf geschreven. Whitney Houston zou het pas jaren later opvissen voor de film The Bodyguard nadat Linda Ronstadt dat al iets eerder had gedaan. En neen, je bent geen verliezer als je niet weet dat één van de grootste hits van The Temptations Papa was a Rollin’ Stone in de zomer van 1972 al was opgenomen en op 45 toeren gereleaset door The Undisputed Truth. Pas drie maanden later zouden The Temps het op single uitbrengen. Hier het enige, echte verhaal!

Nu was het wel vaker de gewoonte bij Tamla Motown dat hun artiesten onderling songs van mekaar coverden. I heard it through the grapevine werd niet alleen door Marvin Gaye op plaat gezet, maar ook door Gladys Knight and the Pips en ook door The Isley Brothers en The Temptations. Die laatsten namen nogal wat liedjes op die eerder al door The Undisputed Truth waren ingeblikt en omgekeerd. Ze namen voor Berry Gordy Jr., de baas van Tamla Motown, zo’n vier elpees op waarvan tien liedjes ook door The Temptations waren ingeblikt. Dat lag een beetje voor de hand, want ze deelden dezelfde producer, Norman Whtifield, en die maakte er graag een gewoonte van één en dezelfde song door meerdere van zijn artiesten te laten inzingen. Toegegeven, The Undisputed Truth is een groep die bij ons totaal onbekend is gebleven, in hun thuisland Amerika wel goed voor één top tien hit en dat in de zomer van 1971 met Smiling faces sometimes, eveneens door The Temptations op plaat gezet. The Undisputed Truth was een trio uit Detroit: Brenda Evans, Billie Calvin en Joe Harris. Ze brachten hun platen uit op het Gordy label, een sublabel van Tamla Motown. Omdat The Temptations een grotere impact op de Amerikaanse charts hadden, moest The Undisputed Truth het vaak doen met de zogeheten mindere nummers van Norman Whitfield die hij samen met zijn collega Barrett Strong schreef. Norman probeerde graag een aantal nummers met hen uit. Zo zaten ze bijvoorbeeld in 1971 in studio A van Hitsville USA in Detroit om daar het nummer Papa was a Rollin’ Stone in te blikken. Hun versie duurde nog geen vier minuten. Onthou die duurtijd even, want we gaan die zo meteen met die van The Temptations vergelijken.

De 10de juni 1972 werd hun versie van Papa was a Rollin’ Stone op single uitgebracht  met op de b-kant Friendschip train, nadien ook terug te vinden op hun elpee Law of the land. Hun single geraakte niet hoger dan de 63ste plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Norman Whitfield was erg ontgoocheld. Hij geloofde sterk in dit nummer. Maar geen nood, hij bewerkt het en trekt er in de maand mei mee naar de studio, deze keer in het gezelschap van The Temptations en The Funk Brothers. Hij had aan Paul Riser gevraagd te zorgen voor oorstrelende arrangementen. Tot Norman’s stomme verbazing, willen The Temptations het eerst niet inzingen. Aan Dennis Edwards was gevraagd de leadzang voor zijn rekening te nemen, maar omdat het nummer met de tekst ” It was the third of September, that day I’ll alwasy remember’ begint, zei Dennis njet , want uitgerekend die dag was zijn vader overleden. Maar Norman blijft aandragen. Die boosheid komt de opname ten goede, want Dennis zingt iets ruwer dan normaal. Nu hadden The Temptations al enkele songs opgenomen in wat we in die tijd aanduidden als psychedelic soul. Het publiek was er ook niet meer zo tuk op. Ze lustten liever een ballad, maar daar had Norman dan weer geen oren naar. Dus werd het uiteindelijk dan toch Papa was a Rollin’ Stone. Hun elpeeversie duurt bijna twaalf minuten. Alleen de intro van het  nummer neemt al twee minuten in beslag. Naast een rist strijkers hoor je op de plaat qua begeleiding niets anders dan een steeds aanwezige bas, een bluesgitaar en een in die tijd razend populaire wahwah-gitaar. Tijdens het zingen komt ook Damon Harris aan bod die net de plaats had ingenomen van Eddie Kendricks. Omdat Norman Whitfield in deze versie wél een singlehit ziet zitten, kort hij het nummer in tot zes minuten en achtenvijftig seconden. Om de b-kant te vullen, volstaat de instrumentale versie. De 28ste september 1972 wordt het nummer op single uitgebracht. Twee en een halve maand later staat de single op één in Billboard’s Hot One Hundred. De tweede december stoten The Temptations Johnny Nash met zijn I can see clearly now van de eerste plaats. Vreemd is dat The Temps op die hoogste plaats na een week al zijn uitgezongen en worden ze vervangen door Helen Reddy met I am woman. In 1973 wordt Papa was a Rollin’ Stone verwend met drie Grammy’s: beste r&b opname door een groep, beste r&b nummer en beste r&b instrumentale opname( voor de b-kant).

In Engeland komen The Temptations met Papa was a Rollin’ Stone klem te zitten op de dertiende plaats in de top veertig. De Britten voelden méér voor hun eerderes single Ball of confusion en I’m gonna make you love me dat ze samen met The Supremes hadden opgenomen. In de Nederlandse top veertig wordt Papa was a Rollin’ Stone voor The Temptations hun hoogste notering, goed voor een vijfde stek. Bij ons geraakt de single niet hoger dan de zestiende plaats.

De electropopgroep Was Not Was nam er in 1990 een cover van op uitgebracht op het Fontana label met als b-kant Ballad of you, ook terug te vinden op hun album Are you okay? Zes jaar later is het de beurt aan Third World die het nummer in een reggaevorm gieten, goed voor een zeventiende plaats in de Vlaamse top dertig. In 2004 maakt de danceformatie Strike One er een dansante versie van en zes jaar later Phil Collins op zijn cd Goin’ Back. Vergeet indien je tijd hebt ook niet eens te luisteren naar de opname die George Michael inblikte.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

 

Hanky Panky

Alsof het de dag van gisteren was, herinner ik me nog dat de zomer van 1966 een dijk van een hit opleverde voor Frank Sinatra. The Voice passeerde toen in de Amerikaanse hitlijsten The Beatles met hun nummer één Paperback Writer om zelf bovenaan de charts te gaan postvatten met een liedje dat hij eigenlijk haatte als de pest, maar wel één van zijn grootste hits zou worden Strangers in the Night. Na een week was Ol’ blue eyes daar uitgezongen en moest hij plaatsruimen voor  Tommy James and The Shondells en hun Hanky Panky.

