De Nashville Sound

Geplaatst in Genres

Waar wij in onze contreien houden van meezingers, schlagers en dito hits,  hebben ze in Amerika hun onafscheidelijke countrymuziek. Er is geen enkel genre, de soul even buiten beschouwing gelaten, dat zo eigen is aan de Amerikaanse cultuur als country. Het is en blijft de muziek van de man in de straat, al moesten een pak countryartiesten in de loop van de voorbije decennia met lede ogen vaststellen dat de country hier en daar een eigen weg zocht en het vaak met clichés overladen genre opgepikt werd door artiesten die het een meer hedendaagse touch gaven. Niet voor niets ontstond het begrip “new country” met sterren als LeAnn Rimes, Keith Urban, Tim McGraw, Sugarland, Blake Shelton enz… Deze vernieuwing was niet het eerste teken aan de wand dat men in Nashville op zoek was naar iets nieuws. In het midden van de jaren vijftig werd het fundament gelegd van wat snel bekend zou worden als “The Nashville Sound”. Die term dook voor het eerst op in 1958 in een artikel in het blad “The Music Reporter” dat gewijd was aan Jim Reeves.

De jaren veertig werden gedomineerd door de in 1942 door countryzanger Roy Acuff en Wesley Rose opgerichte muziekuitgeverij “Acuff & Rose”. Zij waren beiden verzot op de klassieke countrystijl meestal gedragen door de fiddle en de steel gitaar. Toen zij op zekere dag Hank Williams ontdekten, was hun broodje gebakken en konden zij rustig de miljoenen dollars incasseren die vrij vlot op hun bankrekening terechtkwamen. Wesley Rose, die voordien een bediende was bij “Standard Oil” in Chicago, had de plaats van zijn vader na diens overlijden in 1954 overgenomen. Wesley kende niets van de muziekbusiness, maar leerde de stiel sneller dan eender wie. Hij en Roy zagen het niet zo zitten toen zij hoorden dat iets verderop er enkele heren bezig waren met de country een nieuw geluid te geven. Acuff & Rose vonden dat echte country moest klinken zoals het hoorde, daar bestond een formule voor en daar hoorde je niet aan te sleutelen. In de loop van de jaren zestig zullen wij trouwens merken dat de term country breed geïnterpreteerd kon worden. Zeker toen zangers als Glen Campbell, Frank en Nancy Sinatra, Dean Martin en zelfs Ray Charles hun tanden in het genre gingen zetten, werd het bijna onmogelijk om het genre af te lijnen, laat staan het degelijk te omschrijven. In Billboard’s Hot One Hundred van 1968 telden we zomaar liefst elf countrygetinte hits.

Om nu de term “Nashville Sound” in een soort definitie te gieten, kunnen we ons het best beperken tot: het is muziek opgenomen in Nashville met een ontspannen sfeer als eindresultaat, een soort easy listening met een nogal gladgepolijste (lees geproduceerde) manier van zingen en musiceren. Het was vooral op verzoek van de deejays dat de country een beetje meer zoetgevooisd werd aangepakt. Zij vroegen vaak naar een wat softere aanpak van een countrysong. De pathos bleef bewaard, de vaak tranerige sfeer waarin die liedjes tekstueel werden gegoten bleef overeind. Er moest trouwens sowieso passie op het menu staan. Huilebalken waren méér dan welkom. De typisch nasale sfeer van zingen die zo eigen was aan de traditionele country, moest stilaan plaatsruimen voor een warme stem als bijvoorbeeld die van Jim Reeves.

Zonder dat ze er in Nashville erg in hadden klonken hun producties almaar zachter en zachter. Wat opvalt is dat zij ook een overstapje maakten van de typische countryelementen naar de pop. Dat huwelijk klikte perfect en zorgde voor een nieuw geluid. De “Nashville Sound” stond of viel met de begeleiding en daarvoor werden de allerbeste beroepsmuzikanten aangetrokken. Het neusje van de muzikale zalm kwam richting Nashville afgezakt om daar tijdens sessies die er aan de lopende band plaatshadden, hun virtuositeit te etaleren.  Méér dan graag gevraagd en gehoord waren: gitarist Chet Atkins, saxofonist Boots Randolph, pianist Floyd Cramer, drummer Buddy Harman en bassist Bob Moore. Sommige muzikanten zoals Atkins en Cramer ontwikkelden hun eigen stijl en bouwden stilaan aan een solocarrière. Die sessiemuzikanten werden vrij snel de echte sterren in Nashville. Per jaar verdienden zij zo’n slordige 50.000 dollar, konden een mooi huis bouwen en reden rond in de meest luxueuze Cadillacs. Zij waren zulke onderlegde en gedreven muzikanten dat zij de studio binnenstapten, even naar de melodie luisterden, een minuut of tien met de partituur meespeelden of zelf ideeën aanbrachten en gelijk de definitieve versie op band afleverden. Deze sfeer en manier van werken, maakte een groot deel uit van de “Nashville Sound”. Het was alsof zij de  zangers in kwestie vleugels gaven zodat zij zelfs beter gingen zingen. Het ging er gemoedelijk aan toe, in tegenstelling tot de vaak stressy sfeer in bijvoorbeeld New York of Chicago.

