De beginjaren van de Vlaamse Nederlandstalige muziek

Geplaatst in Genres

Je kan dat verhaal beginnen met haast dezelfde woorden zoals de Bijbel begint: “In het begin was er niets” of tenminste zogoed als niets. In de jaren dertig vierden, net zoals in het buitenland, ook bij ons de swing en de bigbands hoogtij. Wij hoefden daar internationaal gezien niet voor onder te doen. Wij mochten in die tijd gerust uitpakken met de bands van Stan Brenders, Jean Omer en Fud Candrix. Stan had zijn stiel bij Fud geleerd en werd in 1936 zelfs aangesteld als dirigent van het NIR Jazzorkest, een job die hij tot 1944 zou behouden. Candrix was afkomstig van Tongeren en was zo goed in zijn vak dat de BBC zelfs op een bepaald moment haar oog op hem lieten vallen. Vanaf 1930 werd de amusementsmuziek, die tot dan toe vooral live viel te genieten, opgeslorpt door de komst van de radio en de grammofoon. Platen werden almaar vaker gekocht, zij het dan nog op 78 toeren. In de betere cafés en restaurants was de eer aan de strijkorkestjes en/of pianisten om de aandacht en het applaus op te strijken, vooral dan met bewerkingen van hoofdzakelijk licht klassieke thema’s zoals operette- en opera-aria’s. Het waren de hoogtijdagen van de tearooms en de salonorkesten. In zalen als de “Ancienne Belgique” in Antwerpen, Gent en Brussel werden revues aan de lopende band op het getouw gezet. Tijdens de zomeruren werd het amusement naar de Belgische kust verlegd met populaire zalen en horecazaken in Blankenberge, Oostende en Knokke.

Over de radio hoorde je in die jaren dertig hoofdzakelijk klassieke muziek, veelal live in de studio’s gespeeld. Een ander belangrijk programmaonderdeel was het “gesproken dagblad”. Vlaamse vedetten die zich in de kijker zongen, waren er nog niet echt. Wij luisterden in die tijd vooral gretig naar Franse chansons. Toen dweepten wij met artiesten als Léo Marjane, Lucienne Boyer, Tino Rossi, Charles Trenet en Alibert en met liedjes als Parlez-moi d’amour, Je suis seul ce soir en Le plus beau tango du monde. Belangrijk op de radio was ook het aandeel van onze zingende noorderburen met voorop Lou Bandy die met Zoek de zon op Vlaanderen luidkeels deed meezingen. Immens populair was ook het Nederlandse orkest The Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman en met als vocale trekpleister de Belgische zanger Marcel Thielemans. Al net zo populair was het orkest The Skymasters onder leiding van Bep Rowold. Ook populair in die tijd was de zingende broer van Lou Bandy, Willy Derby, met meedeiners als Daar bij die molen, Heidewitzka en ‘t Schooiertje. Het meezinggehalte lag hoog en tekstueel werd er vaak met de smartlap geflirt. Ook Louis Davids en zijn zus Heintje passeerden met graagte de Vlaamse huiskamer. Een geval apart was de Joodse zanger Bob Scholte die tijdens de Tweede Wereldoorlog met lede ogen moest aanzien hoe zijn hele familie naar het concentratiekamp in Auschwitz werd gedeporteerd om nooit meer terug te keren. Hij was de enige overlevende en werd bij ons bekend door zijn AVRO-programma “De bonte dinsdagavondtrein” en plaatjes als Twee ogen zo blauw, O Florentijnse nachten en Moeder mijn. Het merendeel van die liedjes waren vertalingen, vreemd genoeg voor die tijd vaak van Duitse origine.