Tommy James, geboren als Thomas Gregory Jackson de 29ste april 1947 in Dayton, Ohio, groeide op met muziek. Hij was nog maar een ukkepuk, wanneer hij in zijn eentje al de grammofoon kan bedienen en eigenhandig 78-toerenplaten kan opleggen. Omdat een gitaar te groot voor hem is, koopt zijn moeder voor Tommy een ukelele. Hij is ocharme nog maar net drie wanneer hij thuis op dat ding begint te tokkelen. Zes jaar later schaft hij zich een echte akoestische gitaar aan en een jaar later een elektrische. Eenmaal verhuisd richting Michigan droomt hij ervan een eigen band op te richten. Hij ronselt een aantal schoolvrienden bij mekaar en richt samen met hen zijn eerste groepje op, The Shondells. Omdat hij niet zo’n hoogvlieger is op school gaat hij in zijn  vrije tijd wat klussen in een platenwinkel en leert op die manier mensen kennen die een opnamestudio beheren. Hij is nog maar twaalf wanneer hij daar met zijn schoolband het nummer Long Pony Tail opneemt. Er worden vijfhonderd exemplaren geperst die Tommy aan de plaatselijke winkels kwijtgeraakt. Dit plaatje komt Jack Douglas ter ore,  deejay bij radiostation WNIL in Niles, die net een eigen label was opgestart. Hij neemt contact op met Tommy en vraagt hem of The Shondells nog wat songmateriaal achter de hand hebben. Tommy had een tijdje geleden ergens een liedje opgepikt waarvan hij een paar flarden had onthouden. Dat bleek Hanky Panky te zijn dat het schrijversduo Jeff Barry en Ellie Greenwich in 1963 hadden geschreven en zelf opgenomen hadden als The Raindrops. Dat liedje schreven ze eerder toevallig toen ze een single aan het inblikken waren en nog een nummertje nodig hadden voor op de b-kant. Ze schoven alles aan de kant en penden in iets méér dan een kwartier tijd Hanky Panky neer. Samen met producer Henry Glover trekken Tommy James and The Shondells begin 1966 naar de opnamestudio en iets later brengen ze op het Snap Records label, dat nieuwe label dus van deejay Jack Douglas, Hanky Panky op 45 toeren uit. Die release had zo zijn beperkingen, want Douglas had met zijn label nog geen deal met een of andere major afgesloten om de single nationaal te releasen. Het succes bleef in het begin dan ook beperkt tot Illinois, Michigan en Indiana. Jammer voor Tommy James and The Shondells, maar op die manier stierf de single een snelle dood. Zijn ouders zagen dan ook liever dat hij zijn middelbare studies afmaakte, wat ook gebeurt.

Het zit Tommy echt niet mee, want in het najaar van 1965 zit hij thuis gewoon wat werkloos te kniezen en te mijmeren. Op dat moment krijgt hij op zekere dag geheel onverwachts een telefoontje van een deejay in Pittsburgh met de melding dat die in een wat verloren platenkast nog een versie had gevonden van Hanky Panky. Hij was er eveneens achter gekomen dat iemand zomaar een bootlegversie van hun single had geperst waarvan er de voorbije weken zo’n slordige tachtigduizend exemplaren waren verkocht. Tommy ruikt succes en trommelt meteen de rest van de groep op, maar die blijken geen interesse meer te hebben. Hij reist dan maar in zijn eentje naar Pittsburgh af waar hij ‘s avonds in een of andere club een groep aan het werk hoort die hem wel aanstaat. Na wat heen en weer gepraat gaan die boys, een viertal dat tot dan toe optrad als The Raconteurs,  akkoord om verder te gaan als The Shondells. Samen met gitarist Edie Gray, toetsenist Ronnie Rosman, drummer Pete Lucia en bassist Mike Vale trekt Tommy James naar hun eerste optreden in deze nieuwe bezetting. Omdat je het ijzer moet smeden als het heet is, trekt Tommy met de originele moederband naar het kantoor van Roulette Records in New York en weet vrij snel een contract uit de brand te slepen. Hij besluit wijselijk geen nieuwe versie van Hanky Panky in te blikken met zijn nieuwe groep. Het was net dat half amateuristische van de eerste versie van Hanky Panky dat de song zo aantrekkelijk maakte. Een té geschaafde versie daarvan zou het nummer aan charme alleen maar hebben doen inboeten.

chteraf gaf Jeff Barry toe dat hij en Ellie eigenlijk eerst niet zo blij waren toen Hanky Panky in de versie van Tommy James and The Shondells een hit bleek te worden. Ze waren een beetje beschaamd over de kwaliteit van het liedje, het was niet meteen een van hun meesterwerken, gewoon een tweederangsliedje, bestemd voor een of andere b-kant. Niets of niemand kon beletten dat Roulette Records stond te popelen om dit nummer op single uit te brengen. De 4de juni 1966 was het dan zover. Het nummer werd met veel enthousiasme gereleased, voor de derde keer inmiddels, want het was al eerder uitgebracht op het Snap en dan op het Red Fox label. Derde keer, goede keer dus! De 16de juli staan de vijf heren al op de eerste plaats van Billboard’s Hot One Hundred en zouden daar twee weken genoteerd blijven. Nadien was het de beurt aan The Troggs om met Wild Thing die eerste plaats te bezetten.

In Engeland werd Hanky Panky geen echte hit. Daar moesten Tommy en zijn collega’s genoegen nemen met de 38ste plaats in de top veertig. Een grotere hit was voor hen iets later weggelegd toen ze de single Mony Mony uitbrachten. In Nederland bereikte Hanky Panky de elfde plaats in de top veertig. Bij ons was er voor hen een vierde plaats gereserveerd. Ze zouden nadien nog twee maal in onze hitlijsten opduiken en wel met Mony Mony en Crimson and Clover.

Tommy James and The Shondells waren een op en top Amerikaanse band die in hun thuisland nog vaak van zich lieten horen in de diverse charts. In 1967 scoorden ze twee top tien hits en wel met I think we’re alone now en Mirage. Het jaar nadien was goed voor de hit Mony Mony en hun tweede nummer één Crimson and Clover. In 1969 scoorden ze nog stevig met Sweet Cherry Wine en met Crystal Blue Persuasion, maar nadien was was het voor hen qua top tien hits over and out. De groep besloot uit mekaar te gaan. James was doodop en keek tegen een zware burnout aan. De vier overige leden gingen verder als de groep Hog Heaven, maar hen was maar een kort leven beschoren. In 1971 brengt Tommy James in zijn eentje de single Draggin’ the line uit waarmee hij de Amerikaanse top vijf bereikt.

In 1987 scoorde Billy Idol nog een nummer één met een live cover van Mony Mony. In 2006 werden Tommy James and The Shondells opgenomen in The Michigan Rock and Roll Legends Hall of Fame en twee jaar later in The Hit Parade Hall of Fame.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Monday, Monday

Je kwam ze niet vaak tegen in de jaren zestig, groepen die keurig verdeeld waren, even veel mannen als vrouwen. The Mamas and the Papas waren wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Ze telden twee dames in hun rangen: Ellen Naomi Cohen, beter bekend als Mama Cass Elliott, en Holly Michelle Gilliam. De mannelijke eer in de groep was weggelegd voor Dennis Doherty en het kloppend hart van de bende John Phillips.