Stilaan zagen we ook dat het niet zozeer de artiest was die verkocht, maar dat de song zelf even belangrijk werd, misschien nog belangrijker. Voordien volstond het een naam als Lefty Frizzell, Hank Williams of Kitty Wells op de hoes te zetten en de mensen kochten de plaat. Daar kwam in de loop van de jaren zestig verandering in. Het valt wel op dat in het begin de countryzangers door de bank hun eigen materiaal afleverden, zij schreven het merendeel van hun songs zelf. In de loop van de jaren zestig gingen de artiesten zich meer met hun carrière bezighouden: liveshows, tv-optredens, radio-interviews enz… Daar werden ze rijkelijk voor betaald. Zij lieten dan ook almaar vaker het schrijven aan vakmensen over. Neem bijvoorbeeld Jim Webb die Glen Campbell aan hits hielp zoals Wichita Lineman en By the time I get to Phoenix.

De “Nashville Sound” bood die countryzangers die graag in een croonersachtige stijl zongen steeds méér de kans om hun liedjes aan de man te brengen. Die stijl van zingen stond de popfans beter aan. Vooral het gebruik van strijkers en een gladgepolijste productie zorgden ervoor dat de country in Amerika en ook daarbuiten aan populariteit won. Het waren vooral de producers Chet Atkins, Owen Bradley en Don Law die de grondleggers genoemd mogen worden van de “Nashville Sound”. Zij omringden zich stilaan met een vaste groep studiomuzikanten waardoor zij in staat waren een meteen herkenbaar geluid te creëren. Die groep zou snel bekend worden als “The Nashville A-Team”. Het gebruik van een achtergrondkoor werd ook een must. In dezen waren groepen als The Jordanaires en The Anita Kerr Singers toonaangevend. Kenners menen te mogen aanstippen dat het nummer Gone dat Ferlin Husky in het najaar van 1956 opnam kan dienen als schoolvoorbeeld van hoe de “Nashville Sound” in die beginperiode hoorde te klinken, al zijn er dan weer anderen die menen dat Don’t be cruel dat Elvis Presley hier in de maand juli van 1956 inzong het startsein betekende van die nieuwe sound. Tijdens die beginjaren krijgen we hits voorgeschoteld als: Fraulein van Bobby Helms, Please Help Me I’m Falling van Hank Locklin, Hello Walls van Faron Young, I Fall To Pieces en Crazy van Patsy Cline en Four Walls van Jim Reeves.

Producer Owen Bradley richtte in Nashville zijn eigen studio op “Bradley Film & Recording Studio”. Hij had dit gebouw samen met zijn broer Harold in 1954 gekocht en een jaar later omgebouwd tot een film- en geluidsstudio.  In de maand november van 1955 nam Marty Robbins hier zijn versie op van Singing The Blues. Bradley wou dat zijn studio een apart geluid produceerde en construeerde zelf zijn befaamde “Quonset Hut”. Zij kochten een gegalvaniseerde stalen hut van het Amerikaanse leger die vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Die plantten zij achter hun studio neer om daar concerten enz… op film in te blikken. Na 1955 brachten zij hier ook hun eerste opnamestudio in onder. Hun apparatuur en manier van opnemen, sloeg meteen aan en zij werden veel gevraagd door de platenfirma’s Decca en Columbia. Het is hier dat Owen van start ging met Brenda Lee en met haar een meteen herkenbare sound neerzette. In 1961 verkopen zij die studio aan Columbia Records. Bradley had intussen langs Bender’s Ferry Road een oude farm gekocht met het oog daar voor zijn oudste zoon een studio te bouwen waar hij een uitgeversmaatschappij kon huisvesten en een demostudio bouwen. Tegen 1965 was de studio een volwaardig feit en bekend als  ”Bradley’s Barn”. Het was Loretta Lynn die hier in 1967 haar hit Don’t come home a-drinkin’ with Lovin’ on Your Mind opnam. Van dan af was er geen tegenhouden meer aan. Per dag hadden er minstens vier opnamesessies plaats. Tegen 1970 waren er zo’n duizend de revue gepasseerd en hadden een rist gouden countryhits opgeleverd. Het Britse folkduo The Beau Brummels zouden er hun legendarische album “Bradley’s Barn” inblikken.