Tijdens de oorlogsjaren hield de vijand er niet van dat er in onze cafés en concertzalen Angelsaksische muziek werd gespeeld, laat staan gezongen. Ook Franse liedjes waren nogal taboe. Vlaamse liedjes mochten dan weer wel en uiteraard Duitse successen. In die oorlogsjaren zocht de Vlaming graag vertier in de bioscoop en daar lieten de Duitsers vooral hun eigen producties toe. De film “Die grosse Liebe” uit 1942 bijvoorbeeld met in de hoofdrol Zarah Leander is een schoolvoorbeeld van Goebbels aanpak om de propagandamachine op volle toeren te laten draaien én natuurlijk dé uitgelezen kans om hun Duitse idolen op het witte doek te laten schitteren. Moeilijk om te begrijpen misschien, maar wij Vlamingen genoten, ondanks hun afkomst, met volle teugen van een Duitse diva als Marika Rökk.

Van Vlaamse muziek was er tijdens die oorlogsjaren weinig sprake. Wie toen professioneel aan de bak kwam, moest natuurlijk zorgen dat er brood op de plank kwam. In opdracht van de Duitsers trokken sommige Vlamingen richting oosterburen. Onze Vlaamse diva La Esterella was zo iemand die, vreemd genoeg, tijdens die jaren veertig vooral in het buitenland furore maakte, vooral bij onze collega’s van de BBC. Pas in de jaren vijftig zou ze, gegangmaakt door uitgever Jean Klüger, aan een heel succesvolle carrière in Vlaanderen beginnen. Zij zong zich gelijk onsterfelijk met Oh Lieve Vrouwe Toren. In 1943 probeerde Bobbejaan Schoepen van zich te laten horen, al profileerde die zich niet uitsluitend als zanger, maar vooral als entertainer, professioneel amuseur. Vier jaar later scoorde hij zijn eerste hit met De jodelende fluiter die ervoor zorgde dat hij de Vlaamse Roy Rogers werd genoemd. De overige collega’s van hem uitten zich eerder als volleerde crooners, al geldt die omschrijving nog het meest voor zangers als Jean Walter die met zijn warme stem en zijn knappe uiterlijk menig Vlaams vrouwenhart in vervoering kon brengen. Hij werd ontdekt door Arthur Mathonet, de toenmalige baas van de “Ancienne Belgique” die hem aan Jacques Klüger voorstelde. Klüger stond erop dat zijn Vlaamse artiesten in hun eigen taal zongen. Jean Walter sloeg meteen aan met liedjes als Tulpen uit Amsterdam, Heel lang en Venetië. Ook zoetgevooisd en een echte chanteur à voix volgens de regels van de Italiaanse belcanto was Bob Benny.  Hij pakte vocaal graag uit met nummers zoals Een gitaar in de nacht, Bij jou was alles zo mooi en Geef aan je vrouwtje. In 1951 brak Will Ferdy door met de schlager Ziede gij me gère, maar drie jaar later gooide hij het roer om door voor het chanson te kiezen op een Franse leest geschoeid. Hij durfde het in 1954 aan Het regent in de straten op plaat te zetten, wat hem een behoorlijke dosis aan populariteit kostte. Maar hij zette door en zou een van onze eerste echte chansonniers worden en blijven. Niet voor niets de “prins van het Vlaamse lied” genoemd, want hij zong erg heimatgebonden nummers, was Jan Verbraeken met liedjes als De stille Kempen en Noordzeestrand. Jan werkte vaak samen met zangeres Yvonne Henneco en met Marcel Hellemans.  Verbraeken werd qua populariteit op de hielen gezeten door de zingende postbode Ray Franky die vooral de danstenten en parochiezalen platkreeg met meedeiners als Oh Heideroosje, Zing signorita zing voor mij en Mi Carmencita. Tekstueel hadden die liedjes niet zoveel om het lijf. Het waren door de bank vaak vertalingen van buitenlandse successen, al groeide er stilaan een lichte voorkeur voor nieuw materiaal.