Ellen, Michelle, Dennis en John hadden onderdak gevonden in Californië bij Barry McGuire die in 1965 een hit had gescoord met Eve of Destruction. Het was hij die het zingend viertal in contact bracht met Lou Adler van Dunhill Records die meteen in de ban was van zowel de manier waarop de groep zich kleedde als van hun samenzang. John Phillips had een aantal zelf geschreven nummers klaar waaronder Somebody groovy, Hey girl, Straight shooter en nog een paar waarover zo meteen meer. Lou Adler zag het meteen zitten om samen met hen een elpee in te blikken met die nummers als basis aangevuld met songs als I call your name van Lennon en McCartney en Do you wanna dance van Bobby Freeman. Qua begeleiders tijdens de opname werd een beroep gedaan op ondermeer Larry Knechtel op keyboards en basgitaar, Hal Blaine op drums, Joe Osborn op basgitaar en Peter Pilafian op elektrische viool. Technicus van dienst was Bones Howe.

Om Barry McGuire hun dank te betuigen dat ze bij hem mochten logeren, namen The Mamas and the Papas samen met hem het door John geschreven California Dreamin’ op. Zij zongen de backings en Barry de lead. Iets later zouden ze zijn stem van de band wissen en het nummer aan hun eerste elpee toevoegen. De eerste versie van hun eerste elpee die in maart 1966 werd gereaset onder de titel If you can believe your eyes and ears werd afgeleverd met op de hoes de vier leden van de groep aangekleed in bad gestopt met naast het bad een toilet. Dat vonden de Amerikanen van het goed teveel. Dus werd een nieuwe hoes gedrukt en een nieuwe elpee geperst met daarop de door The Mamas and the Papas ingezongen versie e een wat probere elpeehoes. Opvallend is ook dat op die eerste hoes de groepsnaam anders werd gespeld The Mama’s and the Papa’s. Niet te verwonderen dat die allereerste vinyle versie uit 1965 intussen een collector’s item is geworden. Aanvankelijk noemden ze zich The Magic Circle, maar toen ze naar een documentaire over de Hell Angel’s aan het kijken waren, hoorde John een van hen zeggen: ” Some people call our women cheap. We call them mamas“. En daarmee was hun groepsnaam geboren.

Als eerste single uit hun elpee werd gekozen voor het nummer California Dreamin’ dat de 8ste januari 1966 in Amerika op single werd uitgebracht op het Dunhill Label. De single klom binnen de kortste keren naar de vierde plaats van Billboard’s Hot One Hundred. Twee maanden later werd het album If you can believe your eyes and ears uitgebracht en terwijl California dreamin’ nog in de hitlijsten stond, begonnen de radiostations almaar vaker het nummer Monday, Monday uit die elpee te draaien, een song ook al geschreven door John Phillips. De 9de april werd het nummer in ijltempo op single uitgebracht en de zevende mei stonden The Mamas and the Papas al op één nadat ze in de top honderd The Young Rascals waren gepasseerd die een week op één hadden gestaan met Good lovin’. Voor The Mamas and The Papas waren drie weken gereserveerd om bovenaan de top honderd te blijven postvatten. Toen vond Percy Sledge het welletjes en kwam hen aflossen met When a man loves a woman. Monday, Monday zou de enige Amerikaanse nummer één worden voor The Mamas and the Papas.

In de Britse hitlijsten was Monday Monday terug te vinden op de derde plaats. Een eind hoger dan California Dreamin’ dat iets eerder op de 23ste plaats in de top veertig had halt gehouden. Monday, Monday klom in de Nederlandse top veertig naar de tweede plaats en in België zat er voor The Mamas and The Papas en Monday, Monday een nummer twee in, hun enige top tien hit overigens in ons land.

Misschien heb je het nooit gehoord, maar net als bij het nummer Good lovin’ van The Young Rascals eindigt Monday, Monday met een valse noot, net voor de coda. Niemand stoorde zich eraan en zo werd het dan ook op plaat gezet.

Het kon niet uitblijven of deze klassieker zou in veelvoud gecoverd worden. Je mag zelf kiezen: Petula Clark, Marianne Faithfull, Herp Alpert, Ed Ames, Neil Diamond, The Beau Brummels, Jay and the Americans, The Cowsills, The 5th Dimension enz… Nadien zouden The Mamas and The Papas in Amerika nog een aantal hits scoren, ondermeer met: I saw her again, Words of love, Dedicated to the one I love en Creeque Alley.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Ticket to Ride

De 22ste mei 1965 stonden The Beatles bovenaan de Amerikaanse hitlijsten met Ticket to ride. Drie maanden later traden ze op in het Shea Stadium in New York voor méér dan 55.000 dolgedraaide fans. Die 23ste augustus bracht het concert 304.000 dollar op, op wereldschaal een recordbedrag.

Na het overweldigend succes van hun eerste film A Hard Days Night werd er niet lang geaarzeld om een tweede in te blikken Help. Een nummer dat in de soundtrack opduikt, is het door John Lennon geschreven Ticket to Ride dat hij in 1965 schreef net voor ze naar de Bahama’s zouden afzakken om daar aan de filmopnamen te beginnen. Hij dacht tijdens het schrijven terug aan hun verblijf in Hamburg toen ze daar in de hoerenbuurt optraden. Zijn gedachten gingen terug naar de dames van lichte zeden die op regelmatige basis op onderzoek bij de dokter moesten ter controle of ze geen geslachtsziekte hadden opgelopen. Ze kregen dan een kaart mee met daarop de stempel oké wat ze in de wandelgangen al lachend a ticket to ride noemden. Niet te verwarren zoals de fans in het begin dachten te horen met’ A ticket to Ryde’, een plaatsje op het Island of Wight. Een familielid van Paul McCartney baatte hier een restaurant uit. Lennon liet het nummer aan Paul horen om het verder af te werken en in nog geen drie uur tijd was de song klaar. Ticket to ride was een song die ze scheven om hun elpee Help kant en klaar te krijgen, kortom ze hadden voldoende liedjes nodig. Opvallend aan het liedje is dat het ritme van de song op het einde versneld wordt. Lennon was zo’n ijdeltuit dat hij het nummer helemaal naar zijn kant trok. Het was ‘zijn’ song. Hij dichtte Paul alleen de verdienste toe dat die Ringo Starr aangaf hoe hij de drums diende bespeeld te worden.

Duidelijk te horen is dat Lennon de solozang voor zijn rekening neemt en McCartney de harmonieën mag invullen daarbij geruggesteund door George Harrison. Gelukkig voor hen pasten de technici van dienst Norman Smith, Jerry Boys en Ken Scott een nieuwe opnametechniek toe: het gebruik van meerdere sporen zodat de zangstemmen vlot konden gedubd worden. Het nummer hoefde niet telkens opnieuw te worden opgenomen als er stemmen aan toegevoegd moesten worden.

De 15de februari 1965 om half drie begonnen ze met de opname van Ticket to Ride. Die sessie duurde tot kwart voor zes en was goed voor twee takes. Tijdens de eerste werd het ritme vastgelegd, tijdens de tweede de zang. Ticket to Ride is het allereerste Beatles nummer waarop McCartney de leadgitaar tokkelt. Meestal was dat een klus die door George werd geklaard. Nadien hielden ze zich bezig met een aantal overdubs: het toevoegen van extra zang en effecten. Niet dat The Beatles nadien meteen naar huis gingen, want ze hadden besloten nog een aantal songs voor de soundtrack op te nemen. Ze hielden een break van kwart voor zes tot zeven uur en namen nadien nog I need you en Another girl op. De 18de februari werd de monomix afgewerkt, de 23ste februari de stereomix. Twee maanden later speelden The Beatles Ticket to Ride voor het eerst live tijdens een concert dat de 11de april 1965 in Blackpool plaatsvond. De 26ste mei van dat jaar speelden ze het live tijdens een opname voor de BBC.