Chet Atkins, een beetje jaloers op die allereerste studio van Owen Bradley, ging in 1956 aankloppen bij de directie van zijn platenfirma RCA om zo snel mogelijk een eigen studio te bouwen in Nashville en dat werd de befaamde “RCA Studio B” naar een ontwerp van hun toenmalige opnamemanager Bill Miltenburg. Producers Chet Atkins en Steve Sholes mochten beiden hun zegje doen wat het ontwerp van de studio betreft die in vier maanden tijd werd gebouwd, inclusief de aanpalende kantoren. Kostprijs 37.515 dollar. In 1960 werden de gebouwen uitgebreid en kon Elvis Presley arriveren om er meteen zijn grootste hits op te nemen, méér dan tweehonderd songs in het totaal. Een van hun beste technici was Bill Porter die in 1959 betrokken was bij de opname van een van de grootste hits die hier in “Studio B” werden ingeblikt The Three Bells van The Browns (Engelse vertaling van Les Trois Cloches van Edith Piaf en Les Compagnons de la Chanson).  Het was Porter die vond dat er dringend aan het geluid gesleuteld moest worden. Hij ontwierp de zogeheten “Porter Pyramids”, plafondtegels die hij in een pyramidevorm sneed en ze op die manier aan het plafond bevestigde. Het gaf een unieke sound aan de opnamestudio. Hij markeerde ook, na grondig onderzoek en metingen, bepaalde plaatsen in de studio waar de muzikanten moesten gaan staan om op die manier de beste opnamekwaliteit te bereiken.

Als eerste mocht Don Gibson van deze verbetering gebruik maken toen hij hier zijn elpee “Girls, Guitars and Gibson” opnam. De studio zelf bleef actief tot in 1977 en werd dan door de toenmalige eigenaar Dan Maddox aan “The Country Music Hall of Fame” geschonken zodat toeristen ook nu nog een bezoek aan deze legendarische studio kunnen brengen. Tegenwoordig maakt die ook deel uit van “The Belmont University” en kunnen studenten hier de basistechnieken qua registratie komen aanleren.  Bij mijn bezoek aan deze studio stond ik versteld hoeveel hits hier in die twintig jaar werden ingeblikt: The End of The World van Skeeter Davis, Green Green Grass of Home van Porter Wagoner, Detroit City van Bobby Bare, Oh Lonesome Me van Don Gibson, Only the Lonely van Roy Orbison, Honey van Bobby Goldsboro, All I have to do is dream van The Everly Brothers enz… De hoogtijdagen lagen tussen 1957 en 1977 met in het totaal méér dan 35.000 opgenomen songs waarvan er zo’n duizendtal in de hoogste Amerikaanse hitregionen terechtkwamen. Ook even noteren dat de studio in 2002 terechtkwam in handen van platenproducent Mike Curb die bleef samenwerken met “The Country Music Hall of Fame”.

Rond 1964 kreeg de “Nashville Sound” concurrentie vanuit Bakersfield waar Buck Owens aan een opvallende stijl had zitten sleutelen en was er in de hitlijsten de opmars van de Britse beatgroepen met voorop The Beatles. In Nashville hadden ze daarnaast twee van hun grootste boegbeelden verloren tijdens een vliegtuigongeval: Jim Reeves en Patsy Cline. Op zoek naar een nog betere verpakking van hun songs gingen de smaakmakende producers van dienst in Nashville hun producten nog méér accentueren en schoven zij ook almaar méér in de richting van de popmuziek. Deze stijl werd vrij snel “countrypolitan” genoemd. Die heren waren Glenn Sutton en Billy Sherrill met voorop sterren als George Jones en Tammy Wynette die maar al te graag  in Studio B van Columbia Records opnamen. Glenn en vooral Billy dreven de country meer en meer in de middle-of-the-roadrichting, duidelijk bedoeld voor een zo breed mogelijk publiek. Vooral Sherrill moest voor die keuze bakken kritiek slikken, maar het leverde een pak dollars op en daar was het toch vooral om te doen. Vooral het feit dat hij een countrylegende als George Jones dat pad op stuurde.  Eveneens in dat straatje pasten Charley Pride, Lynn Anderson en Charlie Rich en hun onafscheidelijke hits The Most Beautiful Girl in The World, Rose Garden en Kiss an Angel Good Morning.

tekst en research: Marc Brillouet

© 2015 Daisy Lane & Marc Brillouet