In 1953 doken de eerste televisietoestellen in Vlaanderen op en werd het NIR de grootste concurrent van onze Vlaamse artiesten. De mensen gingen ‘s avonds niet meer op stap en bleven tijdens de weekends liever in hun luie zetel naar dat nieuwe technische wonder kijken dan in een of andere zaal een revue of bonte avond mee te maken. Een ster die zowat alles aan die tv te danken heeft en zich daar uitstekend thuis voelde, was Jo Leemans. Zij zou zich almaar meer als de diva van de Vlaamse televisie profileren, daarbij geruggesteund door het orkest van Francis Bay met wie zij in Vlaanderen tal van concerten gaf.  In januari 1955 verschijnt in Vlaanderen de eerste hitparade en dat in het tienerblad “Song Parade” met in die allereerste editie op één Geef mij maar Amsterdam gezongen door de Nederlandse koning van de smartlap Johnny Jordaan. Dat tijdschrift “Song Parade”, opgericht door Jan Torfs, werd stiekem gesponsord door producer Albert Van Hoogten van het platenlabel Ronnex. Dat de hitlijsten daardoor enigszins gekleurd klonken, hoeft geen betoog. Torfs vond dit onfair en begon op eigen houtje met het muziekblad “Jukebox” dat in mei 1956 voor de eerste keer in de kiosk lag. Qua titels in de toenmalige hitlijsten was het, vanuit huidig standpunt bekeken, vaak huilen met de pet op: Zet je vanachter, Lowieke, Zeg Thérèse, In ‘t stamcafé en Charel waren de weinig flatterende Vlaamse titels van weinig beklijvende liedjes. Bij de start van de jaren vijftig werd het merendeel van die melodietjes nog op 78 toerenplaten uitgebracht. Stilaan kwam daar verandering in door de komst van de 45 toerenplaat oftewel het singletje. De opkomst van de jukebox werkte die opmars in de hand. Merken als Rock-O-La, Wurlitzer en vooral Seeburg waren helemaal in. Het hek was helemaal van de dam toen Seeburg in 1955 de Select-O-Matic op de markt bracht, een jukebox die thet mogelijk maakte tweehonderd singletjes te stockeren. Daar waar bij het begin van de radio de liveorkesten het voor het zeggen hadden, wonnen de platen almaar meer aan belang. De muziekindustrie had intussen het medium radio ontdekt en probeerde op die manier haar producties beter te promoten. Met de komst van de hitparade hadden ze een houvast om het belang en de impact van hun materiaal te tonen en te laten horen.

Iemand die als het ware aan de jukebox gekluisterd zat, was Will Tura. Net als Schoepen begonnen als een soort jodelend wonderkind, alleen had Will méér zin om in de stijl van Nat King Cole te zingen, maar zijn platenbaas Jean Klüger besliste daar anders over. Will ging vanaf 1957 liedjes coveren van The Everly Brothers en evergreens als Amapola. Achteraf een periode waar hij niet graag op terugblikt. In 1962 is hij zowat het breekpunt in de Vlaamse muziek. Hij schrijft eigenhandig op tekst van Ke Riema dé Vlaamse klassieker bij uitstek Eenzaam zonder jou die hij op aanraden van zijn broer Jean een beetje in de lijzige stijl van Nat King Cole zingt. Met dat plaatje begon Tura niet alleen met de bouw van zijn keizerrijk, maar zette hij een soort mijlpaal neer in de Vlaamse lichte muziek.

In 1959 slaagde een naar België uitgeweken Italiaan erin Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten. Rocco Granata schreef de wereldhit Marina en kon nadien zijn  succes vooral in Duitsland verzilveren met onder meer een kanjer als Buona notte bambino. Het was hij die in de loop van de jaren zestig het als allochtoon aandurfde wat andere platenfirma’s onaangeroerd lieten, namelijk in  zee gaan met artiesten als De Elegasten, Miel Cools, Will Ferdy, Marino Falco en vele anderen. Artiesten die stuk voor stuk kozen voor wat we voorzichtig de “betere Vlaamse muziek” zullen noemen: betere producties, betere teksten, aanleunend bij wat in die tijd snel zou uitmonden in het kleinkunstgenre. Op een bepaald moment ging Rocco zakelijk zelfs samenwerken met Louis Neefs. Louis was ook al op het einde van de jaren vijftig van start gegaan en werd tijdens een crochetwedstrijd door Ke Riema ontdekt die hem op haar beurt voorstelt aan Jacques Klüger. In 1960 weet Louis haast elke Vlaming in te palmen met Mijn dorp in de Kempen en zet vervolgens een rist klassiekers neer om u tegen te zeggen, waaronder Wat een leven, Ik heb zorgen, Jennifer Jennings en Laat ons een bloem.