De 9de april 1965 wordt Ticket to Ride in Engeland op single uitgebracht met op de b-kant het door Lennon geschreven Yes it is. Het werd een quicky. John schreef dit tegen een hoog tempo. Achteraf zou Lennon zich schamen voor de kwaliteit van deze song. Hij klasseerde het als een liedje bestemd voor ‘de meatmarket’. Omdat hij niet meteen verse ideeën had, gebruikte Lennon dezelfde akkoorden en basismelodie als in This Boy. Fans zouden Yes it is achteraf koesteren.

Ticket to Ride werd de vijfde single van The Beatles die in de Britse top veertig meteen doorstootte naar de eerste plaats. Vijf weken na mekaar zouden ze daar blijven staan pronken en pas afhaken nadat ze méér dan 700.000 stuks van die single in Engeland alleen al verkocht hadden. In het totaal was Ticket to Ride goed voor zeven weken top tien notering in de Britse charts. In Amerika kwam Ticket to Ride de top honderd binnen op de 57ste plaats. Nadien schoof de single door naar plaats 58, vervolgens naar drie om de 22ste mei Herman’s Hermits met Mrs Brown you’ve got a lovely daughter te onttronen. Slechts één week bleven The Beatles Billboard’s Hot One Hundred aanvoeren, want toen kwamen The Beach Boys sterk oprukken met Help Me Rhonda.

De 12de juni 1965 kregen The Beatles te horen dat Queen Elizabeth hen zou ridderen, ze zouden een MBE in ontvangst mogen nemen. Dat leidde tot groots protest vanuit de conservatieve hoek van MBE-gelauwerden die prompt hun onderscheiding terugstuurden.

 

Ticket to ride werd in ons Belgenland geen grote hit. Er zat voor The Beatles slechts een tiende plaats in. Tot dan toe hadden ze nog met geen enkele single op één gestaan. Dat zou pas iets later lukken, datzelfde jaar nog, met Yesterday en nog iets later met Yellow Submarine, Hey Jude, Get Back en The ballad of John and Yoko. Onze noorderburen waren grotere fans van The Fab Four. Daar hadden de heren eerder al zeven maal op de eerste plaats gestaan en deden dat met Ticket to Ride nog een keertje over om nadien nog eens dertien keer die eerste plaats opnieuw in te palmen.

De 6de augustus 1965 werd de soundtrack Help op de markt gebracht met daarop dus ook het nummer Ticket to Ride. De titelsong Help was de 19de juli als tweede single al gereleaset en ook deze single werd in vele hitlijsten wereldwijd een nummer één.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Leo Sayer

Het zal je maar overkomen. Als een van de meest belovende poptalenten van de jaren zeventig worden bestempeld, een paar wereldhits scoren, als een komeet naar de top van het firmament schieten om iets later aan lagerwal te geraken door slecht management en financieel geknoei. Dit is het verhaal van Leo Sayer!

Sayer werd als Gerard Hugh Sayer de 21ste mei 1948 in Shoreham-by-Sea in de buurt van Sussex in Engeland geboren. Van zijn opa leerde hij de mondharmonica bespelen. Toch zou hij zich gaan specialiseren in het kunstschilderen. Om aan de kost te komen wordt hij illustrator van tijdschriften. Zijn vrije tijd spendeert hij aan het schrijven van poëzie. Toch voelt hij aan dat hij muziek wil maken. Hij sluit zich aan bij de groep Terraplane en ontdekt dat hij naast het bespelen van de mondharmonica ook aardig kan zingen. Hij luisterde in die tijd graag naar de platen van zijn idolen, vooral Amerikaanse zangers, zoals: Buddy Holly, Bo Diddley, Chuck Berry, The Everly Brothers en natuurlijk Elvis Presley.

Op zijn negentiende gaat Gerard samen met een vriend op een woonboot wonen. Hij had er net een zenuwinzinking op zitten. Zijn werk zat hem niet mee. Hij blijft schrijven en komt aan de kost als fabrieksarbeider. Hij wisselt intussen van groep en sluit zich aan bij Patches. Hij reageert op een advertentie van een zekere David Courtney met wie hij samen liedjes gaat schrijven. Courtney was toenmalig medewerker van Adam Faith en een onderlegd muzikant. Hij speelde drums in de band van Faith. Het lukt Adam Faith voor de groep Patches een contract te versieren bij Warner Brothers Records, maar dat levert geen resultaat op. De groep wordt opgedoekt en Faith gaat zich met de loopbaan van Sayer bezighouden. Het is Adams vrouw die Gerard de naam Leo geeft omdat ze vindt dat zijn opvallende krullenbol op de manen van een leeuw gelijkt.

Leo en David spreken onderling af dat Leo de teksten schrijft en David de melodie. Leo had intussen vriendschap gesloten met Roger Daltrey van The Who die op dat moment- we zijn intussen in 1973 aanbeland- aan een soloalbum bezig was. Roger was zo onder de indruk van de liedjes van Leo en David dat hij besluit zijn eerste elpee met hun songs te vullen. Ze mogen ook de productie voor hun rekening nemen. Uit dit album komt Roger’s eerste solohit Giving it all away. De 14de april 1973 staat Roger op de vijfde plaats in de Britse Top Veertig. Het zou zijn grootste solohit worden.

Leo ziet het zo goed zitten dat hij besluit zelf een plaat op te nemen. Zijn debuutalbums wordt “Silverbird”. Hij profileert zich op de hoes als een echte pierrot: een idee van Adam Faith omdat hij weet dat Leo zich op het podium uit als een extravert iemand, maar in werkelijkheid erg introvert leeft. Het beeld van de pierrot ontlenen ze aan de Franse film ”Les enfants du paradis” van Marcel Carné uit 1945. Leo Sayer als de trieste clown, die er alles aan doet om zijn publiek aan het lachen te brengen. Zo gaat Sayer ook op tournee door Europa en scoort zijn eerste hit met The show must go on. Van dit nummer wordt een cover opgenomen door de band Three Dog Night, goed voor een derde plaats in de Amerikaanse Top Honderd. Three Dog Night maakte geen letterlijke blauwdruk van Sayers hit, maar paste het aan aan de Amerikaanse normen van die tijd. Sayer had het daar even moeilijk mee, want ze hadden ook aan zijn tekst gesleuteld. Zij zongen “There’s no business like showbusiness. We must let the show go on” terwijl hij het had over “I won’t let the show go on, I hate show business”. Het optreden van Leo Sayer in Amerika liep met een sisser af. Ze hielden ook niet van zijn clownesk uiterlijk. Op het einde van zijn tournee verdween zijn pierrotoutfit dan ook voorgoed in de vuilmand.

Terug in Engeland werken hij en David aan de volgende elpee “Just a boy” met daaruit als eerste single One man band. De single wordt de 15de juni 1974 getrakteerd op een zesde plaats in de Top Veertig. De daaropvolgende Long tall glasses is goed voor de vierde plaats. Een paar maanden later wordt het nummer ook in Amerika uitgebracht waarvoor er in de Top Honderd een negende plaats in zit. Op dat moment weet Leo nog niet dat er voor hem in de States tweemaal een nummer één aan zit te komen. In zijn thuisland Engeland zal hem dat maar één keer lukken. Long tall glasses was gebaseerd op een herinnering. Leo keek vaak met zijn vader naar films van Charlie Chaplin onder meer naar “The Gold Rush” waarin op een bepaald moment Charlie zijn eigen schoenen opeet. Leo dacht tijdens het schrijven ook terug aan de eerste keer dat hij naar Amerika trok en hoe dat afliep. Hij werd toen gefeliciteerd omdat hij zo goed liedjes kon schrijven. Sommigen zeiden ook: ” You can dance” waarop hij dan reageerde met ” You know I can’t dance”. Details misschien, maar wel goed voor de tekst van een wereldhit.

Er volgt een tweede reis naar Amerika met deze keer lovende kritieken. Leo voelt zich erg gelukkig. Noch hij noch David hoefden onder druk te schrijven, zoals nadien wel het geval werd. Ze hoefden niet meteen klaar te staan met een nieuwe hit. Het was toen nog even genieten van het prille succes. Eenmaal terug thuis werd Leo verrast door het besluit van David. Die wil zelf aan een solocarrière beginnen. Gedaan met de samenwerking en het samen liedjes schrijven. Leo gaat op zoek naar een nieuwe partner en vindt die in de persoon van Frank Farrell, voormalig bassist van Supertramp. Die samenwerking resulteert in het album ”Another Year”. Dat album is geen openbaring, geraakt snel in het vergeetboek, behalve de single Moonlighting, goed voor een Britse toptweehit in de zomer van 1975.

Adam Faith voelt dat zijn zorgenkind wat support nodig heeft. Hij gaat op zoek naar een nieuwe producer en komt terecht bij Richard Perry, toen al goed voor hits als: You’re so vain van Carly Simon, Stoney End voor Barbra Streisand en Photograp voor Ringo Starr. Tijdens hun eerste ontmoeting toont Leo vol trots een aantal zelfgeschreven liedjes aan Richard, maar die legt ze koel naast zich neer. Een harde noot voor Leo om te kraken. Plots moest Leo liedjes van anderen gaan zingen omdat Perry hem niet als een singer- songwriter wilde zien, maar louter als een performer. Richard en Leo komen in 1976 op de proppen met het album “Endless Flight”, veel meer uptempo dan de vorige drie elpees. Samen met Vini Poncia, de producer van Melissa Manchester, had Leo You made me feel like dancing geschreven. Voor de opname waren ze naar “Studio 55″ in Los Angeles getrokken met Richard Perry dus achter de knoppen. Ze namen er integraal de elpee ”Endless Flight” op, de titelsong trouwens een nummer van Andrew Gold. Er werd ook gekozen voor onder meer Reflections, een cover van Diana Ross.

You make me feel like dancing werd in Engeland bekroond met een tweede plaats in de top veertig. In Amerika stootte Leo Sayer de 15de januari 1977 met zijn single Marilyn McCoo en Billy Davis Jr. met You don’t have to be a star van de eerste plaats. Bayer zou slechts één week op één blijven staan, want het was niemand minder dan Stevie Wonder die boven aan kwam postvatten met I Wish. De 14de mei 1977 is het opnieuw de beurt aan Leo Sayer om in Billboard’s Hot One Hundred op één te staan prijken, deze keer met When I need you. Het zijn The Eagles met Hotel California die moeten wijken. Ook deze keer slaagt Leo er maar één week in om bovenaan de Top Honderd te schitteren en ook deze keer is het Stevie Wonder die het daar van hem overneemt, zij het nu met Sir Duke.

When I need you is een nummer geschreven door Albert Hammond samen met Carol Bayer Sager. Het was tijdens zijn hoogtijdagen dat Leo Sayer in een interview voor het weekblad Billboard ruiterlijk toegaf dat hij net zo belangrijk wou zijn als Bob Dylan. Toch waren het anderen die hem aan een hit hielpen. Albert Hammond had de melodie van When I need you al klaar, maar zat nog verlegen om een degelijke tekst en belde daarom Carol Bayer Sager op. Hij sprak af op haar appartement en speelde haar drie liedjes voor. Eén liedje sprak haar speciaal aan en wel dat ene waarin Albert het heeft over de artiest die hijzelf ook was, die door het succes veel van huis weg is en zijn geliefde moet missen. Er werd een eerste versie van When I need you ingeblikt, maar die vond Perry niet geschikt. Hij gaat op zoek naar een nieuwe ritmesectie en neemt het nummer opnieuw op. Het is een zeer eenvoudig liedje, dat was het ook voor Albert en Carol om het te schrijven. Ze verwachtten er beiden niet al te veel van. Wie schetst hun verbazing wanneer ze te horen krijgen dat het nummer op één staat in de Amerikaanse charts. Ook in Engeland wordt het een nummer één.

In Nederland had Leo Sayer al op één gestaan met Long tall glasses, maar het zou bij die ene nummer één blijven, want You make me feel like dancing eindigde op de 15de plaats en When I need you op de derde. Long tall glasses is in de Belgische hitlijsten van 1974  terug te vinden op de derde plaats. You make me feel like dancing hield halt op de 21ste stek en When I need you werd bekroond met een tweede plaats.

Ook al stond Leo Sayer zowat op het hoogtepunt van zijn carrière, toch was hij niet tevreden met zijn samenwerking met producer Richard Perry. Die man hield er nochtans aan op de ingeslagen weg verder te stappen. Thunder in my heart werd het vervolgverhaal. Sayer vond dat hij de teugels te zeer moest lossen. In hart en nieren voelde hij zich nog steeds een singer-songwriter, maar Perry pushte hem te zeer in de richting van een zanger. Hij wou er niet aan denken een soort tieneridool te worden. Hij voelde zich zo’n beetje de zanger van lieve liedjes en deuntjes geworden. Thunder in my heart ligt Leo Sayer al wat beter. Er zat een stevige dosis rhythm-and-blues in verwerkt. De single wordt in de States een topveertighit net zoals de volgende single Easy to love. Perry zorgde ervoor dat Sayer niet onder één hoedje te vangen was, hij gunde hem allerlei muzikale stijlen. Het enige minpunt was dat zijn manager Adam Faith hem haast geen aandacht meer schonk. De promotie begon te haperen en dat was echt niet de fout van zijn platenfirma Warner Brothers. Zijn management gaf hem geen ruggensteun meer. Leo voelde dat er méér in zijn platen had gezeten, mochten ze hem beter hebben gesteund. Het was ook een kwestie van geld. Zijn manager had schrik dat hij bij een volgend succes méér geld zou eisen en daar hadden ze geen zin in.