Sommige zangers durfden het in die tijd aan met Tura in concurrentie  te gaan. Ook al was Jimmy Frey liever voetballer geworden en ambieerde hij nadien een carrière als zanger in Frankrijk, toch slaagde hij er bij zijn terugkeer naar Vlaanderen in hier furore te maken met liedjes als het door Bobbejaan Schoepen geschreven Ik geloof en vooral in 1968 met Zo mooi, zo blond en zo alleen, daarbij gesteund door het talent van Jess & James.  Zowel Louis als Jimmy durfden het ook aan,  en dat in tegenstelling tot Will Tura, deel te nemen aan zangwedstrijden als het “Eurovisiesongfestival” en de nationale selectie voor die populaire liedjeswedstrijd “Canzonissima” die in 1963 op televisie van start ging. De selecties voor “Canzonisssima” begonnen al in het najaar voorafgaand aan de eigenlijke uitzending van het  “Eurovisiesongfestival”. Zo begon de tweeëntwintigste oktober 1962 de selectie voor de finale van 1963. Nogal wat artiesten hebben hun bekendheid aan die selecties te danken. We denken aan: Ronny Temmer, Johan Stollz, Marc Dex, Liliane, Micha Marah, Kalinka, Johnny White, Hugo Dellas, Lily Castel, Ann Christy enz… Over hen en hun collega’s vind je een pak info op onze website. Die wedstrijd maakte dat de Vlaamse zangers in de loop van de jaren zestig ondanks de opmars van de Angelsaksische popmuziek, met voorop The Beatles, toch een leuke plek wisten te veroveren in onze hitlijsten. “Canzonissima” bleef onder die titel op het scherm opduiken tot in 1972. Het jaar nadien werd gekozen voor de benaming “Liedjes voor Luxemburg” en vanaf 1975 definitief voor  ”Eurosong”.

De Vlaamse zangeressen moesten in die jaren zestig iets harder aan de weg timmeren dan hun mannelijke collega’s en dat kwam vooral doordat de muziekbusiness voor het merendeel een mannelijke aangelegenheid was. Achter de schermen was het een mannenbastion bestaande uit macho muzikanten, producers, uitgevers, liedjesschrijvers, managers, promojongens enz… Veel zangeressen voelden zich geroepen, maar weinigen waren uitverkoren. Je had eendagsvliegen als Peggy, Suzie en Anita, maar vaak bleef het bij een hit. Toch waren er uitzonderingen op die regel, denken we maar aan Marva die een soort vrouwelijke Will Tura genoemd mag worden, gegangmaakt door dezelfde uitgever als Tura, Jean Klüger, die intussen samen met zijn broer Roland de fakkel had overgenomen van hun intussen overleden vader. Marva werd eerst door Rocco Granata op gang getrokken die voor haar liedjes schreef als Een eiland in groen en blauw en Het liedje van de zee. Klüger bezorgde haar nadien een haast onsterfelijke status met liedjes als Rozen in de sneeuw en Oempalapapero. Nog zo’n vrouwelijke klasbak uit die tijd is Liliane Saint-Pierre die ooit het genoegen had onder de vleugels te werken van de legendarische Franse zanger Claude François, maar door omstandigheden in Frankrijk niet kon doorbreken,  hier haar draai vindt en behoorlijk van zich af bijt tijdens het “Eurovisiesongfestival” in 1987 met Soldiers of love. Het duurde echter een hele tijd voor zij haar lot in eigen handen kon en durfde te nemen en daarmee de toon zette voor heel wat zangeressen die na haar aan de bak kwamen.