Op zekere dag ziet Leo Sayer op tv een reclamespot voor het album “The Greatest Hits of Bobby Vee” waarin hij een fragment hoort van het nummer More than I can say, een hit voor Bobby in 1961. Hij aarzelt geen moment, trekt naar de studio en is blij te horen dat zijn versie de 27ste september 1980 op de tweede plaats in de Amerikaanse Top 100 staat. Ook in Engeland is er voor hem in de top veertig een tweede plaats weggelegd. In Nederland belonen ze hem met een zesde plaats en in België met een vijfde. In de loop van de jaren 80 spendeert Leo veel tijd aan het componeren van nieuwe songs waarvan hij een groot deel opneemt, maar die nog altijd onaangeroerd in de kluis liggen. In Amerika is zijn platencontract inmiddels afgelopen en wordt, vreemd genoeg, niet vernieuwd.

In 1990 is hij te horen in het nummer I am a mirror op het album “Freudiaan” van Alan Parsons en Eric Woolfson. Totaal onverwacht staat hij de 12de februari 2006 opnieuw in de Britse charts met een remix van Thunder in my heart. Het was 24 jaar geleden dat hij nog eens in contact was geweest met de Britse top veertig. De 6de maart van dat jaar verschijnt zijn verzamelalbum “Leo Sayer: at his very best”.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Stop! in the name of love

Als ik van iets spijt heb dan is het dat ik in de jaren zestig geen enkele elpee heb gekocht die op het Tamla Motown Label is verschenen. Singles zat, maar geen enkele originele langspeler, dus ook niet More hits by The Supremes die de drie dames de 23ste juli 1965 op de markt brachten met daarop ondermeer drie hitkanjers: Back in my arms again, Nothing but heartaches en Stop! in the name of love, alle geschreven en geproducet door het gouden trio Holland, Dozier en Holland. More hits by The Supremes was hun derde studio-album. Deze elpee zou op de zesde plaats eindigen in de Amerikaanse album charts, goed voor een paar miljoen exemplaren. Op de hoes de drie dames met van elk van hen een foto, duidelijk gesigneerd als wilden ze onderstrepen dat ze elk even belangrijk waren, ook al was toen al duidelijk dat platenbaas Berry Gordy Jr. Diana Ross naar voor wilde schuiven als hét uitgangbord van The Supremes. Marcy Wilson en Florence Ballard fungeerden toen eigenlijk al als backing vocalisten, ook al moeten we dat met de nodige omzichtigheid schrijven.

De 5de januari zaten The Supremes samen met The Funk Brothers, The Detroit Symphony Orchestra en The Andantes in Studio A in Hitsville Detroit om daar Stop! in the name of love op te nemen. Er hing wat stress in de lucht, want The Surpemes hadden met hun drie vorige singles telkens op de eerste plaats van Billboard’s Hot One Hundred gestaan. Where did our love go was een nummer één geworden, net als Baby Love en Come see about me ( alle drie te horen op hun elpee Where did our love go).

Lamont Dozier die het nummer samen met zijn vaste companen Eddie en Brian Holland schreef, weet nog goed dat hij tijdens een discussie met zijn vriending riep: ” Stop! in the name of love”. Die zin bleef in zijn hoofd nazinderen. Hij voelde dat hij die zin als slagzin kon gebruiken voor een nieuw liedje. Hij liep trouwens de hele tijd rond met van die slogans, slagzinnen in zijn hoofd. Soms werd hij er gek van. Als hij naar de bioscoop ging, lette hij meer op de dialogen dan op de beelden, altijd op zoek naar een leuke invalshoek voor een nieuwe song. Ook tijdens conversaties merkten zijn vrienden op dat zijn gedachten afdwaalden wanneer die bij een of andere uitspraak bleven hangen. Hij noteerde die dan en verwerkte die enige tijd later in een of ander liedje. Soms werd hij tijdens het lezen van een tijdschrift getroffen door een titel, zoals in het geval van het nummer Ask any girl, de titel van een oude film die hij in een tv-gids had opgemerkt.

De achtste februari 1965 werd Stop! in the name of love op single uitgebracht. Als b-kant werd gekozen voor I’m in love again. Het was niet zo’n gemakkelijke klus om nog eens een nummer één te scoren, want The Beatles stonden al twee weken op één met Eight days a week. Toch lukte het hen de 27ste maart op één te staan. Twee weken later worden ze voorbijgestoken door Freddie and The Dreamers met I’m telling you now. In Engeland hadden ze nog maar één keer op één gestaan en wel met het nummer Baby love. Stop! in the name of love geraakte tot op de zevende plaats in de Britse top veertig. Twee weken na de Amerikaanse release trokken The Supremes richting Europa als één van de vele acts in de eerste Motortown Revue. De BBC had besloten een editie van de populaire Ready Steady Go! show te wijden aan de Motown artiesten. Ze doopten dat programma The Sound of Motown. Het waren Paul Williams en Melvin Franklin die backstage The Supremes de danspasjes aanleerden die Stop! in the name of love dat net iets extra meegaven. Dusty Springfield, die als vurige Motown fan de show aan mekaar praatte, was maar wat blij dat ze The Supremes mocht aankondigen.

In Nederland zat er geen nummer één in, niet voor de vorige singles en ook niet voor Stop! in the name of love dat op de 21ste plaats strandde. België was nog minder Motown en Supremes gezind. De hoogste notering was hier weggelegd voor Where did our love go, goed voor een zevende plaats. Stop! in the name of love werd op stek twaalf geparkeerd.

In de Amerikaanse hitlijsten wisten The Supremes zich nadien wel te handhaven met meteen na het succes met Stop! in the name of love opnieuw een nummer één met Back in my arms again en een jaar later alwaar vier nummer één hits: You can’t hurry love, You keep me hanging on, Love is here and now you’re gone en The Happening, de titelsong uit de gelijknamige film met Anthony Quinn. Na 1967 zou het succes een beetje tanen en was er nog een eerste plaats weggelegd voor de singles Love child en Someday we’ll be together. Twee jaar later ging Diana Ross in haar eentje verder en werd ze bij The Supremes vervangen door Jean Terrell nadat Florence Ballard de groep al had verlaten en eerder al was vervangen door Cindy Birdsong.

Wie zoekt vindt, dus ook covers van Stop! in the name of love ondermeer door Johnny Rivers, Sinitta, Gene Pitney en Globe. In Italië zong Renata Pacini In nome dell’ amore en in Frankrijk had Claude François het over Stop au nom de l’amour. Ook Spanje bleef niet achter met Los Flechacos en En tu calle.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

My Girl

De 6de maart 1965 zag er volgens Billboard de Amerikaanse top vijf als volgt uit: op vijf The Beatles met Eight days a week, op vier The Kingsmen met The Jolly Green Giant, op drie The Righteous Brothers met You’ve lost that lovin’ feelin’, op twee Gary Lewis and The Playboys met This Diamond Ring en op één The Temptations met My Girl, meteen ook de eerste nummer één voor Tamla Motown gezongen door een mannengroep.

Berry Gordy Jr., de baas en oprichter van het Motown label, vond dat het tijd werd dat The Temptations maar eens gingen samenwerken met producer en songschrijver Smokey Robinson, tevens leadzanger van The Miracles. The Temptations was toen al een geweldige groep met een enorme dosis ervaring ontstaan door een samensmelting van The Distants en The Primes. Die samensmelting gebeurde onder het toezicht van hun gezamenlijke manager Milton Jenkins. De eigenlijke oorzaak was dat de rek er bij beide groepen uit was en ze wat nieuws wilden. Er werd geopteerd dit vjjftal The Elgins te noemen.

The Elgins tekenden vrij snel een contract bij Berry Gordy Jr. en namen een eerste nummer op Oh mother of mine. Eén van de medewerkers van Motown, Bill Mitchell, vond dat de groep een betere naam verdiende en stelde The Temptations voor. Zo stond het ook geprint op hunn eerste single op wat toen nog het Miracle Label heette. Hun derde single verscheen op het Gordy Label. Het kan ingewikkeld klinken, maar zo houden we gelijke tred met de snelle evolutie binnen de plannen die Berry Gordy smeedde.

Smokey Robinson werd dus aan The Tempations gelinkt. Hun eerste samenwerking resulteerde in het nummer I want a love I can see. Dat nummer werd geen succes. De moed zonk de jongens meteen in de schoenen. Elbridge Bryant hield het voor bekeken en werd vervangen door David Ruffin, een perfecte keuze zo zou iets later blijken. Eddie Kendricks nam de solopartij voor zijn rekening toen Smokey op de proppen kwam met het nummer The way you do the things you do. Apetrots zagen ze de single stijgen naar de elfde plaats in Billboard’s Hot One Hundred. Er zouden nog twee singles volgen: I’ll be in trouble en Girl. Intussen stonden The Tempations en The Miracles samen op het podium in het Apollo Theater in Harlem. Daar ontdekte Smokey hoe geweldig David Ruffin vocaal uit de hoek kon komen.  The Tempations hoorden The Miracles het nummer My Girl zingen. Ze waren zo weg van die song dat ze Smokey smeekten dat nummer samen met hen op te nemen. Hij weigerde aanvankelijk omdat The Miracles het voor hun volgende elpee wilden inblikken, maar uiteindelijk gaf Smokey toe die dit nummer samen met Ronald White had geschreven met in zijn achterhoofd Claudette Rogers, zijn toenmalige vrouw. Een week lang zouden Smokey en The Temptations intens oefenen alvorens in de maand september van 1964 naar de studio te trekken om het nummer daar in te blikken.

Paul Riser schreef de arrangementen en The Detroit Symphony Orchestra werd ingehuurd samen met The Funk Brothers om de heren te begeleiden.  Gitarist Robert White van The Funk Brothers die het nummer mee ondertekende, bedacht de opvallende intro. De 21ste december verscheen My Girl met op de b-kant Nobody but my baby op single. Het zou iets later ook te horen zijn op hun elpee The Temptations Sing Smokey. De single klimt gestaag, maar traag naar de bovenste stek van de Amerikaanse top honderd en onttroont daar Gary Lewis and The Playboys. Slechts één week blijven The Temps op één, want dan is het de beurt aan The Beatles om het van hen over te nemen met Eight days a week.

In De Engelse top veertig zit er niet meer in dan een 47ste plaats. In verband daarmee aanstippen dat iets later Otis Redding een versie van My Girl zal inblikken samen met producer Steve Cropper voor zijn plaat Otis Blue: Otis Redding Sings Soul. Zijn platenmaatschappij besluit in Engeland My Girl op single uit te brengen en Otis’ versie geraakt tot op de elfde plaats in de top veertig. In Nederland maken The Temptations met My Girl schijn noch kans. Hier is het wachten op singles als Papa was a rolling stone en Power alvorens te scoren. In België noteren we hetzelfde scenario.

Na het succes met My Girl zal Smokey nog vier andere singles schrijven en produceren: It’s growing, Since I lost my baby, My baby en Get Ready. Geen echte hoogvliegers. Smokey voelt dat hij plaats moet ruimen om het succes van The Temptations niet in de weg te staan en geeft de fakkel door aan Norman Whitfield, maar dat is een heel ander verhaal.

Er zullen nog een aantal covers volgen van My Girl, ondermeer eentje van The Mamas and the Papas, van Al Green en Michael Jackson. Ook nog een van Michael Bolton en La Toya Jackson om die van de groep Westlife niet te vergeten die in 2000 een versie opnamen voor hun album Coast to Coast.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

 

Leader of the Pack

Meidengroepen is geen fenomeen dat pas op het einde van de 20ste eeuw opdook. In de jaren dertig hadden we The Boswell Sisters, nadien The Andrew Sisters en in de jaren vijftig groepen als The Fontaine Sisters en The McGuire Sisters. De jaren zestig kondigden zich aan als het decennium waarin dames zich van een ruigere kant lieten horen. The Shirelles, The Angels, The Chiffons, The Shangri-Las. Ze lieten horen waar het in hun leven om draaide. We kunnen nog niet spreken van heuse girlpower, want dat begrip ontstond pas in Amerika op het einde van de jaren tachtig toen vrouwen op zoek gingen naar hun identiteit, toen ze hun mannetje gingen staan, assertiever werden.

De 31ste oktober 1964 worden de Amerikaanse hitlijsten aangevoerd door The Supremes met Baby love. Vier weken zullenze daar blijven pronken, tot hun vrouwelijke collega’s The Shangri-Las het roer van hen overnemen met de hit Leader of the Pack. Voordien hadden The Dixie Cups al op één gestaan met Chapel of love, The Angels met My boyfriend’s back en The Chiffons met He’s so fine. Om maar aan te geven dat vrouwen in groep almaar meer van zich lieten horen. Toen de tweelingzussen Marge en Mary Ann Ganser nog school liepen aan The Andrew Jackson High School geraakten ze daar bevriend met de zingende zussen Mary en Betty Weiss uit Queens in New York. Zingen werd hun gezamenlijke hobby, méér nog, ze wilden er zelfs hun beroep van maken. Dus werd repeteren één van hun voornaamste bezigheden.

Een eerste positieve stap in de muzikale richting is een platendeal met Kama Sutra Productions en producer Artie Ripps. Met hem nemen ze de single Simon says op en Wishing well. Ze zijn op zoek naar een geschikte naam en noemen zich naar een restaurant in Queens, The Shangri-Las. Het was meestal Mary Weiss die de leadvocals voor haar rekening nam, daarin afgelost door haar zus Betty. In 1964 tekenen hun ouders, want hun kinderen zijn nog minderjarig, een nieuwe platendeal, deze keer met het Red Bird Label en hun eerste hit wordt Remember in een productie van George Morton. De demo-opnamen duurde zomaar liefst zeven minuten, in die tijd te lang als single voor de radiostations, dus werd de opname ingekort tot twee minuten en zestien seconden.