En dan was er nog de “Knokke Cup” die in 1958 door de directie van het Casino van Knokke werd bedacht naar aanleiding van de wereldtentoonstelling dat jaar in Brussel met als insteek een zangcompetitie op internationaal niveau. Het jaar nadien ging de eerste editie van start in nauwe samenwerking met de VRT-televisie, vrij snel gecapteerd door tal van buitenlandse zenders. Die wedstrijd werd in de markt gezet onder de benaming “Europabeker van het Chanson”. Die titel werd snel veranderd in “Europabeker voor Zangbeurt” en vervolgens “Europabeker voor Zangvoordracht”. Vrij stroeve titels die in de wandelgangen werden afgekort tot de “Knokke Cup”. Die wedstrijd hield stand van 1959 tot en met 1973. Er kwamen telkens zes landen aan bod. De Belgische ploeg bestond steeds uit zowel Vlaamse als Waalse artiesten. Tal van zangers en zangeressen van bij ons maakten naam en faam dankzij deze wedstrijd. Sommigen hadden die uitstraling niet echt nodig omdat zij bij ons hun sporen al verdiend hadden zoals Louis Neefs en Liliane Saint-Pierre, maar er waren een hele rist artiesten die door de VRT werden klaargestoomd om aan deze cup en nog tal van andere buitenlandse liedjeswedstrijden deel te nemen: Lize Marke, Lily Castel, Frieda Linzi, Hugo Dellas, Kalinka, Tonia, Maurice Dean, Ann Soetaert, Jacques Raymond enz… Zij waren geen hitmakers, maar wisten jaren stand te houden door hun deelname aan diverse internationale concours.

Plots waren daar de jaren zeventig. Marva en Tura hadden intussen hun vaste plaats in de Vlaamse showbizz veroverd. Nu was het de beurt aan een nieuwe lichting, waarvan er een paar aardig wisten stand te houden. Voorop het Vlaamse tieneridool bij uitstek Willy Sommers die met zijn eerste single al gelijk een Vlaamse klassieker neerzette: Zeven anjers, zeven rozen. In zijn kielzog doken een rist collega’s op die eveneens een aanval inzetten op de Vlaamse Top Tien. Paul Severs met Ik ben verliefd op jou, Salim Seghers  met Verlaat me nooit en Roger Baeten met Blijf je bij mij om er een paar te noemen. Het waren ook de jaren van John Terra die in 1968 voorzichtig van start ging met Franstalige liedjes om in 1973 de kanjer Iemand heeft je pijn gedaan neer te zetten. Onthouden wij ook de opkomst van de kleinkunst met een wat poppy en/of rockende inslag zoals daar waren de luisterliedjes van Johan Verminnen, Zjef Vanuytsel, Kris De Bruyne en Wim De Craene. Het was ook de tijd dat er namen in de hitlijsten opdoken als Bobby Ranger die zich in de hitlijsten zong met Klappen, stampen, fluiten, Joe Harris met Ik wil ‘n knoopje aan je bloesje zijn en Drink rode wijn,  John Horton met Zo jong en Bobby Prins met Sancta Maria en Toe kom in m’n armen.  De jaren zeventig waren eveneens de jaren waarin de dames luidruchtig van zich lieten horen met voorop diva Ann Christy en haar evergreens Dag vreemde man en Gelukkig zijn.  Zij deelde graag het podium met vrouwelijke collega’s als Rita Deneve, Yvette Ravell en Samantha die door omstandigheden een internationale hit aan zich zag voorbijgaan toen zij uitpakte met Eviva España. Wie kent de liedjes Een rozerode appelboom en Alle Schotten van Truus, de toenmalige geheime liefde van Willy Sommers, en Hasta la vista manaña en Sweetheart my darling van Cindy?