Morton hield van zwaar georchestreerde nummers, opgenomen met een groot orkest, geen echte wall of sound, maar hij kwam toch dicht in de buurt van de manier waarop Phil Spector zijn platen producete. Hun volgende single wordt een nummer geschreven door Elle Greenwich, Jeff Barry en George Morton, Leader of the Pack: het verhaal over een meisje dat in een snoepwinkel een jongen ontmoet die graag stoer uit de hoek komt met zijn motor, ze worden verliefd op mekaar en iets later verongelukt hij. De single wordt alvorens op de markt te verschijnen van de nodige geluiden en effecten voorzien, wat er voor zorgt dat het nummer na al die jaren nog steeds wordt aangeduid als een klassieker. Het was de motor van de geluidtechnicus van dienst Joey Veneri die de studio werd ingeduwd, regelrecht de echokamer binnen, waar hij voor het nodige lawaai mocht zorgen.

The Shangri -Las kwamen graag melodramatisch uit de hoek. Ze zongen meestal over liefdesverdriet en tienerproblemen. Toch herinnert Ellie Greenwich zich dat Mary Weiss, toen nog maar net zestien, het erg moeilijk had tijdens het inzingen van Leader of the Pack. Ze kon haar gevoelens niet de baas. Ellie moest in de studio vlak voor haar gaan zitten en haar de woorden voorzeggen. Als je goed luistert, hoor je ook dat Mary met tranen in haar stem staat te zingen. Het werd een moeilijke klus voor de producers om dit nummer afgerond te krijgen. Ook de andere meisjes moesten gestimuleerd en bebamperd worden. Maar uiteindelijk kon de song succesvol worden gereleaset. Ellie voelde meteen na de opnamen dat er een grote hit in zat. Het was hetzelfde gevoel dat ze ook had toen ze een andere song van haar producete Chapel of Love, iets eerder dat jaar een hit voor The Dixie Cups.

De 10de oktober 1964 wordt Leader of the Pack uitgebracht op 45 toeren op het Red Bird Label nummer 10-014 en is intussen meer dan 30 euro waard. De 28ste november staan de vier meiden op één in Billboard’s Hot One Hundred. Ook in Engeland scoren The Shangri- Las niet onaardig. Remember had daar al op de 14de plaats gestaan in de top veertig en met Leader of the Pack doen ze het in de maand januari van 1965 zelfs drie plaatsen beter. Ze trekken op promotietournee naar Engeland waar ze als trio aankomen, want Mary was te jong om mee af te reizen. In Nederland raken The Shangri-Las kant noch wal. Daar zijn ze niet tuk op deze zingende Amerikaanse deernen. Ook in ons Belgenland is er voor de dames geen succes weggelegd.

In De States zaten er nadien nog een paar hits in. Met Give him a great big kiss werd de 18de plaats in de top honderd bereikt. Voor de single I can never go home anymore zat er zelfs een zesde plaats in. Nadien waren The Shangri-Las vrij snel uitgezongen. Letterlijk was een paar van hen geen lang leven beschoren: Mary Ann Ganser, amper  22, overleed in 1970 aan een hersenvliesontsteking en haar zus Marge in 1996 aan kanker. Ze was toen 48. In 1965 had Betty al besloten niet meer mee op tournee te gaan, ze had last van angstaanvallen. Dit versterkte de indruk dat The Shangri-Las een trio was.

Van Leader of the Pack verscheen een parodie door The Detergents onder de titel Leader of the Laundromat. The Detergents was een idee van Ron Dante die we ook horen op het nummer Sugar Sugar van The Archies.

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet

Goeie morgen, morgen

Nicole Josy ( Nicole Van Palm) had er al een solocarrière opzitten toen ze in 1970 tijdens een tv-repetitie de in Kinshasa geboren Hugo Segal  (Hugo Verbraeken) tegen het lijf liep.Nicole had al wat singles opgenomen, was samen met ondermeer Johnny Hallyday en Richard Anthony op tournee geweest , had de hoofdrol gespeeld in de musical No No Nanette en maakte in 1968 deel uit van de winnende Belgische ploeg in de Europabeker voor zangvoordracht in Knokke. Hugo was acteur bij het Nationaal Toneel en het Jeugdtheater in Antwerpen . Tijdens zijn legerdienst besloot hij zanger te worden . Hij en Nicole hadden nog maar net een duo gevormd of ze namen in 1970 al deel aan de Gouden Sirène in Middelkerke . Meteen nadien werden ze door de BRT gevraagd deel te nemen aan Cansonissima . Toenmalig verantwoordelijk producer Lies Huylebroeck had al negen kandidaten , maar ze was nog op zoek naar een duo dat naast zingen ook vlot kon bewegen op het podium, leuk kon dansen en zo kwam ze bij Nicole en Hugo terecht.

Willy Van der Steen van Cardinal records ging zich over Nicole en Hugo ontfermen en besliste een liedje te laten schrijven dat hij niet meteen van bij het begin  van Canzonissima wou inzetten. Deze strategie bleek een gouden zet , want uiteindelijk, ook al waren Ann  Christy en Johnny White sterke kandidaten, wonnen Nicole en Hugo met ‘Goede morgen morgen’. Ze weten weten nog precies dat ze bij Paul Quintens thuis werden ontvangen en dat hij hun het nummer aan de piano voorspeelde. Ze voelden meteen aan dat dit hét lied zou worden en  niet zij alleen. Louis Neefs was er ook meteen weg van, hij had trouwens Nicole en Hugo aangepord dit lied zeker niet links te laten liggen omdat hij het zelf een van de betere composities van Paul en Phil Van Cauwenbergh vond.

De  3de  april 1971 had de 16de editie van het Eurosongfestival in het Gaiety Theatre in Dublin (Ierland) plaats,gepresenteerd door Bernadette Ni Gallchoir .Alsof de duivel er zich mee moeide ,werd Nicole net voor hun vertrek ziek. Ze kreeg geelzucht en moest verstek laten gaan. Haar vader wou nog dat Hugo in z’n eentje  naar de repetities ging en dat Nicole later in Dulbin zou arriveren, maar de dokter vond dit onverantwoord en weigerde op die wens in te gaan!

Uiteindelijk besloot de BRT Jacques Raymond en Lily Castel naar Ierland te sturen . Jacques vond achteraf dat hij een beetje onder dwang werd gezet en geen andere keuze had dan ja te zeggen .Jacques moest ook wat tegen zijn zin onder leiding van Anton Peters de choreografie van Nicole en Hugo instuderen. Moeite voor niets, want toen ze in Dublin aan de beurt waren, bleek de beschikbare podiumruimte  veel te klein en bleef het bij een paar houterige bewegingen. Al bij al deden Lily en Jacques hun uiterste best. Ze eindigden met 68 punten 14de op en totaal van 18 deelnemers. Monaco werd de uiteindelijke overwinnaar met Sévérine en ‘Un banc, un arbre, une rue’. En ‘ Goede morgen, morgen’  werd van af die dag in Vlaanderen een regelrechte klassieker, terecht genomineerd in de Eregelarij van Radio 2 en Sabam in 2004. Zes jaar later was het bingo,want in 2012 kregen Nicole en Hugo voor Goeie morgen morgen de Eregalerijtrofee in het Casino van Oostende en werd het liedje aan de galerij van de Vlaamse evergreens toegevoegd.

 

tekst en research: Marc Brilllouet

© 2012 Daisy Lane & Marc Brillouet