Tijdens die gouden jaren zeventig dachten wij in Vlaanderen dat het succes van de lichte muziek in onze moedertaal niet meer stuk kon. Maar daar brachten de jaren tachtig stevig verandering in. Het was de tijd van de Angelsaksische aanpak in Vlaanderen. Plots leek het alsof je in het Engels hoorde te zingen om er bij te horen. Groepen als The Bet, Scooter, The Machines enz… hadden het voor het zeggen. Sommige Vlaamse artiesten sloegen ook die angelsaksische weg in. Iemand als Danny Fabry bijvoorbeeld. Hij pakte uit met covers als Please be careful with my heart, Just a little smile en I remember you. Roger Baeten nam toen platen op onder de naam B. Rodgers en scoorde met een nummer als I feel so good. Wie trouw bleef aan de Nederlandse taal moest qua succes in de hitlijsten en qua airplay bij de VRT behoorlijk inboeten, al konden de meesten toen wél makkelijk terecht bij de vrije zenders die in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond schoten.

Bij ons waren er in de loop van de jaren tachtig ook muzikanten die hun Engelstalige pijlen op het buitenland richtten. Technotronic scoorde zelfs ver buiten onze landsgrenzen met Pump up the jam, daarin nagevolgd door een act als The Confetti’s die met The sound of C een monsterhit scoorden en het duo Soulsister dat zich tot in de Amerikaanse charts liet horen met The way to your heart. Tot dan toe was het slechts een aantal Belgische artiesten gelukt om bij één van onze Europese buren van zich te laten horen. Ik laat daarbij even de prestaties van Jimmy Frey, Samantha en Willy Sommers achterwege om onze aandacht te vestigen op onder meer de Brusselse studiogroep The Chakachas die met Eso es el amor en Jungle Fever hoge ogen gooiden in het buitenland, net als De Vogeltjesdans naar een idee van producer Louis Van Rijmenant die het pikte van de Zwitserse accordeonist Werner Thomas. Er was ook hét voetballied bij uitstek Olé olé olé olé van Roland Verlooven (de man achter de carrières van Willy Sommers, Bart Kaëll, Margriet Hermans enz…). En de meezinger De Boerinnekesdans van de hand van Louis Marischal die tijdens Expo 58 aan een internationale opmars begon en Bluesette van onze legendarische jazzvirtuoos Toots Thielemans. Vergeten we zeker niet een aantal artiesten van bij ons die het in de periode tussen 1960 en 1985 een lange tijd in onder andere Amerika wisten vol te houden. Anni Anderson en Maurice Dean traden wereldwijd op in de grootste casino’s en concertzalen met de bekendste artiesten en orkesten als Bert Kaempfert, James Last en Max Greger. Tony Sandler trok in 1963 naar Amerika waar hij in de casino’s van Las Vegas duo vormde met Ralph Young en met hem bleef samenwerken tot in 1987.

Wou je tijdens die jaren tachtig dan toch koste wat het kost in je moerstaal kwelen, dan het liefst van al op een rockende manier met het nodige gitaargeweld ertussendoor. De Kreuners hadden dat snel door, net zoals Raymond van het Groenewoud, gekroond tot ontwerper van de Vlaamse rock- ‘n-roll, en Arbeid Adelt die er desnoods de punk bij haalden om zich in de kijker te zingen. De Vlaamse lichte Nederlandstalige muziek werd geleidelijk afgevoerd richting reanimatiekamer om daar na intensieve zorg pas opnieuw tot leven te komen toen VTM in februari 1989 vanuit Vilvoorde van start ging en de muziek van eigen bodem nieuw leven inblies met “Tien om te Zien”. Wij maakten de opkomst mee van sterren als Bart Kaëll, Margriet Hermans, Luc Steeno, Isabelle A, Jo Vally enz… Sommige iconen van destijds vonden er hun tweede hitadem met voorop vaandeldragers Willy Sommers, Paul Severs, ja zelfs Will Tura. Niemand kon op dat moment vermoeden dat we aan de vooravond stonden van de fenomenale carrière van Helmut Lotti en Clouseau!

 

 

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet